[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Verslag

Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met de introductie van een tweestatusstelsel en het aanscherpen van de vereisten bij nareis (Wet invoering tweestatusstelsel)

Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader)

Nummer: 2025D14968, datum: 2025-04-04, bijgewerkt: 2025-04-04 12:46, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen:

Onderdeel van kamerstukdossier 36703 -16 Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met de introductie van een tweestatusstelsel en het aanscherpen van de vereisten bij nareis (Wet invoering tweestatusstelsel).

Onderdeel van zaak 2025Z04242:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


36 703 Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met de introductie van een tweestatusstelsel en het aanscherpen van de vereisten bij nareis (Wet invoering tweestatusstelsel)

Nr. 16 Verslag
Vastgesteld 4 april 2025

De vaste commissie voor Asiel en Migratie, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen. Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte opmerkingen voldoende zullen zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het voorstel van wet genoegzaam voorbereid.

INHOUDSOPGAVE

Algemeen deel

1. Inleiding

2. Aanleiding en hoofdlijnen

2.1 Tweestatusstelsel

2.2 Aanvullende voorwaarden nareis subsidiair beschermden

2.3 Beperken nareis tot kerngezin

3. Verhouding tot hoger recht

3.1 Gezinsherenigingsrichtlijn

3.2 EVRM

4. Financiële- en uitvoeringsgevolgen

4.1 Tweestatusstelsel

4.2 Aangescherpte nareisvereisten

5. Ontvangen adviezen

Artikelgewijs deel

Artikel I (wijzigingen Vreemdelingenwet 2000)

Artikel II (samenloopbepaling)

Artikel III (inwerkingtreding)

Algemeen deel

De leden van de PVV-fractie zijn verheugd dat er met de Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met de introductie van een tweestatusstelsel en het aanscherpen van de vereisten bij nareis (hierna: het wetsvoorstel) striktere voorwaarden worden gesteld aan het nareizen van familieleden van subsidiair beschermden. Met een instroompercentage van 42% aan nareizigers is het noodzakelijk dat dit aan banden wordt gelegd. Nederland kan het namelijk niet meer aan. De asielopvang zit propvol. Er is een tekort aan woningen, geld en zorg. De asielinstroom brengt daarnaast ook een golf van overlast en criminaliteit met zich mee. Het is daarom belangrijk dat we snel maatregelen nemen.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren allereerst dat in de gehele asielketen grote zorgen zijn over de gevolgen voor de uitvoering van het onderhavig wetsvoorstel. De asielketen, die momenteel al onder grote druk staat, wordt naast de invoering van dit wetsvoorstel ook geconfronteerd met de invoering van het asielnoodmaatregelenwetsvoorstel, de invoering van het asiel- en migratiepact in 2026 en de aangekondigde bezuinigingen vanaf 2027 bij onder meer de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND).

En dat terwijl, zo constateren de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie, de oplossingen voor de vastgelopen asielketen sinds jaar en dag bekend zijn: snellere procedures, asielzoekers met kans op inwilliging eerder aan het werk, investeren in integratie en inburgering van nieuwkomers, en kleinschaligere opvangvoorzieningen die eerlijk verspreid zijn over het land. Met onderhavig wetsvoorstel kiest de regering hier bewust niet voor. De Raad voor de rechtspraak (Rvdr), de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) adviseerden zelfs het wetsvoorstel niet in te dienen onder meer vanwege het verwachte contraproductieve effect van de maatregelen. Aanvullend stellen deze leden dat de regering op geen enkele wijze heeft onderzocht wat de maatregelen inzake gezinshereniging doen voor de integratie van nieuwkomers. Deze leden vinden het onverantwoord om de ingrijpende maatregelen omtrent gezinshereniging te nemen, zonder eerst te onderzoeken wat de effecten als het gaat om de integratie van deze mensen in Nederland.

Gelet op het feit dat nagenoeg alle organisaties in de asielketen, waaronder het ministerie van Asiel en Migratie zelf, grote vraagtekens en bezwaren hebben gezet bij de effectiviteit van de maatregelen in het onderhavig wetsvoorstel en de beperkte beantwoording van de regering op deze zorgen, stellen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie dat de regering willens en wetens de asielketen verder laat vastlopen en de integratie van mensen in Nederland belemmert.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de regering op basis van onderzoeken de effectiviteit van de maatregelen in het onderhavig wetsvoorstel kan aantonen. Kan de regering afzonderlijk per maatregel en voor het onderhavige wetsvoorstel in z’n geheel aangeven wat het effect daarvan is op de aantallen asielzoekers? Kan de regering per maatregel en voor het onderhavige wetsvoorstel in zijn geheel aangeven wat het betekent voor de werkvoorraad en de werkdruk van de IND? Voornoemde leden zien ook graag dat de regering spoedig onderzoekt wat de effecten zijn van de maatregelen op de integratie van nieuwkomers. Kan de regering dat toezeggen? Kan de regering aangeven waarom er nog geen interdepartementale afstemming heeft plaatsgevonden, waardoor het wetsvoorstel bijvoorbeeld nog niet voorziet in de aanpassing van wetten die onder andere ministeries vallen? Wanneer is de regering voornemens deze afstemming alsnog te doen? Tot welke problemen zou dit vooruitschuiven kunnen leiden?

Voorts ontvangen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie graag alle documenten en bijlagen waarnaar wordt verwezen in de beslisnota’s van het wetsvoorstel. Kan de regering deze documenten aan de Kamer doen toekomen?

De leden van de VVD-fractie hebben met veel interesse kennisgenomen van de stukken omtrent het wetsvoorstel. Zij hebben hierover nog enkele vragen.

De leden van de NSC-fractie hebben met grote belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden steunen het voorstel om nader onderscheid te maken tussen asielzoekers die vallen onder de definitie van het VN-vluchtelingenverdrag en asielzoekers die subsidiaire bescherming ontvangen en om nadere voorwaarden te stellen aan nareis. Wel constateren voornoemde leden dat het voorstel op een aantal punten aanleiding geeft tot vragen over de uitvoerbaarheid en de gevolgen.

De leden van de NSC-fractie vragen de regering om in de beantwoording helder uiteen te zetten op welke wijze de uitvoeringsrisico’s, juridische knelpunten en kwetsbaarheid voor procedures worden ondervangen en gemitigeerd, ook in het licht van de implementatie van het EU asiel- en migratiepact. Deze leden willen wetgeving die bijdraagt aan het verminderen van de instroom en zijn van oordeel dat dit aandacht vereist voor de uitvoerbaarheid en het beschermen van fundamentele rechten.

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en de uitgebrachte adviezen en maken zich grote zorgen over de gevolgen voor de uitvoering en de rechtszekerheid. Hoewel zij niet ten principale tegen de invoering van een tweestatusstelsel zijn, zien zij vooral een groot risico op langere procedures, meer rechtszaken en daarmee ook meer kosten voor (nood)opvang vanwege langer verblijf in de asielopvang. In het wetsvoorstel lezen zij geen voornemen om de effectiviteit van de wet na de eventuele invoering ervan te evalueren. Deze leden vragen de regering een evaluatiebepaling op te nemen om de wet na drie jaar te evalueren. Daarnaast blijft het in de ogen van deze leden volstrekt onduidelijk hoe de minister omgaat met de ex ante uitvoeringstoetsen. Zij vragen de regering om een duidelijk tijdschema met wanneer welke toets wordt verwacht en ze vragen om te verduidelijken op welke wijze de Kamer wordt betrokken bij het meenemen van deze uitvoeringstoetsen in eventuele aanpassingen van de wet. De aan het woord zijnde leden zien deze betrokkenheid van de Kamer als essentieel, omdat deze niet bij de reguliere behandeling van de wet kan plaatsvinden.

De leden van de D66-fractie hebben begrepen dat de regering een zo restrictief mogelijk asielbeleid wil invoeren, naar eigen zeggen omdat Nederland de druk op de woningmarkt, onderwijs, zorg, asielketen en asielopvang niet meer aan kan. Kan de regering, zo vragen deze leden, cijfermatig onderbouwen in hoeverre en wanneer de Wet invoering tweestatusstelsel bijdraagt aan vermindering van de druk op deze sociale voorzieningen en het op orde brengen van de asielketen? Zo nee, op welke aannames berusten deze beleidsvoornemens dan?

Voorts vragen de leden van de D66-fractie welke aspecten van het wetsvoorstel in lagere wetgeving worden belegd en of de regering bereid is deze lagere wetgeving via voorhang aan deze Kamer voor te leggen.

De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van het voorgenomen wetsvoorstel. Hier zijn nog een aantal vragen over.

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel.

De leden van de SP-fractie hebben de wetgeving omtrent het tweestatusstelsel gelezen. Deze leden willen allereerst aangeven dat zij niet te spreken zijn over het feit dat de consultatiefase zo kort heeft gelopen. Het is juist belangrijk om goed naar de uitvoering te luisteren en tegenspraak te organiseren. Daar worden voorstellen beter van. Deelt de regering deze mening? Kan de regering een onderbouwing geven van het precieze effect op de migratie per maatregel die wordt genomen in dit voorstel?

Kan de regering voor de leden van de SP-fractie een inschatting geven van de totale kosten die incidenteel en structureel gepaard gaan met dit voorstel? Kan dit ook per maatregel worden gedaan? Zo nee, wat is dan het precieze doel per maatregel ten aanzien van het terugdringen van de aantallen migranten? Is het belang van het kind in deze wetgeving meegewogen? En zo ja, op welke manier is deze afweging gemaakt, hoe heeft die belangafweging eruit gezien?

De leden van de DENK-fractie hebben met ontsteltenis en zorgen kennisgenomen van het wetsvoorstel.

De leden van de SGP-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel. Zij benadrukken dat Nederland de achterliggende jaren steevast een netto-instroom van meer dan 100.000 personen per jaar kent. Dat gaat de draagkracht van ons land ver te boven. Om die reden is het niet meer dan logisch dat werk wordt gemaakt van daadkrachtig asiel- en migratiebeleid, waarbij de asielinstroom wordt beperkt. Nederland is voor asielzoekers aantrekkelijker gebleken dan ons omringende landen, en het is tijd die prikkel weg te nemen om een aanzuigende werking naar Nederland tegen te gaan.

De leden van de SGP-fractie constateren dat sprake is van samenhang tussen dit wetsvoorstel en het Europese asiel- en migratiepact, dat op 12 juni 2026 van kracht wordt. In de memorie van toelichting komt dit echter nauwelijks aan bod. Deze leden vragen de regering hierop alsnog uitgebreid in te gaan. Kan de regering daarnaast per onderdeel van het wetsvoorstel ingaan op de samenhang tussen deze wetstrajecten, en wat dat betekent voor de uitvoering?

De leden van de SGP-fractie hebben begrepen dat de IND knelpunten ziet bij inwerkingtreding van het tweestatusstelsel voordat implementatie van het EU asiel- en migratiepact heeft plaatsgevonden. Om welke knelpunten gaat het dan specifiek, en welke mogelijkheden zijn er deze knelpunten zoveel mogelijk te verhelpen? In hoeverre zijn de voorgestelde maatregelen met het EU asiel- en migratiepact reeds geharmoniseerd, en hoe zou verdere harmonisatie in aanloop naar inwerkingtreding van het pact mogelijk zijn?

De leden van de SGP-fractie lezen dat bij het bepalen van het precieze tijdstip van invoering zoveel mogelijk rekening zal worden gehouden met de (on)mogelijkheden van de relevante uitvoeringsorganisaties en de Rechtspraak. Deze leden vinden dat een waardevolle toezegging. Hoe wil de regering hieraan invulling geven, en wat betekent dit concreet voor de inwerkingtreding van de verschillende onderdelen van het wetsvoorstel? Op welk moment kunnen welke onderdelen in werking treden naar het oordeel van regering, gelet op de (on)mogelijkheden van de uitvoering?

De leden van de SGP-fractie verzoeken alle beschikbare uitvoeringstoetsen van de betrokken instanties op de afzonderlijke maatregelen in onderhavig wetsvoorstel aan de Kamer toe te sturen.

De leden van de SGP-fractie constateren dat in de Asielnoodmaatregelenwet en in onderhavig wetsvoorstel maatregelen worden genomen om nareis te beperken tot het kerngezin. Zij vragen de regering nader in te gaan op de vraag hoe deze maatregelen in beide wetsvoorstellen zich tot elkaar verhouden. Waarom is ervoor gekozen deze in beide wetsvoorstellen een plaats te geven? Daarnaast zijn de nareismogelijkheden reeds beperkt door wijziging van de vreemdelingencirculaire met betrekking tot nareismogelijkheden voor meerderjarige kinderen. Kan worden aangegeven hoe deze maatregel zich verhoudt tot de voorgestelde maatregelen?

De leden van de SGP-fractie hebben begrepen dat lidstaten als gevolg van het asiel- en migratiepact reeds verplicht worden onderscheid te maken tussen een vluchteling en een subsidiair beschermde. Klopt dit, en kan dit worden toegelicht?

De leden van de SGP-fractie vragen de regering nader toe te lichten wat ambtshalve toetsing aan artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) in de praktijk betekent voor de uitvoering. Hoe gaat deze toetsing in zijn werk? Hoeveel extra tijd is de IND naar verwachting hiermee kwijt? De IND geeft aan een waterbedeffect te verwachten. Hoe groot is dit verwachte effect, en welke consequenties heeft dat voor de uitvoering?

De leden van de SGP-fractie wijzen erop dat bij de introductie van de Vreemdelingenwet 2000 bewust is gekozen voor een eenstatusstelsel, onder andere om doorprocederen en overbelasting van uitvoeringsorganisaties en Rechtspraak tegen te gaan. Hoe beoordeelt de regering dit risico, en hoe is hier in het huidige wetsvoorstel aan tegemoet gekomen?

De leden van de SGP-fractie vernemen graag hoeveel mensen op dit moment onder een status van subsidiair beschermde en van vluchteling zouden vallen, en in hoeveel gevallen onmiddellijke invoering van de aangescherpte nareisvoorwaarden leidt tot herbeoordeling.

De leden van de SGP-fractie ontvangen graag gegevens over het aantal lopende aanvragen waarvan de beslistermijn reeds is verstreken.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met ernstige zorgen kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden hebben meerdere vragen over dit wetsvoorstel.

De leden van de Volt-fractie hebben met zorgen kennisgenomen van het wetsvoorstel. Met betrekking tot deze zorgen hebben deze leden nog enkele vragen.

1. Inleiding

De leden van de NSC-fractie vragen een toelichting op de vraag hoe het relevante onderscheid tussen artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag en artikel 15 van de Kwalificatierichtlijn in de praktijk wordt gemaakt. In hoeverre zijn de twee statussen sterk van elkaar te onderscheiden, en/of zijn er ook veel ‘twijfelgevallen’?

Bij de invoering van de Vreemdelingenwet 2000 is juist gekozen voor een generieke benadering, zo constateren de leden van de NSC-fractie. De regering stelt dat dit wetsvoorstel bijdraagt aan een consistentere toepassing van het onderscheid. Kan de regering toelichten op welke wijze de IND dat gaat doen, mede in het licht van de huidige motiveringspraktijk waarin de vluchtelingenstatus en subsidiaire bescherming soms zonder expliciete onderbouwing worden toegekend?

Het ligt in de verwachting dat veel asielzoekers die een subsidiaire status ontvangen in beroep zullen gaan om alsnog een vluchtelingenstatus te krijgen, zo constateren de leden van de NSC-fractie. Hoeveel tijd zal een dergelijk beroep gemiddeld in beslag nemen? Op welke manier kan de extra belasting die dit legt op het apparaat en op de rechtsspraak worden beperkt? Zijn er manieren om deze procedures op een zo efficiënt en snel mogelijke manier af te handelen?

Op welke wijze wordt rekening gehouden met de pleidooien van uitvoeringsorganisaties (IND, Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) en Rvdr) dat de inwerkingtreding van deze wet samenvalt met het van kracht gaan van het EU asiel- en migratiepact? In hoeverre is de regering bereid aan dit verzoek tegemoet te komen dan wel een alternatieve oplossing te vinden?

De leden van de NSC-fractie vragen of voor dit wetsvoorstel een constitutionele toets is uitgevoerd. Zo ja, vragen zij of de resultaten van deze toets met de Kamer kunnen worden gedeeld.

Is tevens een formele wettelijke toets op mensenrechten of verdragsconformiteit uitgevoerd door een onafhankelijke instantie? Indien dit het geval is, vernemen de leden van de NSC-fractie graag of deze toets beschikbaar is voor de Kamer.

De asielinstroom in Nederland is hoger dan de migratieketen aankan, zo constateren de leden van de BBB-fractie. De asielopvang is vol en de IND kampt met voorraden bij de behandeling van asiel- en nareisaanvragen. Daarnaast legt de toestroom van hoge aantallen asielzoekers en specifiek nareizende gezinsleden een te grote druk op de voorzieningen, waaronder de woningmarkt, het onderwijs en de zorg. De regering streeft naar een meer beheersbare situatie en treft daarom maatregelen om de asielinstroom en het aantal nareizigers in Nederland te verlagen. Een van de maatregelen is de invoering van het tweestatusstelsel. 

Met dit stelsel wordt in de toekomst onderscheid gemaakt tussen de verlening van de verblijfsvergunning aan de vreemdeling die vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag (vluchteling, A-status) en de vreemdeling die in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming (subsidiair beschermde, B-status). Grondslag hiervoor volgt uit de Europese Kwalificatierichtlijn.  

Asielzoekers die vallen onder de vluchtelingendefinitie (A-status) hebben gegronde vrees om te worden vervolgd wegens hun ras, religie of nationaliteit, of het behoren tot een bepaalde sociale groep of hebben van een bepaalde politieke overtuiging. Te denken valt aan vervolging van etnische groepen, politieke dissidenten of mensen die vanwege hun seksuele voorkeur risico lopen op de doodstraf. Ontvangers van subsidiaire bescherming, daarentegen, ontvluchten een bedreiging van hun leven of persoon als gevolg van willekeurig oorlogsgeweld, de doodstraf of onmenselijke handelingen. 

Deze verschillende statussen maken het mogelijk dat er aanvullende en stikte mogelijkheden worden geïntroduceerd voor de nareis van subsidiair beschermden. De voorwaarden hierbij zijn, zo constateren de leden van de BBB-fractie: 

  • een wachttijd van twee jaar tussen de inwilliging van de asielaanvraag en de verstrekking van de afgeleide asielvergunning aan de nareiziger;

  • de subsidiair beschermde beschikt zelfstandig en duurzaam over voldoende middelen van bestaan;

  • de subsidiair beschermde beschikt over huisvesting;

  • enkel het kerngezin komt in aanmerking voor nareis. 

De leden van de CDA-fractie vragen de regering inzichtelijk te maken met welke onderbouwing het ministerie van Asiel en Migratie het afgelopen jaar, in de vorm van memo’s en/of nota’s ten aanzien van de effectiviteit van maatregelen en de uitvoerbaarheid door de IND en de Rechtspraak van de in de wetsvoorstel voorliggende voorstellen, op de hierna genoemde momenten derden heeft geïnformeerd:

  • De coalitiepartijen ten tijde van de formatie ten dienste van de totstandkoming van het coalitieakkoord

  • De ministerraad bij de besluitvorming ten aanzien van het regeerakkoord

  • De partijleiders en/of coalitiepartijen van de coalitiepartijen en daarnaast de ministerraad bij de besluitvorming aangaande nadere afspraken over de uitvoering van hoofdstuk 2 van het hoofdlijnenakkoord en het regeerakkoord waarover de Tweede Kamer bij brief van 25 oktober 20224 is geïnformeerd

  • De ministerraad bij de besluitvorming over onderhavig wetsvoorstel alvorens aan de Raad van State te sturen

  • De ministerraad bij de besluitvorming over het nader rapport en het ongewijzigd doorsturen van het wetsvoorstel

De leden van de CDA-fractie hechten eraan dat over al deze momenten apart aan de Kamer wordt aangegeven welke informatie daarbij is verstrekt zodat duidelijk is op basis van welke informatie tot besluitvorming is gekomen.

2. Aanleiding en hoofdlijnen

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat in de memorie van toelichting wordt verondersteld dat het Nederlandse asielbeleid met deze wijzigingen meer in lijn zou zijn met dat van andere lidstaten. Welke lidstaten worden hiermee bedoeld? Welke onderzoeken gebruikt de regering om te onderbouwen dat we op dit moment aantrekkelijker zijn dan de landen om ons heen? Klopt het dat Nederland een gemiddeld aantal asielverzoeken krijgt als gekeken wordt naar andere EU-lidstaten? Voornoemde leden constateren dat we bijvoorbeeld in 2022 twee asielverzoeken per 1.000 inwoners hadden en dat dat aantal precies op het Europees gemiddelde zit. Graag ontvangen de aan het woord zijnde leden een reflectie op dit punt.

Aanvullend stelt de regering meermaals dat met deze wetswijziging Nederland een minder aantrekkelijk land zou zijn, en dat daardoor het aantal asielverzoeken zou dalen.1 De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden dat een stevige stelling die tot op heden niet is onderbouwd. Op basis van welke onderzoeken doet de regering de aanname dat een wijziging van het asielbeleid een significante verandering zou betekenen in de aantallen asielverzoeken? Is er wetenschappelijk bewijs voor deze verwachting? Kan de regering in de beantwoording reflecteren op de resultaten van eerder onderzoek van het WODC, waarbij is aangetoond dat er geen bewijs is voor een ‘aanzuigende werking’ van het asielbeleid?2 Heeft de invoering van het tweestatusstelsel in omringende landen ook geleid tot een substantiële beperking van het aantal asielverzoeken? Klopt het dat in Duitsland de invoering van een tweestatusstelsel niet heeft geleid tot minder asielverzoeken, maar wel tot meer procedures?

De leden van de NSC-fractie begrijpen dat de regering beoogt via deze wet het stelsel van internationale bescherming aan te passen om asielmigratie te beheersen en beperken. De regering wijst op praktijkervaringen in andere lidstaten, zoals Zweden.

Welke gegevens heeft de regering tot haar beschikking over de gevolgen van de implementatie van het tweestatusstelsel en het stellen van aanvullende voorwaarden aan nareis in andere lidstaten? Hoe verhouden de nieuwe Nederlandse voorwaarden zich tot het (recent aangekondigde en voorgenomen) beleid voor nareis in landen als België, Duitsland, Zweden, Oostenrijk en het Verenigd Koninkrijk?

Welke neveneffecten verwacht de regering in de zin van een verschuiving naar andere toelatingsroutes voor verblijf, en in hoeverre zijn de effecten daarvan betrokken bij de uitwerking, en is daarmee rekening gehouden, zo vragen de leden van de NSC-fractie.

De regering geeft aan dat in januari 2025 42% van de asielinstroom uit nareizende gezinsleden van statushouders bestond, zo constateren de leden van de NSC-fractie. Om hoeveel gevallen ging het daarbij om aanvragen van statushouders met subsidiaire bescherming?

De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de regering met dit wetsvoorstel beoogt om de asielinstroom te beperken en dat een belangrijk onderdeel daarvan de nareis is. De verwachting van de regering is dat de voorgestelde maatregelen tot gevolg hebben dat het aantal nareizigers beter beheersbaar wordt. Deze leden vragen op welke cijfers de regering baseert dat een belangrijk onderdeel van de instroom nareis is. Bovendien vragen deze leden welke onderzoeken uitwijzen dat het invoeren van een tweestatusstelsel eraan bijdraagt dat het aantal nareizigers beter beheersbaar wordt. Ook vragen voornoemde leden naar de wetenschappelijke bewijzen en inzichten die de noodzaak van het tweestatusstelsel onderbouwen.

De leden van de VOLT-fractie vragen in hoeverre er ander onderzoek is gedaan naar andere voorgedragen maatregelen zoals die volgen uit het rapport ‘Goed geregeld. Asielopvang als maatschappelijke opgave’ van de Adviesraad Migratie en de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB). Is wat dit betreft een gedegen afweging gemaakt? Zo ja, kan de regering over deze inhoudelijke afweging uitweiden?

De regering benoemt de cijfers over instroom en nareizigers, zo constateren de leden van de VOLT-fractie. Omdat de procedures momenteel twee jaar vertraagd zijn, betreft de nareisinstroom van nu aanvragen van twee jaar geleden. Aangezien de totale instroom inmiddels is afgenomen, zal de nareisinstroom over twee jaar naar verwachting ook lager zijn. Kan de regering toelichten hoe dit wetsvoorstel in dat licht alsnog een significante invloed heeft op de instroom op korte termijn?

Kan de regering reflecteren op het standpunt van de Adviesraad Migratie dat gezinshereniging juist zou leiden tot betere leefomstandigheden waardoor er minder overlast ontstaat? Deelt de regering de mening dat het verstandiger is om die volgens de oude regels te behandelen om overlast te voorkomen, vooral met betrekking tot de lopende zaken, zo vragen de leden van de VOLT-fractie.

2.1 Tweestatusstelsel

De leden van de PVV-fractie zijn van mening dat het belangrijk is dat Nederland niet aantrekkelijker is voor asielzoekers en hun gezinsleden dan de landen om ons heen. Deze leden vragen de regering welke andere Europese landen een tweestatusstelsel kennen. Klopt het dat dankzij de invoering van het tweetstatusstelsel in Zweden de asielinstroom omlaag ging?

De leden van de PVV-fractie vragen hoe in andere landen met een tweestatusstelsel voorkomen wordt dat asielzoekers doorprocederen voor een betere status, de vluchtelingenstatus.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien graag een opsomming van de argumentatie voor het afschaffen van het tweestatusstel zoals die bekend was in 2001. Kan de regering per bezwaar aangeven hoe zij van plan is dat weg te nemen bij de herinvoering van het tweestatusstelsel? Kan de regering aangeven waarom in 2001 het eenstatusstelsel is ingevoerd, en waarom deze redenen nu niet meer van toepassing zouden zijn?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat het met de inwerkingtreding van het asiel- en migratiepact in juli 2026 mogelijk wordt om door te produceren bij het verkrijgen van een zogenaamde B-status, voor subsidiair beschermden. Klopt dat? Erkent de regering dat indien er geen (grote) verschillen bestaan tussen de zogenaamde A-status en B-status, de prikkel tot doorprocederen niet of nauwelijks aanwezig is? Zo nee, waarom niet? Erkent de regering dat hoe groter het verschil is in rechten tussen de twee statussen, des te meer mensen door zullen produceren? Kan de regering een overzicht geven van het verschil in de rechten die andere EU-landen met een tweestatusstel hanteren voor mensen met een subsidiaire beschermingsstatus en mensen met een vluchtelingenstatus?

De leden van de VVD-fractie steunen het wetsvoorstel om afscheid te nemen van het éénstatusstelsel en onderschrijven het belang van een duidelijke scheiding tussen vluchtelingen in de zin van het Vluchtelingenverdrag en personen die subsidiaire bescherming genieten, voor een beter beheersbare asielketen en het minder aantrekkelijk maken van Nederland ten opzichte van andere landen.

Hierbij zijn de leden van de VVD-fractie benieuwd naar op welke manier de regering ervaringen van andere landen, zoals Zweden en Oostenrijk, die een tweestatusstelsel hebben of hadden, gebruikt om dit stelsel zo effectief en efficiënt mogelijk in te voeren zodat dit het meest werkbaar is voor uitvoeringsorganisaties en waarbij Nederland als minder aantrekkelijk wordt gezien. Graag ontvangen deze leden hier een reactie op.

De leden van de VVD-fractie zijn tevens benieuwd of er op dit moment andere EU-lidstaten zijn die nog geen tweestatusstelsel hebben, maar waar in het maatschappelijke of politieke debat de discussie rond het invoeren van het tweestatusstelsel speelt.

De leden van de NSC-fractie vragen de regering hoe wordt geborgd dat het onderscheid tussen vluchtelingenstatus en subsidiaire bescherming consistent wordt toegepast in de uitvoeringspraktijk.

De regering stelt dat het IND-beleid en werkinstructies zullen worden aangepast, zo constateren de leden van de NSC-fractie. Kan de regering toelichten welke beleidsmatige en organisatorische voorbereiding inmiddels is getroffen? Op welk moment worden de instructies gepubliceerd?

De IND wijst erop dat het motiveren van het onderscheid tussen vluchteling en subsidiair beschermde een aanzienlijke belasting vormt voor de werkvoorraad. Kan de regering aan de leden van de NSC-fractie aangeven hoeveel extra capaciteit (in fte en middelen) nodig is binnen de asielbesluitvorming?

De leden van de NSC-fractie vragen op welke wijze de bewijslast verschilt voor het verlenen van subsidiaire bescherming enerzijds en anderzijds een vluchtelingenstatus. Hoeveel verschillende juridische regimes zijn van toepassing en op welke groepen vreemdelingen na aanneming van dit wetsvoorstel, en vervolgens na aanneming van het EU asiel- en migratiepact, zowel in het geval dat er overgangsrecht wordt gerealiseerd als wanneer dat niet het geval is, en hoe lang zou de situatie van verschillende juridische regimes (wegens wachtlijsten) naar verwachting voortduren?

De leden van de D66-fractie vragen de regering te reflecteren op de verandering van de Vreemdelingenwet in 2001 en de keuzes die destijds werden gemaakt om de druk op de asielketen te verminderen. Deze leden zien dat de wet die nu voorligt hetzelfde doel dient, maar de maatregelen van toen (de Wet invoering tweestatusstelsel) terugdraait en vragen de regering duidelijk te maken wat er van de eerdere wijziging is geleerd.

Kan de regering de leden van de CDA-fractie toezeggen dat bij de aanbieding van de nota naar aanleiding van het verslag ook de meerjaren productie prognose (MPP) zal worden meegestuurd en dat dan ook direct de ingeschatte effecten van beide wetsvoorstellen in deze cijfers onderbouwd zijn terug te vinden? Daarnaast ontvangen deze leden graag de door de regering toegezegde financiële doorvertaling van de MPP zodat duidelijk is hoe uitvoeringsorganisaties de komende jaren werk kunnen maken van een effectief asielbeleid.

De mogelijkheid tot nareizen van vluchtelingen in de A-status blijft met deze wet onveranderd, zo constateren de leden van de BBB-fractie. De IND schat dat 75% van de vluchtelingen met een de B-status in beroep zal gaan tegen de status waarin zij geplaatst worden. Voornoemde leden vragen of de regering er ook naar heeft gekeken om dit beroep moeilijker te maken. Zo ja, waarom is dat niet verder uitgewerkt in de wet? Zo nee, is de regering bereid dit alsnog te doen? Ook zal de IND beter moeten motiveren wat de reden is voor een vergunningverlening in de B-status. Kan de regering aangeven wat er aanvullend moet worden gemotiveerd, naast de gronden die opgenomen zijn in de wet?

De leden van de BBB-fractie constateren dat in alle adviezen die zijn binnengekomen het bezwaar klinkt dat bij de invoering van een tweestatusstelsel een deel van de statushouders met subsidiaire bescherming zal doorprocederen tegen een weigering om de vluchtelingenstatus te verlenen, en dat dit grote uitvoeringsgevolgen heeft voor de keten. Echter verwacht de regering dat de invoering van een tweestatusstelsel, samen met het bredere pakket aan maatregelen, leidt tot een substantiële beperking van de asielinstroom en de nareis van gezinsleden. Als gevolg daarvan nemen naar verwachting de kosten en de benodigde capaciteit in de gehele migratieketen uiteindelijk af en is het totaaleffect op de keten positief. Deze leden vragen waar de regering dit op baseert. Zijn er onderzoeken gedaan naar andere landen met een tweestatusstelsel? Zo ja, wat zijn daar de bevindingen?

Het wetsvoorstel bevat geen overgangsrecht, zo constateren de leden van de BBB-fractie. Volgens de regering heeft dit tot gevolg dat de maatregelen onmiddellijke werking hebben vanaf het tijdstip van inwerkingtreding. Dit betekent dat zij van toepassing zullen zijn op lopende aanvragen of de verlenging van vergunningen waarop nog geen beslissing is genomen. In de praktijk kan dit tot resultaten leiden die op gespannen voet staan met de beginselen van rechtszekerheid en gelijke behandeling. Wat is het verwachte effect van deze maatregel voor de juridische keten? En kan de regering ook hier verzekeren dat dit niet vernietigd wordt door een rechter, al dan niet in individuele gevallen?

Voor de leden van de SP-fractie rijst de vraag waar de wachttermijn toe dient als een vreemdeling aan de overige voorwaarden voldoet. In dat geval doet hij immers geen beroep op de algemene middelen, terwijl hij wel een legitieme aanspraak heeft op gezinshereniging. Kan de regering dit toelichten? Waarom vangt de wachttermijn pas aan op het moment van verkrijgen van een verblijfsvergunning? Dit rijmt niet met de Gezinsherenigingsrichtlijn, waaruit volgt dat de termijn aanvangt vanaf het verkrijgen van legaal verblijf. Klopt dit? Is de regering bereid om de wachttermijn te laten vervallen voor asielzoekers die aan de huisvesting en voldoende duurzame middelen vereiste voldoen? Is de regering ook bereid dit te doen voor alleenstaande minderjarige vluchtelingen omdat deze niet aan de voorwaarden voor huisvesting en duurzame middelen hoeft te voldoen?

Kan gemotiveerd worden waarom geen sprake is van ongerechtvaardigde behandeling van vluchtelingen die hun ongehuwde partner niet mogen laten overkomen terwijl reguliere migranten dat wel mogen terwijl bovendien in Nederland op alle rechtsgebieden de positie van ongehuwde partners gelijk zijn gesteld met gehuwde partners, zo vragen de leden van de SP-fractie.

De leden van de DENK-fractie lezen in de memorie van toelichting dat dit wetsvoorstel een centraal onderdeel vormt om de asielketen per direct en duurzaam te ontlasten. Uit onderzoek blijkt dat migranten, voor zover zij hun reisroute al zelf kunnen kiezen, die niet mede laten afhangen van het asielbeleid in verschillende bestemmingslanden.3 4 Kan de regering aangeven waarop zij haar bewering baseert dat haar asielbeleid ervoor zal zorgen dat minder asielzoekers naar Nederland zullen komen? Kan de regering specificeren op welk wetenschappelijk onderzoek zij zich baseert dat migranten hun reisroute laten afhangen van het asielbeleid in hun land van bestemming?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de regering vindt dat het tweestatusstelsel op zichzelf effect heeft op de regulering van de asielinstroom of dat dit alleen een vehikel is om aanvullende voorwaarden te stellen voor de nareis van gezinsleden van subsidiair beschermden. Vindt de regering het proportioneel om daarvoor het tweestatusstelsel op te zetten, met alle administratieve gevolgen die dit heeft? Zijn er wat de regering betreft andere maatregelen te bedenken die de instroom kunnen beperken? Zet de regering daar ook op in, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie.

Kan de regering aan de leden van de VOLT-fractie toelichten hoe de situatie wat betreft overbelasting van de asielketen anders is ten opzichte van het instellen van een ‘eenstatusstelsel’ in 2001, die werd ingesteld om het asielstelsel te vereenvoudigen en procedures te versnellen?

Is er, zo vragen de leden van de VOLT-fractie, naast de reden dat het tweestatusstelsel meer in overeenkomst is met het beleid in andere lidstaten, aanvullend bewijs of motivatie dat de redenen van het invoeren van het ‘eenstatussstelsel' , zoals het “voorkomen van doorprocederen”, of het “vereenvoudigen van de periode die de IND nodig heeft om te beoordelen of de aanvraag kan worden ingewilligd” niet meer van toepassing zijn?5 Zo nee, hoe kan de voorgestelde wetgeving hier nu wel aan bijdragen, terwijl dit in 1999 reden was tot afschaffing van het tweestatusstelsel?

De leden van de VOLT-fractie vragen voorts of het huisvestingsvereiste geen onoverkomelijke belemmering voor gezinshereniging is nu de regering voornemens is statushouders langdurig in sobere voorzieningen te plaatsen en zowel voorrangsmogelijkheden als de huisvestingstaakstelling wil laten vervallen. Kan de regering onderbouwen waarom zij dit geen onoverkomelijke belemmering vindt?

2.2 Aanvullende voorwaarden nareis subsidiair beschermden

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat de individuele aanvullende voorwaarden in het wetsvoorstel op zichzelf al streng zijn, maar dat door de combinatie van deze voorwaarden en de cumulatieve gevolgen daarvan het voor veel subsidiair beschermden nagenoeg onmogelijk lijkt te maken om gebruik te maken van het nareisrecht. Elders in de memorie van toelichting stelt de regering zelfs dat de verwachting is dat boven de 90% van de aanvragen door de combinatie van voorwaarden afgewezen zullen worden.6 Deelt de regering deze constatering? Zo nee, waarom niet? Is de verwachting van de regering dat de combinatie van de aanvullende voorwaarden wat betreft de nareis van subsidiair beschermden juridisch standhoudt? Zo ja, op basis waarvan?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of het inkomens- en het huisvestingvereiste ertoe kan leiden dat een subsidiair beschermde ook na de wachttijd van twee jaar voor een in de tijd onbegrensd aantal jaren van gezingshereniging wordt uitgesloten en hoe een dergelijke uitsluiting van personen met internationale bescherming die niet elders met hun gezinsleden kunnen samenwonen te rijmen is met artikel 8 EVRM.

De voorgestelde maatregelen voor de behandeling van gezinsherenigingsverzoeken van subsidiair beschermden roepen verder de vraag op bij de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie of deze ongerechtvaardigd onderscheid opleveren met reguliere migranten die gezinshereniging beogen. Zo is de wachtperiode bij reguliere gezinsmigratie slechts één jaar en is er geen huisvestingsvereiste bij reguliere gezinsmigratie. Voornoemde leden wijzen daarbij op een uitspraak waar ook een tijdelijk nadeliger behandeling in een nareiszaak aan de orde was ten opzichte van de behandeling van reguliere migratie en dit niet in overeenstemming met artikel 14 EVRM werd geacht.7 Graag horen deze leden op basis van welke argumenten de regering dit onderscheid rechtvaardigt. Is de regering van mening dat het aannemelijk is dit onderscheid juridisch standhoudt?

Kan de regering aangeven of met een doorstroomlocatie wordt voldaan aan het huisvestingsvereiste, zo vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie. Zo nee, waarom niet? En zo nee, vindt de regering het proportioneel om, gezien de woningschaarste, en specifiek de schaarste bij sociale huurwoningen, mensen gemiddeld zeven jaar te laten wachten voordat zij kunnen voldoen aan het huisvestingsvereiste en dus in aanmerking komen voor gezinshereniging? Kan de regering aangeven welke regels in het Vreemdelingenbesluit zullen worden opgesteld over het voorgestelde huisvestingsvereiste van artikel 29a, lid 2 onder c Vreemdelingenwet 2000?

De leden van de VVD-fractie lezen met interesse over de aanvullende voorwaarden om afgeleide asielvergunningen te verstrekken, zoals het beschikken over huisvesting door de vreemdeling van subsidiaire bescherming. Eerder adviseerde de landsadvocaat om hier een redelijke termijn aan te verbinden vanwege de krapte op de woningmarkt. Op welke manier gaat de regering ervoor zorgen dat dit vereiste stand houdt bij de rechter? Hoe gaat de regering er voorts voor zorgen dat het cumulatieve karakter van de voorwaarden voor nareis voor subsidiair beschermden standhoudt bij de rechter?

In 2024 zijn er in het vreemdelingenrecht 68.000 gerechtelijke procedures geweest. In 87% van de gevallen bleef de beslissing van de IND in stand. De leden van de VVD-fractie vragen wat de verwachting is omtrent het beroep dat subsidiair beschermden in zouden kunnen stellen tegen afwijzingen van nareisverzoeken en hoe zich dit verhoudt tot andere landen in Europa die een andere juridische cultuur hebben in combinatie met een dalende asielinstroom, zoals Noorwegen.

De leden van de VVD-fractie onderschrijven het beginsel in het bestuursrecht dat er beroep mogelijk moet zijn op ieder besluit van de overheid. Tegelijkertijd zien deze leden dat er in het vreemdelingenrecht dusdanig veel wordt doorgeprocedeerd, vaak zonder succes, dat dit de problemen in de vastgelopen asielketen niet oplost en asielzoekers langer in onduidelijkheid verblijven. Kan de regering hierover in gesprek gaan met de NOvA en de Vereniging Asieladvocaten en -Juristen Nederland?

De leden van de NSC-fractie constateren dat de regering in het wetsvoorstel de Gezinsherenigingsrichtlijn niet langer analoog toegepast op subsidiair beschermden, waardoor drie aanvullende voorwaarden kunnen worden gesteld, namelijk dat twee jaar zijn verstreken vanaf de datum van de inwilliging van de asielaanvraag, een huisvestings- en een inkomensvereiste. Doel daarvan is dat de vreemdelingen minder afhankelijk worden van de Nederlandse verzorgingsstaat.

De leden van de NSC-fractie zien de noodzaak van het stellen van deze voorwaarden. Tegelijkertijd lijkt er een spanning te zitten tussen het feit dat subsidiair beschermden bescherming wordt verleend omdat naar de mening van de IND is aangetoond dat zij gevaar liepen in het land van herkomst, maar dat zij vervolgens nog minimaal twee jaar moeten wachten om gezinsleden over te brengen. Hoe duidt de regering die spanning?

Welke mate van gevaar en welke vormen van gevaar lopen personen die subsidiaire bescherming ontvangen in de praktijk op de plaats waar zij vandaan komen, en zijn daarbij grote verschillen van geval tot geval? Op welke manier worden die verschillen meegewogen? Is bekend in hoeverre de vreemdelingen die subsidiaire bescherming ontvangen uit buurlanden van hun land van herkomst waar zij al langere tijd verbleven?

De leden van de NSC-fractie constateren dat de regering stelt dat volgens algemene maatregel van bestuur nadere invulling wordt gegeven over wat wordt verstaan onder het zelfstandig en duurzaam beschikken over voldoende middelen van bestaan, waarbij aansluiting wordt gezocht in reguliere zaken. Gelden daarvoor dan dezelfde eisen of kan daartussen wel onderscheid worden gemaakt? De regering stelt dat sprake moet zijn van een bedrag ter hoogte van het minimumloon. Gaat het dan om een fulltime minimumloon? Gedurende welke periode moet een vreemdeling over dit inkomen hebben beschikt om aan deze voorwaarde te voldoen? Hoe wordt omgegaan met flexibele contracten en/of seizoensarbeid? En in hoeverre wordt daarbij onderscheid gemaakt op basis van de gezinssamenstelling, of andere factoren die grote invloed hebben op de beschikbaarheid van voldoende besteedbaar inkomen?

Welk percentage van de statushouders die de afgelopen vijf jaar arriveerden voldeed na twee, drie, vier en vijf jaar aan het inkomensvereiste, zo vragen de leden van de NSC-fractie.

Is overwogen om een tijdslimiet in te stellen voor het hanteren van het inkomens- en/of huisvestingsvereiste, waarbij die vereiste na het verstrijken van een bepaalde termijn van bijvoorbeeld vijf jaar vervalt, om te voorkomen dat mensen die afhankelijk blijven van een uitkering mogelijk permanent niet in aanmerking komen voor gezinshereniging, en om de juridische houdbaarheid te verbeteren?

Kan de regering aan de leden van de NSC-fractie toelichten welke precieze voorwaarden zij bij de huisvestingsnorm voor ogen heeft, voor verschillende gezinsvormen? Zouden de beoogde doorstroomlocaties volstaan, of zou dat alleen gelden voor een zelfstandige koop of (sociale) huurwoning? Is overwogen om voor deze voorwaarden een tijdsbeperking in te stellen?

In Duitsland is gekozen om een jaarlijks quotum te hanteren van personen die wel in aanmerking komen voor gezinshereniging, waarbij een selectie wordt gemaakt op basis van schrijnende omstandigheden zoals de duur waarop gezinsleden al van elkaar gescheiden zijn, de mate van gevaar waarin ze zich bevinden, en bijvoorbeeld ziekte of handicaps. De leden van de NSC-fractie willen dat het in bepaalde gevallen mogelijk wordt om af te wijken van de voorwaarden, als sprake is van zwaarwegende andere redenen. Hoe staat de regering daar tegenover?

Het wetsvoorstel voorziet niet in overgangsrecht. Hoeveel mensen hebben op dit moment een lopende aanvraag voor nareis, en welk deel daarvan betreft mensen van wie op dit moment is vastgesteld dat zij een subsidiaire beschermings-status hebben? Kan de regering aan de leden van de NSC-fractie toelichten hoe het proces vervolgens zou werken, dat deze groep vanaf inwerkingtreding wel aan voorwaarden moet voldoen die niet golden op het moment van de aanvraag? Moeten zij zichzelf opnieuw melden over hun lopende aanvraag of worden ze daartoe actief benaderd, en zo ja, door wie? Moeten zij dan een nieuwe aanvraag indienen of geldt de oude aanvraag nog steeds en worden de voorwaarden daaraan toegevoegd? Is voorzien in een hardheidsclausule?

De leden van de D66-fractie verzoeken de regering aan te geven welk percentage van de personen met een subsidiaire beschermingsstatus naar verwachting binnen twee jaar en binnen vijf jaar zijn of haar gezin zal kunnen laten overkomen, uitgaande van de voorwaarden zoals geschetst in het wetsvoorstel. Tevens vragen deze leden de regering in te schatten hoeveel mensen er extra voor zullen kiezen hun kinderen op de gevaarlijke vlucht mee te nemen in plaats van jarenlang gescheiden te zijn.

Voorts vragen de leden van de D66-fractie de regering om een inhoudelijke toelichting op het onderscheid dat in het voorstel wordt gemaakt tussen personen met een vluchtelingenstatus en personen met subsidiaire bescherming, specifiek ten aanzien van gezinshereniging. Zij vernemen graag op welke gronden wordt aangenomen dat gezinsleden van subsidiair beschermden minder behoefte zouden hebben aan bescherming dan de gezinsleden van vluchtelingen.

De leden van de D66-fractie vragen hoe subsidiair beschermden in de praktijk geacht worden te voldoen aan het vereiste voor passende huisvesting. Zij vernemen graag wat volgens de regering een realistische termijn is waarin men aan deze eis kan voldoen, gegeven de huidige krapte op de woningmarkt en de plannen van de regering voor het schrappen van de urgentieverklaring en taakstelling van gemeenten.

Voorts verzoeken de leden van de D66-fractie om een toelichting op de wijze waarop de IND zal beoordelen of een woning geschikt is voor gezinshereniging. Wordt hierbij uitsluitend gekeken naar het huurcontract of vindt er ook een feitelijke toets of inspectie plaats? En hoeveel tijd vraagt deze beoordeling per aanvraag?

Ook verzoeken de leden van de D66-fractie de regering te reflecteren op de samenhang tussen de in deze wet gestelde inkomensvereiste en de inburgeringsplicht. Deelt de regering de mening dat het huidige stelsel niet is ingericht om inburgeraars tijdens hun inburgeringstraject een minimumloon te laten verdienen? Kan de regering aangeven welk percentage van de statushouders in het huidige systeem na twee, vijf en tien jaar zelfstandig en duurzaam het minimumloon verdient? Ziet de regering mogelijkheden om het doen van betaald werk binnen het inburgeringstraject beter te faciliteren?

Verder vragen de leden van de D66-fractie de regering uit te leggen hoe de het cumulatieve effect van de nareismaatregelen juridisch nog gezien kan worden als evenredig ("het evenredigheidsbeginsel"). Deelt de regering de mening dat het cumulatieve effect ertoe kan leiden dat voor sommige gezinnen kan gelden dat zij elkaar meer dan zeven jaar niet zien?

De leden van de D66-fractie zien dat ook op dit moment de wachttijd tot gezinshereniging reeds stress veroorzaakt voor nareizende gezinsleden. Ook na gezinshereniging kunnen spanningen in het gezin ontstaan, met negatieve gevolgen voor gezondheid, integratie en gezinsdynamiek. Kan de regering uiteenzetten, zo vragen deze leden, wat een langere wachttijd naar verwachting betekent voor de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp en andere voorzieningen? Is de regering bereid gemeenten hiervoor financieel tegemoet te komen?

Verder vragen de leden van de D66-fractie de regering uit te leggen hoe wordt omgegaan met schrijnende gevallen in het geval van nareis, aangezien de wet zelf hiervoor geen mogelijkheden biedt. Wil dit zeggen, zo vragen deze leden, dat deze mensen zich moeten wenden tot een EVRM 8-procedure? Welke gevolgen heeft dit voor de wachttijd van gezinnen die om welke reden dan ook in een benarde situatie zitten? En welke gevolgen heeft dit voor de extra tijd die de IND hieraan moet besteden?

Bij de leden van de BBB-fractie rijst de vraag hoe wordt omgegaan met aanvragen om nareis waarin al een besluit is genomen, maar nog geen besluit op bezwaar. Strikt genomen krijgt de vreemdeling in zulke gevallen één keer te horen hoe de minister de aanvraag op basis van het aangepaste recht beoordeelt. Dat doet afbreuk aan de gedachte dat een vreemdeling daar nog een keer op moet kunnen reageren, namelijk door middel van het bezwaar. Juist om dit te vermijden, worden aanvragen om een machtiging tot voorlopig verblijf op dit moment getoetst aan het recht zoals dat gold op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen. In de praktijk betekent dit dat bezwaarprocedures gebaseerd zullen zijn op nieuwe wetgeving, terwijl de machtiging tot voorlopig verblijf gebaseerd is op oude wetgeving. Kan de regering toelichten waarom hiervoor gekozen is? En kan de regering aangeven wat het bezwaar is om voor bezwaarprocedures overgangsrecht in te stellen? En kan de regering ook hier verzekeren dat dit niet vernietigd wordt door een rechter, al dan niet in individuele gevallen? 

Met deze voorgenomen wetswijziging wordt de beperking van nareis fors aangescherpt tot enkel het kerngezin. De leden van de fractie-BBB maken zich, net als veel uitvoeringsinstanties, zorgen over de situatie van vreemdelingen voor wie het (feitelijk) onmogelijk of zeer gevaarlijk is om in het land van herkomst te huwen. Het gaat dan bijvoorbeeld om landen waarin homoseksuele relaties niet alleen niet erkend worden, maar zelfs strafbaar zijn. De regering stelt dat een situatie zoals deze geen zelfstandige afwijzingsgrond betreft voor nareis. De leden van de fractie-BBB vragen of een inwilliging van een nareis in bovengenoemde situatie anders gemotiveerd moet gaan worden door de IND. Zo ja, op welke manier?  

De leden van de CDA-fractie vragen de regering uiteen te zetten wat de noodzaak was om de gezinsherenigingsrichtlijn niet meer van toepassing te verklaren op de subsidiair beschermden. Deze leden wijzen erop dat door verschillende experts wordt aangegeven dat hierdoor nu geen kader bestaat waarbinnen de IND tot een oordeel dient te komen en dat daarvoor een nationale gezinsherenigingsrichtlijn noodzakelijk is. Graag ontvangen voornoemde leden hierop de zienswijze van de regering ook vanuit juridisch oogpunt.

De leden van de CDA-fractie achten het noodzakelijk voor de beoordeling van deze wetgeving dat de genoemde algemene maatregel van bestuur (AMvB), waarin de nadere regels worden gesteld over wat er wordt verstaan onder het zelfstandig en duurzaam beschikken over voldoende middelen van bestaan, voorafgaand aan de plenaire behandeling van deze wet bekend is. Is de regering hiertoe bereid?

De leden van de CDA-fractie vragen de regering duidelijk te maken of er voor het huisvestingsvereiste ook een AMvB noodzakelijk is. Zo ja, is de regering dan net als bij bovenstaande vraag voornemens deze voorafgaand aan de wetsbehandeling aan de Tweede Kamer te doen toekomen?

De leden van de CDA-fractie verzoeken de regering dringend dat, indien de AmvB bij de beantwoording van dit verslag nog niet gereed is, tenminste de eerste contouren van inhoudelijke eisen zoals de regering die voor zich ziet ten aanzien van het middelen- en huisvestingsvereiste uiteen te zetten.

De leden van de CDA-fractie vragen de regering toe te lichten of het vereiste te beschikken over huisvesting letterlijk gaat over een zelfstandige woonruimte. Voorts vragen deze leden de regering hoe dit vereiste zich rijmt met de lange wachttijden voor het in aanmerking komen van zelfstandige woonruimte. Wat is in de ogen van de regering de betekenis van zelfstandige woonruimte? Betekent het voornemen van deze regering om de mogelijkheid voorrang aan statushouders te geven te schrappen de facto niet dat het huisvestingvereiste voor de nareis van gezinsleden nagenoeg onmogelijk wordt?

De leden van de CDA-fractie vragen de regering een juridische uiteenzetting te geven van de in artikel 8 EVRM opgenomen rechten en via jurisprudentie tot uitdrukking gebrachte toepassing van het recht op gezins- en familieleven in de in de wetsvoorstel gestelde eisen. Is de regering bekend met jurisprudentie die ziet op de toepassing van een wachttermijn en/of daarnaast een middelen- en huisvestingsvereiste?

De leden van de CDA-fractie vragen de regering uiteen te zetten of het enkel en alleen afwijzen van een aanvraag tot gezinshereniging kan worden getoetst op de in deze wet opgenomen criteria of dat er ook in de situatie dat aanvrager niet voldoet aan gestelde criteria er ook altijd nog aan artikel 8 EVRM getoetst dient te worden. Indien dit het geval is, kan de regering dan toelichten wat de voorbeelden zijn dat vanuit artikel 8 EVRM en/of jurisprudentie alsnog tot toelating besloten dient te worden?

Deelt de regering de door de IND in het rondetafelgesprek van 24 maart 2025 uitgesproken zorg dat met name het huisvestingsvereiste strijdig gaat zijn met artikel 8 EVRM gelet op de erbarmelijke staat van de toegang tot sociale huurwoningen of particuliere huurwoningen? Zo nee, waarom niet en wat is daarvan de juridische onderbouwing?

In hoeverre is een, zoals door de IND bepleit, nationaal beleidskader inzake artikel 8 EVRM noodzakelijk in de ogen van de regering? En waarom zou dit wel of geen bijdrage leveren aan een effectievere beoordeling door de IND?

De leden van de CDA-fractie vragen de regering inzichtelijk te maken welke EU-lidstaten gekozen hebben voor nareiscriteria voor subsidiair beschermden en wat deze criteria zijn.

De leden van de SP-fractie willen de regering vragen of het inkomens- en het huisvestingsvereiste ertoe leidt dat een subsidiair beschermde ook na de wachttijd van twee jaar voor een in de tijd onbegrensd aantal jaren van gezinshereniging wordt uitgesloten. Kan de regering hierop reflecteren?

Heeft de regering in beeld wat de effecten van deze maatregel zijn op de ontwikkeling van het kind dat ten minste twee jaar zonder zijn ouders moet opgroeien, zo vragen de leden van de SP-fractie.

De leden van de SP-fractie vragen hoe een subsidiair beschermde toestemming kan krijgen om een grotere passende woning te huren en langdurig aan te houden tot de IND heeft beslist, gezien de strikte regelgeving rond passend huisvesten voor woningcorporaties. Waarom wordt afgeweken van het EU-recht waarbij een wachttermijn alleen toelaatbaar is na twee jaar rechtmatig verblijf, dus vanaf de datum asielaanvraag en niet vanaf de datum statusverlening?

De leden van de SGP-fractie verzoeken de regering in te gaan op de motivering achter de invoering van een wachttermijn van twee jaar. En hoe wordt bij deze maatregel omgegaan met aanvragen van familieleden van subsidiair beschermden die zelf in acuut gevaar verkeren?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen om een onderbouwing en verantwoording van de aanvullende voorwaarden voor de nareis van gezinsleden van subsidiair beschermden. Welke wetenschappelijke inzichten zijn er dat deze aanvullende voorwaarden de instroom doen verlagen? Kan de regering de bronnen van deze inzichten delen? Waar is de twee jaar wachttijd op gebaseerd? Op welke manier creëert dit ruimte in de opvang, als steeds vaker statushouders in de opvang verblijven omdat er geen andere huisvesting voor hen beschikbaar is? Hoe geeft de regering rekenschap van het recht op privéleven en family life zoals verwoord in artikel 8 EVRM in relatie tot de aanvullende voorwaarden voor nareis? Daarnaast vragen deze leden om een nadere onderbouwing waarom de regering ervoor kiest mensen die uit een oorlog vluchten wél twee jaar te laten wachten totdat hun gezin met hen herenigd mag worden en voor vluchtelingen die moesten vluchten om bijvoorbeeld hun politieke of levensbeschouwelijke opvattingen deze wachttijd niet geldt.

Welke sociale en psychische gevolgen heeft het voor een asielzoeker om twee jaar lang in onzekerheid te blijven of zijn familie kan overkomen, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie. In hoeverre is duidelijk welke impact dit heeft op de inburgering en welke extra kosten zullen er nodig zijn om de vertraging op integratie te repareren?

De regering kiest ervoor om de twee jaar wachttijd in te laten gaan sinds de verlening van de verblijfsvergunning, terwijl de gezinsherenigingsrichtlijn voorschrijft dat een dergelijke termijn aanvangt vanaf het moment dat legaal verblijf is verkregen, zo constateren de leden van de ChristenUnie-fractie. Erkent de regering dat het met deze keuze in de praktijk erop neerkomt dat iemand al zeker drie jaar in Nederland verblijft, nu de wachttijd tussen het eerste en tweede gesprek al circa 66 weken is? Hoe rijmt de regering een opgelegde wachttijd van twee jaar met de huidige wachttijden van 96 weken tot de IND begint met het in behandeling nemen van de aanvraag? Is het voorstel van de regering daarmee niet vooral symbolisch?

Ziet de regering ook dat het vrijwel onmogelijk wordt voor gezinsleden om na te reizen als de statushouder moet beschikken over huisvesting en tegelijk geen voorrang meer krijgt op een woning zoals de regering voornemens is, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie.

Waarom geldt de wachttermijn ook voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie? Hoe weegt de regering de noodzaak en proportionaliteit van deze voorwaarde gelet op de rechten van het kind en de beginselen dat gezinnen moeten worden beschermd en de belangen van kinderen de eerste overweging moeten vormen, zoals deze naar voren komen uit de gezinsherenigingsrichtlijn en vaste rechtspraak van het Hof van Justitie en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM)?

De leden van de VOLT-fractie vragen op welk moment in de nareisprocedure en op welke manier rekening wordt gehouden met de vluchtachtergrond en andere individuele omstandigheden van subsidiair beschermden die afwijking van de aanvullende voorwaarden mogelijk maken.

2.3 Beperken nareis tot kerngezin

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat in de loop van de jaren het nareisbeleid, onder andere als gevolg van jurisprudentie, verbreed en complexer is geworden, wat met name voor de instroom en de uitvoeringspraktijk van de IND negatieve consequenties heeft. De regering stelt dat ter verbetering hiervan het nareisbeleid versimpeld en beperkt moet worden. In hoeverre is dit echt mogelijk, als het beleid dat er nu is, deels het resultaat is van jurisprudentie, die ook deze regering simpelweg dient uit te voeren? Hoeveel van deze complexiteit denkt de regering daadwerkelijk weg te kunnen nemen? De jurisprudentie zelf verandert immers niet. Graag ontvangen voornoemde leden een nadere toelichting op dit punt.

De beperking tot het kerngezin van het wetsvoorstel tweetstatusstelsel zal ertoe leiden dat het nog altijd mogelijk blijft om een reguliere verblijfsvergunning te verkrijgen op grond van artikel 8 EVRM in plaats van een afgeleide asielvergunning, zo constateren de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie. Wat betekent deze verplaatsing concreet voor de IND, specifiek voor de werklast en de doorlooptijden? Hoeveel procent van de mensen zullen naar verwachting op basis van artikel 8 EVRM toch een vergunning verkrijgen? Klopt het dat de individuele belangenafweging die voortvloeit uit artikel 8 EVRM een complexe toets is waardoor de werkdruk fors zal toenemen? Wat is de appreciatie van de regering op de constatering van de IND dat er een waterbedeffect zal optreden naar reguliere gezinsherenigingsaanvragen en dat daarmee het beoogde effect van deze maatregel in het gedrang komt?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie wijzen erop dat verschillende adviesorganen, waaronder de Raad van State en de IND, hebben aangegeven dat het huwelijksvereiste leidt tot discriminatie, en dat de eis LHBTI+-personen, en andere asielzoekers die niet met hun partner kunnen trouwen, buitenproportioneel treft. Kan de regering nader toelichten waarom er niet is gekozen voor een uitzondering voor deze groep? Wat is de appreciatie van de regering op de constatering dat deze maatregel mogelijk in strijd is met het beginsel van non-discriminatie en gelijke behandeling?

Kan de regering voor de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie toelichten hoe de noodzaak en proportionaliteit van de maatregel om ook voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen een wachttermijn te introduceren is gewogen? Waarom is deze doelgroep wel uitgezonderd van het inkomens- en huisvestigingsvereiste maar niet van een wachttermijn van twee jaar?

Kan de regering voor de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie aangeven hoeveel ongehuwde partners, meerderjarige kinderen en pleegkinderen, de afgelopen tien jaar, gemiddeld per jaar als nareizigers een vergunning hebben gekregen?

De leden van de VVD-fractie vragen in hoeverre de regering verwacht dat afgewezen nareizigers zich zullen beroepen op artikel 8 EVRM? Is de inschatting van deze leden correct dat aanvragenzaken aanzienlijk complexer zijn en dat in beginsel de IND meer tijd kwijt is met het behandelen van deze aanvragen? Hoe worden deze zaken effectief en efficiënt beoordeeld binnen de huidige capaciteit van de IND, en in hoeverre kan hier nog een verbeterslag gemaakt worden? Overweegt de regering bijvoorbeeld om artikel 8 EVRM om te zetten in een nationaal wettelijk kader?

Verder zijn de leden van de VVD-fractie benieuwd naar de gevolgen van deze maatregel voor mensen in kwetsbare posities waarvoor ook opvang in de regio geen mogelijkheid is. Op welke manier wordt er bijvoorbeeld rekening gehouden met partners die tegen hun wil in ongehuwd zijn, omdat ze in land van herkomst vanwege op religie gebaseerde wetgeving niet mogen trouwen? Hoe wordt geborgd dat deze gevallen op een evenwichtige manier worden beoordeeld zonder de beperking van het kerngezin te ondermijnen?

De leden van de NSC-fractie merken op dat de voorgestelde beperking van gezinshereniging tot juridische en uitvoeringstechnische vragen leidt. Deze leden vragen de regering wat de reden is dat de regering ervoor heeft gekozen geen uitzondering te maken voor ongehuwde partners die feitelijk niet kunnen trouwen, zoals LHBTI-koppels of koppels onderdeel van onderdrukte religieuze gemeenschappen uit landen waar dat onmogelijk of levensgevaarlijk is? In hoeverre speelt de vrees voor misbruik daarbij een rol?

Voorts vragen de leden van de NSC-fractie of de regering kan aangeven hoeveel LHBTI-stellen in aanmerking kwamen voor gezinshereniging de afgelopen vijf jaar. Op welke manier kan worden vastgesteld of sprake is van een duurzame relatie? Geldt daarbij een specifieke minimale duur? Op welke wijze is geborgd dat deze maatregel niet leidt tot indirecte discriminatie, mede gelet op artikel 14 EVRM in samenhang met artikel 8 EVRM?

In hoeverre wordt bij de beoordeling van gezinshereniging voor het kerngezin voorzien in ruimte voor een belangenafweging bij bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld langdurige samenwoning of de aanwezigheid van gemeenschappelijke kinderen, zo vragen de leden van de NSC-fractie. Hoe wordt het belang van het kind meegewogen bij aanvragen waarbij een ouder of verzorger niet onder het kerngezin valt, maar feitelijk een primaire zorgrol vervult?

Heeft de regering overwogen om binnen het Vreemdelingenbesluit of de IND-beleidsregels een verruiming of uitzondering op te nemen voor schrijnende of humanitair zwaarwegende gevallen, zodat deze niet afhankelijk worden van artikel 8 EVRM-procedures, zo vragen de leden van de NSC-fractie. Deelt de regering de mening de leden dat dit de uitvoerbaarheid zou kunnen verbeteren?

De leden van de D66-fractie vernemen graag hoe lang een individuele toets op grond van artikel 8 van het EVRM gemiddeld duurt ten opzichte van een reguliere beoordeling op dit moment. Zij gaan ervan uit dat de regering beschikt over berekeningen of inschattingen, en ontvangen deze graag. Tevens vragen deze leden hoe vaak dergelijke individuele beoordelingen naar verwachting zullen voorkomen.

De leden van de CDA-fractie vragen de regering inzichtelijk te maken hoe vaak er in de afgelopen tien jaar voor pleegkinderen gezinshereniging is toegewezen. Kan de regering aangeven hoe de geloofwaardigheidstoets ten aanzien van pleegkinderen nu door de IND wordt ingevuld?

De leden van de CDA-fractie vragen de regering om toe te lichten waarom de beperking van nareis tot het kerngezin zowel in onderhavig wetsvoorstel als in het gelijktijdig aangeboden wetsvoorstel Asielnoodmaatregelenwet is opgenomen en of hierin enig onderscheid bestaat.

De leden van de CDA-fractie vragen de regering om te reageren op de juridische kanttekeningen die geplaatst worden bij met name de categorie ongehuwden uit landen waarin een huwelijk niet mogelijk is waardoor ze niet vallen onder de criteria voor gezinshereniging. Leidt deze aanvraag dan alsnog, als andere omstandigheden positief beoordeeld zijn, tot een afwijzing of komen deze mensen alsnog in aanmerking voor een vergunning op grond van artikel 8 EVRM? En mocht de inschatting zijn dat dit zal leiden tot een consequente toepassing van artikel 8 EVRM, wat belet de regering dan om deze categorie, enkel voor die landen waar een huwelijk niet mogelijk is, niet alsnog toe te voegen?

De leden van de SP-fractie constateren en delen de zorgen van de Adviesraad Migratie over de subsidiair beschermden. Het is uit de wet niet te herleiden of en zo ja hoe bij de toepassing van aanvullende voorwaarden voor nareis rekening gehouden wordt met de vluchtachtergrond van subsidiair beschermden. Ook niet of de afwijking van de voorwaarden mogelijk is als individuele omstandigheden daarom vragen. Kan de regering hierop reflecteren? Op welke manier zijn de belangen van het kind meegewogen in het tweestatusstelsel? Klopt het dat jongvolwassenen die afhankelijk zijn van hun ouders alleen achter zullen blijven? Heeft de regering de rechten van het kind, met name artikel 3 en 10 meegewogen in de belangafweging en hoe is de regering van mening dat zij voldoet aan de plichten van de Nederlandse staat die uit deze artikelen voortvloeien? Net als LHBTIQ+ personen die in het land waaruit zij zijn gevlucht geen mogelijkheid hadden om te trouwen? Tot hoeveel minder instroom leidt deze maatregel volgens de regering en waar is deze inschatting op gebaseerd?

De leden van de SP-fractie delen daarnaast de zorgen van UNICEF over het schrappen van pleegkinderen uit de definitie van het kerngezin. De IND lijkt juist aan te geven dat door dit te schrappen, de complexiteit eerder toeneemt dan afneemt. Dit gaat wellicht om de meest kwetsbare groep: kinderen zonder ouders. Hoeveel casussen van pleegkinderen behandelt de IND jaarlijks en hoeveel lastenverlichting of beperking in de nareis levert het schrappen van pleegkinderen uit de definitie van het kerngezin daadwerkelijk op? Hoeveel pleegkinderen zijn de afgelopen jaren nagereisd? Is dit een daadwerkelijke vermindering van de druk op de opvangcapaciteit? Weegt dit volgens de regering op tegen het individuele belang van het kind? In algemene zin: heeft de regering de grote effecten op kinderen, hun ontwikkeling en hun mogelijkheden om bij hun ouders op te groeien meegewogen?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen welk numeriek effect de regering verwacht van het beperken van de nareismogelijkheden tot het kerngezin. Welke cijfers uit het verleden gebruikt de regering als onderbouwing voor deze maatregel?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoe de regering het verantwoordt dat de beperking tot het kerngezin en daarin tot gehuwde personen discriminatoir kan uitpakken, zoals de Afdeling benoemt. Het gaat om stellen die ongehuwd zijn maar wel bestendig samenleven. Voornoemde benoemen expliciet de stellen die niet kunnen trouwen voor de wet, omdat er bijvoorbeeld sharia-wetgeving geldt in het land van herkomst of omdat het stel alleen voor de kerk is getrouwd.

Kan de regering aan de leden van de VOLT-fractie aangeven hoe dit wetsvoorstel niet leidt tot discriminatie (artikel 14 EVRM), wegens het ontbreken van een rechtvaardiging voor het onderscheid tussen verschillende groepen bij het wel of niet verlenen van een mogelijkheid tot gezinshereniging?

Hoelang zijn gezinsleden door de huidige lengte van de asiel- en nareisprocedure van elkaar gescheiden en hoeveel jaar komt daar nog bij als ook een wachttermijn voor subsidiair beschermden wordt ingevoerd, zo vragen de leden van de VOLT-fractie. Welke effect zal dit hebben op de gezinsleden die wachten in moeilijke en gevaarlijke omstandigheden in het land van herkomst? Wat zal het effect zijn op de integratie van statushouders? Wat is het gevolg voor de diplomakansen van vluchtelingenkinderen als zij op veel latere leeftijd starten met Nederlands onderwijs?

3. Verhouding tot hoger recht

De leden van de SP-fractie constateren dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ook voorziet dat bepaalde zaken in de wet mogelijk achteraf moeten worden bijgewerkt als het EU asiel- en migratiepact wordt geïmplementeerd en dat dit zal leiden tot meer kosten maar ook veel verwarring in de uitvoering. Hoe schat de regering dit in? Is het mogelijk dat de IND bijvoorbeeld een korte tijd met deze nieuwe wetgeving moet werken alvorens de werkinstructies opnieuw moeten worden aangepast vanwege het asiel- en migratiepact? En op welke onderdelen verwacht de regering dit? Is de regering bereid om in navolging van het advies van de Afdeling bestuursrechtspraak van Raad van State een overzicht te geven van de meest relevante punten van het pact die van invloed zijn op deze wetgeving?

Kan de regering aan de leden van de VOLT-fractie uitleggen hoe de cumulatie van vereisten voor gezinshereniging zich verhoudt tot artikel 8 EVRM en het Kinderrechtenverdrag met betrekking tot het voldoen aan de eisen van hoger recht? Kan de regering daarbij ook garanderen dat hiermee geen disbalans ontstaat tussen de wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht?

3.1 Gezinsherenigingsrichtlijn

De beoogde wachttermijn van twee jaar voor nareis van subsidiair beschermden, vangt met het onderhavige wetsvoorstel aan op het moment van verkrijgen van een verblijfsvergunning. Dit wijkt af van de Gezinsherenigingsrichtlijn. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat de regering hierbij verwijst naar het feit dat dat de Gezinsherenigingrichtlijn niet van toepassing hoeft te zijn op subsidiair beschermden, maar gaat totaal niet op de proportionaliteit van deze maatregel in. Kan de regering aangeven wat op dit moment de wachttermijn is voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning asiel? En kan de regering aanvullend aangeven of het proportioneel is om dan pas de wachttermijn aan te laten vangen? Erkent de regering dat de subsidiair beschermden niet verantwoordelijk is voor de wachttermijn bij het verkrijgen van een verblijfsvergunning asiel? Kan de regering aangeven wat de te verwachten effecten zijn van deze maatregelen op de integratie van nieuwkomers?

De regering stelt dat de Gezinsherenigingsrichtlijn slechts van toepassing is op vluchtelingen, zo constateren de leden van de NSC-fractie. Kan de regering bevestigen dat subsidiair beschermden in de praktijk geheel buiten de werking van de Gezinsherenigingsrichtlijn worden geplaatst? Moet dit nog expliciet worden vermeld in dit wetsvoorstel?

Is onderzocht in hoeverre het arrest van het Hof van Justitie in de zaak K. & B. gevolgen heeft voor het huidige voorstel, vragen de leden van de NSC-fractie. Acht de regering het voorstel voldoende bestendig tegen toetsing aan dit arrest, waarin het Hof oordeelde dat nationale bepalingen de toegang tot gezinshereniging niet onevenredig mogen beperken?

Hoe waarborgt de regering dat het stelsel, zoals voorgesteld, geen systematische obstakels opwerpt die zodanig afbreuk doen aan het recht op gezinsleven dat zij juridisch zeer kwetsbaar worden? In hoeverre is afstemming gezocht met andere lidstaten die eerder vergelijkbare regelingen hebben ingevoerd, zoals Duitsland of Zweden, en wat waren de juridische lessen daaruit?

De leden van de DENK-fractie constateren met zorg dat in het wetsvoorstel en de bijbehorende memorie van toelichting geen enkele aandacht wordt besteed aan de wijze waarop het belang van het kind is meegewogen bij het opstellen van de voorgestelde aanvullende voorwaarden voor nareis van gezinsleden van subsidiair beschermden. Deze leden wijzen erop dat dit een verwijtbare nalatigheid vormt, vooral omdat bij gezinshereniging in veel gevallen het minderjarige kinderen betreft die gescheiden zijn van (één van) hun ouders. Kan de regering hierop reageren?

De leden van de DENK-fractie vragen de regering op welke wijze bij de voorbereiding van het wetsvoorstel het belang van het kind is geïnventariseerd en betrokken. Kan de regering toelichten waarom hierover niets is opgenomen in de memorie van toelichting? Acht de regering het verenigbaar met het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK), artikel 24 van het EU-Handvest van de grondrechten, en artikel 8 van het EVRM dat het belang van het kind niet kenbaar is meegewogen bij de totstandkoming van de wet?

Is de regering van mening, zo vragen de leden van de DENK-fractie, dat het stellen van een wachttijd van twee jaar, in combinatie met inkomens- en huisvestingsvereisten, gerechtvaardigd is wanneer dit leidt tot langdurige scheiding van ouders en kinderen, gelet op het feit dat deze familieleden zich vaak bevinden in noodsituaties in hun thuisland en er een reëel risico bestaat indien zij niet het land tijdig verlaten? Hoe wordt in de uitvoeringspraktijk geborgd dat het belang van het kind in dergelijke gevallen daadwerkelijk zwaar weegt, en welke ruimte is er voor individuele afweging?

De leden van de SGP-fractie vragen of met invoering van deze maatregelen de maximale ruimte binnen de Gezinsherenigingsrichtlijn en het te implementeren EU asiel- en migratiepact wordt benut. Welke eventuele aanvullende mogelijkheden biedt de Europese wet- en regelgeving op dit punt nog?

De leden van de SGP-fractie vragen daarnaast welke voorwaarden andere lidstaten, zoals België, Duitsland, Zweden en Denemarken, stellen aan gezinshereniging, bijvoorbeeld ten aanzien van de wachttijd, het inkomen, huisvesting of een quotum.

De leden van de SGP-fractie lezen dat na inwerkingtreding van de wet meereizende partners en meerderjarige kinderen nog altijd in aanmerking blijven komen voor een afgeleide asielvergunning. Vloeit dit voort uit Europese regelgeving of is dit een keuze van deze regering, en wat is daarvan dan de reden?

3.2 EVRM

Hoe ziet de ambtshalve toets op artikel 8 EVRM er doorgaans uit bij de IND, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie. Heeft de IND de capaciteit om deze ambtshalve toets bij mogelijk een grotere groep toe te passen?

Kan de regering aan de leden van de NSC-fractie toelichten hoe ambtshalve wordt getoetst op het recht op eerbiediging van het gezinsleven zoals neergelegd in artikel 8 EVRM en nader expliciteren in welke gevallen alsnog een recht op gezinshereniging wordt gezien? In welke gevallen zou de belangenafweging tussen staat en vreemdeling in het voordeel van de vreemdeling vallen? Graag ontvangen voornoemde leden een aantal voorbeelden waar dit wel, en waar dit niet zou leiden tot een recht op nareis.

Voorts vragen de leden van de NSC-fractie of uit de bestaande jurisprudentie een toetsingskader is vast te stellen. Is overwogen om binnen het bestuursrecht zelf een toetsingskader op te nemen voor belangen van gezinsleden die buiten het kerngezin vallen, bijvoorbeeld aan de hand van criteria uit jurisprudentie van het EHRM? Hoe waardeert de regering het risico dat, mede door het ontbreken van zo’n toetsingskader, de uitvoeringspraktijk op gespannen voet kan komen te staan met vaste jurisprudentie over de noodzakelijke belangenafweging onder artikel 8 EVRM?

Verwacht de regering een stijging van het aantal verzoeken tot voorlopige voorziening of spoedprocedures bij rechtbanken in verband met artikel 8-zaken, zo vragen de leden van de NSC-fractie. Hoeveel extra zaken worden verwacht en is hier rekening mee gehouden in de uitvoeringscapaciteit van IND en Rechtspraak?

De leden van de NSC-fractie leggen een aantal scenario’s voor aan de regering.

Scenario 1: Subsidiair beschermde met lopende nareisaanvraag vóór inwerkingtreding.

In hoeverre kan de toepassing van het nieuwe regime op reeds lopende aanvragen als rechtmatig worden beschouwd, mede in het licht van het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel? Ziet de regering hierin een onderscheid tussen aanvragen waarvan de beslistermijn reeds is verstreken, en aanvragen waarbij dat niet het geval is? In hoeveel gevallen van de lopende aanvragen voor nareis is die termijn verstreken? Wordt in deze situatie ambtshalve een belangenafweging gemaakt op basis van artikel 8 EVRM, indien de aanvraag onder het nieuwe regime niet voldoet aan de voorwaarden en op welk moment wordt deze toets gedaan? Hoe is de bezwaarprocedure ingericht indien de betrokkene meent dat de nieuwe regeling ten onrechte wordt toegepast op zijn lopende aanvraag? Wordt dit door een afzonderlijk toetsingsmoment of standaard in bezwaar afgevangen?

Scenario 2: Statushouder voldoet na twee jaar niet aan inkomenseis maar wil graag gezinsleden laten nareizen.

Wordt de beoordeling van de nareisaanvraag in deze gevallen voorafgegaan door een toets aan het recht op gezinsleven (artikel 8 EVRM), met name indien sprake is van minderjarige kinderen? Hoeveel tijd neemt zo’n ambtshalve toets in beslag? Welke beleidsregels of IND-instructies zijn beschikbaar om het evenredigheidsbeginsel te waarborgen bij afwijzing op formele gronden? Wordt er in de beschikking expliciet gemotiveerd waarom artikel 8 EVRM niet tot een andere uitkomst leidt, indien het verzoek wordt afgewezen? Hoe wordt in bezwaar of beroep beoordeeld of de aanvrager zich voldoende heeft ingespannen om aan de voorwaarden te voldoen? Indien de afwijzing standhoudt, zijn er mogelijkheden voor hernieuwde beoordeling bij gewijzigde omstandigheden (bijvoorbeeld werk of huisvesting binnen afzienbare termijn)? Indien de achtergebleven gezinsleden, om niet te wachten tot de subsidiair beschermde aan de voorwaarden heeft voldaan, zelfstandig naar Nederland proberen te reizen om een zelfstandig asielverzoek te doen, maar worden aangemerkt als Dublinclaimanten omdat zij in een andere EU-lidstaat op de route zijn geregistreerd, moeten zij dan alsnog worden teruggestuurd naar het betreffende EU-land om de procedure daar te verlopen en mogen zij niet in Nederland blijven?

Scenario 3: Asielzoeker ontvangt subsidiaire status, procedeert voor vluchtelingenstatus ten behoeve van nareis.

Op welke wijze borgt de regering dat de motiveringsvereisten uitvoerbaar blijven en aansluiten bij de eisen van de bestuursrechter indien een vreemdeling met subsidiaire bescherming in beroep gaat om een A-status te verkrijgen? Wordt dan de gehele verblijfsvergunning heroverwogen of slechts het deel dat ziet op de statusgrond? Bestaat de mogelijkheid dat dit leidt tot een domino-effect, waarbij betrokkene opnieuw moet worden gehoord, en mogelijk opnieuw een nareisprocedure moet worden gestart? Hoe wordt dit in de uitvoeringspraktijk opgevangen? Ziet de regering het risico dat de wet leidt tot een juridiseringsslag waarbij inhoudelijk kansarme procedures enkel worden voortgezet met het oog op het verkrijgen van betere nareisrechten? Welke maatregelen worden genomen om zeer kansarme procedures te ontmoedigen? Welke juridische bijstand wordt verleend aan vreemdelingen die in beroep willen gaan tegen een B-status, of tegen een afwijzing van het verzoek tot gezinshereniging, of die een procedure willen beginnen op grond van artikel 8 EVRM? Hoe wordt deze juridische bijstand gefinancierd? Wordt overwogen om in dergelijke gevallen bij voorbaat duidelijk te communiceren dat betrokkene op grond van subsidiaire bescherming géén recht heeft op gezinshereniging, tenzij aan de aanvullende voorwaarden is voldaan? Hoe wordt dit momenteel in de beschikking of bij het voornemen gecommuniceerd?

De leden van de DENK-fractie constateren dat meerdere instanties waarschuwen dat dit voorstel zal tornen aan fundamentele mensenrechten van asielzoekers. Zo stelde de NOvA dat de beperking van nareis en langdurige scheiding van gezinsleden kan leiden tot: discriminatie, zoals gesteld in artikel 14 van het EVRM wegens het ontbreken van een rechtvaardiging voor het onderscheid tussen verschillende groepen bij het wel of niet verlenen van een mogelijkheid tot gezinshereniging, schending van het recht op gezinsleven, artikel 8 EVRM, en onvoldoende waarborging van de belangen van kwetsbare mensen, waaronder kinderen.

Hoe reageert de regering op deze beweringen door de NOvA dat haar wetsvoorstellen indruisen tegen meerdere bepalingen uit het EVRM? Op welke wijze waarborgt de regering dat de invoering van dit wetsvoorstel niet zal leiden tot een feitelijke verslechtering van de bescherming en rechten van vluchtelingen tot een niveau dat onder de minimumnormen van Europese en internationale verdragen ligt?

Op grond van jurisprudentie van het EHRM, het arrest MA t. Denemarken, is het aannemelijk dat het invoeren van twee jaar wachttijd voor gezinshereniging voor subsidiair beschermden in combinatie met de lange duur van asielprocedures en een aanvullend huisvestings- en middelenvereiste schending van het recht op familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM kan opleveren.

Is de regering bekend met dit arrest, zo vragen de leden van de DENK-fractie. Acht de regering, gelet op het arrest MA t. Denemarken van het EHRM, het invoeren van twee jaar wachttijd voor gezinshereniging voor subsidiair beschermden – zoals voorgesteld in artikel 29a, tweede lid, onderdeel a, Vreemdelingenwet 2000 – verenigbaar met artikel 8 van het EVRM?

De leden van de VOLT-fractie vragen of de IND bij alle afwijzingen van een nareisaanvraag een artikel 8 EVRM-afweging zal maken of dat de statushouder daarvoor een aparte aanvraag moet indienen. Moeten er leges voor een dergelijke aanvraag betaald worden? Zo ja, hoeveel?

4. Financiële- en uitvoeringsgevolgen

De leden van de D66-fractie zijn verbaasd dat de regering in de memorie van toelichting zo beperkt ingaat op de samenhang van deze wet tot de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en Migratiepact 2026. Deze leden vragen waarom de regering heeft gekozen voor het behandelen van het wetsvoorstel Wet invoering tweestatusstelsel voorafgaand aan de wet voor de implementatie van het asiel- en migratiepact. Kan de regering deze leden verzekeren, dat de invoering van het Europees Pact er niet toe gaat leiden dat de Wet invoering tweestatusstelsel vervolgens weer moet worden aangepast? Kan de regering uitgebreid en per maatregel toelichten op welke onderdelen de Asielnoodmaatregelenwet, de Wet invoering tweestatusstelsel en de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en Migratiepact 2026 elkaar aanvullen, waar het botst en hoe de regering ervoor gaat zorgen dat dit elkaar in de uitvoering niet bijt, zo vragen zij.

Hoe reageert deze regering, zo vragen de leden van de D66-fractie, op de herhaalde oproepen vanuit experts en uitvoeringsorganisaties, dat het verstandiger is om de wet voor de implementatie van het EU asiel- en migratiepact eerder dan of gelijk met deze wet in te voeren.

De leden van de D66-fractie vragen de regering om, bij ontbreken van relevante uitvoeringstoetsen per relevant uitvoeringsorgaan een inschatting te maken van de extra belasting in uren en de extra besparing in uren van deze wet. Zij vragen de regering hierbij specifiek ook aandacht te schenken aan de 12.000 extra beroepszaken die de Rvdr verwacht door de implementatie van de Wet invoering tweestatusstelsel.

De leden van de D66-fractie lezen bovendien dat in 2025 een evaluatie van de daadwerkelijke kostenontwikkeling zal plaatsvinden en dat deze mogelijk kan leiden tot een bijstelling van de gevraagde middelen. Wanneer zal deze evaluatie met de Kamer worden gedeeld, zo vragen deze leden. En kan de regering toezeggen dat deze evaluatie wordt gedeeld voor de plenaire behandeling van het wetsvoorstel?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen waar de vijf miljoen euro bij het ministerie van Asiel en Migratie aan kosten uit bestaan.

Daarnaast vragen de leden van de ChristenUnie-fractie de regering vanaf wanneer zij verwacht dat de instroom zal afnemen en de bijbehorende kosten en benodigde capaciteit zullen dalen. Deze leden denken niet dat een substantiële daling in 2026 te verwachten is. Als zij gelijk hebben, is de regering dan bereid om de raming voor de begroting van het ministerie van Asiel en Migratie voor het jaar 2026 ook bij te stellen en voldoende financiële middelen te reserveren?

De leden van de ChristenUnie-fractie tellen de geraamde bedragen bij elkaar op en komen op structureel minstens 100 miljoen euro die nodig is voor de Rechtspraak en de IND. Reserveert de regering minimaal dit bedrag structureel voor beide organen?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering te reageren op de uitspraak van de IND dat de uitvoering netto meer werkdruk zal veroorzaken in plaats van minder. Hoe verhoudt zich dit tot de doelstelling van de regering om de asielketen te ontlasten? Erkent de regering dat de doelstelling van deze en de andere asielwet daarmee niet gehaald kunnen worden?

4.1 Tweestatusstelsel

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat geschat wordt dat 75% van de vreemdelingen met de subsidiairebeschermingsstatus in beroep zal gaan tegen de inwilligende beschikking, indien er strengere voorwaarden gaan gelden voor de nareis van gezinsleden van deze statushouders. Wat is de inschatting van de regering wat betreft het percentage dat in het gelijk wordt gesteld door de rechter? Kan de regering hierbij vervolgens in hoger beroep en is zij voornemens dit standaard te doen? Zo ja, wat zijn de kosten hiervan en hoeveel mensen zullen dan uiteindelijk dan toch een vluchtelingenstatus krijgen? Met hoeveel behandelzaken per jaar neemt de productiviteit af van de IND als gevolg van het feit dat het uitgebreider moeten motiveren waarom aan de vreemdeling niet de vluchtelingenstatus wordt verleend?

De regering stelt dat er 120 tot 279 extra fte nodig is voor de uitvoering van het stelsel, zo constateren de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie. Hoe snel verwacht de regering dit aantal fte te hebben geworven met het oog op de krappe arbeidsmarkt? Waarom is het in de lijn der verwachting dat de uiteindelijke persoonskosten hoger zullen uitvallen en hoeveel hoger zou dit kunnen zijn?

De leden van de NSC-fractie lezen in memorie van toelichting en de adviezen van onder meer IND, COA en de Rvdr dat aanzienlijke extra druk op de uitvoering wordt voorzien. Deze leden vragen wat de totale verwachte kosten zijn voor IND, COA en Rechtspraak in de eerste vijf jaar na invoering van het wetsvoorstel, uitgesplitst in incidentele en structurele lasten. Is hiervoor structurele financiering beschikbaar gesteld in de begroting? Zo nee, op welke wijze wordt voorkomen dat ketenpartners met onvoldoende middelen de uitvoeringslast moeten opvangen? Hoeveel fte extra verwacht de regering nodig te hebben bij de IND, specifiek voor de motivering van het onderscheid tussen vluchteling en subsidiair beschermde, bezwaarprocedures en artikel 8 EVRM-zaken?

De Rechtspraak schat 46,8 miljoen euro structureel en 47,8 miljoen euro incidenteel nodig te hebben, zo constateren de leden van de NSC-fractie. Wordt dit bedrag volledig toegekend, en zijn er al maatregelen genomen om de capaciteit van vreemdelingenkamers uit te breiden?

De Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR) wijst op een structureel tekort aan rechters. Hoe gaat de regering om met het risico dat extra financiering onvoldoende zal zijn zonder beschikbaar personeel? Worden bijvoorbeeld zijinstromers versneld opgeleid?

De leden van de NSC-fractie vragen voorts of er een uitvoeringstoets of impactanalyse is gedaan voor dit wetsvoorstel, bijvoorbeeld door het CIO-Rijk of via de reguliere uitvoeringstoets van betrokken uitvoeringsinstanties. Zo ja, dan verzoeken zij om deze stukken met de Kamer te delen.

De leden van de D66-fractie wijzen op het voorbeeld van Duitsland, dat sinds 2016 een tweestatussenstelsel hanteert. Daaruit volgde een aanzienlijke stijging van het aantal rechtszaken, waarbij in 75% van de gevallen alsnog een vluchtelingenstatus werd toegekend aan mensen die aanvankelijk een subsidiaire status ontvingen. Deze leden vragen hoe de regering de situatie in Nederland inschat, en welke juridische en uitvoeringsconsequenties hiervan worden voorzien.

De leden van de CDA-fractie vragen de regering uitvoerig in te gaan op het advies van de IND om dit wetsvoorstel gelijktijdig met het EU asiel- en migratiepact te laten ingaan. Welke contra-adviezen heeft de regering van andere uitvoeringsorganisaties ontvangen of heeft de regering hier een eigenstandige opvatting over die ook vanuit de uitvoeringspraktijk onderbouwd is?

De leden van de CDA-fractie vragen de regering inzichtelijk te maken op welke wijze er overleg is geweest met de Rvdr en met welke uitkomst om de te verwachte toename van zaken binnen de rechtspraak op te vangen. Graag ontvangen deze leden ook een puntsgewijze reactie op de door de Rvdr d.d. 20 januari 2025 ingebrachte reactie waarin per onderdeel een inschatting staat van kosten die onderliggend wetsvoorstel tot gevolg heeft en in hoeverre de regering bereid is hierin te tegemoet te komen.

De regering heeft zelf al aangegeven de complexiteit van de asielketen te willen terugdringen, zo constateren de leden van de SP-fractie. Hoe moet deze wet in het licht van deze uitspraken worden gezien? Deelt de regering de mening dat deze regelgeving de uitvoering in ieder geval complexer zal maken?

De leden van de SP-fractie zien dat ook de IND zelf zorgen heeft over een aantal van de asielmaatregelen en de rechtsstatelijkheid ervan, waaronder het tweestatusstelsel. De IND constateert dat het wetsvoorstel Wet invoering tweestatusstelsel afwijkt van het wetsvoorstel Asielnoodmaatregelenwet voor wat betreft de meereizende partners en meerderjarige kinderen. Dit maakt de uitvoering ingewikkelder. Deelt de regering de constatering van de IND en waarom wordt er niet gewacht tot aansluiting op het asiel- en migratiepact als wel de directe aansluiting op de Asielnoodmaatregelenwet? De IND geeft aan geen inzicht te hebben in de werkdruk en kan ook niet de belofte doen dat dit uitvoerbaar is voor de IND. Wat zegt dit volgens de regering over de effectiviteit van de wetgeving?

De leden van de SP-fractie zien dat er vanuit de Rechtspraak is gewaarschuwd dat vrijwel iedere asielzoeker gaat doorprocederen voor een betere status met meer rechten. Wat zijn de financiële gevolgen waarmee de regering rekening houdt en wat zijn de verwachte werkdrukgevolgen voor bijvoorbeeld de Rechtspraak maar ook de IND? Erkent de regering ook dat het niet alleen een financiële kwestie is en dat geld niet alles oplost, omdat soms de mensen er gewoonweg niet zijn om het werk te doen en het te lang duurt deze mensen goed op te leiden?

Uit de memorie van toelichting blijkt dat deze wet erop toeziet om de druk op de asielketen te verlichten, zo constateren de leden van de DENK-fractie. Echter waarschuwt de IND dat de al hoge werkdruk met deze wetsvoorstellen nog vele malen hoger zal worden. Zij waarschuwen dat deze druk nog hoger kan worden omdat mogelijk de asielaanvragen van 70.000 Syriërs opnieuw beoordeeld moeten worden. Daarnaast volgen wellicht 120.000 nieuwe aanvragen van Oekraïners als hun tijdelijke bescherming stopt.8 Kan de regering hierop reageren?

Voor de IND en de Rechtspraak is een totaalbedrag van 115 miljoen euro vrijgemaakt voor de realisatie van de wetten. Er is 101,8 miljoen euro gereserveerd voor de Wet invoering tweestatusstelsel en 13,3 miljoen euro voor de Asielnoodmaatregelenwet. Volgens de IND is dit bedrag ontoereikend om hun werk goed te blijven doen. Zij stellen dat hiervoor meerjarige stabiele financiering nodig is. Deelt de regering deze opvatting?9 Is de regering bereid om de IND deze meerjarige stabiele financiering te bieden? Zo ja, hoe zal zij dit doen? Zo nee, waarom niet, zo vragen de leden van de DENK-fractie.

Erkent de regering dat met het invoeren van het tweestatusstelsel dezelfde uitvoeringscomplicaties zullen optreden die in Nederland al praktijk waren tot 2001, toen Nederland nog een tweestatusstelsel had? Op welke manier zijn de argumenten die golden om het tweestatusstelsel af te schaffen momenteel niet meer van toepassing? Welke maatregelen treft de regering om de uitvoeringsgevolgen te mitigeren, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie.

Erkent de regering dat de extra werklast die de Rechtspraak en de IND verwachten niet volledig op te lossen is met extra geld? Is het voor de regering ook duidelijk dat er veel meer personeel nodig is om dit wetsvoorstel uit te voeren, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie. Ligt het niet in lijn der verwachting dat, vanwege personeelstekorten in heel Nederland, de wacht- en doorlooptijden van de Rechtspraak en de IND flink zullen oplopen met dit wetsvoorstel? Wat lost deze maatregel dan op?

4.2 Aangescherpte nareisvereisten

In hoeverre is bij het opstellen van het wetsvoorstel rekening gehouden met de toegang tot effectieve rechtsbescherming voor personen die onder het nieuwe regime vallen, zo vragen de leden van de NSC-fractie. Wordt geborgd dat vreemdelingen tijdig en adequaat geïnformeerd worden over hun rechtspositie en beschikbare rechtsmiddelen? Is voorzien in specifieke waarborgen voor kwetsbare groepen, zoals alleenstaande minderjarige vreemdelingen of personen met verstandelijke beperkingen, om toegang tot bezwaar en beroep niet alleen theoretisch maar ook feitelijk te garanderen?

Kan de regering aan de leden van de NSC-fractie toelichten hoe wordt omgegaan met situaties waarin betrokkene de nieuwe voorwaarden pas na afloop van de geldende beslistermijn ontvangt of begrijpt, mede in het licht van de versnelde afdoening van dossiers? Acht de regering het wenselijk om in het overgangsjaar na inwerkingtreding van de wet extra middelen vrij te maken voor juridische ondersteuning en rechtsbijstand, gelet op het risico van juridisering en verhoogde rechtsvraag?

De leden van de CDA-fractie vragen de regering een nadere toelichting te geven op bijgaande passage in deze alinea uit de memorie van toelichting: “Het komt voor dat nareizigers na aankomst in Nederland een zelfstandige aanvraag voor een verblijfvergunning asiel indienen, omdat deze een sterker verblijfsrecht geeft dan een zogenoemde nareisvergunning, die slechts geldig blijft zolang zij tot het (kern)gezin behoren. Als gevolg van de maatregelen ter beperking van de nareismogelijkheden zullen naar verwachting minder van dergelijke zelfstandige aanvragen worden ingediend, hetgeen de IND enigszins ontlast.” Voornoemde leden vragen de regering om uit te leggen hoe deze aanvraag met onderhavig wetsvoorstel onmogelijk gemaakt wordt. Op basis van welke juridische grond kan een dergelijke aanvraag afgewezen worden?

Daarnaast geeft de regering vervolgens na bovenstaande passage aan dat: “Daarbij echter ook rekening [moet] worden gehouden met de mogelijkheid dat afgewezen gezinsleden trachten zelfstandig naar Nederland te reizen om een zelfstandige asielaanvraag in te dienen”. De leden van de CDA-fractie vragen de regering of zij een getalsmatige of procentuele inschatting heeft gemaakt hoe vaak men verwacht dat dit zal voorkomen in de toekomst. Bestaat daarnaast ook niet, zo vragen deze leden de regering, de mogelijkheid dat er minder nareisverzoeken worden aangevraagd maar dat gezinsleden zich zelfstandig melden met een individueel asielverzoek en pas later in de procedure blijkt dat er sprake is van een familierelatie? Of is hiervoor geen juridische grond op basis van dit wetsvoorstel en de geldende asielprocedure? Graag ontvangen de aan het woord zijnde leden een toelichting op de praktische toepassing hiervan.

De leden van de DENK-fractie constateren dat de Rvdr stelde dat zij in het eerste jaar na invoering van deze wetsvoorstellen hun extra kosten ramen op 47,8 miljoen euro in het eerste jaar en 46,8 miljoen euro structureel per jaar daarna. Kan de regering toelichten op welke wijze zij voornemens is de Rechtspraak structureel en incidenteel financieel te compenseren voor de substantiële stijging van de werklast die uit het wetsvoorstel voortvloeit, mede gelet op de door de Rvdr geraamde extra kosten van 47,8 miljoen euro in het eerste jaar en 46,8 miljoen euro structureel per jaar daarna? Hoe verhoudt zich deze toenemende financiële druk tot de bestaande begroting van de Rechtspraak, en welke garanties worden geboden dat dit niet ten koste gaat van de kwaliteit en tijdigheid van rechtspraak?

5. Ontvangen adviezen

De leden van de PVV-fractie lezen dat volgens de NOvA de invoering van het tweestatusstelsel zou leiden tot discriminatie. Kan de regering bevestigen dat het wetsvoorstel volledig in lijn is met Europese wetgeving en er dus geen sprake kan zijn van discriminatie, zeker nu veel andere Europese landen soortgelijke wetgeving kennen?

In het advies van de IND wordt gewezen op risico’s bij het ontbreken van een aanpassing van artikel 1.27 Vreemdelingenbesluit 2000, zo constateren de leden van de NSC-fractie. Kan de regering bevestigen of, en zo ja op welke wijze, dit aandacht krijgt in de lagere regelgeving?

Indien geen overgangsrecht wordt geboden en alle vreemdelingen met subsidiaire bescherming een artikel 8 EVRM procedure starten, hoeveel tijd en capaciteit zou dat vergen van de IND enerzijds en anderzijds van de Rechtspraak, zo vragen de leden van de NSC-fractie. Is hiervoor een analyse verricht?

De leden van de NSC-fractie constateren dat de regering stelt dat met elke vorm van eerbiedigende werking de wet gedurende langere tijd geen meerwaarde zou hebben. Hoe lang zou de wet geen meerwaarde hebben, indien overgangsrecht zou worden toegepast voor aanvragen waarvan de beslistermijn is verstreken?

De leden van de NSC-fractie lezen dat de IND aangeeft dat het cumulatieve effect van de nareisvoorwaarden maakt dat veel aanvragers er niet aan zullen kunnen voldoen en dat dit in het licht van het evenredigheidsbeginsel veel gaat vragen met betrekking tot de motivering van besluiten, “zeker nu de formulering van het wetsvoorstel geen ruimte lijkt te bieden om in daartoe aangewezen gevallen van die voorwaarden af te kunnen wijken”. Op welke manier kan ruimte worden geboden om in aangewezen gevallen van die voorwaarden af te wijken, om de huidbaarheid en uitvoerbaarheid van deze regels te vergroten? Hoe staat de regering daartegenover?

De NOvA wijst erop dat “de wet een mogelijkheid [mist] om in schrijnende gevallen af te wijken van de beperking van gezinshereniging”. De leden van de NSC-fractie zijn van mening dat alle wetgeving een hardheidsclausule en/of mogelijkheid om af te wijken van de regels bij zeer schrijnende omstandigheden zou moeten kennen. Op welke manier zou dit in de wetgeving kunnen worden geborgd?

De leden van de D66-fractie vragen hoe wordt omgegaan met personen die al langer dan de wettelijke beslistermijn van zes maanden wachten op een beslissing over gezinshereniging, en die bij inwerkingtreding van de wet onmiddellijk onder het nieuwe regime vallen. Zij vragen hoe deze overgang zich verhoudt tot het beginsel van rechtszekerheid en tot het beeld van een betrouwbare overheid.

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de prangende vraag van de IND om de implementatie van dit wetsvoorstel samen te trekken met de implementatie met het EU asiel- en migratiepact, gezien de grote impact die beide wetten met zich mee zullen brengen voor hun werkzaamheden. Deze leden delen de zorgen dat wanneer de IND twee keer vlak achter elkaar alles om moet gooien, dit onverantwoorde druk op de uitvoering zal leggen. Zij vragen de regering daarom dit advies op te volgen en het tweestatusstelsel niet eerder in te laten gaan dan de implementatie van het asiel- en migratiepact.

De leden van de CDA-fractie lezen in de adviezen van de Rvdr, Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de NOvA dat er een vanzelfsprekendheid lijkt te bestaan in de verwachting dat vreemdelingen na het verkrijgen van de subsidiaire bescherming doorprocederen voor het verkrijgen van de (sterkere) vluchtelingenstatus. Kan de regering hierover een reflectie geven waarom dat in onze Nederlandse rechtscultuur vanzelfsprekend zou zijn? Deze leden zouden dit een zorgelijke ontwikkeling vinden als we dit als vanzelfsprekend zouden gaan vinden. Is dat in andere EU-lidstaten ook het geval? Klopt het dat 87% van de aangevochten IND-besluiten in stand blijft?

De leden van de CDA-fractie vragen de regering in hoeverre de aanpassingen uit de Asielnoodmaatregelenwet over efficiëntere behandeling (herhaalde) aanvragen van toepassing is op de aanvraag voor een (sterkere) vluchtelingenstatus. Kan de regering aangeven hoe de juridische procedure van een dergelijk verzoek voor een vluchtelingenstatus verloopt? Is dit een procedure als een beroep op de verleende subsidiaire bescherming of kan een vreemdeling een half jaar na het verkrijgen van de subsidiaire bescherming opnieuw een aanvraag indienen die ziet op het verkrijgen van de vluchtelingenstatus?

De leden van de CDA-fractie kregen bij eerder genoemd rondetafelgesprek vanuit de IND een klip en klaar antwoord op de vraag of het huidige artikel 1.27 van het Vreemdelingenbesluit genegeerd kan worden. Deelt de regering deze juridische inschatting van de IND? Zo ja wat betekent dit dan voor de voorliggende wet? Zo nee, hoe kan artikel 1.27, dat stelt: ‘De aanvraag, bedoeld in artikel 1.24, eerste lid, wordt getoetst aan het recht dat gold op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen, tenzij uit de Wet anders voortvloeit of het recht dat geldt op het tijdstip waarop de beschikking wordt gegeven, voor de vreemdeling gunstiger is’ met terugwerkende kracht genegeerd dan wel aangepast en toegepast worden? Kan de regering hiervoor een sluitende juridische onderbouwing geven? En is de regering dit ook van plan om toe te passen, inclusief de nieuwe nareiscriteria voor subsidiair beschermden, op alle nareisverzoeken die er nu reeds langere tijd liggen (en waarin van sommigen de wettelijke beslistermijn al is verstreken) en waarover door capaciteitsgebrek bij de IND nog niet is besloten?

De leden van de CDA-fractie vragen de regering te reageren op de door de IND onder de aandacht gebrachte uitspraak van het Hof van Justitie dat ziet op de vraag of nieuwe wetgeving ook van toepassing is op lopende aanvragen (HvJ d.d. 12 april 2018, C-550/16, JV

2018/91). Waarom is de regering van mening dat hiertoe toch de juridische ruimte bestaat?

Daarbij schrijft de regering, op bladzijde 14 van de memorie van toelichting, dat artikel 1.27 van het Vreemdelingenbesluit 2000 zo nodig wordt aangepast. De leden van de CDA-fractie vragen de regering hierover nu reeds duidelijkheid te verschaffen en hier niet mee te wachten tot na de behandeling van onderhavige wet.

De leden van de CDA-fractie vragen de regering om op alle zeven punten uit het IND-advies van d.d. 27 november 2025 bladzijde 2 afzonderlijk te reageren.

De leden van de CDA-fractie zijn daarbij in het bijzonder geïnteresseerd in de oproep van de IND om over te gaan tot een beleidsstop. Kan de regering aangeven op welke beleidswijzigingen, naast de twee voorliggende wetten en het asiel- en migratiepact, de IND doelt?

De leden van de CDA-fractie vragen de regering inzicht te geven hoeveel tijdelijke asielvergunningen er op dit moment (per 1 januari 2025) nog geldig zijn voor Syrische vluchtelingen

Kan de regering de leden van de CDA-fractie een juridische toelichting geven op het door de IND uitgebrachte advies en in het rondetafelgesprek genoemde feit dat de invoering van het EU asiel- en migratiepact het sowieso mogelijk maakt om door te procederen voor een sterkere status? Wat is de juridische verandering die dit mogelijk maakt en zijn daar dan ook nog in het EU asiel- en migratiepact eisen of beperkingen aan gesteld?

Klopt het, zo vragen de leden van de CDA-fractie, dat de invoering van het EU asiel- en migratiepact ook al tot gevolg heeft dat aanvragen tot 12 juni 2026 conform het nu geldende EU-recht moeten worden afgedaan en na die datum conform het nieuwe EU asiel- en migratiepact? En zo ja, dan is hiermee er toch al sprake van een duaal stelsel zo lang alle oude aanvragen nog niet zijn verwerkt? En wat maakt dat de regering er niet voor kiest om vanuit uitvoerbaarheid voor alle nareisvereisten t.g.v. tweestatusstelsel dit te laten gelden en daarmee invoering van dit wetsvoorstel ook op 12 juni 2026 te laten plaatsvinden?

De leden van de CDA-fractie vragen de regering toe te lichten in hoeverre de zorg van de IND zoals verwoord op bladzijde 3 (laatste alinea) van haar advies d.d. 27 februari 2025 nog steeds van toepassing is of aan te geven dat de regering deze omissie inmiddels heeft opgelost. En zo nee, op welke wijze zou dit in de wet vragen om aanpassing?

De leden van de CDA-fractie vragen de regering een inschatting te maken van het effect van herbeoordeling van Syrische vluchtelingen met een tijdelijke asielvergunning op de werklast van de IND, en dit ook te doen voor de situatie waarin de ontheemdenstatus van Oekraïners afloopt en deze Oekraïners aanspraak doen op asiel in Nederland.

De leden van de ChristenUnie-fractie betreuren het ten zeerste dat er maar een week is uitgetrokken voor consultatie van de Rvdr, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de NOvA en de IND, en dat de consultatie vanuit de regering tot deze organisaties is beperkt. Deze leden lezen in de memorie van toelichting dat alle adviezen, ook de ongevraagde adviezen, zijn betrokken in de memorie van toelichting en het nader rapport. Heeft de regering ook essentiële zaken gewijzigd na de adviezen of zijn deze alleen van een reactie voorzien? Ten aanzien van het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State (de Afdeling) hechten de leden van de ChristenUnie-fractie er erg aan dat dit serieus wordt genomen en goed onderbouwd wordt als het advies niet wordt overgenomen. Het verbaast deze leden dan ook zeer dat met een dictum C-advies de memorie van toelichting slechts op marginale onderdelen is aangepast. De fundamentele kritiek die de Afdeling heeft op het wetsvoorstel, namelijk dat effectiviteit, proportionaliteit en rechtsstatelijkheid niet voldoende zijn aangetoond, is wat deze leden betreft niet voldoende weerlegd. Heeft de regering overwogen de wetstekst zelf ook aan te passen naar aanleiding van het advies van de Afdeling? Waarom niet?

De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in de beslisnota van 27 februari 2025 dat de ambtenaren geen onvoorwaardelijk positief ambtelijk advies kunnen geven over dit wetsvoorstel en het wetsvoorstel voor de Asielnoodmaatregelenwet vanwege de korte tijd die er was om de wet op te stellen. Door die korte doorlooptijd is het niet op alle onderdelen mogelijk de risico's goed in beeld te brengen. Is de regering van plan het advies op te volgen om de effecten in de tijd en in samenhang, gerelateerd aan onder meer de instroomcijfers nauwlettend te volgen? In diezelfde beslisnota lezen voornoemde leden dat de ambtenaren de minister niet positief kunnen adviseren over de effectiviteit, juridische houdbaarheid, uitvoerbaarheid en financiële gevolgen. Het is zorgelijk dat de regering ondanks een negatief ambtelijk advies doorgaat met een wetsvoorstel. Trekt de regering zich dit aan?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering om te reageren op het advies van de IND om het wetsvoorstel niet vooruitlopend op het asiel- en migratiepact in te voeren. Kan de regering aangeven waarom ze daar geen uitvoering aan geeft? Is de regering bereid om als de IND blijft aangeven dat invoering van de wet niet gaat voorafgaand aan de invoering van het asiel- en migratiepact, dit wetsvoorstel tegelijk met het asiel- en migratiepact in te laten gaan?

Waarom heeft de regering het ambtelijke advies om niet alle maatregelen op hetzelfde moment in te laten gaan naast zich neergelegd, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie.

De leden van de VOLT-fractie vragen of de regering kan aangeven waarom het opstellen van deze wetten langer heeft geduurd dan bij een normale procedure, terwijl een korte consultatieperiode is gehanteerd. Kan de regering toelichten waarom er is gekozen om haast te zetten achter de duur van de consultatieperiode en het (nog) niet inzetten van uitvoeringstoetsen, terwijl dit wel zou kunnen bijdragen aan een evaluatie van de werkbaarheid van de wet? Acht de regering de wet nu al werkbaar genoeg voor de uitvoeringsinstanties? De regering benoemt meermaals dat de druk op de asielketen ontstaan is door problematiek met meerdere facetten en daarom inzet in een breed pakket aan maatregelen. Kan de regering toelichten hoe dit wetsvoorstel kan aansluiten op andere voorgenomen maatregelen? Heeft de regering een overzicht van hoe dergelijke andere maatregelen is samenwerking met dit wetsvoorstel een verlichtende werking op de asielketen heeft?

Kan de regering toelichten waarom er geen focus is gelegd op het direct verlichten van de migratieketen, door grotere (financiële) inzet op de Uitvoeringsagenda Flexibilisering Asielketen, die kan bijdragen aan de versnelling van procedures en waar de uitstroom beter gereguleerd zou kunnen worden?10 Of door de asielopgave beter te organiseren in samenspraak met medeoverheden en uitvoeringsinstanties, zoals geadviseerd door de Adviesraad Migratie?11 Betekent dat dit er geprioriteerd is op het ‘hopelijk’ toekomstig ontlasten van de asielketen ten koste van huidige problematiek, zo vragen de leden van de VOLT-fractie.

OVERIG

In tientallen andere wetten en regelingen met betrekking tot rechten en plichten van vluchtelingen wordt verwezen naar de Vreemdelingenwet 2000 zoals nu vluchtelingen met één status zijn gedefinieerd, zo constateren de leden van de VOLT-fractie. Is gecontroleerd of dit in al die regelgeving nog op een goede manier gebeurt met invoering van het tweestatusstelsel?

Artikelgewijs deel

Artikel I (wijzigingen Vreemdelingenwet 2000)

De leden van de SGP-fractie vragen waarom expliciet aan artikel 29a, lid 1 is toegevoegd ‘aan de vreemdeling die geen verdragsvluchteling is’? Daarnaast vragen zij wat deze toevoeging concreet betekent voor de uitvoering.

Artikel II (samenloopbepaling)

In verschillende adviezen wordt door adviesorganen aangegeven dat er sprake zou zijn van aanpassingen van de Vreemdelingenwet 2000 op basis van deze wet die bij invoering van het EU asiel- en migratiepact weer ongedaan gemaakt zouden moeten worden. De leden van de CDA-fractie vragen de regering hiervan een duidelijk overzicht te verschaffen waar bijvoorbeeld de Afdeling op doelt in haar passage op bladzijde 18 (bovenaan) van haar advies.

In aanvulling hierop vragen de leden van de CDA-fractie de regering alsnog te reageren op het onderdeel van het advies van de Afdeling op bladzijde 18 waarin ze stelt: ‘Daarin worden de gronden voor asiel en de inperkingen van het recht op nareis verspreid over vijf wetsartikelen, terwijl het voorliggende wetsvoorstel dit regelt in twee artikelen’?

De leden van de CDA-fractie vragen de regering om uiteen te zetten op welke wijze de verhouding van de maatregelen in het wetsvoorstel en het asiel- en migratiepact al bij het Hoofdlijnenakkoord onder ogen is gezien. Deze leden zijn niet bekend met enig stuk dat op deze wijze aan de formatietafel is verstrekt tijden de onderhandelingen. Dit geldt eveneens voor de totstandkoming van het regeerakkoord.

De leden van de CDA-fractie vragen de regering dan ook om uiteen te zetten op welke wijze bij de totstandkoming van het regeerakkoord is meegewogen dat toen ook al door de IND werd aangegeven dat invoering van onderhavig wetsvoorstel vooruitlopend op het asiel- en migratiepact onuitvoerbaar zou zijn.

Artikel III (inwerkingtreding)

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen wat het oordeel van de regering is op het verzoek van de IND om de inwerkingtreding van het onderhavig wetsvoorstel tegelijkertijd te laten plaatsvinden met het asiel- en migratiepact. Kan de regering toelichten waarom de IND over iets meer dan een jaar wel in staat is om deze forse wijzigingen uit te voeren? Welke stappen heeft de IND als organisatie dan kunnen nemen? Op welke wijze hebben de aangekondigde bezuinigingen effect op deze stappen? Deze leden constateren dat het wetsvoorstel het mogelijk maakt dat de verschillende artikelen en onderdelen daarvan gedifferentieerd in werking treden. “Inwerkingtreding zal waar nodig pas aan de orde zijn wanneer de IND en andere relevante organisaties in staat zijn om uitvoering aan de desbetreffende maatregel te geven.”12 Is deze bepaling in de wet voldoende om het wetsvoorstel pas in juli 2026 in werking te laten treden? Zo nee, waarom niet?

De leden van de CDA-fractie vragen de regering met klem om de oproep van de IND ter harte te nemen om de invoering van onderhavig wetsvoorstel gelijk op te laten lopen met de invoering van het asiel- en migratiepact. Kan de regering deze leden garanderen dat de uitvoeringsorganisaties invoering van dit wetsvoorstel aan kunnen vooruitlopende op het asiel- en migratiepact? En zo ja, op welke adviezen is deze overtuiging gebaseerd? En kan de regering toelichten waarom, gelet op alle adviezen, de leden van de CDA-fractie deze adviezen naast zich neer zouden moeten leggen?

De leden van de CDA-fractie vragen op welke wijze de regering van plan is invulling te geven aan het bepaalde in artikel III en de oproep van de IND om hierover op een nader te bepalen moment te beslissen, ook afhankelijk van de stand van de uitvoering en de grote achterstanden die de IND op dit moment heeft.

De leden van de SP-fractie vragen of het klopt dat door de directe inwerkingtreding, vreemdelingen die een nareisaanvraag hebben ingediend in de wetenschap dat zij daar recht op hadden, als gevolg van het wetsvoorstel met een afwijzing worden geconfronteerd. Dit terwijl andere, gelijktijdig ingediende aanvragen kunnen worden ingewilligd in geval de minister daar vóór de inwerkingtreding van het wetsvoorstel op beslist. Deelt de regering de mening dat deze rechtsongelijkheid moet worden voorkomen? In ditzelfde kader: hoe wordt omgegaan met aanvragen om nareis waarin al een primair besluit is genomen, maar nog geen besluit op bezwaar? Is er altijd nog wel een mogelijkheid tot bezwaar? En hoe wordt dit gedaan bij huidige zaken omtrent een verblijfsvergunning asiel?

De leden van de SP-fractie constateren dat vrijwel alle organisaties zowel tijdens de consultatie als tijdens het rondetafelgesprek hun zorgen hebben geuit over tegelijkertijd de samenhang met het EU asiel- en migratiepact, maar ook de keuze van de regering om dit vervolgens niet tegelijkertijd te implementeren. Aangezien het EU asiel- en migratiepact pas halverwege 2026 geïmplementeerd is in Nederland, maar de voorliggende asielwetten al sneller zullen ingaan. De organisaties uitten hun zorgen over de druk op de medewerkers en de verdere capaciteit van de organisatie. Ook de IND was vocaal in het uiten van deze zorgen en voelde zich genoodzaakt in het rondetafelgesprek deze zorg te herhalen. Deze leden zouden graag een uitgebreide reactie willen van de regering op de keuze om deze maatregelen sneller in te voeren. Kan in een duidelijk overzicht inzichtelijk worden gemaakt wat de overlap is met het EU asiel- en migratiepact? Kan de regering een berekening maken van de meerkosten voor de uitvoeringsorganisaties zoals het IND, het COA en de Rechtspraak in het geval deze wetten niet tegelijkertijd worden ingevuld, zoals nu voorgesteld, ten opzichte van het gelijk oplopen van deze wetten en het asiel- en migratiepact?

Hoeveel vergunningen op de A-grond en hoeveel vergunningen op de B-grond zijn er in 2023, 2024 en de afgelopen maanden verleend, zo vragen de leden van de SP-fractie.

De leden van de DENK-fractie constateren dat het wetsvoorstel geen overgangsrecht bevat en dat de voorgestelde aanvullende voorwaarden voor nareis van subsidiair beschermden direct van toepassing zullen zijn vanaf de inwerkingtreding van het wetsvoorstel. Deze leden merken op dat volgens het geldende recht, en meer specifiek artikel 1.27 van het Vreemdelingenbesluit 2000, een nareisaanvraag wordt getoetst aan het recht dat geldt op het moment van indiening van de aanvraag. Zonder wijziging van dit artikel lijkt de onmiddellijke toepassing van het nieuwe recht juridisch niet houdbaar.

De leden van de DENK-fractie vragen de regering om een nadere toelichting op de keuze om geen overgangsrecht op te nemen. Waarom is ervoor gekozen om de nieuwe voorwaarden met onmiddellijke werking toe te passen? Kan de regering aangeven op welke wijze wordt geborgd dat dit in overeenstemming is met het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, met name voor diegenen die op het moment van inwerkingtreding reeds een nareisaanvraag in voorbereiding of lopende hebben?

Voorts vragen de leden van de DENK-fractie of de regering het wenselijk acht dat betrokkenen die onder het huidige beleid gerechtvaardigd mochten vertrouwen op gelijke behandeling van subsidiair beschermden en vluchtelingen, plotseling worden geconfronteerd met aanzienlijk strengere voorwaarden. Is overwogen om voor lopende dossiers of recent verleende verblijfsvergunningen een overgangsregeling te treffen, en zo nee, waarom niet?13

De leden van de SGP-fractie constateren dat gekozen is voor onmiddellijke inwerkingtreding van de maatregelen. Kan inzichtelijk worden gemaakt welke uitvoeringseffecten qua doorlooptijd en benodigde IND-capaciteit worden verwacht bij onmiddellijke werking, eerbiedigende werking of uitgestelde werking van een halfjaar, een jaar of twee jaren? Wat betekent dit daarnaast voor het aantal verwachte toekenningen cq. afwijzingen van de aanvragen? En kan de regering ook een prognose geven van het verwachte bedrag aan dwangsommen dat zal moeten worden uitgekeerd in ieder van deze scenario’s?

Aangezien deze wet door de regering beoogd is als middel om de instroom van asielzoekers te beperken, vragen de leden van de ChristenUnie-fractie of de regering wil overwegen om deze wet in te trekken zodra de instroom significant afneemt en er geen problemen in de opvangketen meer zijn.

Op welk moment verwacht de regering deze wet te evalueren, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie. Langs welke criteria legt de regering deze wet dan?

De voorzitter van de commissie,
Vijlbrief

De griffier van de commissie,
Burger


  1. Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 703, nr. 3, blz. 12.↩︎

  2. WODC, 4 september 2023, Geen bewijs dat asielbeleid aanzuigende werking heeft op instroom asielzoekers (https://www.wodc.nl/actueel/nieuws/2023/09/04/geen-bewijs-dat-asielbeleid-aanzuigende-werking-heeft-op-instroom-asielzoekers#:~:text=In%20het%20maatschappelijke%20debat%20over,voert%2C%20is%20er%20echter%20niet.).↩︎

  3. Verwey-Jonkerinstituut, 4 september 2023, Invloed asielbeleid op migratie naar Nederland: wetenschappelijke inzichten in migratie drivers; Adviesraad Migratie, 5 november 2019, Rapport Secundaire Migratie, p. 106.↩︎

  4. Universiteit Maastricht, 2015, Irreguliere Migratieroutes naar Europa en de Factoren die van Invloed zijn op de Bestemmingskeuze van Migranten (https://repository.wodc.nl/bitstream/handle/20.500.12832/2175/2553-volledige-tekst_tcm28- 73957.pdf?sequence=2&isAllowed=y).↩︎

  5. Kamerstuk 26732, nr. 3.↩︎

  6. Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 703, nr. 3, blz. 9.↩︎

  7. Rechtbank Den Haag, zp. Middelburg, 22 december 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:13902, r.o. 31. Het hoger beroep tegen deze uitspraak is ongegrond verklaard: zie: ABRvS 8 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:508.↩︎

  8. IND, 11 maart 2025, Ministerraad stemt in met asielwetten, IND waarschuwt voor overbelasting (https://ind.nl/nl/nieuws/ministerraad-stemt-in-met-asielwetten-ind-waarschuwt-voor-overbelasting).↩︎

  9. IND, 11 maart 2025, Ministerraad stemt in met asielwetten, IND waarschuwt voor overbelasting (https://ind.nl/nl/nieuws/ministerraad-stemt-in-met-asielwetten-ind-waarschuwt-voor-overbelasting).↩︎

  10. Uitvoeringsagenda Flexibilisering Asielketen, 3 april 2024 (https://open.overheid.nl/documenten/dpc-946aff08b4c74a16aa4d441422bccba8157523f7/pdf).↩︎

  11. ROB en AM, Goed geregeld, asielopvang als maatschappelijke opgave, 26 maart 2025, (https://www.raadopenbaarbestuur.nl/documenten/publicaties/2025/3/26/asielopvang-als-maatschappelijke-opgave).↩︎

  12. Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 703, nr. 3, blz. 20.↩︎

  13. Adviesraad Migratie, 24 maart 2025, Gespreksnotitie voor TK-rondetafelgesprek over Tweestatusstelsel en Asielnoodmaatregelenwet (https://www.adviesraadmigratie.nl/publicaties/publicaties/2025/03/24/gespreksnotitie-voor-tk-rondetafelgesprek-over-tweestatusstelsel-en-asielnoodmaatregelenwet).↩︎