Beantwoording van vragen begrotingsbehandeling (36410-VII Wonen en Ruimtelijke Ordening)
Bijlage
Nummer: 2023D42989, datum: 2023-10-18, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Bijlage bij: Schriftelijke antwoorden op vragen gesteld tijdens de eerste termijn van de begrotingsbehandeling van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op 17 oktober 2023 (2023D42987)
Preview document (š origineel)
Vragen van het lid Kops, A. (PVV)
Vraag:
Ondertussen worden er steeds minder bouwvergunningen afgegeven. Derde
kwartaal op rij dat er sprake is van een daling. Doel van de minister
van 100.000 woningen per jaar is steeds verder uit zicht. Nooit verder
uit zicht geweest. Een jaar geleden heeft de Kamer een PVV motie
aangenomen die zegt āversnel die vergunningverleningā, maar daar komt in
de praktijk niks van terecht. Waar ligt dat nu concreet aan en wat gaat
de minister doen?
Antwoord:
We hebben een grote woningbouwopgave. Die woningbouwopgave is nog groter
geworden door de hoger dan verwachte bevolkingsgroei. Voor de zomer
heeft het ABF aangegeven dat er van 2022 tot en met 2030 981.000 extra
woningen nodig zijn. Daarvan zijn er in 2022 al 90.208 gerealiseerd.
Tegelijkertijd zijn de omstandigheden moeilijker geworden. We hadden al
te maken met onder andere lange procedures en capaciteitsproblemen bij
gemeenten. Het afgelopen jaar is daarbij gekomen dat de rente snel
gestegen is en dat de bouwkosten zijn gestegen waardoor enerzijds de
kosten voor bouwers en ontwikkelaars om woningen te realiseren hoger
zijn en anderzijds particulieren en investeerders minder bereid zijn of
kunnen betalen voor woningen. Huizenbezitters durven met een dalende
huizenprijs bovendien minder snel een nieuwbouwwoning te kopen omdat die
pas over een paar jaar wordt opgeleverd. De prijzen van woningen en van
grond moeten zich hierop aanpassen, maar dit kost tijd en daardoor is de
verwachting dat er met name in 2024 en 2025 een dip in de
woningbouwproductie zal zijn.
In de meest recente cijfers van de NVM zijn de prijzen van de bestaande
koopwoningen weer licht gestegen, 1,7% in het derde kwartaal ten
opzichte van het tweede kwartaal dit jaar. Er is nog steeds onzekerheid
over de rente en de bouwkosten maar daar lijkt de grootste stijging
achter de rug. Dit zou kunnen betekenen dat het aantal verkopen van
woningen, ook nieuwbouwkoopwoningen, weer zal aantrekken. In de cijfers
over de verkoop van nieuwbouwkoopwoningen van de NVM stijgt de verkoop
sinds nu al vier kwartalen op rij weer, maar het gaat echt nog om een
geringe stijging en ten opzichte van de piek in de verkopen van het
eerste kwartaal van 2021 is er nog steeds sprake van ruwweg een
halvering. In de cijfers voor de bouwvergunningen is nog geen herstel te
zien. Het 12-maandsgemiddelde voor bouwvergunningen is 25% gedaald ten
opzichte van de piek van november 2021. Dit betekent echter niet dat de
woningbouw helemaal aan het instorten is. Het aantal vergunningen ligt
over 12 maanden gemiddeld nog op ongeveer 57.000 woningen terwijl dit op
het dieptepunt in 2013 maar iets meer dan 27.000was. Dit is ook te zien
in de cijfers van het aantal gerealiseerde woningen. Het gemiddelde over
12 maanden lag afgelopen augustus nog op bijna 90.000 woningen. De
daling in de verleende vergunningen werkt vertraagd door in de
realisatie van het aantal woningen. Daarom verwachten we met name in
2024 en 2025 een dip in de woningbouw. Gezien de grote opgave kunnen we
ons echter geen terugval in de woningbouw veroorloven. Dit betekent dat
locaties die inmiddels vergund zijn zo snel mogelijk moeten starten met
de bouw en de locaties die snel kunnen starten met de bouw zo snel
mogelijk vergund moeten worden. Dit doen we onder andere met de
start-bouwimpuls en op de regionale versnellingstafels om de afspraken
uit de woondeals te realiseren. Daarbij is het ook cruciaal dat we
gezamenlijk aan de slag gaan met het sneller, slimmer en efficiƫnter
inrichten van de processen en procedures bij woningbouwontwikkeling. Op
dit moment duurt de ontwikkeling van een woningbouwproject gemiddeld te
lang.
Met het āPlan van aanpak versnellen processen en procedures
woningbouwā (Kamerstukken II, 32 847 nr. 993) wordt een forse verkorting
van de ontwikkeltijd van woningbouwprojecten beoogd. Met dit plan van
aanpak is invulling gegeven aan onder andere de motie Kops waarin
verzocht werd de vergunningverlening voor nieuwbouw te versnellen.
Vraag:
Met de Woningbouwimpuls wilde de minister de woningbouw gaan versnellen.
Maar uit onderzoek van de Algemene Rekenkamer bleek een jaar geleden al
dat dit in de praktijk niet werkt. Ik citeer: āWij concluderen dat de
minister van BZK onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat die
versnellingsaanpak heeft geleid tot een versnelling, meer betaalbaar of
meer woningen.ā Dus, voorzitter, hoe staat het er nu mee? De minister
wil er volgend jaar 300 miljoen euro aan spenderen, zo lezen we in de
begroting. Dus: welk verschil gaat dat nu in de praktijk uitmaken?
Antwoord:
Vorig jaar ben ik in de bestuurlijke reactie op het Rekenkamerrapport
āAanpak Woningtekort (2022)ā uitgebreid ingegaan op de stelling van de
Algemene Rekenkamer. Ik deel niet alle uitkomsten uit dit onderzoek. Een
onafhankelijke Toetsingscommissie beziet kritisch of inderdaad sprake is
van noodzaak. Dit om de doelmatigheid van de Woningbouwimpuls (Wbi) te
garanderen. In de bestuurlijke reactie is ook aangegeven dat er
onderzoek is gedaan naar additionaliteit van de Woningbouwimpuls.
Steekproefsgewijs is er bij 20 projecten, die afgewezen zijn voor een
bijdrage uit de Woningbouwimpuls, onderzocht of zij zonder bijdrage toch
doorgang konden vinden. Slechts ƩƩn van die projecten blijkt zonder
aanpassingen doorgang te kunnen vinden dankzij een financiƫle meevaller
van betreffende gemeente. De overige 19 projecten hebben aanpassingen
moeten doorvoeren, zijn gepauzeerd of zijn nog steeds op zoek naar
dekking van het publieke tekort. Dit onderstreept in mijn ogen dat de
Woningbouwimpuls, ondanks het ontbreken van exact vastgestelde
additionaliteit, aantoonbaar en substantieel bijdraagt aan het versneld
tot realisatie brengen van meer betaalbare woningen.
In de eerste vijf tranches van de Wbi is een bijdrage geleverd aan
141 projecten, met een totaal van 184.367 woningen waarvan ca. 66%
betaalbaar.
De tussentijdse evaluatie van de Woningbouwimpuls uit 2021 resulteerde
in positieve verwachtingen ten aanzien van zowel het doelbereik als de
doelmatigheid van het instrument. Gemeenten geven aan dat er door middel
van de Woningbouwimpuls niet alleen extra woningen worden gerealiseerd,
maar vooral ook dat gemeenten projecten eerder kunnen realiseren. Verder
vergroten gemeenten door een bijdrage uit de Woningbouwimpuls inderdaad
het aantal betaalbare woningen in projecten.
Onder gemeenten is nog altijd veel animo. Tranche zes is de laatste
tranche. Uit een informele rondgang door onderzoeksbureau Stec langs
gemeenten wordt veel respons verwacht. Verder wordt er na bekendmaking
van tranche zes aan de afgewezen projecten de kans geboden aanpassingen
te doen en direct weer in te dienen. Op deze manier is de verwachting
dat er veel projecten een bijdrage kunnen ontvangen en het budget
volledig besteed zal worden.
De gemiddelde bijdrage per woning is in de eerste vijf tranches van de
Woningbouwimpuls ā¬5.048. Met het budget van ⬠300 mln. voor tranche zes
zou dan naar verwachting de bouw van bijna 60.000 woningen ondersteund
kunnen worden.
Vraag:
Een jaar geleden al erkende deze minister dat driekwart van de te bouwen
woningen, bijna een miljoen in 2030, bedoeld is voor migratie. Erkent de
minister dat daar simpelweg niet tegenop te bouwen valt?
Antwoord:
De omvang van de bouwopgave voor de periode 2022 tot en met 2030
(981.000 woningen) wordt door een aantal oorzaken bepaald. Deze kunnen
niet precies uit elkaar gerafeld worden, maar ruwweg geldt het volgende
beeld. De groei van de bevolking, bestaande uit migratie en natuurlijke
aanwas, heeft de grootste invloed. Deze is goed voor 41%,
respectievelijk 5% van de bouwopgave. Daarnaast groeit het aantal
huishoudens doordat deze kleiner worden (minder personen per woning) en
doordat ouderen langer thuis blijven wonen. Dit is goed voor 21%,
respectievelijk 2% van de bouwopgave. Tenslotte geldt dat het huidige
tekort moet worden teruggedrongen en dat de geplande sloop moet worden
opgevangen met nieuwe woningen. Deze beide factoren zijn goed voor 20%,
respectievelijk 11% van de bouwopgave.
Dit beeld wijkt dus af van de genoemde driekwart in vraagstelling.
Niettemin, zoals ik ook in mijn brief van 16 oktober jongstleden over de
aanpak van grootschalige NOVEX-woningbouwlocaties heb gesteld, is het
van groot belang dat we grip krijgen op migratie. De groei van de
bevolking houdt ook niet op na 2030 en vertaalt zich in een grotere druk
op de ruimte voor wonen, werken en mobiliteit. Bevolkingsgroei is echter
niet iets wat ons alleen maar overkomt. We kunnen er wel degelijk beleid
op voeren. De āStaatscommissie Demografische ontwikkelingen 2050ā ā die
naar verwachting eind 2023 haar advies oplevert ā zal ingaan op
scenarioās, mogelijke beleidsopties en handelingsperspectieven van de
regering, met betrekking tot de maatschappelijke gevolgen van de
demografische ontwikkelingen, in het bijzonder van vergrijzing en
migratie.
Vraag:
Ondanks dat de woningnood toeneemt, zijn de ambities van de minister er
niet minder op. Hij doet er, ondanks dat het kabinet demissionair is,
nog een forse schep bovenop. Want na 2030 moeten er volgens de minister
nog eens vele honderdduizenden, zo niet een miljoen woningen worden
bijgebouwd. En die nieuwe, wilde woningbouwplannen klinken op papier
natuurlijk leuk en aardig. Maar zou de minister niet eerst zijn huidige
plannen gaan uitvoeren? Want daar schort het nogal aan, voorzitter. En
hoe beĆÆnvloeden al die nieuwe ambities de huidige plannen? Bijvoorbeeld
die 17 grootschalige projecten.
Antwoord:
Zoals ik in mijn Kamerbrief over grootschalige woningbouw heb
medegedeeld wordt er door zowel Rijk als regio gewerkt aan de uitvoering
van de 17 grootschalige woningbouwlocaties. In de 17 grootschalige
NOVEX-woningbouwlocaties is sprake van een dusdanige grote en brede
schaal van ontwikkeling, dat als het ware hele nieuwe wijken van steden
worden gecreƫerd waar mensen wonen, werken, leren en elkaar ontmoeten.
Veelal is er ook een schaalsprong in stedelijke ontwikkeling,
bereikbaarheid en voorzieningen nodig. De potentie voor woningbouw
enerzijds en de complexiteit van de uitdagingen anderzijds zorgen ervoor
dat langjarige zekerheid en continuĆÆteit van de bouwproductie op de
middellange en lange termijn extra belangrijk zijn.
Deze grootschalige locaties zijn niet in ƩƩn dag gebouwd. We hebben het
hier over hele nieuwe wijken waar vele vraagstukken en themaās
samenkomen zoals mobiliteit, klimaatadaptatie, energie, (circulaire)
economie, een gezonde leefomgeving, de mobiliteitstransitie, groen in en
om de stad, cultureel erfgoed, water en bodem sturend, etc.
Tot en met 2030 kunnen in de 17 grootschalige woningbouwlocaties 288.000
woningen worden gerealiseerd, ongeveer dertig procent van de totale
opgave van 981.000 woningen. Bij de BO MIRT afspraken van 2022 zijn over
de grootschalige woningbouwlocaties afspraken gemaakt over de
ontsluiting en bereikbaarheid tot en met 2030. Tegelijkertijd laten
berekeningen van het CBS zien dat de groei van de bevolking richting
2050 kan oplopen tot 20,6 miljoen. Dit betekent dat de vraag naar meer
ruimte voor wonen, werken en mobiliteit zal toenemen. Een grote
uitdaging daarbij is het vinden van voldoende goede locaties voor
woningbouw. Als we ook na 2030 voldoende woningen willen realiseren, is
het noodzakelijk nu al te gaan zoeken naar goede locaties. Deze locaties
beĆÆnvloeden de huidige plannen niet, maar zijn juist aanvullend op deze
plannen. Daarbij geldt steeds dat de uiteindelijke afwegingen ook deel
uitmaken van het zorgvuldige en integrale traject van de nota ruimte die
in 2024 is voorzien.
Vraag:
Het bouwen van een woning duurt twee jaar. Maar van plan tot
sleuteloverdracht kan het zo maar tien jaar duren. Wat zorgt er in die
acht jaar precies voor de meeste vertraging, wat is nu eigenlijk het
probleem? Is het de vergunningverlening, gemeenten die dwarsliggen,
provincies die moeilijk doen? Waar zit het nu precies in?
Antwoord:
De ontwikkeling van een woningbouwproject duurt nu gemiddeld tien jaar,
waarvan de daadwerkelijke bouw twee tot drie jaar. Dat is te lang voor
mensen die op zoek zijn naar een woning. Dat kan en moet korter. De
meeste vertraging wordt opgelopen bij de planvorming, maar ook de
besluitvorming en de fase van bezwaar en beroep kan sneller. Met het
Plan van Aanpak versnellen processen en procedures woningbouw werk ik
met diverse versnellingsmogelijkheden aan het beperken van de
vertragingsfactoren.
Met het versnellen in de planvorming kan de grootste tijdswinst worden
behaald. Daaronder valt versterking van uitvoeringscapaciteit,
prioritering en een efficiƫntere werkwijze door stappen tegelijk te
zetten in plaats van na elkaar: het parallel plannen. Daarbij is
aandacht voor onder andere procesplanning, de onderzoeksopgave en
procedures. Er zijn onlangs vier pilotprojecten gestart om dit in de
praktijk te brengen.
Verdere versnelling kan worden bereikt in de besluitvormingsfase. Ik zet
in op meer regie en samenwerking. Via de woondealoverleggen en met
regionale en landelijke versnellingstafels bied ik een platform voor het
doorbreken van impasses. Het expertteam woningbouw biedt ondersteuning.
De vertraging die ontstaat in de fase van bezwaar en beroep wordt
aangepakt door het aanpassen van wet- en regelgeving zoals met de Wet
versterking regie volkshuisvesting en beroep in ƩƩn instantie. Als
laatste kan het verbeteren van participatie waarbij ook de stem van
de woningzoekenden meetelt, en het standaardiseren van bouweisen de
woningbouw versnellen.
Vraag:
En voorzitter, meer dan de helft van de woningen moet grootschalige
woningbouw worden, aldus de minister. Nu is dat nog zoān 30%. Onlangs
presenteerde het Economisch Instituut voor de Bouw het zogeheten
āStraatje erbij planā als deel van de oplossing voor de wooncrisis en
dat is voornamelijkkleinschalige woningbouw. De komende jaren kunnen er
200.000 extra woningen worden gebouwd als er in dorpen en steden ƩƩn of
twee straten worden bijgebouwd en dan vooral aan de randen van die
dorpen en steden. De minister heeft zelf al gereageerd en zei āJe moet
alle locaties benutten die je kunt benuttenā. Ook zei hij dat de
motivatieplicht die nu geldt als gemeenten aan de randen van dorpen of
steden willen bijbouwen soms heel streng wordt uitgelegd en dat dat dus
moet worden aangepast. Wat bedoelt de minister daarmee en hoe wil hij
dat dan gaan aanpassen? Want aan de andere kant zegt hij ook: soepelere
regels zijn geen vrijbrief. Dat moeten we wel heel helder maken. Dus wat
is het nu? Wat gaat er concreet gebeuren? Hoe wordt die woningbouw aan
de randen van steden en dorpen versneld?
Antwoord:
De fractie van de PVV vraagt op welke wijze ik de woningbouw aan de
randen van steden en dorpen wil versnellen.
Uit het onderzoek van EIB over het āstraatje erbijā, dat ik u bij brief
van 12 oktober 2023 heb doen toekomen, blijkt dat er veel potentie is om
ook een deel van de woningbouwopgave te realiseren aan de randen van
steden en dorpen. Dat is daarnaast ook belangrijk voor de leefbaarheid
van kleine kernen. Om dit te realiseren wil ik graag eind dit jaar met
alle provincies in gesprek hoe we samen deze potentie kunnen benutten
zonder daarbij belangen zoals natuur, water en bodem sturend en
Werelderfgoed uit het oog te verliezen. Ik wil dus met hen in gesprek
waar een straatje erbij kan en hoe dat dan op een zorgvuldige manier
kan. Ik wil hierover eind dit jaar bestuurlijke afspraken maken met de
afzonderlijke provincies. Dit doe ik in samenhang met het bestuurlijke
overleg over de voortgang van de woondeals. Ik zet hierbij in op
gezamenlijk gedragen bestuurlijke afspraken met commitment om
mogelijkheden daadwerkelijk te realiseren.
De fractie van de PVV heeft daarnaast gevraagd naar de motiveringsplicht
bij kleinschalige woningbouw aan de randen van dorpen en steden. Hiermee
wordt gedoeld op de Ladder voor duurzame verstedelijking. In mijn brief
aan uw Kamer van 12 oktober jl. heb ik u naast de rapporten van het EIB
over het āstraatje erbijā, ook de evaluatie van de Ladder gestuurd.
Daaruit blijkt onder meer dat private partijen vinden dat de Ladder te
streng wordt toegepast door provincies en gemeenten. Ik heb aangekondigd
dat ik de belemmeringen die ervaren worden wil wegnemen door de Ladder
aan te passen en de toepassing daarvan te verbeteren. Bij de
eerstvolgende wijziging van het Besluit kwaliteit leefomgeving (BKL),
waarin de Ladder is opgenomen, wil ik een ondergrens van 50 woningen
opnemen. Onder deze grens geldt de motiveringsplicht van de Ladder voor
buitenstedelijk bouwen niet. Wel moet nog steeds zoals bij alle locaties
ā binnenstedelijk Ć©n buitenstedelijk- altijd inhoudelijk worden gekeken
of deze zich leent voor woningbouw gelet op andere opgaves en gelet op
te beschermen belangen. Tevens ga ik de handreiking over de toepassing
van de Ladder aanscherpen en in gesprek met gemeenten en provincies over
betere en eerdere toepassing van de Ladder in de praktijk
Vraag:
Het aantal economisch daklozen neemt toe: mensen met een baan, een
inkomen, maar zonder fatsoenlijk dak boven hun hoofd. Bijvoorbeeld
iemand die al maanden in een tent woont, met inkomen en baan. Hij zegt:
āik reageer elke dag op een woning, sociale huur en particuliere huurā.
Voor een urgentieverklaring komt hij niet in aanmerking. Hij zegt: āik
heb het al zo vaak aangevraagd, maar het werd telkens afgewezen omdat
mijn dochter niet bij mij ingeschreven staat. Maar ja, die staat niet
bij mij ingeschreven, omdat ik juist geen woning heb.ā Dat is natuurlijk
heel tegenstrijdig. Hoe reageert de minister hierop, op dit voorbeeld en
al die andere schrijnende voorbeelden van hardwerkende Nederlanders die
feitelijk dakloos zijn?
Antwoord:
Helaas zijn er vele voorbeelden van mensen die, al dan niet met een
inkomen en een baan, nu niet in staat zijn om een passende woning te
vinden. Dat is boven alles het gevolg van het feit dat er een tekort aan
woningen is. Ik vind het daarom belangrijk dat we vaart maken met het
bouwen van meer betaalbare woningen. Het uitgangspunt van de
woningbouwopgave die ik met de provincies en gemeenten heb afgesproken
is dat er twee derde betaalbare woningen moeten worden gebouwd. Dat gaat
zowel om sociale huurwoningen, zodat de wachtlijsten afnemen, alsook
betaalbare koop- en huurwoningen, zodat huishoudens met een
middeninkomen weer meer mogelijkheden hebben om een passende woning te
vinden.
Vraag:
De huurprijzen zijn de afgelopen jaren gestegen en gestegen. En dan
uitgerekend nu, in een tijd waarin mensen de boodschappen de
energierekening en het dak boven hun hoofd amper tot niet meer kunnen
betalen, heeft de minister laten weten dat de sociale huurprijzen vanaf
juli 2024 hoogstwaarschijnlijk met max. 5,8% mogen stijgen. En de
Woonbond schreef een paar weken geleden al āDit kan niet. Doe dit nietā.
Want, zo zegt de Woonbond, 100.000 hurende huishoudens leven in armoede.
Dus daarom voorzitter, een oproep aan de minister, met klem, doe dit
niet. Is de minister bereid die huurprijzen te verlagen, of op zijn
minst niet te verhogen?
Antwoord:
Vorig jaar steeg de inflatie serieus. Om de betaalbaarheid te borgen,
heb ik in de Nationale prestatieafspraken met de woningcorporaties en de
Woonbond afgesproken om de huurontwikkeling los te koppelen van de
inflatie. In plaats daarvan hebben we die gekoppeld aan de
CAO-loonontwikkeling. Als we dat niet hadden gedaan, was dit jaar een
huurverhoging van bijna 10% (9,7%) toegestaan geweest. Maar
door de koppeling aan de CAO-loonstijging was de toegestane
huurverhoging dit jaar 3,1%. Dat scheelt dus bijna 7%
voor de huurder. Bovendien was er bij corporaties voor zittende huurders
gemiddeld sprake van een huurdaling van 0,3%. De reden dat de
huren bij de corporaties gemiddeld zijn gedaald, komt doordat de
corporaties als onderdeel van de Nationale prestatieafspraken dit jaar
de huren van 600.000 huishoudens met een laag inkomen verlaagd hebben
naar ā¬575. Door de generieke huurmatiging en de specifieke huurverlaging
hebben corporaties dit jaar dus een grote bijdrage geleverd aan het
betaalbaar houden van de huren.
We hebben gekozen om de loonontwikkeling te volgen in plaats van de inflatie, omdat de lonen doorgaans met vertraging de inflatie volgen. Door de koppeling met de loonontwikkeling kan de huur daarom pas weer wat sterker stijgen, nadat de lonen ook sterker zijn gestegen. Daardoor borgen we dat de huren niet harder stijgen dan de inkomens van huurders en de huurquote dus niet verslechtert, ongeacht de hoogte van de huurverhoging. Voor de corporaties geldt daar bovenop nog dat de huursomstijging (de stijging van het totaal van alle huren) 0,5% lager moet liggen dan de maximale toegestane huurverhoging, wat betekent dat er gemiddeld voor huurders bij corporaties een verbetering van de huurquote plaatsvindt. Dat gold voor dit jaar, en zal ook in 2024 zo zijn. De huur blijft dus betaalbaar. Ook de Woonbond erkent dat huurders hun inkomen over het algemeen sneller zien stijgen dan hun huren.
Voor de meeste huurtoeslagontvangers wordt de huurverhoging verder goeddeels gecompenseerd met de huurtoeslag, want een hogere huur betekent ook meer toeslag. Daarnaast profiteren huurtoeslagontvangers in 2024 van de verlaging van de basishuur met ruim 30 euro, met een verbetering van de betaalbaarheid van de huur tot gevolg.
Tot slot wil ik wijzen op het belang van deze huurverhoging voor de corporaties. In de Nationale prestatieafspraken hebben we, naast het ambitieuze pakket aan maatregelen voor het betaalbaar houden van de huren zoals hierboven geschetst, een omvangrijk investeringspakket vastgesteld voor de nieuwbouw, verduurzaming en leefbaarheid door corporaties. De huurverhoging in 2024 is nodig om al die opgaven financieel haalbaar te houden. Het realiseren van die opgaven is cruciaal voor alle huidige en toekomstige huurders van de corporaties, en die wil ik dus niet in gevaar brengen.
Vragen van het lid Groot, Peter de (VVD)
Vraag:
Er is ruim 300 miljard aan investeringen nodig om 900 duizend woningen
te bouwen. Voor betaalbare huurwoningen doen investeerders zoān ⬠20 a
30 mld. En juist op zoān cruciaal moment zijn investeringen volledig
opgedroogd met als gevolg dat stekkers uit hele bouwprojecten gaan, dat
vergunningen niet meer worden uitgevraagd, dat juist bestaande
huurwoningen zoals die van heimstade verdwijnen. Het besef lijkt er niet
te zijn dat deze investeringen nodig zijn. Is de minister het met de VVD
eens dat we scherp moeten kijken naar de onzekerheid die de regulering
in de markt breng?
Antwoord:
Tot en met 2030 moeten 981.000 extra woningen worden gerealiseerd. Om
aan te sluiten bij de behoefte, moet twee derde daarvan betaalbaar zijn.
Hiervoor hebben we iedereen nodig: provincies, gemeenten,
woningcorporaties, bouwers, ontwikkelaars maar zeker ook investeerders.
Zonder investeringen vanuit Nederlandse pensioenfondsen en
internationale investeerders zal het ons namelijk niet lukken. Op dit
moment zijn er vanuit investeerders zorgen over het investeringsklimaat
en dat maakt hen terughoudend. Belangrijk om hierbij te vermelden is dat
dit niet alleen in Nederland speelt. Ook in landen om ons heen zien we
investeerders zich terughoudend opstellen op de woningmarkt. De snel
gestegen rente speelt hierbij een grote rol: andere investeringen zoals
obligaties zijn relatief aantrekkelijker geworden en als geleend geld
moet worden geherfinancierd zijn de kosten hoog. In heel Europa is er
sprake van regulering. Er is de afgelopen jaren veel veranderd. Sinds
2012 hebben investeerders hun positie kunnen vergroten. Ik begrijp die
zorgen want er is de afgelopen jaren veel veranderd. Waar we eerst
investeerders ruim baan hebben gegeven, zowel fiscaal als qua
regulering, zijn we de afgelopen periode tot het inzicht gekomen dat dit
niet leidt tot de gewenste uitkomst. De huurprijzen in de vrije sector
zijn erg gestegen dat die woningen niet meer voor middeninkomens
betaalbaar zijn. Daarom hebben we de regie op de volkshuisvesting
teruggenomen en ingezet op twee derde betaalbare woningen bij nieuwbouw
en regulering van de huren met de wet betaalbare huur. Ik ben ervan
overtuigd dat ook met deze maatregelen Nederland voor de lange termijn
een aantrekkelijk land blijft om in te investeren in woningen. De
uitgangspunten in Nederland zijn goed: 1) de vraag naar woningen is en
blijft groot gezien de verwachte toename in het aantal huishoudens; 2)
Nederland is internationaal gezien een aantrekkelijk land om in te
wonen; en 3) Nederlandse huurders hebben relatief gezien weinig
betalingsachterstanden. Bovendien draagt de inzet op voldoende
betaalbare woningen juist bij aan een stabiel investeringsklimaat. Deel
van de reden dat de nieuwbouwproductie nu inzakt is dat de afgelopen
periode vooral dure woningen geprogrammeerd zijn en dat is nu ingestort.
Ook de wet betaalbare huur zorgt ervoor dat rendementen voorspelbaarder
worden en het risico op investeringenmeer inzichtelijk wordt. De vraag
naar woningen is bijna gegarandeerd met daarbij een stabiele
prijsontwikkeling en het speelveld voor de komende tijd is duidelijk en
kunnen er geen onverwachte aanvullende begrenzingen komen op de
huurprijs bijvoorbeeld. Dit vraagt wel de juiste investeerders.
Investeerders die niet op zoek zijn naar het hoogste rendement maar
juist naar lange termijn commitment en stabiliteit en een bijdrage
willen leven aan de maatschappelijke opgave van betaalbaar wonen, hebben
we hard nodig en verwelkomen we met open armen. Ik begrijp dat het
onzekere tijden zijn gezien de marktontwikkelingen Ʃn dat we vanuit de
overheid meer kunnen doen als het gaat om voorspelbaarheid in beleid. Te
lang doen over besluitvorming voor de wet betaalbare huur helpt niet.
Daarom houd ik tempo met wet regie en wet betaalbare huur en roep ik uw
Kamer op deze wetten voortvarend te behandelen. Voor de wet betaalbare
huur kom ik binnen enkele weken met een brief waarin ik nadere
duidelijkheid geef over waar we staan en het vervolg. Daarnaast werk ik
samen met investeerders aan een propositie. Om een gezamenlijk beeld te
hebben van het investeringsklimaat in Nederland en als basis voor een
intensiever gesprek om elkaar te begrijpen en bij te dragen aan de grote
opgave die we in Nederland hebben.
Vraag:
Verschillende typen locaties in verschillende delen in het land, net als
Huurders en kopers over het hele land heen zoeken naar een woning. En
een suggestie van de VVD over deze locaties, benoem deze ook in een
ruimtelijk plan voor Nederland, dan is het helder waar die ruimte
beschikbaar is, in relatie tot een ander opgave voor water of natuur en
bedrijvigheid. En zet ook rijksgrond in om te komen tot betaalbare
woningen en waar dat nodig is zoals in Lansingerland, zet ook
doorzettingsmacht in zoals als uw ambtsvoorganger heeft gedaan in
Katwijk. Graag reactie van de minister op dit punt.
Antwoord:
In de Nota Ruimte wil ik precies datgene doen, een ruimtelijk plan maken
voor Heel Nederland. In de nota zal ik ā in integrale afweging met de
andere ruimtelijke opgaven en de leidende principes ā tot het benoemen
van nieuwe (grote) locaties voor woningbouw komen. In mijn brief aan uw
Kamer van 16 oktober jl. over grootschalige woningbouw heb ik deze
aanpak toegelicht. Het zoeken van deze nieuwe locaties start ik nu op.
In de Contourennotitie voor Nota Ruimte heb ik uitgewerkt aan welke
regioās ik denk. Ik zet nu al ā waar dit kan ā rijksgronden in voor
woningbouw. Dit geldt bijvoorbeeld in Flevoland. Een voorbeeld van een
locatie waar ik op andere wijze specifiek tempo in de ontwikkeling heb
gebracht is de Gnephoek. Met behulp van Wim Kuijken als extern adviseur
zijn verschillende bestuurslagen bij elkaar gebracht waarmee versnelling
kon worden gebracht in de ruimtelijke planvorming.
Vraag:
Wat voor huizen bouwen we eigenlijk? 60% van de mensen zijn op zoek naar
een betaalbare eengezinswoning, terwijl veel appartementen in de stad
worden gebouwd. Zorgen we ook voor het bouwen van betaalbare woningen
zowel binnen als buiten de stad. En dan ook met name woningen voor
starters in de middenklasse.
Antwoord:
Iedere drie jaar laat ik een woonbehoefte-onderzoek uitvoeren, het
zogenaamde WoON. Daarin wordt aan woningzoekenden gevraagd naar de
behoefte aan betaalbare woningen en welke typologieƫn woningen worden
gewenst.
Volgens het WoON 2021 wil 46% van de woningzoekenden een
eengezinskoopwoning, terwijl 13% van de woningzoekenden een
eengezinswoning wil huren. In de toekomst komen er meer alleenstaanden
bij en is het bouwen van appartementen dus ook zinvol. ĆĆ©n op de drie
nieuwbouwwoningen moet geschikt zijn voor ouderen. Voor die doelgroepen
is het bouwen van appartementen dus zinvol. Van de te realiseren
woningen waarvoor de prijscategorie reeds bekend is, wordt 34% als
goedkope huurwoning gerealiseerd, 17% als middeldure huurwoning, 3% als
goedkope koopwoning en 13% als middeldure koopwoning. Daarmee komt het
aandeel betaalbaar zoals gedefinieerd in het Programma woningbouw op 66%
van het totaal. Gelet op de grote bouwopgave is uiteindelijk elke
locatie van belang: zowel binnenstedelijk als buitenstedelijk. Nationaal
gezien is het aandeel binnenstedelijk voor Nederland ca 65% a 70%.
Vraag:
Hoe staat het met de toezegging van de gerenommeerde investeerders zoals
abp en asr voor de bouw van 50 duizend middenhuuwoningen? Staat deze
afspraak nog?
Antwoord:
Bij de vormgeving van de regulering heb ik er rekening mee gehouden dat
het aantrekkelijk blijft om te investeren in nieuwe middenhuurwoningen.
Ik heb in intensief overleg met IVBN en andere marktpartijen om hierover
balans te zoeken tussen wetgeving en het belang van de marktpartijen. Zo
heb ik het Woningwaarderingsstelsel (WWS) gemoderniseerd waardoor dit
stelsel beter aansluit bij de kwaliteit van middenhuurwoningen die nu
worden gebouwd. Als onderdeel van de modernisering krijgen goede
energielabels extra punten en wordt er eveneens een nieuwbouwopslag
geĆÆntroduceerd. Institutionele beleggers en ontwikkelaars hebben eind
vorig jaar aangegeven met de voorgestelde regulering nog steeds de
ambitie te hebben 50.000 middenhuurwoningen te bouwen tot en met 2030.
Zij hebben nog steeds deze ambitie. In dat kader ben ik bereid te kijken
naar de nieuwbouwopslag. Wel geven de beleggers en ontwikkelaars aan dat
de situatie van nu anders is dan die van een jaar geleden. Ik zie ook
dat de situatie op de markt lastiger is geworden. Om aan deze tegenwind
het hoofd te bieden heb ik de Start Bouw Impuls (SBI) opgetuigd. Ook
kijk ik naar verhogen van de aangekondigde nieuwbouwopslag. Daarnaast
ben ik met beleggers in gesprek om te komen tot een propositie voor het
investeringsklimaat in Nederland. Op die manier kan de ambitie van
50.000 middenhuurwoningen ook actief mogelijk worden gemaakt.
Vragen van het lid Beckerman, S.M. (SP)
Vraag:
Schaf de winstbelasting en ATAD schaf af voor woningcorporaties. SP gaat
een amendement indienen bij dit belastingplan voor de afschaffing van de
vennootschapsbelasting voor woningcorporaties voor niet commerciƫle
activiteiten. Vraag aan de minister: bent u bereid om de winstbelasting
af te schaffen?
Antwoord:
Woningcorporaties hebben door de afschaffing van de verhuurderheffing de
komende jaren financiƫle middelen om te investeren in de opgaven rond
nieuwbouw, verduurzaming, betaalbaarheid en leefbaarheid. De
actualisatie van de financiƫle doorrekening van de Nationale
prestatieafspraken die ik op 16 juni jl. aan uw Kamer heb gestuurd
(Kamerstuk 29 453, nr. 561) laat zien dat corporaties ook middelen
hebben om de totale opgaven te behalen, maar ook dat de onzekerheid
hiervoor is toegenomen en dat het duurzame bedrijfsmodel van corporaties
op lange termijn onder druk staat. Ik herken dus dat er op termijn
maatregelen nodig te zijn om corporaties in staat te stellen hun opgaven
tot 2030 maar ook daarna te kunnen realiseren. Ik heb uw Kamer op 3
oktober jl. geĆÆnformeerd over de mogelijkheden die er zijn om de
belastingdruk uit de vennootschapsbelasting voor corporaties geheel of
gedeeltelijk te beperken (Kamerstuk 35 286, nr. 16), en wat de
budgettaire effecten hiervan zouden zijn. Voor de dekking van dit soort
maatregelen ziet het kabinet op dit moment geen ruimte.
Vraag:
De minister wil volkshuisvestiging in ere herstellen. Ik vraag nu aan de
minister de uitgelezen kans om deze woningen te kopen. Te zorgen dat
huurders wiens verhuurders die woningen willen verkopen, dat wij die
woningen opkopen want er moet wat de SP betreft een volkshuisvestelijk
alternatief liggen als de markt het wederom laat afweten.
Antwoord:
Ik ben er geen voorstander van dat de overheid zelf huizen koopt. Wij
beschikken in Nederland over een stelsel waarin zowel de
woningcorporaties, als private partijen, een belangrijke rol vervullen
in de volkshuisvesting. Maar het is hun eigen keuze en beslissing om
eventueel woningen aan te kopen die in de verkoop komen. Het is goed te
beseffen dat de woning bij verkoop niet verdwijnt. Het is vooral van
belang dat de zittende huurder goed beschermd is bij verandering van
eigendom.
Vraag:
Stop met slopen van sociale huurwoningen en verkopen Ʃn pak leegstand
aan. We moeten naar de bestaande voorraad kijken, niet alleen nieuwbouw.
Ze willen 90.000 sociale huur verkopen, 10.000 slopen en een onbekend
deel liberaliseren. Er worden er te weinig sociale woningen gebouwd, en
slopen dit aan de achterkant: waarom maakt de minister wachtlijsten voor
sociale huur nog langer?
Antwoord:
Met de woningcorporaties heb ik in de Nationale prestatieafspraken
afgesproken dat zij 250.000 sociale huurwoningen tot en met 2030 gaan
bouwen. Het klopt dat woningcorporaties in die periode ook woningen
zullen moeten slopen en verkopen. Sloop en verkoop zijn geen doel op
zich, maar kunnen onderdeel zijn van een gezonde bedrijfsvoering en
gebalanceerd voorraadbeleid. In de Nationale prestatieafspraken is met
de corporaties, gemeenten en huurders vastgelegd om er gezamenlijk naar
te streven dat de sociale huurvoorraad als gevolg hiervan de komende
jaren weer significant groeit, waarbij partijen in de lokale
prestatieafspraken vastleggen hoe een zo groot mogelijke voorraadgroei
kan worden gerealiseerd.
Vragen van het lid Boulakjar, Faissal (D66)
Vraag:
We zien dagelijks berichten in de media van beleggers die zichzelf
zielig vinden, ze presenteren zich als de grootste slachtoffers van deze
wooncrisis. En niet bijvoorbeeld niet de daklozen, wachters en de mensen
die elke maand in de knel komen. Ze willen zoveel mogelijk verdienen aan
woning en nu dat minder wordt zien wij een eindeloze stroom aan tranen.
Als je van wonen een markt maakt krijg je dit. Wij hebben altijd
gewaarschuwd, verkoop sociale huurwoningen niet en grijp in als er veel
starterswoningen worden opgekocht. Vraag: erkennen de leden van
opeenvolgende kabinet Rutte dat het een historische fout was om
beleggers hierheen te lokken met beloftes van gouden bergen?
Antwoord:
Zie het antwoord op de eerste vraag van het lid Peter de Groot
(VVD).
Vraag:
D66 zet vol in op innovatieve woonoplosssingen maar er zijn nog veel
knelpunten: Hoe gaat de minister alle knelpunten voor fabrieksmatig
bouwen eindelijk wegnemen?
Antwoord:
Ik zie veel potentie in conceptueel, industrieel, fabrieksmatig bouwen.
Het is namelijk echt nodig om innovatiever te bouwen om de hoge
woningnood op te kunnen lossen. Vooral ook binnen de context van
klimaatverandering, arbeidsmarkttekorten en het doorgroeien naar een
circulaire economie. Er wordt gelukkig ook steeds meer industrieel
gebouwd. Maar er is nog genoeg opschalingspotentieel. Niet alleen voor
nieuwbouw (eengezinswoningen, appartementen, verplaatsbare woningen,
optoppen, etc.), maar ook voor verduurzaming en transformaties. Om de
volle potentie te kunnen benutten moeten we echter met zijn allen ook
anders leren werken. Niet alleen de bouwers, ook de opdrachtgevers en
overheden. In plaats van elke keer op projectniveau het wiel uitvinden,
met zijn allen zorgen voor voorspelbaarheid, standaardisatie in
combinatie met maatwerkmogelijkheden. Bijvoorbeeld dezelfde type
woningen met eenzelfde bouwkwaliteit in ƩƩn keer te certificeren en meer
gebruik te maken van data en slimme ontwerptools in het
planproces.
Met het programma Versnellen Tijdelijke Huisvesting is daar op het
gebied van verplaatsbare woningen door industrieel te bouwen in de
afgelopen jaren veel ervaring mee opgedaan. Aan het einde van het jaar
kom ik dan ook met een update van het programma Conceptueel Bouwen
en Industriƫle Productie (n.a.v. Motie Grinwis) waar ik verder in
ga op de ervaren knelpunten en de mogelijke oplossingen.
Vraag:
En gaat de minister hamsterhuurkoop in beleid opnemen zodat corporatie
huurder uitzicht krijgen op een eigen woning in hun geliefde wijk?
Antwoord:
Hamsterhuren is een potentieel interessante optie voor starters die te
veel verdienen voor sociale huur maar te weinig voor een koopwoning. Op
dit moment is dit instrument actief in Belgiƫ, maar niet in Nederland.
Omdat de institutionele context (zoals bijvoorbeeld het erfpachtrecht)
verschilt kan dit niet ƩƩn-op-ƩƩn worden gekopieerd. Hamsterhuren lijkt
echter sterk op het in Nederland toegepaste KoLat (Koop Later). Dit
instrument wordt op dit moment op zeer kleine schaal door een aantal
gemeenten en ontwikkelaars toegepast, voornamelijk in kleine kernen waar
sprake is van een duidelijke lokale binding. Of dit ook interessant en
wenselijk is, is een afweging die corporaties voor zichzelf moeten
nemen. Ik heb uw Kamer op 23 april jl. (Kamerstuk 32 847, nr. 1036)
geĆÆnformeerd over de leidraad Verkoop die Aedes heeft opgesteld op basis
van een afspraak hierover in de Nationale prestatieafspraken. Deze
leidraad biedt corporaties handvaten hoe zij hun verkoopbeleid meer
kunnen richten op volkshuisvestelijke doelen zoals doorstroming en het
faciliteren van eigenwoningbezit bij de doelgroep.
Vraag:
D66 wil een uitspraak van de minister; gaat deze aan de slag met de
radicaal andere koers om woningen te realiseren onder de 250.000 euro?
Is de minister het met D66 eens dat echt betaalbare woningen een
voorwaarde moet zijn voor alle toekomstige fondsen, impulsen en
woonafspraken waar toekomstig belastinggeld naartoe gaat?
Antwoord:
Om te zorgen voor betaalbare woningen voor starters is het ook van
belang dat er voldoende betaalbare woningen worden gebouwd. In het
regeerakkoord is de NHG-grens van ā¬355.000 opgenomen als
betaalbaarheidsgrens voor betaalbare nieuwbouw. De betaalbaarheidsgrens
komt terug in de woningbouwinstrumenten zoals de woondeals,
woningbouwimpuls en de startbouwimpuls.
Eerder heb ik uw Kamer geĆÆnformeerd dat ik de koppeling met de NHG-grens
niet houdbaar vind op de langere termijn. Dit omdat deze (met
vertraging) de gemiddelde huizenprijs volgt. Zo waren na het uitkomen
van de Nationale Woon- en Bouwagenda de beschikbare inkomens in eerste
instantie veel minder sterk gestegen dan de huizenprijzen. Met de
gestegen hypotheekrente konden mensen bovendien minder lenen voor een
koopwoning. Ik heb daarom eerder aangegeven vast te houden aan de grens
van ā¬355.000 aan als grens voor de betaalbaarheid. Het is aan gemeenten
om te kijken naar een goede verdeling van de woningen die binnen deze
grens vallen omdat de behoefte regionaal verschilt. De grens zal, op
verzoek van uw Kamer, jaarlijks geĆÆndexeerd worden via de
consumentenprijsindex (CPI). We herijken indien nodig de grens iedere
drie jaar en houden zo in de gaten of deze de juiste weergave blijft van
wat een huishouden kan betalen aan woonlasten.
In de ontwikkeling van nieuwe financiƫle regelingen wordt constant
bezien waar er vanuit de samenleving behoefte aan is. Betaalbaarheid is
hier een belangrijk onderdeel in verschillende regelingen. De Regeling
Huisvesting Aandachtsgroepen, Volkshuisvestingsfonds en regelingen voor
Flexwonen zijn (volledig) gericht op het betaalbare segment. Verder
moeten projecten in de Woningbouwimpuls en de Startbouwimpuls voor het
grootste gedeelte uit betaalbare woningen bestaan.
Vragen van het lid Nijboer, H. (PvdA)
Vraag:
We krijgen meldingen vanuit Amsterdam. Woningcorporaties verkopen
woningen waardoor er op deze manier minder betaalbare sociale
huurwoningen zijn. Destijds wet voor ingediend (over het aantal sociale
huurwoningen), maar die heeft de kamer weggestemd (was verstandig
geweest om deze aan te nemen). Nu dat is gebeurd, wat gaat de minister
hieraan doen? Aan de ene kant wordt gezegd dat er meer sociale
huurwoningen moeten worden gebouwd, maar aan de andere kant worden ze
steeds weer meer verkocht. Er is een grote woningbehoefte, dus dit komt
niet goed bij elkaar.
Antwoord:
Met de woningcorporaties heb ik in de Nationale prestatieafspraken
afgesproken dat zij 250.000 sociale huurwoningen tot en met 2030 gaan
bouwen. Dat betekent dat corporaties hun jaarproductie van
nieuwbouwwoningen moeten verdubbelen van ca. 15.000 de afgelopen jaren,
naar 30.000 in de komende jaren. Die groei gaat niet van vandaag op
morgen, daar is tijd voor nodig. Sinds het afsluiten van de Nationale
prestatieafspraken en de regionale woondeals is echter zichtbaar dat
corporaties hun nieuwbouwplannen aan het opvoeren zijn. Uit de laatste
meerjarenbegrotingen van de corporaties blijkt dat zij hierin ruim
200.000 nieuwe sociale huurwoningen hebben opgenomen. Dit zijn de
woningen die corporaties willen gaan realiseren. Dat er ook versnelling
komt in de realisatie blijkt onder andere uit het feit dat het aantal
bouwvergunningen voor corporaties in het tweede kwartaal is toegenomen.
Corporaties zijn dus bezig om hun rol weer te pakken en hun
nieuwbouwproductie te vergroten.
Het klopt dat woningcorporaties in de periode tot 2030 ook woningen zullen moeten verkopen. Verkoop is geen doel op zich, maar kan onderdeel zijn van een gezonde bedrijfsvoering en gebalanceerd voorraadbeleid. In de Nationale prestatieafspraken is met de corporaties, gemeenten en huurders vastgelegd om er gezamenlijk naar te streven dat de sociale huurvoorraad als gevolg hiervan de komende jaren weer significant groeit, waarbij partijen in de lokale prestatieafspraken vastleggen hoe een zo groot mogelijke voorraadgroei kan worden gerealiseerd. Op die manier wordt ook gesprek gevoerd over de lokale prestatieafspraken in Amsterdam.
Vraag:
We moeten de volkshuisvestelijke traditie koesteren. Aardige eerste
aanzet door de minister over architectuurbeleid, want er moet eigenlijk
meer aandacht zijn voor mooi bouwen. Hoe gaat dit straks in de praktijk
werken? Wordt er meer geĆÆnvesteerd in de kennis onder architectuur? In
lokale bouwmeesters? Hoe zorgen we ervoor dat mensen over 100 jaar
terugkijken en zeggen ānou in de jaren ā20/ā30, zoals we nu ook
terugkijken naar sommige sociale woningprojecten en jaren ā50/ā60 bouw,
āwat hebben ze daar wat moois neergezetā. Toen moesten er een miljoen
huizen, wat zijn we trots dat wij in die volkshuisvestelijke traditie
dat hebben gepresteerd. Dat zou toch wel de ambitie moeten zijn, en mijn
vraag aan de minister is: deelt hij die?
Antwoord:
Door uw Kamer is een aantal moties aangenomen over ruimtelijk kwaliteit
en het belang van architectuurbeleid. Ik deel met u het belang om niet
alleen op kwantiteit te sturen, maar ook op kwaliteit. Ik deel uw
ambitie dat we over 100 jaar met trots op deze komende bouwperiode
moeten kunnen terugkijken. Met de kamerbrief van 13 oktober jl. heb ik
hier mijn beeld op gegeven en een drietal acties toegezegd die hieraan
gaan bijdragen. Te weten; de inzet van een landsdekkend stelsel van
bouwmeesters, het versterken van de rol van de architect en het
versterken van de netwerkfunctie van de lokale architectuurcentra.
Verheugd stel ik vast dat de heer Nijboer deze acties, samen met een
brede insteek rondom ruimtelijke kwaliteit, een mooie aanzet vindt. Ik
deel met hem het belang dat in de praktijk de positie van bouwmeester en
architect ook echt betekenis moet krijgen. Dat zal gepaard moeten gaan
met de inzet van voldoende middelen en capaciteit, en een waardevolle
rol voor de architect en de bouwmeester in het procedures van
planvorming tot vergunningverlening. Ik zal deze aspecten meenemen in
mijn verkenning die ik nu ga doen en zal medio 2024 bij uw kamer
terugkomen wat hier nog voor nodig is.
Vraag:
Ik wil ook de minister vragen om de wet Nijboer, die loopt per 1 mei af.
En de minister die heeft al gezegd die moet verlengd worden met 3 jaar
nou daar ben ik groot voorstander van. Ik ben er ook wel groot
voorstander van om hem te verlengen zoals hij hem nu zelf heeft
vormgegeven nu: namelijk het laagste niveau van CAO lonen danwel
inflatie. En dƔt lijkt er nu uit te gaan en dat zou ik niet zo wenselijk
vinden, want dat is niet in het belang van huurders om niet het laagste
niveau daartussen te kiezen.
Antwoord:
Het klopt inderdaad dat ik voornemens ben de Wet maximering
huurprijsverhogingen geliberaliseerde huurovereenkomsten te verlengen
met drie jaar. Momenteel loopt hiervoor dan ook de internetconsultatie.
Het kabinet wil daarbij afscheid nemen van de wisselende
maximeringsystematiek en inzetten op een gemaximeerde huurverhoging,
gelijk aan de gemiddelde CAO-loonontwikkeling vermeerderd met 1
procentpunt. Met de koppeling aan de gemiddelde CAO-loonontwikkeling
sluit de maximering daarmee aan bij de gemaximeerde huurprijsverhoging
voor het toekomstig lage en middensegment. Bovendien helpt dit in de
voorspelbaarheid voor verhuurders, omdat er dan maar ƩƩn indicator is
waar zij rekening mee moeten houden met hun raming van de
huurontwikkeling.
Vragen van het lid Dijk, Inge van (CDA)
Vraag:
Op basis van Europese wetgeving mag een verlaagd btw-tarief worden
toegepast op de bouw, renovatie en verbouwing van woningen in het kader
van het sociaal beleid versterkte huisvesting. Graag zouden wij deze
mogelijkheid op korte termijn eens echt goed onderzocht willen hebben.
Met in ons achterhoofd het in te zetten voor de bouw van goedkope en
middeldure woningen, een doorberekening van de fiscale voordelen naar
inwoners en een inschatting hoe lang een dergelijk instrument nodig zou
zijn om de bouw weer op gang te krijgen.
Antwoord:
Ik zal aan het recent gestarte IBO woningbouw de suggestie doen dit idee
mee te nemen in hun onderzoek. Dit betreft een onafhankelijk ambtelijk
traject dat in beeld brengt welke maatregelen/beleidsopties getroffen
kunnen worden om de woningbouw vlot te trekken. Ik teken daarbij aan dat
een verlaging van de btw vaak ongericht is: er profiteren ook veel
projecten van die anders ook door zouden zijn gegaan. De ondoelmatigheid
van het verlaagde btw-tarief als beleidsinstrument blijkt in algemene
zin ook uit de recente evaluatie van het verlaagde btw-tarief. Daarnaast
leidt de toepassing van een verlaagd btw-tarief vaak tot
afbakeningsvraagstukken die de uitvoering complex maken.
Vraag:
Er is grote onderlinge concurrentie, alleen al tussen overheden, om
ambtelijke capaciteit, de mensen die de plannen moeten maken en
beoordelen. Ik heb gevraagd om een overleg met IPO en VNG om te kijken
of we hier meer de samenwerking kunnen opzoeken. Ik was benieuwd of dat
overleg al is geweest en of daar mooie uitkomsten uit te melden
zijn.
Antwoord:
Met het āPlan van aanpak versnellen processen en procedures woningbouwā
zet ik met partijen in op het maken van de benodigde efficiƫntieslag.
Dat is nodig omdat het probleem niet is op te lossen door alleen te
mikken op het uitbreiden van het aantal ambtenaren. Slimmere werkwijzen
leggen een kleiner beslag op de beschikbare capaciteit. VNG en IPO zijn
nauw betrokken bij de aanpak om ambtelijke capaciteitstekorten in de
woningbouwopgave aan te pakken. Daarin werken partijen op verschillende
manieren samen, juist om concurrentie om ambtelijke capaciteit te
voorkomen. Nog dit najaar spreek ik met VNG en IPO over de acties ten
aanzien van de ambtelijke capaciteit.
Ook ondersteun ik, in het verlengde van de woondeals, de medeoverheden
met een financiƫle regeling (Regeling specifieke uitkering ten behoeve
van het opstellen en uitvoeren van woondeals). Vorig jaar is daar al
⬠4,5 miljoen beschikbaar voor gesteld, in het najaar wordt daar nog
eens ⬠10 miljoen aan toegevoegd. Daarnaast zet ik de flexpoolregeling
in. In deze kabinetsperiode is daar ⬠90 miljoen voor beschikbaar
gesteld: de eerste ⬠40 miljoen is vorig jaar uitgekeerd, dit najaar
volgt nog ⬠10 miljoen, en volgend jaar wederom ⬠40 miljoen. Ook is er
advies en expertise beschikbaar via het expertteam woningbouw en diverse
taskforces.
Vraag:
Deze vraag is gesteld in een interruptie van Van Dijk (CDA) en dus
formeel door haar gesteld, maar het was een vraag van Nijboer via een
interruptie. Vindt u ook niet dat het tijd wordt dat de tochtkorting
wordt ingevoerd? De huurverlaging voor huurders die een slecht
energielabel hebben. Dat is al meer dan een jaar geleden bij de algemene
beschouwingen in een motie van Heerma en Kuijken vastgelegd. Dus dat
wordt wel een keer tijd.
Antwoord:
Ik heb in het commissiedebat van 5 oktober jl. over het klimaatakkoord
gebouwde omgeving aangegeven dat ik een tochtkorting geen goed idee
vind. Ik heb al de nodige maatregelen aangekondigd om de
energieprestatie van een woning een grotere rol te laten spelen in het
huurbeleid. Zo heb ik aangekondigd dat ik het WWS wil aanpassen, zodat
slechtere labels minpunten krijgen. Daarnaast heb ik met de corporaties
ambitieuze afspraken gemaakt over het aantal woningen dat zij moeten
verduurzamen, en dat zij de isolatiemaatregelen nemen zonder hiervoor
een huurverhoging aan de zittende huurder te rekenen. Bovendien komt er
een verbod op verhuur van woningen met een EFG-label. Die normering
stond eerst voor 2030, maar hebben we met een jaar naar voren gehaald
naar 2029. Dat zal verhuurders de komende jaren aanzetten tot versnelde
verduurzaming van hun slechte woningen. Ik heb tot slot de afgelopen
periode in het kader van de transitiestrategie over het prijsplafond
verkend of een huurkorting voor slechte labels bij corporaties een optie
zou zijn. Omdat ervoor gekozen is geen energie-specifieke koopkracht
maatregelen te nemen, maar de laagste inkomens op andere manier te
ondersteunen, heeft hierover uiteindelijk geen concrete besluitvorming
met de corporaties plaatsgevonden.
Vraag:
|
|---|
Antwoord:
Op 19 juni jl. is de brief āModernisering grondbeleidā naar uw Kamer
gestuurd. Het doel is om het grondbeleid te moderniseren, zodat
gebiedsontwikkeling sneller en goedkoper kan. Samen met partijen zoals
VNG en NEPROM werken we nu de drie sporen uit.
In spoor 1 onderzoek ik met de gemeenten en provincies hoe het bestaande
instrumentarium beter ingezet kan worden. Er zijn inmiddels experts
grondzaken toegevoegd aan het expertteam woningbouw van het RVO.
Gemeenten en provincies kunnen hier eenvoudig gebruik van maken. Ook het
verlengen van de termijnen van het voorkeursrecht kan gemeenten helpen
dit instrument vaker in te zetten. Dit voorstel werk ik op dit moment
samen met de VNG uit.
In spoor 2 staat het verbeteren van de waardering van grond en het
kostenverhaal centraal. Ik ben al aan de slag met maatregelen, zoals het
verbeteren van de voorzienbaarheid van kosten en het verbeteren van de
taxaties. Deze trajecten zijn onlangs opgestart, evenals de verkenning
naar de inbrengwaarde van grond. De uitkomsten van deze verkenning
worden medio 2024 met u gedeeld.
In spoor 3 wil ik fundamentele wijzigingen verkennen die ervoor moeten
zorgen dat de waardestijging van grond ten goede komt aan
maatschappelijke opgaven. Onlangs zijn de in de brief aangekondigde
verkennende onderzoeken uitgezet, zoals het verbeteren van de
baatbelasting en een heffing ter voorkoming van speculatieve
grondhandel. Gelet op de aard van dit derde spoor, is het aan het nieuwe
kabinet hoe met deze onderwerpen en de resultaten van de onderzoeken
wordt omgegaan.
Ik ben voornemens u in maart 2024 een voortgangsbrief te sturen, waarbij
ik inga op de stand van zaken van alle maatregelen uit de brief
āModernisering grondbeleid'.
Vragen van het lid Esch Van, E.M. (PvdD)
Vraag:
Opmerking omtrent omgevingswet: Waarom gaan we in 2023 een beleid uit
voeren van verdere decentralisatie, verdere versplintering van regels en
verdere versoepeling van het beschermingsrecht? Dat ontgaat onze partij
echt. PvdD is voor intrekken van de omgevingswet.
Vraag:
Omgevingswet We zien de oorsprong van de wet en gedachtegoed die onder
deze wet lag. De minister is zo ver met de wet om met een kromme stok
een rechte slag te slaan. Vraag: Ik daag de minister uit om uit te
leggen aan de kamer en ons mee te nemen hoe die wet weliswaar liberaal
begonnen, misschien christelijk- sociaal zou kunnen eindigen.
Antwoord:
Met de Omgevingswet wordt er gestuurd op de kwaliteit van de
leefomgeving en kan er regie worden genomen. Dit gaat u ook terugzien
bij het Wetsvoorstel versterking regie Volkshuisvesting die nu voor
advies bij de Raad van State ligt. En bij de Nota Ruimte (de nationale
omgevingsvisie), met programma's en bestuurlijke afspraken waarmee het
Rijk aangeeft welke keuzes het op nationale schaal maakt. Het instrument
van instructieregels wil ik gaan inzetten voor een verplicht
Volkshuisvestingsprogramma.
De Omgevingswet biedt een geharmoniseerd instrumentarium voor zowel het beschermen als het benutten van onze leefomgeving. Bij inwerkingtreding gaat de Omgevingswet uit van een gelijkwaardig beschermingsniveau, overeenkomstig de huidige wetgeving. Ook is uitvoering gegeven aan het uitgangspunt decentraal wat kan, maar centraal wat moet. Decentrale overheden wordt de mogelijkheid geboden om op meer onderwerpen lokaal maatwerk te bieden maar dit op een integrale wijze.
Het wetgevingsproces is na een lang en zorgvuldig proces afgerond. De
Omgevingswet, de Invoeringswet en de vier Aanvullingswetten zijn met
grote meerderheid door het parlement aangenomen. Ook de besluitvorming
over de inwerkingtreding heeft een uitgebreid en zorgvuldig proces
doorlopen, in nauwe afstemming met de decentrale overheden. In februari
en maart hebben de Tweede en Eerste Kamer ingestemd met 1 januari 2024
als datum van inwerkingtreding. Hiermee is de noodzakelijke en gevraagde
duidelijkheid voor de uitvoering gekomen. De inwerkingtredingsbesluiten
zijn vervolgens vastgesteld en gepubliceerd. Er ligt nu een opdracht om
te zorgen voor een zorgvuldige in- en uitvoering van het nieuwe
stelsel.
Daarnaast biedt de Omgevingswet ruimte voor participatie bij de
voorbereiding van plannen, vergunningen en andere besluiten. Op deze
wijze wordt de afstand tussen burger, bedrijfsleven en overheid
verkleind. Kortom, de Omgevingswet maakt het mogelijk om vorm te geven
aan, en aan de slag te gaan met, de actuele en toekomstige opgaven van
de fysieke leefomgeving. Wat mij betreft is de
wet niet scherp in enkel een overtuiging. De wet en haar doelen bieden
kansen voor goed rentmeesterschap en voor een balans tussen beschermen
en benutten.
Vraag:
Nota Ruimte: de minister schetst een aantal uitgangspunten. Ik wil hem
hierop bevragen: Keuzes moeten niet moeten leiden tot afschuiven op
volgende generaties of andere gebieden. Hoe is dit te rijmen met het
huidige stikstofbeleid, waar deze regering inzet op koop en
verplaatsing? Om de uitstoot naar andere gebieden te verplaatsen. Of het
openen van Lelystad airport? Hoe zorgt de minister dat het uitgangspunt
afschuiven op de volgende generaties gerespecteerd wordt? Niet alleen
niet zijn ministerie, maar alle. Hoe borgen we die garantie?
Vraag:
Nota Ruimte: de minister schetst een aantal uitgangspunten. Ik wil hem
hierop bevragen: Hoe verdelen we eerlijk de lasten? We bedoelen toch
niet dat heel Nederland straks in de luchtvervuiling moet zitten zoals
mensen nu rond snelwegen zitten? Of heel Nederland geluidsoverlast
zitten zoals Schiphol? Dat is toch niet het eerlijk verdelen wat de
minister bedoeld?
Vraag:
Nota Ruimte: de minister schetst een aantal uitgangspunten. Ik wil hem
hierop bevragen: Goed voorouderschap gaat borgen binnen zijn ministerie
en andere ministeries?
Antwoord:
Het kabinet werkt aan het opstellen van de Nota Ruimte. Daarbij hanteren
we leidende principes:
Door recht te doen aan volgende generaties: dat betekent goed rentmeesterschap en niet afwentelen naar elders of naar de toekomstige generaties. En we streven naar een eerlijke verdeling van de lusten en de lasten;
Door recht te doen aan schaarste: we gaan voor meervoudig ruimtegebruik. We zoeken waar het kan naar mogelijkheden voor slimme functiecombinaties en naar efficiƫnt ruimtegebruik, mƩt behoud van ruimtelijke kwaliteit;
Door recht te doen aan eigenheid van regioās: we stellen gebiedskenmerken centraal en gaan voor lokaal passende oplossingen.
Zo heeft het kabinet dat ook vastgelegd in de Contourennotitie voor de Nota Ruimte.
Niet afwentelen en rentmeesterschap betekent dat we bij het verdelen van de ruimte voorkomen dat negatieve effecten van keuzes naar elders of naar de toekomst worden afgeschoven. Tegelijk streven we naar een eerlijke verdeling van de lusten en lasten binnen ons land. Ook dat is onderdeel van niet afwentelen. Daarvoor kijken we naar een goede, integrale afweging van verschillende ruimtevragen binnen Nederland.
De keuzes uit de Nota Ruimte zullen goed worden geborgd. Om op het nationale schaalniveau sturing te kunnen geven benutten we daarvoor het beschikbare instrumentarium. Denk aan juridische instrumenten, zoals het BKL. Maar ook de Nota Ruimte zelf is een instrument. Zo zullen ruimtelijke keuzes worden verankerd in een Nationale ruimtelijke hoofdstructuur met kaarten die opgenomen wordt in de Nota.
De totstandkoming van de Nota Ruimte doen we zorgvuldig. Parallel aan de contourennotitie en het proces om te komen tot de Nota Ruimte werken de provincies in het NOVEX-puzzelproces aan de ruimtelijke voorstellen. Dit jaar wordt vanuit de provincies duidelijk in hoeverre het mogelijk is om met behoud van ruimtelijke kwaliteit, opgaven in te passen en te ordenen. Dan wordt ook duidelijk waar nog ruimtelijke keuzes nationaal en decentraal nodig zijn. Dit wordt een van de onderdelen van de Nota Ruimte, gericht op de uitvoering in specifieke gebieden. Tegelijkertijd stelt het programma Mooi Nederland ruimtelijke kwaliteit centraal bij de aanpak van maatschappelijke opgaven ā op de korte en de lange termijn (2030, 2050 en 2100). Door de grote vraagstukken in de toekomst te verkennen, deze samen te brengen in integrale toekomstbeelden en te vertalen naar concrete inrichtingsoplossingen op gebiedsniveau laten we in de Nota Ruimte zien hoe we ons land kunnen inrichten, mĆ©t toevoeging van ruimtelijke kwaliteit.
Vraag:
De minister wil meer standaardisering in de bouw, maar hoe verhoudt zich
dat tot die omgevingswet die juist meer maatwerk regels gaat toe staan
ofwel allemaal verschillende regels per gemeente maar deze minister wil
meer standaardisering in de bouw. PvdD snapt dit niet en benieuwd of dat
de minister dit wel in ziet?
Antwoord:
De maatwerkregels waar mevrouw van Esch op doelt verhouden zich
inderdaad niet met de wens tot meer standaardisatie. Daarom laat ik deze
bevoegdheid van de gemeente tot het nemen van maatwerkregels via een
wijziging van het BBL niet in werking treden. Deze wijziging heeft voor
het zomerreces voorgehangen in beide Kamers en is vorig jaar ook
besproken in het debat Klimaatakkoord Gebouwde Omgeving. De
maatwerkbevoegdheid van gemeenten treedt daarmee niet in werking onder
de omgevingswet, specifiek ten aanzien van de milieuprestatie en de
energieprestatie. Door wel landelijk uniforme regels en eisen te stellen
op deze onderwerpen in de Bouwregelgeving wordt die standaardisering in
de bouw juist bevorderd, zoals toegelicht in de Kamerbrief van 4 oktober
jl.]. Dit faciliteert een meer fabrieksmatige aanpak waarbij de beperkte
arbeidscapaciteit efficiƫnter wordt ingezet voor de bouw en verbouw van
woningen. De schaalvoordelen hiervan moeten bovendien leiden tot een
kostendaling en versnelling, wat broodnodig is in de verduurzaming van
de gebouwde omgeving en de woningbouw.
Vraag:
Vandaag deed de minister een tweet uit over de bouwlocaties en het
aantal woningen richting 2040. Hij zei in zijn tweet nadrukkelijke
gekeken te hebben naar het noorden, zuiden en het oosten. De focus lag
dit keer niet op het westen. Maar wat bleek: als ik ga tellen, dan komen
wij op bijna 500.000 van die 600.000 woningen die wel gewoon in de
randstad ingepland stonden. Ik ben benieuwd: kan de minister dit
uitleggen? Welke afwegingen hebben bijgedragen aan de keuze van deze
spreiding en ruimtelijke verdeling voor toekomstig Nederland? En hoe
toekomstbestendig is die keuze met de KNMI-scenarioās in het achterhoofd
die we recent hebben ontvangen?
Antwoord:
De in mijn tweet genoemde aantallen betreffen de huidige 17
grootschalige woningbouwlocaties. Hier is het naar verwachting
uiteindelijk mogelijk meer dan 600.000 woningen toe te voegen richting
2040 en verder, mits aan aanvullende randvoorwaarden en financiƫle
opgaven voor grootschalige gebiedsontwikkeling wordt voldaan. Daarnaast
zal ik in de Nota Ruimte ook nieuwe locaties voor grootschalige
woningbouw benoemen. In de Contourennotitie voor deze Nota heb ik
aangegeven daarbij voor heel Nederland te willen kiezen. Ik heb ook
uitgewerkt aan welke regioās ik denk. In de Nota Ruimte zal ik ā in
integrale afweging met de andere ruimtelijke opgaven, waaronder
klimaatbestendigheid ā tot het benoemen van nieuwe (grote) locaties voor
woningbouw komen.
Vraag:
Minister heeft veel bouwplannen, maar stikstofruimte heeft de minister
niet. Ik zie nog altijd weinig actie van deze minister om dat snel en
voortvarend aan te pakken. Wat gaat hij nu doen? Wat voor
voorbereidingen heeft hij misschien voor een mogelijke opvolger toch
snel te komen met die stikstof reductie en die natuurherstel die zo
nodig is. Want ik hoor collegaās over een straatje erbij bouwen in het
groen, maar laten wij dat aub niet ongeclausuleerd doen, want als de
natuur die als zo onder druk staat verder in de verdringing komt, is dit
geen vruchtbare route.
Antwoord:
Stikstof zet de woningbouwopgave niet op slot, maar heeft wel een
vertragend effect. Hoewel veel projecten te maken hebben met stikstof,
leert de ervaring dat er binnen projecten vaak een oplossing wordt
gevonden om het project zonder problemen doorgang te laten vinden.
Evaringen uit de woondeal-regioās bevestigen dit: stikstof is een
probleem dat weliswaar aanwezig is, maar waar bouwers en overheden ook
mee leren omgaan. Voor āhet straatje erbijā is dit niet anders. Stikstof
kan wel een vertragend effect hebben. Om dit te beperken, zetten we via
het programma Schoon en Emissieloos bouwen in op de verduurzaming van de
bouwsector, waarmee ook de stikstofemissies worden beperkt. Daarnaast
maak ik mij hard om stikstofruimte voor bouwplannen veilig te stellen
door middel van het stikstofregistratiesysteem (SSRS), zodat de
stikstofruimte die niet voor natuurherstel nodig is (deels) voor
woningbouw kan worden ingezet. Tot slot zetten we in op een
vereenvoudiging van de vergunningverlening, d.m.v. standaardisatie door
middel van kengetallen en vuistregels, en onderzoeken we de haalbaarheid
van een generieke voortoets waarmee initiatiefnemers snel kunnen
beoordelen of hun project al dan niet vergunningplichtig is.
Vragen van het lid Grinwis, Pieter (CU)
Vraag:
Volkshuisvesting gaat ook over beschermen wat kwetsbaar is. Daarbij gaat
het om de huurders met een gewoon inkomen die zijn aangewezen op de
particuliere verhuur. Ook voor investeerders in nieuwe huurhuizen dient
duidelijkheid te komen. Oproep aan de minister: maar vaart met de wet
betaalbare huur en stuur deze zo snel mogelijk naar de kamer. De raad
van state studeert er al sinds 28 juni op dat geldt voor de wet regie op
de volkshuisvesting vanaf 18 juli. Zij voelen de urgentie van de woning
nood en betaalbaarheid toch ook?
Antwoord:
Ik ben het eens dat we vaart moeten houden met de Wet Betaalbare huur en
de Wet Versterken regie op de volkshuisvesting. Ik verwacht de adviezen
van de Raad van State in de komende weken. Daarbij doe ik dan ook een
beroep op uw Kamer om op deze wetten voortvarend te behandelen. Voor de
Wet Betaalbare huur stuur ik uw Kamer op korte termijn een brief met een
stand van zaken en een vooruitblik op het proces.
Vraag:
Het nationaal isolatieprogramma: Hoe gaat het met de straat voor straat
aanpak? Kunnen de VVEās inmiddels ook bij al de regelingen van de
minister terecht en heeft de minister de vleermuizen opstand inmiddels
bedwongen?
Antwoord:
Een belangrijk onderdeel van het Nationaal Isolatieprogramma is de
lokale aanpak. In de lokale aanpak worden kwetsbare eigenaar-bewoners
via gemeenten extra ondersteund bij het isoleren van hun woning. Voor de
eerste tranche van de lokale aanpak kunnen gemeenten dit jaar 306
miljoen euro aanvragen om ruim 210.000 eigenaar-bewoners te helpen. Met
de middelen voor kwetsbare dorpen en wijken wordt het beschikbare bedrag
opgehoogd met nog eens 119 miljoen euro. In de eerste maanden van dit
jaar hebben veel gemeenten hard gewerkt aan het maken van plannen, het
contracteren van partijen en het indienen van hun aanvraag. Bij
werkbezoeken zie ik ook al veel mooie voorbeelden waar deur voor deur,
mensen vanuit de gemeente raad en daad aangeboden krijgen bij het
isoleren van hun woningen. Per 5 oktober hebben 214 gemeenten de
middelen aangevraagd en er is kort geleden een oproep uitgegaan dat op
31 oktober het loket sluit, zodat zoveel mogelijk isolatieaanpakken dit
jaar kunnen worden ingezet. In 2024 en 2025 volgen nog tranche twee en
drie van de lokale aanpak, om in totaal 750.000 woningen te isoleren. In
de lokale aanpak kunnen ook Verenigingen van eigenaren (VvEās) worden
geholpen en gemeenten zijn nadrukkelijk gevraagd om juist al in de
eerste tranche te komen met isolatieplannen voor hun VvEs, aangezien
deze trajecten langer duren. Daarnaast maken VvE's gebruik van het
Nationaal Warmtefonds en de Subsidie Verduurzaming VvE's (SVVE). Over de
uitdagingen rond isolatie en de Natuurbeschermingswet heb ik op 4
oktober een uitgebreide brief aan de Kamer gezonden. Op de middellange
termijn zijn gemeentelijke SMPās dĆ© oplossing. Het gaat dan om
ecologisch onderzoek en maatregelen voor de hele gemeente. Voor het
opstellen en uitvoeren van deze SMPās stel ik dit jaar ā¬44 mln.
beschikbaar aan gemeenten en provincies. Voor de periode totdat bewoners
gebruik kunnen maken van een SMP van hun gemeente hebben we een
tussenoplossing uitgewerkt, zodat er ook in de komende jaren
natuurvriendelijk geĆÆsoleerd wordt. Ook kijken we samen met het
ministerie van LNV, de medeoverheden, de isolatiebranche en
ecologen naar de ontwikkeling van innovatieve methoden waardoor soorten
gemakkelijker op te sporen zijn. Mijn collega voor Natuur en Stikstof en
ik hopen hier op korte termijn een convenant met in ieder geval de
provincies en de isolatiebranche over te sluiten.
Vraag:
Vraag van Nijboer bij dekking amendement Grinwis, Bekkenman en
Boulakjar, die komt in dit amendement vanuit onderuitputting
woningbouwimpuls. Grinwis ziet hier een bron voor dekking in maar ziet
ook een andere bron voor dekking: Artikel 3, heeft een vrije ruimte die
niet juridish/beleidsmatig verplicht was van 2,2% op artikel 3. Dat zijn
vele miljoenen maar tegelijkertijd had de minister daar ook plannen
voor. Ik hoor graag van de minister wat hij de minst slechte dekking
vindt.
Antwoord:
In de BZK-begroting zijn op dit moment middelen beschikbaar voor het
stimuleren van wooncoƶperaties. De wooncoƶperatie draag ik een warm hart
toe en ik ben eraan gecommitteerd om samen met partners te werken aan
deze verrijking van het woonlandschap. Bij de uitwerking van manieren om
met de beschikbare middelen wooncoƶperaties effectief te stimuleren, heb
ik de afgelopen maanden echter opnieuw ondervonden hoe weerbarstig dit
is. Het grootste probleem voor initiatieven die een wooncoƶperatie
willen starten is het financierbaar krijgen van een voorstel, maar ook
andere aspecten die nodig zijn in de route om daar te komen zijn zeer
uitdagend, zoals ik heb toegelicht in mijn brief van 11 oktober
(Kamerstuk 29 453, nr. 566). Ik wil de beschikbaar gestelde ⬠10 mln.
dan ook vooral inzetten om initiatieven ondersteuning te bieden bij het
financierbaar krijgen van hun voorstellen. Dat is de belangrijkste stap
die nu gezet moet worden zodat zij ook de gang naar financiers kunnen
maken, waarbij we weten dat banken op dit moment maximaal 70% van de
totale kosten voor hun rekening nemen. De overige 30% moeten
initiatieven op andere manieren financieren. Over de wijze waarop die
het verkrijgen van die financiering ook verbeterd kan worden ben ik in
gesprek met verschillende partijen.
Ten aanzien van de dekkingsopties die er zijn voor het amendement heb ik uw Kamer middels een brief van 6 oktober jl. geĆÆnformeerd over de budgetflexibiliteit van artikel 3. Hierin heb ik gemeld dat er voor de middelen in categorie āvrij te bestedenā nadrukkelijk wĆ©l een bestemming is en dat een groot deel inmiddels juridisch verplicht dan wel bestuurlijk gebonden is. Ik verwacht de middelen uit de onderuitputting Wbi nodig te hebben om woningbouw in grotere en complexe gebieden mede mogelijk te maken, waartoe de Kamer ook bij herhaling heeft aangespoord.
Vraag :
Aantal verstrekte vergunningen is te laag. Hoe vullen we de
grondwettelijke opdracht van bevordering van voldoende woongelegenheid
in? Hoe herstellen we de oer-Hollandse traditie? Hoe herstellen we de
woningbouw en hoe doen we dat tegelijkertijd? Wat is het antwoord van de
minister op deze vraag?
Antwoord:
Een snelle groei van het aantal woningen is nodig om het woningtekort in
Nederland terug te laten lopen. We hebben een grote opgave om van 2022
tot en met 2030 981.000 woningen te bouwen, waarvan twee derde
betaalbaar. De Rijksoverheid heeft het afgelopen jaar haar
verantwoordelijkheid voor de volkshuisvesting weer stevig opgepakt nadat
het Rijk daarvoor veel te terughoudend is geweest in haar zorgplicht
voor de volkshuisvesting. Met het afsluiten van 35 regionale woondeals
door het hele land hebben we de bouwopgave tot en met 2030 ingevuld. We
weten nu waar en wat er gebouwd gaat worden en voor wie. Provincies en
gemeenten staan hier niet alleen voor. Daarmee is het fundament gelegd
en is de regie op de volkshuisvesting terug. Tegelijkertijd zijn de
omstandigheden voor woningbouw door onder meer de gestegen rente en
bouwkosten moeilijker geworden. Daarom zetten we de komende tijd
maximaal in op het realiseren van de afspraken met provincies,
gemeenten, woningcorporaties en marktpartijen. De opgave ondersteunen we
financieel Ʃn met kennis en expertise. We doen er alles aan om de
verwachte dip in de bouwproductie zo klein en kort mogelijk te houden.
Daarom zetten we extra financiering in via de start-bouwimpuls van 300
miljoen euro en 300 miljoen euro voor het versneld realiseren van
flexwoningen. Ook het ontwikkel- en bouwproces gaat op de schop. Met het
āPlan van aanpak versnellen processen en procedures woningbouwā willen
we de ontwikkeltijd van een woningbouwproject flink verkorten. Nu duurt
de gemiddelde gebiedsontwikkeling zeven tot tien jaar. Dat is te lang.
Samen met medeoverheden gaan we ervoor zorgen dat knelpunten om te
kunnen voldoen aan randvoorwaarden voor woningbouw zoveel mogelijk
worden weggenomen. Dit met oog voor een gezond, veilig en schoon
leefmilieu voor nu en in de toekomst. Dit maakt het mogelijk om het
komend jaar vol in te zetten op het doorbouwen op zoveel mogelijk
locaties, bestaand Ʃn nieuw te ontwikkelen.
Vraag:
Biedt de begroting die de minister heeft meegebracht naar dit huis nu
echt een adequaat antwoord op deze ongelofelijk urgente
huisvestingsvraag?
Antwoord:
Ik deel de zorgen van de heer Grinwis over de urgentie van de
woonopgave. Nog te veel mensen hebben moeite om een passende en
betaalbare woning te vinden en teveel mensen hebben moeite om
maandelijks de huur en energielasten te betalen. Ook wonen sommige
mensen in een wijk waar de leefbaarheid onder druk staat. Een
belangrijke oorzaak van de toenemende druk op het grondrecht van goede
huisvesting is dat we de rol van de Rijksoverheid te klein hebben
gemaakt.
Dit kabinet heeft volkshuisvesting weer een kerntaak gemaakt en het
fundament gelegd om de regie op de volkshuisvesting te hernemen. En dat
was nodig. We staan voor een enorme en complexe opgave. Het fundament
bestaat hoofdzakelijk uit de Nationale Woon- en Bouwagenda (NWBA), die
is uitgewerkt in zes inhoudelijke programmaās. In de NWBA zijn
ambitieuze doelstellingen neergezet gericht op zowel het verbeteren van
de beschikbaarheid, de betaalbaarheid en de kwaliteit van woningen en de
omgeving. We willen er niet alleen voor zorgen dat er meer betaalbare
woningen komen, we willen ook dat woonlasten beter te dragen zijn, dat
woningen duurzamer worden en dat kwetsbare wijken meer perspectief
krijgen. Deze doelen hangen samen, maar kenmerkend voor de
volkshuisvesting is dat deze doelen een afweging vergen. Keuzes zijn
nodig om een balans te vinden tussen deze drie doelen. Daarbij is geen
snelle oplossing.
Het belangrijkste nu is dat we voortgang (blijven) boeken, want de
opgave verdraagt geen stilstand. In de Staat van de Volkshuisvesting
2023, die ik in november aan uw Kamer zal toezenden, kunt u een compleet
beeld tegemoet zien van de voortgang van de Nationale Woon- en
Bouwagenda en de zes beleidsprogrammaās en ga ik tevens in op de externe
factoren die de voortgang beĆÆnvloeden.
Vraag:
Van Esch vraagt verdere toelichting op vraag naar minister m.b.t.
vleermuizenopstand. Antwoord Grinwis: Alles van waarde is weerloos.
Vleermuizen kunnen niet voor zichzelf opkomen. Maar er zijn botsende
waarde. We willen ook z.s.m. isoleren. Dit moeten we zo goed mogelijk
oplossen. De middelen uit het isolatieprogramma zijn dan niet voor
bedoeld. Mijn vrees is dat we naar elkaar gaan kijken, dat het probleem
toch niet wordt opgelost, omdat er geen geld is voor die soorten
management plannen en dat uiteindelijk die huizen ook niet worden
geĆÆsoleerd. Mijn vraag is: Hoe krijgen we maximale snelheid in het
oplossen van dit probleem zonder dat inderdaad dat wat van waarde is het
loodje legt.
Antwoord:
De middelen voor de lokale isolatieaanpak moeten leiden tot isolatie van
woningen van kwetsbare eigenaar-bewoners. Daar zijn deze middelen voor
bedoeld. Of gemeenten ook de middelen voor de lokale aanpak inzetten
voor SMPās is aan gemeenten zelf. Zij dienen een goede afweging te maken
hoe zij de kwetsbare huishoudens zo goed en snel mogelijk aan een lagere
energierekening kunnen helpen. Voor de lokale aanpak geldt in ieder
geval een resultaatverplichting van ten minste ƩƩn isolatiemaatregel
voor het aantal woningen waarvoor gemeenten een aanvraag doen.
Ik wil gemeenten aanmoedigen om met de middelen natuurinclusief te
isoleren, volgens de werkwijze die voor de korte termijn hiervoor wordt
ontwikkeld en waarover ik onlangs een brief heb gestuurd aan de Tweede
Kamer. Zo kan vertraging van de lokale isolatieaanpak zoveel mogelijk
worden voorkomen. Voor de financiering van de SMPās om natuurinclusief
isoleren makkelijker te maken op de middellange termijn komt er dit jaar
nog de SPUK natuurinclusief isoleren. Daarnaast kan gebruik gemaakt
geworden van de tijdelijke regeling capaciteit decentrale overheden voor
klimaat- en energiebeleid (CDOKE) om SMPās te bekostigen. Ik roep
gemeenten op hier maximaal gebruik van te maken. In 2024 is het streven
een tweede tranche van de SPUK natuurinclusief isoleren open te stellen.
Daarnaast kunnen vanaf 1 januari 2024 VvEs de subsidieregeling SVVE voor
ecologisch onderzoek gebruiken.
Vragen van het lid Bisschop, R. (SGP)
Vraag:
Er is extra geld nodig voor verduurzaming van woningen en bedrijfspanden
(en niet te vergeten uitbereiding van het elektriciteitsnet, maar dat is
dan weer een ander potje). Wat gaat het kabinet hier nu nog in
betekenen? Komt er budget beschikbaar voor een grootschalige
isolatie-verduurzamingsaanpak op gebouwtypeniveau met een vorm van
gebouwgebonden financiering?
Antwoord:
Dit kabinet op meerdere manieren budget beschikbaar gesteld voor de
verduurzaming van woningen en andere gebouwen. Dit loopt deels via
subsidies, zoals in het Nationaal Isolatieprogramma, de ISDE met
subsidie voor warmte-opties voor alle gebouwen en isolatiesubsidie voor
koopwoningen en de DUMAVA voor maatschappelijk vastgoed. Deels loopt het
via fiscale ingrepen, zoals de afschaffing van de verhuurderheffing en
de Energie-investeringsaftrek voor bedrijven. Er zijn ook nieuwe
financieringsmogelijkheden. In mijn brief van november 2022 heb ik
aangegeven dat het kabinet het voornemen heeft een wetsvoorstel uit te
werken dat een robuuste juridische basis geeft voor gebouwgebonden
financierings- en ontzorgingsconcepten. De voorbereiding hiervan loopt.
Het gaat echter niet om een eenvoudig instrument. Voorlopig is er in
ieder geval financiering van het Nationaal Warmtefonds beschikbaar voor
woningeigenaren, met 0% rente voor woningeigenaren met een laag inkomen.
Voor bedrijven en instellingen heeft Bespaargarant met steun van BZK een
balansneutrale financiering beschikbaar.
Vraag:
Woningbouw en de noodzaak tot verduurzaming. Beide processen stagneren.
Naast de al genoemde oorzaken door de collegaās hoorde ik ook
praktijkverhalen van gemeenten met de handen in het haar zitten omdat ze
geen mensen hebben om alle wetten en regels waar ze aan moeten voldoen
uit te voeren en dus kunnen projecten niet op een goede manier gestart
worden. Vandaar twee vragen aan de minister: Is de minister bereid om
samen met de gemeenten te bezien hoe die overladen regelgeving
behapbaarder gemaakt kan worden zodat in elk geval niet meer de
voortgang van allerlei woningbouwprojecten frustreert en hoe kan de
minister gemeenten beter ondersteunen, bijvoorbeeld met extra inzet
vanuit ambtenarenpoules?
Antwoord:
EƩn van de vertragingsfactoren in het proces van woningbouwontwikkeling
is de omvangrijke onderzoeksopgave (ten behoeve van bestemmingsplan/
omgevingsplan). Een toegenomen complexiteit leidt tot een grote en niet
efficiƫnt uitgevoerde onderzoeksopgave. Ook hebben het niet voortvarend
doorlopen van de omgevingsrechtelijke procedure en diverse wet- en
regelgeving (onbedoeld) een vertragende werking op de
woningbouwproductie. Dit pak ik aan met het Plan van Aanpak versnellen
processen en procedures woningbouw in afstemming met gemeenten. Ook met
de Wet versterking regie volkshuisvesting, wil ik de procedure
versnellen, zoals met beroep in ƩƩn instantie. Ik ben ook in gesprek met
de belanghebbende partijen om te komen tot afspraken voor
standaardisatie op wat lokaal wordt uitgevraagd op het gebied van
duurzame woningbouw. Dit zorgt voor meer efficiƫntie voor het opschalen
van duurzame innovaties en voor het versnellen van de
woningbouwproductie.
Verder ondersteun ik gemeenten onder andere met de flexpoolregeling. In
deze kabinetsperiode is daar ⬠90 miljoen voor beschikbaar gesteld: de
eerste ⬠40 miljoen is vorig jaar uitgekeerd, dit najaar volgt nog
⬠10 miljoen, en volgend jaar wederom ⬠40 miljoen. Ook is er advies en
expertise beschikbaar via het Expertteam Woningbouw en diverse
taskforces. Met deze ambtenarenpools en het Expertteam Wonen worden
gemeenten ondersteund met kennis en kunde over onder andere wet- en
regelgeving.
Vraag:
Als het gaat over de huursector geldt ook hier weer: extra regelgeving
kan contraproductief werken. Wat gaat de minister doen om niet goed
werkende regelgeving aan te passen als dat contraproductief blijkt te
zijn?
Antwoord:
Bij de vormgeving van regulering in de huursector, zoals bij de wet
betaalbare huur, hebben we voortdurend oog voor de balans tussen
betaalbaarheid en beschikbaarheid. Want er moet investeringsbereidheid
blijven om woningen toe te voegen. Ook is veel van de huidige regulering
tijdelijk van aard. Zolang er schaarste is waardoor de betaalbaarheid
onder druk staat blijft deze regulering van kracht, maar als er een meer
gezonde balans is tussen vraag en aanbod kan sommige regulering ook weer
losgelaten worden.
Vraag:
Tot slot, voorzitter, wil ik nog even stilstaan bij de Nota Ruimte. De
minister heeft de contouren van de nieuwe nota geschetst en dat roept
vragen op: is dit nou een herziening van de nationale omgevingsvisie? Ik
kan het me nauwelijks voorstellen, maar ik vraag het toch maar.
Antwoord:
Ja, dat klopt. De Nota Ruimte zal de NOVI vervangen als Nationale
Omgevingsvisie. In de Nota Ruimte zal veel meer dan in de NOVI het
hernemen van regie op de ruimte door het Rijk centraal staan. Zoals
beschreven in de Contourennotie voor de Nota Ruimte hebben we daarbij
een duidelijk doel voor ogen: het eerlijk verdelen van de schaarse
ruimte, met in heel Nederland een goede kwaliteit van de
leefomgeving.
Vraag:
Vervolgens, hoe gaat de minister zorgen voor behoud van goede
landbouwgronden in heel Nederland en voldoende zoet water hiervoor? Waar
wil hij naar toe met een agrarische hoofdstructuur?
Antwoord:
In de contourennotitie heb ik hierover aangegeven dat we ons voor de
grondgebonden landbouw richten op een perspectief per gebied op basis
van het water- en bodemsysteem. De mogelijkheden die het water- en
bodemsysteem bieden zijn daarmee sturend voor het type landbouw, de
intensiteit van de landbouw op een plek en de combinatiemogelijkheden
met andere opgaven zoals versterken van de biodiversiteit of
recreatiemogelijkheden. Hierbij is het belangrijk te zorgen voor een
economisch sterke landbouw met voldoende verdienvermogen; om de landbouw
in Nederland te bezien in relatie tot de rol van Nederland in de
Europese voedselvoorziening. Zo ontstaat een gedifferentieerd beeld op
gebiedsniveau. Op basis van dat beeld kunnen oplossingsrichtingen worden
uitgewerkt voor de landbouw i.r.t. water en bodem, natuur en andere
ruimtevragers. Daarbij zie ik ook kansen voor andere teelten:
bijvoorbeeld voor biobased bouwmaterialen of teelten die beter tegen
verzilting of vernatting van gebieden kunnen. Het afwegingskader
āZorgvuldig omgaan met landbouwgrondā, dat wordt opgenomen in het
ontwerp-NPLG, helpt om tot goede keuzes te komen voor functieverandering
en voorkomt dat de landbouw het sluitstuk wordt in de discussie rondom
ruimte.
Zoetwaterbeschikbaarheid is een van de grote vraagstukken voor de
toekomst van de landbouw. Hiervoor is het van belang om meer water vast
te houden, te bergen en zuinig om te gaan met het beschikbare water. De
oplossingen hiervoor zijn ook per gebied verschillend, en zullen
onderdeel moeten worden van de ontwikkelrichtingen per gebied.
Een agrarische hoofdstructuur zal globaal inzicht geven in de
verschillende ontwikkelrichtingen voor de landbouw per gebied, gelet op
o.a. het water- en bodemsysteem en andere gebiedsspecifieke kenmerken
die van invloed zijn op het toekomstperspectief. Daarbij zie ik sterke
samenhang en verwevenheid met de ecologische hoofdstructuur.
Vraag:
Hoe gaat de minister ervoor zorgen dat provincies als gebiedsregisseurs
voldoende speelruimte krijgen om opgaven integraal op te pakken?
Antwoord:
Op basis van het eind 2022 toegezonden startpakket met nationale opgaven
werken de provincies nu aan integrale ruimtelijke voorstellen. Eind van
dit jaar komen deze voorstellen naar het Rijk en zullen deze tezamen met
de Rijksbrede opgaven en de ruimtelijke vragen worden verwerkt in de
Nota Ruimte. Het Rijk en elke provincie maken vervolgens voor de periode
tot 2030 wederkerige bestuurlijke afspraken over de ruimtelijke
inpassing Ʃn uitvoering van de nationale opgaven. Het is aan het nieuwe
kabinet om deze ruimtelijke arrangementen te gaan maken.
Vragen van het lid Koekkoek, M. (Volt)
Vraag:
Tekort aan studentenwoningen zorgt onder de studenten voor veel stress
en onnodig lange reistijden. Uit wanhoop accepteren studenten te dure en
slecht onderhouden kamers. Als oplossing wordt gekeken naar het ombouwen
van bestaande gebouwen. We zien dat vooral internationale studenten vaak
te veel betalen voor een te kleine kamer, omdat aanbieders gebruik maken
van een hotelvergunning. Dit is al jaren een probleem en al jaren roepen
partijen dat dit niet kan. En toen zien we steeds dat nieuwe projecten
worden afgerond. Woningen waar je maar een jaar mag blijven wonen, dat
is geen houdbare oplossing. Nu er grote veranderingen plaatsvinden in de
markt, vraag ik aan de minister of hij ook niet vindt dat hier iets aan
moet gebeuren?
Antwoord:
Er is een tekort aan betaalbare studentenkamers in Nederland. In het
Landelijk Actieplan Studentenhuisvesting (LAS) is afgesproken dat er
60.000 betaalbare studentenwoningen bij moeten komen in de periode tot
2030. De Landelijke Monitor Studentenhuisvesting laat zien dat het
tekort aan studentenkamers in 2022 iets is teruggelopen van 27.000 naar
23.000. Daarnaast blijkt uit de rondgang van de
studentenhuisvestingsregisseur dat er voor 20.000 studenteneenheden
concrete bouwplannen liggen. Nu er nog schaarste heerst, worden vooral
internationale studenten geconfronteerd met een te lage kwaliteit kamer
of een huurcontract met beperkte huurbescherming, omdat ze geen
uitwijkmogelijkheid hebben. Zoals afgesproken in het LAS, onderzoek ik
samen met de relevante stakeholders de mogelijkheden om tot een betere
balans te komen, waarbij het ook voor hoger onderwijsinstellingen
makkelijker moet worden huisvesting te faciliteren.
Vraag :
We horen uit de gemeenten de vraag om zelf te kunnen bepalen waar de
inkomensgrens voor sociale huur ligt en hoe kijkt de minister daar
tegenaan?
Antwoord:
Voor de afbakening van de sociale huisvestingstaak van corporaties is
het staatssteunbesluit van de Europese Commissie uit 2009 van groot
belang. Dit besluit bepaalt de kaders die we mogen hanteren in Nederland
voor het bieden van geoorloofde staatssteun aan woningcorporaties.
Onderdeel van dit staatssteunbesluit is de noodzaak dat we in Nederland
een inkomensgrens hanteren voor de doelgroep die in aanmerking mag komen
voor een sociale huurwoning van een corporatie. Met de huidige
vormgeving van de inkomensgrenzen - gedifferentieerd naar
huishoudsamenstelling, met een vaste vrije toewijzingsruimte en een
mogelijkheden om lokaal de vrije toewijzingsruimte uit te breiden ā
zitten we op de grens van wat binnen het staatssteunbesluit toegelaten
is. Het is niet mogelijk om per gemeente een aparte inkomensgrens te
hanteren. Als gemeenten in hun sociale huurwoningen meer huishoudens
willen huisvesten die een inkomen hebben boven de huidige
inkomensgrenzen, roep ik hen op de vrije toewijzingsruimte hiervoor te
gebruiken. Die ruimte wordt in de meeste gemeenten nog niet (volledig)
benut.
Vraag:
Projectontwikkelaars geven regelmatig aan dat de eis tot sociale
woningbouw (dus met lagere huren) bouwprojecten onrendabel maakt. Ze
eisen dan kostencompensatie in de vorm van subsidie van de zogenaamde
onrendabele top, wat de overheden veel belastinggeld kost. En toch
blijken dan achteraf nog winsten gemaakt te worden. En wij stellen
vertrouwen voorop maar controle is vaak ook zinvol. Daarom wil ik de
minister vragen hoe hij aankijkt naar een open-boek-verplichting voor
projectontwikkelaars in relatie tot het helpen van het wegnemen van
onrendabele toppen bij nieuwbouwprojecten.
Antwoord:
Uiteraard hecht ik er veel waarde aan om geen subsidies te verstrekken
aan projecten als er geen onrendabele top is. Ik vraag daarom bij de
aanvraag inzicht in de cijfers van publieke en private partijen in
bijvoorbeeld de Woningbouwimpuls en de Startbouwimpuls om zo onder
andere te bepalen of de inzet van de financiƫle middelen doelmatig is.
Ook bij de regionale versnellingstafels is het van belang openheid te
geven om zo met elkaar goed te kunnen programmeren en te
investeren.
Vragen van het lid Haga, W. van (Groep Van Haga)
Vraag:
Voorzitter, de particuliere huurmarkt dreigt te verdwijnen. De Zweedse
vastgoedbelegger Heimstaden gaat 12.000 Nederlandse huurwoningen
uitponden, vanwege de onbetrouwbaarheid van de overheid. āGoed nieuws
voor de woningzoekendenā volgens Hugo de Jonge. Kan de minister nog eens
uitleggen waarom dit goed is voor de woningmarkt en voor de
economie?
Antwoord:
Particuliere beleggers hebben de afgelopen vijf jaar ruim 75.000 woningen hebben aangekocht die vervolgens als een dure huurwoning in de markt zijn gezet. Dat zijn niet de institutionele partijen, maar is wel een aanzienlijk deel van de markt. Dat er nu door een aantal partijen woningen worden verkocht die terecht komen bij kopers met een middeninkomen vind ik geen slecht nieuws. Ik ben blij dat partijen wel klaar staan om in de Nederlandse woningmarkt te blijven of in te stappen. We hebben investeerders nodig om structureel voldoende woningen te realiseren. Zonder investeringen vanuit Nederlandse pensioenfondsen zal het ons niet lukken om de bouw van de bijna ƩƩn miljoen woningen tot en met 2030 te realiseren. Daarom vind ik het een positief signaal van veel partijen uit allerlei hoeken om door te zetten op dit initiatief. Ook de Institutionele Beleggers Vastgoed Nederland (IVBN) heeft ook publiekelijk aangegeven belang te hechten aan de Wet Betaalbare huur. Ook ben ik gesterkt door de analisten die aangeven dat dit een stap betekent waarbij betaalbaarheid en businesscase hand-in-hand kunnen gaan met een stabiel investeringsklimaat: dat rendement blijft op de lange termijn, ook met buitenlandse investeerders (die nodig zijn om dit te realiseren en die verantwoordelijkheid ook aangaan), alleen nu betaalbaarder voor middeninkomens en dat is goed voor heel Nederland.
Vraag:
Voorzitter, ten eerste natuurlijk de massa-immigratie. Is de minister
het met BVNL eens dat bij de huidige ongecontroleerde instroom van
immigranten de vraag alleen maar groter zal worden?
Antwoord:
Zie antwoord op de vraag van het lid Kops.