Amendement van de leden Van Eijk en Peter de Groot over het matigen van de voorgestelde lastenverzwaringen in box 3
Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2026)
Amendement
Nummer: 2025D48201, datum: 2025-11-25, bijgewerkt: 2025-11-25 15:14, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: W.P.J. van Eijk, Tweede Kamerlid (VVD)
- Mede ondertekenaar: P.C. (Peter) de Groot, Tweede Kamerlid (VVD)
Onderdeel van kamerstukdossier 36812 -68 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2026).
Onderdeel van zaak 2025Z20450:
- Indiener: W.P.J. van Eijk, Tweede Kamerlid
- Medeindiener: P.C. (Peter) de Groot, Tweede Kamerlid
- Voortouwcommissie: TK
Preview document (🔗 origineel)
| TWEEDE KAMER DER STATEN-GENERAAL | 2 | |
| Vergaderjaar 2025-2026 | ||
| 36 812 | Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2026) | |
| Nr. 68 | AMENDEMENT VAN de leden van eijk en de groot | |
| Ontvangen 25 november 2025 | ||
| De ondergetekende stelt het volgende amendement voor: | ||
I
Artikel I, onderdeel A, onder 1, vervalt.
II
Na artikel I, onderdeel C, worden twee onderdelen ingevoegd, luidende:
Ca
Het in artikel 4.14, eerste lid, vermelde percentage wordt verlaagd met 0,71%-punt.
Cb
Het in artikel 5.2, tweede lid, als tweede vermelde percentage wordt verlaagd met 0,71%-punt.
III
Artikel I, onderdeel D, vervalt.
IV
Voor artikel II, onderdeel A, worden twee onderdelen ingevoegd, luidende:
aA
Het in artikel 4.14, eerste lid, vermelde percentage wordt verlaagd met 0,71%-punt.
bA
Het in artikel 5.2, tweede lid, als tweede vermelde percentage wordt verlaagd met 0,71%-punt.
V
Na artikel II wordt een artikel ingevoegd, luidende:
ARTIKEL IIBIS
In de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met ingang van 1 januari 2028 in de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 1.609.
VI
Artikel III, onderdeel B, onder 1, vervalt.
VII
Artikel V wordt als volgt gewijzigd:
1. De tekst wordt aangeduid als “onderdeel B” en in dat onderdeel vervalt “de Wet op de loonbelasting 1964 wordt met ingang van 1 januari 2028 in”. Voort wordt “eerste lid,” vervangen door “eerste lid, wordt”.
2. Voor onderdeel B (nieuw) worden een aanhef en een onderdeel ingevoegd, luidende:
De Wet op de loonbelasting 1964 wordt met ingang van 1 januari 2028 als volgt gewijzigd:
A
In de in artikel 20a, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 20b, eerste lid, opgenomen tabel wordt het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 1.609.
VIII
Na artikel XLII worden twee artikelen ingevoegd, luidende:
ARTIKEL XLIIA
Artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 is bij het begin van het kalenderjaar 2027 van overeenkomstige toepassing op het in de artikelen IIBIS en V, onderdeel A, vermelde bedrag.
ARTIKEL XLIIB
Artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 is bij het begin van het kalenderjaar 2028 van overeenkomstige toepassing op het in de artikelen IIBIS en V, onderdeel A, vermelde bedrag, met dien verstande dat het te vervangen bedrag daarbij wordt vermenigvuldig met de uitkomst van de formule: 1 + (95,7% x (tabelcorrectiefactor – 1)).
VIII
In artikel XLIV wordt “artikel 5.5” vervangen door “het in de eerste en tweede kolom van de in de artikelen 2.10 en 2.10a van die wet opgenomen tabel laatstvermelde bedrag en artikel 5.5”.
IX
Artikel L, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. Onderdeel a vervalt.
2. Na onderdeel b wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:
ba. artikel I, onderdelen Ca en Cb, eerst toepassing vindt nadat artikel 10.6ter van de Wet inkomstenbelasting 2001 bij het begin van het kalenderjaar 2026 is toegepast;.
3. Na onderdeel c worden twee onderdelen ingevoegd, luidende:
ca. artikel II, onderdelen aA en bA, eerst toepassing vindt nadat artikel 10.6ter van de Wet inkomstenbelasting 2001 bij het begin van het kalenderjaar 2027 is toegepast;
cb. artikel IIBIS en artikel V, onderdeel A, eerst toepassing vinden nadat artikel XLIIB bij het begin van het kalenderjaar 2028 is toegepast;.
Toelichting
Dit amendement strekt ertoe de per 2026 voorgestelde verhoging van het forfaitaire rendement voor overige bezittingen in box 3 te matigen en de verlaging van het heffingsvrije vermogen terug te draaien. Indiener vindt deze maatregel noodzakelijk om kleine spaarders tegemoet te komen en om te voorkomen dat veel huurwoningen verdwijnen uit de huurmarkt. De voorgestelde maatregelen in het wetsvoorstel zijn het gevolg van budgettaire derving door jurisprudentie van de Hoge Raad uit juni 2024 en het uitstel van de Wet werkelijk rendement box 3 tot 1 januari 2028. Het kabinet kiest voor een verhoging van het forfait tot 7,78% en een verlaging van het heffingsvrije vermogen, maar deze keuzes leiden tot onevenredige lasten voor een brede groep belastingplichtigen.
De voorgestelde verhoging van het forfait raakt met name belastingplichtigen met reële, vaak langlopende investeringen. Dit betreft niet alleen beleggers in vastgoed, maar ook particuliere verhuurders, die een belangrijke rol spelen in het beschikbaar houden van betaalbare huurwoningen in het midden- en hogere segment. Het niet verlagen van het forfaitair rendement zorgt ervoor dat er minder huurwoningen beschikbaar zijn, juist voor mensen met een middeninkomen. De verhuurders die deze woningen beschikbaar stellen nemen investeringsrisico’s, dragen bij aan mobiliteit op de woningmarkt en voorzien juist in aanbod van middenhuurwoningen waar grote tekorten bestaan. Een te hoog forfaitair rendement werkt ontmoedigend en zorgt ervoor dat verhuurders liquiditeitsproblemen ervaren, terwijl er binnen de huidige tegenbewijsregeling box 3 geen kostenaftrek mogelijk is. Daardoor kunnen verhuurders noodzakelijke kosten – zoals onderhoud, verduurzaming en leegstand – niet in mindering brengen, wat leidt tot een zeer hoge effectieve belastingdruk.
De verhoging raakt ook andere groepen die maatschappelijke waarde toevoegen, waaronder eigenaren van vakantiewoningen, rijksmonumenten en NSW-landgoederen. Deze belastingplichtigen dragen vaak bij aan natuurbehoud, erfgoedzorg en regionale leefbaarheid, terwijl zij eveneens geconfronteerd worden met hoge onderhoudslasten die fiscaal niet aftrekbaar zijn. Het optrekken van het forfait tot 7,78% zou in deze gevallen tot disproportionele en onbedoelde belastingdruk leiden.
Daarnaast leidt de verlaging van het heffingsvrije vermogen ertoe dat circa 300.000 extra belastingplichtigen in box 3 terechtkomen (waarvan ongeveer 180.000 mensen alleen spaargeld hebben). Dit raakt mensen met relatief bescheiden vermogens en legt extra druk op de uitvoering, die reeds zwaar wordt belast en voor aanzienlijke uitdagingen staat.
Deze aanpassing voorkomt een overmatige en economisch schadelijke belastingverzwaring in de overgangsjaren tot de invoering van werkelijk rendement in box 3, beschermt investeringen in de woningmarkt, erfgoed en groene ruimte, en houdt rekening met de uitvoerbaarheid binnen een systeem dat geen kostenaftrek toestaat.
De benodigde incidentele dekking voor dit amendement wordt gevonden door het aangrijpingspunt van het toptarief in 2026 niet te indexeren. Deze indexatie wordt in 2028 ingehaald, waardoor er structureel geen koopkrachtverlies is en werkenden er dus niet op achteruitgaan.
Technische toelichting
Dit amendement regelt dat het heffingvrije vermogen in box 3 niet wordt verlaagd met ingang van 1 januari 2026 (maar nog steeds niet wordt geïndexeerd). Het heffingvrije vermogen blijft daardoor in 2026 € 57.684. Dit zorgt voor een budgettaire derving van € 129 miljoen.
Daarnaast regelt dit amendement dat het forfait voor overige bezittingen in box 3, na toepassing van de nieuwe berekeningsmethode van het forfait, in 2026 en 2027 beleidsmatig wordt verlaagd met 0,71%-punt. Daardoor zal het forfait voor overige bezittingen voor het kalenderjaar 2026 niet uitkomen op 7,78% maar op 7,07%. Dit zorgt voor een budgettaire derving van € 422 miljoen.
Om deze budgettaire derving van in totaal € 551 miljoen te dekken, wordt geregeld dat het aangrijpingspunt van het toptarief (ATT) in de loon- en inkomstenbelasting in 2026 op het niveau van 2025 blijft staan. Dat betekent dat het ATT van het toptarief in 2026 op een bedrag van € 76.817 blijft staan.
In 2028 wordt het ATT extra verhoogd, zodat er geen sprake is van een structurele opbrengst.
Budgettaire gevolgen in miljoenen euro’s (prijzen 2025)
| 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | struc | |
|---|---|---|---|---|---|
| Terugdraaien verlaging heffingvrij vermogen box 3 | -129 | -129 | 0 | 0 | 0 |
| Verlagen forfait overige bezittingen box 3 | -422 | -422 | 0 | 0 | 0 |
| Opbrengst tijdelijke verlaging ATT | 551 | 549 | 0 | 0 | 0 |
| Totaal | 0 | -2 | 0 | 0 | 0 |
Van Eijk
De Groot