Tweeminutendebat Regio’s en grensoverschrijdende samenwerking (CD 5/2) (ongecorrigeerd)
Stenogram
Nummer: 2025D14887, datum: 2025-04-03, bijgewerkt: 2025-04-04 09:23, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2025-04-03 10:16: Tweeminutendebat Regio’s en grensoverschrijdende samenwerking (CD 5/2) (Plenair debat (tweeminutendebat)), TK
Preview document (🔗 origineel)
Aan de orde is het tweeminutendebat Regio's en grensoverschrijdende samenwerking (CD d.d. 05/02).
De voorzitter:
Dan zijn we toe aan het tweeminutendebat Regio's en grensoverschrijdende
samenwerking. Ik heet de minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties van harte welkom, en ook iedereen die dit debat
volgt. Een zevental leden heeft zich ingeschreven, waarvan zes ook hun
termijn willen gebruiken. Als eerste spreker heeft mevrouw Wingelaar het
woord. Zij voert het woord namens Nieuw Sociaal Contract. Gaat uw
gang.
Mevrouw Wingelaar (NSC):
Dank u wel, voorzitter. Van onze kant zijn er twee moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat in het regeerprogramma goede plannen zijn opgenomen om
de binding met regiogebieden in Nederland te versterken, waaronder de
start van het Nationaal Programma Vitale Regio's;
overwegende dat er naast de procesgelden voor de komende drie jaar voor
het Nationaal Programma Vitale Regio's nog geen structurele middelen
zijn vastgesteld voor het vervolg van dit programma;
overwegende dat de minister van BZK terecht oproept om het debat over
regiogebieden niet alleen binnen de commissie Binnenlandse Zaken te
voeren, maar breder te trekken naar andere commissies om er gezamenlijk
voor te zorgen dat signalen uit de regionale praktijk hun weg vinden
naar beleid dat in Den Haag bedacht wordt;
verzoekt de regering bewindspersonen te koppelen aan verschillende
regiogebieden in Nederland, zodat bewindspersonen in de ministerraad
kunnen fungeren als belangrijke schakel en ambassadeur van het
desbetreffende regiogebied,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Wingelaar en Soepboer.
Zij krijgt nr. 162 (29697).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het huidige beleidskader voor de spreiding van
rijkswerkgelegenheid is gebaseerd op een inspanningsverplichting zonder
concrete en meetbare resultaatsdoelstellingen;
constaterende dat de regering naar aanleiding van de motie-Flach/Zeedijk
een actieplan om te komen tot een meer evenredige spreiding van
rijkswerkgelegenheid heeft opgesteld, waarin wordt vermeld dat er een
database voor de spreiding van rijkswerkgelegenheid komt;
overwegende dat een resultaatverplichting voor spreiding van de
rijkswerkgelegenheid door het toevoegen van meetbare doelstellingen
concreter is en het tevens mogelijk maakt om nauwkeuriger te monitoren,
en daarmee bijdraagt aan duurzame verbetering in de meest kwetsbare
regio's;
verzoekt de regering een resultaatverplichting in te stellen voor de
spreiding van de rijkswerkgelegenheid, met daarin concrete, meetbare
doelstellingen per regio;
verzoekt de regering voorts in de resultaatverplichting expliciet
aandacht te geven aan het redeneren vanuit de regio's, naast aandacht
voor provincies, en te focussen op maatwerkoplossingen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Wingelaar, Soepboer, Bikker en
Flach.
Zij krijgt nr. 163 (29697).
Hartelijk dank. Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Wijen-Nass, die het woord voert namens de fractie van BBB. Gaat uw gang.
Mevrouw Wijen-Nass (BBB):
Dank u wel, meneer de voorzitter. Er zijn twee moties van onze
fractie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat carnaval in veel regio's, met name in Noord-Brabant,
Limburg en delen van Gelderland en Zeeland, een diepgewortelde culturele
traditie is;
overwegende dat scholen in deze regio's weliswaar de vrijheid hebben om
af te wijken van de landelijke adviesdata voor de voorjaarsvakantie,
maar dat dit in de praktijk leidt tot onduidelijkheid en
organisatorische uitdagingen;
van mening dat een betere afstemming tussen de adviesdata voor de
voorjaarsvakantie en de carnavalsperiode bijdraagt aan het behoud en de
beleving van deze traditie zonder onnodige belasting voor
onderwijsinstellingen en gezinnen;
verzoekt de regering om bij de vaststelling van de adviesdata voor de
voorjaarsvakantie structureel rekening te houden met de
carnavalsperiode,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Wijen-Nass en Van Nispen.
Zij krijgt nr. 164 (29697).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat het belangrijk is om de betrokkenheid van de regio's bij
nationaal beleid te versterken en de kloof tussen Den Haag en het
platteland te verkleinen;
overwegende dat dorpen en steden bereid zijn ruimte en voorzieningen
beschikbaar te stellen voor vergaderingen van de Tweede Kamer in hun
dorp of stad;
verzoekt het presidium om commissievergaderingen van de Tweede Kamer
waarin onderwerpen worden besproken die met de regio te maken hebben,
waar mogelijk minimaal twee keer per jaar in de regio's te laten
plaatsvinden, bijvoorbeeld in provinciehuizen of dorpshuizen, en
daarvoor een voorstel te maken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Wijen-Nass en Vijlbrief.
Zij krijgt nr. 165 (29697).
Mevrouw Wijen-Nass (BBB):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we luisteren naar de heer Meulenkamp, die het woord
voert namens de fractie van de VVD. Gaat uw gang.
De heer Meulenkamp (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Mijn collega Kamminga heeft een ander debat op
dit moment, vandaar dat ik hier de honneurs waarneem. De VVD is blij dat
de minister de handschoen heeft opgepakt en met de lessen uit het
rapport Elke regio telt! aan de slag is gegaan. Dat is belangrijk, want
er is nog veel werk aan de winkel. De VVD kan de inzet van het Nationaal
Programma Vitale Regio's goed volgen en snapt ook dat er keuzes gemaakt
moeten worden.
Maar de vraag blijft wel wat dit betekent voor regio's die niet onder
dit programma gaan vallen. Die vraag horen wij ook terug vanuit die
verschillende regio's. Ik denk dat het goed is om duidelijk te maken dat
het Rijk toch een belangrijke samenwerkingspartner is en blijft voor zij
die geen onderdeel zijn van deze aanpak. Mijn vraag aan de minister is
of zij kan toezeggen dat ze aandacht houdt voor de regio's die nu niet
opgenomen zijn.
Dan wil ik nog aandacht vragen voor de ondernemers in de kleine kernen,
die vaak ook een sociale rol vervullen. Het wordt voor hen steeds
lastiger om te blijven ondernemen. Wat de VVD betreft kunnen we hen niet
in de steek laten. Ik heb de minister gevraagd om actief mee te denken
over de vraag hoe ondernemers makkelijker neventaken op zich kunnen
nemen. Denk bijvoorbeeld aan een uitgiftepunt voor een bibliotheek of
aan andere sociale taken. Heeft zij daartoe al stappen gezet, is mijn
vraag.
Tot slot, voorzitter. We hebben laatst JongRegio op bezoek gehad. Dat
zijn gedreven jongeren die actief willen bijdragen aan het vormgeven van
de toekomst van het landelijk gebied. Ik hoop dat de minister hen, maar
ook andere jongerenorganisaties actief wil betrekken binnen de nieuwe
aanpak.
Dank u wel.
De voorzitter:
Hartelijk dank voor uw inbreng. Dan gaan we luisteren naar de heer
Grinwis, die het woord voert namens de fractie van de ChristenUnie.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel. Ik heb een vrij specifieke motie meegebracht
over specifieke uitkeringen, omdat dit nauw luistert.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat in het hoofdlijnenakkoord een structurele korting op
specifieke uitkeringen vanaf 2026 is afgesproken van 10%, ofwel 638
miljoen euro, die in de Rijksbegroting 2025 om diverse redenen reeds is
bijgesteld met 200 miljoen euro naar 438 miljoen euro, maar dat de
SPUK-korting op de brede doeluitkering (BDU) om "technische redenen" is
gehandhaafd, ondanks dat deze SPUK blijft bestaan en er derhalve geen
besparing op administratieve lasten uit voortvloeit;
overwegende dat als gevolg van deze SPUK-korting vanaf 2026 een
bezuiniging van 110 miljoen euro structureel dreigt op de BDU, waardoor
vervoersregio's in en rond de steden Amsterdam, Rotterdam en Den Haag
gedwongen zijn om fors te gaan snijden in het aantal buslijnen (20%
minder buslijnen vergeleken met 2025) en de prijzen fors te verhogen
(naast de reguliere inflatiecorrectie 12% extra ten opzichte van 2025),
met grote gevolgen voor vervoersarmoede en zelfs woningbouw;
overwegende dat de voorgenomen bezuiniging niet alleen de grote steden
treft, maar juist (kleine) dorpen in de regio eromheen, zoals
Schipluiden, Ankeveen en Rockanje, hard raakt, omdat juist daar de
(laatste) buslijnen dreigen te verdwijnen;
verzoekt de regering, conform haar toezegging, nog deze maand helderheid
te verschaffen over de vraag of een korting van 10% op de brede
doeluitkering (BDU) realistisch is en in overeenstemming is met de
andere beleidsdoelen van het kabinet betreffende openbaar vervoer,
leefbaarheid en woningbouw, en zo niet, zich bij de
voorjaarsbesluitvorming in te spannen om de voorgenomen korting op de
BDU te voorkomen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Grinwis, Bikker, Inge van Dijk
en Flach.
Zij krijgt nr. 166 (29697).
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Deze motie is samen met Bikker omdat ik haar vervang tijdens dit en het
volgende tweeminutendebat.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we luisteren naar mevrouw Chakor. Zij voert het
woord namens de fractie van GroenLinks-Partij van de Arbeid. Gaat uw
gang.
Mevrouw Chakor (GroenLinks-PvdA):
Dank, voorzitter. Ik heb twee moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat actieve betrokkenheid van inwoners, met name jongeren,
cruciaal is voor het succes en de toekomstbestendigheid van het
Nationaal Programma Vitale Regio's (NPVR);
overwegende dat jongeren momenteel onvoldoende vertegenwoordigd zijn in
de regiodialogen en besluitvormingsprocessen binnen het NPVR;
verzoekt de regering om een structurele rol voor jongeren te creëren
binnen het NPVR en jongeren actief te betrekken bij de uitwerking en
uitvoering van het regionale aspect, en de Kamer hierover jaarlijks te
informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Chakor.
Zij krijgt nr. 167 (29697).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat momenteel elf regio's deelnemen aan het Nationaal
Programma Vitale Regio's (NPVR);
overwegende dat andere gemeenten en regio's eveneens behoefte hebben aan
ondersteuning en samenwerking binnen het kader van het NPVR;
overwegende dat het behoud van voorzieningen in alle regio's van groot
belang is;
verzoekt de regering om te onderzoeken op welke wijze en onder welke
voorwaarden aanvullende gemeenten of regio's kunnen aansluiten bij het
NPVR,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Chakor.
Zij krijgt nr. 168 (29697).
Mevrouw Chakor (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel.
De voorzitter:
Hartelijk dank. Tot slot in de termijn van de Kamer is het woord aan de
heer Flach. Hij voert het woord namens de SGP-fractie. Gaat uw gang.
De heer Flach (SGP):
Voorzitter, één motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat een beperkt aantal regio's in Nederland in geen van de
nationale programma's voor gebiedsgerichte verbetering een plek heeft,
waardoor de ongelijkheid in kansen tussen regio's groeit;
overwegende dat alle regio's gebaat zijn bij mogelijkheden om samen met
het Rijk te werken aan gebiedsgerichte opgaven, ook zonder financiële
ondersteuning van het Rijk;
verzoekt de regering aan de regio's die buiten de nationale programma's
vallen de mogelijkheid te bieden om samen met het Rijk een langjarige
agenda te ontwikkelen voor een gebiedsgerichte aanpak,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Flach, Bikker, Wijen-Nass,
Wingelaar en Grinwis.
Zij krijgt nr. 169 (29697).
Hartelijk dank. Dat was de termijn van de Kamer. Er zijn acht moties ingediend en we gaan acht minuten schorsen. Dan krijgen we daar een appreciatie op en ook nog een antwoord op een enkele vraag. We zijn geschorst.
De vergadering wordt van 10.27 uur tot 10.38 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de voortzetting van het
tweeminutendebat Regio's en grensoverschrijdende samenwerking. We zijn
toe aan de termijn van de zijde van de regering. Ik geef het woord aan
de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Minister Uitermark:
Dank u wel, voorzitter. Ik begin met de drie vragen die zijn gesteld,
als eerste met de vraag van de VVD om een toezegging over blijvende
aandacht voor het betrekken van de regio's buiten het NPVR. Dat zal ik
doen; dat vind ik ondersteuning van het beleid. Het kabinet werkt in
heel veel regio's al samen met medeoverheden aan samenwerking. Dat doen
we via diverse gebiedsgerichte aanpakken. Daarmee is er blijvende
aandacht voor alle regio's. Ik zal er zo meteen nog iets meer over
zeggen bij de behandeling van de motie-Flach.
De tweede vraag van de VVD is om bedrijven in kleine kernen voldoende
aandacht en ondersteuning te geven. Het is belangrijk om bedrijvigheid
in heel Nederland te behouden. Economische Zaken is ook betrokken bij
alle plannen voor de regio. Daar zal ook aandacht voor zijn. Ik begreep
dat het meer specifiek gaat om het beleggen van overheidstaken bij
kleine ondernemers in kleine kernen. Dat vind ik een goed idee, en ik
zal dat betrekken bij de gesprekken.
De laatste vraag van de VVD is een oproep om jongerenorganisaties actief
te betrekken bij de uitwerking van het NPVR. Ja, die oproep doe ik
nogmaals, maar het is ook aan de regio's om jongeren te betrekken. Ik
zal daar zo meteen nog iets meer over zeggen bij de behandeling van de
motie-Chakor.
Dan kom ik toe aan de acht moties die uw Kamer heeft ingediend. De
eerste motie, van mevrouw Wingelaar en meneer Soepboer op stuk nr. 162
over het koppelen van bewindspersonen aan verschillende regiogebieden,
moet ik ontraden. Ik heb in de brief van 28 maart al verwoord hoe
belangrijk het voor dit kabinet is dat echt elke regio telt. Daar zijn
we ook actief mee aan de slag. We zetten daar echt een gezamenlijke
inspanning op om ervoor te zorgen dat inwoners in alle regio's van
Nederland goed kunnen leven, wonen en werken. Wij werken met veel
regio's aan de uitwerking van regionale ambities. Daar waar nodig
koppelen we dat ook aan nationale opgaven. Vanuit die opgaven zijn heel
veel bewindspersonen met regelmaat te vinden in de regio. Om daarbovenop
de stap te zetten om bewindspersonen hieraan nog te koppelen, acht het
kabinet niet van toegevoegde waarde. Ik heb dat besproken in het kabinet
en uw Kamer daar ook een brief over gestuurd.
Mevrouw Wingelaar (NSC):
Dan toch even. In heel veel gemeentes werkt het op deze manier. Daar is
een wethouder bijvoorbeeld gekoppeld aan een wijk of een kern, juist om
de drempel te verlagen en de afstand tot de burger te verkleinen. Met
deze motie willen we juist dit bereiken. We hebben de Kamer vandaag
gehoord, iedereen onderkent het grote belang van die regio's, dus ga dat
ook uitstralen. Deze motie kost geen geld. Het is gewoon hoe je wilt
omgaan met je regio's. Dus ik zou dit toch nog een keer willen
heroverwegen, alleen al om de afstand van Den Haag tot die regio's te
verkleinen en het vertrouwen te vergroten.
Minister Uitermark:
Ik hoor wat mevrouw Wingelaar zegt, merk ook wat de Kamer uitstraalt en
erken het belang dat we met elkaar hechten aan het verder versterken van
de regio's. Daar sta ik ook voor en daar doen we ook heel veel voor. Wat
we nu ook nieuw doen, is dat in alle tien departementen hoge ambtenaren
gezamenlijk een groep vormen, zodat zij ook met elkaar een aanspreekpunt
zijn voor de regio's en met elkaar kunnen schakelen, juist vanuit de
opgave en niet vanuit de departementen. Dus ik denk dat we daar een hele
goeie nieuwe structuur hebben gevonden, om effectief met elkaar te
kunnen schakelen en zodat de regio's één aanspreekpunt bij de overheid
hebben. Onze bewindspersonen zijn ook overal in het land te vinden. Dus
het kabinet kiest er op dit moment niet voor om daarnaast die stap te
zetten.
De voorzitter:
De minister vervolgt haar betoog.
Minister Uitermark:
Dan de motie op stuk nr. 163, ook van mevrouw Wingelaar en anderen, over
de spreiding van de rijkswerkgelegenheid. Die moet ik ontraden, want in
het kabinet is afgesproken dat alle ministers aan zet zijn om te komen
tot een betere spreiding van de rijkswerkgelegenheid door het hele land.
De coördinerende rol die ik heb als minister van Binnenlandse Zaken is
daarbij onlangs ook versterkt, maar wel op een wijze die rekening houdt
met de grondwettelijke verhoudingen. Ik ben daar ook mee aan de slag.
Het besluitvormingstraject vereist echt een heel secuur proces als zich
een casus voordoet. Ik bemoei me daar heel actief tegen aan. Dat kunt u
zien als een inspanningsverplichting met coördinerende bevoegdheden. Ik
heb daar ook een adviserende bevoegdheid bij, elke keer als het gaat om
het uitbreiden of instellen van een dienst met meer dan 100 fte. Maar
het is simpelweg niet mogelijk om op dit moment een
resultaatsverplichting neer te leggen voor alle regio's of om een
concreet aantal rijksmedewerkers te noemen waar we naar streven. Dat kan
dus niet, omdat dit uit allerlei ministeries vandaan komt.
Wel begrijp ik dat mevrouw Wingelaar zegt dat we hier meer resultaat
moeten boeken. Die urgentie voel ik ook. Er moet ook een aanpak komen om
die rijkswerkgelegenheid strategischer in te zetten. Wij zijn bezig met
Drenthe, met Limburg, met Leeuwarden, met de Achterhoek. In mijn brief
later dit jaar kom ik daar ook op terug. Deze aanpak moet dus echt nog
even de tijd krijgen om zich te bewijzen. Ik zou de indiener dus ook
willen voorstellen om dit verzoek als ontijdig te appreciëren, omdat ik
bezig ben met die brief. Medio dit jaar, rond de zomer, zal ik met die
brief komen waarin de Kamer kan lezen met welke casussen we bezig zijn
en wat de stand van zaken is. Daarin zal ik ook de bereikte resultaten
schetsen. Mijn voorstel aan de indiener zou zijn om op dat moment te
kijken wat zij verder met de motie kan doen. Dus mijn appreciatie zou nu
zijn: ontijdig. Ik verzoek de indiener dan ook om de motie aan te
houden.
Mevrouw Wingelaar (NSC):
Nou, het begon met "ontraden", dus "ontijdig" vind ik al beter. Ook hier
geldt dat een inspanningsverplichting goed is, maar dat een
resultaatsverplichting beter is. Want we praten hier heel veel over
regio's, maar dan moeten er nu daadwerkelijk ook resultaten worden
bereikt. U als kabinet en wij als Kamer moeten dat ook echt gaan
uitstralen, vandaar de resultaatsverplichting.
De voorzitter:
Bent u bereid om de motie aan te houden?
Mevrouw Wingelaar (NSC):
Daar denk ik nog even over na, voorzitter.
De voorzitter:
Doet dat nog iets met het oordeel van de minister?
Minister Uitermark:
Nee.
De voorzitter:
Dan is het oordeel over deze motie "ontijdig".
Minister Uitermark:
Dan de motie op stuk nr. 164, van mevrouw Wijen-Nass en heer Van Nispen,
over het verzoek om bij de vaststelling van de adviesdata voor de
voorjaarsvakanties structureel rekening te houden met de
carnavalsperiode. Het belang van carnaval is voor dit kabinet duidelijk
en staat buiten kijf. We hebben even contact gehad met OCW, en het
blijkt dat daar nu al structureel rekening mee wordt gehouden. De
appreciatie vanuit mijn kant is dus "overbodig".
Mevrouw Wijen-Nass (BBB):
Hoe houden ze daar dan structureel rekening mee? Even ter
verduidelijking. Volgens mij werd eerst gezegd: we houden vast aan dat
ritme van ongeveer zeven, acht weken school en dan weer een week
vakantie. Alleen hebben ze daar in de regio's waar carnaval wordt
gevierd gewoon enorm veel last van. Ik vind dat ook geen recht doen aan
al die tradities in die regio. Daar komt ook nog eens bij dat
bijvoorbeeld het Jeugdjournaal gewoon niet beschikbaar is voor kinderen,
omdat er dan niet wordt vastgehouden aan die adviesdatum, maar er
vakantie wordt gehouden tijdens carnaval, wat heel logisch is.
Minister Uitermark:
Carnaval is belangrijk in die regio's, maar het is niet het enige
perspectief dat belangrijk is. Daar komen ook andere perspectieven bij.
Het is een afweging tussen onderwijskundige en bedrijfsmatige
perspectieven en de culturele belangen, waarbij het onderwijskundige
perspectief vooropstaat. Daarom vraagt het onderwijs inderdaad om een
ritme van zeven of acht weken school voordat er een week vakantie is. Om
rekening te houden met die andere perspectieven is er nu sprake van een
adviesweek. Dat betekent dat je, als jouw school in een carnavalsregio
staat, van die week gewoon een vakantieweek kunt maken. Momenteel wordt
de vakantiespreiding wel door het ministerie van Onderwijs geëvalueerd.
Daar kan ik als minister van Binnenlandse Zaken natuurlijk niet op
vooruitlopen.
Mevrouw Wijen-Nass (BBB):
Ik vind wel dat de minister van Binnenlandse Zaken, die de
verantwoordelijkheid heeft over de regio's, hier wat van mag vinden. Met
alle respect, maar alle scholen hebben vrij met carnaval in de regio's
waar carnaval wordt gevierd. Dan kunnen we hier vanuit de Randstad dus
wel lekker blijven zeggen dat de adviesdatum op die datum is, maar dat
strookt toch totaal niet met de realiteit? Ik vind dat een heel vreemd
advies. Mijn motie handhaaf ik dan zeker.
Minister Uitermark:
Zoals ik zei: overbodig. De tweede optie zou kunnen zijn: ontijdig. Dan
geleid ik de motie door naar de minister van OCW, zodat hij daar met een
nadere reactie op kan komen.
De voorzitter:
De motie wordt niet aangehouden, zie ik. Daarmee is het oordeel:
overbodig.
Mevrouw Wijen-Nass (BBB):
Nee, ik hou 'm zeker niet aan. Ik ben heel benieuwd wat de rest van de
Kamer hiervan vindt.
De voorzitter:
Oké. Dan gaan we door naar de motie op stuk nr. 165.
Minister Uitermark:
Dan de motie op stuk nr. 165. Dat is een verzoek aan het Presidium.
De voorzitter:
Ja, die hoeft u niet te beantwoorden; dat klopt. Dan de motie op stuk
nr. 166.
Minister Uitermark:
Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 166, voorzitter. Daarover is ook
even contact geweest met de staatssecretaris van IenW. De motie is in
lijn met waar de staatssecretaris van IenW zich voor inzet. Daarbij wil
ik wel benadrukken dat de staatssecretaris gisteren in het debat
Strategische keuzes bereikbaarheid heeft gezegd dat hij zich hiervoor
echt maximaal inspant, maar dat het resultaat nog niet gegarandeerd is.
Dat gezegd hebbende, kan ik de motie oordeel Kamer geven.
Dan de motie op stuk nr. 167 van mevrouw Chakor. Zij verzoekt de
regering jongeren structureel bij de aanpak van het NPVR te betrekken.
Ik vind het, net als mevrouw Chakor, erg belangrijk dat jongeren
betrokken zijn bij plannen voor de regio's. Het gaat tenslotte ook om
hun toekomst, want wij maken nu plannen voor de komende twintig jaar.
Regio's zijn natuurlijk wel zelf verantwoordelijk zijn voor de
inrichting van een regioalliantie. De samenstelling daarvan kan dus ook
verschillen per regio, naargelang de regionale context, maar veel
regio's zijn al wel bezig met het betrekken van jongeren bij het plan
van de regio. Ik zal er aandacht voor blijven vragen dat jongeren echt
goed betrokken worden, zeker als het straks richting de uitvoering gaat.
Ik kan deze motie oordeel Kamer geven.
Dan de motie van mevrouw Chakor op stuk nr. 168, die de regering
verzoekt te onderzoeken op welke wijze en onder welke voorwaarden
aanvullende gemeenten of regio's kunnen aansluiten bij het NPVR. Deze
motie moet ik ontraden. Het kabinet heeft zich in het hoofdlijnenakkoord
al de opdracht gegeven om toe te werken naar agenda's met alle regio's,
en meer specifiek om de aanpakken voor het NPLV en Elke regio telt! door
te zetten. Wij hebben nu de focus op de elf genoemde regio's op basis
van onafhankelijk onderzoek en ook een uitgebreide dialoog tussen regio
en Rijk. Dat zijn er al meer dan de vijf waarvoor de onderzoeksraden een
pleidooi hielden. Het zijn er dus elf. Die elf zijn ook specifiek omdat
ze te maken hebben met een vergelijkbare stapeling van opgaven, alhoewel
ieder weer op een andere manier. De oproep was om specifiek met dit type
regio's, deze elf, de balans te herstellen qua relatie en
beleidsaandacht. Wij maken natuurlijk ook plannen met de andere regio's
via andere, gebiedsgerichte programma's. Die oproep deed de heer Flach
ook met zijn motie. Daar kom ik nu aan toe. Maar de motie van mevrouw
Chakor moet ik dus ontraden.
Mevrouw Chakor (GroenLinks-PvdA):
We hebben het in het debat gehad over het inritsen: is het mogelijk dat
t.z.t. gemeenten ook mee kunnen doen? Deze motie vraagt om dat te
onderzoeken en de deur niet dicht te doen, maar op een kier te houden.
Wij krijgen daar wel hele positieve reacties op vanuit gemeenten. Ik
houd deze motie uiteraard aan. Ik hoop natuurlijk dat de minister de
deur niet dichtdoet, maar op een kier houdt.
De voorzitter:
Houdt u de motie aan?
Mevrouw Chakor (GroenLinks-PvdA):
We brengen 'm gewoon in stemming, bedoel ik.
De voorzitter:
Oké. Er was even verwarring.
Minister Uitermark:
Ik heb eigenlijk niets meer toe te voegen aan wat ik net zei.
Ik kom nu bij de motie op stuk nr. 169. Ik heb de moties in volgorde
besproken, want ik begrijp dat dit ook het handigste is voor de
Handelingen. Deze motie ziet eigenlijk op hetzelfde vraagstuk: hoe
betrekken we de andere regio's die buiten de nationale programma's
vallen en hoe bieden we ze de mogelijkheid om samen met het Rijk een
langjarige agenda te ontwikkelen voor een gebiedsgerichte aanpak? Als ik
de motie van de Kamer en het breed geuite signaal van de Kamer dat
daaronder ligt zo mag interpreteren dat we wel met deze elf regio's
kunnen starten, maar dat u het kabinet er ook toe oproept om aan te
geven hoe het komt tot agenda's met alle regio's, zoals mevrouw Chakor
net ook aangaf, dan zeg ik u toe dat ik deze oproep mee terugneem naar
het kabinet en doe ik ook de toezegging dat het kabinet erop terugkomt
in de brief over het ontwerp voor de Nota Ruimte. In die zin kan ik de
motie dus oordeel Kamer geven.
De heer Flach (SGP):
De motie is bewust niet zo vormgegeven dat alle regio's direct in een
programma moeten gaan vallen. Het gaat erom dat we dit gaan hanteren als
een werkvorm tussen Rijk en regio's. Als de motie daarvoor de aanzet kan
zijn, kan ik leven met deze appreciatie.
Minister Uitermark:
Graag. Dat zie ik als een aanmoediging.
De voorzitter:
Dank. U bent klaar met uw termijn?
Minister Uitermark:
Ik ben erdoorheen.
De voorzitter:
Ja.
De beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
We gaan 8 april, aanstaande dinsdag, stemmen over de ingediende
moties.