[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Pakket Belastingplan 2026 (antwoord 1e termijn + rest) (ongecorrigeerd)

Stenogram

Nummer: 2025D48309, datum: 2025-11-25, bijgewerkt: 2025-11-26 09:16, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


Pakket Belastingplan 2026

Pakket Belastingplan 2026

Aan de orde is de behandeling van:

  • het wetsvoorstel Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2026) (36812);

  • het wetsvoorstel Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2026) (36813);

  • het wetsvoorstel Wijziging van de Wet belastingen op milieugrondslag in verband met differentiatie van het tarief van de vliegbelasting (Wet differentiatie vliegbelasting) (36815);

  • het wetsvoorstel Wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en enkele andere wetten in verband met het stroomlijnen van het fiscale inzagerecht (Wet stroomlijning fiscaal inzagerecht) (36816);

  • het wetsvoorstel Tweede wijziging van de Wet minimumbelasting 2024 in verband met de in december 2023, juni 2024 en januari 2025 internationaal overeengekomen administratieve richtsnoeren en een aantal overige technische wijzigingen (Tweede wet aanpassing Wet minimumbelasting 2024) (36817);

  • het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen en de Wet minimumbelasting 2024 in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2025/872 van de Raad van 14 april 2025 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen (Wet implementatie EU-richtlijn gegevensuitwisseling minimumbelasting) (36818);

  • het wetsvoorstel Wijziging van de Wet milieubeheer in verband met de nadere operationalisering van het mechanisme voor een koolstofcorrectie aan de grens (36819).

De voorzitter:
Aan de orde is de eerste termijn van de zijde van het kabinet aangaande het pakket Belastingplan 2026. Ik wil de staatssecretaris en de minister van Klimaat en Groene Groei van harte welkom heten. Ik geef haar het woord voor haar beantwoording. De leden hebben mij verzocht u te verzoeken de inleidingen enigszins beperkt en overzichtelijk te houden, zodat we toch vlot over kunnen gaan tot de beantwoording van de gestelde vragen.

De algemene beraadslaging wordt hervat.

De voorzitter:
Het woord is aan de minister.

Minister Hermans:
Voorzitter. Die oproep, dat verzoek, heb ik goed gehoord. Ik zal dus ook heel snel overgaan naar het beantwoorden van de aan mij gestelde vragen. Ik heb vooraf één enkele opmerking, omdat die recht doet aan een vraag die de heer Stultiens mij gesteld heeft. Die vraag gaat erover wat het kabinet nou doet om de afgesproken klimaatdoelen te halen. Het moge duidelijk zijn dat er blijvend aandacht nodig is voor de klimaat- en energietransitie. Daar voeren we op heel veel verschillende momenten het debat over. Dat heb ik ook afgelopen week op de klimaattop in Brazilië weer van dichtbij mogen ervaren.

Wat dit kabinet gedaan heeft en nog steeds doet, en waar ik aan doorwerk, loopt langs een paar lijnen. De eerste is de randvoorwaarden op orde brengen, zodat we ook daadwerkelijk kunnen verduurzamen en die transitie voor elkaar kunnen krijgen. We werken ook aan het zetten van logische vervolgstappen in de verschillende sectoren, of dat nou de mobiliteit is, de gebouwde omgeving, de industrie, de elektriciteitssector of natuurlijk de landbouw. Daar hoort de uitwerking bij van een aantal maatregelen die ook al in vorige kabinetten waren afgesproken, maar nog in beleid moeten worden omgezet, en maatregelen die door dit kabinet zijn aangekondigd.

In dat kader zitten in dit Belastingplan een aantal maatregelen waar ik nader op in zal gaan in dit debat. Ik begin met de pseudo-eindheffing. Daar is een flink aantal vragen over gesteld. Dan zal ik ingaan op de CO2-heffing in de industrie. Er is ook een aantal vragen gesteld over de vliegbelasting en de belasting op groen gas. De staatssecretaris van Financiën zal het daarna van mij overnemen en alle andere gestelde vragen beantwoorden.

Voorzitter. Ik begin met de pseudo-eindheffing. Ten eerste: waarom nemen we nu deze maatregel? Dat is in het debat veel aan de orde geweest en daar zijn verschillende vragen over gesteld. Deze pseudo-eindheffing is bedoeld om de zakelijke markt voor leaseauto's, voor personenauto's, te normeren via de loonbelasting. De bedoeling is om de verduurzaming van het wagenpark te versnellen. De zakelijke markt speelt daarin een belangrijke rol, omdat een groot deel van de nieuwe personenauto's op die markt wordt verkocht. Een groot deel van die zakelijke leaseauto's komt uiteindelijk via de tweedehandsmarkt bij particulieren terecht. Het versnellen van het aanbod van zakelijke elektrische auto's is dus belangrijk om op termijn voldoende aanbod te hebben van betaalbare elektrische auto's op de tweedehandsmarkt. Op dit moment is nog meer dan de helft van alle nieuwe zakelijke auto's fossiel, terwijl het voor een werkgever vaak even duur of zelfs goedkoper is om een elektrische in plaats van een fossiele zakelijke leaseauto aan te bieden aan een werknemer. Omdat we weten dat in 2035 alle nieuw te verkopen auto's elektrische auto's zullen zijn, is het logisch voor het kabinet om nu een norm te stellen om meer elektrische auto's op de tweedehandsmarkt te krijgen. Vandaar dat we zeggen: het is logisch om vanaf 2027 in principe alleen nog elektrische auto's voor privédoeleinden ter beschikking te stellen aan werknemers.

Voorzitter. De maatregel is minder ingrijpend dan soms wordt gedacht, dan dat ik soms in artikelen lees of dan blijkt uit de opmerkingen die ik erover hoor. Ik zei net al dat het vaak nu al voor een werkgever goedkoper is om een elektrische auto aan te bieden aan de werknemer dan een fossiele auto.

De tweede reden is dat het laadnetwerk in Nederland, met meer dan 1 miljoen laadpunten, tot de beste van Europa behoort. Dat aantal laadpunten neemt tot 2030 ook verder toe. Netcongestie is daarbij naar verwachting geen groot knelpunt. Juist het gegeven dat de laadpunten in de publieke ruimte flexibel gebruikt kunnen worden, creëert ook weer ruimte op het net. Daar zijn we nu ook afspraken over aan het maken. Maar ik zal niet vooruitlopen op het debat over netcongestie, dat later deze week gehouden wordt. Laadpunten bij woningen kunnen vaak binnen de bestaande aansluiting nog steeds worden geïnstalleerd.

Een derde reden waarom het minder ingrijpend is dan soms gedacht wordt, is dat wij niet verwachten dat werkgevers per 2027 hun hele wagenpark direct elektrificeren, want er geldt een overgangstermijn. Dus alleen voor nieuwe gevallen gaat die pseudo-eindheffing per 2027 gelden en moet die worden betaald. Voor bestaande leasecontracten, de contracten die nu lopen, gaat die heffing pas per 17 september 2030 gelden. Dat betekent dat alle leaseauto's die dit jaar of volgend jaar worden geleverd pas in 2030 onder de eindheffing gaan vallen. Daarmee is uitstel van de invoering van de eindheffing naar 2028 volgens het kabinet dan ook niet nodig. Men heeft dus nog ruim een jaar de tijd.

Voorzitter. Uit de doorrekeningen van onder andere het PBL blijkt ook dat de eindheffing een effectieve maatregel is. Het aandeel elektrische auto's in de zakelijke nieuwverkoop stijgt naar bijna 100% in 2030. De CO2-reductie bedraagt volgens diezelfde berekeningen 0,2-0,4 megaton in 2030.

De toename in het aantal elektrische auto's zorgt ook voor minder belastinginkomsten in de bpm en de brandstofaccijnzen. Dat is de zogenaamde "grondslagerosie". Hoewel we weten dat dit hoort en inherent is aan de transitie waarin we zitten, de transitie naar een elektrisch wagenpark, moet die budgettaire derving volgens de begrotingsregels worden gedekt.

Voorzitter. Dan kom ik bij een vraag van de heer Vlottes over de dekking van de derving. In het pakket Belastingplan, zoals het is aangeboden aan de Kamer, wordt de derving gedekt door onder andere het heffingsplafond in de belasting op leidingwater af te schaffen. We stellen een beperkte hoeveelheid middelen uit het Klimaatfonds beschikbaar en een deel van de inkomsten uit ETS2 wordt gebruikt om de derving te dekken.

Mevrouw Van Dijk vroeg: hoe is er nagedacht over alternatieven voor deze maatregel? Laat ik beginnen met te zeggen dat het kabinet niet over één nacht ijs is gegaan, omdat we ons heel goed realiseren dat elke maatregel die je neemt, zeker als het een normerende maatregel betreft, effecten heeft. Die effecten, in dit geval op de werkgever, wil je ook goed wegen in hun totaliteit. In termen van alternatieven hebben we gekeken naar wat je kan doen om in de zakelijke markt elektrisch rijden te stimuleren, teneinde die tweedehandsmarkt op te bouwen. Dan zou je kunnen denken aan een wettelijk verbod op zakelijke fossiele auto's of aan het subsidiëren van zakelijke auto's via de bijtelling. Een wettelijk verbod is vanwege regels omtrent de Europese interne markt niet mogelijk. Bovendien, zeg ik er nadrukkelijk bij, vind ik dat ook niet wenselijk, want je haalt daarmee ook elk handelingsperspectief en elke keuzevrijheid ervan af. Met deze eindheffing blijft die bestaan. De werkgever kan er nog steeds voor kiezen om het leasen van een fossiele auto aan de werknemer aan te bieden. Alleen ga je er dan een heffing over betalen. Jouw keuze heeft dan dus een consequentie.

Voorzitter. Een subsidie is an sich niet zo effectief om het doel dat we beogen, namelijk een versnelling van de verduurzaming, voor elkaar te krijgen. Bovendien kost het ook geld. Laat ik daar ook eerlijk over zijn. Het is gewoon echt duurder dan die eindheffing. Het feit dat het duurder is wil niet zeggen dat ik de wens, zoals onder anderen de heer Grinwis heeft geuit, om een nieuwe bijtellingskorting voor elektrische auto's in te voeren, niet begrijp. Ik heb er zelfs ook sympathie voor, want ik snap dat dit type flankerend beleid het ook makkelijker kan maken. Maar alle voorstellen daartoe moeten natuurlijk wel netjes van een dekking zijn voorzien.

Voorzitter. Hoe is die maatregel tot stand gekomen? Hoe is daarin samengewerkt? Heeft daar overleg over plaatsgevonden? Onder anderen mevrouw Van Dijk en de heer Hoogeveen stelden daar vragen over. Het voorstel voor de eindheffing is in nauwe samenwerking met de uitvoering opgesteld. Daarbij heeft het kabinet aan meerdere partijen advies gevraagd, zoals het dat natuurlijk altijd doet bij een wetswijziging. Die adviezen zijn op Prinsjesdag met de Kamer gedeeld. Verder zijn er gesprekken met stakeholders gevoerd. Dan moet u denken aan ANWB, RAI, BOVAG, VNA en Natuur & Milieu.

Mevrouw Van Dijk en volgens mij ook de heer Hoogeveen vroegen heel expliciet waarom wij dit voorstel niet hebben voorgelegd aan het ATR. De pseudo-eindheffing is ook aan het ATR voorgelegd, zeg ik tegen mevrouw Van Dijk en de heer Hoogeveen. Dat doen we altijd, met het hele pakket Belastingplan. Maar vervolgens selecteert het ATR uit dat pakket van maatregelen van het Belastingplan zelf maatregelen om nader te bekijken en om advies over uit te brengen. Het ATR heeft deze maatregel niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat die volgens het ATR naar verwachting geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft.

Het derde punt. Wij hebben bij de keuze en de vormgeving van de eindheffing geprobeerd om de administratieve lasten voor ondernemers zo beperkt mogelijk te houden. Onder anderen de heer Ergin, die nu even weg is, vroeg daarnaar. Even heel specifiek: als je als werkgever besluit om je aan de normering van de zakelijke lease te houden, dan zijn er natuurlijk geen extra administratieve lasten. Als je er toch voor kiest om een fossiele auto aan te bieden, dan blijven de extra administratieve lasten beperkt, omdat de pseudo-eindheffing onderdeel is van de reguliere aangifte van de loonheffingen. Dat neem niet weg, zeg ik tegen alle Kamerleden die vragen hebben gesteld of opmerkingen hebben gemaakt over de regeldruk voor ondernemers in het algemeen, dat het kabinet zich bewust is van die regeldruk en dat er ook maatregelen op worden genomen. Specifiek op mijn terrein noem ik dan de verplichting die er was om te rapporteren over de CO2-uitstoot, over werkgebonden vervoer. Wij hebben besloten om de grens voor bedrijven te verhogen, zodat die regel pas van kracht wordt voor werkgevers met 250 of meer werknemers in plaats van voor werkgevers met 100 of meer werknemers.

De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik ga een stukje terug in het betoog van de minister, namelijk naar de bijtelling. Het kabinet heeft besloten om een pseudo-eindheffing in te stellen voor fossiele auto's. Normaal gesproken zou je daar dan wat flankerend beleid bij verwachten. Nu zegt de minister heel snel: we zien uit naar een goede dekking, en verder laten we het zo. De staatssecretaris heeft hier in zijn termijn vrij welwillend op gereageerd door te zeggen dat dit eigenlijk een beetje asymmetrisch is, omdat je eigenlijk een dubbel signaal afgeeft richting ondernemers en richting degene die in loondienst is en een auto van de zaak kan krijgen. Die bijtelling wordt in één keer verhoogd van 17% naar 22%, terwijl voor kleinere auto's 18% ongeveer break-even is ten opzichte van een fossiele auto.

De voorzitter:
En uw vraag?

De heer Grinwis (ChristenUnie):
Vindt de minister echt niet dat de morele verplichting om voor goed flankerend beleid te zorgen eigenlijk bij het kabinet rust, als je met zo'n ingrijpende maatregel als een pseudo-eindheffing komt?

Minister Hermans:
Ik zei ook in mijn betoog — misschien heb ik dat niet duidelijk genoeg gezegd — dat ik die wens heel goed begrijp en dat je altijd moet kijken naar flankerend beleid om lastige maatregelen iets minder lastig of iets minder ingrijpend te maken. Daar voel ik me ook toe verplicht. Ik zei net dat ik voorstellen daarvoor welwillend zal bekijken maar dat die wel netjes van een dekking voorzien moeten zijn. Dat geldt natuurlijk net zo goed voor mijzelf als ik vanuit het kabinet zo'n voorstel doe. De heer Grinwis weet zelf ook dat je dan uiteindelijk in een heel samenstel van maatregelen komt die gefinancierd moeten worden en van een dekking moeten worden voorzien. Deze vorm van flankerend beleid is geen onderdeel geworden van het Belastingplan. Dat neemt niet weg dat ik me realiseer dat die wel kan leiden tot meer draagvlak voor de maatregel, dus daarom sta ik er absoluut voor open. Als ik er zelf mogelijkheden toe zie, zal hebben of nog krijg, dan is dit niet iets wat ik terzijde schuif, integendeel. Ik heb er alleen nu niet de mogelijkheden voor.

De voorzitter:
Meneer Grinwis, laten we proberen het kort te houden.

De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter, u hebt helemaal gelijk. Ik zal het kort doen. Samen met collega Oosterhuis heb ik een voorstel neergelegd waarin ik de minister eigenlijk twee keer help bij het bereiken van groene doelen, enerzijds door die bijtelling en die afbouw in de komende jaren geleidelijker te maken met 18%, 20% en dan uiteindelijk 22% en anderzijds door de youngtimerregeling te versoberen. Want ja, het moet ergens van betaald worden. In 2026 zelf resteert er dan nog wel een gat, maar structureel is er ruime overdekking. Is de minister van zins om haar invloed binnen het kabinet aan te wenden om hier positief in mee te bewegen? Het is namelijk echt een interessant amendement, dat de minister twee keer helpt.

Minister Hermans:
Met één amendement twee keer geholpen worden, is natuurlijk win-win, zou je bijna willen zeggen. Ik wil even goed naar het voorstel kijken, want ik begrijp heel goed wat de heer Grinwis zegt. Zoals de heer Grinwis ook weet, kan elke dekking die gevonden wordt ook weer op vragen, bezwaren of wat dies meer zij stuiten. Ik weet niet of daar dan een win-win in zit; laat ik het zo omschrijven. Maar ik zal met een constructieve blik naar dit amendement kijken, want nogmaals: ik begrijp dat iets doen aan die bijtelling het draagvlak voor deze maatregel, maar ook voor elektrisch rijden in het algemeen, kan vergroten.

De heer Vlottes (PVV):
Dank aan de minister voor de beantwoording over de pseudo-eindheffing in relatie tot het CO2-reductiedoel. Ik heb even zitten rekenen. Klopt het dat er voor 381 miljoen wordt omgebogen voor een mogelijke reductie van 0,2 of 0,4 megaton?

Minister Hermans:
Er is in het Belastingplan een reeks opgenomen voor de pseudo-eindheffing en ik heb aangegeven hoe die gedekt wordt. Laat ik hier niet op alle getallen van die reeks ingaan. Dat is om deze maatregel te realiseren. Het doel van de maatregel, of het effect ervan, moet ik eigenlijk zeggen, is CO2-reductie, maar het doel is ook het creëren van een markt voor betaalbare tweedehands elektrische auto's. We weten namelijk dat vanaf 2035 de nieuwverkoop elektrisch is en ik wil dat er dan ook betaalbare elektrische auto's op de markt zijn. De maatregel dient dus meerdere doelen. Je kunt dus niet zeggen dat er 300 miljoen of 281 miljoen omgebogen wordt of geïnvesteerd wordt, of dat ergens geld vandaan wordt gehaald alleen maar voor 0,2 tot 0,4 megaton. Nee, de maatregel doet meer en beoogt meer voor elkaar te krijgen, en dus ook die betaalbare tweedehands auto's.

De heer Vlottes (PVV):
Dan nog een keer. Dan ben ik toch wat verward, want deze pseudo-eindregeling is vooral ingevoerd vanwege het CO2-reductiedoel. Zakelijke rijders moeten meer elektrisch gaan rijden en dergelijke. Daardoor gaan we CO2 besparen, wat goed is voor de klimaatdoelen enzovoorts, enzovoorts, enzovoorts. Het primaire doel van deze heffing is dus juist CO2-reductie. Dan heb ik een vervolgvraag, want ik ga nog wél eventjes door op de cijfertjes. Er wordt dan de komende twee jaar in ieder geval 381 miljoen omgebogen. Als we dat naar 1 megaton zouden brengen, zitten we op bijna 1 miljard. Om precies te zijn, zal het dan zo'n 952,5 miljoen worden voor 1 megaton potentiële CO2-reductie. Klopt dit? Als het niet klopt, hoor ik het uiteraard graag.

Minister Hermans:
Nu worden miljoenen en megatonnen even op een bijzondere wijze met elkaar gecombineerd. Deze maatregel in zichzelf levert volgens de berekeningen 0,2 tot 0,4 megaton op. De maatregel in zichzelf dient meerdere doelen. Ja, de maatregel heeft ook een klimaateffect. Dat is belangrijk, want daar hebben we afspraken over gemaakt. Je kunt het daar wel of niet mee eens zijn, maar ik sta daar voor de volle honderd procent achter. Daarvoor moeten we dus ook maatregelen nemen in de mobiliteit. Maar de maatregel is er ook op gericht om een tweedehandsmarkt voor betaalbare elektrische auto's te stimuleren en voor elkaar te krijgen. Het sommetje dat hier gemaakt wordt, gaat echt voorbij aan andere doelen en andere effecten die het kabinet met deze maatregel beoogt.

De heer Vlottes (PVV):
Ter afronding wil ik toch nog zeggen dat ik dat opmerkelijk blijf vinden. Het enige doel dat genoemd wordt, zoals we ook in de briefing hebben meegekregen, is vooral CO2-reductie door het gebruik van elektrische voertuigen te stimuleren. Als de minister nu aangeeft dat er nog veel meer doelen zijn en dergelijke en dat het kabinet nog veel meer effecten beoogt, zou ik graag van de minister de toezegging willen hebben dat ik een soort overzicht ga krijgen van welk doel waarmee beoogd wordt en hoe zich dat verhoudt tot de uitgaven en een ombuiging.

De voorzitter:
Een informatieverzoek.

Minister Hermans:
Ik zal nooit een informatieverzoek blokkeren, maar ik zet hier uiteen waarom we deze maatregel nemen. Het is onderdeel van het pakket dat het kabinet in april heeft gepresenteerd om de klimaatdoelen meer binnen bereik te krijgen. We hebben natuurlijk ook naar alternatieve maatregelen in de mobiliteit gekeken. Die hebben ook heel snel een prijseffect aan de pomp. Daar hebben we heel bewust niet voor gekozen. Maar ik geef u aan dat het kabinet heeft gezocht naar maatregelen die logisch zijn als je kijkt naar wat er op ons afkomt aan bewegingen, ontwikkelingen en Europees beleid. Dan herhaal ik toch: in 2035 wordt de nieuwverkoop elektrisch. Dat betekent dat er alleen nog maar nieuwe auto's verkocht worden met een elektrische motor, op elektriciteit. "Die rijden op elektriciteit" moet ik zeggen, excuus. Ik wil dat dan ook betaalbare auto's in omloop zijn, zodat ook mensen met een kleinere portemonnee, met minder besteedbaar inkomen, toegang krijgen tot dat elektrische vervoer. Met deze maatregel stimuleren we ook de tweedehandsautomarkt.

De voorzitter:
Meneer Vlottes, tot slot.

De heer Vlottes (PVV):
Dan blijft mijn informatieverzoek toch alsnog staan? Zoals wij het hebben begrepen, zoals ik het heb begrepen, is namelijk vooral CO2-reductie het primaire doel van deze pseudo-eindheffing. Mijn vraag over de ombuiging ging ook vooral over 2026-2027 en structureel is het dan 43 miljoen. De minister geeft aan dat er in 2035 alleen maar sprake is van elektrische auto's en dergelijke. Ik hoor het de minister zeggen, maar als de minister dat als een soort neveneffect noemt, moet uiteengezet kunnen worden hoe dat zich verhoudt tot de derving.

Minister Hermans:
Het kabinet heeft in april een uitgebreide brief geschreven over de context waarin deze maatregel genomen is. Het is een van de maatregelen die we nemen om in de mobiliteit de verduurzamingsopgave die we met elkaar hebben voor elkaar te krijgen. In die brief is geschetst dat dit een logische stap is als je kijkt naar 2035 en het op gang krijgen van de tweedehandsmarkt. Ik wil toezeggen dat we deze maatregel gaan monitoren als die is ingevoerd om te zien wat de effecten zijn en hoe die uitpakt. Ik kan uiteraard aan de heer Vlottes toezeggen dat ik in die monitor specifiek zal ingaan op het doel dat ik net noemde, het opbouwen van de tweedehandsmarkt.

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Ik wil het inderdaad ook hebben over het op gang krijgen van de tweedehandsmarkt. Aan de cijfers kun je zien dat er echt veel auto's de grens overgaan na afloop van een leasecontract: bijna 20.000 in de eerste helft van dit jaar. Dan denk ik: volgens mij doen we iets niet goed. Moeten we dan niet nadenken over de vraag hoe je betaalbare modellen meer gaat promoten in de lease? Verzin iets om ervoor te zorgen dat die vervolgens op de tweedehandsmarkt terechtkomen en dus ook echt aftrek vinden. Nu gaan er heel veel de grens over en ik denk dat dat gewoon niet de bedoeling is.

Minister Hermans:
Kijk, je hebt natuurlijk altijd neveneffecten, of überhaupt effecten, waar we op moeten reageren of waar we ons toe moeten verhouden. Ik denk in antwoord op de vraag van mevrouw Van Dijk twee dingen. Ten eerste gaan we het komende jaar natuurlijk nog verder werken aan de vormgeving en de uitvoering van de regeling. Daarbij zou je hier al naar kunnen kijken. In den brede hebben we het doel een tweedehandsmarkt op te bouwen. Waar zien we dan potentieel negatieve effecten of bijeffecten die je wilt mitigeren? En wat voor maatregelen kun je nemen om die te beperken?

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Dit is natuurlijk een bekend fenomeen. In de eerste helft van 2024 gingen er ongeveer 10.000 de grens over. Nu gaat het al over het dubbele. We weten dit dus al een tijdje. Ik zou het dus wel goed vinden als we in die monitoring niet alleen kijken naar het effect, maar ook na gaan denken over de vraag hoe we dit beter gaan doen met elkaar en welke aanvullende maatregelen we gaan nemen.

Minister Hermans:
Dat snap ik. Ik denk dat de tariefkorting die we toepassen in de mrb, de motorrijtuigenbelasting, al helpt. Of het voldoende is, durf ik niet te zeggen. Dat zou ik hier niet zomaar een-op-een willen beweren. Maar ik denk wel dat het iets is voor een volgend kabinet om goed voor ogen te houden bij de maatregelen die het neemt in de mobiliteit of in het autodomein. Maar nogmaals, die mrb-tariefkorting doet in elk geval al iets.

De heer Hoogeveen (JA21):
Ik heb toch nog een vraag over het gebrek aan een ATR-toets voor de pseudo-eindheffing. De minister zei dat het hele pakket wel toegestuurd en beoordeeld is en dat er werd gezegd dat de pseudo-eindheffing dusdanig weinig effect zou hebben dat een ATR-toets uiteindelijk niet nodig zou zijn. Maar als ik dan toch kijk naar de briefing van het kabinet zelf, de factsheetbundel, zie ik daarin over het doenvermogen staan dat er verwacht wordt dat de ondernemingen die geraakt worden door deze maatregel, veelal fiscale adviseurs hebben. Echter, voor kleinere ondernemingen geldt dat de maatregel toch een significant beroep kan doen op het doenvermogen. Ook in de uitvoeringstoets, die we later hebben ontvangen, stond bij "complexiteitsgevolgen" de pseudo-eindheffing aangemerkt als een rode vlag.

De voorzitter:
En uw vraag?

De heer Hoogeveen (JA21):
Dus zou het niet fijn zijn om alsnog te kijken hoe we dit toch aan een ATR-toetsing onderhevig kunnen maken? Want we willen toch uiteindelijk inzetten op minder regeldruk voor ons mkb.

Minister Hermans:
Die laatste zin, over minder regeldruk voor het mkb, onderschrijf ik volkomen. Maar even heel precies: het ATR krijgt het hele belastingpakket toegestuurd en maakt dan zelf een selectie van welke maatregelen het onder de loep neemt om de regeldruk daarvan nader te bestuderen. Het ATR zelf zegt dat deze maatregel geen noemenswaardige regeldruk met zich meebrengt. Dat is dus niet een oordeel van het kabinet.

De voorzitter:
Dank u wel. Gaan we daarmee naar de CO2-heffing?

Minister Hermans:
Nou, voorzitter, dat ...

De voorzitter:
Dat zou wel mooi zijn.

Minister Hermans:
Dat zou mooi zijn; dat begrijp ik. Maar ik heb nog een enkele vraag te beantwoorden over het moment van aankondigen van deze maatregel. Ik zei daar al wel kort even iets over. We hebben er dus bewust voor gekozen om de pseudo-eindheffing in dit Belastingplan op te nemen, maar wel pas per 2027 in te laten gaan, zodat werkgevers voldoende tijd krijgen om zich voor te bereiden op de maatregel en ook om komend jaar nog de ruimte te hebben om in de regelgeving verduidelijking aan te brengen als dat nodig is. Dat is mede op verzoek van de branche. We gaan bijvoorbeeld kijken of we het begrip "woon-werkverkeer" nog nader kunnen specificeren, want daar zijn vragen over. Ook is er op die manier ruimte om te bezien of de uitvoering van deze maatregel voor werkgevers verder verbeterd kan worden. Dat zeg ik heel expliciet in de richting van de heer Stoffer en mevrouw Van Dijk, die daarnaar vroegen. Als er in het overleg in het komende jaar dus ideeën of suggesties opkomen die het simpeler of eenvoudiger maken, dan staan we daar natuurlijk altijd voor open.

Ik zei al iets over waarom wij denken dat uitstel naar 2028 niet nodig is, maar ook onwenselijk is. Dat is omdat we hem nu al aankondigen en dus nog het hele jaar 2026 voor ons ligt. In het verlengde daarvan stelden de heer Stoffer, de heer Vermeer en de heer Ergin voor om de maatregel helemaal terug te draaien, maar ik denk dat het, gezien de reden waarom we hem invoeren en de toelichting daarop, duidelijk moge zijn dat ik dat geen goed idee vind.

Voorzitter. Dan kom ik inderdaad bij de CO2-heffing. Het gaat om de CO2-heffing voor de industrie en lachgasinstallaties, die het kabinet naar aanleiding van de motie-Van Dijk verlaagd heeft. Dat hebben we gedaan omdat in het afgelopen jaar is gebleken dat de randvoorwaarden voor de industrie om te verduurzamen niet op orde zijn. Hierdoor moeten bedrijven een heffing gaan betalen terwijl ze wel willen, maar niet kunnen verduurzamen. Tegelijkertijd zien we dat voor een aantal sectoren in de industrie de internationale concurrentiepositie zodanig is dat zij in toenemende mate onder druk staan. Met het verlagen van het tarief in de CO2-heffing en het verruimen van de dispensatierechten wordt aan deze groep bedrijven op korte termijn verlichting gegeven.

Het volledig afschaffen van de CO2-heffing — onder anderen de heer Vermeer vroeg daarnaar; naar ik heb begrepen heeft hij dat ook voorgesteld in een amendement — is echt niet mogelijk, omdat de CO2-heffing onderdeel is van het HVP, het Herstel- en Veerkrachtplan. Het terugdraaien van twee mijlpalen uit dat plan, waar de CO2-heffing aan verbonden is, zou potentieel een financiële tegenvaller van maximaal 1,2 miljard betekenen voor Nederland en die tegenvaller is gewoon niet gedekt. Daarom vind ik dat dus echt onverstandig. Het leidt ook niet tot de zekerheid die de heer Vermeer beoogt, want of je nu de CO2-heffing helemaal uit het Belastingplan haalt of het tarief verhoogt of verlaagt, in alle gevallen is een wetswijziging nodig. Dat geldt dus ook als je die heffing er nu uit haalt. Als een nieuw kabinet dan volgend jaar besluit om die heffing er weer in te zetten, kun je langs dezelfde route van de behandeling van het Belastingplan de CO2-heffing terugkrijgen. Die zekerheid creëer je dus niet door de heffing er nu uit te halen. Sterker nog, je creëert onzekerheid, namelijk door het risico van de financiële tegenvaller. Ik heb het al eens eerder in een debat gezegd: dan moet er 1,2 miljard gedekt worden. Ik heb vaak gezien waar die rekening dan terechtkomt.

Voorzitter. In het debat van vorige week is onder anderen door de heer Oosterhuis, maar ook door de heer Stultiens gezegd: er zijn ook negatieve effecten van het verlagen van het tarief op de prikkel om te verduurzamen. Dat vind ik een terecht punt. Daar hebben we ook heel precies naar gekeken: wat doet het verlagen van het tarief op bedrijven die al in verduurzaming geïnvesteerd hebben of op het punt staan om dat te doen indachtig de CO2-heffing zoals die tot nu toe in de boeken stond? Ik vind dat we de prikkel voor de industrie om te verduurzamen op de een of andere manier moeten behouden. We moeten dus zoeken naar een vormgeving van ons beleid waarin de industrie gestimuleerd en geprikkeld wordt om te verduurzamen. Ik ben er namelijk echt van overtuigd — ik niet alleen, het is ook het rapport van Draghi en het zijn ook alle discussies die ik de afgelopen week in Brazilië in fora en panels heb gehad — dat de toekomst van de industrie in Nederland, maar ook in Europa, ligt in vergroening en verduurzaming. Dat is de manier om internationaal concurrerend te blijven ten opzichte van andere economieën.

Op dit moment is een overlegtafel CO2-heffing industrie gaande. Die rondt bijna zijn werkzaamheden af. Die heb ik ook om die reden ingesteld. Aan die tafel zitten vertegenwoordigers van de rijksoverheid, maar ook van de industriebedrijven en van groene ngo's, omdat ik het belangrijk vind dat al die drie partijen met elkaar in gesprek zijn hierover. Zij hebben als opdracht gekregen om over alternatieven na te denken waarmee de klimaatdoelen ook kunnen worden gehaald. De overlegtafel komt begin december met een rapport. Ik kijk ernaar uit en zal dat rapport zodra het er is ook per direct naar de Kamer sturen.

De voorzitter:
Was u daarmee aan het einde gekomen van de beantwoording over de CO2-heffing?

Minister Hermans:
Zeker weten. Ja.

De voorzitter:
Dan gaan we de heer Stultiens horen voor zijn interruptie.

De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Fijn dat de minister van Klimaat vandaag ook bij het debat kan zijn. Dat is belangrijk. Zowel vandaag als in Brazilië gaf zij aan nog steeds vol achter de klimaatdoelen van Parijs te blijven staan. Is het dan niet heel tegenstrijdig dat we hier vandaag een wetsvoorstel van haar kant zien waarin die doelen verder van huis raken door deze afschaffing, of beperking, van de CO2-belasting?

Minister Hermans:
Nee. U kijkt nu door een rietje naar één maatregel in het Belastingplan en in het klimaatpakket van afgelopen april. Als je de hele optelsom van dat pakket ziet, dan zie je dat we ten opzichte van de Klimaat- en Energieverkenning van vorig jaar een stap zetten. De 55% is net niet binnen de bandbreedte, dus we zijn er nog niet. Er is absoluut nog werk aan de winkel. Maar de optelsom van alle maatregelen die het kabinet neemt, inclusief de investeringen in de randvoorwaarden, wat ik toch echt blijf benadrukken, leidt ertoe dat we dat doel wel meer binnen bereik brengen. Maar nogmaals, we zijn er nog niet.

De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Maar nu verwijst de minister naar een rapport waarin nog niet is meegenomen dat deze belasting van tafel zou gaan. Dus het was al heel moeilijk en het werd al heel krap, maar nu wordt het nog een stuk moeilijker of eigenlijk onhaalbaar. Is het dan niet veel beter als de minister van Klimaat gezegd zou hebben: luister eens, ik ga deze motie gewoon niet uitvoeren. Als je als Kamer een ongedekte motie indient, dan zegt de minister van Financiën: ongedekte moties voer ik niet uit. Maar als je hier moties indient die ongedekt zijn op CO2-gebied, dan worden ze wel uitgevoerd. Is dat niet heel tegenstrijdig?

Minister Hermans:
We hebben in 2019 het Klimaatakkoord gesloten. Daarbij is de CO2-heffing afgesproken als een van de maatregelen om de afgesproken doelen te halen. In datzelfde Klimaatakkoord staat ook dat de overheid de verantwoordelijkheid heeft om de randvoorwaarden voor de verduurzaming op orde te brengen en te houden. Ik moet constateren dat dat op dit moment niet zo is. Er is sprake van een enorme drukte op het stroomnet. Bedrijven die wel willen en die eigenlijk klaarstaan om te investeren, krijgen te horen van hun netbeheerder: er is tot begin jaren dertig voor u geen plek op het stroomnet. CCS is nog niet gerealiseerd. Er zijn hoge elektriciteitskosten. Daardoor staan in de internationale economie met name de chemie- en de staalsector ongelofelijk onder druk.

Ik vind het dan de verantwoordelijkheid van het kabinet en mijn verantwoordelijkheid als minister om ook daar oog voor te hebben en te kijken: hoe zorgen we er nou voor dat we die verduurzaming wel op gang houden — er is wat mij betreft geen enkele discussie over dat dat nodig is — zonder dat we instrumenten tot een doel op zich verklaren? Het doel is vergroening en verduurzaming van de industrie hier in Nederland.

De voorzitter:
De heer Stultiens, afrondend op dit punt.

De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Afrondend op dit punt: het is jammer dat we het vandaag niet eens gaan worden. Ik hoop wel dat een volgend kabinet er dan inderdaad mee aan de slag gaat, want ik vind het zonde hoe de klimaatrekening hier wordt doorgeschoven naar met name toekomstige generaties.

De heer Oosterhuis (D66):
In navolging van de vraag van de heer Stultiens: we hebben natuurlijk het klimaatakkoord van Parijs en we hebben het Nederlandse Klimaatakkoord. We hebben ook onze nationale Klimaatwet, die ons verplicht om 55% CO2 te reduceren in 2030. Dat halen we nog niet. Met het schrappen van de CO2-heffingen komen we alleen maar verder van huis. Waarom heeft het kabinet toch voor deze maatregel gekozen?

Minister Hermans:
Omdat je ook realistisch moet zijn als je ziet dat een maatregel niet doet wat je beoogt. Het was bedoeld om een prikkel tot verduurzaming te geven. Dat weet de heer Oosterhuis ongelofelijk goed. Maar je zag dat het voor bedrijven bijna een boete op verduurzaming werd. Ik vind dat je dan met elkaar moet zeggen: wacht even, dit instrument dat wij bedacht hebben, doet niet wat het moet doen. Stel ik daarmee het algemene doel dat we hebben ter discussie, namelijk het verduurzamen van de industrie in Nederland? Ik wil die industrie hier houden, voor onze veiligheid, voor onze economie, voor onze werkgelegenheid. Dat stel ik niet ter discussie; absoluut niet. Maar dan vind ik wel dat we op zoek moeten naar andere manieren, andere instrumenten, om hetzelfde doel voor elkaar te krijgen.

De heer Oosterhuis (D66):
Ik constateer alleen dat die andere manieren er nog niet zijn. Ik hoor dan toch graag hoe dit zich verhoudt tot de Klimaatwet. Ik ben het er helemaal mee eens dat de industrie van belang is, maar ik constateer ook dat de warmtepompverplichting in de woningbouw is geschrapt. In de mobiliteit komt rekeningrijden niet van de grond. Er is nu zelfs sprake van een accijnsverlaging. Op landbouw is überhaupt geen beleid gevoerd. Dan vind ik het te gemakkelijk om het te beperken tot de industrie en te zeggen: daar gaat het nu moeilijk, dus daar doen we niks. Dan krijg ik toch graag een reactie op de vraag hoe we dan wel die 55% halen.

Minister Hermans:
Omdat we ook maatregelen nemen. We discussiëren hier vandaag over de pseudo-eindheffing en de bijmengverplichting groen gas. Het wetsvoorstel is net naar de Raad van State gestuurd. We investeren in CCS. Hopelijk wordt er het komende jaar een investeringsbeslissing genomen over Aramis. We zetten alles op alles om capaciteit op het net voor elkaar te krijgen, zodat bedrijven die willen en kunnen investeren, ook plek hebben op het net om de verduurzaming voor elkaar te krijgen. We hebben een bijmengverplichting voor benzine aan de pomp. Daar nemen we maatregelen voor. Er wordt dus een hele reeks aan maatregelen genomen. Ik sta volgende week in de Eerste Kamer om, naar ik hoop, de Wet collectieve warmte met succes te verdedigen, omdat we ook aan de slag moeten met de warmtetransitie om huizen te verduurzamen die niet over kunnen gaan op een warmtepomp. Kortom, er worden heel veel stappen gezet. Zijn we er? Nee, dat hoort u mij niet zeggen. Zijn er nog stappen nodig? Jazeker. Dat doe ik wel, vind ik — en ik vind dat we dat ook moeten blijven doen — door naar de wereld om ons heen te kijken. Wat gebeurt daar? Wat gebeurt er geopolitiek? Zo kunnen we de klimaattransitie met iedereen hier in Nederland, ook met alle bedrijven die daaraan mee willen doen, samen voor elkaar krijgen.

De voorzitter:
Tot slot.

De heer Oosterhuis (D66):
Heel kort, voorzitter. Terecht noemt de minister hier wat ze allemaal wel doet. Ik constateer dat er ook vooral nog heel veel níét gebeurt. Ik constateer ook dat ik geen goed antwoord krijg op de vraag hoe zich dat verhoudt tot de Klimaatwet. Ik denk dat dat wel genoeg zegt.

Minister Hermans:
Je hebt twee manieren van kijken: is het glas halfvol of is het glas halfleeg? Ik vind echt dat wij dan geen recht doen aan alles wat er in Nederland gebeurt door het mkb, door grote bedrijven, door de industrie, door huishoudens, door mensen ieder voor zich, dat we geen recht doen aan waar iedereen mee bezig is, aan de inzet die elke dag wordt gepleegd om aan die klimaat- en energietransitie een bijdrage te leveren. Daarmee zeg ik op geen enkele manier dat we er zijn. Ik ontken niet dat er nog extra stappen gezet moeten worden. De heer Oosterhuis noemde de warmtepomp en hoe je daarmee omgaat in de toekomst. Als je het nou hebt over logische stappen in beleid, denk ik dat we er daar één hebben, zeker als straks de Wet collectieve warmte van kracht is. Maar alleen maar kijken naar wat er niet is of wat er niet gebeurt, vind ik geen recht doen aan de andere kant van het verhaal en de stappen die gezet zijn in de afgelopen jaren.

Mevrouw Teunissen (PvdD):
Het valt me op dat de minister begint over randvoorwaarden voor de industrie en over dat die niet op orde zijn. Die stelt ze nu voorop in de afweging om die CO2-heffing te schrappen. Maar ik wil graag door op de Klimaatwet. Is dat dan geen randvoorwaarde voor de minister? Daar staan concrete doelen in. We zien dat we de klimaatdoelen niet halen en de minister komt niet met een alternatief. Dus is het dan niet verstandiger om nu te zeggen: we gaan het afschaffen van die CO2-heffing even on hold zetten totdat die klimaattafel klaar is en er een concreet alternatief ligt?

Minister Hermans:
Nee. Het kabinet heeft een andere afweging gemaakt, mede ingegeven door een ingediende motie die hier een meerderheid heeft gehaald. We hebben gezegd: die industrie is van groot belang voor Nederland, voor onze economische positie, voor onze veiligheid, omdat die ook raakt aan de strategische autonomie. Ja, die industrie willen we in Nederland houden. Die moet vergroenen en verduurzamen. Dat is de manier om toekomstbestendig te zijn. Ik kan hier wel coûte que coûte een CO2-heffing doorduwen, maar vervolgens stoppen die bedrijven hier, gaan ze produceren over de grens en wordt dezelfde CO2 nog steeds uitgestoten. Daar is het milieu niks mee opgeschoten en het klimaat geen steek verder mee gekomen. Dan zijn we ook nog eens ongelofelijk veel banen kwijt en gokken we met onze veiligheid en de productie van goederen die ik heel graag hier maak en niet elders.

Mevrouw Teunissen (PvdD):
De klimaatdoelen zijn van groot belang voor Nederland, want als we die niet halen, zal de klimaatschade die dat veroorzaakt, afgewenteld worden op de hele samenleving, niet alleen maar op de bedrijven waar de minister het over heeft. Dus mijn vraag is een heel concrete. Als je dan besluit tot een afschaffing van een effectieve maatregel, een bewezen effectieve maatregel, dan is het toch onverantwoord om dat eerst te doen voordat je een alternatief hebt? Dus waarom stelt zij de omstandigheden voor de bedrijven wel als randvoorwaarde om aan te voldoen, maar niet de Klimaatwet?

Minister Hermans:
Nee, die dingen bestaan voor mij naast elkaar. We hebben de Klimaatwet. We hebben afspraken gemaakt. Het is aan dit kabinet en aan elk volgend kabinet om alles op alles te zetten om die doelen binnen bereik te halen. Ik vind het ook van groot belang dat we dat op zo'n manier doen dat we onze ondernemers, bij bedrijven groot en klein, zeker de ondernemers die hier graag een bijdrage aan willen leveren, bij ons houden, zodat we draagvlak hebben voor deze transitie. Het is een marathon, zeg ik tegen mevrouw Teunissen, geen sprint. We zijn op weg naar onze doelstelling voor 2050, in een wereld waar ongelofelijk veel aan de hand is. En ja, dan moet je om je heen blijven kijken naar wat er gebeurt en je daaraan aanpassen. Op geen enkele manier neem ik afstand van het belang van die klimaattransitie. Het is én klimaat én economie én veiligheid. Daardoorheen loopt het feit dat we groene en schone energie, dichtbij geproduceerd, heel hard nodig hebben.

De voorzitter:
Uw beantwoording over de vliegbelasting.

Minister Hermans:
Voorzitter. Mijn laatste blokje gaat over de vliegbelasting en groen gas. Ik begin met de vliegbelasting. Ik heb een vraag van mevrouw Teunissen over het Frans-Keniaanse initiatief op de COP30: the Solidarity Coalition for Levies on Premium Flyers. Ik heb vorige week heel veel van dit soort coalities voorbij zien komen. Dat is ook echt de kracht van de klimaatconferentie, vind ik. Er vormen zich daar allerlei coalities om op specifieke onderdelen de samenwerking te intensiveren. Specifiek over deze coalitie: u weet dat Nederland zich al jaren inzet om de beprijzing van de luchtvaart op Europees en mondiaal niveau meer te harmoniseren. Het voorstel waar deze coalitie aan werkt, kan daaraan bijdragen. Hoe dat er precies uit gaat zien en wat de coalitie precies gaat doen, wacht Nederland op dit moment af. Op een later moment maakt dit kabinet of een volgend kabinet de afweging om wel of niet toe te treden tot de coalitie.

Mevrouw Teunissen (PvdD):
Ik heb hier één vraag over. We hebben het luchtvaartverdrag. Dat stamt uit 1947 en zit ons de hele tijd dwars, omdat er een kerosinevrijstelling geldt. Nu ligt er een prachtig initiatief van een aantal landen bij de klimaattop. Die zeggen: we gaan ons inzetten om samen de businessclass en privéjets extra te belasten. Ik hoor dat de minister enthousiast is over het aanpakken en het harmoniseren van beprijzing. Dan denk ik: nou, dan moet je dat samen doen. Ik zou zeggen: wacht dan niet af, maar ga kijken in hoeverre je invloed kunt uitoefenen binnen dat initiatief en samen kunt optrekken om het daadwerkelijk voor elkaar te krijgen. Ik zie niet in waarom Nederland dit niet kan ondersteunen, want het is volledig in lijn met wat de minister net zei.

Minister Hermans:
Ik vind dat als je je bij een coalitie aansluit, je ook moet kunnen leveren. Ik wil gewoon precies weten hoe dit voorstel van die coalitie eruitziet en hoe dat past in het beleid van dit kabinet. Als de afweging aan een volgend kabinet is, dan is dat natuurlijk aan een volgend kabinet. Deze coalitie richt zich natuurlijk heel specifiek op één doelgroep. Overigens is het soms ook goed om van heel breed naar specifiek te gaan, maar ik wil gewoon precies weten hoe dat eruitziet en hoe dat uitpakt. Daarom hebben we gezegd dat we de concrete voorstellen afwachten. Ik zeg daarmee niet dat we het sowieso niet doen, maar ik zeg nu ook niet direct ja.

De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Ik probeer het nog iets scherper te krijgen. Ze zijn net in Brazilië geweest. Frankrijk, Spanje en ook de welbekende Wopke Hoekstra zeiden daar: ga die groep belasten. Ik noem het toch de elite, de privéjets, de businessclassvliegers. Deelt de minister de grondhouding dat deze groep wat meer belasting mag betalen over vluchten?

Minister Hermans:
Er zit een vliegbelasting in het Belastingplan. Het kabinet heeft keuzes gemaakt in de vormgeving daarvan. Het kabinet heeft ervoor gekozen om een onderscheid te maken tussen lange- en korteafstandsvluchten. Ik weet dat er ook andere vormgevingen zijn, maar daarbij verschilt het ook weer of je de belasting per vliegveld of per luchtvaartmaatschappij heft. Dat heeft ook allemaal weer effect op de uitvoering. Ik deel dat je via de vliegbelasting ook iets kunt doen in de richting van de verduurzamingsdoelen. In de vormgeving heeft het kabinet voor het onderscheid naar reisafstand gekozen.

De voorzitter:
U continueert uw beantwoording. Ik zou willen voorstellen om dan even te kijken of er bij dit specifieke onderwerp nog wat op de zeef blijft hangen, minister.

Minister Hermans:
Voorzitter. Ik ging naar de vraag van de heer Vlottes over de mondiale CO2-reductie als gevolg van de aanpassing in de vliegbelasting. Deze maatregel leidt tot een mondiale CO2-reductie van ongeveer 1,9%. Dit komt door een verschuiving van langere vluchten naar kortere vluchten. In het verlengde van het interruptiedebat dat ik zojuist had met de heer Vlottes, wil ik wel benadrukken dat dit niet het doel is van de maatregel. In het hoofdlijnenakkoord van PVV, VVD, BBB en NSC, waarin deze maatregel is opgenomen, is deze maatregel afgesproken met een taakstellende opbrengst van 257 miljoen via een afstandsafhankelijke vliegbelasting. Langere vluchten, die meer uitstoot veroorzaken, worden dus zwaarder belast. Die opbrengst is gebruikt als dekking voor onder meer 2 miljard aan structurele lastenverlichting en koopkracht voor werkende middeninkomens.

Tot slot stelde de heer Vermeer een vraag over groen gas. Hij vroeg of ik bereid ben om iets te doen aan de dubbele energiebelasting bij de productie van groen gas. Ik zie de heer Vermeer en ook mevrouw Van der Plas niet. De grondstof voor het energieproduct, in dit geval de biomassa, is vrijgesteld van de energiebelasting als je groen gas gaat produceren. Wel moet je energiebelasting afdragen over de elektriciteit die je gebruikt om te produceren, dus in dit geval de verwarming van de biomassa. We verschillen van mening over de vraag of hier op een dubbele manier belasting wordt geheven. Vanuit dat perspectief vindt het kabinet het onderzoeken van het wegnemen van die dubbele belasting ook niet nodig. Ik werk wel aan de bijmengverplichting groen gas, die erop gericht is de productie van groen gas te stimuleren. Dat noemde ik net ook al in reactie op een vraag van mevrouw Teunissen.

Tot zover, voorzitter.

De voorzitter:
Dank u wel. Ik weet zeker dat mevrouw Van der Plas en meneer Vermeer elders in het gebouw meeluisteren naar uw beantwoording. Hiermee zijn we aan het einde gekomen van de beantwoording van de minister in deze termijn. Ik geef het woord aan de staatssecretaris.

Staatssecretaris Heijnen:
Voorzitter. Het is goed om hier vandaag met elkaar te spreken over het Belastingplan. Ik heb de Kamer goed gehoord en ik zal mijn inleiding kort houden. Ik wil in ieder geval de heer Oosterhuis en de heer Hoogeveen nogmaals feliciteren met hun maidenspeech. Ik heb ervan genoten! Ook u, voorzitter, wil ik vanaf deze plek nogmaals feliciteren met uw benoeming.

Dan ga ik verder. Ik heb in het debat vanuit verschillende partijen verschillende visies op het belastingstelsel en de toekomst gehoord. Maar ik heb ook meerdere overeenkomsten in de verschillende bijdragen gehoord. Een belangrijke is dat veel van de leden aandacht vragen voor de uitvoerbaarheid, voor burgers, bedrijven en onze uitvoerende diensten.

Als u mij toestaat, voorzitter, wil ik graag kort nader ingaan op de vraag hoe te komen tot een hervorming van het belastingstelsel, voordat ik aan de beantwoording van de vragen begin. Ik dank de heer Oosterhuis voor deze vraag. Ik had een aantal pagina's voorbereid, maar ik zal het heel kort samenvatten. Het begint wat mij betreft met een heldere integrale visie op hoe een nieuw belastingstelsel eruit moet zien. Daarbij moeten er ook strategische en belangrijke keuzes worden gemaakt over de doelstelling van het belastingstelsel en de verdeling, de belastingmix. Dan is het heel belangrijk om daar bij de formatie — dat is een natuurlijk moment; de heer Grinwis wees daar ook al op — hele concrete afspraken over te maken. Wat mij betreft moeten we dus uitgaan van een integrale visie en dan hele concrete afspraken maken. Daarbij lijkt het heel logisch om bij een van de elementen waarover heel veel discussie is, box 1, te beginnen. Ik wijs erop dat ook de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs daar anderhalve week geleden specifiek aandacht voor heeft gevraagd. Ik vind het dus ook — dan ben ik aan het einde van mijn inleiding, voorzitter — een gemiste kans dat de herziening van ons belastingstelsel niet als zesde onderwerp op de formatietafel ligt. Maar misschien kan de heer Oosterhuis daar nog verandering in brengen.

Voorzitter. Terug naar het pakket Belastingplan 2026. Zojuist heeft de minister van KGG, mevrouw Hermans, de vragen omtrent het klimaat beantwoord. Ik zal de beantwoording van de vragen doen aan de hand van de volgende blokjes: het wetsvoorstel Belastingplan 2026, box 3, het wetsvoorstel Differentiatie tarief vliegbelasting, voor zover nog niet beantwoord door de minister, het wetsvoorstel Stroomlijning fiscaal inzagerecht en een aantal andere onderwerpen, de varia.

Voorzitter. Ik wil uw Kamer toch nu al bedanken voor het behandelen van deze wetsvoorstellen in zo'n korte tijd. De Via Gladiola is bijna in zicht en we naderen de finish op donderdag.

Voorzitter. Dan ga ik naar het wetsvoorstel Belastingplan. De heer Dijk van de SP vraagt hoe ik verklaar dat mijn eigen ministerie waarschuwt dat arbeid al te zwaar wordt belast, zeker in verhouding tot kapitaal, maar dat de inkomstenbelasting wel in stapjes wordt verhoogd. De heer Dijk heeft er gelijk in dat door middel van de tabelcorrectiefactor het behoud van het verlaagde btw-tarief wordt gedekt. Het heeft ook niet mijn voorkeur om de lasten op arbeid te verhogen, maar op deze manier wordt de lastenverzwaring zo breed mogelijk gedragen. Het voordeel van het behoud van het lage btw-tarief op cultuur, media en sport is ook voor alle Nederlanders. En de koopkrachtontwikkeling voor volgend jaar is positief, voor alle inkomensgroepen. Uiteraard wordt de ontwikkeling van de koopkracht gemonitord.

Als een volgend kabinet een visie vormt — daar begon ik mee — voor een belastingstelsel en aan de slag gaat met een hervorming, kan het ervoor kiezen om de belastingmix daarbij te betrekken en te overwegen de lasten op arbeid als geheel te verlagen. U zult begrijpen: dit demissionaire kabinet maakt dergelijke fundamentele keuzes niet meer.

Dan ga ik naar de vraag van mevrouw Van Dijk of we kunnen volstaan met vastleggen dat een deelfiets niet meer dan incidenteel voor privédoeleinden mag worden gebruikt en of we niet, in mijn eigen woorden, af kunnen van die 10%. Ik snap de wens van mevrouw Van Dijk om de uitvoering zo eenvoudig mogelijk te maken heel goed. De bedoeling van ons wetsvoorstel is om alle deelfietsen die zakelijk worden gebruikt, onbelast te houden. Ik denk dat we dat doel delen, zeg ik via de voorzitter tegen mevrouw Van Dijk.

Daarvoor is, denken wij, wel een eenduidige fiscale definitie van het begrip "deelfiets" nodig. Er is gekozen voor een 10%-norm, met name om een open norm te vermijden. Hiermee bedoelen we de fiets die bijna nooit mee naar huis gaat. Deze afbakening omvat deelfietsen en is misschien zelfs nog iets ruimer dan dat, want die geldt ook voor dienstfietsen die uiteindelijk maar door één werknemer worden gebruikt. De 10%-norm speelt dus alleen bij twijfel een rol, bijvoorbeeld als een werknemer een dienstfiets regelmatig mee naar huis neemt. We hebben dat uiteraard ook met de Belastingdienst afgestemd wat betreft de uitvoering. De Belastingdienst verwacht slechts beperkt discussie over de toepassing van de bijtelling van nihil.

Dan ga ik naar een vraag van de heer Hoogeveen over de lucratiefbelangmaatregel en de multipliermaatregel. Het klopt, zeg ik tegen de heer Hoogeveen, dat daardoor het tarief naar maximaal 36% wordt verhoogd, gelijk aan het box 3-tarief. Als je kijkt naar de belastingheffing op carried interest in andere landen, zoals het Verenigd Koninkrijk, Spanje, Italië en Duitsland — dat was de vraag van de heer Hoogeveen — zie je dat die daar momenteel tussen de 25% en 30% is. De Britse regering heeft op 21 juni dit jaar wel enkele wijzigingen aangekondigd bij de belastingheffing op carried interest, en wel vanaf april 2026. Afhankelijk van het type carried interest wordt het voordeel effectief belast tegen een tarief van 34% tot maximaal 47%. Wij zijn van mening dat met de voorgestelde multipliermaatregel de belastingdruk voor middellijk gehouden lucratiefbelangaandelen beperkt wordt verhoogd in box 3 tot maximaal 36%. Wij zijn ook van mening dat het tarief daarmee niet te veel verschilt van de belastingdruk in het buitenland op vergelijkbare inkomsten.

Dan vraagt mevrouw Van Dijk ook naar de fraudebestendigheid van de pseudo-eindheffing. De minister ging al in op de klimaateffecten. Ik neem deze vraag qua uitvoering uiteraard voor mijn rekening. In de uitvoeringstoets van de Belastingdienst werd al aangegeven dat de Belastingdienst niet geautomatiseerd beschikt over gegevens van welke fossiele personenauto's door werkgevers ter beschikking worden gesteld. De Belastingdienst kan en gaat de juistheid wel toetsen via onder andere bedrijfsgesprekken en boekenonderzoeken. Ik wijs de Kamer erop dat deze werkwijze geldt voor meerdere heffingen en vrijstellingen, in ieder geval binnen de loonbelasting. Denk aan het toepassen van sommige gerichte vrijstellingen. Daarbij is het belangrijk dat wij denken erop te mogen vertrouwen dat burgers en bedrijven zich houden aan de wet en dat zij bij deze maatregel de juiste belasting afdragen.

Dan kom ik op een andere vraag van de heer Ergin — ik zie hem niet — over de pseudo-eindheffing. Hij vraagt zich af of deze heffing niet veel extra lasten oplegt aan ondernemers en aan mensen thuis. Het treft bijvoorbeeld ook taxichauffeurs en rijschoolhouders. Hij vraagt daarom of er voldoende oog is voor de kleine ondernemers. Laat ik vooropstellen dat de pseudo-eindheffing alleen werkgevers raakt. De heffing is dus niet van toepassing op ib-ondernemers of op de mensen thuis. Kleine werkgevers kunnen uiteraard wel geraakt worden, als zij fossiele personenauto's ter beschikking stellen aan werknemers voor privégebruik. Dat geldt ook voor taxibedrijven en rijschoolhouders. De werkgever is de pseudo-eindheffing uiteraard niet verschuldigd als de werknemers van deze bedrijven de auto alleen voor zakelijke kilometers gebruiken.

De voorzitter:
Hoe vordert u in het blokje?

Staatssecretaris Heijnen:
In het blokje Belastingplan …

De voorzitter:
Oké, ik hoor het al.

Mevrouw Van Eijk.

Mevrouw Van Eijk (VVD):
Het zijn ongeveer 50 maatregelen, voorzitter.

De voorzitter:
Ja, dat dacht ik al.

Mevrouw Van Eijk (VVD):
Ik was alleen aan het kijken of de beantwoording over de pseudo-eindheffing hiermee afgerond was. De minister is daar ook al op ingegaan. Zij gaf in haar termijn aan dat het aankomend jaar ook nog gebruikt wordt om te kijken waar we de maatregel werkbaarder kunnen maken, bijvoorbeeld door ook te kijken naar definities en naar een stukje vereenvoudiging. Ik heb zelf een amendement ingediend om iets te doen met het moment waarop deze strafheffing aanvangt, om het in die zin eerlijker te maken. Neemt het kabinet dat punt ook nog mee in die uitwerking van het aankomend jaar? Ik voel namelijk wel wat weerstand tegen mijn amendement, terwijl de intentie echt is om te kijken hoe we deze maatregel in de praktijk werkbaarder kunnen maken.

Staatssecretaris Heijnen:
Dit is een bekend punt. Dat hebben we volgens mij ook besproken tijdens het wetgevingsoverleg. Wij zullen daar uiteraard constructief naar kijken. Ik heb ook begrepen dat er voor het amendement, dat ik nog niet precies ken, nauwelijks dekking nodig is. Wij hebben daar in het wetgevingsoverleg over gesproken, ook in vergelijking met de bijtellingsregeling die anders werkt. We zullen daar dus naar kijken. Volgens mij gaat het amendement in op de "eerste van de maand volgend op". Ik weet het niet zeker, dus ik vraag het even.

Mevrouw Van Eijk (VVD):
Nee, het vangt aan op het moment van de eerste terbeschikkingstelling van de auto en geldt niet voor de volledige maand, zoals nu in de wet is opgenomen. Als je op de twintigste je auto ter beschikking gesteld krijgt, dan is het gewoon eerlijker als pas op de twintigste die strafheffing in rekening wordt gebracht. Het vraagt dus een pro-ratabenadering.

Staatssecretaris Heijnen:
Helder. Ik zeg daar gelijk bij dat we er bewust voor hebben gekozen dat pseudo-eindheffing voor de hele maand geldt, ook als je de auto maar één dag per maand ter beschikking hebt gesteld gekregen. Bij de regeling zelf is er dus geen pro-ratabenadering. De vraag is dus of je dat dan wel moet doen bij de eerste terbeschikkingstelling, zeg ik heel eerlijk.

De voorzitter:
U continueert.

Staatssecretaris Heijnen:
Mevrouw Van Eijk vraagt ook of ik het risico zie dat de versobering van de extraterritoriale kostenregeling gevolgen kan hebben voor de forfaitaire expatregeling, de 30%-regeling. Ik ben het met mevrouw Van Eijk eens dat de expatregeling een belangrijke rol speelt in het kunnen aantrekken van kenniswerkers uit het buitenland en ook voor het Nederlandse vestigingsklimaat. Tegen mevrouw Van Eijk zeg ik dat de voorgestelde versobering van de ETK-regeling geen gevolgen heeft voor de expatregeling. Het is wel zo dat deze twee maatregelen met elkaar verbonden zijn. Dat was ook de achtergrond van de vraag van mevrouw Van Eijk. De ETK-regeling vormt de basis en de onderbouwing van de expatregeling. Daarom is het mogelijk dat een verdere versobering van de ETK-regeling als effect heeft dat ook de expatregeling moet worden versoberd. Ik kan natuurlijk niet spreken namens een volgend kabinet, maar dit kabinet heeft in ieder geval geen plannen voor verdere ingrepen in de expatregeling.

Dan ga ik naar een vraag van de heer Stoffer over de stand van zaken van het afvalmaatregelenpakket. Ook de heer Grinwis vroeg daarnaar. Tijdens de debatten vorige week hebben we een aantal keer van gedachten gewisseld over de belastingmaatregelen voor de afvalsector. De onderdelen van dit pakket en de overwegingen van dit pakket heb ik gisteren per brief schriftelijk met u gedeeld en licht ik u ook mondeling graag nog een keer toe, omdat ik begreep dat er een heleboel vragen over waren.

Allereerst wil ik nogmaals benadrukken dat het kabinet zich er ook uitermate bewust van is dat dit een forse opgave is voor de afvalsector. In mijn optiek zit dit vooral in de maatvoering van het pakket. Er zijn tegelijkertijd goede redenen, zo denken wij, waarom voor deze technische dekking is gekozen. De dekking moest per 2028 worden geleverd, waarmee de fiscale maatregelen ook per diezelfde datum uitvoerbaar moeten zijn. Gezien de doorlooptijd van nieuwe heffingen, die langer is, liggen voor de eerste jaren dekkingen via tariefsaanpassingen in bestaande belastingen voor de hand. Ten tweede is het een overweging dat het verbranden van afval in Nederland relatief goedkoop is, ook in vergelijking met andere landen. Een deel van het buitenlands afval wordt daardoor hier verbrand. Ten derde ligt de prikkel voor het toepassen van CCS — de minister had het er ook al over — bij afvalverbrandingsinstallaties lager dan voor de ETS1-industrie. Dit komt doordat de CO2-heffing alleen het fossiele deel van de CO2-uitstoot belast, terwijl bij AVI's ongeveer twee derde van de CO2-uitstoot biogeen en dus niet fossiel is.

Maar zoals gezegd is de huidige maatvoering fors. Volgens mij deed de heer Luc Stultiens het voorstel om een deel van de lastenverzwaring breder over de keten te verdelen. Dat vinden wij zeker een interessante gedachte. Dit sluit ook aan bij de aanpak van de Werkgroep afvalsector. Daar worden maatregelen uitgewerkt in het brede circulaire domein. U heeft …

De voorzitter:
Maakt u uw zin af. Nee? Mevrouw Inge van Dijk.

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Als het interessant is, kan het dan niet gewoon een toezegging worden? Dan kunnen we die noteren en hebben we volgens mij alweer een stapje gezet.

Staatssecretaris Heijnen:
Ik heb even niet helemaal helder welke toezegging mevrouw Van Dijk nu vraagt.

De voorzitter:
Volgens mij beweegt u in haar richting. Maar we gaan het horen.

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Het kabinet geeft nu aan dat het het voorstel van collega Stultiens heel interessant vindt. Volgens mij vindt een grote meerderheid van de Kamer dat we op die manier moeten gaan kijken. Dus ik dacht: als we hier nu eens een toezegging van maken.

Staatssecretaris Heijnen:
Ik snap de vraag; dank u wel. Ik vraag me af of ik die toezegging op dit moment kan doen, want de Werkgroep afvalsector moet nog rapporteren. Dat is voorzien voor het einde van dit jaar. In die rapportage zullen we zien welke maatregelen uiteindelijk naar voren zijn gekomen in dat overleg. Ik kan wel aangeven — dat heb ik ook in de brief gedaan — dat diverse mogelijkheden, diverse alternatieven, worden onderzocht en dat er ook binnen de afvalstoffenbelasting zelf wordt gekeken. Ik kan nu niet vooruitlopen op de uitkomsten van de werkgroep, maar ik kan wel tegen mevrouw Van Dijk zeggen dat het kabinet zich zeer gecommitteerd voelt aan de opgave waar deze werkgroep voor staat. Tegelijkertijd, en dat is misschien deels ook wel een antwoord op de vraag die gesteld werd, wil ik nogmaals benadrukken dat het geen gemakkelijke opgave is om maatregelen te vinden die zowel uitvoerbaar zijn, een tijdige bijdrage leveren aan de budgettaire taakstelling als ook, ten derde, circulariteit en klimaat bevorderen. De Kamer realiseert zich dat ook. Zoals aangegeven in de brief, is na rapportage van de werkgroep besluitvorming voorzien voor het voorjaar, of wellicht eerder bij de formatie.

De voorzitter:
De heer Grinwis voor een beknopte interruptie.

De heer Grinwis (ChristenUnie):
Dank voor die aankondiging, voorzitter. Mijn vraag aan de staatssecretaris is de volgende. Hij schrijft in zijn brief dat de afvalverbranders in principe een beroep kunnen doen op ondersteuning, zoals bij de SDE++. Alleen is dat potje bij de minister die nu naast de staatssecretaris zit, zo goed als leeg. Dus in hoeverre gaan we dan daadwerkelijk verduurzamen en CO2 onder de grond stoppen? Of wordt het effect toch de export van afval? En hoe gaan we dat nou voorkomen?

Staatssecretaris Heijnen:
Dat is een goede vraag. De heer Grinwis heeft het met name over een stukje subsidiëring. Ik weet niet of de werkgroep daarnaar kijkt, maar ik denk dat het goed zou zijn om de mogelijkheden daarvan in ieder geval mee te nemen. Er zal uiteraard wel voldoende geld in het potje moeten zitten. Dat ben ik met de heer Grinwis eens.

De voorzitter:
U vervolgt uw beantwoording.

Staatssecretaris Heijnen:
Dan vraagt de heer Stoffer over de afvalstoffenbelasting en meer specifiek de vrijstelling voor zuiveringsslib of ik kan toezeggen dat de Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden — de UDO, heb ik inmiddels begrepen — wordt uitgevoerd. Zoals de heer Stoffer ongetwijfeld weet, is de UDO bedoeld voor situaties waarin beleid van het Rijk het beleid van decentrale overheden raakt, zoals bij het uitbesteden van taken. Het schrappen van de vrijstelling heeft strikt genomen geen invloed op het takenpakket van de waterschappen. Maar om aan het verzoek van de Kamer en, begrepen wij, ook van de Unie van Waterschappen tegemoet te komen, zal voor deze maatregel ook de formele route van een Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden worden opengesteld. De resultaten zullen trouwens in het eerste kwartaal volgend jaar met uw Kamer worden gedeeld.

De heer Vermeer vraagt waarom het amendement waarmee sappen worden uitgezonderd pas per 1 januari 2027 in werking kan treden. Zoals aangegeven heeft de Douane een impactscan uitgevoerd naar het amendement. De uitkomst daarvan is dat de wijzigingen systeemtechnisch en operationeel op z'n vroegst mogelijk zijn per 1 januari 2027. Ik wil hierbij opmerken dat het amendement niet een eenvoudige parameterwijziging is, maar een voorstel met grote gevolgen voor bedrijven en de Douane. Door het amendement moet de categorie vruchten- en groentesappen worden geschrapt van de aangifte- en teruggaafformulieren. Als dat niet gebeurt, is er kans op onjuiste aangiften, die dan moeten worden hersteld. Dat vraagt om extra capaciteit, en dat vinden wij onwenselijk. Daarnaast is het zo dat door het amendement producenten van sap geen vergunning meer nodig hebben. De vergunningen van producenten die zowel sap als andere dranken produceren, moeten ook worden aangepast. Ook dat kost tijd. Daarnaast, tot slot, moet de Douane zich ook voorbereiden op nieuwe afbakeningsdiscussies die zullen ontstaan door het uitzonderen van een nieuwe categorie dranken.

Ik blijf nog even in de verbruiksbelasting en ga naar de vraag van de heer Stoffer of het kabinet niet al kan beginnen met het uitwerken van scenario 5 van de brief.

De voorzitter:
En dat mag met een tandje extra snelheid, als de staatssecretaris daartoe in staat is.

Staatssecretaris Heijnen:
Ik ga mijn best doen, voorzitter.

Zoals ik ook in het wetgevingsoverleg heb aangegeven, vind ik net als uw Kamer dat er snel duidelijkheid moet komen over de toekomst van de verbruiksbelasting. Maar snelheid moet wel samengaan met zorgvuldigheid. Tijdens het wetgevingsoverleg heeft de heer Grinwis gevraagd om een actualisatie van onder andere uitvoeringsaspecten voor de scenario's 4 en 5, ook naar aanleiding van de aanpassing van het vleugje zuivel. De heer Stultiens vroeg mij daarbij om ook de effecten voor de eerste drie scenario's mee te nemen. Deze brief heb ik al toegezegd en kunt u medio februari ontvangen. Ik denk eerlijk gezegd dat het goed is als de Kamer eerst kennisneemt van de actuele cijfers en inzichten. Er moeten namelijk belangrijke keuzes worden gemaakt over de tarieven, de minimumbieraccijns, gezondheidsaspecten en uitvoeringsaspecten zoals frauderisico.

Als u mij toestaat, voorzitter, nog even over de verbruiksbelasting, want dat is denk ik wel belangrijk. Ik heb toegezegd dat ik in februari met een brief kom. In die brief zal ik ook aangeven welke uitvoeringsaspecten aan de diverse scenario's zijn verbonden. Als de Kamer dat wil, zal ik daarbij ook het amendement meenemen van de heren Vermeer, Stoffer en volgens mij Hoogeveen over het toevoegen van vruchten- en groentesappen aan de vrijstelling. Het is wel belangrijk om je te realiseren dat het nu "suikertaks" wordt genoemd, maar geen suikertaks is. Het is een verbruiksbelasting met één vlak tarief, waarbij een aantal dranken zijn uitgezonderd. Op het moment dat we een van de scenario's kiezen waarbij er geheven wordt op basis van suikergehalte, wijzigt er natuurlijk behoorlijk wat in de uitvoering en in de maatregel. Vanuit die optiek zou wellicht het toevoegen van een of meerdere aparte dranken eenvoudiger kunnen zijn. Maar zoals gezegd ga ik daar in de brief van februari op in. Dan zullen we ook beschrijven wat de minimale implementatietermijn is van de verschillende scenario's, want dat is belangrijk, denk ik. Ik denk dat het mogelijk zou moeten zijn, als er in het eerste kwartaal van 2026 door uw Kamer een keuze wordt gemaakt, dat het voorstel waarvoor gekozen wordt desgewenst meeloopt in het Belastingplan van volgend jaar. Wellicht kunnen we dan met z'n allen streven naar invoering per 1 januari 2027.

Mevrouw Van Eijk (VVD):
Ik heb een hele specifieke vraag over de verbruiksbelasting en het gezondheidsaspect. Hoeveel invloed heeft een producent op het gezonder maken van producten? Het verschilt per producent of dat wel of niet kan. Bij pure vruchten- en groentesappen is het vanuit het perspectief van de producent beperkt. Zou de staatssecretaris daar ergens in een alinea van zijn brief wat aandacht aan willen geven? Ik vind dat namelijk wel een belangrijke factor om mee te kunnen wegen bij het maken van een keuze in de scenario's.

Staatssecretaris Heijnen:
Zeker, dat kan ik toezeggen. Het gezondheidsaspect is heel belangrijk. We hebben natuurlijk het advies van de Gezondheidsraad, maar ik begrijp dat er inmiddels ook andere studies en adviezen zijn. Al die studies en adviezen zullen we dan ook meenemen.

De voorzitter:
U vervolgt, staatssecretaris. U had net een goed tempo te pakken.

Staatssecretaris Heijnen:
Dank u, voorzitter. Mevrouw Van Dijk vraagt wat mijn collega Karremans ervan vindt dat zijn regeldrukbarometer, waaruit moet blijken dat hij 500 regels schrapt, na het aannemen van het Belastingplan in de min staat. Het kabinetsbeleid is om onnodige regeldruk te voorkomen; dat spreekt voor zich. Daarom kijkt het kabinet bij elk wetsvoorstel heel goed naar de regeldrukeffecten en weegt het die kritisch tegen nut en noodzaak van de maatregelen. Daarbij, zeg ik tegen mevrouw Van Dijk, is het niet te voorkomen dat het soms ook leidt tot een regeldruktoename. Tegelijkertijd is bij diverse fiscale wetsvoorstellen ingezet op een afname van de administratieve lasten, bijvoorbeeld via vereenvoudiging van de voertuigclassificaties in de autobelastingen en de schenkingen binnen 180 dagen na overlijden.

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Het komt misschien over als een flauwe vraag, maar er zit iets heel serieus achter. Aan de ene kant zitten we met elkaar in het debat te zeggen dat het minder moet. Aan de andere kant zou ik het heel mooi vinden als we een manier verzinnen om de deur wat verder dicht te zetten. Mijn vraag is dus eigenlijk als volgt. Als zo'n Belastingplan in de ministerraad komt, in hoeverre wordt er dan specifiek aandacht besteed aan dit onderdeel?

Staatssecretaris Heijnen:
Ik kan mevrouw Van Dijk aangeven dat ieder departement targets gesteld heeft gekregen, volgens mij van minister Karremans. Momenteel wordt er geïnventariseerd welke stappen we verder nog kunnen zetten. Ik heb van hem begrepen dat u als Kamer voor het einde van het jaar met een Kamerbrief geïnformeerd wordt.

Dat was het Belastingplan, voorzitter, althans de vragen die ik genoteerd had. Ik zou nu willen beginnen aan box 3, tenzij u zegt ...

De voorzitter:
Nee, het gaat uitstekend. Ik sta te popelen om te horen over box 3, dus gaat uw gang.

Staatssecretaris Heijnen:
U kunt niet wachten. Ik heb een vraag van de heer Stoffer: ben ik bereid om een oplossing te vinden voor pachtgronden in box 3 die een laag rendement hebben? Belastingplichtigen met een lager werkelijk rendement dan het forfait kunnen gebruikmaken van de tegenbewijsregeling; dat is bekend. Maar vanaf het belastingjaar 2025 is het meteen mogelijk om bij de belastingaangifte zelf het werkelijk rendement op te geven. Het is dus niet zo dat de overheid eerst te veel heft en de burger later weer moet corrigeren, zoals de heer Stoffer wellicht begreep. Er wordt meteen belasting geheven op basis van het juiste rendement. Ik ben me er terdege van bewust dat niet alle belastingplichtigen tevreden zijn met de werking van de tegenbewijsregeling. Daarom zet het kabinet in op zo snel mogelijke invoering van het toekomstige stelsel. Zo wordt altijd op basis van werkelijk rendement geheven.

Dan de concrete vraag van de heer Stoffer. Hij had het over 2% rendement op gepachte gronden. Het kan zo zijn dat die in de totaalberekening niet voldoende gehonoreerd worden. Dan zeg ik: dat is nu eenmaal de systematiek die ook door de Hoge Raad is bepaald, waarbij je het totaalvermogen moet nemen en waarbij hoge en lage rendementen gemiddeld worden. Ik denk dat we het er met elkaar over eens zijn — dat hebben we ook gewisseld in dit wetgevingsoverleg — dat iemand met uitsluitend pachtgronden met succes een beroep op de tegenbewijsregeling zou kunnen doen. Maar iemand die naast pachtgronden ook aandelen heeft die wellicht een hoger rendement opleveren, zal toch het gemiddelde rendement in aanmerking moeten nemen. Wij zien op dit moment dan ook geen reden voor een extra uitzondering voor pachtgronden.

De heer Stoffer vraagt ook of er misschien toch specifieke oplossingen zijn voor de groep eigenaren van rijksmonumenten. Hij vraagt of ik kan toezeggen om op die manier nog een keertje de uitvoering van zijn motie op te pakken in overleg met de sector. Rijksmonumenten zijn van nationale waarde en vaak van cultuurhistorische aard. Naar aanleiding van de motie-Stoffer heeft er overleg plaatsgevonden met de sector en het ministerie van OCW. Voor panden die rijksmonumenten zijn, gelden dezelfde regels als voor overige bezittingen in box 3. De kosten zijn dus niet aftrekbaar.

Tegen de heer Stoffer zeg ik via u, voorzitter: een specifieke maatregel in box 3 voor monumentenpanden is helaas niet mogelijk. Ik wijs er wel op dat particuliere eigenaren van rijksmonumenten met een woonfunctie jaarlijks subsidie kunnen aanvragen voor de kosten die ze het voorgaande kalenderjaar hebben gemaakt. Dat kan bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Door deze subsidie hebben eigenaren van deze rijksmonumenten eigenlijk al een voordeel ten opzichte van andere vastgoedeigenaren, die onderhoud uitsluitend uit eigen middelen moeten bekostigen.

De heer Stoffer (SGP):
Het gaat me eigenlijk om het punt hiervoor: de pachtgronden. We hebben er natuurlijk een heel aantal keren wat over gewisseld, vorige week en ook nu. Ik denk dat de staatssecretaris inmiddels heel goed aanvoelt waar het knelpunt zit. Ik snap dat we er vandaag wellicht niet uit gaan komen. Het is ook niet gemakkelijk. Maar er ligt natuurlijk wel iets specifieks. We hebben in Nederland twee categorieën: spaargeld en de rest van je vermogen dat in box 3 zit. Spaargeld wordt uitgezonderd, omdat het rendement daarop gewoon lager is. Er is ook wettelijk bepaald dat je bijvoorbeeld maximaal 2% rendement mag halen op de pachtgronden waar we het over hebben. In de box zit iets wat volgens mij niet goed voelt. Dat zal de staatssecretaris denk ik wel beamen. Hij zegt: systematisch kan dat niet anders. Zou hij toch specifiek kunnen nagaan wat dit betekent voor bijvoorbeeld de agrarische sector? Ik zou daar graag een toezegging op hebben. Want daar ligt mijn grote zorg: welk effect heeft dat op de agrarische sector? Wat gaat er gebeuren met die landbouwgronden? Geeft dit voldoende perspectief voor onze boeren en voor onze agrarische sector? Zou de staatssecretaris daar specifiek naar willen laten kijken? De vraag is helder, denk ik.

Staatssecretaris Heijnen:
Ja, dat kan ik toezeggen. We zullen daarnaar kijken en uw Kamer daarover informeren.

De voorzitter:
U continueert.

Staatssecretaris Heijnen:
Ik ben al bij het volgende wetsvoorstel, voorzitter. Het gaat snel.

De voorzitter:
Heel mooi.

Staatssecretaris Heijnen:
Ik ga naar de Wet differentiatie tarief vliegbelasting. De minister had daar ook al een aantal vragen over beantwoord.

Ik heb nog wel een vraag van mevrouw Van Dijk; die heeft zij wellicht gemist in de beantwoording. Zij vroeg of we de periode tot aan de invoering van de differentiatie opnieuw moeten benutten voor een economische analyse van de heffing, nu omliggende landen hun tarieven verlagen. Ik las vandaag trouwens in de krant dat andere landen hun tarieven verhogen. De vliegbelasting is dus in ontwikkeling. Maar het klopt. Duitsland verlaagt de vliegbelasting naar verwachting wel pas op 1 juli 2026. Ons naar afstand gedifferentieerde tarief gaat in per 1 januari 2027. Vanaf 2027 zullen we uiteraard periodiek, jaarlijks, de gevolgen van de maatregel monitoren. Indien er toch sprake blijkt te zijn van substantiële weglek, zullen wij bezien of corrigerende maatregelen nodig zijn. Eerder monitoren lijkt mij niet goed mogelijk, zeg ik via de voorzitter tegen mevrouw Van Dijk. Dat komt doordat de effecten van de verlaging van de Duitse vliegbelasting niet direct zichtbaar zullen zijn en er ook nog geen overige data beschikbaar zijn. Dan ga ik naar een heel belangrijk wetsvoorstel: Stroomlijning fiscaal inzagerecht.

De voorzitter:
Maar niet voordat u een interruptie heeft van de heer Jansen. Hij vervangt hier de heer Baudet, die vorige week de eerste termijn namens de Kamer deed voor Forum voor Democratie. Gaat uw gang.

De heer Frederik Jansen (FVD):
Toch las ik gisteren in De Telegraaf een artikel waarin stond dat 82% van de ondernemers overweegt om zakelijke vluchten in het buitenland te gaan doen. Dat vind ik toch wel hele schokkende cijfers. Misschien zijn er nog geen officiële cijfers over de uitwerking van de maatregel, maar er zijn al wel verwachte effecten. Ik ben toch wel benieuwd hoe de staatssecretaris daarnaar kijkt.

Staatssecretaris Heijnen:
Dat bericht heb ik ook gelezen. Volgens mij was het een enquête onder zakelijke reizigers bij 40 organisaties, zeg ik uit mijn hoofd. Als kabinet houden wij toch vast aan de analyse en het onderzoek van CE Delft, die aangeven dat deze maatregel leidt tot een verlaging van het aantal passagiers van maximaal 0,2%, inclusief zakelijke reizigers, doordat ze uitwijken.

Zoals ik al zei, voorzitter …

De voorzitter:
Er is toch nog een interruptie van de heer Hoogeveen, van JA21.

De heer Hoogeveen (JA21):
Daar wil ik toch wel even op doorvragen. De staatssecretaris verwijst naar een onderzoek van CE Delft, waarin eigenlijk het vernieuwde speelveld in Europa nog niet is meegenomen. In omringende landen … Nou ja, België heeft onlangs de belasting een klein beetje verhoogd, maar zit nog steeds significant lager dan Nederland, en bijvoorbeeld Duitsland heeft zijn vliegbelastingen verlaagd. Hoe reflecteert de staatssecretaris daarop?

Staatssecretaris Heijnen:
De verwachte Duitse tariefverlaging doet wat ons betreft geen afbreuk aan de inschatting dat de uitwijkeffecten voor Nederland beperkt zullen zijn. Ter illustratie: 80% van de vluchten die vertrekken van Nederlandse luchthavens zijn korteafstandsvluchten. Voor dit soort vluchten wordt de Duitse vliegbelasting naar verwachting — we weten het nog niet — met €3 verlaagd. Dit verschil is naar onze inschatting te klein om de keuze voor de luchthaven alleen te beïnvloeden.

De voorzitter:
U vervolgt.

Staatssecretaris Heijnen:
Dan ga ik nu beginnen aan het wetsvoorstel Stroomlijning fiscaal inzagerecht. Alle goede dingen in drieën. Mevrouw Van Dijk vraagt of er echt geen goede flankerende maatregelen te bedenken zijn waardoor er wel bezwaar en beroep mogelijk is in het kader van het inzagerecht, desnoods op een later moment. Ik snap die vraag van mevrouw Van Dijk heel goed. Ik hoorde in haar bijdrage van vorige week ook dat rechtsbescherming voor haar een belangrijk element is. Vanuit dat belangrijke element wordt deze vraag ook gesteld, denk ik. Ik wil mijn reactie uit drie dingen opbouwen. Eerst wil ik nog kort een nadere toelichting geven op het wetsvoorstel. Vervolgens wil ik ingaan op de zorgen die mevrouw Van Dijk met ons deelt.

Wij vinden dat met dit inzagerecht een grote stap voorwaarts wordt gezet. Er komt namelijk een portaal waarin het fiscaal dossier van alle belastingplichtigen wordt geplaatst, zonder dat daarvoor een verzoek hoeft te worden gedaan. Concreet betekent dit dat de burger op termijn de informatie kan inzien die de inspecteur over hem tot zijn beschikking had bij het vaststellen van een aanslag of het nemen van een beschikking. Het is de Kamer bekend — volgens mij is dat ook niet zozeer de discussie, maar ik noem het toch maar — dat als dit wetsvoorstel niet wordt aangenomen, het fiscaal inzagerecht zoals het nu is opgenomen in het amendement van de heer Omtzigt bij het Belastingplan 2024, op 31 december van dit jaar ingaat. Dat zou betekenen dat over iets meer dan een maand al kan worden verzocht om inzage in een fiscaal dossier, in alle stukken, voor alle belastingmiddelen en door alle belastingplichtigen. Let op: "alle belastingplichtigen" betekent alleen al wat de inkomstenbelasting betreft 9,5 miljoen mensen. Heel eerlijk: daar zouden zowel de Belastingdienst als de Douane volledig op vastlopen. Vanuit die optiek vinden wij het heel belangrijk om nogmaals onder de aandacht te brengen dat wij het heel belangrijk vinden dat uw Kamer dit wetsvoorstel aanneemt. Het inzagerecht zou daarnaast gaan gelden voor gemeenten, provincies en waterschappen. Uw Kamer is in januari van dit jaar geïnformeerd over de uitvoeringsgevolgen voor de Belastingdienst en de Douane.

In de vraag van mevrouw Van Dijk hoor ik de twijfel over de keuze voor het weglaten van een zelfstandige bezwaar- en beroepsmogelijkheid. Net als mevrouw Van Dijk vind ik het belangrijk — op die manier begreep ik haar bijdrage ook — dat er sprake is van een goede balans tussen enerzijds uitvoerbaarheid, anderzijds transparantie en op de derde plaats rechtsbescherming, ook bij het invoeren van het fiscaal inzagerecht. Vooropgesteld moet worden dat het de bedoeling is dat de informatie die in het portaal staat op termijn volledig zal zijn. Dat spreekt voor zich. Een verzoek voor additionele inzage is dan ook niet aan de orde.

Vorige week heb ik tijdens het wetgevingsoverleg geprobeerd uit te leggen dat het ook onder het voorliggende wetsvoorstel mogelijk blijft om bezwaar en beroep in te stellen en, zolang het portaal nog niet gevuld is, te verzoeken om op de zaak betrekking hebbende stukken. De belastingplichtige heeft daarvoor een aantal rechtsingangen. Ik heb ze even kort op een rijtje gezet. Hij of zij kan bezwaar of beroep aantekenen tegen een belastingaanslag of beschikking waarop de stukken betrekking hebben. Hij kan bezwaar of beroep aantekenen tegen de afwijzingen van een verzoek om een ambtshalve vermindering voor de inkomstenbelasting. Hij of zij kan natuurlijk ook te allen tijde een verzoek doen op grond van de AVG.

Dan uw vraag. Dat is het derde element. Zijn er nu echt geen flankerende maatregelen te bedenken om bezwaar en beroep wel mogelijk te maken? Ik wil vooropstellen dat een bezwaar- of beroepsmogelijkheid tegen een aanslag of een voor bezwaar vatbare beschikking ook nu mogelijk is. Dat weet mevrouw Van Dijk ook, maar toch. In de praktijk gebeurt dat vaak op een moment waarop er een vraag, afwijking op een aangifte of onvrede zal ontstaan.

Ik kan niet nalaten nogmaals te benadrukken dat het inzagerecht ook een aantrekkelijk verdienmodel zou kunnen worden, bijvoorbeeld voor no-cure-no-paybedrijven, als de Belastingdienst en de Douane meer verzoeken zouden ontvangen dan zij kunnen verwerken. Mevrouw Van Dijk weet daar alles van. Ze is nauw betrokken geweest bij de Wet WOZ en bpm een aantal belastingplannen geleden. Als het bezwaar en beroep niet tijdig wordt behandeld, kan dat tot een aantal risico's leiden, zoals een dwangsom, een aanvullende dwangsom, een proceskostenvergoeding of een vergoeding voor immateriële schade. Natuurlijk kunnen we een aantal maatregelen en risico's wegnemen, maar zeker niet allemaal.

Zoals mevrouw Van Dijk ook weet, zijn de vergoedingen voor de WOZ- en de bpm-procedures verlaagd. Dat kunnen wij hier ook doen, maar dan nog denken wij dat de aard van het verzoek dat gedaan moet worden of het bezwaar dat moet worden aangetekend — daar gaat het om — zich uitstekend leent voor door AI gecreëerde bezwaarschriften. Wij denken ook dat het grote verschil met de bpm en de WOZ is dat daar ook nog zaakspecifieke klachten moeten worden aangevoerd. Maar het ligt niet voor de hand dat aan een inzageverzoek hoge motiveringseisen worden gesteld. Zoals ik al zei, zorgt dat ervoor dat inzageverzoeken zich zouden kunnen lenen voor automatisering, waardoor het ook bij een geringe proceskostenvergoeding lucratief kan zijn om een groot aantal verzoeken in te dienen.

Nogmaals, ik begrijp de vragen van mevrouw Van Dijk heel goed. Het is ook een beetje een kwestie van "je kunt niet weten wat je niet weet". Dat is ook een beetje de discussie die je gaat krijgen. Hoe kan ik nu weten welke informatie de Belastingdienst heeft gebruikt? Ik kan daar wel een toezegging op doen. Misschien dat dat voor mevrouw Van Dijk ook wel iets van comfort biedt. Ik kan toezeggen dat ik een invoeringstoets zal doen, zodat wordt gemonitord of de bestaande rechtsingangen afdoende zijn of dat de wetgeving toch aanpassing behoeft. Ik kom dan graag bij uw Kamer terug op de vraag wat hiervoor een goede termijn is. Voor de Belastingdienst stel ik voor dat in de fiscale beleids- en uitvoeringsagenda te doen. Voor de Douane stel ik voor dat in een stand-van-zakenbrief te doen.

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Het is echt een dilemma: uitvoerbaarheid versus goede rechtsbescherming. Volgens mij delen wij dat. Als ik voor deze wet stem, loop ik ook het risico dat ik tegen goede rechtsbescherming stem. Dat voelt niet helemaal lekker. Oké, wat betreft de uitvoeringstoets blijkt dat er toch wel aanvullend beleid nodig is. Maar dan is het nog maar de vraag of dat er gaat komen. Ik zou dus graag de aanvullende toezegging willen krijgen dat als uit de toets blijkt dat flankerend beleid echt nodig is, dat er ook gaat komen om die rechtsbescherming te borgen.

Staatssecretaris Heijnen:
Even voor de volledigheid: een invoeringstoets, niet een uitvoeringstoets. Als uit die invoeringstoets blijkt dat de bestaande rechtsingangen niet voldoende zijn, dan moet er uiteraard actie op ondernomen worden. Dat kan ik toezeggen.

De voorzitter:
Mevrouw Inge van Dijk gaat er even over nadenken.

Staatssecretaris Heijnen:
Dan, voorzitter, ben ik bij het hoofdstukje diverse. Het gaat snel!

De voorzitter:
Het gaat heel goed.

Staatssecretaris Heijnen:
"Diverse", dat is best wel veel.

De voorzitter:
Ik juich dat toe, excellentie.

Staatssecretaris Heijnen:
Toch weer een vraag van mevrouw Van Dijk: waarom is in de kansspelbelasting geen tariefdifferentiatie mogelijk, terwijl dit bij de vliegbelasting wel kan? Ik begreep de vergelijking van de kansspelbelasting met de vliegbelasting heel goed. Bij de discussie over de kansspelbelasting bleek dat het niet kon. Maar ik wil mevrouw Van Dijk aangeven dat er wel grote verschillen tussen beide belastingen zijn. Zo is een handmatige verwerking bij de kansspelbelasting geen optie. Er zijn namelijk veel meer belastingplichtigen — namelijk 500 — dan de 7 belastingplichtigen bij de vliegbelasting. De verwerking zou daarom ook veel complexer zijn. Afgelopen donderdag heb ik daarnaast nog een aantal andere argumenten genoemd waarom naar ons idee tariefdifferentiatie geen goed idee is. Ik noem ze even op. Er zou een fiscale regeling toegevoegd moeten worden, die naar verwachting niet doelmatig is. Het belastingstelsel wordt ingewikkelder in plaats van eenvoudiger. Differentiatie is niet in lijn met het kansspelbeleid. Het leidt tot een afbakeningsproblematiek: wat is een hoog risico en wat is een laag risico? En tot slot is er een risico op ongeoorloofde staatssteun. De gedachte achter de vraag van mevrouw Van Dijk is: leidt tariefdifferentiatie niet tot hogere afdrachten voor goede doelen? Wij zijn van mening dat als wij dat doel willen bereiken, dat beter op een andere manier kan worden nagestreefd, bijvoorbeeld door een subsidie. Het is geen kwestie van niet willen; het is echt complexer dan dat.

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Betekent dat dat er een subsidievoorstel gaat komen naar de Kamer?

Staatssecretaris Heijnen:
Nee, dat betekent het niet. In ieder geval niet van mijn kant.

De voorzitter:
U continueert.

Staatssecretaris Heijnen:
Maar dat wist mevrouw Van Dijk wel.

Mevrouw Van Dijk vraagt ook hoe we stappen voorwaarts kunnen zetten voor "de basis op orde" en een betere uitvoerbaarheid in het licht van de omvangrijke beleidsopdracht voor de Belastingdienst. Ze geeft aan bij de uitvoerbaarheid te kijken naar drie aspecten: ICT, personeel en complexiteit van het stelsel. Dat bepaalt uiteraard ook de kwaliteit van de dienstverlening en het niveau van toezicht door de Belastingdienst. Laat ik langs die drie lijnen antwoord geven.

Wat betreft de ICT is het bekend: de vernieuwing en doorontwikkeling van het ICT-landschap van de Belastingdienst vereist blijvende aandacht. Zo blijft het belangrijk, zeg ik nogmaals tegen deze Kamer, om zo veel mogelijk vast te houden aan de afspraak om de modernisering van de ICT voorrang te geven boven nieuwe wetgeving. Ruimte voor hervormingen van het belasting- en toeslagenstelsel vergt daarbij, vinden wij, ook een meerjarenvisie. Ik heb dat in mijn inleiding al vermeld. Dan zouden we, denk ik, met z'n allen moeten bepalen welke wetgeving we componeren en welke stappen voor verbetering van dienstverlening en toezicht we willen zetten. Dat is, denk ik, een uitdaging voor het nieuwe kabinet. De Kamer weet ook — dat blijkt ook uit de brieven die we daarover hebben gestuurd — dat voor de meeste ketens geldt dat er vanaf 2027 of 2028 weer ruimte ontstaat voor nieuwe beleidswensen die een structuurwijziging vergen.

Dan ga ik naar het personeel. Dat is ook een hele belangrijke parameter, eigenlijk de belangrijkste van elke organisatie. De Belastingdienst slaagt er gelukkig in om voldoende gekwalificeerd personeel te werven en te behouden. U heeft wellicht in de laatste stand-van-zakenbrief gelezen dat we op dit moment op 100% bezetting zitten qua formatie. Ik zeg erbij dat dit zo is ondanks de krappe arbeidsmarkt. Ik denk dat dit een hele mooie prestatie is. Tegelijkertijd realiseer ik mij terdege dat de personele bezetting van de Belastingdienst in de toekomst onder druk blijft staan. Over een aantal jaren gaan de nodige mensen met pensioen. Ook vergt de beleidsopdracht de komende jaren extra capaciteit. Daarbij vergt deze, denk ik, veel aandacht voor het tijdig opleiden van medewerkers en ook nadrukkelijk voor ons personeel. We hebben die aandacht al. Ik vat het kort samen. Is het een aandachtspunt? Ja. Maak ik me er zorgen over? Nee.

De voorzitter:
U bent volhoudend, mevrouw Van Dijk. Dat is heel goed.

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Ja, sorry. Ik maak me daar namelijk wel zorgen over, want in het overzicht uitvoerbaarheid van de Belastingdienst wordt er geschreven dat het wel degelijk een grote zorg is. Met name fiscalisten, accountants en IT'ers zijn lastig te werven en dit is dus een zorg.

Staatssecretaris Heijnen:
Ik snap dat dat daar staat. In die zin klopt dat. Maar ik zie dat tot dusverre meer als aandachtspunt en niet als een zorg die we niet kunnen oplossen.

Dan kom ik tot slot bij complexiteit. Ik zeg heel eerlijk dat er voorstellen zijn die het stelsel nog complexer maken, maar ook voorstellen die de Belastingdienst helpen. Aan de andere kant is het gehele pakket geen vereenvoudiging; we hadden het er net al over bij de maatregelenmatrix van de heer Karremans. Dat is misschien ook wel een beetje lastig bij een belastingpakket, maar goed, daar moeten we gewoon eerlijk in zijn. Ik wil hierbij overigens een compliment maken aan de heer Stultiens voor het meedenken bij enkele amendementen, zoals dat over de vliegbelasting, waarbij hij rekening houdt met de complexiteit en de benodigde implementatietermijn voor de Belastingdienst. Het is, denk ik, heel belangrijk om dat te doen. Maar dit even terzijde. Dat is dus eigenlijk mijn reactie op de vraag van mevrouw Van Dijk: de basis op orde langs die drie lijnen.

Mevrouw Van Eijk (VVD):
Ik moet bekennen dat ik nog niet helemaal bijgelezen ben wat betreft de stand-van-zakenbrief van de Belastingdienst. Wel viel mij een artikel in de media op over onder andere productiviteit. Je kan dus heel veel mensen hebben, maar mensen moeten ook maximaal productief zijn en de organisatie moet daar ook in faciliteren. Misschien kan de staatssecretaris daar nog een korte reactie op geven.

Ik heb nog een ander punt over digitalisering en over wat je als Belastingdienst zelf doet en wat je aan ketenpartners laat. Daarover hebben we ook vaak een discussie met elkaar gehad als het ging over niet-fiscale taken. Een voorbeeld daarvan is de digitalisering van de bpm-aangifte. De RDW was klaar en had het op 1 juli volgend jaar kunnen doen, maar de fiscus heeft daar anderhalf of twee jaar langer voor nodig.

De voorzitter:
Wat is uw vraag?

Mevrouw Van Eijk (VVD):
Graag ook een reactie van de staatssecretaris op dat punt. Met andere woorden: we hoeven niet alles zelf te doen, want soms zijn er hele logische partners om het voor ons te doen.

Staatssecretaris Heijnen:
Laat ik met de tweede vraag beginnen, ook omdat ik daarop op dit moment het antwoord schuldig moet blijven. Ik zou graag willen afspreken dat ik daar in tweede termijn op terugkom. De eerste vraag gaat over de productiviteit. Dat is inderdaad een belangrijk punt, zoals mevrouw Van Eijk aangeeft. Dat ligt in de kern niet bij de mensen die het betreft, maar bij de arbeidsvoorwaarden en bij de systemen waarmee ze moeten werken. Daarin moeten we, denk ik, de komende periode een optimaliseringsslag slaan. Wij denken dat die productiviteit beter kan, maar dan moeten wij onze mensen wel in staat stellen om die productiviteit te realiseren. Daarin zie ik wel verbetermogelijkheden. Op de tweede vraag kom ik terug.

De voorzitter:
Komt u in de richting van zicht op het einde van uw beantwoording?

Staatssecretaris Heijnen:
Nou … Nee.

De voorzitter:
Nee? O. Ik dacht: ik probeer het gewoon. Gaat u verder.

Staatssecretaris Heijnen:
Dank u. Dan een vraag van mevrouw Van Dijk over de kennisgroepen en de standpunten van die kennisgroepen. Is dat dan een wet of meer een richtlijn, en kan daarvan afgeweken worden? Zoals bekend geven de kennisgroepstandpunten wetstechnische uitleg in een specifiek geval. Als er een kennisgroepstandpunt ligt, is dat in principe wetsinhoudelijk bindend voor de medewerkers. Maar, zo zeg ik tegen mevrouw Van Dijk, of een casus bij de kennisgroepstandpunten wordt aangemeld en of een eigen casus feitelijk hetzelfde is als de casus waarop de kennisgroep zijn standpunt heeft bepaald, is in principe aan de individuele medewerker zelf. Mevrouw Van Dijk had het hierbij over de menselijke maat. Is er nog wel ruimte voor de menselijke maat, vroeg zij. Ja, bij de behandeling van een casus past de inspecteur de menselijke maat toe. Dit betekent dat hij ook kijkt welke ruimte er is binnen wet- en regelgeving om rekening te houden met de omstandigheden van het individuele geval. Ik denk dat de kennisgroepstandpunten ook wel een goede ontwikkeling zijn. Ik ben met name erg blij met de transparantie die we vanaf 2023 geven. Ook daarover zag je namelijk vorige week wat berichten in de krant, die uiteindelijk wel een goede discussie tot stand hebben gebracht.

Dan heb ik een hele hoop vragen van de heer Vermeer, maar ik zie dat mevrouw Van der Plas inmiddels gearriveerd is, dus ik zal me tot haar richten. De heer Vermeer heeft vastgesteld dat het schorsen van een kampeerauto …

De voorzitter:
Maar niet voordat mevrouw Inge van Dijk toch nog een interruptie heeft.

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Was dit het blokje rechtsbescherming?

Staatssecretaris Heijnen:
Ja.

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Ik had ook nog een vraag gesteld over een initiatiefnota over het handvest die we hebben ingediend.

Staatssecretaris Heijnen:
Daar kom ik op terug.

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Oké.

Staatssecretaris Heijnen:
Dan ga ik het toch hebben over een aantal autovragen van de heer Vermeer. Hij had zelf vastgesteld dat het schorsen van een kampeerauto makkelijk is en vraagt waarom in de quickscan bij het amendement over de pseudo-eindheffing en de kampeerauto's wordt aangegeven dat het onuitvoerbaar is. Het is helaas niet mogelijk de motorrijtuigenbelasting te corrigeren via het RDW-systeem. Het schorsen is een proces van de RDW en het opleggen van de motorrijtuigenbelastingsaanslag is een aangelegenheid van de Belastingdienst. Dit zijn gescheiden processen, die worden uitgevoerd door verschillende uitvoeringsorganisaties.

Dan vroeg de heer Vermeer naar de datum van 14 november. Het is inderdaad zo dat de Belastingdienst uiterlijk 14 november op de hoogte moet zijn van de nieuwe tarieven in de motorrijtuigenbelasting om dit geautomatiseerd te kunnen verwerken. Dat geldt niet voor vele andere heffingen, maar wel voor de motorrijtuigenbelasting.

Dan stelde de heer Vermeer nog de feitelijke vraag hoe vaak een kampeerauto straks naar verwachting wordt geschorst en met welk bedrag in de brutoraming naar aanleiding van deze schorsing rekening is gehouden. In de raming wordt ervan uitgegaan dat de kampeerauto's momenteel gemiddeld twee maanden van het jaar geschorst zijn. Bij het verhogen van het kwart- naar het halftarief is de verwachting dat de duur van de schorsingen zal stijgen naar vier maanden per jaar. Zonder gedragseffecten zou de maatregel 100 miljoen opleveren. Na het toepassen van het gedragseffect is de verwachte opbrengst evenredig 80 miljoen.

Dan vraagt de heer Vermeer hoe vaak een oldtimer naar verwachting zal worden geschorst als de versobering ingaat. De raming is uitgegaan van een gedragseffect van 50%. Het gedrag bestaat eruit dat mensen meer zullen schorsen en minder oldtimers zullen houden. We verwachten dat circa 20% van de mensen hun oldtimer wegdoet en dat de rest de oldtimer voor gemiddeld vier à vijf maanden gaat schorsen. De structurele opbrengst is geraamd op 76 miljoen. Dat wordt pas bereikt in 2058.

De heer Vermeer had ook een vraag over de invoering van de vrachtwagenheffing. Hij vroeg of na die invoering nog een nationaal kwarttarief in de Nederlandse motorrijtuigenbelasting mag bestaan voor vrachtwagens en bestelauto's. Het antwoord is nee en ja. Nee, want vrachtauto's mogen niet onder het EU-minimumtarief komen. Bestelauto's wel. Zij vallen niet onder het EU-minimumtarief. Maar voor bestelauto's zijn wij van mening dat het behouden van het kwarttarief niet doelmatig is. Die groep is heel klein; het zijn ongeveer 150 voertuigen. We hebben het met elkaar heel vaak over het belang van het vereenvoudigen van het belastingstelsel. Daar hoort wat ons betreft ook bij dat we speciale regels voor heel kleine groepen beperken.

Dan vroeg de heer Vermeer nog of het EU-kader ruimte biedt om voor vrachtauto's die weinig of niet hoofdzakelijk voor goederentransport worden gebruikt, bijvoorbeeld kermisvoertuigen of foodtrucks, een lager motorrijtuigenbelastingtarief toe te passen. Ja, de Europese Commissie kan in bijzondere situaties een uitzondering toestaan, maar ook hier vind ik uitzonderingen niet passen bij ons streven naar een eenvoudiger belastingstelsel. We denken bovendien dat een dergelijk verzoek aan de Europese Commissie niet kansrijk is. Ook hier gaat het om een relatief beperkte groep, namelijk 1.150 vrachtauto's, en is het minimumtarief al relatief laag. Tot 12 ton betaal je namelijk geen motorrijtuigenbelasting. Tot 30 ton is het tarief tussen de €0 en €30 per maand. Overigens begrijpen wij dat foodtrucks naar verwachting veelal onder de 12 ton blijven, dus die betalen na invoering van de vrachtwagenheffing geen motorrijtuigenbelasting.

Dan een andere autovraag, van de heer Grinwis. Hij vraagt hoe ik tegenover de contourenbrief hervorming autobelastingen sta en tegenover de voorstellen van mijn voorganger, en of de voorbereidingen om die veranderingen door te voeren gewoon worden doorgezet. Ik deel de analyse van mijn voorganger dat het toekomstbestendig maken van autobelastingen urgent is. Ik verwacht ook dat dit een onderwerp is dat aan de formatietafel wordt besproken en verwacht dat een volgend kabinet dit voortvarend zal oppakken. Ambtelijk, zeg ik tegen de heer Grinwis, worden in de komende maanden alle in de contourenbrief genoemde voorstellen verder uitgewerkt. Het is aan een volgend kabinet om de voorstellen te wegen en wetgeving uit te werken. Er wordt dus aan gewerkt.

De heer Vlottes had een vraag over het resultaat van het ACM-onderzoek naar de prijzen in supermarkten ten opzichte van die in buurlanden: wanneer kan het rapport tegemoet worden gezien? De vraag van de heer Vlottes hoort eigenlijk thuis bij de minister van Economische Zaken, maar ik wil hem toch graag een antwoord geven. De ACM onderzoekt momenteel waarom levensmiddelen in Nederlandse supermarkten duurder zijn dan in de buurlanden Duitsland en België. De resultaten volgen in de zomer van 2026. Wij denken dat het verstandig is om het onderzoek af te wachten, want mogelijk spelen er ook nog andere marktproblemen.

De heer Grinwis vroeg hoe het zit met de uitvoering van de motie die ziet op de vrijstelling van overdrachtsbelasting bij een taakoverdracht tussen woningcorporaties. Ik dacht dat ik die vraag ook tijdens het wetgevingsoverleg beantwoord had, maar ik zal dat zeker nog een keer doen. Samen met de minister van VRO wordt momenteel onderzocht hoe een eventuele vrijstelling beter kan aansluiten bij de doelen zoals vastgelegd in de Nationale Prestatieafspraken, waarbij we feitelijk, zeg ik tegen de heer Grinwis, hetzelfde doel nastreven als waar de motie toe oproept. In het eerste kwartaal hebben we hopelijk voldoende informatie om hierover een besluit te nemen en zal de Tweede Kamer hierover geïnformeerd worden. Uiteraard heeft dit onze volle aandacht. Wellicht ten overvloede: het meenemen in dit Belastingplan met een nota van wijziging zien wij daarom ook niet als een optie. Dit kan wellicht in een volgend belastingplan.

De heer Stoffer had de feitelijke vraag of zijn amendement met betrekking tot de BOR, dat vorig jaar is aangenomen, wordt meegenomen in de nota van wijziging. Jazeker, dat wordt meegenomen. De heer Stoffer heeft de nota van wijziging wellicht al gezien: die bevat de twee maatregelen voor het niet laten doorgaan van de uitbreiding van de BOR naar kleine familiebelangen en het ongedaan maken van de beperking van de toegang tot de BOR.

De heer Grinwis verzocht de BOR te laten gelden voor tussen melkveehouders en akkerbouwers uitgeruilde gronden. Zoals de heer Grinwis weet, geldt de BOR niet voor aan derden ter beschikking gestelde onroerende zaken. Dit geldt voor alle soorten vastgoed, dus ook voor verpachte grond. Op die regel geldt één uitzondering, namelijk voor verpacht land bij noodzakelijke vruchtwisseling. Ik zeg heel eerlijk: ik zie het liefst zo min mogelijk uitzonderingen, dus bij deze uitzondering zou ik het willen laten, ook omdat de uitzondering die er nu is, bij noodzakelijke vruchtwisseling, een uitzondering is die de wetgever verplicht heeft gesteld. Voor die uitzondering geldt een wettelijk kader; dat is opgenomen in het Burgerlijk Wetboek. De Belastingdienst kan hier goed op toetsen. Voor grasland geldt er nu eenmaal geen verplichting voor vruchtwisseling.

De heer Grinwis (ChristenUnie):
Landbouw en fiscaliteit: het kan gewoon. Ik heb wel een vraag aan de staatssecretaris. Aan het antwoord dat hij geeft, merk je dat er eigenlijk een soort van wederkerigheid, reciprociteit, ontbreekt. Het is dus voor de akkerbouwer interessant om wél die samenwerking aan te gaan vanwege de uitzondering bij vruchtwisseling, maar voor de melkveehouder dus niet. En vice versa: als de een er grasland voor terugkrijgt, wat misschien goed is voor de bodemvruchtbaarheid, maar dat eigenlijk buiten de erf- en schenkfaciliteiten valt, en bijvoorbeeld de ander, de boer in kwestie, helaas in dat jaar komt te overlijden, dan heb je dus een probleem. Dat is op dit moment echt een sta-in-de-weg in de samenwerking tussen melkveehouders en akkerbouwers, terwijl we weten dat die samenwerking goed is voor circulariteit, voor bodem, voor water en uiteindelijk ook voor de rentabiliteit van het bedrijf. Die wederkerigheid hoort er toch eigenlijk wel in te zitten?

Staatssecretaris Heijnen:
Bij het bepalen van deze vrijstelling, van deze uitzondering, is niet zozeer gekeken naar wederkerigheid, maar naar het verplichtende karakter van de vruchtwisseling. De vruchtwisseling is verplicht en dan zouden wij het vreemd vinden als de BOR niet zou gelden. In die zin is het vrijwillig. Misschien is het inderdaad heel goed — dat geloof ik gelijk — voor de bodemgesteldheid en voor andere zaken, maar dat is de reden waarom we het bij deze uitzondering hebben gelaten.

De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik denk dat het goed is dat hier nog even grondig naar gekeken gaat worden, omdat dit leidt tot minder samenwerking dan we vanuit het oogpunt van andere doelen graag zouden willen, omdat het risico om het te doen, best groot kan zijn, zeker als je op leeftijd bent gekomen. Maar oké, ik kom in tweede termijn met een motie om dat verder uit te diepen.

Staatssecretaris Heijnen:
Dan ga ik naar de volgende vraag van de heer Grinwis, of de landbouwvrijstelling niet zo kan worden aangepast dat pachtgronden en vruchtwisseling over percelen van meerdere eigenaren de toepassing van de landbouwvrijstelling niet aantasten. De landbouwvrijstelling is van toepassing op waardeveranderingen van landbouwgrond die zijn ontstaan tijdens het gebruik voor het eigen landbouwbedrijf. Dat is helder. Uitgangspunt is dus, ook hier weer, dat de landbouwvrijstelling niet van toepassing is op grond die uit gebruik is gegeven. Onder voorwaarden is hierop bij vruchtwisseling een uitzondering mogelijk. De terbeschikkingsteller dient de noodzaak van het uit gebruik geven van de grond wel aannemelijk te maken. Wij zien op dit moment geen aanleiding om de landbouwvrijstelling verder uit te breiden.

Dan een hele hoop vragen van de heer Stultiens over de inkoopfaciliteit. Die ga ik een voor een beantwoorden. Hij vraagt als eerste: wat zou er gebeuren als de inkoopfaciliteit niet zou bestaan? Laat ik beginnen bij het begin. De inkoop van eigen aandelen door een vennootschap is in beginsel belast met dividendbelasting. Deze dividendbelasting komt in normale gevallen ten laste van de aandeelhouder. Dat is de hoofdregel. De dividendbelasting is namelijk een voorheffing die de vennootschap inhoudt. Bij een normaal dividend krijg je als aandeelhouder het nettodividend na inhouding. De ingehouden dividendbelasting kan de aandeelhouder in de meeste gevallen verrekenen met zijn reguliere belastingheffing of terugvragen. Beursfondsen kunnen onder strikte voorwaarden de inkoopfaciliteit toepassen. Ze hoeven dan geen dividendbelasting in te houden. Ik hecht eraan op te merken dat dat dus geen belastingvrijstelling is voor het beursfonds zelf. De winsten die worden uitgekeerd, zijn gewoon belast geweest met vennootschapsbelasting. Zonder de inkoopfaciliteit zou die dividendbelasting voor rekening van het beursfonds komen. De aandeelhouders van het beursfonds zijn namelijk niet bekend. Het beursfonds moet anders dan bij een regulier dividend het brutobedrag vergoeden, omdat bij een inkoop een aandeelhouder geen genoegen zal nemen met minder dan 100%. Voor hem is het een verkoop. Hij weet niet dat hij zelf aan het beursfonds verkoopt. Dit betekent dus concreet een extra last van 15%, of eigenlijk 17,65% als je rekening houdt met de brutering voor het beursfonds boven op de inkoopprijs. Daar komt bij dat die dividendbelasting door de aandeelhouder zelf niet verrekend kan worden met zijn eigen belastingheffing. Dus in principe leidt dat tot dubbele belastingheffing.

Er zijn een aantal voorwaarden voor de faciliteit. Ik ga daar, mede gezien de tijd, nu niet op in.

De tweede vraag, volgend op de eerste vraag, is: wat zijn de economische redenen voor de inkoop van eigen aandelen? De heer Stultiens heeft vast ook de brief van 26 november 2023 van staatssecretaris Van Rij gelezen. Daarin heeft hij ook kunnen lezen — dat kan ik alleen maar bevestigen — dat bedrijven om strategische, bedrijfseconomische redenen aandelen inkopen. Dan moet u denken aan het bewaken van constante dividendpolitiek, het beheersen van de beurskoers en het zich wapenen tegen vijandige overnames. Het afschaffen van de inkoopfaciliteit zou daarom de Nederlandse concurrentiepositie raken en kan uiteindelijk leiden tot het vertrek van het beursfonds uit Nederland. Dit heeft heel veel impact op het vestigings- en ondernemingsklimaat.

Voorzitter. Ik wil hier liever niet met vuur spelen. Als bedrijven vertrekken, zijn we de belastingopbrengsten daarvan sowieso kwijt en missen we ook hun nieuwe activiteiten. Dit zou uiteindelijk — dat vind ik wel een belangrijke opmerking — mede vanwege de keteneffecten ook het mkb en de werkgelegenheid in Nederland kunnen raken, want veel van de multinationals en veel van de beursfondsen hebben heel veel toeleveranciers uit het mkb waar dat belangrijke klanten voor zijn.

Dan stelde de heer Stultiens heel veel feitelijke vragen. Hij vroeg of het klopt dat de inkoopfaciliteit een regelmatig gebruikt instrument is en dat het niet gaat om een eenmalige inkoop. Dat klopt. Aan de inkoopfaciliteit zijn verschillende voorwaarden en begrenzingen verbonden. Deze waarborgen — dat is wel belangrijk — dat de inkoopfaciliteit wordt toegepast op de situaties waarvoor zij bedoeld is. De faciliteit kan meer dan eenmaal worden toegepast, mits aan alle voorwaarden wordt voldaan. Deze voorwaarden hebben kort samengevat eigenlijk als doel dat de inkoop niet ten koste gaat van het uitkeren van gewoon dividend. Gewoon dividend moet ook uitgekeerd worden. Zo is bijvoorbeeld vereist dat in het jaar van inkoop ook een regulier dividend wordt uitgekeerd waarover wel dividendbelasting wordt geheven. Daarnaast geldt er ook een maximum, dat wordt bepaald door de hoogte van de reguliere dividenduitkering in de voorgaande jaren. Dus met deze voorwaarden, aan de hand van de reguliere dividenden in het jaar van inkoop en de voorgaande jaren, draagt de faciliteit er dus ook aan bij dat een beursfonds ernaar streeft om regelmatig belaste dividenden uit te keren.

Dan vraagt de heer Stultiens, ook weer indachtig de brief van 26 november, denk ik, of ik kan ingaan op recente ontwikkelingen in andere landen, zoals Frankrijk en Italië, met betrekking tot de aandeleninkoop. De heer Stultiens weet: in 2023 is dat onderzoek ook breed gedaan. Toen heeft de heer Van Rij ook aangegeven dat de Verenigde Staten een specifieke heffing kennen over de waarde van de inkoop van aandelen. Duitsland en België heffen over inkoop in principe geen belasting. Het Verenigd Koninkrijk kent zelfs helemaal geen dividendbelasting.

Uit dit onderzoek blijkt ook dat het lastig is om rechtssystemen met elkaar te vergelijken. Het is ook belangrijk om te vermelden dat de inkoopfaciliteit in Nederland op zichzelf bezien wat ons betreft ook een gerechtvaardigde bestaansreden heeft, ongeacht hoe de inkoop van aandelen in het buitenland wordt belast. Dat vinden wij wel een belangrijke uitkomst. Desondanks kan het natuurlijk geen kwaad om de vergelijking met andere landen te actualiseren. Dat zeg ik de heer Stultiens toe. Uit eerdere vragen tijdens het wetgevingsoverleg begrijp ik dat dat er vanuit de Kamer vooral interesse is voor de belasting van inkoop in Italië en Frankrijk. Met uw goedvinden, voorzitter, zal ik mij daar in eerste instantie op richten. Dit vergt wat tijd. Ik zal de Kamer hier volgend voorjaar over informeren.

De heer Stultiens vraagt hoeveel inkoopprogramma's er zijn geweest waar uiteindelijk wel belasting over is betaald omdat deze niet aan de voorwaarden voldeden. Ook vraagt de heer Stultiens hoeveel dividendbelasting er dan is betaald. Het niet voldoen aan de voorwaarden van de inkoopfaciliteit door het overschrijden van het maximum komt in de praktijk nauwelijks voor. Beursfondsen die gebruikmaken van de inkoopfaciliteit houden goed bij of ze voldoen aan de voorwaarden. Het is ook eigenlijk een alles-of-nietsfaciliteit. Als je gedeeltelijk niet voldoet aan een van de voorwaarden, hang je en is de hele inkoop belast met dividendbelasting. Dit wordt verder duidelijk door het feit — dat hebben we nagezocht — dat er in de afgelopen zeventien jaar slechts tien gevallen waren waarbij dividendbelasting verschuldigd was vanwege het niet voldoen aan de voorwaarden. Het gaat hierbij maximaal om enkele tientallen miljoenen euro's aan verschuldigde dividendbelasting. Omdat het echter een kleine groep belastingplichtigen betreft kunnen precieze details, waaronder het precieze bedrag aan verschuldigde dividendbelasting, vanwege onthullingsrisico's niet worden gedeeld.

De heer Stultiens had nog een technische vraag, namelijk: waarom kent Nederland de step-up in de dividendbelasting soms toe? Met een step-up wordt voorkomen dat een Nederlandse dividendbelastingclaim wordt gevestigd op winstreserves van buitenlandse vennootschappen waar vóór de fusie van die vennootschap met een Nederlandse vennootschap geen Nederlandse dividendbelastingclaim op rustte. Op de winsten die ontstaan na de fusie of splitsing rust wel een Nederlandse dividendbelastingclaim. We heffen dus belasting over in Nederland gemaakte winsten gedurende het bestaan van een bedrijf in Nederland. Dit is, zoals ik al zei, een fiscaal consistent systeem, omdat we alleen de winst belasten die is aangegroeid tijdens de Nederlandse periode. Dat zien we ook bij andere belastingen. En omgekeerd, als een vennootschap Nederland verlaat, moet deze ook afrekenen over de nog niet gerealiseerde stille reserves. Echter, bij een fusie of splitsing die als doel heeft — misschien was dat ook de achtergrond van de vraag — belastingheffing te ontgaan of uit te stellen, is de step-up niet van toepassing.

De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Politiek heb ik een andere analyse dan het kabinet, maar ik wil de staatssecretaris danken voor de uitgebreide beantwoording. Ik ben ook blij met de toezegging. We gaan deze discussie de komende maanden vervolgen.

De voorzitter:
U wilt de staatssecretaris danken voor de toezegging.

De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Ja, dank aan de staatssecretaris voor de toezegging.

Staatssecretaris Heijnen:
Dan een vraag van mevrouw Teunissen: wil het kabinet zich inzetten om de btw op dierenartsen in EU-verband af te schaffen, eventueel samen met een koplopersgroep? Ik geloof dat België hierbij werd genoemd. Zoals mevrouw Teunissen wellicht weet, is er tot 2022 lang onderhandeld over het verlaagde btw-tarief. Uiteindelijk hebben die onderhandelingen geen succes opgeleverd. Zoals mevrouw Teunissen wellicht ook weet, passen verlaagde btw-tarieven niet bij het streven van het kabinet en de wens van het Kamer om het fiscale stelsel te vereenvoudigen. Uit de evaluatie van het verlaagde btw-tarief door Dialogic in 2023 blijkt ook dat het verlaagde btw-tarief geen doelmatig instrument is om beleidsdoelen na te streven. Tot slot: ook leidt toepassing van een verlaagd tarief niet automatisch tot goedkopere diensten van dierenartsen. We kunnen namelijk niet opleggen dat het verlaagde tarief ook wordt doorberekend aan de klant. Desalniettemin is het kabinet bereid in de EU te sonderen of hier inmiddels misschien wel draagvlak voor is en daarover terug te koppelen aan de Kamer.

Dan de vraag van mevrouw Van Dijk over het handvest voor bescherming van de rechten van belastingplichtigen en toeslagengerechtigden. Zij vroeg met name hoe het daarmee staat. Het kabinet heeft het initiatief van mevrouw Van Dijk voor dit handvest altijd omarmd en gewaardeerd; dat is bekend. Ik heb eens navraag gedaan bij de Belastingdienst en de Dienst Toeslagen. Zij zijn op dit moment bezig met de uitwerking van het handvest, om samen met de verschillende, relevante belanghebbenden tot een zorgvuldig en evenwichtig handvest te komen. Naar verwachting zal een eerste versie van het handvest gereed zijn in het voorjaar van 2026. Dan zullen we dat uiteraard ook delen met uw Kamer.

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Dat is dan een eerste versie die met ons wordt gedeeld. Kunnen we daarover dan met elkaar in gesprek gaan om te bepalen of dit is wat we bedoelen?

Staatssecretaris Heijnen:
Dat lijkt me wel.

Dan een vraag van de heer Vlottes over de tabaksaccijns in relatie tot het aantal gestopte rokers. Het RIVM heeft onderzocht dat na de laatste tabaksaccijnsverhoging in 2024 7% van de ondervraagde rokers is gestopt met roken. De opbrengst van de tabaksaccijns is na de accijnsverhoging in 2024 gedaald van 3,1 miljard in 2023 naar bijna 3 miljard in 2024. Ook in 2025 lijken de opbrengsten lager uit te vallen dan in eerdere jaren. Deze daling is naar verwachting mede het gevolg van het tabaksontmoedigingsbeleid, zoals het beperken van de verkoop van tabak en het verhogen van de tabaksaccijns. Dit leidt tot gedragseffecten: er zijn mensen die stoppen met roken of minder gaan roken en er zijn uiteraard mensen die hun tabak over de grens kopen; dat zijn de grenseffecten. Of accijnsverhogingen of andere maatregelen hierbij doorslaggevend zijn geweest, weten we niet zeker. Maar ik moet zeggen dat de daling van het aantal rokers wel past in het beleid van het kabinet.

Voorzitter. Ik ben langzamerhand aangekomen bij het einde van de beantwoording van mijn vragen. U bent blij met mij, zie ik.

De voorzitter:
Ik niet alleen, de leden ook, denk ik. Meneer Jansen heeft toch nog een interruptie voor u, staatssecretaris.

De heer Frederik Jansen (FVD):
Ik was toch nog even benieuwd naar de tabaksaccijns. Het aantal sigaretten dat afkomstig is uit het buitenland is met 25% gestegen. Mensen zeggen gestopt te zijn of tenminste … Waar is dat cijfer eigenlijk op gebaseerd? Daar ben ik benieuwd naar. Hoe is die daling van 7% gemeten?

Staatssecretaris Heijnen:
Dat is een onderzoek van het RIVM.

De heer Frederik Jansen (FVD):
Op welke manier is dat vastgesteld? Is er een enquête geweest of is dat gebaseerd op het aantal verkopen?

Staatssecretaris Heijnen:
Ik kan u de link naar het onderzoek doen toekomen. Inhoudelijk kan ik die vraag nu niet beantwoorden, maar het onderzoek kan ik u doen toekomen.

De voorzitter:
Wellicht in tweede termijn?

De heer Frederik Jansen (FVD):
Heel graag. Dan kijk ik er ook even naar.

De voorzitter:
Helemaal goed. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de eerste termijn van de zijde van het kabinet. Ik ga toch schorsen voor de dinerpauze, tot 19.35 uur. Dan gaan we verder met de tweede termijn van de zijde van de Kamer. De vergadering is geschorst.

De vergadering wordt van 18.50 uur tot 19.38 uur geschorst.

De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de tweede termijn van de zijde van de Kamer betreffende het pakket Belastingplan 2026. Ik geef als eerste het woord aan de heer Oosterhuis, van de fractie van D66, voor zijn inbreng in tweede termijn. Gaat uw gang.

De heer Oosterhuis (D66):
Dank u wel, voorzitter. We gaan richting het einde van mijn eerste debat, de laatste etappe van deze belastingvierdaagse. Ik geloof dat ik hier pas een lintje krijg na tien jaar, maar het smaakt zeker naar meer.

Ook vanaf hier nog mijn felicitaties aan de heer Hoogeveen voor zijn heldere maidenspeech. Ik denk dat de verschillen tussen ons wel duidelijk zijn geworden. Dit was ook een goede aanleiding om nog wat meer op te zoeken over president Coolidge. Maar dat de Verenigde Staten kort na zijn aftreden in 1929 werden geconfronteerd met de grootste economische crisis van de twintigste eeuw, overtuigt mij nog niet direct.

Voorzitter. Ik wil nog kort stilstaan bij een paar onderwerpen. Ik begin met de pseudo-eindheffing voor de fossiele leaseauto's. Dat vind ik een verstandige maatregel, maar ik vind ook dat het voor werknemers zo aantrekkelijk mogelijk moet zijn om elektrisch te rijden. Daarom dien ik samen met de heer Grinwis een voorstel in om de verlaagde bijtelling voor elektrische auto's te verlengen.

De accijnsverlaging op fossiele brandstoffen voor komend jaar vind ik wat minder verstandig. Ik kijk dus ook welwillend naar het voorstel van de heer Grinwis om een deel van die middelen in te zetten voor het ongedaan maken van de bezuiniging op het openbaar vervoer.

Zelf heb ik in het wetgevingsoverleg aandacht gevraagd voor het verdwijnen van de belastingvoordelen voor groen beleggen. Het is mij alleen in de afgelopen weken niet gelukt om voor 2026 een adequate dekking te vinden die hier ook op een meerderheid kan rekenen, dus ik blijf nog even doorzoeken richting 2027.

We hebben het ook uitgebreid gehad over de afvalstoffenbelasting. De motie van collega Stultiens om breder te kijken naar een oplossing in de sector zal ik medeondertekenen.

Ook ging het over de suikertaks en een uitzondering voor pure sappen. We hebben de afgelopen dagen nog wat berichten daarover gekregen van de Universiteit Maastricht en het Diabetes Fonds. Hoewel ik sympathie heb voor de fabrikanten van pure sappen, zal ik mijn fractie om inhoudelijke redenen voorstellen om tegen het amendement hierover te stemmen. Ook in het wetgevingsoverleg heb ik de staatssecretaris uitgedaagd voor een weddenschap over de kansspelbelasting. Mijn twijfels over de opbrengst van die belasting blijven. Ik maak me ook zorgen over de verschuiving naar het illegale aanbod, de afdracht aan sport en goede doelen en het effect op de dividenden van de staatsdeelnemingen. De staatssecretaris heeft in het WGO gezegd de effecten te monitoren. Kan hij toezeggen dat hij daarbij ook de effecten op de dividenden en op de verschuiving naar de illegaliteit betrekt?

Voorzitter. Dit was mijn eerste debat hier als spreker, maar ik loop hier al langer rond en ik erger me behoorlijk aan het toenemende aantal moties. Vaak gaat het dan over zaken die al zijn toegezegd of over een motie die verre van op een meerderheid kan rekenen. Ook lijkt het amendement wel de nieuwe motie. We houden daar volgens mij alleen onszelf en de ambtenaren mee bezig. Mijn voornemen is om daar niet aan mee te doen. Ik zal vandaag dus zelf geen moties indienen.

Dan rest mij niets anders dan de staatssecretaris, de minister en alle ambtenaren hartelijk te bedanken voor de antwoorden, zeker ook de mensen van de amendementenservice, die heel hard hebben gewerkt, ook aan allerlei amendementen die niet zijn ingediend. Dus dank.

De voorzitter:
U bedankt, meneer Oosterhuis. We gaan zien of goed voorbeeld goed doet volgen. Meneer Vlottes, mag ik u uitnodigen om naar het spreekgestoelte te komen om uw inbreng te leveren namens de Partij voor de Vrijheid?

De heer Vlottes (PVV):
Voorzitter, veel dank. Aan alle dingen komt een eind, en zo ook aan 30 uur behandeling van het Belastingplan. Vandaar een motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat uit onderzoek van de Consumentenbond blijkt dat de boodschappenprijzen in Nederland 12% tot 20% duurder zijn dan in de ons omringende landen;

constaterende dat steeds meer huishoudens moeite hebben om hun rekeningen te betalen;

verzoekt de regering de btw op boodschappen op 0% te zetten en dit te dekken door het schrappen van het budget voor ontwikkelingshulp,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Vlottes.

Zij krijgt nr. 76 (36812).

De heer Vlottes (PVV):
Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Van Eijk, VVD.

Mevrouw Van Eijk (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Ik sluit me aan bij de woorden van de heer Oosterhuis wat betreft de dankzegging aan iedereen die een bijdrage heeft geleverd aan het debat, zowel voor als achter de schermen. Dat wordt zeer gewaardeerd.

Ik heb het in de termijn van het WGO en ook afgelopen week gehad over een groeiende portemonnee voor werkenden, een sterke economie en ruimte voor ondernemers. Dat was, zoals aangegeven, de maatlat waarlangs wij de voorstellen die vandaag zijn gepasseerd zullen meten.

De koopkracht verbetert. Werkenden gaan erop vooruit. Dat komt door de verlichting van de energierekening en de verlenging van de lagere brandstofaccijns om autorijden betaalbaar te houden. Wat ons betreft zijn dat belangrijke maatregelen als onderdeel van dit pakket.

In de eerste termijn, afgelopen dinsdag, heb ik het ook gehad over box 3 en over het al dan niet indienen van een amendement daarop. Er lag toen al een amendement. Althans, dat was aangekondigd door de heer Grinwis. De dekking die daaronder ligt, kunnen wij niet steunen, maar ik voel wel de urgentie om op dit laatste moment nog iets te doen aan box 3. Ik denk dat iedereen alle afwegingen heeft gemaakt wat betreft de dekkingsmogelijkheden. Ik heb besloten, samen met mijn fractie, om het amendement toch in te dienen. We steken onze nek uit om te kijken of we hiervoor toch nog iets kunnen betekenen. Ik hoop ook op steun van deze Kamer.

Ten aanzien van de amendementen en voorstellen die door de overige leden zijn ingediend, zullen wij blijven hameren op de begrotingsregels. Amendementen die het tekort laten oplopen in '26 zullen wij niet steunen. We gaan al scherp aan de wind en zitten tegen de vangrails aan. We gaan daar wat ons betreft ook niet overheen.

Een ander belangrijk aspect, waar ook mevrouw Inge van Dijk uitvoerig aandacht voor heeft gevraagd, is de uitvoering. Goed dat de staatssecretaris daar ook uitgebreid op is ingegaan. Ik zie ook bij de quickscans en de uitvoeringstoetsen terug dat dat heel zorgvuldig wordt gewogen. Ik denk dat wij dat ons als Kamer breed moeten aantrekken en daar dus ook terughoudend in moeten zijn.

We moeten ook het IV-portfolio blijven moderniseren om überhaupt de kans te krijgen om met elkaar te werken aan een vereenvoudiging van ons belasting- en toeslagenstelsel, want dat is de enige manier om daar doorheen te komen.

De voorzitter:
U heeft een interruptie van meneer Stoffer.

De heer Stoffer (SGP):
Ja, op het specifieke punt van box 3. Ik denk dat dat wel een van de grote graten in de keel is bij het voorliggende Belastingplan. De heer Grinwis heeft een goed voorstel voorgelegd; ik heb het ondertekend, net als volgens mij meerdere anderen. Het siert de VVD natuurlijk dat het ook een voorstel voorlegt. Maar als ze niet uitkijken, halen de voorstellen het dadelijk allebei niet en blijft dit gewoon staan. Er is dan nog een derde optie. Ik leg die maar even voor, met de vraag of de VVD die ook overweegt. We zouden natuurlijk ook met z'n allen tegen dit Belastingplan kunnen stemmen. Dan gaat die box 3-belasting op deze manier ook niet in, want dan blijven de tarieven staan zoals die het afgelopen jaar stonden. Mijn vraag is dus of de VVD het risico ziet dat dadelijk beide voorstellen het niet halen en je dan uiteindelijk nog één optie overhoudt als je het echt niet wil, namelijk tegen het Belastingplan stemmen.

Mevrouw Van Eijk (VVD):
Ik acht het risico dat beide amendementen het niet gaan halen aanwezig, omdat het hele verschillende dekkingen zijn met ook hele andere consequenties. De amendementen zijn ook heel erg verschillend in omvang. Ik denk dat wij allemaal in de Kamer in de afgelopen debatten over box 3 — dat waren er heel veel — hebben laten zien dat we ons stinkende best hebben gedaan en iedere steen hebben omgedraaid om te kijken hoe we tegemoet kunnen komen aan die te hoge belastingdruk voor heel veel mensen in box 3. Als beide amendementen het niet halen, gaat dat voor ons geen argument zijn om tegen het Belastingplan te stemmen. Daar zitten namelijk ook echt heel veel goede maatregelen in, waar wij achter staan. Dit is echt een ultieme poging. Wij steken onze nek uit. Ik hoop op steun uit de Kamer om deze laatste strohalm vast te pakken om dit voor elkaar te krijgen.

De voorzitter:
Was u daarmee aan het einde van uw bijdrage gekomen?

Mevrouw Van Eijk (VVD):
Ik heb nog vier moties, voorzitter. De eerste motie gaat over de Wbso bij het pakket Belastingplan 2026.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Wbso een cruciale innovatieregeling is voor het stimuleren van onderzoek en ontwikkeling in Nederland, voor zowel het mkb als grotere bedrijven, en daarmee een belangrijke pijler vormt onder ons vestigings- en investeringsklimaat;

overwegende dat start- en scale-ups de Wbso vaak niet volledig kunnen verzilveren omdat hun loonsom in de beginfase te laag is om het voordeel volledig te kunnen verrekenen;

van mening dat jonge en snelgroeiende bedrijven geen fiscale belemmeringen moeten ondervinden bij investeringen in innovatie, zodat waardevolle R&D-investeringen niet verloren gaan en Nederland aantrekkelijk blijft voor innovatieve activiteiten;

verzoekt de regering een oplossing uit te werken voor de verzilveringsproblemen in de Wbso, bijvoorbeeld door het invoeren van een carry-forwardmogelijkheid of een daarmee vergelijkbare voorziening, en de Kamer hierover te informeren bij de komende voortgangsrapportage innovatie-instrumentarium,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Eijk, Martens-America, Inge van Dijk, Oosterhuis en Grinwis.

Zij krijgt nr. 77 (36812).

Mevrouw Van Eijk (VVD):
Dan heb ik nog een motie ten aanzien van het inzagerecht, ook een veelbesproken onderwerp in deze Kamer.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het inzagerecht van artikel 66a AWR in de huidige vorm niet uitvoerbaar is voor de Belastingdienst en de Douane, onder meer door de omvangrijke IT-vernieuwingen en de huidige staat van de informatiehuishouding;

constaterende dat het wetsvoorstel Wet stroomlijning fiscaal inzagerecht beoogt de uitvoering van het inzagerecht te stroomlijnen, maar dat volledige implementatie van een structureel werkende voorziening naar verwachting pas na 2030 haalbaar is;

overwegende dat tijdelijke oplossingen of noodoplossingen gebouwd in oude systemen leiden tot dubbel werk en tot verdringing van andere IT-projecten bij de Belastingdienst;

van mening dat belastingplichtigen recht hebben op een betrouwbaar en stabiel inzagerecht, maar dit pas mogelijk is wanneer de benodigde modernisering is voltooid;

verzoekt de regering het inzagerecht conform de wet in werking te laten treden en te werken aan een structureel werkende voorziening waarbij dubbel werk voorkomen wordt en waarbij IT-systemen en informatiehuishouding op orde zijn, zodat invoering van het inzagerecht uitvoerbaar en verantwoord is;

verzoekt de regering tevens de Kamer ten minste jaarlijks op de hoogte te houden van de stappen die worden gezet naar een uitvoerbaar en transparant inzagerecht,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Eijk en Grinwis.

Zij krijgt nr. 78 (36812).

Mevrouw Van Eijk (VVD):
Dan heb ik een motie over Pijler 2 bij de Wet minimumbelasting.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de wereldwijde minimumbelasting (Pijler 2) bedoeld is om via een internationale afspraak een bodem in de winstbelasting te creëren;

overwegende dat de huidige, gefragmenteerde wereldwijde implementatie leidt tot een ongelijk speelveld, waardoor Europese en Nederlandse bedrijven meer regels, hogere administratieve lasten en een concurrentienadeel krijgen ten opzichte van grote economieën zoals de VS, China en India;

overwegende dat Nederland als open handelsland gebaat is bij internationale afspraken die wérken, uitvoerbaar zijn en ondernemerschap niet onnodig belemmeren;

van oordeel dat Pijler 2 moet bijdragen aan doelbereik zonder de concurrentiekracht, innovatiekracht en investeringspositie van Nederland te ondermijnen;

verzoekt de regering in de internationale onderhandelingen krachtig in te zetten op:

  • een gelijk speelveld en behoud van de concurrentiekracht van het Europese en Nederlandse bedrijfsleven;

  • forse vermindering van regeldruk en administratieve lasten, onder meer via een permanente safe harbour voor bedrijven met een hoge geconsolideerde effectieve belastingdruk;

  • voldoende ruimte binnen Pijler 2 voor gerichte en effectieve belastingfaciliteiten voor strategische sectoren met substantiële reële economische activiteit,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Eijk, Hoogeveen en Inge van Dijk.

Zij krijgt nr. 79 (36812).

Mevrouw Van Eijk (VVD):
Ik heb er nog één, voorzitter, bij de Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer, onderdeel van de Wet overige fiscale maatregelen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Belastingdienst en de Douane tijdelijk zijn uitgezonderd van de Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer (Wmebv) vanwege uitvoeringsproblemen en strijdigheid met EU-recht;

overwegende dat hierdoor de huidige digitale werkwijze vooralsnog wordt gehandhaafd en volledige aansluiting bij de Wmebv pas vanaf 2030 wordt voorzien;

overwegende dat digitaal bezwaar momenteel slechts gedeeltelijk mogelijk is en dat dit voor bepaalde belastingen en beschikkingen nog ontbreekt, wat leidt tot risico's op ontvankelijkheids- en rechtsbeschermingsdiscussies;

van mening dat burgers en bedrijven tijdig, eenvoudig en volledig digitaal bezwaar moeten kunnen maken, dit de regeldruk voor burgers en bedrijven vermindert en dat de bezwaarfase daarom een hogere prioriteit verdient binnen het ingroeimodel naar volledige aansluiting op de Wmebv;

verzoekt de regering om binnen de verdere implementatie van de Wmebv hoge prioriteit te geven aan de digitale bezwaarfase, en de Kamer voor de Voorjaarsnota '26 te informeren over de voortgang en stappen die worden gezet om volledig digitaal bezwaar zo spoedig mogelijk te realiseren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Eijk, Inge van Dijk en Grinwis.

Zij krijgt nr. 80 (36812).

Dank u wel, mevrouw Van Eijk. Dan wil ik het woord geven aan de heer Stultiens voor zijn inbreng namens de fractie van GroenLinks-Partij van de Arbeid.

De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Dank, voorzitter. We zijn aan het eind gekomen van de vierdaagse; de finish is in zicht. Ik wil collega Vermeer feliciteren. Hij is er vandaag niet, want zijn ouders zijn 60 jaar getrouwd. Dat is een mijlpaal die ik ook ooit hoop mee te maken.

Ik heb wel drie moties, zeg ik tegen de heer Oosterhuis. De eerste gaat over de buffelboete en dien ik samen in met Jimmy Dijk van de SP.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat een samenspel van factoren en de ingewikkelde indexatiesystematiek in de arbeidskorting ertoe kunnen leiden dat werkenden met een laag inkomen méér belasting gaan betalen;

constaterende dat dit voor 2026 opgelost is, maar in de toekomst opnieuw kan gebeuren;

overwegende dat deze groep het al zwaar heeft en dit soort lastenverzwaringen hard aan kunnen komen;

verzoekt de regering structureel in de gaten te houden of een nieuwe "buffelboete" dreigt te ontstaan, en in te grijpen als dat nodig is,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Stultiens en Jimmy Dijk.

Zij krijgt nr. 81 (36812).

De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
De tweede motie gaat over fiscale regelingen waarvan we eigenlijk bijna allemaal hopen dat de taakstelling wordt ingevuld, maar waarbij dat helaas nog niet gebeurt. Vandaar de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het de regering niet is gelukt om de taakstelling op het gebied van fiscale regelingen en constructies volledig in te vullen, en dat als gevolg daarvan het tarief in de eerste schijf van de inkomstenbelasting stijgt;

constaterende dat er nog steeds zeer veel fiscale regelingen bestaan die negatief geëvalueerd zijn;

overwegende dat het niet de bedoeling is dat werkende mensen met een laag inkomen of een middeninkomen steeds de dupe zijn van doelstellingen die niet gehaald worden;

verzoekt de regering in het voorjaar met een voorstel te komen om de taakstelling fiscale regelingen en constructies alsnog te halen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Stultiens.

Zij krijgt nr. 82 (36812).

De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Dan de derde en laatste motie. Oorspronkelijk lagen er twee moties klaar, van mij en van de heer Grinwis. Die hebben we in elkaar gevlochten. Daarom is deze motie iets langer dan wenselijk, maar die bespaart zo een andere motie. Ik hoop dus dat uw Kamer het toch toestaat.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het niet invoeren van een polymerenheffing leidt tot een budgettaire derving van 567 miljoen euro structureel;

constaterende dat deze derving in het Belastingplan goeddeels wordt ondervangen met een technische invulling bestaande uit een generieke verhoging van de afvalstoffenbelasting en de aanscherping van de CO2-heffing;

constaterende dat deze budgettaire derving verder wordt ondervangen met de maatregel om de terugsluis naar het Klimaatfonds van de CO2-heffing af te schaffen voor zover deze van AVI's afkomstig zijn, waardoor deze opbrengsten niet beschikbaar zijn voor ondersteuning van investeringen in verduurzaming;

overwegende dat recente speelveldtoetsen laten zien dat deze maatregelen leiden tot minder recycling in Nederland, meer afvalexport, minder verwerkingscapaciteit en ten koste gaat van banen en innovatie;

verzoekt de regering de budgettaire opgave bij de aanstaande voorjaarsbesluitvorming zo veel mogelijk in te vullen met alternatieve maatregelen, zo mogelijk met alternatieven die door de Werkgroep afvalsector worden aangereikt, en daarbij heffingen te prioriteren op fossiele en lineaire consumptie, productie en plaatsing op de Nederlandse markt, en tevens AVI's de mogelijkheid te bieden om afdoende ondersteuning voor investeringen te kunnen aanvragen, bijvoorbeeld via het SDE+-fonds,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Stultiens, Grinwis, Oosterhuis en Zalinyan.

Zij krijgt nr. 83 (36812).

De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor de heldere antwoorden. Die worden oprecht gewaardeerd. Ik was het niet overal mee eens, maar de antwoorden zijn wel uitgebreid aan bod gekomen en daar dank ik hem voor. Ik dank ook de amendementenservice van het ministerie van Financiën. Het is elk jaar een voorrecht om een paar weken lang jezelf staatssecretaris te wanen met zo veel goede ambtenaren die met je mee willen denken. Ik zeg alvast: de komende jaren zijn ze nog niet van ons af. Ik ben heel blij met deze service. Uiteindelijk zijn er zes amendementen gekomen; die zijn allemaal ingediend. Ik raad ze van harte aan aan de collega's bij de stemmingen donderdag. We kregen zelfs een compliment van de staatssecretaris, omdat we keken naar de uitvoering. Laat dat een aanbeveling zijn voor jullie stemgedrag donderdag.

Tot slot ons eigen stemgedrag bij de wetsvoorstellen. Er liggen zeven wetsvoorstellen voor. Zes daarvan vinden wij een vooruitgang en wij zullen voorstemmen. Het zevende is nog een open vraag. Dat zal afhangen van de mate waarin donderdag voor of tegen amendementen wordt gestemd. Daarom dank ik de Kamer dat we donderdag nog een uur bedenktijd krijgen om uiteindelijk het integrale pakket te kunnen wegen.

Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Ik zie nog wel een interruptie van mevrouw Van Eijk.

Mevrouw Van Eijk (VVD):
Ik heb de amendementen die GroenLinks-PvdA heeft ingediend met zorg bekeken. Ik zie de strijd van de heer Stultiens ten aanzien van belastingontwijking of ten aanzien van fiscale constructies. De vraag die altijd bij me opkomt als het gaat over de liquidatieverliesregeling maar ook de grondslagleenconstructie, is: zijn die gericht en beperken die zich tot het lekken van het gat of kunnen ze een bredere reikwijdte hebben? Dat vind ik altijd een risico als ik kijk naar de amendementen van GroenLinks-PvdA. Ik stel hem nog deze vraag.

De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Dank voor deze vraag en ook voor de oprechte interesse in onze amendementen. Ja, wij denken dat ze gericht zijn. Ik vind het wel goed dat, als de staatssecretaris daartoe bereid is, hij daar zo meteen nog op kan reflecteren. Wij denken stiekem, bijvoorbeeld bij de liquidatieverliesregeling, dat we eigenlijk zelfs te mild zijn geweest. Het gat dat ontstaan is door de Hoge Raad, bedraagt 65 miljoen euro per jaar en wat wij nu doen, tackelt het probleem van 25 miljoen euro per jaar. Je zou dus denken dat we een deel van het gat niet hebben opgelost. Ik hoor graag van de staatssecretaris hoe hij denkt dat het gat nog op te lossen is binnen dat domein. Maar nee, wij verwachten niet dat hier ongewenste gevolgen zijn. Sterker nog, wij denken eigenlijk dat ze nog te mild zijn, maar dat horen we graag van de staatssecretaris.

De voorzitter:
Dank u wel, meneer Stultiens.

De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Dank.

De voorzitter:
Het woord is aan mevrouw Inge van Dijk namens de fractie van het CDA.

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Dank je wel, voorzitter. Dank inderdaad aan iedereen die heeft meegewerkt aan de totstandkoming van het Belastingplan, maar ook de beantwoording. Oprecht dank aan de staatssecretaris. Ik heb het gevoel dat hij onze vragen en ook onze antwoorden serieus heeft genomen. Daar ben ik hem erg erkentelijk voor. Ik heb nog een paar kleine dingetjes. Ik kan wel alle punten weer nalopen, maar we zijn nu in wel in een fase van herhaling aan het komen na een schriftelijk overleg, twee dagen wetgevingsoverleg en plenair.

Ik heb nog een puntje over het fiscaal inzagerecht. Ik ben heel blij met de toezegging met betrekking tot de invoeringstoets of de rechtsbescherming voldoende is en of aanpassingen nodig zijn om de rechtsbescherming te borgen en, als dat zo is, ook die stappen te zetten. De staatssecretaris weet dat dit voor mij echt een heel belangrijk onderwerp is, dus ik heb een motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat met de voorgenomen stroomlijning van het fiscaal inzagerecht automatisch een grofmazige selectie van stukken via een webportaal beschikbaar zal worden gesteld aan belastingplichtigen;

overwegende dat in het kader van rechtsbescherming, belastingplichtigen de mogelijkheid moeten behouden aanvullende inzage te kunnen verzoeken indien zij vermoeden dat relevante stukken op het webportaal missen, in plaats van te volstaan met de huidige praktijk waarbij belastingplichtigen enkel inzage in de stukken wordt verleend bij een geschil met de Belastingdienst over een belastingaanslag;

overwegende dat de uitvoerbaarheid van een dergelijke aanvullende inzageregeling kan worden geborgd, bijvoorbeeld door duidelijke afbakening tot een specifieke aangelegenheid of stuk, gefaseerde invoering, een langere beslistermijn, geen terugwerkende kracht en eventueel een aangepaste proceskostenvergoeding om aanzuigende werking op commerciële procespartijen te voorkomen;

verzoekt de regering om de Wet stroomlijning fiscaal inzagerecht verder uit te werken met de mogelijkheid tot aanvullende inzage in het fiscaal dossier, ingekleed met waarborgen voor uitvoerbaarheid,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Inge van Dijk, Grinwis en Stultiens.

Zij krijgt nr. 84 (36812).

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Ik heb een amendement ingediend op de Wbso. Het is eigenlijk een best wel slap amendementje om één jaar indexering te waarborgen. Ik heb dat eigenlijk een beetje slap gedaan, omdat ik het wel echt in beweging zou willen zetten, maar ook snap dat de dekking niet superfantastisch is. Vandaar dat ik het wil aanvullen met een motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat met het amendement op stuk nr. 68 (36602) bij het Belastingplan 2025 de schijfgrens van de Wbso is verhoogd naar €380.000 om een inhaalslag te maken op het al jaren niet geïndexeerde bedrag;

overwegende dat de schijfgrens van de Wbso eigenlijk jaarlijks geïndexeerd zou moeten worden om mee te bewegen met de stijgende kosten van R&D, omdat dit innovatieve mkb-bedrijven juist stimuleert om een extra R&D-medewerker aan te nemen of R&D-activiteiten voor langere tijd vol te houden;

constaterende dat er ieder jaar overschotten bestaan op het Wbso-budget en dat die overschotten nu toegevoegd worden aan het Wbso-budget in latere jaren, terwijl een herverdeling binnen het Wbso-budget om jaarlijks de schijfgrens te kunnen indexeren effectiever zou zijn;

verzoekt de regering om gezamenlijk vanuit de ministeries van EZK en Financiën bij het Belastingplan 2027 een voorstel te doen voor hoe binnen het budget van de Wbso de structurele indexering van de schijfgrens in kan worden gepast zodat het budget zo effectief mogelijk tot besteding komt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Inge van Dijk, Grinwis, Van Eijk en Stoffer.

Zij krijgt nr. 85 (36812).

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Tot slot. Ik ben blij met het bericht dat de eerste versie van het handvest naar de Kamer komt, evenals met de mogelijkheid om hier nog verder over door te praten.

Dank je wel.

Mevrouw Van Eijk (VVD):
Een belangrijke maatregel in de Wet Belastingplan 2026 voor onze fractie is de verlenging van de korting op de brandstofaccijns, zeker gezien het feit dat brandstofprijzen hoger zijn dan ooit, gekeken naar de afgelopen anderhalf à twee jaar. Mag ik ervan uitgaan dat het CDA ervoor zorgt dat deze maatregel in het Belastingplan overend blijft?

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Nou, dat weten wij nog niet. Dat gaan we met de fractie bespreken. Er ligt namelijk ook een amendement met betrekking tot het openbaar vervoer. Er liggen verschillende amendementen. Wij staan zeker niet negatief tegenover die maatregel. Maar ik hoop dat mevrouw Van Eijk snapt dat er een nieuwe fractie is en dat ik graag echt elk amendement een voor een met collega's wil doornemen. Nogmaals, met de meerderheid van de fractie zullen wij een besluit nemen.

De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de heer Hoogeveen voor zijn inbreng namens de fractie van JA21.

De heer Hoogeveen (JA21):
De katheder gaat automatisch omhoog!

De voorzitter:
Zeker. We zijn er inmiddels een beetje aan gewend.

De heer Hoogeveen (JA21):
Dank, voorzitter. Dank aan de minister en de staatssecretaris. Het waren goede beantwoordingen. Ze waren to the point. Op mijn vorige werkplek waren we dat wel anders gewend.

Ook de felicitaties aan de heer Oosterhuis. Het is inderdaad goed om ook de verschillen te benadrukken. Wie weet komen we ooit nog nader tot elkaar. Ik wil niet onbenoemd laten dat president Calvin Coolidge ten tijde van de crash van 1929 al een jaar niet meer in office was. Het is ook uitgebreid onderzocht: het was voornamelijk het beleid van de Federal Reserve. Die greep uiteindelijk te laat en te stevig in, met renteverhogingen. Dat leidde uiteindelijk tot de crash, niet het beleid van president Coolidge.

Ik wilde graag het volgende amendement nog benoemd hebben. Ik dien het samen met de collega van de VVD in. Het gaat over de multiplier lucratiefbelangregeling. Wij van JA21 vinden het toch belangrijk dat we daar kritisch naar kijken en het onder de loep nemen. Dat is met name omdat we zien dat ons verdienvermogen — ik noem het mkb en onze scale-ups en start-ups — ook wordt geraakt door deze maatregel. Juist gelet op ons verdienvermogen en de nadruk die wordt gelegd op ons investeringsklimaat, in lijn met het Draghirapport, is het belangrijk dat we hier kritisch naar kijken.

Voorzitter. Dan nog drie moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de tabelcorrectiefactor voor 2026 bijna voor de helft wordt toegepast;

overwegende dat het beperkt toepassen van de tabelcorrectiefactor ertoe kan leiden dat de inkomstenbelasting steeds verder uit de pas loopt met de inflatie;

verzoekt de regering een beleidskader aan de Kamer voor te leggen waarin wordt vastgelegd onder welke voorwaarden en binnen welke maximale bandbreedte de tabelcorrectiefactor kan worden beperkt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Hoogeveen.

Zij krijgt nr. 86 (36812).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Europese Commissie voorstelt om het pakket aan Europese eigen middelen uit te breiden;

overwegende dat deze eigen middelen leiden tot een structurele verschuiving van fiscale bevoegdheden van de lidstaten naar de Europese Unie;

verzoekt de regering om in de onderhandelingen over het Meerjarig Financieel Kader als Nederlandse inzet uit te dragen dat uitbreiding van Europese eigen middelen voor Nederland geen optie is,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Hoogeveen.

Zij krijgt nr. 87 (36812).

De heer Hoogeveen (JA21):
De laatste.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het kabinet zich bij de beoordeling van weglek- en concurrentie-effecten van de vliegbelasting baseert op onderzoek waarin recente fiscale maatregelen in andere Europese landen niet volledig zijn meegenomen;

constaterende dat de luchtvaart- en luchthavenbranche al concrete signalen afgeeft dat passagiers bij hogere kosten uitwijken naar buitenlandse luchthavens;

overwegende dat deze ontwikkelingen de concurrentiepositie van Nederlandse luchthavens aantoonbaar beïnvloeden en de bestaande onderzoeken daardoor niet langer een actueel beeld geven van weglek- en concurrentierisico's;

verzoekt de regering het onderzoek naar de effecten van de vliegbelasting te actualiseren op basis van de nieuwe situatie in meerdere Europese landen, inclusief de geconstateerde weglek- en concurrentie-effecten, en dit voor het Belastingplan 2027 met de Kamer te delen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Hoogeveen.

Zij krijgt nr. 88 (36812).

Dank u wel, meneer Hoogeveen. Het woord is aan de heer Freek Jansen voor zijn inbreng namens de fractie van Forum voor Democratie.

De heer Frederik Jansen (FVD):
Dank u wel, meneer de voorzitter. De staatssecretaris en ik hadden net een kort interruptiedebatje over de accijns op tabak. De staatssecretaris zei: ja, er is een derving geweest van de inkomsten. De verwachting was dat er 400 miljoen meer binnen zou komen, maar het was uiteindelijk 100 miljoen minder. Maar, zegt de staatssecretaris, daartegenover staat wel dat het aantal mensen dat rookt met 7% is gedaald ten opzichte van het jaar daarvoor. Het eerste wat bij mij opkwam, was: ja, maar erna is niet erdoor. Toen ben ik even gaan kijken naar de cijfers van de jaren daarvoor. Dan zie je vergelijkbare dalingen. In 2022 was er ook een daling van 8% en in 2020 van 7%. Het aantal rokers daalt überhaupt. Het is dus helemaal niet gezegd dat deze accijnsverhoging op deze manier causaal in verband kan worden gebracht met de daling van het aantal rokers. Het enige effect van deze maatregel dat we kunnen vaststellen, is volgens mij dat de Staat inkomsten is verloren, dat mensen in het buitenland sigaretten zijn gaan kopen en dat het mkb in Nederland inkomsten heeft verloren. Volgens mij is het gewoon een hele slechte maatregel geweest. Ik wil dus graag een motie indienen om die terug te draaien.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de jongste verhoging van de accijns op tabak niet resulteerde in verhoogde inkomsten voor het Rijk maar juist in een forse derving;

overwegende dat de Nederlandse overheid nu jaarlijks 2,6 miljard euro misloopt aan accijnsinkomsten;

overwegende dat het aantal in het buitenland gekochte sigaretten het afgelopen jaar met 25% is gestegen;

overwegende dat dit desastreus is voor de inkomsten van het Nederlandse mkb, met name in de grensstreken;

overwegende dat een verlaging van de accijns op tabak dus voordelig is voor zowel de Staat als de belastingbetaler en het mkb — heel uniek;

roept de regering op om met een voorstel te komen om de meest recente verhoging van de accijns op tabak terug te draaien,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Frederik Jansen en Vermeer.

Zij krijgt nr. 89 (36812).

De heer Frederik Jansen (FVD):
Ik heb nog een motie. Wij vinden het een groot onrecht dat expats in Nederland minder belasting hoeven te betalen dan normale Nederlanders.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Nederlandse Staat structureel belastinginkomsten misloopt als gevolg van de huidige expatregeling;

overwegende dat deze inkomsten ten goede kunnen komen aan lastenverlichting voor Nederlanders;

overwegende dat het aantal expats dat werkzaam is in Nederland al jaren groeit;

overwegende dat deze expats niet minder gebruikmaken van Nederlandse voorzieningen dan Nederlandse staatsburgers;

roept de regering op om met een voorstel te komen om de expatregeling versneld af te bouwen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Frederik Jansen.

Zij krijgt nr. 90 (36812).

De heer Frederik Jansen (FVD):
Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel, meneer Jansen. Dan geef ik het woord aan mevrouw Van der Plas. Zij tekent enkele moties mee, maar ziet af van spreektijd in de tweede termijn, begrijp ik. Dan gaan we naar de heer Ergin. Hij ziet ook af van zijn tweede termijn. Meneer Stoffer doet dat niet, dus hij krijgt het woord voor zijn inbreng in tweede termijn namens de fractie van de Staatkundig Gereformeerde Partij.

De heer Stoffer (SGP):
Voorzitter, ook mijn inbreng in tweede termijn is maar heel kort. Ik wil de staatssecretaris en toch ook de minister danken voor de beantwoording, niet alleen vanavond, maar ook de afgelopen week. Als SGP hebben we twee amendementen ingediend. Een van die amendementen gaat over de eenverdieners. Dat is een heel belangrijk amendement voor ons. Het is niet voor het eerst dat wij daar iets over indienen; dat doen we al vele jaren. Vorig jaar had dat gelukkig ook succes. Daarnaast heb ik een amendement ingediend over de pseudo-eindheffing, met als doel om volgend jaar snel met een betere invulling te komen. Samen met BBB hebben we een amendement ingediend om de pure vruchten- en groentesappen uit te zonderen van de verbruiksbelasting. Ik heb ook overwogen om daar nog een motie over in te dienen, maar gezien de toezegging van vorige week om begin volgend jaar een brief over dit onderwerp naar de Kamer te sturen, zie ik daarvan af. Ik roep de staatssecretaris wel op om zo snel mogelijk met die brief te komen, zodat we dat volgend jaar wellicht wel kunnen effectueren; hij gaf dat zelf ook aan. De sector wacht al heel lang op een uitkomst bij dit dossier. Het speelt ook al vele jaren.

Voorzitter. Dan het punt van box 3. Dat ligt ons zwaar op de maag. Als het aan het kabinet ligt, gaat die belasting op box 3 volgend jaar flink omhoog. Laat ik helder zijn: als het aan de SGP ligt, gebeurt dat niet. Daarom hebben wij een amendement van de heer Grinwis meegetekend, om die stijging van het forfaitair rendement ongedaan te maken. Ik hoop dat het amendement het gaat halen en dat we met elkaar tot een meerderheid kunnen komen. Heel specifiek hebben we met elkaar gesproken over de pachtgronden en dat het door de normering van de pachtprijzen ook niet mogelijk is om daar enorme rendementen op te halen. Ik ben de staatssecretaris erkentelijk dat hij gaat kijken wat de effecten daarvan zijn voor de landbouw. Ik ga ervan uit dat dit gewoon zo spoedig mogelijk onze kant op komt.

Voorzitter. Het laatste punt dat ik nog aan wil halen, is de afvalstoffenheffing. Daar hebben we ook grote bezwaren tegen. Dat heb ik ook tijdens het WGO en in de eerste termijn aangegeven. Er is veel over gewisseld. Over één specifiek punt had ik wel een motie klaarliggen, maar gezien de toezegging van de staatssecretaris dat hij met de waterschappen die uitvoerbaarheidstoets toch gaat oppakken, is die niet nodig. Voor de rest had ik ook geen moties in voorbereiding. Ik heb wel een aantal andere meegetekend. Hoewel we vele verschillen hebben met D66, hebben we één overeenkomst: we hebben geen moties. Wat dat betreft is het ook eens mooi om zo af te sluiten.

Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Zo ontmoeten twee werelden elkaar toch. Het woord is aan mevrouw Teunissen voor haar inbreng in de tweede termijn namens de fractie van de Partij voor de Dieren.

Mevrouw Teunissen (PvdD):
Dank u wel, voorzitter. Ook ik wil de staatssecretaris en de minister bedanken voor de zorgvuldige en uitgebreide beantwoording. We zijn het niet altijd eens, maar er blijkt wel veel kennis te zitten bij het kabinet. Dat is heel erg belangrijk als het over de financiën gaat. Ik wil ook Bureau Wetgeving ontzettend bedanken, want we hebben een fors aantal amendementen ingediend. In onze ogen zijn die ook daadwerkelijk noodzakelijk om tot de noodzakelijke fiscale vergroening te komen. Ik wil Bureau Wetgeving hartelijk danken voor het feit dat zij ons zo uitgebreid hebben ondersteund.

Voorzitter. Dan wil ik op een aantal punten ingaan. Ik heb drie moties. Die zijn om datgene waarover is gewisseld een stukje verder te brengen. Allereerst heb ik een motie over de dierenartsenkosten. Ik dank de staatssecretaris voor zijn toezegging om in Europa te kijken of er een heroverweging nodig is. Maar wij hebben in een rondetafelgesprek in deze Kamer ook heel duidelijk gehoord dat het verlagen van de btw naar 0% wel degelijk heel effectief is in het verlagen van de kosten voor mensen die de dierenartskosten nu niet kunnen betalen. Vandaar de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de dierenartskosten hard zijn gestegen, waardoor steeds meer mensen de rekening niet kunnen betalen;

overwegende dat humane gezondheidszorg is vrijgesteld van btw, maar op dierenzorg nog 21% btw wordt geheven;

overwegende dat een grote Kamermeerderheid voor de verkiezingen het dierendagakkoord heeft gesloten, waarmee de Kamer ertoe oproept om de dierenzorg weer goed, betaalbaar en eerlijk te maken;

overwegende dat bij het rondetafelgesprek over dierenartskosten een groot aantal experts ervoor heeft gepleit om dierenzorg vrij te stellen van btw, maar dit nog niet mogelijk is vanwege Europese regelgeving;

verzoekt de regering zich in te spannen om de btw op diergeneeskundige zorg te verlagen naar 0%, bijvoorbeeld door een kopgroep te vormen van landen in Europa, en aan de Kamer hierover periodiek te rapporteren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Teunissen.

Zij krijgt nr. 91 (36812).

Mevrouw Teunissen (PvdD):
Dan heb ik ook een motie gericht aan de minister van Klimaat en Groene Groei. Ik ben er niet van overtuigd dat Nederland zich niet kan aansluiten bij de coalitie die op de klimaattop is gevormd voor het extra belasten van premiumvluchten en privéjets. Daarmee hebben we echt niks te verliezen, alleen maar iets te winnen. Als we ergens extra inkomsten vandaan moeten halen, dan is het wel bij de grootvervuilers. Vandaar de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat premium- en privévluchten sterk bijdragen aan broeikasgasemissies, terwijl kerosine door het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart uit 1947 onbelast blijft;

overwegende dat op de klimaattop een internationale coalitie is gevormd van landen zoals Frankrijk en Spanje om premiumreizen en privéjets extra te belasten;

verzoekt de regering zich aan te sluiten bij deze internationale coalitie,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Teunissen.

Zij krijgt nr. 92 (36812).

Mevrouw Teunissen (PvdD):
Voorzitter. Tot slot een reactie op de kabinetsappreciatie van ons amendement om de reparatie van huishoudelijke apparaten minder te belasten. Ik zie toch echt wel dat het kabinet nog zoekende is naar een definitie van "huishoudapparaat". Vandaar de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er een onderzoek is uitgevoerd naar de mogelijkheden om een verlaagd btw-tarief toe te passen op reparatie van huishoudapparaten, zoals verzocht in de aangenomen motie-Stoffer c.s. (36410-XII, nr. 57);

constaterende dat in het uitgevoerde onderzoek een mogelijk afbakeningsprobleem wordt gesignaleerd, maar geen onderzoek gedaan is naar welke afbakening van huishoudapparaten het best werkbaar zou zijn voor de Belastingdienst en belastingplichtigen;

verzoekt de regering om een vervolgonderzoek te doen waarin gezocht wordt naar een eenduidige, juridisch houdbare en uitvoerbare definitie voor zowel belastingplichtigen als de Belastingdienst,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Teunissen.

Zij krijgt nr. 93 (36812).

Dank u wel, mevrouw Teunissen. Het woord is aan de heer Grinwis voor zijn tweede termijn namens de fractie van de ChristenUnie.

De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel. Dank aan de minister voor haar komst en de beantwoording in deze termijn. Ook dank aan de staatssecretaris. Vandaag was de beantwoording ook weer heel kundig. Dank voor de prettige behandeling van het Belastingplan, waar u toch wel behoorlijk onverhoeds mocht invallen. Wat mij betreft smaakt dit naar meer, dus wie weet wordt u nog gebeld. Ook veel dank aan Bureau Wetgeving, aan de amendementenservice van het ministerie en aan alle mensen die daarachter zitten. Ik heb het zeer gewaardeerd.

Voorzitter. Black Friday, zwarte vrijdag, nadert, een van de wat slechtere Amerikaanse gebruiken die is overgewaaid naar dit deel van de wereld. Het lijkt wel alsof dan het adagium "ik koop, dus ik besta" meer dan ooit geldt. Beste collega's, hoedt u deze week dus voor de niet aflatende stroom aan busjes met niet zelden meuk van Temu en AliExpress, die na een of twee keer te zijn gebruikt, wordt afgedankt. Dat leidt, kort gezegd, tot twee duidelijke moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Europa, in het bijzonder Nederland, overspoeld wordt door goedkope pakketjes (in 2024 3 miljoen pakketjes per dag), die in veel gevallen niet voldoen aan de Europese productie- en kwaliteitsstandaarden en niet zelden onveilig, ongezond en/of vervuilend zijn;

overwegende dat deze steeds grotere stroom aan inkomende pakketjes gecontroleerd moet kunnen worden door de Douane, maar dat dat veel kosten met zich meebrengt;

overwegende dat de Europese Unie werkt aan de invoering van een heffing op pakketjes goedkoper dan €150 — daarboven bestaat al een invoerheffing;

overwegende dat een aantal buurlanden vooruitlopend op die Europese invoerheffing zeer binnenkort, namelijk op 1 januari 2026, een nationale "handling fee" invoeren, waardoor nog meer pakketjes richting Nederland dreigen te stromen;

verzoekt de regering om tegelijk met de relevante buurlanden een nationale handling fee te introduceren voor pakketjes van buiten de Europese Unie en de daartoe benodigde wetgevende acties zo spoedig mogelijk in gang te zetten, en ondertussen onverminderd in te zetten op het op korte termijn van kracht worden van een nog effectievere Europese invoerheffing;

verzoekt de regering daarbij rekening te houden met de zorgen van het bedrijfsleven over de uitvoerbaarheid van een snelle invoering van een nationale handling fee, met name gezien de korte tijd voor systeeminrichting, contractherziening en logistieke afstemming,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Grinwis, Stultiens, Stoffer en Jimmy Dijk.

Zij krijgt nr. 94 (36812).

De heer Grinwis (ChristenUnie):
De tweede motie in ditzelfde genre.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat aanstaande vrijdag de hoogmis van het consumentisme "Black Friday" gevierd wordt;

overwegende dat om binnen de draagkracht van de aarde te leven er niet meer, maar minder consumptie van nieuwe spullen, minder weggooien en meer hergebruik en reparatie nodig is;

overwegende dat een nieuw product aanschaffen vaak goedkoper, makkelijker en sneller is dan repareren;

overwegende dat er tal van (beleids)initiatieven zijn om reparatie aantrekkelijker te maken, van repaircafés tot de Europese reparatierichtlijn, die komend jaar ook in Nederland gaat gelden;

verzoekt de regering ter ondersteuning van alle initiatieven die er zijn om reparatie en hergebruik aantrekkelijker te maken, te onderzoeken op welke wijze de fiscaliteit effectief en goed uitvoerbaar zou kunnen bijdragen aan meer reparatie van huishoudelijke apparaten en andere relevante productgroepen, en de Kamer voor de zomer van 2026 over de mogelijkheden en onmogelijkheden te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Grinwis, Stultiens, Stoffer, Oosterhuis en Jimmy Dijk.

Zij krijgt nr. 95 (36812).

De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter. Ik weet dat er een onderzoek is geweest naar sec de btw, maar dit verzoek is breder dan alleen de btw. Dit zeg ik voor het geval er een oordeel overbodig dreigde. Dat hoeft dus niet. Het mag gewoon oordeel Kamer zijn.

Voorzitter. Dan kom ik nog op ... Ik ga niet een heel alfabet doen, maar ik begin wel bij de letter a. En ik heb nog drie punten.

Allereerst de a van arbeidskorting. Ik heb vandaag het amendement gewijzigd ingediend naar aanleiding van de eerste nota van wijziging. Daarmee zijn volgens mij al mijn amendementen inmiddels uitgetrild.

De tweede a is die van auto en autobelastingen. Eerst maar de motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het kabinet per 1-1-2027 een pseudo-eindheffing wil invoeren voor fossiele leaseauto's;

overwegende dat uit Ipsosonderzoek blijkt dat deze maatregel naar verwachting leidt tot grotere uitwijkeffecten dan waar het kabinet mee rekent, en dat daarmee de pseudo-eindheffing mogelijk minder bijdraagt dan beoogt aan het doel van het kabinet om EV-gebruik te stimuleren;

overwegende dat belastingen niet onder de definitie van regeldruk vallen, maar er wel degelijk sprake kan zijn van verhoogde regeldruk voor ondernemers vanwege hogere administratieve lasten en nalevingskosten;

verzoekt de regering alsnog een mkb-toets en een ATR-advies plaats te laten vinden bij deze maatregel;

verzoekt de regering deze uitwijkeffecten te monitoren, met name de overstap naar de wat oudere fossiele auto's en de gevolgen in het kleinere mkb, en de Kamer daarover regelmatig te rapporteren, en als uitkomsten daar aanleiding toe geven deze te betrekken in de besluitvorming over de pseudo-eindheffing en/of het flankerende beleid in de belastingplannen de komende jaren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Grinwis, Inge van Dijk, Van Eijk, Stoffer, Hoogeveen, Jimmy Dijk en Vermeer.

Zij krijgt nr. 96 (36812).

De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ten slotte ga ik voorbij aan de a van afval en aan box 3. Ik ga snel naar mijn laatste motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat samenwerking tussen melkveehouders en akkerbouwers om tal van redenen positief is, niet in het minst omdat deze bijdraagt aan biodiversiteit, bodem, water en het sluiten van kringlopen;

constaterende dat er significante fiscale belemmeringen zijn bij het komen tot een geïntegreerd bouwplan door een melkveehouder en een akkerbouwer, met name als het gaat om de toepassing van de BOR en de landbouwvrijstelling;

verzoekt de regering fiscale knelpunten in de samenwerking tussen melkveehouders en akkerbouwers weg te nemen, en daarbij onder meer te onderzoeken dat bij tijdelijke uitruil van grond de schenk- en erffaciliteit blijft gelden en dat met het oog op verbreding van de vruchtwisseling bij pachtgrond de landbouwvrijstelling voor de eigenaar niet verloren gaat, en de Kamer over de voortgang hiervan ruim voor de zomer van 2026 te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Grinwis, Stoffer, Inge van Dijk en Van der Plas.

Zij krijgt nr. 97 (36812).

De heer Grinwis (ChristenUnie):
Over box 3 is genoeg gezegd. Ik beveel mijn amendement nogmaals warm aan.

Tot zover.

De voorzitter:
U heeft het gedaan. Dank u wel, meneer Grinwis. Tot slot van de zijde van de Kamer is het woord aan de heer Jimmy Dijk voor zijn inbreng namens de fractie van de Socialistische Partij. Het spreekgestoelte gaat al …

De heer Jimmy Dijk (SP):
Voorzitter, u leert snel.

De voorzitter:
Zo is dat. Gaat uw gang.

De heer Jimmy Dijk (SP):
Voorzitter. Ik heb een patroon ontdekt in dit debat. Eerder heb ik de metafoor van de zeemeeuw gebruikt, die er krijsend aan komt, de bak leegvreet, de boel onderschijt en vervolgens wegvliegt. Ik had het over de zeemeeuw, omdat die staat voor de zeemeeuwkapitalisten oftewel de private-equity-"investeerders". Ik vind het onbegrijpelijk dat er dan hier een discussie wordt gevoerd over het toch even uitstellen en niet invoeren van de bonus voor private-equitymanagers, met het argument dat dat schadelijk zou zijn voor start-ups en scale-ups. Pak dan dat laatste probleem aan, zou ik zeggen. Maar gooi alstublieft niet het goeie voorstel weg om die private-equitymanagers eindelijk eens een keer fatsoenlijk te gaan belasten. Wat is namelijk het probleem? De huisartsen, de dierenartsen, de kinderopvang, de ouderenzorg en, ja, ook de thuiszorg worden ondertussen leeggeroofd door deze zeemeeuwen. Maar ook bedrijven, fietsfabrieken en mkb's worden leeggeroofd door deze private-equityzeemeeuwen. Oftewel: de werkende klasse heeft hier onwijs veel last van. Dus nu afschaffen die bonus en het kabinet op pad sturen om een oplossing te vinden voor echte start-ups en echte scale-ups, die niet vervolgens worden overgenomen door deze zelfde private-equityfirma's.

Maar deze Kamer, met name de rechtse meerderheid, zegt: nee, laten we het allemaal maar uitstellen en daar geen belasting over gaan heffen. Het is dus geen probleem om de belastingen voor werkende mensen, de inkomstenbelastingen, te gaan verhogen. Het is geen probleem om de belastingen op vrije tijd te gaan verhogen. Het vakantiehuisje van normaal werkende mensen wordt flink duurder. Ben je een week een keertje weg nadat je jarenlang hebt gewerkt, dan komt dit kabinet aan met een btw-verhoging. Het treft juist die mensen die eindelijk een weekendje of een week weg kunnen. Belast niet onze vrije tijd, belast niet ons werk, belast niet ons inkomen, maar belast alstublieft die private-equitymanagers, die zeemeeuwen. Denk aan de kosten voor de mensen die ik net noemde: die mensen die last hebben van private equity in de zorg, namelijk de zorgverleners, die mensen die last hebben van private equity in onze winkelstraten, namelijk de mensen die in de winkels werken, die mensen die last hebben van private equity in de kinderopvang, namelijk de mensen die in de kinderopvang werken, die mensen die in de post werken, en al die andere mensen. D66 zei in de eerste termijn graag minder belasting op werk te willen en meer op arbeid. Ik wil het graag zien.

Dan kom ik bij de buffelboete. Gek, dat is precies dezelfde groep. Zorgverleners, schoonmakers, winkelpersoneel: het zijn precies die mensen die hard getroffen worden door die private-equityzeemeeuwen. Het is een boete voor 700.000 hardwerkende Nederlanders met een inkomen van €12.000 tot €25.000. Die boete loopt op tot €500 per jaar voor mensen. Dat is gewoon een boete op hard werken. Waarom krijgen die private-equitymanagers een bonus, een belastingkorting, en werkende mensen een boete? Het toont de signatuur van deze Kamer en dit kabinet. Mensen die al buffelen om rond te komen krijgen nog minder te besteden in hun portemonnee. Die buffelboete moet helemaal afgeschaft worden, niet voor één jaar, niet voor twee jaar, maar langdurig. Daarom heb ik daar samen met GroenLinks-Partij van de Arbeid een motie voor ingediend.

Voorzitter. Dan heb ik nog twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat een specifieke belastingbonus voor managers van (schadelijke) private-equitybedrijven de wereld op zijn kop is;

constaterende dat het onacceptabel is dat deze belastingbonus in stand gehouden zou worden vanwege een samenloop met bonussen voor medewerkers bij start-ups en scale-ups;

verzoekt de regering om het belastingvoordeel voor private-equitymanagers wel af te schaffen en zelf een oplossing te gaan zoeken voor start-ups en scale-ups,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Jimmy Dijk.

Zij krijgt nr. 98 (36812).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat een weekendje weg voor veel mensen onbetaalbaar wordt door het verhogen van de btw op logies;

constaterende dat leuke dingen doen in je vrije tijd geen voorrecht mag zijn voor mensen met met name een hoger inkomen;

verzoekt de regering om de btw-verhoging op logies niet door te voeren en dit te dekken door het verhogen van een bankenbelasting,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Jimmy Dijk.

Zij krijgt nr. 99 (36812).

De heer Jimmy Dijk (SP):
Voorzitter, tot slot wil ik nog iets zeggen over die bankenbelasting. Ik heb vandaag het nieuws gezien over ABN. ABN gaat weer op oude voet verder: mensen ontslaan, meer gericht zijn op winstmaximalisatie en veel meer risico's nemen. Dat kan nooit een nationale bank zijn.

De voorzitter:
Dank u wel, meneer Jimmy Dijk, voor uw inbreng namens de SP. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de tweede termijn van de Kamer. Ik schors tot 20.50 uur voor de beantwoording van de zijde van het kabinet. Er zijn 23 moties. Dat gaat u ongetwijfeld lukken.

De vergadering wordt van 20.25 uur tot 20.51 uur geschorst.

De voorzitter:
Ik heropen de vergadering en geef het woord aan de staatssecretaris voor de beantwoording van de gestelde vragen en de appreciatie van de ingediende amendementen en moties.

Staatssecretaris Heijnen:
Dank u wel, voorzitter. Ik had uit mijn eerste termijn nog drie vragen openstaan, die ik nu kort wil beantwoorden.

Eerst een vraag van mevrouw Van Eijk. Zij vroeg naar aanleiding van de digitalisering van de bpm om een reflectie op wat de Belastingdienst zelf doet en wat de dienst overlaat aan ketenpartners. In het algemeen is het efficiënt als alle uitvoeringsorganisaties doen waarin ze gespecialiseerd zijn. De digitalisering van de bpm is daarvan een goed voorbeeld. Dit is ook de insteek bij ander nieuw beleid. Het klopt dat de Belastingdienst de digitalisering van de bpm vanaf 2028 kan uitvoeren. Binnen het IV-portfolio van de Belastingdienst is voor dat moment ruimte gereserveerd om dit project te realiseren. Realisatie vóór die datum van 1 januari 2028 is niet haalbaar, omdat dit deel van het IV-portfolio al gevuld is met andere taken, zoals de modernisering en wetgeving, zoals de fiscale voertuigclassificatie.

Dan een tweede vraag, van de heer Jansen. Die gaat over de methodiek van het onderzoek van het RIVM naar de gedragseffecten bij rokers van de verhoging van de tabaksaccijns. Het RIVM heeft in 2024 twee vragenlijsten uitgezet onder een representatieve groep rokers, bestaande uit 1.394 personen. De eerste vragenlijst betrof een voormeting in maart 2024, dus vlak voor de accijnsverhoging. De tweede betrof een nameting in december 2024, dus zeven maanden na de accijnsverhoging. De voormeting vroeg naar de achtergrondkenmerken van de deelnemende rokers, hun huidige rookgedrag en hun voorgenomen gedrag na de accijnsverhoging. De nameting vroeg naar huidig rookgedrag, stopintenties en veranderingen in rook- en koopgedrag. Vervolgens zijn de uitkomsten van de voormeting en de nameting met elkaar vergeleken en is door de onderzoekers geconcludeerd dat 7% van de deelnemende rokers na de accijnsverhoging gestopt is met roken. Het onderzoek is van voor mijn tijd, maar ik begreep dat het op 17 juli jongstleden met uw Kamer is gedeeld. Het onderzoek heet Gedragseffecten van de accijnsverhoging op tabak in 2024.

De heer Frederik Jansen (FVD):
Ik heb een korte opmerking, een suggestie voor de staatssecretaris. Het CBS heeft deze cijfers, van het aantal rokende Nederlanders per jaar, dus ook gewoon. Er is geen wijziging in de trend. Er is wel een beetje een schommelend effect. Maar ik ben toch wel heel benieuwd — misschien wil de staatssecretaris daar wel een brief over schrijven — hoe je in breder perspectief toch kan zien of die effecten überhaupt zo zichtbaar zijn. Die trends, die dalingen, waren namelijk in eerdere jaren heel vergelijkbaar.

De voorzitter:
Dit begint bijna een VWS-debat te worden, maar we gaan luisteren wat de staatssecretaris daarover zegt.

De heer Frederik Jansen (FVD):
Ja, maar het heeft eigenlijk wel heel veel implicaties voor een belasting.

Staatssecretaris Heijnen:
Het klopt dat het gezondheid betreft. Maar het heeft wel gevolgen voor de tabaksaccijns en dat is denk ik de achtergrond van de vraag. Ik weet niet precies wat de trends zijn; daar moet ik het antwoord op schuldig op blijven. We willen ernaar kijken en u daar dan iets naders over laten weten.

De voorzitter:
U vervolgt.

Staatssecretaris Heijnen:
Dan de laatste vraag, van de heer Stultiens, of ik naast zijn amendement mogelijkheden zie dekking op te halen binnen de liquidatieverliesregeling. De opbrengst van de in het amendement voorgestelde voor-zoverbenadering is 25 miljoen. De structurele derving — de heer Stultiens zei het al — van het arrest bedraagt 65 miljoen en is gebaseerd op de alles-of-nietsbenadering die de inspecteur in de casus, in het arrest, had opgenomen. Met de voor-zoverbenadering kan nog steeds een deel van het verlies in aftrek worden genomen en daarom is de opbrengst lager dan bij de alles-of-nietsbenadering. Om de resterende derving van 40 miljoen op te halen binnen de liquidatieverliesregeling kan bijvoorbeeld de drempel van 5 miljoen naar 2 miljoen worden verlaagd. Het kabinet heeft om verschillende redenen niet voor deze oplossing gekozen, onder meer vanwege de verwachte negatieve impact op het bedrijfsleven en dan in het bijzonder het mkb. Ik heb u tijdens het eerste wetgevingsoverleg een brief toegezegd om aan te geven wat we reeds hebben onderzocht. Ik verwacht deze brief op korte termijn, begin volgend jaar, te sturen.

De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Dank voor het antwoord. Dan heb ik een verzoek voor die brief. Zou de staatssecretaris daar ook in kunnen meenemen of het mogelijk is om die alles-of-nietsbenadering te amenderen in de wet? Wij kiezen nu namelijk voor de voor-zoverbepaling, waardoor je slechts 25 miljoen ophaalt. Ik ga niet binnen twee dagen de amendementen nog helemaal overhoopgooien, maar het is wel interessant om in die brief te weten of, als je in plaats van een voor-zover- een alles-of-nietsbenadering hanteert, je dan een hogere opbrengst kunt krijgen.

Staatssecretaris Heijnen:
Wij nemen dat mee. Dan waren dat mijn openstaande vragen.

Ik ga beginnen met de amendementen. Ik houd het kort, met een korte omschrijving. Ik hoop dat dat voldoende is. Ik begin met de amendementen op het wetsvoorstel Belastingplan 2026.

Het amendement op stuk nr. 20 van de Partij voor de Dieren om de verlenging van de accijnskorting ongedaan te maken: ontraden.

Het amendement op stuk nr. 24 dat voorstelt om met ingang van 1 juli 2026 het verlaagde btw-tarief op sierteelt te verhogen naar het algemene btw-tarief: ontraden.

Het amendement op stuk nr. 25 schrapt de pseudo-eindheffing op personenauto's uit het wetsvoorstel. Daarnaast wordt teruggedraaid dat het kwarttarief op paardenvervoer vervalt met ingang van 1 januari 2026. Ook wordt de verhoging van de motorrijtuigenbelasting voor kampeerauto's deels teruggedraaid. Ontraden.

Het amendement op stuk nr. 30 over het schrappen van de pseudo-eindheffing uit het Belastingplan: ontraden.

Het amendement op stuk nr. 31 over het afschaffen van de landbouwvrijstelling per 1 januari 2026 zonder overgangsrecht: ontraden.

Het amendement op stuk nr. 32 regelt dat de CBAM-inkomsten uit 2026 en 2027 niet worden ingezet voor de korting op de brandstofaccijns, maar worden aangewend om bezuinigingen op het openbaar vervoer te voorkomen. Ontraden.

Het amendement op stuk nr. 33 stelt voor om per 2026 de belastingvermindering in de energiebelasting met 100 miljoen te verhogen. Als dekking worden de budgetten voor de MIA en de VAMIL verlaagd. Ontraden.

Het amendement op stuk nr. 36 stelt voor om met ingang van 1 januari 2027 de btw voor reparatie van huishoudapparaten naar 9% te verlagen en dat te dekken met het afschaffen van het verlaagde btw-tarief voor de sierteelt, via een separaat amendement. Ontraden.

Het amendement op stuk nr. 37, waarmee de vrijstelling voor de inkoop van eigen aandelen wordt afgeschaft: ontraden.

Het amendement op stuk nr. 39, waarmee de voorgestelde verlaging van de CO2-heffing voor ETS1 en lachgasinstallaties wordt teruggedraaid, waarbij de budgettaire opbrengst wordt teruggesluisd naar het Klimaatfonds: ontraden.

Dan het amendement op stuk nr. 41, waarmee wordt voorgesteld om groente- en vruchtensappen per 1 januari uit te zonderen van de verbruiksbelasting. Om deze derving te dekken stijgt het tarief van de alcoholvrije dranken die nog wel worden belast met de verbruiksbelasting, met €4,06 per hectoliter. Los van de brief ontraad ik om op dit moment de sappen uit te zonderen van de verbruiksbelasting. Dat hangt samen met het feit dat ik nog terug ga komen op de diverse scenario's, waarbij dan ook het scenario van dit amendement kan worden meegenomen. Ik vind het belangrijk dat uw Kamer over alle van belang zijnde actuele cijfers beschikt voordat er op dit punt stappen worden gezet.

Het amendement op stuk nr. 45 is het amendement om de invoering van de multiplier uit te stellen naar 1 januari 2029. Het amendement wordt gedekt met de verhoging van de Aof-premie voor die jaren. Oordeel Kamer.

Het amendement op stuk nr. 46 gaat over het terugdraaien van de voorgestelde, in het Belastingplan opgenomen structurele verhoging van de afvalstoffenheffing met 340 miljoen. De dekking bestaat uit een versobering van de EIA, MIA en VAMIL. Ontraden.

Met het amendement op stuk nr. 47 wordt geregeld dat de voorgestelde verhoging van het forfait voor overige bezittingen in box 3 met 1,78% en de verlaging van het heffingsvrije vermogen in box 3 niet doorgaan. De dekking bestaat uit het versneld afbouwen van de wet-Hillen. Even los van de dekking — want daar begin ik niet meer over, meneer Grinwis — dienen aanpassingen in de eigenwoningregeling integraal gewogen te worden. Dat is eventueel aan een volgend kabinet. Het aanpassen van de afbouw van de wet-Hillen is daarom wat ons betreft op dit moment onwenselijk. Dus: ontraden.

Met het amendement op stuk nr. 49 wordt beoogd de vrijstelling in de overdrachtsbelasting ten behoeve van de bedrijfsoverdracht in de familiesfeer uit te breiden met neven, nichten, ooms, tantes en de partner van de ondernemer. Dit wordt gedekt door de budgetten van de MIA en de VAMIL te verlagen. Dit amendement is een uitbreiding van een fiscale regeling. Het doel van de familievrijstelling is om versnippering van de onderneming na het overlijden van de eigenaar te voorkomen. Hoewel het amendement daaraan bijdraagt, gaat het ook verder dan dat. De uitbreiding leidt ertoe dat de vrijstelling wat ons betreft verder van de oorspronkelijke doelstelling ervan komt te liggen. Daarom ontraad ik dit amendement.

Met het amendement op stuk nr. 50 wordt het bedrag van de Energie-investeringsaftrek en van de MIA dat in het jaar van de winst kan worden afgetrokken, beperkt tot het bedrag van de winst uit de betreffende onderneming. Niet-gerealiseerde aftrek kan in latere jaren in aanmerking worden genomen. Oordeel Kamer.

Het amendement op stuk nr. 52 gaat over het ongedaan maken van de voorgenomen beperkingen van de vrijstelling van motorrijtuigenbelastingen voor oldtimers. De dekking wordt ingevuld door een versobering van de SDE++-subsidie. Ontraden.

Met het amendement op stuk nr. 53 wordt een lagere bijtelling voor elektrische auto's voorgesteld. Daarbij wordt het volgende aangepaste pad voor de bijtelling voor elektrische auto's voorgesteld: 18% in 2026 voor de eerste €30.000, vervolgens 20% in 2027 en pas vanaf 2028 22%. De dekking wordt gevonden in de youngtimerregeling. Ik snap de wens en ik vind het ook een sympathiek voorstel. Echter, het amendement is niet helemaal gedekt. In de kabinetsperiode resteert een derving van cumulatief 41 miljoen. Daarom moet ik het amendement helaas ontraden.

De heer Oosterhuis (D66):
Ik keek even of de eerste indiener ook opstond, maar ik begin alvast. Ik denk ook dat het een heel sympathiek amendement is en ik vind het eerlijk gezegd een beetje flauw om het vanwege de dekking te ontraden. Er zit structureel namelijk juist een enorme overdekking in het voorstel. Ja, op de hele korte termijn kost het 41 miljoen, over drie jaar. Dat is 41 miljoen op een totaal van 1.400 miljard, het bedrag dat in die jaren binnenkomt. Dat gaat dus echt over een getal waarbij we volgens mij ver achter de komma uitkomen. Structureel schrapt dit een ondoelmatige regeling die structureel veel geld oplevert. Het kost in het begin juist geld omdat we die regeling op een hele nette manier willen afschaffen. We doen dat niet in één keer, maar juist via een ingroei. Is dit dan niet heel flauw? Maken we het onszelf dan niet extreem moeilijk om nog iets aan te passen en iets aan fiscale regelingen te doen?

Staatssecretaris Heijnen:
Ik hoor het verhaal en de argumentatie van de heer Oosterhuis. Ik kan me dat vanuit zijn positie voorstellen. Aan de andere kant: ik heb te werken met de begrotingsregels zoals we die met z'n allen hebben afgesproken. Die volg ik.

De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik zeg niet dat we dit gaan doen, want dat vind ik niet netjes, maar stel dat we de youngtimerregeling per 1 januari aanstaande in één keer met tien jaar versoberen, waardoor er ook het eerste jaar al overdekking is, of met vijf jaar, zodat je bijna gelijkloopt. Stel dus dat het dekkingsargument geen opgeld meer doet, wat is dan het oordeel van de staatssecretaris?

Staatssecretaris Heijnen:
Dan zou ik vanuit de dekking geen argument meer hebben om te zeggen "ontraden" en dan zou ik het amendement dus oordeel Kamer kunnen geven.

De voorzitter:
U vervolgt uw beantwoording.

Staatssecretaris Heijnen:
Ik ga naar het amendement op stuk nr. 54. In het wetsvoorstel wordt momenteel geregeld dat de pseudo-eindheffing voor fossiele auto's steeds voor een gehele kalendermaand wordt toegepast, ook als de fossiele auto maar een deel van de maand ter beschikking is gesteld. Via dit amendement wordt geregeld dat die bepaling vervalt. Wij hebben goed gekeken naar het amendement en wij vragen ons af of het amendement zoals het nu luidt, niet wat verder gaat dan de indiener beoogd heeft. Daarom moeten we het amendement op dit moment ontraden.

Mevrouw Van Eijk (VVD):
We hebben hier net ook al wat woorden over gewisseld. Zou de staatssecretaris kunnen toezeggen dat dit punt bij het verder verfijnen en uitwerken van deze regeling expliciet wordt meegenomen, vooruitlopend op de invoering? Ik vind dat namelijk echt heel belangrijk. Als dat zo is, dan ben ik bereid om het amendement in te trekken.

Staatssecretaris Heijnen:
Ik kan dat toezeggen.

De voorzitter:
Het amendement is ingetrokken. Welk nummer betreft dat?

Mevrouw Van Eijk (VVD):
54.

De voorzitter:
Het amendement-Van Eijk (stuk nr. 54) is ingetrokken.

De staatssecretaris vervolgt met zijn appreciatie.

Staatssecretaris Heijnen:
Dan het amendement op stuk nr. 55. Het amendement beoogt zowel het lage als het hoge tarief in box 2 met 1,7 procentpunt te verhogen, om een geplande bezuiniging op de jeugdzorg te schrappen. Dit amendement wordt ontraden.

Dan het amendement op stuk nr. 59. Dit amendement schaft per 1 januari 2026 de vrijstellingen af in de energiebelasting voor metallurgische procedés, mineralogische procedés, chemische reductie en elektrolytische procedés anders dan voor de productie van waterstof. Dit amendement wordt ontraden.

Vervolgens het amendement op stuk nr. 60. Voorgesteld wordt om de algemene heffingskorting te verhogen en het aangrijpingspunt van het toptarief in box 1 in 2026 niet te verhogen. Dit amendement ontraad ik.

In het amendement op stuk nr. 61 wordt voorgesteld om de innovatiebox in de vennootschapsbelasting per 1 januari 2026 af te schaffen. Dit amendement wordt ontraden.

Dat geldt ook voor het amendement op stuk nr. 62, waarin een versobering van de expatregeling wordt voorgesteld. Het maximumpercentage wordt namelijk verlaagd van 30%, of 27%, naar 21%. Dit amendement wordt ontraden.

Het amendement op stuk nr. 63 stelt voor de CO2-heffing voor ETS1- en lachgasinstallaties helemaal af te schaffen. Voor afvalverbrandingsinstallatie blijft de CO2-heffing bestaan. De minister is daar, denk ik, ook al uitgebreid op ingegaan tijdens haar termijn. Het volledig afschaffen van deze CO2-heffing zou betekenen dat twee mijlpalen uit het HVP worden teruggedraaid, wat een tegenvaller van maximaal 1,2 miljard euro zou betekenen. Deze financiële tegenvaller is niet gedekt. Het is ook niet nodig gezien het voorstel van het kabinet, dat er al voor zorgt dat vanaf volgend jaar geen CO2-heffing door de industrie hoeft te worden betaald. Het amendement wordt dus ontraden.

De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 63 is ontraden.

Staatssecretaris Heijnen:
Dan ga ik naar het amendement op stuk nr. 64: de afschaffing en versobering van de vrijstelling en heffingskorting groen beleggen worden teruggedraaid, gedekt door het gedeeltelijk terugdraaien van de korting op dieselaccijns in 2026 en het structureel verhogen van de dieselaccijns met circa €0,05 per liter ten opzichte van het basispad vanaf 1 januari 2027. Dit amendement wordt ontraden.

Het amendement op stuk nr. 65, over het afschaffen van de oldtimerregeling en het gebruiken van dit budget voor de MIA en de VAMIL, wordt ontraden.

Het amendement op stuk nr. 66, waarin wordt voorgesteld een eenmalige vrijstelling voor kinderen voor de schenkbelasting met ingang van 1 januari 2027 af te schaffen en dit geld in te zetten voor een verhoging van het minimumjeugdloon, wordt ontraden.

Het amendement op stuk nr. 67, over het versoberen van de expatregeling om 350 miljoen op te leveren en dit aan te wenden voor de politieorganisatie, wordt ontraden.

Dan het amendement op stuk nr. 68. Dit amendement strekt ertoe de per 2026 voorgestelde verhoging van het forfaitaire rendement voor overige bezittingen in box 3 te matigen en de verlaging van het heffingsvrije vermogen terug te draaien. De benodigde incidentele dekking voor dit amendement wordt gevonden door het aangrijpingspunt van het toptarief in 2026 niet te indexeren. Zoals bekend is er een forse dekkingsopgave in box 3. Ik heb ook aangegeven dat ik opensta voor een alternatieve dekking. Het kabinet heeft een voorstel gedaan voor dekking binnen hetzelfde domein in box 3. Als de Kamer een andere afweging wil maken, geef ik het amendement oordeel Kamer. Wel wil ik opmerken dat de Belastingdienst in de massaal opgelegde voorlopige aanslagen inkomstenbelasting geen rekening meer kan houden met dit amendement. Optredende verschillen worden dan verrekend in de definitieveaanslagregeling of na een verzoek om ambtshalve vermindering. Met deze toevoeging kan ik dit amendement oordeel Kamer geven.

De voorzitter:
Dat betreft het amendement op stuk nr. 68.

Staatssecretaris Heijnen:
Dan het amendement op stuk nr. 69 over het herstellen van een gat in de liquidatieverliesregeling. Dit amendement moet ik ontraden. In feite zijn we nog bezig met een onderzoek en alternatieve opties, waar de "voor zover"-benadering ook deel van uitmaakt. We hadden het er net ook over. Als bij de uitwerking blijkt dat een beter alternatief voorhanden is, kan dat eventueel worden heroverwogen. De in het amendement voorgestelde "voor zover"-benadering vinden wij sympathiek. Het zou een optie tot heroverweging kunnen zijn. Maar in het licht van de aangekondigde internetconsultatie vind ik het op dit moment te vroeg om daartoe over te gaan. Daarom ontraad ik op dit moment het amendement.

Dan het amendement op stuk nr. 70 over de btw op openbaar vervoer op nihil stellen. De middelen worden gehaald uit het Klimaatfonds. Dit amendement is ontraden.

Dan het amendement op stuk nr. 71, waarmee de verhoging van het tarief in de eerste schijf van de ib teruggedraaid wordt. Deze verhoging is ontstaan ter dekking van de verhoging van de arbeidskorting in het Belastingplan en de nota van wijziging daarop, in de geest van de aangenomen motie-Klaver/Kouwenhoven. Het amendement laat de bijgestelde knikpunten van kracht, maar verlaagt de arbeidskorting evenredig over de volle breedte. Ik wil het amendement toch ontraden. Het kabinet is van mening dat er sprake is van een evenwichtig koopkrachtbeeld, inclusief de nota van wijziging. Meer werken moet volgens het kabinet lonen. Het verlagen van de arbeidskorting draagt daar niet aan bij. Het amendement wordt dus ontraden.

De voorzitter:
De heer Grinwis heeft daar een vraag over.

De heer Grinwis (ChristenUnie):
De staatssecretaris heeft volgens mij tijdens het WGO erkend dat de fiscale verschillen in de manier waarop verschillende huishoudens worden belast, tot te grote proporties zijn opgelopen. Dit amendement voorkomt dat het tarief in de eerste schijf van box 1 stijgt en haalt ook iets van die enorme verschillen af. Ik snap dat de staatssecretaris natuurlijk zijn eigen plannen verdedigt, maar dit amendement is zo'n kleine correctie die er in ieder geval voor zorgt dat het tarief in box 1 niet hoger wordt. Moet het zwaartepunt van de afweging van de staatssecretaris niet net de andere kant op vallen?

Staatssecretaris Heijnen:
Die afweging hebben we inderdaad niet gemaakt. We hebben de afweging gemaakt die ik heb toegelicht. Ik kan me voorstellen dat de heer Grinwis die afweging anders zou hebben gemaakt, maar wij hebben dat niet zo gedaan.

De voorzitter:
U vervolgt.

Staatssecretaris Heijnen:
Dan ga ik naar het amendement op stuk nr. 72. Dit amendement regelt dat het moment van de inwerkingtreding van de pseudo-eindheffing opschuift van 1 januari 2027 naar 1 januari 2028. We zijn van mening dat we al een ruime overgangstermijn hebben voorgesteld, waardoor bedrijven voldoende tijd krijgen om te anticiperen op deze maatregel. Uitstel naar 2028 is wat ons betreft dan ook niet nodig en bovendien ongewenst, gezien de nadelige impact, met name op het halen van de klimaatdoelen in 2030. Tot slot heeft het amendement een negatief effect op het EMU-saldo in 2026. Daarom moeten wij dit amendement ontraden.

Dan het amendement op stuk nr. 73. Dit amendement stelt voor om 5 miljoen van het overschot op de Wbso van 2024 in te zetten om de schijfgrens in 2026 eenmalig te indexeren met de tabelcorrectiefactor van 2,9% tot ruim €391.000. Mevrouw Van Dijk noemde het in haar tweede termijn een heel zacht amendement. Helaas kan ik dit amendement toch alleen maar ontraden. De begrotingssystematiek van de Wbso staat niet toe dat extra stimulering wordt gedekt uit onderuitputting in eerdere jaren. Daarom is het amendement ontraden.

Dan het amendement op stuk nr. 74. Dat stelt voor om per 1 januari 2027 de btw op groente en fruit naar 0% te verlagen. Vele onderzoeken tonen aan dat de verlaging van de btw naar het nultarief niet doelmatig, niet doeltreffend, moeilijk uitvoerbaar en juridisch onhoudbaar is. Gezamenlijke afspraken van de sector zijn zeer sympathiek, maar nemen deze hindernissen niet weg. Het is een kostbare maatregel, die ook niet adequaat gedekt wordt door een amendement waarover nog niet is gestemd, namelijk het amendement over het afschaffen van de belastingvrijstelling op de inkoop van eigen aandelen. Het kabinet deelt trouwens de wens om gezondheidsdoelen te bereiken, maar denkt dat er betere maatregelen zijn dan 0% btw op groente en fruit. Daarom ontraden wij dit amendement.

Tot slot het laatste amendement. Dat is het amendement op stuk nr. 75, van de heer Stoffer. Dit amendement past het in het Belastingplan 2025 opgenomen voorstel aan voor de gerichte verruiming van de regeling voor de uitbetaling van de algemene heffingskorting aan de minstverdienende partner. Het afbouwpunt van de uitbetaling zou naar verwachting liggen op een inkomen van €36.000 in 2028. Met dit amendement komt het afbouwpunt naar verwachting op €55.996 te liggen. De dekking hiervoor wordt gevonden door de arbeidskorting bij het derde knikpunt met €27 te verlagen. Het voorstel zorgt er wat ons betreft voor dat de fiscale oplossing voor de eenverdienersproblematiek minder gericht wordt. Ook zorgt de dekking door middel van de arbeidskorting ervoor dat meer werken minder loont. Het kabinet is, zoals bekend, van mening dat meer werken moet lonen. Daarom ontraad ik dit amendement.

Voorzitter. Dat waren de amendementen van het Belastingplan. Dan ga ik naar de overige fiscale maatregelen.

Dan het amendement op stuk nr. 9. Dit amendement moet worden bezien in samenhang met het amendement op stuk nr. 53 bij het Belastingplan. De heer Oosterhuis snapt het al; helaas moet ik dit amendement ontraden.

Dan het amendement op stuk nr. 10. Dit amendement beoogt het overgangsrecht voor het fonds voor gemene rekening uit te breiden. Het kabinet ontraadt dit amendement, omdat het ten eerste niet in lijn is met het doel van het voorgestelde tijdelijke overgangsrecht, ten tweede rechtsongelijkheid veroorzaakt en ten derde niet uitvoerbaar is per 1 januari 2026.

Dan ga ik naar de amendementen bij het wetsvoorstel Differentiatie vliegbelasting.

Het amendement op stuk nr. 5 strekt ertoe Suriname op te nemen in de lijst landen waarvoor het lagere vliegbelastingtarief geldt. Het kabinet erkent de historische banden tussen Nederland en Suriname. Tegelijkertijd is Suriname een onafhankelijke staat. Wij denken dat een uitzondering moeilijk uitlegbaar is tegenover andere landen waarmee Nederland eveneens historische of culturele banden onderhoudt. Een afzonderlijke indeling voor Suriname doet daarmee ons inziens afbreuk aan de gekozen systematiek van een heffing op basis van afstand van de vlucht. Tevens ziet het kabinet een juridisch risico van ongelijke behandeling van landen en luchtvaartmaatschappijen. We zien ook geen aanknopingspunten dat historische banden in het fiscaal recht een geldig argument kunnen zijn voor verschillende behandeling van groepen. We moeten het amendement dus ontraden.

Dan het amendement op stuk nr. 11, waardoor vliegbelasting per 1 januari 2028 ook verschuldigd wordt voor transferpassagiers: ontraden.

Het amendement op stuk nr. 12 gaat over een differentiatie naar reisklasse per 1 januari 2028. Een dergelijke differentiatie vergroot de complexiteit van de heffing aanzienlijk. Reisklassen zijn namelijk niet uniform en kennen bij de vaststelling ervan bedrijfseconomische afwegingen. Indelingen verschillen en wisselen aanzienlijk per luchtvaartmaatschappij, per toestel en per vliegroute. Naar huidig inzicht acht de Belastingdienst dit voorstel door de beperkte handhaafbaarheid op dit moment en per 1 januari 2028 niet uitvoerbaar, dus het oordeel is: ontraden.

Tot slot het amendement op stuk nr. 13.

De voorzitter:
Maar eerst nog een interruptie van mevrouw Teunissen.

Mevrouw Teunissen (PvdD):
Ik heb één vraag over de differentiatie. Waarom kijkt het kabinet niet naar bijvoorbeeld Engeland en Frankrijk, waar dit al is ingevoerd, en of dat model overgenomen kan worden, zoals ook in het amendement staat?

Staatssecretaris Heijnen:
We hebben ook naar die landen gekeken, maar wij hebben een eigen vliegbelasting met eigen keuzes. Ik denk niet en ik weet ook niet of de keuzes die andere landen maken een-op-een overgenomen kunnen worden bij onze vliegbelasting. Daar heb ik grote vraagtekens bij.

Mevrouw Teunissen (PvdD):
Aangezien het al in werking is in die landen, lijkt het me nuttig om daar wel naar te kijken, ook al hebben we een ander systeem. Als die differentiatie wat het kabinet betreft zo moeilijk is, dan is het heel goed om met die landen in gesprek te gaan. Misschien is dat iets wat de staatssecretaris zou willen overwegen.

Staatssecretaris Heijnen:
Ik wil dat zeker overwegen.

De voorzitter:
Dank u wel. Bent u daarmee aan het einde gekomen van de appreciatie van de amendementen?

Staatssecretaris Heijnen:
Bijna, voorzitter. Ik heb er nog eentje.

Met het amendement op stuk nr. 13 wordt met ingang van 1 januari 2030 een apart tarief in de vliegbelasting geïntroduceerd voor privévliegtuigen. Alles overziende kunnen wij dit amendement oordeel Kamer geven.

De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Met dat laatste ben ik blij. Ik heb één vraag over deze lijst. De staatssecretaris is relatief streng met het ontraden van amendementen, durf ik wel te zeggen. Mijn vraag gaat over het verschil tussen een amendement van de VVD en een van GroenLinks-PvdA, namelijk de amendementen op de stukken nrs. 60 en 68. Beide partijen zeggen eigenlijk: laten we het toptarief, die schijfgrens, bevriezen. Dat kan gewoon qua uitvoering. Het verschil is alleen dat wij dat geld terugschuiven naar lage- en middeninkomens die werken en dat de VVD het gebruikt voor box 3-dekking. Ik begrijp niet waarom een dekking binnen het domein van box 1 wordt ontraden, terwijl een schuif van inkomen uit arbeid naar vermogen oordeel Kamer krijgt. Kan de staatssecretaris dat toelichten?

Staatssecretaris Heijnen:
Zeker. Ik denk dat wij met name hebben gekeken naar de doelstelling van het amendement. De doelstelling is een verlaging van het tarief in box 3. Ik denk dat er een brede meerderheid in deze Kamer is die zich ongemakkelijk voelt bij het hoge box 3-tarief. De dekking is inderdaad buiten het domein van box 3, maar het belangrijkste was de reden voor het amendement en het aanpassen van box 3. Dat is de reden waarom we dit amendement oordeel Kamer geven en het amendement van GroenLinks-PvdA ontraden.

De voorzitter:
Tot slot op dit punt.

De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Tot slot. Wat is dan precies het bezwaar tegen ons amendement om binnen box 1 te schuiven met de schijfgrens naar werkende middeninkomens? Ook dat is een groep waarvan partijen hier vaak aangeven dat die belangrijk wordt gevonden.

Staatssecretaris Heijnen:
Ik weet niet of daar een bezwaar tegen is. Alleen, we hebben daar als kabinet niet voor gekozen. We hebben koopkrachtplaatjes gepresenteerd die voor alle inkomensgroepen 1,3% laten zien. We zien hier een mogelijkheid, een kleine mogelijkheid, om iets te doen aan het verhoogde box 3-tarief; dat was de doelstelling.

De voorzitter:
Dan zijn we nu toe aan de appreciatie van de moties. Mevrouw Van Eijk, heeft u toch nog een interruptie over de amendementen?

Mevrouw Van Eijk (VVD):
Nee, ik heb een vraag voor mijn eigen administratie. Een deel hebben we schriftelijk geapprecieerd gekregen, met daarbij de uitvoeringstoetsen of quickscans. Krijgen we de amendementen die nu mondeling zijn geapprecieerd ook nog schriftelijk? En krijgen we daarbij ook nog de uitvoeringstoetsen? Ik heb zelf namelijk twijfels over een appreciatie die is gedaan ten aanzien van de uitvoerbaarheid van een van de amendementen.

De voorzitter:
Staatssecretaris, komt u nog met een brief?

Staatssecretaris Heijnen:
Ik weet niet wat te doen gebruikelijk is, maar ik ga ervan uit, dus ja.

De voorzitter:
Wij zijn er hier van uitgegaan, dus als het goed is wel. Mevrouw Van Eijk en anderen zijn daar ook mee geholpen.

Staatssecretaris Heijnen:
Ik vertrouw volledig op uw uitgangspunt, voorzitter.

De voorzitter:
Ach, dank u wel. Dat is altijd goed om te horen. We gaan naar de appreciatie van de ingediende moties.

Staatssecretaris Heijnen:
Voorzitter, dank. Ik begin met de motie op stuk nr. 76, van de heer Vlottes, over de btw op boodschappen op 0% zetten en dit dekken uit de ontwikkelingssamenwerkingsbegroting. De motie is ontraden. Een laag btw-tarief is ondoelmatig. Het leidt tot allerlei afwikkelingsvraagstukken. De motie is niet zuiver gedekt.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 76: ontraden. De motie op stuk nr. 77.

Staatssecretaris Heijnen:
De motie op stuk nr. 77: oordeel Kamer.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 77: oordeel Kamer. De motie op stuk nr. 78.

Staatssecretaris Heijnen:
De motie op stuk nr. 78: oordeel Kamer.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 78: oordeel Kamer. De motie op stuk nr. 79.

Staatssecretaris Heijnen:
De motie op stuk nr. 79: oordeel Kamer.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 79: oordeel Kamer. De motie op stuk nr. 80.

Staatssecretaris Heijnen:
De motie op stuk nr. 80: oordeel Kamer.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 80: oordeel Kamer. De motie op stuk nr. 81.

Staatssecretaris Heijnen:
De motie op stuk nr. 81 oordeel Kamer.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 81: oordeel Kamer. De motie op stuk nr. 82.

Staatssecretaris Heijnen:
De motie op stuk nr. 82 ontraden we.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 82: ontraden. De motie op stuk nr. 83.

Staatssecretaris Heijnen:
De motie op stuk nr. 83: oordeel Kamer.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 83: oordeel Kamer. De motie op stuk nr. 84.

Staatssecretaris Heijnen:
De motie op stuk nr. 84: oordeel Kamer.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 84: oordeel Kamer. De motie op stuk nr. 85.

Staatssecretaris Heijnen:
De motie op stuk nr. 85: oordeel Kamer.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 85: oordeel Kamer. De motie op stuk nr. 86.

Staatssecretaris Heijnen:
We hadden wat moeite met deze motie. Die verzoekt de regering een beleidskader aan de Kamer voor te leggen. Een beleidskader is volgens ons wat meer voor een politieke weging. Vandaar dat wij deze motie ontraden.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 86 is ontraden. De motie op stuk nr. 87.

Staatssecretaris Heijnen:
Dan de motie op stuk nr. 87. Dit debat gaat over het Belastingplan. De motie gaat daar niet over en past, denken wij, beter bij het debat over het Meerjarig Financieel Kader. Vandaar zeggen wij: ontijdig en dien 'm daar in.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 87: ontijdig. De motie op stuk nr. 88.

Staatssecretaris Heijnen:
De verwachte Duitse tariefverlaging doet geen afbreuk aan de inschatting dat de uitwijkeffecten beperkt zijn. Dat heb ik in mijn bijdrage ook aangegeven. Het verschil op de korte vluchten van €3 is naar onze inschatting te klein om de keuze voor een luchthaven te beïnvloeden. We zien dan ook niet echt reden om nieuw onderzoek te doen, dus de motie is ontraden.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 88 is ontraden. Ik ga nog heel even terug naar de motie op stuk nr. 87. Meneer Hoogeveen, na de appreciatie ontijdig van het kabinet is het verzoek of u bereid bent om de motie aan te houden. Als dat niet het geval is, wordt die in stemming gebracht met de appreciatie ontijdig, maar dat is aan u.

De heer Hoogeveen (JA21):
Voorzitter, het is prima om 'm aan te houden.

De voorzitter:
Op verzoek van de heer Hoogeveen stel ik voor zijn motie (36812, nr. 87) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 88 kreeg de appreciatie ontraden. Dan zijn we bij de motie op stuk nr. 89.

Staatssecretaris Heijnen:
Als de verhoging van de tabaksaccijns wordt teruggedraaid, resteert een dekkingsopgave. De raming is gebaseerd op de beste inzichten die beschikbaar waren en is tevens gecertificeerd door het CPB. Wij moeten deze motie dus ontraden.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 89 is ontraden. De motie op stuk nr. 90.

Staatssecretaris Heijnen:
De motie op stuk nr. 90: ontraden.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 90: ontraden. De motie op stuk nr. 91.

Staatssecretaris Heijnen:
"In te spannen een kopgroep te vormen." Ik heb in mijn bijdrage aangegeven dat het kabinet bereid is om te sonderen. Deze motie zien wij toch iets verder gaan, waarbij wij min of meer zouden moeten gaan lobbyen. Vandaar dat wij deze motie ontraden.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 91 wordt ontraden.

De motie op stuk nr. 92.

Staatssecretaris Heijnen:
Ik heb dan de motie op stuk nr. 93.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 92 is van de minister van Klimaat en Groene Groei. Dan gaan we naar de motie op stuk nr. 93.

Staatssecretaris Heijnen:
Gelukkig. De motie op stuk nr. 93 ontraad ik, voorzitter.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 93 wordt ontraden.

En de motie op stuk nr. 94?

Staatssecretaris Heijnen:
De motie op stuk nr. 94: oordeel Kamer.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 94 krijgt oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 95.

Staatssecretaris Heijnen:
Daar zit ik, ook gezien de oproep van de heer Grinwis, te twijfelen. Ik zou me kunnen voorstellen dat we deze het oordeel "ontijdig" zouden geven, maar dat wil ik niet doen. Dus oordeel Kamer.

De voorzitter:
U bent genereus. De motie op stuk nr. 95 krijgt oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 96 is voor de minister. We gaan naar de motie op stuk nr. 97.

Staatssecretaris Heijnen:
De motie op stuk nr. 97: oordeel Kamer.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 97 krijgt oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 98.

Staatssecretaris Heijnen:
De motie op stuk nr. 98: oordeel Kamer.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 98 krijgt oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 99.

Staatssecretaris Heijnen:
Een verlaagd btw-tarief is al vaker aan de orde geweest. Dat is een ondoelmatig instrument, dat het belastingstelsel complexer maakt. Het verhogen van de bankenbelasting vinden wij ook onverstandig. Dus de motie op stuk nr. 99 ontraad ik.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 99 wordt ontraden.

Had u nog een laatste cri de coeur voor het parlement?

Staatssecretaris Heijnen:
Zeker. Ik wil u en alle leden hartstikke bedanken dat zij hier tot bijna 21.30 uur met ons in debat zijn gegaan. Ik wil ook nog expliciet onze teams — ze zitten allemaal in kamers hier — bedanken, zowel dat van de minister als ons team. Die mensen hebben de afgelopen weken namelijk echt keihard gewerkt. Iedereen heeft hard gewerkt, maar zij hebben nog harder gewerkt.

Dank u wel.

De voorzitter:
Zo is dat. Dank u wel en …

(Geroffel op de bankjes)

De voorzitter:
Dat is een waardering waard. Dank u wel ook voor uw medewerking.

Dan is tot slot het woord aan de minister van Klimaat en Groene Groei voor in ieder geval de appreciatie van twee moties en eventuele antwoorden op vragen.

Minister Hermans:
Voorzitter. Er zijn mij geen vragen meer gesteld. Ik zal ook geen poging doen om de spreektijd van de staatssecretaris nog te overtreffen in de tweede termijn. Ik zal de oordelen dus kort houden.

Ik moet de motie op stuk nr. 92 van mevrouw Teunissen ontraden, onder verwijzing naar het debat.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 92 wordt ontraden.

Minister Hermans:
Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 96 van de heer Grinwis en nog een aantal andere leden van de Kamer. Er zitten twee verzoeken in. Het punt is nu even dat ik het ene verzoek oordeel Kamer kan geven en het andere verzoek moet ontraden. Dat betreft het verzoek om alsnog een mkb-toets en een ATR-advies plaats te laten vinden. Ik heb daar in eerste termijn het een en ander over gezegd. Dat deel van het verzoek moet ik ontraden, want dat kan ik niet doen. Als de heer Grinwis bereid is om dat verzoek te laten vallen, dan kan ik de motie oordeel Kamer geven, omdat ik het tweede verzoek in de motie ondersteun. Daar wil ik graag uitvoering aan geven.

De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik overleg dit even met mijn mede-indieners. Wat is nou wel haalbaar? De minister zegt dat het niet haalbaar is. Geldt dit voor allebei? Is de mkb-toets niet haalbaar? Is het ATR-advies niet haalbaar? Is een van beide wel haalbaar? Wat is wel mogelijk? Ik neem aan dat de minister de zorg van de Kamer begrijpt. De Kamer denkt immers: deze toetsen zijn er niet voor niks.

Minister Hermans:
Nee. Ik trek dit even uit elkaar. Over het ATR-advies heb ik in eerste termijn in reactie op een vraag van de heer Hoogeveen een uitleg gegeven. Het hele pakket Belastingplan is aan ATR voorgelegd. ATR heeft daar zelf maatregelen uit genomen om te toetsen, terwijl ATR dat voor andere maatregelen niet nodig achtte of daar geen bovenmatige regeldruk zag. Ik zeg het even in mijn woorden; ATR heeft dat natuurlijk veel mooier verwoord. Dit is ook echt de expertise van ATR, dus ik vind het nu, nadat deze toets al heeft plaatsgevonden — die doen we altijd bij indiening van een voorstel — niet nodig om die alsnog te vragen. De mkb-toets doen wij ook vooraf. De vraag daarbij is: hoe ziet de uitvoerbaarheid er in dit geval voor het mkb uit? Wat ik wel kan doen en ook al heb toegezegd is om komend jaar in de verdere uitwerking en specificering van die regeling met het mkb en de branche bijvoorbeeld naar de definitie van woon-werkverkeer te kijken. Als wij in het gesprek tot elementen komen die we kunnen versimpelen, waardoor de uitvoering beter en misschien ook wel gemakkelijker wordt, dan ben ik daar altijd toe bereid. Dat kan ik toezeggen. Tegen de heer Grinwis zeg ik dat dit wel echt iets anders is dan het alsnog laten uitvoeren van een mkb-toets en een ATR-advies.

De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik kijk met een schuine blik naar de mede-indieners. Helemaal uitgetrild is het niet, maar ik zeg toe, met omarming van de toezegging van de minister, dat ik het eerste verzoekje schrap en de rest volledig laat staan. Ik reken op een ruimhartige uitvoering van de toezegging.

Minister Hermans:
Zeker. De heer Grinwis en de mede-indieners van de motie kunnen rekenen op een ruimhartige uitvoering van de toezegging. Met alleen het tweede verzoek erin krijgt de motie op stuk nr. 96 dus oordeel Kamer.

De voorzitter:
Voor het stenogram: de motie op stuk nr. 96 krijgt in haar huidige vorm de appreciatie "ontraden", maar als de heer Grinwis een gewijzigde versie indient waarbij hij het eerste verzoek laat vallen, krijgt deze motie oordeel Kamer. Akkoord?

Minister Hermans:
Akkoord.

De voorzitter:
Heeft u nog een cri de coeur?

Minister Hermans:
Nee, voorzitter. Ik heb de eer en het genoegen gehad om een klein deel van deze behandeling van het Belastingplan bij te wonen. Dank daarvoor. Ik herhaal graag de woorden van de staatssecretaris: heel veel dank aan alle ambtenaren van KGG en het ministerie van Financiën, want dit zijn echt gigantische klussen.

Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de behandeling van het pakket Belastingplan 2026, in ieder geval in deze Kamer.

De algemene beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:
Stemmingen zullen plaatsvinden aanstaande donderdag. Aan het einde van de ochtend stemmen we over alle amendementen en bij de aanvang van de middagvergadering zijn de stemmingen betreffende de wetten. De incidentele suppletoire begroting inzake de bestrijding van drones komt daar achter weg.

Ik dank de staatssecretaris, de minister, de Kamerleden en natuurlijk onze collega's van de Kamerorganisatie. Ik sluit de vergadering.

Sluiting

Sluiting 21.33 uur.

ONGECORRIGEERD STENOGRAM
Verslag TK 17 - 2025-2026

Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden ontleend.
Uit ongecorrigeerde verslagen mag niet letterlijk worden geciteerd.