Wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het primair onderwijs BES, de Wet op de expertisecentra, de Wet voortgezet onderwijs 2020 en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met de herziening van de wettelijke grondslagen van de kerndoelen met focus op lezen, schrijven en rekenen (Wet herziening wettelijke grondslagen kerndoelen) (36699) (ongecorrigeerd)
Stenogram
Nummer: 2025D48609, datum: 2025-11-26, bijgewerkt: 2025-11-27 09:25, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2025-11-26 13:40: Wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het primair onderwijs BES, de Wet op de expertisecentra, de Wet voortgezet onderwijs 2020 en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met de herziening van de wettelijke grondslagen van de kerndoelen met focus op lezen, schrijven en rekenen (Wet herziening wettelijke grondslagen kerndoelen) (36699) (Plenair debat (wetgeving)), TK
Preview document (🔗 origineel)
Wet herziening wettelijke grondslagen kerndoelen
Wet herziening wettelijke grondslagen kerndoelen
Aan de orde is de behandeling van:
het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het primair onderwijs BES, de Wet op de expertisecentra, de Wet voortgezet onderwijs 2020 en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met de herziening van de wettelijke grondslagen van de kerndoelen met focus op lezen, schrijven en rekenen (Wet herziening wettelijke grondslagen kerndoelen) (36699).
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de behandeling van de
Wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het primair
onderwijs BES, de Wet op de expertisecentra, de Wet voortgezet onderwijs
2020 en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in
verband met de herziening van de wettelijke grondslagen van de
kerndoelen met focus op lezen, schrijven en rekenen. Ik heet de leden
van de Kamer van harte welkom. Ik heet opnieuw de staatssecretaris in
vak K van harte welkom.
Wij hebben een hele bijzondere dag, want we hebben vier maidenspeeches.
Gaat u er allen dus zo meteen goed voor zitten, zou ik zeggen. Mevrouw
Moorman heeft ook aangegeven geïnterrumpeerd te willen worden. De andere
drie collega's hebben aangegeven de ruimte te willen hebben om hun
maidenspeech te volbrengen in stilte, of niet in stilte maar zonder
interrupties.
De algemene beraadslaging wordt geopend.
De voorzitter:
We beginnen met collega Ceder. Die heeft zeker geen maidenspeech, maar
ik heet hem wel van harte welkom voor zijn bijdrage. Gaat uw gang.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank u wel, voorzitter. Allereerst welkom aan alle nieuwe collega's in
deze commissie. Ik denk dat alleen ik, de heer Stoffer en mevrouw
Rooderkerk de laatsten der Mohikanen zijn en dat de rest nieuwkomer in
de commissie is. Ik zie de heer Kisteman verbaasd kijken. Excuses! De
vier musketiers. Mevrouw Van der Plas zwaait ook. Oké, deze inleiding
gaat dus niet goed.
De voorzitter:
Als je begint met namen, dan vergeet je altijd iemand!
De heer Ceder (ChristenUnie):
In ieder geval welkom aan alle anderen. Ik zie een paar nieuwe
gezichten. Ik kijk uit naar de goede, inhoudelijke bijdragen, want het
gaat ergens over vandaag.
Voorzitter. Vandaag bespreken we de herziening van de grondslagen van de
kerndoelen. Dat is een belangrijk onderwerp. Ik merk daarbij ook gelijk
op dat ik wat moeite heb met de term "kerndoelen". Zijn de onderwerpen
die in de wet genoemd worden namelijk ook daadwerkelijk de kern en het
doel van het onderwijs? Doen we het onderwijsveld, de leraren en de
schoolbestuurders daar misschien niet ook tekort mee, als we het daartoe
reduceren? Nu weet ik dat deze wet dat niet als doel beoogt, maar het
raakt denk ik wel een belangrijke kern. Onderwijs is meer dan het
overdragen van kennis. Het vormt kinderen en jongeren tot wie ze zijn,
hoe ze in het leven staan en hoe ze bijdragen aan de maatschappij. De
eerste verantwoordelijkheid voor die vorming ligt de ouders — dat
vergeten we soms nog wel eens — en niet bij de school, bij de Staat of
bij anderen. Ouders hebben in principe het recht om kinderen wat betreft
normen, waarden en overtuigingen op te voeden zoals zij achten of denken
dat goed is. Dat recht werkt door in het onderwijs. Het vloeit
bijvoorbeeld ook voort uit het grondwettelijke recht op
onderwijsvrijheid.
Voorzitter. Dit versterkt de diversiteit in het onderwijs, het geeft de
ruimte om vanuit een duidelijke identiteit onderwijs te geven en het
biedt juist een sterke garantie voor dat vormend onderwijs. Ik denk dat
het dan ook geen toeval is dat identiteitsgebonden scholen, of scholen
die daar een sterke nadruk op leggen, over het algemeen ook de best
presterende scholen van Nederland zijn.
Voorzitter. Het onderwijs dient, naast vorming, natuurlijk ook
basisvaardigheden over te brengen. Zo kan het kind voorbereid aan de
slag en participeren in deze samenleving. Laten we eerlijk zijn, daar
bestaan terecht grote zorgen over. Vorige week was het nog in het nieuws
dat het er belabberd voor staat met de schrijfvaardigheid van de
Nederlandse scholier. Dat is niet de enige basisvaardigheid waarmee het
slecht is gesteld, ook de leesvaardigheid gaat al jaren achteruit. De
ChristenUnie vindt dat het snel anders moet. En ik weet dat vele
partijen in dit huis dat ook vinden.
Voorzitter. Het wetsvoorstel dat we vandaag bespreken is een van de
manieren waarop de regering wil proberen om hier verandering in te
brengen. Het wetsvoorstel focust op de verbetering van de beheersing van
de basisvaardigheden, namelijk van lezen, schrijven en rekenen. De
regering wil met het wetsvoorstel ook het curriculum wat meer bij de
tijd brengen. Zo wordt er bijvoorbeeld een wettelijke grondslag
gecreëerd voor het opstellen van kerndoelen voor digitale geletterdheid
en het burgerschap. Ik kan kort zijn over de noodzaak van de wet. Die is
wat de ChristenUnie betreft namelijk een logische volgende stap in deze
curriculumherziening, waarmee de conceptkerndoelen een wettelijke
verankering krijgen.
Toch wil ik in mijn bijdrage ook wat langer stilstaan bij drie zaken.
Allereerst wil ik stilstaan bij de doelen van de wet, die ik net noemde.
Deze hangen immers samen met wat we mogen verwachten van het onderwijs.
Ten tweede heb ik een aantal vragen over de curriculumherziening. Ten
derde wil ik het specifiek over dit wetsvoorstel hebben. Ik zal ook een
aantal wijzigingen die ik als concept heb ingediend, proberen toe te
lichten.
Allereerst wil ik het hebben over de doelen van de wet. Voordat ik
inhoudelijk inga op het wetsvoorstel, wil ik hierbij stilstaan. Ik vind
het verbeteren van de beheersing van de basisvaardigheden, een van de
doelen van dit wetsvoorstel, vrij ambitieus. Ik zie namelijk ook andere
oorzaken die veel meer ten grondslag liggen aan die slechte beheersing.
Dan kijk ik bijvoorbeeld, in navolging van de Onderwijsraad, naar
oorzaken buiten het onderwijs. Denk aan de digitalisering van de
samenleving. Mijn vraag aan de minister is wat bijvoorbeeld het effect
is van alle uren op sociale media en smartphones op de lees- en
schrijfvaardigheid. Is dat gemeten? Ook zien we dat de leerlingen die
geen voorschoolse educatie hebben doorlopen grotere achterstanden
hebben. Er zijn dus ook andere oorzaken, die dit wetsvoorstel niet
oplost. Hoe reflecteert de staatssecretaris hierop? Is hij bereid om een
bredere visie met bijbehorende maatregelen op te stellen, om ouders te
ondersteunen in hoe ze bij kunnen dragen aan de leerontwikkeling van hun
kind? Ik overweeg een motie hierop. Of ik die motie indien, is
afhankelijk van het antwoord van de minister hierop.
Voorzitter. Ten tweede wil ik benadrukken dat het opdoen van
basisvaardigheden niet het enige doel is van het onderwijs. Het
onderwijs is geen leerfabriek. Het gaat dus niet alleen over het
overdragen van kennis, maar ook over het leren functioneren binnen een
gemeenschap, cultuur of beroepsgroep en over persoonsvorming, het
ontwikkelen van een eigen identiteit en kritisch denkvermogen. Dat zijn
in ieder geval de drie doelen die pedagoog Gert Biesta onderscheidt:
kwalificatie, socialisatie en persoonsvorming. Ik zie dat SLO in het
proces van het bepalen van de kerndoelen deze drie doelen voor ogen
heeft gehouden. In de debatten en in de voorstellen van dit kabinet
lijkt de nadruk echter vooral op kwalificatie te liggen. Die nadruk
lijkt te verschuiven. De twee andere doelen lijken onderbelicht. Herkent
de staatssecretaris dit en ziet hij het gevaar dat door deze nadruk de
andere doelen wellicht kunnen ondersneeuwen? Ik krijg hier graag een
reflectie op. Wij willen ervoor waken dat steeds alle drie de doelen in
onderwijswetgeving en -beleid structureel aan bod komen.
Voorzitter, dan de curriculumherziening. Ik wil allereerst opmerken dat
het opstellen van de conceptkerndoelen een enorm proces is geweest met
veel meedenken en -spreken vanuit het werkveld. Ik complimenteer dan ook
de SLO, alle scholen die hebben meegedacht en -gewerkt, de
wetenschappelijke curriculumcommissie, de ambtenaren van OCW en alle
anderen die bezig zijn geweest met deze curriculumherziening. Ik begrijp
in algemene zin, ook vanuit het werkveld, dat men prima met deze doelen
uit de voeten kan, dus goed werk. Nogmaals complimenten.
Ik lees ook kritiek, bijvoorbeeld over hoe een onderwerp als
duurzaamheid onvoldoende aan bod komt. Kan de staatssecretaris schetsen
op welke manier de weging is gemaakt om iets al dan niet mee te nemen in
de conceptkerndoelen? Hoe zwaar woog de inbreng van bijvoorbeeld
vakorganisaties? Hoe representatief en gedragen zijn die
conceptkerndoelen nu echt vanuit het werkveld? Kan de staatssecretaris
hier iets over vertellen? Ik ben ook benieuwd op welke manier de
veelkleurigheid van ons onderwijsstelsel is meegenomen. Zijn de
verschillende richtingen, van vrije scholen, montessori's tot
evangelische scholen, bewust hierin meegenomen? Ik zie graag een schets
van de staatssecretaris van het gelopen proces.
Dan kijk ik naar de toekomst. Hoe wordt het werkveld ook nu betrokken
bij de implementatie van het curriculum? Beseffen scholen wel degelijk
wat hun te wachten staat qua verandering? Ik hoor graag op welke manier
de staatssecretaris het werkveld hierbij meeneemt. Ik besef dat het de
verantwoordelijkheid van de scholen zelf is, maar ik hoor ook graag op
welke manier er ondersteund wordt.
Tot slot op dit punt wil ik wijzen op de eerdere opmerkingen van de Raad
van State bij de Wet over de burgerschapsopdracht. Toen stelde de Raad
dat de onderwijsinspectie met gepaste terughoudendheid toezicht diende
te houden op de vaardighedencomponent van het burgerschapsonderwijs,
aangezien de wijze van invulling ervan sterk zal samenhangen met het
profiel van de school. Op welke manier neemt de staatssecretaris dit
advies ter harte nu er kerndoelen over burgerschap zijn opgesteld en de
inspectie hier ook toezicht op gaat houden? Kan hij concreet schetsen op
welke manier de inspectie de eigen richting en de
pedagogisch-didactische visie van de school respecteert bij het
toezicht? De regering erkent immers zelf al dat burgerschapsonderwijs
nauw verbonden is met al deze zaken.
Dan de inhoud van het wetsvoorstel. Na de opmerkingen van de Raad van
State heeft de regering de zware nahangbepaling uit het wetsvoorstel
geschrapt. Daar heeft de ChristenUnie, gezien de inhoudelijke
argumentatie, begrip voor. Ik vraag de staatssecretaris wel waarom hij
als vervanging daarvoor bijvoorbeeld niet een lichte voorhangbepaling
heeft toegevoegd. De kerndoelen en de uitwerking van die kerndoelen, die
met dit wetsvoorstel ook kunnen worden vastgelegd, raken immers aan de
grondwettelijke vrijheid van inrichting. Het is dan ook goed dat er een
formele parlementaire betrokkenheid blijft bij het vaststellen van de
kerndoelen, en daarmee van het curriculum van scholen. Is de
staatssecretaris het hiermee eens? Ik heb al een amendement ingediend om
die voorhangbepaling alsnog op lichte wijze voor te leggen, samen met
collega Boomsma en mevrouw Van der Plas.
De kerndoelen gaan over het wat, over wat er aan bod gaat komen in het
onderwijscurriculum. Over het hoe hebben scholen, terecht, heel veel
vrijheid. Maar de laatste jaren is de overheid over het wat wel wat
doorgeschoten. We hebben heel veel moties aangenomen over wat er
allemaal wel niet in het onderwijs aan bod zou moeten komen. Scholen
ervaren overladenheid. Het is goed dat de staatssecretaris met deze
curriculumherziening weer focus aanbrengt.
Toch heb ik op twee hele specifieke punten een amendement ingediend met
een lichte uitwerking van de tekst met betrekking tot de
conceptkerndoelen. Die zijn voor de ChristenUnie belangrijk, want die
voegen niet iets toe aan de werklading, maar verduidelijken wel waar de
focus op zou moeten liggen. Die twee punten vinden we zo belangrijk dat
we het waard vinden om ze tot wetsniveau verheffen.
Het eerste punt is financiële educatie, financiële geletterdheid. Dat
vinden we belangrijk, mede gezien de grote schuldenproblematiek onder
jongeren. Het is bekend dat je armoede heel vaak overdraagt. Of het nou
gaat om de Amsterdamse Bijlmer of de Veenkoloniën, als ouders niet goed
omgaan met geld, is de kans groot dat kinderen hetzelfde gedrag of
soortgelijk gedrag gaan vertonen. De cyclus van armoede houd je dan in
stand. School zou een plek kunnen zijn waar je in ieder geval wat
vaardigheden meekrijgt, juist in een tijd waarin jongeren gewoon een
Klarnabetaalpas kunnen aanschaffen, je op je 18e al kan kopen op
afbetaling en er weinig checks-and-balances zijn om te voorkomen dat
jongeren al heel vroeg in de schulden belanden. Dat kunnen we afdekken
door ook op de scholen daar waar we al leren over economie, daar wat
nadruk op te leggen en dat tot uiting te brengen in de wet als het gaat
over financiële geletterdheid. Laten we niet vergeten dat schulden, ook
onder jongeren, een maatschappelijke kostenpost zijn van miljarden
euro's en dat hieraan een economische component te hangen valt. Daarom
hebben wij dit als amendement toegevoegd. We weten dat dit al benoemd
wordt en dat het al onderdeel is van het curriculum. Maar door het op
wetsniveau te regelen, hopen we er ook als parlement uiting aan te geven
dat dit een belangrijk onderwerp is. Hopelijk kunnen we de cyclus, die
we al generaties zien, doorbreken door dit wettelijk zo vast te
leggen.
Voorzitter. Het tweede is benadrukken dat het bij geschiedenis en
staatsinrichting moet gaan over het gehele Koninkrijk der Nederlanden —
we zijn immers een koninkrijk — en niet alleen over Europees Nederland.
Dit hebben we verduidelijkt in het amendement, zodat we ook toekomstige
generaties al veel duidelijker maken wat het betekent om onderdeel te
zijn van het Koninkrijk, dat de grenzen van ons Koninkrijk niet ophouden
bij de Noordzee, maar bij Zuid-Amerika. Gezien de geopolitieke
ontwikkelingen lijkt het me ook heel verstandig om dit tot uitdrukking
te brengen. Het is niet een extra taak; dit wordt al geleerd. Maar door
het op wetsniveau zo zuiver neer te leggen, denk ik dat we ook recht
doen aan de daadwerkelijke staatsrechtelijke inrichting van onze
samenleving.
Voorzitter. Daarnaast valt mij op dat momenteel de evaluatie mist in het
wetsvoorstel. De doelen zijn echter ambitieus; zo begon ik mijn
bijdrage. Het lijkt dan ook goed dat er na enige tijd wordt geëvalueerd
in hoeverre dit wetsvoorstel en de kerndoelen daadwerkelijk bijdragen
aan het behalen van de doelen, waaronder het verbeteren van de
beheersing van de basisvaardigheden. Ook daarvoor heb ik een amendement
ingediend.
Daarnaast …
De voorzitter:
Ik hoorde net een kleine punt. Mevrouw Rooderkerk wil u graag een vraag
stellen. Gaat uw gang.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
De heer Ceder had het al over het tegengaan van de overladenheid van het
onderwijs. Hij heeft een paar amendementen ingediend. Maar er zijn meer
onderwerpen. Duurzaamheid vinden wij ook belangrijk. Die staat al in de
kerndoelen, niet in de wet. Omgang met AI vinden wij belangrijk. Die
staat al in de kerndoelen, niet in de wet. Waarom wil hij deze
onderwerpen dan wel in de grondslagen van de wet zetten? We willen niet
dat daar willekeur in ontstaat en willen daar zelf in ieder geval ook
terughoudendheid in betrachten.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dat begrijp ik. Die terughoudendheid heb ik zelf ook betracht door
bijvoorbeeld duurzaamheid er niet in op te nemen. Dan als het gaat om
deze twee punten. Als eerste als het gaat om de Staat en het Koninkrijk.
Er staat nu al letterlijk — ik weet niet of de kijkers de tekst ooit
gezien hebben — dat men iets moet leren over de Staat. Wat wij daaraan
toevoegen is dat wij aangeven dat dit gaat over het Koninkrijk, want dat
is volgens mij de facto de staatskundige inrichting zoals we die met
elkaar kennen. Het is geen aanvulling op wat er geleerd zou moeten
worden. Volgens mij is het een feitelijke correctie en aanvulling op hoe
wij als Koninkrijk bestaan en ons staatkundig tot elkaar verhouden. Het
is denk ik vooral op dat punt een aanvulling op wat er staat. Voor mij
is wat wij toevoegen een correctere versie dan hoe het nu in de wet
staat als je kijkt naar hoe wij staatkundig bestaan, wat dus een
koninkrijk is. Dat is het eerste.
Het tweede gaat over financiële geletterdheid. We hebben die toegevoegd
omdat economie er nu alleen als los onderdeel in staat. Financiële
geletterdheid is inderdaad in de conceptdoelen meegenomen. We
constateren en zien alleen dat we het al langer hebben over financiële
educatie op scholen en dat er op verschillende manieren aandacht aan
gegeven wordt. Maar je merkt dat tegelijkertijd de problemen rondom
jongeren met schulden steeds meer toenemen. Eigenlijk merk je dat er
steeds meer behoefte aan is dat jongeren voordat ze 18 worden,
financieel geletterd zijn. Je ziet ook dat de gevolgen daarvan voor het
individu, jongeren die in de schulden raken, groot zijn. Maar ook de
maatschappelijke kosten zijn gigantisch. De totale schuldenlast is uit
mijn hoofd 14 miljard per jaar. Ook dit is geen toevoeging aan de
werklast, dit is een verduidelijking van wat al in de conceptkerndoelen
staat, maar wat we tot uitdrukking laten komen in de wet, zoals we dat
bijvoorbeeld ook doen met digitale geletterdheid. AI is ook een
belangrijk punt. Volgens mij omvat digitale geletterdheid dat, net zoals
financiële geletterdheid omgaan met schulden of creditcards omvat.
Volgens mij zijn we het hierover eens. Dit is geen extra werkdruk of
werklast, maar het is een verduidelijking van wat al in de
conceptkerndoelen staat ten aanzien van financiële geletterdheid. Het
tweede is volgens mij een correctie op hoe het Koninkrijk ook
daadwerkelijk staatkundig is ingericht.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dank voor die toelichting. Het belang van het eerste voorstel en de
probleemschets die bij het tweede voorstel hoort, deel ik helemaal. Wij
vinden het in die zin dus sympathiek. Alleen, het is vooral van belang
dat kinderen ook echt leren wat ze zouden moeten leren. De heer Ceder
geeft aan: dat staat al wel degelijk in de kerndoelen, dus laten we dat
dan vastleggen. Wij zijn in ieder geval terughoudend om echt in die
grondslagen nog allemaal wijzigingen te gaan doen. Omdat het met zoveel
experts, leraren en scholen tot stand is gekomen, vinden wij dat we daar
als Kamer niet te veel in moeten willen wijzigen. Dat is meer een oproep
aan de collega's. Verder ben ik ook gewoon benieuwd naar de appreciatie
van de staatssecretaris.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Daar ben ik het mee eens. Toch nog voor de duidelijkheid, want daar
begon ik ook mee: we moeten uitkijken met welke extra last we bij
leraren neerleggen. Maar dit zijn juist twee punten die nul komma nul
extra last bij leerkrachten neerleggen. Ze staan al in de
conceptkerndoelen. In ieder geval de staatsinrichting van het Koninkrijk
komt daarin al tot uiting. Alleen, ik denk dat het er verkeerd of
krampachtig staat. Volgens mij doe je hiermee ook recht aan de
feitelijke staatkundige situatie.
Financiële geletterdheid staat er, net als digitale geletterdheid, ook
al in, maar ik denk dat je hiermee ook echt uiting geeft aan een
probleem waar we het in commissieverband in de commissie voor SZW, niet
OCW, geregeld met elkaar over hebben. We zien dat er een grote groep
jongeren is die steeds minder weet hoe om te gaan met geld. Bij economie
leren kinderen wat hoogconjunctuur en laagconjunctuur is, wat allemaal
goed is, maar we willen er ook in de wet uitdrukking aan geven dat je
voordat je 18 bent, in ieder geval ook in staat moet zijn om financieel
weerbaar te zijn. Ik denk dat die vaardigheid zo belangrijk is, juist in
deze tijd, dat die ook in de wetstekst tot uitdrukking zou moeten
komen.
De voorzitter:
Gaat u verder met de afronding van uw betoog.
O, er is toch nog aanleiding tot een vraag.
De heer Kisteman (VVD):
We hebben het in de commissie ook veel gehad over het periodiek
onderhoud. We vinden het belangrijk dat de kerndoelen met de tijd
meegaan. Maar als we dit nou gaan vastleggen in de wet en straks blijkt
dat die financiële geletterdheid helemaal niet zo belangrijk is, niet
van toepassing is, dan moeten we een hele wetswijziging gaan doorvoeren,
terwijl we juist als commissie hebben gezegd periodiek onderhoud te
willen. Dat vinden we belangrijk: dat de kerndoelen met de tijd mee
kunnen gaan. Staat het amendement dat de heer Ceder nog wil indienen
hieraan straks in de weg?
De heer Ceder (ChristenUnie):
Nee, ik denk dat financiële geletterdheid iets is wat sinds het begin
der tijden belangrijk is. Dat zal over vier jaar niet anders zijn.
Sterker nog, kijk naar de steeds ingewikkelder wordende samenleving,
naar de manier waarop nieuwe initiatieven zoals buy now, pay later zich
richten op jongeren en naar wat er op social media allemaal aan reclames
op hen afkomt. Ik weet niet hoe oud meneer Kisteman is, maar in mijn
tijd — ik ben inmiddels 36 jaar — had ik niet te maken met de
verleidingen en uitdagingen waar jongeren vandaag de dag mee te maken
hebben. Ik ben dus niet bang dat het onderwerp financiële geletterdheid
verdwijnt. Ik denk dat het steeds belangrijker zal worden. Stel je voor
dat we het zo goed doen met elkaar dat financiële geletterdheid niet
meer nodig zou zijn en ook uit de kerndoelen verdwijnt. Dan zal dat uit
de evaluatie moeten blijken. Zo zullen er nog andere dingen blijken. Ik
snap uw argument, maar volgens mij weerhoudt dat dit punt niet.
Ik benadruk wel dat dit een dusdanig belangrijk punt is dat je dat ook
in de wet tot uitdrukking zou moeten laten komen. Het staat al in de
conceptkerndoelen, dus het is niet zo dat we nu iets extra's vragen.
Maar we maken het wel zichtbaarder en belangrijker. Ik denk dat dat een
belangrijke uitdrukking is van hoe we het als parlementariërs ook een
belangrijk punt vinden dat je kinderen dit meekrijgen.
De heer Kisteman (VVD):
Ik sluit deels aan bij de inbreng van mevrouw Rooderkerk. Als nu elke
fractie haar eigen paradepaardjes in die wet gaat vastleggen, wat is dan
het nut van al het werk dat het veld heeft gedaan? Maar vooral, en dan
stel ik nogmaals die vraag: wat willen we dan nog met periodiek
onderhoud gaan doen? Want dat vervalt dan min of meer, omdat de wet dan
leidend is.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik ben het er niet mee eens dat hiermee al het werk vervalt. Financiële
geletterdheid staat al in de conceptkerndoelen. Juist doordat het veld
heeft samengewerkt, is dit al gemarkeerd als een heel belangrijk thema.
Het is dus niet zo dat ik dit verzonnen heb; dit is al geconcludeerd en
gemarkeerd. Nu staat er in de tekst dat kinderen economie bijgebracht
zou moeten worden, wat ook heel belangrijk is. Wij voegen daaraan toe
dat het gaat om economie en financiële geletterdheid, omdat economie een
micro-, meso- en macrocomponent heeft, en financiële geletterdheid ook
een individuele component heeft. Dat is geen paradepaardje. Ik denk dat
de cijfers uitwijzen dat we een groot probleem hebben, als het gaat over
jongeren die helaas te weinig van huis meekrijgen over financiën. We
zien ook dat er cycli zijn van armoede in verschillende wijken. Een van
de manieren om dat te doorbreken is volgens mij door er via het
onderwijs aandacht aan te geven. Ik ben met u eens dat je het niet een
paradepaardje moet laten zijn, maar dat dit een serieus belangrijk
onderwerp is. Als het lukt om dit te tackelen, levert dat ook
economische en maatschappelijke baten op. Dat loopt volgens mij echt in
de miljarden per jaar. Daarnaast is het voor de individuele jongere
tegenwoordig heel belangrijk om dit als basisvaardigheid mee te
krijgen.
De voorzitter:
Gaat u verder met uw betoog.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik ben het dus eens met uw punt, maar ik denk niet dat dit daaronder
valt.
De voorzitter:
Meneer Ceder ...
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik denk dat wij er met een motie in de Kamer ook uitdrukking aan hebben
gegeven dat wij dit met zijn allen een heel belangrijk punt
vinden.
Voorzitter. Ik heb het gehad over de evaluatiebepaling. Die heb ik
ingediend. Daarnaast lees ik, in aanvulling op de heer Kisteman, dat er
periodiek onderhoud van de kerndoelen gaat plaatsvinden. Dat vind ik
meer dan terecht, zeker gezien het feit dat de kerndoelen op een
uitzondering na bijna twintig jaar geleden voor het laatst werden
geactualiseerd. Er komt nu vanuit SLO een periodieke onderhoudskalender
aan. Het lijkt mij goed om deze eens in de zoveel tijd te updaten, zoals
de Onderwijsraad ook adviseert. Zo ja, op welke doelen? Ook hiertoe heb
ik een amendement ingediend, samen met de collega's Moorman, Kisteman en
Rooderkerk.
Voorzitter, ik kom tot een afronding. Deze wetsbehandeling is een
belangrijke mijlpaal in de jarenlange curriculumherziening. Misschien is
dat voor ons als parlement een moment om wat meer terughoudendheid te
betrachten wanneer een en ander is vastgelegd en zo, als het wettelijk
kader straks staat, overladenheid bij het onderwijs te voorkomen. In
plaats van ad hoc sturen op incidenten de komende jaren is een
overzichtelijk proces voor de curriculumherziening van belang. Ik zag
dat de wetenschappelijke curriculumcommissie hiervoor aanbevelingen
heeft gedaan.
Ik ben benieuwd hoe de staatssecretaris deze adviezen oppakt. Is hij
bereid om wellicht per brief inhoudelijk te reageren op de adviezen en
uiteen te zetten of en, zo ja, op welke manier hij er uitvoering aan wil
geven? De komende jaren gaan alle scholen in Nederland ermee aan de slag
in de praktijk. Ik wil dan ook eenieder die in het onderwijs werkt
daarbij veel succes en plezier wensen.
Dank je wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan nodig ik nu graag mevrouw Rooderkerk van de fractie van
D66 uit voor haar bijdrage. Ga uw gang.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dank, voorzitter. Allereerst ook namens mij hartelijk welkom aan alle
nieuwe collega's in toch wel de mooiste commissie van deze Kamer.
Voorzitter. Afgelopen week concludeerde de inspectie dat een op de zes
tweedeklassers het schrijfniveau van de basisschool niet haalt. Een op
de zes! Dat zijn tienduizenden jongeren die moeite hebben om een alinea
te formuleren, een verslag te schrijven of überhaupt op te schrijven wat
er in hun hoofd gebeurt. Tienduizenden leerlingen lopen hiermee het
risico op laaggeletterdheid. En dat terwijl schrijven net als lezen de
sleutel is tot alles wat volgt, van denken, met elkaar van gedachten
wisselen, of dat nou is via een liefdesbrief of een kerstkaart, het
afronden van een opleiding, tot je plek vinden in de samenleving. Dat
kunnen we niet accepteren.
Gelukkig zetten we vandaag dan ook een stap in de goede richting, want
de nieuwe kerndoelen brengen lezen, schrijven en rekenen in het hart van
het onderwijs, niet als los vak, maar als fundament van elk leergebied.
Straks wordt schrijven onderdeel van elk vak, van biologie tot
geschiedenis, precies zoals het hoort. D66 steunt deze wet dan ook van
harte. Wat ons betreft gaan we hier voortvarend mee aan de slag. In
België stampten ze in één jaar een gedetailleerd kennisrijk curriculum
uit de grond. Wij deden er ietsje langer over: twintig jaar. De laatste
wijziging van ons curriculum was in 2006. Sindsdien hadden we de
commissie-Dijsselbloem, de commissie-Schnabel, Onderwijs2032 en
Curriculum.nu. Er waren duizenden leraren die meedachten, stapels
papier, prachtige en minder prachtige ideeën, maar er was geen nieuw
curriculum, terwijl de lees- en schrijfscores daalden en de kerndoelen
steeds minder aansloten op de wereld.
In 2006 was kunstmatige intelligentie nog een vaag toekomstbeeld.
Inmiddels is AI in elke klas aanwezig. Als ik op scholen ben, dan vraag
ik ook weleens aan de leraar: in hoeverre gebruiken jullie nou ChatGPT
in de klas? Vaak krijg ik dan het antwoord: niet echt. Dan vraag ik het
aan de leerlingen en dan gaan alle handen omhoog. We moeten daar wat
mee. Deze nieuwe kerndoelen brengen het weer terug naar de tijd van
nu.
Ik ben wel benieuwd hoe de staatssecretaris kijkt naar de afgelopen tien
jaar aan curriculumherziening. Er ligt een amendement voor van ons, de
ChristenUnie, de VVD en GroenLinks-PvdA om regelmatig het curriculum te
gaan herzien. Ik ben benieuwd hoe hij dat voor zich ziet.
Voorzitter. Als we het hebben over de basisvaardigheden, gaat het over
meer lezen, meer schrijven en meer rekenen, maar hoe we dat doen maakt
het verschil tussen stilstand en vooruitgang. Sommige partijen kiezen
hier voor lezen, schrijven en rekenen ten koste van ander onderwijs,
maar dat onderscheid is kunstmatig. Daar sta ik graag even bij stil.
Goed onderwijs begint bij nieuwsgierigheid naar de wereld, daar woorden
aan weten te geven en een leraar die dat in goede banen leidt. De
grootste invloed op leesbegrip heeft niet het kunnen aankruisen van een
hoofdgedachte of het toepassen van een leesstrategie, maar het
daadwerkelijk begrijpen van wat je leest omdat je iets weet van de
wereld om je heen. Je begrijpt een tekst over de getijden pas echt als
je weet hoe hoog- en laagwater in elkaar steekt of als je weleens bij de
zee bent geweest. Je begrijpt pas wat een tekst over voetbal zegt als je
sport enigszins begrijpt, of wat een ritme is als je zelf muziek leert
maken. Daarom moet lezen geïntegreerd zijn in elk vak, niet als een
aparte activiteit, maar als onderdeel van lessen over geschiedenis,
aardrijkskunde en de maatschappij. Daarom moeten we stoppen met het vak
begrijpend lezen. Zelfs de bedenker ervan heeft zich er inmiddels van
afgekeerd. Iedereen die ooit een willekeurige methode voor begrijpend
lezen heeft opengeslagen, voelt waarom. Het is taal zonder wereldkennis,
zonder context en zonder betekenis.
Ik vind dat dit curriculum daar goede stappen in zet, maar we moeten wel
kritisch zijn op de manier waarop we het curriculum toetsen, want de
toetsing stuurt het onderwijs. Op dit moment stuurt die de verkeerde
kant op. Onze doorstroomtoets en ons eindexamen Nederlands zijn te vaak
gericht op trucjes, zoekvragen, signaalwoorden, strategieën en zelfs
multiplechoicedictees. Een gratis tip: bij twijfel, kies altijd antwoord
B. Maar zo zou het niet moeten zijn. Er zijn scholen die geweldig,
thematisch en kennisrijk onderwijs geven, zoals de scholen waar ik kom,
waar overal boeken te vinden zijn: op het bureau, in de klas en overal
in de gangen; scholen die op allerlei manieren met verhalen omgaan en in
elk vak dat aan bod laten komen. Die scholen staan voor een duivels
dilemma: gaan we daarmee door of stoppen we de tijd in het trainen voor
de toets zodat die betere resultaten oplevert?
Daarom stel ik de volgende vragen aan de staatssecretaris. Hoe gaat de
regering ervoor zorgen dat de nieuwe kerndoelen worden gevolgd door
nieuwe toetsing, dat toetsen niet langer strategieën en trucjes belonen,
maar echte taalbeheersing, schrijfvaardigheid, woordenschat en kennis?
Gaat er daarbij echt getoetst worden op die schrijfvaardigheid? Hoe
wordt de samenloop en dubbeling met de referentieniveaus opgelost?
De voorzitter:
Ik hoorde een punt. Ik zie dat de heer Boomsma heel graag een vraag wil
stellen. Gaat uw gang.
De heer Boomsma (JA21):
Ik vind het een uitstekende vraag hoe je meer aandacht kunt besteden aan
schrijfvaardigheid in plaats van bijvoorbeeld aan
multiplechoiceantwoorden. Alleen, ik denk wel dat het goed nakijken van
geschreven teksten veel tijd vergt. Dat kost veel meer tijd dan het
nakijken van bijvoorbeeld een multiplechoiceproefwerk. Ik heb daar zo
ook nog een vraag over, maar ik ben benieuwd hoe mevrouw Rooderkerk dat
ziet. Hoe zorgen we er nou voor dat leraren voldoende tijd krijgen om
opstellen na te kijken en gericht suggesties te geven voor het
verbeteren van die schrijfvaardigheid?
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Mooie vraag. Dit is nou juist waar wat mij betreft over nagedacht moet
worden wanneer we kijken naar de resultaten van hoe het gesteld is met
de schrijfvaardigheid. Als je dat niet afdoende oefent op school, dan is
het ook niet verwonderlijk dat het niet goed gaat met de
schrijfvaardigheid. Nakijken is een van die zaken, maar daar kun je
natuurlijk allerlei vormen voor maken. Het is wat mij betreft niet
voldoende om alleen naar zo'n eindtoets te kijken. Dat is ook in het
debat over de doorstroomtoets heel vaak naar voren gekomen. Het is
natuurlijk een van de instrumenten die je hebt als leraar om te kijken
hoe het met de ontwikkeling van een kind gaat, maar op scholen waar dat
goed gebeurt, hoort er vaak een heel portfolio bij, waarbij ze veel
vaker aan het schrijven zijn en daar al veel meer in alle lessen en
gedurende de jaren mee bezig zijn. Dit is juist een van de vragen die
wat ons betreft beantwoord moeten worden als we willen zorgen dat die
schrijfvaardigheid daadwerkelijk verbetert.
De voorzitter:
Gaat u verder met uw betoog.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Duidelijkere kerndoelen en betere toetsing gaan helpen, maar ze lossen
de problemen in de klas niet vanzelf op. Daarom wil ik met deze nieuwe
Kamer werken aan doorbraken voor het onderwijs. In mijn initiatiefnota
over lezen en schrijven, Lezen voor je leven, doe ik daarvoor een aantal
voorstellen, zoals leraren meer ruimte geven voor hun vak, met minder
administratie, minder niet-lesgevende taken en minder vergaderingen, en
met in plaats daarvan kleinere klassen en meer tijd voor voorbereiding
en professionalisering. Dat doen we door het vakmanschap centraal te
stellen, met meer doorgroeimogelijkheden en loopbaanpaden voor leraren,
en door meer wetenschappelijke kennis de school in te helpen. Het is
namelijk zorgelijk dat 40% van de pabostudenten nooit vrijwillig een
boek leest. Laat dat tot u doordringen. Slechts de helft van de leraren
Nederlands vindt dat ze voldoende kennis en vaardigheden hebben voor het
geven van goed schrijfonderwijs.
Het is dus van belang dat we de lat verhogen door les te geven vanuit
hoge verwachtingen, maar ook met meer focus. Er zijn zo veel
goedbedoelde initiatieven over financiële educatie, mindfulness,
EHBO-lessen, boerderijeducatie en moestuinen. Er is elke week wel weer
een nieuwe dag, week of maand die aandacht verdient. Soms past dat bij
het onderwijs, als het ook aansluit op de lessen van de school, maar
vaak is het ook ruis. Dat vraagt ook iets van ons als nieuwe Kamer. Er
zijn namelijk veel nieuwe gezichten vandaag. We zullen ongetwijfeld vaak
met elkaar stevige debatten voeren, maar we hebben ook één gezamenlijke
verantwoordelijkheid. Dat is de verantwoordelijkheid om voor het
onderwijs te gaan staan in onze fracties, om ervoor te zorgen dat we de
kerstboom niet verder optuigen. Het is onvermijdelijk dat u straks in uw
fracties de oproep hoort om een maatschappelijk probleem in het
onderwijs te gaan oplossen. Laten we dan met z'n allen zeggen: nee, we
houden focus op wat telt. Dat zeg ik in de wetenschap dat wij ons hier
in het verleden ook weleens schuldig aan hebben gemaakt. U mag raden
welke uit het rijtje dat ik eerder noemde dat was. Mijn collega weet het
vast.
Voorzitter. Over het aanbrengen van focus heb ik nog een vraag,
specifiek met betrekking tot de kunstvakken. Vakverenigingen zeggen
daarover: er dreigt verschraling te ontstaan. Maar ik hoor het
ministerie zeggen: het blijft zoals het is. Kan de staatssecretaris even
helder uiteenzetten wat er in de huidige situatie en de nieuwe situatie
van scholen wordt verwacht dat ze onderwijzen over kunst en cultuur, en
dan zowel ten aanzien van de grondslagen in de wet als de uitwerking
daarvan in de kerndoelen? Wat ons betreft blijven die namelijk van
gelijk belang.
Tot slot, voorzitter. Deze wet is een grote stap in de goede richting.
Het is het sluitstuk van een jarenlang proces en hopelijk de basis van
een agenda waarin we leraren weer ruimte geven om les te geven en we
uitgaan van hoge verwachtingen en vakmanschap, waardoor kinderen niet
alleen goed kunnen lezen, schrijven en rekenen, maar ook veel weten over
de wereld om hen heen, zodat ze niet iets, maar iemand worden. Daar ga
ik mij de volgende periode graag voor blijven inzetten.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Van der Plas, gaat uw gang.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Even over dat begrijpend lezen. Vroeger — oma vertelt — hadden we
begrijpend lezen, technisch lezen, schrijven, rekenen, geschiedenis en
aardrijkskunde. Begrijpend lezen was juist zo belangrijk om ook andere
teksten, als je bijvoorbeeld geschiedenis of aardrijkskunde had, goed te
begrijpen. Ik vraag me dus een beetje af hoe mevrouw Rooderkerk het nu
precies voor zich ziet om het begrijpend lezen af te schaffen en dat te
integreren in andere vakken. Dat zie ik niet helemaal.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dat is heel interessant, want dit is nu juist het hele punt. We hebben
het heel lang op die manier gedaan. Vroeger ging het inderdaad zo. Toen
had je een apart vak begrijpend lezen. De wetenschappelijke inzichten
van nu laten echter zien dat dit niet de juiste manier was om
leesonderwijs te geven. Hoe weten we dat? Ook omdat we zien dat
inmiddels een op de drie kinderen van school komt zonder goed genoeg te
kunnen lezen en schrijven om mee te komen in het leven. Die zorg delen
we allebei; dat weet ik. Dat komt dus omdat het als apart vak gegeven
wordt, maar er daarnaast in dat vak vooral gefocust wordt op strategieën
om zinnen te ontleden of te begrijpen, terwijl het leesplezier daarmee
uit alle leerlingen wordt geslagen. Maar de experts, de wetenschappers
die daarnaar hebben gekeken, ook bij de rondetafel die we daar in de
vorige periode over hebben georganiseerd, zeggen eenduidig: "Zorg voor
een rijk curriculum. Zorg dat lezen in alle vakken naar voren komt. Zorg
bijvoorbeeld dat je ook gedichten leest bij een cultuurles en dat je bij
aardrijkskunde grote teksten leest, zodat je meer weet over die
onderwerpen." Als je dan vervolgens een tekst leest, begrijp je ook echt
wat er staat. Dat is volgens de huidige wetenschappelijke inzichten hoe
het moet worden vormgegeven. Ik ben blij om te zien dat dat ook is hoe
het nu in de kerndoelen is opgeschreven.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Hele generaties zijn van school af gekomen en konden gewoon lezen,
schrijven en rekenen. Dat is de oude lesmethode. We hoeven niet alles te
doen zoals in de jaren vijftig, zestig of zeventig, maar met name het
probleem qua lees- en schrijfvaardigheid is echt een probleem van nu.
Vroeger had je dat veel minder. Je had kinderen die iets minder goed
konden schrijven en je had kinderen die iets minder goed konden lezen.
Ik begrijp het idee van mevrouw Rooderkerk op zich wel, maar om dat
begrijpend lezen in andere vakken toe te passen, zul je toch een basis
moeten hebben met begrijpend lezen. Juist daar leren kinderen die niet
zo goed begrijpend kunnen lezen namelijk de vaardigheid begrijpend
lezen, waardoor je het ook makkelijker in al die andere vakken kunt
toepassen. Maar dan zul je toch begrijpend lezen als basis moeten hebben
en dat vak niet moeten afschaffen?
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Er lopen inderdaad een paar dingen door elkaar. Het vak Nederlands
blijft uiteraard bestaan. Ik probeer alleen duidelijk te maken dat je er
veel breder aandacht aan moet besteden. Dat heb ík niet bedacht. Dat is
verweven in de huidige kerndoelen, omdat dat volgens de
wetenschappelijke inzichten is hoe we goed leren lezen. In de kerndoelen
zie je dat dat uiteraard in het vak Nederlands is, maar daarnaast moet
je ook in al die andere vakken aandacht hebben voor lezen en schrijven.
Als je iets leert, is dat niet alleen luisteren naar de leraar, maar
daar ook een verhaal over lezen en daar vervolgens iets over
opschrijven. Dat is dus hoe je dat goed leert. Dit maakt het eigenlijk
veel breder in ons onderwijs dan alleen bij dat ene uur per week dat je
dat vak volgt.
De voorzitter:
Kort en afrondend op dit punt, mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dat begrijp ik en daar sta ik ook helemaal achter. Maar het afschaffen
van het vak begrijpend lezen vind ik geen goede keuze, omdat dat een
basis, een fundament, is voor het begrijpend lezen in alle andere
vakken. Dat vak moet dus blijven omdat het ervoor zorgt dat kinderen
vaardiger worden in al die andere vakken om stukken te lezen, te
begrijpen en uit te leggen.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Feitelijk is het zo dat door de manier waarop het vak in het verleden
werd gegeven, waar deze kerndoelen nu dus een slag op maken, je niet
beter ging leren lezen. Daardoor leer je namelijk vooral trucjes en
strategieën. Kinderen beleven nu dus heel weinig plezier aan lezen omdat
ze de afgelopen jaren zo veel op die manier zijn onderwezen. Ik stel
niks nieuws voor. Ik sluit mij aan bij de kerndoelen. De kerndoelen zijn
opgesteld door experts en leraren. Ze zijn ook op 200 scholen getest. Ik
bepleit vooral dat we dat nu zo gaan doen. Ik neem aan dat mevrouw Van
der Plas dat overigens ook vindt, maar dat is wat mij betreft hoe we het
zien.
De voorzitter:
Mevrouw Van der Plas, ik blijf even bij de woorden "begrijpen". Ik
begrijp dat u het er niet over eens gaat worden. Ik wil dit debatje niet
met zes interrupties nog tot in den treure uitmelken. Ik had net al
gezegd: de laatste korte, afrondende interruptie. Als u een ander punt
heeft, geef ik u daartoe het woord, maar anders ga ik mevrouw Moorman
voor haar maidenspeech uitnodigen.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Eén ding nog: ik wil graag dat mevrouw Rooderkerk goed begrijpt dat ik
het snap en dat ik het er ook mee eens ben dat het in andere vakken
terug moet komen. Ik hoop dat mevrouw Rooderkerk begrijpt dat ik vind
dat het vak begrijpend lezen an sich ook bewaard moet blijven als
fundament voor het begrijpend kunnen lezen bij andere vakken. Dat is
mijn punt.
De voorzitter:
Mevrouw Rooderkerk, u mag daar kort iets op zeggen. Anders geef ik het
woord aan de heer Ergin.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Volgens mij begrijpen we elkaar voor een groot deel. Maar voor de
duidelijkheid: we hebben het nu over het nieuwe curriculum en de
kerndoelen. Daarin komen de laatste inzichten van leraren over hoe je
goed lees- en schrijfonderwijs geeft, naar voren. Het is vooral van
belang dat we dat nu gaan doen. Hoe scholen dat vervolgens inrichten, is
aan de scholen zelf.
De heer Ergin (DENK):
Samen met mevrouw Rooderkerk heb ik me de afgelopen twee jaar actief
verzet tegen de monsterbezuinigingen op het onderwijs. We weten dat we
het vandaag hebben over de conceptkerndoelen, maar heel veel zaken zijn
randvoorwaardelijk voor goed onderwijs. Denk bijvoorbeeld aan
onderwijshuisvesting, docenten en leerkrachten voor de klas, voldoende
activiteiten buiten de lessen om; daar zijn heel veel voorbeelden van.
Ik zou mevrouw Rooderkerk het volgende willen vragen in het licht van
dit wetsvoorstel. Vindt zij dit wetsvoorstel voldoende om de
basisvaardigheden te verbeteren en vindt zij al die andere activiteiten
die we in de afgelopen periode hebben proberen te behouden, nog steeds
belangrijk?
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ja. Ik zie alleen niet wat de tegenstelling hier is, want deze nieuwe
kerndoelen brengen focus aan. Ze zorgen ervoor dat het lees-, schrijf-
en rekenonderwijs weer up-to-date is. Na twintig jaar is er nu een
vernieuwing: wat moet je leren en hoe leer je dat goed? Daarnaast wordt
ook beter uitgewerkt hoe je burgerschap vormgeeft. Leren over de
democratie en de rechtsstaat en ook over digitalisering is heel
belangrijk. Daar ligt dus de focus op, maar cultuur is daar bijvoorbeeld
ook een onderdeel van. In die zin denk ik dat alles waarvan wij vinden
dat het onderwijs kinderen daarin moet onderwijzen, erin zit, zodat
kinderen niet alleen leren om iets te worden, maar ook leren om iemand
te worden, dus om zich als persoon te ontwikkelen.
De heer Ergin (DENK):
Ik stelde de vraag ook niet vanwege een tegenstelling. Volgens mij zijn
wij het er allemaal over eens dat het, met alle technologische
vooruitgang en vernieuwing die er is, sowieso verstandig is om iets uit
2006 te herzien en om te kijken of we dat meer bij de tijd kunnen
brengen. Maar ik wil het in dit debat niet alleen hebben over "we doen
het zelf" en over sjablonen, want met alleen sjablonen komen we er niet
meer. Er is zo veel kapotgemaakt in het onderwijs door het huidige
dubbel demissionaire kabinet dat we eigenlijk extra stappen moeten
zetten. Ik ben op zoek naar ruimte voor die extra stappen. Als ik kijk
naar de bezuinigingen die nog ingeboekt staan, zie ik bijvoorbeeld 35
miljoen euro voor sectorplannen. Dat is dan voor het hoger onderwijs.
Ook is er een generieke taakstelling: 10% budgetkorting op onderwijs. De
uitdagingen in de klas kunnen we niet oplossen door alleen de
kerndoelen, die nu nog conceptkerndoelen zijn, beter te maken. We moeten
ook investeren in het herstellen van al die dingen die kapot zijn
gemaakt.
De voorzitter:
Wat is uw vraag, meneer Ergin?
De heer Ergin (DENK):
Mijn vraag aan mevrouw Rooderkerk is of we met D66 in het kabinet gaan
zien dat deze bezuinigingen volledig van tafel gaan.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ik begrijp dat de heer Ergin zichzelf hiermee aan de formatietafel
uitnodigt. Ik geloof niet dat dat helemaal de setting is. Wij vinden als
D66 dat je moet investeren in onderwijs. Ik maak mij, net als de heer
Ergin, heel veel zorgen over de bezuinigingen van 1,5 miljard op het
onderwijs, die nu nog in de begroting van dit dubbel demissionaire
kabinet staan. Wat ons betreft is dat niet de manier waarop je met
onderwijs en innovatie omgaat. Ik hoop echt van harte dat we het voor
elkaar gaan krijgen om dat tij te keren, want het onderwijs verdient
echt meer en onze leerlingen verdienen echt beter.
De voorzitter:
Afrondend.
De heer Ergin (DENK):
Een uitnodiging aan de formatietafel … Volgens mij zijn er inmiddels
heel veel gesprekken gevoerd. Het was niet de bedoeling om aan de
formatietafel te gaan zitten. Volgens mij is D66 bezig met andere
partijen om wat te doen. Ik wens D66 daarbij heel veel succes. Het punt
dat ik wil maken is als volgt. Dit debat over hoe we het onderwijs
willen verbeteren, over hoe we ervoor willen zorgen dat kinderen beter
onderwijs en goed onderwijs krijgen, is niet alleen een kwestie van
kerndoelen. Het gaat veel breder. Ik hoop dat de vurige mevrouw
Rooderkerk, die echt keihard heeft geknokt voor het onderwijs in de
afgelopen periode, dat ook in een coalitierol gaat doen. Dat is
eigenlijk de enige wens die ik nog wil uitspreken.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Absoluut. Dat is hoe u mij kent.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan ga ik mevrouw Moorman van de fractie van
GroenLinks-Partij van de Arbeid uitnodigen voor haar maidenspeech. Dat
is altijd een heel bijzonder moment. Mevrouw Moorman heeft aangegeven
geïnterrumpeerd te mogen worden, maar ik zou de collega's toch wel
willen vragen om mevrouw Moorman in ieder geval een aantal minuten de
ruimte te geven om haar verhaal te vertellen. Na de maidenspeech ga ik
schorsen, zodat mevrouw Moorman de felicitaties in ontvangst kan
nemen.
Ik heet u van harte welkom. Gaat uw gang met uw maidenspeech.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter, dank voor het woord. Inderdaad: dit is een mooi moment. Het
is een voorrecht om hier te mogen spreken als volksvertegenwoordiger. Ik
begrijp inderdaad dat het de gewoonte is om mij, tijdens mijn eerste
bijdrage hier, niet te onderbreken, maar mijn Amsterdamse oud-collega's
zouden zeggen: "Weet u dat wel zeker? Weet u wat u zich op de hals haalt
als u haar zomaar zonder onderbrekingen door laat praten?" Ik zou u dus
inderdaad graag uitnodigen dat wel te doen. Dat meen ik serieus, want ik
hou van het debat. Onze democratie hoort een ideeënstrijd te zijn, dus
schroom niet, interrumpeer als u wilt. Ik zie dat ook als een teken dat
u let op wat ik zeg.
Ik vind het een groot plezier dat mijn eerste debat hier gaat over zo'n
belangrijk onderwerp: de grondslagen voor de kerndoelen onderwijs die we
hier vaststellen. Het gaat eigenlijk over een hele fundamentele vraag.
Het gaat over wat wij in onze maatschappij noodzakelijk vinden om mee te
geven aan onze kinderen, over wat wij beschouwen als cruciaal in de
ontwikkeling van onze kinderen, zodat zij zich kunnen ontplooien tot
vrije, verantwoordelijke burgers in onze samenleving. In onze
klaslokalen geven wij de toekomst vorm. Onderwijs is dé manier om
iedereen een gelijke kans te geven op een voorspoedige toekomst. Via
onderwijs ontwikkelen we onszelf, maar ook de samenleving als geheel.
Hoe wij het onderwijs vormgeven, hoe wij kansen bieden, hoe wij kinderen
vooruithelpen; dat gaat ten diepste over wie wij als samenleving willen
zijn en hoe wij met z'n allen naar onze toekomst kijken. Maken wij van
ons onderwijs een individuele wedstrijd, een soort hordeloop met
bijbehorende scorelijst en prijsuitreiking voor de winnaar? Of zien wij
het onderwijs als een manier om ál het talent in onze samenleving te
ontplooien, zodat we elkaar verder kunnen helpen en gezamenlijk
vooruitkomen? Ik denk dat u zomaar kunt raden waar mijn fractie en ik
voor kiezen.
Onderwijs is het krachtigste wapen dat we kunnen inzetten voor
verandering. Dat zei Nelson Mandela al. Het is onmisbaar voor iedereen
die streeft naar vrijheid, gelijkheid en solidariteit. Het is
onontbeerlijk voor iedereen die de strijd aan wil gaan tegen
vooroordelen, onwetendheid en al die hardnekkige krachten die de
verdeeldheid tussen mensen vergroten. Het belang van onderwijs valt dus
never nooit te onderschatten. Toen niet, nu niet, nooit niet.
Ik stapte in 2010 vanuit de wetenschap de politiek in omdat ik niet
tegen onrecht kan. Als sociaaldemocraat geloof ik sterk in de kracht van
gelijke kansen voor een betere samenleving. Voor mij volgde daaruit
logischerwijs dat ik me in de politiek heel graag wilde bezighouden met
onderwijs. Tot mijn vreugde kreeg ik die portefeuille ook. Die heb ik
nooit meer losgelaten, ook niet toen ik later fractievoorzitter werd,
oppositieleider en wethouder. Nu ben ik dus Kamerlid met de mooiste
portefeuille.
Voorzitter. In Amsterdam heb ik als raadslid en wethouder in de praktijk
gezien dat wij politici ontzettend veel kunnen doen om van het onderwijs
een motor voor gelijke kansen te maken, hoe we ervoor kunnen zorgen dat
we al onze kinderen meegeven wat zij nodig hebben voor een goede
toekomst. Door vroeg te beginnen met een gratis voorschool bijvoorbeeld;
door de kansenaanpak waardoor kinderen in armere buurten meer taal- en
rekenonderwijs krijgen; door High Dosage Tutoring, rekenonderwijs
waarmee in Zuidoost kinderen in een halfjaar tijd soms wel twee niveaus
omhooggingen. Ze konden het dus wel, als ze maar de aandacht kregen die
ze nodig hadden. Door een bredebrugklasbonus ook, die kinderen langer de
tijd geeft om zich te ontplooien en elkaar te blijven ontmoeten; door
familiescholen waar we niet alleen de kinderen het allerbeste onderwijs
geven, maar ook de ouders ondersteunen, met taal, met financiën, met
werk, waardoor er meer rust in de huishoudens komt voor kinderen om te
leren en ouders beter in staat zijn om hun kinderen ook te begeleiden
bij dat leren.
Voorzitter. Ik heb ook gezien hoe hard het nodig is dat we ongelijk
investeren voor gelijke kansen en dat er in onze samenleving nog steeds
een grote samenhang is tussen wie je ouders zijn en hoe groot je kansen
zijn in het onderwijs. We leven in dit land nog steeds in de illusie dat
iedereen in Nederland een gelijke kans heeft, omdat ons onderwijs voor
iedereen beschikbaar is. Maar de werkelijkheid is totaal anders: er
loopt in ons land nog steeds een grote kansenkloof door de samenleving.
Kijkt u maar eens op internet naar de kansenkaart van Nederland. Daarop
zie je dat er een hele duidelijke samenhang is tussen de schooladviezen
voor leerlingen en de buurt waarin ze wonen. Hoe rijker, hoe groter de
kans op een havo- of vwo-advies.
Dat is eerlijk gezegd ook niet zo gek als je kijkt naar waar de
lerarentekorten het grootst zijn, waar de kwaliteit van het onderwijs
het meest onder druk staat, waar het meeste wordt uitgegeven aan bijles
en privaat onderwijs, en naar waar ouders hun kinderen wel kunnen
ondersteunen en waar niet. Als je dat weet en op je laat inwerken, dan
kan je eigenlijk niet verbaasd zijn dat een schoolloopbaan in Nederland
maar deels afhankelijk is van eigen inzet en talent. Veel wordt bepaald
door de andere factoren waar je als kind, als leerling, eigenlijk maar
weinig invloed op hebt. Of er een vaste leraar voor de klas staat, of
het onderwijs van goede kwaliteit is, of je ouders hebt die je kunnen
ondersteunen.
Dat zou natuurlijk niet zo moeten zijn. Ieder kind verdient het om een
eerlijke kans te krijgen. Onze samenleving wordt simpelweg beter als we
talent niet verloren laten gaan en als we niet voortdurend een
oneerlijke wedstrijd met elkaar hoeven te voeren die zorgt voor stress
en voor gevoelens van vernedering, als we talenten niet rangordenen in
"hoger" en "lager" maar ze allemaal de waardering krijgen die ze gewoon
verdienen.
Voorzitter. Dat vormt voor mij het hart van sociale en democratische
politiek: de belofte dat we pas vooruitkomen als we iedereen de kans
geven om mee te gaan, dat we gezamenlijk verantwoordelijkheid dragen
voor elkaar, dat we elkaar als gelijkwaardig zien en dat we de
samenleving sterker maken als het met iedereen goed gaat.
Tijdens een werkbezoek aan Helsinki, dat toch wel het walhalla van het
onderwijs is, was ik onder de indruk van het motto dat zij gebruiken
voor het onderwijs: de beste school is de school om de hoek. Kortom, het
maakt niet uit waar je naar school gaat, want het onderwijs is overal
even goed. Was dat maar het geval in Nederland! De OESO heeft eerder al
laten zien dat de verschillen tussen scholen in de westerse wereld
nergens zo groot zijn als in ons land. Het maakt dus nogal uit waar je
naar school gaat voor de kansen die je in het leven krijgt.
Voorzitter. Ik heb me als wethouder eerlijk gezegd weleens geërgerd over
hoe er in deze Kamer over onderwijs en kansengelijkheid is gesproken.
Sowieso verbaas ik me erover dat funderend onderwijs is ondergebracht
bij een staatssecretaris, natuurlijk niks ten nadele van de
staatssecretaris, en het hoger onderwijs bij een minister. Het straalt
toch een beetje uit alsof we de kinderen in het basisonderwijs en het
voortgezet onderwijs minder belangrijk vinden, terwijl juist die in mijn
ogen de meeste aandacht verdienen. Het begint toch bij het fundament?
Als je dat niet goed legt, dan staat alles wat je daarbovenop bouwt
eigenlijk wankel.
Voorzitter. Daarnaast wordt hier regelmatig een oneigenlijk onderscheid
gemaakt tussen focus op kansenongelijkheid en kwaliteit van onderwijs,
alsof het een ten koste gaat van het ander. Maar kansenongelijkheid los
je niet op door alleen maar te zorgen dat iedereen een gratis
schoolontbijt heeft. Hoe belangrijk het ook is dat kinderen niet met
honger naar school gaan en hoe groot de schande ook is dat dat in een
rijk land als Nederland nog steeds gebeurt, de ongelijkheid in het
onderwijs gaat veel dieper en heeft juist álles met kwaliteit te maken.
Want als niet iedereen even goed onderwijs krijgt en, erger nog, als de
kinderen die minder meekrijgen van thuis ook nog eens minder meekrijgen
op school, dan vergroten we de ongelijkheid. Dat is dus precies wat je
terugziet op de Kansenkaart en in talloze onderzoeken.
Mevrouw Rooderkerk verwees er al naar: vorige week presenteerde de
onderwijsinspectie de resultaten van een peiling naar
schrijfvaardigheid. We gaan het daar later over hebben in een debat. Dat
is belangrijk, want uit dat onderzoek blijkt dat 40% van de
vmbo-basis/kader-leerlingen lager scoort dan het meest basale niveau van
1F. 40%! Dat betekent dat 40% van deze leerlingen nog niet eens een
normaal appje of mailtje kan schrijven, en dus ook niet een goede prompt
voor AI. Dat gaat over een kwart van onze kinderen in het middelbaar
onderwijs.
Vorig jaar was er net zo'n soort peiling, namelijk naar de
leesvaardigheid. Daaruit bleek zelfs dat twee derde van de leerlingen op
vmbo-basis/kader onder het basale referentieniveau 1F scoorde. Dat
betekent dat 60% van vmbo-basis/kader-leerlingen nauwelijks informatie
kan verwerken. Zij kunnen nauwelijks een bijsluiter lezen, laat staan
een belangrijke brief van de overheid of informatie die je op basis van
een AI-prompt krijgt. Mijn vraag is dan: wie gaat deze kinderen helpen
om mee te komen in de samenleving? Hoe gaan we voorkomen dat zij straks
ook behoren tot die groep van inmiddels al bijna 3 miljoen
laaggeletterde mensen in ons land? Dat zijn mensen die kwetsbaarder zijn
voor financiële onzekerheid en gezondheidsproblemen en meer afhankelijk
zijn van de steun van de overheid. Als we het fundament niet op orde
brengen, niet veel meer prioriteit geven, dan doen we niet alleen heel
veel onrecht aan onze kinderen, aan leerlingen, maar zadelen we ook onze
samenleving op met een enorm probleem voor de toekomst.
Voorzitter. We moeten dus aan de slag. Ik ben daarom blij dat ik hier
mag staan, om te zeggen dat het goed is dat we onze kerndoelen voor het
onderwijs goed onder de loep nemen. Dat is een belangrijke basis voor
goed onderwijs, maar we moeten dat ook vooral doen om onszelf hier
steeds bij de les te houden, want dit is uiteraard niet dé
oplossing.
Om onderwijs op niveau te krijgen, zullen we de komende jaren echt veel
meer moeten doen. We moeten investeren in voorschoolse educatie en in
onze lerarenopleidingen. Ons lerarentekort moeten we aanpakken. We
moeten dat bizar vroege selectiemoment, dat leidt tot stress,
segregatie, onbenut potentieel, echt uitstellen. We moeten ouders
ondersteunen in familiescholen en zo verder.
Voorzitter. U kunt erop rekenen dat er van onze fractie op al deze
onderwerpen voorstellen zullen komen. Maar nu toch even terug naar de
grondslagen waarvoor we hier zijn. Ik wil alle leraren, schoolleiders en
overige deskundigen die de afgelopen jaren hebben bijgedragen aan het
verbeteren van de kerndoelen, heel hartelijk bedanken. Het is een enorm
lang en intensief proces geweest van bijna twintig jaar. Ik denk dat we
blij mogen zijn met het resultaat. Uiteraard zijn er altijd dingen
waarover je iets kunt opmerken of waarover je vragen kunt stellen.
Natuurlijk kunnen we elke keer wel weer denken: is dit nou precies wat
we moeten leren? Maar ja, dit is wel waar het over gaat.
Ik zet een punt, voorzitter.
De voorzitter:
Nou wat fijn, deze service; ik hoor een punt! De heer Boomsma, ga uw
gang.
De heer Boomsma (JA21):
Dank, voorzitter. Goed om mevrouw Moorman weer te treffen in een
volksvertegenwoordigend orgaan, zij het een ander dan waar wij elkaar
enige jaren geleden nog hebben getroffen. Ik ken haar pleidooi voor een
latere selectie. Dat zou een enorm ingrijpende wijziging van ons hele
onderwijsstelsel vergen. Als je een driejarige brugklas invoert, waarbij
kinderen van vwo, havo en vmbo allemaal in dezelfde brugklas zitten,
moeten leraren op al die verschillende niveaus, praktisch en
theoretisch, in dezelfde klas onderwijs geven. Dat zou toch een enorme
extra belasting voor die leraren vormen? Wil GroenLinks-PvdA dit
inderdaad zo snel mogelijk invoeren? Op welke termijn dan?
De voorzitter:
Ik snap dat mevrouw Moorman door haar bijdrage deze vraag uitlokt, maar
ik denk dat we het debat moeten voeren over de wet die we vandaag
behandelen. Mevrouw Moorman, ik geef u natuurlijk wel het woord, zodat u
kunt reageren.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Ik wil de heer Boomsma enorm bedanken voor het stellen van juist deze
vraag. Ik denk inderdaad dat het selectiemoment moet worden uitgesteld.
Het is niet zo dat dit nog niet zou gebeuren in ons onderwijs. Juist
door een bredebrugklasbonus zoals die in bijvoorbeeld Amsterdam wordt
toegepast, worden op tien middelbare scholen brugklassers bij elkaar
gehouden, van vmbo-basis tot en met vwo. Dat gaat prima. Maar als de
heer Boomsma vraagt of dat geen extra investering vergt, bijvoorbeeld in
kleinere klassen, om te zorgen dat er echt aandacht is voor degene die
extra ondersteuning nodig heeft, dan is dat natuurlijk waar. Daarom is
het ook zo ontzettend pijnlijk dat juist die extra investering voor
brede brugklassen is geschrapt door het huidige kabinet. We zouden dat
inderdaad moeten terugdraaien.
De heer Boomsma (JA21):
Ik denk dat het heel goed is dat daar op bepaalde scholen ruimte voor is
via een bredebrugklasbonus of anderszins, maar de vraag is nu of de
partij van mevrouw Moorman dat ook wil verplichten, dus dat het aan alle
scholen wordt opgelegd. Dat bekent namelijk dat het hele onderwijs
volledig overhoop wordt gehaald. Gymnasia bijvoorbeeld, maar ook de hele
onderbouw van het vwo en havo zouden dan niet meer in de huidige vorm
kunnen bestaan. Is dat werkelijk wat haar partij nu bepleit?
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Vooral de wetenschappers laten in hoge mate — ik denk zo ongeveer 95%
van alle wetenschappers — zien dat de grote ongelijkheid in Nederland,
die dus veel groter is dan in andere landen, voor een groot deel
ontstaat doordat wij zo ontzettend vroeg selecteren. Ik denk dat we onze
kinderen daar inderdaad geen recht mee doen. Maar ik snap natuurlijk wat
de heer Boomsma zegt: je moet dit soort processen zorgvuldig doen. Het
lijkt mij heel verstandig om bijvoorbeeld met een staatscommissie te
bekijken hoe we dat selectiemoment zouden kunnen uitstellen. U kunt erop
rekenen dat daar voorstellen voor komen vanuit onze fractie.
De voorzitter:
Gaat u verder met uw bijdrage.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Ik had het erover dat er natuurlijk altijd wel wat is aan te merken op
zo'n proces. Als het over kerndoelen gaat, vragen mensen zich af of er
niet ook andere dingen in moeten — ik heb er al een aantal gehoord —
want dit gaat natuurlijk in essentie over wat we moeten leren in het
onderwijs. Maar ik denk wel dat we ons moeten beheersen om het harde
werk dat in het veld is gedaan, hier te veel te gaan amenderen. Dat
neemt niet weg dat ik een aantal inhoudelijke vragen heb aan de
staatssecretaris naar aanleiding van de signalen die zijn gegeven als
gevolg van deze grondslagen en de kerndoelen die daarbij komen.
Allereerst duurzaamheid; dat werd ook al gezegd door het lid Ceder.
Toenmalig staatssecretaris Dekker deed de toezegging aan mijn collega
Westerveld dat organisaties, leraren en wetenschappers zouden worden
betrokken bij de herziening en dat duurzaamheid zou worden toegevoegd.
Mijn vraag aan de staatssecretaris is: hoe is deze toezegging nou
precies opgevolgd? We krijgen namelijk signalen van leraren die vinden
dat er in de kerndoelen te weinig aandacht is voor duurzaamheid. Zit dat
misschien ergens waar wij het nu niet zien?
Dan over de verschillende kunstdisciplines. Door middel van een nota van
wijziging is het woordje "en" in de regel "beeldend, muziek en dans,
theater en film" vervangen door "of", dus "of dans, theater en film".
Het lijkt alsof de staatssecretaris daarmee het kerndoel van de
kunstvakken juist versmalt. Kan de staatssecretaris toelichten of dat
inderdaad zo is? Hoe houden we in beeld of dit ook niet tot negatieve
effecten leidt? Hoe voorkomen we bijvoorbeeld dat er op sommige scholen
vanuit een ideologische overweging misschien geen enkele aandacht meer
wordt gegeven aan iets als dans, theater of film? Dat laatste zouden we
toch niet moeten willen.
Dan over seksuele weerbaarheid en het voorkomen van seksueel geweld.
Daar kregen we ook vragen over. De vraag is: is hier nu wel voldoende
aandacht voor? Valt dit misschien onder het onderdeel gezond gedrag, een
onderdeel dat de SGP per amendement juist wil schrappen uit de
wet?
Als laatste hebben we nog vragen op het punt van burgerschap. In de
reactie op het advies van de Raad van State geeft het kabinet aan dat er
een spanning kan ontstaan tussen burgerschapsonderwijs en de opvattingen
die voortvloeien uit de richting van de school. Zou de staatssecretaris
kunnen toelichten wat hij bedoelt met deze spanning en wat hij daar dan
vervolgens aan wil doen? Ik hoop toch niet dat hier eigenlijk staat dat
het kan voorkomen dat leerlingen of leraren geen uiting kunnen geven aan
bijvoorbeeld hun verliefdheid op iemand van hetzelfde geslacht, dat
mensen niet kunnen zijn wie ze zijn op school. In onze ogen kan er nooit
een acceptabele spanning zijn in de gelijkwaardige behandeling van
mensen.
Voorzitter. Zoals gezegd zullen we dus zeer terughoudend zijn met
inhoudelijke amendementen op de wet. Dat neemt niet weg dat we ons erbij
betrokken voelen en op de voet zullen volgen hoe de implementatie
daadwerkelijk gaat plaatsvinden. De laatste keer dat de kerndoelen
werden vastgesteld, was in 2006. Er werden destijds geen discussies
gevoerd over mobieltjes in de klas of het omgaan met AI. Sindsdien is de
wereld fors veranderd. Mijn volwassen dochter was toen nog niet eens
geboren en heeft er inmiddels al een hele schoolcarrière op zitten. De
wereld verandert dus snel. Het is daarom ook noodzakelijk dat we de
kerndoelen tegen het licht houden. Een cyclus van acht jaar lijkt
daarmee een goede termijn te zijn. We leggen dat graag vast in de wet,
zoals dat nu ook per amendement is ingediend door de heer Ceder. Zo gaan
ongewenste en onverwachte zaken, zoals sneuvelende kabinetten of
pandemieën, niet te veel in de weg zitten en tot uitstel leiden.
Voorzitter. Ik heb ook nog wat vragen over de implementatie van de
kerndoelen, die onder een gesternte van een miljardenbezuiniging op het
onderwijs gebeurt. Die bezuiniging treft vooral die dingen, die de
kansengelijkheid juist bevorderen. Denk daarbij aan de voorschool, extra
taal- en rekenonderwijs en brede brugklassen. Ik zei dat net al in het
interruptiedebatje. De Raad van State vraagt zich terecht af waar de
aanpak blijft om de kwaliteit daadwerkelijk te verbeteren. Alleen het
vaststellen van kerndoelen gaat namelijk natuurlijk niet tot de
noodzakelijke verbetering leiden. Ondertussen hebben we gezien dat de
sector als gevolg van deze grote miljardenbezuiniging van tafel is
gelopen bij het herstelplan. Leraren krijgen daarnaast nauwelijks extra
tijd om zich de kerndoelen ook echt eigen te maken en ze om te zetten in
goede lesprogramma's. Deze nieuwe kerndoelen kunnen daarmee dus juist
leiden tot die overladenheid waarvan we de hele tijd zeggen dat we die
willen bestrijden. Dus hoe gaan we zorgen dat de kinderen ook écht het
goede onderwijs gaan krijgen dat ze verdienen en waarmee we de
ongelijkheid gaan bestrijden? Hoe zorgen we ervoor dat we voldoende
geschoolde leraren hebben om dat onderwijs ook daadwerkelijk te gaan
bieden? En hoe zorgen we ervoor dat het nieuwe leermateriaal dat op
basis van de kerndoelen wordt ontwikkeld van goede kwaliteit is, en niet
vooral een verdienmodel van uitgeverijen en techbedrijven, die de markt
steeds meer in handen krijgen?
Voorzitter, tot besluit. Ons onderwijs staat onder druk, maar we hoeven
niet te wanhopen. We zien overal in het land voorbeelden van scholen die
steengoed onderwijs geven, ongeacht de plek waar ze staan. Zij laten
zien wat werkt. Nu is het nog de kunst om die lessen óveral toe te
passen. We hebben hiervoor in Amsterdam het Onderwijskennis Netwerk
Amsterdam opgezet. Hierdoor kunnen scholen die geweldige resultaten
behalen op bijvoorbeeld het gebied van lezen, zoals de Alan Turingschool
of onze Amsterdamse school, andere scholen helpen om dat ook te doen.
Deze scholen laten zien dat als we ons daadwerkelijk op de juiste manier
voor de kinderen inzetten, er geen énkel kind onder het 1F-niveau hoeft
te scoren. De kennis is er dus allang. Het is alleen een kwestie van die
kennis ook op de juiste manier benutten.
Dat begint soms bij de meest simpele en voor de hand liggende dingen.
Als je wilt dat kinderen beter en meer gaan lezen, dan moeten er
bijvoorbeeld wel boeken beschikbaar zijn en moeten er leraren zijn die
leerlingen ook enthousiast maken. Als ik hoor dat er op de
lerarenopleiding nauwelijks wordt gelezen, dat de helft van de leraren
überhaupt nooit voor het plezier een boek leest en dat driekwart van de
vo-scholen geen schoolbibliotheek heeft, dan is er nogal veel dat we
kunnen aanpakken dat voor de hand ligt. We zouden de liefde voor lezen
bij leraren veel meer kunnen bevorderen, bijvoorbeeld door ons op de
opleidingen te richten en door daar voldoende aandacht te geven aan het
voorzien van alle leraren van bijvoorbeeld een gratis
bibliotheekabonnement. En elke school zou toch een schoolbibliotheek
moeten hebben, met een goede leesconsulent, om leerlingen de weg te
wijzen en enthousiast te maken?
Ik rond af. Ik zou willen dat ik met dit debat en met de moties die ik
straks waarschijnlijk zal indienen, het hele onderwijs in één keer zou
hebben gered. Maar dat is natuurlijk niet zo. We stellen niets meer dan
grondslagen vast waarop we de rest moeten bouwen. Ik hoop dat we dat
bouwen de komende jaren gezamenlijk gaan doen, door onze aandacht te
richten op wat het meest belangrijk is: onze samenleving, onze kinderen,
onze toekomst. Zij verdienen dat wij het met elkaar beter voor ze gaan
maken. Er is nog veel te doen. Ik heb er zin in!
Voorzitter, dank u wel.
(Geroffel op de bankjes)
De voorzitter:
Ik dank mevrouw Moorman voor haar bevlogen maidenspeech. Ik ga enkele
minuten schorsen. U mag hier blijven staan, mevrouw Moorman, want dan
gaan alle collega's u een hand geven. Wellicht krijgt u ook bloemen. Ja,
ik zie de bloemen al komen. Ik schors voor enkele minuten voor de
felicitaties.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de behandeling van de Wet
herziening wettelijke grondslagen kerndoelen. Wij zijn toegekomen aan de
bijdrage van de heer Kisteman van de fractie van de VVD. Ga uw gang.
De heer Kisteman (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Allereerst wil ik mevrouw Moorman van harte
feliciteren met haar maidenspeech en welkom heten in onze commissie.
Voor mij is het de een na mooiste commissie die we in huis hebben, want
ik vind Economische Zaken natuurlijk de mooiste. Natuurlijk feliciteer
ik ook alvast alle anderen die vandaag nog een maidenspeech gaan houden,
en ik heet de nieuwe collega's welkom in deze commissie; ik zal niet
meneer Ceder nadoen door ze bij naam te noemen.
De kinderen die nu naar school gaan, zijn straks degenen die onze
problemen oplossen. Zij worden de ondernemers, de vakmensen, de
uitvinders en de leiders van morgen. Of ze nu later willen werken met
hun hoofd, hun handen of allebei, ze hebben allemaal één ding nodig en
dat is een sterke basis. Een sterke basis betekent: goed kunnen lezen,
schrijven, rekenen, digitaal vaardig zijn en begrijpen hoe onze
democratie werkt. Met die goede basis kunnen zij, net als velen van ons
hier, hun dromen verwezenlijken.
Maar die goede basis wankelt. Jaar na jaar horen en zien we de
basisvaardigheden achteruitgaan. Kinderen komen met een achterstand van
de basisschool of het voortgezet onderwijs. Op het mbo zijn docenten
soms drukker met het inhalen van achterstanden dan met onderwijs geven
in de praktische vaardigheden. Soms lukt het inhalen van die
achterstanden niet meer en verlaten leerlingen met een achterstand het
mbo. De gevolgen voor deze leerlingen, maar ook voor onze economie, zijn
groot. Ze komen minder goed mee bij hun nieuwe baan of in transities,
zoals de digitalisering.
Om deze neergaande trend te keren, is het voor de VVD-fractie essentieel
dat er wordt doorgepakt. Gelukkig hebben dit kabinet en vorige
kabinetten veel stappen gezet om de basisvaardigheden te verbeteren, van
het Masterplan tot deze nieuwe wet. Eén van die oplossingen om de
achterstanden op te lossen zijn de nieuwe kerndoelen: een duidelijkere
omschrijving van wat er wordt verwacht dat leerlingen kunnen en kennen.
In de memorie van toelichting lezen we duidelijk waarom dit nodig is. De
huidige kerndoelen zijn globaal, bieden de leraren te weinig richting en
zijn onvoldoende meegegroeid met maatschappelijke ontwikkelingen, zoals
digitalisering. Dat ondermijnt de kwaliteit en flexibiliteit van het
onderwijs en draagt bij aan de extra werkdruk van leerkrachten.
Deze wetgeving is de wens van de politiek en het veld. Wat nu voorligt,
wordt breed gedragen. Het is belangrijk dat deze wet zo snel mogelijk
door kan. Verder uitstel is wat mijn fractie betreft erg onwenselijk. De
laatste herziening — dat is al een paar keer gezegd — dateert van 21
jaar geleden. De VVD wil doorpakken. Elke vertraging gaat ten koste van
nieuwe generaties kinderen. Om die reden zullen wij amendementen of
moties die de invoering van deze kerndoelen vertragen dan ook niet
steunen.
De nu voorliggende wet benadrukt het belang van lezen, schrijven en
rekenen expliciet. Dat is voor mijn fractie, zoals voor veel partijen in
de Kamer, ontzettend belangrijk. De VVD is ook erg blij met de
verankering van de digitale geletterdheid en burgerschap in deze
kerndoelen. Onze kinderen groeien op in een wereld waarin technologie
overal is. Hun sociale leven speelt zich veel meer online af. Digitale
vaardigheden, zoals het vermogen om online informatie of AI te
beoordelen en je veilig te bewegen op het internet, zijn net zo
belangrijk geworden als goed leren lezen, rekenen en schrijven. Door
deze vaardigheden vast te leggen in de kerndoelen, gaan leerlingen
digitaal vaardig van school af. Het is goed dat dit niet langer
vrijblijvend is, maar een stevig en volwaardig onderdeel van het
curriculum wordt.
Dat geldt ook voor burgerschap. Kinderen leren respect voor en kennis
van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Het gaat daarbij
om Nederlandse normen en waarden als gelijkwaardigheid, vrijheid en
solidariteit. Burgerschap draagt enorm bij aan de ontwikkeling van
kinderen en jongeren. Met de kerndoelen voor burgerschap wordt nu de
grondslag gecreëerd voor burgerschap in het funderend onderwijs. Dit is
een belangrijke stap, want uit onderzoek van de onderwijsinspectie in
2025 bleek dat het bij heel veel scholen vaak ontbreekt aan concrete
leerdoelen of een samenhangend curriculum, of dat het onderwijs
onvoldoende wordt afgestemd op de sociale context waarin leerlingen
opgroeien. Ook internationaal zijn de burgerschapscompetenties lager dan
in vergelijkbare landen.
Voorzitter. Wat de VVD betreft zijn we er niet. Zo houden scholen nog
ruimte open voor hun eigen interpretatie van de kerndoelen. Het is goed
dat scholen hun eigen identiteit hebben, maar deze ruimte mag nooit
leiden tot uitsluiting of het beperken van de vrijheid,
gelijkwaardigheid of veiligheid van leerlingen. Mijn vraag aan de
staatssecretaris is dan ook hoe hij ertegen aankijkt dat scholen aan de
ene kant leerlingen moeten leren dat iedereen gelijk is, maar aan de
andere kant afkeuren als je als jongen verliefd wordt op een jongen, en
dat scholen onderwijzen dat er verschillende godsdiensten zijn, maar
andere afwijzen als fout. Wat vindt de staatssecretaris ervan dat er
scholen in Nederland zijn die in ons onderwijs artikel 23 boven artikel
1 zetten? Eigenlijk is dat toch scheef? We onderwijzen het ene, maar
doen het andere. Ik overweeg hierover in tweede termijn een motie in te
dienen.
Voorzitter.
De voorzitter:
Ik hoorde een punt. Dat gaf aanleiding voor mevrouw Moorman om in de
benen te komen. Gaat uw gang.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
De heer Kisteman vraagt aan de staatssecretaris wat hij ervan vindt,
maar wat vindt de VVD ervan?
De heer Kisteman (VVD):
Een hele goede vraag. Dat kunt u wel raden natuurlijk. Wij vinden dat
artikel 23 niet boven artikel 1 kan gaan. Wij vinden niet dat je op
school kan leren — die voorbeelden gaf ik net — dat je als jongen
verliefd mag worden op een jongen, terwijl de school dat vervolgens
veroordeelt of zegt dat het niet mag, dus zegt dat gelijkwaardigheid
belangrijk is, maar vervolgens bepaalde leerlingen gaat uitsluiten of
discrimineren. Daar zijn wij groot tegenstander van.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Is de heer Kisteman het dan ook met mij eens dat er dus eigenlijk
helemaal geen spanning zou moeten zijn, zoals nu is aangegeven op basis
van het advies van de Raad van State?
De heer Kisteman (VVD):
Daar zijn wij het volledig mee eens. Als je artikel 1 als leidraad
neemt, dat we gelijkwaardig zijn en we niet mogen discrimineren, dan zou
er geen spanningsveld kunnen zijn binnen de vrijheid die het onderwijs
heeft. Dat zou niet mogen.
De voorzitter:
Gaat u verder met uw betoog.
De heer Kisteman (VVD):
Voorzitter. Dan naar het herstelplan van het onderwijs. Dat ligt
momenteel stil, gezien het feit dat bonden en raden hier hun
handtekening onder vandaan hebben gehaald en het nu aan het nieuwe
kabinet lijkt te zijn hoe hiermee verder te gaan. Er wordt echter als
het om de kerndoelen gaat, meerdere malen verwezen naar het herstelplan.
Zo staat er: "In het herstelplan onderwijs komt een uitwerking van hoe
leraren worden geprofessionaliseerd om het nieuwe curriculum goed te
laten landen in de klas." En: "Ook maatregelen ten aanzien van betere
toetsing, effectieve leermiddelen, professionalisering van leraren en de
implementatie van de nieuwe kerndoelen in de lerarenopleidingen zijn
onderdeel van het herstelplan." Ik zou graag van de staatssecretaris
willen weten of en, zo ja, hoe deze onderwerpen nu verder worden
opgepakt, ondanks dat het herstelplan stilligt. Hoe wordt deze Kamer op
de hoogte gebracht van hoe leraren worden geprofessionaliseerd en hoe de
kerndoelen worden verwerkt in de lerarenopleiding? Ik ga er niet van
uit, maar het zal toch niet zo zijn dat de kerndoelen straks zijn
vernieuwd, maar parallel de leraren niet goed worden toegerust om dit in
de praktijk toe te passen?
Dan nog een punt waar de VVD veel waarde aan hecht: het verlagen van de
leerplicht naar 4 jaar. Dit is ook een schakel in het verbeteren van de
basisvaardigheden en het voorkomen van achterstanden. We zien dat juist
in de eerste jaren de basis gelegd wordt voor taalontwikkeling. Te vaak
zien we dat kinderen die al op jonge leeftijd minder taalaanbod krijgen,
later extra hulp nodig hebben, of zelfs blijvend op achterstand komen.
Door de leerplicht te verlagen, zorgen we ervoor dat alle kinderen,
ongeacht hun thuissituatie, zo vroeg mogelijk toegang krijgen tot
onderwijs en daarmee ontwikkelkansen. Het is een effectieve manier om
achterstanden te voorkomen in plaats van te repareren. Daarom de
volgende vraag aan de staatssecretaris. Zijn voorganger wilde de
leerplicht verlagen naar 4 jaar. Wil deze staatssecretaris dat ook en,
zo ja, welke concrete stappen kunnen wij hier verwachten?
De voorzitter:
Bent u bijna aan het einde van uw betoog?
De heer Kisteman (VVD):
Ja, bijna. Want?
De voorzitter:
Ik geef u de gelegenheid om het af te ronden.
De heer Kisteman (VVD):
Ik heb nog twee punten.
De voorzitter:
Dan geef ik mevrouw Moorman het woord. Gaat uw gang.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Het ging over het verlagen van de leerplicht. Welk bewijs heeft de heer
Kisteman dat het verlagen van de leerplicht naar 4 jaar daadwerkelijk
gaat helpen om de kansengelijkheid te bevorderen voor kinderen?
De heer Kisteman (VVD):
Dat vind ik een hele goede vraag. Ik denk dat dit deels aansluit op uw
inbreng. Als kinderen al gebruik kunnen maken van voorschoolse educatie,
kunnen achterstanden daar weggewerkt worden. Hoe eerder zij in aanraking
komen met onderwijs, des te beter dat is voor de ontwikkeling. Dus
voorschoolse educatie is er een. We willen de leerplicht niet verlagen
naar 2 jaar. Dus voorschoolse educatie is al een goede stap. Er is een
hele grote groep kinderen die nu een achterstand hebben en die pas op
hun 5de naar school gaan. Als we de leerplicht verlagen naar 4 jaar,
kunnen we die groep daarmee naar voren halen, waarmee we die
achterstanden kunnen voorkomen of minder groot maken.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Onderzoek laat zien dat 98,5% van de 4-jarigen naar school gaat en dat
kinderen die niet naar school gaan, soms gewoon op wereldreis zijn; dat
zijn niet per se de kinderen die een grote achterstand krijgen in het
onderwijs. Ik ben heel blij met het eerste deel van de beantwoording van
de heer Kisteman, namelijk dat voorschoolse educatie veel meer bijdraagt
aan de kansen van kinderen. Dat blijkt ook uit onderzoek. Zou het niet
veel beter zijn om daarop in te zetten in plaats van op de soort van
symbolische maatregel van het verlagen van de leerplichtleeftijd naar 4
jaar?
De voorzitter:
Voordat ik de heer Kisteman het woord geef, wil ik graag het verzoek
doen om weer terug te gaan naar de kern van het debat, waar we het
vandaag over hebben. Maar gaat u over tot beantwoording.
De heer Kisteman (VVD):
Ik snap dat u dat zegt, voorzitter, maar het is wel een heel
samenhangend verhaal. Mevrouw Moorman zei daarstraks: ik ga met mijn
inbreng niet alle problemen oplossen. Met de herziening van de
kerndoelen lossen we ook niet alle problemen op, maar het zijn wel
allemaal fragmenten die we bespreken. Ik snap uw vraag.
Ik ben in Rotterdam op diverse scholen geweest in achterstandswijken
waar kinderen pas op 5-jarige leeftijd naar school gingen, waar ze aan
de hand van hun moeder bij het schoolplein werden afgezet. Daar werd dan
tegen de schoolleider gezegd: hier is mijn dochter, hier is mijn zoon;
die heeft recht op onderwijs, is 4 jaar en moet naar school. Achteraf
bleek dat die kinderen al veel ouder waren, dat ze al 5 jaar waren. Uit
dat soort steden — mevrouw Moorman kent Amsterdam beter dan ik — kwamen
die vragen vandaan. Daar deden ze die oproep: verlaag alsjeblieft die
leerplichtleeftijd, want dan hebben wij ook een stok achter de deur om
die kinderen naar het onderwijs te kunnen halen.
De voorzitter:
Gaat u verder met uw betoog.
De heer Kisteman (VVD):
Voorzitter, tot slot. Het periodiek onderhoud. Het heeft ruim 21 jaar
geduurd voordat deze herziening tot stand is gekomen. Mevrouw Rooderkerk
zei het ook al: daarop kunnen we als Kamer ook zeker onszelf aankijken.
Collega Ceder zal mede namens de VVD een amendement indienen dat ervoor
zorgt dat er wettelijk wordt vastgelegd dat er periodiek onderhoud zal
plaatsvinden. Dit lijkt de VVD zeer verstandig. Wij steunen het dan ook
van harte.
De VVD-fractie is blij dat deze wet eindelijk voorligt, en wil
doorpakken. Met dit wetsvoorstel zetten we een grote stap naar beter
onderwijs, waarin de basis weer op één staat: taal, rekenen, burgerschap
en digitale geletterdheid. Dat is duidelijker voor leraren en sluit aan
bij de wereld van vandaag.
De voorzitter:
Dank voor uw bijdrage. Dan gaan we nu over tot opnieuw een bijzonder
moment: de maidenspeech van mevrouw Armut van de fractie van het CDA.
Zij heeft aangegeven niet onderbroken te willen worden, dus dat zal ik
ook niet toestaan. Mevrouw Armut, ik wens u heel veel plezier met uw
maidenspeech.
Mevrouw Armut (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Het is een grote eer om hier als Tweede Kamerlid
te mogen staan. Dat ik mijn eerste toespraak in de plenaire zaal bij een
onderwijsdebat met de focus op lezen, schrijven en rekenen mag doen,
maakt het voor mij extra bijzonder. Onderwijs vormt een rode draad door
mijn leven. Ik begon jaren geleden op het vmbo en ging via het mbo naar
het hbo en naar de universiteit. Daarnaast stond ik vorig jaar zelf een
periode voor de klas, op een vmbo-school in Groningen. Ik heb ervaren
wat voor verschil een leraar kan maken. Dag in, dag uit zetten zij zich
uit liefde voor de leerlingen in en begeleiden zij ze tot zelfstandige,
nieuwsgierige kinderen die hun talenten ontdekken en tot bloei
komen.
Tot wat voor mens je opgroeit, wordt voor een groot deel in je jeugd
bepaald. Waar je wieg staat, wie je ouders zijn, hoe breed je het thuis
hebt: het heeft allemaal invloed. Het leven van mijn ouders laat zien
hoe bepalend geboortegrond kan zijn: hoe het deuren opent of juist
sluit. Mijn ouders groeiden op in een wereld die in niets leek op de
mijne, in een omgeving waar naar school gaan niet vanzelfsprekend was,
hoe graag je ook wilde leren. De verhalen van mijn ouders maakten mij al
op jonge leeftijd duidelijk dat het geen vanzelfsprekendheid is dat je
naar school mag gaan en dat je uiteindelijk kan studeren.
Omdat hij zelf die kans niet had gekregen, beloofde mijn vader mij al
vroeg dat hij me nooit een boek zou weigeren. Hij zei dan: een boek is
een schatkist. Dat liet ik me geen twee keer vertellen, tot lichte
wanhoop van mijn moeder, want boeken waren ook toen niet goedkoop. Carry
Slee, Jacques Vriens, Roald Dahl, Annie M.G. Schmidt, Francine Oomen,
Paul van Loon: ik verslond zoveel kinderboeken als ik kon. Uit goed
fatsoen wisselde ik soms de boekwinkel af met de bibliotheek. Boeken
brengen je in andere werelden. Je voelt geluk, pijn, verdriet,
blijdschap, ergernis of hoop; elke keer door de ogen van een ander.
Terwijl je je waant in een wereld die niet de jouwe is, leer je nieuwe
woorden, word je creatiever, begrijp je emoties beter en verbreed je je
kennis.
We mogen ons in Nederland gelukkig prijzen met het onderwijs dat we
hebben. Als CDA'ers geloven we dat scholen geen fabrieken zijn die
mensen moeten afleveren die zich er vervolgens voor moeten inzetten om
zo veel mogelijk economisch rendement te behalen. Het is een
gemeenschap. Een plaats waar vriendschappen ontstaan. Waar je leert
omgaan met verschil. Waar je in de klas zit met kinderen uit andere
bubbels. Daar begint de samenleving. Het christendemocratisch
gedachtegoed ziet het onderwijs als meer dan alleen kennisoverdracht. De
school is een van de plekken waar je een groot deel van je tijd
doorbrengt. Het is daarom een belangrijke plek, waar je leert dat onze
democratie niet vanzelfsprekend is. Dit vraagt van ons allemaal dat we
de democratie versterken. Voor ons is het daarom logisch dat er ook in
het onderwijs aandacht is voor burgerschapsvorming. Leerlingen moeten
weten hoe onze democratie werkt, welke rechten en plichten zij hebben en
hoe je vreedzaam omgaat met meningsverschillen.
Als CDA'ers hechten wij aan het principe van gespreide
verantwoordelijkheid. Steeds vaker zien we dat het onderwijs wordt
gezien als vindplaats en oplossing voor allerlei sociale problemen. Die
valkuil leidt ertoe dat scholen steeds meer maatschappelijke taken op
hun bord krijgen, waardoor lezen, rekenen en schrijven onder druk komen
te staan. De ontwikkeling van een kind is geen taak van één partij, maar
een gezamenlijke opdracht van ouders, scholen en de overheid. Ouders
spelen een centrale rol in de opvoeding, de overheid schept de
randvoorwaarden die nodig zijn om ieder kind eerlijke kansen te bieden
en scholen en leraren zorgen voor goed onderwijs. Een gemeenschap
ontstaat immers niet door sturing van bovenaf, maar groeit van onderop,
in gezinnen, op scholen, in verenigingen en in buurten. Of je kunt
lezen, schrijven en rekenen heeft een grote invloed op de rest van je
leven. Het zijn de basisvaardigheden die maken dat je mee kunt doen, dat
je kansen krijgt en dat ongelijkheid kleiner wordt. Het zijn
vaardigheden die je vrijheid geven.
Dat het nooit te laat is om te leren, bewezen ook mijn ouders. Zonder
diploma's maakten ze er van het begin af aan het beste van. Hard werken
doen ze nog steeds, mijn moeder bij een kwekerij en mijn vader als
beveiliger in de Eemshaven. Afgelopen zomer nog behaalde hij zijn
mbo-diploma. Ik ben er trots op dat ze er vandaag bij kunnen zijn.
Dat brengt mij bij de behandeling van deze wijziging van wet. Allereerst
ook van mij, van het CDA, de complimenten aan iedereen die betrokken is
geweest bij de totstandkoming van deze grondslagen. Het is in
samenspraak gebeurd met de onderwijswereld. Complimenten en dank
daarvoor.
Voorzitter. Dit wetsvoorstel legt de juridische basis die nodig is om
nieuwe kerndoelen te kunnen vastleggen. Zonder een wetswijziging kunnen
geen concretere kerndoelen worden vastgelegd. Mijn fractie maakt zich
zorgen over het niveau van rekenen, lezen en schrijven van leerlingen.
Ook de Raad van State en de Onderwijsraad zijn helder: deze lage taal-
en rekenvaardigheden vinden hun oorsprong niet alleen in, maar ook
buiten het onderwijs. Hoewel de staatssecretaris erkent dat dit het
geval is, blijft mijn fractie zoekende naar concrete maatregelen om tot
een integrale aanpak hiervan te komen. Daarom vraagt het CDA de
staatssecretaris welke aanvullende gerichte maatregelen hij ziet om
achterstanden die al voor groep 1 ontstaan, te voorkomen en te
verkleinen, zodat kinderen een gelijke start kunnen maken op de
basisschool. Het CDA ziet bijvoorbeeld kansen in het aanbieden van voor-
en vroegschoolse programma's aan kinderen van 2 en 3 jaar die dat voor
hun ontwikkeling nodig hebben. Ziet de staatssecretaris dat als een van
de gerichte maatregelen?
De staatssecretaris zet helder uiteen waarom de behoefte aan een
herziening groot is. Eerder waren de kerndoelen zeer globaal
geformuleerd, wat sommige schoolleiders en leraren te weinig houvast
bood. Het zou onduidelijk zijn geworden wat verplicht is en wat niet,
met als gevolg dat leraren zich overladen voelden. Het is van groot
belang dat een balans wordt gevonden tussen dat gebrek aan houvast en te
dichtgetimmerde kerndoelen. Daarom vraag ik de staatssecretaris: hoe
waarborgt hij dat kerndoelen niet het effect hebben dat ze het
vakmanschap van leraren beperken doordat leraren in een keurslijf
terechtkomen?
Het CDA vindt het positief dat de regering voornemens is lezen, rekenen
en schrijven naar een hoger niveau te tillen. Zoals we eerder al hebben
benadrukt, doen we dit niet alleen met de herziening van kerndoelen. Het
vraagt een brede aanpak. Wel lijkt het ons essentieel om te kijken of
deze bouwstenen daadwerkelijk bijdragen aan het doel dat we met elkaar
stellen. Kan de staatssecretaris aangeven of, en zo ja hoe, hij
voornemens is om te evalueren of de nieuwe kerndoelen daadwerkelijk
leiden tot een beter lees- en rekenniveau? Hoe voorkomt hij dat dit
verzandt in een papieren tijger zonder gewenst effect in de klas?
Nu burgerschap expliciet onderdeel wordt van de kerndoelen, betekent dat
ook dat de onderwijsinspectie hierop moet gaan toezien. Kan de
staatssecretaris toelichten hoe dit concreet vorm gaat krijgen? Het
lijkt het CDA niet altijd makkelijk meetbaar te maken. Daar horen we
graag meer over. En heeft de inspectie voldoende mogelijkheden om hier
adequaat toezicht op te kunnen houden?
Ook lees ik in de nota naar aanleiding van het verslag dat de komende
jaren een grootschalig onderzoek plaatsvindt naar effectieve werkwijzen
en monitoringsstrategieën binnen het burgerschapsonderwijs. De
eindresultaten worden naar verwachting in 2029 gepubliceerd. Wat kunnen
wij precies verwachten van een grootschalig onderzoek? Kan de
staatssecretaris dit toelichten? Voorzitter, tot slot. Ook ik kijk uit
naar samenwerken met deze commissie en samen aan de slag gaan voor goed
onderwijs. Ik kijk uit naar de debatten, die we op inhoud zullen voeren,
en de stappen die we samen kunnen zetten.
Dank u wel.
(Geroffel op de bankjes)
De voorzitter:
Ik dank u voor uw hele persoonlijke bijdrage. Dat is altijd mooi om te
horen in deze Kamer. Ik schors voor enkele minuten zodat u gefeliciteerd
kan worden. Ik geef u graag als eerste de hand.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is nog steeds de behandeling van
de Wet herziening wettelijke grondslagen kerndoelen. Het wordt een
steeds heuglijker dag, want we hebben nu een derde maidenspeech. Ook dit
is een heel bijzonder moment. Ik nodig mevrouw Raijer van de fractie van
de PVV uit voor haar maidenspeech. Ook mevrouw Raijer heeft aangegeven
niet geïnterrumpeerd te willen worden, dus dat zal ik ook nu niet
toestaan. Ik ga met heel veel plezier luisteren naar uw bijdrage. Gaat
uw gang.
Mevrouw Raijer (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Vandaag spreek ik hier voor het eerst in deze
Kamer. Een bijzonder en eervol moment. 26 november is voor mij een
betekenisvolle datum: het is de dag waarop ik geboren ben, maar ook de
dag waarop mijn moeder precies een jaar is overleden. Zij was iemand die
scherp naar de politiek keek, die de PVV waardeerde en die geloofde in
duidelijke taal en duidelijke keuzes. Ze kan dit moment helaas niet meer
meemaken, maar dat verandert niets aan mijn inzet. Ik sta hier om het
werk te doen dat gedaan moet worden, zonder omwegen, zonder ruis en met
de overtuiging dat het anders moet. Laat ik meteen duidelijk zijn: ik
ben niet naar de Tweede Kamer gekomen om het bestaande beleid te
bevestigen of om braaf mee te draaien in de Haagse polonaise. Ik ben
hier om te zeggen waar het op staat. Als dat hard binnenkomt, dan is dat
maar zo, want in het onderwijs is de werkelijkheid al lang verzacht,
verbloemd en weggepoetst.
Voorzitter. Ik heb veertien jaar in de gemeenteraad van Almere gezeten.
Ook daar heb ik gezien wat er misgaat in het onderwijs, niet vanuit een
beleidsdocument of vanachter een bureau, maar op straat, op scholen en
in gesprekken met ouders, leerlingen en leraren. Daar hoor je namelijk
de echte verhalen. Daar zie je de schade van beleid dat wordt bedacht
door mensen die nog geen vijf minuten voor de klas zouden
overleven.
Voorzitter. Nu ligt hier de wetswijziging in verband met de herziening
van kerndoelen. Kerndoelen moeten gaan over hetgeen waar onderwijs voor
bestemd is: de overdracht van kennis en het bijbrengen van vaardigheden.
Alles begint bij taal en rekenen, bij lezen en schrijven.
Taalvaardigheid is macht. Wie de taal beheerst, kan meedoen. Wie de taal
uitstekend beheerst, bepaalt. Als we de afgelopen decennia iets hebben
gezien, is dit het. De sociaal-maatschappelijke tweedeling anno 2025
ligt tussen degenen met en degenen zonder de juiste woorden. Woorden
zijn machtsmiddelen. Kennis is macht.
Voorzitter. Die onverteerbare tweedeling komt niet uit de lucht vallen.
Ons onderwijs is jarenlang misbruikt als politieke speeltuin. De
overheid wilde opvoeden in plaats van onderwijzen. Ondertussen zakten de
prestaties door de bodem. Een op de drie kinderen verlaat het onderwijs
als functioneel analfabeet. In het vmbo kan 40% geen eenvoudige tekst op
basisschoolniveau produceren. Cynischer wordt het niet. Iedereen die de
mond vol heeft van kansengelijkheid, heeft dit laten gebeuren. Sterker
nog, onder het motto "kansengelijkheid" werden latten verlaagd, werd de
leraar gedegradeerd tot coach en begeleider en veranderde de school in
een dagopvang. Kansengelijkheid werd een race naar de bodem.
Kansengelijkheid werd kansloosheidsgelijkheid, behalve natuurlijk in de
rijke linkse bubbels. Daar liggen de kansen voor het oprapen. Daar plukt
men de vruchten van de kansenongelijkheidscatastrofe die over de rest
van het land werd uitgestort. De volgende stap, die de meritocratie de
nek om zal draaien, is de brede brugklas, zodat ook de havo- en
vwo-leerlingen eraan mogen geloven. Ieder talent, iedere inzet, iedere
ambitie zal en moet opgeofferd worden op het linkse altaar van gelijke
uitkomsten.
Voorzitter. Het onderwijs is ingestort doordat wordt losgelaten wat
werkt: evidence-informed onderwijs, waar een uitstekende leraar zijn vak
uitoefent. Aan slecht onderwijs valt lekker te verdienen. Adviseurs,
trainers, curriculumclubs, projectbureaus: iedereen verdient eraan,
behalve de leerling. De klas is het sluitstuk geworden van een pervers
systeem dat vooral zichzelf in stand houdt.
Voorzitter. De PVV onderschrijft het belang van stevige, concrete
kerndoelen voor lezen, schrijven en rekenen. Dat is het fundament van
elk kennisrijk curriculum. Maar nieuwe kerndoelen alleen gaan het
onderwijs niet redden, want als er geen orde in de klas, geen rust, geen
discipline en geen hoge verwachtingen zijn, dan is elk kerndoel een
papieren werkelijkheid. Laat dat nou precies zijn waar het misgaat. We
zien klassen waar chaos heerst en leraren die zeggen: ik ben meer
hulpverlener dan docent. Graag een reactie van de staatssecretaris. Het
onderwijs kan geen seconde meer wachten op het herstel van een veilige
leeromgeving en van autoriteit. Hoe gaat de staatssecretaris dit
regelen, vooruitlopend op de nieuwe wetgeving?
Voorzitter. We maken ons zorgen over de conceptdoelen burgerschap en
digitale geletterdheid. We vrezen dat voor deze twee leergebieden aparte
"vink-uurtjes" gecreëerd worden op scholen waar een kennisgericht
curriculum juist het hardst nodig is en dat daar onzinnige lesmethodes
zullen worden geproduceerd en massaal zullen worden aangeschaft, zodat
iedereen er maar weer van af is en iedereen weer een centje bij heeft
kunnen verdienen. Wij willen dat burgerschap en digitale geletterdheid
geïntegreerd worden in andere vakken. Burgerschap moet volgens de PVV
geïntegreerd worden in vakken als maatschappijleer, geschiedenis,
aardrijkskunde, economie en andere gammavakken. Geschiedenis van de
westerse beschaving moet wat ons betreft weer verplicht worden als
eindexamenvak.
Een ander bezwaar: de huidige conceptkerndoelen burgerschap hebben een
ideologisch karakter. Ze bevatten termen en denkbeelden die rechtstreeks
uit een links-utopisch wereldbeeld komen. Thema's als diversiteit,
identiteit, solidariteit en maatschappelijke betrokkenheid worden
behandeld alsof dat per definitie neutrale termen zijn, maar dat zijn ze
helemaal niet. Juist dat maakt deze kerndoelen riskant en
contraproductief. Ze geven scholen alle ruimte om burgerschap in te
vullen vanuit een mogelijk activistische agenda, waar de PVV nooit voor
zal staan. Wij willen een neutrale, rechtsstatelijke invulling, gericht
op kennis van Nederland, van rechten en plichten, van hoe onze
democratie functioneert. Niet meer, niet minder. Graag horen wij hier
een reflectie op van de staatssecretaris. Kan de staatssecretaris dan
ook gelijk uitleggen waarom SLO zoveel ruimte krijgt om kerndoelen een
ideologische invulling te geven? Hoe wordt hier vanuit het ministerie
naar gekeken? Hoe gaat de staatssecretaris waarborgen dat het
burgerschapsonderwijs daadwerkelijk tot de beoogde resultaten leidt?
Graag een concreet antwoord.
Voorzitter. De kritiek uit het veld is ook niet mals. Red Het Onderwijs
schrijft over digitale geletterdheid: "Het is een prima idee om
onderwijs in digitale vaardigheden te verwerken in het curriculum, maar
het kader waarbinnen de kerndoelen digitale geletterdheid zijn
geformuleerd, is utopisch. Het is niet reëel om dat in de werkelijke
onderwijssituatie succesvol ten uitvoer te brengen. Er zijn geen
randvoorwaarden uitgewerkt voor een bepaald niveau digitale
geletterdheid van een leerling op een bepaald moment. Het is onduidelijk
wat als basis van digitale geletterdheid wordt beschouwd voor de
doorsnee gebruiker, voor gevorderden en voor de expert. Het is zelfs
onduidelijk wat echt noodzakelijk is om zelfredzaam te zijn. Het is
volstrekt onverantwoord om een nieuw vakgebied op deze wijze in
kerndoelen te formuleren. Gebrek aan ambitie kun je SLO niet verwijten,
maar gebrek aan realiteitszin wel." Ook hier is de vraag aan de
staatssecretaris hoe het kan dat SLO zoveel ruimte krijgt. Hoe verhoudt
dit zich tot de samenwerking met het ministerie en het veld?
Voorzitter, ik ga afsluiten. Het is een eer om hier te mogen staan, maar
het is ook een verantwoordelijkheid die ik zeer serieus neem. Ik ben
hier niet gekomen om het systeem tevreden te stellen, maar om het
onderwijs te herstellen. Dat begint met iets wat in Den Haag vaak het
moeilijkst blijkt: de feiten benoemen en gaan voor wat werkt.
Dank u.
(Geroffel op de bankjes)
De voorzitter:
Dank u wel. Ik wil u danken voor uw gepassioneerde bijdrage en van harte
feliciteren. Ik schors enkele ogenblikken, zodat u ook de felicitaties
van de collega's in ontvangst kan nemen.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is nog steeds de behandeling van
de Wet herziening wettelijke grondslagen kerndoelen. Wij zijn toegekomen
aan de bijdrage van mevrouw Van der Plas. Die is er in al haar
enthousiasme al en dat waardeer ik zeer. Gaat uw gang.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank u wel. Ik wil beginnen met een kleine anekdote.
De voorzitter:
Dat gaat wel van uw spreektijd af, hè.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ja, dat weet ik. Daar komen we wel uit, even snel. We hebben mooie
maidenspeeches gehoord van mevrouw Raijer, mevrouw Armut en mevrouw
Moorman. Normaal is het zo dat je eerste speech in een plenair debat je
maidenspeech is, maar heel officieel is dat niet zo. Officieel mag je
zelf weten wanneer je je maidenspeech houdt. Ik kan u vertellen dat ik
nog nooit een maidenspeech heb gehouden.
De voorzitter:
U gaat mij dan verrassen. Dit wordt dan uw maidenspeech!
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik zit hier bijna vijf jaar en ik heb nog nooit een maidenspeech
gehad.
De voorzitter:
Ik hoop dat de fractie aan komt rennen met bloemen. Dan maken we er een
moment van.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik ga wel overwegen om dat in de komende jaren nog een keer te doen.
De voorzitter:
Het is heel leuk.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Maar goed, dit wilde ik even als kleine anekdote vertellen.
De voorzitter:
Gaat uw gang. Ik verheug me enorm op uw maidenspeech.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Die geen maidenspeech is.
De voorzitter:
Op een ander moment.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ja.
Voorzitter. Ik wil eerst even melden dat ik het amendement op stuk nr.
17 intrek. Ik teken namelijk mee met het amendement van de heer Ceder
over de voorhangprocedure. Nogmaals felicitaties aan de leden die hun
maidenspeech hebben gehouden.
Voorzitter. Onderwijs is de basis en de toekomst van onze samenleving.
Als BBB zeggen wij: onderwijs moet terug naar de kern. Geen ellenlange
lijst van eisen, maar focus op wat kinderen echt nodig hebben in hun
hoofd, met hun handen en in hun hart. Het wetsvoorstel beoogt een
herziening van de wettelijke grondslagen voor de kerndoelen. Kerndoelen
beschrijven wat kinderen sowieso op school moeten leren in het funderend
onderwijs. Op papier klinkt het goed: meer aandacht voor lezen,
schrijven en rekenen en een actualisering van het curriculum. Maar bij
het lezen van dit wetsvoorstel rijst bij mij een fundamentele vraag:
moeten er werkelijk afzonderlijke kerndoelen worden vastgesteld voor
alle opgesomde onderwerpen? Moet het onderwijs wettelijk worden
vastgelegd tot in de haarvaten van beeldend, muziek, dans, theater en
film? Is het werkelijk nodig om natuur en biologie als gescheiden
domeinen te behandelen terwijl ze in de praktijk vaak samenhangend
worden aangeboden? De wet telt pagina's vol met technische wijzigingen,
vernummeringen, delegatiebepalingen en harmonisaties. Maar waar is de
ruimte voor de leraar? Waar is het vertrouwen in de professional? Waar
is de eenvoud die scholen nodig hebben om goed onderwijs te geven?
BBB staat voor een nuchtere benadering. Wij willen geen onderwijs dat
afvinkt, maar onderwijs dat begeleidt. Wij willen geen muurdichte
overheidssturing tot in de lesmethoden, maar ruimte voor vakmanschap en
regionale invulling. Wij pleiten voor herwaardering van
praktijkonderwijs, voor levensvaardigheden en voor een stevige basis in
taal, schrijven en rekenen. Wij willen dat kinderen leren wat ze nodig
hebben om mee te doen in de samenleving.
Dat brengt mij bij een ander belangrijk punt, namelijk de manier waarop
kerndoelen worden ingevoerd. Met dit wetsvoorstel mag de minister
namelijk bij algemene maatregel van bestuur kerndoelen vaststellen. Dat
klinkt misschien heel praktisch, maar het betekent dat de minister
zonder parlementaire goedkeuring de inhoud bepaalt. Dat raakt aan de
kern van ons onderwijs. Want kerndoelen zijn geen technische details. Ze
vormen de ruggengraat van het onderwijsprogramma voor miljoenen
leerlingen. Ze bepalen welke kennis, vaardigheden en waarden aan
toekomstige generaties worden meegegeven. Juist vanwege dat fundamentele
belang is het essentieel dat de volksvertegenwoordiging altijd het
laatste woord kan hebben over de inhoud van de kerndoelen. En toch koos
het kabinet ervoor om de nahangbepaling te schrappen. Daarmee verliest
het parlement het recht om een AMvB, een algemene maatregel van bestuur,
met kerndoelen tegen te houden. Wat overblijft, is slechts indirecte
invloed via moties of debatten. Dat vinden wij als BBB volstrekt
onvoldoende. Democratische controle is geen formaliteit, maar een
fundament, zeker wanneer het gaat om de inhoud van het onderwijs. Daarom
tekenen wij mee met het amendement van de ChristenUnie over het
instellen van een voorhangbepaling. Dat doen wij niet om het proces te
vertragen, maar wij vinden het gewoon democratischer dan wanneer een
kabinet zonder breed maatschappelijk en politiek draagvlak kerndoelen of
uitwerkingen oplegt die niet aansluiten bij de praktijk, de regio of de
wensen van de leraren.
Voorzitter. Ook ontstond er afgelopen week onrust over lesmateriaal dat
door ouders en boeren als activistisch wordt ervaren. In de
Noordoostpolder kregen leerlingen opdrachten waarin het bevrijden van
dieren werd gestimuleerd. Dat geeft een verkeerd beeld van de agrarische
sector en vergroot polarisatie. Onderwijs hoort neutraal en feitelijk te
zijn en niet ideologisch gekleurd. Juist dit onderstreept waarom
democratische controle op kerndoelen wel nodig is. BBB vindt het dan ook
positief dat de kerndoelen samen met het onderwijsveld worden
ontwikkeld, maar er blijven wel risico's op een verkeerde invulling.
Daarom moeten de kerndoelen helder, neutraal en democratisch
gelegitimeerd zijn. Is de staatssecretaris bereid om naast de wettelijke
kerndoelen een richtlijn op te stellen voor de neutraliteit van
lesmateriaal, zodat maatschappelijke onrust, zoals die in de
Noordoostpolder — maar het gebeurt in heel Nederland — wordt voorkomen?
Hoe verhouden dit soort voorbeelden zich tot de ruimte die scholen
behouden onder artikel 23 van de Grondwet? Kan de staatssecretaris
toezeggen signalen van ouders en maatschappelijke organisaties
structureel te betrekken bij evaluaties van het curriculum?
Voorzitter, tot slot. BBB is de partij voor en van de regio. Wij staan
voor een Nederland waarin niet alleen de Randstad telt, maar waarin elke
regio, van de Noordoostpolder tot de Achterhoek en van Limburg tot
Caribisch Nederland, een volwaardige stem heeft. Onderwijs speelt daarin
een sleutelrol. Er mag nooit een Haagse blauwdruk zijn die overal wordt
uitgerold. Onderwijs moet aansluiten bij de eigenheid van de streek.
Kinderen moeten natuurlijk leren lezen, schrijven en rekenen, maar ze
moeten ook leren waar ze vandaan komen. Dat betekent ruimte voor
regionale geschiedenis, cultuur en tradities, van de hunebedden in
Drenthe tot vestingsteden in Brabant en van een bloemencorso in het
Westland tot carnaval in Limburg en Brabant. Ook streektalen en
dialecten, zoals Gronings, Twents, Limburgs en Papiaments, horen bij
onze identiteit. Laten we ambacht en vakmanschap ook niet vergeten. De
klompenmakerij, de molenbouw, de scheepsbouw, keramiek: dit is
Nederland; dit is wie wij zijn. Ik zet hier even een punt.
De voorzitter:
Dat is heel fijn, want ik hoorde u zeggen dat u bijna tot een afronding
kwam.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Klopt.
De voorzitter:
Ik wilde u de mogelijkheid geven om af te ronden, maar dit was een hele
lange afronding, dus ik waardeer de punt. Ik geef het woord aan mevrouw
Rooderkerk voor een interruptie.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Even terug in het betoog van mevrouw Van der Plas bemerkte ik toch wat
tegenstrijdigheid in haar verhaal. Eerst gaf zij aan dat zij zich
afvroeg waarom we zo veel kerndoelen nodig hebben, omdat leraren het
zelf wel weten, maar later stelde ze voor om een hele commissie voor
neutraliteit op te richten, omdat leraren mogelijk verkeerde dingen
zouden onderwijzen. Wat is het nou? Vertrouwt de BBB leraren nou in hun
werk, in hun vakmanschap, of niet?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Het gaat mij hierom. Bij de kerndoelen staan bijvoorbeeld natuur en
biologie. Dat is volgens mij één: natuur kan ook onderwezen worden bij
biologie. Waarom moeten daar allemaal afzonderlijke kerndoelen voor
zijn?
Ten tweede: ik geloof eerlijk gezegd niet dat ik een commissie voor
neutraliteit heb genoemd, zoals mevrouw Rooderkerk zei, maar ...
De voorzitter:
Dat kunnen we terugzien in de Handelingen, maar gaat u verder met uw
antwoord.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Volgens mij heb ik die niet genoemd, maar dat even terzijde. Het gaat
mij om het volgende. Ik begrijp dat leraren of scholen
ik-weet-niet-hoeveel lespakketten en dingen krijgen toegestuurd en zelf
mogen bepalen of ze daar iets mee doen. Dat snap ik. Daar gaan wij niet
over en dat kunnen wij ook niet verbieden. Een lespakket kan passen
binnen een bepaald kerndoel. De vrijheid van onderwijs is een groot
goed, maar het is natuurlijk niet de bedoeling dat die vrijheid van
onderwijs wordt gebruikt voor propaganda.
Ik noemde al even dat dierenactivisme waar kinderen op school les over
hebben gekregen. Er staan sowieso al feitelijke onjuistheden in dat
lesmateriaal. Er staat bijvoorbeeld in dat dieren zich niet mogen
bewegen in een stal. Dat is pertinent onjuist, maar het wordt kinderen
wel geleerd. Dat zijn gewoon feitelijk onjuiste lesjes. In dat
lesmateriaal staat ook een verhaal in de zin van: we gaan dieren
bevrijden uit stallen en we laten ze los; o, de dieren waren zo blij; de
deuren gingen open, de dieren renden naar buiten en ze waren allemaal zo
blij. Wie gaat die dieren dan bijvoorbeeld eten geven, als ze buiten
lopen? Hoe komen ze aan water? Wie gaat die dieren verzorgen als ze ziek
zijn? En dat nog los van het feit dat het gewoon strafbaar is om op het
erf van een boer te komen, zomaar een schuur open te zetten en dieren
los te laten. Ik vind dat soort materiaal dus best wel zorgelijk. Het
zorgt ook voor heel veel polarisatie. Kinderen gaan er namelijk over
nadenken. Die zeggen misschien: dat vind ik ook leuk; die diertjes
moeten allemaal los. Er zitten ook kinderen van boeren op school. Die
wordt verweten dat hun vader, de boer, een dierenmoordenaar is. Ik zet
er dus wel vraagtekens bij of dat zo moet.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
De vraag is een beetje: hoe verhoudt dit zich dan tot de kerndoelen? Dit
is iets waar mevrouw Van der Plas op aanslaat, maar de kerndoelen zijn
natuurlijk juist bedoeld om in te richten waar ons onderwijs over moet
gaan. Ze zijn vastgesteld door leraren en getest op 200 scholen. Ik zou
er als politiek dus terughoudend in willen zijn om daar dan nog weer wat
van te gaan vinden. Ik begrijp dat mevrouw Van der Plas van deze
situatie zegt: daar moet wat aan gedaan worden. Wat is nu precies haar
voorstel?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik wil benoemen dat dat gebeurt. Nogmaals, ik snap dat die knip daarin
zit. Wij moeten eigenlijk aan scholen vertellen wat voor lessen ze
moeten geven, maar niet hoe ze die lessen moeten geven. Dat is ook de
vrijheid van onderwijs. Maar ik vind het wel belangrijk om dat aan te
stippen. Stelt u zich even voor, zeg ik via de voorzitter tegen mevrouw
Rooderkerk, dat een andere ideologie of een ander soort activisme wordt
gepropageerd op een school. Zouden we dat dan ook acceptabel vinden? Ik
vind dat we het daar in ieder geval wel over moeten kunnen hebben,
zonder dat ik zeg: er moet een verbod komen op dit soort lespakketten.
Dat is dus niet aan ons. Het is vrij aan de school om een lespakket wel
of niet uit te voeren.
Wat de kerndoelen betreft, zeggen wij: die zijn best wel uitgebreid. Ik
noem ook natuur en biologie. Dat zijn twee aparte kerndoelen, terwijl je
in mijn optiek biologie en natuur prima op elkaar in kunt passen. Binnen
het kerndoel biologie kun je ook lesgeven over natuur, want biologie
gaat per definitie ook over natuur. Moet je bij een kerndoel culturele
vakken … Je zou ook voor culturele vorming kunnen kiezen en het dan aan
de school over kunnen laten wat ze daaraan wil doen. Moet je dan
expliciet film, theater, dans, beeldende kunst en muziek benoemen? We
hebben net gehoord dat er ook een en/of-discussie is. De
kunstorganisaties — zo zeg ik het maar even — zien ze het liefst
allemaal. Daarvan vraag ik me af: moet je dat allemaal opschrijven of
kun je het nog een beetje indikken, zodat het ook voor leraren behapbaar
blijft?
De voorzitter:
Mevrouw Rooderkerk, afrondend op dit punt.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Wat ons betreft is dit gewoon een evenwichtig curriculum. Nogmaals, dat
is vastgesteld door scholen en leraren. We moeten ons daar niet te veel
in mengen.
Ten aanzien van het andere punt geldt natuurlijk de Grondwet. Scholen
moeten voldoen aan de burgerschapsopdracht, aan de Grondwet, aan artikel
1 en artikel 23. De inspectie handhaaft daarop. Laten we die rollen heel
zuiver houden en die discussies niet met elkaar gaan vermengen. Het
lijkt mij namelijk leidend dat we nu die kerndoelen met elkaar
vaststellen en dat daarmee duidelijk is voor docenten welke lessen zij
geven. Daarin betrachten wij als partij in elk geval ook
terughoudendheid.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Moet je je hier als politiek in mengen? Wij staan hier juist om over
wetgeving te praten en wat wij daarvan vinden. Wij stellen daarbij
vragen aan de regering. Hoe zien ze die invulling zelf? Dat zullen we
straks ook zien in de beantwoording. Nogmaals, ik heb duidelijk
aangegeven dat ik hier niet ga staan om te zeggen: dit mag niet en dat
mag niet. Die vrijheid is er namelijk. Maar ik heb wel zorgen over
bepaalde lesmaterialen die op scholen terechtkomen. Ik noemde het
voorbeeld van dierenactivisme, maar stel dat dat een ander soort
activisme zou zijn dat we met z'n allen niet wenselijk vinden. Dan
zouden we daar toch wel iets van mogen vinden, lijkt me? Het lijkt me
namelijk wel dat het niet allemaal even wenselijk is wat er aan
leerlingen wordt voorgeschoteld. Nou, ik vind in dit geval — zo noemden
de ouders van leerlingen op die school het ook — dat er dierenactivisten
worden gekweekt. Is het de taak van een school om zoiets te doen? Je
kunt leren over landbouw en over hoe dieren worden gehouden. Je kunt
leren over biologische en gangbare veehouderij; dat kun je allemaal
prima leren. Maar om nou uit een boekje les te geven waarin een verhaal
wordt geschreven waarin twee kinderen dierenactivist worden en zich bij
een dierenbevrijdingsfonds aansluiten, en daarbij ook nog een keer
strafbare feiten plegen … Ik vind dat ik daar wel wat over mag zeggen en
dat ik daar ook vragen over mag stellen.
De heer Kisteman (VVD):
Dank u wel voor deze reactie. Fijn dat mevrouw Van der Plas zich druk
maakt over de overladenheid waar het onderwijs tegenaan loopt. Hoe kijkt
mevrouw Van der Plas er dan naar dat het ministerie van LVVN lesmethodes
naar scholen heeft gestuurd over hoe je met dieren leert praten?
Hondentaal voor kids: draagt dat ook niet bij aan de enorme
overladenheid? We kunnen ons afvragen wat dat nou toevoegt.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Nou, ten eerste ben ik er niet van op de hoogte dat dit naar scholen is
gestuurd. Dat is voor mij dus nieuw. Van scholen zelf weet ik wel dat
zij aangeven: wij zouden willen dat al die overladenheid waar wij mee te
maken krijgen, een keer gestopt wordt. Dus nogmaals, ik weet niet wat
voor pakket dat is en waarom dat scholen toegestuurd wordt, maar ik zal
het eens navragen bij het ministerie.
De heer Kisteman (VVD):
Dat pakket werd uiteindelijk niet gestuurd, want dat hebben wij als
Kamer kunnen tegenhouden. Dat is fijn. Maar ik denk wel dat wij als
Kamerleden met het ministerie het goede voorbeeld moeten geven: wij
mogen zelf niet zorgen voor overladenheid. Is mevrouw Van der Plas dat
met de VVD eens?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Nou ja, in principe ben ik het daarmee eens. Ik denk dat docenten,
leraren, onderwijzers, ouders en zeker ook de kinderen zelf al genoeg op
hun bordje hebben liggen, met het curriculum en de kerndoelen die er nu
al zijn. Wij moeten goed kijken of we dat nog verder willen overbeladen.
Daarom heb ik ook zo mijn vraagtekens bij het amendement van de heer
Ceder over financiële geletterdheid. Dat past ook binnen rekenen of
binnen burgerschap. Moet je daar dan weer een apart iets van maken?
Hoewel ik het heel sympathiek vind en ook heel goed begrijp, denk ik
toch dat we daar een beetje mee moeten oppassen.
De voorzitter:
Rondt u af?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ja, ik ga afronden. Ik heb nog een paar vragen aan de staatssecretaris.
Hoe voorkomt de staatssecretaris dat een lange lijst kerndoelen leidt
tot overladenheid en regeldruk? Daar hebt u hem weer, meneer Kisteman.
Hoe wordt geborgd dat scholen in krimpregio's en Caribisch Nederland
voldoende ruimte houden voor een eigen invulling, inclusief de
streekgeschiedenis en de eigen cultuur? Hoe wordt voorkomen dat
uitwerkingen alsnog Haagse uniformiteit opleggen, terwijl juist maatwerk
nodig is?
Voorzitter. Onderwijs moet kinderen voorbereiden op het leven en niet op
een theoretisch ideaal. Dat betekent ook aandacht voor
praktijkonderwijs, voor levensvaardigheden en ambacht. Vroeger gingen
meisjes handwerken en jongens gingen handenarbeid doen. Gelukkig is dat
nu "algemene technieken" geworden; zo heet het, geloof ik, en iedereen
mag alles gaan doen. Maar je moet ook met je handen leren werken, en het
is goed dat kinderen leren dat het helemaal niet erg is om een vak te
leren, om lasser te worden of automonteur of kapper of welk vak dan
ook.
Jongeren moeten leren hoe ze kunnen meedoen in de samenleving, hoe ze
een vak leren en hoe ze verantwoordelijkheid nemen. Dat is de nuchtere
benadering waarvoor BBB staat. Wij willen dat beleid altijd wordt
getoetst op regionale impact. Wij willen dat scholen in kleine kernen
behouden blijven, dat er ruimte is voor een eigen invulling en dat
cultuur en erfgoed niet verdwijnen in een eenheidsworst, want Nederland
is geen Randstad met een randje, maar een land van dorpen, steden,
eilanden en platteland, en die zijn voor ons allemaal even
belangrijk.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan nodig ik nu graag de heer Ergin uit van de fractie van
DENK voor zijn bijdrage in deze termijn.
De heer Ergin (DENK):
Voorzitter, dank u wel. Ook ik wil mevrouw Moorman, mevrouw Armut en
mevrouw Raijer feliciteren met hun maidenspeech. Uit ervaring kan ik
zeggen dat het heel goed is om gelijk in de eerste twee weken je
maidenspeech te houden, want dan is de spanning er gelijk vanaf en kun
je doorpakken.
Voorzitter. Vandaag bespreken wij het wetsvoorstel dat raakt aan de
basis van ons onderwijs. Dat is niet zomaar een technische wijziging,
maar gaat eigenlijk over een fundament waarop kinderen hun toekomst
bouwen en waarop onze samenleving haar toekomst bouwt. Ik wil direct
beginnen met een constatering, en wel dat dit wetsvoorstel een van de
weinige dingen is die dit mislukte kabinet überhaupt heeft weten te
produceren. Als we kijken naar wat dit kabinet het onderwijs heeft
gebracht, dan kom ik op niets anders dan monsterbezuinigingen en
kaalslag, een ongekende kaalslag. Het kwam ook met loze beloftes zoals
het herstelplan kwaliteit onderwijs, en dat er eindelijk structurele
financiering geregeld zou worden in plaats van subsidiepotjes en
subsidiespaghetti. Het Herstelplan kwaliteit onderwijs zou alles beter
maken.
Aan de ene kant ben ik dus blij dat we na twintig jaar eindelijk iets op
tafel hebben waar we met elkaar in debat over kunnen gaan, maar wat
onderwijs betreft hebben we in de afgelopen twee jaar echt flinke
stappen teruggezet. Telkens als de oppositie kritische vragen stelde
over die bezuinigingen, over de vraag wanneer het Herstelplan kwaliteit
onderwijs er zou komen, over de vraag waarom die ene kansenregeling weer
was weggehaald en over de vraag waarom er weer een indexering was
geschrapt, werd er gewezen op dat totaalplan. De Rekenkamer zei in mei
van dit jaar: "Op dit moment is onduidelijk wat de komst van het
herstelplan verandert aan doelen, geldstromen, instrumenten, monitoring
en verantwoording."
Voorzitter. Ik benoem dit punt niet om eerdere debatten te recyclen. We
hebben echt talloze debatten hierover gevoerd. Maar in de wet staat dat
het doel is om de basisvaardigheid van leerlingen te verbeteren. Om dat
te kunnen doen, is het toch echt belangrijk om naast de focus op de
kerndoelen ook de focus te blijven houden op alle andere randvoorwaarden
die belangrijk zijn voor goed onderwijs, ook omdat het kabinet bij
herhaaldelijke vragen heel vaak heeft doorverwezen naar het herstelplan
en de Rekenkamer eigenlijk met een best wel schokkende conclusie komt.
Ik citeerde daarnet namelijk de Rekenkamer. Dat was geen samenvatting,
maar gewoon een citaat uit het rapport van de Rekenkamer van mei dit
jaar. Ik zou hierop graag een reactie willen van de
staatssecretaris.
Voorzitter. Dit debat gaat ergens over. Het gaat over de toekomst en
over onze kinderen. Het gaat ook over lezen, schrijven en rekenen. Dat
zijn vaardigheden die je altijd nodig gaat hebben en die bepalend zijn
voor of je overeind blijft in een wereld vol formulieren, brieven,
opdrachten en verwachtingen. Een aantal collega's hebben al eerder in
het debat benoemd dat een op de zes tweedeklassers het schrijfniveau van
groep 8 niet haalt. Dat is echt schrijnend. We hadden het in dit huis
altijd over stagemarktdiscriminatie, maar dat het percentage bij
vmbo-basis en -kader op 40% ligt, betekent dat we heel snel debatten
moeten voren over de vraag of onze leerlingen straks überhaupt wel
stageverslagen kunnen schrijven. Het gaat om tienduizenden leerlingen.
Als die leerlingen straks het mbo ingaan, vakmensen worden en heel
belangrijk worden voor de toekomst van onze economie, dan is het echt
schrijnend als ze te maken hebben met een achterstand die ze hun hele
leven gaat achtervolgen. Daar moeten we zeker wat mee.
Volgens mij zijn we het er allemaal over eens dat de basis beter moet en
dat we iets meer moeten doen met lezen, schrijven en rekenen. Maar ik
wil ook geconstateerd hebben dat het extra wrang is dat de actualisatie
zo lang heeft geduurd. Ik weet nog heel goed dat in een van mijn eerste
dagen hier als medewerker van een Tweede Kamerlid, namelijk de heer
Kuzu, Curriculum.nu bezig was met het herijken van de kerndoelen. Daar
heb ik me als medewerker nog mee beziggehouden. Die herijking is echt
helemaal en faliekant misgegaan. Gelukkig is er eindelijk een
actualisatie, maar het is wel een punt dat ik wil maken. Waarom is dit
nou zo stroperig gegaan en heeft dit zo lang moeten duren?
Voorzitter. Even over het wetsvoorstel zelf. Dat gaat eigenlijk over de
kapstok, terwijl de jassen — dat zijn de kerndoelen — in september door
SLO gepubliceerd zijn. Het is heel aanlokkelijk om het over de jassen,
de kerndoelen, te hebben, maar het wetsvoorstel gaat eigenlijk over de
systematiek daarachter. Toch zou ik aan de staatssecretaris willen
vragen: wanneer en hoe worden die kerndoelen, die dus in september zijn
gepubliceerd, nou definitief gemaakt? Ik wil, omdat ik dat belangrijk
vind voor de toekomst van het land, één kerndoel er echt uitlichten,
namelijk burgerschap. In het vervolg zal ik het vooral hebben over de
techniek achter de wet.
Als je over de conceptkerndoelen van burgerschap leest, raak je
overladen: 60 pagina's lang uitleg en toelichting. Even verderop lees
je, volgens mij op pagina 40, de conclusie dat de docenten of
leerkrachten die met de kerndoelen hadden geoefend, met twee
verbeterpunten kwamen, namelijk: de kerndoelen zijn te ambitieus en in
sommige gevallen zelfs te abstract. Is die exercitie om kerndoelen
duidelijker te maken gelukt, vraag ik de staatssecretaris. Is die nou
wel geslaagd? Dat er nu eindelijk wat op tafel ligt, zien we allemaal,
maar is die exercitie daadwerkelijk geslaagd? Specifiek over burgerschap
wil ik vragen wat er nou anders is ten opzichte van de wet over
burgerschapsonderwijs die in 2021 is ingevoerd. In de vergelijking zien
we namelijk heel veel overeenkomsten als het gaat over
burgerschapsonderwijs.
Voorzitter. Als je de kerndoelen leest vanuit je eigen politieke visie,
mis je iets. Ik ga daar geen amendement over indienen, maar ik wil wel
dit benoemen. Wat burgerschap betreft sta ik achter de onderdelen die nu
in de conceptkerndoelen staan. Dat zijn belangrijke uitgangspunten. Maar
DENK vindt dat onze jongeren, onze kinderen onvoldoende worden
voorbereid op de toekomst. Dan heb ik het over de samenstelling van
Nederland in 2050. Nederland is nu al een diverse samenleving, maar in
2050 wordt het een superdiverse samenleving. Dat is geen politieke
mening, maar een demografisch feit. Een woord als "pluriformiteit"
blijkt in het 60 pagina's tellende conceptkerndoelenrapport over
burgerschap slechts twee keer voor te komen, terwijl wij het heel
belangrijk vinden dat wij onze leerlingen, onze kinderen voorbereiden op
de toekomst. Tegelijkertijd wil ik er ook bij gezegd hebben dat mijn
fractie er in ieder geval niet in gelooft dat een sjabloon aan
kerndoelen, opgelegd vanuit de Tweede Kamer, de uitdagingen in het
onderwijs zal gaan oplossen. De leerkracht die voor de klas staat, maakt
uiteindelijk het verschil.
Voorzitter. Dan de randvoorwaarden. De kerndoelen alleen zijn niet
voldoende, maar ook de randvoorwaarden zijn belangrijk.
Onderwijshuisvesting. Alleen al het herstellen daarvan kost 25 jaar en
miljarden euro's. Het lerarentekort. Als je in 2026 ook nog eens
bezuinigt op de indexatie van het zijinstroomprogramma, dan los je het
lerarentekort veel minder goed op. De bezuinigingen die zijn ingeboekt.
Ik heb net in een interruptiedebat met mevrouw Rooderkerk al gerefereerd
aan een aantal bezuinigingen. 400.000 kinderen die in armoede leven. Dat
is geen exercitieprobleem en dat is niet iets wat je oplost met
kerndoelen, maar dat zijn systeemproblemen. Ik zou graag aan de
staatssecretaris willen vragen wanneer het kabinet, zolang dit kabinet
er nog zit, zelf de basis op orde gaat krijgen wat betreft de
systeemproblemen.
Voorzitter. Dan twee punten waarover we ook een amendement hebben
ingediend op de wet. In een brief aan de informateur waarschuwt de
Onderwijsraad namelijk dat de pluriformiteit van ons onderwijsstelsel
onder druk staat. De Raad van State zegt in het advies iets
soortgelijks. Er moet ruimte blijven voor artikel 23, maar ook voor
pedagogische vrijheid. Wij vinden dat dit expliciet vermeld moet worden
in de wettekst, aangezien we het vandaag ook over de kapstok
hebben.
Voorzitter. Het tweede amendement gaat over de evaluatie. We zien
bijvoorbeeld dat in de Wet passend onderwijs en de Wet beroep leraar een
termijn van drie jaar wordt gehanteerd. Ik zou niet weten waarom we in
deze wet — volgens mij was het een amendement van collega Ceder — een
termijn van vijf jaar zouden moeten hanteren. Mijn fractie vindt dat we
daarin één lijn moeten trekken, omdat we ook uit ervaring weten dat je
de verbeterpunten eigenlijk al vrij vroeg ziet. Het onderwijs is heel
snel. Ik denk dat er al in heel veel klassen wordt gewerkt met de
kerndoelen die nu getest en gepubliceerd zijn en dat docenten dit voor
een deel ook al aanvoelden. Zeker in het onderwijsveld zien we het vrij
snel als er iets misgaat. Ik zou het jammer vinden als we daar langer op
zouden moeten wachten. We moeten gewoon op tijd kijken of de fundering
stevig is.
Voorzitter. Dan tot slot. De inspectiecijfers laten ons geen enkele
ruimte voor slordigheid. We kunnen ons geen mislukte hervorming
veroorloven. We kunnen niet nog een generatie met onnodige achterstanden
aan hun lot overlaten. Met de twee amendementen proberen wij die twee
zaken, namelijk de bescherming van identiteit, vrijheid en
pluriformiteit maar tegelijkertijd ook een tijdige evaluatie, te
verbeteren in de wet. Wij steunen de ambitie van dit wetsvoorstel, maar
het moet wel hand in hand gaan met uitvoerbaarheid, rechtvaardigheid en
realisme. We moeten blijven kijken naar een onderwijsstelsel dat sterk
én eerlijk is en dat werkt voor kinderen, uiteraard met leraren. Ik hoop
dat we daarmee weer een stap kunnen zetten in het organiseren van goed
onderwijs.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
De heer Ergin zei eerder: ik ga onze politieke punten niet in
amendementen zetten, want als iedereen dat gaat doen, wordt het
overladen. Daar sluit ik me bij aan. Maar hij heeft wel een amendement
ingediend dat zegt dat alles in lijn moet zijn met de vrijheid van
onderwijs, naar aanleiding van een opmerking van de Raad van State. Nou
is het zo dat het kabinet naar aanleiding daarvan de memorie van
toelichting al heeft aangepast en heeft gezegd dat het zich inderdaad
beperkt tot de burgerschapswet. De fractie van DENK heeft ook voor die
burgerschapswet gestemd, dus wat is nu het probleem?
De heer Ergin (DENK):
Wij vinden dat je iets precairs als artikel 23 niet alleen in de
toelichting van een wet moet zetten, maar ook daadwerkelijk in de wet.
Het is voor ons eigenlijk een manier om te markeren dat wij artikel 23
belangrijk vinden — het staat in de Grondwet — en dat we dat niet in de
toelichting moeten doen, maar in de wet zelf.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Maar dan concludeer ik toch dat het feitelijk overbodig is, want dit is
al geregeld. Dit is al onderdeel van de burgerschapsopdracht. Het is al
in de memorie duidelijk gemaakt. Het valt hier inderdaad gewoon binnen.
Als je overladenheid wilt voorkomen, lijkt mij dit amendement niet
nodig, zou ik dan zeggen.
De heer Ergin (DENK):
De discussie over de overladenheid gaat in de richting van leerkrachten.
Dit amendement legt volgens mij geen extra druk op leerkrachten. Het
gaat met name over hoe wij onze zaken hier achter de schermen, onder de
motorkap, regelen. Wij vinden artikel 23 belangrijk. Ik weet dat D66
daar een andere visie op heeft. Maar ik zou uw amendement nooit
behandelen alsof het onnodig is, alleen maar vanwege een andere visie.
Als we hier een wet behandelen, vind ik het belangrijk dat we heel goed
scherp zijn op de kwaliteit van die wet en hoe we de wetten technisch
onderbouwen. Ik vind dat een artikel in de Grondwet niet in de
toelichting van de wet hoort, maar daadwerkelijk een plaats dient te
hebben ín de wet.
De voorzitter:
Afrondend.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Wat ons betreft hebben de artikelen van de Grondwet plaats in de
Grondwet. Daar voldoen we aan. Deze wet voldoet daar ook aan. Het
amendement lijkt mij daarom overbodig. Ik zeg daarmee niks over de
Grondwet; die staat natuurlijk voorop.
De heer Ergin (DENK):
Dat was een constatering. Ik hoorde geen vraag. Het heeft natuurlijk ook
te maken met hoe wij onze constitutie hebben ingericht. De artikelen in
de Grondwet worden namelijk niet door een rechter getoetst, maar door de
Staten-Generaal: door de Tweede en de Eerste Kamer. Wij vinden het
belangrijk om dat gewoon duidelijk in de wetten op te nemen, omdat we
ook zien dat regeringen, kabinetten, maar ook coalities soms anders
omgaan met de geest van bijvoorbeeld artikel 23. Dat punt willen we
graag rechtgezet hebben in dit wetsvoorstel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan nodig ik nu graag de heer Stoffer van de fractie van de
SGP uit voor zijn bijdrage in deze termijn. Gaat uw gang.
De heer Stoffer (SGP):
Voorzitter. In de eerste plaats wil ik vanaf deze plek mevrouw Moorman,
mevrouw Armut en mevrouw Raijer feliciteren met hun maidenspeech, en
laatstgenoemde uiteraard ook met haar verjaardag vandaag.
Voorzitter. In november 2014 lanceerde toenmalig staatssecretaris Dekker
een project voor een nieuw programma voor het lager en middelbaar
onderwijs: Onderwijs2032. De vraag van de staatssecretaris was hoe we
kinderen die toen in groep 1 begonnen, konden voorbereiden op het moment
dat zij voor het eerst zouden gaan solliciteren, zo rond 2032. De
staatssecretaris was erg onder de indruk van de snelheid waarmee de
samenleving zich ontwikkelde. Hij vroeg zich af of het onderwijs nog wel
bij de tijd was. In zijn brief benoemde hij het belang van zogenoemde
"21ste-eeuwse vaardigheden". Hij zag ook heel veel in vakoverstijgende
vaardigheden. Mild uitgedrukt ontlokte het project niet enkel
enthousiasme in het onderwijs.
Voorzitter. De geschiedenis neemt een bijzondere loop, want precies elf
jaar na het project van staatssecretaris Dekker is er opnieuw een
staatssecretaris met VVD-kleur op de wangen die zich met het
onderwijsprogramma bezighoudt. Daar zit hij! Mijn vraag is natuurlijk
hoe de staatssecretaris terugkijkt op de lange weg die inmiddels is
afgelegd. De politieke zwerftocht die we nu willen afronden, moet
volgens de SGP een lesje in bescheidenheid zijn voor de politiek. Met
een kleine overdrijving zeg ik dat we bijna in 2032 zitten en dat het
ons nog niet gelukt is om duidelijkheid te geven over het nieuwe
curriculum. De kleuters van Dekker doen in ieder geval eindexamen zonder
dat er iets veranderd is aan het onderwijsprogramma. Dat heeft ook echt
iets te maken met de manier waarop Onderwijs2032 begon.
Er zijn gelukkig ook positieve ontwikkelingen te melden. De samenleving
gaat zo snel dat je sommigen inmiddels moet uitleggen wat "21ste-eeuwse
vaardigheden" zijn. Het bleek meer een hype dan een hulp in het
onderwijs. Die constatering onderstreept meteen een belangrijke
boodschap: kom niet aan de vakinhoud. In bescheiden vorm leidde het
project van Dekker uiteindelijk tot het sobere wetsvoorstel dat we
vandaag bespreken over de herziening van de grondslagen voor de
kerndoelen. Die bescheidenheid past de wetgever.
Voorzitter. Het is nuttig om het wetsvoorstel in historisch perspectief
te bekijken. De huidige wettelijke grondslagen voor de kerndoelen
dateren uit de jaren tachtig van de vorige eeuw. Maar wie nog honderd
jaar verder terug zou kijken in de tijd, ziet nog steeds niet heel veel
anders dan wat wij nu vandaag bespreken. In 1857 moest de
industrialisering van Nederland nog behoorlijk op gang komen, maar het
verplichte curriculum voor het zogeheten gewoon en meer uitgebreid lager
onderwijs uit de schoolwet van dat jaar lijkt opvallend veel op het
wetsvoorstel van vandaag. Ik zie in de wettelijke opsomming uit 1857
staan: lezen, schrijven, rekenen, aardrijkskunde, geschiedenis, natuur,
levende talen, wiskunde, gymnastiek en tekenen. Ik zie daarin maar drie
domeinen van toen die nu niet meer te herkennen zijn in de wet:
vormleer, landbouwkunde en handwerken voor meisjes. In het wetsvoorstel
van vandaag zie ik bovendien slechts vier onderdelen die toen onbekend
waren: digitale geletterdheid, techniek, redzaamheid in het verkeer, en
dans, theater of film. In zekere zin is de wereld maar bar weinig
veranderd.
Uit de geschiedenis kunnen we belangrijke lessen trekken voor de
samenleving en het onderwijs. In die zin zou de SGP best de stelling
aandurven dat het curriculum juist de focus moet hebben op geschiedenis
en niet allereerst op rekenen en taal, hoewel met name taal en
geschiedenis natuurlijk onlosmakelijk verbonden zijn. Het onderwijs
blijkt niet zozeer voor te bereiden op de dingen die veranderen, maar
vooral op de dingen die hetzelfde blijven. De school is er voor de brede
vorming van leerlingen: geestelijke en morele vorming, goede beheersing
van rekenen en taal, kennis van de samenleving en de cultuur, en inzicht
in de invloed van technologie op mens en maatschappij. Wie de
geschiedenis niet kent, loopt sneller het risico om afgeleid te worden
van de kern. De politiek loopt dan het risico om scholen hinderlijk voor
de voeten te lopen.
Hoewel de SGP de noodzaak van de wetswijziging ondersteunt, heeft de SGP
één fundamenteel kritiekpunt op het wetsvoorstel. Tot op heden stelde de
wetgever altijd de brede vorming van de leerlingen centraal in de wet.
Er bestond daarom nooit een wettelijke rangorde tussen de vakken; er was
alleen een zakelijke opsomming van de leergebieden. De regering maakt
echter een andere keuze. Het wetsvoorstel verwoordt een focus op lezen,
schrijven en rekenen. Het wetsvoorstel stelt centraal dat de kerndoelen
gaan over lezen, schrijven en rekenen. Vervolgens staat er eigenlijk: o
ja, er zijn ook nog kerndoelen voor andere onderwerpen. De structuur van
het wetsvoorstel creëert misschien onbedoeld een a-status en een
b-status, en een oneigenlijke tegenstelling tussen de verschillende
onderdelen van de brede vorming van de leerlingen. Mijn vraag is dan ook
of de staatssecretaris ziet dat het risico dat die brede vorming van
leerlingen onder druk komt te staan, aan de orde is. Een leerling die
feilloos kan rekenen en spellen, maar weinig tot niets weet van de
Holocaust, de werking van onze rechtsstaat en respect voor de medemens,
is niet beter af dan de leerling die met veel algemene vorming beperkt
in taal is en met zijn vingers moet tellen.
Zou de wetgever bovendien niet iets minder pretentieus moeten zijn over
de gedachte dat we met deze wettelijke bepalingen de basisvaardigheden
wezenlijk verbeteren? Zonder een wettelijke focus lukte het in het
verleden toch zelfs om hogere resultaten voor basisvaardigheden te
boeken dan nu het geval is. De SGP vindt het voorgestelde systeem een
onnodige en onverstandige route. Deze fundamentele trendbreuk zou zelfs
reden kunnen zijn om tegen het wetsvoorstel te stemmen. Daarom stel ik
voor om dit te wijzigen met het amendement dat nummer 8 heeft gekregen.
Laten we vasthouden aan de bestendige lijn die altijd in ons nationale
onderwijs is gevolgd.
Voorzitter. Uit de gekozen structuur volgen nog andere problemen.
Volgens het wettelijk vastgestelde referentiekader Nederlandse taal zijn
er drie belangrijke domeinen: mondelinge taalvaardigheid, lezen en
schrijven. Toch laat het wetsvoorstel de mondelinge taalvaardigheid
bewust weg uit de focus van de kerndoelen. Mijn vraag is: waarom? Is
mondelinge taalvaardigheid minder belangrijk dan lezen en schrijven? De
SGP vindt dit moeilijk te rijmen met de eenheid van het referentiekader,
en het voorgestelde systeem is kreupel. Laten we dit ongelukkige signaal
vermijden. Daarom wil ik nogmaals vragen of de regering, voor een zo
breed mogelijk draagvlak, nog eens serieus wil kijken naar het
amendement op stuk nr. 8.
Voorzitter. Ik wil nu uitdrukkelijk aandacht besteden aan de
doelstellingen waarmee het proces van curriculumherziening is gestart en
die altijd leidend zijn gebleven. Daarmee doen we recht aan de lange
reis die we samen met het onderwijsveld hebben afgelegd en de
verwachtingen die daarbij zijn gewekt. Een eerste belangrijke
doelstelling van de curriculumherziening was het bieden van meer
richting en houvast. De SGP hoort graag of en waarom de regering de
gegronde hoop heeft dat het wetsvoorstel hier daadwerkelijk aan gaat
bijdragen. Ik constateer dat de structuur van de kerndoelen voor leraren
niet zozeer nieuw inzicht of extra hulp gaat opleveren. Ook bij de
uitwerking heeft de SGP twijfels. Weliswaar zijn de kerndoelen op
sommige onderdelen iets uitgebreider, maar verwacht de staatssecretaris
dat dit zodanig is dat scholen het echt meer als een spoorboekje voor de
inrichting van hun programma's kunnen benutten? Waarin zit concrete
winst in de praktijk voor de schoolleider, het lerarenteam en de klas?
De SGP zou het verstandig vinden om die verwachtingen ietwat te
temperen. Het wettelijke systeem is geen lerarenhandleiding, maar het
moet wel voldoende concreet en helder zijn om als samenleving de basale
verwachtingen van het onderwijs te kunnen uitdrukken. Wat de SGP betreft
lijkt dit met de voorstellen aardig te kunnen lukken.
Voorzitter. Een nog belangrijkere doelstelling is de ambitie om
overladenheid tegen te gaan. Hier heeft de SGP zorgen over. Ik vrees dat
het wetsvoorstel in de uitwerking in ieder geval niet tot minder
overladenheid gaat leiden, maar eerder tot meer. Mijn vraag is wat de
visie van de staatssecretaris is op het niveau van overladenheid en de
beloftes die zijn gedaan. Op welke gebieden hoeven scholen juist minder
te doen en wat mogen zij in de toekomst verwachten om het programma
werkbaar te houden? Omdat we vandaag alleen het wetsvoorstel behandelen,
zal ik me niet uitlaten over de conceptkerndoelen, maar ook als je
slechts naar het wetsvoorstel kijkt, lijkt het risico op overladenheid
reëel. Eigenlijk komen er per saldo alleen maar onderdelen bij. Dat
vinden wij als SGP geen goede zaak en daarom zullen we in ieder geval
tegen de amendementen stemmen die iets willen toevoegen.
Voorzitter. De wetgever en de politiek moeten soms juist het lef hebben
om nee te zeggen tegen verwachtingen, en om meer ruimte te bieden aan
leraren door concreet dingen te schrappen. In de tijd waarin ik lid
mocht zijn van de Tweede Kamer heb ik dat eigenlijk nooit zien gebeuren.
Het vaststellen van de wettelijke grondslagen voor de kerndoelen lijkt
me bij uitstek een moment om serieus te kijken of er verbeteringen
mogelijk zijn en, zo ja, welke. Ik doe daarvoor met het amendement op
stuk nr. 9 een concreet voorstel door het bevorderen van gezond gedrag
te schrappen. Het is allereerst een opdracht die eigenlijk helemaal niet
bij scholen thuishoort naast de vele onderdelen die al aan gezond gedrag
raken, zoals biologie en burgerschap. De opdracht is bovendien op dit
moment niet duidelijk in de wetgeving te vinden. De algemene formulering
kent het risico dat de politiek op een later moment allerlei
maatschappelijke vragen en zorgen bij scholen over de schutting gaat
kieperen. Daar moeten we onszelf niet onnodig de ruimte voor bieden. Ik
hoop op een positieve reactie van de regering en op steun in de
Kamer.
Voorzitter. De doelstelling en de belofte dat scholen meer tijd zouden
krijgen om aan hun eigen doelstellingen en ambities te werken, lijkt
gaande het proces uitgedoofd. Ergens zit dat ons als SGP wel dwars. De
SGP hoort graag hoe de staatssecretaris kijkt naar het belang van de
beloofde vrije ruimte. Wat betekent die bijvoorbeeld concreet in het
toezicht? Als we heel eerlijk zijn, zien we dat de kerndoelen zodanig
van omvang zijn dat je als school aan een normale schoolweek niet genoeg
hebt om alles goed te doen. De inspectie zal dus altijd genoeg kunnen
vinden waarop de school een stapje harder zou kunnen en moeten lopen.
Hoe kan een school zich dan met succes verweren door te zeggen dat de
eigen invulling nu eenmaal ook tijd vraagt? Welke coulance heeft de
inspectie dan richting scholen?
Voorzitter. In de toelichting in de schriftelijke reactie van de
regering blijft verwarring bestaan over de relatie tussen de wettelijke
burgerschapsopdracht en de nieuwe kerndoelen burgerschap. De regering
wekt nu de suggestie dat de kerndoelen ook uitwerking geven aan de
burgerschapsopdracht, maar bij de behandeling van de
burgerschapsopdracht is terecht het tegendeel beweerd. De kerndoelen
hebben een eigen functie en bereik, en als er vermenging optreedt,
zouden er juridische problemen kunnen ontstaan. De SGP wijst erop dat de
inspectie in het verleden op dit punt de mist in is gegaan en door de
rechter is teruggefloten. Mag ik ervan uitgaan dat de regering zich
daarvan goed rekenschap geeft bij de uitvoering?
Voorzitter. De betrokkenheid van de Tweede Kamer bij de uitwerking van
de kerndoelen is een belangrijk aandachtspunt. Gezien het concrete
niveau en de mogelijk verstrekkende invloed van de kerndoelen is het des
te opmerkelijker dat de betrokkenheid van het parlement helemaal wordt
weggelaten. Het zou toch vreemd zijn als we in de Tweede Kamer als
nationale huiskamer niet standaard de gelegenheid zouden krijgen om ons
uit te spreken over wat de regering in alle klaslokalen wil
voorschrijven? De volksvertegenwoordiging blijkt nogal eens een
bedreiging voor het onderwijs, maar zij blijft tegelijk de noodzakelijke
waakhond om namens het volk te kunnen bewaken of vrijheden en
verantwoordelijkheden op een fundamenteel gebied als het onderwijs
voldoende uit de verf komen. Het vervangen van een zogenoemde nahang
door een voorhang heeft daarom de sympathie van de SGP.
Voorzitter. Ik eindig waar ik begon, namelijk bij de manier waarop dit
traject van curriculumherziening is gestart. Vanaf het begin is
uitgesproken dat er een periodiek systeem moet bestaan om kerndoelen te
herijken, en wel vaker dan eens in de twintig of dertig jaar. Een vast
systeem maakt het onderwijs ook minder kwetsbaar voor politieke
projecten, zoals Onderwijs2032. In de huidige wetgeving is bijvoorbeeld
een procedure geregeld voor het ontwikkelen van bekwaamheidseisen vanuit
het onderwijsveld. Waarom zit er niet een vergelijkbare regeling in het
wetsvoorstel over een periodiek systeem van curriculumherziening?
Wanneer kunnen we een wetsvoorstel hierover verwachten? Het project
Onderwijs2032 en de langdurige gevolgen ervan smaken bepaald niet naar
meer. De SGP hoopt dat we met het nieuwe wettelijke regeling weer voor
lange tijd rust en stabiliteit kunnen bieden aan het onderwijs.
Dat was het, voorzitter. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan nodig ik nu graag de heer Boomsma, van de fractie van
JA21, uit voor zijn bijdrage in deze eerste termijn van de Kamer. Gaat
uw gang.
De heer Boomsma (JA21):
Dank u wel, mevrouw de voorzitter, voor het woord. Mijn drie
ambtsgenoten feliciteer ik met hun maidenspeeches. Bij voorbaat ook
felicitaties aan de heer Van Duijvenvoorde. Hij zal als hekkensluiter de
vierde maidenspeech uitspreken, die na mijn bijdrage volgt.
Wat een immens voorrecht is het om hier het woord te mogen voeren over
onderwijs! Het is een immens voorrecht maar ook een zware
verantwoordelijkheid, want de resultaten van het onderwijs gaan hard
achteruit. In de Gouden Eeuw had Nederland de best opgeleide en meest
geletterde samenleving van de wereld. Nog tot diep in de twintigste eeuw
had Nederland de beste scholen ter wereld. Vorige week hoorden we echter
dat een op de zes scholieren in de tweede klas van het voortgezet
onderwijs geen eenvoudige, begrijpelijke tekst kan schrijven, ondanks al
de leraren en scholen die geweldige prestaties leveren. Uit het laatste
PISA-onderzoek blijkt dat een derde van onze 15-jarigen niet in staat is
om een krant te lezen of een brief van de gemeente te begrijpen. In 2018
was dat nog een kwart. Ook de kennis van geschiedenis en aardrijkskunde
bij kinderen aan het einde van de basisschool is tussen 2008 en 2023
gedaald.
Voorzitter. Dit kunnen wij niet accepteren. Gelukkig zijn de meningen
daarover niet verdeeld. Met voldoende aandacht en oefening kan bijna elk
kind goed leren lezen en schrijven. We mogen de kinderen dan ook niet
aan hun lot overlaten. In de afgelopen 30 tot 40 jaar van ideologisch
misplaatste onderwijsvernieuwingen is heel veel kapotgemaakt dat we nu
weer langzaam zullen moeten gaan opbouwen. Dat herstel gebeurt
natuurlijk niet in de eerste plaats hier in de Tweede Kamer door het
vaststellen van een andere grondslag voor kerndoelen. Het herstel vindt
ook niet allereerst plaats op ministeries of in de bestuurskamers bij de
vele advies- of overlegorganen, die rond het onderwijs zijn ontstaan.
Herstel is uiteindelijk aan de leraar in de klas, namelijk aan de manier
waarop hij met die leerlingen omgaat, want het geheim van goed onderwijs
is het geheim van de meester en de meesteres.
Tegelijkertijd is het volgens JA21 nu wel zaak dat de regering iets meer
de regie neemt. Juist om de voorwaarden te scheppen waarmee dat proces
gestalte kan krijgen, moeten we minder terughoudend zijn nu wij die
daling in prestaties over de hele linie zien. Als de resultaten
achterblijven, dan moet de regering zich daar ook meer mee gaan
bemoeien. Wat JA21 betreft gaat het misschien ook niet meer alleen over
het wat, maar in dat soort gevallen ook juist meer over het hoe. Ik denk
dat we duidelijker en concreter moeten gaan aangeven wat kinderen
minimaal moeten kunnen en weten. Idealiter stelt dat de leraren dan in
staat om zelf beter de regie te nemen over hun lessen.
Voorzitter. De fractie van JA21 is ervan overtuigd dat betere toetsing
met duidelijkere consequenties, wanneer niet aan de eisen is voldaan, de
weg is naar beter onderwijs. Steunt de staatssecretaris dat? Hoe wil hij
dat bereiken? Dat brengt mij dan ook tot deze wet. Natuurlijk steunen
wij de inzet om het niveau van basisvaardigheden te verbeteren. Dit is
mijn eerste debat als onderwijswoordvoerder. Ergens vond ik het ook wel
tikkeltje verbazingwekkend dat we nu, tegen het einde van anno Domini
2025, in de wet moeten opnemen dat het belangrijk is dat kinderen leren
lezen, schrijven en rekenen en dat dit geen loszwevende vaardigheden
zijn, maar dat dit altijd verloopt via concrete kennis en rijke teksten.
Je leest en schrijft natuurlijk altijd over specifieke onderwerpen. Hoe
minder je leest, hoe minder je weet.
Voorzitter. Dit zijn eeuwenoude wijsheden. Het westerse onderwijs is
altijd gebaseerd geweest op deze inzichten op basis van het klassieke
trivium van grammatica, logica en retorica. Het was leraren natuurlijk
sowieso al wel duidelijk dat dat belangrijk is, maar desalniettemin
lijkt het ons wel belangrijk om dit verder in de wet te expliciteren.
Uiteraard is er veel meer nodig in de praktijk. Om lezers te stimuleren
gaat het er inderdaad ook om dat er veel boeken beschikbaar zijn en dat
je een cultuur schept op school, zo mogelijk ook thuis en zeker ook bij
de lerarenopleiding, waar lezen gestimuleerd wordt, met voorbeelden en
voldoende boeken. Om te leren schrijven zul je in de praktijk ook veel
moeten oefenen. Ik denk dat het heel belangrijk is om van jongs af aan
opstellen en essays te schrijven. Op Engelse scholen is dat al praktijk.
Ik heb familie in Engeland en ik weet dat kinderen daar, ook al zitten
ze op de bassischool, altijd kleine opstelletjes moeten schrijven, over
wat ze gedaan hebben in het weekend en over hoe hun vakantie was. Leren
schrijven is heel belangrijk, denk ik. Overigens leer je op Engelse
universiteiten ook voortdurend essays te schrijven. Ik heb Environmental
Science gestudeerd in Engeland en we moesten voortdurend essays
schrijven, bijvoorbeeld over het periodiek systeem en dergelijke. Dat
ging allemaal via essays. Dat vergt wel heel veel nakijktijd. Ik zei het
al tegen mevrouw Rooderkerk: het is natuurlijk veel ingewikkelder om een
essay of een opstel te corrigeren en na te kijken dan iets met alleen
multiplechoicevragen of goed-of-fout-antwoorden. Het biedt ook wel heel
veel mogelijkheden om gerichtere voorstellen te doen om iemand te helpen
beter na te leren denken: welke zinsneden zijn goed, welke metaforen
zijn passend of niet, hoe kan je dat beter beargumenteren? Dat kost
gewoon tijd. Ik vraag me af in hoeverre die tijd kan worden gevonden in
het huidige onderwijs. Misschien kan de staatssecretaris daarop
ingaan.
Voorzitter. Dan hebben wij nog wel iets meer vragen over het voorstel om
in de wet op te nemen dat kerndoelen niet alleen kennis, inzicht en
vaardigheden moeten bevatten, maar ook ervaringen. Uiteraard gaat het
ook om ervaringen, maar die komen ook heel vaak in het kielzog van een
focus op kennis en inhoud. De belangrijkste ervaring van het onderwijs
is toch, wat ons betreft, het gevoel van voldoening dat je hebt kunnen
ervaren als je na een grote inspanning iets heel moeilijks hebt kunnen
leren of onder de knie hebt gekregen. Het andere grote doel van deze wet
en de curriculumherziening is om de kerndoelen concreter en minder
wijdlopig te maken voor leraren, zodat het gevoel van overladenheid
beperkt wordt. Juist het onderwijs vraagt om focus: wat doe je nou wel
en wat doe je niet? We moeten juist aandacht hebben voor die
basisvaardigheden. Maar gaat dat hier dan ook wel voldoende gebeuren?
Wat gaat dit nieuwe curriculum nou precies doen met de hoeveelheid
onderwijstijd die er is voor bepaalde vakken? Kan de staatssecretaris
daar nog op ingaan? Is er nou al een implementatieplan, of wanneer komt
dat? Ik vraag me ook af — dat vroeg mevrouw Moorman ook al — in hoeverre
dit er nou toe leidt dat er heel veel nieuwe schoolboeken en methodes
zullen moeten worden ontwikkeld voor heel veel geld. Hoe zorg je er nou
voor dat dat allemaal betaalbaar blijft? Het is ook goed dat het aantal
kerndoelen, als uitwerking van een motie van mijn voormalig ambtsgenoot
Soepboer, is teruggedrongen. Daar is goed aan gewerkt. Daar wil JA21 ook
op blijven toezien.
Wij hebben er net als de heer Stoffer wel nog enige zorg over, eigenlijk
om drie redenen. Ten eerste: zoals ik ze lees, lijken die kerndoelen nog
altijd enigszins gebukt te gaan onder een in mijn ogen wat moeizaam
gezocht abstractieniveau; de heer Ergin zei dat ook al. Bij kerndoel 28
uit het leergebied Mens en Maatschappij voor het voortgezet onderwijs
staat bijvoorbeeld: "De leerling beschrijft de samenleving als een
sociaal systeem. Het gaat er daarbij om dat ze kunnen beschrijven welke
vormen van interactie tussen individuen, groepen en instituties de
samenleving in stand kunnen houden, of dat zij beschrijven hoe overheden
en instituties op verschillende schaalniveaus gericht zijn op het in
stand houden van de samenleving." Nou, ik vind dat best ingewikkeld. Ik
wil nu geen inhoudelijke discussie aangaan over al die kerndoelen, want
dit is niet het moment daarvoor; we zitten aan het einde van een slepend
traject. Maar het is vaak geformuleerd in een taal die ook bij mij heel
snel een gevoel van overladenheid oproept. Het valt me ook erg op dat er
dus een groot contrast lijkt te zijn tussen heel veel hooggestemde
kerndoelen en een stroom van steeds meer alarmerende berichten over het
dalende kennisniveau.
Ten tweede over de wijziging ten aanzien van het kunstonderwijs, waar de
SGP ook al vragen over had gesteld. Scholen moeten nu, als ik het goed
begrijp, minimaal drie van de vijf gebieden van muziek, beeldende kunst,
dans, theater en film aanbieden. Leidt dit niet toch tot een verzwaring
van de opdracht voor scholen? Ik vind het natuurlijk prachtig als
scholen tijd vinden voor danslessen of film, maar hoort dat nou in deze
wet te worden opgenomen als een verplichte kerntaak? Vreest de minister
niet dat dit scholen toch extra zal belasten?
Ten derde komen er nieuwe kerndoelen bij voor digitalisering en
burgerschap. Ook dat roept wel vragen bij ons op over in hoeverre dit
nou bijdraagt aan de focus die zo nodig is. Hoe zit het, vraag ik aan de
staatssecretaris, bijvoorbeeld met zijn "computationele
denkstrategieën"? Kerndoel 23 voor primair en voortgezet onderwijs is:
"De leerling programmeert een computerprogramma met behulp van
computationele denkstrategieën." Programmeren in codetaal is toch juist
iets wat nu door AI wordt overgenomen? De fractie van JA21 vreest toch
dat bij dit onderdeel van het curriculum weer het spook van
overladenheid de kop gaat opsteken. Kan de staatssecretaris daar nog op
ingaan? Zorgt het toevoegen van deze kerndoelen er nou voor dat scholen
veel meer moeten gaan doen? Zo ja, ten koste van wat gaat dat dan? Dat
is uiteindelijk steeds de vraag.
Dan de kerndoelen voor burgerschap. Die verplichting is natuurlijk op
zich goed. Het bleek ook dat Nederlandse scholieren op het gebied van
burgerschap laag scoren in vergelijking met internationale onderzoeken.
Maar ook de definitieve kerndoelen zoals we die nu hebben gelezen,
roepen vragen op. Die leggen volgens ons wel heel veel nadruk op wat
leerlingen moeten ervaren en wat hun competenties moeten zijn. De school
zou bijvoorbeeld een democratische oefenplaats moeten zijn. Leerlingen
moeten niet alleen leren over democratie en de bijbehorende regels
rondom inspraak en besluitvorming, maar ook ervaren dat ze daadwerkelijk
invloed kunnen hebben binnen het democratisch proces. Die oefenplaats
moet kinderen leren verbanden te leggen tussen motieven, kwaliteiten en
de wereld om hen heen.
Voorzitter. Het ervaren en de eigen mening vormen kunnen naar het
oordeel van de fractie van JA21 best nog even wachten. Er moet een
fundament van kennis worden gelegd. Dát is nu belangrijk. Wat zijn de
rechten en de plichten, de vrijheid en de verantwoordelijkheid van het
leven in onze democratische rechtsstaat? Wie dit document leest, krijgt
bijna de indruk dat burgerschap draait om pedagogische waarden en
respect voor diversiteit, alsof dat het allerbelangrijkste is. Het gaat
wat ons betreft ook echt om inhoudelijke kennis.
Er wordt dan wel gezegd dat dit raakt aan de vrijheid van onderwijs en
dat dit daarmee in conflict kan komen. De minister schrijft dat bij
sommige eisen wellicht spanning kan ontstaan met de specifieke
opvattingen die voortvloeien uit de richting van de school. JA21 ziet
het gevaar dat via bepaalde formuleringen en inzet op burgerschap toch
een specifieke ideologie wordt doorgevoerd. Tegelijkertijd zijn we daar
minder beducht voor, omdat burgerschap juist iets zou moeten zijn wat
ons allemaal bindt. Nederland is geen verzameling losse individuen en
geen verzameling losse gemeenschappen. We zijn een historisch gegroeide
cultuurgemeenschap, één gemeenschap van mensen met een gedeeld verleden
en een gedeelde toekomst, zoals ook historicus Ernest Renan dat
formuleerde in zijn beroemde essay Wat is een natie? Voor alle
duidelijkheid: dat is een geestelijk principe. Dat is in modern
taalgebruik heel inclusief; het heeft niets te maken met etniciteit,
maar het gaat om de gezamenlijke wil om samen te leven in dit stukje dat
wij als ons gemeenschappelijk thuis beschouwen.
Ik denk dat dit een belangrijk debat is. Wij komen nu natuurlijk een
beetje laat in dit hele traject, maar ik zou die discussie toch graag
verder willen voeren. Ik vraag ook aan de staatssecretaris, zoals mijn
ambtgenoot Armut al vroeg: hoe gaat de inspectie dit nou controleren?
JA21 zou liever zien dat er gezorgd wordt voor een herkenbare, zichtbare
toetsing van een aantal kenniseisen op het gebied van burgerschap. Hoe
ziet de staatssecretaris dit? Welke rol ziet hij daarbij voor het
College voor Toetsen en Examens en in het centraal examen?
Voorzitter. Het is wel van belang dat scholen nu snel aan de slag
kunnen. Wij vinden het als JA21 toch belangrijk dat de Tweede Kamer die
parlementaire betrokkenheid blijft behouden. We hebben kennisgenomen van
de argumenten, ook van de Raad van State, om die nahang uit de wet te
slopen. Maar wij vinden dat we als Tweede Kamer, als democratische
volksvertegenwoordiging, toch het laatste woord moeten hebben, juist ook
omdat de uitwerking van die kerndoelen nu in de wet is opgenomen en in
die AMvB terugkomt. Dat is niet omdat wij de professionals in de klas
voor de voeten willen lopen, maar omdat we gewoon toezicht willen kunnen
houden op de vraag of die focus op de kerntaken daadwerkelijk terugkomt
en op het risico dat die toch niet uit de verf komen. Daarom hebben wij
dat amendement ingediend om die voorhangprocedure te introduceren.
Ik zie dat ik over mijn tijd ben. Dan rest mij alleen nog om alle
scholen en met name alle docenten heel veel succes te wensen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw bijdrage. Voordat ik de heer Van Duijvenvoorde voor
zijn maidenspeech ga uitnodigen, ga ik alvast aan een beetje
verwachtingsmanagement doen. Ik ga na de laatste spreker voor een uur
schorsen. We gaan vanavond vroeg dineren. De staatssecretaris heeft een
uur nodig om te kunnen eten, maar vooral om te kunnen appreciëren.
Daarna kunnen wij voortvarend verder met dit debat.
Dan nodig ik nu heel graag de heer Van Duijvenvoorde van de fractie van
Forum voor Democratie uit voor zijn maidenspeech. Ook dit zal een
heugelijk moment zijn, dus ik wens u daar veel plezier bij. De heer Van
Duijvenvoorde heeft aangegeven niet geïnterrumpeerd te willen worden,
dus dat zal ik ook deze keer niet toestaan. Gaat uw gang.
De heer Van Duijvenvoorde (FVD):
Dank je wel, voorzitter. Vandaag behandelen we een belangrijk onderdeel
van het onderwijsbeleid: de kerndoelen, de vraag wie erover gaat en hoe
we bepalen wat kinderen in Nederland moeten leren.
Tegelijkertijd is dit mijn eerste bijdrage in dit huis. Meestal vertelt
men dan iets persoonlijks, maar ik wil dat vandaag eigenlijk via een
idee doen. Simone de Beauvoir leerde ons immers al dat het politieke
persoonlijk is en het persoonlijke politiek. Ik doe dat via een gedachte
die voor mij de kern raakt van wat onderwijs is. Ook omdat ik besef dat
de toekomst zal bestaan uit debatten over percentages, artikelen en
technische details, wil ik één keer met mijn filosofische achtergrond
een politiek-theoretisch punt maken, nu het nog kan.
Om dat te doen, beginnen we bij het begin, namelijk bij de eerste school
van het Westen: Plato en de Academie van Athene. Plato heeft vele
gezichten. Voor de een is hij totalitair, voor de ander is hij een
briljant denker over staatsinrichting. De echte interessante Plato,
echter, wordt veelal buiten beschouwing gelaten, namelijk de filosoof
die een diep gevoel had voor de transcendentie, de onkenbaarheid van het
ware, het goede en het schone. Of hij dat bewust heeft gedaan of
intuïtief aanvoelde, is niet belangrijk. Van belang is dat hij begreep
dat juist deze drie elementen, waarheid, goedheid en schoonheid, ten
diepste onkenbaar moesten zijn voor de menselijke vrijheid en daarmee
dus, zeg ik met de moderne bril, voor de liberale democratie.
Deze drie thema's bepalen ons hele leven. Staatsinrichting, samenleving
en het persoonlijke leven: steeds weer gaat het over wat waar is, wat
goed is en wat schoon is. Ook als we over onderwijs spreken, spreken we
precies over deze vragen. Wat is waarheid? Hoe leer je denken? Hoe
herken je het goede? Hoe leef je een goed leven? Wat is een goede daad?
Wat is een slechte daad? Wat is het schone?
Wat deze drie fenomenen in wezen zijn, blijft echter voor Plato ook een
mysterie. Wij kunnen redeneren, zoeken en proberen te begrijpen, maar of
waarheid zich openbaart of het goede zichtbaar wordt, soms misschien
even onverwachts: het is een type kennis dat we niet kunnen afdwingen,
niet door een staat, niet door een curriculum, noch door een instituut.
Zie het als een restauranthouder: hij kan de tafels buiten zetten, hij
kan de stoelen klaarzetten, de kaarsjes branden, een menu ophangen, maar
of de klanten komen, of ze bij hem komen eten, dat is niet aan hem.
Daarop moet hij wachten.
Zo is dat ook gek genoeg met de fundamentele kennis van de drie
elementen waar ik het de hele tijd over heb. Plato is eigenlijk een heel
nederige filosoof en dat is ook noodzakelijk, want zodra iemand zegt
"dit is de waarheid, dit is de goede burger, dit is het juiste" ontstaat
de verleiding om dat inzicht als een instrument van macht te gebruiken.
En precies daar begint de relevantie voor het debat van vandaag.
Voorzitter. Wie de stukken leest, ziet dat dit wetsvoorstel geen
marginale technische wijziging is, maar een structurele herschikking van
invloed in het onderwijs. De kerndoelen blijven technisch gezien via een
AMvB worden vastgesteld, maar de ruimte voor de minister wordt groter en
de invloed van de Kamer wordt kleiner, vooral doordat de nahangprocedure
vervalt. Helaas is het amendement daaromtrent ingetrokken, maar de
vormprocedure zullen we wel gaan steunen. Ook een probleem is dat de
professionele ruimte van docenten kleiner wordt. Die wordt niet groter,
want zij krijgen minder invloed op de inhoud en hebben geen zeggenschap
over het aantal kerndoelen of de mate van concreetheid ervan. Er
ontstaat één centraal zwaartepunt dat periodiek, gecoördineerd en
vrijwel zelfstandig de inhoud van het onderwijs blijft herzien.
Vooral bij burgerschap krijgt het Rijk een substantiële inhoudelijke
rol. De wet biedt ruimte om normen, waarden en respectvolle houdingen
centraal te gaan definiëren. Dat is meer dan kwaliteitsborging, dat is
inhoudelijke sturing. Dit alles betekent minder pluraliteit, minder
Kamerinvloed, minder docentautonomie en meer centralisatie. Het is een
beweging weg van het brede veld naar één centrum, precies het risico
waar Plato al voor waarschuwde wanneer de definitie van het ware, het
goede en het schone te sterk wordt geconcentreerd.
Voorzitter. Dit is ook wat Socrates bedoelt wanneer hij zegt: ik weet
één ding en dat is dat ik niets weet. De gehele geschiedenis hebben we
gedacht dat dat een uitspraak was over kennis en over wat we kunnen
kennen, maar eigenlijk is het een heel ander type uitspraak, namelijk
een existentiële. Socrates zegt "ik weet één ding en dat is dat ik niets
weet" en daarmee zegt hij: ik ben een vrij mens.
En waarom is dat nou zo? Plato beseft dat als je stelt dat het ware, het
goede en het schone kenbaar zijn, ze al gauw een instrument kunnen
worden voor de macht. Geschiedenis en heden laten zien dat het
mechanisme altijd weer terugkeert in ideologieën en utopieën, in
systemen die te zeker zijn van zichzelf. Doordat we fundamenteel niet
weten wat deze drie elementen zijn, is de mens vrij. Precies om die
reden vormen onze moderne instituties, wetenschap, rechtsstaat en
universiteit, geen pantheons van zekerheden, maar systemen die juist
gebouwd zijn op twijfel.
Voorzitter. Dit is geen abstracte meditatie, want onze moderne
instellingen, onderwijs, wetenschap en rechtsstaat, zijn precies gebouwd
op dit besef van de onkenbaarheid. De wetenschap bijvoorbeeld leeft bij
de gratie van twijfel aan zichzelf. Wetenschap begint niet bij
zekerheid, maar bij de vraag: waarom klopt mijn theorie waarschijnlijk
niet? Daarom is het idee van "trusted science", wetenschap als
autoriteit en als dogmatisch bastion, in wezen antiwetenschappelijk.
Echte wetenschap is het institutionaliseren van wantrouwen. Iedere
hypothese is voorlopig, iedere waarheid is voorwaardelijk. Denk
bijvoorbeeld aan John Ostrom, de paleontoloog die in de jaren zeventig
durfde te zeggen: waren dinosaurussen geen gevederde dieren? Hij werd
belachelijk gemaakt en hij werd uitgelachen, totdat twintig jaar later
bleek dat hij gelijk had. Dinosaurussen leken meer op vogels dan op
krokodillen.
Dat is precies de kracht van de wetenschap: dat zij niet het monopolie
op waarheid claimt of probeert te claimen. Zo geldt het ook voor de
rechtsstaat. Na de Tweede Wereldoorlog werd pijnlijk zichtbaar dat recht
zonder een vorm van verankering in iets buiten zichzelf, in een notie
van rechtvaardigheid, kwetsbaar kan worden voor misbruik. Een systeem
kan formeel perfect zijn en toch onrechtvaardig. Duitsland had tijdens
het naziregime wetten, regels en procedures. Je kon misdaden plegen en
toch volgens het recht handelen. Daarom hebben moderne staten het recht
gekoppeld aan een idee van rechtvaardigheid dat buiten het recht zelf
ligt. Het gevaar is echter dat we dat goede wel zijn gaan invullen.
Algauw bestaat er dan zoiets als prorechtsstatelijk of
antirechtsstatelijk, terwijl de vraag wat het goede is, wat
rechtvaardigheid is, altijd onderwerp is van een politieke discussie.
Wat rechtvaardigheid is, zal namelijk nooit écht ingevuld kunnen worden.
De uitdaging is niet om dat conflict op te heffen, maar om te handhaven.
De Franse politieke denker Rosanvallon stelt dat democratie het
institutionaliseren, niet het externaliseren, van wantrouwen is.
Voorzitter. Daarmee kom ik met een omweg bij de kern van het debat van
vandaag: onderwijs hoort bij dezelfde familie van instituties als
wetenschap en rechtsstaat. Ook daar gaat het om zoeken, toetsen,
twijfelen, groeien. Het is een ruimte waar kinderen leren omgaan met
complexiteit, met het verschil tussen feit en mening en tussen goed en
kwaad, en vooral met de gedachte dat geen van deze dingen eenvoudig is.
Onderwijs kan er alleen zijn wanneer het geen doctrinaire ruimte wordt,
geen instrument van één waarheid, één definitie van burgerschap of één
morele blauwdruk die van bovenaf wordt vastgesteld. Als je het ware of
het goede definieert in één centrum en kinderen verplicht die definitie
te leren, raak je namelijk precies het hart van de vrijheid kwijt: de
erkenning dat niemand altijd exact kan weten wat waar of goed is en dat
dit altijd onderwerp blijft van debat.
Voorzitter. In de voorstellen die we vandaag bespreken, zien wij een
beweging naar centralisering van kerndoelen. De macht verschuift wederom
weg van de Kamer, de ouders, de samenleving en de docenten, en wordt zo
geconcentreerd in één orgaan dat bepaalt wat kinderen zouden moeten
leren en dus indirect wat waar en goed is en wat een goede burger zou
zijn. Dat is geen administratieve beweging. Het is, nogmaals, een
technocratische modernisering. Het is een conceptuele verschuiving van
pluraliteit naar één centrum, van twijfel naar doctrine, van ruimte naar
een vastomlijnd kader. Het gevaar ligt op de loer dat we nu precies doen
wat Plato ons afraadt: het toe-eigenen van wat waar, goed en schoon zou
zijn door een kleine groep. Die kleine groep zou dat vervolgens aan
scholen kunnen opleggen.
Neem burgerschap. Wat is een goede burger? Dat is geen vraag met één
antwoord. GroenLinks-PvdA, VVD, CDA, FVD: we hebben allemaal andere
interpretaties van wat een goede burger is. Dat is legitiem, dat is
politiek, dat is pluralisme, dat is waar het spannend wordt. Maar als
één orgaan de kerndoelen schrijft, zou één opvatting van burgerschap
domineren. Ik ben het eens met JA21 dat een idee van burgerschap
noodzakelijk is — dat maakt de samenleving mogelijk — maar hoe kun je de
veelvoudigheid van het burgerschap vasthouden en tegelijkertijd lessen
in burgerschap vormgeven? Dat is volgens mij de echte uitdaging.
Voorzitter. Dit betekent niet dat wij tegen leerdoelen,
kwaliteitsborging of structuren zijn. Het is allemaal nodig. Denk aan
schrijven, rekenen en taal. Het is goed dat we daar eindelijk echt zaak
mee maken. Maar wij zijn wel van mening dat de macht over de basis van
het onderwijs gespreid moet blijven. Ons uitgangspunt is: vertrouw de
docent, laat de Kamer invloed houden en laat de samenleving
pluralistisch blijven. De Staat moet het minimum bewaken en nooit het
maximum bepalen.
Voorzitter. Laat ik afsluiten waarmee ik begon. Ik sta hier niet omdat
ik denk dat ik de waarheid bezit. Integendeel, ik sta hier omdat ik
geloof dat een vrije samenleving ontstaat vanuit het besef dat niemand
hier dat doet. We hebben elkaar nodig om dichter bij dat inzicht te
komen. Dat is de kern van de liberale democratie, waarin vrijheid
centraal staat. Nogmaals, ik weet één ding, namelijk dat ik niets weet.
Dat klinkt eenvoudig, maar het is de wortel van de vrijheid. Het is de
erkenning dat de ander iets kan zien wat ik niet zie, dat een docent
iets weet wat geen ministerie weet, dat een kind soms iets begrijpt
voordat wij het überhaupt begrijpen. Laten we onderwijs dus niet
gebruiken om één visie op waarheid of burgerschap op te leggen, maar om
kinderen te leren zoeken, twijfelen en denken. Daarom stel ik, in
navolging van andere woordvoerders, de vraag aan de staatssecretaris hoe
die de autonomie en professionaliteit van de docent kan waarborgen. Ook
horen wij graag — dat vraag ik ook in navolging van andere woordvoerders
— hoe artikel 1 en artikel 23 zich tot elkaar verhouden in de praktijk
van kerndoelen, juist omdat er tussen grondrechten geen hiërarchie
bestaat.
Tot slot — dat is sneller dan ik had verwacht — wil ik het volgende
zeggen. Het is een eer om mijn maidenspeech hier te hebben mogen geven.
Ik beloof mijn ambtsgenoten en de voorzitter dat al het filosofische
kruit nu verschoten is. Het volgende debat zal ik alleen nog maar
wetsartikelen en percentages aanhalen.
Dank jullie wel.
(Geroffel op de bankjes)
De voorzitter:
Dank u wel. Ik wil u hartelijk danken voor uw bevlogen maidenspeech. Ik
geef nu de gelegenheid voor felicitaties van uw eigen fractie en de
andere collega's. Ik schors tot 18.00 uur. Dan zie ik u graag terug in
de plenaire zaal. Nogmaals van harte.
De vergadering wordt van 17.00 uur tot 18.01 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de Wet herziening wettelijke
grondslagen kerndoelen. Ik heet de leden van de Kamer en de
staatssecretaris wederom van harte welkom. We zijn toe aan de
beantwoording van de gestelde vragen, dus ik geef de staatssecretaris
graag het woord. Gaat uw gang.
Staatssecretaris Becking:
Dank u wel, voorzitter. Mooi om vandaag voor het eerst met deze Kamer in
gesprek te gaan. Ik feliciteer de nieuwe Kamerleden van harte met hun
maidenspeech en ik kijk uit naar een prettige samenwerking de komende
tijd. Goed onderwijs is belangrijk en speelt een grote rol in mijn leven
en in mijn familie. Ik ben zelf jarenlang werkzaam geweest in het
onderwijs: bij Nyenrode, bij de universiteit van Tilburg, bij Lucas
Onderwijs en bij De Haagse Hogeschool. Mijn vader was 40 jaar directeur
van een basisschool, mijn schoonouders stonden allebei voor de klas en
mijn kinderen zijn te vinden in de school- en de studiebanken. Er is dus
ook voor mij een sterke drijfveer voor goed onderwijs, en dan wel goed
onderwijs voor iedereen.
Een heldere opdracht aan scholen is voor goed onderwijs essentieel.
Afgelopen vrijdag is daarin een mijlpaal bereikt met het opleveren van
de kerndoelen voor een nieuw curriculum voor de scholen in Nederland. Ik
wil van de gelegenheid gebruikmaken om SLO en alle docenten,
schoolleiders en experts die hieraan hebben gewerkt hartelijk te
bedanken. Er ligt nu een ambitieus, concreet en actueel curriculum
klaar, dat we hard nodig hebben om de resultaten te verbeteren en het
tij te keren. Uw Kamer heeft daar uitgebreid over gesproken. Het is
ambitieus omdat het nieuwe curriculum de focus legt op de
basisvaardigheden, zodat alle leerlingen, ongeacht hun thuissituatie,
goed leren lezen, schrijven en rekenen. Het is concreter omdat de nieuwe
kerndoelen duidelijker zijn over wat echt moet. Dit gaat overladenheid
tegen. Zo kan de leraar beter keuzes maken in wat wel en wat niet moet.
En het is actueel omdat de huidige kerndoelen stammen uit 2006 en
actuele inhoud, zoals burgerschap en digitale geletterdheid, missen. Dat
zijn zaken die vandaag de dag onmisbaar zijn voor leerlingen om zich in
de samenleving te kunnen redden.
Het is nu onze grote opgave om te zorgen dat dit nieuwe curriculum
daadwerkelijk wordt ingevoerd en ook daadwerkelijk leidt tot beter
onderwijs. Met dit wetsvoorstel kunnen we daar vandaag een grote eerste
stap in zetten, namelijk het regelen van de juridische grondslag om die
kerndoelen vast te leggen in wet- en regelgeving. Het wetsvoorstel legt
daar de basis voor. Het is het noodzakelijke juridische fundament waar
al zo lang aan is gewerkt door zo veel mensen. We kunnen dit nu gaan
vaststellen. Het is een mijlpaal om dit vandaag met u te kunnen
bespreken.
In essentie regelt dit wetsvoorstel drie dingen: meer expliciete
aandacht voor de basisvaardigheden over de breedte van het hele
curriculum, het aanpassen van de kerndoeldefinitie zodat er concrete
uitwerkingen kunnen worden vastgesteld voor meer houvast en meer
richting, en, ten derde, het toevoegen van actuele onderwerpen aan het
onderwijs, namelijk burgerschap, digitale geletterdheid en ook
Nederlandse Gebarentaal. Met dit voorstel maken we dus ambitieus,
concreet en actueel onderwijs mogelijk. We regelen met dit voorstel niet
de inhoud van die kerndoelen.
Voorzitter. Dit blokje ging over het wetsvoorstel. Ik heb hierna nog de
volgende blokjes: een blokje over de vragen, een blokje over periodiek
onderhoud, een blokje overig en een blokje over de amendementen.
De heer Stoffer vraagt of we deze wettelijke bepalingen nodig hebben om
de resultaten op de basisvaardigheden daadwerkelijk te verbeteren. Met
het wettelijk verankeren van de focus op lezen, schrijven en rekenen
maakt de wetgever het belang van de ontwikkelingen van deze vaardigheden
voor onze leerlingen kristalhelder. Het is een opdracht aan de regering
om ervoor te zorgen dat deze vaardigheden in voldoende mate in de
verschillende leergebieden aan bod komen. In de vernieuwde kerndoelen is
daar ook sprake van. Echter, wetgeving alleen is natuurlijk niet
voldoende. Daarom wordt ook ingezet, met het Masterplan
basisvaardigheden, op het versterken van het onderwijs in deze
vaardigheden. Ik ben ervan overtuigd dat we met deze focus, met de
nieuwe kerndoelen en met de inzet van alle gedreven professionals, van
wie ik er de afgelopen weken veel heb ontmoet, en alle mensen uit het
veld en de deskundigen, echt het tij kunnen keren en ervoor kunnen
zorgen dat we beter gaan leren lezen, schrijven en rekenen.
De heer Stoffer vroeg ook naar het risico dat de nadruk op schrijven,
lezen en rekenen de brede vorming van leerlingen onder druk kan zetten.
Dat hoeft niet tot verschraling te leiden, want juist ook andere vakken
bieden een mooie en rijke context om de basisvaardigheden te oefenen.
Het is ook het idee dat je ook in de andere vakken gebruikmaakt van
lezen, schrijven en rekenen. Er hoeft ook niet minder aandacht uit te
gaan naar andere vakken, want het gaat juist om het integreren ervan in
de volle breedte van alle vakken. De focus op die vaardigheden is wel
noodzakelijk, omdat — uw Kamer zei het al — uit verschillende
onderzoeken blijkt dat het niet goed gaat met de leerlingenprestaties op
het gebied van lezen, schrijven en rekenen. Dat is problematisch, zeker
ook omdat die vaardigheden essentieel zijn om andere vakgebieden en
onderwerpen te kunnen aanleren. Je hebt die vaardigheden nodig om de
andere vakken goed te leren beheersen, zoals bijvoorbeeld
aardrijkskunde, biologie of geschiedenis. Daarom zet ik zo in op de
verbetering van juist die basisvaardigheden.
De heer Stoffer vroeg of mondelinge taalvaardigheid dan minder
belangrijk zou zijn dan lezen en schrijven. Lezen, schrijven en rekenen
zijn cruciale vaardigheden voor leerlingen om mee te kunnen doen op
school, in hun vervolgopleiding en in de maatschappij. Het zijn
natuurlijk bij uitstek vaardigheden die kinderen op school leren. Daarin
zien wij een dalende trend, vandaar ook de focus daarop. Maar dat neemt
niet weg dat mondelinge taalvaardigheid uiteraard ook van groot belang
is. Ook die komt terug in het nieuwe curriculum.
De heer Ceder vroeg hoe we ervoor zorgen dat kwalificatie, socialisatie
en persoonsvorming aan bod komen in onderwijswetgeving en -beleid. Met
het wetsvoorstel wordt geen wijziging aangebracht aan de brede opdracht
in het onderwijs om leerlingen voor te bereiden op deelname aan onze
maatschappij. Die drie elementen zijn allemaal van belang en zijn dus
ook door SLO als uitgangspunt genomen bij de verdere ontwikkeling van
die kerndoelen. Met de vernieuwde kerndoelen borgen we dus ook dat
leerlingen een brede basis meekrijgen van kennis, inzicht en
vaardigheden. Dat blijft ook het uitgangspunt bij andere wetgeving en
ander beleid.
De heer Stoffer hoort ook graag waarom wij gegronde hoop hebben dat dit
daadwerkelijk gaat bijdragen aan meer richting en houvast. Ik zei het
al: we leggen hiermee de juridische basis. We werken met concrete
doelen. Die geven richting aan het onderwijsveld. Doordat je heel
duidelijk bent over wat er echt moet, weten leraren natuurlijk ook veel
beter wat er níét hoeft. Het is dus heel concreet en duidelijk. Leraren
worden daarin ook geschoold en getraind. Er zijn allemaal bijeenkomsten
over. Door heel duidelijk te zijn over wat er echt moet, is het ook
duidelijk wat er niet per se hoeft, gegeven de vrijheid die uiteraard
blijft bestaan.
De heer Ergin, van DENK, vroeg: is de exercitie voor meer duidelijkheid
in de kerndoelen wel geslaagd? Ja, want de nieuwe kerndoelen zijn
duidelijker en concreter. Ze maken duidelijk wat leerlingen moeten
kennen en kunnen. Zoals ik al zei, weten leraren daardoor ook waar ze
aan toe zijn. Er is veel steun vanuit het veld om dit te doen, ook
vanuit de leraren. Juist door die concreetheid en de ambitie die erin
zit, kan het op veel steun rekenen vanuit het veld. Dat heb ik ook
gezien in allerlei brieven die ik heb ontvangen. De kerndoelen zijn dus
bij de oplevering — u sprak er al over — uitgebreid getoetst in de fase
van beproeven, door vele honderden leraren.
De heer Stoffer vroeg of de kerndoelen zodanig zijn uitgewerkt dat
scholen er ook een programma van kunnen maken. Ze zijn een stuk
concreter, maar er is ook nog ruimte voor verschillende uitwerkingen.
Scholen hebben de ruimte om hun programma aan te laten sluiten bij de
behoeftes van hun leerlingen en bij hun schoolvisie. Het heeft ook met
je schoolpopulatie en met jouw eigen voorkeuren te maken. Daar kun je
dus ook zelf helemaal vorm aan geven vanuit de ruimte die daarvoor
blijft. Schoolleiders kunnen met hun teams in gesprek gaan. "Hoe willen
we dat invullen? Waar willen we accenten leggen? Waar willen we extra
dingen doen? Wat past bij onze leerlingpopulatie?" Scholen en leraren
die meer richting willen geven of krijgen, kunnen daarbij gebruikmaken
van de zogenaamde "leerlijnen" van SLO.
Mevrouw Van der Plas vraagt hoe wordt voorkomen dat uitwerkingen Haagse
uniformiteit opleggen. Ik zei het net ook al een beetje. De nieuwe
kerndoelen zijn door de uitwerkingen een stuk concreter en ambitieuzer
dan de huidige kerndoelen, maar er is nog steeds veel ruimte voor eigen
invulling door de school. Het gaat namelijk om doelen die aan het eind
van groep 8 of de onderbouw van het voortgezet onderwijs behaald moeten
worden. In die zin zijn het ook einddoelen: wel de kern, maar het gaat
om het resultaat aan het eind van groep 8 of de onderbouw. Op grond
daarvan moeten scholen zelf een samenhangend en doelgericht programma
maken, maar er is dus een hoop ruimte voor maatwerk.
Mevrouw Armut, CDA, en mevrouw Van der Plas, BBB, vragen: hoe waarborgt
u dat het vakmanschap van de leraren niet te veel wordt beperkt? Dat is
een hele goede vraag. De kerndoelen zijn een stuk concreter geworden,
maar er is ook veel ruimte voor invulling door leraren. Die bepalen hóé
ze die kerndoelen gaan onderwijzen. Welke didactiek gebruik je, welke
pedagogiek, welke leermiddelen zet je in, waar leg je accenten? Het is
echt aan de leraren en de schoolleiders om daar zelf invulling aan te
geven. In het hoe is er vrije ruimte voor iedereen. Ik denk dat er zo
een goede balans is tussen richting geven en voldoende ruimte houden in
de klas.
Stoffer en Boomsma vroegen naar overladenheid: draagt het wetsvoorstel
niet juist bij aan overladenheid en wat moeten scholen minder doen? Ik
denk dat het voorstel juist bijdraagt aan het terugdringen van die
overladenheid, omdat de huidige kerndoelen te vaag zijn. Kijk
bijvoorbeeld naar een vak als geschiedenis. Er werd al over gesproken:
leerlingen moeten volgens de huidige kerndoelen kennis hebben van de
Tweede Wereldoorlog. Maar ja, wat is dat dan precies? Het kunnen 50
begrippen zijn, maar het kunnen er ook 500 zijn. Uit angst om
onderwerpen te missen, voegen leermiddelenmakers, die dus het materiaal
ontwerpen en ontwikkelen, vaak dan maar eerder 500 dan 50 begrippen toe.
Dan heb je dus een overladen curriculum en overspannen leraren. Met dit
wetsvoorstel maken we het mogelijk dat er concrete doelen kunnen worden
vastgesteld, zodat scholen weten wat leerlingen wel echt moeten kennen.
Scholen kunnen ook makkelijker nee zeggen — daar is ook naar gevraagd —
tegen partijen die vanuit de commercie werken. Je hebt vanuit school
veel meer te zeggen over wat jij wel en niet wil gebruiken.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Een vraag over die overladenheid. Het moet zich altijd een beetje
bewegen tussen ruimte en regels. Maak het niet te strikt, want dan moet
je het allemaal volgen. Maar geef ook niet te veel ruimte, want dan weet
je niet meer wat je moet doen. Die kerndoelen leiden natuurlijk wel tot
nieuwe leermiddelen. Leraren moeten zich daar weer in scholen, maar
krijgen eigenlijk heel beperkt ruimte om dat daadwerkelijk te doen.
Leidt het dan niet tot overladenheid dat ze te weinig tijd krijgen om
zich dit eigen te maken?
Staatssecretaris Becking:
Er is ook een hoop ruimte om het zelf te gaan vormgeven. Je kunt kiezen
uit die leermiddelen, maar je hebt ook de ruimte om daar zelf vorm aan
te geven. Ik denk dat de kracht er ook in zit dat er met het veld, met
leraren en met experts, uitgebreid aan gewerkt is en dat zij zelf
zeggen: dit is nou precies waar we echt een grote stap mee naar voren
zetten. Ze voelen ook nog voldoende ruimte, want hoe je dat onderwijs
gaat inrichten, is aan jou als leraar.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Dit is precies mijn punt. Leraren krijgen nu zestien uur per jaar om dat
vervolgens te gaan doen. Dat lijkt mij zeer beperkt. Hoe goed die
leerdoelen en die kerndoelen ook kunnen zijn, alsnog leidt het ertoe dat
je je daar wel goed op moet voorbereiden. Mijn punt zit niet zozeer op
de inhoud van die kerndoelen, maar veel meer op de implementatie. Hoe
gaan we monitoren of daardoor niet juist overladenheid ontstaat?
Staatssecretaris Becking:
Er is ruimte voor professionele scholing. Dat is voor de een misschien
niet genoeg en voor de ander misschien wel. Tegelijkertijd is het het
dagelijks werk van leraren om hun onderwijs vorm te geven. "Hoe ga ik
mijn lessen het komend jaar inrichten? Hoe ga ik dat deze maand doen?
Hoe ga ik dat morgen doen?" De professionaliteit en de autonomie van
leraren staan hier voorop. Zij geven daar nu natuurlijk ook zelf vorm
aan.
De voorzitter:
Afrondend, mevrouw Moorman.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Mijn laatste interruptie. Dank u, voorzitter. Ik heb ook zeer veel
vertrouwen in onze leraren en ik vind ook dat we ze daar de ruimte voor
moeten geven. Tegelijkertijd zien we een groot lerarentekort en zien we
veel leraren uit het onderwijs gaan, juist vanwege de overladenheid. Ik
vraag aan de staatssecretaris of hij zou willen monitoren wat het effect
is op de druk op leraren van het implementeren van deze kerndoelen en
deze nieuwe wet, en of hij daarover aan de Kamer zou willen
rapporteren.
Staatssecretaris Becking:
Ik begrijp de vraag. Ik denk dat we kunnen kijken hoe we dat een plek
kunnen geven, ook in de voortgang hierover. Dat kan.
De heer Boomsma (JA21):
Dat lijkt me een heel goed idee. Ik kom natuurlijk relatief laat aan in
deze discussie, maar ik kan het ook gewoon niet helemaal volgen. De
staatssecretaris zegt dat het leidt tot een gevoel van overladenheid als
een kerndoel is dat leerlingen moeten leren over de Tweede Wereldoorlog.
Dat lijkt mij juist een vrij heldere opdracht, dat je wat moet leren
over de Tweede Wereldoorlog, die leraren vervolgens zelf kunnen
invullen. Dus in hoeverre is dat nou waar het gevoel van overladenheid
uit voortkomt? Of is dat dan toch iets anders, bijvoorbeeld dat daar
meer aan wordt toegekend via de exameneisen of op andere manieren?
Staatssecretaris Becking:
Ik denk dat het een combinatie is van vele dingen die tot dat gevoel van
overladenheid leiden. Het gaat juist om dat ambitieus zijn. Je wilt iets
bereiken en je wilt daar concreet over zijn. Die concreetheid leidt tot
heldere doelen, zoals ik net heb betoogd, die concreter zijn
vormgegeven, en leidt ertoe dat je weet wat je in je onderwijs een plek
geeft. Nogmaals, hoe je dat doet, is dan aan jou.
De heer Boomsma (JA21):
Ik kan me voorstellen dat het leraren meer handvatten biedt als nader
wordt ingevuld wat je dan moet leren over de Tweede Wereldoorlog. Maar
als ik in de nu voorgestelde nieuwe kerndoelen kijk, dan zie ik dat
eigenlijk niet. Dan zie ik juist dat het nog abstracter is geformuleerd.
Er staat nu over de Tweede Wereldoorlog: leerlingen moeten leren over
historische ervaringen en dan beschrijven hoe de Tweede Wereldoorlog en
kolonialisme kunnen doorwerken in het heden. Dat lijkt mij juist veel
minder concreet.
Staatssecretaris Becking:
Die casuïstiek ken ik niet helemaal. Ik heb bijvoorbeeld die van
Nederlands gezien. Daar wordt veel duidelijker vormgegeven wat dan het
leerdoel is. Wat is uiteindelijk het kerndoel voor Nederlands? Wat is
uiteindelijk het kerndoel voor geschiedenis? Hoe je dat dan vormgeeft,
waar je dan je accenten legt, dat is helemaal aan jou natuurlijk. Het
gaat om het uiteindelijke resultaat na al die jaren leren waar we dan
uiteindelijk op toetsen.
De voorzitter:
Afrondend.
De heer Boomsma (JA21):
Het lijkt me sowieso dan goed om heel goed te blijven monitoren hoe dat
zich nu gaat ontwikkelen, hoe leraren die overladenheid of het gevoel
daarvan ervaren en hoe dat verdergaat. Dan zien we inderdaad graag een
verdere uitwerking van hoe de staatssecretaris dat in de gaten gaat
houden.
De voorzitter:
Gaat u verder.
Staatssecretaris Becking:
Dank u wel. De vraag van Stoffer en Van der Plas over de vrije ruimte
sluit aan op wat we net bespraken. Er is dus rekening mee gehouden dat
de kerndoelen 70% van de onderwijstijd dekken. Dat betekent dus ook dat
30% van de onderwijstijd vrije ruimte is om het onderwijs naar eigen
inzicht in te richten op basis — dat heb ik net ook al gezegd — van de
schooleigen visie, de populatie en de regio. Daar is veel ruimte voor.
Dat is dus ook ruimte voor streektalen, zeg tegen mevrouw Van der Plas.
Ik ben het niet eens met de heer Stoffer, die zegt dat er met deze
kerndoelen geen ruimte overblijft. Dat is ook echt gecheckt. SLO heeft
dat gecheckt bij 200 scholen. Ik hou uiteraard de vinger aan de pols of
dit ook allemaal uitvoerbaar is voor scholen. Daar heb ik net het een en
ander over gezegd naar aanleiding van de vragen van de Kamer. Ook die
30% vrije ruimte moet natuurlijk op niveau zijn. Dat spreekt, denk ik,
voor zich. Ook dat is iets waar de inspectie scholen op aan kan
aanspreken, dus op de volle 100%.
De heer Ceder vroeg hoe het proces gelopen is rond het ontwikkelen van
de kerndoelen en de keuzes, zoals bijvoorbeeld de aandacht voor
duurzaamheid. De vakvernieuwingscommissies is gevraagd om kerndoelen te
ontwikkelen met daarbij een richtlijn voor de onderwijstijd. Dat
betekent — u voelt 'm al aankomen — dat er keuzes moeten worden gemaakt.
Die keuzes zijn afgestemd met een heel breed samengestelde advieskring.
Daar zitten ook alle vakverenigingen in, die hun achterbannen weer
hebben geraadpleegd. Dat is een van de redenen waarom alles wat langer
duurt, natuurlijk. Daarna zijn die kerndoelen uitgeprobeerd bij 100
scholen van allerlei verschillende richtingen. Die keuzes doen dan soms
pijn, maar je kunt ook niet alles behandelen, want dan krijg je weer dat
hele verhaal over overladenheid. Ik denk dat het hele goede nieuws is
dat er heel veel draagvlak is voor wat er nu wél is geregeld.
Wat betreft specifiek duurzaamheid is het, denk ik, goed om te zeggen
dat die in z'n algemeenheid wel een veel steviger plek heeft gekregen in
de kerndoelen in de volle breedte. Dan kom ik weer bij het punt dat het
scholen ook nog weer vrijstaat om kerndoelen in hun "vrije ruimte", om
het zo maar te zeggen, in de manier waarop ze die vormgeven, extra
aandacht te geven.
Mevrouw Moorman vroeg of de toezegging aan mevrouw Westerveld is
opgevolgd. Zijn organisaties, leraren en wetenschappers betrokken? U
voelt 'm al aankomen, denk ik. Die hebben we inderdaad opgevolgd. De
vakvernieuwingscommissie heeft die kerndoelen ontwikkeld. Daar zaten
leraren, experts en wetenschappers in. Die werden geadviseerd door een
advieskring van verenigingen, vakexperts en wetenschappers. Die stemden
dat weer af met hun achterban, bijvoorbeeld Duurzame PABO en Leren voor
Morgen. Die commissies hebben daarom keuzes moeten maken.
Mevrouw de voorzitter. Ik kreeg van een aantal partijen de vraag hoe het
zit met de kunstdisciplines: nemen die nu toe of af? Ik denk dat het
goed is om daar even wat meer over te zeggen. Het belangrijkste is nu
dat ik u wil meegeven dat we met dit wetsvoorstel geen verzwaring of
verlichting aanbrengen in de kunstdisciplines. Het blijft dus gelijk.
Het wetsvoorstel bevat een harmonisatie van de onderwijsbegrippen van
het p.o. en het vo, omdat dat nu nog te onduidelijk is. Op dit moment
spreekt de wetgeving in het primair onderwijs over
"expressieactiviteiten". In de kerndoelen voor het primair onderwijs
wordt dit uitgewerkt in kunstzinnige oriëntatie. Daarbij worden twee
disciplines specifiek benoemd: muziek en beeldend. In het vo spreekt de
wetgeving nu over "aspecten van beeldende vormgeving, muziek, dans en
drama". Maar welke aspecten en hoeveel? De kerndoelen in het voortgezet
onderwijs zijn daar iets duidelijker over. Leerlingen moeten leren
luisteren naar muziek, leren kijken naar beeldend en leren kijken of
luisteren naar film, theater of dans. Ik ga daar nog even iets meer over
zeggen. Dat is de "twee plus één"-structuur. Dat is dus verplicht
beeldend en muziek, en de keuze uit overige disciplines. Dat is dus twee
plus één. Die structuur houden we in stand en harmoniseren we met het
primair onderwijs om die onduidelijkheden weg te nemen. In de huidige
situatie was soms niet helemaal bekend wat de structuur was. Dan voelt
het als een versmalling, maar dat is het dus niet. Dat is dan een
vervelende boodschap, maar het verplichten van alle vijf de
kunstdisciplines voor alle scholen is feitelijk gezien een verzwaring
van de wettelijke opdracht die er al was. Daar heeft de SGP ons terecht
bij een schriftelijke vraag op gewezen. Daarom ben ik met een nota van
wijziging gekomen, namelijk om te voorkomen dat er nog meer
verplichtingen bij de school terechtkomen. We borgen tegelijkertijd dat
leerlingen op school in aanraking komen met verschillende
kunstdisciplines.
Mevrouw Moorman vroeg of er voldoende aandacht is voor de seksuele
weerbaarheid en het voorkomen van seksueel geweld. Valt dit onder het
onderdeel gezond gedrag dat de SGP per amendement wil schrappen? In de
conceptkerndoelen van de verschillende leergebieden is er meer concrete
aandacht voor relationele en seksuele vorming en dus ook voor seksuele
weerbaarheid. Het gaat onder andere over een respectvolle omgang met
elkaar, sociaal-emotionele ontwikkeling, het respectvol leren omgaan met
seksualiteit en het bespreekbaar maken van wensen en grenzen.
Relationele en seksuele vorming valt inderdaad deels onder gezond
gedrag.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Daar ben ik blij mee. Dat is voor ons een reden om het amendement van de
SGP in ieder geval niet te steunen, want het lijkt ons wel heel erg
belangrijk. Maar toch nog even terug naar dat punt over die
kunstdisciplines. Ik begrijp namelijk dat het eigenlijk gewoon een
omissie was, die daarmee is hersteld. Maar er was in het veld ook heel
veel blijdschap over dat het juist allemaal gelijk werd gesteld. Dat is
dus nu weer niet zo. Het is ook nog weleens zo dat vanuit ideologische
overwegingen bepaalde kunstdisciplines niet worden gedoceerd in het
onderwijs. Dat lijkt me niet wenselijk. Hoe wil de staatssecretaris
daarmee omgaan? Heeft hij daar oog voor?
Staatssecretaris Becking:
Ik begrijp wat mevrouw Moorman vraagt, maar ik ken de casuïstiek niet
dat het met die argumentatie zou gebeuren; dat heb ik niet eerder
gehoord. Ik denk dat het belangrijkste is dat het een systeem van twee
plus één is. Het zijn er dus in ieder geval twee, plus een keuze uit
drie andere. Even helemaal andersom geredeneerd, kun je er ook vijf
aanbieden op een leuke manier die jou goeddunkt. In die zin is er dus
ook daarvoor weer veel vrije ruimte om dat in te vullen.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Helaas ken ik die voorbeelden wel. Volgens mij moeten we dat niet willen
en moeten alle kinderen gewoon met alle verschillende kunstdisciplines
in aanraking kunnen komen, zonder dat we overladenheid willen. Mijn
vraag aan de staatssecretaris is dan: als daar signalen van zijn, hoe
wil hij daar dan mee omgaan?
Staatssecretaris Becking:
Ik denk dat ik het eens ben met uw redenering dat alle kinderen met alle
vormen van kunst in aanraking moeten kunnen komen, volgens dit systeem
van twee plus één en vrijheid voor de rest. Ja, dan moeten we dat per
geval bekijken.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ik heb daar ook een vraag over, want de staatssecretaris geeft aan: wat
wij nu doen met de nota van wijziging is feitelijk hoe het al was in de
praktijk. Maar volgens mij is er toch een verschil. Als je namelijk
kijkt naar de Wet voortgezet onderwijs, dan zie je dat daarin sprake was
van de vier die werden genoemd, dus beeldende vorming, muziek, dans en
theater. In de uitwerking van de kerndoelen kwam vervolgens die
twee-plus-eenconstructie. Echter wordt die twee-plus-eenconstructie nu
in de wét gezet. Dus waarom is er dan voor gekozen om die wettelijke
grondslag daar echt op aan te passen en die niet gelijk te houden met de
vorige situatie?
Staatssecretaris Becking:
Ik denk dat ik daar in de tweede termijn even op terug moet komen,
mevrouw de voorzitter; dat weet ik niet zo concreet.
De voorzitter:
Dan gaan we dat doen. Gaat u verder met uw betoog.
Staatssecretaris Becking:
Dank. Dan kom ik bij de heer Boomsma van JA21. Hoe dragen de kerndoelen
bij aan de focus op lezen, schrijven en rekenen? Digitale geletterdheid
en burgerschap bieden een rijke context om ook de vakken lezen,
schrijven en rekenen toe te passen. Een kritische houding aanleren bij
burgerschap kan bijvoorbeeld bijdragen aan het schrijven van een goed
betoog. Daar komt bij dat lezen, schrijven en rekenen ook steeds meer
plaatsvinden in de digitale wereld. Dan moet je ook weten hoe je die
kunt toepassen. Ik vind het dan ook belangrijk dat kinderen weten hoe ze
er in de digitale omgeving mee om moeten gaan.
De heer Boomsma vroeg ook hoe het zit met de computationele
denkstrategieën in kerndoel 23. Het is van belang dat leerlingen logisch
leren redeneren en dat kunnen vertalen in computerstrategieën, ofwel
computationele denkstrategieën. Het kan zo zijn dat AI deze taken kan
ondersteunen en wellicht op sommige punten over kan nemen, maar het
begrip van wat er gebeurt hoort bij de mens te blijven. Technologie is
nu eenmaal een onderdeel van onze samenleving geworden. Het is aan het
onderwijs om in een eigentijds aanbod te voorzien. Tegelijkertijd wil ik
ook hier waken voor overladenheid. Ik ondersteun scholen zo goed
mogelijk om de digitale geletterdheid te integreren in de andere
leergebieden.
De heer Boomsma (JA21):
Ik kan me heel goed voorstellen dat digitale geletterdheid belangrijk
is; dat zien wij zeker. Alleen, als ik dan concreet in het kerndoel lees
dat de leerling leert een computerprogramma te schrijven op basis van
die strategie, dan denk ik: gaan we daar niet gewoon te ver in? Ik kan
namelijk geen computerprogramma schrijven. Ik weet niet of de
staatssecretaris dat kan. Ik ken eigenlijk heel weinig mensen die dat
kunnen. Het is fantastisch als je het wel kan, maar moet het nou echt
onderdeel zijn van een kerndoel?
Staatssecretaris Becking:
Ik denk dat het er in de kern vooral om gaat dat je heel goed begrijpt
hoe het werkt en hoe zo'n redenering is opgebouwd, en dat je dan ook
begrijpt waar je mee werkt. Ik gaf een gastcollege op een vmbo-school
over het begrip van verkiezingen. Leerlingen leerden dan begrijpen dat
TikTok niet iets van een informatieplatform is, en dat er algoritmes
achter zitten die jou een bepaalde richting op sturen. Kinderen leerden
dat begrijpen en gingen snappen hoe dat dan aan de achterkant werkt.
Daar is het voor bedoeld.
De heer Boomsma (JA21):
Ik denk dat het heel goed is dat leerlingen weten hoe algoritmes werken
en zo, een soort mediawijsheid, maar in het kerndoel staat gewoon dat ze
leren een computerprogramma te schrijven. Maar goed, ik vraag me dus
gewoon af …
Staatssecretaris Becking:
Ja, maar het zit 'm, denk ik, net een beetje in de vrijheid van de
leraar en de school hoe ze dat dan willen vormgeven. Ik denk niet dat
alle kinderen een computerprogramma moeten kunnen schrijven. Nogmaals,
ik denk dat het er vooral om gaat dat je dat goed begrijpt, dat je die
redeneringen kan volgen, dat je het misschien voor een stukje kan. Maar
je gaat daar als leraar op jouw manier mee om. Ik denk dat het ook van
je populatie afhangt hoe kansrijk je daarin bent.
De voorzitter:
Laten we als kerndoel met elkaar vasthouden dat iedereen spreekt als ik
diegene het woord heb gegeven. Gaat u verder, staatssecretaris.
Staatssecretaris Becking:
Dank u wel. Dan kom ik bij de heer Stoffer. Hij vroeg: geeft de regering
zich goed rekenschap van de uitvoering van de kerndoelen burgerschap in
relatie tot de wettelijke burgerschapsopdracht? Het klopt dat de
kerndoelen burgerschap een eigen wettelijke grondslag hebben met een
eigen functie en bereik, maar de wettelijke burgerschapsopdracht en de
kerndoelen zijn inhoudelijk wel sterk met elkaar verbonden. De
kerndoelen vormen een uitwerking van het onderwijsinhoudelijke deel van
de wettelijke burgerschapsopdracht. Bij het implementatietraject is
uiteraard oog voor de uitvoering van de kerndoelen, in samenhang met die
wettelijke opdracht.
De heer Ergin vroeg wat er anders is in de kerndoelen burgerschap dan in
de wettelijke burgerschapsopdracht. Ik zei daar al iets over. De
regering stelt voor om bij wet te borgen dat de kerndoelen worden
vastgesteld met inachtneming van die burgerschapsopdracht. Daarmee wordt
voor scholen ook verhelderd welke onderwijsinhoud zij moeten aanbieden
voor het onderwijsinhoudelijke deel van de burgerschapsopdracht. Dus de
kerndoelen burgerschap zijn een concretisering van het
onderwijsinhoudelijke deel van de burgerschapsopdracht. Of het mooi
Nederlands is, weet ik niet.
Mevrouw Raijer van de PVV vroeg: hoe gaat de staatssecretaris waarborgen
dat het daadwerkelijk tot de beoogde resultaten leidt? Ik heb er
vertrouwen in dat scholen zich meer bekwaam gaan voelen om hun
burgerschapsonderwijs vorm te geven naarmate ze meer tijd hebben gehad
om zich die in 2021 verduidelijkte burgerschapsopdracht eigen te maken
en die ook toe te passen in hun onderwijs. Scholen krijgen daarbij
gerichte ondersteuning vanuit het Expertisepunt Burgerschap en kunnen
gebruikmaken van de al gepubliceerde definitieve conceptkerndoelen en de
leerlijnen burgerschap, die in 2027 komen. Aan de achterkant ziet de
inspectie toe op de naleving van deze opdracht.
De heer Ceder, mevrouw Armut en de heer Boomsma vroegen naar het
toezicht van de inspectie: hoe ziet het toezicht op burgerschap eruit?
Op grond van artikel 4, eerste lid, over het toezicht, houdt de
inspectie toezicht op de deugdelijkheidseisen, maar respecteert daarbij
uiteraard de vrijheid van onderwijs. De burgerschapsopdracht is ook zo'n
eis. De inspectie ziet er dus op toe of het burgerschapsonderwijs op
doelgerichte en samenhangende wijze wordt vormgegeven en of er voldoende
aandacht wordt besteed aan de in de wet genoemde aspecten, zoals het
bijbrengen van democratische basiswaarden, het ontwikkelen van sociale
en maatschappelijke competenties en het bijbrengen van kennis over en
respect voor verschillen in godsdienst, afkomst en geslacht en voor het
feit dat gelijke gevallen gelijk worden behandeld. Er is ruimte voor een
pedagogisch-didactische visie in de eigen richting, als de basiswaarden
maar worden bevorderd en het onderwijs daarmee niet in strijd is.
De PVV vroeg waarom SLO de ruimte krijgt om die kerndoelen burgerschap
ideologisch in te vullen. SLO heeft de wettelijke taak om de kerndoelen
vorm te geven. Ik heb groot vertrouwen in de neutraliteit en expertise
van deze organisatie. De kerndoelen schrijven geen ideologieën voor. Ze
willen leerlingen juist een kritische houding bijbrengen, zodat die hun
eigen mening kunnen vormen.
Ik heb nog een vraag van mevrouw Raijer, over de burgerschapsopdracht.
Die gaat over normen en waarden die wij onze leerlingen willen meegeven.
Met de verankering van die wettelijke burgerschapsopdracht heeft de
wetgever hierin een duidelijke keuze gemaakt in 2021. Ik sprak daar net
ook al over. Met de kerndoelen burgerschap wordt geconcretiseerd welke
onderwijsinhoud ten behoeve hiervan aan de leerlingen wordt
meegegeven.
Dan kom ik bij de laatste vraag, van de heer Kisteman en mevrouw
Moorman. Zij vroegen wat ik vind van het feit dat scholen aan de ene
kant moeten leren dat iedereen gelijk is, maar het aan de andere kant
zouden kunnen afkeuren als een jongen verliefd wordt op een jongen. Ze
vroegen of artikel 23 boven artikel 1 van de Grondwet zou gaan. Er is in
de Nederlandse Grondwet geen sprake van een rangschikking van
verschillende grondrechten. In zoverre kunnen verschillende grondrechten
dus botsen. Desondanks heeft de wetgever met de burgerschapsopdracht,
maar ook met de zorgplicht voor de veiligheid op school, een duidelijke
afweging gemaakt op dit punt. Scholen moeten zorg dragen voor de
veiligheid van de school en dienen daarbij een schoolcultuur te borgen
waarin leerlingen, ongeacht van wie ze houden én wat ze geloven, zich
veilig en geaccepteerd weten. Het staat scholen vrij een eigen
overtuiging uit te dragen zolang ze die wettelijke taak maar in acht
nemen. Het is uiteindelijk niet aan mij maar aan de inspectie om te
beoordelen wanneer dit het geval is en wanneer ingrijpen noodzakelijk
is.
De voorzitter:
Dit geeft aanleiding tot een aantal vragen. Ik weet niet wie van de twee
het eerste was. U krijgt het woord, meneer Kisteman.
De heer Kisteman (VVD):
Ik zit even te zoeken. Ik kan het niet vinden, maar de
onderwijsinspectie geeft aan dat zij hierop juist niet specifiek kan
toezien, omdat de scholen daar vrij in zijn. Het voorbeeld dat de
onderwijsinspectie gebruikt is: in de Bijbel staat bijvoorbeeld dat God
de enige god is; dan kan de onderwijsinspectie niet zeggen dat dat wel
waar of niet waar is. Hoe moet de onderwijsinspectie er dan op toezien
dat op die scholen geen dingen worden verteld die ingaan tegen
bijvoorbeeld het niet-discrimineren of gelijk met elkaar omgaan?
Staatssecretaris Becking:
Het is aan de inspectie. Die heeft een heel toezichtskader, een
structureel en ook signaalgestuurd programma. Als er aanleiding voor is,
zal de inspectie dus optreden. Zij heeft daar ook een eigen
afwegingskader in. Dit debat over de onderwijsvrijheid en de positie van
de inspectie daarin hebben we eerder gevoerd. De basis daarvan is
uiteraard dat de waarden en normen van de democratische rechtsstaat
vooropstaan: gelijkwaardigheid, vrijheid en solidariteit. Daarbinnen
hebben scholen op basis van artikel 23 de vrijheid om hun eigen
onderwijs vorm te geven. Dat is het hoe.
De heer Kisteman (VVD):
Dat snap ik, maar de onderwijsinspectie mag zich niet bemoeien met zaken
zoals godsdienst; ik heb de passage inmiddels gevonden. Als op een
school dingen worden onderwezen die eigenlijk in strijd zijn met artikel
1, kan de onderwijsinspectie daar dus niks van vinden, want dat is haar
rol niet. Dan kan het toch gewoon blijven voorkomen dat op scholen
dingen worden onderwezen die discriminerend zijn, dat men niet
gelijkwaardig met elkaar omgaat of dat men niet mag zijn wie men is? Dan
schuurt dat toch?
Staatssecretaris Becking:
De inspectie kan maatregelen treffen als er in strijd met de Grondwet
wordt gehandeld. Dat doet ze signaalgestuurd, dus daar hangt het wel van
af. De inspectie kijkt dus niet in de klas mee naar hoe er onderwijs
wordt gegeven; zo werkt het niet.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Ik denk wel dat die inspectie een hele belangrijke opdracht moet krijgen
van ons. Ik vind dat wij die opdracht niet helder formuleren. Dat vind
ik ten eerste omdat er wordt erkend dat er spanning is en ten tweede
omdat ik hier hoor dat de twee grondrechten, artikel 1 en artikel 23,
eigenlijk gelijkgesteld zijn. Maar artikel 23, de vrijheid van
onderwijs, betekent niet de vrijheid van slecht onderwijs. Nou hebben we
ook in 2021 een wet over burgerschap aangenomen, die juist zegt dat dit
een heel belangrijk onderdeel van het onderwijs is en dat je dus slecht
onderwijs geeft wanneer je je daar niet aan houdt. Volgens mij moeten
wij er dus heel helder over zijn hier in de Kamer — ik hoor dat ook
graag van de staatssecretaris — dat die spanning er dus nooit kan zijn
in het onderwijs. Dan kan de inspectie daar ook op handhaven. Dat kan
niet als wij daar zelf vaag over zijn.
Staatssecretaris Becking:
Ik heb al eerder in een debat betoogd dat die spanning er kan zijn. Of
we dat fijn vinden of niet, die is natuurlijk aantoonbaar aanwezig bij
verschillende onderwerpen. Het gaat erom dat een school niet kan en mag
handelen in strijd met de wet. Daarom hebben we een instrumentarium voor
de inspectie afgesproken en dat is waar de regering voor staat. Als de
Kamer dat anders ziet, is dat dus, denk ik, aan de Kamer.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Nou, dat is dan, denk ik, inderdaad aan de Kamer. Dan denk ik dat het
heel noodzakelijk is dat wij deze spanning met elkaar gaan ontleden.
Zoals ik het zie en zoals ik de wetten lees, is die spanning namelijk
niet mogelijk, vanwege de wet die we in 2021 met elkaar hebben
vastgesteld. Die spanning is niet mogelijk omdat artikel 23 niet zegt
"je mag slecht onderwijs geven". En we beoordelen dit als slecht
onderwijs. Daarom kan die spanning er in de praktijk dus gewoon nooit
zijn. Als de staatssecretaris dat anders ziet, vraag ik hem een brief
daarover te schrijven aan de Kamer, zodat wij daar inderdaad met elkaar
over kunnen debatteren.
Staatssecretaris Becking:
Ik denk niet dat we in het onderwijs of bij de inspectie het begrip
"slecht" kennen, of "slecht onderwijs" of "goed onderwijs". Het gaat
erom dat een school zijn onderwijs vormgeeft volgens de kerndoelen waar
we het nu over hebben. De inspectie ziet erop toe dat dat goed gebeurt.
Dat doet ze signaalgestuurd en aan de hand van een heel gestructureerd
programma. Daar wil ik het dan toch bij laten.
De voorzitter:
Afrondend.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Dan zou ik toch graag een nadere uitweiding krijgen van de
staatssecretaris — ik snap dat dat niet nu in het debat kan, maar dan
graag per brief — over waar volgens de staatssecretaris die spanning zit
en hoe de wetten zich daar dan toe verhouden. Dan kunnen we daar
inderdaad met elkaar een goed debat over voeren.
Staatssecretaris Becking:
Ik wil daar graag in de tweede termijn op terugkomen.
De voorzitter:
Dat kan.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Toch even voor de goede orde. Mevrouw Moorman suggereert dat
grondrechten niet kunnen schuren, maar grondrechten schuren bij uitstek.
Ik vraag de staatssecretaris of hij namens het kabinet even kan
bevestigen dat staatkundig gezien artikel 2 niet boven artikel 1 staat,
artikel 1 niet boven artikel 2 staat, artikel 2 niet boven artikel 23
staat en artikel 16 niet boven artikel 23 staat, maar dat de Grondwet
als een geheel beoordeeld dient te worden. Een politieke partij kan dus
als opvatting hebben dat zij een bepaald artikel minderwaardig acht in
de hiërarchische volgorde. Dat mag een politieke partij vinden. Maar
staatkundig en rechtsstatelijk is dat gewoon niet waar. Ik zou die
onzekerheid wel weg willen halen, want deze discussie komt om de paar
maanden terug. Daarbij wordt vanuit de Kamer de suggestie gewekt, die
mensen overnemen, dat één artikel boven de rest staat. Ik merk dat de
pers dat soms ook overneemt, maar het is staatsrechtelijk gewoon niet
waar. Ik zou dus graag willen vragen of de staatssecretaris dat kan
bevestigen.
Staatssecretaris Becking:
Nee, ik gebruikte de woorden "er kan spanning bestaan" en u zegt "het
kan schuren". In die zin ben ik het daar dus mee eens, ja.
De heer Kisteman (VVD):
Dan wil ik toch wel één vraag aan de staatssecretaris stellen, die ik
ook in mijn spreektekst stelde. Is de staatssecretaris het met de VVD
eens dat het scheef is dat het soms kan schuren en dat we dus het ene
onderwijzen maar het andere doen in de praktijk?
Staatssecretaris Becking:
Ja, ik begrijp wat de heer Kisteman zegt. Toch hebben we een stelsel
waarin dat signaalgestuurd door de inspectie wordt bekeken. Ik sta er
vooral voor dat we die waarden van de democratische rechtsstaat
onderwijzen en bevorderen. Dat is een actieve taak voor scholen; dat
moeten ze doen, zoals vormgegeven in deze kerndoelen. Dat mag daar dus
niet mee in strijd zijn. Daar kan geen misverstand over bestaan en daar
kan ik ook heel duidelijk over zijn.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
De staatssecretaris zegt dat de inspectie signaalgestuurd handhaaft. Wij
zien liever dat ze ook echt elke vier jaar naar scholen toe gaan, maar
goed, dat is een andere discussie. Signaalgestuurd heeft ook te maken
met de signalen die wij ontvingen door de reportage van Nieuwsuur,
waaruit bleek dat er wel degelijk zaken misgingen op scholen. In het
debat dat we daar eerder over hadden, gaf de staatssecretaris aan dat de
inspectie ernaar zou gaan kijken. Heeft hij er al zicht op wanneer zij
komen met een reactie hierop?
Staatssecretaris Becking:
Dat wil ik graag even navragen. Daar kom ik straks op terug, als dat
kan, voorzitter.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ik heb nog een vervolgvraag, als dat mag van de voorzitter.
De voorzitter:
Dat is een hele goede vraag aan de voorzitter. Dat mag.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dank voor de coulance. Ik had ook een set schriftelijke vragen hierover
ingediend. Daar stond in dat de inspectie bekend was met het
lesmateriaal dat in de rapportage naar voren kwam. Vervolgens is mijn
vraag waarom daar dan niet op gehandhaafd is. Hoe gaat dat nog gebeuren?
Daar zou ik dan ook graag een antwoord op krijgen.
Staatssecretaris Becking:
Ik kan daar straks, in de tweede termijn, wel iets over zeggen. Anders
krijgen we zo weer een debat over de onderwijsvrijheid.
De voorzitter:
Dat lijkt mij heel verstandig. Vervolgt u uw betoog.
Staatssecretaris Becking:
Dank u wel. Ik kom bij het derde blokje, namelijk over periodiek
onderhoud. Daar is een aantal vragen over gesteld. Ik wil graag iets
zeggen over het toekomstige proces van dit wetgevingstraject. Ik denk
dat we het over één ding eens zijn, namelijk dat het allemaal te lang
geduurd heeft. Dat heb ik duidelijk gehoord. Vanaf 2014 was al duidelijk
dat het curriculum moest worden bijgesteld. Het heeft tot 2022 geduurd
voordat er een goed proces is opgestart met deze nieuwe kerndoelen als
resultaat. Ik wil er daarom voor de toekomst een transparant en
voorspelbaar proces van maken. Je zou zelfs kunnen zeggen: een saai
proces.
Dat proces moet langs drie pijlers plaatshebben. Ten eerste richt ik bij
SLO een loket voor curriculumsignalen op. Als er nieuwe verzoeken komen
om iets in het curriculum op te nemen, dan gaan we niet meteen rennen,
maar vragen we experts om een weging. Dat is één. Ten tweede wordt er
een onderhoudskalender ingesteld bij SLO. Daarin staat heel duidelijk
welk vak wanneer aan de beurt is om te vernieuwen. Dat zal dan ook wel
weer gebeuren op basis van de inzichten van wetenschappelijke experts,
grofweg eens in de tien jaar, waarbij een leergebied als digitale
geletterdheid wellicht wat eerder aan de beurt is. Zowel het loket als
de onderhoudskalender zorgen voor rust en voorspelbaarheid. Ten derde
vraag ik aan de Onderwijsraad om eens in de tien jaar advies uit te
brengen over de vraag of het curriculum nog wel bij de tijd is. Ook dit
advies wordt betrokken bij de afweging welke vakken herzien moeten
worden of niet. De betrokkenheid van de Kamer borg ik graag in dit
proces. Conform de huidige gang van zaken informeer ik u over de
adviezen van SLO en van de Onderwijsraad en over eventuele noodzaak tot
veranderingen. Ook deel ik met u de toekomstige werkopdrachten voor
herzieningen en tussenproducten van de kerndoelen in de verwachting dat
dat het beste moment is om met elkaar te spreken over de verdere
vormgeving van het curriculum en bij voorkeur dus niet op het einde, als
de ontwikkelde producten er al liggen. Ik hoop dus dat de betrokkenheid
van uw Kamer daarmee goed wordt vormgegeven.
De heer Ceder vroeg hoe ik de adviezen van de Curriculumcommissie over
periodiek onderhoud oppak. Hij vroeg of ik de Kamer per brief kan
informeren. Ik heb net gezegd dat ik conform het advies van de
Curriculumcommissie drie pijlers wil inrichten, namelijk een loket voor
curriculumsignalen bij SLO, een onderhoudskalender en één keer per tien
jaar een advies van de Onderwijsraad. Ook kies ik ervoor om de
wetenschap en de actualiteit te betrekken bij de periodieke herijkingen
van de leergebieden en daarom niet een aparte, permanente
wetenschappelijke curriculumcommissie aan te stellen. U bent in meerdere
Kamerbrieven geïnformeerd over de invulling van periodiek onderhoud. Ik
zie daarom geen meerwaarde van een aparte brief over dit
onderwerp.
De SGP vroeg waarom er geen wetsvoorstel voor periodiek onderhoud bij
zit. Wanneer kunnen we dat verwachten? Daar is in principe geen
wetsvoorstel voor nodig. Ik heb SLO al aan de slag gezet met het
inrichten van de drie punten die ik net heb genoemd en ik heb de
Onderwijsraad gevraagd om eens in de tien jaar te adviseren. Ik vind het
wel een goed idee om dat laatste wettelijk te borgen. Ik begrijp dat uw
Kamer een amendement daarover heeft ingediend. Daar komen we straks nog
wat uitgebreider over te spreken bij de appreciatie van de amendementen.
Als we de cyclus op tien jaar zouden kunnen vaststellen, dan lijkt me
dat een heel goed idee, dat we ook wettelijk kunnen borgen.
Mevrouw Van der Plas vroeg naar de toezegging om signalen van ouders en
maatschappelijke organisaties structureel te betrekken bij de evaluaties
van het curriculum. Ja, dat kan ik doen. Het loket voor
curriculumsignalen, dat ik net noemde, is de structurele plek waar
ouders en maatschappelijke organisaties terechtkunnen voor primair en
voortgezet onderwijs. SLO weegt dat signaal dan. Als SLO besluit om de
suggestie over het curriculum mee te nemen in het toekomstig onderhoud
van het curriculum, dan komt dat signaal op de voorraadlijst van het
betreffende vak of leergebied. Ik wilde eigenlijk zeggen "and we will
take it from there", maar dat is niet zo mooi Nederlands. De vraag of
het signaal uiteindelijk ook leidt tot een aanpassing van het landelijke
curriculum, ligt bij het team van experts, dat zich op termijn weer
buigt over de actualisatie van dat curriculum.
De laatste vraag over dit punt is van meneer Stoffer, mevrouw
Rooderkerk, de heer Ceder en de heer Ergin: hoe kijk ik terug op die
lange curriculumherziening? Ik zei net al dat het te lang heeft geduurd
en dat het een rommelig proces is geweest. In 2022 is er een goed model
gevonden met een heldere werkopdracht, gebaseerd op het advies van de
wetenschappelijke curriculumcommissie. Dat is afgestemd met uw Kamer,
leraren en vakexperts; dat was een proces met tussenrondes en feedback.
Dat heeft uiteindelijk geleid tot deze kerndoelen, waar heel veel
draagvlak voor is in het veld. U heeft de brief gehad waarin allerlei
organisaties uit het veld steun betuigen en zeggen: ga hiermee door. In
de toekomst wil ik het dus ook graag goed geregeld hebben, met een
systeem van periodiek onderhoud. Dat gaat ook zorgen voor rust,
transparantie, voorspelbaarheid en betrokkenheid van uw Kamer.
Ik kom bij het blokje overig, voorzitter. Van papier naar de praktijk
…
De voorzitter:
Ik stel voor dat u uw blokje helemaal afrondt en dat we dan de
gelegenheid hebben tot het stellen van vragen. Gaat u dus verder.
Staatssecretaris Becking:
Vorige week is er een belangrijke mijlpaal behaald: de kerndoelen zijn
opgeleverd. Nu is het een flinke opgave voor de scholen om daarmee aan
de slag te gaan. Daar hebben ze ook tijd en ruimte voor nodig. Tot 2031
krijgen ze ook de ruimte om dat allemaal goed in te voeren. Het geeft
veel kansen en het geeft leraren houvast en ruimte — dat zei ik al —
zodat we kunnen werken aan rijk en betekenisvol onderwijs. Het invoeren
van die kerndoelen op scholen is een brede verantwoordelijkheid voor
alle partijen in het onderwijs. De leermiddelen en toetsen worden
aangepast, en er wordt professionalisering aangeboden aan leraren,
docenten en schoolteams over de vakinhoud en curriculumbewustzijn. Als
OCW nemen wij wel de regie om te zorgen dat dit dan ook goed gaat in de
klas. Vanuit het ministerie wordt de komende zes jaar 50 miljoen
beschikbaar gesteld voor de ondersteuning van scholen, om dat bij de
invoering allemaal handen en voeten te geven. De komende jaren willen we
uw Kamer dus periodiek informeren over de implementatie van het nieuwe
curriculum.
Een vraag van de heer Ceder: op welke manier betrekken wij het werkveld
hierbij? Dat is een flinke opgave, waarover ik al het nodige heb gezegd:
met veel steun vanuit de sector, de leernetwerken, de
regiobijeenkomsten, masterclasses en professionaliseringsactiviteiten.
Die gaan de komende jaren allemaal vorm krijgen.
Mevrouw Rooderkerk vroeg: hoe gaan we ervoor zorgen dat de nieuwe
kerndoelen worden gevolgd door nieuwe toetsing, en gaat er ook echt
getoetst worden op schrijfvaardigheid? Het nieuwe curriculum biedt ook
de kans om de inhoud van de doorstroomtoets opnieuw tegen het licht te
houden. U vroeg er al naar. Naast de doorontwikkeling van de vorm en
functie van de toets zijn we ook bezig met de doorontwikkeling van de
inhoud van de toets. Toetsen volgen immers het curriculum. De
mogelijkheid om schrijfvaardigheid hierin te toetsen, neem ik mee. We
zijn aan het verkennen hoe we dat kunnen doen, met een pilot et cetera.
Voor de zomer van 2026, dus komende zomer, kom ik er bij uw Kamer op
terug, mevrouw de voorzitter.
De heer Boomsma vroeg of ik het ermee eens ben dat betere toetsing de
weg is naar beter onderwijs. Ja en nee. Ja: we zetten ons ervoor in om
gestandaardiseerde toetsen te laten bijdragen aan beter onderwijs,
bijvoorbeeld door in te zetten op het formatieve gebruik van
lvs-toetsen, en daarnaast door de functie, vorm en inhoud van de
doorstroomtoets in groep 8 tegen het licht te houden. Daar had ik net
ook al iets over gezegd. Gestandaardiseerde toetsen worden herzien aan
de hand van de nieuwe kerndoelen. En nee: toetsen volgen het curriculum,
dus we moeten altijd goed in de gaten houden waarom we toetsen. Een
toets op zichzelf is natuurlijk geen doel. Het gaat om de vraag: waarom
doen we dat? Toetsen kost ook veel tijd en dat geeft alleen nog maar
weer meer extra werkdruk.
De heer Boomsma vroeg ook naar zichtbare toetsing van kennis over
burgerschap in het centraal examen. Nee, burgerschap wordt niet getoetst
in het centraal examen. De kerndoelen burgerschap gelden alleen in het
primair onderwijs en de onderbouw van het voortgezet onderwijs. In de
bovenbouw is burgerschapskennis terug te vinden in het vak
maatschappijleer. Dat gaat dus over ander onderwijs. Dit vak kent geen
centraal examen maar een schoolexamen.
Mevrouw Moorman vroeg hoe we ervoor zorgen dat het nieuwe leermateriaal
dat wordt ontwikkeld van goede kwaliteit is en geen verdienmodel vormt
voor uitgeverijen en techbedrijven. Samen met leraren, schoolleiders,
bestuurders, ouders, leerlingen, uitgevers en experts ben ik in gesprek
over de oprichting van een kwaliteitsalliantie voor leermiddelen. NRO en
SLO gaan aan de slag met de ontwikkeling van een kwaliteitskader. Dat
biedt handvatten voor de ontwikkeling van effectief en goed
lesmateriaal. Ook brengen we de komende tijd met de gesprekspartners in
beeld wat ervoor nodig is om het kwaliteitskader voor vernieuwde
leermiddelen in te voeren.
De heer Boomsma vroeg: moeten er dan ook nieuwe schoolboeken worden
ontwikkeld? Het vraagt natuurlijk om een actualisatie van de
leermiddelen. Daar zijn ikzelf en mijn voorgangers al een tijd over in
gesprek met de aanbieders. De scholen kunnen die nieuwe leermiddelen
gefaseerd gaan gebruiken, passend bij hun eigen visie en hun eigen
implementatiepad. Uiteindelijk is het doel dat vanaf 2031 iedereen met
de vernieuwde kerndoelen en de leermiddelen werkt.
De heer Boomsma vroeg of we ervoor zorgen dat de leermiddelen betaalbaar
blijven. Daarover wil ik de Kamer graag per brief informeren bij de
begrotingsbehandeling. Die is voorzien in februari.
Mevrouw Van der Plas vroeg naar …
De voorzitter:
Ik heb net voorgesteld dat ik de staatssecretaris dit blokje laat
afmaken en daarna vragen toesta. U moet dus nog even geduld hebben,
mevrouw Rooderkerk.
Staatssecretaris Becking:
Mevrouw de voorzitter. Mevrouw Van der Plas vroeg naar de neutraliteit
van de leermiddelen in relatie tot de Grondwet en of ik daar een
richtlijn voor wil opstellen. De Grondwet borgt de vrijheid van
leermiddelen voor scholen, maar met die vrijheid komt ook
verantwoordelijkheid. Scholen zijn namelijk verantwoordelijk voor het
onderwijsaanbod en dus ook voor het materiaal dat zij gebruiken. Wij
willen die keuze niet voor scholen gaan maken. Een richtlijn voor
neutraliteit gaat wat mij betreft te ver. We willen wél wat meer regie
op de leermiddelen, zodat die in ieder geval kwalitatief goed in elkaar
zitten. Ik zei net al bij de beantwoording van de andere vraag: daarom
heb ik die kwaliteitsalliantie in het leven geroepen. Ik wil
bijvoorbeeld ook niet dat er oneigenlijke sponsoring door bedrijven
plaatsvindt. Daarvoor heb ik ook een sponsorconvenant met de sector
afgesproken.
De heer Kisteman vroeg naar de professionalisering van leraren. Daar heb
ik het nodige over gezegd: het versterken van het curriculumbewustzijn,
aanpassing van de leermiddelen en toetsing, training en een
professionaliseringsaanbod. Er komt dus een heel uitgebreid aanbod voor
leraren. Ik zal de Kamer daarover periodiek informeren, met specifieke
aandacht voor de professionalisering van docenten.
Mevrouw Rooderkerk vroeg wat ik ga doen met het referentiekader en hoe
ik dubbelingen tussen kerndoelen en referentieniveaus voorkom. Net als
de kerndoelen moeten ook de referentieniveaus worden geactualiseerd. Die
zijn verouderd en sluiten niet goed aan op de geactualiseerde kerndoelen
voor Nederlands en rekenen en wiskunde. Ik werk dus aan een opdracht om
de referentieniveaus ook te actualiseren. Zo houden we er de focus op
dat het niet dubbelt.
Mevrouw Armut, van het CDA, vroeg hoe we evalueren of dit leidt tot een
beter lees- en rekenniveau en hoe we voorkomen dat het een papieren
tijger wordt. Bij dat hele systeem hoort ook goede monitoring. Dat is
niet nieuw; dat doen we nu ook al, voor alle vakken. Dat doe ik via
peilingsonderzoeken, het monitoren van examenresultaten en de input van
het onderwijsveld. Zo hou ik een vinger aan de pols over hoe de nieuwe
kerndoelen straks landen en hoe leerlingen presteren. Uit mijn
gesprekken blijkt dat het nieuwe curriculum echt geen papieren tijger is
en op veel steun kan rekenen.
De heer Ergin vroeg wanneer die kerndoelen definitief worden gemaakt. De
regering beoogt de kerndoelen voor de leergebieden Nederlands en rekenen
en wiskunde uiterlijk op 1 augustus 2026 in te laten gaan. De overige
leergebieden volgen per 1 augustus 2027.
De heer Kisteman vroeg naar de onderwerpen uit het herstelplan.
Herstelplan of niet, er is al veel in gang gezet, zoals de implementatie
van het curriculum en de ambities rond de professionalisering van
leraren. In recente gesprekken met de partijen rond het herstelplan, die
ik zelf ook heb gevoerd, hebben we in ieder geval gezegd dat we samen
willen blijven optrekken. Tegelijkertijd past het mij natuurlijk wel om
te zeggen dat grote en nieuwe ambities aan een nieuw kabinet zijn.
De heer Ergin vroeg: hoe de basis op orde krijgen qua huisvesting,
armoede en lerarentekort? Ik ben het eens met de heer Ergin, want
natuurlijk lossen kerndoelen niet alle problemen in het onderwijs op.
Dit is ook niet het enige wat het kabinet doet om het onderwijs te
verbeteren. Er is een lange lijst programma's. Het voert een beetje ver
om die nu allemaal te gaan noemen, maar er zijn echt initiatieven en
programma's op het gebied van duurzame huisvesting, armoedebestrijding,
het stimuleren van gelijke kansen en het aanpakken van het
lerarentekort. En daar gaan we uiteraard mee door.
Mevrouw Raijer vroeg naar de veilige leeromgeving en het herstel van
autoriteit. De meeste leerlingen en de meeste medewerkers voelen zich
gelukkig veilig. Uiteraard is het belangrijk om de klas goed te managen
en op orde te houden, zodat de leerlingen ook tot leren komen. Een
veilig leerklimaat is daarbij natuurlijk essentieel. Met het
wetsvoorstel Vrij en veilig onderwijs zorgen we voor beter zicht op
veiligheid en goede begeleiding, voor ondersteuning bij onveiligheid en
voor een jaarlijkse evaluatie van het veiligheidsbeleid. Afhankelijk van
uw Kamer treedt het wetsvoorstel komend schooljaar in werking. Verder
financier ik de Stichting School & Veiligheid, waar scholen
terechtkunnen met vragen over veiligheid.
Mevrouw de voorzitter. Mevrouw Armut vroeg naar het onderzoek naar de
monitoringsstrategie op burgeronderwijs. Een consortium van
wetenschappers doet onderzoek naar een succesvolle manier om dat te
monitoren. Eind 2029 wordt naar verwachting een eindrapport opgeleverd
met concrete praktijkgerichte bevindingen voor het monitoren van dit
burgerschapsonderwijs.
De heer Ceder vroeg of te veel digitalisering en smartphonegebruik leidt
tot slechtere leerprestaties. Ik denk dat goed gebruik van digitale
hulpmiddelen het onderwijs kan verbeteren, maar we hebben natuurlijk
allemaal gezien dat de smartphones de lessen wel een beetje te veel aan
het verstoren waren. En wonder boven wonder werkt de afspraak om die
smartphones niet meer in de klas toe te laten eigenlijk heel erg goed.
Scholen kunnen daarmee goed uit de voeten en het leidt ook tot betere
communicatie. Uit alle onderzoeken blijkt volgens mij dat te veel
digitalisering niet goed is, maar leerlingen moeten natuurlijk wel leren
omgaan met die technologie. En dan gaat het dus om digitale
geletterdheid. Een onderdeel van het curriculum!
De heer Ceder vroeg om een bredere visie met maatregelen op hoe we
ouders kunnen ondersteunen om bij te dragen aan de leerontwikkeling van
hun kind. Een aparte nieuwe visie lijkt me niet nodig, want er ligt al
heel veel. Ik ben me er wel zeer van bewust dat de thuisomgeving
natuurlijk ontzettend belangrijk is voor het succesvol leren in de klas.
Daarbij hebben we ook ingezet op maatregelen die gaan over de
thuisomgeving en de rol van ouders. Er is veel geïnvesteerd in de
bibliotheken en in programma's voor peuters als BoekStart. Scholen
hebben binnen de subsidie Verbetering basisvaardigheden de ruimte om ook
ouders als educatieve partner in positie te brengen. Duizend
brugfunctionarissen zorgen verder voor de verbinding tussen school,
thuis, zorg en ondersteuning.
Mevrouw de voorzitter, ik ben er bijna.
Mevrouw Armut vroeg nog naar het als aanvullende maatregel aanbieden van
voor- en vroegschoolse programma's aan kinderen van 2 en 3 jaar. Binnen
de voorschoolse educatie tussen 2,5 tot 4 jaar is het gebruik van een
programma gericht op de ontwikkeling van kinderen verplicht. Bij de
vroegschoolse educatie, kleuters, is er geen verplicht programma. Het
kan scholen wel helpen om het kleuteronderwijs goed in te richten. Mijn
ambtsvoorganger riep gemeenten in juni op om voorschoolse educatie al
vanaf 2 jaar aan te bieden, want op die manier komen peuters nog eerder
met een educatief programma in aanraking en brengen zij in totaal meer
uren binnen de voorschoolse educatie door.
Mevrouw de voorzitter. De laatste vraag, voor zover ik het goed heb
genoteerd, komt van de heer Kisteman. "Uw voorganger wilde de leerplicht
verlagen naar 4 jaar. Wil de staatssecretaris dat nog steeds?" Ik kijk
positief naar de ambitie om de leerplicht naar 4 jaar te verlagen, maar
dat moet wel kunnen. De randvoorwaarden vragen namelijk nog wel om een
flinke verdiepingsslag, zoals gemeld in een brief aan uw Kamer uit juni
van dit jaar. Op dit moment laat ik onderzoeken welke 4-jarigen minder
vaak naar school gaan en welke factoren daarbij een rol spelen.
Dat was het einde van het derde blokje, mevrouw de voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan is er nog een aantal collega's met vragen. Het hoeft
natuurlijk niet meer, dus als mensen weer willen gaan zitten, is dat ook
prima. Dan gaan we verder naar de korte toelichting op de amendementen.
Ik zie kort overleg in de Kamer, maar het zou helpen als we een besluit
nemen. De heer Kisteman, gaat uw gang.
De heer Kisteman (VVD):
Dan nemen wij het initiatief wel, voorzitter. Even een vraag over het
herstelplan van het onderwijs. Het is terecht dat de staatssecretaris
zegt dat het aan het nieuwe kabinet is, en dat snap ik ook. Alleen, er
zijn in het commissiedebat dat wij hierover hebben gevoerd, tal van
toezeggingen gedaan waarbij wordt verwezen naar het herstelplan van het
onderwijs. De voor- en vroegschoolse educatie, oftewel de vve, het
lerarenbeleid, de vragen die ik net heb gesteld. Dus óf we gaan ze er
een keer uithalen, zodat wij er dadelijk apart een keer over
geïnformeerd worden en wij straks verder kunnen debatteren over deze
onderwerpen … Maar we moeten wel verder. Ik snap dat de staatssecretaris
niet verder wil met het herstelplan, maar als Kamer wachten wij wel op
al die toezeggingen.
De voorzitter:
Gaat uw gang.
Staatssecretaris Becking:
Dat begrijp ik heel goed. Ik ben ook in gesprek met het veld om te
kijken hoe we die onderdelen weer een fase verder kunnen brengen. Ik
kijk even of ik in de tweede termijn op een aantal onderdelen daar iets
over kan zeggen of dat ik u daar anders wellicht op een ander moment
schriftelijk over kan informeren.
De voorzitter:
Ik ga ons allen ook even helpen. Er zijn best wel veel toezeggingen voor
de tweede termijn. Willen we gewoon voor de eindtijd met elkaar
afronden, dan zullen de interrupties en de antwoorden wellicht allemaal
wat bondiger moeten, want anders gaat het licht toch later uit dan op de
agenda staat. Dus als u kunt leven met de toezegging voor de tweede
termijn, dan gaan we nu verder met de korte toelichting op de
amendementen. Heel kort, meneer Kisteman.
De heer Kisteman (VVD):
Voorzitter, ik denk niet dat u mij kunt verwijten dat ik lang van stof
ben; volgens mij is dat wel het laatste wat bij mij past. Ik heb een
heel lijstje opgevraagd met alle toezeggingen die in onze
commissiedebatten zijn gedaan die terugkomen bij het herstelplan. Ik kan
die zo naar de staatssecretaris versturen. Misschien kunnen we elkaar
dan helpen.
Staatssecretaris Becking:
Heel graag.
De voorzitter:
Gaat u verder met het volgende blokje.
Staatssecretaris Becking:
De appreciatie van de amendementen. Het amendement op stuk nr. 8, over
het schrappen van "schrijven, lezen en rekenen": ontraden.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 8 wordt ontraden.
Staatssecretaris Becking:
Het amendement op stuk nr. 9: ontraden.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 9 wordt ontraden.
Staatssecretaris Becking:
Het amendement op stuk nr. 12, over financiële geletterdheid:
ontraden.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 12 wordt ontraden.
Staatssecretaris Becking:
Het amendement op stuk nr. 13, over een evaluatiebepaling om de vijf
jaar: ontraden.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 13 wordt ook ontraden.
Staatssecretaris Becking:
Het amendement op stuk nr. 15, over geschiedenis en staatsinrichting:
ontraden.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 15 wordt ook ontraden.
Staatssecretaris Becking:
Over het amendement op stuk nr. 21, over advisering van de
Onderwijsraad, heb ik al iets gezegd. Als wij het op tien jaar kunnen
houden in plaats van die acht, dan zou ik het graag oordeel Kamer
geven.
De voorzitter:
Ik kijk even naar de indiener van amendement op stuk nr. 21. De heer
Ceder gaat even overleggen en komt er dan op terug. Gaat u verder,
staatssecretaris.
Staatssecretaris Becking:
Het amendement op stuk nr. 22, over burgerschap en artikel 23, ontraad
ik.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 22 wordt ontraden.
Staatssecretaris Becking:
Het amendement op stuk nr. 23 ontraad ik.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 23 wordt ontraden.
Staatssecretaris Becking:
Dan het amendement op stuk nr. 25, over het vervangen van nahang door
voorhang. Het is een heel verhaal, maar ik zou dat liever niet zien.
Gegeven het debat en wat ik al gehoord heb, zou ik het amendement
oordeel Kamer willen geven.
Voorzitter, dank u wel.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 25 krijgt oordeel Kamer. Daarmee bent u
volgens mij aan het einde gekomen van de appreciatie van de
amendementen. Ik kijk nog even naar de heer Ceder om te zien of dat
overleg al heeft plaatsgevonden. Nee? U gaat er toch wat over zeggen.
Gaat uw gang.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Nee. Het wordt nu allemaal ontraden. Ik snap dat een toelichting vanwege
de tijd niet of nauwelijks mogelijk is, maar ik heb wel behoefte aan een
toelichting bij in ieder geval één amendement, namelijk bij het
amendement over de evaluatiebepaling. Volgens mij is het heel belangrijk
dat we evalueren, als we met zo'n stelselwijziging aan de slag gaan. Ik
heb het nu op vijf jaar gezet. Ik ben even benieuwd naar de inhoudelijke
argumentatie: waarom zou dit een slecht plan zijn? Ligt dat aan het
jaartal, zoals bij de curriculumherziening, waarvoor de staatssecretaris
een suggestie deed? Of vindt hij dit een inherent slecht voorstel? Zo
ja, dan ben ik gewoon benieuwd waarom.
Staatssecretaris Becking:
Ik kan dat toelichten. Ik geef het oordeel Kamer als we van acht naar
tien jaar gaan. Het is belangrijk dat het bijstellen van het curriculum
in de toekomst … Het gaat over de voorspelbaarheid. De advisering van de
Onderwijsraad past daar heel goed bij. Nationale en internationale
experts adviseren tien jaar, zoals in Finland ook het geval is. Ik snap
de bedoeling van "acht jaar", namelijk om een stok achter de deur te
hebben, maar de implementatie van een nieuw curriculum kost al vier
jaar. Na acht jaar evalueren betekent dat een nieuw cohort leerlingen
effectief vier jaar met het nieuwe curriculum heeft gewerkt. De
argumentatie daarbij is dat het eigenlijk te kort is om het goed te
kunnen evalueren. Dat horen we ook van de wetenschappelijke commissie,
de SLO en de Onderwijsraad. Dat betekent niet dat het curriculum in die
tien jaar stilligt; daar heb ik het nodige over gezegd. Denk aan
curriculumsignalen. Als het zou moeten worden vernieuwd, kan het worden
opgepakt, bijvoorbeeld rond AI. Alles bij elkaar zeg ik dus: tien jaar
in plaats van die acht.
De voorzitter:
Dan wil de heer Ceder denk ik nog uw appreciatie weten van het
amendement op stuk nr. 13.
Staatssecretaris Becking:
Oh. Waar heb ik …
De voorzitter:
Maar zo we hebben nu ook een goede toelichting gekregen op het
amendement op stuk nr. 21. Dat is dan winst voor vanavond.
Staatssecretaris Becking:
Ja, daar is dan vooruitgewerkt. Excuus, voorzitter.
Het amendement op stuk nr. 13 gaat over de evaluatiebepaling. Ik ben het
eens met de doelstelling van die evaluatie, maar ook hiervoor geldt dat
die met eens in de vijf jaar te vroeg komt. Ik ga eigenlijk een beetje
hetzelfde zeggen als zonet. Het nieuwe curriculum loopt tot 2031. Pas
vanaf 1 augustus 2031 werken alle scholen met de nieuwe kerndoelen. Een
evaluatie na vijf jaar betekent dat er dan scholen zijn die pas net met
die nieuwe kerndoelen zijn gaan werken. Het is echter wel belangrijk dat
we er regelmatig naar kijken. Ik blijf een vinger aan de pols houden. Ik
kan de Kamer toezeggen jaarlijks te rapporteren over de voortgang van de
implementatie van het curriculum. Misschien zijn we met die twee dingen,
de jaarlijkse rapportage en die tien jaar, dan een eind.
De voorzitter:
Ik kijk naar de heer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik ken de systematiek dat een deel van de scholen dit pas later in
werking laat treden. Daarom dacht ik dat als je het om de vijf jaar
doet, je in ieder geval het eerste deel van de scholen hebt. Die zouden
anders immers tien jaar, of acht jaar, moeten wachten totdat er
überhaupt iets van een evaluatie plaatsvindt. Ik las het amendement dus
zo dat je binnen vijf jaar de evaluatie van de eerste groep scholen
hebt. Ik denk dat dat belangrijk is, want dit is een wijziging zoals we
die de afgelopen twintig jaar niet hebben gedaan, dus je wil weten hoe
het gaat. Daarna neem je dan de andere scholen mee. Zo bouw je een
cyclus op. Als ik het zo interpreteer, kom ik daarmee volgens mij
tegemoet aan de argumentatie van de staatssecretaris.
Staatssecretaris Becking:
Mijn sterke pleidooi is om het veld rust te gunnen en het nu die cyclus
te geven. Dat past ook bij de manier waarop de Onderwijsraad ernaar
kijkt. Daarom hecht ik toch wel aan die tien jaar. Anders creëren we
meer onrust in het stelsel van die curriculumherziening en kan een deel
van de scholen eigenlijk geen goed oordeel vellen. Wel zijn er
instrumenten om het jaarlijks te bezien. Ook is er die
signalencommissie, waarover de Kamer ook wordt geïnformeerd. Er wordt
jaarlijks gerapporteerd. Ik zou toch mijn verzoek willen herhalen of we
het niet bij die tien jaar kunnen houden, met die jaarlijkse dingen.
De voorzitter:
Kort en afrondend.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik neem de toezegging van de staatssecretaris op dit punt in ieder geval
ter harte. Ik ga even overleggen met de andere indieners van het
amendement hoe we hierop gaan reageren. Dank voor de toelichting.
De heer Stoffer (SGP):
De staatssecretaris is kort en puntig, daar houd ik van, maar er is één
amendement waarvoor ik denk dat iets meer toelichting dan "ontraden"
misschien wel goed zou zijn. Dit betreft het amendement-Ergin op stuk
nr. 22. De heer Ergin is er nu niet, maar ik had eerder al met hem een
discussie over de vraag of dit amendement niet overbodig is. Het
amendement is ontraden, maar is dat omdat het amendement niet nodig is?
Kan ik het zo lezen? Of is dit amendement op zijn inhoud stevig
ontraden?
Staatssecretaris Becking:
De kerndoelen en de uitwerking daarvan moeten nu ook al worden
vastgesteld met inachtneming van artikel 23 van de Grondwet. Scholen
behouden de ruimte om dat verder zelf vorm te geven, passend bij hun
populatie, hun identiteit en hun onderwijsvisie. In feite maakt dat het
amendement overbodig.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan stel ik voor dat wij doorgaan naar de tweede termijn van
de Kamer. Ik geef graag het woord aan mevrouw Moorman van de fractie van
GroenLinks-Partij van de Arbeid. Oh, excuus. Excuus! Het is de heer
Ceder; ik keek even of iedereen aan het opletten was. Ik dank de
staatssecretaris voor de beantwoording. Dan gaan we nu verder met de
daadwerkelijk eerste spreker. Dat is de heer Ceder. Gaat uw gang.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel. Ik dank de staatssecretaris ook voor de
beantwoording. Ik ben in ieder geval blij dat de staatssecretaris
ruimhartig is teruggekomen op de vragen. Ik denk dat ze goed beantwoord
zijn.
Ik heb natuurlijk niet voor niets amendementen ingediend; dat heb ik
gedaan omdat ik denk dat het belangrijk is dat we goed gaan borgen wat
we hier nu met elkaar afspreken. Als het gaat over de evaluatiebepaling,
denk ik dat het toch belangrijk is om een termijn vast te stellen. Of
dat een termijn van vijf jaar is of langer, zal ik bezien met de
indieners en met de Kamer. Ik denk dat de Kamer hier aan het stuur zit.
Hetzelfde geldt voor het andere amendement, waarin we die termijn in
ieder geval op acht jaar hebben gesteld. Ik heb nu iets te weinig tijd
gehad om dat af te concluderen, maar daar kom ik in ieder geval op
terug.
Dan heb ik een vraag ten aanzien van het amendement rond financiële
geletterdheid. Ik begrijp dat men binnen de Kamer geen extra tekst wil,
of extra gewicht wil hangen aan teksten die er al liggen. Daar ben ik
ook wel gevoelig voor. Ik zoek dus ook naar een oplossing. Bij mij gaat
het er met name om dat we voorkomen dat we over vijf jaar met elkaar
concluderen dat de financiële geletterdheid van jongeren verder
achteruit is gelopen. Dat leidt tot schulden, en in de praktijk worden
de maatschappelijke kosten op de samenleving afgewend. Het zit al in de
conceptkerndoelen, dus daar ben ik blij mee. Het is, denk ik, wel
belangrijk dat die output ook tot resultaat gaat leiden. Mijn vraag is
of de staatssecretaris in ieder geval kan toezeggen, net zoals hij net
heeft toegezegd dat jaarlijks wordt gemonitord hoe het staat met die
andere punten, om specifiek ook voor financiële geletterdheid naar de
cijfers te kijken om te zien hoe het staat met de jongeren. Dan gaat het
er dus niet om wat er in de les gedaan wordt, want dat is de bevoegdheid
van de scholen zelf, maar in ieder geval wel om de output. Raken
jongeren meer financieel geletterd, mede door het onderwijs dat zij
krijgen? Ik denk namelijk dat het belangrijk is om ook inzicht te
krijgen of wij als Kamer, via scholen dan wel op een andere manier,
moeten bijsturen. De vraag is of de staatssecretaris die toezegging in
ieder geval zou willen doen, want dan ben ik bereid om dat amendement in
te trekken. Het is nu een beetje een ingewikkelde constructie, want ik
hoor pas in de tweede termijn of de staatssecretaris dat wil. Als hij
dat doet, kan hij er in goed vertrouwen van uitgaan dat ik het
amendement vervolgens intrek.
Mijn andere amendement, over de staatsinrichting van het Koninkrijk,
trek ik niet in. Dat heeft ermee te maken dat het volgens mij — daar is
de staatssecretaris helaas niet op ingegaan — een correctie is van de
daadwerkelijke staatkundige verhoudingen binnen het Rijk. Wij zijn niet
alleen een Staat; wij zijn een Staat van het hele Koninkrijk. Volgens
mij is het belangrijk dat dat ook uitdrukking krijgt in deze wet, zoals
we dat op meerdere plekken in de wet goed borgen. Volgens mij is dat
gewoon een verduidelijking die recht doet aan de feitelijke situatie.
Dat amendement laat ik dus staan. Daarbij benadruk ik — ik kijk daarbij
de Kamer aan — dat dit geen verzwaring is van het lespakket, maar een
verduidelijking van het feit dat we het Koninkrijk der Nederlanden zijn.
Dat moeten we duidelijk in de wet noteren.
Ik heb verder geen vragen meer. Ik ben benieuwd naar de openstaande
punten; dat waren er nog best wat. Ik zal opletten. Ik hoor het graag
van de staatssecretaris. Voor de rest wens ik de staatssecretaris veel
succes.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan mevrouw Rooderkerk van de
fractie van D66 voor haar bijdrage in de tweede termijn. Gaat uw
gang.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dank, voorzitter. Dank ook aan de staatssecretaris voor de
beantwoording, en dank aan de nieuwe Kamer. Ik vond het heel fijn om te
merken dat er een goede samenwerking lijkt te zijn, en dat er ook ten
aanzien van het vaststellen van het nieuwe curriculum een meerderheid
lijkt te ontstaan. Dat zou natuurlijk heel goed nieuws zijn voor ons
onderwijs.
Ik heb nog drie vragen. Als die wet er straks is, is het natuurlijk van
belang dat we ook zorgen dat het doorwerkt in de lesmaterialen en in de
toetsen, en dat het uiteindelijk bij de leerlingen in de klas
terechtkomt. Mijn eerste vraag gaat over de implementatie. De
staatssecretaris gaf aan dat het uiteindelijk in 2031 helemaal is
geïmplementeerd en dat dan de inspectie daar ook op kan toetsen en daar
een oordeel op kan baseren. Maar dat begint natuurlijk al veel sneller;
al vanaf volgend schooljaar kunnen docenten aan de slag met de
kerndoelen. Zeker die van lezen, schrijven en rekenen krijgen meteen al
een uitwerking. Kan de staatssecretaris nog toelichten hoe hij het voor
zich ziet dat docenten hier al meteen mee aan de slag kunnen en er
ondertussen nog wel een heel implementatieplan van SLO volgt?
Ten tweede heb ik een vraag over de referentieniveaus. Hij gaf in een
korte reactie al aan dat daar nu naar gekeken gaat worden. Ik vroeg me
af of het nog nodig is dat we die niveaus houden. Ze zijn in 2010
ingesteld omdat de voorgaande kerndoelen geen concrete uitwerkingen
bevatten, terwijl we die nu wel hebben. Kan hij deze vraag ook meenemen
in de verkenning die hij daarnaar doet?
Ten derde heb ik een vraag over de toetsing. Dank voor de toezegging om
ook schrijfvaardigheid mee te nemen als een expliciet onderdeel. We
zullen daar straks met de heer Boomsma een motie over indienen. Ik ben
ook benieuwd hoe het staat met de verkenning naar de doorstroomtoets,
die voor november was beloofd. Die komt dan hopelijk voor de
kerst.
Tot slot wil ik nog mijn dank uitspreken aan alle leraren, schoolleiders
en experts die ervoor hebben gezorgd dat we op dit moment zijn gekomen
en dat we dit nieuwe curriculum straks met elkaar kunnen vaststellen.
Laten we daarna, samen met al die mensen die het in de praktijk moeten
doen, daadwerkelijk zorgen voor beter onderwijs, zodat leerlingen in de
klas het merken. Want dan pas is onze taak hier geslaagd.
Dank, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dat geeft aanleiding tot een vraag van de heer Kisteman.
De heer Kisteman (VVD):
In interrupties aan de staatssecretaris vroeg mevrouw Rooderkerk naar de
stand van zaken van het onderzoek dat loopt naar aanleiding van de
uitzending van Nieuwsuur en de schriftelijke vragen. Daarop
vooruitlopend, hoe staat D66 ertegenover om artikel 1 van de Grondwet
ten opzichte van de levensbeschouwelijke richting van de invulling van
het burgerschapsonderwijs prioriteit te geven?
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Mijn vraag ging erover dat we daar een aantal maanden geleden al een
debat over hebben gevoerd. De staatssecretaris gaf toen aan dat de
inspectie hierop zou moeten handhaven. Wij zijn heel benieuwd of de
inspectie dat doet en in hoeverre ze dat kan doen. Dat lijkt mij
uiteindelijk van belang om in te kunnen gaan op de signalen die er zijn
gekomen. Dat was dus waar mijn vraag over ging.
De heer Kisteman (VVD):
Dat was duidelijk, maar dat was niet waar mijn vraag aan mevrouw
Rooderkerk over ging. We hebben net wat discussie gehad over artikel 23
en artikel 1. Mijn vraag is hoe D66 daarnaar kijkt. Vinden ze artikel 1
belangrijker? Gaan we gelijkwaardig met elkaar om en mag je zijn wie je
wilt zijn? Of mogen scholen daar vanuit artikel 23 zelf invulling aan
geven, met de kans op discriminatie, dat je niet mag zijn wie je zelf
wilt zijn?
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Wij houden ons aan de Grondwet. Beide artikelen staan daarin, maar de
Grondwet schrijft natuurlijk ook de gelijke behandeling van iedereen
voor. Wat ons betreft moet daar op elke school aan voldaan worden.
De voorzitter:
Kort en afrondend.
De heer Kisteman (VVD):
Afrondend. Uit het debat bleek ook dat de staatssecretaris zei dat het
schuurt; het gaat niet altijd precies zoals het moet. Stel dat wij een
motie indienen om prioriteit te geven aan artikel 1 boven artikel 23,
zou D66 die dan steunen?
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dan moet ik de motie eerst tot me nemen, dus we zullen daar natuurlijk
goed naar kijken. Maar ja, de vraag is vooral of de inspectie kan
optreden op basis van de burgerschapsopdracht die er nu ligt. Wij vinden
het heel erg van belang om dat terug te horen van de staatssecretaris.
Daar hebben wij nu nog geen antwoord op gekregen.
De voorzitter:
Ik ga natuurlijk de heer Stoffer het woord geven, maar ik wil niet in
een discussie verzanden over artikel 23 terwijl we vanavond over de
kerndoelen spreken. Gaat uw gang.
De heer Stoffer (SGP):
Nee, voorzitter. Ik heb een vraag over de Grondwet; het gaat over veel
meer dan dat. Ik hoor de heer Kisteman een aantal keren over het stellen
van artikel 1 boven artikel 23. De heer Ceder heeft daar zojuist ook een
interruptiedebat over gevoerd en daarover gesproken. Is mevrouw
Rooderkerk het met mij eens dat alle artikelen in de Grondwet
gelijkwaardig zijn, dat 1 niet boven 23 staat en 2 niet boven 5, en dat
dat kan schuren? Oftewel, dat als zo'n motie ingediend zou worden door
de heer Kisteman, dat rechtsstatelijk gewoon een wangedrocht is?
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Sterker nog, dat is hoe de Grondwet werkt. Die artikelen staan erin en
daar moeten we aan voldoen en ons toe verhouden. Tegelijkertijd kan het
niet zo zijn dat er lhbti-leerlingen zijn die niet geaccepteerd worden
op scholen en een verklaring moeten tekenen omdat ze niet toegelaten
worden op scholen. Het kan ook niet zo zijn dat leraren, zoals uit de
rapportage bleek, wanneer ze uit de kast komen niet meer op een school
zouden kunnen lesgeven. Dat zijn allemaal zaken waarin is voorzien met
artikel 1 van de Grondwet. Dus ja, daar moeten we allemaal aan
voldoen.
De heer Stoffer (SGP):
Dan komen we op de inhoudelijke discussie. Daar mag je ideologisch
allemaal naar kijken zoals je wil, maar het gaat mij om het principe dat
in onze Grondwet alle artikelen gelijk zijn. Wat ik in de vraagstelling
van de heer Kisteman hoor, is dat hij het ene boven het andere wil
stellen. Ja, als we op die manier doen, komen we bijna in een
bananenrepubliek terecht. Is mevrouw Rooderkerk dat met mij eens, dat
we, los van de inhoud, niet met elkaar nu hier met een motie moeten gaan
bepalen of het ene artikel van de Grondwet boven het andere staat? Dan
ben je, denk ik, gewoon los van waar we als Nederlandse samenleving
vandaan komen en hoe we hier ooit gekomen zijn.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Volgens mij kan je dat ook niet per motie bepalen, want je hebt gewoon
de Grondwet en daar hebben we aan te voldoen. Al die artikelen staan in
de Grondwet, dus daar moeten scholen zich aan houden.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan nodig ik nu graag mevrouw Moorman uit van de fractie van
GroenLinks-Partij van de Arbeid voor haar bijdrage in de tweede termijn.
Gaat uw gang.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Dank u, voorzitter. Dank aan de Kamer voor het goede gesprek dat we
hierover hebben gevoerd en dank aan de staatssecretaris voor de
beantwoording van de vragen. Dat deed hij in mijn ogen zeer zorgvuldig,
zoals ook het hele proces tot nu toe is gelopen. Het duurde langer dan
we hadden gehoopt met z'n allen, maar wel dank dat hij er zo zorgvuldig
mee omgaat samen met het veld. De complimenten aan alle mensen die hier
hard aan hebben gewerkt, zijn terecht.
Ik heb nog één vraag naar aanleiding van de beantwoording van de
staatssecretaris en die gaat over waar we het net ook over hadden: de
vormgeving van burgerschap, maar ook eigenlijk het burgerschapsklimaat
dat je op een school hebt. Ik vind het toch ingewikkeld. In 2021 is de
wet over burgerschap aangenomen en toen hadden we ook die
grondwetsartikelen al. Die bestaan namelijk al eventjes. Dus met de
wetenschap van die grondwetsartikelen hebben we gewoon die wet
aangenomen. We hebben ons gewoon aan de wet te houden en dat hebben
scholen dus ook. Ik denk dus dat het helemaal niet nodig is om de het
ene grondwetsartikel boven het andere grondwetsartikel te stellen.
Scholen moeten zich gewoon aan de wet houden en daarmee kan het in mijn
ogen dus niet zo zijn dat er enige spanning bestaat. Dat lees ik dus wel
in de beantwoording van de Raad van State. Ik ben nog steeds benieuwd
wat die spanning dan is en vooral wanneer die spanning acceptabel is,
want de onderwijsinspectie moet dat wel weten als ze gaat handhaven. Ik
vind, ook als ik hier hoor hoe we het debat met elkaar voeren, dat er
nog steeds heel veel onduidelijkheid is. Dus ik hoop dat de
staatssecretaris ons in tweede termijn wil toezeggen om daar
schriftelijk helderheid over te geven in een brief.
Dan heb ik nog twee moties. Ik heb al gezegd dat ik het heel belangrijk
vind dat er meer wordt gedaan aan het lezen en de leesbevordering, zowel
van de leraren als van de kinderen. Ik heb ook gezegd dat je dan
eigenlijk een omgeving moet bieden om dat daadwerkelijk mogelijk te
maken. Daarom twee moties.
De eerste motie hebben we "liefde voor lezen" genoemd.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat 94% van de docenten het belangrijk vindt om het lezen
van boeken en verhalen te stimuleren, maar dat slechts de helft van de
leraren zelf een boek leest als vrijetijdsbesteding;
overwegende dat leraren die een positieve houding hebben tegenover lezen
aantoonbaar meer aandacht besteden aan leesbevorderende activiteiten in
de klas, wat een bewezen positief effect heeft op het leesplezier en de
vaardigheid van leerlingen;
verzoekt de regering om te onderzoeken hoe leesbevordering in de
lerarenopleiding op dit moment plaatsvindt en hoe leesbevordering onder
leraren het beste kan worden gestimuleerd, wat de kosten zijn voor een
gratis bibliotheekabonnement voor alle leraren, en de Kamer uiterlijk
voor de Voorjaarsnota hierover te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Moorman, Rooderkerk en
Boomsma.
Zij krijgt nr. 26 (36699).
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Dan een motie over bibliotheken op school.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat uit recent onderzoek blijkt dat 25% van de scholen in
het voortgezet onderwijs beschikt over een bemenste schoolbibliotheek en
dat op maar 25% van de basisscholen leerlingen boeken mee naar huis
mogen nemen;
overwegende dat toegang tot een actuele boekencollectie en deskundige
begeleiding aantoonbaar bijdraagt aan de leesmotivatie en
taalontwikkeling van leerlingen;
overwegende dat het ontbreken van een schoolbibliotheek de kloof
vergroot tussen leerlingen met en zonder toegang tot boeken thuis;
verzoekt de regering om te onderzoeken hoe elke school in het funderend
onderwijs kan beschikken over een toegankelijke bibliotheekvoorziening
die past bij de schoolcontext, met een actuele collectie en deskundige
begeleiding, en de Kamer uiterlijk voor de behandeling van de
Voorjaarsnota te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Moorman, Rooderkerk en
Boomsma.
Zij krijgt nr. 27 (36699).
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter, dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Moorman, u krijgt nog een vraag van meneer Kisteman.
Eén vraag, meneer Kisteman.
De heer Kisteman (VVD):
We zijn nog mooi op tijd, voorzitter.
De voorzitter:
Maar het blijft één vraag.
De heer Kisteman (VVD):
Dan zal ik het goed omschrijven. Wij hebben net een interruptiedebatje
gehad het vervroegen van de leerplichtleeftijd naar 4 jaar. Wij hebben
natuurlijk allebei de ambitie om zo veel mogelijk kinderen te bereiken.
Dat kan door de vve en door de leerplicht te vervroegen naar 4 jaar. Als
ik straks een motie indien — dat ga ik zo meteen doen — kan ik hier dan
steun voor krijgen van GroenLinks-PvdA, ondanks dat u aangaf dat de
meeste kinderen die 5 jaar zijn en die niet naar school gaan
waarschijnlijk op wereldreis zijn?
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Wat ik mooi vond aan de bijdrage van de heer Kisteman is dat hij vooral
wees op de nuttige bijdrage van voorschoolse educatie. Uit onderzoek
blijkt ook dat het effect van de investering in voorschoolse educatie
vele malen groter is dan het verlagen van de leerplichtleeftijd naar 4
jaar en sterker nog, dat er wetenschappelijk gezien zeer veel twijfel is
over de leerplichtleeftijd verlagen naar 4 jaar. Nou vind ik het vrij
cynisch dat het huidige kabinet enorm bezuinigt op de voorschool. Er
gaat zelfs 10% van het budget van de voorschool af. Dan vind ik het een
beetje vreemd dat de heer Kisteman zich hier ineens als hoeder van de
voorschoolse educatie gaat opwerpen terwijl hij zelf dus in een partij
zit die nu enorm aan het bezuinigen is op de voorschool en denkt dat te
kunnen compenseren met het naar beneden halen van de leerplichtige
leeftijd naar 4 jaar. Dus ik moet hier heel serieus over nadenken.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan nodig ik de heer Kisteman uit voor zijn bijdrage in de
tweede termijn. Gaat uw gang.
De heer Kisteman (VVD):
Voorzitter, dank. Ik snap dat mevrouw Moorman hierover na moet denken;
het staat natuurlijk gewoon in het verkiezingsprogramma van
GroenLinks-PvdA dat het dat ook wil.
Voorzitter. Ik wil de staatssecretaris bedanken voor het prettige debat
dat we hebben gehad. Ik heb twee moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat kinderen in Nederland momenteel leerplichtig zijn
vanaf 5-jarige leeftijd;
overwegende dat het verlagen van de leerplichtige leeftijd naar 4 jaar
kan bijdragen aan een gelijke start voor alle kinderen, vroege
taalontwikkeling kan stimuleren en de aansluiting tussen kinderopvang of
peuterspeelzaal en basisonderwijs kan verbeteren;
overwegende dat het verlagen van de leerplichtige leeftijd en daarmee
een eerdere instroom in het onderwijs kansenongelijkheid verder kan
verkleinen;
verzoekt de regering de leerplichtige leeftijd te verlagen van 5 naar 4
jaar, waarbij de nadruk van het onderwijs aan deze kinderen ligt op
spelenderwijs leren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Kisteman.
Zij krijgt nr. 28 (36699).
Ik laat u eerst even uw moties voorlezen.
De heer Kisteman (VVD):
Dank u wel, voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de nieuwe kerndoelen rondom burgerschap scholen
verplichten onderwijs te bieden waarin diversiteit, gelijkwaardigheid en
bescherming tegen discriminatie expliciet aan bod komen;
constaterende dat de onderwijsinspectie in de Staat van het Onderwijs
2025 signaleert dat het burgerschapsonderwijs op veel scholen niet
doelgericht, samenhangend en herkenbaar is;
overwegende dat scholen ruimte hebben en moeten houden voor een eigen
identiteit maar deze ruimte nooit mag leiden tot uitsluiting of het
beperken van de vrijheid, gelijkwaardigheid of veiligheid van
leerlingen;
verzoekt de regering te onderzoeken op welke manier artikel 1 van de
Grondwet altijd voorrang kan krijgen ten opzichte van de
levensbeschouwelijke richting bij de invulling van de
burgerschapskerndoelen en burgerschapsopdracht,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Kisteman.
Zij krijgt nr. 29 (36699).
Bent u klaar?
De heer Kisteman (VVD):
Ja, ik heb de staatssecretaris bedankt, hè? Dus ik ben klaar.
De voorzitter:
O, dat heb ik niet gehoord. Mevrouw Moorman, gaat uw gang.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Ik ben heel erg blij dat de heer Kisteman het verkiezingsprogramma van
GroenLinks-Partij van de Arbeid heeft gelezen. Ik hoop dat hij daar veel
van heeft opgestoken, met name van de passage over de voorschoolse
educatie. Ik wil wel een deal sluiten met de heer Kisteman. Als hij de
bezuiniging op de voorschool terugdraait, stem ik mee met zijn
motie.
De voorzitter:
Daar mag u op reageren.
De heer Kisteman (VVD):
Ja, maar daar ga ik niet over.
De voorzitter:
Mevrouw Moorman, deze discussie ga ik nu niet voeren. Ik denk dat het
goed is om zo meteen naar deze moties te kijken. Ik ga de heren Ceder en
Stoffer het woord geven om te reageren op de allerlaatste motie, denk
ik. Ik weet niet wie van u tweeën sneller bij de microfoon was. Als u
naar elkaar wijst … Meneer Stoffer, gaat uw gang.
De heer Stoffer (SGP):
Ik kan het kort houden, voorzitter, en dan vult de heer Ceder wel aan
als jurist. Ik zou toch aan de heer Kisteman willen vragen om nog eens
heel goed na te denken over wat hij nu in deze motie vraagt. In het
begin zegt hij best een aantal behartigenswaardige zaken, maar als je
naar het eind kijkt … Als je echt met droge ogen vraagt om artikel 1
boven artikel 23 te plaatsen, vraag ik me echt af waar enig
staatsrechtelijk geweten van de VVD nog is gebleven. Ik zou zeggen: denk
er eens goed over na of u dit als VVD nu echt voor uw kap zou willen
nemen. Dit kan toch niet waar zijn?
De heer Kisteman (VVD):
Dank u wel voor die vraag. Uiteindelijk gaat het er ons niet om dat de
hiërarchie verandert. Het gaat ons erom dat de vrijheid van onderwijs
niet kan betekenen dat je leerlingen mag discrimineren, hun identiteit
mag afnemen of hun veiligheid ondermijnen; daar gaat het ons om. We
dienen deze motie in om dat te onderzoeken. Uiteindelijk mag de vrijheid
van onderwijs er niet toe leiden dat je als jongen niet op een jongen
verliefd kan worden en dat je niet jezelf kan zijn.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Bij de totstandkoming van het kabinet-Schoof moesten partijen vanwege
één partij een verklaring ondertekenen dat ze de rechtsstaat
onderschreven. Ik denk dat het handig is om dat opnieuw te doen en het
dan specifiek aan de VVD voor te legen. De reden daarvoor is dat deze
motie in het debat over onderwijs wordt ingediend, maar gewoon
rechtstreeks tegen meer dan 100 jaar democratie ingaat en gewoon een
antirechtsstatelijke opvatting is van de Grondwet. Stel je voor dat deze
motie wordt afgewezen, maar de VVD vindt dat we dit soort moties kunnen
indienen. Een Kamerlid van Forum voor Democratie zegt: nou, een ander
artikel uit de Grondwet vind ik het belangrijkste. Die gaat een beetje
shoppen en die krijgt een meerderheid. Gaan we dan zo met de Grondwet om
met elkaar? U opent hiermee een doos van Pandora. Dat vind ik eigenlijk
best spijtig, want we hebben dit punt hier al geadresseerd. De
staatssecretaris heeft aangegeven dat wat u voorstelt niet kan en we
hebben dit interruptiedebat met elkaar gehad. Toch dient u deze motie in
als VVD. Mijn vraag is: erkent u dat artikel 1 boven enig ander artikel
zetten — het gaat nu over 23, maar het had ook over 6, 8, 11 of 18
kunnen gaan — gewoon in strijd is met de rechtsstaat?
De heer Kisteman (VVD):
Dank u wel voor deze vraag. Waar het ons om gaat: het schuurt, zo bleek
in het debat. Artikel 23 schuurt met artikel 1. De heer Ceder geeft aan:
zo werkt vrijheid van onderwijs nu eenmaal en zo werkt ons systeem. Wij
van de VVD vinden dat dat te ver gaat. Het kan niet zo zijn dat de
vrijheid van onderwijs leidt tot discriminatie. Het kan niet dat je niet
jezelf kan zijn, vandaar deze motie. Daarin zeggen wij: onderzoek dat
eens; kijk eens hoe we dat kunnen doen, zodat je gewoon jezelf kan zijn
op school en dat je niet uitgesloten kan worden van bepaalde scholen als
je een homoseksuele leraar bent. Daar gaat het ons om.
De voorzitter:
Afrondend, meneer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik snap dat de heer Kisteman hierop doelt, maar u bent vervolgens in een
tunnelvisie beland. U zet de rechtsstaat opzij om een bepaald punt te
maken, want op heel veel andere manieren … We hebben een
funderendonderwijsdebat gehad vorige maand. We hebben de rol van de
onderwijsinspectie gehad. We hebben ook al aangegeven dat er inderdaad
ook al beleid is. We hebben ook al aangegeven dat je in bepaalde
gevallen op een bepaalde manier kan handelen. We hebben ook al
aangegeven dat Joodse scholen in Nederland geen kans meer hebben om te
bestaan als je iedereen, elke leraar, ongeacht overtuiging of wat dan
ook op scholen zou accepteren. Al die nuanceringen hebben we met elkaar
doorgeakkerd; daar was u bij. U zit in een tunnelvisie. U ziet artikel
23 en denkt: daar moeten we op scoren. Maar u trekt een doos van Pandora
open, want als een andere partij hier opstaat, zegt dat die een ander
artikel belangrijker vindt en daar een meerderheid voor weet te krijgen,
dan gaan we in de Grondwet shoppen. Dat is nooit de bedoeling geweest
van de opstellers van de Grondwet.
De voorzitter:
En wat is uw vraag, meneer Ceder?
De heer Ceder (ChristenUnie):
Mijn vraag aan de VVD is of zij bij nader inzien deze motie alstublieft
wil intrekken. Er zijn net twee Kamerleden naar voren gekomen; misschien
kunnen er nog wel meer dat doen. U trekt hiermee een doos van Pandora
open. Het klopt niet. Het is ergens, denk ik, ook wel de VVD onwaardig.
Mijn vraag is of u erkent — daar heeft u namelijk geen antwoord op
gegeven — dat deze motie in strijd is met de rechtsstaat.
De heer Kisteman (VVD):
Wij zetten artikel 1 niet boven artikel 23. Wij vinden, nogmaals, dat
artikel 23 niet de vrijheid aan scholen kan geven om te discrimineren;
dat kan gewoon niet. De onderwijsinspectie, waar de heer Ceder net op
doelde, heeft aangegeven dat ze hier niet op kan toezien omdat die
scholen bepaalde vrijheden hebben. We hebben die stappen langsgelopen.
We hebben hier debatten gevoerd. Vandaag vinden wij het een goed moment
om deze motie in te dienen.
De heer Van Duijvenvoorde (FVD):
Ik wil eigenlijk ingaan op de vraag van de heer Ceder aan andere
Kamerleden om ook naar voren te komen om dit te onderschrijven. Ik denk
juist dat het de schoonheid is van onze democratie dat het continu
schuurt, zoals ik in mijn speech al zei, en dat de antwoorden niet
altijd duidelijk zijn. Ik denk dat het einde zoek is als je daar eenmaal
onderscheid in gaat maken. Dan komt er volgende week een motie om
artikel 18 boven artikel 25 te stellen. Ik denk dat je echt een motie in
moet dienen om juist dat schuren een plek te durven geven in de
Nederlandse samenleving.
De heer Kisteman (VVD):
De VVD wil geen ruimte geven aan discriminatie in deze samenleving. We
willen er geen ruimte aan geven dat je niet jezelf mag zijn.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan kijk ik naar mevrouw Raijer van de PVV. Die ziet af van
haar tweede termijn. Dan kijk ik naar mevrouw Van der Plas, van de
fractie van BBB, voor haar bijdrage in de tweede termijn. Gaat uw
gang.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank u wel, voorzitter. Ik wil even reageren op de woorden van de heer
Ceder. Ik zou de heer Kisteman ook willen vragen om deze motie te
heroverwegen.
Dat gezegd hebbende heb ik één motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat onderwijs niet alleen moet bijdragen aan
basisvaardigheden als lezen, schrijven en rekenen, maar ook aan het
behoud van lokale en regionale identiteit, lokale en regionale cultuur
en lokale en regionale tradities;
overwegende dat het belangrijk is dat het curriculum ruimte biedt voor
regionale en lokale geschiedenis, cultuur, streektaal en tradities,
zodat leerlingen zich kunnen herkennen in het onderwijs en verbonden
blijven met hun omgeving;
verzoekt de regering te borgen dat scholen in de regio's en in Caribisch
Nederland voldoende ruimte houden voor eigen invulling van het
curriculum, met expliciete aandacht voor lokale en regionale
geschiedenis, cultuur, streektaal en tradities,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.
Zij krijgt nr. 30 (36699).
Dank u wel.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dan wil ik nog … Sorry, één ding.
De voorzitter:
Gaat uw gang.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik heb nog heel eventjes de tijd. Ik wil de staatssecretaris danken voor
de antwoorden en de toezeggingen. Daarmee dank ik uiteraard ook zijn
staf, die elders hier in het gebouw hard aan het werk is voor de
staatssecretaris en indirect dus ook voor ons.
Ik wil toch nog even iets zeggen over burgerschapsonderwijs. Ik vind het
heel goed dat het er is. Mensen, kinderen, moeten gewoon leren hoe je
nou functioneert in een samenleving. Ik vind dat die taak in de eerste
plaats natuurlijk bij de ouders hoort. Hoe zit de samenleving in elkaar?
Hoe behandel je elkaar? Wat mag je wel doen? Wat mag je niet doen? Ik
vind het op zich een goede zaak dat dat in het onderwijs is opgenomen.
Ik lees: het ontwikkelen van sociale competenties die leerlingen in
staat stellen deel uit te maken van en bij te dragen aan de
samenleving.
Ik weet dat ik oud word. "Vroeger was alles beter"-achtige dingetjes
zijn daar inherent aan, maar ik moet dan toch gewoon even denken aan hoe
simpel het eigenlijk kan zijn. Je hebt de gulden regel: wat u niet wilt
dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet. Dat zou je vrij simpel
kunnen vertalen. Vind je het leuk als iemand dat bij jou doet? Zo niet,
dan moet je het zelf ook niet doen. Ik zou ook zo graag zien dat in dat
burgerschapsonderwijs — daar komen natuurlijk allemaal projecten bij;
helemaal prima — gewoon ook de basisvaardigheden aan kinderen geleerd
worden. Gewoon "u" zeggen. Gewoon een hand geven. Kijk iemand aan die
tegen je praat. Wees netjes. Heb respect voor mensen. Zo simpel hoort
het eigenlijk gewoon te zijn. Ik hoop ook heel erg dat in dat
burgerschapsonderwijs en bij de kerndoelen de nadruk blijft liggen op
gewoon een klein beetje normaal doen met z'n allen. En nogmaals, wat u
niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet. Een bordje in
elke klas zou mooi zijn. Dan kunnen ze dat elke dag lezen.
Daar wou ik het graag bij houden.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan kijk ik nu naar de heer Boomsma voor zijn bijdrage in de
tweede termijn. Gaat uw gang.
De heer Boomsma (JA21):
Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Dank ook aan de staatssecretaris voor
de beantwoording en voor de toezeggingen, ook die om bij de begroting
terug te komen op de kosten van de schoolboeken. Over het geheel genomen
zijn we niet geheel gerustgesteld op het punt van de vraag of dit nieuwe
curriculum echt gaat leiden tot meer focus en minder gevoel van
overladenheid, maar dat gaat we gewoon goed in de gaten houden. Het
blijft immers natuurlijk een belangrijke prioriteit dat we echt
resultaten gaan zien, dat de resultaten in de basale vaardigheden van
lezen, schrijven en rekenen weer omhooggaan.
Op het staatsrechtelijk apenkooien van de VVD ga ik nu maar even niet
in; dat zullen we zien bij de stemmingen.
Ik heb tot slot een motie over het nakijken van de schrijfopdrachten.
Dat kost natuurlijk echt veel tijd. Je moet er tijd voor maken, want
goed nakijken van schrijfopdrachten is gewoon een veel tijdrovender
bezigheid dan veel andere vormen van nakijken. Het is belangrijk dat
daar goed aandacht aan wordt besteed. Vandaar ook nog deze motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat steeds meer leerlingen moeite hebben om een
begrijpelijke tekst te schrijven;
overwegende dat niets zo goed is voor de schrijfvaardigheid als oefening
via het van jongs af aan maken en schrijven van opstellen en
essays;
overwegende dat het goed nakijken en beoordelen van opstellen en essays
veel extra tijd vergt van leraren en vaak ook veel meer tijd vergt dan
andere vormen van nakijken;
verzoekt de regering:
te onderzoeken in hoeverre leraren in de verschillende jaren van het funderend onderwijs voldoende tijd hebben om schrijfopdrachten goed en zorgvuldig na te kijken om gerichte terugkoppeling te geven;
er zorg voor te dragen dat leraren in alle jaren van het funderend onderwijs voldoende tijd krijgen en nemen voor het nakijken van opstellen, essays en schrijfopdrachten;
er zorg voor te dragen dat voldoende tijd en aandacht voor het nakijken van schrijfopdrachten ook terugkomt in toetsen en examens,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Boomsma, Rooderkerk en
Moorman.
Zij krijgt nr. 31 (36699).
De heer Boomsma (JA21):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan kijk ik tot slot naar de heer Van Duijvenvoorde voor
zijn bijdrage in deze tweede termijn.
De heer Van Duijvenvoorde (FVD):
Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor de beantwoording. Hij
benadrukt steeds dat de autonomie van scholen behouden blijft omdat het
Rijk alleen het wat vaststelt en het hoe aan docenten laat, maar precies
daar zit voor ons toch een kern van een probleem, want autonomie is niet
slechts methodisch of betrokken op de vorm, maar juist inhoudelijk. Als
de kerndoelen talrijker, concreter en centraler worden vastgesteld,
verschuift de echte zeggenschap over onderwijs naar voren in de keten.
Vrijheid in het hoe kan nooit compenseren voor het verliezen van ruimte
in het wat. Het hoe is de vorm. Een docent kan in een gek pakje allerlei
verhalen gaan houden — dat zou dan goed zijn — maar onze vraag is juist
waar de autonomie in het wat ligt. Daarnaast zei de staatssecretaris er
vertrouwen in te hebben dat SLO neutraal opereert, maar neutraliteit in
onderwijsinhoud is geen technisch gegeven; het is een normatieve keuze.
Neutraliteit bestaat nooit zonder de vraag: ten opzichte waarvan, dus
ten opzichte van welke visie op burgerschap, van welke opvatting van
"goed onderwijs" of van welke morele of maatschappelijke waarde? Het is
niet waardevrij.
Daarom heb ik toch nog twee vragen aan de staatssecretaris. Erkent de
staatssecretaris dat de inhoudelijke autonomie wordt geraakt wanneer het
wat steeds centraler en concreter wordt vastgesteld? De tweede vraag:
hoe wordt dan geborgd dat SLO niet alleen procedureel onafhankelijk
werkt, maar ook inhoudelijk pluriform blijft, juist bij de
burgerschapsinhouden? Tot slot dank voor uw aanwezigheid vanavond.
De voorzitter:
Dank u wel. De staatssecretaris heeft aangegeven tien minuten nodig te
hebben voor de appreciatie van de moties en voor de laatste vragen, dus
ik schors voor tien minuten.
De vergadering wordt van 19.43 uur tot 19.54 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is nog steeds de behandeling van
de Wet herziening wettelijke grondslagen kerndoelen. Wij zijn toegekomen
aan de appreciatie van de ingediende moties en de beantwoording van de
openstaande vragen. Ik geef hiertoe graag de staatssecretaris het woord.
Gaat uw gang.
Staatssecretaris Becking:
Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Ik begin met de vraag van de VVD hoe
eerdere toezeggingen uit het herstelplan worden opgepakt. Daar kom ik
voor de begrotingsbehandeling op terug. Ik heb uw lijst met toezeggingen
inmiddels ontvangen. Dank u wel daarvoor.
De leden Moorman en Kisteman vroegen naar een brief over artikel 1 en
artikel 23. Ik kan u die brief toezeggen. Het betreft een fundamentele
beschouwing van de grondrechten en daar is dit debat niet het moment
voor, maar ik zal daarnaast ook met de inspectie bespreken wat er gedaan
wordt met de signalen van Nieuwsuur. Om daaraan recht te doen, zeg ik
toe dat ik voor de zomer van 2026 een brief naar uw Kamer stuur. Ik kom
hier bij de moties nog apart op terug.
De heer Ceder van de ChristenUnie vroeg naar het niveau van de
financiële geletterdheid. Er is een paar jaar geleden een PISA-special
naar financiële geletterdheid gedaan. Nederland behoort samen met
België, Denemarken, Canada en de Verenigde Staten tot de hoog scorende
landen op financiële geletterdheid. Dat is dus goed nieuws. Ik maak daar
ook uit op dat er geen acuut probleem is. Daarnaast blijkt uit onderzoek
dat financiële geletterdheid vooral samenhangt met wiskunde- en
leesvaardigheden van leerlingen. Daar geven we juist extra aandacht aan,
en daarmee geven we ook aandacht aan de financiële geletterdheid. Ik kan
wel toezeggen dat ik ga verkennen of financiële geletterdheid bij het
volgende PISA-onderzoek kan worden meegenomen. Sowieso staat al de
toezegging dat ik jaarlijks ga rapporteren over het verloop van de
implementatie van het nieuwe curriculum.
D66 vroeg wanneer de verkenning naar de doorstroomtoets komt. Die komt
voor het einde van het jaar.
Kunnen docenten al direct aan de slag met lezen en schrijven in het
nieuwe curriculum? Er staat docenten niets in de weg om ermee aan de
slag te gaan. Het is beschikbaar en ze kunnen ermee aan de slag. Het mag
dus nu; dat is heel goed nieuws.
Dan de referentieniveaus uit 2010. De kerndoelen voor Nederlands en
rekenen en wiskunde zijn inderdaad een stuk concreter, maar ze
beschrijven geen beheersingsniveaus. SLO heeft geadviseerd om een aantal
kerndoelen te specificeren, juist als houvast om het onderwijs te kunnen
vormgeven en ook voor toetsing. De komende tijd wordt er een
werkopdracht gemaakt om de referentieniveaus te herijken die SLO, Cito
en CvTE gaan uitvoeren. De eerste opbrengsten van de werkopdracht worden
met uw Kamer gedeeld.
Moorman en Rooderkerk vroegen waarom we de twee-plus-eenstructuur op
wetsniveau verankeren. Dat heeft te maken met de harmoniseringsslag die
in de wetgeving heeft plaatsgevonden. Ik probeerde dat al uit te leggen.
In de Wet voortgezet onderwijs 2020 had de formulering op wetsniveau
slechts betrekking op de onderwerpen die in de kerndoelen aan de orde
moesten komen. Met deze herziening is ervoor gekozen om al op wetsniveau
te verankeren welke onderwerpen het onderwijs moet omvatten. Dat is dus
een scherpere formulering op wetsniveau. Dat maakt ook dat op wetsniveau
de keuze moet worden gemaakt wat verplicht is. Als we op wetsniveau geen
keuze maken, dan betekent dit dat alle vijf de kunstdisciplines moeten
worden aangeboden. Dan heeft de regering niet meer de ruimte om bij AMvB
een andere keuze te maken.
Mevrouw Moorman zei dat er scholen zijn die op basis van ideologie
bepaalde kunstdisciplines niet aanbieden en vroeg: hoe gaat u daarmee
om? Met de nieuwe structuur worden twee disciplines verplicht en kunnen
scholen een keuze maken binnen de andere drie disciplines. Mevrouw
Moorman stelt dat ze de keuzevrijheid voor scholen kan volgen wanneer de
keuze op grond van overladenheid wordt gemaakt, maar vindt het kwalijk
als deze keuze wordt gemaakt op basis van religieuze overtuigingen. Daar
ga ik niet in mee. Als de wetgever deze ruimte biedt, dan staat het
scholen vervolgens vrij om binnen deze drie disciplines een keuze te
maken. Dat kan op basis van pedagogisch-didactische overwegingen, maar
ook op basis van de richting van de school. Die ruimte geeft de wetgever
met deze keuze. Dat is dus dezelfde ruimte als in de huidige situatie
het geval is. Als we nu alle disciplines gaan verplichten, verzwaren we
daarmee het curriculum. Daar kies ik niet voor, zoals ik heb uitgelegd,
hoezeer ikzelf, net als mevrouw Moorman, ook voorstander ben van het
aanbieden alle kunstdisciplines. In onze bredere monitoring van de
kerndoelen nemen we mee welke disciplines worden aangeboden op school.
Aan de hand daarvan kunnen we wat mij betreft dan verder het gesprek met
elkaar voeren.
De voorzitter:
Nog één vraag, mevrouw Moorman. Gaat uw gang.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Zegt de staatssecretaris hiermee dus dat het prima is als er op een
school niet gedanst mag worden vanuit ideologische overwegingen?
Staatssecretaris Becking:
Nee, dat bedoelde ik niet te zeggen. Ik bedoel te zeggen dat het aan de
scholen zelf is om hun afweging te maken op basis van hun populatie, hun
achtergrond en hun visie. Hoe dat gemotiveerd wordt, weet ik natuurlijk
niet, want dat is aan elke school of elk bestuur zelf.
De voorzitter:
Heel kort.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Maar dat kan er dus toe leiden dat er niet gekozen wordt voor het
aanbieden van dans, omdat men vindt dat dat vanuit ideologische
overwegingen niet kan. Eigenlijk zegt de staatssecretaris dus: ja, dat
mag binnen de wet en daarmee vinden we dat dus oké.
Staatssecretaris Becking:
Ja, dat is een heel concreet voorbeeld. Ik wil het graag houden bij de
vrijheid die elke school heeft om vanuit de onderwijsvrijheid zelf
keuzes te maken. Hoe dat dan precies zit met dans of identiteit, dat kan
ik zo niet waarderen.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ik hoor dat de staatssecretaris zegt: de situatie in de huidige wet
willen we hetzelfde houden als in de vorige wet, dus we proberen daar op
deze manier recht aan te doen. Kan de staatssecretaris dan bij de
komende jaarlijkse evaluatie monitoren wat dit doet met het aanbod van
dans en theater op scholen? Wij willen namelijk niet dat dit ertoe leidt
dat dit minder plaats zal vinden, omdat wij vinden dat scholen daar
aandacht aan moeten kunnen blijven besteden. De staatssecretaris zegt
dat scholen dat ook nog steeds mogen doen. Kan hij hier dan wel zicht op
blijven houden?
Staatssecretaris Becking:
Dat wil ik wel toezeggen, voorzitter. Dank.
De voorzitter:
Dank u wel. Gaat u verder met de beantwoording.
Staatssecretaris Becking:
Dan kom ik bij de appreciatie van de moties. De motie op stuk nr. 26 is
overbodig. Die motie vraagt om onderzoek naar twee zaken, waar ik nu al
antwoord op kan geven. Het goede nieuws is dat leesbevordering in
lerarenopleidingen zal gebeuren, doordat in de opleidingen het nieuwe
curriculum, waar lezen een belangrijk onderdeel van is, zal worden
ingericht. Op de lerarenopleiding is de leeslijst ook expliciet aan de
orde in het opleidingsberaad leraren. Het is onderdeel van de
kennisbasis waar lerarenopleidingen hun opleidingen op baseren.
Dan het gratis lidmaatschap. In Nederland is iedereen tot 18 jaar gratis
lid van de bibliotheek. Er zijn ruim 200.000 leraren werkzaam in het
funderend onderwijs. Een abonnement kost ongeveer €50 per jaar. Dan kunt
u dus uitrekenen — u bent goed in rekenen — dat dit op 10 miljoen euro
per jaar komt. Daarom zie ik de motie als overbodig, behalve als u
wellicht nog nadere informatie wilt.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 26 krijgt de appreciatie overbodig. Dan is het aan
de indiener om te bepalen wat zij met deze motie doet. Gaat uw gang.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Ik vind het heel jammer dat ie overbodig krijgt, want wij hebben hier in
de Kamer gewoon geen inzicht in hoe het gaat met de leesbevordering op
de lerarenopleidingen, waar een heel erg grote verscheidenheid aan is.
Tegelijkertijd zien we wel dat meer dan de helft van de leraren in de
vrije tijd niet leest en dat ook niet heeft meegekregen. Dus dan denk
ik: er is nogal wat mis met de leesbevordering op de opleidingen. Het
lijkt mij dus zeer zinvol om daar wel degelijk nader onderzoek naar te
doen. Ik kan me niet voorstellen dat dat overbodig is.
Staatssecretaris Becking:
Ik zei eigenlijk: het goede nieuws is dat er in de lerarenopleidingen al
gekeken wordt hoe dat een plek kan krijgen. In het nieuwe curriculum
wordt natuurlijk ook naar de lerarenopleidingen gekeken, en daarin
krijgt dit ook een plek. Ik wilde dus eigenlijk alleen maar zeggen: dat
gebeurt al. Ik wil het belang ervan niet wegschuiven, maar het is juist
een punt dat al gebeurt. In het opleidingsberaad voor leraren is de
leeslijst nu ook expliciet aan de orde. Dat zit dus verweven in de
opleiding van leraren. Daarom vond ik 'm overbodig.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Dan ga ik 'm denk ik herschrijven, want de Kamer is er tot op dit moment
zeker niet van op de hoogte, en zou hier wel van op de hoogte gebracht
willen worden. Ik zou 'm dan dus graag willen herformuleren, met daarbij
de vraag hoe een abonnement op de bibliotheek kan bijdragen en het
verzoek dat wij hiervan op de hoogte worden gehouden. Fijn dat de
staatssecretaris voor mij heeft uitgerekend hoeveel het kost, maar laten
we gewoon kijken wat een abonnement gaat bijdragen aan de
leesbevordering van leraren, en dan kunt u daarover de Kamer informeren.
Ik ga 'm dus herformuleren, voorzitter.
De voorzitter:
Dan heeft u tot en met dinsdag. Gaat u verder met de motie op stuk nr.
27.
Staatssecretaris Becking:
De motie op stuk nr. 27 gaat over een toegankelijke
bibliotheekvoorziening en is overbodig. Dit is in 2023 onderzocht naar
aanleiding van de motie-Mohandis over de duurzame verankering van de
bibliotheek op school. Hieruit bleek dat het ruim 220 miljoen euro per
jaar kost om alle scholen van een bibliotheek te voorzien. Dat geld is
er niet. Wel is vóór de zomer besloten om de bibliotheek op school vanaf
2027 structureel te financieren. Hiervoor is jaarlijks 50 miljoen
beschikbaar. De helft daarvan gaat naar scholen, de andere helft naar
bibliotheken. Van dat geld moeten bibliotheken een mooi aanbod voor
scholen verzorgen. Scholen kunnen ervoor kiezen om daar gebruik van te
maken. Vandaar: overbodig.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 27 krijgt de appreciatie overbodig.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Ook hier ben ik weer een beetje verbaasd. Kijk, met die 50 miljoen en
dan ook nog een keer de vrijwilligheid gaat dit natuurlijk de komende
tijd niet lukken. Als we dan ook nog eens zien dat er maar op 25% van de
voortgezetonderwijsscholen een schoolbibliotheek is en dat maar 25% van
de basisschoolleerlingen een boek mee naar huis mag nemen, dan is daar
dus nogal wat te doen. Mijn vraag is niet zozeer: wat kost het? Mijn
vraag is: hoe gaan we dit meer bevorderen? Want wij hebben met elkaar
allang uitgesproken dat we willen dat elke school gewoon een bibliotheek
heeft. Er moet dus gewoon meer gas op. Ik wil graag van de
staatssecretaris weten: hoe gaan we dat doen?
Staatssecretaris Becking:
Dat gehoord hebbende kan ik de motie oordeel Kamer geven; dat kan
ook.
De voorzitter:
Dan krijgt de motie op stuk nr. 27 de appreciatie oordeel Kamer. Dan de
motie op stuk nr. 28.
Staatssecretaris Becking:
De motie op stuk nr. 28, van de heer Kisteman, ontraad ik. De ambitie is
al eerder uitgesproken. Die ambitie omarm ik. De randvoorwaarden, dus
onder andere het budget, worden nog nader bekeken. Aan de hand daarvan
kunnen we het gesprek met de Kamer verder voeren.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 28 wordt ontraden. Dan de motie op stuk nr. 29.
Staatssecretaris Becking:
De motie op stuk nr. 29: ontraden. De artikelen in de Grondwet zijn
nevengeschikt. Het antwoord op uw onderzoek weten we dus al. Als u dat
anders zou willen, dan moet de Grondwet worden gewijzigd of dan moet
daarover een debat worden gevoerd.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 29 wordt onraden. De motie op stuk nr. 30.
Staatssecretaris Becking:
De motie op stuk nr. 30: overbodig. Het is al geborgd, want er is genoeg
vrije ruimte rond die regio's en dergelijke.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 30 krijgt de appreciatie overbodig.
Staatssecretaris Becking:
De motie op stuk nr. 31: overbodig. Het is een sympathieke motie, maar
hierover ligt al een vuistdik rapport. De inspectie heeft namelijk een
onderzoek uitgebracht over de schrijfvaardigheid in het voortgezet
onderwijs en in 2019 over het primair onderwijs. Daarin staat hoeveel
tijd leraren besteden aan schrijfonderwijs, waar ze tegen aanlopen en
welke aanbevelingen experts geven om het schrijfonderwijs te verbeteren.
Daarmee is de motie eigenlijk overbodig. Maar ik wil de indieners wel
meegeven dat ik het schrijfonderwijs erg belangrijk vind. Daarom komt
het ook versterkt terug in die nieuwe kerndoelen.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 31 krijgt de appreciatie overbodig.
De heer Boomsma (JA21):
Dat verbaast mij wel. Ik heb ook gezien dat het onderzocht is. Een
aantal van die rapporten is nu verschenen. Overigens, er is een nieuw
onderzoek gaande over het primair onderwijs. Dat komt pas in 2027. Maar
het gaat erom dat je veel meer aandacht moet gaan besteden aan
schrijfvaardigheid als je die wil verbeteren, en dat is hard nodig. Dan
moet je ook meer ruimte inbouwen voor leraren om de tijd te hebben om
dat zorgvuldig na te kijken. Dat gebeurt op dit moment gewoon nog niet
voldoende; dat zit er nog niet in. Opstellen nakijken is gewoon
tijdrovend. Daarom staat in de motie niet alleen om dat te onderzoeken,
maar ook om er zorg voor te dragen dat daar voldoende aandacht voor
komt.
Staatssecretaris Becking:
Ja, dank.
De voorzitter:
Ik heb het vermoeden dat u bij dezelfde appreciatie blijft.
Staatssecretaris Becking:
Ja, ik blijf bij mijn oordeel.
De voorzitter:
Ik ga het debat over deze appreciatie alleen voeren met de eerste
indiener. Of: ik ga het debat niet voeren; u mag het debat voeren met de
staatssecretaris. Meneer Boomsma, gaat uw gang.
De heer Boomsma (JA21):
Ik wil de staatssecretaris toch vragen om dat te heroverwegen. Hij zou
dit, denk ik, moeten omarmen, omdat wij met z'n allen voor de opdracht
staan om die schrijfvaardigheid te verbeteren. Daar hoort nou eenmaal
bij dat leraren echt de tijd krijgen en nemen om schrijfopdrachten goed
te kunnen nakijken. Op dit moment is dat nog niet goed geborgd. Dat
vergt gewoon de komende tijd aandacht van de Kamer, van ons
allemaal.
Staatssecretaris Becking:
Ik zou nog eens kunnen kijken of we op dit punt een soort actualisatie
kunnen vragen aan de inspectie, zodat we wat actuelere cijfers hebben
dan uit 2019 et cetera. Dat wil ik doen.
De voorzitter:
De heer Boomsma heeft nu een toezegging. De appreciatie op deze motie
blijft "overbodig". Het is aan de indiener zelf om te bepalen wat hij
samen met de collega's doet met deze motie.
De heer Boomsma (JA21):
Ik ga nog even in overleg en dan kijken we even voor de stemmingen.
De voorzitter:
Er gaat overlegd worden. Daarmee zijn we volgens mij aan het einde
gekomen …
Staatssecretaris Becking:
Ik heb er nog twee, voorzitter, van Forum voor Democratie. O, excuus!
Dat waren vragen. Die zitten verkeerd in mijn stapeltje.
De voorzitter:
Dat geeft niks. Er zijn dus nog twee openstaande vragen.
Staatssecretaris Becking:
Ja, ik heb nog twee openstaande vragen. "Waar ligt de autonomie voor het
wat in het onderwijs? Erkent de staatssecretaris dat het ten koste gaat
van de autonomie van het onderwijs als dat concreter wordt?" Mijn
antwoord daarop is: de kerndoelen zijn concreter, maar laten nog steeds
veel ruimte, niet alleen in het hoe, maar ook in het wat. Ik begrijp uw
vraag wel, maar toch is dit mijn antwoord. Neem het kerndoel
burgerschap, over ervaringen opdoen met maatschappelijke betrokkenheid.
Scholen kunnen zelf kiezen in welke domeinen leerlingen hiermee ervaring
moeten opdoen.
Voorzitter. Uw andere vraag is: hoe waarborgen we dat SLO inhoudelijk
pluriform blijft bij de burgerschapsinhouden? SLO is gebonden aan de
wettelijke burgerschapsopdracht. Die is al pluriform.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Hiermee zijn wij aan het einde gekomen van dit debat.
De algemene beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
Wij gaan aanstaande dinsdag stemmen over de ingediende moties. Let op:
wij gaan dinsdag 9 december stemmen over de amendementen en de wet. Ik
wil alle Kamerleden bedanken voor hun bijdragen en het constructieve
debat. Ik wil ook de staatssecretaris bedanken. Ik wens iedereen veilig
thuis en morgen gezond weer op. Dan schors ik de vergadering. Nee, ik
sluit de vergadering. Excuus!
Sluiting
Sluiting 20.10 uur.
ONGECORRIGEERD STENOGRAM Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden
ontleend. |
|---|