Position paper AG t.b.v. rondetafelgesprek Pensioenen - governance, koopkracht en communicatie d.d. 20 juni 2024
Position paper
Nummer: 2024D24790, datum: 2024-06-12, bijgewerkt: 2024-06-13 16:30, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van zaak 2024Z10519:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- 2024-06-20 15:00: Pensioenen - governance, koopkracht en communicatie (Rondetafelgesprek), vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- 2024-07-02 15:00: Procedures en brieven SZW (Procedurevergadering), vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Preview document (🔗 origineel)
Inbreng van het Koninklijk Actuarieel Genootschap (AG) voor het rondetafelgesprek op 20 juni 2024 ‘Pensioenen – governance, koopkracht en communicatie’, georganiseerd door de Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de Tweede Kamer. Het AG neemt deel aan blok drie over communicatie en wordt vertegenwoordigd door drs. Daan Kleinloog AAG, bestuursvoorzitter van het AG.
Voor eventuele vragen kunt u contact opnemen met Wies de Boer, senior beleidsmedewerker van het Koninklijk Actuarieel Genootschap, wies.deboer@actuarieelgenootschap.nl, 06 2902 0006.
Utrecht, 12 juni 2024
Koninklijk Actuarieel Genootschap
Groenewoudsedijk 80
3528 BK Utrecht
Inleiding
De commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de Tweede Kamer (hierna: de commissie) organiseert op donderdag 20 juni 2024 van 15.00 tot 18.00 uur een openbaar rondetafelgesprek met als thema ‘Pensioenen – governance, koopkracht en communicatie’. Het doel van dit rondetafelgesprek is inzicht krijgen in de governance, koopkracht en communicatie met betrekking tot het nieuwe pensioenstelsel. Het Koninklijk Actuarieel Genootschap(AG) is gevraagd vanuit haar expertise te reflecteren op het onderwerp communicatie. Er is een aantal vragen ter inspiratie/suggestie opgesteld door de commissie.
In deze notitie geeft het AG haar inbreng voor het rondetafelgesprek op 20 juni 2024 over communicatie, gebaseerd op de vragen uit de uitnodiging van de Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, opgesteld door de Commissie Pensioenen van het AG.
Beantwoording vragen
Daar waar in deze notitie wordt gesproken over economische scenariosets, wordt de zogenaamde P-set bedoeld. De P-set wordt gebruikt voor deelnemerscommunicatie.
Als de risiconeutrale economische scenarioset (zogenaamde Q-set) wordt bedoeld, wordt dat benoemd. Deze Q-set wordt gebruikt om pensioencontracten onderling te vergelijken.
Waar lopen verschillende partijen tegenaan bij het werken met de economische scenariosets?
Het doel van de economische scenariosets en de daaruit volgende scenariobedragen was oorspronkelijk om deelnemers inzicht te geven in de onzekerheid en de koopkrachtbestendigheid van hun toekomstige pensioenen. De economische scenariosets waren niet bedoeld voor beleidsbeslissingen door pensioenfondsen. Zie ook een eerdere blog uit 2021 op onze website:
https://www.actuarieelgenootschap.nl/actueel/mission-creep-door-drs.-wichert-hoekert-aag
Sommige fondsen nemen beleidsbeslissingen op basis van een eigen scenarioset in plaats van de economische scenarioset. Het ligt dan voor de hand om ook zo te handelen bij de te nemen besluiten in het kader van de Wtp-transitie. De wetgever schrijft echter voor dat sociale partners zich moeten baseren op de economische scenariosets van DNB en dat daarbij ook gekeken moet worden naar netto profijtuitkomsten op basis van de risiconeutrale economische scenarioset (Q-set), terwijl deze uitkomsten bij eerdere beleidsbeslissingen van het pensioenfonds nooit zijn gehanteerd. De economische scenariosets kunnen sterk afwijken van eerder gebruikte eigen scenariosets. Dat is geen probleem als bij beide scenariosets de relatieve verschillen tussen de huidige en de nieuwe pensioenregeling vergelijkbaar zijn en tot dezelfde interpretatie leiden. Maar dat is niet altijd het geval. Daarnaast zouden de netto profijtuitkomsten tot andere beleidsbeslissingen kunnen of moeten leiden dan bijvoorbeeld bij uitkomsten op basis van vervangingsratio’s. Dat maakt het nemen van beleidsbeslissingen lastig.
Het is dan lastig om tot besluiten te komen als sociale partners naar de uitkomsten op basis van de economische scenarioset (P-set) en de risiconeutrale economische scenarioset (Q-set) (moeten) kijken, terwijl het fonds de eigen scenarioset hanteert. Het maken van realistische vergelijkingen op basis van verschillende economische scenariosets lijkt niet goed mogelijk.
In hoeverre is er sprake van een realistische vergelijking tussen het oude en het nieuwe stelsel voor verschillende leeftijdscohorten/ deelnemersgroepen?
Het doel van de scenariobedragen was oorspronkelijk om deelnemers inzicht te geven in de onzekerheid en de koopkrachtbestendigheid van hun toekomstige pensioenen. De economische scenariosets waren niet bedoeld voor beleidsoptimalisatie of beleidsvorming. Inmiddels worden zowel de rekenmethodieken als de daarvoor gebruikte economische scenariosets soms voor andere doeleinden gebruikt, hetgeen risico’s met zich meebrengt. Terughoudendheid is hier gepast.
Er kan met de economische scenariosets geen goede vergelijking worden gemaakt tussen huidige uitkeringsovereenkomsten (DB) en de nieuwe premieovereenkomsten (DC), omdat bij hoge rendementen de dekkingsgraad bij DB oploopt (niet zichtbaar in communicatie-uitingen) en bij DC het individueel vermogen toeneemt.
De rentedip in de huidige scenarioset zorgt ervoor dat bij prognoses met een korte horizon een relatief groot verschil kan ontstaan tussen inschatting vooraf en realisatie achteraf.
Bij prognoses op de langere termijn leidt de positieve risicopremie ertoe dat in sommige gevallen onzekerheid of risico’s onvoldoende tot uiting komen.
Een ander punt is of het wenselijk is om de scenarioset op kwartaalbasis te actualiseren, omdat dit mogelijk tot meer beweeglijkheid en communicatieve uitdagingen leidt. Grote verschillen tussen de economische scenariosets van kwartaal op kwartaal zijn onwenselijk, zeker rondom het moment van transitie. Dit kan leiden tot onnodig onbegrip.
Sommige fondsen hebben de afgelopen jaren, juist vanwege de slechte ervaringen met de Uniforme Pensioen Overzichten (UPO’s), ingezet op communicatie over pensioenvermogen, vooral voor jongere deelnemers. Ervaring leert dat deelnemers veel vragen hebben over de in de UPO getoonde uitkomsten wanneer van jaar op jaar behoorlijke verschillen in uitkomsten te zien zijn. Ze vinden het dan lastig te begrijpen hoe dit zich verhoudt tot de groei van hun pensioenvermogen. Door te communiceren over pensioenvermogen laat het fonds zien dat dit groeit met ingelegde premies en behaald rendement. Hoewel dit niets zegt over de pensioenuitkomsten, geeft het wel de geruststelling dat het kapitaal groeit. Sommige fondsen pleiten voor communicatie op basis van het pensioenvermogen (bij voorkeur visueel) in combinatie met de (verwachte) pensioenuitkomsten, waarbij, afhankelijk van de leeftijd van de deelnemer, de focus meer op pensioenvermogen of (verwachte) pensioenuitkomsten kan worden gelegd. Hoe hoger de leeftijd, hoe relevanter de pensioenuitkomsten worden. Daarnaast lijkt het raadzaam om in de verwachte uitkomsten niet te vaak te variëren in sets. Het gaat tenslotte om langetermijnprognoses.
De economische scenarioset laat bijzondere rentes zien. Tot voor kort ging DNB uit van de forwardtheorie, maar dat lijkt niet langer het geval te zijn in de huidige economische scenarioset. Er is geen consistentie met de stochastische 1-jaarsrentes. Vooral de eerste jaren laten soms opvallende uitkomsten zien, en ook op de lange termijn liggen de 1-jaarsrentes stochastisch veel lager dan verwacht op basis van de DNB-rente onder toepassing van de forwardtheorie.
Ten slotte blijven wij als AG wijzen op de beperkingen van modellen. De relevante context en de beperkingen van het gehanteerde model moeten goed in het achterhoofd worden gehouden om de uitkomsten te kunnen duiden en waar nodig te relativeren.
Wat doen de doorrekeningen met scenariobedragen bij het invaren, bijvoorbeeld bij de compensatie afschaffing doorsneesystematiek?
Er zijn fondsen die de compensatie hebben vastgesteld op basis van de economische scenarioset ultimo 2023 en deze vastgestelde compensatie ook hanteren op het invaarmoment (in de loop van 2026). Op dat moment is er een geactualiseerde economische scenarioset, waaruit kan blijken dat de eerder vastgestelde compensatie niet meer aan het doel voldoet waarop die eerder was vastgesteld.
Hoe staat het met de risicohouding en geeft deze deelnemers en pensioenfondsen houvast?
Het bepalen van een risicohouding voor nieuwe regelingen is een nieuw vakgebied, dat door de sector nog verkend moet worden. Het is van belang dat de toezichthouder daar ruimte voor geeft.
In een risicobereidheidsonderzoek wordt onder andere aan deelnemers gevraagd welk risico zij bereid zijn te lopen. Dit wordt onder andere gedaan door pensioenuitkomsten bij verschillende oplopende risicoprofielen te tonen, waarna de deelnemer wordt gevraagd een keuze te maken. Een ervaring is dat deelnemers vaak kiezen voor het middelste risicoprofiel. Sterk bepalend voor het uiteindelijke beleggingsbeleid is welke invulling (lifecycles) het fonds onder deze risicoprofielen heeft gelegd, hetgeen ruimte voor interpretatie biedt. Ook is het de vraag of deelnemers voldoende kennis hebben om de vragenlijst goed in te vullen. Daarom zouden fondsen graag meer beleidsruimte willen hebben.
Wat zijn de ervaringen van communicatie over pensioenvermogen voor bestaande DC-regelingen?
Er is relatief weinig ervaring met de communicatie over pensioenvermogen voor bestaande DC-regelingen. Wel heeft enkele jaren geleden een discussie plaatsgevonden over het wel of niet opnemen van pensioenvermogen bij DB. De vraag was of pensioendeelnemers in staat zijn om de 'waarde' van het noemen van het pensioenvermogen in te schatten. Het antwoord hierop was niet eenduidig. De vraag blijft dan waarom gecommuniceerd wordt in termen van kapitalen en vermogen. Hierbij is het belangrijk op te merken dat de verwachtingen niet te hoog gespannen moeten zijn als het gaat om het bijdragen aan de kennis over pensioen. Echter, als het gaat om het bewustzijn dat pensioen een belangrijke arbeidsvoorwaarde is, dan is deze communicatie zeker relevant. Pensioenbewustzijn is belangrijk om ervoor te zorgen dat een deelnemer op tijd weet wat hij of zij van het pensioen kan verwachten en eventueel acties kan ondernemen. Het vinden van de beste manier om te communiceren blijft een uitdaging.
De wettelijke verplichte communicatie lijkt te zijn opgezet met het idee ‘hoe meer informatie, des te transparanter en beter’. Maar meer transparantie leidt niet per se tot meer begrip, laat staan tot meer vertrouwen. Het AG pleit ervoor dat pensioenfondsen voldoende ruimte krijgen om de communicatie af te stemmen op de kenmerken en wensen van hun eigen deelnemers.
Het AG pleit ook voor aandacht voor de uitvoerbaarheid van de communicatie, waarbij het wenselijk zou zijn dat in dat licht de mogelijkheid om te rekenen op basis van bijvoorbeeld 2.000 in plaats van 10.000 scenario’s behouden blijft.
De rekentechnische uitgangspunten in de UPO’s van de huidige DC-regelingen, zoals we die nu kennen, zijn ongeschikt voor communicatie in de nieuwe regelingen. Het AG kan indien gewenst ondersteunende voorbeelden aanleveren.
Hoe denken pensioenfondsen de overgang en het invaren te gaan communiceren?
Veel fondsen zijn nog niet zo ver. De ervaringen die zijn opgedaan bij de voorgaande vragen, zullen uiteraard worden meegenomen bij de invulling van de communicatie over de overgang en het invaren. Wel merkt het AG op dat op voorhand de vraag speelt of het informeren van deelnemers met bijvoorbeeld minimaal 18 pensioenbedragen effectief is.