Memorie van toelichting
Wijziging van de Wet milieubeheer en enkele andere wetten ter uitvoering van Verordening (EU) 2024/1157 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, ter gedeeltelijke implementatie van een daaraan gerelateerde richtlijn
Memorie van toelichting
Nummer: 2026D00695, datum: 2026-01-12, bijgewerkt: 2026-01-12 16:03, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: A.A. Aartsen, staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat (VVD)
Onderdeel van kamerstukdossier 36880 -3 Wijziging van de Wet milieubeheer en enkele andere wetten ter uitvoering van Verordening (EU) 2024/1157 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, ter gedeeltelijke implementatie van een daaraan gerelateerde richtlijn .
Onderdeel van zaak 2026Z00285:
- Indiener: A.A. Aartsen, staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat
Preview document (🔗 origineel)
MEMORIE VAN TOELICHTING
Algemeen deel
1 Inleiding
Dit wetsvoorstel strekt ter uitvoering van Verordening (EU) 2024/1157 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1257/2013 en (EU) 2020/1056 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1013/2006 (hierna: EVOA 2024). Deze verordening vervangt Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (hierna: EVOA 2006). De EVOA 2024 is met ingang van 21 mei 2026 van toepassing.
De EVOA voorziet in procedures en controleregelingen voor afvaltransporten die de nationale grens overschrijden. Met de EVOA wordt tevens op het niveau van de Europese Unie (hierna: EU) uitvoering gegeven aan het Verdrag van Bazel van 22 maart 1989 inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan1 en het besluit van de Raad van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (hierna: OESO) betreffende het toezicht op de grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen bestemd voor handelingen ter nuttige toepassing2 (hierna: OESO-besluit).
Ter uitvoering van de EVOA 2006 zijn regels opgenomen in de Wet milieubeheer (hierna: Wm) en in de Regeling EG-verordening overbrenging van afvalstoffen. Met dit wetsvoorstel wordt de Wm in lijn gebracht met de EVOA 2024. De inhoudelijke wijzigingen in de EVOA 2024 ten opzichte van de EVOA 2006 betreffen met name rechtstreeks werkende bepalingen, waardoor de benodigde wijzigingen van de Wm beperkt zijn. De wijzigingen van de Wm zien met name op een actualisatie van verwijzingen naar de EVOA 2006. De Regeling EG-verordening overbrenging van afvalstoffen wordt in lijn gebracht met de EVOA 2024 door middel van een afzonderlijke wijzigingsregeling. Verwijzingen naar de EVOA 2006 in algemene maatregelen van bestuur worden geactualiseerd door middel van een afzonderlijk wijzigingsbesluit. In de bijlage bij deze memorie van toelichting is een transponeringstabel ten behoeve van de uitvoering van de EVOA 2024 gevoegd.
Dit wetsvoorstel voorziet tevens in de implementatie van artikel 3, tweede lid, onder g, van Richtlijn (EU) 2024/1203 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht en tot vervanging van de Richtlijnen 2008/99/EG en 2009/123/EG (hierna: Richtlijn milieucriminaliteit), welke richtlijnbepaling samenhangt met de uitvoering van de EVOA 2024. De benodigde wijziging van de Wm betreft een actualisatie van een verwijzing naar de EVOA 2006. In de paragrafen 2.5 en 4 wordt meer uitgebreid op deze implementatie ingegaan.
Dit wetsvoorstel voorziet daarnaast in de aanvullende implementatie van een aantal bepalingen van Richtlijn (EU) 2018/851 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2008/98/EG betreffende afvalstoffen (hierna: Kaderrichtlijn afvalstoffen). De Kaderrichtlijn afvalstoffen is destijds geïmplementeerd in de Wm en enkele andere wetten door middel van de Implementatiewet wijziging EU-kaderrichtlijn afvalstoffen3. De uiterste implementatiedatum van de Kaderrichtlijn afvalstoffen was 5 juli 2020. De Europese Commissie heeft Nederland op 20 december 2023 in gebreke gesteld vanwege het onvolledig implementeren van een aantal bepalingen van deze richtlijn. Met dit wetsvoorstel wordt een aantal bepalingen van de Wm gewijzigd om aan de bezwaren van de Europese Commissie tegemoet te komen. In paragraaf 5 wordt meer uitgebreid op deze implementatie ingegaan.
Dit wetsvoorstel voorziet tenslotte in een verbreding van de wettelijke grondslag in artikel 9.5.2, eerste lid, van de Wm voor het stellen van regels over producten. Door deze verbreding wordt het mogelijk gemaakt om op grond van dat lid naast de regels die over een product ter stimulering van hergebruik, preventie, recycling en anderszins in het belang van de bescherming van het milieu kunnen worden gesteld, ook regels over het product te stellen in het belang van de bescherming van de gezondheid van de mens of in het belang van de zorg voor de veiligheid van het product. Deze verbreding is nodig om uitvoering te kunnen geven aan Verordening (EU) 2023/1542 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2023 inzake batterijen en afgedankte batterijen, tot wijziging van Richtlijn 2008/98/EG en Verordening (EU) 2019/1020 en tot intrekking van Richtlijn 2006/66/EG (hierna: Batterijenverordening). Op grond van dit gewijzigde artikellid wordt de regelgeving voorbereid waarmee uitvoering zal worden gegeven aan de Batterijenverordening. De Batterijenverordening is op 17 augustus 2023 in werking getreden. De verordening bevat verschillende data waarop aan onderdelen van de verordening uitvoering moet worden gegeven. Op 18 augustus 2025 moesten de lidstaten de voorschriften hebben vastgesteld ten aanzien van de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op de verordening.4 In de toelichting bij de regelgeving waarmee uitvoering zal worden gegeven aan de Batterijenverordening zal hier nader op worden ingegaan en zal tevens een transponeringstabel worden opgenomen. In paragraaf 6 wordt meer uitgebreid op de verbreding van de wettelijke grondslag in artikel 9.5.2, eerste lid, van de Wm ingegaan.
De EVOA 2024 is met ingang van 21 mei 2026 van toepassing in de lidstaten van de EU. De regelgeving die noodzakelijk is om de EVOA 2024 in Nederland toe te passen en te handhaven, dient daarom met ingang van 21 mei 2026 in werking te treden. De implementatieregelgeving in verband met de Richtlijn milieucriminaliteit dient tevens op 21 mei 2026 in werking te treden. Gelet op de hierboven vermelde ingebrekestelling, is de inwerkingtreding van de in dit wetsvoorstel voorgestelde wijzigingen van de Wm ter aanvullende implementatie van de Kaderrichtlijn afvalstoffen zo spoedig mogelijk gewenst. Hetzelfde geldt voor de inwerkingtreding van de noodzakelijke regelgeving ten behoeve van de uitvoering van de Batterijenverordening.
Overeenkomstig vast kabinetsbeleid is er bij deze wetswijziging sprake van zuivere en lastenluwe uitvoering dan wel implementatie van EU-regelgeving. Dit wil zeggen dat er geen andere regels zijn opgenomen dan voor de uitvoering of implementatie noodzakelijk is en dat, voor zover de EU-regelgeving de lidstaten beleidsruimte biedt, gekozen is voor een uitvoerings- of implementatiewijze die de minste regeldrukgevolgen heeft.
2 Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen
§ 2.1 Doelstelling EVOA 2024
De algemene doelstelling van de EVOA 2024 is het verhogen van het niveau van bescherming van het milieu en de menselijke gezondheid tegen de effecten van ondeugdelijke grensoverschrijdende overbrengingen van afvalstoffen. De EVOA 2024 komt tegemoet aan de oproep in het kader van de Europese Green Deal5 en het actieplan voor de circulaire economie6 om de EVOA 2006 te herzien om ervoor te zorgen dat de overbrenging van afvalstoffen voor hergebruik en recycling binnen de EU wordt vergemakkelijkt, de EU haar afvalproblemen niet naar derde landen uitvoert en illegale overbrengingen van afvalstoffen doeltreffender worden bestreden.
§ 2.2 Toepassingsbereik EVOA 2024
De EVOA 2024 is van toepassing op de overbrenging van afvalstoffen tussen lidstaten van de EU, al dan niet met doorvoer via derde landen (titel II), de overbrenging van afvalstoffen die uit de EU naar derde landen worden uitgevoerd (titel IV), de overbrenging van afvalstoffen die in de EU uit derde landen worden ingevoerd (titel V) en de overbrenging van afvalstoffen in doorvoer door de EU op weg naar of vanuit derde landen (titel VI) (artikel 2, eerste lid, EVOA 2024). Een aantal soorten afvalstoffen is uitgezonderd van het toepassingsbereik van de EVOA 2024 (artikel 2, tweede lid, EVOA 2024). De EVOA 2024 is bijvoorbeeld niet van toepassing op afvalstoffen die aan boord van voertuigen, treinen, vliegtuigen en schepen ontstaan (totdat die afvalstoffen worden gelost), radioactief afval, dierlijke bijproducten, voedermiddelen en stedelijk afvalwater.
§ 2.3 Procedures EVOA 2024
De EVOA 2024 voorziet in procedures en controleregelingen voor de grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen. Afhankelijk van de herkomst, de bestemming en de route van de overbrenging, het soort afvalstoffen dat wordt overgebracht en het soort verwerking (nuttige toepassing of verwijdering) dat de afvalstoffen op de plaats van bestemming ondergaan, is de grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen onderworpen aan de procedure van voorafgaande schriftelijke kennisgeving en toestemming (hierna: kennisgevingsprocedure), aan de algemene informatieverplichtingen of aan een verbod om afvalstoffen over te brengen.
Indien de kennisgevingsprocedure (artikel 5 e.v. EVOA 2024) van toepassing is op een overbrenging van afvalstoffen, dan moet de kennisgever voorafgaand aan de overbrenging een schriftelijke kennisgeving indienen bij de bevoegde autoriteiten in de landen van verzending, bestemming en, indien van toepassing, doorvoer. De overbrenging van de afvalstoffen mag pas plaatsvinden nadat alle betrokken bevoegde autoriteiten toestemming hebben verleend voor de overbrenging. Indien de algemene informatieverplichtingen (artikel 18 EVOA 2024) van toepassing zijn, dan moet de opdrachtgever voor de overbrenging voorafgaand aan de overbrenging het formulier dat is opgenomen in Bijlage VII bij de EVOA 2024 (hierna: Bijlage VII-document) invullen en ter beschikking stellen van de betrokken bevoegde autoriteiten. Voor dergelijke overbrengingen is geen toestemming vereist. In bepaalde gevallen is het op grond van de EVOA 2024 in zijn geheel verboden om afvalstoffen over te brengen. Op een aantal van deze verboden zijn uitzonderingen mogelijk indien aan gespecificeerde voorwaarden wordt voldaan.
Zowel de handelingen die de bij een overbrenging van afvalstoffen betrokken partijen dienen te verrichten als de bevoegdheden van de betrokken bevoegde autoriteiten zijn in de EVOA 2024 gedetailleerd geregeld. De procedures voor het overbrengen van afvalstoffen zijn essentieel om ervoor te zorgen dat afvalstoffen op een veilige en verantwoorde manier worden overgebracht en verwerkt.
§ 2.4 Belangrijkste wijzigingen EVOA 2024 ten opzichte van EVOA 2006
De belangrijkste wijzigingen in de EVOA 2024 ten opzichte van de EVOA 2006 worden in de hierna volgende subparagrafen op hoofdlijnen toegelicht. De wijzigingen betreffen met name rechtstreeks werkende bepalingen, waarvoor geen nationale uitvoeringsregelgeving benodigd is. De bepalingen van de EVOA 2024 zijn, met enkele uitzonderingen, van toepassing met ingang van 21 mei 2026. Dit geeft de bevoegde autoriteiten in de lidstaten en de bij de overbrenging van afvalstoffen betrokken partijen voldoende tijd om zich voor te bereiden op de EVOA 2024.
§ 2.4.1 Faciliteren van de overbrenging van afvalstoffen voor hergebruik en recycling binnen de EU
In de EVOA 2024 wordt de overbrenging van afvalstoffen voor hergebruik en recycling (nuttige toepassing) binnen de EU vergemakkelijkt en worden tegelijkertijd strengere regels gesteld aan de overbrenging van afvalstoffen voor storten en verbranden (verwijdering). Dit wordt ondersteund door een digitalisering en harmonisering van procedures. Het betreft onder meer de volgende wijzigingen:
Verbod op de overbrenging van voor verwijdering bestemde afvalstoffen binnen de EU. Op grond van de EVOA 2024 is de overbrenging van voor verwijdering bestemde afvalstoffen naar andere lidstaten in beginsel verboden (artikel 4, eerste en derde lid, EVOA 2024), tenzij aan gespecificeerde voorwaarden wordt voldaan en toestemming voor de overbrenging wordt verkregen (artikel 11 EVOA 2024). Dit betekent onder meer dat de kennisgever zal moeten aantonen dat de afvalstoffen niet op technisch en economisch haalbare wijze kunnen worden verwijderd in het land van verzending.
Digitalisering van procedures voor de overbrenging van afvalstoffen. Op grond van de EVOA 2024 moet informatie en documentatie met betrekking tot overbrengingen van afvalstoffen langs elektronische weg worden ingediend en uitgewisseld (artikel 27 EVOA 2024). Dit brengt onder meer met zich mee dat kennisgevingen elektronisch moeten worden ingediend en dat Bijlage VII-documenten elektronisch ter beschikking moeten worden gesteld. De Europese Commissie beheert een centraal systeem voor de elektronische indiening en uitwisseling van informatie en documentatie. Lidstaten mogen een eigen systeem gebruiken, indien dat systeem interoperabel is met het centrale systeem van de Europese Commissie. Deze digitalisering maakt een doeltreffendere uitwisseling van informatie en documentatie tussen bevoegde autoriteiten onderling en bevoegde autoriteiten en de bij overbrengingen van afvalstoffen betrokken partijen mogelijk. Uit de door de Europese Commissie uitgevoerde effectbeoordeling bij het opstellen van de EVOA 2024 volgt dat het gestroomlijnd afhandelen via dit digitale platform de transparantie en traceerbaarheid voor de betrokkenen vergroot, de doorlooptijd van de procedures minimaliseert en zo besparingen zal opleveren voor zowel bevoegde autoriteiten als bedrijven7.
Aangepaste termijnen voor de kennisgevingsprocedure. In de EVOA 2024 worden meer specifieke termijnen gesteld voor de kennisgevingsprocedure, zoals termijnen en maxima voor verzoeken om aanvullende informatie en documentatie (artikel 8 EVOA 2024). Dit vergroot de transparantie van de procedure voor alle betrokken partijen en voorkomt lange slepende procedures.
§ 2.4.2 Voorkomen dat de EU haar afvalproblemen naar derde landen uitvoert
In de EVOA 2024 wordt het regime voor de uitvoer van afvalstoffen uit de EU naar derde landen aangescherpt, om te voorkomen dat de EU haar afvalproblemen naar derde landen uitvoert. Het betreft onder meer de volgende wijzigingen:
Beperking van de uitvoer van niet-gevaarlijke afvalstoffen naar niet-OESO-landen. De reeds in de EVOA 2006 bestaande verboden op de uitvoer van voor verwijdering bestemde afvalstoffen en voor nuttige toepassing bestemde gevaarlijke afvalstoffen naar niet-OESO-landen (artikelen 34 en 36 EVOA 2006) worden in de EVOA 2024 met ingang van 21 mei 2027 uitgebreid met een verbod op de uitvoer van voor nuttige toepassing bestemde niet-gevaarlijke afvalstoffen (artikelen 37, 39 en 40, eerste lid, EVOA 2024). Op dit verbod is een uitzondering mogelijk, indien het land van bestemming is opgenomen op een door de Europese Commissie vastgestelde lijst van landen waarnaar uitvoer is toegestaan (artikel 40, tweede lid, EVOA 2024). Niet-OESO-landen kunnen bij de Europese Commissie een verzoek indienen om te worden opgenomen op de lijst van landen, waarbij aan gespecificeerde voorwaarden dient te worden voldaan (artikel 41 e.v. EVOA 2024). De lijst van landen zal eind 2026 door de Europese Commissie worden vastgesteld. Uit de effectbeoordeling van de Europese Commissie bij het opstellen van de EVOA 2024 volgt dat bedrijven die bij de uitvoer van afvalstoffen betrokken zijn de kosten van die uitvoer mogelijk zullen zien stijgen of zich tot andere afnemers in de EU zullen moeten wenden, maar dat bedrijven die afvalstoffen in de EU recyclen of voorbereiden voor hergebruik daarentegen mogelijk meer afvalstoffen zullen kunnen verwerven tegen een lagere prijs. De omvang van de gevolgen zal duidelijker worden na vaststelling van de lijst van landen.
Verplichting voor bedrijven die afval uitvoeren om aan te tonen dat het afval op milieuhygiënisch verantwoorde wijze wordt verwerkt. Bedrijven die afvalstoffen uit de EU naar derde landen uitvoeren worden op grond van de EVOA 2024 met ingang van 21 mei 2027 verplicht om door middel van onafhankelijke audits aan te tonen dat de door hen uitgevoerde afvalstoffen op milieuhygiënisch verantwoorde wijze worden beheerd door de inrichting die de afvalstoffen in het land van bestemming in ontvangst neemt en verwerkt (artikel 46 EVOA 2024). Als uit de audit blijkt dat dit niet het geval is, dan is de uitvoer van de afvalstoffen naar de betrokken inrichting niet toegestaan. Uit de effectbeoordeling van de Europese Commissie bij het opstellen van de EVOA 2024 volgt dat het opzetten (of inkopen) van controleregelingen door bedrijven die afvalstoffen uitvoeren beperkte kosten met zich mee zal brengen8. Bedrijven kunnen hierin samen optrekken, met name via organisaties voor producentenverantwoordelijkheid.
Aanscherping van de regels voor de uitvoer van kunststofafval. Het reeds in de EVOA 2006 bestaande verbod op de uitvoer van bepaalde soorten kunststofafval naar niet-OESO-landen wordt in de EVOA 2024 met ingang van 21 november 2026 uitgebreid tot alle soorten kunststofafval (artikel 39, eerste lid, onder d, EVOA 2024). Niet-OESO-landen kunnen bij de Europese Commissie een verzoek indienen om te worden ontheven van dit verbod, waarbij aan gespecificeerde voorwaarden dient te worden voldaan. Ook de uitvoer van kunststofafval naar OESO-landen wordt aangescherpt in de EVOA 2024. In de EVOA 2006 valt de uitvoer van bepaalde soorten kunststofafval naar OESO-landen onder de algemene informatieverplichtingen, terwijl in de EVOA 2024 de uitvoer van alle kunststofafval onder de kennisgevingsprocedure wordt gebracht.
§ 2.4.3 Bestrijden van illegale overbrengingen van afvalstoffen
In de EVOA 2024 wordt de illegale overbrenging van afvalstoffen doeltreffender aangepakt. Het betreft onder meer de volgende wijzigingen:
Terbeschikkingstelling van informatie over overbrengingen van niet-gevaarlijke afvalstoffen bestemd voor nuttige toepassing. Op grond van de EVOA 2006 dient het transport van, kort gezegd, niet-gevaarlijke afvalstoffen bestemd voor nuttige toepassing, vergezeld te gaan van bepaalde informatie over (de overbrenging van) de afvalstoffen (artikel 18 EVOA 2006). Op grond van de EVOA 2024 dient deze informatie elektronisch ter beschikking te worden gesteld van de bij de overbrenging betrokken personen en bevoegde autoriteiten (artikel 18 EVOA 2024). Daartoe dient het Bijlage VII-document te worden ingevuld en elektronisch ter beschikking te worden gesteld. Dit maakt een doeltreffender toezicht op overbrengingen van afvalstoffen mogelijk.
Oprichting van een EU-“handhavingsgroep inzake overbrenging van afvalstoffen”. Op grond van de EVOA 2024 wordt een handhavingsgroep met vertegenwoordigers uit de lidstaten opgericht om de samenwerking en coördinatie tussen de lidstaten bij het voorkomen en opsporen van illegale overbrengingen van afvalstoffen te vergemakkelijken en verbeteren (artikel 66 EVOA 2024).
Bevoegdheid voor de Europese Commissie voor ondersteuning van transnationale onderzoeken naar illegale overbrengingen. De Europese Commissie krijgt op grond van de EVOA 2024 de bevoegdheid om, in afstemming met de nationale bevoegde autoriteiten, inspecties en coördinatiemaatregelen uit te voeren met betrekking tot complexe illegale overbrengingen van afvalstoffen met ernstige nadelige gevolgen voor de menselijke gezondheid of het milieu, wanneer hier ten minste twee landen bij betrokken zijn (artikel 67 e.v. EVOA 2024). De Europese Commissie kan bepaalde bevoegdheden toevertrouwen aan het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF), dat in dat verband over de relevante deskundigheid beschikt.
Doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties tegen illegale overbrengingen. De EVOA 2024 stelt gemeenschappelijke criteria vast waar de lidstaten rekening mee moeten houden bij het vaststellen van de soorten en de hoogtes van de sancties die van toepassing zijn op overtredingen van de verordening (artikel 63 EVOA 2024). Deze criteria hebben onder meer betrekking op de aard, ernst en omvang van de overtreding, de economische voordelen die de overtreding heeft opgeleverd en de milieuschade die de overtreding heeft veroorzaakt.
Uniforme voorwaarden en criteria voor het onderscheid tussen afvalstoffen en gebruikte goederen. Om te voorkomen dat afvalstoffen ten onrechte worden overgebracht als “gebruikte goederen” bevat de EVOA 2024 voorwaarden waaraan moet worden voldaan om een stof als een gebruikt goed en niet als een afvalstof aan te merken (artikel 29, eerste lid, EVOA 2024). Daarnaast krijgt de Europese Commissie de bevoegdheid om bij uitvoeringshandeling criteria vast te stellen voor de uniforme toepassing van die voorwaarden op specifieke stoffen of voorwerpen waarvoor het onderscheid tussen gebruikte goederen en afvalstoffen van bijzonder belang is voor de uitvoer van afvalstoffen uit de EU (artikel 29, derde lid, EVOA 2024).
§ 2.5 Relatie met de Richtlijn milieucriminaliteit
De Richtlijn milieucriminaliteit verplicht de lidstaten van de EU om ervoor te zorgen dat de in die richtlijn aangewezen overtredingen van Europees milieurecht strafrechtelijke delicten vormen. Op grond van deze richtlijn zijn de lidstaten onder meer verplicht om het illegaal overbrengen van afvalstoffen in de zin van de EVOA 2024 in hun nationale recht als strafrechtelijk delict aan te merken. De implementatie van de Richtlijn milieucriminaliteit zal via een afzonderlijk wetsvoorstel worden geregeld. Vanwege de samenhang met de uitvoering van de EVOA 2024 wordt voorgesteld om de strafbaarstelling van illegale overbrengingen in het onderhavige wetsvoorstel mee te nemen.
§ 2.6 Relatie met de Kaderrichtlijn afvalstoffen
De EVOA 2024 is een aanvulling op de algemene EU-wetgeving inzake afvalbeheer, zoals de Kaderrichtlijn afvalstoffen. De EVOA 2024 sluit aan bij de definities in de Kaderrichtlijn afvalstoffen, zoals de definitie van afvalstof en de definities in verband met afvalbeheer. Daarnaast bevat de EVOA 2024 een aantal aanvullende definities om een uniforme toepassing van de EVOA te vergemakkelijken.
§2.7 Relatie met de Verordening inzake elektronische informatie over goederenvervoer
De Verordening inzake elektronische informatie over goederenvervoer9 bevat een rechtskader voor de elektronische uitwisseling van wettelijk verplichte informatie tussen marktdeelnemers en bevoegde autoriteiten met betrekking tot het vervoer van goederen binnen de EU. Deze verordening bestrijkt delen van de EVOA 2024. Om de samenhang tussen beide verordeningen te waarborgen, voorziet de EVOA 2024 in een wijziging van de Verordening inzake elektronische informatie over goederenvervoer. Marktdeelnemers die betrokken zijn bij het vervoer van afvalstoffen krijgen de mogelijkheid om gebruik te maken van de omgeving voor de elektronische uitwisseling van informatie over goederenvervoer, waarbij de interoperabiliteit van de bij de EVOA 2024 ingestelde elektronische systemen met de omgeving voor de elektronische uitwisseling van informatie over goederenvervoer moet worden gewaarborgd.
3 Uitvoering van de EVOA 2024
Europese verordeningen werken rechtstreeks door in de rechtsorde van de lidstaten van de EU. Dit betekent dat eenieder rechtstreeks rechten en plichten aan een verordening kan ontlenen. In beginsel is er geen ruimte voor nationale regelgeving, tenzij een verordening een opdracht of bevoegdheid aan lidstaten geeft om nationaal regels te stellen. Nationale regelgeving kan daarnaast noodzakelijk zijn om de juiste toepassing van een verordening in de nationale rechtsorde mogelijk te maken. Het gaat dan bijvoorbeeld om regels met betrekking tot de aanwijzing van nationale bevoegde autoriteiten en regels die er in voorzien dat nationaal toezicht kan worden gehouden op, en zo nodig handhavend kan worden tegen, overtredingen van een verordening. Dit wetsvoorstel strekt ertoe de juiste toepassing van de EVOA 2024 in de Nederlandse rechtsorde mogelijk te maken. De nationale bevoegde autoriteit en de wijze waarop toezicht en handhaving zijn geregeld, wijzigen met de komst van de EVOA 2024 niet ten opzichte van de situatie onder de EVOA 2006. Dit wetsvoorstel voorziet slechts in een juridische actualisatie die nodig is geworden vanwege de vervanging van de EVOA 2006 door de EVOA 2024. In de hierna volgende subparagrafen wordt op hoofdlijnen een toelichting gegeven op de aangewezen nationale bevoegde autoriteit en de wijze waarop toezicht en handhaving zijn geregeld.
Bijlage XIII bij de EVOA 2024 bevat een concordantietabel waarin de EVOA 2006 en de EVOA 2024 met elkaar worden vergeleken. Deze tabel maakt inzichtelijk welke bepalingen van de EVOA 2006 zijn overgegaan naar de EVOA 2024, welke bepalingen van de EVOA 2006 zijn komen te vervallen en welke bepalingen nieuw zijn in de EVOA 2024. Uit de in bijlage 1 bij deze memorie van toelichting opgenomen transponeringstabel blijkt aan welke bepalingen van de EVOA 2024 in dit wetsvoorstel uitvoering is gegeven.
§ 3.1 Nationale bevoegde autoriteit
De lidstaten van de EU moeten één of meerdere autoriteiten aanwijzen die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de EVOA 2024. De Minister van Infrastructuur en Waterstaat is in artikel 10.58 van de Wm reeds aangewezen als bevoegde autoriteit voor de uitvoering van de EVOA 2006. Op grond van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat 2023 is de Inspectie Leefomgeving en Transport (hierna: ILT) aangewezen om in mandaat uitvoering te geven aan deze taak van de minister. De inhoud van de EVOA 2024 en de uitvoeringspraktijk op grond van de EVOA 2006 geven geen aanleiding om de bevoegde autoriteit te wijzigen. Dit wetsvoorstel laat de aanwijzing van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat als bevoegde autoriteit dan ook in stand en voorziet slechts in een actualisatie van de verwijzing naar de EVOA 2006 in artikel 10.58 van de Wm.
§ 3.2 Toezicht en bestuursrechtelijke handhaving
Op grond van het Besluit aanwijzing toezichthouders fysieke leefomgeving zijn de ambtenaren van de ILT belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de EVOA 2006 en het bepaalde bij of krachtens de Wm. De verwijzing naar de EVOA 2006 in dit besluit wordt door middel van een afzonderlijk wijzigingsbesluit geactualiseerd. De ambtenaren van de ILT beschikken over de bevoegdheden die titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) toekent aan toezichthouders. Daarnaast ontlenen de ambtenaren van de ILT bepaalde toezichthoudende bevoegdheden rechtstreeks aan de EVOA 2024.
Op grond van artikel 18.2b van de Wm heeft de Minister van Infrastructuur en Waterstaat tot taak zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van de bij of krachtens de EVOA 2006 gestelde verplichtingen (eerste lid) en de bij of krachtens hoofdstuk 10 van de Wm gestelde verplichtingen, voor zover zij betrekking hebben op de overbrenging van afvalstoffen (vierde lid). Uit artikel 18.1a van de Wm in samenhang met artikel 18.4 van de Omgevingswet (hierna: Ow) volgt dat de minister in het kader van de bestuursrechtelijke handhaving bevoegd is tot oplegging van een last onder bestuursdwang. Uit artikel 5:32 van de Awb volgt dat een bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen tevens bevoegd is om een last onder dwangsom op te leggen. Op grond van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat 2023 is de ILT aangewezen om in mandaat uitvoering te geven aan de bestuursrechtelijke handhavingstaak van de minister. Dit wetsvoorstel voorziet slechts in een actualisatie van de verwijzing naar de EVOA 2006 in artikel 18.2b van de Wm.
§ 3.3 Opsporing en strafrechtelijke handhaving
Om de strafrechtelijke handhaving van overtredingen van de EVOA 2024 mogelijk te maken, voorziet dit wetsvoorstel in de aanwijzing van de bepalingen van de EVOA 2024 waarvan overtreding strafbaar is. Het aanwijzen van alle specifieke bepalingen van de EVOA 2024 waarvan overtreding strafbaar is, is nodig vanwege het strafrechtelijke legaliteitsbeginsel. Met dit wetsvoorstel wordt het huidige artikel 10.60 van de Wm, waarin de strafrechtelijk handhaafbare bepalingen van de EVOA 2006 zijn aangewezen, vervangen door een nieuw artikel met geactualiseerde verwijzingen. Uit artikel 1a van de Wet op de economische delicten (hierna: WED), welk artikel tevens wordt geactualiseerd met dit wetsvoorstel, volgt dat overtredingen van de in artikel 10.60 van de Wm aangewezen bepalingen van de EVOA 2024 kwalificeren als economische delicten.
Voorgesteld wordt om overtredingen van de EVOA 2024, in tegenstelling tot overtredingen van de EVOA 2006, niet onder te verdelen in drie, maar in twee strafcategorieën van artikel 1a van de WED. Overtredingen van de EVOA 2024 die een directe aantasting opleveren van het milieu of daarvoor een ernstige en rechtstreekse bedreiging vormen, zoals illegale overbrengingen van afvalstoffen, worden ondergebracht in categorie 1˚. Minder ernstige overtredingen, zoals overtredingen die voornamelijk betrekking hebben op het niet nakomen van administratieve verplichtingen, worden ondergebracht in categorie 2°. Er worden geen overtredingen meer ondergebracht in categorie 3°. De indeling van overtredingen van de EVOA 2024 in de strafcategorieën 1° en 2° van artikel 1a van de WED zorgt voor een passende strafmaat in het licht van de in artikel 63 van de EVOA 2024 vermelde criteria voor strafbaarstelling, onder meer omdat in deze strafcategorieën rekening wordt gehouden met de (al dan niet) opzettelijke aard van de overtreding. Tevens zorgt de indeling in twee strafcategorieën voor een helder onderscheid tussen zware en minder zware overtredingen.
De opsporing van economische delicten vindt plaats door door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen buitengewone opsporingsambtenaren, bedoeld in artikel 17 van de WED, en door bij of krachtens artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen algemene opsporingsambtenaren. Voor de opsporing van economische delicten in het kader van de overbrenging van afvalstoffen zijn ambtenaren van de ILT, de douane en de politie aangewezen als (buitengewone dan wel algemene) opsporingsambtenaren. Deze opsporingsambtenaren beschikken over de bevoegdheden die op grond van de WED en het Wetboek van Strafvordering aan hen zijn toegekend. De vervolging van economische delicten geschiedt door het Openbaar Ministerie.
4 Gedeeltelijke implementatie van de Richtlijn milieucriminaliteit
Op grond van artikel 3, tweede lid, onder g, van de Richtlijn milieucriminaliteit moeten de lidstaten van de EU ervoor zorgen dat illegale overbrengingen van afvalstoffen in de zin van artikel 3, onder 26, van de EVOA 202410 strafrechtelijke delicten vormen. De Richtlijn milieucriminaliteit vervangt de bestaande Richtlijn milieucriminaliteit11 op grond waarvan de lidstaten reeds verplicht waren om illegale overbrengingen van afvalstoffen in de zin van artikel 2, onder 35, van de EVOA 2006 in nationale regelgeving strafbaar te stellen. Het illegaal overbrengen van afvalstoffen op grond van de EVOA 2006 is strafbaar gesteld in artikel 10.60, tweede lid, van de Wm in samenhang met artikel 1a, onder 1˚, van de WED. Met dit wetsvoorstel wordt voorgesteld om de verwijzing in artikel 10.60, tweede lid (in dit wetsvoorstel: eerste lid), van de Wm naar artikel 2, onder 35, van de EVOA 2006 te actualiseren en te vervangen door een verwijzing naar artikel 3, onder 26, van de EVOA 2024. Daarmee wordt artikel 3, tweede lid, onder g, van de Richtlijn milieucriminaliteit geïmplementeerd in Nederland. Bij de implementatiewetgeving ten behoeve van de Richtlijn milieucriminaliteit zal een transponeringstabel worden gevoegd. Om deze reden is van een dergelijke tabel bij dit wetsvoorstel afgezien.
5 Aanvullende implementatie van de Kaderrichtlijn afvalstoffen
Met dit wetsvoorstel wordt, naast de uitvoering van de EVOA 2024 en de daarmee samenhangende implementatie van artikel 3, tweede lid, onder g, van de Richtlijn milieucriminaliteit, voorzien in de aanvullende implementatie van een aantal bepalingen van de Kaderrichtlijn afvalstoffen. Zoals reeds is vermeld in de inleiding van deze memorie van toelichting, is Nederland op 20 december 2023 in gebreke gesteld door de Europese Commissie vanwege het onvolledig implementeren van een aantal bepalingen van de Kaderrichtlijn afvalstoffen. De ingebrekestelling heeft aanleiding gegeven om de Nederlandse regelgeving op een aantal punten aan te passen ter waarborging van een correcte implementatie van de Kaderrichtlijn afvalstoffen. Dit wetsvoorstel voorziet specifiek in een aantal aanpassingen van de Wm ter aanvullende implementatie van de artikelen 11, tweede lid, en 35, eerste lid, onder b, van de Kaderrichtlijn afvalstoffen. Aanpassingen op het niveau van algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen worden in afzonderlijke wetgevingstrajecten meegenomen.
Artikel 11, tweede lid, van de Kaderrichtlijn afvalstoffen stelt (onder meer) doelstellingen vast voor de voorbereiding voor hergebruik en recycling van een aantal afvalstromen, namelijk bepaalde afvalstoffen uit huishoudens (onderdeel a), niet-gevaarlijk bouw- en sloopafval (onderdeel b) en stedelijk afval (onderdelen c, d en e). Nederland heeft deze doelstellingen ten tijde van de implementatie van de Kaderrichtlijn afvalstoffen opgenomen in het Landelijk Afvalbeheerplan. In de ingebrekestelling heeft de Europese Commissie echter de noodzaak benadrukt om de doelstellingen te waarborgen door middel van omzetting in wet- en regelgeving. Om aan dit bezwaar van de Europese Commissie tegemoet te komen, wordt voorgesteld om aan artikel 10.4 van de Wm een grondslag toe te voegen om ter uitvoering van Europeesrechtelijke verplichtingen bij ministeriële regeling doelstellingen met betrekking tot preventie, voorbereiding voor hergebruik, recycling, andere nuttige toepassing of veilige verwijdering van afvalstoffen te kunnen waarborgen.
Artikel 35, eerste lid, bevat de verplichting voor diverse partijen in de afvalketen, zoals degenen die zich van afvalstoffen ontdoen, afvalinzamelaars en afvalverwerkers, om gegevens met betrekking tot afvalstoffen te registreren en/of te melden. De gegevens die dienen te worden geregistreerd en/of gemeld worden opgesomd in de onderdelen a en b van dit artikellid. Artikel 35, eerste lid, is geïmplementeerd in de artikelen 10.38, 10.39, 10.40 en 10.55 van de Wm, het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen en artikel 8.39 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (voorheen: artikel 5.8 van het Besluit omgevingsrecht). In de ingebrekestelling heeft de Europese Commissie aangegeven geen bepalingen tot omzetting van de eis in artikel 35, eerste lid, onder b, om de inzamelingsfrequentie te registreren en/of te melden, te hebben gevonden in de Nederlandse wetgeving. Om aan dit bezwaar van de Europese Commissie tegemoet te komen, wordt voorgesteld om aan de artikelen 10.38, eerste lid, en 10.40, eerste lid, van de Wm een onderdeel toe te voegen. Dit is een technische wijziging van de regelgeving. In de praktijk worden reeds de benodigde gegevens geregistreerd en/of gemeld aan de hand waarvan de inzamelingsfrequentie kan worden bepaald. De aanvulling van de artikelen 10.38 en 10.40 Wm brengt enkel de grondslagen in de Wm meer in lijn met de reeds bestaande mogelijkheden om middels de formulieren die zijn vastgesteld in de Regeling melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen de benodigde informatie te verkrijgen met betrekking tot de inzamelfrequentie.
6 Opname van een aanvullende wettelijke grondslag voor de uitvoering van de Batterijenverordening
Met de Batterijenverordening, waarvan de inhoud de volledige levenscyclus van batterijen bestrijkt, wordt beoogd de nadelige effecten van batterijen voor het milieu te voorkomen en te beperken en het milieu en de menselijke gezondheid te beschermen door de nadelige effecten van het ontstaan en het beheer van afgedankte batterijen te voorkomen en te beperken. Tegelijkertijd beoogt deze verordening bij te dragen aan een efficiënte werking van de interne markt.
De Batterijenverordening bevat naast voorschriften die gericht zijn op de bescherming van het milieu of de gezondheid van de mens, ook enkele voorschriften die specifiek gericht zijn op de productveiligheid van batterijen.
Voor de uitvoering van een deel van de Batterijenverordening ontbreekt op dit moment in de Wm een wettelijke basis. Dat deel van de verordening betreft de regels die verband houden met het in de handel brengen of in gebruik nemen van batterijen en de regels die verband houden met de beoordeling van de conformiteit van batterijen en het aanwijzen van conformiteitsbeoordelingsinstanties.
Een beperkt deel van die regels is, behalve op de bescherming van het milieu of de gezondheid van de mens, ook gericht op de productveiligheid van batterijen. Regels over batterijen kunnen op grond van de Wm nu slechts worden gesteld in het belang van de bescherming van het milieu. Het huidige artikel 9.5.2, eerste lid, van de Wm voorziet in een grondslag hiervoor.
Regels gericht op de productveiligheid van batterijen kunnen nu alleen worden gesteld op grond van de Warenwet. Die wet biedt in artikel 3 een grondslag om regels te stellen ter behartiging van de daarin genoemde belangen, waaronder de veiligheid van producten. Op grond van artikel 13 van die wet kunnen regels ter uitvoering van een met betrekking tot producten tot stand gekomen bindend besluit van de Europese Unie als bijkomend belang ook de bescherming van het milieu dienen. Artikel 13 van de Warenwet biedt dus geen grondslag om over een product regels te stellen die vooral gericht zijn op de bescherming van het milieu. Regels op grond van artikel 13 van de Warenwet zullen primair gericht moeten zijn op de behartiging van een van de in artikel 3 van die wet genoemde belangen.
Gezien de hiervoor aangegeven doelstelling van de Batterijenverordening en het feit dat verreweg de meeste voorschriften in die verordening niet zijn gesteld met het oog op de productveiligheid van batterijen, ligt het niet in de rede het deel van de Batterijenverordening waarvoor in de Wm nu een wettelijke basis ontbreekt, geheel onder de Warenwet uit te voeren.
Overwogen is of de Wm en de Warenwet beide als grondslag voor de uitvoering van de Batterijenverordening zouden kunnen worden gebruikt. De voorschriften ter bescherming van het milieu of de gezondheid van de mens of ter borging van de productveiligheid van batterijen zijn in de Batterijenverordening echter zodanig met elkaar verweven dat deze in regelgeving ter uitvoering van de verordening niet goed zouden kunnen worden opgesplitst in een op de Wm te baseren onderdeel en een op de Warenwet te baseren onderdeel. Die verwevenheid komt onder meer tot uitdrukking in de verplichtingen die voor bepaalde normadressaten op grond van de Batterijenverordening gelden. Als voorbeeld hiervan kan artikel 38 van de verordening worden genoemd. In dat artikel worden fabrikanten onder meer verplicht batterijen te ontwerpen en te fabriceren in overeenstemming met enkele in de verordening gestelde eisen. Het gaat hier veelal om duurzaamheidseisen die gesteld worden aan batterijen, maar voor een beperkt deel ook om eisen die gesteld worden aan de veiligheid van batterijen.
Om de sanctionering van een inbreuk op artikel 38 van de Batterijenverordening te borgen, zal in de regelgeving ter uitvoering van die verordening een verbod worden opgenomen om te handelen in strijd met dat artikel. Aan overtreding van zo’n verbod zijn op grond van de Warenwet andere mogelijke sancties verbonden dan op grond van de Wm. De Warenwet en de Wm kennen immers een verschillend handhavingsregime. Zo biedt de Warenwet mogelijkheden om in geval van overtreding van voorschriften een bestuurlijke boete op te leggen12, terwijl de Wm die mogelijkheid niet biedt. Ook zijn in de WED de voorschriften op grond van de Warenwet en de voorschriften op grond van de Wm in verschillende strafcategorieën ondergebracht. Overtreding van voorschriften gesteld bij of krachtens de Wm kan op grond van de WED tot hogere straffen leiden dan overtreding van voorschriften gesteld bij of krachtens de Warenwet.13 In geval van overtreding van het hiervoor beschreven verbod om te handelen in strijd met artikel 38 van de Batterijenverordening zou in geval van een dubbele rechtsgrondslag, zowel voor de fabrikant als voor degenen die met het toezicht op de naleving of de handhaving van het verbod zijn belast, onduidelijk zijn welke mogelijke sancties hieraan verbonden kunnen worden.
Vanuit het oogpunt van toegankelijkheid, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de regelgeving ter uitvoering van de Batterijenverordening is het daarom gewenst dat deze regels zullen worden gebaseerd op één wet.
Voorgesteld wordt daarom de huidige grondslag in artikel 9.5.2, eerste lid, van de Wm in die zin uit te breiden dat naast regels over een product die worden gesteld in het belang van de bescherming van het milieu ook regels over datzelfde product kunnen worden gesteld in het belang van de zorg voor de veiligheid van producten. Daarnaast wordt die grondslag in zoverre verbreed dat over een product ook in het belang van de bescherming van de gezondheid van de mens regels kunnen worden gesteld. Hiermee wordt bereikt dat dit artikellid ook voldoende rechtsbasis biedt om uitvoering te kunnen geven aan regels in de Batterijenverordening die ook de bescherming van de gezondheid van de mens ten doel hebben, zoals de regels die verband houden met artikel 6 van de Batterijenverordening waarin beperkingen worden gesteld aan de stoffen die batterijen mogen bevatten. Hiervoor biedt artikel 9.2.2.1, eerste lid, van de Wm nu ook al een grondslag, maar vanwege de onderlinge samenhang tussen verschillende voorschriften in de Batterijenverordening, is het gewenst dat bepalingen die mede strekken ter uitvoering van die regels in de Batterijenverordening ook op artikel 9.5.2, eerste lid, van de Wm kunnen worden gebaseerd14.
Op grond van artikel 9.5.2 van de Wm zullen ook de regels worden gesteld die strekken ter uitvoering van de bepalingen in de Batterijenverordening die verband houden met afvalbeheer en uitgebreide producentenverantwoordelijkheid. Hiervoor biedt het huidige eerste lid van artikel 9.5.2 al een rechtsbasis.
7 Gevolgen
Dit wetsvoorstel brengt geen (regeldruk)gevolgen voor bedrijven of overheden met zich mee.
Voor zover dit wetsvoorstel de uitvoering van de EVOA 2024 betreft, voorziet het wetsvoorstel slechts in een juridische actualisatie die nodig is geworden vanwege de vervanging van de EVOA 2006 door de EVOA 2024. De (regeldruk)gevolgen van de vervanging van de EVOA voor bedrijven en overheden vloeien rechtstreeks voort uit de EVOA 2024. Dit wetsvoorstel brengt op zichzelf geen (regeldruk)gevolgen met zich mee. In paragraaf 2.4 van deze memorie van toelichting is reeds op hoofdlijnen ingegaan op de gevolgen van de belangrijkste inhoudelijke wijzigingen die de vervanging van de EVOA met zich meebrengt.
Hetzelfde geldt voor de – met de uitvoering van de EVOA 2024 samenhangende – implementatie van artikel 3, tweede lid, onder g, van de Richtlijn milieucriminaliteit, waarvoor dit wetsvoorstel slechts voorziet in de vervanging van een verwijzing naar de EVOA 2006 door een verwijzing naar de EVOA 2024.
Voor zover dit wetsvoorstel de aanvullende implementatie van de Kaderrichtlijn afvalstoffen betreft, brengt het wetsvoorstel ook geen (regeldruk)gevolgen voor bedrijven of overheden met zich mee, aangezien de betreffende wetswijzigingen technisch van aard zijn.
Voor zover dit wetsvoorstel de opname van een aanvullende wettelijke grondslag voor de uitvoering van de Batterijenverordening betreft, geldt dit eveneens. (Regeldruk)gevolgen vloeien rechtstreeks uit die verordening voort. Voor zover de Batterijenverordening aan de Nederlandse wetgever ruimte laat voor keuzes van beleidsinhoudelijke aard, zullen die gevolgen pas zichtbaar worden in de regelgeving die ter uitvoering van de Batterijenverordening wordt voorbereid.
8 Advies en consultatie
§ 8.1 Internetconsultatie
Er heeft geen internetconsultatie plaatsgevonden over dit wetsvoorstel, omdat het wetsvoorstel voorziet in strikte uitvoering dan wel implementatie van EU-regelgeving en enkel technische wijzigingen bevat. Internetconsultatie zou niet in betekenende mate hebben kunnen leiden tot aanpassing van het wetsvoorstel. Conform het kabinetsstandpunt over internetconsultatie15 kon internetconsultatie derhalve achterwege blijven. De Europese Commissie heeft in het kader van de evaluatie van de EVOA 2006 twee openbare raadplegingen gehouden, waarbij beide keren namens Nederland een schriftelijke reactie is ingediend.16 Informatie over de nieuwe verplichtingen voor bedrijven op grond van de EVOA 2024 is beschikbaar op de internetpagina's van de ILT17 en de Europese Commissie18.
§ 8.2 Toetsing regeldrukgevolgen door het ATR
Het Adviescollege toetsing regeldruk (hierna: ATR) heeft aangegeven geen toets op de regeldrukgevolgen van dit wetsvoorstel uit te voeren. Dit wetsvoorstel voorziet, voor zover het de uitvoering van de EVOA 2024 en de daarmee samenhangende implementatie van artikel 3, tweede lid, onder g, van de Richtlijn milieucriminaliteit betreft, immers slechts in een juridische actualisatie die nodig is geworden vanwege de vervanging van de EVOA 2006 door de EVOA 2024 en brengt op zichzelf geen regeldrukgevolgen met zich mee. Gevolgen voor de regeldruk vloeien rechtstreeks voort uit de EVOA 2024. Om die reden is het ATR geconsulteerd voorafgaand aan de start van de onderhandelingen tussen de lidstaten van de EU over de EVOA 2024. Het ATR heeft het belang onderstreept van een transparante, voorspelbare afhandeling van de in de EVOA voorgeschreven administratieve procedures. Nederland heeft tijdens de onderhandelingen bijzondere aandacht gehad voor dit aspect.
Voor zover dit wetsvoorstel de aanvullende implementatie van de Kaderrichtlijn afvalstoffen betreft, worden ook geen regeldrukgevolgen voor bedrijven en overheden voorzien, aangezien de betreffende wetswijzigingen technisch van aard zijn.
Voor zover dit wetsvoorstel de opname van een aanvullende wettelijke grondslag voor de uitvoering van de Batterijenverordening betreft, geldt dit eveneens. Gevolgen voor de regeldruk vloeien rechtstreeks uit die verordening voort. Voor zover de Batterijenverordening aan de Nederlandse wetgever ruimte laat voor keuzes van beleidsinhoudelijke aard, zullen die gevolgen pas zichtbaar worden in de regelgeving die ter uitvoering van de Batterijenverordening wordt voorbereid.
§ 8.3 Toetsing handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid door de ILT
De ILT is gevraagd om het wetsvoorstel, voor zover het de uitvoering van de EVOA 2024 en de daarmee samenhangende implementatie van artikel 3, tweede lid, onder g, van de Richtlijn milieucriminaliteit betreft, te toetsen op handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid (HUF-toets). De ILT heeft in de HUF-toets aangegeven het wetsvoorstel als handhaafbaar, uitvoerbaar en fraudebestendig te beoordelen.
Voor zover dit wetsvoorstel de opname van een aanvullende wettelijke grondslag voor de uitvoering van de Batterijenverordening betreft, geldt dat de HUF-toets van de ILT en een reactie van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (hierna: NVWA) op een concept van de regelgeving ter uitvoering van de Batterijenverordening mede aanleiding zijn geweest voor de voorgestelde verbreding van de grondslag in artikel 9.5.2, eerste lid, van de Wm. De NVWA bepleitte in haar reactie om de regelgeving ter uitvoering van de Batterijenverordening ook op de Warenwet te baseren, omdat de Batterijenverordening ook voorschriften bevat die zien op de veiligheid van producten. De ILT had in haar HUF-toets onder meer geconstateerd dat veiligheidsaspecten in meerdere artikelen van de Batterijenverordening zijn opgenomen en aangegeven dat als de grondslag voor toezicht op producteisen in relatie tot veiligheid gebaseerd wordt op de Warenwet, het voor het toezicht en de handhaving duidelijk moet zijn welk handhavingsregime op welke overtreding van toepassing is. Omdat de voorschriften in de Batterijenverordening met elkaar zijn verweven, kunnen de regels ter uitvoering van die verordening, zoals reeds is toegelicht in paragraaf 6, niet in een op de Wm te baseren deel en een op de Warenwet te baseren deel worden opgesplitst.
9 Overgangsrecht en inwerkingtreding
De EVOA 2024 voorziet in overgangsrecht (artikel 85 EVOA 2024). Hierin wordt onder meer bepaald dat de EVOA 2006 van toepassing blijft op overbrengingen waarvoor vóór 21 mei 2026 op grond van de EVOA 2006 een kennisgeving is ingediend en door de bevoegde autoriteit van bestemming een ontvangstbevestiging van de volledig en correct ingediende kennisgeving is verzonden. Ook wordt hierin bepaald dat artikel 37 van de EVOA 2006, dat betrekking heeft op de uitvoer van voor nuttige toepassing bestemde niet-gevaarlijke afvalstoffen naar niet-OESO-landen, van toepassing blijft tot en met 21 mei 2027. Om ervoor te zorgen dat, in de gevallen waarin de EVOA 2006 van toepassing blijft, toezicht kan worden blijven gehouden op en zo nodig handhavend kan worden opgetreden tegen overtredingen van de EVOA 2006, is het nodig om tevens in nationaal overgangsrecht te voorzien. Dit wetsvoorstel bevat daarom een overgangsbepaling waaruit volgt dat de bepalingen ter uitvoering van de EVOA 2006, zoals het huidige artikel 10.60 van de Wm en het daarmee verband houdende artikel 1a van de WED, van toepassing blijven in de gevallen waarin de bepalingen van de EVOA 2006 van toepassing blijven. Voor de aanvullende implementatie van de Kaderrichtlijn afvalstoffen en de opname van een aanvullende wettelijke grondslag voor de uitvoering van de Batterijenverordening is geen overgangsrecht nodig.
Dit wetsvoorstel dient, voor zover het de uitvoering van de EVOA 2024 en de implementatie van artikel 3, tweede lid, onder g, van de Richtlijn milieucriminaliteit betreft, op 21 mei 2026 in werking te treden. Op deze datum wordt de EVOA 2024 van toepassing in de lidstaten van de EU en verstrijkt de implementatietermijn voor de Richtlijn milieucriminaliteit. Dit gedeelte van het wetsvoorstel zal bij koninklijk besluit in werking treden. Voor zover dit wetsvoorstel de aanvullende implementatie van de Kaderrichtlijn afvalstoffen en de opname van een aanvullende wettelijke grondslag voor de uitvoering van de Batterijenverordening betreft, is inwerkingtreding binnen afzienbare termijn gewenst. Daarom is ten aanzien van de inwerkingtreding van de betreffende bepalingen in dit wetsvoorstel bepaald dat deze in werking treden met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin de wet wordt geplaatst.
Artikelsgewijs deel
ARTIKEL I
Onderdelen A, C, I en K
Deze onderdelen betreffen technische aanpassingen van verwijzingen naar de EVOA in de Wm. Verwijzingen naar de EVOA 2006 worden vervangen door verwijzingen naar de EVOA 2024.
Onderdeel B
Dit onderdeel wijzigt het eerste lid van artikel 9.5.2 van de Wm. Met deze wijziging wordt in een grondslag voorzien om bij algemene maatregel van bestuur over een product naast regels in het belang van de bescherming van het milieu ook regels te kunnen stellen in het belang van de bescherming van de gezondheid van de mens en van de zorg voor de veiligheid van producten.
De samenstelling “in het belang van de bescherming van de gezondheid van de mens” wordt ook gebruikt in de titels 9.2 en 17.3 van de Wm. De regels in die titels voorzien er in dat in het belang van de bescherming van de gezondheid van de mens en van het milieu regels over stoffen, mengsels of genetisch gemodificeerde organismen kunnen worden gesteld. De wijziging van het eerste lid van artikel 9.5.2 van de Wm voorziet er in dat daarop te baseren regels met betrekking tot producten ook de bescherming van de gezondheid van de mens tot doel kunnen hebben. Met de “bescherming van de gezondheid van de mens” wordt, net als in de titels 9.2 en 17.3 van de Wm het geval is, zowel gedoeld op de bescherming van de gezondheid van de mens als consument als op de bescherming van de gezondheid van de mens in de arbeidssituatie.
Milieuregels, waaronder regels gebaseerd op de titels 9.2 en 17.3 en artikel 9.5.2 van de Wm, zijn primair de verantwoordelijkheid van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat. Regels over producten die mede zullen worden gesteld in het belang van de bescherming van de gezondheid van de mens of van de zorg voor de veiligheid van producten, zullen met de Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid worden afgestemd, voor zover die regels betrekking hebben op onderwerpen die behoren tot de beleidsportefeuille van die bewindspersonen.
Onderdeel D
Dit onderdeel wijzigt artikel 10.1a van de Wm. Artikel 10.1a van de Wm strekt ter implementatie van artikel 2 van de Kaderrichtlijn afvalstoffen, welk artikel een opsomming bevat van stoffen, preparaten en voorwerpen die, voor zover zij als afvalstoffen moeten worden aangemerkt, van het toepassingsgebied van de Kaderrichtlijn afvalstoffen zijn uitgezonderd. Artikel 10.1a van de Wm bepaalt dat hoofdstuk 10 van de Wm, de aan dit hoofdstuk gerelateerde artikelen in andere hoofdstukken van de Wm en enkele artikelen van de Ow niet van toepassing zijn op deze stoffen, preparaten en voorwerpen. Met de voorgestelde wijziging wordt in het eerste lid van artikel 10.1a van de Wm een verwijzing toegevoegd naar titel 10.7 van de Wm, welke titel strekt ter uitvoering van de EVOA. De EVOA heeft immers een eigen toepassingsgebied (artikel 1 EVOA 2006 en artikel 2 EVOA 2024) dat verschilt van het toepassingsgebied van de Kaderrichtlijn afvalstoffen.
Onderdeel E
Dit onderdeel strekt ter aanvullende implementatie van artikel 11, tweede lid, van de Kaderrichtlijn afvalstoffen, zoals reeds is toegelicht in hoofdstuk 5 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting.
Onderdelen F en G
Deze onderdelen strekken ter aanvullende implementatie van artikel 35, eerste lid, onder b, van de Kaderrichtlijn afvalstoffen, zoals reeds is toegelicht in hoofdstuk 5 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting.
Onderdeel H
Dit onderdeel actualiseert het opschrift van titel 10.7 van de Wm.
Onderdeel J
Met dit onderdeel komt artikel 10.57 van de Wm te vervallen. Artikel 10.57 van de Wm strekt ter uitvoering van artikel 33, derde lid, van de EVOA 2006. Deze bepaling komt niet terug in de EVOA 2024, waardoor artikel 10.57 van de Wm overbodig is geworden. Overigens is tot op heden geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid die artikel 10.57 van de Wm biedt om bij algemene maatregel van bestuur te bepalen dat de titels II en VII van de EVOA 2006 van overeenkomstige toepassing zijn met betrekking tot de overbrenging van afvalstoffen binnen Nederland.
Onderdeel L
Met dit onderdeel wordt artikel 10.60 van de Wm vervangen door een nieuw artikel met geactualiseerde verwijzingen. Artikel 10.60 van de Wm maakt het, in samenhang met artikel 1a van de WED, mogelijk om overtredingen van de EVOA strafrechtelijk te handhaven. Met het nieuwe artikel 10.60 worden de verwijzingen naar de EVOA 2006 vervangen door verwijzingen naar de EVOA 2024. Daarnaast wordt, zoals reeds is toegelicht in paragraaf 3.3 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting, ten behoeve van de handhaafbaarheid van de EVOA 2024 een tweetal inhoudelijke aanpassingen voorgesteld in het artikel. Deze aanpassingen hebben ertoe geleid dat het nieuwe artikel 10.60 een andere onderverdeling in leden kent dan het huidige artikel 10.60. Het eerste tot en met vijfde lid van het nieuwe artikel bevatten opsommingen van bepalingen van de EVOA 2024 waarvan het als een zware overtreding wordt gezien als deze worden overtreden (ingedeeld in categorie 1˚ van artikel 1a van de WED), terwijl het zesde tot en met achtste lid opsommingen bevatten van bepalingen van de EVOA 2024 waarvan het als een minder zware overtreding wordt gezien als deze worden overtreden (ingedeeld in categorie 2˚ van artikel 1a van de WED). Hieronder volgt een nadere toelichting op de afzonderlijke leden van het nieuwe artikel 10.60.
Artikel 10.60, eerste lid, bevat een verbod op het illegaal overbrengen van afvalstoffen. Zoals reeds is toegelicht in hoofdstuk 4 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting, geeft dit lid uitvoering aan de verplichting voor lidstaten op grond van de Richtlijn milieucriminaliteit om het illegaal overbrengen van afvalstoffen strafbaar te stellen. Daartoe bevat dit lid een verbod op het verrichten van handelingen als omschreven in artikel 3, onder 26, van de EVOA 2024, welk artikel de definitie van een illegale overbrenging bevat. Voorheen was deze definitie opgenomen in artikel 2, onder 35, van de EVOA 2006. Met dit wetsvoorstel wordt de verwijzing naar de EVOA 2006 geactualiseerd. Van een illegale overbrenging is onder meer sprake als afvalstoffen worden overgebracht zonder dat voorafgaand aan de overbrenging een kennisgeving is ingediend en/of toestemming is verkregen of zonder dat het bijlage VII-document ter beschikking is gesteld.
Artikel 10.60, tweede lid, onder a, bevat een opsomming van bepalingen in titel II van de EVOA 2024 (overbrengingen binnen de EU) waarvan overtreding kwalificeert als een zware overtreding. Het gaat dan bijvoorbeeld om het overtreden van de verplichting om afvalstoffen tijdig over te brengen en te verwerken en het overtreden van het verbod op menging van afvalstoffen tijdens de overbrenging. Het tweede lid, onder b, bevat een opsomming van schakelbepalingen die (bepalingen in) titel II van overeenkomstige toepassing verklaren op overbrengingen waarbij derde landen betrokken zijn.
Artikel 10.60, derde lid, onder a, bevat een opsomming van bepalingen in titel II van de EVOA 2024 (overbrengingen binnen de EU) op grond waarvan bevoegde autoriteiten voorwaarden kunnen verbinden aan hun toestemming voor een overbrenging of aan een voorafgaande goedkeuring van een inrichting. Dergelijke voorwaarden worden slechts in uitzonderlijke situaties gesteld, waardoor het overtreden daarvan als een zware overtreding wordt aangemerkt. Het derde lid, onder b, bevat een opsomming van schakelbepalingen die (bepalingen in) titel II van overeenkomstige toepassing verklaren op overbrengingen waarbij derde landen betrokken zijn.
Artikel 10.60, vierde lid, bevat een opsomming van bepalingen in andere titels dan titel II van de EVOA 2024 (overbrengingen met betrokkenheid van derde landen) waarvan overtreding kwalificeert als een zware overtreding. Het gaat dan bijvoorbeeld om het overtreden van de verplichting om afvalstoffen over te brengen naar een inrichting die over een vergunning beschikt en de verplichting om afvalstoffen op milieuhygiënisch verantwoorde wijze te beheren.
Artikel 10.60, vijfde lid, bevat een verwijzing naar een bepaling in titel V van de EVOA 2024 (invoer uit derde landen) op grond waarvan de bevoegde autoriteit van bestemming de invoer van afvalstoffen uit derde landen kan verbieden. Het overtreden van een door de bevoegde autoriteit gesteld verbod wordt als een zware overtreding aangemerkt.
Artikel 10.60, zesde lid, onder a, bevat een opsomming van bepalingen in titel II van de EVOA 2024 (overbrengingen binnen de EU) waarvan overtreding kwalificeert als een minder zware overtreding. Het gaat dan bijvoorbeeld om het overtreden van administratieve verplichtingen waaraan moet worden voldaan nadat een kennisgeving is ingediend en toestemming voor een overbrenging is verkregen of nadat het bijlage VII-document ter beschikking is gesteld, zoals de verplichting voor inrichtingen om een bevestiging van ontvangst en een verklaring van verwerking van de afvalstoffen af te geven en de verplichting om bepaalde documenten en informatie met betrekking tot overbrengingen van afvalstoffen te bewaren en/of in het elektronische systeem op te nemen. Ook wordt het overtreden van verplichtingen om de bevoegde autoriteiten in kennis te stellen indien zich bepaalde situaties voordoen, zoals de situatie dat een overbrenging wordt geweigerd of de situatie dat zich wezenlijke wijzigingen voordoen met betrekking tot een verleende toestemming of een voorafgaande goedkeuring, strafbaar gesteld. Het zesde lid, onder b, bevat een opsomming van schakelbepalingen die (bepalingen in) titel II van overeenkomstige toepassing verklaren op overbrengingen waarbij derde landen betrokken zijn.
Artikel 10.60, zevende lid, onder a, bevat een opsomming van bepalingen in andere titels dan titel II van de EVOA 2024 (overbrengingen met betrokkenheid van derde landen) waarvan overtreding kwalificeert als een minder zware overtreding. Het gaat dan bijvoorbeeld om de verplichting om bepaalde documenten in het elektronische systeem op te nemen. Het zevende lid, onder b, bevat een opsomming van schakelbepalingen die verwijzen naar de onder a vermelde bepalingen.
Artikel 10.60, achtste lid, bevat, net als het zevende lid, een opsomming van bepalingen in andere titels dan titel II van de EVOA 2024 (overbrengingen met betrokkenheid van derde landen) waarvan overtreding kwalificeert als een minder zware overtreding. Het gaat dan bijvoorbeeld om de verplichting om mee te werken aan inspecties van de Europese Commissie. Het verschil met het zevende lid is dat het achtste lid een opsomming bevat van bepalingen waar geen schakelbepalingen naar verwijzen.
In Bijlage 2 bij deze memorie van toelichting is een overzicht opgenomen van de bepalingen van de EVOA 2024 waarnaar wordt verwezen in artikel 10.60 van de Wm, met daarbij een korte inhoudelijke omschrijving van de inhoud van de verplichtingen. Voor de precieze formulering van de geldende verplichtingen op grond van de EVOA 2024 dienen uiteraard de desbetreffende bepalingen van de EVOA 2024 te worden geraadpleegd.
Onderdeel M
Dit onderdeel wijzigt het tweede lid van artikel 18.2b van de Wm. In dat lid wordt aan de Ministers van Economische Zaken, van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport de taak toegekend om zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van onder andere het bepaalde bij of krachtens de titels 9.2, 9.3 en 9.3a van de Wm, voor zover het betrekking heeft op beleid dat tot hun verantwoordelijkheid behoort. Als gevolg van de voorgestelde wijziging van artikel 9.5.2, eerste lid, kunnen de regels gebaseerd op dat lid ook het belang van de productveiligheid dienen. Aangezien productveiligheid thans behoort tot de beleidsportefeuille van de Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, wordt titel 9.5, waarvan artikel 9.5.2 onderdeel uitmaakt, aan de opsomming van die titels toegevoegd.
ARTIKEL II
De voorgestelde wijziging van bijlage 2 bij de Awb betreft een technische aanpassing van een verwijzing naar de EVOA. De verwijzing naar de EVOA 2006 wordt vervangen door een verwijzing naar de EVOA 2024.
ARTIKEL III
De voorgestelde wijzigingen van de Wet belastingen op milieugrondslag betreffen technische aanpassingen van verwijzingen naar de EVOA. Verwijzingen naar de EVOA 2006 worden vervangen door verwijzingen naar de EVOA 2024.
ARTIKEL IV
De voorgestelde wijzigingen van artikel 1a van de WED betreffen technische aanpassingen van verwijzingen naar artikel 10.60 van de Wm.
ARTIKEL V
Dit artikel voorziet in het benodigde overgangsrecht, zoals reeds is toegelicht in hoofdstuk 9 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting.
ARTIKEL VI
Dit artikel regelt de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel, zoals reeds is toegelicht in hoofdstuk 9 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting.
DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT – OPENBAAR VERVOER EN MILIEU,
A.A. Aartsen
BIJLAGEN BIJ MEMORIE VAN TOELICHTING
Bijlage 1. Transponeringstabel uitvoering EVOA 2024
| Artikel EU-verordening | Artikel in wetsvoorstel of in bestaande regelgeving | Omschrijving beleidsruimte | Toelichting op de keuze(n) bij de invulling van beleidsruimte |
|---|---|---|---|
| Alle artikelen van de EVOA 2024 met uitzondering van de artikelen of artikelleden die hieronder zijn vermeld | Behoeven naar hun aard geen uitvoering in nationale regelgeving, rechtstreekse werking volstaat | ||
| Artikel 7 | Artikel 10.56, eerste lid, Wm en artikel 3 Regeling EG-verordening overbrenging van afvalstoffen; de Regeling wordt geactualiseerd door middel van een afzonderlijke wijzigingsregeling | Stellen van nadere regels m.b.t. de wijze waarop de borgsom of gelijkwaardige verzekering moet worden gesteld en de hoogte van de dekking moet worden bepaald | Dit wordt nader toegelicht in de toelichting bij de wijzigingsregeling |
| Artikel 14 | Artikel 10.56, tweede lid, Wm en artikel 3a Regeling EG-verordening overbrenging van afvalstoffen; de Regeling wordt geactualiseerd door middel van een afzonderlijke wijzigingsregeling | Stellen van nadere regels m.b.t. het vooraf goedkeuren van inrichtingen | Dit wordt nader toegelicht in de toelichting bij de wijzigingsregeling |
| Artikel 27 | Artikel 10.56, tweede lid, Wm en nieuw artikel in Regeling EG-verordening overbrenging van afvalstoffen; de Regeling wordt geactualiseerd door middel van een afzonderlijke wijzigingsregeling | Aanwijzing van het (nationale dan wel centrale) systeem dat gebruikt dient te worden voor de elektronische indiening en uitwisseling van informatie en documentatie | Dit wordt nader toegelicht in de toelichting bij de wijzigingsregeling |
| Artikel 28 | Artikel 10.56, tweede lid, Wm en nieuw artikel in Regeling EG-verordening overbrenging van afvalstoffen; de Regeling wordt geactualiseerd door middel van een afzonderlijke wijzigingsregeling | Aanwijzing van de taal waarin kennisgevingen, informatie, documentatie en andere mededelingen dienen te worden verstrekt | Dit wordt nader toegelicht in de toelichting bij de wijzigingsregeling |
| Artikel 30 | Niet uitgevoerd | Mogelijkheid om voor de uitvoering van de kennisgevings- procedure en toezichtprocedures administratieve kosten in rekening te brengen bij de kennisgever of opdrachtgever voor de overbrenging | Van deze mogelijkheid wordt geen gebruik gemaakt vanwege het uitgangspunt van zuivere en lastenluwe uitvoering; er wordt aangesloten bij het bestaande beleid dat geen Rijksleges worden geheven (artikel 15.34a Wm) en dat handhaving van wet- en regelgeving uit algemene middelen wordt gefinancierd |
| Artikel 36 | Artikelen 10.38-10.40 Wm, hoofdstuk 18 Wm, Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen | Invoering van een passende regeling voor toezicht en controle op het vervoer van afvalstoffen dat uitsluitend plaatsvindt binnen het nationale rechtsgebied van een lidstaat | De inhoud van de EVOA 2024 en de uitvoeringspraktijk op grond van de EVOA 2006 geven geen aanleiding tot wijziging van het bestaande recht |
| Artikelen 41, 43, 45, 67, 68, 69, 70, 73, vierde en vijfde lid, 78, vijfde lid, 79, 80 en 84 | Behoeven geen uitvoering in nationale regelgeving, gericht tot de Europese Commissie | ||
| Artikel 47 | Artikel 10.60 Wm | Treffen van maatregelen om ervoor te zorgen dat afvalstoffen niet worden uitgevoerd indien niet aan de gestelde voorwaarden voor de uitvoer wordt voldaan of indien de afvalstoffen niet op milieuhygiënisch verantwoorde wijze worden beheerd | Strafbaarstelling van handelen in strijd met de voorwaarden voor de uitvoer van afvalstoffen en met de verplichting om afvalstoffen op milieuhygiënisch verantwoorde wijze te beheren |
| Artikel 55 | Artikel 10.60 Wm | Treffen van maatregelen om ervoor te zorgen dat afvalstoffen niet worden ingevoerd indien de afvalstoffen niet op milieuhygiënisch verantwoorde wijze worden beheerd | Strafbaarstelling van handelen in strijd met de verplichting om afvalstoffen op milieuhygiënisch verantwoorde wijze te beheren |
| Artikel 56 | Niet uitgevoerd | Mogelijkheid om nationale procedures toe te passen op de invoer van afvalstoffen uit een met een lidstaat geassocieerd land of gebied overzee | Van deze mogelijkheid wordt geen gebruik gemaakt; er wordt aangesloten bij het bestaande beleid dat op deze invoer de procedures van de EVOA worden toegepast |
| Artikel 60 | Toezicht is geregeld in het Besluit aanwijzing toezichthouders fysieke leefomgeving en titel 5.2 Awb; het Besluit aanwijzing toezichthouders fysieke leefomgeving wordt geactualiseerd door middel van een afzonderlijk wijzigingsbesluit | ||
| Artikelen 62, 64, 65, 66, 73, eerste, tweede en derde lid, 74, 76 en 78, eerste t/m vierde lid | Behoeven geen uitvoering in nationale regelgeving, uitvoering door feitelijk handelen van de centrale overheid | ||
| Artikel 63 | Handhaving is geregeld in hoofdstuk 18 Wm, hoofdstuk 5 Awb, artikel 10.60 Wm, de WED en het Wetboek van Strafvordering | ||
| Artikel 75 | Artikel 10.58 Wm | Aanwijzing van een voor de uitvoering van de EVOA 2024 bevoegde autoriteit | De inhoud van de EVOA 2024 en de uitvoeringspraktijk op grond van de EVOA 2006 geven geen aanleiding om de bevoegde autoriteit (ILT) te wijzigen |
| Artikel 77 | Niet uitgevoerd | Mogelijkheid om voor de overbrenging van afvalstoffen naar en uit de EU specifieke douanekantoren van binnenkomst en van uitgang aan te wijzen | Van deze mogelijkheid wordt geen gebruik gemaakt; er wordt aangesloten bij het bestaande beleid dat alle douanekantoren in Nederland zijn aangesloten op hetzelfde systeem en daardoor de benodigde handelingen kunnen verrichten |
Bijlage 2. Tabel verwijzingen naar de EVOA 2024 in artikel 10.60 Wm
| Artikel EVOA 2024 | Omschrijving inhoud |
|---|---|
| Artikel 10.60, eerste lid | |
| Artikel 3, onder 26 | Verbod op illegale overbrengingen |
| Artikel 10.60, tweede lid, onder a | |
| Artikel 9, vijfde lid | Verplichting om afvalstoffen tijdig over te brengen |
| Artikel 9, zesde lid | Verplichting om afvalstoffen tijdig nuttig toe te passen of te verwijderen |
| Artikel 18, derde lid | Afvalstoffen mogen alleen worden overgebracht naar een inrichting voor nuttige toepassing die over een vergunning of registratie beschikt |
| Artikel 18, vijfde lid | Het bijlage VII-document dient uiterlijk twee werkdagen voor aanvang van de overbrenging te worden ingevuld |
| Artikel 18, zevende lid | Vermelding van inrichtingen en R-codes in het bijlage VII-document |
| Artikel 19 | Verbod op menging van afvalstoffen tijdens de overbrenging |
| Artikel 22, vierde lid | Afvalstoffen dienen op milieuhygiënisch verantwoorde wijze te worden beheerd |
| Artikel 23, eerste lid, tweede en derde zin | Terugnameplicht ingeval een overbrenging die onder de informatieverplichtingen valt niet als gepland kan worden voltooid |
| Artikel 23, tweede lid | Afvalstoffen dienen op milieuhygiënisch verantwoorde wijze te worden beheerd |
| Artikel 25, vierde lid | Afvalstoffen dienen op milieuhygiënisch verantwoorde wijze te worden beheerd |
| Artikel 10.60, tweede lid, onder b | |
| Artikel 34 | Schakelbepaling naar de bepalingen van titel II voor overbrengingen van voor verwijdering bestemde afvalstoffen binnen de Unie met doorvoer via derde landen |
| Artikel 35, eerste lid | Schakelbepaling naar artikel 34 voor overbrengingen van voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen binnen de Unie met doorvoer via niet-OESO-landen. Artikel 34 bevat een schakelbepaling naar de bepalingen van titel II |
| Artikel 35, tweede lid | Schakelbepaling naar de bepalingen van titel II voor overbrengingen van voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen binnen de Unie met doorvoer via OESO-landen |
| Artikel 38, eerste lid | Schakelbepaling naar de bepalingen van titel II voor uitvoer van voor verwijdering bestemde afvalstoffen naar EVA-landen |
| Artikel 40, vierde lid, eerste alinea | Schakelbepaling naar de bepalingen van titel II voor uitvoer van voor nuttige toepassing bestemde niet-gevaarlijke afvalstoffen naar niet-OESO-landen |
| Artikel 40, vierde lid, derde alinea | Schakelbepaling naar artikel 38 voor uitvoer van voor nuttige toepassing bestemde niet-gevaarlijke afvalstoffen naar niet-OESO-landen. Artikel 38, eerste lid, bevat een schakelbepaling naar de bepalingen van titel II |
| Artikel 44, eerste lid | Schakelbepaling naar de bepalingen van titel II voor uitvoer van voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen naar OESO-landen |
| Artikel 49, derde lid | Schakelbepaling naar de bepalingen van titel II voor uitvoer van voor nuttige toepassing bestemde niet-gevaarlijke afvalstoffen naar landen en gebieden overzee |
| Artikel 51, eerste lid | Schakelbepaling naar de bepalingen van titel II voor invoer van voor verwijdering bestemde afvalstoffen uit OESO-landen of crisisgebieden |
| Artikel 53, eerste lid | Schakelbepaling naar de bepalingen van titel II voor invoer van voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen uit OESO-landen of crisisgebieden |
| Artikel 54 | Schakelbepaling naar artikel 51 voor invoer van voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen uit niet-OESO-landen. Artikel 51, eerste lid, bevat een schakelbepaling naar de bepalingen van titel II |
| Artikel 56, eerste lid | Schakelbepaling naar de bepalingen van titel II voor invoer uit landen en gebieden overzee |
| Artikel 57 | Schakelbepaling naar artikel 51 voor doorvoer van voor verwijdering bestemde afvalstoffen uit en naar derde landen. Artikel 51, eerste lid, bevat een schakelbepaling naar de bepalingen van titel II |
| Artikel 58, eerste lid | Schakelbepaling naar artikel 57 voor doorvoer van voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen uit en naar niet-OESO-landen. Artikel 57 bevat een schakelbepaling naar artikel 51. Artikel 51, eerste lid, bevat een schakelbepaling naar de bepalingen van titel II |
| Artikel 58, tweede lid | Schakelbepaling naar artikel 53 voor doorvoer van voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen uit en naar OESO-landen. Artikel 53, eerste lid, bevat een schakelbepaling naar de bepalingen van titel II |
| Artikel 10.60, derde lid, onder a | |
| Artikel 10, eerste lid | Voorwaarden die bevoegde autoriteiten aan hun toestemming voor een overbrenging kunnen verbinden |
| Artikel 10, tweede lid | Voorwaarden die bevoegde autoriteiten aan het vervoer van afvalstoffen kunnen verbinden |
| Artikel 10, vijfde lid | De voorwaarde gesteld door de bevoegde autoriteit van bestemming dat input-output-gegevens en/of balansen over de afvalstoffen en de handelingen tot nuttige toepassing of verwijdering worden overlegd |
| Artikel 13, derde lid | De voorwaarde verbonden aan toestemming voor het gebruik van een algemene kennisgeving dat aansluitend aanvullende informatie en documentatie wordt verstrekt |
| Artikel 14, zesde lid, tweede zin | Voorwaarden die de bevoegde autoriteit aan een voorafgaande goedkeuring kan verbinden |
| Artikel 10.60, derde lid, onder b | |
| Zie hierboven onder artikel 10.60, tweede lid, onder b | |
| Artikel 10.60, vierde lid | |
| Artikel 38, vijfde lid | Bij uitvoer van afvalstoffen moet de verwijdering plaatsvinden in een inrichting die uit hoofde van de nationale wetgeving van het land van bestemming geëxploiteerd wordt of mag worden |
| Artikel 40, vierde lid, derde alinea | Schakelbepaling naar artikel 38 voor uitvoer van voor nuttige toepassing bestemde niet-gevaarlijke afvalstoffen naar niet-OESO-landen |
| Artikel 44, tweede lid, onder f | Verbod op uitvoer van voor nuttige toepassing bestemd gemengd stedelijk afval, ook indien dit afval is verwerkt tot refuse-derived fuel, naar OESO-landen |
| Artikel 44, zevende lid | Bij uitvoer van afvalstoffen moet de nuttige toepassing plaatsvinden in een inrichting die uit hoofde van de nationale wetgeving van het land van bestemming geëxploiteerd wordt of mag worden |
| Artikel 59 | Afvalstoffen dienen gedurende de overbrenging, nuttige toepassing en verwijdering zonder gevaar voor de gezondheid van de mens en op milieuhygiënisch verantwoorde wijze te worden beheerd |
| Artikel 10.60, vijfde lid | |
| Artikel 55, tweede lid | Door de bevoegde autoriteit opgelegd verbod op invoer van afvalstoffen uit derde landen |
| Artikel 10.60, zesde lid, onder a | |
| Artikel 14, elfde lid, eerste zin | Verplichting om de bevoegde autoriteit in kennis te stellen van wijzigingen in de informatie in het verzoek om voorafgaande goedkeuring |
| Artikel 15, derde lid | Bevestiging van ontvangst van de afvalstoffen |
| Artikel 15, vierde lid | Verklaring van voltooiing van voorlopige nuttige toepassing of verwijdering |
| Artikel 15, vijfde lid, tweede alinea | Doorzending van de verklaring van voltooiing van aansluitende nuttige toepassing of verwijdering |
| Artikel 16, eerste en tweede lid | Verplichting om het vervoersdocument in te vullen en elektronisch beschikbaar te stellen |
| Artikel 16, derde lid | Verplichting om het kennisgevingsdocument, inclusief toestemmingen en opgelegde voorwaarden, elektronisch beschikbaar te stellen |
| Artikel 16, vierde lid | Verplichting om het kennisgevings- en vervoersdocument op andere wijze dan online in het voertuig beschikbaar te hebben en wijzigingen of aanvullingen in die documenten tijdens het vervoer elektronisch in te dienen |
| Artikel 16, vijfde lid | Bevestiging van ontvangst van de afvalstoffen |
| Artikel 16, zesde en zevende lid | Verklaring van voltooiing van definitieve nuttige toepassing of verwijdering |
| Artikel 17, eerste lid | Verplichting om de bevoegde autoriteiten en de ontvanger onmiddellijk in kennis te stellen van wezenlijke wijzigingen in de bijzonderheden of voorwaarden betreffende de toestemming |
| Artikel 18, achtste lid | Bevestiging van ontvangst van de afvalstoffen |
| Artikel 18, negende lid | Verklaring van voltooiing van nuttige toepassing |
| Artikel 20, eerste lid | Bewaarplicht voor documenten en informatie bij toepassing van de kennisgevingsprocedure |
| Artikel 20, tweede lid | Bewaarplicht voor documenten en informatie bij toepassing van de informatieprocedure |
| Artikel 22, eerste lid, laatste zin | Op de hoogte brengen van de bevoegde autoriteit indien een ontvangen overbrenging wordt geweigerd |
| Artikel 23, eerste lid, eerste zin | In kennis stellen van de bevoegde autoriteit indien een overbrenging of nuttige toepassing die onder de informatieverplichtingen valt niet als gepland kan worden voltooid |
| Artikel 10.60, zesde lid, onder b | |
| Zie hierboven onder artikel 10.60, tweede lid, onder b | |
| Artikel 10.60, zevende lid, onder a | |
| Artikel 38, tweede lid, onder e | Verplichting om bij uitvoer de bevestiging van ontvangst en de verklaring van voltooiing in het elektronische systeem op te nemen |
| Artikel 38, derde lid, onder c | Verplichting om een kopie van het vervoersdocument aan het douanekantoor van uitvoer/uitgang te verstrekken |
| Artikel 38, derde lid, onder g | Verplichting om een kopie van het geactualiseerde vervoersdocument elektronisch beschikbaar te stellen |
| Artikel 51, tweede lid, onder b | Verplichting om bij invoer alle relevante informatie, waaronder het kennisgevingsdocument en het vervoersdocument, in het elektronische systeem op te nemen |
| Artikel 51, derde lid, onder d | Verplichting om een kopie van het vervoersdocument aan het douanekantoor van binnenkomst te verstrekken |
| Artikel 10.60, zevende lid, onder b | |
| Artikel 40, vierde lid, derde alinea | Schakelbepaling naar artikel 38 voor uitvoer van voor nuttige toepassing bestemde niet-gevaarlijke afvalstoffen naar niet-OESO-landen |
| Artikel 44, derde lid | Schakelbepaling naar artikel 38 voor uitvoer van voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen naar OESO-landen |
| Artikel 53, tweede lid, onder d | Schakelbepaling naar artikel 51 voor invoer van voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen uit OESO-landen of crisisgebieden |
| Artikel 53, derde lid | Schakelbepaling naar artikel 51 voor invoer van voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen uit OESO-landen of crisisgebieden |
| Artikel 54 | Schakelbepaling naar artikel 51 voor invoer van voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen uit niet-OESO-landen |
| Artikel 57 | Schakelbepaling naar artikel 51 voor doorvoer van voor verwijdering bestemde afvalstoffen uit en naar derde landen |
| Artikel 58, eerste lid | Schakelbepaling naar artikel 57 voor doorvoer van voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen uit en naar niet-OESO-landen. Artikel 57 bevat een schakelbepaling naar artikel 51 |
| Artikel 58, tweede lid | Schakelbepaling naar artikel 53 voor doorvoer van voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen uit en naar OESO-landen. Artikel 53, tweede lid, onder d, en derde lid, bevatten schakelbepalingen naar artikel 51 |
| Artikel 10.60, achtste lid | |
| Artikel 44, vierde lid | Verplichting om bij uitvoer de bevestiging van ontvangst en de verklaring van voltooiing in het elektronische systeem op te nemen |
| Artikel 46, tiende lid | Verplichting om jaarlijks langs elektronische weg informatie openbaar te maken over de wijze waarop aan de verplichtingen o.g.v. artikel 46 wordt voldaan |
| Artikel 68, zesde lid | Verplichting om tijdens inspecties van de Europese Commissie met de Europese Commissie samen te werken |
| Artikel 68, achtste lid | Verplichting om zich te onderwerpen aan inspecties van de Europese Commissie |
| Artikel 77, laatste zin | Verplichting om aangewezen douanekantoren te gebruiken |
Trb. 1990, 12.↩︎
https://legalinstruments.oecd.org/en/instruments/OECD-LEGAL-0266.↩︎
Wet van 27 mei 2020 tot wijziging van de Wet milieubeheer in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2018/851 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2008/98/EG betreffende afvalstoffen (PbEU L 150) (Implementatiewet wijziging EU-kaderrichtlijn afvalstoffen).↩︎
Zie artikel 93 van de Batterijenverordening.↩︎
COM(2019) 640 final.↩︎
COM(2020) 98 final.↩︎
COM(2021) 709 final, p. 15.↩︎
COM(2021) 709 final, p. 15.↩︎
Verordening (EU) 2020/1056 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2020 inzake elektronische informatie over goederenvervoer (PB L 249 van 31.7.2020, blz. 33).↩︎
In artikel 3, tweede lid, onder g, van de Richtlijn milieucriminaliteit wordt per abuis verwezen naar artikel 2, onder 26, van de EVOA 2024. Bedoeld is artikel 3, onder 26, van de EVOA 2024, waarin de definitie van een illegale overbrenging is opgenomen.↩︎
Richtlijn nr. 2008/99/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht (PbEG 2008, L 328).↩︎
Dat geldt voor voorschriften die gebaseerd zijn op de bepalingen waarnaar in artikel 32a van de Warenwet wordt verwezen.↩︎
In de Wet op de economische delicten zijn in artikel 1, aanhef en onder 4°, overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens daarin aangewezen bepalingen van de Warenwet, als economisch delict aangewezen en zijn in artikel 1a, onder 1°, 2° en 3°, overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens daarin aangewezen bepalingen van de Wet milieubeheer, als economisch delict aangewezen.↩︎
In artikel 1a van de Wet op de economische delicten zijn overtredingen van regels gebaseerd op de artikelen 9.2.1.1 en 9.5.2 van de Wm onder verschillende strafcategorieën ondergebracht.↩︎
Kamerstukken II 2010/11, 29279, nr. 121, Kamerstukken II 2016/17, 33009, nr. 39 en Kamerstukken II 2016/17, 29515, nr. 397.↩︎
Kamerstukken II 2017/18, 22112, nr. 2548 en Kamerstukken II 2019/20, 22112, nr. 2899.↩︎
https://www.ilent.nl/documenten/leefomgeving-en-wonen/afval/afvaltransport-evoa/informatieblad/gevolgen-herziene-evoa↩︎
https://environment.ec.europa.eu/topics/waste-and-recycling/waste-shipments_en↩︎