Stand van zaken van een aantal moties in het domein landelijk gebied en stikstof
Problematiek rondom stikstof en PFAS
Brief regering
Nummer: 2025D13924, datum: 2025-03-31, bijgewerkt: 2025-04-02 15:57, versie: 3 (versie 1, versie 2)
Directe link naar document (.pdf), link naar pagina op de Tweede Kamer site, officiële HTML versie (kst-35334-358).
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: F.M. Wiersma, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Onderdeel van kamerstukdossier 35334 -358 Problematiek rondom stikstof en PFAS.
Onderdeel van zaak 2025Z06053:
- Indiener: F.M. Wiersma, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
- 2025-04-01 16:00: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2025-04-09 11:15: Procedurevergadering LVVN (Procedurevergadering), vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Preview document (🔗 origineel)
Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2 |
Vergaderjaar 2024-2025 |
35 334 Problematiek rondom stikstof en PFAS
33 576 Natuurbeleid
Nr. 358 BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, VISSERIJ, VOEDSELZEKERHEID EN NATUUR
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 31 maart 2025
Op 2 april 2025 vindt het commissiedebat Stikstof en natuur plaats.
Middels deze brief stuur ik uw Kamer voorafgaand het commissiedebat de stand van zaken van een aantal openstaande moties en toezeggingen.
De volgende onderwerpen komen in deze brief achtereenvolgens aan bod:
– Actualisatie ambtelijke inschatting potentiële stikstofreductie Lbv-regelingen
– Inzichtelijk maken effect voorgenomen klimaatmaatregelen stikstof
– NPLG
– Kustprovincies
– Overige
1. Actualisatie ambtelijke inschatting potentiële stikstofreductie Lbv-regelingen
Afgelopen oktober heb ik uw Kamer voor het eerst geïnformeerd over de ambtelijke inschatting van de stikstofreductie die potentieel met de Lbv-regelingen kan worden gerealiseerd.1 Ik heb toegezegd om uw Kamer periodiek te informeren over nieuwe inzichten hieromtrent.
Op 20 december 2024 sloten de Lbv-plus en Lbv kleinere sectoren.2 Dit is aanleiding geweest om een nieuwe analyse uit te voeren. Na sluiting is één van de onzekerheden die bij de vorige analyse nog speelde, komen te vervallen. Het staat nu immers vast dat er geen aanvragen meer ingediend zullen worden. Deze nieuwe analyse is een actualisatie van de analyse van oktober jl. Dit betekent dat een nieuw «100%-scenario» is berekend. Bij dit 100%-scenario is de aanname gedaan dat de circa 1300 ondernemers die op de peildatum (11 maart 2025) nog een actieve subsidieaanvraag hadden, daadwerkelijk overgaan tot beëindiging van hun veehouderijbedrijf of een locatie van hun veehouderijbedrijf. Ondernemers die voor de peildatum de aanvraag hebben ingetrokken of van wie de aanvraag ambtshalve is komen te vervallen, zijn niet meegenomen in deze analyse.3 Omdat deelname aan de Lbv-regelingen geschiedt op basis van vrijwilligheid en ondernemers zich nog kunnen terugtrekken, is het aannemelijk dat het 100%-scenario in de praktijk niet gerealiseerd gaat worden. Wel geeft het een indicatie van de verwachte ordegrootte van de depositiereductie. Bij de analyse is de 25 kilometergrens gehanteerd. Op dat vlak wijkt de ambtelijke analyse af van ramingen zoals die worden opgesteld door het kennisconsortium van PBL, RIVM en WUR4 5.
Op basis van de benoemde uitgangspunten, ziet de potentiële depositiereductie per regeling er als volgt uit:
Lbv | 2,00 |
Lbv-plus | 33,77 |
Lbv kleinere sectoren | 1,25 |
Totaal | 37,02 |
Het beeld dat uit de nieuwe analyse ontstaat is in lijn met wat verwacht mag worden op basis van de vorige analyse: de drie Lbv-regelingen samen zorgen potentieel voor een forse depositiereductie. De totale potentiële depositiereductie die volgt uit de nieuwe analyse is hoger dan bij de vorige analyse. Dit valt te verklaren door het feit dat na de peildatum die is gehanteerd bij de vorige analyse de Lbv-plus nog open stond voor het indienen van subsidieaanvragen. Tevens heeft van 18 november tot en met 20 december 2024 de Lbv kleinere sectoren nog opengestaan.
Met een potentiële reductie van deze omvang wordt een forse stap gezet in het reduceren van stikstofuitstoot en -depositie. Zoals ik in oktober jl. ook reeds aangaf, is de potentiële reductie echter onvoldoende om volledige stikstofopgave in te vullen. Daarom werkt dit kabinet in de ministeriële commissie economie & natuurherstel aanvullend beleid uit om tot voldoende doelbereik te komen en Nederland van het slot te halen.
Verwachte deelname aan de regelingen
Zoals aangegeven is het niet waarschijnlijk dat alle ondernemers die op de peildatum een actieve subsidieaanvraag hadden ook daadwerkelijk hun veehouderij beëindigen. Veehouders kunnen gedurende de looptijd van hun aanvraag nog terugkomen op hun besluit. Hoe verder in het subsidieproces, hoe zekerder het is dat de ondernemer daadwerkelijk zal stoppen. Voor het inschatten van de potentiële afname van de mestproductie bezie ik wat een zo realistisch mogelijke inschatting is van het aantal ondernemers dat overgaat tot definitieve beëindiging.
Het vertalen van die inschatting naar de potentiële stikstofreductie die met de Lbv-regelingen kan worden gerealiseerd gaat echter gepaard met een extra onzekerheid. De reductie in stikstofdepositie die wordt gerealiseerd met de beëindiging van een veehouderij hangt namelijk in belangrijke mate af van de locatie en daarmee de afstand tot overbelaste Natura 2000-gebieden. Voor het maken van een prognose is het daarmee niet alleen van belang om een inschatting te maken hoeveel of welk percentage van de veehouders daadwerkelijk gaat stoppen, maar ook om een inschatting te maken van de ligging van deze veehouderijen ten opzichte van overbelaste Natura 2000-gebieden.
Impact uitspraken vergunningverlening intern salderen op deelname
Vanuit diverse bronnen zijn er berichten geweest dat deelnemers aan de regelingen momenteel geen vergunning kunnen krijgen voor een door hen voorgenomen nieuwe activiteit. Aanvankelijk was beoogd deze nieuwe activiteit met intern salderen mogelijk te maken. Als gevolg van de uitspraak van de Raad van State van 18 december jl. ten aanzien van vergunningverlening intern salderen is duidelijk geworden dat er voor de nieuwe activiteit vaak een vergunning nodig is, en is minder zeker geworden dat de nieuwe activiteit met intern salderen kan worden gemotiveerd.
Ik voel mij, als eigenaar van de regeling én verantwoordelijke voor het stikstofbeleid, verantwoordelijk voor het oplossen van dit probleem. Dat doen we samen met de provincies, gemeenten en omgevingsdiensten, aangezien zij het bevoegd gezag zijn en dus het uiteindelijke besluit nemen over de vergunningen en andere toestemmingen die de ondernemer nodig heeft als hij een andere activiteit op de locatie wil starten.
Met provincies is daarom gewerkt aan een juridische redeneerlijn voor deze specifieke groep ondernemers, die onderbouwt dat maximaal 15% resterende stikstofruimte mag worden ingezet voor de nieuwe activiteit. Hierin wordt meegewogen dat deelname aan deze regeling juist heel veel oplevert voor de natuur. Inmiddels hebben provincies ook bestuurlijk aangegeven dat zij deze redeneerlijn in de praktijk zullen gaan toepassen. Op korte termijn zullen deelnemers aan de Lbv-regelingen hierover nader worden bericht. We hopen op deze manier een oplossing gevonden te hebben in het mogelijk maken van de toekomstplannen van een grote groep deelnemers aan de Lbv-regelingen.
We onderzoeken daarnaast of het de deelnemers kan helpen om de termijnen te verlengen voor de fase waarin dieren en mest moeten worden afgevoerd.
Wegnemen stempel piekbelaster
Deelname aan een van de regelingen onder de aanpak piekbelasting geschiedt op basis van vrijwilligheid. Desalniettemin hoor ik van ondernemers dat zij ervaren een stempel te hebben gekregen. Dat vind ik zeer onwenselijk. In de motie-Holman c.s. heeft uw Kamer zich hier ook over uitgesproken. Ik vind het daarom van belang om duidelijk te zijn naar ondernemers die voldoen aan de drempelwaarde van de aanpak wanneer dit label wordt weggenomen. In het Commissiedebat stikstof, NPLG en natuur van 4 december jl. (Kamerstuk 35 334, nr. 327) heb ik reeds aangegeven dat dit kabinet de term «piekbelaster» in beginsel niet meer zal bezigen. Ik heb echter ook aangegeven dat het stempel niet nu in één keer weg kan worden genomen. De regelingen onder de aanpak zijn nog in uitvoering en als gevolg daarvan kan het voorkomen dat ik in voorkomende gevallen genoodzaakt ben te verwijzen naar de groep die voldoet aan de drempelwaarde van de aanpak piekbelasting. Met het voornemen om de term niet meer te bezigen, beschouw ik de genoemde motie-Holman c.s. als afgedaan (Kamerstuk 30 252, nr. 133).
2. Inzichtelijk maken effect voorgenomen klimaatmaatregelen op stikstof
Op 6 maart jl. heeft PBL de tweejaarlijkse Emissieramingen Luchtverontreinigende Stoffen gepubliceerd. Deze rapportage bevat ook de nieuwste ramingen voor de emissies van ammoniak en stikstofoxiden tot aan 2035, waarbij PBL rekening heeft gehouden met het klimaat- en energiebeleid, het stikstofbeleid, het luchtkwaliteitsbeleid en overig beleid dat van invloed is op de emissies zoals het mestbeleid.
Met publicatie van deze ramingen kan voldaan worden aan het openstaande onderdeel van de motie van het lid de Groot6, namelijk het verzoek aan de regering om inzichtelijk te maken hoeveel effect de voorgenomen klimaatmaatregelen in de industrie en mobiliteit hebben om stikstof te reduceren. In mijn Kamerbrief over de «aanpak Nederland van het slot, perspectief voor sectoren en herstel van natuur» van 14 februari jl. (Kamerstuk 35 334, nr. 332) heb ik bovendien bij de inzet op spoor 2 beschreven dat de maatregelen gericht op een geborgde daling van stikstofemissies gericht zullen zijn op alle sectoren en dat het uitgangspunt hierbij is dat alle sectoren evenwichtig bijdragen. Ook dit geeft invulling aan de motie Tjeerd de Groot.
3. NPLG
In de afgelopen jaren zijn meerdere moties ingediend rondom het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG). Met het vervallen van het NPLG worden enkele van deze openstaande moties afgedaan. Andere moties behouden betekenis en neem ik mee in de verdere ontwikkeling van het kabinetsbeleid. Hieronder wordt uiteengezet welke moties worden afgedaan.
De motie Boswijk «verzoekt de regering om de positie van de boer in de gebiedsprocessen dusdanig te borgen dat zij zowel praktisch als met gebruikmaking van de juiste ondersteuning kunnen deelnemen aan de gebiedsprocessen en de Kamer hierover te informeren bij de presentatie van het Nationaal Programma Landelijk Gebied.» 7
Ik hecht er waarde aan dat boeren zoveel mogelijk zelf aan het roer staan bij de vormgeving van hun toekomst. Via het Agrarisch Natuurbeheer zijn boeren zelf aan zet. In het kader van de kabinetsaanpak Ruimte voor Landbouw en Natuur zal het Rijk in een aantal gebieden extra rijksinzet leveren. In deze gebieden zal ik mij ervoor inspannen dat boeren kunnen deelnemen aan gebiedsprocessen of door middel van zaakbegeleiders individueel worden geholpen.
Ik blijf zaakbegeleiding beschikbaar houden, zoals reeds aangegeven in mijn brief van 29 november 2024 over de aanpak Ruimte voor Landbouw en Natuur8. Ik beschouw de motie hiermee als afgedaan. Voor de zomer zal ik uw Kamer informeren over de uitwerking van de aanpak Ruimte voor Landbouw en Natuur.
De motie Tjeerd de Groot «Verzoekt de regering zorg te dragen dat keuzes in het landbouwakkoord voldoende concreet zijn gemaakt, zodat deze tijdig in het NPLG kunnen worden meegenomen, en indien dit niet lukt het kabinet deze keuzes zelf tijdig heeft gemaakt zodat het NPLG geen vertraging oploopt wanneer het landbouwakkoord niet tot passende keuzes komt.»9
Vanwege het niet sluiten van het landbouwakkoord en het stoppen van het NPLG is deze motie niet meer uitvoerbaar. Ik beschouw de motie hiermee als afgedaan.
De motie Grinwis «Verzoekt de regering zich tijdens de onderhandelingen over het landbouwakkoord in te zetten voor de stimulering van natuurinclusieve, biologische, circulaire landbouw en agroforestry, waaronder voedselbossen, en dit tevens in te passen in het NPLG en het een volwaardige ontwikkelrichting te laten zijn.»10
Vanwege het niet sluiten van het landbouwakkoord en het stoppen van het NPLG is deze motie niet meer uitvoerbaar. Ik beschouw de motie hiermee als afgedaan.
4. Kustprovincies
De motie Van Campen11 verzoekt de regering «om in lijn met het doel «maatwerk per gebied» in het NPLG samen met (kust)provincies tot een actieplan te komen om in de behoefte van zoetwater te kunnen voorzien en verzilting tegen te gaan en maatregelen in het NPLG op te nemen die sturing op het gebied van de staat van instandhouding kunnen bieden».
Voor wat betreft de staat van instandhouding in de Natura 2000 gebieden aan de kust is, in samenspraak met de provincies, een analyse gemaakt. Dit leidt tot de volgende bevindingen: de natuurdoelanalyses geven weer dat in Noord-Holland, Zuid-Holland en Zeeland de opgaven in de duingebieden het meest urgent zijn.
Depositie van stikstof is in deze gebieden een belangrijke drukfactor, naast andere drukfactoren, zoals verdroging en de recreatiedruk. De stikstof die neerslaat in de duinen in de kustprovincies is voor een belangrijk deel afkomstig van bronnen in het buitenland. Gegeven de situatie in de natuurgebieden aan de kust is op dit moment de toestemmingsverlening voor stikstof veroorzakende activiteiten niet of zeer beperkt mogelijk.
Ook voor de duingebieden geldt dat bronmaatregelen op nationaal en internationaal niveau van groot belang zijn voor het behoud van de natuur en toestemmingverlening. Het kabinet werkt hiervoor aan onder meer een stikstofaanpak buitenland en stikstofreductie vanuit zeescheepvaart. Realiteit is dat de effecten hiervan over een langere periode (komende decennia) zichtbaar zullen zijn.
Daarom is het belangrijk dat ook nationale bronmaatregelen bijdragen aan vermindering van de depositie van stikstof aan de kust. In aanvulling op de bronmaatregelen die in het kader van klimaat, milieu en stikstof binnen alle sectoren worden getroffen, zijn in dit verband, ook voor de kustprovincies, aanvullende bronmaatregelen van belang, welke de Ministeriële Commissie Economie en Natuurherstel in verkenning heeft.
Tegelijk zijn gebiedsgerichte maatregelen noodzakelijk. Via de middelen die het kabinet beschikbaar heeft gesteld aan provincies in het kader van een deel van het programma Natuur en de koplopermaatregelen landelijk gebied worden maatregelen in de kwetsbare duingebieden genomen die bijdragen aan natuurherstel. Dit gebeurt in aanvulling op gebiedsgerichte maatregelen van de waterschappen en het Rijk.
De kustprovincies hechten aan erkenning van de uitdagende situatie en opgave waar zij met betrekking tot natuur, stikstof en vergunningverlening voor gesteld staan. Het is belangrijk dat provincies en Rijk de inspanningen en maatregelen voor natuurbehoud en -herstel voortzetten, waarbij deze over een langere periode effect zullen sorteren. Als inzichtelijk is welke maatregelen zijn en zullen worden getroffen om behoud en verbetering van natuurwaarden in Natura 2000-gebieden te borgen, komt er meer ruimte voor toestemmingverlening. Gegeven de situatie aan de kust is hiervoor een brede benadering met bijdragen van alle sectoren van belang.
Aanvullend op de natuur- en stikstofopgaven richt de motie Van Campen zich op verzilting, zoetwaterbeschikbaarheid en de toekomst van de landbouw in de kustprovincies. Op basis van bevindingen op deze thema’s is er een uitwerking naar mogelijke acties en maatregelen gestart voor het deelgebied Zuidwestelijke Delta. Dit gebeurt onder regie van de provincie Zeeland en met medewerking van het Rijk. Op basis van de ervaringen in dit gebied zal worden bezien of verbreding naar andere gebieden aan de kust mogelijk is. Over de voortgang van dit deel van de motie zal ik uw Kamer op een later moment informeren.
Overig
In het plenaire debat over de stikstofontwikkelingen (20 februari 2025) is door de Kamer een aantal moties aangenomen op dit onderwerp. Ik beraad mij nog op de uitvoering van deze moties en zal uw Kamer hierover op een later moment informeren.
Tot slot informeer ik u, zoals verzocht door het lid Podt tijdens de Regeling van Werkzaamheden van 26 maart jl., over het onderzoek naar de economische effecten van de stikstofproblematiek. Zoals ik u eerder heb aangegeven tijdens het tweeminutendebat van 19 december zal dit onderzoek in het tweede kwartaal van dit jaar naar uw Kamer worden verzonden. Het onderzoek wordt op dit moment uitgevoerd door CE Delft en SEO Economisch Onderzoek. Er wordt in het onderzoek gekeken naar de transmissiekanalen waardoor stikstofproblematiek leidt tot economische schade en naar de kwantificering hiervan.
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,
F.M. Wiersma
Kamerstuk 30 252, nr. 174↩︎
Voor de Lbv sloot de openstelling al op 1 december 2023.↩︎
Er is sprake van het van ambtshalve vervallen van een subsidieaanvraag op het moment dat een ondernemer een termijn waarbinnen aan in de subsidieregeling vastgestelde vereisten voldaan moet worden wordt overschreden.↩︎
Reinds et al. (2024) Voortgang stikstofbronmaatregelen en verwachte effecten in 2030: Monitoring en evaluatie van het Programma Stikstofreductie en Natuurverbetering https://www.pbl.nl/publicaties/voortgang-stikstofbronmaatregelen-en-verwachte-effecten-in-2030↩︎
In die ramingen van het kennisconsortium wordt de depositiereductie op alle stikstofgevoelige N2000 habitats berekend, ook buiten de 25 kilometergrens. Dit om cumulatie van de effecten van zowel emissietoename als -daling ook buiten de 25 km grens structureel te kunnen monitoren.↩︎
Kamerstuk 33 576, nr. 302↩︎
Kamerstuk 35 925 XIV, nr. 105↩︎
Kamerstuk 36 600 XIV, nr. 66↩︎
Kamerstuk 36 200 XIV, nr. 33.↩︎
Kamerstuk 36 200 XIV, nr. 57.↩︎
Kamerstuk 33 576, nr. 382↩︎