Tweeminutendebat Uitwerking motie Bushoff/Van den Hil over in gesprek gaan met het veld over een vereenvoudiging van de beroepen- en opleidingenstructuur (29282-613) (ongecorrigeerd)
Stenogram
Nummer: 2025D48604, datum: 2025-11-26, bijgewerkt: 2025-11-27 09:22, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2025-11-26 11:10: Tweeminutendebat Uitwerking motie Bushoff/Van den Hil over in gesprek gaan met het veld over een vereenvoudiging van de beroepen- en opleidingenstructuur (29282-613) (Plenair debat (tweeminutendebat)), TK
Preview document (🔗 origineel)
Uitwerking motie-Bushoff/Van den Hil over in gesprek gaan met het veld over een vereenvoudiging van de beroepen- en opleidingenstructuur (29282, nr. 613).
Voorzitter: Van Campen
Uitwerking motie-Bushoff/Van den Hil over in gesprek gaan met het veld
over een vereenvoudiging van de beroepen- en opleidingenstructuur
(29282, nr. 613).
Aan de orde is het tweeminutendebat Uitwerking motie-Bushoff/Van
den Hil over in gesprek gaan met het veld over een vereenvoudiging van
de beroepen- en opleidingenstructuur (29282, nr. 613).
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Ik heet opnieuw de minister van VWS welkom;
ik had dat zelf nog niet gedaan, maar hij was al in ons midden. Aan de
orde is het tweeminutendebat Uitwerking motie-Bushoff/Van den Hil over
in gesprek gaan met het veld over een vereenvoudiging van de beroepen-
en opleidingenstructuur (29282, nr. 613). Daarvoor wil ik als eerste het
woord geven aan mevrouw Westerveld, die haar inbreng zal leveren namens
de fractie van GroenLinks-Partij van de Arbeid.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Een jaar geleden werd een heel redelijke motie
ingediend door de heer Bushoff — ik kan ook niet anders zeggen; hij zit
dáár — en mevrouw Van den Hil, die waarschijnlijk ook meekijkt, want ze
is nog heel betrokken. Dit was een heel redelijke motie, waarin de
minister werd opgeroepen om in gesprek te gaan met het veld. Het ging
over de beroepenstructuur. Die motie zei: ga nou in gesprek en kom tot
een oplossing. Er was namelijk een probleem ontstaan. Ik vat het even
heel kort samen. Een groep psychologen en orthopedagogen waren gestart
met de opleiding tot kinder- en jeugdpsycholoog op basis van
communicatie van VWS. Er zou namelijk een nieuwe beroepenstructuur
komen. Maar die nieuwe beroepenstructuur ging niet door, waardoor een
hele specifieke groep van zo'n 1.000 mensen een probleem hadden. Deze
mensen kunnen niet volwaardig aan de slag als gz-psycholoog, terwijl de
sector staat te springen om goedopgeleide mensen. Ik hoef de minister
natuurlijk niet te vertellen over de grote problemen die er zijn. Dan
heb ik het over de wachtlijsten die we kennen in de jeugdzorg en de ggz,
de mensen die radeloos zijn, maar ook degenen die aan het werk willen
maar nu niet aan het werk kunnen. Dit vraagt, vinden wij, echt de inzet
van het ministerie om alles op alles te zetten en de tekorten in de
sector op te lossen. Zo moeilijk was die motie ook niet, zou je zeggen.
Die is een jaar geleden al ingediend, zeg ik nog een keer, maar toch
staan we hier weer. Daarom heb ik een paar vragen aan de minister.
Ten eerste: waarom is die motie niet uitgevoerd? Waarom horen wij dat
het verzoek om een gesprek te voeren, waartoe wordt opgeroepen in de
motie, niet is opgepakt? Waarom is er niet samen met de mensen uit het
veld gezocht naar een oplossing? Hoe legt de minister dit beleid uit,
als het gaat om het vertrouwen van deze groep in het overheidsbeleid en
om de kosten die ze hebben gemaakt, de tijd die ze erin gestoken hebben
en de investering die ze hebben gedaan om die nieuwe opleiding te
volgen? Het heeft ook gevolgen voor de sector en de zorgcontinuïteit. Is
de minister bereid om alsnog een oplossing te vinden voor deze groep,
die soms tot wel €30.000 heeft geïnvesteerd in het volgen van die
opleiding? Waarop baseert het ministerie de gedachte dat een
overgangsregeling of een oplossing geld zou kosten? Een laatste vraag.
De minister heeft eerder beloofd om vinger aan de pols te houden ten
aanzien van de plaatsing van de hbo-psycholoog op de beroepenlijst. Hoe
staat het daarmee?
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de heer Bevers voor zijn inbreng namens de
fractie van de VVD.
De heer Bevers (VVD):
Voorzitter, dank u wel. Als mede-indiener van de motie waar we het
vandaag over hebben, zal het u niet verbazen dat ik ook al refereerde
aan mevrouw Van den Hil. Ja, zij is nog steeds heel betrokken, dus ik
heb haar hierover gesproken. In ieder geval heeft ook de VVD een licht
tot matig kritische basishouding ten opzichte van de manier waarop deze
motie is uitgevoerd. Wij hebben daar ook vragen over, maar ik zal heel
eerlijk zijn: collega Westerveld heeft de vragen die wij hadden
eigenlijk al gesteld. Die ga ik niet herhalen, maar ik ben natuurlijk
wel in gespannen afwachting van de antwoorden van de minister, want wij
zijn hier ook wat kritisch over.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Bevers. Ik schors de vergadering voor twee minuten,
waarna we gaan luisteren naar de beantwoording van de zijde van het
kabinet.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering en wil de leden verzoeken weer even orde te
betrachten in de zaal. Het woord is aan de minister voor de
beantwoording van de gestelde vragen.
Minister Bruijn:
Dank u wel, voorzitter. Graag neem ik uw Kamer en mevrouw Van den Hil,
die inderdaad vast meekijkt en die ik hiervandaan ook groet, mee in het
dossier van de vereenvoudiging van de beroepen- en opleidingenstructuur
binnen de psychologische zorg naar aanleiding van de vragen van
GroenLinks-Partij van de Arbeid. Ik zal eerst terugkijken, dan ingaan op
het uitvoeren van de motie-Bushoff/Van den Hil en vervolgens ook
vooruitkijken, en dan kom ik bij alle vragen die gesteld zijn.
Voorzitter. In de afgelopen jaren is al veel gesproken over een
mogelijke vereenvoudiging van de beroepen- en opleidingenstructuur
binnen de psychologische zorg. Mijn ambtsvoorganger heeft de Kamer er
eind 2024 over geïnformeerd dat het conceptwetsvoorstel dat de
beroepenstructuur zou vereenvoudigen, niet zou worden doorgezet. Dat
besluit is genomen mede naar aanleiding van het ontbreken van draagvlak
bij het veld, zoals in de internetconsultatie van het wetsvoorstel
duidelijk werd. Er waren bij de internetconsulatie bijna 2.300
overwegend negatieve reacties op het voorstel. Dat was dus aanleiding om
het wetsvoorstel niet door te zetten. Bovendien droeg het voorstel
onvoldoende bij aan het vereenvoudigen van de beroepenstructuur en het
verbeteren van de transparantie.
Naar aanleiding van het besluit om het conceptwetsvoorstel niet door te
zetten zijn K&J-psychologen, begrijpelijkerwijs, teleurgesteld.
Verschillende veldpartijen, zoals het NIP en het Collectief KJ NIP in
opleiding, een collectief van kinder- en jeugdpsychologen in opleiding,
hebben mij en mijn voorgangers dit jaar regelmatig gevraagd om een
coulanceregeling op te stellen voor een groep psychologen die zich heeft
omgeschoold naar K&J-psycholoog. Dat is de groep waar mevrouw
Westerveld op doelde. Dat hebben ze gedaan in de verwachting dat het zou
leiden tot een BIG-registratie als gz-psycholoog. Die groep heeft
echter, vooruitlopend op de besluitvorming over dat
wetswijzigingsvoorstel, op eigen initiatief — dus voordat die
besluitvorming had plaatsgevonden en daarmee ook op eigen risico —
geanticipeerd op de aanname van dat conceptwetsvoorstel. Tijdens een
wetgevingsproces kunnen plannen regelmatig wijzigen of worden
ingetrokken. Aan beleidsvoornemens bij een wetsvoorstel kunnen daarom
ook geen rechten worden ontleend. Dat geldt voor alle wetsvoorstellen.
Dit geldt overigens voor alle wetsvoorstellen die hier in dit huis
worden voorgelegd door de regering, maar ook voor initiatiefvoorstellen.
Een voorstel is pas definitief — dat zult u als Voorzitter van de Tweede
Kamer ook met me eens zijn — als de hamer in de Eerste Kamer is
gevallen.
Laat ik hierover heel duidelijk zijn. Er zijn geen toezeggingen gedaan
over het daadwerkelijk doorzetten van dat conceptwetsvoorstel. Net als
bij alle conceptwetsvoorstellen en beleidsvoornemens die niet doorgaan,
zal er ook in dit kader geen coulanceregeling komen. Daarnaast
constateer ik net als mijn voorgangers dat regulering van het beroep
kinder- en jeugdpsycholoog in de Wet BIG niet nodig is als het gaat om
de kwaliteit, patiëntveiligheid en de continuïteit van zorg. Bovendien
is het niet proportioneel en kan het kostenopdrijvend werken. Zoals u
weet is de Wet BIG in deze Kamer vastgesteld. Daar staat in dat we de
BIG niet reguleren, tenzij dat noodzakelijk is, en dus niet andersom.
Dit is bovendien ook in lijn met het advies van het Zorginstituut van
2022 over de k&j-psychologen. Het is ook in lijn met de ramingen van
het Capaciteitsorgaan en met het advies van de Gezondheidsraad van
afgelopen zomer over regulering in de Wet BIG. Uw Kamer is hierover
gisteren in mijn BIG-brief — als ik 'm zo mag noemen —
geïnformeerd.
Voorzitter. Dan kom ik bij de uitvoering van de motie van de leden
Bushoff en Van den Hil, waar mevrouw Westerveld van Partij van de
Arbeid-GroenLinks ook vragen over gesteld heeft. Gegeven het genomen
besluit en de wensen en zorgen van de k&j-psychologen, die ik
zojuist beschreven heb, is in december vorig jaar een motie ingediend
door de leden Bushoff en Van den Hil. Zij hebben om een gesprek met het
veld verzocht, onder wie de k&j-psychologen, over de beroepen- en
opleidingenstructuur. Het afgelopen jaar zijn er naar aanleiding van de
motie diverse contactmomenten geweest met verschillende veldpartijen. Zo
heeft mijn ministerie in februari overlegd met het NIP en met de NVP —
dat zijn allemaal psychologenkoepels — naar aanleiding van het
stopzetten van het wetsvoorstel. In mei is er contact geweest met het
NIP over de knelpunten die de k&j-psychologen in de praktijk in
bredere zin ervaren. Ook zijn er diverse brieven van veldpartijen, zoals
ook van het Collectief K&J beantwoord en is er met het Collectief
K&J in juni contact geweest. Ik kan u ook nog melden dat ik gisteren
zelf met de directeur van het NIP heb gesproken. Dat was een
constructief gesprek — zo heb ik het althans beleefd — waarbij positief
vooruit is gekeken naar een gesprek dat mijn ministerie en het NIP begin
volgend jaar — in januari, om precies te zijn — zal hebben. Dat is zo
als het met de agenda's lukt. Ik geloof dat de afspraak al gemaakt
is.
Voorzitter. Ik hoor wat uw Kamer zegt over het uitvoeren van de motie.
Ik zeg dan ook toe dat mijn gesprekken met het veld serieus zullen
worden voortgezet. Het is niet zo dat er niks gebeurd is; er is best
veel gebeurd. Naast overleg met het NIP zeg ik toe, ook naar aanleiding
van de vraag van mevrouw Westerveld, dat ik met andere veldpartijen zal
spreken. Dat kan ook voor de begrotingsbehandeling van begin maart,
zodat uw Kamer er ook op kan rekenen dan op de hoogte te zijn.
Dan over de verkenning van de pilot over de elders verworven
competenties.
De voorzitter:
Maar niet voordat u een interruptie krijgt van mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik heb twee opmerkingen bij het betoog van de minister. Allereerst geeft
hij aan dat er gesprekken zijn geweest, dat er contact is geweest. Als
we het hebben over het NIP, mag ik inderdaad verwachten dat het
ministerie regelmatig contact heeft over allerlei wetsvoorstellen en
andere onderwerpen die lopen. Dat geldt ook voor beroepsverenigingen,
belangenverenigingen, vakbonden enzovoort. Het gaat in de motie
natuurlijk over het volgende. Er wordt specifiek gevraagd om over dit
probleem te praten met deze groep psychologen, dus met dit collectief
…
De voorzitter:
Uw vraag?
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
… en met het NIP. Ik vind de beantwoording van de minister, namelijk dat
er in algemene zin contact is geweest … Wij horen echt andere verhalen
uit het veld. Dat was mijn eerste opmerking.
Minister Bruijn:
Dan heb ik mij niet goed uitgedrukt. We hebben met de psychologen en met
de koepels die ik net noemde over dit specifieke probleem gesproken. Het
is ook terecht dat mevrouw Westerveld daarnaar vraagt. Het gesprek dat
ik gisteren zelf heb gevoerd met de directeur van het NIP ging ook
uitsluitend over dit onderwerp.
De voorzitter:
Afrondend.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ja, dat is fijn, maar de motie is een jaar geleden ingediend. Ik neem
dat deze minister, die hier nog niet zo lang zit, niet kwalijk, maar als
we allemaal weten dat er een acuut probleem ontstaat en er in december
vorig jaar een motie is ingediend die erom vraagt te gaan praten om tot
een oplossing te komen, dan mag je toch wel verwachten dat er niet pas
de dag voor het debat een gesprek plaatsvindt? Nogmaals, ik neem het
deze minister niet kwalijk, want ik weet dat hij er nog maar kort zit,
maar het is wel de verantwoordelijkheid van het kabinet om al eerder aan
de slag te gaan met zo'n motie als die wordt ingediend.
Minister Bruijn:
Er is ook al in februari vorig jaar — niet heel lang na het indienen van
die motie — overleg geweest met het NIP én de NVP, dus twee
verschillende koepels, over het stopzetten van dat conceptwetsvoorstel,
over dat specifieke onderwerp. Daarna is er in mei contact geweest met
het NIP over de knelpunten die in de praktijk worden ervaren. Dat raakt
natuurlijk ook aan dit onderwerp. Verder zijn diverse brieven van
veldpartijen zoals het Collectief van K&J-psychologen beantwoord en
is er ook in juni nog contact geweest. Ik ga er dus niet in mee als
mevrouw Westerveld zegt dat er met die motie niets gedaan zou zijn. Ik
denk dat die echt is opgepakt, ook door mijn voorgangers. Maar ik ben
het met haar eens dat er meer veldpartijen zijn dan alleen de genoemde.
Ik zeg dan ook toe dat ik ook met de andere veldpartijen in gesprek ga,
en wel voor de begrotingsbehandeling. Hoe we dat organiseren, met een
rondetafel of via het NIP, dat moeten we even bekijken.
De voorzitter:
Heel kort, mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Hier gaan we gewoon niet uit komen, want wij horen andere signalen, ook
omdat de groep K&J-psychologen, het collectief bedoel ik, bewust
wordt genoemd in de motie. Ook langs die weg horen wij gewoon andere
geluiden. Ik snap dat het niet deze minister persoonlijk was, maar hier
gaan wij niet uit komen. Wij horen in ieder geval andere signalen dan de
minister zelf terugkrijgt. Dat wil ik hier toch gezegd hebben.
Voorzitter. Ik had nog een andere opmerking, namelijk dat ik de minister
onnodig hard vind als het gaat over eigen risico's enzovoort voor
bijscholing. Ik zou denken dat we van mensen die professional zijn mogen
verwachten dat ze zich laten bij- en omscholen. Sterker nog, het zou
moeten worden toegejuicht dat ze dat doen ...
De voorzitter:
En uw vraag?
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
... want de sector staat daarom te springen. Ik vind woorden als "het
wetsvoorstel was er nog niet door, dus het was een eigen risico" ...
Volgens mij moet dat niet zo gezegd worden en zouden mensen aangemoedigd
moeten worden. Mijn punt was, en dat is ook mijn vraag: het is ook een
verantwoordelijkheid van het ministerie om ervoor te zorgen dat er
genoeg goed opgeleide professionals zijn. Hoe denkt de minister vanuit
die hoek bekeken aan oplossingen?
Minister Bruijn:
Ik ben het met mevrouw Westerveld eens: het gaat hier om twee
verschillende dingen. Het gaat om hoe je omgaat met een wetsvoorstel dat
nog niet is aanvaard. Dat hebben we denk ik besproken. Daar kunnen we
nog eens op ingaan. Het andere is het meer algemene probleem van de
arbeidsmarkt. Ik ben het met mevrouw Westerveld eens dat dit een punt
is. Ik heb in de afgelopen periode gesprekken gevoerd over de verkenning
naar aanleiding van de pilot EVC, elders verworven competenties. Kun je
meer mensen laten instromen op basis van hun elders verworven
competenties, en kan dat bij voorkeur in verkorte trajecten? Kun je
specifiek masterpsychologen met veel werkervaring verkort opleiden tot
gz-psychologen? Daar is een tekort aan, precies zoals mevrouw Westerveld
zegt. Uw Kamer is hierover geïnformeerd in mijn BIG-brief. Die heb ik
gisteren verstuurd; hij is misschien nog niet gearriveerd. Maar ik heb
in dit verband ook gesproken met een aantal partijen: de stichting TOP —
dat is de organisatie die verantwoordelijk is voor het
toewijzingsvoorstel van opleidingsplaatsen voor medische
vervolgopleidingen in de ggz — en de Stichting EVC, kort voor elders of
eerder verworven competenties, die de pilot heeft uitgevoerd, en vLOGO,
de vertegenwoordigers van opleiders in de ggz en de NZa. Die verkenning
is ook relevant voor K&J-psychologen met veel werkervaring die zich
willen laten scholen tot het BIG-beroep gz-psycholoog, waar het hier
specifiek om gaat, nog even los van dat wetsvoorstel.
Tot slot wordt de vereenvoudiging van de beroepen- en
opleidingsstructuur binnen de psychologische zorg aan de AZWA-tafels
besproken. Ook hier is ruimte voor het goede gesprek. Met alle genoemde
acties — de gesprekken met mijn ministerie, de gesprekken met andere
veldpartijen, mijn gesprek met het NIP, de verkenning rondom de pilot
EVC en de mogelijkheden die er zijn aan AZWA-tafels — zijn goede stappen
gezet en ik ga daar ook mee verder. We hebben immers een gezamenlijke
verantwoordelijkheid: goede zorg voor kinderen, jongeren en volwassenen
die psychologische hulp nodig hebben. Ik heb er vertrouwen in dat we
daar uitkomen.
Tot slot. Het hele onderwerp waar wij nu over spreken, is er ook op
gericht om gz-psychologen meer in hun kracht te zetten en te kijken naar
mogelijkheden van verkorte opleidingstrajecten voor bijvoorbeeld
K&J-psychologen.
De voorzitter:
Dit begint verdraaid veel op een commissiedebat te lijken. Ik geef u
echt voor de allerlaatste keer de ruimte voor één opmerking, mevrouw
Westerveld. Maar het moet echt kort, want er staat nog meer op de agenda
vandaag en dat hebben we ook te bewaken. Tot slot.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Mijn oproep aan de minister zou zijn om het wat kort te houden en het
over deze specifieke groep van 1.000 mensen te hebben. Het is namelijk
prima dat er wordt verteld wat er allemaal nog meer gebeurt en ik moet
erbij zeggen dat dat ook heel belangrijk is, maar ik zou graag een
oplossing willen voor deze groep van 1.000 mensen.
Minister Bruijn:
Ja, maar de laatste vraag van mevrouw Westerveld was breder dan dat, dus
die heb ik ook breder beantwoord, in lijn met de vraag van mevrouw
Westerveld. Die vraag ging namelijk over arbeidstekorten. Daar doen we
wat aan met elders verworven competenties en verkorte trajecten. Daar is
dit onderwerp ook helemaal op gericht. Er kunnen misschien verwachtingen
ontstaan door wetsvoorstellen die nog niet zijn aanvaard, die nog in de
consultatie zitten, die nog in de Tweede Kamer of in de Eerste Kamer
liggen, maar daar kunnen geen rechten aan worden ontleend. Dat geldt
voor alle gemiddeld 250 wetswijzigingsvoorstellen die we hier
behandelen.
De voorzitter:
Minister, was u daarmee aan het einde gekomen van uw beantwoording?
Minister Bruijn:
Wel als er geen nadere vragen zijn, voorzitter.
De voorzitter:
Dan zijn we daarmee aan het einde gekomen van dit tweeminutendebat.
De beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
Maar de minister blijft in ons midden. We gaan namelijk meteen door naar
het tweeminutendebat Hulp- en geneesmiddelenbeleid.