Uitvoering van de gewijzigde motie van de leden Kwint en Wuite over onderzoek naar een investeringsverplichting of heffing gericht op audiostreamingpartijen ter ondersteuning van de Nederlandse audiosector (Kamerstuk 36176-36)
Wijziging van de Mediawet 2008 in verband met het invoeren van een investeringsverplichting ten behoeve van Nederlands cultureel audiovisueel product
Brief regering
Nummer: 2025D11361, datum: 2025-03-17, bijgewerkt: 2025-03-20 08:37, versie: 3 (versie 1, versie 2)
Directe link naar document (.pdf), link naar pagina op de Tweede Kamer site, officiële HTML versie (kst-36176-41).
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: E.E.W. Bruins, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Ooit ChristenUnie kamerlid)
- Eindrapport. Verkennend onderzoek naar knelpunten en mogelijke stimuleringsmaatregelen ten behoeve van Nederlandse muziekproducties in de online markt
- Beslisnota bij Uitvoering van de gewijzigde motie van de leden Kwint en Wuite over onderzoek naar een investeringsverplichting of heffing gericht op audiostreamingpartijen ter ondersteuning van de Nederlandse audiosector (Kamerstuk 36176-36)
Onderdeel van kamerstukdossier 36176 -41 Wijziging van de Mediawet 2008 in verband met het invoeren van een investeringsverplichting ten behoeve van Nederlands cultureel audiovisueel product.
Onderdeel van zaak 2025Z04899:
- Indiener: E.E.W. Bruins, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- 2025-03-19 14:28: Aanvang middagvergadering: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2025-03-27 10:15: Procedurevergadering (Procedurevergadering), vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- 2025-04-14 10:00: Media (Notaoverleg), vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Preview document (🔗 origineel)
Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2 |
Vergaderjaar 2024-2025 |
36 176 Wijziging van de Mediawet 2008 in verband met het invoeren van een investeringsverplichting ten behoeve van Nederlands cultureel audiovisueel product
Nr. 41 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 17 maart 2025
Op 22 maart 2023 is door uw Kamer de motie «onderzoek naar een investeringsverplichting of heffing gericht op audiostreamingpartijen ter ondersteuning van de Nederlandse audiosector» aangenomen (Kamerstuk 36 176, nr. 36). Hierin verzoekt u het kabinet te onderzoeken hoe er gekomen kan worden tot een investeringsverplichting of een heffing gericht op audiostreamingpartijen, met als doel het ondersteunen van de Nederlandse audiosector. Met deze brief deel ik de resultaten van het uitgevoerde onderzoek met uw Kamer.
De motie komt voort uit de behandeling van het wetsvoorstel betreffende de «invoering van een investeringsverplichting voor grote streamingsdiensten ten behoeve van het Nederlands cultureel audiovisueel product». Binnen deze wet is gekozen voor een investeringsverplichting in tegenstelling tot een heffing. De audiovisuele sector is echter zowel in de werking1, de financiële keten en de juridische context2 verschillend van aard ten opzichte van de audiosector. Daarom is het niet mogelijk de aannames en uitgangspunten die ten grondslag liggen aan de in de Mediawet opgenomen investeringsverplichting voor culturele audiovisuele producties te hanteren voor de uitvoering van onderhavige motie. Om die reden is een apart verkennend onderzoek naar potentiële stimuleringsmaatregelen van online muziekdiensten ten behoeve van Nederlandse muziekproducties ten uitvoer gebracht. Het onderzoek is, in opdracht van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, uitgevoerd door onderzoeksbureau Dialogic in samenwerking met het Instituut voor Informatierecht (IViR), dat is verbonden aan de Universiteit van Amsterdam.
Uitkomsten onderzoek
Het onderzoek is breed opgezet om een zo volledig mogelijk beeld te krijgen van mogelijke maatregelen die aansluiten op het verzoek uit de motie. In deze inventarisatie is niet alleen gekeken naar de mogelijkheid van een heffing, maar ook naar de bredere (financiële) context van de online audiosector en de zichtbaarheid en beschikbaarheid van Nederlandse artiesten op dergelijke platforms.
Uit het onderzoek blijkt dat er weliswaar financiële onevenwichtigheden in de online audiomarkt zijn aangetroffen, maar dat de onderzoekers geen economische redenen zien voor marktinterventie. Als het gaat om het creëren van cultureel aanbod is de markt momenteel in staat om Nederlands aanbod te creëren en te faciliteren. Nederlands(talig)e muziekproducties zijn goed vindbaar en toegankelijk op online audiostreamingplatforms. Daarbij wijst het onderzoek uit dat er feitelijk meer «onevenwichtigheid» bestaat in de verdeling van royalty’s tussen de makers van Nederlandse muziekwerken en de platenmaatschappijen, dan tussen de makers en de online audiostreamingpartijen op de Nederlandse muziekmarkt.
Uit het onderzoek blijkt verder dat een heffing Europeesrechtelijk niet onmogelijk is. Uit de internationale vergelijking blijkt dat Frankrijk sinds 2024 een heffingsvariant kent. Er zijn vanuit het Franse veld (i.e. streamingdiensten, producenten en distributeurs) geen vraagtekens gezet bij de juridische legitimiteit van de heffing. Het besluit heeft wel tot gevolg gehad dat bijvoorbeeld Spotify de abonnementsprijzen heeft verhoogd, waardoor de extra heffing doorbelast wordt naar de consument. Het is nog niet bekend welke gevolgen de verhoging van de abonnementsprijzen heeft op de gebruikersaantallen van Spotify. Bij de Franse heffingsvariant wordt een belastingtarief van 1,2% gehanteerd, dat wordt geïnd door de Franse belastingdienst. De geïnde middelen worden gealloceerd via het National Centre for Music (CNM). Uit een eerste ambtelijke verkenning blijkt dat de haalbaarheid van deze «Franse variant» in de Nederlandse context niet heel groot is. Het invoeren van een heffing op audiostreamingsdiensten (inkomsten) om de opbrengsten vervolgens uit te geven via een subsidie (uitgaven) is volgens de huidige begrotingsregels niet mogelijk. Daarnaast is het de vraag hoe proportioneel het is om een extra heffingsmechanisme in te voeren terwijl er gewerkt wordt aan vereenvoudiging van het heffingsstelsel.
Slot
De uitkomsten van het onderzoek in samenhang met de potentiële obstakels in de uitvoering bieden te weinig grond voor een maatregel in de vorm van een heffing. Om die reden geef ik geen prioriteit aan eventuele vervolgstappen. Het onderzoek is als verzocht in uw motie bij dezen uitgevoerd. Hopelijk is hiermee uw Kamer voldoende geïnformeerd.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
E.E.W. Bruins