Gewijzigd amendement van het lid Saris c.s. ter vervanging van nr. 67 over het uitzonderen van de beroepsbegeleidende leerweg
Wijziging van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs en enige andere wetten in verband met de invoering van regels voor het verlenen van toelating voor het ter beschikking stellen van arbeidskrachten (Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten)
Amendement (gewijzigd/nader/vervangend)
Nummer: 2025D14906, datum: 2025-04-04, bijgewerkt: 2025-04-04 10:08, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: I.G. Saris, Tweede Kamerlid (Nieuw Sociaal Contract)
- Mede ondertekenaar: M.G.F. Rikkers-Oosterkamp, Tweede Kamerlid (BBB)
- Mede ondertekenaar: A.J. Flach, Tweede Kamerlid (SGP)
Onderdeel van kamerstukdossier 36446 -81 Wijziging van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs en enige andere wetten in verband met de invoering van regels voor het verlenen van toelating voor het ter beschikking stellen van arbeidskrachten (Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten).
Onderdeel van zaak 2025Z06489:
- Indiener: I.G. Saris, Tweede Kamerlid
- Medeindiener: M.G.F. Rikkers-Oosterkamp, Tweede Kamerlid
- Medeindiener: A.J. Flach, Tweede Kamerlid
- Voortouwcommissie: TK
- 2025-04-08 15:00: Stemmingen (Stemmingen), TK
Preview document (🔗 origineel)
TWEEDE KAMER DER STATEN-GENERAAL | 2 | |
Vergaderjaar 2024-2025 | ||
36 446 | Wijziging van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs en enige andere wetten in verband met de invoering van regels voor het verlenen van toelating voor het ter beschikking stellen van arbeidskrachten (Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten) | |
Nr. 81 | gewijzigd AMENDEMENT VAN het lid SARIS C.S. ter vervanging van dat gedrukt onder nr. 67 | |
Ontvangen 4 april 2025 | ||
De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor: |
In artikel I, onderdeel C, wordt het voorgestelde artikel 1b als volgt gewijzigd:
1. Voor de tekst wordt de aanduiding “2.” geplaatst.
2. Voor het tweede lid (nieuw) wordt een lid ingevoegd, luidende:
1. Van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 3a zijn uitgezonderd stichtingen die ten behoeve van een beroepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs in de beroepsbegeleidende leerweg, als bedoeld in artikel 7.2.7, vierde lid, van die wet een dienstbetrekking aangaan met een student en deze ter beschikking stellen aan een bedrijf dat of de organisatie die de beroepspraktijkvorming verzorgt en een erkenning als bedoeld in artikel 1.5.3 van die wet heeft.
Toelichting
Dit amendement regelt een uitzondering op het toelatingsstelsel voor stichtingen die ten behoeve van de beroepsbegeleidende leerweg (BBL) een dienstbetrekking aangaan met een student en deze ter beschikking stellen aan een erkend leerbedrijf.
Bij een mbo-opleiding in de BBL combineren studenten werken en leren. BBL-studenten werken 3 tot 4 dagen in de praktijk van het beroep (beroepspraktijkvorming) en gaan 1 dag naar school. Om een BBL-student te mogen begeleiden moet een bedrijf of organisatie beschikken over een erkenning als leerbedrijf door de SBB. BBL-studenten treden in dienst bij een bedrijf en verrichten werk in het kader van de beroepspraktijkvorming. Opleidingen in de BBL leveren een erkend mbo-diploma op en zijn erop gericht jongeren en werkenden op te leiden voor duurzaam werk. In beginsel is hierbij geen sprake van het ter beschikking stellen van arbeidskrachten. Dat is anders in het geval het verrichten werk in het kader van de beroepspraktijkvorming bij een erkend leerbedrijf geschiedt via een stichting die de dienstbetrekking met een student aangaat en deze ter beschikking stelt aan het leerbedrijf.
Het toelatingsstelsel is gericht op het tegengaan van misstanden in de uitzendsector. BBL-trajecten vallen hier principieel buiten: het gaat hier om onderwijs gerelateerde dienstbetrekkingen in een gestructureerde leeromgeving, niet om commerciële arbeidsbemiddeling. Ook voormelde stichtingen die een belangrijke rol spelen bij het werk in het kader van de beroepspraktijkvorming zouden van de toelatingsplicht moeten worden uitgezonderd.
Een toetsingsplicht zou namelijk onnodige bureaucratische lasten opleggen aan dergelijke instellingen die al intensief worden gecontroleerd binnen het onderwijsdomein. Dit amendement voorkomt dat, zodat deze instellingen zich kunnen blijven richten op hun rol bij de maatschappelijke opdracht: het opleiden en begeleiden van mensen naar betekenisvol werk.
Saris
Flach
Rikkers-Oosterkamp