[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Position paper H. Giebels t.b.v. rondetafelgesprek Kinderen van femicideslachtoffers d.d. 22 januari 2026

Position paper

Nummer: 2026D00192, datum: 2026-01-02, bijgewerkt: 2026-01-07 10:46, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Onderdeel van zaak 2026Z00084:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


Januari 2026

Geachte commissieleden van Justitie en Veiligheid,

Het is hartverwarmend om te zien dat een aantal Kamerleden zich zo actief inzet voor het thema huiselijk geweld en kindermishandeling (HGKM). Met name geweld tegen vrouwen en femicide staan nadrukkelijk in de belangstelling en heeft de noodzakelijke bewustwording op gang gebracht. Want het blijkt dat één op de honderd volwassen Nederlanders slachtoffer is van dwingende controle door een (ex-)partner. Dat komt neer op circa 200.000 slachtoffers, van wie het merendeel vrouw is. Het Verdrag van Istanbul, dat Nederland al bijna tien jaar verplicht vrouwen te beschermen tegen geweld, is hierbij een belangrijk kader.

Het merendeel van HGKM betreft echter relationeel (situationeel) geweld tussen partners, waarbij sprake is van wederkerige geweldsdynamieken en waarin de rollen van slachtoffer en pleger zich kunnen afwisselen. Kinderen zijn hierbij vaak de onzichtbare getuigen, met een groot risico op transgenerationele overdracht van trauma en geweldspatronen.

Het kernprobleem bij HGKM is, mijn inziens, de sterk gefragmenteerde en ongecoördineerde aanpak waar kinderen vaak geen stem krijgen of alleen eenmalig gehoord / gesproken worden als informant. Diverse onderzoeken van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) wijzen hier al jaren op. Al geruime tijd pleit ik voor het opleiden van lokale casemanagers in het sociaal domein (wijkteams) tot specialistische intensief casemanagers (ICM). Dit vraagt om een systemische basisopleiding, gevolgd door minimaal één jaar training “on the job”, om de transitie van generalist naar specialist zorgvuldig te maken. Deze visie sluit aan bij de ontwikkelingen binnen het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming.

De opleiding van intensief casemanagers dient niet uitsluitend gericht te zijn op veiligheid, maar ook systemisch, trauma-, hechtings- en gendersensitief van aard te zijn. Goed opgeleide ICM’ers zijn in staat om snel het type geweld te duiden: gaat het om relationeel (situationeel) geweld of om intieme terreur? Deze duiding is cruciaal, omdat onderzoek (o.a. de derde cohortstudie van Verwey-Jonker) laat zien dat circa 75% van HGKM relationeel geweld betreft en ongeveer 25% andere vormen, waaronder intieme terreur. Deze typen geweld vragen om fundamenteel verschillende interventies.

Relationeel (situationeel) geweld kenmerkt zich vaak door symmetrische escalaties en wederzijdse geweldspatronen tussen partners. Intieme terreur daarentegen is doorgaans eenzijdig, complementair geweld, veelal gepleegd door mannen, en vraagt om een kleinschalige, gesloten ketenaanpak waarin ICM, politie en Openbaar Ministerie nauw samenwerken. In deze situaties staan bescherming en afscherming voorop.

In beide typen situaties vervult de ICM de regierol en staat veiligheid centraal. Na een uitgebreide verklarende systemische analyse, waarin alle gezinsleden afzonderlijk worden gesproken, wordt samen met het gezin een integraal plan van aanpak opgesteld. Naast het gezin wordt ook het sociale netwerk actief betrokken, evenals ervaringsdeskundigen. Scholen en de huisarts worden structureel meegenomen. Specialistische hulpverlening wordt gefaseerd ingezet, bijgesteld of tijdelijk gepauzeerd waar nodig. De ICM blijft echter gedurende één tot twee jaar regie voeren en volgt het gezin langdurig.

Deze langdurige betrokkenheid is noodzakelijk omdat HGKM een hardnekkig en complex probleem is, waarbij gezinnen verantwoordelijkheid moeten nemen en diepgewortelde patronen moeten worden doorbroken. Dit vraagt om een gesloten, collaboratief netwerk in plaats van de vrijblijvende ketensamenwerking die momenteel vaak de norm is. In een dergelijke netwerksamenwerking werken gelijkwaardige partners doelgericht samen, delen zij kennis, expertise en middelen, en versterken zij elkaar onder duidelijke regie van de ICM.

Door een duurzame werkrelatie met het gezin op te bouwen, ontstaat ruimte om binnen de context te confronteren, te begrenzen en bij te sturen. Het zou mijns inziens niet toegestaan moeten zijn dat HGKM zonder specifieke expertise door willekeurige professionals wordt opgepakt. HGKM is een specialisme en geen generalistisch werk. De terechte aandacht voor femicide mag er niet toe leiden dat de overige 75% van HGKM uit beeld raakt. In de praktijk zien we dat relationeel (situationeel) geweld ten onrechte wordt geduid als intieme terreur en omgekeerd, waarbij intieme terreur soms onterecht wordt geframed als wederkerig geweld, met het risico op victim blaming.

Ik wil daarbij benadrukken dat een eenzijdige focus op strafrechtelijke of bestuursrechtelijke maatregelen onvoldoende is om structurele verandering te realiseren. Normering en begrenzing zijn noodzakelijk, maar duurzame preventie vraagt ook om een relationele benadering van plegers. Plegers moeten worden aangesproken op hun verantwoordelijkheid en duidelijk gespiegeld krijgen dat hun gedrag onacceptabel is, terwijl er tegelijkertijd ruimte is voor inzicht in onderliggende oorzaken. Gewelddadig gedrag is vaak geworteld in eigen jeugdtrauma’s en fungeert als een maladaptieve copingstrategie vanuit angst en onveiligheid. Door dit gedrag te externaliseren (niet de persoon maar zijn of haar gedrag staat centraal) ontstaat een ingang voor behandeling en daadwerkelijke gedragsverandering, waarmee herhaling effectiever kan worden voorkomen. Alleen laat de huidige praktijk vaak zien dat hulpverleners zich sneller identificeren met slachtoffers dan met plegers. Deze dynamiek maakt het lastig om plegers blijvend te volgen terwijl juist hun zichtbaarheid en aanspreekbaarheid cruciaal zijn voor gedragsverandering en het doorbreken van geweldspatronen.

Tot slot heeft recent de toezichthouder van de Raad van Europa geoordeeld dat familierechters in Nederland onvoldoende zorgvuldig omgaan met scheidingen waarin sprake is van dwingende controle. Deze situaties worden te vaak benaderd als conflicten tussen gelijkwaardige partijen, terwijl sprake is van structureel machtsmisbruik. Hoewel het recht op omgang voor een ouder van belang blijft, moet het recht van kinderen op veilige ouders altijd vooropstaan. Zolang een ouder geen verantwoordelijkheid neemt voor gewelddadig of controlerend gedrag, wegen de rechten van het kind op veiligheid zwaarder dan het omgangsrecht van de ouder (= pleger).