Pakket Belastingplan 2026 (antwoord 1e termijn + rest) (ongecorrigeerd)
Stenogram
Nummer: 2025D48309, datum: 2025-11-25, bijgewerkt: 2025-11-26 09:16, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2025-11-25 16:35: Pakket Belastingplan 2026 (antwoord 1e termijn + rest) (Plenair debat (wetgeving)), TK
Preview document (🔗 origineel)
Pakket Belastingplan 2026
Pakket Belastingplan 2026
Aan de orde is de behandeling van:
het wetsvoorstel Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2026) (36812);
het wetsvoorstel Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2026) (36813);
het wetsvoorstel Wijziging van de Wet belastingen op milieugrondslag in verband met differentiatie van het tarief van de vliegbelasting (Wet differentiatie vliegbelasting) (36815);
het wetsvoorstel Wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en enkele andere wetten in verband met het stroomlijnen van het fiscale inzagerecht (Wet stroomlijning fiscaal inzagerecht) (36816);
het wetsvoorstel Tweede wijziging van de Wet minimumbelasting 2024 in verband met de in december 2023, juni 2024 en januari 2025 internationaal overeengekomen administratieve richtsnoeren en een aantal overige technische wijzigingen (Tweede wet aanpassing Wet minimumbelasting 2024) (36817);
het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen en de Wet minimumbelasting 2024 in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2025/872 van de Raad van 14 april 2025 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen (Wet implementatie EU-richtlijn gegevensuitwisseling minimumbelasting) (36818);
het wetsvoorstel Wijziging van de Wet milieubeheer in verband met de nadere operationalisering van het mechanisme voor een koolstofcorrectie aan de grens (36819).
De voorzitter:
Aan de orde is de eerste termijn van de zijde van het kabinet aangaande
het pakket Belastingplan 2026. Ik wil de staatssecretaris en de minister
van Klimaat en Groene Groei van harte welkom heten. Ik geef haar het
woord voor haar beantwoording. De leden hebben mij verzocht u te
verzoeken de inleidingen enigszins beperkt en overzichtelijk te houden,
zodat we toch vlot over kunnen gaan tot de beantwoording van de gestelde
vragen.
De algemene beraadslaging wordt hervat.
De voorzitter:
Het woord is aan de minister.
Minister Hermans:
Voorzitter. Die oproep, dat verzoek, heb ik goed gehoord. Ik zal dus ook
heel snel overgaan naar het beantwoorden van de aan mij gestelde vragen.
Ik heb vooraf één enkele opmerking, omdat die recht doet aan een vraag
die de heer Stultiens mij gesteld heeft. Die vraag gaat erover wat het
kabinet nou doet om de afgesproken klimaatdoelen te halen. Het moge
duidelijk zijn dat er blijvend aandacht nodig is voor de klimaat- en
energietransitie. Daar voeren we op heel veel verschillende momenten het
debat over. Dat heb ik ook afgelopen week op de klimaattop in Brazilië
weer van dichtbij mogen ervaren.
Wat dit kabinet gedaan heeft en nog steeds doet, en waar ik aan
doorwerk, loopt langs een paar lijnen. De eerste is de randvoorwaarden
op orde brengen, zodat we ook daadwerkelijk kunnen verduurzamen en die
transitie voor elkaar kunnen krijgen. We werken ook aan het zetten van
logische vervolgstappen in de verschillende sectoren, of dat nou de
mobiliteit is, de gebouwde omgeving, de industrie, de
elektriciteitssector of natuurlijk de landbouw. Daar hoort de uitwerking
bij van een aantal maatregelen die ook al in vorige kabinetten waren
afgesproken, maar nog in beleid moeten worden omgezet, en maatregelen
die door dit kabinet zijn aangekondigd.
In dat kader zitten in dit Belastingplan een aantal maatregelen waar ik
nader op in zal gaan in dit debat. Ik begin met de pseudo-eindheffing.
Daar is een flink aantal vragen over gesteld. Dan zal ik ingaan op de
CO2-heffing in de industrie. Er is ook een aantal vragen
gesteld over de vliegbelasting en de belasting op groen gas. De
staatssecretaris van Financiën zal het daarna van mij overnemen en alle
andere gestelde vragen beantwoorden.
Voorzitter. Ik begin met de pseudo-eindheffing. Ten eerste: waarom nemen
we nu deze maatregel? Dat is in het debat veel aan de orde geweest en
daar zijn verschillende vragen over gesteld. Deze pseudo-eindheffing is
bedoeld om de zakelijke markt voor leaseauto's, voor personenauto's, te
normeren via de loonbelasting. De bedoeling is om de verduurzaming van
het wagenpark te versnellen. De zakelijke markt speelt daarin een
belangrijke rol, omdat een groot deel van de nieuwe personenauto's op
die markt wordt verkocht. Een groot deel van die zakelijke leaseauto's
komt uiteindelijk via de tweedehandsmarkt bij particulieren terecht. Het
versnellen van het aanbod van zakelijke elektrische auto's is dus
belangrijk om op termijn voldoende aanbod te hebben van betaalbare
elektrische auto's op de tweedehandsmarkt. Op dit moment is nog meer dan
de helft van alle nieuwe zakelijke auto's fossiel, terwijl het voor een
werkgever vaak even duur of zelfs goedkoper is om een elektrische in
plaats van een fossiele zakelijke leaseauto aan te bieden aan een
werknemer. Omdat we weten dat in 2035 alle nieuw te verkopen auto's
elektrische auto's zullen zijn, is het logisch voor het kabinet om nu
een norm te stellen om meer elektrische auto's op de tweedehandsmarkt te
krijgen. Vandaar dat we zeggen: het is logisch om vanaf 2027 in principe
alleen nog elektrische auto's voor privédoeleinden ter beschikking te
stellen aan werknemers.
Voorzitter. De maatregel is minder ingrijpend dan soms wordt gedacht,
dan dat ik soms in artikelen lees of dan blijkt uit de opmerkingen die
ik erover hoor. Ik zei net al dat het vaak nu al voor een werkgever
goedkoper is om een elektrische auto aan te bieden aan de werknemer dan
een fossiele auto.
De tweede reden is dat het laadnetwerk in Nederland, met meer dan 1
miljoen laadpunten, tot de beste van Europa behoort. Dat aantal
laadpunten neemt tot 2030 ook verder toe. Netcongestie is daarbij naar
verwachting geen groot knelpunt. Juist het gegeven dat de laadpunten in
de publieke ruimte flexibel gebruikt kunnen worden, creëert ook weer
ruimte op het net. Daar zijn we nu ook afspraken over aan het maken.
Maar ik zal niet vooruitlopen op het debat over netcongestie, dat later
deze week gehouden wordt. Laadpunten bij woningen kunnen vaak binnen de
bestaande aansluiting nog steeds worden geïnstalleerd.
Een derde reden waarom het minder ingrijpend is dan soms gedacht wordt,
is dat wij niet verwachten dat werkgevers per 2027 hun hele wagenpark
direct elektrificeren, want er geldt een overgangstermijn. Dus alleen
voor nieuwe gevallen gaat die pseudo-eindheffing per 2027 gelden en moet
die worden betaald. Voor bestaande leasecontracten, de contracten die nu
lopen, gaat die heffing pas per 17 september 2030 gelden. Dat betekent
dat alle leaseauto's die dit jaar of volgend jaar worden geleverd pas in
2030 onder de eindheffing gaan vallen. Daarmee is uitstel van de
invoering van de eindheffing naar 2028 volgens het kabinet dan ook niet
nodig. Men heeft dus nog ruim een jaar de tijd.
Voorzitter. Uit de doorrekeningen van onder andere het PBL blijkt ook
dat de eindheffing een effectieve maatregel is. Het aandeel elektrische
auto's in de zakelijke nieuwverkoop stijgt naar bijna 100% in 2030. De
CO2-reductie bedraagt volgens diezelfde berekeningen 0,2-0,4
megaton in 2030.
De toename in het aantal elektrische auto's zorgt ook voor minder
belastinginkomsten in de bpm en de brandstofaccijnzen. Dat is de
zogenaamde "grondslagerosie". Hoewel we weten dat dit hoort en inherent
is aan de transitie waarin we zitten, de transitie naar een elektrisch
wagenpark, moet die budgettaire derving volgens de begrotingsregels
worden gedekt.
Voorzitter. Dan kom ik bij een vraag van de heer Vlottes over de dekking
van de derving. In het pakket Belastingplan, zoals het is aangeboden aan
de Kamer, wordt de derving gedekt door onder andere het heffingsplafond
in de belasting op leidingwater af te schaffen. We stellen een beperkte
hoeveelheid middelen uit het Klimaatfonds beschikbaar en een deel van de
inkomsten uit ETS2 wordt gebruikt om de derving te dekken.
Mevrouw Van Dijk vroeg: hoe is er nagedacht over alternatieven voor deze
maatregel? Laat ik beginnen met te zeggen dat het kabinet niet over één
nacht ijs is gegaan, omdat we ons heel goed realiseren dat elke
maatregel die je neemt, zeker als het een normerende maatregel betreft,
effecten heeft. Die effecten, in dit geval op de werkgever, wil je ook
goed wegen in hun totaliteit. In termen van alternatieven hebben we
gekeken naar wat je kan doen om in de zakelijke markt elektrisch rijden
te stimuleren, teneinde die tweedehandsmarkt op te bouwen. Dan zou je
kunnen denken aan een wettelijk verbod op zakelijke fossiele auto's of
aan het subsidiëren van zakelijke auto's via de bijtelling. Een
wettelijk verbod is vanwege regels omtrent de Europese interne markt
niet mogelijk. Bovendien, zeg ik er nadrukkelijk bij, vind ik dat ook
niet wenselijk, want je haalt daarmee ook elk handelingsperspectief en
elke keuzevrijheid ervan af. Met deze eindheffing blijft die bestaan. De
werkgever kan er nog steeds voor kiezen om het leasen van een fossiele
auto aan de werknemer aan te bieden. Alleen ga je er dan een heffing
over betalen. Jouw keuze heeft dan dus een consequentie.
Voorzitter. Een subsidie is an sich niet zo effectief om het doel dat we
beogen, namelijk een versnelling van de verduurzaming, voor elkaar te
krijgen. Bovendien kost het ook geld. Laat ik daar ook eerlijk over
zijn. Het is gewoon echt duurder dan die eindheffing. Het feit dat het
duurder is wil niet zeggen dat ik de wens, zoals onder anderen de heer
Grinwis heeft geuit, om een nieuwe bijtellingskorting voor elektrische
auto's in te voeren, niet begrijp. Ik heb er zelfs ook sympathie voor,
want ik snap dat dit type flankerend beleid het ook makkelijker kan
maken. Maar alle voorstellen daartoe moeten natuurlijk wel netjes van
een dekking zijn voorzien.
Voorzitter. Hoe is die maatregel tot stand gekomen? Hoe is daarin
samengewerkt? Heeft daar overleg over plaatsgevonden? Onder anderen
mevrouw Van Dijk en de heer Hoogeveen stelden daar vragen over. Het
voorstel voor de eindheffing is in nauwe samenwerking met de uitvoering
opgesteld. Daarbij heeft het kabinet aan meerdere partijen advies
gevraagd, zoals het dat natuurlijk altijd doet bij een wetswijziging.
Die adviezen zijn op Prinsjesdag met de Kamer gedeeld. Verder zijn er
gesprekken met stakeholders gevoerd. Dan moet u denken aan ANWB, RAI,
BOVAG, VNA en Natuur & Milieu.
Mevrouw Van Dijk en volgens mij ook de heer Hoogeveen vroegen heel
expliciet waarom wij dit voorstel niet hebben voorgelegd aan het ATR. De
pseudo-eindheffing is ook aan het ATR voorgelegd, zeg ik tegen mevrouw
Van Dijk en de heer Hoogeveen. Dat doen we altijd, met het hele pakket
Belastingplan. Maar vervolgens selecteert het ATR uit dat pakket van
maatregelen van het Belastingplan zelf maatregelen om nader te bekijken
en om advies over uit te brengen. Het ATR heeft deze maatregel niet
geselecteerd voor een formeel advies, omdat die volgens het ATR naar
verwachting geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft.
Het derde punt. Wij hebben bij de keuze en de vormgeving van de
eindheffing geprobeerd om de administratieve lasten voor ondernemers zo
beperkt mogelijk te houden. Onder anderen de heer Ergin, die nu even weg
is, vroeg daarnaar. Even heel specifiek: als je als werkgever besluit om
je aan de normering van de zakelijke lease te houden, dan zijn er
natuurlijk geen extra administratieve lasten. Als je er toch voor kiest
om een fossiele auto aan te bieden, dan blijven de extra administratieve
lasten beperkt, omdat de pseudo-eindheffing onderdeel is van de
reguliere aangifte van de loonheffingen. Dat neem niet weg, zeg ik tegen
alle Kamerleden die vragen hebben gesteld of opmerkingen hebben gemaakt
over de regeldruk voor ondernemers in het algemeen, dat het kabinet zich
bewust is van die regeldruk en dat er ook maatregelen op worden genomen.
Specifiek op mijn terrein noem ik dan de verplichting die er was om te
rapporteren over de CO2-uitstoot, over werkgebonden vervoer.
Wij hebben besloten om de grens voor bedrijven te verhogen, zodat die
regel pas van kracht wordt voor werkgevers met 250 of meer werknemers in
plaats van voor werkgevers met 100 of meer werknemers.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik ga een stukje terug in het betoog van de minister, namelijk naar de
bijtelling. Het kabinet heeft besloten om een pseudo-eindheffing in te
stellen voor fossiele auto's. Normaal gesproken zou je daar dan wat
flankerend beleid bij verwachten. Nu zegt de minister heel snel: we zien
uit naar een goede dekking, en verder laten we het zo. De
staatssecretaris heeft hier in zijn termijn vrij welwillend op
gereageerd door te zeggen dat dit eigenlijk een beetje asymmetrisch is,
omdat je eigenlijk een dubbel signaal afgeeft richting ondernemers en
richting degene die in loondienst is en een auto van de zaak kan
krijgen. Die bijtelling wordt in één keer verhoogd van 17% naar 22%,
terwijl voor kleinere auto's 18% ongeveer break-even is ten opzichte van
een fossiele auto.
De voorzitter:
En uw vraag?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Vindt de minister echt niet dat de morele verplichting om voor goed
flankerend beleid te zorgen eigenlijk bij het kabinet rust, als je met
zo'n ingrijpende maatregel als een pseudo-eindheffing komt?
Minister Hermans:
Ik zei ook in mijn betoog — misschien heb ik dat niet duidelijk genoeg
gezegd — dat ik die wens heel goed begrijp en dat je altijd moet kijken
naar flankerend beleid om lastige maatregelen iets minder lastig of iets
minder ingrijpend te maken. Daar voel ik me ook toe verplicht. Ik zei
net dat ik voorstellen daarvoor welwillend zal bekijken maar dat die wel
netjes van een dekking voorzien moeten zijn. Dat geldt natuurlijk net zo
goed voor mijzelf als ik vanuit het kabinet zo'n voorstel doe. De heer
Grinwis weet zelf ook dat je dan uiteindelijk in een heel samenstel van
maatregelen komt die gefinancierd moeten worden en van een dekking
moeten worden voorzien. Deze vorm van flankerend beleid is geen
onderdeel geworden van het Belastingplan. Dat neemt niet weg dat ik me
realiseer dat die wel kan leiden tot meer draagvlak voor de maatregel,
dus daarom sta ik er absoluut voor open. Als ik er zelf mogelijkheden
toe zie, zal hebben of nog krijg, dan is dit niet iets wat ik terzijde
schuif, integendeel. Ik heb er alleen nu niet de mogelijkheden voor.
De voorzitter:
Meneer Grinwis, laten we proberen het kort te houden.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter, u hebt helemaal gelijk. Ik zal het kort doen. Samen met
collega Oosterhuis heb ik een voorstel neergelegd waarin ik de minister
eigenlijk twee keer help bij het bereiken van groene doelen, enerzijds
door die bijtelling en die afbouw in de komende jaren geleidelijker te
maken met 18%, 20% en dan uiteindelijk 22% en anderzijds door de
youngtimerregeling te versoberen. Want ja, het moet ergens van betaald
worden. In 2026 zelf resteert er dan nog wel een gat, maar structureel
is er ruime overdekking. Is de minister van zins om haar invloed binnen
het kabinet aan te wenden om hier positief in mee te bewegen? Het is
namelijk echt een interessant amendement, dat de minister twee keer
helpt.
Minister Hermans:
Met één amendement twee keer geholpen worden, is natuurlijk win-win, zou
je bijna willen zeggen. Ik wil even goed naar het voorstel kijken, want
ik begrijp heel goed wat de heer Grinwis zegt. Zoals de heer Grinwis ook
weet, kan elke dekking die gevonden wordt ook weer op vragen, bezwaren
of wat dies meer zij stuiten. Ik weet niet of daar dan een win-win in
zit; laat ik het zo omschrijven. Maar ik zal met een constructieve blik
naar dit amendement kijken, want nogmaals: ik begrijp dat iets doen aan
die bijtelling het draagvlak voor deze maatregel, maar ook voor
elektrisch rijden in het algemeen, kan vergroten.
De heer Vlottes (PVV):
Dank aan de minister voor de beantwoording over de pseudo-eindheffing in
relatie tot het CO2-reductiedoel. Ik heb even zitten rekenen.
Klopt het dat er voor 381 miljoen wordt omgebogen voor een mogelijke
reductie van 0,2 of 0,4 megaton?
Minister Hermans:
Er is in het Belastingplan een reeks opgenomen voor de
pseudo-eindheffing en ik heb aangegeven hoe die gedekt wordt. Laat ik
hier niet op alle getallen van die reeks ingaan. Dat is om deze
maatregel te realiseren. Het doel van de maatregel, of het effect ervan,
moet ik eigenlijk zeggen, is CO2-reductie, maar het doel is
ook het creëren van een markt voor betaalbare tweedehands elektrische
auto's. We weten namelijk dat vanaf 2035 de nieuwverkoop elektrisch is
en ik wil dat er dan ook betaalbare elektrische auto's op de markt zijn.
De maatregel dient dus meerdere doelen. Je kunt dus niet zeggen dat er
300 miljoen of 281 miljoen omgebogen wordt of geïnvesteerd wordt, of dat
ergens geld vandaan wordt gehaald alleen maar voor 0,2 tot 0,4 megaton.
Nee, de maatregel doet meer en beoogt meer voor elkaar te krijgen, en
dus ook die betaalbare tweedehands auto's.
De heer Vlottes (PVV):
Dan nog een keer. Dan ben ik toch wat verward, want deze
pseudo-eindregeling is vooral ingevoerd vanwege het
CO2-reductiedoel. Zakelijke rijders moeten meer elektrisch
gaan rijden en dergelijke. Daardoor gaan we CO2 besparen, wat
goed is voor de klimaatdoelen enzovoorts, enzovoorts, enzovoorts. Het
primaire doel van deze heffing is dus juist CO2-reductie. Dan
heb ik een vervolgvraag, want ik ga nog wél eventjes door op de
cijfertjes. Er wordt dan de komende twee jaar in ieder geval 381 miljoen
omgebogen. Als we dat naar 1 megaton zouden brengen, zitten we op bijna
1 miljard. Om precies te zijn, zal het dan zo'n 952,5 miljoen worden
voor 1 megaton potentiële CO2-reductie. Klopt dit? Als het
niet klopt, hoor ik het uiteraard graag.
Minister Hermans:
Nu worden miljoenen en megatonnen even op een bijzondere wijze met
elkaar gecombineerd. Deze maatregel in zichzelf levert volgens de
berekeningen 0,2 tot 0,4 megaton op. De maatregel in zichzelf dient
meerdere doelen. Ja, de maatregel heeft ook een klimaateffect. Dat is
belangrijk, want daar hebben we afspraken over gemaakt. Je kunt het daar
wel of niet mee eens zijn, maar ik sta daar voor de volle honderd
procent achter. Daarvoor moeten we dus ook maatregelen nemen in de
mobiliteit. Maar de maatregel is er ook op gericht om een
tweedehandsmarkt voor betaalbare elektrische auto's te stimuleren en
voor elkaar te krijgen. Het sommetje dat hier gemaakt wordt, gaat echt
voorbij aan andere doelen en andere effecten die het kabinet met deze
maatregel beoogt.
De heer Vlottes (PVV):
Ter afronding wil ik toch nog zeggen dat ik dat opmerkelijk blijf
vinden. Het enige doel dat genoemd wordt, zoals we ook in de briefing
hebben meegekregen, is vooral CO2-reductie door het gebruik
van elektrische voertuigen te stimuleren. Als de minister nu aangeeft
dat er nog veel meer doelen zijn en dergelijke en dat het kabinet nog
veel meer effecten beoogt, zou ik graag van de minister de toezegging
willen hebben dat ik een soort overzicht ga krijgen van welk doel
waarmee beoogd wordt en hoe zich dat verhoudt tot de uitgaven en een
ombuiging.
De voorzitter:
Een informatieverzoek.
Minister Hermans:
Ik zal nooit een informatieverzoek blokkeren, maar ik zet hier uiteen
waarom we deze maatregel nemen. Het is onderdeel van het pakket dat het
kabinet in april heeft gepresenteerd om de klimaatdoelen meer binnen
bereik te krijgen. We hebben natuurlijk ook naar alternatieve
maatregelen in de mobiliteit gekeken. Die hebben ook heel snel een
prijseffect aan de pomp. Daar hebben we heel bewust niet voor gekozen.
Maar ik geef u aan dat het kabinet heeft gezocht naar maatregelen die
logisch zijn als je kijkt naar wat er op ons afkomt aan bewegingen,
ontwikkelingen en Europees beleid. Dan herhaal ik toch: in 2035 wordt de
nieuwverkoop elektrisch. Dat betekent dat er alleen nog maar nieuwe
auto's verkocht worden met een elektrische motor, op elektriciteit. "Die
rijden op elektriciteit" moet ik zeggen, excuus. Ik wil dat dan ook
betaalbare auto's in omloop zijn, zodat ook mensen met een kleinere
portemonnee, met minder besteedbaar inkomen, toegang krijgen tot dat
elektrische vervoer. Met deze maatregel stimuleren we ook de
tweedehandsautomarkt.
De voorzitter:
Meneer Vlottes, tot slot.
De heer Vlottes (PVV):
Dan blijft mijn informatieverzoek toch alsnog staan? Zoals wij het
hebben begrepen, zoals ik het heb begrepen, is namelijk vooral
CO2-reductie het primaire doel van deze pseudo-eindheffing.
Mijn vraag over de ombuiging ging ook vooral over 2026-2027 en
structureel is het dan 43 miljoen. De minister geeft aan dat er in 2035
alleen maar sprake is van elektrische auto's en dergelijke. Ik hoor het
de minister zeggen, maar als de minister dat als een soort neveneffect
noemt, moet uiteengezet kunnen worden hoe dat zich verhoudt tot de
derving.
Minister Hermans:
Het kabinet heeft in april een uitgebreide brief geschreven over de
context waarin deze maatregel genomen is. Het is een van de maatregelen
die we nemen om in de mobiliteit de verduurzamingsopgave die we met
elkaar hebben voor elkaar te krijgen. In die brief is geschetst dat dit
een logische stap is als je kijkt naar 2035 en het op gang krijgen van
de tweedehandsmarkt. Ik wil toezeggen dat we deze maatregel gaan
monitoren als die is ingevoerd om te zien wat de effecten zijn en hoe
die uitpakt. Ik kan uiteraard aan de heer Vlottes toezeggen dat ik in
die monitor specifiek zal ingaan op het doel dat ik net noemde, het
opbouwen van de tweedehandsmarkt.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Ik wil het inderdaad ook hebben over het op gang krijgen van de
tweedehandsmarkt. Aan de cijfers kun je zien dat er echt veel auto's de
grens overgaan na afloop van een leasecontract: bijna 20.000 in de
eerste helft van dit jaar. Dan denk ik: volgens mij doen we iets niet
goed. Moeten we dan niet nadenken over de vraag hoe je betaalbare
modellen meer gaat promoten in de lease? Verzin iets om ervoor te zorgen
dat die vervolgens op de tweedehandsmarkt terechtkomen en dus ook echt
aftrek vinden. Nu gaan er heel veel de grens over en ik denk dat dat
gewoon niet de bedoeling is.
Minister Hermans:
Kijk, je hebt natuurlijk altijd neveneffecten, of überhaupt effecten,
waar we op moeten reageren of waar we ons toe moeten verhouden. Ik denk
in antwoord op de vraag van mevrouw Van Dijk twee dingen. Ten eerste
gaan we het komende jaar natuurlijk nog verder werken aan de vormgeving
en de uitvoering van de regeling. Daarbij zou je hier al naar kunnen
kijken. In den brede hebben we het doel een tweedehandsmarkt op te
bouwen. Waar zien we dan potentieel negatieve effecten of bijeffecten
die je wilt mitigeren? En wat voor maatregelen kun je nemen om die te
beperken?
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Dit is natuurlijk een bekend fenomeen. In de eerste helft van 2024
gingen er ongeveer 10.000 de grens over. Nu gaat het al over het
dubbele. We weten dit dus al een tijdje. Ik zou het dus wel goed vinden
als we in die monitoring niet alleen kijken naar het effect, maar ook na
gaan denken over de vraag hoe we dit beter gaan doen met elkaar en welke
aanvullende maatregelen we gaan nemen.
Minister Hermans:
Dat snap ik. Ik denk dat de tariefkorting die we toepassen in de mrb, de
motorrijtuigenbelasting, al helpt. Of het voldoende is, durf ik niet te
zeggen. Dat zou ik hier niet zomaar een-op-een willen beweren. Maar ik
denk wel dat het iets is voor een volgend kabinet om goed voor ogen te
houden bij de maatregelen die het neemt in de mobiliteit of in het
autodomein. Maar nogmaals, die mrb-tariefkorting doet in elk geval al
iets.
De heer Hoogeveen (JA21):
Ik heb toch nog een vraag over het gebrek aan een ATR-toets voor de
pseudo-eindheffing. De minister zei dat het hele pakket wel toegestuurd
en beoordeeld is en dat er werd gezegd dat de pseudo-eindheffing
dusdanig weinig effect zou hebben dat een ATR-toets uiteindelijk niet
nodig zou zijn. Maar als ik dan toch kijk naar de briefing van het
kabinet zelf, de factsheetbundel, zie ik daarin over het doenvermogen
staan dat er verwacht wordt dat de ondernemingen die geraakt worden door
deze maatregel, veelal fiscale adviseurs hebben. Echter, voor kleinere
ondernemingen geldt dat de maatregel toch een significant beroep kan
doen op het doenvermogen. Ook in de uitvoeringstoets, die we later
hebben ontvangen, stond bij "complexiteitsgevolgen" de
pseudo-eindheffing aangemerkt als een rode vlag.
De voorzitter:
En uw vraag?
De heer Hoogeveen (JA21):
Dus zou het niet fijn zijn om alsnog te kijken hoe we dit toch aan een
ATR-toetsing onderhevig kunnen maken? Want we willen toch uiteindelijk
inzetten op minder regeldruk voor ons mkb.
Minister Hermans:
Die laatste zin, over minder regeldruk voor het mkb, onderschrijf ik
volkomen. Maar even heel precies: het ATR krijgt het hele
belastingpakket toegestuurd en maakt dan zelf een selectie van welke
maatregelen het onder de loep neemt om de regeldruk daarvan nader te
bestuderen. Het ATR zelf zegt dat deze maatregel geen noemenswaardige
regeldruk met zich meebrengt. Dat is dus niet een oordeel van het
kabinet.
De voorzitter:
Dank u wel. Gaan we daarmee naar de CO2-heffing?
Minister Hermans:
Nou, voorzitter, dat ...
De voorzitter:
Dat zou wel mooi zijn.
Minister Hermans:
Dat zou mooi zijn; dat begrijp ik. Maar ik heb nog een enkele vraag te
beantwoorden over het moment van aankondigen van deze maatregel. Ik zei
daar al wel kort even iets over. We hebben er dus bewust voor gekozen om
de pseudo-eindheffing in dit Belastingplan op te nemen, maar wel pas per
2027 in te laten gaan, zodat werkgevers voldoende tijd krijgen om zich
voor te bereiden op de maatregel en ook om komend jaar nog de ruimte te
hebben om in de regelgeving verduidelijking aan te brengen als dat nodig
is. Dat is mede op verzoek van de branche. We gaan bijvoorbeeld kijken
of we het begrip "woon-werkverkeer" nog nader kunnen specificeren, want
daar zijn vragen over. Ook is er op die manier ruimte om te bezien of de
uitvoering van deze maatregel voor werkgevers verder verbeterd kan
worden. Dat zeg ik heel expliciet in de richting van de heer Stoffer en
mevrouw Van Dijk, die daarnaar vroegen. Als er in het overleg in het
komende jaar dus ideeën of suggesties opkomen die het simpeler of
eenvoudiger maken, dan staan we daar natuurlijk altijd voor open.
Ik zei al iets over waarom wij denken dat uitstel naar 2028 niet nodig
is, maar ook onwenselijk is. Dat is omdat we hem nu al aankondigen en
dus nog het hele jaar 2026 voor ons ligt. In het verlengde daarvan
stelden de heer Stoffer, de heer Vermeer en de heer Ergin voor om de
maatregel helemaal terug te draaien, maar ik denk dat het, gezien de
reden waarom we hem invoeren en de toelichting daarop, duidelijk moge
zijn dat ik dat geen goed idee vind.
Voorzitter. Dan kom ik inderdaad bij de CO2-heffing. Het gaat
om de CO2-heffing voor de industrie en lachgasinstallaties,
die het kabinet naar aanleiding van de motie-Van Dijk verlaagd heeft.
Dat hebben we gedaan omdat in het afgelopen jaar is gebleken dat de
randvoorwaarden voor de industrie om te verduurzamen niet op orde zijn.
Hierdoor moeten bedrijven een heffing gaan betalen terwijl ze wel
willen, maar niet kunnen verduurzamen. Tegelijkertijd zien we dat voor
een aantal sectoren in de industrie de internationale
concurrentiepositie zodanig is dat zij in toenemende mate onder druk
staan. Met het verlagen van het tarief in de CO2-heffing en
het verruimen van de dispensatierechten wordt aan deze groep bedrijven
op korte termijn verlichting gegeven.
Het volledig afschaffen van de CO2-heffing — onder anderen de
heer Vermeer vroeg daarnaar; naar ik heb begrepen heeft hij dat ook
voorgesteld in een amendement — is echt niet mogelijk, omdat de
CO2-heffing onderdeel is van het HVP, het Herstel- en
Veerkrachtplan. Het terugdraaien van twee mijlpalen uit dat plan, waar
de CO2-heffing aan verbonden is, zou potentieel een
financiële tegenvaller van maximaal 1,2 miljard betekenen voor Nederland
en die tegenvaller is gewoon niet gedekt. Daarom vind ik dat dus echt
onverstandig. Het leidt ook niet tot de zekerheid die de heer Vermeer
beoogt, want of je nu de CO2-heffing helemaal uit het
Belastingplan haalt of het tarief verhoogt of verlaagt, in alle gevallen
is een wetswijziging nodig. Dat geldt dus ook als je die heffing er nu
uit haalt. Als een nieuw kabinet dan volgend jaar besluit om die heffing
er weer in te zetten, kun je langs dezelfde route van de behandeling van
het Belastingplan de CO2-heffing terugkrijgen. Die zekerheid
creëer je dus niet door de heffing er nu uit te halen. Sterker nog, je
creëert onzekerheid, namelijk door het risico van de financiële
tegenvaller. Ik heb het al eens eerder in een debat gezegd: dan moet er
1,2 miljard gedekt worden. Ik heb vaak gezien waar die rekening dan
terechtkomt.
Voorzitter. In het debat van vorige week is onder anderen door de heer
Oosterhuis, maar ook door de heer Stultiens gezegd: er zijn ook
negatieve effecten van het verlagen van het tarief op de prikkel om te
verduurzamen. Dat vind ik een terecht punt. Daar hebben we ook heel
precies naar gekeken: wat doet het verlagen van het tarief op bedrijven
die al in verduurzaming geïnvesteerd hebben of op het punt staan om dat
te doen indachtig de CO2-heffing zoals die tot nu toe in de
boeken stond? Ik vind dat we de prikkel voor de industrie om te
verduurzamen op de een of andere manier moeten behouden. We moeten dus
zoeken naar een vormgeving van ons beleid waarin de industrie
gestimuleerd en geprikkeld wordt om te verduurzamen. Ik ben er namelijk
echt van overtuigd — ik niet alleen, het is ook het rapport van Draghi
en het zijn ook alle discussies die ik de afgelopen week in Brazilië in
fora en panels heb gehad — dat de toekomst van de industrie in
Nederland, maar ook in Europa, ligt in vergroening en verduurzaming. Dat
is de manier om internationaal concurrerend te blijven ten opzichte van
andere economieën.
Op dit moment is een overlegtafel CO2-heffing industrie
gaande. Die rondt bijna zijn werkzaamheden af. Die heb ik ook om die
reden ingesteld. Aan die tafel zitten vertegenwoordigers van de
rijksoverheid, maar ook van de industriebedrijven en van groene ngo's,
omdat ik het belangrijk vind dat al die drie partijen met elkaar in
gesprek zijn hierover. Zij hebben als opdracht gekregen om over
alternatieven na te denken waarmee de klimaatdoelen ook kunnen worden
gehaald. De overlegtafel komt begin december met een rapport. Ik kijk
ernaar uit en zal dat rapport zodra het er is ook per direct naar de
Kamer sturen.
De voorzitter:
Was u daarmee aan het einde gekomen van de beantwoording over de
CO2-heffing?
Minister Hermans:
Zeker weten. Ja.
De voorzitter:
Dan gaan we de heer Stultiens horen voor zijn interruptie.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Fijn dat de minister van Klimaat vandaag ook bij het debat kan zijn. Dat
is belangrijk. Zowel vandaag als in Brazilië gaf zij aan nog steeds vol
achter de klimaatdoelen van Parijs te blijven staan. Is het dan niet
heel tegenstrijdig dat we hier vandaag een wetsvoorstel van haar kant
zien waarin die doelen verder van huis raken door deze afschaffing, of
beperking, van de CO2-belasting?
Minister Hermans:
Nee. U kijkt nu door een rietje naar één maatregel in het Belastingplan
en in het klimaatpakket van afgelopen april. Als je de hele optelsom van
dat pakket ziet, dan zie je dat we ten opzichte van de Klimaat- en
Energieverkenning van vorig jaar een stap zetten. De 55% is net niet
binnen de bandbreedte, dus we zijn er nog niet. Er is absoluut nog werk
aan de winkel. Maar de optelsom van alle maatregelen die het kabinet
neemt, inclusief de investeringen in de randvoorwaarden, wat ik toch
echt blijf benadrukken, leidt ertoe dat we dat doel wel meer binnen
bereik brengen. Maar nogmaals, we zijn er nog niet.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Maar nu verwijst de minister naar een rapport waarin nog niet is
meegenomen dat deze belasting van tafel zou gaan. Dus het was al heel
moeilijk en het werd al heel krap, maar nu wordt het nog een stuk
moeilijker of eigenlijk onhaalbaar. Is het dan niet veel beter als de
minister van Klimaat gezegd zou hebben: luister eens, ik ga deze motie
gewoon niet uitvoeren. Als je als Kamer een ongedekte motie indient, dan
zegt de minister van Financiën: ongedekte moties voer ik niet uit. Maar
als je hier moties indient die ongedekt zijn op CO2-gebied,
dan worden ze wel uitgevoerd. Is dat niet heel tegenstrijdig?
Minister Hermans:
We hebben in 2019 het Klimaatakkoord gesloten. Daarbij is de
CO2-heffing afgesproken als een van de maatregelen om de
afgesproken doelen te halen. In datzelfde Klimaatakkoord staat ook dat
de overheid de verantwoordelijkheid heeft om de randvoorwaarden voor de
verduurzaming op orde te brengen en te houden. Ik moet constateren dat
dat op dit moment niet zo is. Er is sprake van een enorme drukte op het
stroomnet. Bedrijven die wel willen en die eigenlijk klaarstaan om te
investeren, krijgen te horen van hun netbeheerder: er is tot begin jaren
dertig voor u geen plek op het stroomnet. CCS is nog niet gerealiseerd.
Er zijn hoge elektriciteitskosten. Daardoor staan in de internationale
economie met name de chemie- en de staalsector ongelofelijk onder
druk.
Ik vind het dan de verantwoordelijkheid van het kabinet en mijn
verantwoordelijkheid als minister om ook daar oog voor te hebben en te
kijken: hoe zorgen we er nou voor dat we die verduurzaming wel op gang
houden — er is wat mij betreft geen enkele discussie over dat dat nodig
is — zonder dat we instrumenten tot een doel op zich verklaren? Het doel
is vergroening en verduurzaming van de industrie hier in Nederland.
De voorzitter:
De heer Stultiens, afrondend op dit punt.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Afrondend op dit punt: het is jammer dat we het vandaag niet eens gaan
worden. Ik hoop wel dat een volgend kabinet er dan inderdaad mee aan de
slag gaat, want ik vind het zonde hoe de klimaatrekening hier wordt
doorgeschoven naar met name toekomstige generaties.
De heer Oosterhuis (D66):
In navolging van de vraag van de heer Stultiens: we hebben natuurlijk
het klimaatakkoord van Parijs en we hebben het Nederlandse
Klimaatakkoord. We hebben ook onze nationale Klimaatwet, die ons
verplicht om 55% CO2 te reduceren in 2030. Dat halen we nog
niet. Met het schrappen van de CO2-heffingen komen we alleen
maar verder van huis. Waarom heeft het kabinet toch voor deze maatregel
gekozen?
Minister Hermans:
Omdat je ook realistisch moet zijn als je ziet dat een maatregel niet
doet wat je beoogt. Het was bedoeld om een prikkel tot verduurzaming te
geven. Dat weet de heer Oosterhuis ongelofelijk goed. Maar je zag dat
het voor bedrijven bijna een boete op verduurzaming werd. Ik vind dat je
dan met elkaar moet zeggen: wacht even, dit instrument dat wij bedacht
hebben, doet niet wat het moet doen. Stel ik daarmee het algemene doel
dat we hebben ter discussie, namelijk het verduurzamen van de industrie
in Nederland? Ik wil die industrie hier houden, voor onze veiligheid,
voor onze economie, voor onze werkgelegenheid. Dat stel ik niet ter
discussie; absoluut niet. Maar dan vind ik wel dat we op zoek moeten
naar andere manieren, andere instrumenten, om hetzelfde doel voor elkaar
te krijgen.
De heer Oosterhuis (D66):
Ik constateer alleen dat die andere manieren er nog niet zijn. Ik hoor
dan toch graag hoe dit zich verhoudt tot de Klimaatwet. Ik ben het er
helemaal mee eens dat de industrie van belang is, maar ik constateer ook
dat de warmtepompverplichting in de woningbouw is geschrapt. In de
mobiliteit komt rekeningrijden niet van de grond. Er is nu zelfs sprake
van een accijnsverlaging. Op landbouw is überhaupt geen beleid gevoerd.
Dan vind ik het te gemakkelijk om het te beperken tot de industrie en te
zeggen: daar gaat het nu moeilijk, dus daar doen we niks. Dan krijg ik
toch graag een reactie op de vraag hoe we dan wel die 55% halen.
Minister Hermans:
Omdat we ook maatregelen nemen. We discussiëren hier vandaag over de
pseudo-eindheffing en de bijmengverplichting groen gas. Het wetsvoorstel
is net naar de Raad van State gestuurd. We investeren in CCS. Hopelijk
wordt er het komende jaar een investeringsbeslissing genomen over
Aramis. We zetten alles op alles om capaciteit op het net voor elkaar te
krijgen, zodat bedrijven die willen en kunnen investeren, ook plek
hebben op het net om de verduurzaming voor elkaar te krijgen. We hebben
een bijmengverplichting voor benzine aan de pomp. Daar nemen we
maatregelen voor. Er wordt dus een hele reeks aan maatregelen genomen.
Ik sta volgende week in de Eerste Kamer om, naar ik hoop, de Wet
collectieve warmte met succes te verdedigen, omdat we ook aan de slag
moeten met de warmtetransitie om huizen te verduurzamen die niet over
kunnen gaan op een warmtepomp. Kortom, er worden heel veel stappen
gezet. Zijn we er? Nee, dat hoort u mij niet zeggen. Zijn er nog stappen
nodig? Jazeker. Dat doe ik wel, vind ik — en ik vind dat we dat ook
moeten blijven doen — door naar de wereld om ons heen te kijken. Wat
gebeurt daar? Wat gebeurt er geopolitiek? Zo kunnen we de
klimaattransitie met iedereen hier in Nederland, ook met alle bedrijven
die daaraan mee willen doen, samen voor elkaar krijgen.
De voorzitter:
Tot slot.
De heer Oosterhuis (D66):
Heel kort, voorzitter. Terecht noemt de minister hier wat ze allemaal
wel doet. Ik constateer dat er ook vooral nog heel veel níét gebeurt. Ik
constateer ook dat ik geen goed antwoord krijg op de vraag hoe zich dat
verhoudt tot de Klimaatwet. Ik denk dat dat wel genoeg zegt.
Minister Hermans:
Je hebt twee manieren van kijken: is het glas halfvol of is het glas
halfleeg? Ik vind echt dat wij dan geen recht doen aan alles wat er in
Nederland gebeurt door het mkb, door grote bedrijven, door de industrie,
door huishoudens, door mensen ieder voor zich, dat we geen recht doen
aan waar iedereen mee bezig is, aan de inzet die elke dag wordt gepleegd
om aan die klimaat- en energietransitie een bijdrage te leveren. Daarmee
zeg ik op geen enkele manier dat we er zijn. Ik ontken niet dat er nog
extra stappen gezet moeten worden. De heer Oosterhuis noemde de
warmtepomp en hoe je daarmee omgaat in de toekomst. Als je het nou hebt
over logische stappen in beleid, denk ik dat we er daar één hebben,
zeker als straks de Wet collectieve warmte van kracht is. Maar alleen
maar kijken naar wat er niet is of wat er niet gebeurt, vind ik geen
recht doen aan de andere kant van het verhaal en de stappen die gezet
zijn in de afgelopen jaren.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Het valt me op dat de minister begint over randvoorwaarden voor de
industrie en over dat die niet op orde zijn. Die stelt ze nu voorop in
de afweging om die CO2-heffing te schrappen. Maar ik wil
graag door op de Klimaatwet. Is dat dan geen randvoorwaarde voor de
minister? Daar staan concrete doelen in. We zien dat we de klimaatdoelen
niet halen en de minister komt niet met een alternatief. Dus is het dan
niet verstandiger om nu te zeggen: we gaan het afschaffen van die
CO2-heffing even on hold zetten totdat die klimaattafel klaar
is en er een concreet alternatief ligt?
Minister Hermans:
Nee. Het kabinet heeft een andere afweging gemaakt, mede ingegeven door
een ingediende motie die hier een meerderheid heeft gehaald. We hebben
gezegd: die industrie is van groot belang voor Nederland, voor onze
economische positie, voor onze veiligheid, omdat die ook raakt aan de
strategische autonomie. Ja, die industrie willen we in Nederland houden.
Die moet vergroenen en verduurzamen. Dat is de manier om
toekomstbestendig te zijn. Ik kan hier wel coûte que coûte een
CO2-heffing doorduwen, maar vervolgens stoppen die bedrijven
hier, gaan ze produceren over de grens en wordt dezelfde CO2
nog steeds uitgestoten. Daar is het milieu niks mee opgeschoten en het
klimaat geen steek verder mee gekomen. Dan zijn we ook nog eens
ongelofelijk veel banen kwijt en gokken we met onze veiligheid en de
productie van goederen die ik heel graag hier maak en niet elders.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
De klimaatdoelen zijn van groot belang voor Nederland, want als we die
niet halen, zal de klimaatschade die dat veroorzaakt, afgewenteld worden
op de hele samenleving, niet alleen maar op de bedrijven waar de
minister het over heeft. Dus mijn vraag is een heel concrete. Als je dan
besluit tot een afschaffing van een effectieve maatregel, een bewezen
effectieve maatregel, dan is het toch onverantwoord om dat eerst te doen
voordat je een alternatief hebt? Dus waarom stelt zij de omstandigheden
voor de bedrijven wel als randvoorwaarde om aan te voldoen, maar niet de
Klimaatwet?
Minister Hermans:
Nee, die dingen bestaan voor mij naast elkaar. We hebben de Klimaatwet.
We hebben afspraken gemaakt. Het is aan dit kabinet en aan elk volgend
kabinet om alles op alles te zetten om die doelen binnen bereik te
halen. Ik vind het ook van groot belang dat we dat op zo'n manier doen
dat we onze ondernemers, bij bedrijven groot en klein, zeker de
ondernemers die hier graag een bijdrage aan willen leveren, bij ons
houden, zodat we draagvlak hebben voor deze transitie. Het is een
marathon, zeg ik tegen mevrouw Teunissen, geen sprint. We zijn op weg
naar onze doelstelling voor 2050, in een wereld waar ongelofelijk veel
aan de hand is. En ja, dan moet je om je heen blijven kijken naar wat er
gebeurt en je daaraan aanpassen. Op geen enkele manier neem ik afstand
van het belang van die klimaattransitie. Het is én klimaat én economie
én veiligheid. Daardoorheen loopt het feit dat we groene en schone
energie, dichtbij geproduceerd, heel hard nodig hebben.
De voorzitter:
Uw beantwoording over de vliegbelasting.
Minister Hermans:
Voorzitter. Mijn laatste blokje gaat over de vliegbelasting en groen
gas. Ik begin met de vliegbelasting. Ik heb een vraag van mevrouw
Teunissen over het Frans-Keniaanse initiatief op de COP30: the
Solidarity Coalition for Levies on Premium Flyers. Ik heb vorige week
heel veel van dit soort coalities voorbij zien komen. Dat is ook echt de
kracht van de klimaatconferentie, vind ik. Er vormen zich daar allerlei
coalities om op specifieke onderdelen de samenwerking te intensiveren.
Specifiek over deze coalitie: u weet dat Nederland zich al jaren inzet
om de beprijzing van de luchtvaart op Europees en mondiaal niveau meer
te harmoniseren. Het voorstel waar deze coalitie aan werkt, kan daaraan
bijdragen. Hoe dat er precies uit gaat zien en wat de coalitie precies
gaat doen, wacht Nederland op dit moment af. Op een later moment maakt
dit kabinet of een volgend kabinet de afweging om wel of niet toe te
treden tot de coalitie.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Ik heb hier één vraag over. We hebben het luchtvaartverdrag. Dat stamt
uit 1947 en zit ons de hele tijd dwars, omdat er een
kerosinevrijstelling geldt. Nu ligt er een prachtig initiatief van een
aantal landen bij de klimaattop. Die zeggen: we gaan ons inzetten om
samen de businessclass en privéjets extra te belasten. Ik hoor dat de
minister enthousiast is over het aanpakken en het harmoniseren van
beprijzing. Dan denk ik: nou, dan moet je dat samen doen. Ik zou zeggen:
wacht dan niet af, maar ga kijken in hoeverre je invloed kunt uitoefenen
binnen dat initiatief en samen kunt optrekken om het daadwerkelijk voor
elkaar te krijgen. Ik zie niet in waarom Nederland dit niet kan
ondersteunen, want het is volledig in lijn met wat de minister net
zei.
Minister Hermans:
Ik vind dat als je je bij een coalitie aansluit, je ook moet kunnen
leveren. Ik wil gewoon precies weten hoe dit voorstel van die coalitie
eruitziet en hoe dat past in het beleid van dit kabinet. Als de afweging
aan een volgend kabinet is, dan is dat natuurlijk aan een volgend
kabinet. Deze coalitie richt zich natuurlijk heel specifiek op één
doelgroep. Overigens is het soms ook goed om van heel breed naar
specifiek te gaan, maar ik wil gewoon precies weten hoe dat eruitziet en
hoe dat uitpakt. Daarom hebben we gezegd dat we de concrete voorstellen
afwachten. Ik zeg daarmee niet dat we het sowieso niet doen, maar ik zeg
nu ook niet direct ja.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Ik probeer het nog iets scherper te krijgen. Ze zijn net in Brazilië
geweest. Frankrijk, Spanje en ook de welbekende Wopke Hoekstra zeiden
daar: ga die groep belasten. Ik noem het toch de elite, de privéjets, de
businessclassvliegers. Deelt de minister de grondhouding dat deze groep
wat meer belasting mag betalen over vluchten?
Minister Hermans:
Er zit een vliegbelasting in het Belastingplan. Het kabinet heeft keuzes
gemaakt in de vormgeving daarvan. Het kabinet heeft ervoor gekozen om
een onderscheid te maken tussen lange- en korteafstandsvluchten. Ik weet
dat er ook andere vormgevingen zijn, maar daarbij verschilt het ook weer
of je de belasting per vliegveld of per luchtvaartmaatschappij heft. Dat
heeft ook allemaal weer effect op de uitvoering. Ik deel dat je via de
vliegbelasting ook iets kunt doen in de richting van de
verduurzamingsdoelen. In de vormgeving heeft het kabinet voor het
onderscheid naar reisafstand gekozen.
De voorzitter:
U continueert uw beantwoording. Ik zou willen voorstellen om dan even te
kijken of er bij dit specifieke onderwerp nog wat op de zeef blijft
hangen, minister.
Minister Hermans:
Voorzitter. Ik ging naar de vraag van de heer Vlottes over de mondiale
CO2-reductie als gevolg van de aanpassing in de
vliegbelasting. Deze maatregel leidt tot een mondiale
CO2-reductie van ongeveer 1,9%. Dit komt door een
verschuiving van langere vluchten naar kortere vluchten. In het
verlengde van het interruptiedebat dat ik zojuist had met de heer
Vlottes, wil ik wel benadrukken dat dit niet het doel is van de
maatregel. In het hoofdlijnenakkoord van PVV, VVD, BBB en NSC, waarin
deze maatregel is opgenomen, is deze maatregel afgesproken met een
taakstellende opbrengst van 257 miljoen via een afstandsafhankelijke
vliegbelasting. Langere vluchten, die meer uitstoot veroorzaken, worden
dus zwaarder belast. Die opbrengst is gebruikt als dekking voor onder
meer 2 miljard aan structurele lastenverlichting en koopkracht voor
werkende middeninkomens.
Tot slot stelde de heer Vermeer een vraag over groen gas. Hij vroeg of
ik bereid ben om iets te doen aan de dubbele energiebelasting bij de
productie van groen gas. Ik zie de heer Vermeer en ook mevrouw Van der
Plas niet. De grondstof voor het energieproduct, in dit geval de
biomassa, is vrijgesteld van de energiebelasting als je groen gas gaat
produceren. Wel moet je energiebelasting afdragen over de elektriciteit
die je gebruikt om te produceren, dus in dit geval de verwarming van de
biomassa. We verschillen van mening over de vraag of hier op een dubbele
manier belasting wordt geheven. Vanuit dat perspectief vindt het kabinet
het onderzoeken van het wegnemen van die dubbele belasting ook niet
nodig. Ik werk wel aan de bijmengverplichting groen gas, die erop
gericht is de productie van groen gas te stimuleren. Dat noemde ik net
ook al in reactie op een vraag van mevrouw Teunissen.
Tot zover, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik weet zeker dat mevrouw Van der Plas en meneer Vermeer
elders in het gebouw meeluisteren naar uw beantwoording. Hiermee zijn we
aan het einde gekomen van de beantwoording van de minister in deze
termijn. Ik geef het woord aan de staatssecretaris.
Staatssecretaris Heijnen:
Voorzitter. Het is goed om hier vandaag met elkaar te spreken over het
Belastingplan. Ik heb de Kamer goed gehoord en ik zal mijn inleiding
kort houden. Ik wil in ieder geval de heer Oosterhuis en de heer
Hoogeveen nogmaals feliciteren met hun maidenspeech. Ik heb ervan
genoten! Ook u, voorzitter, wil ik vanaf deze plek nogmaals feliciteren
met uw benoeming.
Dan ga ik verder. Ik heb in het debat vanuit verschillende partijen
verschillende visies op het belastingstelsel en de toekomst gehoord.
Maar ik heb ook meerdere overeenkomsten in de verschillende bijdragen
gehoord. Een belangrijke is dat veel van de leden aandacht vragen voor
de uitvoerbaarheid, voor burgers, bedrijven en onze uitvoerende
diensten.
Als u mij toestaat, voorzitter, wil ik graag kort nader ingaan op de
vraag hoe te komen tot een hervorming van het belastingstelsel, voordat
ik aan de beantwoording van de vragen begin. Ik dank de heer Oosterhuis
voor deze vraag. Ik had een aantal pagina's voorbereid, maar ik zal het
heel kort samenvatten. Het begint wat mij betreft met een heldere
integrale visie op hoe een nieuw belastingstelsel eruit moet zien.
Daarbij moeten er ook strategische en belangrijke keuzes worden gemaakt
over de doelstelling van het belastingstelsel en de verdeling, de
belastingmix. Dan is het heel belangrijk om daar bij de formatie — dat
is een natuurlijk moment; de heer Grinwis wees daar ook al op — hele
concrete afspraken over te maken. Wat mij betreft moeten we dus uitgaan
van een integrale visie en dan hele concrete afspraken maken. Daarbij
lijkt het heel logisch om bij een van de elementen waarover heel veel
discussie is, box 1, te beginnen. Ik wijs erop dat ook de Nederlandse
Orde van Belastingadviseurs daar anderhalve week geleden specifiek
aandacht voor heeft gevraagd. Ik vind het dus ook — dan ben ik aan het
einde van mijn inleiding, voorzitter — een gemiste kans dat de
herziening van ons belastingstelsel niet als zesde onderwerp op de
formatietafel ligt. Maar misschien kan de heer Oosterhuis daar nog
verandering in brengen.
Voorzitter. Terug naar het pakket Belastingplan 2026. Zojuist heeft de
minister van KGG, mevrouw Hermans, de vragen omtrent het klimaat
beantwoord. Ik zal de beantwoording van de vragen doen aan de hand van
de volgende blokjes: het wetsvoorstel Belastingplan 2026, box 3, het
wetsvoorstel Differentiatie tarief vliegbelasting, voor zover nog niet
beantwoord door de minister, het wetsvoorstel Stroomlijning fiscaal
inzagerecht en een aantal andere onderwerpen, de varia.
Voorzitter. Ik wil uw Kamer toch nu al bedanken voor het behandelen van
deze wetsvoorstellen in zo'n korte tijd. De Via Gladiola is bijna in
zicht en we naderen de finish op donderdag.
Voorzitter. Dan ga ik naar het wetsvoorstel Belastingplan. De heer Dijk
van de SP vraagt hoe ik verklaar dat mijn eigen ministerie waarschuwt
dat arbeid al te zwaar wordt belast, zeker in verhouding tot kapitaal,
maar dat de inkomstenbelasting wel in stapjes wordt verhoogd. De heer
Dijk heeft er gelijk in dat door middel van de tabelcorrectiefactor het
behoud van het verlaagde btw-tarief wordt gedekt. Het heeft ook niet
mijn voorkeur om de lasten op arbeid te verhogen, maar op deze manier
wordt de lastenverzwaring zo breed mogelijk gedragen. Het voordeel van
het behoud van het lage btw-tarief op cultuur, media en sport is ook
voor alle Nederlanders. En de koopkrachtontwikkeling voor volgend jaar
is positief, voor alle inkomensgroepen. Uiteraard wordt de ontwikkeling
van de koopkracht gemonitord.
Als een volgend kabinet een visie vormt — daar begon ik mee — voor een
belastingstelsel en aan de slag gaat met een hervorming, kan het ervoor
kiezen om de belastingmix daarbij te betrekken en te overwegen de lasten
op arbeid als geheel te verlagen. U zult begrijpen: dit demissionaire
kabinet maakt dergelijke fundamentele keuzes niet meer.
Dan ga ik naar de vraag van mevrouw Van Dijk of we kunnen volstaan met
vastleggen dat een deelfiets niet meer dan incidenteel voor
privédoeleinden mag worden gebruikt en of we niet, in mijn eigen
woorden, af kunnen van die 10%. Ik snap de wens van mevrouw Van Dijk om
de uitvoering zo eenvoudig mogelijk te maken heel goed. De bedoeling van
ons wetsvoorstel is om alle deelfietsen die zakelijk worden gebruikt,
onbelast te houden. Ik denk dat we dat doel delen, zeg ik via de
voorzitter tegen mevrouw Van Dijk.
Daarvoor is, denken wij, wel een eenduidige fiscale definitie van het
begrip "deelfiets" nodig. Er is gekozen voor een 10%-norm, met name om
een open norm te vermijden. Hiermee bedoelen we de fiets die bijna nooit
mee naar huis gaat. Deze afbakening omvat deelfietsen en is misschien
zelfs nog iets ruimer dan dat, want die geldt ook voor dienstfietsen die
uiteindelijk maar door één werknemer worden gebruikt. De 10%-norm speelt
dus alleen bij twijfel een rol, bijvoorbeeld als een werknemer een
dienstfiets regelmatig mee naar huis neemt. We hebben dat uiteraard ook
met de Belastingdienst afgestemd wat betreft de uitvoering. De
Belastingdienst verwacht slechts beperkt discussie over de toepassing
van de bijtelling van nihil.
Dan ga ik naar een vraag van de heer Hoogeveen over de
lucratiefbelangmaatregel en de multipliermaatregel. Het klopt, zeg ik
tegen de heer Hoogeveen, dat daardoor het tarief naar maximaal 36% wordt
verhoogd, gelijk aan het box 3-tarief. Als je kijkt naar de
belastingheffing op carried interest in andere landen, zoals het
Verenigd Koninkrijk, Spanje, Italië en Duitsland — dat was de vraag van
de heer Hoogeveen — zie je dat die daar momenteel tussen de 25% en 30%
is. De Britse regering heeft op 21 juni dit jaar wel enkele wijzigingen
aangekondigd bij de belastingheffing op carried interest, en wel vanaf
april 2026. Afhankelijk van het type carried interest wordt het voordeel
effectief belast tegen een tarief van 34% tot maximaal 47%. Wij zijn van
mening dat met de voorgestelde multipliermaatregel de belastingdruk voor
middellijk gehouden lucratiefbelangaandelen beperkt wordt verhoogd in
box 3 tot maximaal 36%. Wij zijn ook van mening dat het tarief daarmee
niet te veel verschilt van de belastingdruk in het buitenland op
vergelijkbare inkomsten.
Dan vraagt mevrouw Van Dijk ook naar de fraudebestendigheid van de
pseudo-eindheffing. De minister ging al in op de klimaateffecten. Ik
neem deze vraag qua uitvoering uiteraard voor mijn rekening. In de
uitvoeringstoets van de Belastingdienst werd al aangegeven dat de
Belastingdienst niet geautomatiseerd beschikt over gegevens van welke
fossiele personenauto's door werkgevers ter beschikking worden gesteld.
De Belastingdienst kan en gaat de juistheid wel toetsen via onder andere
bedrijfsgesprekken en boekenonderzoeken. Ik wijs de Kamer erop dat deze
werkwijze geldt voor meerdere heffingen en vrijstellingen, in ieder
geval binnen de loonbelasting. Denk aan het toepassen van sommige
gerichte vrijstellingen. Daarbij is het belangrijk dat wij denken erop
te mogen vertrouwen dat burgers en bedrijven zich houden aan de wet en
dat zij bij deze maatregel de juiste belasting afdragen.
Dan kom ik op een andere vraag van de heer Ergin — ik zie hem niet —
over de pseudo-eindheffing. Hij vraagt zich af of deze heffing niet veel
extra lasten oplegt aan ondernemers en aan mensen thuis. Het treft
bijvoorbeeld ook taxichauffeurs en rijschoolhouders. Hij vraagt daarom
of er voldoende oog is voor de kleine ondernemers. Laat ik vooropstellen
dat de pseudo-eindheffing alleen werkgevers raakt. De heffing is dus
niet van toepassing op ib-ondernemers of op de mensen thuis. Kleine
werkgevers kunnen uiteraard wel geraakt worden, als zij fossiele
personenauto's ter beschikking stellen aan werknemers voor privégebruik.
Dat geldt ook voor taxibedrijven en rijschoolhouders. De werkgever is de
pseudo-eindheffing uiteraard niet verschuldigd als de werknemers van
deze bedrijven de auto alleen voor zakelijke kilometers gebruiken.
De voorzitter:
Hoe vordert u in het blokje?
Staatssecretaris Heijnen:
In het blokje Belastingplan …
De voorzitter:
Oké, ik hoor het al.
Mevrouw Van Eijk.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Het zijn ongeveer 50 maatregelen, voorzitter.
De voorzitter:
Ja, dat dacht ik al.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Ik was alleen aan het kijken of de beantwoording over de
pseudo-eindheffing hiermee afgerond was. De minister is daar ook al op
ingegaan. Zij gaf in haar termijn aan dat het aankomend jaar ook nog
gebruikt wordt om te kijken waar we de maatregel werkbaarder kunnen
maken, bijvoorbeeld door ook te kijken naar definities en naar een
stukje vereenvoudiging. Ik heb zelf een amendement ingediend om iets te
doen met het moment waarop deze strafheffing aanvangt, om het in die zin
eerlijker te maken. Neemt het kabinet dat punt ook nog mee in die
uitwerking van het aankomend jaar? Ik voel namelijk wel wat weerstand
tegen mijn amendement, terwijl de intentie echt is om te kijken hoe we
deze maatregel in de praktijk werkbaarder kunnen maken.
Staatssecretaris Heijnen:
Dit is een bekend punt. Dat hebben we volgens mij ook besproken tijdens
het wetgevingsoverleg. Wij zullen daar uiteraard constructief naar
kijken. Ik heb ook begrepen dat er voor het amendement, dat ik nog niet
precies ken, nauwelijks dekking nodig is. Wij hebben daar in het
wetgevingsoverleg over gesproken, ook in vergelijking met de
bijtellingsregeling die anders werkt. We zullen daar dus naar kijken.
Volgens mij gaat het amendement in op de "eerste van de maand volgend
op". Ik weet het niet zeker, dus ik vraag het even.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Nee, het vangt aan op het moment van de eerste terbeschikkingstelling
van de auto en geldt niet voor de volledige maand, zoals nu in de wet is
opgenomen. Als je op de twintigste je auto ter beschikking gesteld
krijgt, dan is het gewoon eerlijker als pas op de twintigste die
strafheffing in rekening wordt gebracht. Het vraagt dus een
pro-ratabenadering.
Staatssecretaris Heijnen:
Helder. Ik zeg daar gelijk bij dat we er bewust voor hebben gekozen dat
pseudo-eindheffing voor de hele maand geldt, ook als je de auto maar één
dag per maand ter beschikking hebt gesteld gekregen. Bij de regeling
zelf is er dus geen pro-ratabenadering. De vraag is dus of je dat dan
wel moet doen bij de eerste terbeschikkingstelling, zeg ik heel
eerlijk.
De voorzitter:
U continueert.
Staatssecretaris Heijnen:
Mevrouw Van Eijk vraagt ook of ik het risico zie dat de versobering van
de extraterritoriale kostenregeling gevolgen kan hebben voor de
forfaitaire expatregeling, de 30%-regeling. Ik ben het met mevrouw Van
Eijk eens dat de expatregeling een belangrijke rol speelt in het kunnen
aantrekken van kenniswerkers uit het buitenland en ook voor het
Nederlandse vestigingsklimaat. Tegen mevrouw Van Eijk zeg ik dat de
voorgestelde versobering van de ETK-regeling geen gevolgen heeft voor de
expatregeling. Het is wel zo dat deze twee maatregelen met elkaar
verbonden zijn. Dat was ook de achtergrond van de vraag van mevrouw Van
Eijk. De ETK-regeling vormt de basis en de onderbouwing van de
expatregeling. Daarom is het mogelijk dat een verdere versobering van de
ETK-regeling als effect heeft dat ook de expatregeling moet worden
versoberd. Ik kan natuurlijk niet spreken namens een volgend kabinet,
maar dit kabinet heeft in ieder geval geen plannen voor verdere ingrepen
in de expatregeling.
Dan ga ik naar een vraag van de heer Stoffer over de stand van zaken van
het afvalmaatregelenpakket. Ook de heer Grinwis vroeg daarnaar. Tijdens
de debatten vorige week hebben we een aantal keer van gedachten
gewisseld over de belastingmaatregelen voor de afvalsector. De
onderdelen van dit pakket en de overwegingen van dit pakket heb ik
gisteren per brief schriftelijk met u gedeeld en licht ik u ook
mondeling graag nog een keer toe, omdat ik begreep dat er een heleboel
vragen over waren.
Allereerst wil ik nogmaals benadrukken dat het kabinet zich er ook
uitermate bewust van is dat dit een forse opgave is voor de afvalsector.
In mijn optiek zit dit vooral in de maatvoering van het pakket. Er zijn
tegelijkertijd goede redenen, zo denken wij, waarom voor deze technische
dekking is gekozen. De dekking moest per 2028 worden geleverd, waarmee
de fiscale maatregelen ook per diezelfde datum uitvoerbaar moeten zijn.
Gezien de doorlooptijd van nieuwe heffingen, die langer is, liggen voor
de eerste jaren dekkingen via tariefsaanpassingen in bestaande
belastingen voor de hand. Ten tweede is het een overweging dat het
verbranden van afval in Nederland relatief goedkoop is, ook in
vergelijking met andere landen. Een deel van het buitenlands afval wordt
daardoor hier verbrand. Ten derde ligt de prikkel voor het toepassen van
CCS — de minister had het er ook al over — bij
afvalverbrandingsinstallaties lager dan voor de ETS1-industrie. Dit komt
doordat de CO2-heffing alleen het fossiele deel van de
CO2-uitstoot belast, terwijl bij AVI's ongeveer twee derde
van de CO2-uitstoot biogeen en dus niet fossiel is.
Maar zoals gezegd is de huidige maatvoering fors. Volgens mij deed de
heer Luc Stultiens het voorstel om een deel van de lastenverzwaring
breder over de keten te verdelen. Dat vinden wij zeker een interessante
gedachte. Dit sluit ook aan bij de aanpak van de Werkgroep afvalsector.
Daar worden maatregelen uitgewerkt in het brede circulaire domein. U
heeft …
De voorzitter:
Maakt u uw zin af. Nee? Mevrouw Inge van Dijk.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Als het interessant is, kan het dan niet gewoon een toezegging worden?
Dan kunnen we die noteren en hebben we volgens mij alweer een stapje
gezet.
Staatssecretaris Heijnen:
Ik heb even niet helemaal helder welke toezegging mevrouw Van Dijk nu
vraagt.
De voorzitter:
Volgens mij beweegt u in haar richting. Maar we gaan het horen.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Het kabinet geeft nu aan dat het het voorstel van collega Stultiens heel
interessant vindt. Volgens mij vindt een grote meerderheid van de Kamer
dat we op die manier moeten gaan kijken. Dus ik dacht: als we hier nu
eens een toezegging van maken.
Staatssecretaris Heijnen:
Ik snap de vraag; dank u wel. Ik vraag me af of ik die toezegging op dit
moment kan doen, want de Werkgroep afvalsector moet nog rapporteren. Dat
is voorzien voor het einde van dit jaar. In die rapportage zullen we
zien welke maatregelen uiteindelijk naar voren zijn gekomen in dat
overleg. Ik kan wel aangeven — dat heb ik ook in de brief gedaan — dat
diverse mogelijkheden, diverse alternatieven, worden onderzocht en dat
er ook binnen de afvalstoffenbelasting zelf wordt gekeken. Ik kan nu
niet vooruitlopen op de uitkomsten van de werkgroep, maar ik kan wel
tegen mevrouw Van Dijk zeggen dat het kabinet zich zeer gecommitteerd
voelt aan de opgave waar deze werkgroep voor staat. Tegelijkertijd, en
dat is misschien deels ook wel een antwoord op de vraag die gesteld
werd, wil ik nogmaals benadrukken dat het geen gemakkelijke opgave is om
maatregelen te vinden die zowel uitvoerbaar zijn, een tijdige bijdrage
leveren aan de budgettaire taakstelling als ook, ten derde,
circulariteit en klimaat bevorderen. De Kamer realiseert zich dat ook.
Zoals aangegeven in de brief, is na rapportage van de werkgroep
besluitvorming voorzien voor het voorjaar, of wellicht eerder bij de
formatie.
De voorzitter:
De heer Grinwis voor een beknopte interruptie.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Dank voor die aankondiging, voorzitter. Mijn vraag aan de
staatssecretaris is de volgende. Hij schrijft in zijn brief dat de
afvalverbranders in principe een beroep kunnen doen op ondersteuning,
zoals bij de SDE++. Alleen is dat potje bij de minister die nu naast de
staatssecretaris zit, zo goed als leeg. Dus in hoeverre gaan we dan
daadwerkelijk verduurzamen en CO2 onder de grond stoppen? Of
wordt het effect toch de export van afval? En hoe gaan we dat nou
voorkomen?
Staatssecretaris Heijnen:
Dat is een goede vraag. De heer Grinwis heeft het met name over een
stukje subsidiëring. Ik weet niet of de werkgroep daarnaar kijkt, maar
ik denk dat het goed zou zijn om de mogelijkheden daarvan in ieder geval
mee te nemen. Er zal uiteraard wel voldoende geld in het potje moeten
zitten. Dat ben ik met de heer Grinwis eens.
De voorzitter:
U vervolgt uw beantwoording.
Staatssecretaris Heijnen:
Dan vraagt de heer Stoffer over de afvalstoffenbelasting en meer
specifiek de vrijstelling voor zuiveringsslib of ik kan toezeggen dat de
Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden — de UDO, heb ik inmiddels
begrepen — wordt uitgevoerd. Zoals de heer Stoffer ongetwijfeld weet, is
de UDO bedoeld voor situaties waarin beleid van het Rijk het beleid van
decentrale overheden raakt, zoals bij het uitbesteden van taken. Het
schrappen van de vrijstelling heeft strikt genomen geen invloed op het
takenpakket van de waterschappen. Maar om aan het verzoek van de Kamer
en, begrepen wij, ook van de Unie van Waterschappen tegemoet te komen,
zal voor deze maatregel ook de formele route van een
Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden worden opengesteld. De
resultaten zullen trouwens in het eerste kwartaal volgend jaar met uw
Kamer worden gedeeld.
De heer Vermeer vraagt waarom het amendement waarmee sappen worden
uitgezonderd pas per 1 januari 2027 in werking kan treden. Zoals
aangegeven heeft de Douane een impactscan uitgevoerd naar het
amendement. De uitkomst daarvan is dat de wijzigingen systeemtechnisch
en operationeel op z'n vroegst mogelijk zijn per 1 januari 2027. Ik wil
hierbij opmerken dat het amendement niet een eenvoudige
parameterwijziging is, maar een voorstel met grote gevolgen voor
bedrijven en de Douane. Door het amendement moet de categorie vruchten-
en groentesappen worden geschrapt van de aangifte- en
teruggaafformulieren. Als dat niet gebeurt, is er kans op onjuiste
aangiften, die dan moeten worden hersteld. Dat vraagt om extra
capaciteit, en dat vinden wij onwenselijk. Daarnaast is het zo dat door
het amendement producenten van sap geen vergunning meer nodig hebben. De
vergunningen van producenten die zowel sap als andere dranken
produceren, moeten ook worden aangepast. Ook dat kost tijd. Daarnaast,
tot slot, moet de Douane zich ook voorbereiden op nieuwe
afbakeningsdiscussies die zullen ontstaan door het uitzonderen van een
nieuwe categorie dranken.
Ik blijf nog even in de verbruiksbelasting en ga naar de vraag van de
heer Stoffer of het kabinet niet al kan beginnen met het uitwerken van
scenario 5 van de brief.
De voorzitter:
En dat mag met een tandje extra snelheid, als de staatssecretaris
daartoe in staat is.
Staatssecretaris Heijnen:
Ik ga mijn best doen, voorzitter.
Zoals ik ook in het wetgevingsoverleg heb aangegeven, vind ik net als uw
Kamer dat er snel duidelijkheid moet komen over de toekomst van de
verbruiksbelasting. Maar snelheid moet wel samengaan met zorgvuldigheid.
Tijdens het wetgevingsoverleg heeft de heer Grinwis gevraagd om een
actualisatie van onder andere uitvoeringsaspecten voor de scenario's 4
en 5, ook naar aanleiding van de aanpassing van het vleugje zuivel. De
heer Stultiens vroeg mij daarbij om ook de effecten voor de eerste drie
scenario's mee te nemen. Deze brief heb ik al toegezegd en kunt u medio
februari ontvangen. Ik denk eerlijk gezegd dat het goed is als de Kamer
eerst kennisneemt van de actuele cijfers en inzichten. Er moeten
namelijk belangrijke keuzes worden gemaakt over de tarieven, de
minimumbieraccijns, gezondheidsaspecten en uitvoeringsaspecten zoals
frauderisico.
Als u mij toestaat, voorzitter, nog even over de verbruiksbelasting,
want dat is denk ik wel belangrijk. Ik heb toegezegd dat ik in februari
met een brief kom. In die brief zal ik ook aangeven welke
uitvoeringsaspecten aan de diverse scenario's zijn verbonden. Als de
Kamer dat wil, zal ik daarbij ook het amendement meenemen van de heren
Vermeer, Stoffer en volgens mij Hoogeveen over het toevoegen van
vruchten- en groentesappen aan de vrijstelling. Het is wel belangrijk om
je te realiseren dat het nu "suikertaks" wordt genoemd, maar geen
suikertaks is. Het is een verbruiksbelasting met één vlak tarief,
waarbij een aantal dranken zijn uitgezonderd. Op het moment dat we een
van de scenario's kiezen waarbij er geheven wordt op basis van
suikergehalte, wijzigt er natuurlijk behoorlijk wat in de uitvoering en
in de maatregel. Vanuit die optiek zou wellicht het toevoegen van een of
meerdere aparte dranken eenvoudiger kunnen zijn. Maar zoals gezegd ga ik
daar in de brief van februari op in. Dan zullen we ook beschrijven wat
de minimale implementatietermijn is van de verschillende scenario's,
want dat is belangrijk, denk ik. Ik denk dat het mogelijk zou moeten
zijn, als er in het eerste kwartaal van 2026 door uw Kamer een keuze
wordt gemaakt, dat het voorstel waarvoor gekozen wordt desgewenst
meeloopt in het Belastingplan van volgend jaar. Wellicht kunnen we dan
met z'n allen streven naar invoering per 1 januari 2027.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Ik heb een hele specifieke vraag over de verbruiksbelasting en het
gezondheidsaspect. Hoeveel invloed heeft een producent op het gezonder
maken van producten? Het verschilt per producent of dat wel of niet kan.
Bij pure vruchten- en groentesappen is het vanuit het perspectief van de
producent beperkt. Zou de staatssecretaris daar ergens in een alinea van
zijn brief wat aandacht aan willen geven? Ik vind dat namelijk wel een
belangrijke factor om mee te kunnen wegen bij het maken van een keuze in
de scenario's.
Staatssecretaris Heijnen:
Zeker, dat kan ik toezeggen. Het gezondheidsaspect is heel belangrijk.
We hebben natuurlijk het advies van de Gezondheidsraad, maar ik begrijp
dat er inmiddels ook andere studies en adviezen zijn. Al die studies en
adviezen zullen we dan ook meenemen.
De voorzitter:
U vervolgt, staatssecretaris. U had net een goed tempo te pakken.
Staatssecretaris Heijnen:
Dank u, voorzitter. Mevrouw Van Dijk vraagt wat mijn collega Karremans
ervan vindt dat zijn regeldrukbarometer, waaruit moet blijken dat hij
500 regels schrapt, na het aannemen van het Belastingplan in de min
staat. Het kabinetsbeleid is om onnodige regeldruk te voorkomen; dat
spreekt voor zich. Daarom kijkt het kabinet bij elk wetsvoorstel heel
goed naar de regeldrukeffecten en weegt het die kritisch tegen nut en
noodzaak van de maatregelen. Daarbij, zeg ik tegen mevrouw Van Dijk, is
het niet te voorkomen dat het soms ook leidt tot een regeldruktoename.
Tegelijkertijd is bij diverse fiscale wetsvoorstellen ingezet op een
afname van de administratieve lasten, bijvoorbeeld via vereenvoudiging
van de voertuigclassificaties in de autobelastingen en de schenkingen
binnen 180 dagen na overlijden.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Het komt misschien over als een flauwe vraag, maar er zit iets heel
serieus achter. Aan de ene kant zitten we met elkaar in het debat te
zeggen dat het minder moet. Aan de andere kant zou ik het heel mooi
vinden als we een manier verzinnen om de deur wat verder dicht te
zetten. Mijn vraag is dus eigenlijk als volgt. Als zo'n Belastingplan in
de ministerraad komt, in hoeverre wordt er dan specifiek aandacht
besteed aan dit onderdeel?
Staatssecretaris Heijnen:
Ik kan mevrouw Van Dijk aangeven dat ieder departement targets gesteld
heeft gekregen, volgens mij van minister Karremans. Momenteel wordt er
geïnventariseerd welke stappen we verder nog kunnen zetten. Ik heb van
hem begrepen dat u als Kamer voor het einde van het jaar met een
Kamerbrief geïnformeerd wordt.
Dat was het Belastingplan, voorzitter, althans de vragen die ik
genoteerd had. Ik zou nu willen beginnen aan box 3, tenzij u zegt
...
De voorzitter:
Nee, het gaat uitstekend. Ik sta te popelen om te horen over box 3, dus
gaat uw gang.
Staatssecretaris Heijnen:
U kunt niet wachten. Ik heb een vraag van de heer Stoffer: ben ik bereid
om een oplossing te vinden voor pachtgronden in box 3 die een laag
rendement hebben? Belastingplichtigen met een lager werkelijk rendement
dan het forfait kunnen gebruikmaken van de tegenbewijsregeling; dat is
bekend. Maar vanaf het belastingjaar 2025 is het meteen mogelijk om bij
de belastingaangifte zelf het werkelijk rendement op te geven. Het is
dus niet zo dat de overheid eerst te veel heft en de burger later weer
moet corrigeren, zoals de heer Stoffer wellicht begreep. Er wordt meteen
belasting geheven op basis van het juiste rendement. Ik ben me er
terdege van bewust dat niet alle belastingplichtigen tevreden zijn met
de werking van de tegenbewijsregeling. Daarom zet het kabinet in op zo
snel mogelijke invoering van het toekomstige stelsel. Zo wordt altijd op
basis van werkelijk rendement geheven.
Dan de concrete vraag van de heer Stoffer. Hij had het over 2% rendement
op gepachte gronden. Het kan zo zijn dat die in de totaalberekening niet
voldoende gehonoreerd worden. Dan zeg ik: dat is nu eenmaal de
systematiek die ook door de Hoge Raad is bepaald, waarbij je het
totaalvermogen moet nemen en waarbij hoge en lage rendementen gemiddeld
worden. Ik denk dat we het er met elkaar over eens zijn — dat hebben we
ook gewisseld in dit wetgevingsoverleg — dat iemand met uitsluitend
pachtgronden met succes een beroep op de tegenbewijsregeling zou kunnen
doen. Maar iemand die naast pachtgronden ook aandelen heeft die wellicht
een hoger rendement opleveren, zal toch het gemiddelde rendement in
aanmerking moeten nemen. Wij zien op dit moment dan ook geen reden voor
een extra uitzondering voor pachtgronden.
De heer Stoffer vraagt ook of er misschien toch specifieke oplossingen
zijn voor de groep eigenaren van rijksmonumenten. Hij vraagt of ik kan
toezeggen om op die manier nog een keertje de uitvoering van zijn motie
op te pakken in overleg met de sector. Rijksmonumenten zijn van
nationale waarde en vaak van cultuurhistorische aard. Naar aanleiding
van de motie-Stoffer heeft er overleg plaatsgevonden met de sector en
het ministerie van OCW. Voor panden die rijksmonumenten zijn, gelden
dezelfde regels als voor overige bezittingen in box 3. De kosten zijn
dus niet aftrekbaar.
Tegen de heer Stoffer zeg ik via u, voorzitter: een specifieke maatregel
in box 3 voor monumentenpanden is helaas niet mogelijk. Ik wijs er wel
op dat particuliere eigenaren van rijksmonumenten met een woonfunctie
jaarlijks subsidie kunnen aanvragen voor de kosten die ze het voorgaande
kalenderjaar hebben gemaakt. Dat kan bij de Rijksdienst voor het
Cultureel Erfgoed. Door deze subsidie hebben eigenaren van deze
rijksmonumenten eigenlijk al een voordeel ten opzichte van andere
vastgoedeigenaren, die onderhoud uitsluitend uit eigen middelen moeten
bekostigen.
De heer Stoffer (SGP):
Het gaat me eigenlijk om het punt hiervoor: de pachtgronden. We hebben
er natuurlijk een heel aantal keren wat over gewisseld, vorige week en
ook nu. Ik denk dat de staatssecretaris inmiddels heel goed aanvoelt
waar het knelpunt zit. Ik snap dat we er vandaag wellicht niet uit gaan
komen. Het is ook niet gemakkelijk. Maar er ligt natuurlijk wel iets
specifieks. We hebben in Nederland twee categorieën: spaargeld en de
rest van je vermogen dat in box 3 zit. Spaargeld wordt uitgezonderd,
omdat het rendement daarop gewoon lager is. Er is ook wettelijk bepaald
dat je bijvoorbeeld maximaal 2% rendement mag halen op de pachtgronden
waar we het over hebben. In de box zit iets wat volgens mij niet goed
voelt. Dat zal de staatssecretaris denk ik wel beamen. Hij zegt:
systematisch kan dat niet anders. Zou hij toch specifiek kunnen nagaan
wat dit betekent voor bijvoorbeeld de agrarische sector? Ik zou daar
graag een toezegging op hebben. Want daar ligt mijn grote zorg: welk
effect heeft dat op de agrarische sector? Wat gaat er gebeuren met die
landbouwgronden? Geeft dit voldoende perspectief voor onze boeren en
voor onze agrarische sector? Zou de staatssecretaris daar specifiek naar
willen laten kijken? De vraag is helder, denk ik.
Staatssecretaris Heijnen:
Ja, dat kan ik toezeggen. We zullen daarnaar kijken en uw Kamer daarover
informeren.
De voorzitter:
U continueert.
Staatssecretaris Heijnen:
Ik ben al bij het volgende wetsvoorstel, voorzitter. Het gaat snel.
De voorzitter:
Heel mooi.
Staatssecretaris Heijnen:
Ik ga naar de Wet differentiatie tarief vliegbelasting. De minister had
daar ook al een aantal vragen over beantwoord.
Ik heb nog wel een vraag van mevrouw Van Dijk; die heeft zij wellicht
gemist in de beantwoording. Zij vroeg of we de periode tot aan de
invoering van de differentiatie opnieuw moeten benutten voor een
economische analyse van de heffing, nu omliggende landen hun tarieven
verlagen. Ik las vandaag trouwens in de krant dat andere landen hun
tarieven verhogen. De vliegbelasting is dus in ontwikkeling. Maar het
klopt. Duitsland verlaagt de vliegbelasting naar verwachting wel pas op
1 juli 2026. Ons naar afstand gedifferentieerde tarief gaat in per 1
januari 2027. Vanaf 2027 zullen we uiteraard periodiek, jaarlijks, de
gevolgen van de maatregel monitoren. Indien er toch sprake blijkt te
zijn van substantiële weglek, zullen wij bezien of corrigerende
maatregelen nodig zijn. Eerder monitoren lijkt mij niet goed mogelijk,
zeg ik via de voorzitter tegen mevrouw Van Dijk. Dat komt doordat de
effecten van de verlaging van de Duitse vliegbelasting niet direct
zichtbaar zullen zijn en er ook nog geen overige data beschikbaar zijn.
Dan ga ik naar een heel belangrijk wetsvoorstel: Stroomlijning fiscaal
inzagerecht.
De voorzitter:
Maar niet voordat u een interruptie heeft van de heer Jansen. Hij
vervangt hier de heer Baudet, die vorige week de eerste termijn namens
de Kamer deed voor Forum voor Democratie. Gaat uw gang.
De heer Frederik Jansen (FVD):
Toch las ik gisteren in De Telegraaf een artikel waarin stond dat 82%
van de ondernemers overweegt om zakelijke vluchten in het buitenland te
gaan doen. Dat vind ik toch wel hele schokkende cijfers. Misschien zijn
er nog geen officiële cijfers over de uitwerking van de maatregel, maar
er zijn al wel verwachte effecten. Ik ben toch wel benieuwd hoe de
staatssecretaris daarnaar kijkt.
Staatssecretaris Heijnen:
Dat bericht heb ik ook gelezen. Volgens mij was het een enquête onder
zakelijke reizigers bij 40 organisaties, zeg ik uit mijn hoofd. Als
kabinet houden wij toch vast aan de analyse en het onderzoek van CE
Delft, die aangeven dat deze maatregel leidt tot een verlaging van het
aantal passagiers van maximaal 0,2%, inclusief zakelijke reizigers,
doordat ze uitwijken.
Zoals ik al zei, voorzitter …
De voorzitter:
Er is toch nog een interruptie van de heer Hoogeveen, van JA21.
De heer Hoogeveen (JA21):
Daar wil ik toch wel even op doorvragen. De staatssecretaris verwijst
naar een onderzoek van CE Delft, waarin eigenlijk het vernieuwde
speelveld in Europa nog niet is meegenomen. In omringende landen … Nou
ja, België heeft onlangs de belasting een klein beetje verhoogd, maar
zit nog steeds significant lager dan Nederland, en bijvoorbeeld
Duitsland heeft zijn vliegbelastingen verlaagd. Hoe reflecteert de
staatssecretaris daarop?
Staatssecretaris Heijnen:
De verwachte Duitse tariefverlaging doet wat ons betreft geen afbreuk
aan de inschatting dat de uitwijkeffecten voor Nederland beperkt zullen
zijn. Ter illustratie: 80% van de vluchten die vertrekken van
Nederlandse luchthavens zijn korteafstandsvluchten. Voor dit soort
vluchten wordt de Duitse vliegbelasting naar verwachting — we weten het
nog niet — met €3 verlaagd. Dit verschil is naar onze inschatting te
klein om de keuze voor de luchthaven alleen te beïnvloeden.
De voorzitter:
U vervolgt.
Staatssecretaris Heijnen:
Dan ga ik nu beginnen aan het wetsvoorstel Stroomlijning fiscaal
inzagerecht. Alle goede dingen in drieën. Mevrouw Van Dijk vraagt of er
echt geen goede flankerende maatregelen te bedenken zijn waardoor er wel
bezwaar en beroep mogelijk is in het kader van het inzagerecht, desnoods
op een later moment. Ik snap die vraag van mevrouw Van Dijk heel goed.
Ik hoorde in haar bijdrage van vorige week ook dat rechtsbescherming
voor haar een belangrijk element is. Vanuit dat belangrijke element
wordt deze vraag ook gesteld, denk ik. Ik wil mijn reactie uit drie
dingen opbouwen. Eerst wil ik nog kort een nadere toelichting geven op
het wetsvoorstel. Vervolgens wil ik ingaan op de zorgen die mevrouw Van
Dijk met ons deelt.
Wij vinden dat met dit inzagerecht een grote stap voorwaarts wordt
gezet. Er komt namelijk een portaal waarin het fiscaal dossier van alle
belastingplichtigen wordt geplaatst, zonder dat daarvoor een verzoek
hoeft te worden gedaan. Concreet betekent dit dat de burger op termijn
de informatie kan inzien die de inspecteur over hem tot zijn beschikking
had bij het vaststellen van een aanslag of het nemen van een
beschikking. Het is de Kamer bekend — volgens mij is dat ook niet zozeer
de discussie, maar ik noem het toch maar — dat als dit wetsvoorstel niet
wordt aangenomen, het fiscaal inzagerecht zoals het nu is opgenomen in
het amendement van de heer Omtzigt bij het Belastingplan 2024, op 31
december van dit jaar ingaat. Dat zou betekenen dat over iets meer dan
een maand al kan worden verzocht om inzage in een fiscaal dossier, in
alle stukken, voor alle belastingmiddelen en door alle
belastingplichtigen. Let op: "alle belastingplichtigen" betekent alleen
al wat de inkomstenbelasting betreft 9,5 miljoen mensen. Heel eerlijk:
daar zouden zowel de Belastingdienst als de Douane volledig op
vastlopen. Vanuit die optiek vinden wij het heel belangrijk om nogmaals
onder de aandacht te brengen dat wij het heel belangrijk vinden dat uw
Kamer dit wetsvoorstel aanneemt. Het inzagerecht zou daarnaast gaan
gelden voor gemeenten, provincies en waterschappen. Uw Kamer is in
januari van dit jaar geïnformeerd over de uitvoeringsgevolgen voor de
Belastingdienst en de Douane.
In de vraag van mevrouw Van Dijk hoor ik de twijfel over de keuze voor
het weglaten van een zelfstandige bezwaar- en beroepsmogelijkheid. Net
als mevrouw Van Dijk vind ik het belangrijk — op die manier begreep ik
haar bijdrage ook — dat er sprake is van een goede balans tussen
enerzijds uitvoerbaarheid, anderzijds transparantie en op de derde
plaats rechtsbescherming, ook bij het invoeren van het fiscaal
inzagerecht. Vooropgesteld moet worden dat het de bedoeling is dat de
informatie die in het portaal staat op termijn volledig zal zijn. Dat
spreekt voor zich. Een verzoek voor additionele inzage is dan ook niet
aan de orde.
Vorige week heb ik tijdens het wetgevingsoverleg geprobeerd uit te
leggen dat het ook onder het voorliggende wetsvoorstel mogelijk blijft
om bezwaar en beroep in te stellen en, zolang het portaal nog niet
gevuld is, te verzoeken om op de zaak betrekking hebbende stukken. De
belastingplichtige heeft daarvoor een aantal rechtsingangen. Ik heb ze
even kort op een rijtje gezet. Hij of zij kan bezwaar of beroep
aantekenen tegen een belastingaanslag of beschikking waarop de stukken
betrekking hebben. Hij kan bezwaar of beroep aantekenen tegen de
afwijzingen van een verzoek om een ambtshalve vermindering voor de
inkomstenbelasting. Hij of zij kan natuurlijk ook te allen tijde een
verzoek doen op grond van de AVG.
Dan uw vraag. Dat is het derde element. Zijn er nu echt geen flankerende
maatregelen te bedenken om bezwaar en beroep wel mogelijk te maken? Ik
wil vooropstellen dat een bezwaar- of beroepsmogelijkheid tegen een
aanslag of een voor bezwaar vatbare beschikking ook nu mogelijk is. Dat
weet mevrouw Van Dijk ook, maar toch. In de praktijk gebeurt dat vaak op
een moment waarop er een vraag, afwijking op een aangifte of onvrede zal
ontstaan.
Ik kan niet nalaten nogmaals te benadrukken dat het inzagerecht ook een
aantrekkelijk verdienmodel zou kunnen worden, bijvoorbeeld voor
no-cure-no-paybedrijven, als de Belastingdienst en de Douane meer
verzoeken zouden ontvangen dan zij kunnen verwerken. Mevrouw Van Dijk
weet daar alles van. Ze is nauw betrokken geweest bij de Wet WOZ en bpm
een aantal belastingplannen geleden. Als het bezwaar en beroep niet
tijdig wordt behandeld, kan dat tot een aantal risico's leiden, zoals
een dwangsom, een aanvullende dwangsom, een proceskostenvergoeding of
een vergoeding voor immateriële schade. Natuurlijk kunnen we een aantal
maatregelen en risico's wegnemen, maar zeker niet allemaal.
Zoals mevrouw Van Dijk ook weet, zijn de vergoedingen voor de WOZ- en de
bpm-procedures verlaagd. Dat kunnen wij hier ook doen, maar dan nog
denken wij dat de aard van het verzoek dat gedaan moet worden of het
bezwaar dat moet worden aangetekend — daar gaat het om — zich uitstekend
leent voor door AI gecreëerde bezwaarschriften. Wij denken ook dat het
grote verschil met de bpm en de WOZ is dat daar ook nog zaakspecifieke
klachten moeten worden aangevoerd. Maar het ligt niet voor de hand dat
aan een inzageverzoek hoge motiveringseisen worden gesteld. Zoals ik al
zei, zorgt dat ervoor dat inzageverzoeken zich zouden kunnen lenen voor
automatisering, waardoor het ook bij een geringe proceskostenvergoeding
lucratief kan zijn om een groot aantal verzoeken in te dienen.
Nogmaals, ik begrijp de vragen van mevrouw Van Dijk heel goed. Het is
ook een beetje een kwestie van "je kunt niet weten wat je niet weet".
Dat is ook een beetje de discussie die je gaat krijgen. Hoe kan ik nu
weten welke informatie de Belastingdienst heeft gebruikt? Ik kan daar
wel een toezegging op doen. Misschien dat dat voor mevrouw Van Dijk ook
wel iets van comfort biedt. Ik kan toezeggen dat ik een invoeringstoets
zal doen, zodat wordt gemonitord of de bestaande rechtsingangen afdoende
zijn of dat de wetgeving toch aanpassing behoeft. Ik kom dan graag bij
uw Kamer terug op de vraag wat hiervoor een goede termijn is. Voor de
Belastingdienst stel ik voor dat in de fiscale beleids- en
uitvoeringsagenda te doen. Voor de Douane stel ik voor dat in een
stand-van-zakenbrief te doen.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Het is echt een dilemma: uitvoerbaarheid versus goede rechtsbescherming.
Volgens mij delen wij dat. Als ik voor deze wet stem, loop ik ook het
risico dat ik tegen goede rechtsbescherming stem. Dat voelt niet
helemaal lekker. Oké, wat betreft de uitvoeringstoets blijkt dat er toch
wel aanvullend beleid nodig is. Maar dan is het nog maar de vraag of dat
er gaat komen. Ik zou dus graag de aanvullende toezegging willen krijgen
dat als uit de toets blijkt dat flankerend beleid echt nodig is, dat er
ook gaat komen om die rechtsbescherming te borgen.
Staatssecretaris Heijnen:
Even voor de volledigheid: een invoeringstoets, niet een
uitvoeringstoets. Als uit die invoeringstoets blijkt dat de bestaande
rechtsingangen niet voldoende zijn, dan moet er uiteraard actie op
ondernomen worden. Dat kan ik toezeggen.
De voorzitter:
Mevrouw Inge van Dijk gaat er even over nadenken.
Staatssecretaris Heijnen:
Dan, voorzitter, ben ik bij het hoofdstukje diverse. Het gaat snel!
De voorzitter:
Het gaat heel goed.
Staatssecretaris Heijnen:
"Diverse", dat is best wel veel.
De voorzitter:
Ik juich dat toe, excellentie.
Staatssecretaris Heijnen:
Toch weer een vraag van mevrouw Van Dijk: waarom is in de
kansspelbelasting geen tariefdifferentiatie mogelijk, terwijl dit bij de
vliegbelasting wel kan? Ik begreep de vergelijking van de
kansspelbelasting met de vliegbelasting heel goed. Bij de discussie over
de kansspelbelasting bleek dat het niet kon. Maar ik wil mevrouw Van
Dijk aangeven dat er wel grote verschillen tussen beide belastingen
zijn. Zo is een handmatige verwerking bij de kansspelbelasting geen
optie. Er zijn namelijk veel meer belastingplichtigen — namelijk 500 —
dan de 7 belastingplichtigen bij de vliegbelasting. De verwerking zou
daarom ook veel complexer zijn. Afgelopen donderdag heb ik daarnaast nog
een aantal andere argumenten genoemd waarom naar ons idee
tariefdifferentiatie geen goed idee is. Ik noem ze even op. Er zou een
fiscale regeling toegevoegd moeten worden, die naar verwachting niet
doelmatig is. Het belastingstelsel wordt ingewikkelder in plaats van
eenvoudiger. Differentiatie is niet in lijn met het kansspelbeleid. Het
leidt tot een afbakeningsproblematiek: wat is een hoog risico en wat is
een laag risico? En tot slot is er een risico op ongeoorloofde
staatssteun. De gedachte achter de vraag van mevrouw Van Dijk is: leidt
tariefdifferentiatie niet tot hogere afdrachten voor goede doelen? Wij
zijn van mening dat als wij dat doel willen bereiken, dat beter op een
andere manier kan worden nagestreefd, bijvoorbeeld door een subsidie.
Het is geen kwestie van niet willen; het is echt complexer dan dat.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Betekent dat dat er een subsidievoorstel gaat komen naar de Kamer?
Staatssecretaris Heijnen:
Nee, dat betekent het niet. In ieder geval niet van mijn kant.
De voorzitter:
U continueert.
Staatssecretaris Heijnen:
Maar dat wist mevrouw Van Dijk wel.
Mevrouw Van Dijk vraagt ook hoe we stappen voorwaarts kunnen zetten voor
"de basis op orde" en een betere uitvoerbaarheid in het licht van de
omvangrijke beleidsopdracht voor de Belastingdienst. Ze geeft aan bij de
uitvoerbaarheid te kijken naar drie aspecten: ICT, personeel en
complexiteit van het stelsel. Dat bepaalt uiteraard ook de kwaliteit van
de dienstverlening en het niveau van toezicht door de Belastingdienst.
Laat ik langs die drie lijnen antwoord geven.
Wat betreft de ICT is het bekend: de vernieuwing en doorontwikkeling van
het ICT-landschap van de Belastingdienst vereist blijvende aandacht. Zo
blijft het belangrijk, zeg ik nogmaals tegen deze Kamer, om zo veel
mogelijk vast te houden aan de afspraak om de modernisering van de ICT
voorrang te geven boven nieuwe wetgeving. Ruimte voor hervormingen van
het belasting- en toeslagenstelsel vergt daarbij, vinden wij, ook een
meerjarenvisie. Ik heb dat in mijn inleiding al vermeld. Dan zouden we,
denk ik, met z'n allen moeten bepalen welke wetgeving we componeren en
welke stappen voor verbetering van dienstverlening en toezicht we willen
zetten. Dat is, denk ik, een uitdaging voor het nieuwe kabinet. De Kamer
weet ook — dat blijkt ook uit de brieven die we daarover hebben gestuurd
— dat voor de meeste ketens geldt dat er vanaf 2027 of 2028 weer ruimte
ontstaat voor nieuwe beleidswensen die een structuurwijziging
vergen.
Dan ga ik naar het personeel. Dat is ook een hele belangrijke parameter,
eigenlijk de belangrijkste van elke organisatie. De Belastingdienst
slaagt er gelukkig in om voldoende gekwalificeerd personeel te werven en
te behouden. U heeft wellicht in de laatste stand-van-zakenbrief gelezen
dat we op dit moment op 100% bezetting zitten qua formatie. Ik zeg erbij
dat dit zo is ondanks de krappe arbeidsmarkt. Ik denk dat dit een hele
mooie prestatie is. Tegelijkertijd realiseer ik mij terdege dat de
personele bezetting van de Belastingdienst in de toekomst onder druk
blijft staan. Over een aantal jaren gaan de nodige mensen met pensioen.
Ook vergt de beleidsopdracht de komende jaren extra capaciteit. Daarbij
vergt deze, denk ik, veel aandacht voor het tijdig opleiden van
medewerkers en ook nadrukkelijk voor ons personeel. We hebben die
aandacht al. Ik vat het kort samen. Is het een aandachtspunt? Ja. Maak
ik me er zorgen over? Nee.
De voorzitter:
U bent volhoudend, mevrouw Van Dijk. Dat is heel goed.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Ja, sorry. Ik maak me daar namelijk wel zorgen over, want in het
overzicht uitvoerbaarheid van de Belastingdienst wordt er geschreven dat
het wel degelijk een grote zorg is. Met name fiscalisten, accountants en
IT'ers zijn lastig te werven en dit is dus een zorg.
Staatssecretaris Heijnen:
Ik snap dat dat daar staat. In die zin klopt dat. Maar ik zie dat tot
dusverre meer als aandachtspunt en niet als een zorg die we niet kunnen
oplossen.
Dan kom ik tot slot bij complexiteit. Ik zeg heel eerlijk dat er
voorstellen zijn die het stelsel nog complexer maken, maar ook
voorstellen die de Belastingdienst helpen. Aan de andere kant is het
gehele pakket geen vereenvoudiging; we hadden het er net al over bij de
maatregelenmatrix van de heer Karremans. Dat is misschien ook wel een
beetje lastig bij een belastingpakket, maar goed, daar moeten we gewoon
eerlijk in zijn. Ik wil hierbij overigens een compliment maken aan de
heer Stultiens voor het meedenken bij enkele amendementen, zoals dat
over de vliegbelasting, waarbij hij rekening houdt met de complexiteit
en de benodigde implementatietermijn voor de Belastingdienst. Het is,
denk ik, heel belangrijk om dat te doen. Maar dit even terzijde. Dat is
dus eigenlijk mijn reactie op de vraag van mevrouw Van Dijk: de basis op
orde langs die drie lijnen.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Ik moet bekennen dat ik nog niet helemaal bijgelezen ben wat betreft de
stand-van-zakenbrief van de Belastingdienst. Wel viel mij een artikel in
de media op over onder andere productiviteit. Je kan dus heel veel
mensen hebben, maar mensen moeten ook maximaal productief zijn en de
organisatie moet daar ook in faciliteren. Misschien kan de
staatssecretaris daar nog een korte reactie op geven.
Ik heb nog een ander punt over digitalisering en over wat je als
Belastingdienst zelf doet en wat je aan ketenpartners laat. Daarover
hebben we ook vaak een discussie met elkaar gehad als het ging over
niet-fiscale taken. Een voorbeeld daarvan is de digitalisering van de
bpm-aangifte. De RDW was klaar en had het op 1 juli volgend jaar kunnen
doen, maar de fiscus heeft daar anderhalf of twee jaar langer voor
nodig.
De voorzitter:
Wat is uw vraag?
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Graag ook een reactie van de staatssecretaris op dat punt. Met andere
woorden: we hoeven niet alles zelf te doen, want soms zijn er hele
logische partners om het voor ons te doen.
Staatssecretaris Heijnen:
Laat ik met de tweede vraag beginnen, ook omdat ik daarop op dit moment
het antwoord schuldig moet blijven. Ik zou graag willen afspreken dat ik
daar in tweede termijn op terugkom. De eerste vraag gaat over de
productiviteit. Dat is inderdaad een belangrijk punt, zoals mevrouw Van
Eijk aangeeft. Dat ligt in de kern niet bij de mensen die het betreft,
maar bij de arbeidsvoorwaarden en bij de systemen waarmee ze moeten
werken. Daarin moeten we, denk ik, de komende periode een
optimaliseringsslag slaan. Wij denken dat die productiviteit beter kan,
maar dan moeten wij onze mensen wel in staat stellen om die
productiviteit te realiseren. Daarin zie ik wel verbetermogelijkheden.
Op de tweede vraag kom ik terug.
De voorzitter:
Komt u in de richting van zicht op het einde van uw beantwoording?
Staatssecretaris Heijnen:
Nou … Nee.
De voorzitter:
Nee? O. Ik dacht: ik probeer het gewoon. Gaat u verder.
Staatssecretaris Heijnen:
Dank u. Dan een vraag van mevrouw Van Dijk over de kennisgroepen en de
standpunten van die kennisgroepen. Is dat dan een wet of meer een
richtlijn, en kan daarvan afgeweken worden? Zoals bekend geven de
kennisgroepstandpunten wetstechnische uitleg in een specifiek geval. Als
er een kennisgroepstandpunt ligt, is dat in principe wetsinhoudelijk
bindend voor de medewerkers. Maar, zo zeg ik tegen mevrouw Van Dijk, of
een casus bij de kennisgroepstandpunten wordt aangemeld en of een eigen
casus feitelijk hetzelfde is als de casus waarop de kennisgroep zijn
standpunt heeft bepaald, is in principe aan de individuele medewerker
zelf. Mevrouw Van Dijk had het hierbij over de menselijke maat. Is er
nog wel ruimte voor de menselijke maat, vroeg zij. Ja, bij de
behandeling van een casus past de inspecteur de menselijke maat toe. Dit
betekent dat hij ook kijkt welke ruimte er is binnen wet- en regelgeving
om rekening te houden met de omstandigheden van het individuele geval.
Ik denk dat de kennisgroepstandpunten ook wel een goede ontwikkeling
zijn. Ik ben met name erg blij met de transparantie die we vanaf 2023
geven. Ook daarover zag je namelijk vorige week wat berichten in de
krant, die uiteindelijk wel een goede discussie tot stand hebben
gebracht.
Dan heb ik een hele hoop vragen van de heer Vermeer, maar ik zie dat
mevrouw Van der Plas inmiddels gearriveerd is, dus ik zal me tot haar
richten. De heer Vermeer heeft vastgesteld dat het schorsen van een
kampeerauto …
De voorzitter:
Maar niet voordat mevrouw Inge van Dijk toch nog een interruptie
heeft.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Was dit het blokje rechtsbescherming?
Staatssecretaris Heijnen:
Ja.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Ik had ook nog een vraag gesteld over een initiatiefnota over het
handvest die we hebben ingediend.
Staatssecretaris Heijnen:
Daar kom ik op terug.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Oké.
Staatssecretaris Heijnen:
Dan ga ik het toch hebben over een aantal autovragen van de heer
Vermeer. Hij had zelf vastgesteld dat het schorsen van een kampeerauto
makkelijk is en vraagt waarom in de quickscan bij het amendement over de
pseudo-eindheffing en de kampeerauto's wordt aangegeven dat het
onuitvoerbaar is. Het is helaas niet mogelijk de motorrijtuigenbelasting
te corrigeren via het RDW-systeem. Het schorsen is een proces van de RDW
en het opleggen van de motorrijtuigenbelastingsaanslag is een
aangelegenheid van de Belastingdienst. Dit zijn gescheiden processen,
die worden uitgevoerd door verschillende uitvoeringsorganisaties.
Dan vroeg de heer Vermeer naar de datum van 14 november. Het is
inderdaad zo dat de Belastingdienst uiterlijk 14 november op de hoogte
moet zijn van de nieuwe tarieven in de motorrijtuigenbelasting om dit
geautomatiseerd te kunnen verwerken. Dat geldt niet voor vele andere
heffingen, maar wel voor de motorrijtuigenbelasting.
Dan stelde de heer Vermeer nog de feitelijke vraag hoe vaak een
kampeerauto straks naar verwachting wordt geschorst en met welk bedrag
in de brutoraming naar aanleiding van deze schorsing rekening is
gehouden. In de raming wordt ervan uitgegaan dat de kampeerauto's
momenteel gemiddeld twee maanden van het jaar geschorst zijn. Bij het
verhogen van het kwart- naar het halftarief is de verwachting dat de
duur van de schorsingen zal stijgen naar vier maanden per jaar. Zonder
gedragseffecten zou de maatregel 100 miljoen opleveren. Na het toepassen
van het gedragseffect is de verwachte opbrengst evenredig 80
miljoen.
Dan vraagt de heer Vermeer hoe vaak een oldtimer naar verwachting zal
worden geschorst als de versobering ingaat. De raming is uitgegaan van
een gedragseffect van 50%. Het gedrag bestaat eruit dat mensen meer
zullen schorsen en minder oldtimers zullen houden. We verwachten dat
circa 20% van de mensen hun oldtimer wegdoet en dat de rest de oldtimer
voor gemiddeld vier à vijf maanden gaat schorsen. De structurele
opbrengst is geraamd op 76 miljoen. Dat wordt pas bereikt in 2058.
De heer Vermeer had ook een vraag over de invoering van de
vrachtwagenheffing. Hij vroeg of na die invoering nog een nationaal
kwarttarief in de Nederlandse motorrijtuigenbelasting mag bestaan voor
vrachtwagens en bestelauto's. Het antwoord is nee en ja. Nee, want
vrachtauto's mogen niet onder het EU-minimumtarief komen. Bestelauto's
wel. Zij vallen niet onder het EU-minimumtarief. Maar voor bestelauto's
zijn wij van mening dat het behouden van het kwarttarief niet doelmatig
is. Die groep is heel klein; het zijn ongeveer 150 voertuigen. We hebben
het met elkaar heel vaak over het belang van het vereenvoudigen van het
belastingstelsel. Daar hoort wat ons betreft ook bij dat we speciale
regels voor heel kleine groepen beperken.
Dan vroeg de heer Vermeer nog of het EU-kader ruimte biedt om voor
vrachtauto's die weinig of niet hoofdzakelijk voor goederentransport
worden gebruikt, bijvoorbeeld kermisvoertuigen of foodtrucks, een lager
motorrijtuigenbelastingtarief toe te passen. Ja, de Europese Commissie
kan in bijzondere situaties een uitzondering toestaan, maar ook hier
vind ik uitzonderingen niet passen bij ons streven naar een eenvoudiger
belastingstelsel. We denken bovendien dat een dergelijk verzoek aan de
Europese Commissie niet kansrijk is. Ook hier gaat het om een relatief
beperkte groep, namelijk 1.150 vrachtauto's, en is het minimumtarief al
relatief laag. Tot 12 ton betaal je namelijk geen
motorrijtuigenbelasting. Tot 30 ton is het tarief tussen de €0 en €30
per maand. Overigens begrijpen wij dat foodtrucks naar verwachting
veelal onder de 12 ton blijven, dus die betalen na invoering van de
vrachtwagenheffing geen motorrijtuigenbelasting.
Dan een andere autovraag, van de heer Grinwis. Hij vraagt hoe ik
tegenover de contourenbrief hervorming autobelastingen sta en tegenover
de voorstellen van mijn voorganger, en of de voorbereidingen om die
veranderingen door te voeren gewoon worden doorgezet. Ik deel de analyse
van mijn voorganger dat het toekomstbestendig maken van autobelastingen
urgent is. Ik verwacht ook dat dit een onderwerp is dat aan de
formatietafel wordt besproken en verwacht dat een volgend kabinet dit
voortvarend zal oppakken. Ambtelijk, zeg ik tegen de heer Grinwis,
worden in de komende maanden alle in de contourenbrief genoemde
voorstellen verder uitgewerkt. Het is aan een volgend kabinet om de
voorstellen te wegen en wetgeving uit te werken. Er wordt dus aan
gewerkt.
De heer Vlottes had een vraag over het resultaat van het ACM-onderzoek
naar de prijzen in supermarkten ten opzichte van die in buurlanden:
wanneer kan het rapport tegemoet worden gezien? De vraag van de heer
Vlottes hoort eigenlijk thuis bij de minister van Economische Zaken,
maar ik wil hem toch graag een antwoord geven. De ACM onderzoekt
momenteel waarom levensmiddelen in Nederlandse supermarkten duurder zijn
dan in de buurlanden Duitsland en België. De resultaten volgen in de
zomer van 2026. Wij denken dat het verstandig is om het onderzoek af te
wachten, want mogelijk spelen er ook nog andere marktproblemen.
De heer Grinwis vroeg hoe het zit met de uitvoering van de motie die
ziet op de vrijstelling van overdrachtsbelasting bij een taakoverdracht
tussen woningcorporaties. Ik dacht dat ik die vraag ook tijdens het
wetgevingsoverleg beantwoord had, maar ik zal dat zeker nog een keer
doen. Samen met de minister van VRO wordt momenteel onderzocht hoe een
eventuele vrijstelling beter kan aansluiten bij de doelen zoals
vastgelegd in de Nationale Prestatieafspraken, waarbij we feitelijk, zeg
ik tegen de heer Grinwis, hetzelfde doel nastreven als waar de motie toe
oproept. In het eerste kwartaal hebben we hopelijk voldoende informatie
om hierover een besluit te nemen en zal de Tweede Kamer hierover
geïnformeerd worden. Uiteraard heeft dit onze volle aandacht. Wellicht
ten overvloede: het meenemen in dit Belastingplan met een nota van
wijziging zien wij daarom ook niet als een optie. Dit kan wellicht in
een volgend belastingplan.
De heer Stoffer had de feitelijke vraag of zijn amendement met
betrekking tot de BOR, dat vorig jaar is aangenomen, wordt meegenomen in
de nota van wijziging. Jazeker, dat wordt meegenomen. De heer Stoffer
heeft de nota van wijziging wellicht al gezien: die bevat de twee
maatregelen voor het niet laten doorgaan van de uitbreiding van de BOR
naar kleine familiebelangen en het ongedaan maken van de beperking van
de toegang tot de BOR.
De heer Grinwis verzocht de BOR te laten gelden voor tussen
melkveehouders en akkerbouwers uitgeruilde gronden. Zoals de heer
Grinwis weet, geldt de BOR niet voor aan derden ter beschikking gestelde
onroerende zaken. Dit geldt voor alle soorten vastgoed, dus ook voor
verpachte grond. Op die regel geldt één uitzondering, namelijk voor
verpacht land bij noodzakelijke vruchtwisseling. Ik zeg heel eerlijk: ik
zie het liefst zo min mogelijk uitzonderingen, dus bij deze uitzondering
zou ik het willen laten, ook omdat de uitzondering die er nu is, bij
noodzakelijke vruchtwisseling, een uitzondering is die de wetgever
verplicht heeft gesteld. Voor die uitzondering geldt een wettelijk
kader; dat is opgenomen in het Burgerlijk Wetboek. De Belastingdienst
kan hier goed op toetsen. Voor grasland geldt er nu eenmaal geen
verplichting voor vruchtwisseling.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Landbouw en fiscaliteit: het kan gewoon. Ik heb wel een vraag aan de
staatssecretaris. Aan het antwoord dat hij geeft, merk je dat er
eigenlijk een soort van wederkerigheid, reciprociteit, ontbreekt. Het is
dus voor de akkerbouwer interessant om wél die samenwerking aan te gaan
vanwege de uitzondering bij vruchtwisseling, maar voor de melkveehouder
dus niet. En vice versa: als de een er grasland voor terugkrijgt, wat
misschien goed is voor de bodemvruchtbaarheid, maar dat eigenlijk buiten
de erf- en schenkfaciliteiten valt, en bijvoorbeeld de ander, de boer in
kwestie, helaas in dat jaar komt te overlijden, dan heb je dus een
probleem. Dat is op dit moment echt een sta-in-de-weg in de samenwerking
tussen melkveehouders en akkerbouwers, terwijl we weten dat die
samenwerking goed is voor circulariteit, voor bodem, voor water en
uiteindelijk ook voor de rentabiliteit van het bedrijf. Die
wederkerigheid hoort er toch eigenlijk wel in te zitten?
Staatssecretaris Heijnen:
Bij het bepalen van deze vrijstelling, van deze uitzondering, is niet
zozeer gekeken naar wederkerigheid, maar naar het verplichtende karakter
van de vruchtwisseling. De vruchtwisseling is verplicht en dan zouden
wij het vreemd vinden als de BOR niet zou gelden. In die zin is het
vrijwillig. Misschien is het inderdaad heel goed — dat geloof ik gelijk
— voor de bodemgesteldheid en voor andere zaken, maar dat is de reden
waarom we het bij deze uitzondering hebben gelaten.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik denk dat het goed is dat hier nog even grondig naar gekeken gaat
worden, omdat dit leidt tot minder samenwerking dan we vanuit het
oogpunt van andere doelen graag zouden willen, omdat het risico om het
te doen, best groot kan zijn, zeker als je op leeftijd bent gekomen.
Maar oké, ik kom in tweede termijn met een motie om dat verder uit te
diepen.
Staatssecretaris Heijnen:
Dan ga ik naar de volgende vraag van de heer Grinwis, of de
landbouwvrijstelling niet zo kan worden aangepast dat pachtgronden en
vruchtwisseling over percelen van meerdere eigenaren de toepassing van
de landbouwvrijstelling niet aantasten. De landbouwvrijstelling is van
toepassing op waardeveranderingen van landbouwgrond die zijn ontstaan
tijdens het gebruik voor het eigen landbouwbedrijf. Dat is helder.
Uitgangspunt is dus, ook hier weer, dat de landbouwvrijstelling niet van
toepassing is op grond die uit gebruik is gegeven. Onder voorwaarden is
hierop bij vruchtwisseling een uitzondering mogelijk. De
terbeschikkingsteller dient de noodzaak van het uit gebruik geven van de
grond wel aannemelijk te maken. Wij zien op dit moment geen aanleiding
om de landbouwvrijstelling verder uit te breiden.
Dan een hele hoop vragen van de heer Stultiens over de inkoopfaciliteit.
Die ga ik een voor een beantwoorden. Hij vraagt als eerste: wat zou er
gebeuren als de inkoopfaciliteit niet zou bestaan? Laat ik beginnen bij
het begin. De inkoop van eigen aandelen door een vennootschap is in
beginsel belast met dividendbelasting. Deze dividendbelasting komt in
normale gevallen ten laste van de aandeelhouder. Dat is de hoofdregel.
De dividendbelasting is namelijk een voorheffing die de vennootschap
inhoudt. Bij een normaal dividend krijg je als aandeelhouder het
nettodividend na inhouding. De ingehouden dividendbelasting kan de
aandeelhouder in de meeste gevallen verrekenen met zijn reguliere
belastingheffing of terugvragen. Beursfondsen kunnen onder strikte
voorwaarden de inkoopfaciliteit toepassen. Ze hoeven dan geen
dividendbelasting in te houden. Ik hecht eraan op te merken dat dat dus
geen belastingvrijstelling is voor het beursfonds zelf. De winsten die
worden uitgekeerd, zijn gewoon belast geweest met
vennootschapsbelasting. Zonder de inkoopfaciliteit zou die
dividendbelasting voor rekening van het beursfonds komen. De
aandeelhouders van het beursfonds zijn namelijk niet bekend. Het
beursfonds moet anders dan bij een regulier dividend het brutobedrag
vergoeden, omdat bij een inkoop een aandeelhouder geen genoegen zal
nemen met minder dan 100%. Voor hem is het een verkoop. Hij weet niet
dat hij zelf aan het beursfonds verkoopt. Dit betekent dus concreet een
extra last van 15%, of eigenlijk 17,65% als je rekening houdt met de
brutering voor het beursfonds boven op de inkoopprijs. Daar komt bij dat
die dividendbelasting door de aandeelhouder zelf niet verrekend kan
worden met zijn eigen belastingheffing. Dus in principe leidt dat tot
dubbele belastingheffing.
Er zijn een aantal voorwaarden voor de faciliteit. Ik ga daar, mede
gezien de tijd, nu niet op in.
De tweede vraag, volgend op de eerste vraag, is: wat zijn de economische
redenen voor de inkoop van eigen aandelen? De heer Stultiens heeft vast
ook de brief van 26 november 2023 van staatssecretaris Van Rij gelezen.
Daarin heeft hij ook kunnen lezen — dat kan ik alleen maar bevestigen —
dat bedrijven om strategische, bedrijfseconomische redenen aandelen
inkopen. Dan moet u denken aan het bewaken van constante
dividendpolitiek, het beheersen van de beurskoers en het zich wapenen
tegen vijandige overnames. Het afschaffen van de inkoopfaciliteit zou
daarom de Nederlandse concurrentiepositie raken en kan uiteindelijk
leiden tot het vertrek van het beursfonds uit Nederland. Dit heeft heel
veel impact op het vestigings- en ondernemingsklimaat.
Voorzitter. Ik wil hier liever niet met vuur spelen. Als bedrijven
vertrekken, zijn we de belastingopbrengsten daarvan sowieso kwijt en
missen we ook hun nieuwe activiteiten. Dit zou uiteindelijk — dat vind
ik wel een belangrijke opmerking — mede vanwege de keteneffecten ook het
mkb en de werkgelegenheid in Nederland kunnen raken, want veel van de
multinationals en veel van de beursfondsen hebben heel veel
toeleveranciers uit het mkb waar dat belangrijke klanten voor
zijn.
Dan stelde de heer Stultiens heel veel feitelijke vragen. Hij vroeg of
het klopt dat de inkoopfaciliteit een regelmatig gebruikt instrument is
en dat het niet gaat om een eenmalige inkoop. Dat klopt. Aan de
inkoopfaciliteit zijn verschillende voorwaarden en begrenzingen
verbonden. Deze waarborgen — dat is wel belangrijk — dat de
inkoopfaciliteit wordt toegepast op de situaties waarvoor zij bedoeld
is. De faciliteit kan meer dan eenmaal worden toegepast, mits aan alle
voorwaarden wordt voldaan. Deze voorwaarden hebben kort samengevat
eigenlijk als doel dat de inkoop niet ten koste gaat van het uitkeren
van gewoon dividend. Gewoon dividend moet ook uitgekeerd worden. Zo is
bijvoorbeeld vereist dat in het jaar van inkoop ook een regulier
dividend wordt uitgekeerd waarover wel dividendbelasting wordt geheven.
Daarnaast geldt er ook een maximum, dat wordt bepaald door de hoogte van
de reguliere dividenduitkering in de voorgaande jaren. Dus met deze
voorwaarden, aan de hand van de reguliere dividenden in het jaar van
inkoop en de voorgaande jaren, draagt de faciliteit er dus ook aan bij
dat een beursfonds ernaar streeft om regelmatig belaste dividenden uit
te keren.
Dan vraagt de heer Stultiens, ook weer indachtig de brief van 26
november, denk ik, of ik kan ingaan op recente ontwikkelingen in andere
landen, zoals Frankrijk en Italië, met betrekking tot de aandeleninkoop.
De heer Stultiens weet: in 2023 is dat onderzoek ook breed gedaan. Toen
heeft de heer Van Rij ook aangegeven dat de Verenigde Staten een
specifieke heffing kennen over de waarde van de inkoop van aandelen.
Duitsland en België heffen over inkoop in principe geen belasting. Het
Verenigd Koninkrijk kent zelfs helemaal geen dividendbelasting.
Uit dit onderzoek blijkt ook dat het lastig is om rechtssystemen met
elkaar te vergelijken. Het is ook belangrijk om te vermelden dat de
inkoopfaciliteit in Nederland op zichzelf bezien wat ons betreft ook een
gerechtvaardigde bestaansreden heeft, ongeacht hoe de inkoop van
aandelen in het buitenland wordt belast. Dat vinden wij wel een
belangrijke uitkomst. Desondanks kan het natuurlijk geen kwaad om de
vergelijking met andere landen te actualiseren. Dat zeg ik de heer
Stultiens toe. Uit eerdere vragen tijdens het wetgevingsoverleg begrijp
ik dat dat er vanuit de Kamer vooral interesse is voor de belasting van
inkoop in Italië en Frankrijk. Met uw goedvinden, voorzitter, zal ik mij
daar in eerste instantie op richten. Dit vergt wat tijd. Ik zal de Kamer
hier volgend voorjaar over informeren.
De heer Stultiens vraagt hoeveel inkoopprogramma's er zijn geweest waar
uiteindelijk wel belasting over is betaald omdat deze niet aan de
voorwaarden voldeden. Ook vraagt de heer Stultiens hoeveel
dividendbelasting er dan is betaald. Het niet voldoen aan de voorwaarden
van de inkoopfaciliteit door het overschrijden van het maximum komt in
de praktijk nauwelijks voor. Beursfondsen die gebruikmaken van de
inkoopfaciliteit houden goed bij of ze voldoen aan de voorwaarden. Het
is ook eigenlijk een alles-of-nietsfaciliteit. Als je gedeeltelijk niet
voldoet aan een van de voorwaarden, hang je en is de hele inkoop belast
met dividendbelasting. Dit wordt verder duidelijk door het feit — dat
hebben we nagezocht — dat er in de afgelopen zeventien jaar slechts tien
gevallen waren waarbij dividendbelasting verschuldigd was vanwege het
niet voldoen aan de voorwaarden. Het gaat hierbij maximaal om enkele
tientallen miljoenen euro's aan verschuldigde dividendbelasting. Omdat
het echter een kleine groep belastingplichtigen betreft kunnen precieze
details, waaronder het precieze bedrag aan verschuldigde
dividendbelasting, vanwege onthullingsrisico's niet worden
gedeeld.
De heer Stultiens had nog een technische vraag, namelijk: waarom kent
Nederland de step-up in de dividendbelasting soms toe? Met een step-up
wordt voorkomen dat een Nederlandse dividendbelastingclaim wordt
gevestigd op winstreserves van buitenlandse vennootschappen waar vóór de
fusie van die vennootschap met een Nederlandse vennootschap geen
Nederlandse dividendbelastingclaim op rustte. Op de winsten die ontstaan
na de fusie of splitsing rust wel een Nederlandse
dividendbelastingclaim. We heffen dus belasting over in Nederland
gemaakte winsten gedurende het bestaan van een bedrijf in Nederland. Dit
is, zoals ik al zei, een fiscaal consistent systeem, omdat we alleen de
winst belasten die is aangegroeid tijdens de Nederlandse periode. Dat
zien we ook bij andere belastingen. En omgekeerd, als een vennootschap
Nederland verlaat, moet deze ook afrekenen over de nog niet
gerealiseerde stille reserves. Echter, bij een fusie of splitsing die
als doel heeft — misschien was dat ook de achtergrond van de vraag —
belastingheffing te ontgaan of uit te stellen, is de step-up niet van
toepassing.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Politiek heb ik een andere analyse dan het kabinet, maar ik wil de
staatssecretaris danken voor de uitgebreide beantwoording. Ik ben ook
blij met de toezegging. We gaan deze discussie de komende maanden
vervolgen.
De voorzitter:
U wilt de staatssecretaris danken voor de toezegging.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Ja, dank aan de staatssecretaris voor de toezegging.
Staatssecretaris Heijnen:
Dan een vraag van mevrouw Teunissen: wil het kabinet zich inzetten om de
btw op dierenartsen in EU-verband af te schaffen, eventueel samen met
een koplopersgroep? Ik geloof dat België hierbij werd genoemd. Zoals
mevrouw Teunissen wellicht weet, is er tot 2022 lang onderhandeld over
het verlaagde btw-tarief. Uiteindelijk hebben die onderhandelingen geen
succes opgeleverd. Zoals mevrouw Teunissen wellicht ook weet, passen
verlaagde btw-tarieven niet bij het streven van het kabinet en de wens
van het Kamer om het fiscale stelsel te vereenvoudigen. Uit de evaluatie
van het verlaagde btw-tarief door Dialogic in 2023 blijkt ook dat het
verlaagde btw-tarief geen doelmatig instrument is om beleidsdoelen na te
streven. Tot slot: ook leidt toepassing van een verlaagd tarief niet
automatisch tot goedkopere diensten van dierenartsen. We kunnen namelijk
niet opleggen dat het verlaagde tarief ook wordt doorberekend aan de
klant. Desalniettemin is het kabinet bereid in de EU te sonderen of hier
inmiddels misschien wel draagvlak voor is en daarover terug te koppelen
aan de Kamer.
Dan de vraag van mevrouw Van Dijk over het handvest voor bescherming van
de rechten van belastingplichtigen en toeslagengerechtigden. Zij vroeg
met name hoe het daarmee staat. Het kabinet heeft het initiatief van
mevrouw Van Dijk voor dit handvest altijd omarmd en gewaardeerd; dat is
bekend. Ik heb eens navraag gedaan bij de Belastingdienst en de Dienst
Toeslagen. Zij zijn op dit moment bezig met de uitwerking van het
handvest, om samen met de verschillende, relevante belanghebbenden tot
een zorgvuldig en evenwichtig handvest te komen. Naar verwachting zal
een eerste versie van het handvest gereed zijn in het voorjaar van 2026.
Dan zullen we dat uiteraard ook delen met uw Kamer.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Dat is dan een eerste versie die met ons wordt gedeeld. Kunnen we
daarover dan met elkaar in gesprek gaan om te bepalen of dit is wat we
bedoelen?
Staatssecretaris Heijnen:
Dat lijkt me wel.
Dan een vraag van de heer Vlottes over de tabaksaccijns in relatie tot
het aantal gestopte rokers. Het RIVM heeft onderzocht dat na de laatste
tabaksaccijnsverhoging in 2024 7% van de ondervraagde rokers is gestopt
met roken. De opbrengst van de tabaksaccijns is na de accijnsverhoging
in 2024 gedaald van 3,1 miljard in 2023 naar bijna 3 miljard in 2024.
Ook in 2025 lijken de opbrengsten lager uit te vallen dan in eerdere
jaren. Deze daling is naar verwachting mede het gevolg van het
tabaksontmoedigingsbeleid, zoals het beperken van de verkoop van tabak
en het verhogen van de tabaksaccijns. Dit leidt tot gedragseffecten: er
zijn mensen die stoppen met roken of minder gaan roken en er zijn
uiteraard mensen die hun tabak over de grens kopen; dat zijn de
grenseffecten. Of accijnsverhogingen of andere maatregelen hierbij
doorslaggevend zijn geweest, weten we niet zeker. Maar ik moet zeggen
dat de daling van het aantal rokers wel past in het beleid van het
kabinet.
Voorzitter. Ik ben langzamerhand aangekomen bij het einde van de
beantwoording van mijn vragen. U bent blij met mij, zie ik.
De voorzitter:
Ik niet alleen, de leden ook, denk ik. Meneer Jansen heeft toch nog een
interruptie voor u, staatssecretaris.
De heer Frederik Jansen (FVD):
Ik was toch nog even benieuwd naar de tabaksaccijns. Het aantal
sigaretten dat afkomstig is uit het buitenland is met 25% gestegen.
Mensen zeggen gestopt te zijn of tenminste … Waar is dat cijfer
eigenlijk op gebaseerd? Daar ben ik benieuwd naar. Hoe is die daling van
7% gemeten?
Staatssecretaris Heijnen:
Dat is een onderzoek van het RIVM.
De heer Frederik Jansen (FVD):
Op welke manier is dat vastgesteld? Is er een enquête geweest of is dat
gebaseerd op het aantal verkopen?
Staatssecretaris Heijnen:
Ik kan u de link naar het onderzoek doen toekomen. Inhoudelijk kan ik
die vraag nu niet beantwoorden, maar het onderzoek kan ik u doen
toekomen.
De voorzitter:
Wellicht in tweede termijn?
De heer Frederik Jansen (FVD):
Heel graag. Dan kijk ik er ook even naar.
De voorzitter:
Helemaal goed. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de eerste
termijn van de zijde van het kabinet. Ik ga toch schorsen voor de
dinerpauze, tot 19.35 uur. Dan gaan we verder met de tweede termijn van
de zijde van de Kamer. De vergadering is geschorst.
De vergadering wordt van 18.50 uur tot 19.38 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de tweede termijn van de zijde
van de Kamer betreffende het pakket Belastingplan 2026. Ik geef als
eerste het woord aan de heer Oosterhuis, van de fractie van D66, voor
zijn inbreng in tweede termijn. Gaat uw gang.
De heer Oosterhuis (D66):
Dank u wel, voorzitter. We gaan richting het einde van mijn eerste
debat, de laatste etappe van deze belastingvierdaagse. Ik geloof dat ik
hier pas een lintje krijg na tien jaar, maar het smaakt zeker naar
meer.
Ook vanaf hier nog mijn felicitaties aan de heer Hoogeveen voor zijn
heldere maidenspeech. Ik denk dat de verschillen tussen ons wel
duidelijk zijn geworden. Dit was ook een goede aanleiding om nog wat
meer op te zoeken over president Coolidge. Maar dat de Verenigde Staten
kort na zijn aftreden in 1929 werden geconfronteerd met de grootste
economische crisis van de twintigste eeuw, overtuigt mij nog niet
direct.
Voorzitter. Ik wil nog kort stilstaan bij een paar onderwerpen. Ik begin
met de pseudo-eindheffing voor de fossiele leaseauto's. Dat vind ik een
verstandige maatregel, maar ik vind ook dat het voor werknemers zo
aantrekkelijk mogelijk moet zijn om elektrisch te rijden. Daarom dien ik
samen met de heer Grinwis een voorstel in om de verlaagde bijtelling
voor elektrische auto's te verlengen.
De accijnsverlaging op fossiele brandstoffen voor komend jaar vind ik
wat minder verstandig. Ik kijk dus ook welwillend naar het voorstel van
de heer Grinwis om een deel van die middelen in te zetten voor het
ongedaan maken van de bezuiniging op het openbaar vervoer.
Zelf heb ik in het wetgevingsoverleg aandacht gevraagd voor het
verdwijnen van de belastingvoordelen voor groen beleggen. Het is mij
alleen in de afgelopen weken niet gelukt om voor 2026 een adequate
dekking te vinden die hier ook op een meerderheid kan rekenen, dus ik
blijf nog even doorzoeken richting 2027.
We hebben het ook uitgebreid gehad over de afvalstoffenbelasting. De
motie van collega Stultiens om breder te kijken naar een oplossing in de
sector zal ik medeondertekenen.
Ook ging het over de suikertaks en een uitzondering voor pure sappen. We
hebben de afgelopen dagen nog wat berichten daarover gekregen van de
Universiteit Maastricht en het Diabetes Fonds. Hoewel ik sympathie heb
voor de fabrikanten van pure sappen, zal ik mijn fractie om inhoudelijke
redenen voorstellen om tegen het amendement hierover te stemmen. Ook in
het wetgevingsoverleg heb ik de staatssecretaris uitgedaagd voor een
weddenschap over de kansspelbelasting. Mijn twijfels over de opbrengst
van die belasting blijven. Ik maak me ook zorgen over de verschuiving
naar het illegale aanbod, de afdracht aan sport en goede doelen en het
effect op de dividenden van de staatsdeelnemingen. De staatssecretaris
heeft in het WGO gezegd de effecten te monitoren. Kan hij toezeggen dat
hij daarbij ook de effecten op de dividenden en op de verschuiving naar
de illegaliteit betrekt?
Voorzitter. Dit was mijn eerste debat hier als spreker, maar ik loop
hier al langer rond en ik erger me behoorlijk aan het toenemende aantal
moties. Vaak gaat het dan over zaken die al zijn toegezegd of over een
motie die verre van op een meerderheid kan rekenen. Ook lijkt het
amendement wel de nieuwe motie. We houden daar volgens mij alleen
onszelf en de ambtenaren mee bezig. Mijn voornemen is om daar niet aan
mee te doen. Ik zal vandaag dus zelf geen moties indienen.
Dan rest mij niets anders dan de staatssecretaris, de minister en alle
ambtenaren hartelijk te bedanken voor de antwoorden, zeker ook de mensen
van de amendementenservice, die heel hard hebben gewerkt, ook aan
allerlei amendementen die niet zijn ingediend. Dus dank.
De voorzitter:
U bedankt, meneer Oosterhuis. We gaan zien of goed voorbeeld goed doet
volgen. Meneer Vlottes, mag ik u uitnodigen om naar het spreekgestoelte
te komen om uw inbreng te leveren namens de Partij voor de Vrijheid?
De heer Vlottes (PVV):
Voorzitter, veel dank. Aan alle dingen komt een eind, en zo ook aan 30
uur behandeling van het Belastingplan. Vandaar een motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat uit onderzoek van de Consumentenbond blijkt dat de
boodschappenprijzen in Nederland 12% tot 20% duurder zijn dan in de ons
omringende landen;
constaterende dat steeds meer huishoudens moeite hebben om hun
rekeningen te betalen;
verzoekt de regering de btw op boodschappen op 0% te zetten en dit te
dekken door het schrappen van het budget voor ontwikkelingshulp,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Vlottes.
Zij krijgt nr. 76 (36812).
De heer Vlottes (PVV):
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Van Eijk, VVD.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Ik sluit me aan bij de woorden van de heer
Oosterhuis wat betreft de dankzegging aan iedereen die een bijdrage
heeft geleverd aan het debat, zowel voor als achter de schermen. Dat
wordt zeer gewaardeerd.
Ik heb het in de termijn van het WGO en ook afgelopen week gehad over
een groeiende portemonnee voor werkenden, een sterke economie en ruimte
voor ondernemers. Dat was, zoals aangegeven, de maatlat waarlangs wij de
voorstellen die vandaag zijn gepasseerd zullen meten.
De koopkracht verbetert. Werkenden gaan erop vooruit. Dat komt door de
verlichting van de energierekening en de verlenging van de lagere
brandstofaccijns om autorijden betaalbaar te houden. Wat ons betreft
zijn dat belangrijke maatregelen als onderdeel van dit pakket.
In de eerste termijn, afgelopen dinsdag, heb ik het ook gehad over box 3
en over het al dan niet indienen van een amendement daarop. Er lag toen
al een amendement. Althans, dat was aangekondigd door de heer Grinwis.
De dekking die daaronder ligt, kunnen wij niet steunen, maar ik voel wel
de urgentie om op dit laatste moment nog iets te doen aan box 3. Ik denk
dat iedereen alle afwegingen heeft gemaakt wat betreft de
dekkingsmogelijkheden. Ik heb besloten, samen met mijn fractie, om het
amendement toch in te dienen. We steken onze nek uit om te kijken of we
hiervoor toch nog iets kunnen betekenen. Ik hoop ook op steun van deze
Kamer.
Ten aanzien van de amendementen en voorstellen die door de overige leden
zijn ingediend, zullen wij blijven hameren op de begrotingsregels.
Amendementen die het tekort laten oplopen in '26 zullen wij niet
steunen. We gaan al scherp aan de wind en zitten tegen de vangrails aan.
We gaan daar wat ons betreft ook niet overheen.
Een ander belangrijk aspect, waar ook mevrouw Inge van Dijk uitvoerig
aandacht voor heeft gevraagd, is de uitvoering. Goed dat de
staatssecretaris daar ook uitgebreid op is ingegaan. Ik zie ook bij de
quickscans en de uitvoeringstoetsen terug dat dat heel zorgvuldig wordt
gewogen. Ik denk dat wij dat ons als Kamer breed moeten aantrekken en
daar dus ook terughoudend in moeten zijn.
We moeten ook het IV-portfolio blijven moderniseren om überhaupt de kans
te krijgen om met elkaar te werken aan een vereenvoudiging van ons
belasting- en toeslagenstelsel, want dat is de enige manier om daar
doorheen te komen.
De voorzitter:
U heeft een interruptie van meneer Stoffer.
De heer Stoffer (SGP):
Ja, op het specifieke punt van box 3. Ik denk dat dat wel een van de
grote graten in de keel is bij het voorliggende Belastingplan. De heer
Grinwis heeft een goed voorstel voorgelegd; ik heb het ondertekend, net
als volgens mij meerdere anderen. Het siert de VVD natuurlijk dat het
ook een voorstel voorlegt. Maar als ze niet uitkijken, halen de
voorstellen het dadelijk allebei niet en blijft dit gewoon staan. Er is
dan nog een derde optie. Ik leg die maar even voor, met de vraag of de
VVD die ook overweegt. We zouden natuurlijk ook met z'n allen tegen dit
Belastingplan kunnen stemmen. Dan gaat die box 3-belasting op deze
manier ook niet in, want dan blijven de tarieven staan zoals die het
afgelopen jaar stonden. Mijn vraag is dus of de VVD het risico ziet dat
dadelijk beide voorstellen het niet halen en je dan uiteindelijk nog één
optie overhoudt als je het echt niet wil, namelijk tegen het
Belastingplan stemmen.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Ik acht het risico dat beide amendementen het niet gaan halen aanwezig,
omdat het hele verschillende dekkingen zijn met ook hele andere
consequenties. De amendementen zijn ook heel erg verschillend in omvang.
Ik denk dat wij allemaal in de Kamer in de afgelopen debatten over box 3
— dat waren er heel veel — hebben laten zien dat we ons stinkende best
hebben gedaan en iedere steen hebben omgedraaid om te kijken hoe we
tegemoet kunnen komen aan die te hoge belastingdruk voor heel veel
mensen in box 3. Als beide amendementen het niet halen, gaat dat voor
ons geen argument zijn om tegen het Belastingplan te stemmen. Daar
zitten namelijk ook echt heel veel goede maatregelen in, waar wij achter
staan. Dit is echt een ultieme poging. Wij steken onze nek uit. Ik hoop
op steun uit de Kamer om deze laatste strohalm vast te pakken om dit
voor elkaar te krijgen.
De voorzitter:
Was u daarmee aan het einde van uw bijdrage gekomen?
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Ik heb nog vier moties, voorzitter. De eerste motie gaat over de Wbso
bij het pakket Belastingplan 2026.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Wbso een cruciale innovatieregeling is voor het
stimuleren van onderzoek en ontwikkeling in Nederland, voor zowel het
mkb als grotere bedrijven, en daarmee een belangrijke pijler vormt onder
ons vestigings- en investeringsklimaat;
overwegende dat start- en scale-ups de Wbso vaak niet volledig kunnen
verzilveren omdat hun loonsom in de beginfase te laag is om het voordeel
volledig te kunnen verrekenen;
van mening dat jonge en snelgroeiende bedrijven geen fiscale
belemmeringen moeten ondervinden bij investeringen in innovatie, zodat
waardevolle R&D-investeringen niet verloren gaan en Nederland
aantrekkelijk blijft voor innovatieve activiteiten;
verzoekt de regering een oplossing uit te werken voor de
verzilveringsproblemen in de Wbso, bijvoorbeeld door het invoeren van
een carry-forwardmogelijkheid of een daarmee vergelijkbare voorziening,
en de Kamer hierover te informeren bij de komende voortgangsrapportage
innovatie-instrumentarium,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Eijk, Martens-America, Inge
van Dijk, Oosterhuis en Grinwis.
Zij krijgt nr. 77 (36812).
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Dan heb ik nog een motie ten aanzien van het inzagerecht, ook een
veelbesproken onderwerp in deze Kamer.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het inzagerecht van artikel 66a AWR in de huidige vorm
niet uitvoerbaar is voor de Belastingdienst en de Douane, onder meer
door de omvangrijke IT-vernieuwingen en de huidige staat van de
informatiehuishouding;
constaterende dat het wetsvoorstel Wet stroomlijning fiscaal inzagerecht
beoogt de uitvoering van het inzagerecht te stroomlijnen, maar dat
volledige implementatie van een structureel werkende voorziening naar
verwachting pas na 2030 haalbaar is;
overwegende dat tijdelijke oplossingen of noodoplossingen gebouwd in
oude systemen leiden tot dubbel werk en tot verdringing van andere
IT-projecten bij de Belastingdienst;
van mening dat belastingplichtigen recht hebben op een betrouwbaar en
stabiel inzagerecht, maar dit pas mogelijk is wanneer de benodigde
modernisering is voltooid;
verzoekt de regering het inzagerecht conform de wet in werking te laten
treden en te werken aan een structureel werkende voorziening waarbij
dubbel werk voorkomen wordt en waarbij IT-systemen en
informatiehuishouding op orde zijn, zodat invoering van het inzagerecht
uitvoerbaar en verantwoord is;
verzoekt de regering tevens de Kamer ten minste jaarlijks op de hoogte
te houden van de stappen die worden gezet naar een uitvoerbaar en
transparant inzagerecht,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Eijk en Grinwis.
Zij krijgt nr. 78 (36812).
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Dan heb ik een motie over Pijler 2 bij de Wet minimumbelasting.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de wereldwijde minimumbelasting (Pijler 2) bedoeld is
om via een internationale afspraak een bodem in de winstbelasting te
creëren;
overwegende dat de huidige, gefragmenteerde wereldwijde implementatie
leidt tot een ongelijk speelveld, waardoor Europese en Nederlandse
bedrijven meer regels, hogere administratieve lasten en een
concurrentienadeel krijgen ten opzichte van grote economieën zoals de
VS, China en India;
overwegende dat Nederland als open handelsland gebaat is bij
internationale afspraken die wérken, uitvoerbaar zijn en ondernemerschap
niet onnodig belemmeren;
van oordeel dat Pijler 2 moet bijdragen aan doelbereik zonder de
concurrentiekracht, innovatiekracht en investeringspositie van Nederland
te ondermijnen;
verzoekt de regering in de internationale onderhandelingen krachtig in
te zetten op:
een gelijk speelveld en behoud van de concurrentiekracht van het Europese en Nederlandse bedrijfsleven;
forse vermindering van regeldruk en administratieve lasten, onder meer via een permanente safe harbour voor bedrijven met een hoge geconsolideerde effectieve belastingdruk;
voldoende ruimte binnen Pijler 2 voor gerichte en effectieve belastingfaciliteiten voor strategische sectoren met substantiële reële economische activiteit,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Eijk, Hoogeveen en Inge van
Dijk.
Zij krijgt nr. 79 (36812).
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Ik heb er nog één, voorzitter, bij de Wet modernisering elektronisch
bestuurlijk verkeer, onderdeel van de Wet overige fiscale
maatregelen.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Belastingdienst en de Douane tijdelijk zijn
uitgezonderd van de Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer
(Wmebv) vanwege uitvoeringsproblemen en strijdigheid met EU-recht;
overwegende dat hierdoor de huidige digitale werkwijze vooralsnog wordt
gehandhaafd en volledige aansluiting bij de Wmebv pas vanaf 2030 wordt
voorzien;
overwegende dat digitaal bezwaar momenteel slechts gedeeltelijk mogelijk
is en dat dit voor bepaalde belastingen en beschikkingen nog ontbreekt,
wat leidt tot risico's op ontvankelijkheids- en
rechtsbeschermingsdiscussies;
van mening dat burgers en bedrijven tijdig, eenvoudig en volledig
digitaal bezwaar moeten kunnen maken, dit de regeldruk voor burgers en
bedrijven vermindert en dat de bezwaarfase daarom een hogere prioriteit
verdient binnen het ingroeimodel naar volledige aansluiting op de
Wmebv;
verzoekt de regering om binnen de verdere implementatie van de Wmebv
hoge prioriteit te geven aan de digitale bezwaarfase, en de Kamer voor
de Voorjaarsnota '26 te informeren over de voortgang en stappen die
worden gezet om volledig digitaal bezwaar zo spoedig mogelijk te
realiseren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Eijk, Inge van Dijk en
Grinwis.
Zij krijgt nr. 80 (36812).
Dank u wel, mevrouw Van Eijk. Dan wil ik het woord geven aan de heer Stultiens voor zijn inbreng namens de fractie van GroenLinks-Partij van de Arbeid.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Dank, voorzitter. We zijn aan het eind gekomen van de vierdaagse; de
finish is in zicht. Ik wil collega Vermeer feliciteren. Hij is er
vandaag niet, want zijn ouders zijn 60 jaar getrouwd. Dat is een
mijlpaal die ik ook ooit hoop mee te maken.
Ik heb wel drie moties, zeg ik tegen de heer Oosterhuis. De eerste gaat
over de buffelboete en dien ik samen in met Jimmy Dijk van de SP.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat een samenspel van factoren en de ingewikkelde
indexatiesystematiek in de arbeidskorting ertoe kunnen leiden dat
werkenden met een laag inkomen méér belasting gaan betalen;
constaterende dat dit voor 2026 opgelost is, maar in de toekomst opnieuw
kan gebeuren;
overwegende dat deze groep het al zwaar heeft en dit soort
lastenverzwaringen hard aan kunnen komen;
verzoekt de regering structureel in de gaten te houden of een nieuwe
"buffelboete" dreigt te ontstaan, en in te grijpen als dat nodig
is,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Stultiens en Jimmy Dijk.
Zij krijgt nr. 81 (36812).
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
De tweede motie gaat over fiscale regelingen waarvan we eigenlijk bijna
allemaal hopen dat de taakstelling wordt ingevuld, maar waarbij dat
helaas nog niet gebeurt. Vandaar de volgende motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het de regering niet is gelukt om de taakstelling op
het gebied van fiscale regelingen en constructies volledig in te vullen,
en dat als gevolg daarvan het tarief in de eerste schijf van de
inkomstenbelasting stijgt;
constaterende dat er nog steeds zeer veel fiscale regelingen bestaan die
negatief geëvalueerd zijn;
overwegende dat het niet de bedoeling is dat werkende mensen met een
laag inkomen of een middeninkomen steeds de dupe zijn van doelstellingen
die niet gehaald worden;
verzoekt de regering in het voorjaar met een voorstel te komen om de
taakstelling fiscale regelingen en constructies alsnog te halen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Stultiens.
Zij krijgt nr. 82 (36812).
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Dan de derde en laatste motie. Oorspronkelijk lagen er twee moties
klaar, van mij en van de heer Grinwis. Die hebben we in elkaar
gevlochten. Daarom is deze motie iets langer dan wenselijk, maar die
bespaart zo een andere motie. Ik hoop dus dat uw Kamer het toch
toestaat.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het niet invoeren van een polymerenheffing leidt tot
een budgettaire derving van 567 miljoen euro structureel;
constaterende dat deze derving in het Belastingplan goeddeels wordt
ondervangen met een technische invulling bestaande uit een generieke
verhoging van de afvalstoffenbelasting en de aanscherping van de
CO2-heffing;
constaterende dat deze budgettaire derving verder wordt ondervangen met
de maatregel om de terugsluis naar het Klimaatfonds van de
CO2-heffing af te schaffen voor zover deze van AVI's
afkomstig zijn, waardoor deze opbrengsten niet beschikbaar zijn voor
ondersteuning van investeringen in verduurzaming;
overwegende dat recente speelveldtoetsen laten zien dat deze maatregelen
leiden tot minder recycling in Nederland, meer afvalexport, minder
verwerkingscapaciteit en ten koste gaat van banen en innovatie;
verzoekt de regering de budgettaire opgave bij de aanstaande
voorjaarsbesluitvorming zo veel mogelijk in te vullen met alternatieve
maatregelen, zo mogelijk met alternatieven die door de Werkgroep
afvalsector worden aangereikt, en daarbij heffingen te prioriteren op
fossiele en lineaire consumptie, productie en plaatsing op de
Nederlandse markt, en tevens AVI's de mogelijkheid te bieden om afdoende
ondersteuning voor investeringen te kunnen aanvragen, bijvoorbeeld via
het SDE+-fonds,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Stultiens, Grinwis, Oosterhuis
en Zalinyan.
Zij krijgt nr. 83 (36812).
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor de heldere antwoorden. Die
worden oprecht gewaardeerd. Ik was het niet overal mee eens, maar de
antwoorden zijn wel uitgebreid aan bod gekomen en daar dank ik hem voor.
Ik dank ook de amendementenservice van het ministerie van Financiën. Het
is elk jaar een voorrecht om een paar weken lang jezelf staatssecretaris
te wanen met zo veel goede ambtenaren die met je mee willen denken. Ik
zeg alvast: de komende jaren zijn ze nog niet van ons af. Ik ben heel
blij met deze service. Uiteindelijk zijn er zes amendementen gekomen;
die zijn allemaal ingediend. Ik raad ze van harte aan aan de collega's
bij de stemmingen donderdag. We kregen zelfs een compliment van de
staatssecretaris, omdat we keken naar de uitvoering. Laat dat een
aanbeveling zijn voor jullie stemgedrag donderdag.
Tot slot ons eigen stemgedrag bij de wetsvoorstellen. Er liggen zeven
wetsvoorstellen voor. Zes daarvan vinden wij een vooruitgang en wij
zullen voorstemmen. Het zevende is nog een open vraag. Dat zal afhangen
van de mate waarin donderdag voor of tegen amendementen wordt gestemd.
Daarom dank ik de Kamer dat we donderdag nog een uur bedenktijd krijgen
om uiteindelijk het integrale pakket te kunnen wegen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zie nog wel een interruptie van mevrouw Van Eijk.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Ik heb de amendementen die GroenLinks-PvdA heeft ingediend met zorg
bekeken. Ik zie de strijd van de heer Stultiens ten aanzien van
belastingontwijking of ten aanzien van fiscale constructies. De vraag
die altijd bij me opkomt als het gaat over de liquidatieverliesregeling
maar ook de grondslagleenconstructie, is: zijn die gericht en beperken
die zich tot het lekken van het gat of kunnen ze een bredere reikwijdte
hebben? Dat vind ik altijd een risico als ik kijk naar de amendementen
van GroenLinks-PvdA. Ik stel hem nog deze vraag.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Dank voor deze vraag en ook voor de oprechte interesse in onze
amendementen. Ja, wij denken dat ze gericht zijn. Ik vind het wel goed
dat, als de staatssecretaris daartoe bereid is, hij daar zo meteen nog
op kan reflecteren. Wij denken stiekem, bijvoorbeeld bij de
liquidatieverliesregeling, dat we eigenlijk zelfs te mild zijn geweest.
Het gat dat ontstaan is door de Hoge Raad, bedraagt 65 miljoen euro per
jaar en wat wij nu doen, tackelt het probleem van 25 miljoen euro per
jaar. Je zou dus denken dat we een deel van het gat niet hebben
opgelost. Ik hoor graag van de staatssecretaris hoe hij denkt dat het
gat nog op te lossen is binnen dat domein. Maar nee, wij verwachten niet
dat hier ongewenste gevolgen zijn. Sterker nog, wij denken eigenlijk dat
ze nog te mild zijn, maar dat horen we graag van de
staatssecretaris.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Stultiens.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Dank.
De voorzitter:
Het woord is aan mevrouw Inge van Dijk namens de fractie van het
CDA.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Dank je wel, voorzitter. Dank inderdaad aan iedereen die heeft
meegewerkt aan de totstandkoming van het Belastingplan, maar ook de
beantwoording. Oprecht dank aan de staatssecretaris. Ik heb het gevoel
dat hij onze vragen en ook onze antwoorden serieus heeft genomen. Daar
ben ik hem erg erkentelijk voor. Ik heb nog een paar kleine dingetjes.
Ik kan wel alle punten weer nalopen, maar we zijn nu in wel in een fase
van herhaling aan het komen na een schriftelijk overleg, twee dagen
wetgevingsoverleg en plenair.
Ik heb nog een puntje over het fiscaal inzagerecht. Ik ben heel blij met
de toezegging met betrekking tot de invoeringstoets of de
rechtsbescherming voldoende is en of aanpassingen nodig zijn om de
rechtsbescherming te borgen en, als dat zo is, ook die stappen te
zetten. De staatssecretaris weet dat dit voor mij echt een heel
belangrijk onderwerp is, dus ik heb een motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat met de voorgenomen stroomlijning van het fiscaal
inzagerecht automatisch een grofmazige selectie van stukken via een
webportaal beschikbaar zal worden gesteld aan belastingplichtigen;
overwegende dat in het kader van rechtsbescherming, belastingplichtigen
de mogelijkheid moeten behouden aanvullende inzage te kunnen verzoeken
indien zij vermoeden dat relevante stukken op het webportaal missen, in
plaats van te volstaan met de huidige praktijk waarbij
belastingplichtigen enkel inzage in de stukken wordt verleend bij een
geschil met de Belastingdienst over een belastingaanslag;
overwegende dat de uitvoerbaarheid van een dergelijke aanvullende
inzageregeling kan worden geborgd, bijvoorbeeld door duidelijke
afbakening tot een specifieke aangelegenheid of stuk, gefaseerde
invoering, een langere beslistermijn, geen terugwerkende kracht en
eventueel een aangepaste proceskostenvergoeding om aanzuigende werking
op commerciële procespartijen te voorkomen;
verzoekt de regering om de Wet stroomlijning fiscaal inzagerecht verder
uit te werken met de mogelijkheid tot aanvullende inzage in het fiscaal
dossier, ingekleed met waarborgen voor uitvoerbaarheid,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Inge van Dijk, Grinwis en
Stultiens.
Zij krijgt nr. 84 (36812).
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Ik heb een amendement ingediend op de Wbso. Het is eigenlijk een best
wel slap amendementje om één jaar indexering te waarborgen. Ik heb dat
eigenlijk een beetje slap gedaan, omdat ik het wel echt in beweging zou
willen zetten, maar ook snap dat de dekking niet superfantastisch is.
Vandaar dat ik het wil aanvullen met een motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat met het amendement op stuk nr. 68 (36602) bij het
Belastingplan 2025 de schijfgrens van de Wbso is verhoogd naar €380.000
om een inhaalslag te maken op het al jaren niet geïndexeerde
bedrag;
overwegende dat de schijfgrens van de Wbso eigenlijk jaarlijks
geïndexeerd zou moeten worden om mee te bewegen met de stijgende kosten
van R&D, omdat dit innovatieve mkb-bedrijven juist stimuleert om een
extra R&D-medewerker aan te nemen of R&D-activiteiten voor
langere tijd vol te houden;
constaterende dat er ieder jaar overschotten bestaan op het Wbso-budget
en dat die overschotten nu toegevoegd worden aan het Wbso-budget in
latere jaren, terwijl een herverdeling binnen het Wbso-budget om
jaarlijks de schijfgrens te kunnen indexeren effectiever zou zijn;
verzoekt de regering om gezamenlijk vanuit de ministeries van EZK en
Financiën bij het Belastingplan 2027 een voorstel te doen voor hoe
binnen het budget van de Wbso de structurele indexering van de
schijfgrens in kan worden gepast zodat het budget zo effectief mogelijk
tot besteding komt,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Inge van Dijk, Grinwis, Van Eijk
en Stoffer.
Zij krijgt nr. 85 (36812).
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Tot slot. Ik ben blij met het bericht dat de eerste versie van het
handvest naar de Kamer komt, evenals met de mogelijkheid om hier nog
verder over door te praten.
Dank je wel.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Een belangrijke maatregel in de Wet Belastingplan 2026 voor onze fractie
is de verlenging van de korting op de brandstofaccijns, zeker gezien het
feit dat brandstofprijzen hoger zijn dan ooit, gekeken naar de afgelopen
anderhalf à twee jaar. Mag ik ervan uitgaan dat het CDA ervoor zorgt dat
deze maatregel in het Belastingplan overend blijft?
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Nou, dat weten wij nog niet. Dat gaan we met de fractie bespreken. Er
ligt namelijk ook een amendement met betrekking tot het openbaar
vervoer. Er liggen verschillende amendementen. Wij staan zeker niet
negatief tegenover die maatregel. Maar ik hoop dat mevrouw Van Eijk
snapt dat er een nieuwe fractie is en dat ik graag echt elk amendement
een voor een met collega's wil doornemen. Nogmaals, met de meerderheid
van de fractie zullen wij een besluit nemen.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de heer Hoogeveen voor zijn inbreng namens
de fractie van JA21.
De heer Hoogeveen (JA21):
De katheder gaat automatisch omhoog!
De voorzitter:
Zeker. We zijn er inmiddels een beetje aan gewend.
De heer Hoogeveen (JA21):
Dank, voorzitter. Dank aan de minister en de staatssecretaris. Het waren
goede beantwoordingen. Ze waren to the point. Op mijn vorige werkplek
waren we dat wel anders gewend.
Ook de felicitaties aan de heer Oosterhuis. Het is inderdaad goed om ook
de verschillen te benadrukken. Wie weet komen we ooit nog nader tot
elkaar. Ik wil niet onbenoemd laten dat president Calvin Coolidge ten
tijde van de crash van 1929 al een jaar niet meer in office was. Het is
ook uitgebreid onderzocht: het was voornamelijk het beleid van de
Federal Reserve. Die greep uiteindelijk te laat en te stevig in, met
renteverhogingen. Dat leidde uiteindelijk tot de crash, niet het beleid
van president Coolidge.
Ik wilde graag het volgende amendement nog benoemd hebben. Ik dien het
samen met de collega van de VVD in. Het gaat over de multiplier
lucratiefbelangregeling. Wij van JA21 vinden het toch belangrijk dat we
daar kritisch naar kijken en het onder de loep nemen. Dat is met name
omdat we zien dat ons verdienvermogen — ik noem het mkb en onze
scale-ups en start-ups — ook wordt geraakt door deze maatregel. Juist
gelet op ons verdienvermogen en de nadruk die wordt gelegd op ons
investeringsklimaat, in lijn met het Draghirapport, is het belangrijk
dat we hier kritisch naar kijken.
Voorzitter. Dan nog drie moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de tabelcorrectiefactor voor 2026 bijna voor de helft
wordt toegepast;
overwegende dat het beperkt toepassen van de tabelcorrectiefactor ertoe
kan leiden dat de inkomstenbelasting steeds verder uit de pas loopt met
de inflatie;
verzoekt de regering een beleidskader aan de Kamer voor te leggen waarin
wordt vastgelegd onder welke voorwaarden en binnen welke maximale
bandbreedte de tabelcorrectiefactor kan worden beperkt,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Hoogeveen.
Zij krijgt nr. 86 (36812).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Europese Commissie voorstelt om het pakket aan
Europese eigen middelen uit te breiden;
overwegende dat deze eigen middelen leiden tot een structurele
verschuiving van fiscale bevoegdheden van de lidstaten naar de Europese
Unie;
verzoekt de regering om in de onderhandelingen over het Meerjarig
Financieel Kader als Nederlandse inzet uit te dragen dat uitbreiding van
Europese eigen middelen voor Nederland geen optie is,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Hoogeveen.
Zij krijgt nr. 87 (36812).
De heer Hoogeveen (JA21):
De laatste.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het kabinet zich bij de beoordeling van weglek- en
concurrentie-effecten van de vliegbelasting baseert op onderzoek waarin
recente fiscale maatregelen in andere Europese landen niet volledig zijn
meegenomen;
constaterende dat de luchtvaart- en luchthavenbranche al concrete
signalen afgeeft dat passagiers bij hogere kosten uitwijken naar
buitenlandse luchthavens;
overwegende dat deze ontwikkelingen de concurrentiepositie van
Nederlandse luchthavens aantoonbaar beïnvloeden en de bestaande
onderzoeken daardoor niet langer een actueel beeld geven van weglek- en
concurrentierisico's;
verzoekt de regering het onderzoek naar de effecten van de
vliegbelasting te actualiseren op basis van de nieuwe situatie in
meerdere Europese landen, inclusief de geconstateerde weglek- en
concurrentie-effecten, en dit voor het Belastingplan 2027 met de Kamer
te delen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Hoogeveen.
Zij krijgt nr. 88 (36812).
Dank u wel, meneer Hoogeveen. Het woord is aan de heer Freek Jansen voor zijn inbreng namens de fractie van Forum voor Democratie.
De heer Frederik Jansen (FVD):
Dank u wel, meneer de voorzitter. De staatssecretaris en ik hadden net
een kort interruptiedebatje over de accijns op tabak. De
staatssecretaris zei: ja, er is een derving geweest van de inkomsten. De
verwachting was dat er 400 miljoen meer binnen zou komen, maar het was
uiteindelijk 100 miljoen minder. Maar, zegt de staatssecretaris,
daartegenover staat wel dat het aantal mensen dat rookt met 7% is
gedaald ten opzichte van het jaar daarvoor. Het eerste wat bij mij
opkwam, was: ja, maar erna is niet erdoor. Toen ben ik even gaan kijken
naar de cijfers van de jaren daarvoor. Dan zie je vergelijkbare
dalingen. In 2022 was er ook een daling van 8% en in 2020 van 7%. Het
aantal rokers daalt überhaupt. Het is dus helemaal niet gezegd dat deze
accijnsverhoging op deze manier causaal in verband kan worden gebracht
met de daling van het aantal rokers. Het enige effect van deze maatregel
dat we kunnen vaststellen, is volgens mij dat de Staat inkomsten is
verloren, dat mensen in het buitenland sigaretten zijn gaan kopen en dat
het mkb in Nederland inkomsten heeft verloren. Volgens mij is het gewoon
een hele slechte maatregel geweest. Ik wil dus graag een motie indienen
om die terug te draaien.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de jongste verhoging van de accijns op tabak niet
resulteerde in verhoogde inkomsten voor het Rijk maar juist in een forse
derving;
overwegende dat de Nederlandse overheid nu jaarlijks 2,6 miljard euro
misloopt aan accijnsinkomsten;
overwegende dat het aantal in het buitenland gekochte sigaretten het
afgelopen jaar met 25% is gestegen;
overwegende dat dit desastreus is voor de inkomsten van het Nederlandse
mkb, met name in de grensstreken;
overwegende dat een verlaging van de accijns op tabak dus voordelig is
voor zowel de Staat als de belastingbetaler en het mkb — heel
uniek;
roept de regering op om met een voorstel te komen om de meest recente
verhoging van de accijns op tabak terug te draaien,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Frederik Jansen en
Vermeer.
Zij krijgt nr. 89 (36812).
De heer Frederik Jansen (FVD):
Ik heb nog een motie. Wij vinden het een groot onrecht dat expats in
Nederland minder belasting hoeven te betalen dan normale
Nederlanders.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Nederlandse Staat structureel belastinginkomsten
misloopt als gevolg van de huidige expatregeling;
overwegende dat deze inkomsten ten goede kunnen komen aan
lastenverlichting voor Nederlanders;
overwegende dat het aantal expats dat werkzaam is in Nederland al jaren
groeit;
overwegende dat deze expats niet minder gebruikmaken van Nederlandse
voorzieningen dan Nederlandse staatsburgers;
roept de regering op om met een voorstel te komen om de expatregeling
versneld af te bouwen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Frederik Jansen.
Zij krijgt nr. 90 (36812).
De heer Frederik Jansen (FVD):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Jansen. Dan geef ik het woord aan mevrouw Van der
Plas. Zij tekent enkele moties mee, maar ziet af van spreektijd in de
tweede termijn, begrijp ik. Dan gaan we naar de heer Ergin. Hij ziet ook
af van zijn tweede termijn. Meneer Stoffer doet dat niet, dus hij krijgt
het woord voor zijn inbreng in tweede termijn namens de fractie van de
Staatkundig Gereformeerde Partij.
De heer Stoffer (SGP):
Voorzitter, ook mijn inbreng in tweede termijn is maar heel kort. Ik wil
de staatssecretaris en toch ook de minister danken voor de
beantwoording, niet alleen vanavond, maar ook de afgelopen week. Als SGP
hebben we twee amendementen ingediend. Een van die amendementen gaat
over de eenverdieners. Dat is een heel belangrijk amendement voor ons.
Het is niet voor het eerst dat wij daar iets over indienen; dat doen we
al vele jaren. Vorig jaar had dat gelukkig ook succes. Daarnaast heb ik
een amendement ingediend over de pseudo-eindheffing, met als doel om
volgend jaar snel met een betere invulling te komen. Samen met BBB
hebben we een amendement ingediend om de pure vruchten- en groentesappen
uit te zonderen van de verbruiksbelasting. Ik heb ook overwogen om daar
nog een motie over in te dienen, maar gezien de toezegging van vorige
week om begin volgend jaar een brief over dit onderwerp naar de Kamer te
sturen, zie ik daarvan af. Ik roep de staatssecretaris wel op om zo snel
mogelijk met die brief te komen, zodat we dat volgend jaar wellicht wel
kunnen effectueren; hij gaf dat zelf ook aan. De sector wacht al heel
lang op een uitkomst bij dit dossier. Het speelt ook al vele
jaren.
Voorzitter. Dan het punt van box 3. Dat ligt ons zwaar op de maag. Als
het aan het kabinet ligt, gaat die belasting op box 3 volgend jaar flink
omhoog. Laat ik helder zijn: als het aan de SGP ligt, gebeurt dat niet.
Daarom hebben wij een amendement van de heer Grinwis meegetekend, om die
stijging van het forfaitair rendement ongedaan te maken. Ik hoop dat het
amendement het gaat halen en dat we met elkaar tot een meerderheid
kunnen komen. Heel specifiek hebben we met elkaar gesproken over de
pachtgronden en dat het door de normering van de pachtprijzen ook niet
mogelijk is om daar enorme rendementen op te halen. Ik ben de
staatssecretaris erkentelijk dat hij gaat kijken wat de effecten daarvan
zijn voor de landbouw. Ik ga ervan uit dat dit gewoon zo spoedig
mogelijk onze kant op komt.
Voorzitter. Het laatste punt dat ik nog aan wil halen, is de
afvalstoffenheffing. Daar hebben we ook grote bezwaren tegen. Dat heb ik
ook tijdens het WGO en in de eerste termijn aangegeven. Er is veel over
gewisseld. Over één specifiek punt had ik wel een motie klaarliggen,
maar gezien de toezegging van de staatssecretaris dat hij met de
waterschappen die uitvoerbaarheidstoets toch gaat oppakken, is die niet
nodig. Voor de rest had ik ook geen moties in voorbereiding. Ik heb wel
een aantal andere meegetekend. Hoewel we vele verschillen hebben met
D66, hebben we één overeenkomst: we hebben geen moties. Wat dat betreft
is het ook eens mooi om zo af te sluiten.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Zo ontmoeten twee werelden elkaar toch. Het woord is aan
mevrouw Teunissen voor haar inbreng in de tweede termijn namens de
fractie van de Partij voor de Dieren.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Dank u wel, voorzitter. Ook ik wil de staatssecretaris en de minister
bedanken voor de zorgvuldige en uitgebreide beantwoording. We zijn het
niet altijd eens, maar er blijkt wel veel kennis te zitten bij het
kabinet. Dat is heel erg belangrijk als het over de financiën gaat. Ik
wil ook Bureau Wetgeving ontzettend bedanken, want we hebben een fors
aantal amendementen ingediend. In onze ogen zijn die ook daadwerkelijk
noodzakelijk om tot de noodzakelijke fiscale vergroening te komen. Ik
wil Bureau Wetgeving hartelijk danken voor het feit dat zij ons zo
uitgebreid hebben ondersteund.
Voorzitter. Dan wil ik op een aantal punten ingaan. Ik heb drie moties.
Die zijn om datgene waarover is gewisseld een stukje verder te brengen.
Allereerst heb ik een motie over de dierenartsenkosten. Ik dank de
staatssecretaris voor zijn toezegging om in Europa te kijken of er een
heroverweging nodig is. Maar wij hebben in een rondetafelgesprek in deze
Kamer ook heel duidelijk gehoord dat het verlagen van de btw naar 0% wel
degelijk heel effectief is in het verlagen van de kosten voor mensen die
de dierenartskosten nu niet kunnen betalen. Vandaar de volgende
motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de dierenartskosten hard zijn gestegen, waardoor
steeds meer mensen de rekening niet kunnen betalen;
overwegende dat humane gezondheidszorg is vrijgesteld van btw, maar op
dierenzorg nog 21% btw wordt geheven;
overwegende dat een grote Kamermeerderheid voor de verkiezingen het
dierendagakkoord heeft gesloten, waarmee de Kamer ertoe oproept om de
dierenzorg weer goed, betaalbaar en eerlijk te maken;
overwegende dat bij het rondetafelgesprek over dierenartskosten een
groot aantal experts ervoor heeft gepleit om dierenzorg vrij te stellen
van btw, maar dit nog niet mogelijk is vanwege Europese
regelgeving;
verzoekt de regering zich in te spannen om de btw op diergeneeskundige
zorg te verlagen naar 0%, bijvoorbeeld door een kopgroep te vormen van
landen in Europa, en aan de Kamer hierover periodiek te
rapporteren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Teunissen.
Zij krijgt nr. 91 (36812).
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Dan heb ik ook een motie gericht aan de minister van Klimaat en Groene
Groei. Ik ben er niet van overtuigd dat Nederland zich niet kan
aansluiten bij de coalitie die op de klimaattop is gevormd voor het
extra belasten van premiumvluchten en privéjets. Daarmee hebben we echt
niks te verliezen, alleen maar iets te winnen. Als we ergens extra
inkomsten vandaan moeten halen, dan is het wel bij de grootvervuilers.
Vandaar de volgende motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat premium- en privévluchten sterk bijdragen aan
broeikasgasemissies, terwijl kerosine door het Verdrag inzake de
internationale burgerluchtvaart uit 1947 onbelast blijft;
overwegende dat op de klimaattop een internationale coalitie is gevormd
van landen zoals Frankrijk en Spanje om premiumreizen en privéjets extra
te belasten;
verzoekt de regering zich aan te sluiten bij deze internationale
coalitie,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Teunissen.
Zij krijgt nr. 92 (36812).
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Voorzitter. Tot slot een reactie op de kabinetsappreciatie van ons
amendement om de reparatie van huishoudelijke apparaten minder te
belasten. Ik zie toch echt wel dat het kabinet nog zoekende is naar een
definitie van "huishoudapparaat". Vandaar de volgende motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er een onderzoek is uitgevoerd naar de mogelijkheden
om een verlaagd btw-tarief toe te passen op reparatie van
huishoudapparaten, zoals verzocht in de aangenomen motie-Stoffer c.s.
(36410-XII, nr. 57);
constaterende dat in het uitgevoerde onderzoek een mogelijk
afbakeningsprobleem wordt gesignaleerd, maar geen onderzoek gedaan is
naar welke afbakening van huishoudapparaten het best werkbaar zou zijn
voor de Belastingdienst en belastingplichtigen;
verzoekt de regering om een vervolgonderzoek te doen waarin gezocht
wordt naar een eenduidige, juridisch houdbare en uitvoerbare definitie
voor zowel belastingplichtigen als de Belastingdienst,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Teunissen.
Zij krijgt nr. 93 (36812).
Dank u wel, mevrouw Teunissen. Het woord is aan de heer Grinwis voor zijn tweede termijn namens de fractie van de ChristenUnie.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel. Dank aan de minister voor haar komst en de
beantwoording in deze termijn. Ook dank aan de staatssecretaris. Vandaag
was de beantwoording ook weer heel kundig. Dank voor de prettige
behandeling van het Belastingplan, waar u toch wel behoorlijk onverhoeds
mocht invallen. Wat mij betreft smaakt dit naar meer, dus wie weet wordt
u nog gebeld. Ook veel dank aan Bureau Wetgeving, aan de
amendementenservice van het ministerie en aan alle mensen die daarachter
zitten. Ik heb het zeer gewaardeerd.
Voorzitter. Black Friday, zwarte vrijdag, nadert, een van de wat
slechtere Amerikaanse gebruiken die is overgewaaid naar dit deel van de
wereld. Het lijkt wel alsof dan het adagium "ik koop, dus ik besta" meer
dan ooit geldt. Beste collega's, hoedt u deze week dus voor de niet
aflatende stroom aan busjes met niet zelden meuk van Temu en AliExpress,
die na een of twee keer te zijn gebruikt, wordt afgedankt. Dat leidt,
kort gezegd, tot twee duidelijke moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat Europa, in het bijzonder Nederland, overspoeld wordt
door goedkope pakketjes (in 2024 3 miljoen pakketjes per dag), die in
veel gevallen niet voldoen aan de Europese productie- en
kwaliteitsstandaarden en niet zelden onveilig, ongezond en/of vervuilend
zijn;
overwegende dat deze steeds grotere stroom aan inkomende pakketjes
gecontroleerd moet kunnen worden door de Douane, maar dat dat veel
kosten met zich meebrengt;
overwegende dat de Europese Unie werkt aan de invoering van een heffing
op pakketjes goedkoper dan €150 — daarboven bestaat al een
invoerheffing;
overwegende dat een aantal buurlanden vooruitlopend op die Europese
invoerheffing zeer binnenkort, namelijk op 1 januari 2026, een nationale
"handling fee" invoeren, waardoor nog meer pakketjes richting Nederland
dreigen te stromen;
verzoekt de regering om tegelijk met de relevante buurlanden een
nationale handling fee te introduceren voor pakketjes van buiten de
Europese Unie en de daartoe benodigde wetgevende acties zo spoedig
mogelijk in gang te zetten, en ondertussen onverminderd in te zetten op
het op korte termijn van kracht worden van een nog effectievere Europese
invoerheffing;
verzoekt de regering daarbij rekening te houden met de zorgen van het
bedrijfsleven over de uitvoerbaarheid van een snelle invoering van een
nationale handling fee, met name gezien de korte tijd voor
systeeminrichting, contractherziening en logistieke afstemming,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Grinwis, Stultiens, Stoffer en
Jimmy Dijk.
Zij krijgt nr. 94 (36812).
De heer Grinwis (ChristenUnie):
De tweede motie in ditzelfde genre.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat aanstaande vrijdag de hoogmis van het consumentisme
"Black Friday" gevierd wordt;
overwegende dat om binnen de draagkracht van de aarde te leven er niet
meer, maar minder consumptie van nieuwe spullen, minder weggooien en
meer hergebruik en reparatie nodig is;
overwegende dat een nieuw product aanschaffen vaak goedkoper,
makkelijker en sneller is dan repareren;
overwegende dat er tal van (beleids)initiatieven zijn om reparatie
aantrekkelijker te maken, van repaircafés tot de Europese
reparatierichtlijn, die komend jaar ook in Nederland gaat gelden;
verzoekt de regering ter ondersteuning van alle initiatieven die er zijn
om reparatie en hergebruik aantrekkelijker te maken, te onderzoeken op
welke wijze de fiscaliteit effectief en goed uitvoerbaar zou kunnen
bijdragen aan meer reparatie van huishoudelijke apparaten en andere
relevante productgroepen, en de Kamer voor de zomer van 2026 over de
mogelijkheden en onmogelijkheden te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Grinwis, Stultiens, Stoffer,
Oosterhuis en Jimmy Dijk.
Zij krijgt nr. 95 (36812).
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter. Ik weet dat er een onderzoek is geweest naar sec de btw,
maar dit verzoek is breder dan alleen de btw. Dit zeg ik voor het geval
er een oordeel overbodig dreigde. Dat hoeft dus niet. Het mag gewoon
oordeel Kamer zijn.
Voorzitter. Dan kom ik nog op ... Ik ga niet een heel alfabet doen, maar
ik begin wel bij de letter a. En ik heb nog drie punten.
Allereerst de a van arbeidskorting. Ik heb vandaag het amendement
gewijzigd ingediend naar aanleiding van de eerste nota van wijziging.
Daarmee zijn volgens mij al mijn amendementen inmiddels
uitgetrild.
De tweede a is die van auto en autobelastingen. Eerst maar de motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het kabinet per 1-1-2027 een pseudo-eindheffing wil
invoeren voor fossiele leaseauto's;
overwegende dat uit Ipsosonderzoek blijkt dat deze maatregel naar
verwachting leidt tot grotere uitwijkeffecten dan waar het kabinet mee
rekent, en dat daarmee de pseudo-eindheffing mogelijk minder bijdraagt
dan beoogt aan het doel van het kabinet om EV-gebruik te
stimuleren;
overwegende dat belastingen niet onder de definitie van regeldruk
vallen, maar er wel degelijk sprake kan zijn van verhoogde regeldruk
voor ondernemers vanwege hogere administratieve lasten en
nalevingskosten;
verzoekt de regering alsnog een mkb-toets en een ATR-advies plaats te
laten vinden bij deze maatregel;
verzoekt de regering deze uitwijkeffecten te monitoren, met name de
overstap naar de wat oudere fossiele auto's en de gevolgen in het
kleinere mkb, en de Kamer daarover regelmatig te rapporteren, en als
uitkomsten daar aanleiding toe geven deze te betrekken in de
besluitvorming over de pseudo-eindheffing en/of het flankerende beleid
in de belastingplannen de komende jaren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Grinwis, Inge van Dijk, Van
Eijk, Stoffer, Hoogeveen, Jimmy Dijk en Vermeer.
Zij krijgt nr. 96 (36812).
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ten slotte ga ik voorbij aan de a van afval en aan box 3. Ik ga snel
naar mijn laatste motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat samenwerking tussen melkveehouders en akkerbouwers om
tal van redenen positief is, niet in het minst omdat deze bijdraagt aan
biodiversiteit, bodem, water en het sluiten van kringlopen;
constaterende dat er significante fiscale belemmeringen zijn bij het
komen tot een geïntegreerd bouwplan door een melkveehouder en een
akkerbouwer, met name als het gaat om de toepassing van de BOR en de
landbouwvrijstelling;
verzoekt de regering fiscale knelpunten in de samenwerking tussen
melkveehouders en akkerbouwers weg te nemen, en daarbij onder meer te
onderzoeken dat bij tijdelijke uitruil van grond de schenk- en
erffaciliteit blijft gelden en dat met het oog op verbreding van de
vruchtwisseling bij pachtgrond de landbouwvrijstelling voor de eigenaar
niet verloren gaat, en de Kamer over de voortgang hiervan ruim voor de
zomer van 2026 te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Grinwis, Stoffer, Inge van Dijk
en Van der Plas.
Zij krijgt nr. 97 (36812).
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Over box 3 is genoeg gezegd. Ik beveel mijn amendement nogmaals warm
aan.
Tot zover.
De voorzitter:
U heeft het gedaan. Dank u wel, meneer Grinwis. Tot slot van de zijde
van de Kamer is het woord aan de heer Jimmy Dijk voor zijn inbreng
namens de fractie van de Socialistische Partij. Het spreekgestoelte gaat
al …
De heer Jimmy Dijk (SP):
Voorzitter, u leert snel.
De voorzitter:
Zo is dat. Gaat uw gang.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Voorzitter. Ik heb een patroon ontdekt in dit debat. Eerder heb ik de
metafoor van de zeemeeuw gebruikt, die er krijsend aan komt, de bak
leegvreet, de boel onderschijt en vervolgens wegvliegt. Ik had het over
de zeemeeuw, omdat die staat voor de zeemeeuwkapitalisten oftewel de
private-equity-"investeerders". Ik vind het onbegrijpelijk dat er dan
hier een discussie wordt gevoerd over het toch even uitstellen en niet
invoeren van de bonus voor private-equitymanagers, met het argument dat
dat schadelijk zou zijn voor start-ups en scale-ups. Pak dan dat laatste
probleem aan, zou ik zeggen. Maar gooi alstublieft niet het goeie
voorstel weg om die private-equitymanagers eindelijk eens een keer
fatsoenlijk te gaan belasten. Wat is namelijk het probleem? De
huisartsen, de dierenartsen, de kinderopvang, de ouderenzorg en, ja, ook
de thuiszorg worden ondertussen leeggeroofd door deze zeemeeuwen. Maar
ook bedrijven, fietsfabrieken en mkb's worden leeggeroofd door deze
private-equityzeemeeuwen. Oftewel: de werkende klasse heeft hier onwijs
veel last van. Dus nu afschaffen die bonus en het kabinet op pad sturen
om een oplossing te vinden voor echte start-ups en echte scale-ups, die
niet vervolgens worden overgenomen door deze zelfde
private-equityfirma's.
Maar deze Kamer, met name de rechtse meerderheid, zegt: nee, laten we
het allemaal maar uitstellen en daar geen belasting over gaan heffen.
Het is dus geen probleem om de belastingen voor werkende mensen, de
inkomstenbelastingen, te gaan verhogen. Het is geen probleem om de
belastingen op vrije tijd te gaan verhogen. Het vakantiehuisje van
normaal werkende mensen wordt flink duurder. Ben je een week een keertje
weg nadat je jarenlang hebt gewerkt, dan komt dit kabinet aan met een
btw-verhoging. Het treft juist die mensen die eindelijk een weekendje of
een week weg kunnen. Belast niet onze vrije tijd, belast niet ons werk,
belast niet ons inkomen, maar belast alstublieft die
private-equitymanagers, die zeemeeuwen. Denk aan de kosten voor de
mensen die ik net noemde: die mensen die last hebben van private equity
in de zorg, namelijk de zorgverleners, die mensen die last hebben van
private equity in onze winkelstraten, namelijk de mensen die in de
winkels werken, die mensen die last hebben van private equity in de
kinderopvang, namelijk de mensen die in de kinderopvang werken, die
mensen die in de post werken, en al die andere mensen. D66 zei in de
eerste termijn graag minder belasting op werk te willen en meer op
arbeid. Ik wil het graag zien.
Dan kom ik bij de buffelboete. Gek, dat is precies dezelfde groep.
Zorgverleners, schoonmakers, winkelpersoneel: het zijn precies die
mensen die hard getroffen worden door die private-equityzeemeeuwen. Het
is een boete voor 700.000 hardwerkende Nederlanders met een inkomen van
€12.000 tot €25.000. Die boete loopt op tot €500 per jaar voor mensen.
Dat is gewoon een boete op hard werken. Waarom krijgen die
private-equitymanagers een bonus, een belastingkorting, en werkende
mensen een boete? Het toont de signatuur van deze Kamer en dit kabinet.
Mensen die al buffelen om rond te komen krijgen nog minder te besteden
in hun portemonnee. Die buffelboete moet helemaal afgeschaft worden,
niet voor één jaar, niet voor twee jaar, maar langdurig. Daarom heb ik
daar samen met GroenLinks-Partij van de Arbeid een motie voor
ingediend.
Voorzitter. Dan heb ik nog twee moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat een specifieke belastingbonus voor managers van
(schadelijke) private-equitybedrijven de wereld op zijn kop is;
constaterende dat het onacceptabel is dat deze belastingbonus in stand
gehouden zou worden vanwege een samenloop met bonussen voor medewerkers
bij start-ups en scale-ups;
verzoekt de regering om het belastingvoordeel voor
private-equitymanagers wel af te schaffen en zelf een oplossing te gaan
zoeken voor start-ups en scale-ups,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Jimmy Dijk.
Zij krijgt nr. 98 (36812).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat een weekendje weg voor veel mensen onbetaalbaar wordt
door het verhogen van de btw op logies;
constaterende dat leuke dingen doen in je vrije tijd geen voorrecht mag
zijn voor mensen met met name een hoger inkomen;
verzoekt de regering om de btw-verhoging op logies niet door te voeren
en dit te dekken door het verhogen van een bankenbelasting,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Jimmy Dijk.
Zij krijgt nr. 99 (36812).
De heer Jimmy Dijk (SP):
Voorzitter, tot slot wil ik nog iets zeggen over die bankenbelasting. Ik
heb vandaag het nieuws gezien over ABN. ABN gaat weer op oude voet
verder: mensen ontslaan, meer gericht zijn op winstmaximalisatie en veel
meer risico's nemen. Dat kan nooit een nationale bank zijn.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Jimmy Dijk, voor uw inbreng namens de SP. Daarmee
zijn we aan het einde gekomen van de tweede termijn van de Kamer. Ik
schors tot 20.50 uur voor de beantwoording van de zijde van het kabinet.
Er zijn 23 moties. Dat gaat u ongetwijfeld lukken.
De vergadering wordt van 20.25 uur tot 20.51 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering en geef het woord aan de staatssecretaris voor
de beantwoording van de gestelde vragen en de appreciatie van de
ingediende amendementen en moties.
Staatssecretaris Heijnen:
Dank u wel, voorzitter. Ik had uit mijn eerste termijn nog drie vragen
openstaan, die ik nu kort wil beantwoorden.
Eerst een vraag van mevrouw Van Eijk. Zij vroeg naar aanleiding van de
digitalisering van de bpm om een reflectie op wat de Belastingdienst
zelf doet en wat de dienst overlaat aan ketenpartners. In het algemeen
is het efficiënt als alle uitvoeringsorganisaties doen waarin ze
gespecialiseerd zijn. De digitalisering van de bpm is daarvan een goed
voorbeeld. Dit is ook de insteek bij ander nieuw beleid. Het klopt dat
de Belastingdienst de digitalisering van de bpm vanaf 2028 kan
uitvoeren. Binnen het IV-portfolio van de Belastingdienst is voor dat
moment ruimte gereserveerd om dit project te realiseren. Realisatie vóór
die datum van 1 januari 2028 is niet haalbaar, omdat dit deel van het
IV-portfolio al gevuld is met andere taken, zoals de modernisering en
wetgeving, zoals de fiscale voertuigclassificatie.
Dan een tweede vraag, van de heer Jansen. Die gaat over de methodiek van
het onderzoek van het RIVM naar de gedragseffecten bij rokers van de
verhoging van de tabaksaccijns. Het RIVM heeft in 2024 twee
vragenlijsten uitgezet onder een representatieve groep rokers, bestaande
uit 1.394 personen. De eerste vragenlijst betrof een voormeting in maart
2024, dus vlak voor de accijnsverhoging. De tweede betrof een nameting
in december 2024, dus zeven maanden na de accijnsverhoging. De
voormeting vroeg naar de achtergrondkenmerken van de deelnemende rokers,
hun huidige rookgedrag en hun voorgenomen gedrag na de accijnsverhoging.
De nameting vroeg naar huidig rookgedrag, stopintenties en veranderingen
in rook- en koopgedrag. Vervolgens zijn de uitkomsten van de voormeting
en de nameting met elkaar vergeleken en is door de onderzoekers
geconcludeerd dat 7% van de deelnemende rokers na de accijnsverhoging
gestopt is met roken. Het onderzoek is van voor mijn tijd, maar ik
begreep dat het op 17 juli jongstleden met uw Kamer is gedeeld. Het
onderzoek heet Gedragseffecten van de accijnsverhoging op tabak in
2024.
De heer Frederik Jansen (FVD):
Ik heb een korte opmerking, een suggestie voor de staatssecretaris. Het
CBS heeft deze cijfers, van het aantal rokende Nederlanders per jaar,
dus ook gewoon. Er is geen wijziging in de trend. Er is wel een beetje
een schommelend effect. Maar ik ben toch wel heel benieuwd — misschien
wil de staatssecretaris daar wel een brief over schrijven — hoe je in
breder perspectief toch kan zien of die effecten überhaupt zo zichtbaar
zijn. Die trends, die dalingen, waren namelijk in eerdere jaren heel
vergelijkbaar.
De voorzitter:
Dit begint bijna een VWS-debat te worden, maar we gaan luisteren wat de
staatssecretaris daarover zegt.
De heer Frederik Jansen (FVD):
Ja, maar het heeft eigenlijk wel heel veel implicaties voor een
belasting.
Staatssecretaris Heijnen:
Het klopt dat het gezondheid betreft. Maar het heeft wel gevolgen voor
de tabaksaccijns en dat is denk ik de achtergrond van de vraag. Ik weet
niet precies wat de trends zijn; daar moet ik het antwoord op schuldig
op blijven. We willen ernaar kijken en u daar dan iets naders over laten
weten.
De voorzitter:
U vervolgt.
Staatssecretaris Heijnen:
Dan de laatste vraag, van de heer Stultiens, of ik naast zijn amendement
mogelijkheden zie dekking op te halen binnen de
liquidatieverliesregeling. De opbrengst van de in het amendement
voorgestelde voor-zoverbenadering is 25 miljoen. De structurele derving
— de heer Stultiens zei het al — van het arrest bedraagt 65 miljoen en
is gebaseerd op de alles-of-nietsbenadering die de inspecteur in de
casus, in het arrest, had opgenomen. Met de voor-zoverbenadering kan nog
steeds een deel van het verlies in aftrek worden genomen en daarom is de
opbrengst lager dan bij de alles-of-nietsbenadering. Om de resterende
derving van 40 miljoen op te halen binnen de liquidatieverliesregeling
kan bijvoorbeeld de drempel van 5 miljoen naar 2 miljoen worden
verlaagd. Het kabinet heeft om verschillende redenen niet voor deze
oplossing gekozen, onder meer vanwege de verwachte negatieve impact op
het bedrijfsleven en dan in het bijzonder het mkb. Ik heb u tijdens het
eerste wetgevingsoverleg een brief toegezegd om aan te geven wat we
reeds hebben onderzocht. Ik verwacht deze brief op korte termijn, begin
volgend jaar, te sturen.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Dank voor het antwoord. Dan heb ik een verzoek voor die brief. Zou de
staatssecretaris daar ook in kunnen meenemen of het mogelijk is om die
alles-of-nietsbenadering te amenderen in de wet? Wij kiezen nu namelijk
voor de voor-zoverbepaling, waardoor je slechts 25 miljoen ophaalt. Ik
ga niet binnen twee dagen de amendementen nog helemaal overhoopgooien,
maar het is wel interessant om in die brief te weten of, als je in
plaats van een voor-zover- een alles-of-nietsbenadering hanteert, je dan
een hogere opbrengst kunt krijgen.
Staatssecretaris Heijnen:
Wij nemen dat mee. Dan waren dat mijn openstaande vragen.
Ik ga beginnen met de amendementen. Ik houd het kort, met een korte
omschrijving. Ik hoop dat dat voldoende is. Ik begin met de amendementen
op het wetsvoorstel Belastingplan 2026.
Het amendement op stuk nr. 20 van de Partij voor de Dieren om de
verlenging van de accijnskorting ongedaan te maken: ontraden.
Het amendement op stuk nr. 24 dat voorstelt om met ingang van 1 juli
2026 het verlaagde btw-tarief op sierteelt te verhogen naar het algemene
btw-tarief: ontraden.
Het amendement op stuk nr. 25 schrapt de pseudo-eindheffing op
personenauto's uit het wetsvoorstel. Daarnaast wordt teruggedraaid dat
het kwarttarief op paardenvervoer vervalt met ingang van 1 januari 2026.
Ook wordt de verhoging van de motorrijtuigenbelasting voor kampeerauto's
deels teruggedraaid. Ontraden.
Het amendement op stuk nr. 30 over het schrappen van de
pseudo-eindheffing uit het Belastingplan: ontraden.
Het amendement op stuk nr. 31 over het afschaffen van de
landbouwvrijstelling per 1 januari 2026 zonder overgangsrecht:
ontraden.
Het amendement op stuk nr. 32 regelt dat de CBAM-inkomsten uit 2026 en
2027 niet worden ingezet voor de korting op de brandstofaccijns, maar
worden aangewend om bezuinigingen op het openbaar vervoer te voorkomen.
Ontraden.
Het amendement op stuk nr. 33 stelt voor om per 2026 de
belastingvermindering in de energiebelasting met 100 miljoen te
verhogen. Als dekking worden de budgetten voor de MIA en de VAMIL
verlaagd. Ontraden.
Het amendement op stuk nr. 36 stelt voor om met ingang van 1 januari
2027 de btw voor reparatie van huishoudapparaten naar 9% te verlagen en
dat te dekken met het afschaffen van het verlaagde btw-tarief voor de
sierteelt, via een separaat amendement. Ontraden.
Het amendement op stuk nr. 37, waarmee de vrijstelling voor de inkoop
van eigen aandelen wordt afgeschaft: ontraden.
Het amendement op stuk nr. 39, waarmee de voorgestelde verlaging van de
CO2-heffing voor ETS1 en lachgasinstallaties wordt
teruggedraaid, waarbij de budgettaire opbrengst wordt teruggesluisd naar
het Klimaatfonds: ontraden.
Dan het amendement op stuk nr. 41, waarmee wordt voorgesteld om groente-
en vruchtensappen per 1 januari uit te zonderen van de
verbruiksbelasting. Om deze derving te dekken stijgt het tarief van de
alcoholvrije dranken die nog wel worden belast met de
verbruiksbelasting, met €4,06 per hectoliter. Los van de brief ontraad
ik om op dit moment de sappen uit te zonderen van de verbruiksbelasting.
Dat hangt samen met het feit dat ik nog terug ga komen op de diverse
scenario's, waarbij dan ook het scenario van dit amendement kan worden
meegenomen. Ik vind het belangrijk dat uw Kamer over alle van belang
zijnde actuele cijfers beschikt voordat er op dit punt stappen worden
gezet.
Het amendement op stuk nr. 45 is het amendement om de invoering van de
multiplier uit te stellen naar 1 januari 2029. Het amendement wordt
gedekt met de verhoging van de Aof-premie voor die jaren. Oordeel
Kamer.
Het amendement op stuk nr. 46 gaat over het terugdraaien van de
voorgestelde, in het Belastingplan opgenomen structurele verhoging van
de afvalstoffenheffing met 340 miljoen. De dekking bestaat uit een
versobering van de EIA, MIA en VAMIL. Ontraden.
Met het amendement op stuk nr. 47 wordt geregeld dat de voorgestelde
verhoging van het forfait voor overige bezittingen in box 3 met 1,78% en
de verlaging van het heffingsvrije vermogen in box 3 niet doorgaan. De
dekking bestaat uit het versneld afbouwen van de wet-Hillen. Even los
van de dekking — want daar begin ik niet meer over, meneer Grinwis —
dienen aanpassingen in de eigenwoningregeling integraal gewogen te
worden. Dat is eventueel aan een volgend kabinet. Het aanpassen van de
afbouw van de wet-Hillen is daarom wat ons betreft op dit moment
onwenselijk. Dus: ontraden.
Met het amendement op stuk nr. 49 wordt beoogd de vrijstelling in de
overdrachtsbelasting ten behoeve van de bedrijfsoverdracht in de
familiesfeer uit te breiden met neven, nichten, ooms, tantes en de
partner van de ondernemer. Dit wordt gedekt door de budgetten van de MIA
en de VAMIL te verlagen. Dit amendement is een uitbreiding van een
fiscale regeling. Het doel van de familievrijstelling is om
versnippering van de onderneming na het overlijden van de eigenaar te
voorkomen. Hoewel het amendement daaraan bijdraagt, gaat het ook verder
dan dat. De uitbreiding leidt ertoe dat de vrijstelling wat ons betreft
verder van de oorspronkelijke doelstelling ervan komt te liggen. Daarom
ontraad ik dit amendement.
Met het amendement op stuk nr. 50 wordt het bedrag van de
Energie-investeringsaftrek en van de MIA dat in het jaar van de winst
kan worden afgetrokken, beperkt tot het bedrag van de winst uit de
betreffende onderneming. Niet-gerealiseerde aftrek kan in latere jaren
in aanmerking worden genomen. Oordeel Kamer.
Het amendement op stuk nr. 52 gaat over het ongedaan maken van de
voorgenomen beperkingen van de vrijstelling van
motorrijtuigenbelastingen voor oldtimers. De dekking wordt ingevuld door
een versobering van de SDE++-subsidie. Ontraden.
Met het amendement op stuk nr. 53 wordt een lagere bijtelling voor
elektrische auto's voorgesteld. Daarbij wordt het volgende aangepaste
pad voor de bijtelling voor elektrische auto's voorgesteld: 18% in 2026
voor de eerste €30.000, vervolgens 20% in 2027 en pas vanaf 2028 22%. De
dekking wordt gevonden in de youngtimerregeling. Ik snap de wens en ik
vind het ook een sympathiek voorstel. Echter, het amendement is niet
helemaal gedekt. In de kabinetsperiode resteert een derving van
cumulatief 41 miljoen. Daarom moet ik het amendement helaas
ontraden.
De heer Oosterhuis (D66):
Ik keek even of de eerste indiener ook opstond, maar ik begin alvast. Ik
denk ook dat het een heel sympathiek amendement is en ik vind het
eerlijk gezegd een beetje flauw om het vanwege de dekking te ontraden.
Er zit structureel namelijk juist een enorme overdekking in het
voorstel. Ja, op de hele korte termijn kost het 41 miljoen, over drie
jaar. Dat is 41 miljoen op een totaal van 1.400 miljard, het bedrag dat
in die jaren binnenkomt. Dat gaat dus echt over een getal waarbij we
volgens mij ver achter de komma uitkomen. Structureel schrapt dit een
ondoelmatige regeling die structureel veel geld oplevert. Het kost in
het begin juist geld omdat we die regeling op een hele nette manier
willen afschaffen. We doen dat niet in één keer, maar juist via een
ingroei. Is dit dan niet heel flauw? Maken we het onszelf dan niet
extreem moeilijk om nog iets aan te passen en iets aan fiscale
regelingen te doen?
Staatssecretaris Heijnen:
Ik hoor het verhaal en de argumentatie van de heer Oosterhuis. Ik kan me
dat vanuit zijn positie voorstellen. Aan de andere kant: ik heb te
werken met de begrotingsregels zoals we die met z'n allen hebben
afgesproken. Die volg ik.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik zeg niet dat we dit gaan doen, want dat vind ik niet netjes, maar
stel dat we de youngtimerregeling per 1 januari aanstaande in één keer
met tien jaar versoberen, waardoor er ook het eerste jaar al overdekking
is, of met vijf jaar, zodat je bijna gelijkloopt. Stel dus dat het
dekkingsargument geen opgeld meer doet, wat is dan het oordeel van de
staatssecretaris?
Staatssecretaris Heijnen:
Dan zou ik vanuit de dekking geen argument meer hebben om te zeggen
"ontraden" en dan zou ik het amendement dus oordeel Kamer kunnen
geven.
De voorzitter:
U vervolgt uw beantwoording.
Staatssecretaris Heijnen:
Ik ga naar het amendement op stuk nr. 54. In het wetsvoorstel wordt
momenteel geregeld dat de pseudo-eindheffing voor fossiele auto's steeds
voor een gehele kalendermaand wordt toegepast, ook als de fossiele auto
maar een deel van de maand ter beschikking is gesteld. Via dit
amendement wordt geregeld dat die bepaling vervalt. Wij hebben goed
gekeken naar het amendement en wij vragen ons af of het amendement zoals
het nu luidt, niet wat verder gaat dan de indiener beoogd heeft. Daarom
moeten we het amendement op dit moment ontraden.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
We hebben hier net ook al wat woorden over gewisseld. Zou de
staatssecretaris kunnen toezeggen dat dit punt bij het verder verfijnen
en uitwerken van deze regeling expliciet wordt meegenomen, vooruitlopend
op de invoering? Ik vind dat namelijk echt heel belangrijk. Als dat zo
is, dan ben ik bereid om het amendement in te trekken.
Staatssecretaris Heijnen:
Ik kan dat toezeggen.
De voorzitter:
Het amendement is ingetrokken. Welk nummer betreft dat?
Mevrouw Van Eijk (VVD):
54.
De voorzitter:
Het amendement-Van Eijk (stuk nr. 54) is ingetrokken.
De staatssecretaris vervolgt met zijn appreciatie.
Staatssecretaris Heijnen:
Dan het amendement op stuk nr. 55. Het amendement beoogt zowel het lage
als het hoge tarief in box 2 met 1,7 procentpunt te verhogen, om een
geplande bezuiniging op de jeugdzorg te schrappen. Dit amendement wordt
ontraden.
Dan het amendement op stuk nr. 59. Dit amendement schaft per 1 januari
2026 de vrijstellingen af in de energiebelasting voor metallurgische
procedés, mineralogische procedés, chemische reductie en elektrolytische
procedés anders dan voor de productie van waterstof. Dit amendement
wordt ontraden.
Vervolgens het amendement op stuk nr. 60. Voorgesteld wordt om de
algemene heffingskorting te verhogen en het aangrijpingspunt van het
toptarief in box 1 in 2026 niet te verhogen. Dit amendement ontraad
ik.
In het amendement op stuk nr. 61 wordt voorgesteld om de innovatiebox in
de vennootschapsbelasting per 1 januari 2026 af te schaffen. Dit
amendement wordt ontraden.
Dat geldt ook voor het amendement op stuk nr. 62, waarin een versobering
van de expatregeling wordt voorgesteld. Het maximumpercentage wordt
namelijk verlaagd van 30%, of 27%, naar 21%. Dit amendement wordt
ontraden.
Het amendement op stuk nr. 63 stelt voor de CO2-heffing voor
ETS1- en lachgasinstallaties helemaal af te schaffen. Voor
afvalverbrandingsinstallatie blijft de CO2-heffing bestaan.
De minister is daar, denk ik, ook al uitgebreid op ingegaan tijdens haar
termijn. Het volledig afschaffen van deze CO2-heffing zou
betekenen dat twee mijlpalen uit het HVP worden teruggedraaid, wat een
tegenvaller van maximaal 1,2 miljard euro zou betekenen. Deze financiële
tegenvaller is niet gedekt. Het is ook niet nodig gezien het voorstel
van het kabinet, dat er al voor zorgt dat vanaf volgend jaar geen
CO2-heffing door de industrie hoeft te worden betaald. Het
amendement wordt dus ontraden.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 63 is ontraden.
Staatssecretaris Heijnen:
Dan ga ik naar het amendement op stuk nr. 64: de afschaffing en
versobering van de vrijstelling en heffingskorting groen beleggen worden
teruggedraaid, gedekt door het gedeeltelijk terugdraaien van de korting
op dieselaccijns in 2026 en het structureel verhogen van de
dieselaccijns met circa €0,05 per liter ten opzichte van het basispad
vanaf 1 januari 2027. Dit amendement wordt ontraden.
Het amendement op stuk nr. 65, over het afschaffen van de
oldtimerregeling en het gebruiken van dit budget voor de MIA en de
VAMIL, wordt ontraden.
Het amendement op stuk nr. 66, waarin wordt voorgesteld een eenmalige
vrijstelling voor kinderen voor de schenkbelasting met ingang van 1
januari 2027 af te schaffen en dit geld in te zetten voor een verhoging
van het minimumjeugdloon, wordt ontraden.
Het amendement op stuk nr. 67, over het versoberen van de expatregeling
om 350 miljoen op te leveren en dit aan te wenden voor de
politieorganisatie, wordt ontraden.
Dan het amendement op stuk nr. 68. Dit amendement strekt ertoe de per
2026 voorgestelde verhoging van het forfaitaire rendement voor overige
bezittingen in box 3 te matigen en de verlaging van het heffingsvrije
vermogen terug te draaien. De benodigde incidentele dekking voor dit
amendement wordt gevonden door het aangrijpingspunt van het toptarief in
2026 niet te indexeren. Zoals bekend is er een forse dekkingsopgave in
box 3. Ik heb ook aangegeven dat ik opensta voor een alternatieve
dekking. Het kabinet heeft een voorstel gedaan voor dekking binnen
hetzelfde domein in box 3. Als de Kamer een andere afweging wil maken,
geef ik het amendement oordeel Kamer. Wel wil ik opmerken dat de
Belastingdienst in de massaal opgelegde voorlopige aanslagen
inkomstenbelasting geen rekening meer kan houden met dit amendement.
Optredende verschillen worden dan verrekend in de
definitieveaanslagregeling of na een verzoek om ambtshalve vermindering.
Met deze toevoeging kan ik dit amendement oordeel Kamer geven.
De voorzitter:
Dat betreft het amendement op stuk nr. 68.
Staatssecretaris Heijnen:
Dan het amendement op stuk nr. 69 over het herstellen van een gat in de
liquidatieverliesregeling. Dit amendement moet ik ontraden. In feite
zijn we nog bezig met een onderzoek en alternatieve opties, waar de
"voor zover"-benadering ook deel van uitmaakt. We hadden het er net ook
over. Als bij de uitwerking blijkt dat een beter alternatief voorhanden
is, kan dat eventueel worden heroverwogen. De in het amendement
voorgestelde "voor zover"-benadering vinden wij sympathiek. Het zou een
optie tot heroverweging kunnen zijn. Maar in het licht van de
aangekondigde internetconsultatie vind ik het op dit moment te vroeg om
daartoe over te gaan. Daarom ontraad ik op dit moment het
amendement.
Dan het amendement op stuk nr. 70 over de btw op openbaar vervoer op
nihil stellen. De middelen worden gehaald uit het Klimaatfonds. Dit
amendement is ontraden.
Dan het amendement op stuk nr. 71, waarmee de verhoging van het tarief
in de eerste schijf van de ib teruggedraaid wordt. Deze verhoging is
ontstaan ter dekking van de verhoging van de arbeidskorting in het
Belastingplan en de nota van wijziging daarop, in de geest van de
aangenomen motie-Klaver/Kouwenhoven. Het amendement laat de bijgestelde
knikpunten van kracht, maar verlaagt de arbeidskorting evenredig over de
volle breedte. Ik wil het amendement toch ontraden. Het kabinet is van
mening dat er sprake is van een evenwichtig koopkrachtbeeld, inclusief
de nota van wijziging. Meer werken moet volgens het kabinet lonen. Het
verlagen van de arbeidskorting draagt daar niet aan bij. Het amendement
wordt dus ontraden.
De voorzitter:
De heer Grinwis heeft daar een vraag over.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
De staatssecretaris heeft volgens mij tijdens het WGO erkend dat de
fiscale verschillen in de manier waarop verschillende huishoudens worden
belast, tot te grote proporties zijn opgelopen. Dit amendement voorkomt
dat het tarief in de eerste schijf van box 1 stijgt en haalt ook iets
van die enorme verschillen af. Ik snap dat de staatssecretaris
natuurlijk zijn eigen plannen verdedigt, maar dit amendement is zo'n
kleine correctie die er in ieder geval voor zorgt dat het tarief in box
1 niet hoger wordt. Moet het zwaartepunt van de afweging van de
staatssecretaris niet net de andere kant op vallen?
Staatssecretaris Heijnen:
Die afweging hebben we inderdaad niet gemaakt. We hebben de afweging
gemaakt die ik heb toegelicht. Ik kan me voorstellen dat de heer Grinwis
die afweging anders zou hebben gemaakt, maar wij hebben dat niet zo
gedaan.
De voorzitter:
U vervolgt.
Staatssecretaris Heijnen:
Dan ga ik naar het amendement op stuk nr. 72. Dit amendement regelt dat
het moment van de inwerkingtreding van de pseudo-eindheffing opschuift
van 1 januari 2027 naar 1 januari 2028. We zijn van mening dat we al een
ruime overgangstermijn hebben voorgesteld, waardoor bedrijven voldoende
tijd krijgen om te anticiperen op deze maatregel. Uitstel naar 2028 is
wat ons betreft dan ook niet nodig en bovendien ongewenst, gezien de
nadelige impact, met name op het halen van de klimaatdoelen in 2030. Tot
slot heeft het amendement een negatief effect op het EMU-saldo in 2026.
Daarom moeten wij dit amendement ontraden.
Dan het amendement op stuk nr. 73. Dit amendement stelt voor om 5
miljoen van het overschot op de Wbso van 2024 in te zetten om de
schijfgrens in 2026 eenmalig te indexeren met de tabelcorrectiefactor
van 2,9% tot ruim €391.000. Mevrouw Van Dijk noemde het in haar tweede
termijn een heel zacht amendement. Helaas kan ik dit amendement toch
alleen maar ontraden. De begrotingssystematiek van de Wbso staat niet
toe dat extra stimulering wordt gedekt uit onderuitputting in eerdere
jaren. Daarom is het amendement ontraden.
Dan het amendement op stuk nr. 74. Dat stelt voor om per 1 januari 2027
de btw op groente en fruit naar 0% te verlagen. Vele onderzoeken tonen
aan dat de verlaging van de btw naar het nultarief niet doelmatig, niet
doeltreffend, moeilijk uitvoerbaar en juridisch onhoudbaar is.
Gezamenlijke afspraken van de sector zijn zeer sympathiek, maar nemen
deze hindernissen niet weg. Het is een kostbare maatregel, die ook niet
adequaat gedekt wordt door een amendement waarover nog niet is gestemd,
namelijk het amendement over het afschaffen van de belastingvrijstelling
op de inkoop van eigen aandelen. Het kabinet deelt trouwens de wens om
gezondheidsdoelen te bereiken, maar denkt dat er betere maatregelen zijn
dan 0% btw op groente en fruit. Daarom ontraden wij dit
amendement.
Tot slot het laatste amendement. Dat is het amendement op stuk nr. 75,
van de heer Stoffer. Dit amendement past het in het Belastingplan 2025
opgenomen voorstel aan voor de gerichte verruiming van de regeling voor
de uitbetaling van de algemene heffingskorting aan de minstverdienende
partner. Het afbouwpunt van de uitbetaling zou naar verwachting liggen
op een inkomen van €36.000 in 2028. Met dit amendement komt het
afbouwpunt naar verwachting op €55.996 te liggen. De dekking hiervoor
wordt gevonden door de arbeidskorting bij het derde knikpunt met €27 te
verlagen. Het voorstel zorgt er wat ons betreft voor dat de fiscale
oplossing voor de eenverdienersproblematiek minder gericht wordt. Ook
zorgt de dekking door middel van de arbeidskorting ervoor dat meer
werken minder loont. Het kabinet is, zoals bekend, van mening dat meer
werken moet lonen. Daarom ontraad ik dit amendement.
Voorzitter. Dat waren de amendementen van het Belastingplan. Dan ga ik
naar de overige fiscale maatregelen.
Dan het amendement op stuk nr. 9. Dit amendement moet worden bezien in
samenhang met het amendement op stuk nr. 53 bij het Belastingplan. De
heer Oosterhuis snapt het al; helaas moet ik dit amendement
ontraden.
Dan het amendement op stuk nr. 10. Dit amendement beoogt het
overgangsrecht voor het fonds voor gemene rekening uit te breiden. Het
kabinet ontraadt dit amendement, omdat het ten eerste niet in lijn is
met het doel van het voorgestelde tijdelijke overgangsrecht, ten tweede
rechtsongelijkheid veroorzaakt en ten derde niet uitvoerbaar is per 1
januari 2026.
Dan ga ik naar de amendementen bij het wetsvoorstel Differentiatie
vliegbelasting.
Het amendement op stuk nr. 5 strekt ertoe Suriname op te nemen in de
lijst landen waarvoor het lagere vliegbelastingtarief geldt. Het kabinet
erkent de historische banden tussen Nederland en Suriname.
Tegelijkertijd is Suriname een onafhankelijke staat. Wij denken dat een
uitzondering moeilijk uitlegbaar is tegenover andere landen waarmee
Nederland eveneens historische of culturele banden onderhoudt. Een
afzonderlijke indeling voor Suriname doet daarmee ons inziens afbreuk
aan de gekozen systematiek van een heffing op basis van afstand van de
vlucht. Tevens ziet het kabinet een juridisch risico van ongelijke
behandeling van landen en luchtvaartmaatschappijen. We zien ook geen
aanknopingspunten dat historische banden in het fiscaal recht een geldig
argument kunnen zijn voor verschillende behandeling van groepen. We
moeten het amendement dus ontraden.
Dan het amendement op stuk nr. 11, waardoor vliegbelasting per 1 januari
2028 ook verschuldigd wordt voor transferpassagiers: ontraden.
Het amendement op stuk nr. 12 gaat over een differentiatie naar
reisklasse per 1 januari 2028. Een dergelijke differentiatie vergroot de
complexiteit van de heffing aanzienlijk. Reisklassen zijn namelijk niet
uniform en kennen bij de vaststelling ervan bedrijfseconomische
afwegingen. Indelingen verschillen en wisselen aanzienlijk per
luchtvaartmaatschappij, per toestel en per vliegroute. Naar huidig
inzicht acht de Belastingdienst dit voorstel door de beperkte
handhaafbaarheid op dit moment en per 1 januari 2028 niet uitvoerbaar,
dus het oordeel is: ontraden.
Tot slot het amendement op stuk nr. 13.
De voorzitter:
Maar eerst nog een interruptie van mevrouw Teunissen.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Ik heb één vraag over de differentiatie. Waarom kijkt het kabinet niet
naar bijvoorbeeld Engeland en Frankrijk, waar dit al is ingevoerd, en of
dat model overgenomen kan worden, zoals ook in het amendement staat?
Staatssecretaris Heijnen:
We hebben ook naar die landen gekeken, maar wij hebben een eigen
vliegbelasting met eigen keuzes. Ik denk niet en ik weet ook niet of de
keuzes die andere landen maken een-op-een overgenomen kunnen worden bij
onze vliegbelasting. Daar heb ik grote vraagtekens bij.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Aangezien het al in werking is in die landen, lijkt het me nuttig om
daar wel naar te kijken, ook al hebben we een ander systeem. Als die
differentiatie wat het kabinet betreft zo moeilijk is, dan is het heel
goed om met die landen in gesprek te gaan. Misschien is dat iets wat de
staatssecretaris zou willen overwegen.
Staatssecretaris Heijnen:
Ik wil dat zeker overwegen.
De voorzitter:
Dank u wel. Bent u daarmee aan het einde gekomen van de appreciatie van
de amendementen?
Staatssecretaris Heijnen:
Bijna, voorzitter. Ik heb er nog eentje.
Met het amendement op stuk nr. 13 wordt met ingang van 1 januari 2030
een apart tarief in de vliegbelasting geïntroduceerd voor
privévliegtuigen. Alles overziende kunnen wij dit amendement oordeel
Kamer geven.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Met dat laatste ben ik blij. Ik heb één vraag over deze lijst. De
staatssecretaris is relatief streng met het ontraden van amendementen,
durf ik wel te zeggen. Mijn vraag gaat over het verschil tussen een
amendement van de VVD en een van GroenLinks-PvdA, namelijk de
amendementen op de stukken nrs. 60 en 68. Beide partijen zeggen
eigenlijk: laten we het toptarief, die schijfgrens, bevriezen. Dat kan
gewoon qua uitvoering. Het verschil is alleen dat wij dat geld
terugschuiven naar lage- en middeninkomens die werken en dat de VVD het
gebruikt voor box 3-dekking. Ik begrijp niet waarom een dekking binnen
het domein van box 1 wordt ontraden, terwijl een schuif van inkomen uit
arbeid naar vermogen oordeel Kamer krijgt. Kan de staatssecretaris dat
toelichten?
Staatssecretaris Heijnen:
Zeker. Ik denk dat wij met name hebben gekeken naar de doelstelling van
het amendement. De doelstelling is een verlaging van het tarief in box
3. Ik denk dat er een brede meerderheid in deze Kamer is die zich
ongemakkelijk voelt bij het hoge box 3-tarief. De dekking is inderdaad
buiten het domein van box 3, maar het belangrijkste was de reden voor
het amendement en het aanpassen van box 3. Dat is de reden waarom we dit
amendement oordeel Kamer geven en het amendement van GroenLinks-PvdA
ontraden.
De voorzitter:
Tot slot op dit punt.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Tot slot. Wat is dan precies het bezwaar tegen ons amendement om binnen
box 1 te schuiven met de schijfgrens naar werkende middeninkomens? Ook
dat is een groep waarvan partijen hier vaak aangeven dat die belangrijk
wordt gevonden.
Staatssecretaris Heijnen:
Ik weet niet of daar een bezwaar tegen is. Alleen, we hebben daar als
kabinet niet voor gekozen. We hebben koopkrachtplaatjes gepresenteerd
die voor alle inkomensgroepen 1,3% laten zien. We zien hier een
mogelijkheid, een kleine mogelijkheid, om iets te doen aan het verhoogde
box 3-tarief; dat was de doelstelling.
De voorzitter:
Dan zijn we nu toe aan de appreciatie van de moties. Mevrouw Van Eijk,
heeft u toch nog een interruptie over de amendementen?
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Nee, ik heb een vraag voor mijn eigen administratie. Een deel hebben we
schriftelijk geapprecieerd gekregen, met daarbij de uitvoeringstoetsen
of quickscans. Krijgen we de amendementen die nu mondeling zijn
geapprecieerd ook nog schriftelijk? En krijgen we daarbij ook nog de
uitvoeringstoetsen? Ik heb zelf namelijk twijfels over een appreciatie
die is gedaan ten aanzien van de uitvoerbaarheid van een van de
amendementen.
De voorzitter:
Staatssecretaris, komt u nog met een brief?
Staatssecretaris Heijnen:
Ik weet niet wat te doen gebruikelijk is, maar ik ga ervan uit, dus
ja.
De voorzitter:
Wij zijn er hier van uitgegaan, dus als het goed is wel. Mevrouw Van
Eijk en anderen zijn daar ook mee geholpen.
Staatssecretaris Heijnen:
Ik vertrouw volledig op uw uitgangspunt, voorzitter.
De voorzitter:
Ach, dank u wel. Dat is altijd goed om te horen. We gaan naar de
appreciatie van de ingediende moties.
Staatssecretaris Heijnen:
Voorzitter, dank. Ik begin met de motie op stuk nr. 76, van de heer
Vlottes, over de btw op boodschappen op 0% zetten en dit dekken uit de
ontwikkelingssamenwerkingsbegroting. De motie is ontraden. Een laag
btw-tarief is ondoelmatig. Het leidt tot allerlei
afwikkelingsvraagstukken. De motie is niet zuiver gedekt.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 76: ontraden. De motie op stuk nr. 77.
Staatssecretaris Heijnen:
De motie op stuk nr. 77: oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 77: oordeel Kamer. De motie op stuk nr. 78.
Staatssecretaris Heijnen:
De motie op stuk nr. 78: oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 78: oordeel Kamer. De motie op stuk nr. 79.
Staatssecretaris Heijnen:
De motie op stuk nr. 79: oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 79: oordeel Kamer. De motie op stuk nr. 80.
Staatssecretaris Heijnen:
De motie op stuk nr. 80: oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 80: oordeel Kamer. De motie op stuk nr. 81.
Staatssecretaris Heijnen:
De motie op stuk nr. 81 oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 81: oordeel Kamer. De motie op stuk nr. 82.
Staatssecretaris Heijnen:
De motie op stuk nr. 82 ontraden we.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 82: ontraden. De motie op stuk nr. 83.
Staatssecretaris Heijnen:
De motie op stuk nr. 83: oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 83: oordeel Kamer. De motie op stuk nr. 84.
Staatssecretaris Heijnen:
De motie op stuk nr. 84: oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 84: oordeel Kamer. De motie op stuk nr. 85.
Staatssecretaris Heijnen:
De motie op stuk nr. 85: oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 85: oordeel Kamer. De motie op stuk nr. 86.
Staatssecretaris Heijnen:
We hadden wat moeite met deze motie. Die verzoekt de regering een
beleidskader aan de Kamer voor te leggen. Een beleidskader is volgens
ons wat meer voor een politieke weging. Vandaar dat wij deze motie
ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 86 is ontraden. De motie op stuk nr. 87.
Staatssecretaris Heijnen:
Dan de motie op stuk nr. 87. Dit debat gaat over het Belastingplan. De
motie gaat daar niet over en past, denken wij, beter bij het debat over
het Meerjarig Financieel Kader. Vandaar zeggen wij: ontijdig en dien 'm
daar in.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 87: ontijdig. De motie op stuk nr. 88.
Staatssecretaris Heijnen:
De verwachte Duitse tariefverlaging doet geen afbreuk aan de inschatting
dat de uitwijkeffecten beperkt zijn. Dat heb ik in mijn bijdrage ook
aangegeven. Het verschil op de korte vluchten van €3 is naar onze
inschatting te klein om de keuze voor een luchthaven te beïnvloeden. We
zien dan ook niet echt reden om nieuw onderzoek te doen, dus de motie is
ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 88 is ontraden. Ik ga nog heel even terug naar de
motie op stuk nr. 87. Meneer Hoogeveen, na de appreciatie ontijdig van
het kabinet is het verzoek of u bereid bent om de motie aan te houden.
Als dat niet het geval is, wordt die in stemming gebracht met de
appreciatie ontijdig, maar dat is aan u.
De heer Hoogeveen (JA21):
Voorzitter, het is prima om 'm aan te houden.
De voorzitter:
Op verzoek van de heer Hoogeveen stel ik voor zijn motie (36812, nr. 87)
aan te houden.
Daartoe wordt besloten.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 88 kreeg de appreciatie ontraden. Dan zijn we bij
de motie op stuk nr. 89.
Staatssecretaris Heijnen:
Als de verhoging van de tabaksaccijns wordt teruggedraaid, resteert een
dekkingsopgave. De raming is gebaseerd op de beste inzichten die
beschikbaar waren en is tevens gecertificeerd door het CPB. Wij moeten
deze motie dus ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 89 is ontraden. De motie op stuk nr. 90.
Staatssecretaris Heijnen:
De motie op stuk nr. 90: ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 90: ontraden. De motie op stuk nr. 91.
Staatssecretaris Heijnen:
"In te spannen een kopgroep te vormen." Ik heb in mijn bijdrage
aangegeven dat het kabinet bereid is om te sonderen. Deze motie zien wij
toch iets verder gaan, waarbij wij min of meer zouden moeten gaan
lobbyen. Vandaar dat wij deze motie ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 91 wordt ontraden.
De motie op stuk nr. 92.
Staatssecretaris Heijnen:
Ik heb dan de motie op stuk nr. 93.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 92 is van de minister van Klimaat en Groene Groei.
Dan gaan we naar de motie op stuk nr. 93.
Staatssecretaris Heijnen:
Gelukkig. De motie op stuk nr. 93 ontraad ik, voorzitter.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 93 wordt ontraden.
En de motie op stuk nr. 94?
Staatssecretaris Heijnen:
De motie op stuk nr. 94: oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 94 krijgt oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 95.
Staatssecretaris Heijnen:
Daar zit ik, ook gezien de oproep van de heer Grinwis, te twijfelen. Ik
zou me kunnen voorstellen dat we deze het oordeel "ontijdig" zouden
geven, maar dat wil ik niet doen. Dus oordeel Kamer.
De voorzitter:
U bent genereus. De motie op stuk nr. 95 krijgt oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 96 is voor de minister. We gaan naar de motie op
stuk nr. 97.
Staatssecretaris Heijnen:
De motie op stuk nr. 97: oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 97 krijgt oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 98.
Staatssecretaris Heijnen:
De motie op stuk nr. 98: oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 98 krijgt oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 99.
Staatssecretaris Heijnen:
Een verlaagd btw-tarief is al vaker aan de orde geweest. Dat is een
ondoelmatig instrument, dat het belastingstelsel complexer maakt. Het
verhogen van de bankenbelasting vinden wij ook onverstandig. Dus de
motie op stuk nr. 99 ontraad ik.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 99 wordt ontraden.
Had u nog een laatste cri de coeur voor het parlement?
Staatssecretaris Heijnen:
Zeker. Ik wil u en alle leden hartstikke bedanken dat zij hier tot bijna
21.30 uur met ons in debat zijn gegaan. Ik wil ook nog expliciet onze
teams — ze zitten allemaal in kamers hier — bedanken, zowel dat van de
minister als ons team. Die mensen hebben de afgelopen weken namelijk
echt keihard gewerkt. Iedereen heeft hard gewerkt, maar zij hebben nog
harder gewerkt.
Dank u wel.
De voorzitter:
Zo is dat. Dank u wel en …
(Geroffel op de bankjes)
De voorzitter:
Dat is een waardering waard. Dank u wel ook voor uw medewerking.
Dan is tot slot het woord aan de minister van Klimaat en Groene Groei
voor in ieder geval de appreciatie van twee moties en eventuele
antwoorden op vragen.
Minister Hermans:
Voorzitter. Er zijn mij geen vragen meer gesteld. Ik zal ook geen poging
doen om de spreektijd van de staatssecretaris nog te overtreffen in de
tweede termijn. Ik zal de oordelen dus kort houden.
Ik moet de motie op stuk nr. 92 van mevrouw Teunissen ontraden, onder
verwijzing naar het debat.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 92 wordt ontraden.
Minister Hermans:
Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 96 van de heer Grinwis en nog een
aantal andere leden van de Kamer. Er zitten twee verzoeken in. Het punt
is nu even dat ik het ene verzoek oordeel Kamer kan geven en het andere
verzoek moet ontraden. Dat betreft het verzoek om alsnog een mkb-toets
en een ATR-advies plaats te laten vinden. Ik heb daar in eerste termijn
het een en ander over gezegd. Dat deel van het verzoek moet ik ontraden,
want dat kan ik niet doen. Als de heer Grinwis bereid is om dat verzoek
te laten vallen, dan kan ik de motie oordeel Kamer geven, omdat ik het
tweede verzoek in de motie ondersteun. Daar wil ik graag uitvoering aan
geven.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik overleg dit even met mijn mede-indieners. Wat is nou wel haalbaar? De
minister zegt dat het niet haalbaar is. Geldt dit voor allebei? Is de
mkb-toets niet haalbaar? Is het ATR-advies niet haalbaar? Is een van
beide wel haalbaar? Wat is wel mogelijk? Ik neem aan dat de minister de
zorg van de Kamer begrijpt. De Kamer denkt immers: deze toetsen zijn er
niet voor niks.
Minister Hermans:
Nee. Ik trek dit even uit elkaar. Over het ATR-advies heb ik in eerste
termijn in reactie op een vraag van de heer Hoogeveen een uitleg
gegeven. Het hele pakket Belastingplan is aan ATR voorgelegd. ATR heeft
daar zelf maatregelen uit genomen om te toetsen, terwijl ATR dat voor
andere maatregelen niet nodig achtte of daar geen bovenmatige regeldruk
zag. Ik zeg het even in mijn woorden; ATR heeft dat natuurlijk veel
mooier verwoord. Dit is ook echt de expertise van ATR, dus ik vind het
nu, nadat deze toets al heeft plaatsgevonden — die doen we altijd bij
indiening van een voorstel — niet nodig om die alsnog te vragen. De
mkb-toets doen wij ook vooraf. De vraag daarbij is: hoe ziet de
uitvoerbaarheid er in dit geval voor het mkb uit? Wat ik wel kan doen en
ook al heb toegezegd is om komend jaar in de verdere uitwerking en
specificering van die regeling met het mkb en de branche bijvoorbeeld
naar de definitie van woon-werkverkeer te kijken. Als wij in het gesprek
tot elementen komen die we kunnen versimpelen, waardoor de uitvoering
beter en misschien ook wel gemakkelijker wordt, dan ben ik daar altijd
toe bereid. Dat kan ik toezeggen. Tegen de heer Grinwis zeg ik dat dit
wel echt iets anders is dan het alsnog laten uitvoeren van een mkb-toets
en een ATR-advies.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik kijk met een schuine blik naar de mede-indieners. Helemaal uitgetrild
is het niet, maar ik zeg toe, met omarming van de toezegging van de
minister, dat ik het eerste verzoekje schrap en de rest volledig laat
staan. Ik reken op een ruimhartige uitvoering van de toezegging.
Minister Hermans:
Zeker. De heer Grinwis en de mede-indieners van de motie kunnen rekenen
op een ruimhartige uitvoering van de toezegging. Met alleen het tweede
verzoek erin krijgt de motie op stuk nr. 96 dus oordeel Kamer.
De voorzitter:
Voor het stenogram: de motie op stuk nr. 96 krijgt in haar huidige vorm
de appreciatie "ontraden", maar als de heer Grinwis een gewijzigde
versie indient waarbij hij het eerste verzoek laat vallen, krijgt deze
motie oordeel Kamer. Akkoord?
Minister Hermans:
Akkoord.
De voorzitter:
Heeft u nog een cri de coeur?
Minister Hermans:
Nee, voorzitter. Ik heb de eer en het genoegen gehad om een klein deel
van deze behandeling van het Belastingplan bij te wonen. Dank daarvoor.
Ik herhaal graag de woorden van de staatssecretaris: heel veel dank aan
alle ambtenaren van KGG en het ministerie van Financiën, want dit zijn
echt gigantische klussen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de behandeling van
het pakket Belastingplan 2026, in ieder geval in deze Kamer.
De algemene beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
Stemmingen zullen plaatsvinden aanstaande donderdag. Aan het einde van
de ochtend stemmen we over alle amendementen en bij de aanvang van de
middagvergadering zijn de stemmingen betreffende de wetten. De
incidentele suppletoire begroting inzake de bestrijding van drones komt
daar achter weg.
Ik dank de staatssecretaris, de minister, de Kamerleden en natuurlijk
onze collega's van de Kamerorganisatie. Ik sluit de vergadering.
Sluiting
Sluiting 21.33 uur.
ONGECORRIGEERD STENOGRAM Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden
ontleend. |
|---|