Tweeminutendebat Arbeidsongeschiktheid (CD 18/2) (ongecorrigeerd)
Stenogram
Nummer: 2025D14353, datum: 2025-04-01, bijgewerkt: 2025-04-02 09:13, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2025-04-01 17:15: Tweeminutendebat Arbeidsongeschiktheid (CD 18/2) (Plenair debat (tweeminutendebat)), TK
Preview document (🔗 origineel)
Arbeidsongeschiktheid
Arbeidsongeschiktheid
Aan de orde is het tweeminutendebat Arbeidsongeschiktheid (CD
d.d. 18/02).
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het tweeminutendebat
Arbeidsongeschiktheid. Een hartelijk woord van welkom aan de minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Wij hebben vijf deelnemers van de
zijde van de Kamer. Ik geef graag als eerste het woord aan mevrouw
Patijn van de fractie GroenLinks-Partij van de Arbeid.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Dank, voorzitter. Vandaag werd bekend dat een lid van de raad van
bestuur van het UWV opgestapt is. Meteen werd duidelijk dat mensen
teleurgesteld zijn over haar vertrek. Wij kregen berichten dat het zonde
was dat zij degene is die wel moet opstappen. Waarom is zij degene die
moet opstappen? Zij is immers degene die transparant communiceert. Haar
vertrek is tekenend voor de cultuur bij het UWV. Het is niet aan ons om
hier een oordeel over te hebben, maar is de minister bereid de regie te
houden en zeer kritisch te kijken naar de herbenoeming van eventuele
andere bestuursleden die in juni moet plaatsvinden?
Dat gezegd hebbende, hebben wij ook nog een motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de regering overweegt de IVA-uitkering te verlagen van
75% naar 70% en dat dit bij mensen die op dit moment een IVA-uitkering
ontvangen voor veel onzekerheid zorgt;
verzoekt de regering om te garanderen in ieder geval de bestaande
uitkeringen van mensen met een IVA-uitkering niet te verlagen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Patijn, Van Kent, Saris, Ceder
en Inge van Dijk.
Zij krijgt nr. 813 (26448).
Een vraag van de heer De Kort.
De heer De Kort (VVD):
Vanuit het perspectief van mevrouw Patijn begrijp ik dat zij dit
voorstel doet Maar in het commissiedebat hebben we met elkaar van
gedachten gewisseld en toen werd duidelijk dat het lastig is om één
maatregel uit het hele pakket naar voren te halen. Mijn vraag aan
mevrouw Patijn is waarom zij ervoor kiest om nu deze ene maatregel uit
het hele pakket te halen, in plaats van deze motie later in te dienen en
af te wachten tot we de hele OCTAS en de toekomst van het
arbeidsongeschiktheidsstelsel behandelen.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Dit gaat over mensen die nu een arbeidsongeschiktheidsuitkering krijgen.
Die zouden er dan 5% op achteruitgaan. Zij hebben nu als een soort van
toekomstbeeld boven de markt hangen dat dit zou kunnen gebeuren. Ik zeg
voor deze groep: geef die zekerheid en duidelijkheid vooraf, zodat ze
zich geen zorgen hoeven te maken.
De voorzitter:
De volgende spreker is mevrouw Saris van de fractie van Nieuw Sociaal
Contract.
Mevrouw Saris (NSC):
Voorzitter. Nieuw Sociaal Contract kijkt positief terug op het
commissiedebat in februari, waarin de toekomst van het stelsel centraal
stond. We kijken uit naar de uitwerking van het maatregelenpakket door
de minister. Hoewel er een goede inhoudelijke discussie is gevoerd in
het debat, ligt de focus nog te veel op de korte termijn. Wij vragen
daarom de toezegging van de minister om in de uitwerking van het
maatregelenpakket ook met een nadere uitwerking te komen van de
geschetste visie op hoofdlijnen voor de lange termijn.
Tot slot nog een motie over een onderbelicht probleem in de discussie
over long covid.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er naar schatting tussen de 320.000 en 508.000
volwassenen in Nederland kampen met long covid en dat uit cijfers van
het UWV blijkt dat ruim 12.000 van hen inmiddels (deels)
arbeidsongeschikt zijn verklaard;
overwegende dat er mogelijk grote regionale verschillen bestaan in het
sociaal-medisch beoordelen en specifiek in de kennis over long
covid;
verzoekt de regering om een onderzoek uit te laten voeren naar regionale
verschillen in de kennis en expertise over long covid in het
sociaal-medisch beoordelen bij het UWV en de effecten van long covid op
de WIA-instroom;
verzoekt de regering om in dit onderzoek specifiek aandacht te besteden
aan de scholingsmogelijkheden voor verzekeringsartsen en de bestaande
richtlijnen over long covid, en het onderzoek voor het laatste kwartaal
van 2025 aan de Kamer te doen toekomen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Saris en Ceder.
Zij krijgt nr. 814 (26448).
Mevrouw Inge van Dijk van het CDA.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Voorzitter. In de eerste termijn hebben we veel over het UWV gesproken,
maar ook over de hoge instroom. Goed dat het kabinet nader onderzoek
gaat doen, specifiek naar de hoge instroom als gevolg van mentale
problemen. Wij maken ons zorgen over deze ontwikkeling, enerzijds omdat
er een trend in de samenleving ingezet lijkt waardoor mensen uitvallen.
Die trend zullen we moeten keren. En anderzijds omdat deze hoge instroom
grote gevolgen heeft voor de balans in de arbeidsmarkt. Daarom vinden
wij het belangrijk dat bij verbetervoorstellen altijd de toets gedaan
wordt op het beperken van de instroom. Kan de minister dit
toezeggen?
Ook hebben wij hele grote zorgen over het UWV. Wij vinden dat we echt
goed moeten weten wat daar speelt, en daarom deze motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat een goed functionerende uitvoeringsorganisatie een
basisvoorwaarde is voor een succesvolle hervorming van de WIA;
overwegende dat het huidige disfunctioneren van het UWV in de uitvoering
van de WIA niet alleen te wijten is aan de complexiteit van wet- en
regelgeving;
overwegende dat er momenteel onderzoek wordt gedaan naar de sturings- en
samenwerkingsrelatie binnen en tussen het UWV en het ministerie van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
verzoekt de regering:
een breed onderzoek in te stellen naar het functioneren van het UWV bij de uitvoering van de WIA, leidend tot concrete oplossingsrichtingen, waarbij de lopende onderzoeken in samenhang worden betrokken;
daarbij in ieder geval aandacht te besteden aan regionale verschillen in de kwaliteit van de uitvoering, de wijze waarop (kwaliteit van) de toerekening van uitkeringen aan werkgevers plaatsvindt, de tevredenheid van cliënten en de wijze waarop zij in de totstandkoming van de beoordeling worden "gehoord, gezien en betrokken", de kwaliteit van de aansturing van het UWV door de raad van bestuur van het UWV, alsook de diverse managementlagen daaronder en de positie van verzekeringsartsen binnen het UWV;
bij dat onderzoek in ieder geval de perspectieven te betrekken van een brede selectie van cliënten van het UWV, sociale partners en medewerkers van het UWV in alle lagen en posities,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Inge van Dijk en Flach.
Zij krijgt nr. 815 (26448).
Dank u wel. Dan de heer Flach van de SGP.
De heer Flach (SGP):
Voorzitter. Tijdens het commissiedebat spraken we uitgebreid over de
situatie bij het UWV. Ik heb daar gesproken over code rood. Na alles wat
er gebeurd is, moeten het UWV en SZW echt werk maken van een verbeterde
samenwerkingsrelatie. De berichtgeving over het UWV heeft ook na dat
debat niet stilgestaan. De zorgen zijn dus niet verdwenen. Om die reden
dien ik de volgende motie in.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat een gezonde samenwerkingsrelatie tussen het ministerie
van SZW en het UWV, voldoende onderling vertrouwen en goede
informatievoorziening cruciaal zijn voor een goede uitvoering van de
werknemersverzekeringen;
verzoekt de regering aanvullende (werk)afspraken te maken over de
informatievoorziening om de relatie tussen SZW en UWV te verbeteren,
daarbij de uitkomsten van het onderzoek van de Algemene Rekenkamer te
betrekken en hierbij in ieder geval vast te leggen dat UWV geen
ingrijpende maatregelen doorvoert alvorens de minister hier tijdig en
adequaat over te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Flach, Vijlbrief, Inge van Dijk
en Ceder.
Zij krijgt nr. 816 (26448).
Dank u wel. De laatste spreker is de heer Van Kent van de SP.
De heer Van Kent (SP):
Dank u wel. De aanval op arbeidsongeschikten moet stoppen, en daarom de
volgende motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
verzoekt de regering de IVA voor zowel de huidige als toekomstige
uitkeringsgerechtigden niet te verlagen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Kent en Patijn.
Zij krijgt nr. 817 (26448).
De heer Van Kent (SP):
De IVA is de uitkering voor mensen die duurzaam arbeidsongeschikt
zijn.
Voorzitter. Ik heb nog een vraag aan de minister over de moeilijk
objectiveerbare ziektes. Er is een aangenomen motie die opdraagt dat er
een protocol moet komen bij het UWV. Het kan ook schriftelijk of op een
later moment, maar ik zou heel graag van de minister horen hoe het
daarmee staat, wat de laatste stand van zaken is en hoe dat
functioneert.
Ik heb ook een vraag aan de minister over het vertrek van mevrouw
Hirscher. Ik heb haar leren kennen bij een bezetting door de FNV door
allerlei gedupeerden bij het kantoor van het UWV in Amsterdam. Ik had
daar de indruk dat er echt wel hart voor de zaak was. Ik wil een reactie
van de minister vragen op haar plotselinge vertrek en de gevolgen die
dat heeft voor de benoeming en eventueel herbenoeming van bestuurders
die daar nu actief zijn.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Hartstikke goed. De heer Van Kent was de laatste spreker van de zijde
van de Kamer. Ik begrijp dat de minister meteen de moties kan
becommentariëren. Ik geef daarom graag het woord aan hem.
Minister Van Hijum:
Dank u wel, voorzitter. Er komt nog één motie mijn kant op als het goed
is, maar ik heb 'm genoteerd.
Dank voor de gestelde vragen en de ingediende moties. Laat ik om te
beginnen antwoord geven op de vragen van mevrouw Patijn en de heer Van
Kent over het vertrek van mevrouw Hirscher. Ik heb daar uiteraard
vandaag ook kennis van genomen. Ik betreur haar vertrek ook. Ik ben er
ook wel teleurgesteld over, zeg ik erbij, dat het de raad van bestuur
niet is gelukt om in eenheid op te treden bij het aanpakken van de
fouten die zijn gemaakt en de hersteloperatie hiervoor. Die eenheid is
toch nodig. Dat is op alle niveaus aan de orde, om de grote problemen
die er bij het UWV zijn, aan te pakken.
Ik vind het ook wel zorgelijk. We hebben een groot belang bij een goed
functionerende raad van bestuur. Ik kan op dit moment eigenlijk alleen
nog maar zeggen dat ik mij echt ga bezinnen op de gevolgen daarvan. Ik
ben ook in gesprek met mijn eigen organisatie en de raad van bestuur
over hoe we hiermee verder zullen omgaan. Ik wil daar ook nauw bij
betrokken zijn vanuit mijn verantwoordelijkheid om de raad van bestuur
aan te stellen en vanwege het belang dat we hebben bij een daadkrachtige
en goed functionerende raad. Ik kom daar op een later moment op terug.
Maar ik begrijp de gestelde vraag, ik deel de zorg daarover en ik zit
erbovenop.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Is het mogelijk om daar een antwoord op te hebben voor het debat van 16
april? Want het vertrouwen in de raad van bestuur is een onderdeel van
het vertrouwen in de hersteloperatie.
Minister Van Hijum:
Ik ben graag bereid om de Kamer voor het debat nader te informeren over
de stappen die we gaan zetten in de richting van vervanging, maar ook in
bredere zin over hoe we aankijken tegen de samenstelling en het optreden
van de raad van bestuur.
De voorzitter:
Dan de moties.
Minister Van Hijum:
Eerst de motie van mevrouw Patijn over de bestaande rechten van de IVA
op stuk nr. 813. Ik zou die motie als ontijdig willen kwalificeren. Ik
heb heel goed gehoord wat de inbreng van de Kamer is op de verschillende
punten, waaronder de IVA. Ik wil erop wijzen dat ik nog midden in de
gesprekken zit over een mogelijk pakket met maatregelen. Er is ook nog
geen voornemen in die richting. Ik herhaal dat nog nadrukkelijk. Ik weet
dat er onrust over is ontstaan, maar er is geen voornemen op dat
terrein. Ik vraag uw Kamer dus wel om mij enige ruimte te geven om het
pakket te ontwikkelen. Ik heb aangegeven voor de zomer informatie te
willen sturen over een maatregelenpakket en tot die tijd echt geen
onomkeerbare stappen te zetten. Om die reden zou ik de motie dus
ontijdig willen verklaren.
Mevrouw Saris vroeg of ik in die brief nader zou willen ingaan op de
langetermijnvisie van OCTAS. Ik kan haar het volgende toezeggen. Ik wil
uiteraard graag een doorkijkje geven naar de lange termijn in mijn
vervolgbrief. Dat kan ik doen. Maar ik wil wel de verwachting temperen
dat er uitgewerkte maatregelen en maatregelenpakketten zullen liggen. We
hebben ons nadrukkelijk gericht op spoor 1, om op korte termijn een
aantal vereenvoudigingen en verbeteringen in die wet door te voeren. En
ja, die moeten natuurlijk ook passen in een visie op de lange termijn.
Die doorkijk wil ik dus geven, maar dat zal dan ook op dat niveau zijn,
op de hoofdlijnen.
Haar motie op stuk nr. 814 over postcovid begrijp ik heel goed, maar
vind ik overbodig. Ik heb onlangs ook antwoord gegeven op schriftelijke
vragen van mevrouw Saris over het effect op de WIA-instroom. Ik heb ook
laten zien dat het probleem als zodanig serieus genomen wordt. Dat leidt
tot een hoog percentage aan toekenningen. Het UWV doet op dit moment al
onderzoek naar de onderbouwing en de conclusies van verzekeringsartsen
bij de sociaal-medische beoordelingen van postcovid, en kijkt daarbij
ook nadrukkelijk naar regionale verschillen. Ik kan de Kamer daarover
naar verwachting na de zomer informeren.
Daarnaast zijn er ook nog allerlei andere initiatieven, zoals wat de
Nederlandse Vereniging voor Verzekeringsgeneeskunde doet op het gebied
van voorbeeldcasuïstiek en factsheets om verzekeringsartsen aanvullende,
praktische handvatten te bieden om hiermee om te gaan. Ze willen daar
ook een richtlijn voor ontwikkeling en de kennis die beschikbaar is op
alle kantoren toegankelijk maken. Ik merk op dat van verzekeringsartsen
wordt verwacht dat zij bij- en nascholing volgen, juist ook op dit
terrein, om hun kennis up-to-date te houden en te kunnen toepassen. In
dat kader heeft het UWV voor alle verzekeringsartsen en
-verpleegkundigen een verplichte bijscholing over postcovid
georganiseerd in het afgelopen jaar.
Kortom, ik begrijp de aanhoudende zorg en aandacht voor dit onderwerp,
maar ik zie er ook echt nadrukkelijk op toe dat dat geborgd blijft in de
kennis en de aanpak van het UWV.
Mevrouw Van Dijk vroeg mij nog om bij verbetervoorstellen rekening te
houden met het effect op de instroom. Dat begrijp ik goed. Uiteindelijk
moet het bij maatregelen altijd gaan om de integrale weging. Het gaat
dus ook om de vraag wat het doet voor mensen en wat het doet voor het
totale systeem. Dat zullen we goed in de gaten houden.
Haar motie op stuk nr. 815 over een breed onderzoek naar het
functioneren van het UWV vind ik ontijdig. Ik heb al eerder aangegeven
dat er een onderzoek van de Rekenkamer in gang is gezet. De Rekenkamer
komt op korte termijn met een eerste tussenstand. Daarover zullen zij uw
Kamer informeren. Daarover zullen zij mij als minister informeren. Ik
verwacht dat daar straks ook handvatten in gevonden worden om niet
alleen binnen het UWV, maar ook in de sturingsrelatie tussen het
ministerie en het UWV een aantal dingen aan te scherpen. Want dat die
noodzaak er is, hebben we volgens mij eerder uitgebreid met elkaar
gedeeld.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Daar heb ik een vraag over. Ik heb best wel nagedacht over deze motie.
Ik snap namelijk ook wel dat het een stevig onderzoek is. Maar er gaat
ook wel heel veel nog niet goed. Ik maak me een beetje zorgen dat we
dadelijk een aantal onderzoeken krijgen en tot de conclusie komen dat we
nog net niet genoeg weten om goede keuzes te kunnen maken. Daarvoor zijn
de belangen van mensen gewoon veel te groot.
Minister Van Hijum:
Ik bestrijd ook niet dat de belangen groot zijn en dat de onderwerpen
die in de motie staan belangrijk zijn. Sterker nog, er staan zo veel
dingen in de motie, dat ik denk: u vraagt mij eigenlijk gewoon om mijn
werk te doen en om erop toe te zien dat het UWV doet waar het voor
opgericht is, dus om professionele en goede diensten en beoordelingen te
verrichten. Ik vind dat ik dat moet doen. Ik constateer ook dat er in de
aansturingsrelatie met het UWV een aantal dingen beter moeten. Daar ben
ik heel expliciet over geweest, ook in het vorige debat. Ik heb om die
reden ook de Rekenkamer om die scherpte gevraagd. Ik reken erop dat we
op die manier verbeterstappen kunnen zetten.
De heer Flach heeft de motie op stuk nr. 816 ingediend. Die kan ik
overnemen. De heer Flach vraagt mij namelijk om aanvullende
werkafspraken te maken over de informatievoorziening tussen het UWV en
SZW, en om de uitkomsten van de Rekenkamer daarbij te betrekken. Ik ben
zeer wel van plan om de uitkomsten van de Rekenkamer serieus te nemen en
te incorporeren in mijn sturingsaanpak en -visie. Ik kan 'm dus
overnemen.
De voorzitter:
Ik kijk even of daar bezwaar tegen bestaat. De heer De Kort.
De heer De Kort (VVD):
Nee, ik heb een vraag over het vorige punt.
De voorzitter:
Oké. Er bestaat geen bezwaar. Dan wordt de motie overgenomen en gaat er
niet over gestemd worden.
De motie-Flach c.s. (26448, nr. 816) is overgenomen.
De heer De Kort.
De heer De Kort (VVD):
Ik had sympathie voor de motie van mevrouw Van Dijk. Als ik het antwoord
van de minister hoor, dan geeft hij aan dat de Rekenkamer al met een
heel belangrijk onderzoek bezig is. Maar dan is die toch niet ontijdig?
Is de motie dan niet overbodig? Of begrijp ik het verkeerd?
Minister Van Hijum:
Ik probeer af en toe ook iets van beoordelingsruimte aan de Kamer over
te laten. Op het moment dat u niet tevreden bent over de uitkomsten van
het Rekenkameronderzoek en zegt "het voldoet niet helemaal aan wat wij
ervan hadden verwacht en we vinden dat er nog aanvullende punten zijn",
dan zou u met zo'n motie kunnen komen. Strikt genomen kan ik de heer De
Kort wel volgen. Ik acht de motie op dit moment overbodig, gelet op het
feit dat we al een Rekenkameronderzoek hebben, dat in de belangrijkste
vragen voorziet en dat ons de handvatten gaat geven om waar nodig een
aantal dingen aan te scherpen.
De voorzitter:
Prima. Dan de motie op stuk nr. 817 van de heer Van Kent.
Minister Van Hijum:
Ik kan verwijzen naar mijn argumentatie bij de motie op stuk nr. 813 van
mevrouw Patijn. Ik acht de motie op dit moment ontijdig, gelet op de
stand van de gesprekken over de maatregelen.
De voorzitter:
Prima. Tot zover het tweeminutendebat.
De beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
Dinsdag stemmen we over de moties.