[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Tweeminutendebat Financiën decentrale overheden (CD 26/3) (ongecorrigeerd)

Stenogram

Nummer: 2025D14888, datum: 2025-04-03, bijgewerkt: 2025-04-04 09:24, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


Aan de orde is het tweeminutendebat Financiën decentrale overheden (CD d.d. 26/03).

De voorzitter:
Dan schorsen we symbolisch, want we gaan gelijk door met een volgend onderwerp, namelijk het tweeminutendebat Financiën decentrale overheden. Dat is ook met de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en met voor een groot deel dezelfde woordvoerders. Ik begin met mevrouw Chakor, die het woord voert namens de fractie van GroenLinks-Partij van de Arbeid.

Mevrouw Chakor (GroenLinks-PvdA):
Ik heb vier moties, dus ik ga snel beginnen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er financiële fouten zijn ontstaan bij de berekening van de taakmutaties, waardoor de hoogte van het accres in een jaar lager uitvalt dan de bedoeling van de berekeningswijze was;

constaterende dat zowel bij het berekenen van de opschalingskorting als bij het afschaffen van de extra korting jeugdhulp accresfouten zijn ontstaan;

van mening dat het foutief toepassen van een berekeningswijze dient te worden hersteld;

verzoekt de regering het gemiste accres over de ingetrokken opschalingskorting, over de extra korting jeugdhulp en de (negatieve) loon- en prijsbijstelling 2022-2023 van de extra korting jeugdhulp van in totaal circa 200 miljoen euro alsnog aan de betreffende jaren van het Gemeentefonds en Provinciefonds toe te voegen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Chakor, Van Nispen, Koekkoek, Kostić, Inge van Dijk en Grinwis.

Zij krijgt nr. 29 (36600-B).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de aangekondigde bezuinigingen van 2,3 miljard euro gemeenten dwingen om te snijden in cruciale voorzieningen zoals sport, cultuur, woningbouw en infrastructuur;

verzoekt de regering om in overleg met gemeenten structureel voldoende middelen beschikbaar te stellen om deze cruciale voorzieningen in stand te houden en hierover bij het volgende overhedenoverleg op 14 april afspraken te maken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Chakor, Van Nispen, Koekkoek en Kostić.

Zij krijgt nr. 30 (36600-B).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er tijdens het vorige overhedenoverleg geen overeenstemming is bereikt tussen Rijk en decentrale overheden over structurele financiering van gemeentelijke taken, terwijl het voor gemeenten van groot belang is dat zij snel helderheid hebben over hun meerjarige financiële situatie;

verzoekt de regering om zich maximaal in te spannen zodat er tijdens het volgende overhedenoverleg op 14 april overeenstemming kan worden bereikt met de decentrale overheden ten aanzien van zowel de tekorten op de jeugdzorg als de algemene korting op het Gemeentefonds;

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Chakor, Van Nispen, Sneller, Inge van Dijk, Koekkoek, Kostić, Flach, Grinwis en Vermeer.

Zij krijgt nr. 31 (36600-B).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt het kabinet om voor taakmutaties in het Gemeentefonds en Provinciefonds vanaf de Voorjaarsnota 2025 weer gebruik te maken van de oude methode voor het verwerken van taakmutaties en pas tot invoering van de nieuwe berekeningswijze over te gaan als uit een uitvoeringstoets decentrale overheden blijkt dat er geen fouten in zitten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Chakor, Van Nispen, Koekkoek, Kostić, Inge van Dijk, Flach en Grinwis.

Zij krijgt nr. 32 (36600-B).

Dank u wel. Dan is nu het woord aan de heer Dijk. Hij voert het woord namens de fractie van de Socialistische Partij.

De heer Dijk (SP):
Voorzitter. Ik begin met twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat gemeenten geen uitvoeringsorganisaties van het Rijk zijn, maar medeoverheden met medebewindstaken;

constaterende dat het Rijk afhankelijk is van gemeenten voor het behalen van de eigen ambities op bijvoorbeeld de woningbouw, de energietransitie en de aanpak van armoede;

overwegende dat gemeenten te maken hebben met een groot financieel tekort door teruglopende gelden uit het Gemeentefonds;

overwegende dat als dit tekort blijft bestaan dit zal lijden tot een grote sociale kaalslag en toenemende lasten voor burgers;

verzoekt de regering het acute financiële tekort van gemeenten te dempen door de landelijke onderuitputting aan te wenden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Dijk en Van Nispen.

Zij krijgt nr. 33 (36600-B).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de bezuiniging vanuit het Rijk op gemeenten zal leiden tot sociale kaalslag, groeiende ongelijkheid en de afbraak van voorzieningen;

spreekt uit dat de bezuinigingen op gemeenten teruggedraaid moet worden, zodat essentiële voorzieningen voor burgers behouden blijven,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Dijk en Van Nispen.

Zij krijgt nr. 34 (36600-B).

De heer Dijk (SP):
Voorzitter. De afgelopen anderhalf jaar heeft de SP in het land met verenigingen en organisaties het zwembad in Gennep, de kinderboerderij in Zutphen, de dagbesteding voor dementerende ouderen in Groningen, de speeltuin in Delft en het jongerencentrum in Arnhem gered. Ik kan een hele rits opnoemen van lokale voorzieningen die onder druk staan en waarbij we met mensen, verenigingen en organisaties in actie zijn om ze in stand te houden. Maar het wordt afgebroken door rechtse partijen en hun aandeelhouders. Zij hebben deze voorzieningen nooit opgebouwd, maar gooien nu wel met het grootste gemak een bezuiniging van 2,4 miljard over de schutting bij gemeentes. Het is ontzettend laf om anderen jouw bezuinigingen te laten uitvoeren en anderen jouw voorzieningen te laten afbreken. Die speeltuinen zijn er niet gekomen door rechts-radicale partijen. Ze zijn er gekomen omdat mensen in actie kwamen en het afdwongen bij politici. Dit kabinet, het meest rechtse kabinet ooit, breekt het wederom helemaal af. Het betreft huishoudelijke zorg, openbaar vervoer, sport, cultuurvoorzieningen, inkomensondersteuningen, boa's, vuilnismannen en -vrouwen en sociale werkplaatsen. En wat gebeurt er dan? Een lastenverhoging via de ozb en parkeertarieven. Dat is wat rechts hier aan het doen is: denivelleren. De ozb en parkeertarieven zijn namelijk geen eerlijke belasting.

De voorzitter:
Dat was uw inbreng.

De heer Flach (SGP):
Ik heb met de collega van de heer Dijk, Van Nispen, in het debat samen opgetrokken. Ik steun de verontwaardiging dus op zich wel. Door de tirade richting rechtse partijen voel ik me niet aangesproken. Daar mogen ze zelf op reageren. Maar ik werd een beetje getriggerd door het woord "laf". Want de motie roept op om 2,4 miljard aan bezuinigingen terug te draaien. Het zou van lef getuigen om daar dan ook een dekking bij te leveren. Die mis ik in deze motie.

De heer Dijk (SP):
Er zit een motie bij die aangeeft dat voor de korte termijn de onderuitputting van — wat is het? — zo'n 20 miljard euro gebruikt moet worden. Volgens mij noemen die rechtse partijen dat ook heel vaak als dekking. Ze zijn er de komende tijd ook de hele tijd mee bezig. Dat is hartstikke mooi. Ik daag ze daar dus toe uit. Wees niet laf. Heb lef. Linkse partijen hebben lef. Mensen hebben het lef om voorzieningen op te bouwen. Ik roep die rechtse partijen op om lef te hebben en geen bezuinigingen over de schutting te gooien bij onze vuilnismannen, bij onze boa's en bij onze mensen die in de huishoudelijke zorg werken, oftewel bij de werkende klasse. Door jullie krijgt die zo meteen hoge parkeertarieven en hoge ozb-lasten.

De voorzitter:
Dank voor uw inbreng. Mevrouw Koekkoek gaat het woord voeren namens de fractie van Volt. Gaat uw gang.

Mevrouw Koekkoek (Volt):
Dank, voorzitter. Het water staat de gemeenten aan de lippen. Dat komt door het Rijk. Dat is niet alleen zorgelijk, maar ik vind het ook schandelijk. Medeoverheden staan wél schouder aan schouder met elkaar. Deze week kwam er nog een brandbrief van de provincie Utrecht om richting het Rijk aan te geven: doe dit niet; ga niet zo veel bezuinigen op juist dat wat de samenleving bij elkaar houdt. Ik hoop dat de minister dat echt ter harte neemt. Dat is waarom wij de moties van collega Chakor hebben medeondertekend.

Er zijn heel veel taken overgeheveld naar de gemeenten. Dus in toevoeging op wat we zouden moeten doen om de gemeenten uit de financiële nood te houden, heb ik ook nog de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er sinds 2015 extra taken en regelingen bij gemeenten zijn belegd, die het Rijk ook kan uitvoeren;

constaterende dat rapporten van de Commissie sociaal minimum en IPE voorstellen om landelijk te doen wat landelijk kan, zoals de studietoeslag en laptopregeling;

constaterende dat er grote verschillen zijn in de hoogte en reikwijdte van de regelingen per gemeente;

verzoekt het kabinet voor de Voorjaarsnota in kaart te brengen welke regelingen kunnen worden overgeheveld naar het Rijk,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Koekkoek.

Zij krijgt nr. 35 (36600-B).

Mevrouw Koekkoek (Volt):
Dank, voorzitter.

De voorzitter:
Dank u wel. We gaan luisteren naar mevrouw Inge van Dijk. Zij voert het woord namens de CDA-fractie.

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Voorzitter. De discussie over taken en voldoende knaken is natuurlijk niet nieuw. In 2021 diende ik met collega Grinwis de motie in om nadere regels te stellen om ervoor te zorgen dat artikel 2 van de Financiële-verhoudingswet en artikel 108, lid 3 van de Gemeentewet nageleefd gaan worden. Ook vroeg de motie om elk wetsvoorstel dat decentrale overheden raakt, mede te laten ondertekenen door de minister van BZK. Deze motie is aangenomen, maar niet uitgevoerd.

Voorzitter. Toen ik een paar maanden geleden vroeg om in beeld te brengen welke taken overgedragen zijn aan gemeenten en hoe deze wetsartikelen zijn toegepast, was het antwoord: "Dat weten we niet. We hebben als Rijk geen overzicht en geen inzicht, maar wel vinden we hier in Den Haag dat de gemeenten voldoende financieel bedeeld zijn." Het is ongekend dat we dit met droge ogen volhouden. Ik wil de minister en het kabinet vragen om gemeenten goed te gaan voorzien van voldoende knaken en om serieus met hen om te gaan. Ik dien de motie van destijds daarom opnieuw in, met het verzoek om deze nu wél uit te voeren.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het kader voor de financiële verhoudingen tussen overheden is vastgelegd in artikel 2 Financiële-verhoudingswet en artikel 108, derde lid Gemeentewet;

overwegende dat artikel 2 Financiële-verhoudingswet, dat stelt dat het Rijk moet aangeven hoe decentrale overheden financiële gevolgen moeten dekken die voortvloeien uit beleidsvoornemens van het Rijk, en artikel 108, derde lid Gemeentewet, dat stelt dat waar sprake is van medebewindstaken, het Rijk de kosten die ten laste van gemeenten komen aan hen dient te vergoeden, op dit moment onvoldoende worden nageleefd;

overwegende dat voor de handhaving van deze artikelen de positie van de minister van Binnenlandse Zaken als stelselverantwoordelijke voor het decentrale bestuur versterkt dient te worden;

verzoekt de regering om nadere regels te stellen ten behoeve van de naleving van deze twee wetten, zodat het ook voor de Kamer aantoonbaar en controleerbaar is dat deze wetten worden nageleefd;

verzoekt de regering tevens elk wetsvoorstel dat decentrale overheden raakt, zoals taakoverdrachten, medebewindstaken en regionale indelingen, mede te laten ondertekenen door de minister van Binnenlandse Zaken en bij budgetoverdrachten ook door de minister van Financiën,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Inge van Dijk en Grinwis.

Zij krijgt nr. 36 (36600-B).

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Dank je wel, voorzitter.

De voorzitter:
Dank voor uw inbreng. Dan gaan we luisteren naar de heer Grinwis. Hij voert het woord namens de fractie van de ChristenUnie. Gaat uw gang.

De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel. De nood is hoog in onze gemeenten. Het ravijnjaar komt eraan en het is onze eerste overheid, waar burgers dus als eersten de klappen van die enorme bezuiniging op moeten gaan vangen. Daarom heb ik een milde motie meegebracht met een milde aanmoediging om deze minister te helpen. De motie luidt als volgt.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat gemeenten door de krimp van en aanvullende bezuinigingen door dit kabinet op het Gemeentefonds in 2026 in grote financiële problemen komen en daardoor zullen moeten bezuinigen op cruciale gemeentelijke taken, zoals de instandhouding van lokale voorzieningen, het bouwen van woningen en taken in het sociaal domein, of genoodzaakt zijn lokale belastingen fors te verhogen;

spreekt uit dat onze gemeenten de eerste overheid zijn en voldoende structurele middelen verdienen om hun taken uit te kunnen voeren en lokale voorzieningen in stand te kunnen houden, zonder lokale belastingen fors te hoeven verhogen;

verzoekt de regering prioriteit te geven aan de noden van de gemeenten en deze bovenaan de stapel financiële wensen en tegenvallers bij de voorjaarsbesluitvorming te leggen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Grinwis, Bikker, Flach, Eerdmans, Sneller, Inge van Dijk en Chakor.

Zij krijgt nr. 37 (36600-B).

De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter, tot zover.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we luisteren naar de heer Flach, die het woord voert namens de SGP-fractie. Gaat uw gang.

De heer Flach (SGP):
Voorzitter. Als je als ondernemer het salaris van je medewerkers verlaagt, waardoor ze zorgen hebben over hun dagelijkse boodschappen, hun energierekening enzovoorts, weet je één ding zeker: hun aandacht kan niet naar hun werk gaan. Dan ga je dat als ondernemer merken in hun productiviteit en in je omzet en winstgevendheid. Dát is precies wat het Rijk aan het doen is bij gemeenten. Gemeenten zijn geen werknemers van het Rijk — laat ik dat erbij zeggen — maar we hebben ze wel heel hard nodig om bepaalde rijkstaken uit te voeren, want het Rijk bouwt geen woningen; dat doen gemeenten. Als we ze op deze manier blijven uitknijpen, weten we één ding zeker: dan krijgen we als Rijk die rekening keihard terug en dan is die rekening veel hoger dan die 2,4 miljard. Maar volgens mij is die boodschap heel indringend binnengekomen bij de minister van Binnenlandse Zaken en hopelijk ook op het ministerie van Financiën.

Ik ben op allerlei punten voldoende helder geweest in het debat, maar ik zou nog op één punt een motie willen indienen. Dat doe ik samen met collega Bikker.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat bij de herverdeling van het Gemeentefonds door middel van het aangepaste ingroeipad rekening is gehouden met de situatie van gemeenten met een beperkte financiële draagkracht en een lage sociaal-economische status;

overwegende dat de financiële situatie van gemeenten inmiddels behoorlijk veranderd kan zijn en dat de volgende stap in de ontwikkeling van het Gemeentefonds een jaar langer duurt dan beoogd;

verzoekt de regering op basis van actuele cijfers te berekenen of nog meer gemeenten onder het aangepaste ingroeipad zouden vallen en dit ingroeipad voor de jaren 2025 en 2026 ook op deze gemeenten toe te passen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Flach en Bikker.

Zij krijgt nr. 38 (36600-B).

Dank u wel. Dan gaan we luisteren naar de heer Sneller, die het woord voert namens de D66-fractie.

De heer Sneller (D66):
Dank, voorzitter. We doen in deze Kamer vaak alsof gemeenten iets abstracts zijn waar je taken aan kwijt kan zodat die worden opgelost en waar je op kan bezuinigen zonder dat iemand het merkt. Maar in het debat is door veel woordvoerders nadrukkelijk gezegd dat het tegendeel waar is. Ik heb ook de minister en de coalitie voorgehouden dat de keuze is: vasthouden aan de beloftes of vasthouden aan de financiële keuzes. Het kan namelijk niet allebei. We hebben de gemeenten nodig om woningbouw te realiseren. We hebben de gemeenten nodig om veiligheid te brengen. We hebben de gemeenten nodig om de koopkrachtplus van de coalitie waar te maken, want uiteindelijk hebben gemeenten maar heel weinig beïnvloedbare ruimte in hun eigen gemeente en zullen zij kijken naar een lastenverhoging. Ik noemde die in het debat al "de Heinenheffing".

Voorzitter. Het gaat ook om vertrouwen in de overheid. Gemeenten zullen bezuinigen op persoonlijk contact. In het debat op de tribune en in de media zagen we geruzie en procedures die dreigen tussen bestuurslagen en bestuurders. Dat doet het vertrouwen geen goed. Volgens mij was herstel van het vertrouwen juist een van de opdrachten. Het zou dus ook goed zijn om eens na te denken over wie er wel bij vaart als dat vertrouwen wordt afgebroken.

Voorzitter. Ten slotte heb ik ook gezegd dat als we willen voorkomen dat onze opvolgers dit soort debatten steeds weer moeten volgen, we ook moeten kijken naar structurele oplossingen. Dat betekent ook het aanpassen van de afhankelijkheid van gemeenten van het Rijk voor een groot deel van hun inkomsten, zodat zij ook zelf belasting kunnen ophalen bij hun inwoners voor een veel groter gedeelte dan ze nu doen. Daardoor wordt het belangrijk om verantwoording af te leggen aan hun eigen inwoners in plaats van om hier te komen lobbyen voor meer geld, want dat blijft zich voortzetten. Daarom heb ik een behoorlijk aantal moties medeondertekend die de minister daartoe aansporen, want het is echt belangrijk dat zij dit samen met haar collega van Financiën oplost.

Dank.

De voorzitter:
De heer Vermeer wil toch ook zijn termijn houden, dus ik geef hem het woord namens de fractie van BBB.

De heer Vermeer (BBB):
Sorry, voorzitter, dat ik dat niet eerder had doorgegeven, maar het komt wel goed op deze manier.

Voorzitter. Knaken moeten taken volgen, hebben we ook al eerder gezegd. 14 april is er een ingelast overleg. Wij hopen dat er dan ook een resultaat komt uit dat overleg tussen de landelijke overheid en de andere overheden. Wij hopen dat er uit dat overleg iets komt waarmee zowel de gemeenten als de landelijke overheid kan leven, niet alleen om ervoor te zorgen dat zwembaden, sportparken en bibliotheken openblijven, maar er is meer. Een hogere ozb en hogere parkeerkosten zorgen voor meer inflatie. Dat is ongewenst. Daarnaast hopen we dat de uitkomst er ook voor zorgt dat gemeenten het woon- en zorgakkoord blijven steunen, want alleen samen kunnen we werken aan een beter Nederland.

De heer Flach (SGP):
Ik hoop ook elke dag dat de zon schijnt, maar met hopen dat het wel goedkomt, gaan de gemeenten niet geholpen worden. Ik vind het best een aparte opmerking: we hopen dat er iets uit komt. Daar zal de heer Vermeer toch zelf met zijn medecoalitiepartners voor moeten zorgen. Wat gaat de heer Vermeer eraan doen om die hoop ook werkelijkheid te laten worden?

De heer Vermeer (BBB):
Ik hoop dat naar aanleiding van het debat dat we gevoerd hebben en de aansporing die wij ook in dat debat aan de minister, aan het kabinet hebben gegeven om te zorgen dat ze hieruit komen. Wij hebben in het debat dat we hebben gevoerd ook toegezegd dat we ons bij de besprekingen over de Voorjaarsnota — ik weet niet of die 14 april klaar zijn — ervoor in zullen zetten, omdat wij vinden dat er iets moet gebeuren aan dit tekort. Overigens is dat al vanaf Rutte III en IV ingezet en in het basispad ingerekend. Wij willen dat nu eindelijk eens een keer met elkaar op gaan lossen en structureel meer duidelijkheid en zekerheid geven aan de gemeentes.

Mevrouw Chakor (GroenLinks-PvdA):
Ik heb een vraag. U zegt inderdaad "hopen". Wat voor resultaat hoopt u dat er gaat komen?

De heer Vermeer (BBB):
Als ik kijk wat de inzet is van de gemeentes — die hebben ze ook bij ons neergelegd — dan hoop ik dat er gewoon wel structureel meer geld voor de gemeentes komt. Ik kan daar nu geen bedrag aan hangen, omdat ik dat geld zelf niet op zak heb, maar wij gaan dat zeker meenemen.

De voorzitter:
Afrondend, mevrouw Chakor.

Mevrouw Chakor (GroenLinks-PvdA):
Tijdens het debat stond u naast ons wat betreft die correctie, mocht er eventueel een rekenfout gemaakt zijn. We hebben hierover inmiddels een brief gekregen. Wat vond u van de brief en welke stappen gaat u zetten?

De heer Vermeer (BBB):
Gisteren is die brief binnengekomen. Ik had er nog niet eerder naar kunnen kijken, maar ik heb het woord "rekenfout" daar niet in kunnen vinden. Ik heb ook niet gezien dat daarop is ingegaan. Daar wil ik dus nadere informatie over. Maar ik zal mij even beraden op hoe en in wat voor vorm ik dat ga doen. Misschien zijn andere partijen daar al mee bezig, maar dat weet ik niet.

De voorzitter:
De heer Dijk. Nee, mevrouw Chakor; ik weet dat het een belangrijk onderwerp is, maar we gaan het bij twee interrupties per fractie houden.

De heer Dijk (SP):
De heer Vermeer is een van de uitzonderingen in de coalitie, omdat hij zo veel belang hecht aan dit onderwerp. Dan rijst bij mij wel de vraag wat er dan gaat gebeuren en waar de BBB zelf mee komt. Ik wil u eigenlijk een best wel simpele vraag stellen: wat is voor u het minimale dat er zou moeten gebeuren om ervoor te zorgen dat niet al die taken zonder knaken naar de gemeenten gaan? Wat is het minimale dat er moet gebeuren volgens de BBB?

De heer Vermeer (BBB):
Dat is niet iets wat ik hier aan de vooravond van allerlei onderhandelingen op tafel ga leggen. Die troefkaart hou ik op zak. Daarover ga ik hier niets zeggen. Ik heb in het debat gezegd dat als gemeentes er de komende jaren maar iets van een paar honderd miljoen of zo structureel bij zouden krijgen, dat niet de problemen oplost die door de gemeentes geschetst worden.

De heer Grinwis (ChristenUnie):
Het is terecht dat de heer Vermeer benadrukt dat het weinig zin heeft als je als Rijk een paar euro lastenverlichting geeft via de inkomstenbelasting en de gemeentes eigenlijk laat zakken, waardoor de belastingen lokaal enorm omhoog moeten. Daar hebben onze inwoners natuurlijk niks aan. Maar we weten allemaal hoe de voorjaarsbesluitvorming werkt. Het is in eerste instantie een gesprek tussen vakministers en de minister van Financiën. De regels zijn helder: meevallers mogen gebruikt worden voor eigen tegenvallers. That's it zo'n beetje. Het komt dus uiteindelijk aan op de ronde van de minister van Financiën met de top van het kabinet en de top van de coalitiefracties. Mag ik er dan op rekenen dat BBB de noden van de gemeenten als eerste inbrengt, zodat die worden opgelost? Dat heb ik ook neergelegd in de motie. Want het is uiteindelijk niet iets van het kabinet alleen. Uiteindelijk zitten daar coalitiefracties, die als eerste kunnen noemen wat zij belangrijk vinden in de voorjaarsbesluitvorming. Als niemand van de vier fracties het opbrengt, dan blijft het liggen.

De heer Vermeer (BBB):
Dat is een van de zaken die ik zeker op zal brengen. Dat heb ik ook al eerder toegezegd. En bij mij is een afspraak een afspraak.

De voorzitter:
Dank voor uw inbreng, meneer Vermeer. Wij gaan nu luisteren naar mevrouw Wingelaar. Zij voert het woord namens de fractie van Nieuw Sociaal Contract.

Mevrouw Wingelaar (NSC):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het afwegingskader voor specifieke uitkeringen ruimte laat voor politieke afwegingen, waardoor specifieke uitkeringen in stand kunnen blijven;

constaterende dat het regeerprogramma bepaalt dat specifieke uitkeringen alleen op basis van een kabinetsbesluit kunnen worden voortgezet of toegekend;

overwegende dat overheveling naar fondsuitkeringen gemeenten meer bestedingsvrijheid geeft en bijdraagt aan lokale autonomie;

van mening dat de Kamer betrokken moet worden bij de besluitvorming over zowel de verlenging van bestaande specifieke uitkeringen als het overhevelen naar het Gemeentefonds;

verzoekt de regering na het besluit over de specifieke uitkeringen, maar voor het daadwerkelijk overhevelen naar het Gemeentefonds, de Kamer volledig en zo spoedig mogelijk te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Wingelaar.

Zij krijgt nr. 39 (36600-B).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in de budgettaire bijlage van het hoofdlijnenakkoord staat dat specifieke uitkeringen overgeheveld worden naar het Gemeente- of Provinciefonds met een budgetkorting van 10%;

constaterende dat wanneer een specifieke uitkering niet wordt omgezet naar een fondsuitkering, een korting van 10% op de departementale begroting blijft staan;

overwegende dat deze korting op de departementale begroting niet via een omweg alsnog ten koste mag gaan van de financiële positie van decentrale overheden;

verzoekt de regering te borgen dat kortingen door het niet omzetten van specifieke uitkeringen geen negatieve gevolgen hebben voor de financiële positie van decentrale overheden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Wingelaar.

Zij krijgt nr. 40 (36600-B).

Dank voor uw inbreng. Er is nog een interruptie van de heer Dijk.

De heer Dijk (SP):
We hebben hier gisteren de hele dag een debat gevoerd over gesteggel en geruzie door het kabinet over het niet uit willen reiken van vijf lintjes. Uw vicefractievoorzitter zei toen heel zinnige woorden. Ze zei: laten we het gaan hebben over de problemen van mensen en over oplossingen daarvoor. Dat kunnen we nú, vandaag, doen. Wat gaat NSC vandaag doen om de problemen van mensen die te maken krijgen met 2,4 miljard euro aan bezuinigingen, echt op te lossen?

Mevrouw Wingelaar (NSC):
Nou, we hebben er in ieder geval wel vertrouwen in dat de gesprekken die op dit moment nog lopen tot resultaat gaan leiden. Waarom zeg ik dat? Niet alleen de minister van Binnenlandse Zaken hecht belang aan de zorgen van gemeentes. Ik heb ook de minister-president horen zeggen dat het niet meer een kwestie is van "of" maar van "hoe". Dat geeft mij het vertrouwen dat deze minister van Binnenlandse Zaken in het medeoverhedenoverleg van 14 april tot een oplossing komt met de medeoverheden. Maar een broedende kip moet je niet storen. Ik geef haar dus alle vertrouwen voor die gesprekken en daarna zullen we zien wat het resultaat zal zijn.

De voorzitter:
Afrondend, meneer Dijk.

De heer Dijk (SP):
Ik zou een minister of een minister-president nooit vergelijken met een kip, maar ik ben het ermee eens dat je een broedende kip niet moet storen. Maar kijk naar wat er de afgelopen tijd geleverd wordt, het gesteggel van de afgelopen tijd en de onzekerheid waarin gemeentes zitten. Ik heb het over kinderboerderijen gehad. Laten we ook even de zorg nemen, die ondertussen een derde beslaat van de gemeentelijke begrotingen. Mensen willen weten waar ze aan toe zijn. Dan helpt het wel als er een partij is, net zoals de BBB, een coalitiepartij, die een beetje druk erop zet. Maar ik hoor zo weinig nu. Dus wat komt er nou concreet uit dit debat voor al die mensen die zich daar zorgen over maken? Wat komt er concreet als oplossing van het probleem, na een dag gesteggel gisteren? Wat is nou de concrete oplossing waar NSC vandaag mee komt?

Mevrouw Wingelaar (NSC):
Ik weet waar meneer Dijk naar op zoek is, maar op dit moment komt er geen concrete oplossing. Die gesprekken lopen. Ik heb daar vertrouwen in. Ik vind het heel belangrijk dat hier de problemen in de jeugdzorg bij betrokken worden. Het rapport-Van Ark is ook duidelijk. Dan zullen we, na 14 april, zien wat de oplossing gaat worden.

De heer Sneller (D66):
Wat let mevrouw Wingelaar om de woorden van de heer Vermeer te herhalen? Is zij het er niet mee eens, of is het iets anders?

Mevrouw Wingelaar (NSC):
Ik ga hier nu geen financiële claims neerleggen, meneer Sneller, wat meneer Vermeer wel deed. Dat is het verschil.

Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we luisteren naar mevrouw De Vries. Zij is de laatste spreker en tevens mijn persoonlijke favoriet uit de VVD-fractie, zoals zij goed weet.

Mevrouw Aukje de Vries (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Twee moties van mijn kant. De eerste motie is naar aanleiding van de brief die wij gisteren gekregen hebben over de stelpost onderuitputting. Wij vinden het raar dat wij daar als Rijk wel gebruik van zouden mogen maken, maar gemeenten niet.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het Rijk om realistischer te kunnen begroten en ramen werkt met de mogelijkheid van het inboeken van onderuitputting;

overwegende dat gemeenten die mogelijkheid niet hebben;

verzoekt de regering om gemeenten de mogelijkheid te geven om te werken met een stelpost onderuitputting en daarover afspraken te maken met de provincies als financieel toezichthouders op de gemeentefinanciën,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Aukje de Vries, Van Eijk, Sneller en Wingelaar.

Zij krijgt nr. 41 (36600-B).

Mevrouw Aukje de Vries (VVD):
Dan een tweede motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in het overhedenoverleg is overeengekomen met de hoogst mogelijke urgentie op korte termijn verder te spreken over de inhoudelijke contouren van de aanpak om de kosten van de jeugdzorg houdbaar en beheersbaar te maken;

overwegende dat het belangrijk is om de kosten van gemeenten voor andere taken, zoals bijvoorbeeld de Wmo en onderwijshuisvesting ook houdbaar en beheersbaar te maken en te houden;

overwegende dat hierbij wet- en regelgeving aan de orde is, waardoor gemeenten weinig tot geen grip en sturingsmogelijkheden hebben om de kosten te beteugelen en/of te beperken, zoals bij de jeugdzorg en Wmo het geval is, of om te zorgen voor minder regels voor lagere kosten, zoals bij onderwijshuisvesting;

verzoekt de regering om hierbij niet alleen naar de jeugdzorg te kijken maar ook naar andere beleidsterreinen;

verzoekt de regering in kaart te brengen wat gemeenten nu al aan instrumenten en sturingsmogelijkheden hebben om de kosten te beperken en daartoe een overzicht met best practices op te stellen;

verzoekt de regering de Tweede Kamer voor het zomerreces 2025 hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Aukje de Vries en Van Eijk.

Zij krijgt nr. 42 (36600-B).

De heer Grinwis (ChristenUnie):
Begrijpelijk. Als je regelingen houdbaar wil maken, moeten gemeenten ook sturingsmogelijkheden hebben. Anders heb je alleen maar openeinderegelingen en moet je degenen helpen die voor je op de stoep staan en kun je verder niet zo veel. Maar een ander aspect van houdbaarheid is dat je voldoende middelen moet hebben. Is deze motie in die zin wederkerig dat de VVD-fractie zich hiermee ook uitspreekt voor voldoende middelen, zodat taken houdbaar zijn uit te voeren, zowel aan de kostenbeheersingskant als aan de beschikbaremiddelenkant?

Mevrouw Aukje de Vries (VVD):
Wij hebben in het debat natuurlijk al uitgebreid gesproken over de ene kant, de hoeveelheid financiële middelen. Ik heb toen al aangegeven dat ik daar nu niet op vooruit ga lopen. We hebben een discussie over de Voorjaarsnota. Dat wordt best nog een ingewikkelde puzzel. Daar ben ik eerlijk in. We hebben heel veel andere prioriteiten. Ik noem defensie, veiligheid, middeninkomens, bedrijven die nu uit Nederland aan het vertrekken zijn vanwege allerlei maatregelen en regelgeving. Dus ik ga daar nu niet op vooruitlopen.

De heer Grinwis (ChristenUnie):
Toch nog één vraag. Collega De Vries is lid van een partij die is geworteld in de lokale democratie, als enige van de vier coalitiepartijen. Ze weet dat je hier bijvoorbeeld makkelijk lastenverlichting in het vooruitzicht kan stellen met lagere inkomstenbelasting, maar dat de burger daar niks aan heeft als de gemeenten hun taken niet kunnen uitvoeren en uiteindelijk daarvoor de belastingen lokaal moeten verhogen. Dan krijgen burgers een paar grijpstuivers van ons, maar moeten ze uiteindelijk meer lokale lasten betalen. Heeft de VVD daar oog voor? Is dat dan ook haar inzet bij de voorjaarsbesluitvorming? Mevrouw De Vries weet net zo goed als ik dat het niet alleen maar een technische exercitie is tussen bewindspersonen, maar dat uiteindelijk ook de top van haar fractie aanwezig is als het erop aankomt. Staat bij de VVD dan de gemeente bovenaan het lijstje, of in ieder geval heel hoog op de prioriteitenlijst?

Mevrouw Aukje de Vries (VVD):
Ik ga hier niet vertellen welke volgorde het lijstje heeft en wat wel en niet op het lijstje staat. Ik ga daar gewoon niet op vooruitlopen. Ik vind het dan ook jammer dat er nu een motie wordt ingediend die daartoe oproept. Ik begrijp dat wel vanuit de heer Grinwis, maar ik vind dat we eerst met elkaar het totale financiële plaatje moeten bekijken. Ik heb hier nu een aantal moties ingediend die volgens mij ook handvatten kunnen bieden aan gemeenten. Ik ga hier dus niet op vooruitlopen.

De voorzitter:
Dank. Dat was de termijn van de Kamer. Er zijn veertien moties ingediend. Ik ga vijftien minuten schorsen, en dan krijgen we een appreciatie van de minister. We zijn vijftien minuten geschorst.

De vergadering wordt van 11.23 uur tot 11.42 uur geschorst.

De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het vervolg van het tweeminutendebat Financiën decentrale overheden. We lopen alweer een beetje uit de tijd. Ik sta alleen interrupties toe op eigen ingediende moties. Ik ga ook ingrijpen als het een herhaling van zetten wordt. Er is een uitgebreid commissiedebat geweest en we gaan het niet allemaal overdoen. Ik geef het woord aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Minister Uitermark:
Dank, voorzitter. Vandaag is de afronding van een belangrijk debat in een bijzondere en ook spannende tijd waarin we met elkaar hard aan het werk zijn richting de Voorjaarsnota. Zoals ik ook in het commissiedebat heb aangegeven, span ik mij echt tot het uiterste in om resultaten te bereiken. Maar het is een brede integrale afweging; dat moet ik er wel bij zeggen. Zo kijk ik ook naar de moties. De moties die mij ertoe oproepen om mij maximaal in te zetten, zie ik als aanmoedigend. Die zal ik dan ook oordeel Kamer geven. De moties die al vooruitgrijpen op resultaten of een voorkeursvolgorde aangeven, kan ik nu niet anders dan ontraden. Er waren geen vragen, maar wel een heleboel moties. Gelet op de tijd ga ik daar meteen mee aan de slag.

De motie op stuk nr. 29 moet ik ontraden. Zoals ik ook heb aangegeven in de brief die ik heb gestuurd, is dit een onderdeel van de gemaakte afspraken. Het herstellen of veranderen daarvan zou financiële consequenties hebben. Daarom moet ik 'm ontraden. Ik kan niet vooruitlopen op de voorjaarsnotabesluitvorming.

Dan de motie op stuk nr. 30 van mevrouw Chakor en anderen. Die kan ik oordeel Kamer geven — tenminste, als ik de motie zo mag begrijpen dat de Kamer van de regering vraagt om op 14 april tot afspraken te komen die de medeoverheden hiertoe in staat stellen. Dan kan ik 'm oordeel Kamer geven. Maar als de Kamer bedoelt om nu al een voorkeur aan te geven in de richting van de Voorjaarsnota, moet ik 'm, zoals ik aan het begin heb gezegd, ontraden. Zo vat ik 'm niet op, maar ik check even wat hiervan de insteek is.

Mevrouw Chakor (GroenLinks-PvdA):
Ik wil even ingaan op de motie op stuk nr. 29, en zo ook even op de motie op stuk nr. 30. We hebben inderdaad een brief ontvangen waarin aangegeven wordt dat in het hoofdlijnenakkoord de keuze is gemaakt om de berekeningswijze, dat accres, niet toe te voegen. Wij vragen om het te corrigeren. Het gaat om het bedrag dat niet uitgekeerd is. Deze motie vraagt daarom. Die zegt eigenlijk: als er fouten zijn gemaakt … In de brief wordt niet gezegd dat er fouten zijn gemaakt, maar wel dat er keuzes zijn gemaakt. Deze motie, waar ook anderen onder staan, zegt dus eigenlijk: corrigeer dat nu.

Minister Uitermark:
Waar het om gaat, is dat dit én voor een deel is veroorzaakt door keuzes uit het verleden én door keuzes in het hoofdlijnenakkoord. Ik heb in mijn brief daar een duidelijke toelichting op gegeven. Ik noem dat geen rekenfout. Ik heb in de brief aangegeven hoe het zit. Hoe dan ook, het is in ieder geval onderdeel van de afspraken die zijn gemaakt. Als er iets wordt veranderd op dit vlak, zitten daar financiële consequenties aan. Zoals gezegd, kan ik niet vooruitlopen op de Voorjaarsnota.

De voorzitter:
Mevrouw Chakor, afrondend op dit punt, of anders over de motie op stuk nr. 30.

Mevrouw Chakor (GroenLinks-PvdA):
Volgens mij heeft de VNG een heldere brief gestuurd, waarin ze ook aangeeft dat dat gemiste accres over de opschalingskorting en de jeugdhulp niet de afspraak was. Wij zullen deze motie dus ook gewoon indienen. Ik hoop dat de minister dit op 14 april in ieder geval meeneemt en dat ze hierover in gesprek gaat. Want het gaat wel om 200 miljoen euro die ze nu niet krijgen, omdat een en ander bij de opschalingskorting en de jeugdzorg niet is doorgegaan, terwijl het accres uitgaat van die lagere kosten.

De voorzitter:
De motie is al ingediend, maar u bedoelt dat u 'm in stemming brengt.

Mevrouw Chakor (GroenLinks-PvdA):
Ik breng 'm in stemming; excuses, voorzitter.

De voorzitter:
Minister, nog een reactie?

Minister Uitermark:
Dit is onderdeel van de gesprekken met de VNG. Die gesprekken zijn gaande tot 14 april.

De voorzitter:
Dan over de motie op stuk nr. 30.

Minister Uitermark:
Die had ik oordeel Kamer gegeven, tenminste, als ik 'm zo mocht begrijpen dat de Kamer van de regering vraagt om op 14 april tot afspraken te komen die de medeoverheden hiertoe in staat stellen.

De voorzitter:
Ja, dat is de correcte interpretatie. Deze motie krijgt oordeel Kamer. Dan gaan we naar de motie op stuk nr. 31.

Minister Uitermark:
De motie op stuk nr. 31 verzoekt de regering om zich maximaal in te spannen. Gelet op wat ik eerder zei, kan ik 'm oordeel Kamer geven. Ik begrijp de oproep van de Kamer, namelijk dat u mij vraagt om mij maximaal in te zetten om tot goede afspraken te komen.

De motie op stuk nr. 32 moet ik ontraden. Wel is met de VNG afgesproken om daar vanaf nu samen alert op te zijn. We hebben daar ook over gesproken in het BOFv. We zullen daar vanaf nu samen alert op zijn.

Dan de motie op stuk nr. 33.

De voorzitter:
Mevrouw Chakor, is het echt nodig? Ja?

Mevrouw Chakor (GroenLinks-PvdA):
Ja, er "samen alert op zijn", maar deze motie vraagt om het terug te draaien vanaf 2025, dus om het te verwerken met de oude methode. Je kunt er "samen op letten", maar dat beantwoordt niet de vraag om het anders te doen.

Minister Uitermark:
Ja, we gaan nu niet terug naar de oude methodiek, maar het is natuurlijk wel van belang om de taakmutaties in het juiste prijspeil over te boeken. Daarom zei ik dat we daarover hebben gesproken in het BOFv. We hebben in ieder geval afgesproken om daar vanaf nu samen alert op te zijn.

De motie op stuk nr. 33 van de heer Dijk verzoekt om de onderuitputting in te zetten voor het ravijn. Het inzetten van onderuitputting is niet conform de budgettaire spelregels. Daarom moet ik 'm ontraden.

De motie op stuk nr. 34 van de heer Dijk is geen verzoek aan de regering, maar een spreekt-uitmotie.

De motie op stuk nr. 35 wil ik de appreciatie ontijdig geven. Het is namelijk goed om met uw Kamer van gedachten te wisselen over welke taken centraal kunnen en welke taken decentraal kunnen. Het is niet zo dat het kabinet in het brede vraagstuk van centralisering-decentralisering nu inzet op centralisering. Het is wel goed om steeds, zeker bij nieuwe taken, te kijken welke centraal of decentraal kunnen. Daarvoor ontwikkel ik op dit moment ook een beleidskader dat kan worden toegepast op nieuwe taken. Ik kom daar ook met een brief over. Vandaar dat ik deze motie het oordeel "ontijdig" wil geven.

De voorzitter:
Dat is eigenlijk een verzoek om de motie aan te houden. Daarom vraag ik mevrouw Koekkoek om daar nog even op te reageren.

Mevrouw Koekkoek (Volt):
De motie vraagt specifiek om niet alleen naar nieuwe regelingen te kijken, maar ook naar bestaande. Daarmee zou ik haar niet willen aanhouden, omdat dit volgens mij iets anders is dan wat de minister nu aan het ontwikkelen is.

Minister Uitermark:
In dat geval moet ik de motie ontraden.

De voorzitter:
Afrondend, mevrouw Koekkoek.

Mevrouw Koekkoek (Volt):
Afrondend. Misschien kan de minister wel al aangeven wanneer het beleidskader waarmee zij bezig is naar de Kamer zal worden gestuurd.

Minister Uitermark:
Voor de zomer.

De voorzitter:
Dan de motie op stuk nr. 36.

Minister Uitermark:
De motie op stuk nr. 36 gaat over elk wetsvoorstel en daarom moet ik haar ontraden. Ik zou de motie ook het oordeel "overbodig" kunnen geven, omdat dit in feite staand beleid is. Medeondertekening doe ik al, in ieder geval bij de meest ingrijpende taakwijzigingen. Als het echt gaat om elk wetsvoorstel, moet ik de motie ontraden.

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Als dat consequent werd gedaan, dan zou het ook heel makkelijk zijn om inzichtelijk te maken waar we staan met elkaar. We constateren de afgelopen maanden met elkaar dat we dat niet weten. Het is mijn overtuiging dat als we deze motie destijds consequent hadden nageleefd en eigenlijk gewoon de wet hadden gevolgd, het wel mogelijk was geweest. Ik vind het dus heel raar om de motie te ontraden, omdat zij eigenlijk zegt: ga gewoon netjes doen wat we met elkaar hebben afgesproken.

Minister Uitermark:
Daarom gaf ik ook aan dat de motie wat dat betreft eigenlijk staand beleid is en in die zin overbodig is. Wat we met elkaar hebben afgesproken, moeten we ook doen. Meer regels zijn niet per se een garantie voor een betere omgang met decentrale overheden. Dat gaat echt om houding en gedrag. Maar ik trek me de huidige zorgen van de gemeenten wel aan. Dat geldt ook voor de zorgen van uw Kamer. Ik zet mij ook daarvoor in. Ik spreek de collega's in het kabinet daar ook op aan. Daartoe ben ik volgens de Gemeentewet ook verplicht. Medeondertekening kan daarin een oplossing of een goed instrument zijn, maar uiteindelijk is het aan de hele regering en het parlement als geheel om daar invulling aan te geven. Het dictum ziet echt op elk wetsvoorstel. Op dit moment doe ik dit al bij de meest ingrijpende taakwijzigingen. Daarnaast vraagt het tweede deel van het verzoek om budgetoverdrachten te laten medetekenen door de minister van Financiën. Dat kan ik als minister van Binnenlandse Zaken niet toezeggen.

De voorzitter:
Wordt de motie ontraden of is zij overbodig?

Minister Uitermark:
Ontraden.

De voorzitter:
Dan de motie op stuk nr. 37.

Minister Uitermark:
De motie op stuk nr. 37 moet ik ook ontraden, want zij verzoekt de regering om prioriteit te geven. Ik heb net aangegeven dat er geen voorkeursroute is naar de voorjaarsbesluitvorming. We moeten in dit proces echt alle belangen afwegen. Ik kan wel zeggen dat de zorg over de gemeenten de volle aandacht heeft van het kabinet en zeker de volle inspanning heeft van mij.

De heer Grinwis (ChristenUnie):
Omdat de minister dit aan het begin van haar termijn al zei, vraag ik haar het volgende. Als ik de woorden "prioriteit te geven aan de noden van de gemeenten" schrap en vervang door "zich in te spannen de noden van de gemeenten te lenigen", kan de motie dan wel oordeel Kamer krijgen?

Minister Uitermark:
Dan blijft er nog steeds staan "boven aan de stapel te leggen". Die stapel ligt natuurlijk niet bij mij. Als de gedachte is "minister, span u maximaal in" en dit een aanmoediging van de Kamer is waarin de Kamer het belang aangeeft dat zij hieraan hecht, kan ik de motie oordeel Kamer geven.

De heer Grinwis (ChristenUnie):
Dan wijzig ik het dictum als volgt. "Prioriteit te geven aan de noden van de gemeenten" wordt "zich in te spannen de noden van de gemeenten te lenigen". Dank aan de minister.

De voorzitter:
Dan krijgt de nieuwe versie oordeel Kamer, maar die versie moet dan wel officieel worden ingediend bij de Griffie. Dan gaan we door naar motie op stuk nr. 38.

Minister Uitermark:
De motie op stuk nr. 38 van de heer Flach en mevrouw Bikker ziet nu op 2025 en 2026, maar 2025 is een al lopend jaar. Dat gaat dus niet. Ik vind het verzoek erin om te berekenen of nog meer gemeenten op basis van actuele cijfers onder het aangepaste ingroeipad zouden vallen … Die berekening wil ik toezeggen en die kan ik dus doen. Ik kan daarna ook in een brief aangeven waar die berekening dan toe leidt. Dus als de motie op die manier kan worden aangepast, dan kan ik 'm oordeel Kamer geven.

De heer Flach (SGP):
Als ik het goed begrijp moet het jaar 2025 dan uit de motie geschrapt worden?

Minister Uitermark:
Nou, ja, er staat nu ook "en deze op gemeenten toe te passen". Daar heb ik echt wel de tussenstap van die berekening voor nodig. Dan wil ik er in een brief op terugkomen wat dat betekent voor een toepassing op die gemeenten.

De heer Flach (SGP):
Dan wijzig ik de motie door het jaar 2025 eruit te halen, en dan is dit de interpretatie die de minister eraan geeft.

Minister Uitermark:
Ja, in die zin zou ik de motie oordeel Kamer kunnen geven. Ik zou u ook in overweging kunnen geven om 'm aan te houden — dan is die op dit moment dus ontijdig — totdat het onderzoek er is en ik met die brief kom. Dat u 'm aanhoudt heeft dus eigenlijk wel mijn voorkeur.

De heer Flach (SGP):
We waren er zo dichtbij! Maar goed, als de motie als een stok achter de deur kan blijven werken, dan houd ik 'm inderdaad liever even aan.

De voorzitter:
Op verzoek van de heer Flach stel ik voor zijn motie (36600-B, nr. 38) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

De voorzitter:
Dan gaan we naar de motie op stuk nr. 39.

Minister Uitermark:
De motie op stuk nr. 39 van mevrouw Wingelaar geef ik oordeel Kamer. Ik kan het nog toelichten.

De voorzitter:
Nee, laat dat maar zo.

Minister Uitermark:
Nee, gelet op de tijd! De motie op stuk nr. 40, ook van mevrouw Wingelaar, acht ik overbodig, want het uitgangspunt van het huidige afwegingskader is al dat als de SPUK blijft bestaan maar met de 10% korting, medeoverheden niet met minder budget dezelfde taken hoeven uit te voeren. Het betrokken ministerie moet namelijk als die SPUK niet wordt overgeheveld en op de eigen begroting blijft staan, in lijn met het afwegingskader dan nadere keuzes maken. Dat is bijvoorbeeld het verlagen van prestatie-eisen aan medeoverheden of het zoeken naar een alternatieve dekking op de eigen begroting.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 40 krijgt het oordeel overbodig.

Minister Uitermark:
Dan de motie op stuk nr. 41. Ik zou de indiener, mevrouw De Vries, in overweging willen geven om 'm aan te houden. Ik heb hier al een brief over geschreven. Ik kan het nog uitwerken in een nadere brief, want het begroten van onderuitputting past niet binnen het baten- en lastenstelsel dat nu wordt gebruikt door decentrale overheden. Dit heb ik ook al in de brief gezegd, maar ik kan de appreciatie nog verder uitwerken in een nadere brief. Ik verzoek de indiener om 'm aan te houden.

De voorzitter:
Is mevrouw De Vries bereid om de motie aan te houden? Nee? Dan moet ik een oordeel van de minister hebben.

Minister Uitermark:
Dan moet ik 'm ontraden.

De voorzitter:
Ja. Dan de motie op stuk nr. 42.

Minister Uitermark:
Dan de motie stuk nr. 42, ook van mevrouw De Vries. Die kan ik oordeel Kamer geven.

De voorzitter:
Oké, mooi. Dan zijn we er doorheen. We zijn klaar met dit tweeminutendebat.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:
Op 8 april, aanstaande dinsdag, gaan we stemmen over de ingediende moties. Ik dank de minister voor haar aanwezigheid. Het volgende debat zal met de minister van Ruimtelijke Ordening zijn. We schorsen nu een ogenblik.