Beëdiging van de heer T.H.P. Baudet (FVD) en de heer P. van Houwelingen (FVD) (ongecorrigeerd)
Stenogram
Nummer: 2025D14350, datum: 2025-04-01, bijgewerkt: 2025-04-02 09:10, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2025-04-01 15:00: Beëdiging van de heer T.H.P. Baudet (FVD) en de heer P. van Houwelingen (FVD) (Beëdiging), TK
Preview document (🔗 origineel)
Beëdiging van de heer Baudet en de heer Van Houwelingen
Beëdiging van de heer Baudet en de heer Van Houwelingen
Aan de orde is de beëdiging van de heer T.H.P. Baudet (FVD) en
de heer P. van Houwelingen (FVD).
De voorzitter:
Ik geef het woord aan de heer Ellian tot het uitbrengen van verslag
namens de commissie voor het onderzoek van de Geloofsbrieven. Het woord
is aan hem.
De heer Ellian (voorzitter van de commissie):
Dank u wel, voorzitter. De commissie voor het onderzoek van de
Geloofsbrieven heeft de stukken onderzocht die betrekking hebben op de
heer T.H.P. Baudet te Amsterdam en de heer P. van Houwelingen te
's-Gravenhage. De commissie is tot de conclusie gekomen dat de heer
T.H.P. Baudet te Amsterdam en de heer P. van Houwelingen te
's-Gravenhage terecht benoemd zijn verklaard tot lid van de Tweede Kamer
der Staten-Generaal.
De commissie stelt u daarom voor om hen toe te laten als lid van de
Kamer. Daartoe dienen zij wel eerst de eed zoals die is voorgeschreven
bij de Wet beëdiging ministers en leden Staten-Generaal van 27 februari
1992, Staatsblad nr. 120, af te leggen.
De commissie verzoekt u tot slot om de Kamer voor te stellen het
volledige rapport in de Handelingen op te nemen.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik dank de commissie voor haar verslag en stel voor
dienovereenkomstig te besluiten.
Daartoe wordt besloten.
(Het rapport is opgenomen aan het eind van deze editie.)
De voorzitter:
Ik verzoek de leden en de overige aanwezigen in de zaal en op de
publieke tribune, voor zover dat mogelijk is, te gaan staan.
De heer Baudet en de heer Van Houwelingen zijn in het gebouw der Kamer
aanwezig om de voorgeschreven eed af te leggen.
Ik verzoek de Griffier hen binnen te leiden.
(De heer Baudet en de heer Van Houwelingen worden binnengeleid door de Griffier.)
De voorzitter:
De door u af te leggen eden luiden als volgt:
"Ik zweer dat ik, om tot lid van de Staten-Generaal te worden benoemd,
rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook,
enige gift of gunst heb gegeven of beloofd.
Ik zweer dat ik, om iets in dit ambt te doen of te laten, rechtstreeks
noch middellijk enig geschenk of enige belofte heb aangenomen of zal
aannemen.
Ik zweer trouw aan de Koning, aan het Statuut voor het Koninkrijk en aan
de Grondwet.
Ik zweer dat ik de plichten die mijn ambt mij oplegt getrouw zal
vervullen."
De heer Baudet (FVD):
Zo waarlijk helpe mij God almachtig.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Zo waarlijk helpe mij God almachtig.
De voorzitter:
Heel goed. Dan bent u bij dezen weer lid van de Tweede Kamer. Ik
feliciteer u.
O, we doen het even over, want u moet ook de vingers opsteken. Ik kijk u
nogmaals aan.
De heer Baudet (FVD):
Zo waarlijk helpe mij God almachtig.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Zo waarlijk helpe mij God almachtig.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan bent u wederom lid van de Tweede Kamer der
Staten-Generaal. U heeft afgezien van felicitaties, zodat we meteen door
kunnen gaan met de stemmingen.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.