[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Advies Afdeling advisering Raad van State en Nader rapport

Implementatie van Richtlijn (EU) 2024/1203 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht en tot vervanging van de Richtlijnen 2008/99/EG en 2009/123/EG (Implementatiewet herziene Europese richtlijn milieucriminaliteit)

Advies Afdeling advisering Raad van State en Nader rapport

Nummer: 2025D54100, datum: 2025-12-17, bijgewerkt: 2026-01-06 08:04, versie: 3 (versie 1, versie 2)

Directe link naar document (.pdf), link naar pagina op de Tweede Kamer site, officiële HTML versie (kst-36876-4).

Gerelateerde personen:

Onderdeel van kamerstukdossier 36876 -4 Implementatie van Richtlijn (EU) 2024/1203 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht en tot vervanging van de Richtlijnen 2008/99/EG en 2009/123/EG (Implementatiewet herziene Europese richtlijn milieucriminaliteit) .

Onderdeel van zaak 2025Z22734:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


Tweede Kamer der Staten-Generaal 2
Vergaderjaar 2025-2026

36 876 Implementatie van Richtlijn (EU) 2024/1203 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht en tot vervanging van de Richtlijnen 2008/99/EG en 2009/123/EG (Implementatiewet herziene Europese richtlijn milieucriminaliteit)

Nr. 4 ADVIES AFDELING ADVISERING RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT

Hieronder zijn opgenomen het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State d.d. 8 oktober 2025 en het nader rapport d.d. 12 december 2025, aangeboden aan de Koning door de Minister van Justitie en Veiligheid. Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State is cursief afgedrukt.

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw Kabinet van 16 juli 2025, nr. 2025001665, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 8 oktober 2025, nr. W16.25.00193/II, bied ik U hierbij aan.

De tekst van het advies treft u hieronder cursief aan, voorzien van mijn reactie.

Bij Kabinetsmissive van 16 juli 2025, no. 2025001665, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie en Veiligheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet ter implementatie van Richtlijn (EU) 2024/1203 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht en tot vervanging van de Richtlijnen 2008/99/EG en 2009/123/EG (Implementatiewet herziene Europese richtlijn milieucriminaliteit), met memorie van toelichting.

Met dit wetsvoorstel wordt de herziene Europese richtlijn milieucriminaliteit geïmplementeerd. Er worden twee nieuwe commune delicten in het Wetboek van Strafrecht opgenomen, twee gedragingen aangemerkt als economische delicten, enkele strafverzwarende omstandigheden ingevoegd en de strafmaat voor dood door schuld in geval van roekeloos handelen wordt verhoogd. Ook worden in het Wetboek van Strafrecht definitiebepalingen opgenomen van de woorden «ecosysteem» en «beschermde habitat».

De strafverhoging van dood door schuld is slechts voorgeschreven voor milieudelicten, maar wordt in algemene zin doorgevoerd. De Afdeling advisering van de Raad van State vraagt hoe de voorgestelde strafverhoging zich verhoudt tot de aard en ernst van het delict, in het bijzonder voor niet-milieugerelateerde handelingen en mede in verhouding tot andere strafbare feiten.

De nieuwe strafbepalingen en de voorgestelde strafverzwarende omstandigheden hebben betrekking op schade die wijdverbreid, aanzienlijk en onomkeerbaar of langdurig is. Uit de toelichting volgt niet wat er onder het begrip «langdurig» wordt verstaan. De Afdeling adviseert dit nader toe te lichten.

Tot slot adviseert de Afdeling in de toelichting in te gaan op de benodigde impuls aan toezicht en handhaving op het gebied van milieucriminaliteit.

In verband met deze opmerkingen is aanpassing wenselijk van de toelichting.

De Afdeling advisering van de Raad van State (hierna: de Afdeling) adviseert de bij dit wetsvoorstel gegeven toelichting aan te scherpen op drie onderdelen, te weten ten aanzien van de strafmaatverhoging voor het delict dood door schuld, de betekenis van het begrip «langdurig», en de capaciteit voor toezicht en handhaving op het gebied van milieucriminaliteit.

Zoals in het hiernavolgende nog aan de orde komt, is de memorie van toelichting overeenkomstig het advies van de Afdeling op deze punten aangevuld.

1. Inhoud wetsvoorstel

Het wetsvoorstel strekt tot implementatie van de herziene richtlijn milieucriminaliteit.1 Een groot deel van de in de richtlijn opgenomen delicten is in Nederland al aangemerkt als strafbaar feit. De herziening geeft echter aanleiding tot het aanmerken van twee gedragingen als economische delicten2, het introduceren van twee nieuwe strafbaarstellingen3 en enkele strafverzwarende omstandigheden.4

Het voorstel introduceert twee nieuwe commune delicten die betrekking hebben op het verkopen en te koop aanbieden van waren waarvan het gebruik op grote schaal ten gevolge heeft dat een stof, voorwerp of energie op of in de bodem, lucht of het oppervlaktewater wordt gebracht.5 Dit is strafbaar indien als gevolg daarvan aanzienlijke schade te duchten is aan de kwaliteit van de bodem, lucht of het oppervlaktewater, of aan een ecosysteem, dieren of planten.

Ook is strafbaar als door het handelen levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. Een extra strafverzwaring is mogelijk in drie gevallen. Namelijk indien het feit (i) de vernietiging veroorzaakt van een ecosysteem van aanzienlijke omvang of milieuwaarde of een beschermde habitat, (ii) wijdverbreide en aanzienlijke schade die onomkeerbaar of langdurig is veroorzaakt aan een ecosysteem van aanzienlijke omvang of, een milieuwaarde, aan een beschermde habitat of aan de kwaliteit van bodem, de lucht of het oppervlaktewater, of (iii) indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft. De opzetvariant van dit delict kent een maximale strafdreiging tussen de acht en twaalf jaar gevangenisstraf, de schuldvariant van één of twee jaar.

Naast de introductie van de twee nieuwe commune delicten worden vier bestaande commune delicten uitgebreid met een strafverzwaringsgrond. Het gaat om de delicten die zien op het veroorzaken van milieuverontreiniging (artikel 173a en 173b Sr) en het besmetten of blootstellen van mensen, dieren, planten of goederen aan ioniserende straling of radioactieve stoffen (artikel 161quater en 161quinquies Sr). De strafbaarstellingen zijn in reikwijdte nu beperkt tot gevallen waarin gevaar voor de openbare gezondheid of het leven te duchten is. Het voorstel breidt dit uit naar het (kunnen) veroorzaken van aanzienlijke schade aan de kwaliteit van bodem, lucht of het oppervlaktewater, dan wel aan een ecosysteem, dieren of planten. Eenzelfde formulering wordt hiervoor gebruikt als opgenomen in de voorgestelde nieuwe delicten.

In het Wetboek van Strafrecht worden daarnaast twee artikelen opgenomen met een definitiebepaling van het woord «ecosysteem» en van het woord «beschermde habitat» (resp. artikel 90decies en artikel 90undecies Sr).

Tot slot wordt in de Wet op de economische delicten (WED) een strafverzwaringsgrond opgenomen voor misdrijven die een economisch delict betreffen en zijn opgenomen in artikel 1a, onder 1 WED. De voorgestelde strafverzwaringsgrond ziet volgens de toelichting op de meest ernstige verschijningsvormen van milieucriminaliteit die tot milieuschade op grote schaal leiden. Hiermee wordt onder andere beoogd om gedragingen die verband houden met «ecocide» te sanctioneren.6

2. Strafmaatverhoging dood door schuld

Naast de milieuspecifieke delicten bevat het voorstel ook een verhoging van het strafmaximum van dood door schuld in de vorm van roekeloosheid van vier naar vijf jaar.7 Aanleiding hiervoor is de minimale maximumstraf die de richtlijn voorschrijft voor handelen met «grove nalatigheid» als gevolg waarvan iemand komt te overlijden. Weliswaar heeft dit voorschrift uit de richtlijn enkel betrekking op handelen dat in strijd is met de daar voorgeschreven milieudelicten, maar lidstaten wordt de mogelijkheid gegeven dit door te voeren via meer algemene strafbepalingen.8 Daar wordt in dit geval voor gekozen.

Ter toelichting wordt gewezen op de systematiek die is gekozen bij de introductie van het tweede lid van artikel 307 Sr.9 De wetgever overwoog toen dat culpoze delicten die gevaar meebrengen voor de algemene veiligheid van personen of goederen onder omstandigheden die daartoe aanleiding geven, kunnen worden vervolgd onder de algemene grondslag in het artikel van dood door schuld. Op die manier hoeft niet voor ieder van deze delicten een aparte strafverzwaring te worden opgenomen in het geval sprake is van roekeloos handelen. Het opnemen van een strafverzwaringsgrond in de vorm van roekeloosheid bij specifieke milieudelicten zou deze systematiek doorbreken.10

De Afdeling wijst erop dat als gevolg van deze benadering met de strafverhoging niet alleen milieudelicten worden geraakt. Alle handelingen die onder artikel 307, tweede lid, Sr kunnen vallen worden voortaan bedreigd met een gevangenisstraf van maximaal vijf jaar. Van belang daarbij is dat de hoogte van een sanctie primair een uitdrukking van de aard en ernst van het strafbare feit is.11 Dat verhoging van het strafmaximum ten aanzien van milieudelicten passend is, brengt niet direct met zich mee dat dit ook geldt voor ander roekeloos handelen dat een ander het leven kost. De toelichting gaat hier onvoldoende op in.

Ook wordt daarbij niet betrokken hoe deze strafverhoging zich verhoudt tot bijvoorbeeld het strafmaximum van dood door schuld zoals neergelegd in artikel 307, eerste lid, Sr. In de huidige wetsbepaling is sprake van een verdubbeling van het strafmaximum indien de schuld bestaat in de vorm van roekeloosheid. Dat geldt ook bij handelen dat leidt tot zwaar lichamelijk letsel en dood in het verkeer.12 Met het voorstel wordt het strafmaximum meer dan verdubbeld bij dood door schuld.

De Afdeling adviseert in de toelichting aanvullend te motiveren hoe de voorgestelde strafverhoging zich verhoudt tot de aard en ernst van het delict, in het bijzonder voor niet-milieugerelateerde handelingen en mede in verhouding tot andere strafbare feiten.

Richtlijn (EU) 2024/1203 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht en tot vervanging van de Richtlijnen 2008/99/EG en 2009/123/EG (hierna: de herziene Europese richtlijn milieucriminaliteit) laat de nationale wetgever de ruimte om bij de omzetting van de bepalingen uit de richtlijn die betrekking hebben op strafrechtelijke delicten die de dood van een persoon veroorzaken een beroep te doen op de algemene nationale bepalingen die zien op «opzettelijke doodslag» en «doodslag door grove nalatigheid» (zie overweging 30 bij de richtlijn), zoals ook de Afdeling constateert. In de memorie van toelichting is uiteengezet dat «het veroorzaken van de dood door grove nalatigheid» tegen deze achtergrond in het Nederlandse recht kan worden geïmplementeerd als «dood door schuld in de vorm van roekeloosheid». Dit is strafbaar gesteld in artikel 307, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Om te voldoen aan het in artikel 5, tweede lid, onder c, van de richtlijn voorgeschreven minimale strafmaximum wordt met onderhavig wetsvoorstel de straf voor dood door schuld in de vorm van roekeloosheid verhoogd van vier jaar naar vijf jaar.

De wetgever heeft bij de introductie van roekeloosheid als strafverzwarende omstandigheid in het Wetboek van Strafrecht beoogd een adequate bestraffing mogelijk te maken in gevallen waarin sprake is van zeer onvoorzichtig gedrag waarbij welbewust en met ernstige gevolgen onaanvaardbare risico’s zijn genomen. Zie Kamerstukken II 2001/02, 28 484, nr. 3, p. 12. Bij die totstandkoming is expliciet gekozen voor een wetssystematiek waarbij geen aparte voorzieningen zijn getroffen voor het geval schuld bij de gemeengevaarlijke delicten zoals opgenomen in Boek 2, Titel VII, Sr – waaronder de strafbaarstellingen waarmee uitvoering wordt gegeven aan deze richtlijn – zou bestaan uit roekeloosheid. De wetgever heeft, onder meer met het oog op consistentie in strafmaat, bewust gekozen voor een strafverzwaring in geval van dood door schuld die bestaat uit roekeloosheid via de algemene strafbaarstelling in artikel 307, tweede lid, Sr.

Met deze wetssystematiek is door de wetgever de keuze gemaakt om gedragingen waarin sprake is van dood door schuld in de vorm van roekeloosheid van vergelijkbare ernst te beschouwen. Daarmee staat het verwijt dat de betrokkene op roekeloze wijze het leven van zijn medemens op het spel heeft gezet centraal; aan de specifieke context van het delict wordt in zoverre geen bijzondere rol toegedicht. Dit betekent dat het niet voor de hand ligt om ter implementatie van de richtlijn nu een onderscheid te maken tussen verschillende soorten delicten. Teneinde recht te doen aan de verplichting dat een strafmaximum van vijf jaren moet gelden indien een aantal in de richtlijn opgenomen gedragingen uit «grove nalatigheid» is begaan en zij de dood van een persoon hebben veroorzaakt, is er in lijn met deze systematiek dan ook voor gekozen om het strafmaximum van artikel 307, tweede lid, Sr te verhogen.

De Afdeling heeft verder opmerkingen gemaakt over de verhouding tussen het strafmaximum voor het delict dood door schuld in vorm van roekeloosheid als omschreven in artikel 307, tweede lid, Sr en de maximumstraf die geldt in gevallen waarin de schuld niet bestaat uit roekeloosheid. In reactie hierop wordt opgemerkt dat de richtlijn enkel verplicht te voorzien in een maximale gevangenisstraf van vijf jaar voor zover een aantal in de richtlijn opgenomen delicten de dood van een persoon veroorzaken en uit «grove nalatigheid» (naar Nederlands recht: roekeloosheid) zijn begaan. De in het wetsvoorstel opgenomen strafmaatverhoging voor artikel 307, tweede lid, Sr is overeenkomstig deze verplichting. De richtlijn noopt niet tot het herzien van de strafmaten op dood door schuld waarin geen sprake is van roekeloosheid. Het kabinet heeft zich daarom beperkt tot de in het wetsvoorstel opgenomen strafmaatverhoging.

Naar aanleiding van de opmerkingen van de Afdeling is de memorie van toelichting in lijn met het voorgaande aangevuld.

3. Langdurige schade

De nieuw voorgestelde strafbepalingen en de strafverzwaringsgronden hebben betrekking op schade die wijdverbreid, aanzienlijk en onomkeerbaar of langdurig is. In de toelichting wordt ingegaan op hoe die begrippen moeten worden ingevuld, met uitzondering van het begrip «langdurig». Ook uit de richtlijn volgt niet wat hieronder moet worden verstaan.

De Afdeling wijst erop dat het gebruik van open normen in strafbaarstellingen niet altijd kan worden voorkomen. De grenzen van de strafbepaling kunnen tot op zekere hoogte in de rechtspraak nader worden gepreciseerd. Het moet voor burgers en de rechtspraktijk echter wel voldoende duidelijk, voorzienbaar en kenbaar zijn welke handelingen, onder welke omstandigheden, strafbaar zijn (dit wordt het lex certa-beginsel of bepaaldheidsgebod genoemd), zodat iedereen zich daarnaar kan gedragen.13 Duidelijke afbakening en invulling zijn onontbeerlijk voor de bewaking van de rechtszekerheid. Daarnaast voorkomt een duidelijke afbakening dat strafbaarstellingen te ruim worden geformuleerd waardoor zij ook gevallen bestrijken waarvan niet bedoeld is deze als strafbaar aan te merken.

Het is dan ook voor de rechtspraktijk van belang dat in de toelichting duidelijkheid wordt gegeven over wat moet worden verstaan onder het bestanddeel «langdurig».14 Is beoogd hieraan een vaste termijn te verbinden?15 Zo’n vaste termijn biedt een duidelijk handvat, maar kan voor bepaalde milieudelicten een te beperkende werking hebben. Het hanteren van een vaste termijn is daarbij in de richtlijn ook niet voorgeschreven.

De Afdeling merkt daarbij op dat het voorstelbaar is dat de termijn kan verschillen naar gelang het type ecosysteem of habitat dat is aangetast. Uit de toelichting blijkt echter niet dat een dergelijke invulling van het begrip «langdurig» is bedoeld is. Ook blijkt nu onvoldoende hoe dit begrip dient te worden afgezet tegen het begrip «onomkeerbaar».

De Afdeling adviseert in de toelichting te verduidelijken wat onder het begrip «langdurig» wordt verstaan.

Op grond van artikel 3, derde lid, van de herziene Europese richtlijn milieucriminaliteit zijn lidstaten verplicht ten aanzien van een aantal voorgeschreven delicten te voorzien in een gekwalificeerde strafbaarstelling in onder andere de gevallen waarin een milieudelict wijdverbreide en aanzienlijke schade tot gevolg heeft die onomkeerbaar of langdurig is veroorzaakt aan een ecosysteem van aanzienlijke omvang of milieuwaarde, aan een beschermde habitat of aan de kwaliteit van lucht, bodem of water.

De schade dient zowel «wijdverbreid en aanzienlijk» als «onomkeerbaar» of «langdurig» te zijn. Deze begrippen dienen in onderlinge samenhang met elkaar te worden bezien, nu sprake is van een cumulatieve opsomming. Dat betekent dat de schade zowel wijdverbreid en aanzienlijk als onomkeerbaar of langdurig moet zijn.

In de toelichting werd al ingegaan op de betekenis van de begrippen «wijdverbreid», «aanzienlijk» en «onomkeerbaar». De Afdeling adviseert ook het begrip «langdurig» in de toelichting nader te duiden. In het advies wordt er terecht op gewezen dat open normen in strafbaarstellingen soms niet kunnen worden voorkomen, maar dat een duidelijke afbakening en invulling van belang zijn. Overeenkomstig de opmerkingen van de Afdeling is de memorie van toelichting dan ook aangevuld. Daarin is verhelderd dat de beoordeling of sprake is van «langdurige» schade mede afhankelijk is van het type ecosysteem of habitat dat is aangetast, waardoor hiervoor geen algemene, concrete termijnen, kunnen worden gegeven. In algemene zin kan bij «langdurig» worden gedacht aan schade die in de regel omkeerbaar is, maar die bijvoorbeeld niet op natuurlijke wijze kan worden hersteld, of waarbij de natuurlijke hersteltermijn een langere periode beslaat.16

4. Handhaving

De herziening van de richtlijn milieucriminaliteit is ingegeven door het feit dat milieucriminaliteit de afgelopen jaren is uitgegroeid tot de op drie na grootste criminaliteitsvorm ter wereld en de omvang jaarlijks toeneemt met 5 tot 7%.17 Het vormt daarmee een ernstige bedreiging voor het behalen van de doelstellingen inzake het terugdringen van vervuiling, beheer van afvalstoffen en behoud van biodiversiteit. Volgens de toelichting vindt de regering het dan ook van belang dat hier effectief en daadkrachtig tegen wordt opgetreden. Zowel de nieuwe strafbaarstellingen als de geïntroduceerde strafverzwaringsgronden moeten dit mogelijk maken.

In de adviezen van politie en openbaar ministerie is opgemerkt dat met dit wetsvoorstel een fundamentele verandering van het huidige milieustrafrecht wordt bereikt, door een verschuiving van een antropocentrische naar een ecocentrische benadering van de strafbaarstelling van milieudelicten.

Dit roept de vraag op in hoeverre in opsporing en vervolging bij een schaarse capaciteit prioriteit kan en zal worden gegeven aan de handhaving van de met deze wet doorgevoerde vernieuwing van het milieustrafrecht. De toelichting biedt daarin slechts in geringe mate inzicht. De effectiviteit van de met de implementatiewet voorgestelde vernieuwing van het milieustrafrecht is afhankelijk van een impuls aan toezicht en handhaving. De vraag is hoe daarin wordt voorzien.

De Afdeling adviseert hierop in de toelichting nader in te gaan.

De Afdeling wijst op de uitdaging om, gelet op de beperkte capaciteit, voldoende prioriteit te kunnen geven aan de bestrijding van milieucriminaliteit. De opmerkingen van de Afdeling hebben dan ook aanleiding gegeven tot aanvulling op dit punt van de memorie van toelichting.

De maatschappelijke aandacht voor milieucriminaliteit is de afgelopen jaren toegenomen, mede door incidenten en de bredere discussie over de gevolgen van economische activiteiten voor het milieu. Zowel in internationale gremia als op nationaal niveau, onder meer via het Interbestuurlijk Programma Versterking VTH-stelsel (IBP VTH)18, is sprake van een groeiende erkenning van het belang van een effectieve aanpak van milieucriminaliteit. Deze toenemende aandacht draagt bij aan een sterkere agendering en prioritering van het onderwerp.

In het kader van het IBP VTH zijn belangrijke stappen gezet ter versterking van de handhaving van milieuwetgeving. Een belangrijk resultaat daarvan is de formalisering van de Strategische Milieukamer (hierna: SMK). De daarbij behorende Agenda Strafrechtelijke Aanpak Milieucriminaliteitzal een belangrijke rol spelen bij het verder prioriteren van de handhaving van milieucriminaliteit. Ook is vanuit de financiële middelen die in het kader van de richtlijn beschikbaar zijn gesteld onder andere budget vrijgemaakt ter ondersteuning van de SMK (zie hoofdstuk 6 van de memorie van toelichting). Verder is vanaf 2023 structureel een budget van twee miljoen euro vrijgemaakt voor het OM ten behoeve van de aanpak van milieucriminaliteit.

Ook ontvangt de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) vanaf 2022 een structureel bedrag, oplopend tot 6 miljoen euro in drie jaar. Deze middelen zijn aangewend voor de versterking van de aanpak van milieucriminaliteit. In dat kader is de capaciteit van de Inlichtingen- en Opsporingsdienst van de ILT (ILT-IOD) structureel uitgebreid.

Verder wordt binnen de politie bezien op welke wijze de beschikbare capaciteit het meest doelmatig kan worden ingezet. Daarbij gaat het niet alleen om de omvang van de capaciteit, maar ook om het maken van de juiste keuzes binnen de prioritering van de milieutaak van de politie. In dat kader is recent het High Impact Environmental Crime (HIEC) team opgericht, dat zich richt op de aanpak van de zwaardere vormen van milieucriminaliteit met grote maatschappelijke impact. Deze vormen van milieucriminaliteit omvatten illegale activiteiten die ernstige schade toebrengen aan het milieu en de samenleving. Dergelijke misdrijven hebben vaak een grote ecologische, economische en gezondheidsimpact, en vereisen gespecialiseerde opsporing en handhaving. Met deze uitbreiding wordt de expertise en kennis bij de politie vergroot.

Tot slot zullen de statistische gegevens die overeenkomstig artikel 22 van de herziene Europese richtlijn milieucriminaliteit worden verzameld niet alleen een beeld geven van het aantal geregistreerde milieudelicten, maar ook inzicht bieden in de inzet en prioritering van capaciteit binnen de handhaving van milieucriminaliteit.

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordat het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.

De vice-president van de Raad van State,

Th.C. de Graaf

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om een enkele technische verbetering in het wetsvoorstel aan te brengen. In het nieuw voorgestelde artikel 90undecies is een verwijzing naar de Omgevingswet opgenomen. Daarnaast is in artikel 1a, onderdeel 2°, van de Wet op de economische delicten (hierna: WED) een verwijzing aangepast naar aanleiding van de voorgestelde wijziging in onderdeel 1° van artikel 1a van de WED. Verder is in de memorie van toelichting een nadere precisering aangebracht in de verwijzingen naar de relevante bepaling in de Omgevingswet in de toelichting bij artikel 3, tweede lid, onder q, van de herziene Europese richtlijn milieucriminaliteit.

Ik verzoek U het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.

De Minister van Justitie en Veiligheid,
F. van Oosten


  1. Richtlijn (EU) 2024/1203 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht en tot vervanging van de Richtlijnen 2008/99/EG en 2009/123/EG.↩︎

  2. Zo worden artikel 16.43, eerste lid, Omgevingswet (handelen in strijd met de mer(beoordelings)plicht) en artikel 5 Wet voorkoming verontreiniging door schepen via de WED aangemerkt als strafbare feiten ter implementatie van artikel 3 van de richtlijn.↩︎

  3. Voorgestelde artikelen 173c en 173d Sr.↩︎

  4. In artikelen 161quater, 161quinquies, 173a en 173b Sr en in artikel 6, eerste lid, WED.↩︎

  5. In de toelichting omschreven als «het met opzet in de handel brengen van een product waarvan het grootschalig gebruik leidt tot normoverschrijdende emissies van schadelijke stoffen».↩︎

  6. Zie overweging 21 van de herziene richtlijn.↩︎

  7. Artikel 307, tweede lid, Sr.↩︎

  8. Overweging 30 preambule bij de herziene richtlijn milieucriminaliteit.↩︎

  9. Memorie van toelichting, onder 2. Adviezen over het wetsvoorstel en de artikelsgewijze toelichting bij onderdeel H, onder verwijzing naar Kamerstukken II 2001/02, 28 484, nr. 3, p. 14–15.↩︎

  10. De enige uitzondering hierop is de Wegenverkeerswet, waar wel een delictspecifieke strafverhogingsgrond is opgenomen ten aanzien van roekeloos handelen, zie artikel 6 jo. 175, tweede lid, Wegenverkeerswet 1994.↩︎

  11. Zie bijvoorbeeld T.A. de Roos, Het grote onbehagen: emotie en onbegrip over de rol van het strafrecht, Amsterdam:Balans 2000, p. 58–59 en eerdere adviezen van de Afdeling inzake Wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met de verhoging van het strafmaximum voor deelneming aan een terroristische organisatie (Kamerstukken II 2023/24, 36 460, nr. 4), de Verhoging strafmaxima en uitbreiding rechtsmacht mensensmokkel (Kamerstukken II 2022/23, 36 414, nr. 4) en Wet implementatie EU-richtlijn gegevensuitwisseling cryptoactiva (W06.25.00022/III).↩︎

  12. Resp. artikel 308 Sr en Artikel 6 jo. 175, tweede lid, Wegenverkeerswet 1994.↩︎

  13. Zie artikel 16 van de Grondwet, artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 7 van het EVRM.↩︎

  14. In haar eerdere advies over het initiatiefwetsvoorstel inzake de strafbaarstelling van ecocide heeft de Afdeling ook vragen gesteld over de uitleg van het aldaar eveneens in de delictsomschrijving gehanteerde begrip «langdurig». Advies over het voorstel van wet van het lid Van Raan houdende wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafrecht BES in verband met het strafbaar stellen van ecocide (Wet strafbaarstelling ecocide), Raad van State, van 27 maart 2024.↩︎

  15. In het advies over genoemd initiatiefvoorstel is onder andere gewezen op de Franse strafbaarstelling voor ecocide die het begrip «duurzame schadelijke milieueffecten» aan een termijn van zeven jaar koppelt.↩︎

  16. Vgl. Draft European Parliament legislative resolution on the proposal for a directive of the European Parliament and of the Council on the protection of the environment through criminal law and replacing Directive 2008/99/EC (COM(2021)0851 – C9 0466/2021 – 2021/0422(COD)(COD)), p. 30, 98 en 271.↩︎

  17. Memorie van toelichting, 1. Algemeen, 1. Inleiding, onder verwijzing naar de Mededelingen van de Europese Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over het opvoeren van de strijd tegen milieucriminaliteit (COM/2021/814 final).↩︎

  18. Voortvloeiend uit de aanbevelingen van de Commissie Van Aartsen in het rapport «Om de leefomgeving»), Kamerstuk 22 343 en 28 663, nr. 295, en rapporten van de Algemene Rekenkamer (o.a. «Handhaven in het duister»), Kamerstuk 22 343, nrs. 294 en 297.↩︎