Beantwoording van vragen begrotingsbehandeling (36410-VII overige beleidsartikelen incl. 36410-B en 36410-C)
Bijlage
Nummer: 2023D42988, datum: 2023-10-18, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Bijlage bij: Schriftelijke antwoorden op vragen gesteld tijdens de eerste termijn van de begrotingsbehandeling van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op 17 oktober 2023 (2023D42987)
Preview document (š origineel)
Vragen van het lid Simons, C. (VVD)
Vraag:
In de Staat van de Rijksverantwoording wordt door de Algemene Rekenkamer
aandacht gevraagd voor onvolkomenheden in het financieel beheer die vaak
tot uiting komen bij de inkoop. In dat kader werd de minister van BZK
aangesproken vanuit zijn coƶrdinerende rol voor de Rijksbrede inkoop.
Daarnaast constateert de Algemene Rekenkamer dat de toezichthoudende rol
van de staatssecretaris op het Rijksbrede IT-beheer tekortschiet. Graag
een reflectie van beide bewindspersonen op deze punten.
Antwoord:
De Algemene Rekenkamer constateert dat het toezicht op inkoopprocedures
tekortschiet en vraagt mij daar vanuit mijn coƶrdinerende rol meer op
toe te zien. Vanuit mijn coƶrdinerende rol stel ik de Rijksbrede kaders
en randvoorwaarden vast die voor een professionele en rechtmatige inkoop
nodig zijn. Periodiek bespreekt de Chief Procurement Officer (CPO) Rijk
van mijn ministerie al de stand van zaken met de overige ministeries en
maakt hij verbeterafspraken daar waar die nodig zijn. Indachtig de
opmerkingen van de Algemene Rekenkamer zal de CPO Rijk op basis van
stelselverantwoordelijkheid bovendien starten met een
interdepartementale aanpak om systematisch te bevorderen dat de
vigerende inkoopprocedures worden nageleefd en de financiƫle
administraties worden verbeterd.
De bevindingen, conclusies en aanbevelingen van de Algemene
Rekenkamer ten aanzien van IT-beheer worden omarmd. De staatssecretaris
onderschrijft de behoefte aan een stevigere kaderstellende en
regisserende rol voor BZK om adequater te kunnen sturen op de opgaven
waar we voor staan.
Daarom werkt de staatssecretaris aan een algemene herziening van het
CIO-stelsel om de toezichthoudende rol steviger in te kunnen vullen. Dit
houdt in dat er in het eerste kwartaal van 2024 een update komt op het
besluit CIO-stelsel waarin een aantal āno regretsā wordt opgenomen die
hoog op de prioriteitenlijst staan, zoals:
Het toevoegen van onderraden aan het CIO-beraad: CTO-raad (Chief Technology Officer), Architectuurraad, CPO-raad (Chief Privacy Officer) en de CDO-raad (Chief Data Officer)
Het opnemen van spelregels voor de (onder)raden over de wijze van besluitvorming.
Tot slot wordt er een evaluatie van het huidige CIO-stelsel
uitgevoerd door de ADR. De resultaten verwacht de staatssecretaris in
het voorjaar van 2024, waarna deze kunnen worden meegenomen in de
noodzakelijke versterking van het stelsel.
Voor de onvolkomenheid in het Rijksbreed IT-beheer constateert de
Algemene Rekenkamer dat in 2022 stappen zijn gezet om de Rijksbrede rol
van BZK in het CIO-stelsel beter in te vullen.
De Algemene Rekenkamer geeft daarbij aan dat de kaderstellende rol verder wordt ingevuld, maar dat de toezichthoudende rol nog niet is ingevuld. De openstaande actiepunten komen daarom ook terug in de vervolgaanpak voor deze onvolkomenheid. In 2023 en 2024 zullen de verbetermaatregelen verder worden geĆÆmplementeerd.
De volgende twee belangrijke maatregelen worden genomen:
Door een jaarlijks terugkerend inzicht in de volwassenheid van het IT-beheer kan waar nodig actief gestuurd worden op het verbeteren van het IT-beheer. Deze sturing zal voornamelijk gedaan worden via dezelfde methode die nu gebruikt wordt voor de informatiebeveiliging binnen het stelsel van de Chief Information Security Officers (CISO)(namelijk via CIO-, CTO- en CISO-gesprekken en de hieraan gerelateerde interdepartementale overleggen). De hiervoor genoemde āC-functionarissenā van de verschillende departementen gaan twee keer per jaar met elkaar in gesprek over de departementale plannen om de bedrijfsvoering te verbeteren en rapporteren daarover aan CIO Rijk. De CIO Rijk zal ze in het jaarlijkse gesprek aanspreken als blijkt dat er onvoldoende inzicht of voortgang is.
De door CIO Rijk beheerde kaders met betrekking tot IT-beheer zullen in een jaarlijkse cyclus worden beoordeeld door de departementen. Deze beoordeling zal gebruikt worden om procesmatig bestaande kaders, zoals bijvoorbeeld de Baseline Informatiebeveiliging Overheid (BIO), aan te passen of nieuwe toe te voegen, zoals bijvoorbeeld het handboek lifecyclemanagement (LCM). Deze kaders zijn gericht op de continuĆÆteit (onderhouden, beveiligen en vernieuwen) van IT-systemen.
De Kamer zal dit kwartaal, net als vorig jaar, een brief ontvangen met een update op de openstaande bevindingen uit het verantwoordingsonderzoek.
Vraag:
Het probleem is nog steeds dat ministeries en uitvoeringsorganisaties
onvoldoende integraal samenwerken. De Algemene Rekenkamer heeft hier
eerder ook opmerkingen over gemaakt, net als de Tijdelijke Commissie
Uitvoeringsorganisaties (commissie Bosman). Graag een reactie van de
staatssecretaris van BZK hierop.
Antwoord:
Er is het kabinet veel aan gelegen een overheid te zijn die burgers en
bedrijven en de opgave centraal stelt. Dat betekent een overheid die
echt contact maakt, luistert naar wat mensen meemaken of overkomt en bij
onvoorziene of onevenredige uitkomsten van beleid of regelgeving naast
de burger gaat staan. Betrouwbaar, dienstbaar en dichtbij.
De focus op de samenleving vereist een aanpak over grenzen van
ministeries en andere overheidsorganisaties heen. Dat vraagt om andere
werkwijzen, cultuur en gedrag. Bij ambtenaren, de teams waarin ze werken
en bij leidinggevenden. Op de ministeries en andere
overheidsorganisaties wordt hier op allerlei manieren hard aan gewerkt.
Een sprekend voorbeeld van een overheid die luistert en contact maakt,
is dat van DUO die met studenten tevoren al in gesprek gaat over de
invoering van de nieuwe studiefinanciering.
Vanuit de coƶrdinerende verantwoordelijkheid van de staatssecretaris van
BZK voor de kwaliteit van de rijksoverheid, stimuleert het Rijksbrede
programma Grenzeloos Samenwerken bijvoorbeeld een bewustwordings- en
cultuurveranderingsproces, waarin via tal van activiteiten de publieke
kernwaarden en grenzeloos samenwerken tot leidraad in ons handelen wordt
gemaakt. Ook werken we concreet aan het realiseren van een
cultuurvergadering met behulp van de Gids Ambtelijk Vakmanschap waarin
samen met ambtenaren zeven basisprincipes voor ons werk zijn
vastgelegd.
Vanuit het principe āwerken vanuit de opgaveā wordt gestimuleerd dat de doelgroep waarvoor we het doen, nadrukkelijk betrokken wordt bij het werken aan die opgave. Je inleven in situaties waarin de doelgroep zich bevindt, is daarbij noodzakelijk: wie is de mens of het bedrijf achter de opgave, wanneer is diegene geholpen en wat is daarvoor nodig?
Vanuit het programma wordt ondersteuning geboden bij het werken aan opgaven; ook geven we training voor het geven van professionele tegenspraak en voor het bespreekbaar maken van morele dilemmaās. We brengen goede voorbeelden van samenwerken in beeld en we maken bespreekbaar waar het minder goed loopt, om ervan te leren. Het doel is dat rijksambtenaren bekend zijn met deze principes en bekwaam zijn hiermee te werken.
In reactie op de vraag hoe het specifiek staat met de uitvoering van het ārapport Bosmanā ā bedoeld is het rapport van de Tijdelijke commissie Uitvoeringsorganisaties (TCU), āKlem tussen balie en beleidā ā kan ik u aangeven dat er een begin is gemaakt met het benodigde veranderproces. Veel van de door de commissie gedane aanbevelingen vragen een langjarige inspanning van een groot aantal betrokkenen binnen de overheid. Het kabinet koos er eerder voor de aanbevelingen vanuit de rapporten Werk aan Uitvoering (WaU), het rapport āOngekend onrechtā van de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag (POK) en het rapport van de TCU samen te voegen onder een meerjarige overheidsbrede Werkagenda voor Publieke Dienstverlening, genaamd Werk aan Uitvoering. Met deze Werkagenda wilde het kabinet de dienstverlening meer laten aansluiten bij de behoeften en verwachtingen van mensen, nu en in de toekomst. Hiermee zette het kabinet in op een duurzame verbetering van het overheidshandelen in de volle breedte, met een horizon van tien jaar. In de afgelopen periode zijn in ieder geval al verschillende zaken gerealiseerd:
Vanuit Rijksoverheid.nl wordt met de āchecklists levensgebeurtenissenā gewerkt aan een overheidsbrede basis voor landelijke informatievoorziening (digitaal loket). Zo krijgen mensen direct overzicht van wat ze moeten doen bij het krijgen van een kind of als nabestaande. Inmiddels zijn zoān 30 checklists gerealiseerd.
In Amsterdam, Utrecht en Enschede zijn in de praktijk overheidsbrede loketten ingericht, waar mensen via alle kanalen toegang hebben tot de overheid. Hier werken de gemeenten, gemeentelijke instanties en de grote uitvoeringsorganisaties nauw samen. Bij samenloop van problematiek heeft een overheidsdienstverlener tijd voor het goede gesprek met de burger en zorgt voor de coƶrdinatie om te komen tot een antwoord of oplossing. Het zou immers niet moeten uitmaken bij welke instantie of organisatie (landelijk of lokaal) iemand aanklopt: de overheid werkt collectief aan de oplossing (zie voorts het antwoord op de vraag van het lid Temmink over duidelijke overheidscommunicatie).
Met het programma Interbestuurlijke Datastrategie werkt het ministerie van BZK aan een aanpak om data op een verantwoorde manier beschikbaar te maken voor maatschappelijke opgaven. Onderdeel van de datastrategie is om samen met alle bestuurslagen, wetgevers en uitvoeringspraktijk de dienstverlening te verbeteren door data beter toegankelijk, vindbaar en herbruikbaar te maken. Met inachtneming van wat juridisch mag en aandacht voor wat ethisch wenselijk is en technisch kan.
Vraag:
Hoe kan de minister bevorderen dat er bij de uitbreiding van taken van decentrale overheden ook wordt gedacht aan ondersteuning?
Antwoord:
In de Kamerbrief van mijn voorganger van 4 september jl. wordt een breed pakket aan maatregelen aangekondigd, die ook zien op de versterking van het ondersteunend instrumentarium van decentrale volksvertegenwoordigers, die de werkdruk moeten verlichten. EƩn daarvan noem ik hier in het bijzonder: ik ga verkennen of het aantal volksvertegenwoordigers nog wel toereikend is om het werk te doen, ook gegeven de gegroeide takenlast van gemeenten en provincies over de afgelopen jaren. Dit onderzoek moet uitwijzen of een verhoging van het aantal raads- en statenleden de werkdruk kan verminderen. Medio 2024 hoop ik u te kunnen informeren over de uitkomsten hiervan.
Daarnaast wil ik nieuwe wettelijke taken alleen na een zorgvuldig proces bij gemeenten beleggen, daarvoor heb ik de uitvoerbaarheidstoets decentrale overheden (UDO) ontwikkeld en werk ik aan een beleidskader decentraal bestuur. Een goed functionerend decentraal bestuur heeft een goed functionerende volksvertegenwoordiging nodig en daarvoor is voldoende ondersteuning van die decentrale volksvertegenwoordigers van groot belang. Ik herken het signaal dat zij kampen met hoge tijds- en werkdruk. In mijn brief van september jl. heb ik uiteengezet met welke maatregelen (bijvoorbeeld via āhulptroepenā) ik dat probeer tegen te gaan. Wel wil ik ervoor waken dat er altijd maar meer maatregelen nodig zijn om de werkdruk te verlagen. Andere manieren van werken binnen de bestaande mogelijkheden kunnen even goed bijdragen aan het verlagen van de werkdruk. Daar ligt ook een verantwoordelijkheid voor gemeenten, gemeenteraden en individuele volksvertegenwoordigers en bestuurders zelf.
Vraag:
In het kader van goede samenwerking tussen decentrale overheden en die verantwoording wil ik de minister vragen hoe die decentrale samenwerkingen verder kunnen worden verbeterd en zeker, op het democratische aspect.
Antwoord:
Ik deel de waarde die de heer Simons hecht aan de democratische controlemogelijkheden op samenwerkingsverbanden. Daarom is de Wet gemeenschappelijke regelingen per 1 juli 2022 gewijzigd. Daarmee hebben volksvertegenwoordigers meer bevoegdheden om invloed uit te oefenen op het bestuur van gemeenschappelijke regelingen. Denk daarbij aan het kunnen maken van afspraken over verplichte evaluatie van een regeling of de mogelijkheid om een gezamenlijke enquĆŖte uit te voeren naar het functioneren van een gemeenschappelijke regeling als geheel. De implementatietermijn van de wet loopt nog tot de zomer van 2024. In deze periode kunnen de gemeenschappelijke regelingen nog aangepast worden. Ik geef deze recente wetswijziging graag eerst de kans, voordat ik nadere acties in gang zet. Uiteraard blijf ik me via handreikingen inzetten voor een goede voorlichting van decentrale volksvertegenwoordigers en bestuurders ten aanzien van regionale samenwerkingsverbanden.
Vragen van het lid Temmink, N. (SP)
Vraag:
Deze Kamer heeft een motie aangenomen van de SP dat er altijd een
laagdrempelig alternatief voor digitale communicatie mogelijk moet zijn.
Ook nam deze Kamer een motie aan dat er altijd een telefoonnummer op een
brief moet staan zodat mensen iemand kunnen spreken. Hoe staat het met
de uitvoering van deze moties?
Antwoord:
Stand van zaken uitvoering SP motie inzake het laagdrempelig
alternatief.
Naast digitaal contact moet er altijd een niet-digitaal alternatief
zijn. Mensen die vragen hebben over de (digitale) overheid kunnen altijd
fysiek terecht bij de Informatiepunten Digitale Overheid. Vanaf 1 juli
2024 wordt de wet elektronisch bestuurlijk verkeer van kracht. Burgers
hebben dan het recht om officiƫle berichten zoals een bezwaarschrift op
elektronische wijze aan een bestuursorgaan te sturen. Dit laat onverlet
dat mensen op grond van de Algemene wet bestuursrecht altijd de keuze
hebben tussen digitale dan wel communicatie per post.
Stand van zaken motie Grinwis/Leijten die vraagt om de opname
van contactgegevens bij besluiten
Aan deze motie wordt uitvoering gegeven met het wetsvoorstel Wet
versterking waarborgfunctie Awb dat ik samen met de minister van
Rechtsbescherming maak. Hiermee zijn bestuursorganen voortaan verplicht
om bij besluiten contactgegevens op te nemen. Bestuursorganen zijn vrij
in de wijze waarop ze contactgegevens opnemen. Dit kan daarmee ook een
centraal telefoonnummer zijn dat altijd wordt opgenomen, maar waarna
mensen worden doorverbonden naar de juiste afdeling of contactpersoon.
Dit verschilt per organisatie. Door dit te doen kunnen mensen contact
leggen met de overheid en bijvoorbeeld uitleg vragen of zelf een
toelichting geven. Ik verwacht dat dit bijdraagt aan betere publieke
dienstverlening. Het wetsvoorstel waar ook de heer Sneller van D66 naar
verwees, gaat eind dit jaar in (internet)consultatie en is in de
voorontwerp- (pre-consultatie) versie tevens aan de Kamer
toegezonden.
Vraag:
De Kamer heeft al vaak gevraagd om duidelijke overheidscommunicatie.
Waar kunnen mensen terecht als zij een brief niet begrijpen?
Antwoord:
Mensen kunnen altijd terecht bij de afzender van de brief. Bijvoorbeeld
bij gemeentehuizen, stadskantoren, de steunpunten van de
Belastingdienst, de balies van SVB bij een aantal gemeenten, de
servicekantoren van DUO en de kantoren en werkpleinen van UWV. Daarnaast
kunnen mensen ook altijd bellen of mailen. De telefoonnummers van deze
organisaties staan altijd vermeld op de brief die een burger heeft
ontvangen. Dit kan, zoals ik bij de vorige vraag al aangaf, ook ƩƩn
centraal telefoonnummer zijn, waarbij mensen worden doorverbonden naar
de juiste afdeling of contactpersoon die hen helpt met hun vraag. Een
aantal gemeenten kiest hiervoor in verband met het
veiligheidsaspect.
Voor laagdrempelig fysiek contact in de buurt biedt het Informatiepunt
Digitale Overheid (IDOās) iedereen informatie of hulp. De
IDO-medewerkers geven direct hulp en uitleg of verwijzen door naar hulp
in het netwerk. Er zijn 686 Informatiepunten Digitale Overheid verspreid
over Nederland.
Daarnaast werken we nu in drie pilots aan overheidsbrede lokketten. Overheidsbrede loketten bieden uitkomst voor mensen die iets moeten regelen met de overheid en hier zelf niet (meer) uitkomen, bijvoorbeeld wanneer er meerdere overheden betrokken zijn.
In Amsterdam, Utrecht en Enschede zijn van deze overheidsbrede loketten ingericht. Hierin werken de gemeenten, gemeentelijke instanties en de grote uitvoeringsorganisaties nauw met elkaar samen. Bij samenloop van problemen kunnen mensen bij dit overheidsbrede loket terecht, waar men tijd voor het goede gesprek met de burger heeft en zorgt voor de coƶrdinatie om te komen tot een antwoord of oplossing. Eind 2023 volgt een advies over de effectieve inrichting van de loketten en te nemen vervolgstappen op basis van de lessen vanuit deze praktijkinitiatieven en onderzoek.
Vraag:
Het ministerie van BZK heeft samen met wetenschappers een netwerkscan
ontwikkeld om de netwerken tussen verschillende functionarissen in kaart
te brengen. In dat kader zou er een pilot worden uitgevoerd op het
ministerie van BZK. Wat is hier de stand van zaken van? En kan de
staatssecretaris van BZK toelichten waarom de onderzoekers die betrokken
zijn bij deze pilot bezwaar hebben tegen de manier waarop de pilot nu is
vormgegeven?
Antwoord:
De netwerkscan waarnaar u refereert is in eerste instantie ontwikkeld
voor en in uitvoering genomen door gemeenten. De staatssecretaris van
BZK is conform de toezegging van haar ambtsvoorganger voornemens om de
motie van het lid Leijten (SP) uit te voeren. Daartoe wordt een
aanbesteding gestart om te zoeken naar een geschikte partij die deze
netwerkscan kan doorontwikkelen voor toepassing in een pilot binnen het
ministerie van BZK.
In uw vraag benoemt u dat de betrokken onderzoekers bezwaar zouden
hebben geuit over de manier waarop de pilot nu is vormgegeven. Dit is
echter niet het geval. In de aanloop naar het aanbestedingstraject heeft
het ministerie van BZK contact gehad met de op dat moment betrokken
onderzoekers, waarbij met name is gesproken over de inhoudelijke
kwaliteit van de doorontwikkeling van de scan alsook de regels die van
toepassing zijn in de aanbestedingsprocedure. Het ministerie van BZK zal
gedurende het hele traject voortdurende aandacht hebben voor het borgen
van de wetenschappelijke integriteit.
Vraag:
In 2026 loopt het tekort van gemeenten op naar 2,3 miljard en het tekort van provincies naar 414 miljoen. Is de minister dat met de SP eens dat als er in Den Haag niet goed wordt gezorgd voor de lokale overheid, de dichtstbijzijnde overheid niet goed voor haar eigen inwoners kan zorgen? Ziet deze minister ook dat de positie van lokale zeggenschap onder druk staat en dat het tijd wordt voor een fundamentele herbezinning op hoe we ons lokale bestuur hebben ingericht?
Antwoord:
Het uitgangspunt is dat medeoverheden over voldoende middelen beschikken om hun (wettelijke) taken adequaat te vervullen. Allereerst wil ik benadrukken dat het verschil tussen de oude en de nieuwe financieringssystematiek inderdaad 2,7 miljard bedraagt, maar dat dit niet wijst op een tekort bij gemeenten en provincies. Immers wat betreft de financiƫle middelen geldt voor de gemeenten en voor de provincies dat ze er deze kabinetsperiode op vooruit zijn gegaan. Zo is onder andere voor gemeenten en provincies de oploop van de opschalingskorting geschrapt en hebben gemeenten in lijn met de uitspraak van de Commissie van Wijzen additionele middelen voor jeugdzorg beschikbaar ontvangen. Bovendien zijn er deze kabinetsperiode voor de uitvoering van een aantal specifieke dossiers zoals klimaat en mobiliteit extra middelen via fondsen beschikbaar gesteld. Tot slot kan nog opgemerkt worden dat de accressen deze kabinetsperiode door de hoge Rijksuitgaven relatief zeer hoog zijn.
Op dit moment, zie ook mijn brief over Integraal Overzicht FinanciĆ«n Gemeenten en Provincies van 16 oktober jl., is de financiĆ«le positie van medeoverheden dan ook relatief gunstig. De gemeenten hebben hoge gezamenlijke exploitatieoverschotten (⬠1,8 mld. in 2021 en ⬠3,8 mld. in 2022). De positieve exploitatieresultaten zorgden de afgelopen jaren voor een verbetering van de reservepositie. De solvabiliteit ā het deel van de gemeentelijke bezittingen dat met eigen vermogen is gefinancierd ā steeg van 37 procent in 2020 naar 40 procent in 2022. Provincies lieten in 2022 een bescheiden gezamenlijk tekort zien, van ⬠10 mln., na enkele jaren van overschotten in de orde van 1 tot 2 procent van de baten. De gezamenlijke solvabiliteit is weliswaar iets gedaald, maar is met 75 procent nog altijd ruim afdoende.
Voor de toekomst, 2026 en verder, geldt dat het kabinet bij Miljoenennota 2023 en Voorjaarsnota 2023 besloten om in aanloop naar de nieuwe financieringssystematiek in 2026 structureel 1,1 miljard extra budget toe te kennen. Dit komt bovenop het budget dat bij de startnota 2022 beschikbaar is gesteld (1 miljard accres bovenop de stand van de miljoenennota 2022). Verder worden het Gemeente- en Provinciefonds (GF en PF) vanaf 2027 geïndexeerd op basis van de ontwikkeling van het bruto binnenlands product. De Afdeling advisering van de RvS heeft in haar Voorjaarsrapportage 2023 laten weten dat ze de overstap naar een nieuwe meerjarensystematiek voor de financiën van medeoverheden positief acht en naar haar verwachting de nieuwe systematiek meer stabiliteit, rust en duidelijkheid brengt voor gemeenten en provincies.
Tijdens het Overhedenoverleg op 6 september is met elkaar gesproken over de balans tussen ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht. Dit vanuit de gedeelde verantwoordelijkheid en de ervaren urgentie om gezamenlijk voor de inwoners van Nederland aan de grote maatschappelijke opgaven te werken. Daarbij is ook gesproken over het belang van financiële middelen, die daarmee in evenwicht zijn. Ik heb uw Kamer hierover geïnformeerd door middel van een Kamerbrief. De daarin opgenomen afspraken worden te komende periode verder opgepakt.
Zoals u stelt ontbreekt het op dit moment aan een helder kader voor het toedelen van taken en bevoegdheden aan het decentraal bestuur. Om deze reden wordt in de Actieagenda Sterk Bestuur aangekondigd dat ik werk aan een beleidskader decentraal bestuur. Een kader waarin staat welke taak bij welke bestuursvorm past. Indien op basis van het beleidskader de keuze voor het beleggen van een nieuwe taak op een van de decentrale overheden valt, wordt vervolgens met de uitvoerbaarheidstoets decentrale overheden (UDO) in kaart gebracht hoe een nieuwe taak uitvoerbaar is en voorzien wordt van passende en bestuurlijke arrangementen.
Vragen van het lid Teunissen, J.C.M. (D66)
Vraag:
Hoe beoordeelt de staatssecretaris de communicatie vanuit de overheid?
Ziet zij mogelijkheden voor verbetering? En vindt zij ook dat alle
overheidscommunicatie ā berichten, brieven en besluiten ā duidelijk en
toegankelijk moet zijn?
Antwoord:
Uit onderzoek van de HAN-monitor (HAN = Hogeschool Arnhem Nijmegen)
blijkt dat overheidsteksten voor zeker 30% van de Nederlandse bevolking
niet begrijpelijk zijn. Dit komt door de lange zinnen, het gebruik van
moeilijke woorden en de vele afkortingen. Dit moet veel beter en dat kan
ook!
Zoals de staatssecretaris al vaker in debatten en brieven aan uw Kamer heeft gemeld, moet de overheid begrijpelijker communiceren naar burgers. Als overheidsorganisaties hun teksten testen met de doelgroep weten ze zeker dat de boodschap begrijpelijk is. Bevindingen uit deze testen en verbeterde brieven kunnen zij dan met elkaar delen. Een andere verbetering die onderzoekers geven is dat de teksten korter moeten, een vriendelijkere toon moeten hebben en meer gepersonaliseerde informatie moeten bevatten.
Op dit moment is al een wijziging van de algemene wet bestuursrecht
(awb) in voorbereiding waarin wordt meegenomen dat de motivering van
besluiten begrijpelijk moet zijn voor de belanghebbenden. Dat betekent
concreet dat teksten afgestemd moeten zijn op het taalgebruik en de
belevingswereld van de doelgroep. Dit kan door de begrijpelijkheid van
de teksten te toetsen bij de doelgroep. Het resultaat van deze aanpak is
dat bijvoorbeeld de uitleg waarom iemand wel of geen vergunning krijgt
voor diegene begrijpelijk is. Voor laagdrempelig fysiek contact in de
buurt biedt een van de 686 Informatiepunten Digitale Overheid (IDOās)
informatie of hulp. De IDO-medewerkers geven direct hulp en uitleg of
verwijzen door naar hulp in het netwerk.
Naast begrijpelijk zijn, is het ook belangrijk dat overheidsinformatie
digitaal toegankelijk is. Hiervoor geldt de wettelijke verplichting voor
digitale toegankelijkheid, waarbij overheidsorganisaties verplicht zijn
hun communicatie digitaal toegankelijker te maken voor mensen met een
beperking.
Vraag:
Hoe beoordeelt de minister de scores van onze jongeren op het gebied van democratie en rechtsstaat
Antwoord:
Ik heb hierbij een gemengd beeld. Het Sociaal en Cultureel Planbureau laat zien dat jongere leeftijdsgroepen niet minder vertrouwen hebben in de democratie of overheid dan oudere leeftijdsgroepen. Uit het door BZK gefinancierde Adolescentenonderzoek (2019-nu) blijkt bovendien dat scholieren in de eerste klas van het voortgezet onderwijs de kernwaarden van de democratische rechtstaat in hoge mate ondersteunen. In het derde leerjaar zien de onderzoekers enkele grote verschuivingen. Ten eerste zien ze een grotere hechting aan de (representatieve) democratie. Het percentage leerlingen dat het belangrijk vindt te leven in een democratisch land is fors gestegen van 49% in jaar twee naar 65% in jaar drie. Ook geven leerlingen vaker aan te zullen gaan stemmen als ze volwassen zijn. Dat vind ik goed nieuws. Ik zie echter ook zorgelijke signalen, namelijk de grote verschillen tussen jongeren onderling op basis van achtergrondkenmerken, zoals opleiding, sociaaleconomische status en gender.
Vraag:
Wat vindt de minister van de verschillen tussen jongeren onderling?
Antwoord:
Het is zorgelijk dat we systematisch grote verschillen zien in democratisch bewustzijn tussen jongeren op basis van schoolniveau, sociaaleconomische status van hun ouders en geslacht. Hierbij zien we dat vwo-leerlingen meer kennis, vertrouwen en interesse in de democratie hebben dan leerlingen in het vmbo. Deze verschillen ontstaan al op vroege leeftijd en verdwijnen niet gedurende de schoolperiode.
Vraag:
Wat wordt er momenteel gedaan om jongeren in alle regioās van ons land te bereiken?
Antwoord:
Ik zet me vanuit mijn rol als hoeder van de democratische rechtsstaat actief in voor het versterken van democratisch burgerschap in alle regioās in Nederland met verschillende projecten. Zo wordt er met ProDemos samengewerkt om jongeren laagdrempelig kennis te laten maken met de democratie en rechtsstaat, zodat ze leren hoe ze daar zelf aan mee kunnen doen. In het regeerakkoord is benoemd dat het streven is om alle scholieren een bezoek aan het parlement te laten brengen. Daarnaast brengt ProDemos ook gastlessen op school en werken zij samen met gemeenten en provincies. Ook bied ik in samenwerking met scholen in Drachten en het Nederlandse Debat Instituut het project Politieke in Elke Klas (PIEK) aan. Dit project brengt scholieren van verschillende schoolniveaus samen om kennis en democratische vaardigheden op te doen, zoals debatteren. Daarnaast ondersteun ik Tienskip, een organisatie die zich inzet om jongeren wegwijs te maken in lokale democratie. Door middel van projectdagen werkt deze organisatie voor en door jongeren in Friesland aan het versterken van kennis, vaardigheden en invloed van jongeren in de lokale democratie. Met extra middelen die ik dit jaar extra heb vrijgemaakt kan Tienskip nu uitbreiden naar de provincies Groningen en Overijssel. Ook zet ik dit jaar nog extra in op het versterken van democratisch burgerschap voor jongeren binnen een aantal stedelijke focusgebieden van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid. Tenslotte kunnen inwoners vanaf 16 jaar deelnemen aan het nationaal burgerforum klimaat en energie.
Vragen van het lid Sneller, J. (D66)
Vraag:
Wat is de stand van zaken van de aanpassing van de Algemene Wet bestuursrecht, om de menselijke maat mogelijk te maken en de burger en de burger centraler te stellen?
Antwoord:
Het lid Sneller vroeg aandacht voor de motie Jetten/Marijnissen om de Algemene wet bestuursrecht aan te passen om de menselijke maat mogelijk te maken en de burger centraler te stellen. Ik ben het met hem eens dat het heel belangrijk is dat dit gebeurt. Ik licht daarom graag toe hoe we dit doen in het wetsvoorstel versterking waarborgfunctie Awb.
Met dit wetsvoorstel maken we het bestuursrecht meer mensgericht, juist in die gevallen waarin mensen in de knel kunnen raken. We maken de afstand tussen burger en overheid kleiner, dat is belangrijk voor het herstel van vertrouwen in de overheid. Het gaat onder andere om de toepassing van het evenredigheidsbeginsel als ventiel in gevallen waarin mensen in de knel raken, om
begrijpelijke motivering van besluiten, een aanspraak voor burgers op herstel van evidente fouten die zich voor gemakkelijk herstel lenen, meer aandacht voor betalingsregelingen en meer persoonlijk en passend contact met de overheid.
Graag geef ik een toelichting op waar we nu staan. Dit voorjaar is een voorontwerp van het wetsvoorstel in zogeheten pre-consultatie gegaan bij belanghebbenden zoals uitvoeringsorganisaties, de rechtspraak, de wetenschap en de Nationale ombudsman. Het doel van deze extra stap was de gevolgen van het wetsvoorstel vroegtijdig in kaart te brengen De pre-consultatie stukken van het wetsvoorstel zijn ook aan de Kamer toegestuurd.
De pre-consultatie is een groot succes geweest in die zin dat er massaal aan is deelgenomen. Er zijn schriftelijke reacties binnengekomen van uitvoeringsinstanties, decentrale overheden (o.a. VNG, Gemeente Rotterdam), de rechtspraak, de wetenschap en andere belanghebbenden, zoals de Nationale ombudsman. Daarnaast hebben KleinLef en het Netwerk voor Publieke Dienstverleners gezamenlijke reacties gestuurd. Verder hebben acht expert sessies plaatsgevonden, een sessie met burgers en twee bijeenkomsten met de vier hoogste rechters in het bestuursrecht en met de Raad voor de rechtspraak.
De pre-consultatiereacties worden momenteel verwerkt in het wetsvoorstel. De volgende stap is de gebruikelijke (internet)consultatie die eind van dit jaar zal starten.
Vragen van het lid Nijboer, H. (PvdA)
Vraag:
Wat gaat de staatssecretaris er concreet aan doen om op termijn aan de
Roemer-norm te kunnen voldoen?
Antwoord:
Deze week heeft de staatssecretaris van BZK een brief aan uw Kamer
gestuurd over de ontwikkelingen in aantallen rijksambtenaren en de
Rijksbrede externe inhuur. De toename van deze externe inhuur wordt voor
een groot deel verklaard door exogene factoren, zoals
arbeidsmarktkrapte, schadeafhandeling Groningen, de afhandeling van de
COVID-crisis en de afwikkeling van de problemen bij Toeslagen. Deze
oorzaken deden zich voor in de jaren waarin de norm is overschreden
(2020 12,2%, 2021 13,4% en 2022 14,2%). In de jaren daarvoor is de norm
nauwelijks overschreden (2018 10,7%, 2019 10,3%). Voor de Roemer-norm
geldt dat bij overschrijding een toelichting wordt gegeven (comply or
explain); de verantwoordelijkheid hiervoor berust bij elk
departement.
Binnen het Rijk lopen daarnaast diverse departementale en
interdepartementale initiatieven, vanuit het perspectief van strategisch
personeelsbeleid, op instroom en behoud van medewerkers met de intentie
om de kennis binnen de Rijksdienst te behouden en te borgen,
bijvoorbeeld door aantrekkelijk werkgeverschap via een marktconform
pakket aan arbeidsvoorwaarden, Rijksbrede wervingscampagnes en een
Rijksbreed studenten- en starterspakket en verschillende traineeships.
Mogelijke verdergaande maatregelen worden aan een nieuw kabinet
overgelaten. Het nemen van verdergaande maatregelen dient overigens
altijd te worden bezien en gewogen in relatie tot de maatschappelijke
opgaven. De overschrijding van de Roemer-norm in de afgelopen jaren is
vooral toe te schrijven aan arbeidsmarktkrapte, herstel toeslagen,
schadeafhandeling Groningen en de afhandeling van de Covid-crisis.
Dergelijke maatschappelijke opgaven zijn niet op voorhand te
voorspellen; vandaar dat flexibiliteit in de organisatie van het Rijk
met betrekking tot de inzet van externe inhuur noodzakelijk is en
blijft.
Het ministerie van BZK sluit zich aan bij de genoemde maatregelen.
Daarnaast kan worden verwacht - met betrekking tot de groei van het
ministerie van BZK, zowel in aantal fteās als in takenpakket, en de
steeds krappere arbeidsmarkt - dat de externe inhuur hoog zal blijven.
Door het aantal niet te vervullen vacatures te verkleinen streeft het
ministerie van BZK ernaar het inhuurpercentage niet verder te laten
stijgen.
Vraag:
De realisatie van de Banenafspraak bij het Rijk stokt. Hoe gaat de
staatssecretaris ervoor zorgen dat hier op korte termijn verbetering in
plaats gaat vinden?
Antwoord:
De Banenafspraak komt voort uit het sociaal akkoord van 11 april 2013,
waarin kabinet, werkgevers en werknemers afspraken om voor 2026 125.000
banen te creƫren voor mensen met een arbeidsbeperking (waarvan 25.000
banen bij de overheid en 100.000 in de marktsector). In de Kamerbrief
van 7 oktober 2022 heeft het kabinet de voortgang van de realisatie van
de Banenafspraak binnen het Rijk met uw Kamer gedeeld. Het klopt helaas
dat de realisatie van banen onder de Wet Banenafspraak binnen de
overheid nog achterblijft.
Ministeries zijn primair zelf verantwoordelijk voor het creƫren van banen. Als coƶrdinerend bewindspersoon monitort de staatssecretaris van BZK de realisatie en zorgt de staatssecretaris van BZK er ook voor dat Rijksbreed afspraken worden gemaakt over de realisatie van de Banenafspraak. In algemene zin is er binnen het Rijk veel commitment en bereidheid om de banen te realiseren voor de doelgroep van de Banenafspraak.
Zoals met uw Kamer gedeeld in de Kamerbrief van 7 oktober 2022 plegen we langs vier verschillende sporen inzet op de Banenafspraak: individuele plaatsingen, plaatsingen in teamverband en het realiseren van banen door middel van Social Return. Ondanks dat de laatstgenoemde banen niet meetellen voor het quotum van de overheid, zijn de potentie en impact hiervan groot.
Binnen de ministeries zijn kandidaten op allerlei functies aan het werk, eventueel met aangepaste takenpakketten. Medewerkers worden begeleid naar behoefte en waar dat gewenst is. Ook de aanpak van de Rijksbreed opererende organisatie Binnenwerk is succesvol gebleken. Binnenwerk richt zich op collectieve plaatsingen op het gebied van gebouwassistentie, catering of bos- en natuurbeheer bij Staatsbosbeheer.
Naast het realiseren van directe banen droegen rijksoverheidsorganisaties de afgelopen jaren ook bij aan duurzaam werk voor mensen van de doelgroep door als springplank te fungeren naar een carriĆØrestap binnen en buiten de rijksoverheid. In het laatste geval neemt het aantal gerealiseerde banen door de betreffende organisaties af, maar leveren zij in algemene zin wel een belangrijke bijdrage aan de Banenafspraak. Hetzelfde geldt voor banen gerealiseerd door middel van Social Return.
In sommige gevallen is de aard van het werk echter een extra drempel om reguliere banen goed aan te laten sluiten op de behoeften vanuit de doelgroep, waarbij met name moet worden gedacht aan de zogenoemde 'executieve functies' (bijvoorbeeld de Dienst Justitiƫle Inrichtingen). Maatwerk is mogelijk, maar om dit op grote schaal te bewerkstelligen, inclusief de benodigde specialistische begeleiding, is een uitdaging.
Om te zorgen dat de komende jaren versneld meer mensen met een arbeidsbeperking aan het werk komen bij de rijksdienst, is eind vorig jaar extra inzet van de sector Rijk op twee punten aangekondigd: centrale financieringsconstructie en meer inzet voor de realisatie van banen via inkoop (Social Return). Medio november informeert de staatssecretaris van BZK u nader over de verdere aanpak en realisatie van de Banenafspraak binnen het Rijk.
Vragen van het lid Nijboer en het lid Koekkoek:
Vraag van het lid Nijboer: Het kabinet heeft ambities voor de langere termijn voor woningbouw en betere bestaanszekerheid. Als gemeenten steeds meer taken toebedeeld krijgen, dan gaat dat niet zonder geld. Ik vraag de minister hoe hij denkt dat het tot een goed einde komt, dat gemeenten meerjarig kunnen kijken waar ze in moeten investeren.
Vraag van het lid Koekkoek: Ik wil de minister vragen of hij een mogelijkheid ziet om de opschalingskorting voor gemeenten te schrappen, en of er nu al onderzoek loopt naar welke Europese fondsen nog beschikbaar zijn?
Antwoord:
Tijdens het Overhedenoverleg op 6 september is met elkaar gesproken over de balans tussen ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht. Dit vanuit de gedeelde verantwoordelijkheid en de ervaren urgentie om gezamenlijk voor de inwoners van Nederland aan de grote maatschappelijke opgaven te werken. Daarbij is ook gesproken over het belang van financiƫle middelen, die daarmee in evenwicht zijn. Vanuit het gezamenlijke belang dat opgaven niet stil komen te liggen, is een aantal concrete afspraken gemaakt.
Ter bespreking in het Bestuurlijk Overleg Financiƫle Verhoudingen (BOFV) van november wordt de balans tussen ambities en financiƫle middelen opgemaakt. Het is aan een nieuw kabinet om hier een beslissing over te nemen. Ook worden de mogelijkheden in de regelgeving in kaart gebracht, om incidentele middelen en overschotten te kwalificeren als structureel dekkingsmiddel. De fondsbeheerders zullen hiertoe in goed overleg met gemeenten en toezichthouders voorstellen uitwerken. Dit kan gemeenten mogelijk op korte termijn helpen om waar nodig tijdelijk te overbruggen.
In de voorbereiding op een nieuw kabinet brengen Rijk en koepels daarnaast in gezamenlijkheid in kaart welke mogelijkheden er zijn in het realiseren van grote maatschappelijke opgaven, gegeven de beschikbare uitvoeringskracht. Hierbij wordt ook de actuele stand van de financiƫn in het gemeente- en provinciefonds in kaart gebracht.
Tot slot is de wens uitgesproken dat er jaarlijks een overleg komt in de setting van een Overhedenoverleg en erop te letten dat de decentrale overheden goed worden betrokken gedurende het formatieproces.
Vragen van het lid Dijk, Inge van (CDA)
Vraag:
Wij vinden de toename aan regels voor vrijwilligerswerk een ongewenste ontwikkeling. Veel regels worden overigens ook lokaal bepaald. Daarom zouden we het landelijk verenigingsonderzoek graag eenmalig per gemeente willen laten uitvoeren, zodat ook gemeenten inzicht krijgen in waar ze kunnen bijdragen aan die verbondenheid.
Antwoord:
Ik onderschrijf met het lid van Dijk het belang van het verenigingsleven. Het verenigingsleven biedt mensen onderlinge binding en verbondenheid met de samenleving. Het draagt bij aan actief burgerschap. Er zijn verschillende regelingen en programmaās waarmee het kabinet vrijwilligerswerk aantrekkelijker wil maken. Dit beleid wordt gecoƶrdineerd door mijn collega van VWS. Ik zal mijn collega van VWS erop wijzen dat u hier aandacht voor heeft gevraagd.
Vraag:
Vorig jaar heeft de minister een onderzoek aangekondigd naar de mogelijkheden voor een lager ozb-tarief gaat gelden voor sportaccommodaties, dorpshuizen en andere sociaalbelangbehartigende instellingen. Wat is de stand van zaken op dat punt? Als een wettelijke regeling niet goed mogelijk is, is de minister dan bereid om hiertoe een modelverordening te ontwikkelen met de VNG?
Antwoord:
Uw Kamer heeft de brief van mijn voorganger aangaande de resultaten overleg gemeenten over mogelijke tariefverlagingen Onroerendezaakbelasting controversieel verklaard. In deze brief heeft mijn voorganger aangekondigd een extern onderzoek te laten doen om te bezien of en hoe de uitvoerings- en toepassingsvraagstukken van art. 220f lid 2 Gemeentewet het beste kunnen worden geadresseerd. Dit eindrapport is inmiddels gereed en ik ben bezig met het formuleren van een reactie. Het rapport en de reactie zal ik binnenkort aan uw Kamer doen toekomen.
Vraag:
De Raad van State wijst wederom op de beperkte aandacht voor de samenwerking tussen de rijksoverheid en medeoverheden. Deze vraagt om groot onderhoud. Ik weet dat er gesprekken lopen tussen decentrale overheden en het Rijk over de financiƫn. Kan er snel een besluit worden genomen over hoe het huidige in de Gemeentewet genoemde criterium van structureel en reƫel evenwicht anders ingevuld of verbreed kan worden?
Antwoord:
Momenteel verkennen Rijk, decentrale overheden en financieel toezichthouders de mogelijkheden om gereserveerde middelen onder voorwaarden in te zetten als structureel dekkingsmiddel. Ook wordt voor de middellange termijn onderzocht of in het financieel toezicht andere begrippen, zoals wendbaarheid, een rol kunnen spelen naast het Structureel en Reƫel Evenwicht. Adequaat en houdbaar begrotingsbeleid blijft het uitgangspunt. Daarom benadruk ik hierbij dat dit traject om zorgvuldigheid vraagt.
Vraag:
Tijdens de vorige begroting BZK hadden we een motie ingediend over het afschaffen van de opschalingskorting, deze is aangehouden omdat het kabinet hiermee bezig was. Graag de toezegging dat we deze ambitie terug gaan zien in de volgende voorjaarsnota.
Antwoord:
Tijdens het Overhedenoverleg op 6 september is met elkaar gesproken over de balans tussen ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht. Dit vanuit de gedeelde verantwoordelijkheid en de ervaren urgentie om gezamenlijk voor de inwoners van Nederland aan de grote maatschappelijke opgaven te werken. Daarbij is ook gesproken over het belang van financiƫle middelen, die daarmee in evenwicht zijn. Er is vastgesteld dat de opschalingskorting zwaar weegt en een belangrijk gespreksonderwerp blijft.
Ter bespreking in het Bestuurlijk Overleg Financiƫle Verhoudingen (BOFV) van november wordt op een rij gezet welke plussen en minnen er zijn in de financiƫn van de medeoverheden met inbegrip van de opschalingskorting. Het is aan een nieuw kabinet om ten aanzien van de opschalingskorting besluiten te nemen. Mocht er nog geen nieuw kabinet zijn in april 2024, dan ligt de opschalingskorting op tafel bij de besluitvorming over de Voorjaarsnota. Zulks ook in het licht van de overheidsfinanciƫn op dat moment.
Vragen van het lid Graaf, S. van der (CU)
Vraag:
Voor de CU-fractie is het cruciaal dat er vaart wordt gemaakt met de
evaluatie van de pilot over de loketfunctie, zodat dit bij een volgende
kabinetsvorming op tafel komt te liggen. Delen de bewindslieden de
urgentie? En welke actie verbinden ze daaraan?
Antwoord:
Het kabinet onderkent de urgentie. Zoals toegezegd aan de Kamer komt de
staatssecretaris eind 2023 met een richtinggevend advies over de
inrichting van overheidsbrede loketten. Dit advies wordt gebaseerd op
ervaringen vanuit diverse bestaande loketinitiatieven in het land,
uitgevoerd onderzoek en de door u genoemde pilots, de overheidsbrede
loketten die in de praktijk zijn ingericht in Amsterdam, Utrecht en
Enschede.
Vraag:
Is de minister bereid om opnieuw naar de grondrechtencatalogus te kijken en in het bijzonder of het verbod op slavernij en dwangarbeid, maar bijvoorbeeld ook het recht op leven een plek zouden kunnen krijgen in onze Grondwet?
Antwoord:
Een uitbreiding van de catalogus van grondrechten in de Grondwet is niet aan de orde voor het kabinet. Voor zowel het verbod op slavernij en dwangarbeid als het recht op leven geldt dat deze rechten worden beschermd in het EVRM en andere internationale regelingen. Als zodanig kunnen zij door burgers voor de Nederlandse rechter worden ingeroepen. Specifiek met betrekking tot het verbod op slavernij en dwangarbeid wijs ik er daarnaast op dat het ā zij het in andere bewoordingen ā reeds besloten ligt in artikel 19 Grondwet, waarin het recht op vrije keuze van arbeid wordt erkend. Voor een nadere beschouwing van een recht op leven in de Grondwet kunt u terecht bij een verkennend onderzoek dat in 2009 in opdracht door het ministerie van BZK werd uitgevoerd. In dit onderzoek worden verschillende voor- en nadelen van een recht op leven in de Grondwet op een rijtje gezet, onder andere in samenhang met het vraagstuk van constitutionele toetsing. Dat heeft toen geen aanleiding gegeven voor verdere actie.
Vragen van het lid Van der Graaf en het lid Van Baarle:
Het lid Van der Graaf: We zien dat de middelen die met de motie van de heer Jetten in 2019 ter beschikking waren gesteld, volgend jaar aflopen en we weten dat de politieke partijen in een weerbare democratische rechtsstaat een belangrijke rol vervullen. Ik wil vragen of de minister het met ons eens is dat er een oplossing moet komen, nu er ook bij landelijke politieke partijen op het financiƫle vlak zorgen zijn over de toekomst.
Het lid van Baarle: Het is van groot belang dat politieke partijen die een vertegenwoordigende en controlerende rol hebben in ons democratisch bestel, sterk genoeg zijn om deze te vervullen. Daar hebben ze ondersteuning voor nodig. Ook de fractie van DENK doet een appĆØl op deze minister om de Jettengelden te continueren.
Antwoord:
Ik ben het van harte eens met mevrouw van der Graaf en de heer van Baarle dat politieke partijen een belangrijke rol spelen in onze parlementaire democratie. Daarom is het ook goed dat de kamer in 2019 de motie-Jetten heeft aangenomen. Hierin wordt het budget voor politieke partijen verhoogd met ⬠9 mln. per jaar tot en met 2024 en vanaf dan structureel met ⬠5 mln. Het is dus de Kamer zelf die gekozen heeft voor deze tijdelijke ophoging van de financiering. Op de consultatie van de Wet op de politieke partijen heeft een grote groep besturen van politieke partijen benadrukt dat dit knelt. Maar er is op dit moment in de begroting geen ruimte om deze ⬠4 mln. structureel te dekken. Dus hoewel ik de vraag van mevrouw van der Graaf en de heer van Baarle goed snap, zie ik op dit moment helaas geen mogelijkheden binnen mijn begroting.
Vragen van het lid Bisschop, R. (SGP)
Vraag:
Met regelmaat worden commissies ingesteld die een bepaald thema,
misverstand of calamiteit moet onderzoeken. Die commissies worden
ingesteld door de minister die het aangaat. Het lijkt er echter op dat
die instellingsbesluiten van die commissies erg kunnen variƫren. Kan de
staatssecretaris van BZK aangeven of er een bepaald kader is waaraan de
instellingsbesluiten worden getoetst, en zo ja, waarop dat kader is
gebaseerd?
Antwoord:
Onderzoekscommissies kunnen worden gecategoriseerd onder externe
commissies. Daarvoor bestaat de Leidraad externe commissies, die
handvatten geeft over de inhoud van instellingsbesluiten, bijvoorbeeld
over de mate van onafhankelijkheid en de bevoegdheden. De Leidraad volgt
op veel punten de Kaderwet adviescolleges, die bedoeld is voor
adviescolleges die adviseren over beleid. Dat de instellingsbesluiten
gevarieerd zijn, komt niettemin vanwege de grote verscheidenheid van
onderzoeksvragen die afzonderlijke commissies krijgen. Daarvoor biedt de
Leidraad ruimte. Wel wordt de Leidraad momenteel door BZK
geactualiseerd, in het licht van de brede evaluatie van de verschillende
kaders voor de zogenoemde organisaties op afstand ā waaronder ook de
rijksinspecties vallen ā ten behoeve van verdere integratie en
harmonisatie van deze kaders in de toekomst.
De doelen van de opvolging van de evaluatie zijn een eensluidend, samenhangend en volledig stelsel van kaders voor organisatievormen, een herkenbaar eenduidig en geharmoniseerd stelsel en een goede balans van verscheidene publieke waarden (Kamerstuk 31490, nr. 323).
De Leidraad zal het gemakkelijker maken om te weten wanneer, waarom en hoe een commissie is op te richten en hoe om te gaan met de commissieleden en het secretariaat. Van de gelegenheid wordt gebruikgemaakt om de Leidraad aan te vullen met een regeling over de werkwijze van onderzoekscommissies, in lijn met de Kamerbrief van 1 oktober 2021 (Kamerstuk 31934, nr. 306) over een standaard voor onderzoek naar overheidshandelen. Tevens zijn suggesties van de Algemene Rekenkamer over diversiteit verwerkt, in aansluiting op een evaluatieonderzoek van de resultaten van de Kaderwet adviescolleges op dit onderwerp.
Vraag:
Kan de staatssecretaris van BZK aangeven hoe alle nazaten zich betrokken
kunnen blijven voelen bij de herdenking van het slavernijverleden? De
staatssecretaris van BZK schuift deze vraag nu min of meer door naar het
verantwoordelijke herdenkingscomitƩ, maar kan de staatssecretaris ingaan
op de uitgangspunten die hierin worden gehanteerd?
Antwoord:
De staatssecretaris van BZK is het met de heer Bisschop eens dat het
niet de bedoeling is dat bepaalde groepen nazaten zich buitengesloten
voelen bij de herdenking. Het uitgangspunt is namelijk juist dat
verschillende perspectieven in het koninkrijksbrede ComitƩ worden
gewaarborgd. Deze uitgangspunten worden samen met de gemeenschap verder
vormgegeven en getoetst door middel van meerdere dialoogsessies. Begin
oktober sprak de staatssecretaris van BZK daarover ook met nazaten over
tijdens de Caribische Catshuissessie in Sint Maarten en vanaf 26 oktober
2023 starten de dialoogsessies in het Europees deel van het Koninkrijk.
De speciaal gezant slavernijverleden voert hierover het gesprek met
nazaten in Suriname. Na deze koninkrijksbrede dialoog wordt uw Kamer
begin volgend jaar geĆÆnformeerd over de uitkomsten.
Vraag:
Mijn concrete vraag aan de minister is, is de minister bereid om alles in het werk te stellen om tot een zo eerlijk en duidelijk mogelijke analyse voor een toekomstperspectief t.a.v. het gemeente- en provinciefonds te komen en deze analyse klaar te hebben als het nieuwe kabinet van start gaat?
Antwoord:
Tijdens het Overhedenoverleg op 6 september is met elkaar gesproken over de balans tussen ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht. Dit vanuit de gedeelde verantwoordelijkheid en de ervaren urgentie om gezamenlijk voor de inwoners van Nederland aan de grote maatschappelijke opgaven te werken. Daarbij is ook gesproken over het belang van financiƫle middelen, die daarmee in evenwicht zijn.
Daarbij is afgesproken dat in de voorbereiding op een nieuw kabinet Rijk en koepels in gezamenlijkheid in kaart brengen welke mogelijkheden er zijn in het realiseren van grote maatschappelijke opgaven, gegeven de beschikbare uitvoeringskracht. Daarnaast worden de plussen en de minnen in het gemeente- en provinciefonds en de actuele stand van de financiƫn in kaart gebracht. Betrokkenen kunnen varianten uitwerken om de financieringssystematiek aan te passen.
Vraag:
Het adviesrapport Elke regio telt! geeft aan dat er een doorbraak nodig is om te zorgen dat gemeenten budgetten kunnen bundelen. Om de uitdagingen aan te kunnen, hebben gemeenten meer bestedingsvrijheid nodig. Die vrijheid moet volgens het rapport breder gelden dan alleen het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid. Welke stappen wil de minister zetten om te zorgen dat de gewenste doorbraak er gaat komen?
Antwoord:
In de kabinetsreactie op het advies Elke regio telt, verwijzen we onder andere naar het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid als voorbeeld van waaruit we als kabinet werken aan het versterken van de leefbaarheid en brede welvaart in specifieke gebieden met een meer integrale lange-termijnagenda.
Het kabinet ziet dit als een mooi voorbeeld om in de regioās waar dat nodig is, te kijken hoe een meer structurele samenwerking tussen Rijk en regio vorm kan krijgen voor de ontwikkeling van brede welvaart voor de lange termijn.
Met het Volkshuisvestingsfonds als stap ƩƩn en de Regeling Kansrijke wijk met middelen van OCW, VWS en SZW als stap twee, hebben we een aantal stappen de goede kant op gezet op het gebied van integrale financiering. Bij het vervolg op het rapport Elke regio telt kan ook gekeken worden naar bundeling van geldstromen. Dit wordt opgepakt in het kader van Elke regio telt. Ook in andere gesprekken met gemeenten en provincies is er aandacht voor bundeling van geldstromen.
Vraag:
Hoe de reageert de minister op de dagelijkse blokkade van de A12 of het einde daarvan gedurende een maand, in strijd met het verbod daarop van de burgemeester en dat de continuĆÆteit van het politiewerk onder druk kwam te staan? Is de minister ook van mening dat na zulke langdurige en intensieve acties niet kan worden volstaan met empathische woorden richting de burgemeester, maar dat we er met het oog op het functioneren van onze publieke taken niet aan ontkomen om de wetgeving op dit punt gewoon goed tegen het licht te houden?
Antwoord:
De aanpak van demonstraties, ook de demonstraties van XR op de A12, is een zaak van de lokale driehoek. Ik heb veel begrip voor de uitdaging waar zij voor staan: het waarborgen van het recht op demonstratie Ʃn de zorg voor handhaving van de openbare orde. Het is uiteraard van belang dat aanwijzingen van de politie aan demonstranten worden opgevolgd. Samen met mijn collega, de minister van J&V, volg ik de ontwikkelingen daarom op de voet. Waar dat wordt gevraagd, treden we met de gemeentelijke autoriteiten in gesprek om van gedachten te wisselen over de knelpunten. Die gedachtewisseling heeft onlangs, vlak voor het zomerreces, geresulteerd in een brief aan de Kamer. In deze brief concludeert mijn voorganger dat er ook met alle recente ontwikkelingen op dit moment geen dringende aanleiding bestaat om het wettelijke kader te herzien. Ook na deze brief zal het denken over dit kader echter niet stil blijven staan en blijven we samen met de lokale driehoek hierover in gesprek. De primaire verantwoordelijkheid ligt als gezegd echter bij de gemeente, het Openbaar Ministerie en de politie.
Vraag:
De minister heeft voor demonstaties die uitliepen op de verheerlijking van geweld samen met de gemeenten, het OM en de NCTV een handelingsperspectief opgesteld voor de lokale driehoek binnen de huidige wettelijke kaders. Kan de minister reflecteren op dat wettelijke kader? En wil de minister verkennen of er meer ruimte zou moeten zijn om manifestaties te verbieden of te beƫindigen als er een gegrond vermoeden bestaat dat op grote schaal sprake is van strafbare feiten of het aanzetten tot geweld?
Antwoord:
Onlangs nog is mijn voorganger vlak voor het zomerreces uitgebreid ingegaan op de beperkingscriteria in de Grondwet en de Wet openbare manifestaties (Wom). Uit gesprekken met vertegenwoordigers van gemeenten komt naar voren dat zij goed uit de voeten kunnen met het instrumentarium van de Wom. Op grond van dit instrumentarium kan de burgemeester bijvoorbeeld beperkingen aanbrengen aan een demonstratie, zoals het aanwijzen van een andere locatie, als er binnen de driehoek gevreesd wordt voor ernstige wanordelijkheden en strafbare feiten. In het uiterste geval kan de burgemeester bij een dergelijke vrees zelfs een demonstratie vooraf verbieden, zolang hij daarmee maar niet in de inhoud van een boodschap treedt.
Verder is het zo dat het OM kan optreden als er individuele strafbare feiten worden gepleegd of wanneer er wordt aangezet tot geweld. Als dit op grote schaal gebeurt, kan de burgemeester hierin een grond zien om een demonstratie helemaal te beƫindigen.
Vraag:
In het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens zijn de gronden om demonstraties te verbieden of te beperken veel ruimer. Daarin staan, naast wanordelijkheden, ook gronden als strafbare feiten, strijd met de goede zeden en het schenden van rechten van anderen. Mijn vraag aan de minister is of hij wil verkennen welke minder restrictieve opties dan de huidige wet nuttig zouden kunnen zijn ten behoeve van de openbare orde en welke keuzes in andere Europese landen gemaakt zijn of worden.
Antwoord:
In de Grondwet zijn de gronden waarop een demonstratie beperkt kan worden opgenomen. Die gronden zijn inderdaad minder ruim dan die van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mes (EVRM). Met goede reden: anders dan het EVRM is de Grondwet het primaire constitutionele document waarin de rechten en vrijheden van inwoners van Nederland worden beschermd.
In de gesprekken die ik voer met burgemeesters komt bovendien naar voren dat burgemeesters met de beperkingsgronden in de Grondwet en de Wet openbare manifestaties goed uit de voeten kunnen. Onlangs nog is mijn voorganger vlak voor het zomerreces uitgebreid ingegaan op de beperkingscriteria in de Grondwet en de Wet openbare manifestaties. Ook bezien we telkens in overleg of de driehoek nog overweg kan met het wettelijk kader gelet op de nieuwe typen manifestaties.
Vraag:
Wordt er gekeken hoe de organisaties achter de website Parlement.com het beste kunnen samenwerken en wordt onderzocht hoe het bereik van deze website vergroot kan worden, ook binnen het onderwijs?
Antwoord:
In de onderbouwing van hun verzoek over de externe financiering van de website www.parlement.com laat het Montesquieu Instituut zien dat zorgvuldig is en wordt gekeken naar een goede samenwerking van de bij het instituut betrokken organisaties. Dat heeft er ook in geresulteerd dat de aanvankelijk geraamde kosten nog naar beneden konden worden vastgesteld. Het bereik van de website is gelukkig al groot, en ik vertrouw erop dat ook in de toekomst zal worden bezien hoe het bereik nog verder kan worden vergroot.
Vragen van het lid Baarle, S. van (DENK)
Vraag:
Er is een motie van DENK aangenomen die aan de staatssecretaris vraagt
om ook in Nederland wetten op te stellen om discriminatie door
risicomodellen en algoritme te voorkomen. Graag een reactie van de
staatssecretaris waarom dit nog niet het geval is en we blijven wachten
op regels vanuit Europa.
Antwoord:
Laat ik vooropstellen dat discriminatie volgens de Grondwet verboden is
en privacywetgeving al van toepassing is bij de inzet van algoritmen. De
AI-verordening stelt technische eisen die het beginsel van
non-discriminatie verder waarborgen. Ik zie het niet als zinvol dit in
een ander nationaal wetgevingstraject hiernaast ook nog te regelen. Dit
heeft de staatssecretaris van BZK eerder in debatten en in brieven aan
uw Kamer ook al gemeld. Voor de uitvoering van uw motie hebben we ervoor
gezorgd dat in de AI-verordening expliciete bepalingen zijn opgenomen om
discriminatie door AI-systemen te voorkomen. Het kabinet is nu al bezig
om overheden en bedrijven voor te bereiden op de verplichtingen die uit
de verordening zullen komen.
Vraag:
Hoe gaat de minister deze coƶrdinerende rol betreft
discriminatievoorziening uitvoeren als nieuwe minister op deze post? Wat
zijn zijn plannen en hoe ziet hij deze coƶrdinerende rol?
Antwoord:
De bestrijding van discriminatie - zodat minder Nederlanders dat ervaren - is een belangrijke taak van het kabinet, andere overheidsorganisaties en de samenleving als geheel.
Als minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ben ik coƶrdinerend bewindspersoon voor de aanpak van discriminatie vanuit de verantwoordelijkheid voor de Grondwet.
De coƶrdinerende rol houdt onder meer in dat de minister van BZK eerstverantwoordelijk is voor de gelijke behandelingswetgeving, zoals artikel 1 van de Grondwet en de Algemene wet gelijke behandeling, de aanpak van institutioneel racisme en de instelling van de Nationaal Coƶrdinator tegen Discriminatie en Racisme (NCDR). Daarnaast coƶrdineert de minister van BZK de samenwerking tussen de betrokken vakdepartementen, zoals J&V, OCW, SZW en VWS.
De coƶrdinerende rol komt ook tot uitdrukking als het gaat om het stelsel van antidiscriminatievoorzieningen, de ADVās. Uw Kamer ontvangt op korte termijn een brief met nadere informatie over de versterking van het ADV stelsel. Er wordt toegewerkt naar een stevige centrale organisatie, die voor burgers goed zichtbaar en vindbaar is. De verdere uitwerking zal in samenwerking met alle spelers in het werkveld worden vormgegeven.
Vraag:
Moet ervaren discriminatie niet jaarlijks gemonitord gaan worden, om te onderzoeken hoeveel procent van de Nederlandse bevolking ervaart?
Antwoord:
Het SCP doet dit onderzoek eens in de twee jaar. Dat is al een behoorlijk hoge frequentie, aangezien dergelijk onderzoek zeer tijdrovend is. Andere onderzoeken, zoals de monitor naar het gemeentelijke antidiscriminatiebeleid, worden eens in de vijf jaar uitgevoerd. Tot slot wordt er jaarlijks een rapport opgeleverd met cijfers van discriminatiemeldingen bij de politie en gemeenten.
Vraag:
Ondanks al het discriminatiebeleid lijken de cijfers van
ervaren discriminatie hetzelfde te blijven. Wat zegt dit?
Antwoord:
De onderzoeken naar discriminatie en cijfers van ervaren discriminatie vergen zorgvuldige interpretatie. De ervaring leert dat meer aandacht voor discriminatie en de bestrijding ervan meer bewustwording genereert en daarmee het aantal meldingen doet toenemen, evenals het aantal gevallen waarin discriminatie is ervaren. Tegelijkertijd weten we ook dat de meldingsbereidheid laag is. Daar gaan we in het komende jaar aandacht voor vragen, want het is goed als meer mensen de meldingsinstanties weten te vinden. De cijfers zijn van belang, maar zijn dus op meerdere manieren te interpreteren. De jaarlijkse rapportage van alle meldcijfers en ook het onderzoek naar ervaren discriminatie geven ook altijd een uitgebreide toelichting op wat deze cijfers wel en niet zeggen. Er kan in ieder geval niet een op een de conclusie uit worden getrokken dat de aanpak van discriminatie niet effectief is, maar dat laat onverlet dat ieder geval van discriminatie en racisme er vanzelfsprekend ƩƩn te veel is.
Vraag:
Wat is de laatste stand van zaken van de doorlichting van het gehele overheidsbeleid op antidiscriminatie?
Antwoord:
De Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme heeft de opdracht gekregen om deze beleidsdoorlichting uit te voeren. De Staatscommissie is nu ongeveer een jaar aan de slag met deze omvangrijke opdracht en zal uw Kamer, via mij, dit najaar informeren over de voortgang.
Vraag:
Is de regering bereid om een verbod op het verscheuren of verbranden van
korans en alle andere heilige religieuze boeken wettelijk in te
voeren?
Antwoord:
Vooropgesteld: het verscheuren of verbranden van Korans is een verwerpelijke, provocerende en aanstootgevende actie. Het kabinet is niet voornemens om een wettelijk verbod op zulke acties in te voeren.
Wel volgt het kabinet de onderzoeken de uitkomsten van onderzoeken van in Zweden en Denemarken om koranschendingen te voorkomen.
Vraag:
Waarom hebben we wel een Nationaal Coƶrdinator Antisemitismebestrijding maar geen Nationaal Coƶrdinator Moslimhaatbestrijding? Kan de minister reageren op een Nationaal Coƶrdinator tegen moslimhaat?
Antwoord:
Ik wil benadrukken dat de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme er voor alle non- discriminatiegronden is, óók voor de bestrijding van antisemitisme, moslimdiscriminatie en moslimhaat. De bestrijding van moslimdiscriminatie was een van de onderwerpen van de deelsessies op het recente congres van de Nationaal Coördinator. Het kabinet heeft bij de aanpak van discriminatie en racisme bewust gekozen voor één coördinator voor alle non-discriminatiegronden om verbinding te leggen tussen de verschillen de actoren en daarmee de aanpak van discriminatie en racisme te versterken. Op uitdrukkelijk verzoek van uw Kamer is er daarnaast een Nationaal Coördinator Antisemitisme Bestrijding.
Vraag:
Waarom is er geen budget voor het beveiligen van islamitische instellingen?
Antwoord:
Het is belangrijk om alle vormen van discriminatie op alle gronden te bestrijden en alle vormen van haat tegen te gaan. Het aanzetten tot haat is strafbaar. Voor wat betreft de vraag naar beveiliging: religieuze organisaties zijn in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor de veiligheid van hun religieuze gebouwen. Gemeenten kunnen wel (aanvullende) maatregelen nemen om de veiligheid en de weerbaarheid van religieuze gebouwen te vergroten. Sinds 2014 is dit het geval geweest bij joodse instellingen vanwege de dreiging en risico op die specifieke instellingen. De dreiging die uitgaat richting islamitische instellingen geeft op dit moment echter geen aanleiding om extra beveiligingsmaatregelen te treffen. De ontwikkelingen worden wel nauwlettend in de gaten gehouden en indien de dreiging en risico daartoe aanleiding geven, kunnen er bij islamitische instellingen beveiligingsmaatregelen worden getroffen door het lokaal bevoegd gezag. Meerdere gemeenten zijn samen met de religieuze instellingen actief om de weerbaarheid en veiligheid van gebedshuizen en andere religieuze instellingen en hun bezoekers te verbeteren. De in 2017 ontwikkelde handreiking āVeilige Moskeeā biedt handvatten om vanuit preventief oogpunt te kijken naar de (fysieke) veiligheid binnen religieuze instellingen. In 2018 is ook het handboek āVeiligheid Religieuze Instellingenā uitgebracht. Dit handboek geeft richtlijnen over hoe te handelen wanneer een religieuze organisatie een dreiging observeert en welke veiligheidsmaatregelen er genomen kunnen worden om de veiligheid te vergroten.
Vraag:
Hoe staat het met en wanneer komt de evaluatie van de Nationaal Coƶrdinator tegen Discriminatie en Racisme?
Antwoord:
Het kabinet is in 2022 onder leiding van de Nationaal Coƶrdinator tot een Nationaal Programma tegen Discriminatie en Racisme gekomen. Dit programma wordt jaarlijks bijgesteld en geactualiseerd met een stand van zaken ten aanzien van de lopende acties en nieuwe versterkingen. Uw Kamer zal in december 2023 het nieuwe Nationaal Programma ontvangen. De Nationaal Coƶrdinator is ingesteld voor een periode van drie jaar, tot 15 oktober 2024. Voor afloop van deze drie jaar zal door de minister van BZK een besluit worden genomen over verlenging van de instelling van de Nationaal Coƶrdinator. Aan dit besluit zal een evaluatie voorafgaan, die in 2024 zal plaatsvinden.
Vraag:
Is het een idee om mystery guests in te zetten bij banken, zoals ook bepleit voor de stagemarkt en op de woningmarkt?
Antwoord:
Het is aan het ministerie van Financiƫn om te bepalen hoe zij onderzoek doen naar de bankensector en of het zinvol is om daarbij ook mystery guests in te zetten, zoals dat ook gebeurt in de sectoren die in de vraag worden genoemd.
Vraag:
Zou de minister, die coƶrdinerend is op het thema discriminatiebestrijding, een reactie op kunnen geven op het instellen van een onderzoek naar de discriminerende effecten van de uitvoering van de Wwft door banken, zoals de Nationaal Coƶrdinator tegen Discriminatie en Racisme ook heeft voorgedragen?
Antwoord:
Ik ken de berichtgeving hierover. Het ministerie van Financiƫn zal onderzoek laten uitvoeren naar de ervaringen van burgers met (structurele) achterstelling op basis van discriminatoire gronden bij onder andere de wijze waarop banken en betaalinstellingen witwassen, terrorismefinanciering, fraude en sanctienaleving detecteren, om vast te stellen of de wetgeving, de uitvoering ervan of het toezicht erop aan mogelijke discriminatie ten grondslag liggen. Daar ben ik blij mee, want het is belangrijk om dit goed uit te zoeken.
Mijn rol als coƶrdinerend minister houdt overigens niet in dat ik de beleidsverantwoordelijkheid, zoals de uitvoering van de Wwft, van de andere departementen overneem. Wel bepalen we interdepartementaal onder coƶrdinatie van de NCDR in het Nationaal programma tegen discriminatie en racisme de prioriteiten in de aanpak van discriminatie met elkaar. Dat programma zal in december aan de Kamers worden gestuurd.
Vraag:
Wat is de stand van zaken van de afdoening van meer dan vijftien moties van DENK die als afdoeningsmoment najaar 23 hebben op het thema discriminatiebestrijding?
Antwoord:
Van een deel van de moties is de bedoeling dat zij in het nationaal programma tegen discriminatie en racisme 2023 worden meegenomen. De publicatie van dat programma is iets vertraagd en nu gepland voor begin december. Over de voortgang en afdoening van de overige moties wordt uw Kamer eind van het jaar separaat geĆÆnformeerd.
Vraag:
Een aantal weken geleden werd bekendgemaakt dat het ministerie van Sociale Zaken illegaal een onderzoek heeft gedaan naar Nederlandse moslims. Er zou onrechtmatig informatie over hen zijn verzameld. Veel van die activiteiten bij het ministerie van Sociale Zaken zijn ontplooid door de Taskforce problematisch gedrag en ongewenste buitenlandse financiering. Wat viel mij op toen ik keek naar de ministeries die onderdeel zijn van deze taskforce? Ook het ministerie van Binnenlandse Zaken zit in die taskforce. Heeft het ministerie van BZK ook van het ministerie van SZW informatie of persoonsgegevens van Nederlandse moslims ontvangen? Zo ja, wat is er met die informatie gebeurd? Wordt dit nog steeds bewaard?
Antwoord:
Het klopt dat BZK lid was van de Taskforce Problematisch Gedrag. BZK-beleid was geen lid van het Duiding en Advies Team (DAT) en was daarom, in tegenstelling tot SZW, niet betrokken bij de behandeling van casuĆÆstiek over personen. De AIVD was agendalid van het DAT en werkte hierbij binnen de wettelijke kaders van de WIV.
Vragen van het lid Van Baarle (DENK) en het lid Koekkoek (Volt)
Het lid Van Baarle: kan de minister reageren op het wettelijk vastleggen van de Nationaal Coƶrdinator tegen Discriminatie en Racisme?
Het lid Koekkoek: kan de minister reflecteren op het wettelijk vastleggen van de positie van de Nationaal Coƶrdinator tegen Discriminatie en Racisme?
Antwoord:
De leden Van Baarle en Koekkoek vroegen of de nationale coƶrdinatoren zoals we die nu kennen, bij wet moeten worden ingesteld, zoals dat ook bij de Deltacommissaris is gedaan.
In antwoord daarop wijs ik op de toelichting bij het Instellingsbesluit, waarin staat dat bij continuering het voornemen is om de Nationaal Coƶrdinator bij wet in te stellen.
Daarbij merk ik wel op dat de instelling bij wet van een regeringscommissaris juist de uitzondering is. Het geven van taken aan een ambtenaar, zonder dat hem daarbij tevens openbaar gezag wordt gegeven, behoeft geen wettelijke regeling. Het bij wet instellen maakt ook dat het veelal te lang zal duren voor de regeringscommissaris aan de slag kan, terwijl het vaak wel gaat op een speciale opdracht die urgent is. BZK is bezig met een onderzoek of er voor regeringscommissarissen, zoals de genoemde nationaal coƶrdinatoren, een kader kan worden vastgesteld, zodat hun positie wat eenduidiger is, in relatie tot de ministers en andere ambtelijke functionarissen.
Vragen van het lid Koekkoek, M. (Volt)
Vraag:
Nog lang niet alle algoritmen worden door overheden in het register
opgenomen. Het is een wettelijke plicht. Hoe gaat het met de uitvoering
van de motie? En met de invoering van zoān wettelijk algoritmeregister?
Wat is het tijdspad om dit alsnog wettelijk vast te kunnen leggen?
Antwoord:
We zijn begonnen om de wettelijke verplichting vorm te geven, maar
willen dit in samenhang bezien met de AI-verordening.
In december 2022 is gestart met het register zoals u die online kunt vinden en waarin nu 185 algoritmes staan van 40 overheidsorganisaties. Het afgelopen jaar is het register doorontwikkeld. Daarbij is specifiek gekeken naar welke algoritmes er in het register moeten en met welke informatie over die algoritmes. Dit proces rondt de staatssecretaris van BZK dit jaar af.
Deze keuzes vormen de basis van de wettelijke verplichting, maar worden ook als basis gebruikt voor de vulling van het algoritmeregister op dit moment. De staatssecretaris van BZK vindt het van groot belang dat dit snel gebeurt, maar een wet zal, zoals gebruikelijk is in het wetgevingsproces, verschillende stappen moeten doorlopen, zoals een uitvoeringstoets en advies van de Raad van State. De staatssecretaris van BZK gaat spoedig aan de slag met het uitwerken van het wetsvoorstel. Vanwege de samenloop met de komende AI-verordening zal dit waarschijnlijk eind 2025 tot indiening bij uw Kamer kunnen leiden.
Vraag:
Wanneer gaat de minister de aangenomen motie over een verplicht lobbyregister tot op de letter uitvoeren? Welk budget wordt gereserveerd voor het uitvoeren van deze motie en de andere aanbevelingen van GRECO?
Antwoord:
Naar aanleiding van de kabinetsreactie op het onderzoeksrapport van professor Braun waarover uw Kamer op 3 mei is geĆÆnformeerd (Kamerstukken II 2022/23, 36101, nr. 16), zijn een aantal maatregelen genomen. De openbare agendaās worden beter bijgehouden. Dat geldt ook voor de lobbyparagrafen bij wet- en regelgeving. Daarmee komt er meer transparantie over contacten met derden. Ook komt er meer verantwoording over het gebruik van hun inbreng. Hiermee wordt voldaan aan de achterliggende gedachte van een lobbyregister. Deze aanpassingen evalueer ik in de loop van 2024. Hierover heb ik uw Kamer op 7 juli geĆÆnformeerd (Kamerstukken II 2022/23, 28844, nr.269). Deze evaluatie brengt eenmalig extra kosten met zich mee. Dat is anders als er wordt besloten tot invoeren van een lobbyregister. Een dergelijk systeem brengt structureel hogere kosten met zich mee als ook administratieve lasten. Ondertussen kijk ik al welke onderdelen van lobbyregisters effectief en uitvoerbaar zijn in andere landen (zoals Ierland) en bij de EU. Dit is ook gemeld in de recente kabinetsreactie op het EU-Rechtsstaatrapport (https://open.overheid.nl/documenten/#000ae-6087-4486-9b99-#000#000/file).
GRECO adviseerde voor bewindspersonen zeer uiteenlopende maatregelen voor die het kabinet begrijpelijkerwijs met wisselende snelheden aan het uitwerken is, passend in de Nederlandse bestuurlijke verhoudingen. De ene maatregel is eenvoudiger in te voeren dan de andere. Zo is de inmiddels in de Ministerraad vastgestelde gedragscode voor bewindspersonen een neerslag van onderlinge afspraken binnen het kabinet terwijl de regels voor gewezen bewindspersonen een wetstraject vergen met de nodige afwegingen en afstemming. Dat wetsvoorstel ligt inmiddels voor advies bij de Raad van State. Hoewel er nog stappen moeten worden gezet, is er wel degelijk voortgang geboekt in het bevorderen van het integriteitsbeleid. Voor de GRECO aanbevelingen is er niet ƩƩn specifiek budget. De kosten hiervoor worden verdeeld over verschillende begrotingshoofdstukken van BZK. De GRECO-rapportage is een periodieke tussenstand. Nederland dient op 30 juni 2024 weer aan GRECO te rapporteren over de voortgang van de implementatie van de openstaande aanbevelingen. Nadat GRECO de voortgangsinformatie heeft beoordeeld, zal ik uw Kamer hierover informeren.
Vraag:
Kan de minister reflecteren op hoe burgerberaden in het algemeen een plek zouden kunnen krijgen in het democratisch bestel van Nederland en of er budget is om burgerberaden te organiseren. Is de minister het met ons eens dat het van belang is om verschillende opties in kaart te brengen voor hoe we de inspraak van burgers vooraf kunnen institutionaliseren?
Antwoord:
In lijn met de aanpak burgerparticipatie en burgerfora die aan de Tweede Kamer is gestuurd wil het kabinet leren van één of twee nationale burgerfora alvorens het beleid daarop door te ontwikkelen. Het kabinet bekijkt per thema en vraagstuk hoe een burgerforum de democratie kan versterken. Vóór de zomer heeft het kabinet het nationaal burgerforum klimaat- en energiebeleid ingesteld. Dit is het eerste nationale burgerforum sinds 2006. Het is belangrijk dat we van het burgerforum leren om eventuele toekomstige nationale burgerfora te verbeteren. Zo krijgen we inzicht in hoe burgerfora de democratie kunnen vernieuwen en versterken. Als ik uw vraag zo mag interpreteren dat we de opties voor institutionalisering van het burgerforum op moeten nemen in het evaluatiekader van het nationaal burgerforum klimaat waarvan de uitkomsten ook met uw Kamer worden gedeeld, ben ik daar graag toe bereid.
Vraag:
Kan de minister reflecteren op het tegengaan van discriminatie door de overheid door eenzijdig overheidshandelen onder de algemene wet gelijke behandeling te scharen?
Antwoord:
De Algemene wet gelijke behandeling biedt op dit moment al bescherming tegen discriminatie op grond van ārasā voor zover sprake is van onderscheid bij de sociale bescherming, daaronder begrepen sociale zekerheid, en sociale voordelen. De parlementaire onderzoekscommissie effectiviteit antidiscriminatiewetgeving heeft gesignaleerd dat het overweging verdient de Algemene wet gelijke behandeling op het bredere terrein van eenzijdig overheidshandelen van toepassing te verklaren. Ook de Nationaal Coƶrdinator tegen Discriminatie en Racisme (NCDR), de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme en het College voor de Rechten van de Mens hebben ervoor gepleit om overheidshandelen onder de reikwijdte van de gelijke behandelingswetgeving te brengen. De drie instanties merken terecht op dat uitbreiding van het toepassingsbereik ook juridische vraagstukken oproept, zoals de afbakening
van het begrip āeenzijdig overheidshandelenā en het beoordelingskader in de wet voor door de overheid gemaakte belangenafwegingen. Naar aanleiding van de oproepen van de POC en de NCDR, Staatscommissie en het College heb ik in de kabinetsreactie op het onderzoek van de Eerste Kamer reeds aangekondigd dat ik een onderzoek doe naar de reikwijdte en eventuele aanpassing van de Algemene wet gelijke behandeling. De kamer wordt binnenkort nader geĆÆnformeerd over dit voornemen om een onderzoek te doen naar dit voorstel en naar enkele andere discussies die momenteel lopen over de uitbreiding van de reikwijdte van de Awgb. Omdat dit een groot onderzoek is naar fundamentele vraagstukken, voorzie ik oplevering in het najaar van 2024.
Vraag:
Hoe stimuleert de minister momenteel het gesprek tussen de Nationaal Coƶrdinator tegen Discriminatie en Racisme en de Nationaal Coƶrdinator Antisemitismebestrijding beleid stimuleert en welke mogelijkheden de minister ziet om ook het gesprek in de samenleving breder aan te gaan.
Antwoord:
De Nationaal Coƶrdinator tegen Discriminatie en Racisme (NCDR) en de Nationaal Coƶrdinator Antisemitismebestrijding (NCAB) hebben aanvullende taken en uit die hoofde ook contact met elkaar. De NCDR heeft als expliciete taak om de dialoog met de samenleving aan te gaan. Onder meer door een jaarlijks nationaal congres. De 1e was op 28 september jongstleden. Daarnaast organiseert de NCDR regelmatig townhallsessies met burgers over diverse thema's.