[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [šŸ§‘mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [šŸ” uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Beleidsreactie thematische evaluatie GREVIO 2025

Bijlage

Nummer: 2025D48906, datum: 2025-11-27, bijgewerkt: 2025-11-27 17:56, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Bijlage bij: Reacties op aanbevelingen GREVIO in het kader van implementatie Verdrag van Istanbul (2025D48901)

Preview document (šŸ”— origineel)


Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld

Uitgebreide beleidsreactie van de Nederlandse overheid op de aanbevelingen uit de eerste thematische evaluatie van GREVIO, Building trust by delivering support, protection and justice, ontvangen op 10 juli 2025

27 november 2025


Reactie per aanbeveling GREVIO

Onderwerp aanbeveling: Definities

Artikel Verdrag van Istanbul: 3

Omschrijving

Met verwijzing naar de bevindingen in het basisevaluatierapport van GREVIO, dringt GREVIO er bij de Nederlandse autoriteiten op aan ervoor te zorgen dat definities die worden gebruikt in beleidsdocumenten en de genomen maatregelen bij de uitvoering daarvan, duidelijker weerspiegelen dat huiselijk geweld vrouwen in onevenredige mate treft en in dit opzicht een genderdimensie heeft. Beleidsdocumenten en maatregelen moeten daarom een genderbewuste benadering van dit geweld hanteren.

GREVIO dringt er bij de Nederlandse autoriteiten op aan om de definities van ā€˜huiselijk geweld’ in de Nederlandse wetgeving af te stemmen en te harmoniseren met de vereisten van Artikel 3b van het Verdrag van Istanbul. Dit houdt onder meer in dat economische geweldsvormen worden erkend als vormen van huiselijk geweld en dat geweld gepleegd door een lid van de familie, het huishouden of een (ex-)partner, ongeacht of de dader al dan niet samenwoont of heeft samengewoond met het slachtoffer, wordt meegenomen.

Beleidsreactie

De aanbevelingen van GREVIO onderstrepen het belang van een gendersensitieve benadering van huiselijk geweld en geweld tegen vrouwen. Nederland besteedt hier in recente beleidsprogramma’s al bewust aandacht aan, zoals GREVIO ook opmerkt. Zo wordt nadrukkelijk het verband gelegd tussen genderongelijkheid en huiselijk geweld in het nationaal actieprogramma Aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld (2023) en in het plan van aanpak Stop femicide! (2024).

Daarnaast bereidt de Nederlandse regering momenteel de Implementatiewet voor, gericht op de EU-richtlijn ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld1 (hierna: EU-richtlijn). Het aanscherpen van de definitie van huiselijk geweld en het toevoegen van een definitie van geweld tegen vrouwen in nationale wetgeving is hier onderdeel van. De nieuwe definitie omvat ook economische geweldsvormen, al valt economisch geweld ook al onder de huidige definitie van huiselijk geweld in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo). De Implementatiewet is op het moment van schrijven van deze beleidsreactie in consultatie bij het veld. Hierdoor is het niet mogelijk om in deze beleidsreactie verder in te gaan op de precieze inhoudelijke uitwerking van de aangescherpte wettelijke definities van huiselijk geweld en geweld tegen vrouwen.

GREVIO stelt ook dat in de definitie van huiselijk geweld in de Wmo, evenals in de Wet tijdelijk huisverbod, geĆ«xpliciteerd dient te worden dat huiselijk geweld ook gepleegd kan worden door iemand die niet op hetzelfde adres verblijft als het slachtoffer. Voor de Wmo volgt dit uit de gehanteerde definitie, waarin ā€˜huiselijke kring’ een sociaal construct is en niet gerelateerd is aan een locatie (huiselijk geweld betreft dus niet alleen geweld dat in de woning of verblijfplaats van het slachtoffer plaatsvindt). Ook volgt dit uit de memorie van toelichting van deze wet. Voor de Wet tijdelijk huisverbod wordt momenteel verkend en beproefd hoe het ā€˜anders dan incidenteel’-criterium van deze wet kan worden verhelderd. Ook wordt hierbij verkend hoe het tijdelijk huisverbod en andere bestuursrechtelijke beschermingsmaatregelen kunnen worden ingezet als de vermoedelijke pleger van huiselijk geweld en kindermishandeling niet op hetzelfde adres verblijft als het vermoedelijke slachtoffer. Op basis van deze verkenning zal worden bezien of en hoe wet- en regelgeving kan worden gewijzigd.

De nationale wetgeving, waaronder de Wmo, vormt het kader voor zowel het rijksbeleid als voor het lokale gemeentelijke beleid. Met het aanscherpen van definities in nationale wetgeving beoogt de Nederlandse regering dat deze landelijk en lokaal consequent worden doorgevoerd. Met als doel de realisatie van een eenduidige, samenhangende en gendersensitieve aanpak van huiselijk geweld, kindermishandeling en geweld tegen vrouwen op alle bestuursniveaus. De aangepaste wetgeving dient uiterlijk 14 juni 2027 in werking te zijn getreden, conform de EU-richtlijn.

Onderwerp aanbeveling: Gecoƶrdineerd beleid

Artikel Verdrag van Istanbul: 7

Omschrijving

GREVIO spoort de Nederlandse autoriteiten aan om:

  1. ervoor te zorgen dat alle beleidsmaatregelen ter preventie en bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld worden gecoƶrdineerd, ook bij gemeenten, en dat alle vormen van geweld tegen vrouwen zoals bedoeld in het Verdrag van Istanbul (inclusief economisch geweld en gedwongen sterilisatie) worden aangepakt;

  2. ervoor te zorgen dat deze beleidsmaatregelen rekening houden en integreren met de perspectieven van vrouwen die mogelijk worden blootgesteld aan intersectionele discriminatie;

  3. de coördinerende taak toe te wijzen aan volledig geïnstitutionaliseerde instanties met duidelijke mandaten, bevoegdheden en voldoende personele en financiële middelen, en dat deze instanties in overleg met relevante maatschappelijke organisaties opereren en worden ondersteund door adequate data;

  4. dit beleid regelmatig te evalueren op basis van vooraf bepaalde indicatoren om de effectiviteit te meten en het beleid te baseren op betrouwbare gegevens;

  5. ervoor te zorgen dat NGO’s die met vrouwelijke slachtoffers van geweld werken regelmatig worden betrokken bij beleidsvorming, monitoring en evaluatie om gebruik te maken van hun expertise.

Beleidsreactie

Sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Istanbul op 1 maart 2016 stelde de Nederlandse regering diverse nationale actieprogramma’s vast gericht op de aanpak van gendergerelateerd geweld vast. Belangrijke voorbeelden hiervan zijn: Geweld hoort nergens thuis (2017), Actieagenda schadelijke praktijken (2020), Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming (2021), Nationaal Actieprogramma Aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld (2023) en Stop femicide! (2024). GREVIO geeft in haar evaluatie aan deze inzet te waarderen. Maar benadrukt ook het belang van meer coƶrdinatie tussen deze programma’s om het risico op gefragmenteerd beleid te voorkomen.

Nederland heeft een onderzoek laten uitvoeren naar de coƶrdinatie, implementatie, monitoring en evaluatie van de aanpak van huiselijk geweld, kindermishandeling en geweld tegen vrouwen. De onderzoekers consulteerden hiervoor 47 betrokken partijen, waaronder uitvoeringsorganisaties, NGO’s en andere relevante stakeholders. De uitkomsten van dit onderzoek bevatten scenario’s over hoe de coƶrdinatie van de aanpak kan worden versterkt. Het onderzoek is in het najaar van 2025 afgerond en de conclusies hiervan worden meegenomen in het implementatietraject van de EU-richtlijn.

Relevant is ook artikel 22 uit de EU-richtlijn, waaruit volgt dat lidstaten ƩƩn of meer organen dienen aan te wijzen die zich bezighouden met het publiceren van verslagen en het doen van aanbevelingen over huiselijk geweld, kindermishandeling en geweld tegen vrouwen, en het uitwisselen van informatie met relevante Europese organisaties. Verschillende organisaties en instituten besteden momenteel al aandacht aan deze taken, waaronder de betrokken ministeries, diverse uitvoeringsorganisaties, kennisinstituten, NGO’s, de Vereniging voor Nederlandse Gemeenten en de Regeringscommissaris voor Seksueel Grensoverschrijdend Gedrag en Seksueel Geweld. Er bestaat echter nog geen formeel aangewezen nationaal orgaan dat deze taken structureel en integraal uitvoert. Het inrichten van een wettelijke grondslag voor een dergelijk orgaan is daarom opgenomen in het implementatiewetsvoorstel van de EU-richtlijn.

De EU-richtlijn vraagt ook om nationale actieplannen. Bij de ontwikkeling van deze actieplannen zal rekening worden gehouden met de belangen van vrouwen die worden blootgesteld aan intersectionele discriminatie, bijvoorbeeld op basis van etniciteit, geloof of seksuele gerichtheid.

De consultatie van NGO’s en andere organisaties is onderdeel van het implementatietraject van de EU-richtlijn. Dit gebeurt ook standaard bij andere wetgevingstrajecten, zoals bij het wetsvoorstel gericht op de afzonderlijke strafbaarstelling van psychisch geweld dat momenteel in voorbereiding is. Daarnaast regelt het implementatiewetsvoorstel van de EU-richtlijn de betrokkenheid van maatschappelijke organisaties vanuit een nationale plancyclus. Vertegenwoordigers van belangenorganisaties, hulpverleningsinstellingen en NGO’s worden geconsulteerd voordat deze plancyclus wordt ingericht.

Onderwerp aanbeveling: Financiƫle middelen

Artikel Verdrag van Istanbul: 8

Omschrijving

GREVIO spoort de Nederlandse autoriteiten sterk aan om voldoende en duurzame financiering te waarborgen voor vrouwenrechten-NGO’s die gespecialiseerde hulpverlening bieden aan vrouwelijke slachtoffers van alle vormen van geweld. Dit moet ook kleinere gemeenschapsgerichte NGO’s omvatten. Financieringsmogelijkheden moeten continuĆÆteit in dienstverlening ondersteunen, bijvoorbeeld via lange termijn subsidies. Aanbestedingsprocedures moeten kwalitatieve criteria bevatten, waaronder een gendersensitieve benadering en expertise in de dienstverlening.

GREVIO spoort de Nederlandse autoriteiten sterk aan om:

  1. voldoende, passende en duurzame financiering toe te wijzen aan beleid, programma’s en maatregelen tegen alle vormen van geweld tegen vrouwen, zowel op landelijk als gemeentelijk niveau;

  2. in alle relevante ministeries en overheidsinstanties aparte begrotingsposten op te nemen voor dit beleid, gebaseerd op het principe van genderbegroting.

Beleidsreactie

Nederland onderschrijft het belang van voldoende en duurzame financiering voor de aanpak van huiselijk geweld, kindermishandeling en geweld tegen vrouwen. In Nederland ligt uitvoering van deze aanpak voornamelijk bij gemeenten, die deze taak uitvoeren binnen het wettelijke kader van de Wmo. Het Rijk verstrekt hiervoor aan gemeenten structurele middelen vanuit het gemeentefonds, de Decentralisatie-Uitkering Vrouwenopvang en andere uitkeringen. Gemeenten hebben beleidsvrijheid bij het uitgeven van deze middelen, zodat zij op lokaal niveau een maatwerkaanpak kunnen ontwikkelen die aansluit bij de lokale opgave. Ook worden de politie en justitieorganisaties door de Rijksoverheid gefinancierd. De Nederlandse regering acht de huidige financiering van de aanpak vanuit het Rijk voldoende stabiel en duurzaam, in lijn met het Verdrag van Istanbul.

Het kabinet heeft zowel bij het opstellen van de begroting als bij de verantwoording oog voor de brede ontwikkelingen in de samenleving, waaronder gendergelijkheid. Deze brede blik op de samenleving wordt ook wel brede welvaart genoemd. Afgelopen jaren heeft het kabinet stappen gezet om brede welvaart te integreren in de begrotings- en verantwoordingscyclus. Een terugblik op de ontwikkeling van het welzijn in Nederland past bij een lerende overheid. Dit vereist meer dan economische kengetallen. Op Verantwoordingsdag wordt, tegelijk met de verantwoordingsstukken van het kabinet, ook de Monitor Brede Welvaart en de Sustainable Development Goals van het Centraal Bureau van de Statistiek (CBS) gepubliceerd. In deze Monitor heeft gendergelijkheid een prominente plek gekregen. Vanaf volgend jaar worden ook de factsheets brede welvaart van het CBS op Verantwoordingsdag gepubliceerd. Hierin worden indicatoren direct of indirect gerelateerd aan departementale begrotingen en het beleidsterrein. Met de integratie van brede welvaart in begrotingsstukken neemt het kabinet een stap om gender meer aandacht te geven in begrotingen.

Onderwerp aanbeveling: Gegevensverzameling

Artikel Verdrag van Istanbul: 11

Omschrijving

Met verwijzing naar eerdere bevindingen dringt GREVIO er bij de Nederlandse autoriteiten sterk op aan om:

  1. gegevenscategorieƫn in de justitie- en politiewereld aan te passen, zodat ze informatie bevatten over geslacht en leeftijd van slachtoffer en dader, onderlinge relatie, geografische locatie en type geweld;

  2. gegevens te verzamelen over het aantal vrouwen, meisjes en meekomende kinderen dat contact opneemt met Veilig Thuis vanwege geweldservaringen, uitgesplitst naar type geweld, geslacht, leeftijd en relatie tot de dader;

  3. dataverzameling binnen de gezondheidszorgsector te harmoniseren zodat gegevens van zowel publieke als private zorgverleners contactmomenten met slachtoffers omvatten;

  4. ervoor te zorgen dat verzameling, opslag en verwerking van gegevens voldoen aan de normen inzake gegevensbescherming zoals vastgelegd in het Verdrag van de Raad van Europa (ETS nr. 108), om de vertrouwelijkheid en privacy van alle betrokkenen te waarborgen.

Beleidsreactie

Als onderdeel van de implementatie van het Verdrag van Istanbul heeft Nederland in 2019 de Impactmonitor Huiselijk Geweld en Kindermishandeling ingericht. Deze monitor bevat gecombineerde data van onder meer de politie, justitieorganisaties, Veilig Thuis en het jeugddomein. GREVIO beveelt aan om de bestaande monitor uit te breiden met bijvoorbeeld de zorgsector. En om de data, gegevens en monitoring vanuit de aangesloten domeinen verder te harmoniseren.

Nederland heeft de afgelopen jaren stappen gezet in het verder verbeteren van dataverzameling over huiselijk geweld, kindermishandeling en geweld tegen vrouwen. Een belangrijke verbetering uit 2024 is het toevoegen van een wettelijke grondslag aan de Verzamelwet Gegevensverwerking VWS. Hierdoor ontstaat voor het Centraal Bureau voor de Statistiek (hierna: CBS) de mogelijkheid om data vanuit Veilig Thuis met behulp van het burgerservicenummer (hierna: bsn) op een veilige, niet tot personen herleidbare wijze te koppelen aan andere CBS-databestanden. Het CBS is hierdoor in staat om data van Veilig Thuis te verrijken. Zo kan het CBS meer inzicht krijgen in de achtergronden van slachtoffers en plegers van huiselijk geweld en kindermishandeling en de geleverde hulp, zorg en eventuele justitiële interventies. Dit is nodig om het beleid en de aanpak op de langere termijn te verbeteren. Momenteel wordt deze wetswijziging in de praktijk geïmplementeerd. Dit gebeurt met de hoogste zorgvuldigheid ten aanzien van privacy en dataveiligheid. De eisen hiervoor zijn vastgelegd in de Wet op het Centraal Bureau voor de Statistiek. Het CBS voldoet hiermee aan de geldende Europese standaarden ten aanzien van het anoniem verwerken van en rapporteren over de bij haar beschikbare data.

Daarnaast werkt het CBS samen met de aangesloten sectoren en betrokken ministeries aan de doorontwikkeling van de Impactmonitor. De belangrijkste verbeterpunten zijn het opschonen van dubbele data, om zo (technisch) ruimte te maken voor het toevoegen van nieuwe datacategorieĆ«n en heldere overzichtspagina’s. Een nieuw voornemen is het toevoegen van de geografisch locatie van geweld en deze te koppelen aan bestaande data over huiselijk geweld. Een ander voornemen is het verrijken van bestaande gegevens met de woonsituatie en met de (vermoedelijke) relationele status van betrokkenen bij huiselijk geweld en geweld tegen vrouwen.

Een volgende stap is het verkrijgen van meer inzicht in hoe slachtoffers van geweld in het bredere zorgdomein worden geholpen. Dit is een complexe uitdaging, omdat het zorgdomein met alle publieke en private zorgverleners bestaat uit een zeer gevarieerde doelgroep met eigen registratiesystemen, indicatoren en rapportages die zich niet eenvoudig laten harmoniseren. Nederland kampt daarbij met grote personele uitdagingen in de zorg. Om deze hanteerbaar te houden hebben de zorgsectoren in het Integraal Zorg Akkoord afgesproken dat de uitvoeringspraktijk niet met meer bureaucratische eisen moet worden belast dan strikt noodzakelijk is. De betrokken ministeries voeren gesprekken met het CBS over hoe het zorgdomein meer kan worden betrokken bij de gegevensverzameling over huiselijk geweld, zonder dat dit leidt tot extra regeldruk.

Politieregistratie data bevatten reeds informatie over het geslacht en de leeftijd van vermoedelijke slachtoffers en verdachten, hun onderlinge relatie, de geografische locatie en het type geweld (delict, in combinatie met maatschappelijke classificaties voor huiselijk geweld en kindermishandeling). Registratiedata van het Openbaar Ministerie (hierna: OM) bevatten op zaaksniveau informatie over het geslacht en de leeftijd van verdachten of daders, de geografische locatie en het type geweld (delict, in combinatie met maatschappelijke classificaties voor huiselijk geweld en kindermishandeling). Ook registreert het OM vrouwelijk slachtofferschap bij geweldsdelicten. Met de politie, het OM en het CBS zal worden verkend op welke wijze deze data op geaggregeerd niveau verder inzichtelijk gemaakt kan worden voor huiselijk geweld, kindermishandeling en geweld tegen vrouwen, in lijn met de vereisten van het Verdrag van Istanbul en de EU-Richtlijn inzake de bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld. Tevens zal worden verkend in hoeverre routes van verdachten of daders en (vermoedelijke) slachtoffers in de zorg- en veiligheidsketen op geaggregeerd niveau in beeld gebracht kunnen worden, ten behoeve van verdiepend onderzoek en beleidsevaluatie.

Onderwerp aanbeveling: Algemene verplichtingen

Artikel Verdrag van Istanbul: 12

Omschrijving

GREVIO verwelkomt de verscheidenheid aan bewustmakingsmaatregelen en campagnes met een sterke focus op gendergelijkheid, en moedigt de Nederlandse autoriteiten aan om bredere preventieve maatregelen te nemen voor vormen van geweld tegen vrouwen die momenteel niet via primaire preventie worden aangepakt, in het bijzonder partnergeweld. Dit geweld moet worden behandeld als een wijdverspreid maatschappelijk probleem dat alle lagen van de bevolking treft, en moet worden gebruikt om maatschappelijke opvattingen, culturele normen en genderstereotypen die zijn geworteld in de veronderstelde inferioriteit van vrouwen, aan te vechten. De impact van bewustmakingscampagnes moet regelmatig worden geƫvalueerd.

Beleidsreactie

Nederland zet breed in op preventie en bewustwording van gendergerelateerd geweld, zoals GREVIO ook opmerkt. De aanpak van gendergerelateerd geweld richt zich op het bevorderen van gendergelijkheid en het tegengaan van seksisme, stereotypering en schadelijke opvattingen die kunnen leiden tot geweld. Dit gebeurt met publiekscampagnes, voorlichting voor specifieke doelgroepen, structurele aandacht voor gendergelijkheid in het onderwijs en vanuit landelijke beleidsprogramma’s, waaronder de Het Nationaal Actieprogramma Aanpak Seksueel Grensoverschrijdend Gedrag en Seksueel Geweld (2023). Recent startte de publiekscampagne ā€œMan, zeg er wat van!ā€, om mannen aan te moedigen om zich binnen hun eigen sociale kring uit te spreken tegen seksueel grensoverschrijdende opmerkingen. Ook startte onlangs een nieuwe landelijke campagne getiteld ā€œwaar ben je?ā€ met als doel om bewustwording te vergroten over dwingende controle en om mensen informatie te bieden wat ze kunnen doen als zij vermoeden dat hiervan sprake is. Deze landelijke campagne sluit aan bij de lokale campagnes Is dit liefde?, gericht op intieme terreur bewustwording over de rode vlaggen van (dreigende) femicide.Ā De impact van bewustwordingscampagnes van de Rijksoverheid worden standaard geĆ«valueerd.

De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap stuurde in juni 2025 de nieuwe Emancipatienota Veilig Meedoen naar de Tweede Kamer, met daarin maatregelen gericht op het bevorderen van gelijkheid van mannen en vrouwen. Het bevorderen van gendergelijkheid draagt – zoals GREVIO benoemt - bij aan het tegengaan van gendergerelateerd geweld. Naast emancipatiemaatregelen op bijvoorbeeld het terrein van arbeid en zorg die indirect bijdragen aan het voorkomen van gendergerelateerd geweld, bestaan er diverse initiatieven die zich specifiek richten op het voorkomen van gendergerelateerd geweld door schadelijke normen en opvattingen bespreekbaar te maken en te veranderen. Actuele voorbeelden hiervan zijn de allianties Act4Respect en Verandering van Binnenuit. Echter, dit zijn tijdelijke projecten die niet landelijk dekkend zijn. Voor de implementatie van de Europese richtlijn ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld zal in kaart worden gebracht wat er nodig is voor een duurzame en landelijk dekkende aanpak m.b.t. de primaire preventie van geweld tegen vrouwen.

De Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek financiert momenteel een nationaal onderzoeksprogramma over een effectieve en preventieve aanpak van seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld , als onderdeel van de Nationale Wetenschapsagenda. Hierin borgen onderzoekers, maatschappelijke organisaties en hulpverleners bestaande kennis en ontwikkelen ze nieuwe inzichten over effectieve interventies en preventiestrategieƫn als onderdeel van een brede maatschappelijke aanpak van seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld.

Onderwerp aanbeveling: Onderwijs

Artikel Verdrag van Istanbul: 14

Omschrijving

GREVIO spoort de Nederlandse autoriteiten sterk aan om maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat scholen onderwijs geven over alle elementen zoals vermeld in Artikel 14 van het Verdrag van Istanbul, binnen het verplichte curriculum, en om te beoordelen of en in hoeverre relevant lesmateriaal wordt gebruikt.

GREVIO spoort de Nederlandse autoriteiten aan om ervoor te zorgen dat leraren zich bewust zijn van en voldoen aan hun verplichting om vermoedens van geweld tegen een kind te melden volgens de Meldcode.

GREVIO moedigt de Nederlandse autoriteiten aan om meer inspanningen te leveren om kinderen op een leeftijds-adequate manier te onderwijzen over het belang van vrijwillige toestemming bij seksuele relaties, bewustwording te creĆ«ren over de schadelijke effecten van gewelddadige pornografie en het delen van intieme beelden, en om een volledig overzicht te geven van het concept ā€œgeweld tegen vrouwenā€ met nadruk op de onderliggende principes die alle vormen van geweld delen.

Beleidsreactie

Op nationaal niveau wordt in wettelijke kerndoelen (beoogd curriculum) en examenprogramma’s op hoofdlijnen vastgelegd wat scholen in het primair onderwijs en het voortgezet onderwijs leerlingen moeten leren.

De kerndoelen en examenprogramma’s voor het primair- en voortgezet onderwijs worden op dit moment door Stichting Leerplan Ontwikkeling (hierna: SLO) geactualiseerd. In de geactualiseerde kerndoelen voor het primair onderwijs en de onderbouw van het voortgezet onderwijs wordt onder meer binnen de leergebieden Digitale Geletterdheid, Burgerschap, Mens en Maatschappij en Mens en Natuur aandacht voor thema’s vastgelegd waar artikel 14 van het Verdrag van Istanbul om vraagt. De inhoud van deze leergebieden wordt vervolgens door Stichting Leerplan Ontwikkeling uitgewerkt in leeftijdsadequate leerlijnen. Leerkrachten en leermiddelenmakers kunnen deze benutten bij de vormgeving van onderwijs en educatief aanbod.

In het nieuwe leergebied Digitale Geletterdheid leren leerlingen onder andere online risico’s herkennen, het omgaan met ongepaste content, en wordt aandacht besteed aan het bevorderen van digitale weerbaarheid bij leerlingen. Bij het eveneens nieuwe leergebied Burgerschap leren leerlingen onder meer over respectvolle omgang met elkaar en met verschillen onderling, ook in relatie tot geslacht, en over het herkennen van en reflecteren op stereotyperend denken en gedrag. Bij het leergebied Mens en Maatschappij moeten scholen aandacht besteden aan het stimuleren van veilige omgang, het respectvol leren omgaan met seksualiteit en het bespreekbaar maken van wensen en grenzen. Ook bij het leergebied Mens en Natuur wordt geacht dat leerlingen (onderbouw vo) inzicht tonen in relationele en seksuele gezondheid en dat zij bijdragen aan een veilige en respectvolle omgeving rondom gedrag, diversiteit en seksualiteit. In de bovenbouw van het voortgezet onderwijs werken scholen niet met kerndoelen, maar met eindtermen die per vak vastliggen in de examenprogramma’s. Ook de examenprogramma’s worden geactualiseerd op basis van het Verdrag van Istanbul. In het conceptexamenprogramma van maatschappijleer zijn bijvoorbeeld eindtermen terug te vinden die gaan over sociale (on)gelijkheid, stereotypes, rolpatronen en conflicten. De inhoud van deze leergebieden wordt waar passend en relevant, verwerkt in de overige vakken. Zo krijgt iedere leerling, ongeacht vak- of profielkeuze, een gelijke basis in deze thema’s.

Naast de kerndoelen stelt ook de wettelijke burgerschapsopdracht dat scholen in het funderend onderwijs kennis van en respect voor diversiteit stimuleren. De wettelijke burgerschapsopdracht en kerndoelen burgerschap zijn twee verschillende wettelijke eisen aan scholen, die op verschillende plaatsen in de wet zijn geregeld, maar ze vullen elkaar wel aan.

Aan de inhoud van de conceptkerndoelen (en examenprogramma’s) ligt een uitgebreide en zorgvuldige afweging ten grondslag die gemaakt is door teams van leraren en experts. Scholen hebben vervolgens de vrijheid om te bepalen hoe zij invulling geven aan die kerndoelen, zoals vastgelegd in artikel 23 van de Grondwet. In de praktijk is te zien dat thema’s als consent en online weerbaarheid een belangrijk onderdeel zijn van de meest gebruikte lespakketten relationele en seksuele vorming die in Nederland beschikbaar zijn. Ondanks dat de kerndoelen zich richten op thema’s die bijdragen aan de preventie van gendergerelateerd geweld, is er in het verplichte curriculum geen expliciete aandacht voor gendergerelateerd geweld zoals vermeld in Artikel 14 van het Verdrag van Istanbul.

Gezien het feit dat het curriculum zich in de laatste fase van de actualisatie bevindt, wordt het op dit moment niet wenselijk geacht om vanuit de Rijksoverheid verdere toevoegingen aan het wettelijk verplicht curriculum te doen of scholen de opdracht te geven specifieke thema’s of definities te behandelen. Wel wordt op korte termijn een ambtelijke verkenning gestart waarin uiteen wordt gezet welke mogelijkheden er bestaan, binnen de kaders van de wet, om scholen aandacht te laten besteden aan gendergerelateerd geweld. Hiervoor is het streven om samenwerking op te zoeken met en te leren van Europese landen die dit wel al in het onderwijs hebben verankerd. Dit draagt bovendien ook bij aan de implementatie van de EU-richtlijn ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, die naast het onderwijs ook ziet op voorlichting en bewustwording over geweld tegen vrouwen in andere onderdelen van de samenleving.

Wegens de eerder genoemde grondwettelijke beperking kan de Nederlandse Rijksoverheid niet beoordelen in hoeverre scholen relevant lesmateriaal gebruiken, die vrijheid is immers aan hen. Wel worden op dit moment verschillende maatregelen genomen om te stimuleren dat scholen gebruik maken van zoveel mogelijk wetenschappelijk onderbouwde en leeftijdsadequate materialen. Zo is de inzet om een kwaliteitsalliantie voor leermiddelen op te richten waarin wordt gewerkt aan kwalitatief goede leermiddelen en een effectieve inzet daarvan.Ā Daarnaast wordt met diverse partijen, waaronder Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek en SLO, gesproken om een landelijk kwaliteitskader voor leermiddelen te ontwikkelen, gebaseerd op wetenschappelijke inzichten, met input van de kwaliteitsalliantie en aansluitend op de vernieuwde kerndoelen.Ā 

Daarnaast heeft het ministerie van OCW recent in samenwerking met expertorganisaties als Rutgers, SOA Aids Nederland, Offlimits, Fonds Slachtofferhulp en Stichting School & Veiligheid de wegwijzer Seksualiteit online geactualiseerd. De wegwijzer biedt onderwijsprofessionals in het primair, voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs praktische handvatten bij incidenten van online seksueel grensoverschrijdend gedrag. Daarnaast biedt de wegwijzer een uitgebreid overzicht van preventieve hulpmiddelen:zowel hulpmiddelen die scholen zelf kunnen toepassen als die scholen extern kunnen inschakelen. Bij elk hulpmiddel is het duidelijk voor welk thema je het inzet en voor welke leeftijd die geschikt is. Pornografie en het veilig delen van intieme delen zijn thema’s die ook aan bod komen. In de wegwijzer zijn ook handreikingen opgenomen voor professionele ontwikkeling van docenten, beleidsvorming en ouderbetrokkenheid.

Tot slot investeert het ministerie van OCW dit jaar in gerichte deskundigheidsbevordering van onderwijsprofessionals. Hierbij is bijzondere aandacht voor de toepassing van de Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, de rol van Veilig Thuis en voor de verdere scholing van aandachtsfunctionarissen op scholen.

Onderwerp aanbeveling: Opleiding van professionals

Artikel Verdrag van Istanbul: 15

Omschrijving

Met verwijzing naar eerdere bevindingen en gezien de blijvende tekortkomingen op het gebied van training van professionals – die cruciaal zijn voor een ondersteunend, beschermend en rechtvaardig systeem – dringt GREVIO er bij de Nederlandse autoriteiten op aan om de opleiding van alle professionals die met slachtoffers van geweld tegen vrouwen werken, op te voeren. Dit betreft alle vormen van geweld die door het Verdrag van Istanbul worden bestreken, inclusief de digitale dimensie ervan. De opleiding moet vergezeld gaan van gestandaardiseerde protocollen gericht op identificatie, ondersteuning en doorverwijzing naar algemene en gespecialiseerde diensten, en regelmatig worden geĆ«valueerd. De focus moet liggen op mensenrechten van slachtoffers, hun veiligheid, individuele behoeften, empowerment en het voorkomen van secundaire victimisatie via een slachtoffergerichte en trauma-geĆÆnformeerde aanpak. De trainingen moeten plaatsvinden in justitie, politie, welzijn, gezondheidszorg en onderwijs, en dienen te worden versterkt met expertise van vrouwenrechtenorganisaties en gespecialiseerde dienstverleners.

Beleidsreactie

Nederland streeft ernaar dat alle professionals die werken met slachtoffers van geweld in afhankelijkheidsrelaties beschikken over de juiste kennis en vaardigheden om signalen van gendergerelateerd geweld tijdig te herkennen, daarop adequaat te handelen en goede hulp te bieden aan slachtoffers. Het versterken van de deskundigheid van professionals op bijvoorbeeld femicide, dwingende controle, stalking en schadelijke praktijken is essentieel voor een effectieve aanpak van huiselijk geweld en geweld tegen vrouwen.

De betrokken organisaties in de zorg- en veiligheidssector zetten individueel al in op deskundigheidsbevordering binnen hun eigen organisatie en domein, bijvoorbeeld met bij- en nascholing en voorlichting voor professionals. Enkele recente voorbeelden zijn:

  • Veilig Thuis heeft een theoretisch kader voor Intieme Terreur ontwikkeld, dat professionals handvatten biedt om deze vorm van structureel en controlerend geweld in partnerrelaties beter te herkennen en duiden. Op basis van dit kader worden medewerkers aanvullend geschoold.

  • In opdracht van het ministerie van Justitie en Veiligheid wordt gewerkt aan deskundigheidsbevordering over psychisch geweld (o.a. dwingende controle) en adequate dossiervorming, mede in voorbereiding op het wetsvoorstel voor een strafbaarstelling van dwingende controle.

  • Veilig Thuis heeft in september 2025 een nieuw online platform gelanceerd waar zowel burgers als profesionals terecht kunnen voor kennis en informatie over huiselijk geweld en specifiek de rode vlaggen voor femicide. Ook wordt nog gewerkt aan een toolkit voor professionals en het uitbreiden van de chatfunctie naar 24/7 beschikbaarheid. Hiermee kunnen professionals en burgers eenvoudig informatie en advies krijgen over huiselijk geweld, kindermishandeling en geweld tegen vrouwen. Ook komt de expertise van Veilig Thuis hiermee 24/7 beschikbaar voor burgers, professionals en samenwerkende organisaties.

  • De politie heeft de bestaande module Huiselijk geweld en kindermishandeling op de Politieacademie verder doorontwikkeld. In de basisteams van de politie wordt daarnaast extra ingezet op het vergroten van kennis over stalking, dwingende controle, schadelijke praktijken en andere risicofactoren voor femicide.

  • Het Openbaar Ministerie heeft in elk parket een coƶrdinerend officier van justitie voor huiselijk geweld en kindermishandeling geĆÆntroduceerd. Deze gespecialiseerde functionarissen ondersteunen collega’s bij complexe zaken en bevorderen kennisdeling binnen het OM.

  • Pharos heeft kennisproducten ontwikkeld voor de medische sector over de signalering van vrouwelijke genitale verminking. Pharos zet ook in op opleidingsmateriaal voor huisartsen en verloskundigen.

  • Ook andere acties die staan vermeld in het plan van aanpak Stop femicide! en in de Kamerbrief over de voortgang van de prioriteiten uit dit plan dragen bij aan verdere deskundigheidsbevordering en bewustwording onder professionals. Voorbeelden hiervan zijn de verbetering van de veiligheids- en risicotaxatie, de verbetering van de dossieropbouw in geval van psychisch geweld (o.a. dwingende controle) zodat niet alleen incidenten maar ook onderliggende patronen beter in beeld komen, en de verbetering van het zicht op veiligheid in gezag- en omgangszaken.

Naast de individuele inspanningen werken partijen uit de zorg- en veiligheidssector gezamenlijk aan een nieuwe strategie om deskundigheid op het gebied van gendergerelateerd geweld structureel te versterken. De strategie richt zich zowel op deskundigheidsbevordering binnen de eigen organisaties als in de gezamenlijke keten. De volgende partijen zijn aangesloten: politie, Openbaar Ministerie, 3RO (reclassering), Veilig Thuis, Raad voor de Kinderbescherming, Valente (vrouwenopvang), het Centrum Seksueel Geweld, Slachtofferhulp Nederland, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Landelijk Netwerk Zorg en Straf (het samenwerkings- verband tussen Veilig Thuis, de politie en justitieorganisaties). De ontwikkeling van deze strategie is onderdeel van het plan van aanpak Stop femicide! en wordt door de betrokken ministeries VWS en JenV gefaciliteerd. De nieuwe strategie moet in het eerste half jaar van 2026 gereed zijn.

Binnen de gezondheidszorg zijn sectoren en branches primair zelf verantwoordelijk voor de deskundigheidsbevordering over gendergerelateerd geweld. Organisaties bepalen eigenstandig welk bij- en nascholingsaanbod beschikbaar en verplicht is. De wijze waarop deskundigheidsbevordering is ingericht kan daardoor verschillen per organisatie, afhankelijk van hun doelgroep. De ministeries voeren het gesprek met de gezondheidssector om structurele aandacht voor huiselijk geweld en geweld tegen vrouwen te stimuleren. Daarnaast ontwikkelen expertise- en kenniscentra handreikingen, kennisproducten, voorlichtingsmateriaal en trainingen ten behoeve van de deskundigheidsbevordering van professionals. De implementatie van EU-richtlijn geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld stimuleert verdere borging van structurele aandacht voor deskundigheidsbevordering over gendergerelateerd geweld.

Onderwerp aanbeveling: Preventieve interventie

Artikel Verdrag van Istanbul: 16

Omschrijving

GREVIO moedigt de Nederlandse autoriteiten aan om:

  1. het aantal en de geografische beschikbaarheid van daderprogramma’s voor huiselijk geweld uit te breiden en ervoor te zorgen dat deze breed toegankelijk zijn, onder andere door belemmeringen voor vrijwillige deelname te verminderen;

  2. gemeenschappelijke minimumnormen voor daderprogramma’s te ontwikkelen, in lijn met de principes van het Verdrag van Istanbul, waarbij rekening wordt gehouden met de noodzaak van een gendersensitieve benadering en het confronteren van daders met patriarchale en vrouwonvriendelijke denkbeelden, zodat zij verantwoordelijkheid nemen en hun gedrag veranderen;

  3. gegevens te verzamelen over de deelname aan deze programma’s en externe evaluatie te waarborgen, in lijn met erkende best practices, om de preventieve doelen van deze programma’s te beoordelen.

GREVIO moedigt de Nederlandse autoriteiten aan om ook behandelingsprogramma’s voor plegers van seksueel geweld uit te breiden naar vrijwillige settings, in overeenstemming met Artikel 16, lid 2 van het Verdrag van Istanbul.

Beleidsreactie

Nederland erkent het belang van gerichte interventieprogramma’s voor plegers die het risico op huiselijk geweld en geweld tegen vrouwen voorkomen en minimaliseren. Er bestaan al interventieprogramma’s verspreid over Nederland, zowel vanuit het vrijwillig en het gedwongen kader. Deze programma’s omvatten onder andere supportgroepen, lotgenotengroepen, agressieregulatie, individuele begeleiding en psychosociale behandelingen. (PotentiĆ«le) plegers kunnen zich, bijvoorbeeld vanuit Veilig Thuis, vrijwillig aanmelden voor deze interventies. Vanuit het plan van aanpak Stop femicide! wordt gewerkt aan het inventariseren en versterken van het hulpaanbod voor plegers in het vrijwillige kader.

Het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (hierna: WODC) verkent vanaf eind 2025 de mogelijkheid om de BORG-gedragstraining, die door de reclassering wordt ingezet voor verdachten en veroordeelde daders van partnergeweld, ook buiten strafrechtelijk kader in te zetten, bijvoorbeeld ook nadat Veilig Thuis een melding heeft ontvangen of als de burgemeester een tijdelijk huisverbod inzet. Het ministerie van JenV zal daarnaast samen met de reclassering en de forensische zorg verkennen hoe de European Standards for Perpetrator Programmes kunnen worden opgenomen in de (door)ontwikkeling van kwaliteitsrichtlijnen en gedragstrainingen.

Gedragstrainingen en behandelprogramma’s voor plegers worden wetenschappelijk onderzocht voor verdere doorontwikkeling. Op verzoek van het ministerie van JenV heeft het WODC de effectiviteit van de BORG-gedragstraining onderzocht.2 En als onderdeel van het Onderzoeksprogramma aanpak huiselijk geweld en kindermishandeling 2024-2030 zal het WODC naar verwachting vanaf 2026 de ervaringen van daders en hun partners/familie met de forensische zorg en de effectiviteit van forensische behandelprogramma’s op de recidive van daders onderzoeken.

Vanuit het plan van aanpak Stop femicide! wordt momenteel gewerkt aan de oprichting van een mannenalliantie, ten eerste gericht op bewustwording en normverandering bij mannen met als ultiem doel om femicide te voorkomen. Ten tweede richt de mannenalliantie zich op mannen als omstanders bij dreigende femicide, met als doel dat zij signalen herkennen en weten hoe zij hierop kunnen reageren. Ten derde is het de bedoeling dat de mannenalliantie samenwerkt met relevante organisaties bij het verbeteren van hulpverlening en interventies voor plegers van geweld tegen vrouwen. Hierbij is ook aandacht voor de deskundigheidsbevordering van professionals. Deze wordt ingericht in lijn met de Europese standaarden voor pleger-interventies van het Europees netwerk voor het werken met plegers van huiselijk geweld. Ook wordt er gewerkt aan meer kennis over de rol van mannen in het voorkomen van femicide. Het streven is dat de mannenalliantie in het eerste kwartaal van 2026 van start gaat.

Naast het landelijke aanbod spelen in de Nederlandse situatie ook gemeenten een belangrijke rol. Gemeenten stellen lokaal beleidsplannen op gericht op de aanpak van huiselijk geweld, kindermishandeling en geweld tegen vrouwen. In dit plan dient aandacht te zijn voor interventies gericht op het bieden van hulp aan (potentiƫle) plegers van huiselijk geweld, kindermishandeling en geweld tegen vrouwen. Uitgangspunt daarbij is dat dit hulpaanbod (in vrijwillig kader) in iedere regio beschikbaar is. Het is bekend dat momenteel knelpunten bestaan bij de beschikbaarheid en geografische spreiding van dit aanbod. De acties vanuit het plan van aanpak Stop Femicide! besteden ook aandacht aan deze elementen.

Onderwerp aanbeveling: Bescherming en ondersteuning algemeen

Artikel Verdrag van Istanbul: 18

Omschrijving

GREVIO dringt er bij de Nederlandse autoriteiten op aan om te zorgen dat multi-agency samenwerkingen die reageren op vormen van geweld, opereren vanuit het inzicht dat geweld tegen vrouwen gendergerelateerd is. Deze samenwerkingen moeten gebaseerd zijn op richtlijnen en protocollen, waarbij de veiligheid van slachtoffers en hun mensenrechten worden gewaarborgd, zoals vereist in Artikel 18, lid 2 van het Verdrag van Istanbul.

GREVIO spoort de Nederlandse autoriteiten sterk aan om de gezondheidszorgsector en vrouwenrechtenorganisaties die gespecialiseerde hulp bieden, systematischer te betrekken bij multi-agencysamenwerkingen.

GREVIO moedigt de Nederlandse autoriteiten verder aan om het aantal "one-stop-shops" uit te breiden die een breed scala aan beschermings- en ondersteuningsdiensten bieden voor slachtoffers van seksueel geweld.

Beleidsreactie

GREVIO stelt terecht dat het Centrum Seksueel Geweld (CSG) een goed voorbeeld is van een samenwerkingsverband dat vanuit de ā€˜multi-agency’ benadering werkt. Slachtoffers van seksueel geweld kunnen bij ƩƩn punt (het CSG) terecht en krijgen vanuit daar multidisciplinaire hulp van Veilig Thuis, het ziekenhuis, GGD, slachtofferhulp, politie en vanuit andere organisaties. Daarnaast heeft het CSG in Amsterdam een fysiek inloophuis geopend waar iedereen die te maken heeft gehad met seksueel geweld terecht kan voor hulp. Het CSG heeft kwaliteitscriteria opgesteld voor alle disciplines die werkzaam zijn bij een CSG en daarmee in directe aanraking komen met slachtoffers van seksueel geweld. Daarin is opgenomen dat zij sekse- en gendersensitiefgendersensitief werken, kennis hebben van man/vrouw verschillen in hulpvraaggedrag en gevolgen van misbruik en in staat zijn daarmee om te gaan.

Ook op andere terreinen bevordert de Nederlandse overheid de multidisciplinaire samenwerking. Een mooi voorbeeld is het programma Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming gericht op een eenvoudigere, gezinsgerichte aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling. Dit gebeurt onder meer vanuit regionale proeftuinen partijen gezamenlijk de nieuwe aanpak ontwikkelen. In de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling, zoals ook omschreven in het plan van aanpak Stop femicide!, werken partijen nauw samen, bijvoorbeeld op het terrein van veiligheidsbeoordeling, risicotaxatie en deskundigheidsbevordering van professionals. Het Landelijk Netwerk Zorg Straf speelt hierbij een belangrijke rol, een (lerend) netwerk van de belangrijkste uitvoerende partijen uit de zorg- en justitiesector. De samenwerking vindt plaats binnen de wettelijke kaders van iedere partij, waarbij taken en verantwoordelijkheden worden afgestemd om elkaar te versterken. Uitgangspunt is dat gezamenlijk wordt gewerkt aan directe en duurzame veiligheid, met daarbij specifieke -en ook gendersensitieve- aandacht voor zowel slachtoffers, plegers, volwassen en kinderen. Operationeel werkt het netwerk landelijk en regionaal (met 25 Veilig Thuis-organisaties in 10 arrondissementen) en met een landelijk bestuurlijk netwerk waarin ook ministeries en andere partijen zoals Valente (vrouwen- en mannenopvang) en Slachtofferhulp Nederland bij betrokken zijn.

Onderwerp aanbeveling: Algemene ondersteuning

Artikel Verdrag van Istanbul: 20

Omschrijving

GREVIO spoort de Nederlandse autoriteiten sterk aan om hun inspanningen voort te zetten om het herstel en de economische onafhankelijkheid van vrouwelijke slachtoffers van geweld in het hele land te waarborgen via algemene sociale diensten. Dit omvat maatregelen zoals financiĆ«le hulp, onderwijs/opleiding, hulp bij het vinden van werk en betaalbare, permanente huisvesting via programma’s die prioriteit geven aan deze doelgroep. Er zijn meer maatregelen nodig om medewerkers van sociale diensten bewust te maken van de specifieke behoeften van vrouwelijke slachtoffers van alle vormen van geweld tegen vrouwen zoals bedoeld in het Verdrag van Istanbul.

GREVIO spoort de Nederlandse autoriteiten sterk aan om ervoor te zorgen dat in de gehele gezondheidszorgsector slachtoffers van alle vormen van geweld tegen vrouwen worden geĆÆdentificeerd, gediagnosticeerd, behandeld en doorverwezen naar gespecialiseerde ondersteuningsdiensten. Dit moet gebeuren op een gendersensitieve en niet-veroordelende manier, inclusief het opstellen van forensische verslagen waarin verwondingen worden vastgelegd.

GREVIO spoort de Nederlandse autoriteiten sterk aan om ervoor te zorgen dat vrouwen met een verstandelijke beperking die gesteriliseerd worden, hun beslissing nemen op basis van voldoende informatie die op een voor hen toegankelijke manier wordt gepresenteerd door professionals die zijn opgeleid in gender- en handicapkwesties. Deze informatie moet hen in staat stellen om geĆÆnformeerde toestemming te geven. Bij procedures waarbij de sterilisatie van wilsonbekwame vrouwen wordt overwogen, dienen minder ingrijpende anticonceptiemethoden te worden onderzocht met eerbied voor hun zelfbeschikking en het belang van de vrouw.

Beleidsreactie

Nederland blijft inzetten op herstel en (economische) zelfredzaamheid van vrouwen, als belangrijk onderdeel van de hulpverlening aan slachtoffers van huiselijk geweld en geweld tegen vrouwen. Deze ondersteuning wordt voor een belangrijk deel geboden door gemeenten en de vrouwenopvang. En omvat bijvoorbeeld administratieve en financiƫle ondersteuning, het versterken van weerbaarheid, passende dagbesteding (betaald- of vrijwilligerswerk of een opleiding) en het vinden van huisvesting. Ondersteuning op de verschillende leefgebieden wordt ook in ambulante vorm geboden. De vrouwenopvang biedt daarnaast herstelgerichte hulp aan, passend bij de individuele ondersteuningsbehoefte. Specifiek bij huisvesting na verblijf in de vrouwenopvang is de Wet versterking regie volkshuisvesting relevant, die naar verwachting in 2026 in werking treedt. Deze wet verplicht gemeenten om een urgentieregeling op te stellen voor slachtoffers die uitstromen uit de vrouwenopvang, wat voorheen vrijblijvend was. De Nederlandse regering realiseert zich dat de huisvesting van slachtoffers de komende jaren een belangrijk aandachtspunt blijft, gezien de huidige krapte op de woningmarkt.

De Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling is een stappenplan die professionals helpt vanaf het signaleren tot aan het doen van een melding bij Veilig Thuis. De meldcode wordt gestart indien er sprake is van (vermoedens van) huiselijk geweld, kindermishandeling of geweld tegen vrouwen. In nagenoeg alle beroepsgroepen in de gezondheidssector zijn meldcodeplichtig en hebben voor hun eigen beroepsgroep een sectorspecifiek afwegingskader Dit afwegingskader ondersteunt professionals bij het doorlopen van de stappen uit de meldcode. Organisaties zijn daarnaast verplicht om medewerkers te scholen in met het gebruik en kennis van de meldcode.

Na een melding beoordeelt Veilig Thuis de veiligheid en de situatie. Vervolgens draagt Veilig Thuis zorg voor passende vervolgmaatregelen, waaronder de inzet van gespecialiseerde hulpverlening. Bij ernstige signalen van kindermishandeling en/of seksueel geweld kunnen o.a. Veilig Thuis, RVDK, Om en Politie kunnen een verzoek doen voor een toptotteen onderzoek. Het onderzoek bij kinderen wordt uitgevoerd door een forensisch arts en is bedoeld om het letsel objectief vast te leggen. Daarnaast kunnen artsen zorgen over letsel bij kinderen en de toedracht daarvan melden bij het Landelijk Expertise Centrum Kindermishandeling (hierna: LECK). Het LECK geeft advies over de mogelijke toedracht van het letsel en of en welk nader onderzoek nodig is. Mochten zij een toptotteen onderzoek adviseren wordt deze uitgevoerd door een forensisch arts.

De beleidsvisie Intimiteit en seksualiteit voor mensen met een beperking uit 2023 bevat doelstellingen die bijdragen aan het wegnemen van het stigma en het taboe rond intimiteit en seksualiteit voor mensen met een beperking. Dit gebeurt middels het beschikbaar stellen en verspreiden van vindbare en toepasbare kennis voor mensen met een beperking, ook binnen intramurale zorgorganisaties. Daarnaast wordt ingezet op het versterken van de aandacht en bewustwording bij mensen met een beperking, naasten en zorgverleners over intimiteit en seksualiteit. Denk hierbij aan handvatten voor naasten om het gesprek aan te gaan of aan informatievideo’s om bewustwording te creĆ«ren en het gesprek te faciliteren. Aandachtfunctionarissen dragen bij aan structurele aandacht voor intimiteit en seksualiteit binnen zorgorganisaties.

Het gedwongen steriliseren van vrouwen vanwege een (verstandelijke) beperking is in geen enkel geval toegestaan. Het initiatief Nu Niet Zwanger is gericht op het verkennen van een kinderwens. Het programma heeft ten doel onbedoelde zwangerschappen te voorkomen en biedt hulpverleners concrete middelen om hun cliƫnten (vrouw Ʃn man) in een open en eerlijk gesprek te laten nadenken over hun kinderwens, seksualiteit en anticonceptie. Wanneer een cliƫnt aangeeft geen kinderwens te hebben, wordt gekeken naar welke vorm van anticonceptie passend is. Dit initiatief is inmiddels landelijk beschikbaar en valt onder de GGD. Expertisecentrum Rutgers neemt als expertorganisatie deel aan het project.

Tot slot wordt vanuit de Werkagenda VN-Verdrag Handicap ingezet op het vergroten van kennis en versterken van vaardigheden van zorg- en veiligheidsprofessionals over geweld en misbruik in relatie tot mensen met een beperking. Ook is er aandacht voor het samenbrengen van beschikbare kennis en het beter toegankelijk maken hiervan voor ondersteunende diensten. Het doel hiervan is om mensen met een beperking beter te beschermen tegen geweld, misbruik, uitbuiting en verwaarlozing.

Onderwerp aanbeveling: Gespecialiseerde ondersteuning

Artikel Verdrag van Istanbul: 22

Omschrijving

29. GREVIO dringt er bij de Nederlandse autoriteiten op aan om:

  1. krachtiger op te treden om de visie op huiselijk geweld, die ten grondslag ligt aan de professionele praktijk bij Veilig Thuis-centra, af te stemmen op de principes van het Verdrag van Istanbul, en te zorgen voor voldoende personeel en meer geharmoniseerde dienstverlening;

  2. het aantal en de capaciteit van vrouwenopvangplaatsen voor slachtoffers van alle vormen van geweld tegen vrouwen uit te breiden, in lijn met de normen van het Verdrag van Istanbul, en met een adequate geografische spreiding. Het doel is ƩƩn opvangplaats per 10.000 inwoners, zoals gesteld in het Toelichtend Rapport bij het Verdrag van Istanbul;

  3. ervoor te zorgen dat opvangcentra en andere gespecialiseerde diensten kunnen inspelen op de behoeften van vrouwen die te maken hebben met intersectionele discriminatie en hun kinderen, waaronder vrouwen zonder verblijfsvergunning, vrouwen met een beperking en jonge vrouwen en meisjes.

Beleidsreactie

Nederland heeft een decentraal stelsel waarin de verantwoordelijkheid voor de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling primair bij de gemeenten is belegd. Dit maakt dat gemeenten in eerste aanleg zelf verantwoordelijk zijn dat de lokale Veilig Thuis organisaties werken op basis van een visie op huiselijk geweld die is afgestemd op de principes van het verdrag van Istanbul. Vanuit de Rijksoverheid proberen we, in samenwerking met de VNG en het Landelijk Netwerk Veilig Thuis gemeenten en Veilig Thuis organisaties te stimuleren om op eenzelfde manier te werken. Veilig Thuis organisaties werken via eenzelfde handelingsprotocol, waar de zogeheten ā€˜Visie gefaseerd samenwerken aan veiligheid’ een belangrijk onderdeel in is.

De visie ā€˜gefaseerd samenwerken aan veiligheid’ houdt in dat in situaties van onveiligheid wordt gewerkt vanuit drie fasen. Eerst wordt gewerkt aan het herstellen van de directe veiligheid door middel van het maken van veiligheidsafspraken. Er wordt gekeken naar de meest onveilige situaties, wanneer die zich voordoen, wat ā€˜triggers’ kunnen zijn, en wie wat kan dan om deze situaties te voorkomen of te minimaliseren. In de tweede fase van ā€˜risicogestuurde zorg’ wordt een slag dieper gekeken en wordt geanalyseerd wat de onderliggende, meer structurele oorzaken zijn van het geweld. Bij elk lid van het gezin of huishouden wordt bekeken welke onderliggende risicofactoren (en beschermende factoren) factoren aanwezig zijn en welke afspraken, hulpverlening, ketenpartners of inzet van het sociale netwerk nodig zijn om de structurele factoren die bijdragen aan onveiligheid te verminderen. In de derde en laatste fase van herstelgerichte zorg, wordt ingezet op het verminderen en wegnemen van opgelopen trauma’s en ontwikkelde problematiek naar aanleiding van het geweld.

In alle casuïstiek waar Veilig Thuis actief bij betrokken is, wordt volgens bovenstaande visie en systematiek gewerkt. In de tweede fase, waarin wordt ingezoomd op de dieperliggende oorzaken van het geweld, is bij uitstek ruimte voor een brede analyse van het gezin of huishouden. Waar komt het geweld door, wat draagt eraan bij, hoe kan dit worden weggenomen? Nadat in de eerste fase de directe veiligheid is hersteld, ontstaat in de tweede fase ook ruimte voor genderspecifieke factoren die bijdragen aan onveiligheid. Bijvoorbeeld gedachten of percepties over het man-vrouw beeld, of andere redenen die bijdragen aan geweld tegen vrouwen ómdat het vrouwen zijn. Alle Veilig Thuis medewerkers zijn geschoold en getraind in het werken volgens deze visie. Aanvullend belangrijk voordeel is dat alle ketenpartners waar Veilig Thuis mee samenwerkt op het domein van onveiligheid in gezinnen, ook zijn getraind in en werken conform deze visie.
In het kader van de implementatie van de EU Richtlijn ā€˜ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld’ zal in de toekomst (na implementatie) worden gewerkt met zogeheten nationale actieplannen. De precieze invulling van deze nationale actieplannen is op het moment van schrijven nog onbekend, al is het aannemelijk dat dit ook de visie op huiselijk geweld en kindermishandeling en de principes vanuit het verdrag van Istanbul zal omvatten.

Het laatste punt uit de aanbeveling, ten aanzien van de beschikbaarheid van voldoende personenpersonenpersonen, krijgt ook toenemende aandacht. Naast dat er structurele gesprekken zijn tussen gemeenten en hun regionale Veilig Thuis organisatie over de benodigde financiering, wordt er vanuit de Rijksoverheid financieel bijgedragen aan bijvoorbeeld het opzetten van een grootschalige communicatiecampagne om Veilig Thuis zowel als organisatie maatschappelijk positiever te positioneren als de arbeidsmarktmogelijkheden bij een breed publiek over het voetlicht te brengen.

Het organiseren en financieren van de opvangplaatsen voor slachtoffers van huiselijk en seksueel geweld is een gemeentelijke taak, conform de Wmo 2015. In 2025 is de monitor Veilige Opvang van Valente en de VNG gepubliceerd, met daarin cijfers over de landelijke en regionale capaciteit van de vrouwenopvang.3 In 2023 had Nederland 1024 opvangplaatsen voor slachtoffers van huiselijk en seksueel geweld. Dat komt neer op ongeveer ƩƩn opvangplaats per 17.500 inwoners. Volgens de norm van het Istanbulverdrag zouden er ongeveer 1780 opvangplaatsen moeten zijn (1 op 10.000 inwoners). Tevens staat in de toelichting op deze aanbeveling dat het aantal opvangplekken af moet hangen van de daadwerkelijke behoefte in de Nederlandse context.Betrokken partijen als Valente signaleren dat momenteel een tekort aan veilige opvangplaatsen bestaat. Recentelijk heeft de Nederlandse regering structureel 12 miljoen extra vrijgemaakt voor het vergroten van de capaciteit van de vrouwenopvanginstellingen.

Aandacht voor individuele behoeften en specifieke groepen wordt daarbij meegenomen. Op basis van de AMvB Opvang van slachtoffers van huiselijk geweld en eergerelateerd geweld zonder verblijfsvergunning hebben slachtoffers van huiselijk geweld en eergerelateerd geweld die (nog) niet over een verblijfsvergunning beschikken en niet onder de Wmo 2015 vallen, recht op opvang. Voor de opvang van deze doelgroep zijn tevens aanvullende middelen beschikbaar gesteld. De implementatie van de EU-richtlijn stimuleert verdere borging hiervan. In de richtlijn zijn vereisten omtrent opvang vastgelegd, onder meer over herstelgerichte zorg, de benodigde capaciteit en toegang voor alle slachtoffers ongeacht verblijfstatus.

Vanuit de Werkagenda VN-Verdrag Handicap, doelstelling Veiligheid en rechtsbescherming, worden maatregelen getroffen om de (fysieke) toegankelijkheid van opvanginstellingen huiselijk geweld voor mensen met een beperking te vergroten. Naar verwachting wordt in 2026 gestart met de uitvoering van deze maatregelen.

Zowel de opvanginstellingen als de gespecialiseerde diensten spelen in op de (gender)specifieke behoeften van slachtoffers van huiselijk en gendergerelateerd geweld. Zij leveren maatwerk dat is toegespitst op de individuele situatie van het slachtoffer en houden daarmee rekening met verschillende intersecties en eventuele verhoogde risico’s.

Het Centrum Seksueel Geweld (CSG) werkt aan de hand van landelijk uniforme kwaliteitscriteria die voorschrijven dat de zorg aan slachtoffers van seksueel geweld integraal, multidisciplinair en intersectoraal moet zijn. Casemanagers van het CSG volgen een basisopleiding waarin specifieke aandacht is voor intersectionaliteit, zoals de ondersteuning van slachtoffers met een (lichamelijke) beperking, een psychiatrische aandoening of minder vaak herkende doelgroepen, zoals mannen en jongens. Via de CSG Academie wordt hun kennis vervolgens structureel onderhouden en verder ontwikkeld.

Ook biedt het CSG in verschillende vormen laagdrempelig informatie over bijvoorbeeld LHBTIQ+ personen en personen met een verstandelijke beperking aan. Zelf- en onlinehulp en de chatfunctie worden ingezet om slachtoffers te ondersteunen die om welke reden dan ook niet naar buiten treden met hun verhaal. Omdat ook leeftijd een risicofactor is voor seksueel geweld, zet het CSG in op zichtbaarheid bij deze doelgroep bij bijvoorbeeld scholen en universiteiten.

Onderwerp aanbeveling: Ondersteuning voor slachtoffers van

seksueel geweld

Artikel Verdrag van Istanbul: 25

Omschrijving

GREVIO spoort de Nederlandse autoriteiten sterk aan om, met het oog op het versterken van de respons op seksueel geweld en verkrachting:

  1. het aantal centra voor seksueel geweld uit te breiden tot ten minste ƩƩn centrum per 200.000 inwoners, met een evenwichtige geografische spreiding;

  2. volledige ondersteuning te bieden, inclusief directe, middellange en langdurige psychosociale hulp voor alle slachtoffers van verkrachting en seksueel geweld, met voldoende financiering en personeel;

  3. alle barrières weg te nemen, waaronder financiële of gerelateerd aan ziektekostenverzekering of fysieke toegankelijkheid, die vrouwen verhinderen toegang te krijgen tot het volledige aanbod van diensten;

  4. meer publiekscampagnes te voeren om bekendheid te geven aan deze ondersteuningsdiensten.

Beleidsreactie

In Nederland is het CSG een belangrijke organisatie in de hulp aan slachtoffers van seksueel geweld. Iedereen kan kosteloos contact opnemen met het CSG, dat doorgeleidt naar toegankelijke, multidisciplinaire zorg en ondersteuning. Deze zorg en ondersteuning wordt geboden vanuit 16 regionale centra, die een landelijk dekkend netwerk vormen. Het aantal CSG’s in Nederland is gebaseerd op de geografische spreiding, bereikbaarheid voor slachtoffers en capaciteit van bestaande voorzieningen. De CSG’s zijn goed bereikbaar, ook binnen afzienbare reisafstand en er is voldoende capaciteit om alle hulpvragen te kunnen beantwoorden.

De CSG’s bieden naast de medische en forensische zorg ook psycho-educatie en traumagerichte ondersteuning gedurende maximaal 4 weken aan, ook wel de ā€œwatchful waiting’’ periode genoemd. Als blijkt dat een slachtoffer meer specialistische hulp nodig heeft wordt hij/zij doorgeleid naar de geestelijke gezondheidszorg (GGZ). De duur van de hulp wordt bepaald in afstemming tussen het slachtoffer en de professional, met als uitgangspunt zolang dat nodig is volgens de behoeften van het slachtoffer.

Om de hulp aan slachtoffers in de regio’s beter te bestendigen wordt gekeken hoe de hulp aan slachtoffers van seksueel geweld wettelijk verankerd kan worden. Dit wordt momenteel uitgewerkt als onderdeel van de implementatie van de EU-richtlijn. Ten aanzien van de beschikbaarheid van voldoende personeel speelt het vraagstuk dat in de gehele zorgsector krapte op de arbeidsmarkt merkbaar is. Uiteraard is het ook voor de hulp aan slachtoffers van seksueel geweld van belang dat er voldoende professionals met de juiste expertise zijn om hen te helpen. Daarbij heeft het CSG momenteel landelijke dekking en zijn er geen signalen dat er moet worden opgeschaald naar meer locaties. Investeren op voldoende kwalitatief personeel heeft prioriteit. Hier zet Nederland de komende jaren verder op in.

Voor een deel van de medische zorg geldt hierbij het eigen risico vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw). De hoogte van het eigen risico dat in rekening wordt gebracht is afhankelijk van welke ZVW-zorg iemand nodig heeft en of het eigen risico al volledig of deels is verbruikt aan andere zorgvormen. Het Nederlands zorgstelsel is zo ingericht dat op iedere verzekerde van 18 jaar en ouder het wettelijk verplicht eigen risico van toepassing is. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt of de noodzaak voor medische zorg is ontstaan door ziekte, een aandoening of een externe oorzaak, zoals seksueel geweld. Aan de hand van een pilot en wetenschappelijk onderzoek is gekeken of het eigen risico een mogelijke drempel vormt voor slachtoffers van seksueel geweld bij het zoeken van hulp. Hieruit bleek dat slachtoffers verschillende drempels kunnen ervaren, zoals schaamte, schuld en angst. Het mogelijk moeten betalen van (een deel van) het eigen risico vormt geen zwaarwegende drempel. Het is des te belangrijker dat wordt ingezet op het terugdringen van de zwaarwegende (inter)persoonlijke en socioculturele drempels. Vanuit het meerjarig Nationaal Actieprogramma aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld wordt daarom ingezet op het doorbreken van het taboe van dit onderwerp, het versterken van de bespreekbaarheid en benodigde cultuurverandering om te zorgen voor duurzame verandering op dit thema. Ook de regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld heeft een belangrijke rol in het aanjagen van dit maatschappelijk gesprek.

Als het gaat om het verbeteren van de fysieke toegankelijkheid tot het aanbod van diensten zijn in de werkagenda van het VN Verdrag Handicap verschillende maatregelen opgenomen om zowel de informatie als de fysieke toegankelijkheid te gaan verbeteren samen met de organisaties en gemeenten.

Ook is het van belang dat slachtoffers op een laagdrempelige wijze de weg naar hulp weten te vinden, waaronder naar het CSG. Publiekscampagnes en andere communicatie draagt bij aan de bekendheid van het CSG. Hier wordt op verschillende manieren aan bijgedragen vanuit Rijsoverheid. In de publiekscommunicatie is een verwijzing naar het CSG opgenomen. Ook het landelijk CSG ontvangt financiĆ«le middelen voor eigen (social media) campagnes en communicatie. Hiermee is onder meer geĆÆnvesteerd in het verbeteren van de website van het CSG en liep de meerjarige campagne Watkanmijhelpen.nl, met als doel het motiveren van slachtoffers van seksueel geweld om hulp te zoeken. Ook op regionaal niveau zetten de CSG’s in op het vergroten van hun bekendheid, op een manier die aansluit bij de regionale context en media. Ook bestaat sinds 2012 het platform slachtofferwijzer.nl waar slachtoffers terecht kunnen. Hier staat informatie voor slachtoffers, hulpverleners en naasten over praktische, juridische, emotionele en financiĆ«le hulp. Ook wordt hier verwezen naar relevante organisaties, waaronder het CSG. De site is inmiddels toegankelijk voor mensen met een visuele of taalkundige beperking. Daarnaast komt de site nu beter tegemoet aan de belevingswereld van slachtoffers.

Onderwerp aanbeveling: Voogdij- en omgangsrechten

Artikel Verdrag van Istanbul: 31

Omschrijving

GREVIO spoort de Nederlandse autoriteiten sterk aan om de volgende prioritaire maatregelen te nemen met betrekking tot voogdij en omgangsrechten, om de veiligheid van slachtoffers en hun kinderen te waarborgen:

  1. systematisch lopende zaken inzake voogdij en omgang te screenen op huiselijk geweld, met inbegrip van consultatie van alle relevante instanties, informatie over lopende of vroegere strafzaken, en toegang tot het strafblad van de dader, risicobeoordelingen en veiligheidsplannen opgesteld door politie en hulpverlening;

  2. wettelijk vast te leggen dat de negatieve impact van geweld tegen vrouwen op kinderen wordt meegewogen bij beslissingen over voogdij en omgang;

  3. te waarborgen dat alle betrokken professionals (zoals maatschappelijk werkers, rechters, gerechtsexperts en kinderpsychologen) zich bewust zijn van het ontbreken van wetenschappelijke basis voor het zogenaamde ā€œouderverstotingssyndroomā€ en zich onthouden van het gebruik van concepten die vrouwelijke slachtoffers neerzetten als vijandig of oncoƶperatief;

  4. voldoende veilige locaties te voorzien waar begeleide bezoeken kunnen plaatsvinden.

Beleidsreactie

Naar aanleiding van het onderzoek Waar geweld uit beeld raakt (2024) door het Verwey-Jonker Instituut is een verbetertraject gestart dat als doel heeft het vergroten van de aandacht voor huiselijk geweld in familierechtzaken.4 Een belangrijk instrument dat hier onder meer aan kan bijdragen en is aanbevolen door het Verwey-Jonker Instituut is het ontwikkelen van een toetsingskader. Volgens de onderzoekers betekent dit onder meer dat risicotaxatie en screening van geweldspatronen aan het begin van de procedure plaatsvindt en de uitwisseling van strafrechtelijke informatie in de familierechtelijke procedure verbeterd wordt. Deze aanbeveling sluit aan op de aansporing van GREVIO om lopende zaken inzake voogdij en omgang te screenen op huiselijk geweld.

In het kader van het verbetertraject zijn reeds verkennende gesprekken gevoerd met de rechtspraak, de Raad voor de Kinderbescherming en de onderzoekers van het Verwey-Jonker Instituut. De aanbevelingen van het Verwey-Jonker Instituut worden meegenomen in verdere gesprekken met de rechtspraak, de Raad voor de Kinderbescherming en andere betrokken organisaties en hun professionals, zoals de advocatuur en Slachtofferhulp Nederland. De vier aanbevelingen van GREVIO zullen ook worden meegenomen bij het verbetertraject, nu deze van belang kunnen zijn voor het vergroten van de aandacht voor huiselijk geweld in familierechtzaken.

Binnen het huidige wettelijke systeem heeft de familierechter een lijdelijke rol: partijen bepalen de omvang van het geschil. Tegelijkertijd loopt er binnen de Rechtspraak een projectgroep huiselijk geweld die onderzoekt hoe, binnen de bestaande wettelijke kaders, rechters meer en betere informatie kunnen krijgen. Daarbij is zichtbaar dat huiselijk geweld, waaronder intieme terreur, steeds vaker expliciet wordt besproken en meegenomen in de rechterlijke afweging, soms met expliciete verwijzing naar het Verdrag van Istanbul. Een wettelijke verankering van de screeningsverplichting kan deze ontwikkeling verder ondersteunen.

Ten aanzien van het zogenaamde ā€œouderverstotingssyndroomā€ wijzen wij op het onderzoek Als contact niet vanzelfsprekend is na scheiding (Visser et al., Verwey-Jonker Instituut, 2023). Hieruit blijkt dat er in Nederland geen consensus bestaat over de inhoud en terminologie. Steeds vaker wordt daarom gesproken van ā€œgeblokkeerde ouder-kindrelaties na scheidingā€, een term die de complexiteit van contactverlies beter recht doet en ruimte laat voor herstel. De Rechtspraak bevordert via cursussen en de projectgroep dat professionals actuele wetenschappelijke inzichten over contactverlies en huiselijk geweld toepassen in hun werk.

Met dit verbetertraject en de lopende initiatieven wordt opvolging gegeven aan de prioritaire aanbevelingen van GREVIO op het terrein van voogdij en omgangsrecht, met het oog op het vergroten van de veiligheid van slachtoffers en hun kinderen.

Onderwerp aanbeveling: Verbod op verplichte alternatieve

geschilbeslechting of straftoemeting

Artikel Verdrag van Istanbul: 48

Omschrijving

GREVIO dringt er bij de Nederlandse autoriteiten op aan om af te stappen van praktijken die neerkomen op verplichte bemiddeling in ouderlijke scheidingsprocedures zonder voorafgaande screening op een geschiedenis van huiselijk geweld. Er moet meer begrip komen voor de machtsongelijkheden die ontstaan door huiselijk geweld en voor het feit dat familierechtprocedures vaak worden misbruikt voor post-scheidingsgeweld. Dit omvat onder andere het doorverwijzen van de niet-abusieve ouder naar gezamenlijke counseling of familietherapie met de dader, wat vaak wordt ervaren als een verplichting.

Met verwijzing naar eerdere bevindingen spoort GREVIO de Nederlandse autoriteiten sterk aan om duidelijke protocollen en richtlijnen in te voeren voor alle rechtsgebieden waar bemiddeling wordt toegepast. Deze moeten waarborgen bevatten voor vrije en geĆÆnformeerde toestemming van vrouwelijke slachtoffers van geweld, risicobeoordelingen integreren bij alle bemiddelingsaanbiedingen en slachtoffers de mogelijkheid bieden om zich op elk moment zonder negatieve gevolgen terug te trekken.

Beleidsreactie

Een verwijzing vanuit de Rechtspraak naar civiele mediation vindt altijd plaats op basis van vrijwilligheid en deelname aan mediation vormt geen voorwaarde voor een beslissing. Elk gerecht heeft een mediationbureau met getrainde mediationfunctionarissen. Bij het verwijzen naar mediation screent de mediationfunctionaris zaken op geschiktheid voor mediation. Vrijwillige deelname van beide partijen is in elke zaak een leidend beginsel. Partijen zullen nooit gedwongen worden om te starten aan een mediationtraject of ermee door te gaan.

Bij de verwijzing vanuit de Rechtspraak naar een mediator wordt rekening gehouden met het profiel van de mediator en of die bij de aard van de kwestie en partijen past. De mediationfunctionaris vervult een onmisbare rol in deze koppeling en maakt op grond van de beschikbare informatie een afweging welke mediator met bijbehorende kennis en expertise moet worden ingezet. De verwijzende rechtbanken wegen hierin ook aspecten van veiligheid mee.

Bij een verwijzing vanuit de Rechtspraak naar een mediation vindt er bovendien een mediation plaatst door een MfN (Mediatorsfederatie Nederland) geregistreerde mediator. Deze mediator moet aan diverse kwaliteitseisen voldoen en staan ingeschreven in het MfN- register. MfN-registermediators worden opgeleid op grond van een beroepsprofiel gericht op kennis en vaardigheden, waarna zij specialiseren en bijscholen op vakgebieden. Psychologische en inhoudelijke componenten en conflictdynamieken zijn hier een onderdeel van, evenals bijvoorbeeld het herkennen van machtongelijkheid.

Ook voor mediation in strafzaken, zoals opgenomen in het Besluit slachtoffers strafbare feiten en het Beleidskader herstelrechtvoorzieningen , hebben partijen, waaronder het slachtoffer, de vrijheid om niet deel te nemen aan mediation of niet verder deel te nemen. Dit geldt voor alle strafbare feiten en dus ook voor strafzaken waar sprake is van geweld tegen vrouwen. Geen (verdere) deelname heeft geen gevolgen voor de afdoening van de strafzaak. Het slachtoffer wordt hierover in de praktijk altijd geïnformeerd op verschillende momenten, zowel door de mediationfunctionaris van de rechtbank als door de mediators. In de MfN-mediationovereenkomst, de MfN-Gedragsregels en het MfN-Mediationreglement zijn de vrijwilligheid en de mogelijkheid voor beëindiging uitvoerig beschreven en worden besproken c.q. overgelegd.

In de praktijk zijn er verschillende momenten waarin wordt beoordeeld of mediation in strafzaken passend is, namelijk:

(1). voordat een zaak naar mediation wordt verwezen door de verwijzende officier van justitie of rechter

(2). door het mediationbureau van de rechtbank voordat de mediation wordt gestart

(3). door de mediators in afzonderlijke intakegesprekken met slachtoffer en verdachte voordat een gezamenlijk gesprek plaatsvindt

(4) door partijen zelf ten tijde van de mediation.

Bij een verwijziging naar mediation in strafzaken zal alle relevantie informatie meegenomen en meegewogen worden door het Openbaar Ministerie of de Rechtspraak, dus bijvoorbeeld ook de Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling.

Hoewel niet alle informatie uit het (straf)dossier bekend is bij de mediators zelf, voldoen de MfN-registermediators (in strafzaken), aangesloten bij de Vereniging van Strafmediators, aan een beroepsprofiel dat het hanteren van dader-slachtoffer dynamiek eist, waarin mede elementen van dynamiek bij geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld zijn meegenomen. Mediations in strafzaken worden bovendien altijd begeleid door twee gespecialiseerde strafmediators.

Onderwerp aanbeveling: Algemene verplichtingen en

onmiddellijke respons; preventie en

bescherming

Artikel Verdrag van Istanbul: 49, 50

Omschrijving

GREVIO dringt er bij de Nederlandse autoriteiten op aan om ambtshalve (ex officio) alle meldingen van verkrachting of seksueel geweld zorgvuldig te vervolgen, en te stoppen met praktijken die vrouwen ontmoedigen om aangifte te doen, zoals het opleggen van een ā€œbedenktermijnā€.

GREVIO spoort de Nederlandse autoriteiten sterk aan om maatregelen te nemen die het vertrouwen in wetshandhavingsinstanties vergroten en vrouwen stimuleren om geweld te melden. Dit geldt in het bijzonder voor vrouwen die risico lopen op of slachtoffer zijn van intersectionele discriminatie, zoals vrouwen met een beperking, LBTI-vrouwen, vrouwen in de prostitutie en migranten.

GREVIO spoort de Nederlandse autoriteiten sterk aan om ervoor te zorgen dat onderzoeken naar alle vormen van geweld tegen vrouwen zonder onnodige vertraging plaatsvinden, en dat rechercheurs proactief bewijs verzamelen, ook buiten de verklaring van het slachtoffer om, om zo effectieve vervolging te garanderen. Dit geldt ook binnen het kader van de nieuw ingevoerde definitie van verkrachting en seksueel geweld op basis van toestemming.

GREVIO verwelkomt de werkwijze van de rechtbank in Rotterdam waarbij alle lopende familie- en strafzaken met betrekking tot ƩƩn gezin in ƩƩn gecombineerde zitting door dezelfde rechter worden behandeld. GREVIO nodigt de Nederlandse autoriteiten uit om deze werkwijze landelijk te overwegen.

GREVIO spoort de Nederlandse autoriteiten sterk aan om:

  1. ervoor te zorgen dat alle vormen van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld die onder het Verdrag van Istanbul vallen, snel worden bestraft, in het bijzonder door de capaciteit van rechtbanken die zaken van seksueel geweld behandelen, structureel te versterken;

  2. te waarborgen dat de opgelegde straffen en maatregelen effectief, proportioneel en afschrikwekkend zijn;

  3. de oorzaken van het afnemen van rechtszaken (ā€œattritionā€) binnen de strafrechtketen te identificeren, bijvoorbeeld door gegevensverzameling en casusregistratie in te voeren, en hierop passende maatregelen te nemen.

Beleidsreactie

Slachtoffers hebben altijd het recht om aangifte te doen. Indien gewenst, kan het slachtoffer gebruik maken van een bedenktijd. De bedenktijd is een recht, geen plicht en wordt niet standaard opgelegd. Het doel van de bedenktijd is om een weloverwogen keuze te maken over het al dan niet doen van aangifte en daarover eventueel overleg te hebben met bijvoorbeeld een slachtofferadvocaat. Er is daarmee geen sprake van ontmoediging. Als een slachtoffer besluit om geen aangifte te doen, kan besloten worden ambtshalve een opsporingsonderzoek in te stellen.

Het kabinet en de organisaties van de strafrechtketen werkenwerkenwerkenwerken er actief aan om het vertrouwen in de strafrechtketen te versterken en slachtoffers beter te ondersteunen. In het Actieplan versterken ketenaanpak in zedenzaken staat de positie van het slachtoffer centraal. Professionals worden opgeleid om slachtoffers zorgvuldig te begeleiden en alle beschikbare opties te bespreken. Daarbij wordt ook aandacht besteed aan slachtoffers die risico lopen op intersectionele discriminatie, waaronder vrouwen met een beperking, LBTI-vrouwen, vrouwen in de prostitutie en migranten.

Om te zorgen dat onderzoeken voortvarend en zorgvuldig verlopen, wordt binnen de strafrechtketen ingezet op versnelling van de aanpak van seksuele misdrijven en is in de afgelopen jaren de opsporingscapaciteit versterkt. Zedenrechercheurs zijn Zedenrechercheurs zijn speciaal opgeleide politiemedewerkers en werkenwerkenwerkenwerken dagelijks aan de veiligheid in de samenleving. Zij doen aan waarheidsvinding, sporen (online) seksuele misdrijven op en begeleiden de slachtoffers naar een passende opvolging die bijdraagt aan het handhaven van de (rechts)orde, veiligheid en/of herstel. Dit werk vereist vakmanschap, neutraliteit, maatwerk en een scherp oog voor zowel de kwaliteitseisen aan het opsporingsproces als de belangen van alle betrokkenen in een onderzoek naar seksuele misdrijven. Het werken met slachtoffers en verdachten in onderzoeken naar seksuele misdrijven is specialistisch en vraagt specifieke competenties en vaardigheden. Vanwege deze aspecten zijn bepaalde handelingen voorbehouden aan daarvoor geselecteerde en opgeleide zedenrechercheurs.

In de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling wordt gewerkt vanuit de visie gefaseerd samenwerken aan veiligheid. Dit betekent dat eerst wordt gewerkt aan directe veiligheid met een

veiligheidsbeoordeling, veiligheidsvoorwaarden en een veiligheidsplan. Door bijvoorbeeld vroegtijdige afstemming van veiligheidsmaatregelen lopen interventies naast elkaar en in aanvulling op elkaar, in plaats van na elkaar. De kans op bijdrage aan herstel van de veiligheid neemt hierdoor toe. Als de directe veiligheid is gewaarborgd, wordt risicogestuurde zorg ingezet om de risicofactoren voor herhaling van geweld en onveiligheid aan te pakken en daarna wordt ondersteuning of behandeling geboden voor herstel.

Aanvullend staat bij de fase van het werken aan directe veiligheid vroegtijdige en intensieve samenwerking centraal via de aanpak Veiligheid Voorop! Binnen deze aanpak werken politie, Veilig Thuis, het OM, de Raad voor de Kinderbescherming en de reclassering nauw samen om direct in te grijpen bij acute onveiligheid en passende veiligheidsmaatregelen te treffen. Slachtoffers worden daarnaast systematisch beoordeeld via de werkwijze Individuele Beoordeling, zodat zij beter worden beschermd tegen herhaald slachtofferschap, intimidatie of vergelding. Indien nodig worden beschermende maatregelen door politie of OM ingezet.

Het kabinet onderschrijft het belang van voldoende capaciteit bij de rechtspraak, in het bijzonder voor zedenzaken. Hiervoor zijn structurele versterkingen ingezet. Daarnaast wordt de effectiviteit van straffen en maatregelen geborgd via de Richtlijn voor strafvordering huiselijk geweld, waarin verdachten in beginsel altijd worden gedagvaard. Ook wordt gewerkt aan het verbeteren van gegevensverzameling binnen de strafrechtketen, onder andere naar aanleiding van het onderzoek Waar geweld uit beeld raakt. Hiermee kan beter worden vastgesteld waar en waarom zaken uitvallen en kunnen gerichte maatregelen worden genomen om ā€œattritionā€ tegen te gaan.

Verder is naar aanleiding van genoemd onderzoek, een verbetertraject gestart om de verbinding tussen het straf- en civielrecht te versterken. De werkwijze van de rechtbank Rotterdam – waarin zaken uit beide rechtsgebieden in samenhang worden behandeld – sluit hier goed bij aan en wordt meegenomen in de verdere verkenning.

Tot slot, kent de Nederlandse wetgeving geen specifieke bepaling die huiselijk geweld strafbaar stelt. Dergelijk geweld wordt vervolgd op grond van andere artikelen, denk bijvoorbeeld aan mishandeling en belaging. Welke straf de rechter in een concrete zaak oplegt hangt af van de feiten en omstandigheden in een zaak (zie ook: oriĆ«ntatiepunten voor straftoemeting en overige LOVS-afspraken en rechtspraak.nl (jurisprudentieonderzoek)). Voor huiselijk geweld bij mishandeling geldt dat voornoemde oriĆ«ntatiepunten daar specifiek aandacht aan besteden: een geldboete is in zo’n geval niet aan de orde. Ā De rechtbank Rotterdam hanteert een specifieke aanpak in zaken waar het gaat om huiselijk geweld5. De Nederlandse Raad voor de Rechtspraak geeft aan dat het rapport en de aanbevelingen intern onder de aandacht zullen worden gebracht.

Onderwerp aanbeveling: Risicobeoordeling en risicobeheer

Artikel Verdrag van Istanbul: 51

Omschrijving

GREVIO spoort de Nederlandse autoriteiten sterk aan om:

  1. te waarborgen dat gendersensitieve risicobeoordelingen systematisch en verplicht worden uitgevoerd bij alle gevallen van huiselijk geweld en andere vormen van geweld onder het Verdrag van Istanbul, en niet alleen bij gevallen van ernstig geweld;

  2. risicobeoordeling, risicobeheer en preventieve maatregelen op uniforme wijze toe te passen in het hele land, bijvoorbeeld via training, richtlijnen en bewustwording;

  3. een effectieve multi-agencyaanpak te hanteren bij risicobeoordelingen, gericht op de mensenrechten en veiligheid van het individuele slachtoffer, met voldoende aandacht voor de rechten en veiligheidsbehoeften van kinderen die getuige zijn van partnergeweld;

  4. alle gevallen van moord, zelfdoding en verdachte sterfgevallen van vrouwen systematisch te analyseren op gendergerelateerde motieven, eerdere ervaringen met geweld, en mogelijke structurele tekortkomingen in het institutionele optreden van de autoriteiten.

Beleidsreactie

Binnen de aanpak van gendergerelateerd geweld, waaronder bij het voorkomen van (dreigende) femicide, spelen instrumenten voor veiligheidsbeoordeling en risicotaxatie een cruciale rol. Binnen de zorg- en veiligheidsketen gebruiken professionals deze instrumenten om een inschatting te maken van acute onveiligheid en van toekomstige risico’s. De wetenschappelijke kennis over risicofactoren is de afgelopen jaren verder ontwikkeld. Nederland vindt het noodzakelijk dat de door de partijen gebruikte instrumenten up-to-date zijn en goed aansluiten bij de laatste inzichten.

Vanuit het plan van aanpak ā€˜Stop femicide!’ voeren partijen uit de zorg- en strafsector momenteel een herijking uit van de door hen gebruikte instrumenten voor veiligheidsbeoordeling en risicotaxatie. Daarbij wordt onder meer beoordeeld in hoeverre deze instrumenten up-to-date zijn, voldoende oog hebben voor de rode vlaggen van (dreigende) femicide en of ze op het juiste moment op de juiste manier door professionals worden ingezet. De volgende partijen doen mee: Veilig Thuis, de politie, vrouwenopvang, reclassering, Raad voor de Kinderbescherming en de ambulante forensische geestelijke gezondheidszorg. De betrokken ministeries van VWS en JenV faciliteren dit project. De resultaten worden eind dit jaar verwacht. Daarnaast heeft Valente een toolbox ontwikkeld met risicotaxatieinstrumenten voor de vrouwenopvang.

Parallel hieraan wordt gekeken naar de samenwerking tussen partijen in de keten. Doel is om signalen van (dreigend) fataal geweld sneller en effectiever te herkennen door naast de instrumenten ook de organisatorische samenwerking te verbeteren. In dit verband loopt ook een pilot bij de Forensisch Artsen Rotterdam-Rijnmond (FARR) en de GGD Amsterdam, in samenwerking met het Landelijk Onderzoeks- en Expertisebureau voor Forensisch-Medisch Onderzoek (LOEF). Doel hiervan is het verbeteren van het forensisch-medisch onderzoek bij niet-fatale verwurging, het versterken van de vroegsignalering en het verbeteren van de samenwerking tussen sleutelpartijen zoals Veilig Thuis, de politie en het Openbaar Ministerie. Het onderzoek resulteert onder meer in een handreiking voor professionals, waarmee zij worden ondersteund in het herkennen van signalen van niet-fatale verwurging en het tijdig inschakelen van forensisch-medische expertise. Deze bevindingen zullen tevens bijdragen aan het verbeteren van de algemene veiligheids- en risicobeoordeling bij huiselijk geweld en kindermishandeling.

Verder start op korte termijn een verkenning naar een standaardaanpak voor de analyse van moord- en doodslagzaken binnen de huiselijke kring (HG-reviews). In deze verkenning wordt de mogelijke opzet van HG-reviews verder uitgewerkt, worden analysemethoden getest en geƫvalueerd, en vertaald naar concrete handvatten voor besluitvorming en uitvoering. Daarbij worden ook verschillende vormen van doding in de context van huiselijk geweld meegenomen, zoals zelfdoding en kinderdoding. Het doel is om inzicht te krijgen in (gendergerelateerde) motieven, eerdere signalen van geweld en mogelijke knelpunten of tekortkomingen in de aanpak. De verwachting is dat deze verkennende fase, waarin HG-reviews in de praktijk worden uitgeprobeerd, ruim een jaar in beslag zal nemen.

Tot slot, het ministerie van Justitie en Veiligheid financiert de Universiteit Leiden voor het

opzetten van de Nederlandse Femicide Monitor voor de periode van 2025 tot en met 2029. Deze monitor gaat inzicht bieden in de omvang en aard van vrouwenmoord in Nederland en in de kenmerken en subtypen van deze zaken. Dit wordt gedaan aan de hand van een wetenschappelijke analyse van politiedata, OM-data, rechtbankdata en mediaberichten vanaf 2014. De bevindingen vormen een verdieping van de jaarlijkse CBS-statistieken over moord en doodslag in Nederland. De Universiteit Leiden publiceert vanaf 2025 jaarlijks over de

statistieken van het afgelopen jaar. Daarnaast worden er periodieke overzichtsrapportages over een langere periode gepubliceerd. Ook produceert de Universiteit Leiden rapportages over specifieke kenmerken van vrouwenmoord in Nederland, evenals een webapplicatie ā€˜Femicide in Nederland’ en kennisuitwisseling door o.a. workshops en symposia. Ook stelt de Universiteit

Leiden de betreffende onderzoeksdata beschikbaar aan onder meer het WODC en het CBS, zodat ook eventueel verdiepend onderzoek uitgevoerd kan worden. Tenslotte kan de Femicide Monitor ook als basis dienen voor de selectie van casussen voor de bovengenoemde HG-reviews.

Onderwerp aanbeveling: Huisverbod, contactverboden en

beschermingsbevelen

Artikel Verdrag van Istanbul: 52 en 53

Omschrijving

Om volledige naleving van Artikel 52 van het Verdrag van Istanbul te waarborgen, dringt GREVIO er bij de Nederlandse autoriteiten op aan om wettelijke en andere maatregelen te nemen om:

  1. de Wet tijdelijk huisverbod te wijzigen zodat ook slachtoffers worden beschermd die niet samenwonen met de dader, en zodat ook een verbod op benadering en contact met het slachtoffer (en eventueel betrokken kinderen) mogelijk wordt;

  2. ervoor te zorgen dat de bevoegde autoriteiten onmiddellijk een huisverbod kunnen opleggen bij dreigend gevaar, zonder dat een hoog risico ("ernstig gevaar") moet worden aangetoond;

  3. het gebruik van spoedmaatregelen te bevorderen onder politiefunctionarissen, in samenwerking met Veilig Thuis;

  4. de strikte handhaving van deze maatregelen te waarborgen, inclusief correcte en tijdige kennisgeving aan de dader bij verlenging van de maatregel.

GREVIO spoort de Nederlandse autoriteiten sterk aan om wettelijke of andere maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat:

  1. er geen gat ontstaat in de bescherming van het slachtoffer als een spoedmaatregel (zoals een huisverbod) of contactverbod verloopt, door opvolgende beschermingsmaatregelen direct beschikbaar te maken en onmiddellijk na afloop van de vorige maatregel op te leggen;

  2. kinderen worden opgenomen in hetzelfde contactverbod als hun moeder, vooral in gevallen waarin de kinderen directe slachtoffers zijn of zijn blootgesteld aan het geweld;

  3. er inspanningen worden geleverd om het gebruik van contactverboden te bevorderen, het toezicht erop te verbeteren en de handhaving ervan te waarborgen.

Beleidsreactie

Het kabinet verkent momenteel samen met gemeenten en andere betrokken organisaties hoe het tijdelijk huisverbod voor plegers van huiselijk geweld en kindermishandeling vroegtijdiger en beter kan worden ingezet, ter bescherming van slachtoffers. Op basis van het rapport ā€˜Het tijdelijk huisverbod vanuit een nieuw perspectief’6 worden pilots voorbereid in vier regio’s waarin wordt onderzocht hoe de verschillende stadia van een huisverbodprocedure (het starten van een dergelijke procedure, het invullen van het risicotaxatie-instrument, het opleggen van het huisverbod, het uitvoeren van het huisverbod, de inzet van de benodigde zorg en hulpverlening en het handhaven van het huisverbod) verbeterd kunnen worden.

Het doel is om het tijdelijk huisverbod niet alleen in acute crisissituaties in te zetten, maar ook vroegtijdiger op basis van onderbouwde vermoedens van structurele onveiligheid. Naast de politie zouden ook meer partijen het initiatief moeten kunnen nemen om een verzoek tot huisverbod aan de burgemeester voor te leggen. De pilots starten in januari 2026 in vier regio’s. Omdat bij de inzet van het tijdelijk huisverbod veel partijen zijn betrokken vergt dit een nauwkeurige voorbereiding met de betrokken gemeenten en uitvoeringsorganisaties, waaronder de politie, Veilig Thuis, crisisinterventieteams, de Raad voor de Kinderbescherming, het Openbaar Ministerie, de reclassering en de lokale zorg en hulpverlening.

Er wordt tot en met eind 2026 gewerkt aan een handreiking voor professionals voor een betere inzet van het tijdelijk huisverbod. Hierin worden achtergrondinformatie en tips vermeld, mede op basis van de bevindingen van de hierboven genoemde pilots, om binnen het bestaande wettelijke kader al beter aan de slag te kunnen. Tegelijkertijd kunnen de pilots inzicht en nadere onderbouwing opleveren voor wijziging van de Wet tijdelijk huisverbod en flankerende wetgeving. Ook onderzoekt de staatssecretaris Rechtsbescherming in deze periode of burgemeesters aanvullende bestuursrechtelijke bevoegdheden moeten krijgen, en zo ja welke, om slachtoffers van huiselijk geweld en kindermishandeling beter te kunnen beschermen en hoe burgemeesters hun bestaande bevoegdheden hiervoor beter kunnen benutten. Het is immers van belang dat slachtoffers zo nodig ook na afloop van een huisverbod, of als een huisverbod niet opportuun is, en ook voor een strafrechtelijke afdoening (bijvoorbeeld nog voordat een gedragsaanwijzingen op grond van artikel 509 hh Sv wordt opgelegd) adequaat kunnen worden beschermd en dat hierop kan worden gehandhaafd.

Onderwerp aanbeveling: Beschermingsmaatregelen

Artikel Verdrag van Istanbul: 56

Omschrijving

42. GREVIO spoort de Nederlandse autoriteiten sterk aan om de belemmeringen te identificeren en aan te pakken die bestaan bij de praktische uitvoering van alle maatregelen die onder Artikel 56 van het Verdrag van Istanbul vallen. Dit moet gebeuren vanuit het perspectief van het slachtoffer, om mogelijke hiaten in de toepassing van beschermingsmaatregelen te dichten.

Beleidsreactie

Hoewel Nederland slachtoffers van criminaliteit tijdens het strafrechtelijk proces talrijke rechten toekent, heeft GREVIO enkele tekortkomingen in de praktische uitvoering ervan vastgesteld. Zo is opgemerkt dat in het verleden vaak privƩgegevens van slachtoffers in de dossiers werden opgenomen. Met de inwerkingtreding van nieuwe wet- en regelgeving op 1 juli 2025 wordt de privacy van slachtoffers beter beschermd.7 Die wetgeving zorgt ervoor dat acht verschillende soorten persoonsgegevens van slachtoffers, waaronder adresgegevens, Burgerservicenummer en telefoonnummer, niet meer standaard in het strafdossier worden vermeld. Ze mogen alleen nog worden vermeld als ze relevant zijn voor de beslissing die de rechter moet nemen. Ook hoeven slachtoffers die zich als benadeelde partij in het strafproces hebben gevoegd vanaf die datum niet meer zelf om het vonnis te vragen, maar krijgen zij dit automatisch toegestuurd.

Slachtoffers hebben op grond van artikel 51b Wetboek van Strafvordering het recht om te verzoeken om kennisneming van de processtukken bij het OM of, nadat het onderzoek ter terechtzitting is gestart, bij de strafrechter. Dit recht is van groot belang voor slachtoffers, omdat het hen in staat stelt om inzicht te krijgen in de zaak die hen aangaat. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid herkent het beeld niet dat de positie van het slachtoffer in relatie tot dit recht in de (nieuwe) OM aanwijzing slachtoffers in het strafproces (2024A001) wordt verzwakt. In de aanwijzing wordt benadrukt dat het OM het belang van het slachtoffer bij kennisneming moet afwegen tegen andere belangen, zoals het onderzoeksbelang en het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. Dit evenwicht is cruciaal om zowel de rechten van slachtoffers als de rechten van verdachten te waarborgen. In het nieuwe Wetboek van Strafvordering wordt het wetsartikel over kennisneming door het slachtoffer verduidelijkt. Er wordt bovendien voorzien in de mogelijkheid voor het slachtoffer om een bezwaarschrift in te stellen bij de rechter-commissaris tegen een afwijzende beslissing van het OM. Deze aanpassing kan de uniformiteit van de beslissingen op deze verzoeken bevorderen en zal de positie van het slachtoffer verduidelijken, wat hen meer duidelijkheid en zekerheid biedt in het proces.

Ook de zorg dat slachtoffers zich niet kunnen laten vertegenwoordigen in het vooronderzoek is ongegrond. Vanuit het ministerie van Justitie en Veiligheid is hierover contact geweest met het OM. De passage in de OM Aanwijzing verduidelijkt dat iemand die het slachtoffer bijstaat – zoals een advocaat, medewerker van Slachtofferhulp Nederland, gemachtigde of familielid – wel namens het slachtoffer kan handelen, maar niet in plaats van het slachtoffer. Dit betekent dat het duidelijk moet zijn dat de handelingen van de slachtofferadvocaat of andere bijstandverlener gewenst zijn door het slachtoffer. Dit voorkomt dat er buiten het slachtoffer om wordt gehandeld, zoals het opvragen van stukken door een verzekeraar zonder dat het slachtoffer daarvan op de hoogte is. Een gemachtigde bijstandverlener wordt dus niet buitenspel gezet; het slachtoffer behoudt de autonomie die hem toekomt. Met het OM is afgesproken dat, om verwarring te voorkomen, de tekst van de OM aanwijzing in een volgende ronde zal worden aangepast. Tot die tijd zal er conform bovenstaande toelichting worden gehandeld.

Met betrekking tot de vaststelling dat het recht van slachtoffers op informatie over de vrijlating of ontsnapping van de dader voornamelijk is gewaarborgd voor degenen die door een advocaat worden vertegenwoordigd, kan gezegd worden dat slachtoffers worden geĆÆnformeerd over de invrijheidsstelling en eventueel ontsnapping, ongeacht of ze bijgestaan worden door een advocaat. Hoewel niet kan worden uitgesloten dat dit in de praktijk niet in alle gevallen goed gaat, zijn er geen signalen bekend over problemen. Dit geldt ook voor de behandeling van slachtoffers met en zonder bijstand, waarbij geen scheiding zou moeten plaatsvinden.

Betere bescherming en goede ondersteuning zijn opnieuw speerpunten in de nieuwe Meerjarenagenda Slachtofferbeleid 2025-20288. De inzet daarbij is telkens duidelijk en voorspelbaar te zijn voor slachtoffers en te zorgen dat zij autonomie hebben om van rechten wel of niet gebruik te willen maken. Net als GREVIO heeft Nederland geconstateerd dat onderzoek naar de bestaande belemmeringen voor de volledige implementatie van ondersteunings- en beschermingsmaatregelen, ook vanuit het perspectief van slachtoffers, zou helpen om mogelijke hiaten in de toepassing te identificeren. In de Meerjarenagenda Slachtofferbeleid is aangegeven dat meer inzicht nodig is in de doeltreffendheid en doelmatigheid van maatregelen, om effectief beleid voor slachtoffers te waarborgen. Het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum is gestart met een meerjarig onderzoeksprogramma naar de behoeften van slachtoffers, naar de omvang van de doelgroep en diens gebruik van bestaande rechten en voorzieningen en de impact en ervaringen op weg naar herstel voor slachtoffers. De uitkomsten worden gebruikt om in de toekomst beleidsdoelen aan te scherpen en waar nodig het huidige beleid te herijken. Daarnaast lopen er onderzoeken op specifieke onderzoeksgebieden waar relevante aanbevelingen zullen worden betrokken bij de beleidsvorming en in de uitvoering.

Wat betreft een geharmoniseerde en gecoƶrdineerde werkwijze met betrekking tot hulp en ondersteuning wordt gewerkt aan een gezamenlijke aanpak. De gezamenlijke aanpak is een initiatief van het samenwerkingsverband Centrum Seksueel Geweld met de samenwerkende partijen Veilig Thuis, Slachtofferhulp Nederland, Perspectief Herstelbemiddeling, het Openbaar Ministerie en de politie. Doel is om de samenwerking verder te verbeteren en slachtoffers, (mogelijke) plegers en betrokkenen van geweld in afhankelijkheidsrelaties, specifiek seksueel misbruik en seksueel geweld, beter te helpen. De gezamenlijke aanpak zet de behoeften van slachtoffers en hun (in)directe omgeving centraal. De partijen werken samen om te komen tot de meest passende inzet voor slachtoffers op het gebied van veiligheid, (straf)recht, hulp (medisch en psychologisch) en herstel. De werkwijze wordt de tweede helft van 2025 getest in de regio’s Den Haag en Oost-Brabant, zodat kan worden vastgesteld of dit ook de gewenste verbetering oplevert voor slachtoffers. Op basis van de resultaten wordt in de eerste helft van 2026 een besluit genomen over landelijke uitrol. Simultaan wordt bezien voor welke andere groepen slachtoffers van geweld in afhankelijkheidsrelaties deze manier van samenwerken kan worden doorgevoerd, te beginnen met slachtoffers van (ex-partner) stalking.


  1. (EU) 2024/1385ā†©ļøŽ

  2. Kamerstukken II, 2022-2023, 28345, nr. 258 en 264.ā†©ļøŽ

  3. Rapport Monitor Veilige Opvang 2022-2023 compleet.ā†©ļøŽ

  4. Bijlage bij Kamerstukken II, 2024-2025, 28345, nr. 285.ā†©ļøŽ

  5. Huiselijk geweld | Rechtbank Rotterdam | Rechtspraak, zie hiervoor in paragraaf 37.ā†©ļøŽ

  6. Kleinjan – Van Zwet, M., Het tijdelijk huisverbod vanuit een nieuw perspectief, Analyse van de knelpunten en concrete voorstellen voor een verbeterde werkwijze van de Wet tijdelijk huisverbod, maart 2024. Zie Kamerstukken II, 2023-2024, 28345, nr. 278.ā†©ļøŽ

  7. https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2025-29.htmlā†©ļøŽ

  8. Kamerstukken II, 2024-2025, 33552, nr. 137ā†©ļøŽ