[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Tweeminutendebat Staat van het Consulaire 2024 en 2025 (CD 2/10) (ongecorrigeerd)

Stenogram

Nummer: 2025D48967, datum: 2025-11-27, bijgewerkt: 2025-11-28 09:50, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


Staat van het Consulaire 2024 en 2025

Staat van het Consulaire 2024 en 2025

Aan de orde is het tweeminutendebat Staat van het Consulaire 2024 en 2025 (CD d.d. 02/10).

De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het tweeminutendebat Staat van het Consulaire 2024 en 2025. Het commissiedebat heeft plaatsgevonden op 2 oktober. Ik heet natuurlijk van harte welkom in ons midden de minister van Buitenlandse Zaken.

Allereerst geef ik het woord aan mevrouw Piri voor haar inbreng namens de fractie van GroenLinks-Partij van de Arbeid.

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. We hebben in deze Kamer heel vaak gedebatteerd over onze ereschuld aan Afghaanse bewakers. Eerder is een soortgelijke motie aangenomen, op initiatief van D66, in de Eerste Kamer. Het fijne is dat als precies dezelfde partijen die een aantal weken geleden nog voor deze motie stemden en toen nét geen meerderheid vormden nu weer voor deze motie stemmen, er nu een ruime meerderheid is voor deze motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Tweede Kamer in oktober 2023 het kabinet heeft verzocht om werk te maken van de overbrenging van onder anderen de Afghaanse ambassadebewakers;

overwegende dat Afghaanse bewakers hun leven hebben geriskeerd ter bescherming van Nederlandse diplomaten en militairen en ernstig gevaar lopen vanwege hun werk voor Nederland;

overwegende dat het abrupte kabinetsbesluit vorig jaar om de bewakers niet over te brengen de morele en humanitaire verplichtingen van Nederland ondermijnt en aanzienlijke schade toebrengt aan onze internationale reputatie en toekomstige diplomatieke en militaire samenwerking;

verzoekt het kabinet om de reeds gedane toezeggingen na te komen en de veilige overbrenging van Afghaanse bewakers, inclusief hun directe gezinnen, naar Nederland per direct te realiseren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Piri, Dobbe, Van Baarle en Ceder.

Zij krijgt nr. 23 (36800-V).

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Piri. Het woord is aan mevrouw Dobbe namens de Socialistische Partij. Gaat uw gang.

Mevrouw Dobbe (SP):
Dank u wel, voorzitter. Wij hebben een kans om nu te regelen dat de Afghaanse bewakers naar Nederland komen en dat zij in veiligheid worden gebracht. Daarom staan wij ook met volle overtuiging onder de motie van mevrouw Piri. Laten we dat regelen.

Verder heb ik nog twee andere moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Kamer meerdere moties heeft aangenomen over huwelijkse gevangenschap en achterlating, waaronder moties voor een dochterregeling, het opnemen van huwelijkse gevangenschap in het mensenrechtenbeleid, ingediende verzoeken van de Kamer en toezeggingen van de regering;

overwegende dat aan deze moties en verzoeken nauwelijks opvolging is gegeven;

verzoekt de regering voor de behandeling van de begroting Buitenlandse Zaken een plan tegen huwelijkse gevangenschap naar de Kamer te sturen waarin de uitwerking van eerder aangenomen moties is meegenomen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Dobbe.

Zij krijgt nr. 24 (36800-V).

Mevrouw Dobbe (SP):
Dan heb ik nog een motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de regering de ambassade in Zuid-Sudan op 31 juli 2026 wil sluiten;

overwegende dat Nederland een belangrijke bijdrage levert aan de ontwikkeling van Zuid-Sudan, waaronder op de terreinen voedselzekerheid, watermanagement, klimaatweerbaarheid en de bescherming van vrouwen en kinderen, waar de ambassade een onmisbare rol in speelt;

verzoekt de regering om het sluiten van de ambassade in Zuid-Sudan te heroverwegen en wanneer sluiting van de ambassade inderdaad onvermijdelijk is de humanitaire hulp en ontwikkelingssamenwerking daar voort te zetten, bijvoorbeeld via het openhouden van een consulaat of ambassades in buurlanden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Dobbe.

Zij krijgt nr. 25 (36800-V).

Mevrouw Dobbe (SP):
Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Dobbe. Het woord is aan de heer Van Baarle namens de fractie van DENK. Gaat uw gang.

De heer Van Baarle (DENK):
Ik ga de minister verblijden met een aantal moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat opvarenden van de Global Sumud Flotilla, waaronder Nederlanders, aangeven dat zij door Israël zeer slecht zijn behandeld en zelfs zijn mishandeld;

constaterende dat er verscheidene aanvallen op de Global Sumud Flotilla zijn gemeld;

verzoekt de regering om de behandeling van de Nederlandse opvarenden van de Global Sumud Flotilla door Israël te veroordelen en met spoed onderzoek te doen naar mishandeling van en aanvallen op Nederlandse staatsburgers gepleegd door Israël,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Baarle en Dobbe.

Zij krijgt nr. 26 (36800-V).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering om spoed te betrachten ten aanzien van de nationale maatregelen om producten uit de onrechtmatige nederzettingen in de door Israël bezette gebieden te weren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.

Zij krijgt nr. 27 (36800-V).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering om de mogelijkheid voor financiering, garanties en ẹxportkredietinstrumenten alsmede de subsidies en cofinancieringsprogramma's voor wat betreft economische activiteiten in Israël op te schorten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.

Zij krijgt nr. 28 (36800-V).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de economische afdeling van de Nederlandse ambassade individuele ondersteuning en actueel advies geeft over ondernemen in Israël en vragen beantwoordt van bedrijven, en dat de RVO ondersteunt met marktonderzoek en sectorrapporten of ondernemers doorverwijst naar gespecialiseerde RVO-adviseurs en/of de ambassade;

verzoekt de regering om bedrijven die zaken (willen) doen in Israël er vanuit dẹ ambassade en de RVO standaard op te wijzen dat zij te maken kunnen krijgen met mensenrechtenschendingen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.

Zij krijgt nr. 29 (36800-V).

De heer Van Baarle (DENK):
Voorzitter. Wij hebben de motie van mevrouw Piri over de Afghaanse bewakers vanzelfsprekend medeondertekend en we hopen op een spoedige rechtvaardige behandeling van deze groep.

Dank, voorzitter.

De voorzitter:
U bedankt, meneer Van Baarle. Het woord is aan mevrouw Van der Werf voor haar inbreng namens de fractie van Democraten 66.

Mevrouw Van der Werf (D66):
Dank, voorzitter. Ik heb één motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de dichtstbijzijnde ambassade of het dichtstbijzijnde consulaat voor veel Nederlanders in het buitenland nog vaak op grote reisafstand ligt;

overwegende dat dit in landen met grote geografische afstanden leidt tot aanzienlijke belasting voor Nederlanders die hun paspoort moeten verlengen;

overwegende dat de druk op de consulaire dienstverlening al toeneemt door de zogenoemde paspoortpiek;

van mening dat het noodzakelijk is dat de consulaire dienstverlening toekomstbestendig wordt gemaakt en moderne digitale alternatieven worden benut;

verzoekt de regering om uiterlijk in het eerste kwartaal van 2026 de Kamer te informeren over welke digitale en andere innovatieve alternatieven mogelijk zijn voor de fysieke verschijningsplicht bij het verlengen van paspoorten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Werf.

Zij krijgt nr. 30 (36800-V).

Dank u wel. Tot slot van de zijde van de Kamer de heer Van der Burg voor zijn inbreng namens de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie.

De heer Van der Burg (VVD):
Voorzitter. Ook ik heb hier een motie voorliggen, maar die ga ik nog even niet indienen. Die motie gaat over de postendiscussie en in dit specifieke geval over het consulaat in Antwerpen. Maar het lijkt me goed dat we daar nog bij stilstaan in het geplande tweeminutendebat over het postennet dan wel in de begrotingsbehandeling, wanneer we er ook over komen te spreken. Voor nu slechts de vraag aan de minister om geen onomkeerbare stappen te zetten als het gaat om het sluiten van het consulaat in Antwerpen; verder kom ik daarop terug bij de andere debatten die we nog gaan krijgen.

De voorzitter:
Dank u wel, meneer Van der Burg. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de inbreng van de zijde van de Kamer. Ik schors de vergadering voor zeven minuten tot 16.15 uur.

De vergadering wordt van 16.08 uur tot 16.15 uur geschorst.

De voorzitter:
Ik heropen de vergadering en geef het woord aan de minister voor zijn appreciatie van de ingediende moties.

Minister Van Weel:
Dank, voorzitter, en dank aan de leden voor hun inbreng. Ik had één vraag van de heer Van der Burg, maar die houdt ook verband met de motie op stuk nr. 25 van mevrouw Dobbe, over de postendiscussie. We gaan daar nog over spreken, onder andere in het kader van de begrotingsbehandeling. Ik zeg u in ieder geval toe dat ik tot die tijd geen onomkeerbare stappen zet. Daarmee is de vraag van de heer Van der Burg beantwoord, maar ik kom apart terug op de appreciatie van de motie.

De motie op stuk nr. 23 van mevrouw Piri moet ik ontraden. We hebben hier uitgebreid het debat over gevoerd; dat heeft u niet alleen met mij gedaan maar ook met mijn ambtsvoorganger. Er is een keuze gemaakt, een zorgvuldige afweging gemaakt, er zijn rechtszaken geweest. Wij houden vast aan de lijn die we eerder hebben gekozen.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 23 is ontraden. Dan de motie op stuk nr. 24.

Minister Van Weel:
De motie op stuk nr. 24 over huwelijkse gevangenschap wil ik graag oordeel Kamer geven, als ik iets meer ruimte zou mogen hebben wat betreft de oplevering van het plan. Op dit moment zijn wij bezig met het ministerie van JenV om opvolging te geven aan die moties. U had gevraagd: vóór de begrotingsbehandeling. Zouden we daar het eerste kwartaal van kunnen maken, want dan denk ik dat ik dat gestand kan doen, ook zonder consultaties?

De voorzitter:
Ik zie mevrouw Dobbe knikken. Vereist dat nog een wijziging van het dictum, minister? Of zegt u: met deze interpretatie is het akkoord?

Minister Van Weel:
Met deze interpretatie, zoals we het hier bespreken, is het akkoord.

De voorzitter:
Akkoord. Met deze interpretatie krijgt de motie op stuk nr. 24 oordeel Kamer.

Minister Van Weel:
Ik zou u willen vragen om de motie op stuk nr. 25 aan te houden, zoals eerder gezegd tot aan de begrotingsbehandeling, omdat we dan uitgebreid over de integraliteit komen te spreken. Ik kan u wel zeggen: ook als de voorgenomen sluiting wordt uitgevoerd, zullen wij de taken en dienstverlening die we nu vanuit Zuid-Sudan doen, vanuit een andere post in accreditatie voortzetten. Die geruststelling kan ik u alvast geven, maar ik verzoek u om de motie aan te houden.

De voorzitter:
Is mevrouw Dobbe ertoe bereid om de motie aan te houden? Dat is niet het geval. Dan krijgt zij de appreciatie "ontijdig".

Minister Van Weel:
Ja.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 26.

Minister Van Weel:
De motie op stuk nr. 26 van mevrouw Van der Werf zou ik graag oordeel Kamer geven.

De voorzitter:
Nee, dat is de motie-Van Baarle/Dobbe.

Minister Van Weel:
O, excuus. Ik zit helemaal verkeerd. Dat is pas de motie op stuk nr. 30.

Terug naar de motie op stuk nr. 26. Wij hebben al uitgebreid aandacht gevraagd voor de behandeling van de Nederlandse medereizigers op de Flotilla. Wij hebben ons ook uiterst ingespannen om hen zo spoedig mogelijk weer terug te krijgen uit Israël. Dat hebben wij gedaan. Daarmee hebben wij naar mijn mening voldoende gedaan om onze burgers van steun te voorzien. Deze ontraad ik dus.

De voorzitter:
Ik zie de heer Van Baarle opstaan, maar hij wil later pas reageren. Dat gaan we doen. De motie op stuk nr. 26: ontraden. De motie op stuk nr. 27?

Minister Van Weel:
De motie op stuk nr. 27 geef ik oordeel Kamer. U vraagt in de motie om dat zo spoedig mogelijk te doen. Daar zijn we mee bezig, dus daar kan ik mij in vinden.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 27: oordeel Kamer. De motie op stuk nr. 28?

Minister Van Weel:
De motie op stuk nr. 28 ontraad ik. Het gaat ons er niet om dat we alle economische activiteiten met Israël opschorten.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 28: ontraden. De motie op stuk nr. 29?

Minister Van Weel:
De motie op stuk nr. 29 moet ik ook ontraden, omdat die gaat over het zakendoen met Israël. We hebben al een ontmoedigingsbeleid voor het zakendoen op de Westelijke Jordaanoever en voor ons is dat nu voldoende. Die ontraad ik dus ook.

De voorzitter:
De interruptie van meneer Van Baarle, die ik dank voor het meedenken over de clustering van de beantwoording.

De heer Van Baarle (DENK):
Altijd constructief, zo kent u mij. Wat betreft de motie op stuk nr. 26: ik weet niet of de minister in de media heeft gezien dat Nederlandse opvarenden van de Flotilla hebben aangegeven dat zij door het Israëlische leger, door Israëlische autoriteiten, urenlang zonder water zijn vastgezet, zijn mishandeld en een zeer slechte, onmenselijke behandeling hebben gekregen? Wat ik vraag is: onderzoek dat. Het gaat om Nederlandse staatsburgers. Als Nederlandse staatsburgers zoiets verschrikkelijks aangeven, dan zou de minister van Buitenlandse Zaken toch de onderste steen boven moeten krijgen?

Minister Van Weel:
Alle signalen die de heer Van Baarle noemt, hebben ons niet bereikt, zeker niet in de heftige bewoordingen die hij gebruikt. We hebben aandacht gevraagd voor de goede behandeling. We hebben gezorgd dat deze mensen zo snel mogelijk vrijkomen; dat zijn ze nu ook. En nee, wij zijn niet voornemens om daar zelf een onderzoek naar te gaan doen.

De heer Van Baarle (DENK):
Dit was gewoon onderdeel van een televisie-uitzending. Daarin gaven de Nederlandse opvarenden van de Flotilla aan dat ze zonder water in een hele hete bus hebben gezeten, doodsangsten hebben uitgestaan en de behandeling als mishandeling hebben ervaren. Dan zou je toch van een overheid die dient te staan voor de veiligheid van Nederlandse staatsburgers in het buitenland, van deze minister, verwachten dat hij zegt: ik ga dit zo snel mogelijk onderzoeken, want dit kan niet als dit gebeurd is. Waarom doet de minister dat niet?

Minister Van Weel:
We hebben aandacht gevraagd voor de behandeling en we hebben gezorgd dat deze mensen zo snel mogelijk vrijkwamen. Ik zie verder geen aanleiding om daar zelf een uitgebreid onderzoek naar te gaan doen.

De voorzitter:
Mevrouw Dobbe, heeft u een interruptie over deze motie? Beknopt, als dat kan.

Mevrouw Dobbe (SP):
Ja. De minister zegt: deze signalen hebben mij niet bereikt. Nou, die signalen bereiken u dan nu. Het is ook duidelijk dat het niet alleen onze mening is, maar dat het ook daadwerkelijk door opvarenden zelf met ons is gedeeld. Die signalen heeft u bij dezen ontvangen. Bent u dan bereid om deze signalen te onderzoeken?

Minister Van Weel:
Ik heb nu geen aanleiding om daar onderzoek naar te doen.

De voorzitter:
Mevrouw Dobbe, tot slot.

Mevrouw Dobbe (SP):
Ik vind dat wel heel raar, moet ik zeggen. U bent namelijk ook verantwoordelijk voor Nederlandse staatsburgers in het buitenland. Er zijn signalen — die zijn er; als u ze tot nu toe niet heeft ontvangen, ontvangt u ze nu via ons — en dan moet u daar toch naar willen kijken? Ik snap dat niet. Dan wilt u daar toch alles van weten, zodat u ook weet of uw staatsburgers goed behandeld zijn en of we de staat die dit eventueel heeft gedaan erop kunnen aanspreken, zodat het niet nog een keer gebeurt? Dat moet u toch willen doen?

Minister Van Weel:
Dat aanspreken is al gebeurd; dat heb ik u gezegd. Ten tweede: al deze mensen hebben uitgebreid consulaire dienstverlening gekregen van de ambassade. Ze zijn allemaal bezocht en er zijn uitgebreide contacten met hen geweest. Daarmee houdt de verantwoordelijkheid van de Staat wat mij betreft voor nu op.

De voorzitter:
Tot slot de motie op stuk nr. 30.

Minister Van Weel:
De motie op stuk nr. 30 geef ik oordeel Kamer, als ik iets meer tijd mag hebben en het dictum "2026" zou mogen zeggen. Dat zeg ik omdat ik heel snel overlegd heb met BZK, dat Q1 niet haalbaar acht om hieraan invulling te geven.

De voorzitter:
We kijken naar mevrouw Van der Werf. Die knikt. Daarmee krijgt de motie op stuk nr. 30, met die interpretatie, oordeel Kamer.

Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de appreciatie van de ingediende moties.

De beraadslaging wordt gesloten.