[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Position paper ANBO-PCOB t.b.v. rondetafelgesprek Pensioenen - governance, koopkracht en communicatie d.d. 20 juni 2024

Position paper

Nummer: 2024D24762, datum: 2024-06-12, bijgewerkt: 2024-06-13 15:57, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Onderdeel van zaak 2024Z10506:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


Rondetafelgesprek Pensioen

Commissie Sociale Zaken en Werkgelegenheid 20 juni 2024

Position paper ANBO-PCOB

Willem Reijn, senior beleidsadviseur pensioenen

Woerden, 12 juni 2024

Geachte commissieleden,

ANBO-PCOB is blij dat de Tweede Kamer grote belangstelling toont voor het onderwerp hoorrecht. Wij zijn er zeer mee ingenomen dat, onder meer, naar aanleiding van de brief van ANBO-PCOB en de Koepel Gepensioneerden de Tweede Kamer de moties van CDA en NSC heeft aangenomen, waarin om een quick scan en een breder onderzoek naar het hoorrecht is gevraagd. Met het rondetafelgesprek van 20 juni onderstreept uw commissie nog eens het belang van een goede uitoefening van het hoorrecht.

In deze position paper hebben wij voor het gemak de conclusies voorop gezet. De uitgebreide toelichting en andere merites volgen hierna.

U heeft bij de uitnodiging voor het blok governance drie vragen gesteld:

  1. Ervaringen en uitvoering hoorrecht. Zijn er verbeteringen mogelijk?

  2. Hoe is het gegaan bij niet-standaardfondsen, zoals APF’en.

  3. Escalatie en juridische mogelijkheden.

Belangrijkste conclusies ervaringen (vraag 1)

  1. Het hoorrecht leidt nauwelijks en slechts bij uitzondering tot inhoudelijke wijzigingen van het transitieplan.

  2. Daardoor kan het hoorrecht feitelijk niet als een tegenwicht voor het opschorten van het individuele bezwaarrecht worden aangemerkt.

  3. Ook zal het hoorrecht op deze manier niet voor een verbreding van het draagvlak onder de transitie naar de WTP zorgen.

  4. Wij zien geen mogelijkheden om nu nog tot een verbetering van het hoorrecht te komen. Praktisch niet omdat de meeste fondsen inmiddels hun transitieplan gereed hebben. Maar vooral ook omdat sociale partners in het algemeen niet open staan voor wijzigingen als zij eenmaal een akkoord hebben bereikt.

Op vraag 2 moeten wij u het antwoord schuldig blijven. Wij hebben daar, in tegenstelling tot een andere afgevaardigde in dit blok, geen ervaring mee.

Belangrijkste conclusies escalatie en juridische mogelijkheden (vraag 3)

  1. Er zijn bij de meeste organisaties onvoldoende middelen voor juridische procedures.

  2. De wet heeft sociale partners alle ruimte gegeven om het hoorrecht zelf vorm te geven.

  3. Een rechter zal vermoedelijk eerst marginaal toetsen. Maar zelfs als hij – inhoudelijk – tot de conclusie komt dat sociale partners er ‘een potje’ van hebben gemaakt, zal dat er slechts toe leiden dat de procedure moet worden overgedaan – zonder dat dat tot andere uitkomsten leidt.

  4. Escalatie ligt pas voor de hand als met class actions de daadwerkelijke overgang wordt bestreden. Daar is niet iedereen gerust op, zo heb ik al uit een andere position paper in deze sessie gelezen.

Algemene conclusie

Als het hoorrecht bij het grotere door u gevraagde onderzoek inderdaad onvoldoende tegenwicht tegen het opschorten van het individueel bezwaarrecht biedt, is het de vraag of de rechten van de deelnemers op een andere, betere manier moeten worden beschermd.

Hierbij tekenen wij op voorhand aan dat het verzwaarde adviesrecht voor (geledingen van) het verantwoordingsorgaan daarbij doorgaans geen probaat middel zal blijken. Immers: sociale partners, bestuur en verantwoordingsorgaan worden in veel gevallen door dezelfde partijen worden aangestuurd: sociale partners.

Inleiding

De Tweede Kamer heeft bij de parlementaire behandeling van de Wet Toekomst Pensioenen zowel tijdens de debatten als in schriftelijke vragen zich terecht kritisch opgesteld over het hoorrecht. Ook de gezamenlijke ouderenorganisaties hebben zich kritisch getoond.

Het hoorrecht maakt deel uit van het pakket dat het opschorten van het individueel bezwaarrecht bij het invaren moet compenseren. Experts waren daar al bij de consultatieronde kritisch over. Onder andere prof. Mateman c.s. achten het hoorrecht een te licht middel om de opschorting afdoende op te vangen.

Uiteindelijk heeft de Tweede Kamer met het amendement Palland/Van Beukering een lichte aanscherping gepleegd: sociale partners moesten voortaan laten weten wat zij met de inbreng van de verenigingen van gepensioneerden dan wel slapers hebben gedaan.

Praktische zaken rond het hoorrecht

  • Bij een aantal fondsen moesten de verenigingen zich aanmelden bij sociale partners voordat de wet van kracht was (1 juli 2023). Wij hebben daarom afgezien van aanmelding.

  • Er zijn in Nederland ca 175 pensioenfondsen, maar veel minder verenigingen van gepensioneerden. Het idee dat verenigingen – zonder financiĂ«le of organisatorische steun - spontaan een vereniging zouden kunnen oprichten stond buiten elke realiteit. Als ANBO-PCOB zijn wij slechts in staat om bij een beperkt aantal pensioenfondsen het hoorrecht uit te oefenen.

  • In de wet wordt gesproken over aansluiting bij ‘het pensioenfonds’. Enkele fondsen hebben dat opgevat als zou de betrokken vereniging specifiek voor dat fonds moeten zijn opgericht en wilde men ANBO(-PCOB) in eerste instantie niet toelaten. ANBO is overigens in 1900, 124 jaar terug, juist opgericht in de strijd voor een goed pensioen voor ouderen.

  • De wet schrijft voor dat de betrokken vereniging 1000 leden of 10 procent van de gepensioneerden moet organiseren om als representatief te kunnen worden gekwalificeerd. Men wilde een grens trekken om niet elk toevallig groepje te hoeven toelaten. Dat is een weeffout: het is immers geen probleem bij grote fondsen aan die eis te voldoen, maar bij kleinere fondsen is dat vaak niet of nauwelijks mogelijk. Die verhouding klopt eenvoudig niet.

  • Hoe kan een vereniging aantonen over voldoende leden bij het fonds te beschikken? Feitelijk is alleen een anonieme data-run van deelnemers en leden een objectieve meting. Bij de parlementaire behandeling is dat middel niet omarmd. Het alternatief van een bericht op de website over de vereniging waarop deelnemers kunnen reageren, staat buiten elke realiteit.

  • Sociale partners staat het vrij om het hoorrecht zelf vorm te geven. Feitelijk hoefden zij alleen ervoor te zorgen dat de vereniging op een dusdanig moment zou worden betrokken dat er nog een aanpassing van het concept transitieplan op papier mogelijk zou zijn. Dat is een dode regel.

Onze ervaringen

Als ANBO-PCOB oefenen wij bij elf pensioenfondsen het hoorrecht uit. Gezien de ‘inschrijftermijn’ hebben wij bij enkele fondsen van deelname afgezien. Verder hebben wij ons geconcentreerd op bedrijfstakpensioenfondsen: drie van de vijf grootste fondsen, vier middelgrote fondsen, drie kleinere fondsen en een klein ondernemingspensioenfonds. Bij zeven van die fondsen is de procedure inmiddels afgerond, bij de andere vier loopt die nog.

De positie van de organisaties van gepensioneerden

Het invaren is vermoedelijk het moeilijkste deel van het traject om naar de WTP te gaan. De wet legt de verantwoordelijkheid voor het transitieplan bij sociale partners, in een iteratief proces met het fonds.

Het hoorrecht is op geen enkele wijze een instemmingsrecht. Het wordt toegepast nadat het concept transitieplan is opgesteld, maar voordat dat definitief wordt verklaard. Er moet ruimte zijn voor aanpassing.

Die opzet gaat enigszins voorbij aan de werkelijkheid. Sociale partners hebben gemiddeld ruim een half jaar genomen om er samen uit te komen. Daarna komen de gepensioneerden nog een keer met hun opmerkingen en wensen. Dat vereist van sociale partners een zeer open houding.

De organisaties hebben de minister enkele keren voorgehouden dat er na de onderhandelingen weinig of niets meer wordt veranderd, want een resultaat is een resultaat. Globaal is dat tot nog toe ook onze ervaring. Zij verdedigen een akkoord – en het is niet van belang of de organisaties van gepensioneerden dat akkoord evenwichtig vinden. Het is ons opgevallen dat de kennis vooral bij de pensioenfondsen zit. Die voerden meestal het woord en lichtten toe. De fondsen staan in praktijk meer open voor andere geluiden en beseffen het belang van het verbreden van het draagvlak dan sociale partners.

Onvoldoende is beseft dat de positie van de verenigingen van gepensioneerden zeer ongelijk is ten opzichte van sociale partners/fonds/adviseurs. Als ANBO-PCOB zijn wij al meer dan tien jaar betrokken bij de stelselherziening, ondergetekende maakte deel uit van de werkgroep handreiking evenwichtige transitie. Maar dat is iets anders dan een kantoor vol specialisten – die er overigens per transitieplan heel andere ideeĂ«n op na blijken te houden.

Maar belangrijkste probleem was wel: wat komen die gepensioneerden hier eigenlijk doen?

Minister Schouten heeft zowel in de Tweede Kamer als in overleggen sociale partners op het hart gedrukt om de verenigingen van gepensioneerden tijdig bij het transitieplannen te betrekken. Maar op vragen vanuit de Tweede Kamer bij de behandeling van de WTP antwoordde zij dat de organisaties weer niet (per se?) in het iteratief proces tussen sociale partners en het fonds betrokken hoefden te worden. Echter, dat heeft tot gevolg dat in de meeste gevallen, in elk geval zeker bij de bedrijfstakpensioenfondsen, pas aan het einde er aandacht voor het hoorrecht was – met het eerder beschreven resultaat als gevolg. Slechts bij het Pensioenfonds Zorg en Welzijn zijn de betrokken ouderenorganisaties aan het begin van het proces betrokken – op hun verzoek en door de relaties vanuit de Pensioenraad. Overigens zijn ook zij niet in het iteratief proces meegenomen.

Tweede oproep van de minister was om de organisaties voldoende te informeren. In het algemeen hebben sociale partners dat wel gepoogd. Daarvoor hebben wij om een technische briefing gevraagd, meestal inhoudelijk vanuit het fonds verzorgd. Altijd bleven er nog wel vragen liggen, die pas later werden beantwoord. Daarna hebben wij ons oordeel gegeven, veelal vervat in adviezen voor verbetering. De tijd die daarvoor nodig was werd in alle gevallen op één na (wij hebben u het dossier toegestuurd) verstrekt.

Maar naar gelang er meer transitieplannen werden bestudeerd, hebben wij ook geleerd. En ze zijn veel onbegrijpelijkheden tegenkomen. Hoe kan bij één fonds met 35 procent blootstelling aan zakelijke waarden voor gepensioneerden wel een koopkrachtig pensioen worden bereikt en bij een bijna vergelijkbaar groot fonds met 45 procent niet? Waarom leiden verschillende voorschriften tot verschillende uitkomsten tussen theoretische modellen en de daadwerkelijke financiële inrichting van een fonds? Onbegrijpelijk.

Bij één middelgroot fonds kregen we een zeer nominaal ingericht transitieplan (kantje of 90) om bij de toelichting vanuit het bestuursbureau een koopkracht gedreven verhaal te krijgen. Waarop dient dan te worden gereageerd?

Hier wreekt zich een tegenstelling tussen de rol van het transitieplan (sociale partners) en het implementatieplan (pensioenfonds). Vaak werd naar het implementatieplan verwezen als het gaat om de koopkracht. Maar dat miskent het doel van het transitieplan: je moet weten wĂĄĂĄr je naar toe wilt als je invaart. Want het doel bepaalt de aanwending van het beschikbare vermogen.

Uiteindelijk gaat het ons natuurlijk om de vraag: wat wordt er met onze oordelen gedaan? In het algemeen inhoudelijk nagenoeg niets. Hier en daar wordt er wat aan de tekst gesleuteld. De afwegingen en keuzes blijven staan. Slechts in een enkel geval is er ‘met ons meegedacht’. En dat stellen wij zeer op prijs.

Waar zaten de pijnpunten?

  • Geen heldere doelstelling met betrekking tot koopkracht. Veelal moest naar de hoofddoelstelling van het Pensioenakkoord van 2019 worden gezocht. Zelfs als het volledig bijhouden van de koopkracht geen doelstelling is, dient dat duidelijk te worden vermeld. Bij één fonds was dat zo onduidelijk of onzichtbaar gemaakt, dat de achterban al een koopkrachtig pensioen was beloofd, terwijl aan tafel toegegeven moest worden dat dat niet het geval was.

  • Compensatie doorsneeystematiek: ANBO-PCOB wil geen pech-generatie (van 45-65 jaar), maar vindt dat de vrijval in premie door het life cycle beleggen wel eerst moet worden ingelegd (dus geen premieverhoging), voordat gepensioneerden hiervoor de portemonnee moeten trekken. Het bleek eenvoudiger te zijn om een greep in hun kas te doen.

  • De spreiding default van tien jaar in de wet is volstrekt onuitlegbaar aan de oudere deelnemers. Waarom krijgen actieve deelnemers bij de eenmalige toedeling van reserves tot 122 procent van de waarde mee en gepensioneerden 90 procent? We zijn heel benieuwd of en hoe sociale partners dit gaan uitleggen aan de deelnemers.

  • Indexatie-achterstand. Bij sociale partners stond klaarblijkelijk niet helder op het netvlies dat de indexatie-achterstand bij invaren zeer ongelijk is verdeeld over generaties. Het verzachten van die ongelijkheid was bij de meeste transitieplannen niet, nauwelijks en altijd als laatste aan de orde, zelfs nog na algemene verhogingen. Ook hier weigerde men een syllabe aan te passen.

Nu moet er een evenwicht worden gevonden tussen alle instrumenten (verplichte reserves, 100 procent pensioenrecht, compensatie, solidariteitsreserve, achterstandsindexatie, algemene verhoging).

Wat ons opvalt is dat de daadwerkelijke vergelijking tussen de te onderscheiden generaties de facto gewoonlijk niet wordt uitgevoerd. Sociale partners bepalen de doelen zonder afweging en zeggen aan het einde: kijk, onze doelen zijn bereikt, dus het is evenwichtig. En bovendien gaat iedereen er op vooruit (hopelijk)! Nog een nettoprofijt berekening en klaar is Kees.

Ook voor die daadwerkelijke evenwichtsafweging zijn partijen niet gevoelig.

Andere perikelen

Aanmelding

Bij een aantal fondsen werd ANBO-PCOB als partij automatisch aanvaard en in enkele gevallen zelfs actief uitgenodigd om het hoorrecht uit te oefenen. Enkele fondsen hebben de anonieme bestandsvergelijking toegepast, waarna ANBO-PCOB werd toegelaten. Bij een kleiner fonds was het aantal leden onder de 1000, waarna een soort van ‘fluisterrecht’ werd toegekend. Een groot fonds deed er een klein jaar over, om uiteindelijk de vereniging schoorvoetend toe te laten. Ten slotte was er ook een fonds dat ons heeft afgewezen.

Opgemerkt dient te worden dat in een paar gevallen de procedure van toelating zeer intensief was.

Juridisch en escalatie

Voor zover wij kunnen overzien staat voor de (verenigingen van) gepensioneerden alleen de gang naar rechter open . De interne klachtenprocedure en die bij de Geschilleninstantie Pensioenfondsen zijn er slechts voor individuele klachten die betrekking hebben op fouten e.d. in het dossier. Niet voor de keuzes die liggen onder het invaarbesluit c.q. transitieplan.

Of de gang naar de rechter voor het hoorrecht als zodanig een begaanbare weg is, is kwestieus. Er is immers nog geen definitief besluit over het transitieplan (opdrachtaanvaarding etc..

Over de procedure als zodanig zal een rechter vermoedelijk marginaal toetsen. Daarbij heeft de wetgever sociale partners alle ruimte gegeven om het hoorrecht zelf vorm te geven.

Maar zelfs als hij – inhoudelijk – tot de conclusie komt dat sociale partners er ‘een potje’ van hebben gemaakt, zal dat er slechts toe leiden dat de procedure moet worden overgedaan – zonder dat dat tot andere uitkomsten leidt.

Overigens is er nog wel enige discussie over de rechtsgang als zodanig: waar moet men terecht? Wij verwijzen hiervoor naar onder meer de inbreng van mr. A. van Leeuwen van SteensmaEven bij een van de rondetafelgesprekken. Ook mr. Mark Heemskerk heeft hierover gepubliceerd. Over de rechtsgang en de verdere implicaties heeft de Tweede Kamer ook de bedenkingen van de Raad voor de Rechtspraak mogen ontvangen. Er zijn bij de meeste organisaties onvoldoende middelen voor juridische procedures.

Escalatie ligt pas voor de hand als met class actions de daadwerkelijke overgang wordt bestreden. Op de uitkomst is niet iedereen gerust op, zo heb ik al uit een andere position paper in deze sessie gelezen.