Position paper J. Janssen t.b.v. rondetafelgesprek Kinderen van femicideslachtoffers d.d. 22 januari 2026
Position paper
Nummer: 2026D00191, datum: 2026-01-05, bijgewerkt: 2026-01-07 10:41, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van zaak 2026Z00083:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
- 2026-01-22 12:00: Procedurevergadering Justitie en Veiligheid (Procedurevergadering), vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
- 2026-01-22 14:00: Het belang van het kind bij huiselijk geweld en femicide (Rondetafelgesprek), vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
Preview document (đ origineel)
Het kind van de rekening
Kinderen en femicide
Janine Janssen1
Inleiding: hoe femicide in Nederland wordt opgevat
In Nederland wordt femicide in beleid, media en praktijk vaak pragmatisch gelezen als dodelijk huiselijk geweld, partnerdoding van vrouwen door (exâ)partners. Conceptueel is dat een begrijpelijke opvatting, maar ze verhult dat femicide meer vormen kent zoals eergerelateerde moorden, en dat het empirisch niet altijd eenvoudig is te bewijzen dat een vrouw âomdat zij vrouw isâ wordt gedood. In dit stuk kies ik, aansluitend bij de Nederlandse praktijk, voor de focus op kinderen in situaties waarin hun moeder slachtoffer werd van dodelijk huiselijk geweld, met de uitdrukkelijke kanttekening dat er andere vormen van femicide zijn waarover de positie van kinderen nog minder bekend is.
Waar hebben we het dan over, als we spreken over kinderen die achterblijven na dodelijk huiselijk geweld? Jaarlijks zijn er gemiddeld 25 kinderen in Nederland van wie de moeder wordt vermoord door hun partner of ex. In 46 procent van de gevallen zijn kinderen getuige van de moord. Daarna moeten ze verhuizen en belanden ze in een pleeggezin of in een strijd tussen twee families, van de vader en van de moeder.
De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid organiseert een rondetafelgesprek over het belang van het kind bij huiselijk geweld en femicide op donderdag 22 januari 2026. Ter voorbereiding op dit gesprek, waaraan ik zal deelnemen, heb ik enkele gedachten over dit thema uitgewerkt.
Kinderen in de literatuur: structureel onderbelicht en dubbel slachtoffer
De internationale literatuur is opmerkelijk eensgezind: kinderen van femicideslachtoffers worden in onderzoek en beleid onderbelicht, terwijl hun situatie zich kenmerkt door meervoudig verlies en langdurige kwetsbaarheid. Er is in feite sprake van een dubbel taboe. Kinderen van femicideslachtoffers dragen een dubbele last. Enerzijds rust er een taboe op het feit dat zij getuige waren van extreem huiselijk geweld, wat vaak tot stilzwijgen in familie en hulpverlening leidt. Anderzijds is er het taboe op rouw: hun verlies is beladen en gestigmatiseerd, omdat het samenvalt met een misdrijf. Deze combinatie maakt hun situatie structureel onzichtbaar in onderzoek en beleid. In veel zaken verliest het kind niet alleen de moeder; de (stief) vader is vaak verdachte, gedetineerd of overlijdt door suĂŻcide, zodat het kind in de praktijk beide ouders kwijt is, de categorie van zogeheten double orphans. Het zal niemand verbazen dat de psychologische consequenties voor kinderen enorm zijn. Een literatuurreview van 28 studies onderscheidt de ingrijpende gevolgen voor kinderen van femicideslachtoffers op meerdere niveaus. Op individueel niveau kampen zij vaak met posttraumatische stressstoornis, angst, schuld- en schaamtegevoelens en een ontregeling van hun identiteit. Het verlies van beide ouders, door moord, detentie of suĂŻcide, versterkt gevoelens van verlatenheid en onzekerheid. Binnen het gezin leidt dit tot uithuisplaatsing en het verlies van primaire zorgfiguren, waardoor loyaliteitsconflicten ontstaan tussen de familie van de moeder en die van de vader. Huisvesting vormt daarbij een cruciale uitdaging: kinderen belanden regelmatig in tijdelijke opvang of pleegzorg, wat extra instabiliteit veroorzaakt en hun bestaanszekerheid ondermijnt. Op sociaal niveau ervaren zij gestigmatiseerde rouw, een vorm van rouw die door de omgeving wordt vermeden of afgekeurd omdat het verlies verbonden is met een misdrijf. Dit maakt het moeilijk om steun te vinden en vergroot gevoelens van isolatie. Daarbovenop komen verstoringen in schoolloopbanen en sociale participatie, waardoor hun toekomstkansen ernstig worden beperkt. Deze bevindingen ondersteunen de noodzaak van een aanpak die ver voorbij de acute opvang reikt en duurzame ondersteuning borgt.
Dubbel slachtofferschap en specifieke hulpbehoeften
Acute fase (eerste 72 uur en eerste maanden)
De eerste 72 uur na een dodelijk huiselijk geweldsdelict zijn beslissend. Een Frans 17âstappenprotocol laat zien dat de implementatie veelbelovend was (gemiddeld 88,6% van de criteria toegepast), maar praktijkafwijkingen kwamen voor: tekorte opnames, onvoldoende kindvriendelijke verhoren, het ontbreken van persoonlijke spullen en dilemmaâs rond bezoekrechten. De auteurs onderstrepen het extreme traumapotentieel en pleiten voor vroege, consistente zorg met duidelijke richtlijnen Dit pleit voor strak georganiseerde, multidisciplinaire vroeghulp, met kindvriendelijke procedures, snelle psychotraumaâscreening en zorgcontinuĂŻteit. Juist in de acute fase zijn heldere, multidisciplinaire protocollen essentieel. Inmiddels is er ook een Nederlands aanpakplan met aandacht voor voorkomen van schade op de korte termijn, waarin ook een aantal overeenkomstige stappen te vinden is. Denk bijvoorbeeld aan snelle toeleiding naar gespecialiseerde traumazorg en het uitgangspunt âgeen beslag op essentiĂ«le kinderspullenâ bij een plaats delict, behalve als dat onvermijdelijk is en dan zo kort mogelijk, om verdere schade te beperken. Deze praktische keuzes verminderen ontregeling en ondersteunen basisveiligheid en hechting.
Middellange termijn (maanden tot circa twee jaar)
Dat aanpakplan richt zich niet alleen op de korte termijn. Ook op (middel)lange termijn zijn er zorgen. Die worden ook in andere literatuur onderkend. Er zijn vier structurele uitdagingen: (1) het kind opnemen in het gezin; (2) omgaan met de dader en diens familie; (3) navigeren van gefragmenteerde voorzieningen; (4) volhouden (mentaal, praktisch, financieel). Verzorgers rapporteren positieve wendingen wanneer zij deskundige begeleiding, zorg en stabiele financiĂ«le en praktische steun krijgen. Deze structurele uitdagingen zijn niet uniek voor Nederland. Ook in internationale literatuur, zoals over de Britse Domestic Homicide Reviews (DHRâs), zien we vergelijkbare patronen. Uit deze analyses blijkt dat kinderen vaak onvoldoende worden betrokken bij risicobeoordelingen, professionals signalen missen van huiselijk geweld en dat er te weinig aandacht is voor daders en de risicoâs die contactregelingen met zich meebrengen. De oproep is om instrumenten en opleiding te versterken zodat de blik van professionals daadwerkelijk op het kind, op de daderdynamiek, en op veilige contactarrangementen wordt gericht. Het Aanpakplan concretiseert dit met onder meer een pleidooi voor automatische kostenvoorzieningen, praktische en psychologische ondersteuning, juist ook voor jongvolwassenen die buiten de jeugdkaders vallen en de oprichting van gespecialiseerde expertiseteams bij de Raad voor de Kinderbescherming en de Gecertificeerde Instellingen voor omgangsvraagstukken.
Lange termijn (twee jaar en verder)
Met in achtneming van wat hier beschreven is, is het niet verbazingwekkend dat kinderen, zelfs jaren na het delict, geconfronteerd kunnen blijven met gecompliceerde rouw, onderwijsachterstanden en marginalisering. De impliciete boodschap is dat beleid en voorzieningen niet mogen blijven hangen in adâhoc respons; nodig zijn duurzame trajecten met caseâmanagement, traumaâgeĂŻnformeerde zorg en kindgerichte rechtsbescherming.
Juridische aspecten
Vanuit een kinderrechtenperspectief, zoals vastgelegd in het VN-Kinderrechtenverdrag (UNCRC), staat het belang van het kind centraal. Dit betekent dat bescherming tegen verdere schade zwaarder moet wegen dan het formele streven om familiebanden te behouden, zeker wanneer die twee doelen met elkaar in conflict komen. Het uitgangspunt is dat veiligheid, stabiliteit en herstel voor het kind prioriteit hebben boven juridische of culturele normen die familiebehoud benadrukken. Dit komt ook naar voren in de evaluatie van de Wet clauselering na omgang partnerdoding. De evaluatie laat zien dat professionals vaak ruimte nemen voor maatwerk, en dat gecertificeerde instellingen met voogdijpositie veel beslisruimte krijgen. Tegelijkertijd waarschuwt de evaluatie dat borging van expertise noodzakelijk is: het vergt specifieke kennis over identiteitsvorming, loyaliteitsgevoelens en over de genderâ en geweldspatronen die de ontwikkeling van het kind beĂŻnvloeden. In lijn met DHRâbevindingen betekent dit dat kinderen expliciet en doorlopend gehoord moeten worden, met toetsing van risicoâs achter omgangsregelingen en waar nodig strikte clausulering ter bescherming tegen secundaire victimisatie.
Het Aanpakplan wijst daarnaast witte vlekken aan die kinderen letterlijk dubbel raken: zo kan het in het huidige erfrecht gebeuren dat een dader of diens familie (bij ontbreken van een strafrechtelijke veroordeling of bij suĂŻcide) toch erft van het slachtoffer, en kunnen privacy regels (AVG) in de uitvoering onbedoeld ten koste gaan van veiligheid en herstel. De voorgestelde remedie is onder meer wetgevingsaanpassing (ruimer en voorspelbaar onwaardigheidserfelijkheid), duidelijke juridische instructies over informatie deling ten bate van veiligheid.
Buiten partnerdoding: andere vormen van femicideâen wat we (niet) weten over kinderen
Zoals gezegd gaat het bij femicide lang niet alleen om partnerdoding. Maar bij andere vormen van dodelijk gendergerelateerd geweld horen we nog minder over de achterblijvende kinderen. De literatuur focust vaak op sociale motieven en daderprofielen, terwijl de positie van achterblijvende kinderen grotendeels onzichtbaar blijft: studies beschrijven trauma en isolatie bij overlevenden en gemeenschappen, maar gaan zelden diep in op ervaringen, opvangroutes en langetermijnzorg van kinderen. In ZuidâAziatische context zijn er aanwijzingen voor een negatieve psychologische ontwikkeling en emotionele problemen bij kinderen rond dowry deaths. Dit zijn moorden of suicides (onder dwang) als gevolg van conflicten rond de bruidsschat (dowry). Vaak gaat het om druk van de echtgenoot of zijn familie om meer geld of goederen te krijgen. Als die eisen niet worden ingewilligd, kan dat leiden tot ernstig geweld, soms met fatale afloop. In Nederland worden deze conflicten onder de noemer âeergerelateerd geweldâ geschaard. Conclusie: juist buiten partnerdoding zijn kennis en beleidslacunes groot, en verdienen kinderen expliciete aandacht in onderzoek en beleid. Ook omdat bij casuĂŻstiek die in verband gebracht wordt met familie-eer doorgaans de extended family, het uitgebreide gezin, betrokken is, waardoor er sprake is van een groepsconflict, waarin meerdere actoren invloed hebben op beslissingen en geweld. Voor opvang en bescherming van kinderen betekent dit dat interventies niet alleen op één ouder of verzorger gericht kunnen zijn, maar op een netwerk van familieleden.
Tot slot
Samengevat wijst de literatuur op de noodzaak van een samenhangend handelingskader dat begint bij erkenning en rechten van kinderen, en doorloopt naar acute, middellange en langdurige ondersteuning. In de acute fase is een protocol met duidelijke verantwoordelijkheden, kindvriendelijke verhoorpraktijken en zorgcontinuïteit doorslaggevend. In de middellange fase vraagt de situatie van verzorgers en families om professionele begeleiding en toegang tot gespecialiseerde traumazorg plus structurele financiële steun. Op de lange termijn is het noodzakelijk om kinderen van femicideslachtoffers systematisch zichtbaar te maken in monitoring, onderzoek en beleid ter ondersteuning van een structurele aanpak die het belang van het kind centraal stelt. Op die manier wordt een ad-hoc aanpak voorkomen. Dat is essentieel, want anders blijven deze kinderen het kind van de rekening.
Prof. dr. Janine Janssen is hoogleraar Criminologie & Rechtsantropologie aan de Open Universiteit, lector Geweld in Afhankelijkheidsrelaties aan Avans Hogeschool en de Politieacademie. Tevens is zij hoofd onderzoek van het Landelijk Expertise Centrum Eer Gerelateerd Geweld van de nationale politie.â©ïž