Tweeminutendebat Acute zorg (CD 25/9) (ongecorrigeerd)
Stenogram
Nummer: 2025D48603, datum: 2025-11-26, bijgewerkt: 2025-11-27 09:21, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2025-11-26 10:40: Tweeminutendebat Acute zorg (CD 25/9) (Plenair debat (tweeminutendebat)), TK
Preview document (🔗 origineel)
Acute zorg
Acute zorg
Aan de orde is het tweeminutendebat Acute zorg (CD d.d.
25/09).
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het volgende tweeminutendebat,
over acute zorg. Zoals ik net al zei, is dit wederom met de minister van
VWS.
Als eerste wil ik graag het woord geven aan mevrouw Van der Plas namens
BBB. Gaat uw gang.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Goedemorgen, allemaal. Voorzitter. Ik heb twee moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de zorgsector kampt met een afnemende beroepsbevolking
en tegelijkertijd steeds hogere eisen aan zorgpersoneel worden
gesteld;
overwegende dat deze combinatie leidt tot toenemende werkdruk, stress en
risico op uitval, zoals blijkt uit recente cijfers van het Centraal
Bureau voor de Statistiek en TNO;
verzoekt de regering in kaart te brengen welke extra eisen en taken de
afgelopen tien jaar aan zorgpersoneel zijn toegevoegd en welke
beleidsregels en bekostigingssystemen hebben bijgedragen aan de huidige
personeelstekorten;
verzoekt de regering de Kamer hierover uiterlijk in het tweede kwartaal
van 2026 te informeren, inclusief voorstellen om deze druk structureel
te verlagen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.
Zij krijgt nr. 470 (29247).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de acutezorgketen, inclusief
spoedeisendehulpafdelingen, acute verloskunde en
intensivecareafdelingen, onder druk staat door vergrijzing, stijgende
zorgvraag en personeelstekorten;
overwegende dat het huidige stelsel van prestatiebekostiging perverse
prikkels bevat die leiden tot overbehandelingen en centralisatie;
verzoekt de regering hoe dan ook budgetbekostiging in te voeren voor de
spoedeisende hulp, acute verloskunde en intensive care,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.
Zij krijgt nr. 471 (29247).
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dat was 'm. Welkom aan de scholieren op de tribune. Mooi dat jullie er
zijn!
De voorzitter:
Dank voor uw inbreng.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
En natuurlijk ook welkom aan de andere mensen!
De voorzitter:
Nogmaals dank. Mevrouw Dobbe gaat nu spreken. Dat doet zij namens de
Socialistische Partij. Gaat uw gang.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dank u wel. Ook goedemorgen aan iedereen, overal.
Ik heb twee moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er momenteel wordt gesproken over het concentreren van
de 24 uurszorg van het Spaarne Gasthuis in Haarlem-Zuid of
Hoofddorp;
constaterende dat er daarnaast wordt gesproken over het afschalen van de
zorg in het ziekenhuis in Haarlem-Noord, ondanks de belangrijke
regionale functie daarvan;
overwegende dat het verder uitkleden van ziekenhuizen niet in het belang
is van patiënten;
verzoekt de regering om zich ervoor in te zetten om een volwaardig
ziekenhuis te behouden in Haarlem en Hoofddorp en de zorg in het
ziekenhuis in Haarlem-Noord niet af te schalen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Dobbe.
Zij krijgt nr. 472 (29247).
Mevrouw Dobbe (SP):
En de tweede.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het kabinet voornemens is om per 1 januari 2027
budgetbekostiging in te voeren in de acute zorg, waarbij parallel een
groeipad wordt uitgewerkt voor een optimale bekostiging, bestaande uit
een differentiatie aan acute zorg en een toekomstbestendig
normenkader;
overwegende dat een concrete en spoedige uitwerking en uitvoering van
dit groeipad essentieel is om de invoering van budgetbekostiging in de
acute zorg te laten slagen;
overwegende dat de minister voornemens is de Kamer hierover in Q1 2026
nader te informeren, maar dat een concreet plan ontbreekt;
verzoekt de regering om een concreet plan te maken voor de uitwerking en
uitvoering van het groeipad voor de acute zorg, waarin per onderdeel
tijdlijnen en deadlines worden vastgesteld, en de Kamer hierover in Q1
2026 te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Dobbe en Krul.
Zij krijgt nr. 473 (29247).
Mevrouw Dobbe (SP):
Deze motie roept op om concreet te worden.
De voorzitter:
De heer Claassen heeft een interruptie over de tweede motie, denk ik. O,
toch over de eerste motie? Gaat uw gang.
De heer Claassen (PVV):
Het gaat over de eerste motie. Ik krijg een beetje Groundhog
Day-gevoelens bij die motie, want we hebben een soortgelijk verhaal
gezien bij het Zuyderland. Wat gaat er nu anders, volgens de SP, dan wat
er bij het Zuyderland is gebeurd? Het verzoek dat u doet in deze motie,
hebben we tweeënhalf jaar geleden ook gedaan bij het Zuyderland. Ik
vraag aan de SP: wat gaat u nu anders doen om te voorkomen dat we in een
soortgelijke situatie terechtkomen als bij het Zuyderland?
Mevrouw Dobbe (SP):
Nou, de heer Claassen vraagt aan de SP wat wij anders gaan doen. Wij
hebben altijd gepleit voor het volwaardig openhouden van het Zuyderland.
In tegenstelling tot de heer Claassen zaten wij niet voor een deel van
de afgelopen periode in het kabinet. Wij gaan niet zo veel anders doen.
Wij blijven doordrukken dat het ziekenhuis volwaardig behouden blijft,
zowel in Haarlem als in Heerlen. De heer Claassen was mij net voor, want
ik heb hier een hele stapel moties meegenomen over het
Zuyderlandziekenhuis, die niet zijn uitgevoerd. Dat zijn moties die
onder andere ingediend zijn door de heer Claassen, weet ik, omdat hij
ook opkomt voor behoud van een volwaardig ziekenhuis als het Zuyderland.
Ik wilde de minister vragen: wat is er gebeurd met al deze moties? Welke
inzet is er daadwerkelijk geweest? Waarom worden deze moties, die zijn
aangenomen, keer op keer op keer op keer niet uitgevoerd?
De heer Claassen (PVV):
Tot slot, voorzitter. Ik ben een medestander van mevrouw Dobbe en dat
weet mevrouw Dobbe. Daarom de vraag … Laat ik het anders zeggen: wat
gaan we beiden dan anders doen? Wat is het achterliggende plan om het
anders te gaan doen dan de vorige keer? Als we hetzelfde doen als wat we
deden, krijgen we hetzelfde als wat we nu hebben. Wat gaan wij beiden nu
anders doen?
Mevrouw Dobbe (SP):
Ik denk dat het voor ons als Kamer belangrijk is om niet te accepteren
dat moties niet worden uitgevoerd. Daarom vraag ik ook aan deze minister
waarom deze moties niet zijn uitgevoerd. Volgens mij moeten wij samen
optrekken om ervoor te zorgen dat als deze Kamer besluit om iets te
willen en iets te doen, en aan het kabinet vraagt om iets te gaan doen,
dat het ook daadwerkelijk gebeurt. Dat is bij het Zuyderland tot nu toe
nog niet gebeurd. Dat mogen wij niet accepteren. Daar moeten wij op
blijven aandringen. Daarom heb ik een hele concrete vraag: wat heeft de
minister gedaan met al deze moties? Ik kan ze allemaal opnoemen, maar
daar heb ik de tijd niet voor. U kunt ze echter wel allemaal nazoeken,
want alle moties die zijn aangenomen over het Zuyderland pleiten voor
inzet om het te behouden, inzet om het volwaardig te behouden en ervoor
te zorgen dat het gewoon gebeurt. Dat is allemaal niet gebeurd en dat is
heel kwalijk. Wij, als Tweede Kamer, mogen dat niet accepteren; dat ben
ik helemaal met de heer Claassen eens.
De voorzitter:
Dank u voor uw inbreng.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dan heb ik nog één vraag. De vorige keer in dit debat heb ik gevraagd,
en heb ik een toezegging gekregen van deze minister, of er in ieder
geval per afdeling van het Zuyderlandziekenhuis inzicht zou kunnen komen
in waar de tekorten zitten, ook in de opleiding per afdeling. Die
toezegging hebben wij gekregen, maar dat hebben wij, net zoals de
uitvoering van deze motie, nog niet gezien. Ik wil dus vragen: wanneer
wordt deze toezegging uitgevoerd?
Dank u wel.
De voorzitter:
Hartelijk dank voor uw inbreng. Dan gaan we nu luisteren naar de heer
Claassen. Hij voert het woord namens de PVV-fractie. Ga uw gang.
De heer Claassen (PVV):
Ik heb twee moties. Eentje gaat toch weer over de ambulancezorg, maar op
een andere manier.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat nog niet iedere Advanced Life Support-ambulance in
Nederland over de apparatuur beschikt om ter plaatse cardiale enzymen,
de zogenaamde troponines, te kunnen bepalen;
overwegende dat patiënten hierdoor vervoerd worden naar het ziekenhuis
en hun eigen risico daardoor direct kwijt zijn;
overwegende dat het bepalen van cardiale enzymen door de ambulancedienst
vele ritten naar het ziekenhuis en opnames op de Eerste Hart Hulp
voorkomt en dit daardoor de beschikbaarheid van zorg ten goede
komt;
verzoekt de regering te bewerkstelligen dat elke Advanced Life
Support-ambulance in Nederland wordt uitgerust om zelfstandig cardiale
enzymen te kunnen testen en dat deze handeling standaard wordt opgenomen
in de protocollen van Ambulancezorg Nederland,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Claassen en Ten Hove.
Zij krijgt nr. 474 (29247).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het groeipad voor de invoering van budgetfinanciering
nog niet concreet is;
overwegende dat voorkomen moet worden dat budgetfinanciering voor alle
SEH's niet geregeld is voor de deadline in juli, waardoor men in 2028
niets aan de herverdeling heeft;
overwegende dat budgetfinanciering zou moeten leiden tot kostenreductie
acute zorg voor regionale ziekenhuislocaties;
verzoekt de regering om voor de Voorjaarsnota 2026 een concreet en
volledig overzichtelijk groeipad voor de invoering van
budgetfinanciering voor alle SEH's met de Kamer te delen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Claassen.
Zij krijgt nr. 475 (29247).
Hartelijk dank voor uw inbreng. We gaan nu luisteren naar de heer Bushoff van de fractie van GroenLinks-Partij van de Arbeid. Ga uw gang.
De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb één vraag en één motie. Ik begin met de
motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat voorkomen beter is dan genezen voor patiënten, de druk
op de acute zorg en de kosten;
overwegende dat ongewenste prikkels voor ziekenhuizen en zelfstandige
behandelcentra er juist voor zorgen dat de zorgvraag en -kosten stijgen,
zoals vergoeden per verrichte behandeling, waardoor het aantrekkelijker
is een patiënt te opereren dan diegene bijvoorbeeld naar de
fysiotherapeut te sturen;
overwegende dat het veranderen van dergelijke ongewenste financiële
prikkels en preventieve maatregelen zoals proactieve zorgplanning bij
patiënten in de laatste levensfase kunnen bijdragen aan het beheersbaar
houden van de (acute) zorgvraag en de kosten en doorgaans prettiger zijn
voor patiënten;
verzoekt de regering een verkenning uit te voeren naar hoe het
verminderen van ongewenste prikkels enerzijds en een verhoogde inzet van
proactieve zorgplanning en preventie anderzijds kunnen bijdragen aan het
verlagen van het aantal niet-noodzakelijke operaties en
ziekenhuisbezoeken, en opties hiervoor aan de Kamer voor te
leggen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Bushoff.
Zij krijgt nr. 476 (29247).
De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter. Deze motie heeft dus als doel om ervoor te zorgen dat er
minder mensen onnodig in het ziekenhuis terechtkomen. Dat is echt
prettig voor mensen zelf, dat is goed om de druk op de acute zorg te
verlichten en dat is ook echt heel erg belangrijk voor het beheersbaar
houden van de kosten. Vandaar deze motie, om toch te kijken of we hier
in ieder geval de komende jaren een stap in kunnen zetten. Dit zou een
voorbereidende stap kunnen zijn. In dit licht zou de minister deze motie
ook kunnen zien.
Tot slot nog één vraag. Die gaat over concentratie in verhouding tot het
in de regio beschikbaar houden van acute zorg. Er worden nu
voorbereidingen getroffen voor de eerste tranche van de concentratie van
zorg middels volumenormen. Daarover leven best wel veel zorgen, met name
in dunner bevolkte regio's. Ik wil de minister daarom ten eerste vragen
of hij deze zorgen herkent en ten tweede of hij de opvatting van
GroenLinks-PvdA deelt dat als je concentreert, dit altijd hand in hand
moet gaan met goede randvoorwaarden voor de spreiding van acute
zorg.
Tot zover.
De voorzitter:
Hartelijk dank. Tot slot in de termijn van de Kamer geef ik het woord
aan de heer Bevers. Hij voert het woord namens de VVD-fractie. Gaat uw
gang.
De heer Bevers (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Geen moties vanuit de VVD, maar wel een paar
korte opmerkingen. Ik heb in het debat Acute zorg aangekondigd met,
helaas inmiddels voormalig, collega Joseph een aantal zaken rond de
mmt's in Oost-Nederland en Zuid-Nederland te gaan proberen te regelen.
We hebben daarvoor voor de verkiezingen nog een amendement ingediend.
Dat proces loopt. We proberen dat nog wat te verfijnen in overleg met de
minister.
Wat betreft de budgetbekostiging ben ik in het debat helder geweest: de
VVD is geen voorstander van invoering daarvan. We hebben echter daarover
een afspraak gemaakt en we zullen ons daaraan houden. Ik heb
toezeggingen van deze minister gekregen over de monitoring en de
verslagen over de invoering daarvan en de effecten daarvan.
Voorzitter. Gezien het advies van de NZa om de budgetbekostiging voor de
acute verloskunde niet in te voeren, zullen we daar ongetwijfeld
binnenkort opnieuw over spreken met elkaar.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Een ogenblik, meneer Bevers. Wilt u nog even blijven staan, want u
krijgt nog interrupties. Als eerste is er een interruptie van de heer
Bushoff.
De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):
Toch even over die budgetbekostiging. Het kan natuurlijk heel goed dat
daar verschillende gevoelens over leven in de Kamer, maar ik heb toch de
volgende vraag. Er zijn heel veel mensen, met name uit de dunner
bevolkte regio's — ik denk bijvoorbeeld alleen al aan de provincie
Friesland, die de heer Bevers goed bekend is — zoals bestuurders van
regionale ziekenhuizen en bestuurders van gemeenten, maar ook de
zorgverleners en de mensen die daar wonen, die zeggen: help ons nou om
de zorg in de regio overeind te houden. Budgetbekostiging zou daar echt
een bijdrage aan kunnen leveren. Hoe reageert de heer Bevers in de
richting van al deze mensen, ook in de richting van de mensen in zijn
eigen provincie?
De heer Bevers (VVD):
Ik ben daar steeds heel duidelijk over geweest. Ik ben het zeker met u
eens dat we ervoor moeten zorgen dat zorg dichtbij goed en op een
verantwoorde manier geregeld wordt. Dat kan ook in de acute zorg in een
aantal tussenvormen, anders dan spoedeisende hulp financieren via de
budgetbekostiging. Ik weet van de situatie — u kent die ook — dat de
fusieplannen vanuit Leeuwarden, Heerenveen, Sneek en Joure afgeketst
zijn omdat er toch getracht wordt ook daar een eigen spoedeisende hulp
open te houden. Laat ik heel helder zijn: de VVD is er gewoon niet van
overtuigd dat de grote problemen in de spoedeisende zorg, die met name
zitten in het oplossen van de personeelsproblemen, de beschikbaarheid
van personeel, worden opgelost door budgetbekostiging. Daarom zeggen
wij: ja, zoek naar goede vormen, maar ga daar niet geforceerd op deze
manier mee om. Ik heb ook gezegd dat wij ons aan de afspraak houden, dus
daar kan u wel van uit blijven gaan. Maar het is heel helder: zorg
dichtbij moet goed geregeld worden. We kunnen ook werken met
spoedklinieken. Ik ben in Hoogeveen geweest, waar ze dat op die manier
hebben opgelost. Er zijn dus wel degelijk mogelijkheden. Drenthe is een
goed voorbeeld: daar kan het wel zonder coûte que coûte de spoedeisende
hulp open te houden.
De voorzitter:
Afrondend, meneer Bushoff.
De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):
Afrondend. Ik denk dat iedereen in deze Kamer zegt: personeelstekorten
in de zorg moet je ook aanpakken, wil je inderdaad de zorg beschikbaar
houden, juist ook in de regio. Ik denk dat iedereen het daarover eens
is. Maar de vraag is: is het of-of of is het en-en? Moet je ook wat doen
aan de bekostiging van de acute zorg, zoals bepleit wordt door met name
al die mensen die in die regionale ziekenhuizen werken en door de
bestuurders die daarmee te maken hebben et cetera? Ik krijg gewoon niet
helder van de VVD wat zij tegen die mensen zegt. Waarom zou het niet het
verhaal van en-en zijn?
De heer Bevers (VVD):
Het verhaal is uiteindelijk en-en. Daarom hebben wij ook gezegd dat wij
ons aan de afspraak houden. Maar laat het helder zijn: je spreekt in de
volle breedte over dit probleem. Wij hebben daar zowel bij topklinische
als bij regionale ziekenhuizen en ook bij umc's over gesproken. Je ziet
dat er verdeeld wordt gedacht over het idee dat budgetbekostiging de
oplossing zou zijn voor de problemen voor het openhouden van een
spoedeisende hulp. Wij denken dat het echt niet de oplossing is.
Mevrouw Dobbe (SP):
Die budgetbekostiging moet er natuurlijk gewoon komen, want dat is iets
wat de Kamer heeft besloten en wil, net zoals het openhouden van het
Zuyderlandziekenhuis en andere ziekenhuizen in de regio. Maar dus ook
het Zuyderlandziekenhuis. Ik had net een hele stapel met moties bij me
die zijn aangenomen in de Tweede Kamer, om een volwaardig ziekenhuis in
Heerlen, het Zuyderlandziekenhuis, te behouden. Die moties worden gewoon
niet uitgevoerd. Dat is natuurlijk niet uit te leggen aan de mensen in
Heerlen en omgeving. Ik vroeg mij af: wat vindt de heer Bevers er nu van
dat die moties van de Tweede Kamer niet worden uitgevoerd?
De heer Bevers (VVD):
Daar kan ik een heel formeel antwoord op geven, maar ik zal er iets
nader op ingaan. Bij de moties die wij hier indienen is altijd de vraag:
gaan wij erover? Hebben wij er iets over te zeggen? Dat is toch een
lastige vraag. Wij kunnen de minister een opdracht geven, maar de
conclusie van de minister kan wel zijn dat de motie zoals de Kamer die
heeft ingediend, niet of moeilijk uitvoerbaar is of dat hij daarbij op
problemen stuit. Dat is een vraag die u bij de minister neer moet
leggen: waarom is dat zo? Natuurlijk moet een motie in principe
uitgevoerd worden — we hebben straks nog een ander tweeminutendebat;
daar komt dat ook aan de orde — tenzij het kabinet of de minister
constateert dat niet waar te kunnen maken. Dat is nu eenmaal zoals we
het afgesproken hebben in dit huis. Ik geef terug aan mevrouw Dobbe,
maar ook aan anderen die in dit verband spreken over de wens dat een
ziekenhuis opengehouden wordt: er zijn een aantal omstandigheden, een
aantal factoren, waar wij gewoon niet altijd invloed op hebben. Ik denk
dat we daar ook eerlijk over moeten zijn.
De voorzitter:
Afrondend, mevrouw Dobbe.
Mevrouw Dobbe (SP):
Ik denk dat het heel belangrijk is wat de heer Bevers zegt: als het niet
uitgevoerd kan worden. Deze moties waren namelijk niet onuitvoerbaar
verklaard. Die zijn ook niet onuitvoerbaar. Ze zijn prima uitvoerbaar.
Er is hier dus een verschil tussen kunnen en willen. Er is een verschil
tussen een volwaardig ziekenhuis, het Zuyderlandziekenhuis, open kúnnen
houden ... Dat kan natuurlijk gewoon, als je dat wil. Maar dit kabinet,
deze minister en de vorige bewindspersonen wilden dat niet. Daarom
zitten wij nu met de situatie dat wat de Tweede Kamer wil, namelijk een
volwaardig Zuyderlandziekenhuis, niet wordt uitgevoerd op dit moment.
Wat vindt de heer Bevers nu van dat verschil tussen kunnen en willen?
Het is hier namelijk heel duidelijk politieke onwil, wat niet uit te
leggen is aan de mensen in Heerlen.
De heer Bevers (VVD):
Mevrouw Dobbe maakt nu echt een karikatuur van de mogelijkheden die een
kabinet heeft om in individuele besluiten in een regio over een
ziekenhuis te treden. U weet dat net zo goed, en daar is ook door de
vorige ministers al over gecommuniceerd. Ik verwacht dat deze minister
ook een antwoord op uw vragen zal geven. Maar laat heel helder zijn: er
is heel duidelijk gezegd dat het geen kwestie van willen is. Er is van
alles aan gedaan. Ook voormalig minister Agema heeft alles op alles
gezet om dat gesprek in Limburg te voeren. Zij heeft daar moeite voor
gedaan, maar heeft ook moeten constateren: uiteindelijk kan de minister
daar geen aanwijzing voor geven. Het is dus geen kwestie van willen.
Soms kunnen dingen niet. Ik ben het met u eens: dan zal de minister
moeten aangeven dat hij het bij nader inzien toch niet kan uitvoeren.
Dan is het ook helder. Maar we moeten daar wel eerlijk over zijn.
De heer Claassen (PVV):
Ik heb nog een vraag over de budgetfinanciering. Ik vroeg me af: als de
heer Bevers straks met mevrouw Yeşilgöz naar de formatietafel loopt,
blijft hij dan net als nu een fervent voorvechter van
budgetfinanciering? Of wordt het meteen van tafel gekiept bij het eerste
regeringsmoment?
De heer Bevers (VVD):
Dat is niet aan mij. Deze minister zal antwoord gaan geven op alle
vragen die gesteld zijn over de afspraken die wij, hoe klein onze
coalitie ook is — ik kijk even naar collega Van der Plas — op dit moment
met elkaar gemaakt hebben en die het kabinet uitvoert. Ik ken de
geheimen van de formatietafel ook niet, dus dat moeten we maar gewoon
afwachten.
De voorzitter:
Dank voor uw inbreng. Dit was ook de termijn van de Kamer. We gaan nu
tien minuten schorsen en dan krijgen we het antwoord van de minister en
een appreciatie van de zeven ingediende moties.
De vergadering wordt van 10.51 uur tot 11.02 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de voortzetting van het
tweeminutendebat Acute zorg. Ik geef het woord aan de minister van
VWS.
Minister Bruijn:
Dank u wel, voorzitter. Ik ga eerst naar de moties en kom dan bij een
aantal vragen.
De motie op stuk nr. 470 van mevrouw Van der Plas van de BBB moet ik
ontraden. Ik vind het goed om te kijken welke administratieve lasten
professionals tot last zijn. Daar heb ik ook al een start mee gemaakt.
Daar kan ik mevrouw Van der Plas zeker ook in tegemoetkomen. In juni
2025 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van de
veldbevraging. Daarbij is aan zorgprofessionals gevraagd welke
administratie volgens hen zou overblijven als ze maximaal 20% van hun
tijd aan administratie zouden mogen besteden. Wij zetten hier dus vol op
in. Dat was in de wijkverpleging, ggz en huisartsenzorg. Vervolgens heb
ik het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord op mijn tweede werkdag als
minister mogen tekenen, met alle veldpartijen. Daar hebben we twee
hoofddoelen vastgesteld met elkaar: het afwenden van het
arbeidsmarkttekort en het terugdringen van wachttijden. In het kader van
het afwenden van het arbeidsmarkttekort is de afspraak gemaakt om die
afspraak te verbreden naar de overige zorgsectoren. De aanbesteding van
dat onderzoek is al in gang gezet. Als onderdeel van het AZWA zijn we
ook bezig met het verlagen van de administratieve druk. Ik kan wel
toezeggen dat ik de Tweede Kamer zal informeren over de uitkomsten van
die tweede ronde van de veldbevraging, wanneer die afgerond is. Het
onderzoek zelf is dus niet wenselijk. In die zin moet ik de motie
ontraden. Maar ik zeg dus toe dat ik uw Kamer zal informeren over de
uitkomsten van die tweede ronde.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik vraag me af waarom zo'n onderzoek waar ik naar vraag in de motie niet
wenselijk is. We zien wel in de opleidingen dat heel veel mensen echt
wel in de zorg willen werken. Als ze eenmaal in de zorg werken, is de
enorme regeldruk die zorgpersoneel ervaart echter vaak een reden om
ermee te stoppen. Zo'n onderzoek kan ons als Kamer natuurlijk ook echt
inzicht geven in welke regels er allemaal bij zijn gekomen en kan er ook
toe leiden dat de Kamer misschien zelf met voorstellen komt. Maar dan
moeten we wel echt goed inzicht hebben in wat erbij is gekomen en wat
het gevolg daarvan is geweest. Dan kunnen wij als Kamer ook zelf kijken
met welke voorstellen wij eventueel zelf komen.
Minister Bruijn:
Dat begrijp ik, maar daar staat tegenover dat er in 2025 een
veldbevraging is geweest. Dus we hebben aan de professionals gevraagd
van welke administratieve lasten zij nu eigenlijk het meeste last
hebben. Dat lijkt me ook de belangrijkste vraag. En we hebben gevraagd
wat er volgens hen zou overblijven als maximaal 20% van hun tijd aan
administratie besteed zou mogen worden. Mijn voorstel is dat we dat
eerst uitwerken, zoals in het AZWA met alle veldpartijen is afgesproken,
dat we dat ook echt doen, en dat ik de Kamer daarvan op de hoogte stel,
voordat we nog veel breder onderzoek gaan doen, wat alleen maar weer
meer tijd zal kosten. Maar ik begrijp de oproep van mevrouw Van der Plas
wel.
De voorzitter:
Afrondend, mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Wanneer kunnen we dat verwachten?
Minister Bruijn:
Ik zal u daarvan op de hoogte stellen zodra die tweede veldbevraging
afgerond is. Ik kan op dit moment niet goed overzien wanneer dat is,
maar ik streef er zeker naar om dat in de eerste helft van 2026 af te
ronden.
De voorzitter:
De minister vervolgt zijn betoog.
Minister Bruijn:
Dank u wel, voorzitter. Dan ga ik naar de motie op stuk nr. 471 van
mevrouw Van der Plas van de fractie van de BBB, over het invoeren van
budgetbekostiging voor de SEH, acute verloskunde en ic. De
budgetbekostiging voor de spoedeisende hulp ga ik per 1 januari 2027
invoeren. Dat besluit heb ik al genomen. Ik beraad mij nog op de
adviezen van de NZa over de acute verloskunde en de intensive care. Voor
het kerstreces ontvangt uw Kamer mijn appreciatie van die adviezen. Het
eerste advies heb ik al aan de Kamer ter hand gesteld. Die appreciatie
volgt. Het tweede advies over de ic komt eraan. Dus ik wil er op dit
moment niet op vooruitlopen, maar ik kan wel toezeggen dat ik voor het
kerstreces de Kamer mijn appreciaties van die twee adviezen, dus over de
acute verloskunde en de intensive care, zal doen toekomen.
De voorzitter:
Wat is uw oordeel over de motie?
Minister Bruijn:
Daarmee moet ik de motie ontraden, want ik kan op dit moment nog niet
besluiten om hoe dan ook de budgetbekostiging voor de acute verloskunde
en de intensive care in te voeren. Dat kan wel voor de spoedeisende
hulp, want dat besluit heb ik al genomen.
De voorzitter:
De minister vervolgt zijn betoog.
Minister Bruijn:
Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 472 van de SP, van mevrouw Dobbe,
over het Spaarneziekenhuis. Het Spaarneziekenhuis, het Spaarne Gasthuis
moet ik eigenlijk zeggen, volgt een zorgvuldig proces om een besluit te
nemen over het zorgaanbod in Haarlem en Hoofddorp. Gemeenten, inwoners,
medewerkers en ketenpartners zijn daarbij betrokken. Uiteindelijk
beslist het ziekenhuis zelf waar welke zorg wordt aangeboden. De
wetgeving geeft het kabinet en de minister niet de bevoegdheid om dat te
doen. Ik zeg er meteen bij: dat is maar goed ook, want stel dat ik een
opdracht zou geven aan een ziekenhuis die niet uitvoerbaar is wegens
bijvoorbeeld een tekort aan personeel of andere tekorten. Uiteindelijk
beslist het ziekenhuis dus zelf waar en welke zorg wordt aangeboden,
natuurlijk wel in goed overleg met de zorgverzekeraar, die een
zorgplicht heeft. Daarbij moet het ziekenhuis zijn verantwoordelijkheid
voor de kwaliteit kunnen waarmaken. Ik weet dat het Spaarne de
toegankelijkheid van de zorg goed in het oog heeft. Maar op grond
hiervan moet ik de motie zoals die luidt ontraden.
Mevrouw Dobbe (SP):
Ik hoor de minister zeggen dat het wettelijk niet kan, en dat dat maar
goed ook is. Maar deze minister is toch ook stelselverantwoordelijk. Hoe
het stelsel eruitziet is toch een politieke keuze, geen natuurwet. Daar
gaan wij dan toch hier met z'n allen over?
Minister Bruijn:
Dat klopt. In deze Kamer is dus ook de keuze gemaakt om niet een wet te
maken waarin de bevoegdheid gegeven wordt aan de regering om in te
grijpen bij lokale zorginstellingen. Ik zeg er meteen bij: dat vind ik
inderdaad een goede zaak, want die verantwoordelijkheid ligt op
decentraal niveau. Dat is een keuze van de wetgever. Daar heb ik dus mee
te dealen.
De voorzitter:
Afrondend, mevrouw Dobbe.
Mevrouw Dobbe (SP):
Maar even duidelijk gezegd: dan is het dus een keuze van dit kabinet en
deze minister om dit niet te doen en hier niet in te grijpen, en is het
niet zo dat het niet kan. Dat wil ik hier nog een keer benadrukken.
Volgens mij zijn er een heleboel mensen die willen dat een volwaardig
ziekenhuis daar behouden blijft, dat sowieso in heel Nederland een
volwaardig ziekenhuis dichtbij is. Daar hebben wij ook hier in de Tweede
Kamer ons over uitgesproken. Er wordt telkens net gedaan alsof dat niet
kan, maar het is een politieke keuze om dat niet te doen. Het is onwil.
Dat wil ik even duidelijk benoemd hebben hier.
Minister Bruijn:
De politieke keuze om niet de bevoegdheid aan de regering te geven om in
te grijpen, is een keuze van de Kamer. Die gaat uiteindelijk als
wetgever over de wetgeving.
De voorzitter:
De minister vervolgt zijn betoog.
Minister Bruijn:
Samen met de Eerste Kamer.
De voorzitter:
Ja, laten we die niet vergeten.
Minister Bruijn:
Laten we die niet vergeten.
Voorzitter. Dan de motie op stuk nr. 473, van mevrouw Dobbe van de
fractie van de SP, over de uitwerking van het groeipad. Die geef ik
oordeel Kamer. Ik zal uw Kamer in het eerste kwartaal van 2026, zoals
gevraagd, informeren over de uitwerking en de uitvoering van het
groeipad. Daarbij zal ik ook tijdlijnen opnemen voor de uit te voeren
acties.
Voorzitter. Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 474, van de fractie van
de PVV, over de troponinesneltest. Dat is een hele mooie test. De
troponinesneltesten zijn een belangrijke ontwikkeling om hartinfarcten
thuis al te kunnen herkennen zonder dat een patiënt daarvoor eerst naar
het ziekenhuis moet. Het gaat ook om stille infarcten die je op het ecg
niet ziet; de heer Claassen weet als vakbroeder precies waar ik het over
heb. Met een prik in de vinger wordt er wat bloed afgenomen en het
apparaatje kijkt of er een bepaalde stof in zit die bij een hartinfarct
vrijkomt. Meerdere ambulancediensten zijn aan de slag gegaan met die
sneltest. De resultaten zijn veelbelovend. Het is ook in een studie
gevalideerd in Brabant. De sneltest zou in 2026 landelijk worden
uitgerold. Dat heeft Ambulancezorg Nederland mij laten weten. De
Nederlandse Zorgautoriteit heeft het al mogelijk gemaakt om de kosten
voor die test te declareren. Het is dus niet nodig om hier als wetgever
nog op aan te sturen, want een mooie innovatie als deze regelt zichzelf.
Maar als ik deze motie zo mag lezen dat wij in ieder geval aan dezelfde
kant van het touw trekken, kan ik 'm oordeel Kamer geven.
Voorzitter. Dan ga ik naar de motie op stuk nr. 475, van de heer
Claassen van de PVV, over de uitwerking van het groeipad. Ik kan uw
Kamer in het eerste kwartaal van 2026, zoals gevraagd, informeren over
de uitwerking en de uitvoering van het groeipad. Ik zal daarbij ook
tijdlijnen opnemen voor de uit te voeren acties. Ik kan deze motie dus
oordeel Kamer geven.
Voorzitter. Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 476, van de fractie van
GroenLinks-Partij van de Arbeid. In het Aanvullend Zorg- en
Welzijnsakkoord, het AZWA, zijn afspraken gemaakt over proactieve
zorgplanning. Er is onder andere afgesproken dat partijen bevorderen dat
proactieve zorgplanning structureel wordt ingebed in de reguliere
zorgprocessen en de bekostiging. Er is ook concreet gemaakt wie wat gaat
doen. Een van die afspraken is dat het Rijk, zorgverzekeraars en het
Zorginstituut opschaling, borging en monitoring van proactieve
zorgplanning ondersteunen. In de bijlage Werkagenda team Rijksoverheid
bij het AZWA is ook aandacht voor financiële prikkels die eraan
bijdragen dat het deel van de patiënten dat onnodige zorg krijgt eerder
in het sociaal domein of de eerste lijn geholpen kan worden of geen
patiënt had hoeven te worden als goed ingezet werd op preventie. Het
team overheid monitort de AZWA-afspraken en stuurt bij waar nodig.
Kortom, er zijn eigenlijk al heel veel afspraken gemaakt in die
richting. In die zin moet ik de motie dus ontraden, maar ik kan wel
toezeggen — dat doe ik ook graag — dat ik hier in de eerstvolgende
rapportage over het AZWA op in zal gaan en daarbij dus ook de door de
heer Bushoff aangestipte punten zal meenemen.
De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):
Het is mij natuurlijk om het even of het wordt meegenomen in een
rapportage die toch al naar de Kamer komt of dat het apart naar de Kamer
wordt gestuurd. Waar het mij om gaat, is dat we als Kamer meer inzicht
krijgen in precies de drie dingen die gevraagd worden in de motie, zodat
we daar op termijn wellicht ook keuzes in kunnen maken. Beluister ik
goed dat de minister zegt: eigenlijk kan alle informatie die gevraagd
wordt in de motie de kant van de Kamer op komen en ik doe dat op een
nader te bepalen moment waarop ik toch al een rapportage aan de Kamer
stuur? Hoor ik de minister dan goed?
Minister Bruijn:
Nou, ik heb gezegd dat alles wat al is afgesproken in het AZWA … Het
komt mij voor dat dat eigenlijk wel bijna overlapt met wat de heer
Bushoff vraagt in zijn motie. Daar zijn afspraken over. Dat wordt
gedaan. Ik monitor dat. Ik zal daar ook over rapporteren. Het lijkt mij
het beste om op dat moment te kijken of er misschien nog leemtes zijn in
die rapportage en of wij misschien in een volgende rapportage
bijvoorbeeld extra punten moeten meenemen.
De voorzitter:
Dank aan de minister. U had nog een antwoord op een enkele vraag.
Minister Bruijn:
Ja, ik had nog twee vragen van mevrouw Dobbe en een vraag van de heer
Bushoff. Een vraag van mevrouw Dobbe ging over niet uitgevoerde moties
ten aanzien van het Zuyderland. Hier is uitgebreid op ingegaan in
meerdere Kamerbrieven, het meest recent in het SO, het schriftelijk
overleg, van 30 oktober. De kern is dat de keuzes over de inrichting
alleen door het ziekenhuis zelf te maken zijn. Dat is eigenlijk wat we
net ook bespraken. Het ziekenhuis draagt de verantwoordelijkheid voor
het leveren van veilige zorg. Het heeft ook die taak. Als de Kamer zou
verplichten welke afdelingen open moeten zijn, kunnen ziekenhuizen die
verantwoordelijkheid niet meer dragen.
Mevrouw Dobbe vroeg ook nog naar het inzicht in het personeelstekort per
afdeling in het ziekenhuis. Dat staat opgenomen in de Kamerbrief van 30
oktober met een reactie op de vragen uit het schriftelijk overleg. Het
is per afdeling gegeven, dus daar kunnen we misschien nog een keer naar
kijken.
De voorzitter:
De heer Claassen, wat sneller.
De heer Claassen (PVV):
Ja, heel snel, voorzitter. Die brief heb ik natuurlijk ook gelezen. We
hebben dat debat over arbeidsmarkttekorten ook gevoerd. In de brief ging
het vooral over de verpleegkundig-specialistische varianten, over de
verpleegkundige specialisten of over de specialistische
verpleegkundigen. Maar in mijn vraag — misschien sluit dat aan bij de
vraag van mevrouw Dobbe — ging het natuurlijk ook over de initiële
opleidingen, de opleiding mbo 4 en hbo niveau 6, hbo-v. Hoe zit het daar
met de aantallen en de tekorten? Want dat is de pool waarin gevist moet
worden om te komen tot die verpleegkundige specialisten. Dat ontbreekt
nog in de brief. Misschien kan de minister toezeggen om daar nog even
nader op in te gaan en daar de cijfers over te geven.
Minister Bruijn:
Mevrouw Dobbe vroeg naar de inzichten in de personeelstekorten per
afdeling. Dan kom je dus niet per se bij opleidingstrajecten terecht.
Maar ik ben van harte bereid om daar nog even naar te kijken.
Mevrouw Dobbe (SP):
Volgens mij werden in de toezegging ook de opleidingen genoemd. Maar
goed, het is fijn dat u daarnaar wilt kijken. Dan komt u daar op terug.
We hopen dat dit ergens genoteerd wordt als toezegging en dat het
binnenkort ook komt. Daar mag de voorzitter zo meteen wat over
zeggen.
Ik heb nog wel een vraag over de inzet voor het Zuyderlandziekenhuis. De
minister refereert aan verschillende brieven waarin hierop is
teruggekomen. Ja, in verschillende brieven is vermeld dat er een gesprek
is geweest en dat het niet is gelukt, of dat het kabinet het niet
wenselijk vindt. Maar mijn oprechte vraag is: wat is er nou écht gedaan
om de mogelijkheden te bekijken om dat ziekenhuis volwaardig open te
houden? Een heleboel mensen in Heerlen voelen dat. Welke opties zijn
afgewogen? Dan heb ik het ook over de opties die dit kabinet niet als
wenselijk ervaart, zoals een wijziging van de wet. Die is door dit
kabinet beoordeeld als niet wenselijk, maar het had wel gekund. Hoe is
dat afgewogen? Waar kunnen wij dat terugvinden, zodat wij ook echt
kunnen zien welke inzet er daadwerkelijk is geweest, los van af en toe
een gesprek?
Minister Bruijn:
Dan gaat het, denk ik, vooral ook over de moties waarvan mevrouw Dobbe
zei: "Waarom zijn die niet uitgevoerd? Ze zijn namelijk niet benoemd als
onuitvoerbaar." Dat is natuurlijk een punt, want daar is een procedure
voor. Op 3 juli is er een Kamerbrief gestuurd over de reden waarom vier
moties niet naar de letter zijn uitgevoerd. Daar hebben we dus over
gecommuniceerd. Drie van de vier zijn wel in de geest van de motie, de
bedoeling van de motie, uitgevoerd. Dat zijn de drie moties over
geboortezorg die zijn ingebracht in de werkgroep geboortezorg. De motie
over een aanwijzing geven aan het Zuyderland is onuitvoerbaar. Die
wettelijke bevoegdheid is er niet. Daar hebben we dus wel degelijk over
gecommuniceerd op 3 juli. Die stappen zijn gezet, maar nogmaals, we zijn
gewoon niet bevoegd om een aanwijzing te geven. Ik zeg er zelfs bij: dat
is maar goed ook, want het zou niet werkbaar zijn als de regering per
zorgaanbieder gaat bepalen welke zorg daar aangeboden wordt. Dat is aan
de decentrale zorgaanbieder, in goed overleg met de zorgverzekeraar, die
wel een zorgplicht heeft.
De voorzitter:
Afrondend, mevrouw Dobbe.
Mevrouw Dobbe (SP):
In een aantal van die moties wordt ook gevraagd om zich in te zetten.
Hoe je je dan inzet, ligt natuurlijk heel erg aan de insteek van het
kabinet en aan wat het wel of niet wenselijk acht. Mijn vraag is dus:
kunnen we de afwegingen zien die zijn gemaakt om bepaalde inzet niet te
plegen? Daarbij denk ik bijvoorbeeld aan komen met een bepaalde
wetswijziging als de minister constateert: "Dat kan niet, want het mag
niet van de wet. Daarom kunnen wij niet ingrijpen." Is er dan
bijvoorbeeld overwogen om de wet wel of niet aan te passen? Waar kunnen
wij die afweging dan terugvinden, zodat wij ook daadwerkelijk weten dat
er oprechte, echte, serieuze inzet is geweest?
Minister Bruijn:
Die overweging is er niet geweest, want de wens om die wet te wijzigen
hebben wij als regering niet, omdat het onwenselijk zou zijn als vanuit
Den Haag bepaald gaat worden welk ziekenhuis welke zorg wel of niet gaat
leveren. Dat staat nog los van allerlei andere zorgaanbieders, zoals
verpleeghuizen. Dat zou onwerkbaar zijn. Dat vinden wij dus ook niet
wenselijk. De neiging om dit met een wetswijziging te regelen is er dus
ook niet geweest.
De voorzitter:
De minister vervolgt zijn betoog. Nee, we gaan niet …
Mevrouw Dobbe (SP):
Het is dus politieke onwil.
De voorzitter:
De minister vervolgt zijn betoog. Er is nog één vraag.
Minister Bruijn:
Tot slot is er nog een vraag van de heer Bushoff over de eerste tranche
van concentratie. Er loopt een zorgvuldig proces met alle zorgpartijen
aan de zogenaamde ronde tafel. Ik vind het inderdaad belangrijk —
daarover ben ik het eens met de heer Bushoff — dat concentratie van zorg
hand in hand gaat met spreiding van zorg. Dat wordt ook breed gedeeld.
Via de ronde tafel onder regie van het Zorginstituut wordt de vinger aan
de pols gehouden. Als bijsturing nodig is, verloopt dat via die route.
Ik kan toezeggen dat ik uw Kamer daarvan op de hoogte houd. We zijn het
er namelijk allemaal over eens dat een zorgvuldige balans tussen
spreiding en concentratie van zorg in de verschillende lijnen van het
zorgstelsel belangrijk is. Dat is op dit moment dus ook onder de
aandacht.
De voorzitter:
De heer Bushoff nog.
De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):
Ja, kort, voorzitter. Erkent de minister dat daar toch wel zorgen over
zijn, met name in de regio, waar ze afhankelijk zijn van goede spreiding
van acute zorg? Wat kan de minister doen qua extra regie daarop voeren
om te voorkomen dat de zorgen van de mensen die daar wonen bewaarheid
worden? Is de minister daar eventueel ook toe bereid?
Minister Bruijn:
Er is natuurlijk altijd, en gelukkig, aandacht voor en er zijn soms,
helaas, ook zorgen over het zorgaanbod als geheel, het totale
zorglandschap. Dat moeten we altijd blijven onderhouden met elkaar.
Daarbij heb je ook zeker de belangen van de regio te bewaken. De
budgetbekostiging ziet daar bijvoorbeeld ook op; dat is een maatregel
die ik genomen heb. Om daar op dit moment de vinger aan de pols te
houden, houd ik de rondetafel waar nu onder regie van het Zorginstituut
dit onderwerp wordt besproken, in de gaten. Ik zal uw Kamer daarvan op
de hoogte stellen. Maar ik denk niet dat ik nu door het beeld moet gaan
lopen.
De voorzitter:
Was dat het van de kant van de minister?
Minister Bruijn:
Ja.
De voorzitter:
Dan zijn we aan het einde gekomen van dit debat.
De beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
We gaan dinsdag 2 december aanstaande stemmen over de ingediende moties.
We schorsen een ogenblik, want u krijgt een andere voorzitter. Daarna
gaat u verder met het derde debat. Dan zijn we op dit moment
geschorst.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.