36880 Advies Afdeling advisering Raad van State inzake Wijziging van de Wet milieubeheer en enkele andere wetten ter uitvoering van Verordening (EU) 2024/1157 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, ter gedeeltelijke implementatie van een daaraan gerelateerde richtlijn
Wijziging van de Wet milieubeheer en enkele andere wetten ter uitvoering van Verordening (EU) 2024/1157 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, ter gedeeltelijke implementatie van een daaraan gerelateerde richtlijn
Advies Afdeling advisering Raad van State
Nummer: 2026D00697, datum: 2026-01-12, bijgewerkt: 2026-01-12 15:42, versie: 1
Directe link naar document (.DOCX), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: Th.C. de Graaf, vicepresident van de Raad van State
Onderdeel van zaak 2026Z00285:
- Indiener: A.A. Aartsen, staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat
Preview document (🔗 origineel)
| No. W17.25.00091/IV | 's-Gravenhage, 13 augustus 2025 |
Bij Kabinetsmissive van 22 april 2025, no.2025000863, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris Openbaar Vervoer en Milieu, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel tot wet tot wijziging van de Wet milieubeheer en enkele andere wetten ter uitvoering van Verordening (EU) 2024/1157 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, ter gedeeltelijke implementatie van een daaraan gerelateerde richtlijn, ter aanvullende implementatie van Richtlijn (EU) 2018/851 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2008/98/EG betreffende afvalstoffen en in verband met het opnemen van een grondslag voor de uitvoering van Verordening (EU) 2023/1542 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2023 inzake batterijen en afgedankte batterijen (Wet uitvoering EU-verordening overbrenging van afvalstoffen en implementatie enkele andere EU-rechtshandelingen), met memorie van toelichting.
Het wetsvoorstel betreft de implementatie van (onderdelen van) een viertal EU-rechtshandelingen: de herziene Europese verordening overbrenging afvalstoffen (hierna: herziene EVOA), de richtlijn milieucriminaliteit, richtlijn (EU) 2018/851 (wijziging van de kaderrichtlijn afvalstoffen), en de Batterijenverordening. Daartoe bevat het voorstel wijzigingen van de Wet milieubeheer en enkele andere wetten.
De Afdeling advisering van de Raad van State maakt, wat betreft de implementatie van de herziene EVOA, opmerkingen over de wijziging van de strafbaarstellingen in de Wet milieubeheer in verband met de vereisten van het strafrechtelijk legaliteitsbeginsel, en de motivering voor de uitbreiding van strafbaarstellingen. Tevens maakt zij een opmerking over het ontbreken van overgangsrechtelijke bepalingen.
Wat betreft de Batterijenverordening maakt de Afdeling een opmerking over de motivering van de keuze om deze uit te voeren binnen het stelsel van de Wet milieubeheer.
In verband met deze opmerkingen is aanpassing wenselijk van de toelichting en van het wetsvoorstel.
1. Inhoud en achtergrond van het wetsvoorstel
Het wetsvoorstel betreft ten eerste de implementatie van de herziene EVOA.1
Dit wetsvoorstel past verwijzingen aan en wijzigt artikel 10.60 Wet milieubeheer (Wm), dat overtredingen van bepaalde artikelen uit de herziene EOVA strafbaar stelt.2 Eén van de wijzigingen van artikel 10.60 Wm (het verbod op illegale overbrengingen) voorziet in de gedeeltelijke implementatie van de richtlijn milieucriminaliteit.3 In verband hiermee past het wetsvoorstel ook de Wet op de economische delicten aan (WED).4
Tevens verruimt het wetsvoorstel de wettelijke grondslag in de Wm om bij algemene maatregel van bestuur regels te stellen in zoverre dat regels met betrekking tot producten tevens kunnen worden gesteld in het belang van de bescherming van de gezondheid van de mens of de zorg voor de veiligheid van producten.5 Hiermee implementeert het wetsvoorstel de Batterijenverordening binnen het stelsel van de Wm.6
Tot slot voorziet het wetsvoorstel in een aanvullende implementatie van de Kaderrichtlijn afvalstoffen.7
2. Strafbaarstellingen in artikel 10.60 van de Wet milieubeheer
a. Strafrechtelijke legaliteit
De EVOA is opgedeeld in verschillende titels waarvan het toepassingsbereik afhankelijk is van de bestemming en oorsprong van de afvalstoffen. Veel van de normstellingen die zijn opgenomen in één van deze titels worden via schakelbepalingen van overeenkomstige toepassing verklaard op overbrengingen die vallen onder een andere titel van de EVOA. Het betreft vooral (maar niet uitsluitend) de toepassing van bepalingen die zijn opgenomen in titel II inzake overbrengingen binnen de EU op andersoortige overbrengingen, zoals bijvoorbeeld de uitvoer van afvalstoffen naar derde landen.
In artikel 10.60 Wm is de strafbaarstelling van overtreding van bepalingen uit de EVOA opgenomen. Naast de concrete bepalingen waarvan overtreding strafbaar is, verwijst de huidige versie van het artikel naar de verschillende schakelbepalingen in de EVOA. De voorgestelde aanpassing van artikel 10.60 Wm schrapt die verwijzingen naar schakelbepalingen. In plaats daarvan bepaalt het wetsvoorstel dat de genoemde bepalingen in samenhang moeten worden bezien met de artikelen waarin de aangewezen artikelen, of de titel waarin zij voorkomen, van overeenkomstige toepassing worden verklaard.
Aan de keuze voor de huidige formulering van artikel 10.60 Wm ligt de gedachte ten grondslag dat voldoende duidelijk moet zijn welke verbodsbepalingen strafrechtelijk kunnen worden gehandhaafd.8 Dit gelet op het lex certa-beginsel, het uit het strafrechtelijk legaliteitsbeginsel voortvloeiende bepaaldheidsgebod.9 De nu voorgestelde wijziging is volgens de toelichting ingegeven door een verbetering van de leesbaarheid van artikel 10.60 Wm.10 De toelichting gaat niet in op de vraag of op basis van de voorgestelde aanpassing voldoende voorzienbaar is welke handelingen onder welke omstandigheden tot strafbaarheid leiden.11 Als gevolg van de voorgestelde formulering blijkt uit het artikel niet meer volledig welke overtredingen onder de strafbaarstelling vallen. Daartoe is het nodig de verscheidene bepalingen en de systematiek van de EVOA te raadplegen, evenals de tabellen die als bijlage bij de toelichting van dit wetsvoorstel zijn opgenomen.12 De Afdeling begrijpt de wens om de leesbaarheid van de strafbaarstelling te verbeteren, maar wijst erop dat daarbij tevens rekening moet worden gehouden met de vereisten die voortvloeien uit het strafrechtelijk legaliteitsbeginsel. Het wetsvoorstel doet dat momenteel onvoldoende.
De Afdeling adviseert het voorstel gelet op het voorgaande aan te passen.
b. Uitbreiding van het aantal overtredingen
Het wetsvoorstel bevat een uitbreiding van handelingen die verboden zijn op grond van artikel 10.60 Wm en die, op basis van de WED, strafrechtelijk kunnen worden gehandhaafd.
De uitbreiding van strafrechtelijk te handhaven normen wordt niet toegelicht. Wel wordt vermeld dat bepaalde verplichtingen ook al waren opgenomen in de huidige versie van de EVOA, en nu alsnog is gekozen voor strafbaarstelling.13 Het is van belang om te motiveren waarom het noodzakelijk en passend wordt geacht om bepaalde normen strafrechtelijk te handhaven. Die motivering zou ook aandacht moeten besteden aan de vraag welke tekortkomingen worden ondervonden bij de handhaving van deze normen en de wijze waarop strafrechtelijke handhaving daarvoor een oplossing biedt.
De Afdeling adviseert de uitbreiding van de strafbaarstelling te motiveren.
3. Overgangsrecht EVOA
Het merendeel van de bepalingen van de herziene EVOA is van toepassing vanaf 21 mei 2026.14 De beoogde inwerkingtredingsdatum van de in het wetsvoorstel voorziene wijzigingen zal, wat betreft de implementatie van de verordening, op deze datum worden afgestemd. De bepalingen van de vorige versie van de EVOA blijven in beginsel van toepassing tot 21 mei 2026. Er is geen overgangsrecht opgenomen omdat de verordening daar zelf in voorziet, aldus de toelichting.15
De verordening bepaalt dat de vorige versie van de EVOA van toepassing blijft op overbrengingen waarvoor de bevoegde autoriteit voor 21 mei 2026 een ontvangstbevestiging heeft gegeven.16 De nationale wetgeving dient er rekening mee te houden dat de vorige versie van de EVOA van toepassing blijft in bepaalde gevallen. Dat is niet het geval op basis van het wetsvoorstel.
Zo is er geen voorziening getroffen waarmee de minister van Infrastructuur en Waterstaat na 21 mei 2026 (ook) de bevoegde autoriteit blijft in de zin van de vorige versie van de EVOA, hetgeen van belang is voor de uitoefening van daarop gebaseerde bevoegdheden. De voorgestelde wijziging van artikel 10.60 Wm heeft tot gevolg dat vanaf 21 mei 2026 er geen verbodsbepalingen meer zijn opgenomen in de Wm die kunnen worden toegepast op overtredingen van de vorige versie van de EVOA. Ook heeft de aanpassing van de verwijzing naar de EVOA in de Wm tot gevolg dat enkel wordt voorzien in bepaalde handhavingsbevoegdheden voor zover het de herziene EVOA betreft.17
De Afdeling adviseert aan het wetsvoorstel overgangsrechtelijke bepalingen toe te voegen.
4. Implementatie Batterijenverordening
Het voorstel maakt het mogelijk om de Batterijenverordening uit te voeren binnen het stelsel van de Wm. Daartoe voorziet het voorstel in een verbreding van de grondslag in het huidige artikel 9.5.2, eerste lid, Wm om bij algemene maatregel van bestuur productregels te stellen. Op dit moment bepaalt voornoemd artikellid dat productregels kunnen worden gesteld in het belang van de bescherming van het milieu. Het voorstel voegt daaraan toe dat productregels mede kunnen worden gesteld in het belang van de bescherming van de gezondheid van de mens of de zorg voor de veiligheid van producten.
Regels over productveiligheid kunnen ook worden gesteld op grond van artikel 13 van de Warenwet.18 In de Batterijenverordening zijn de voorschriften ter bescherming van het milieu, de gezondheid van de mens, en de productveiligheid echter dusdanig met elkaar verweven, dat zij niet zijn op te splitsen in een op de Wm te baseren onderdeel en een op de Warenwet te baseren onderdeel, zo beschrijft de toelichting. Vanwege de onwenselijkheid van een dubbele wettelijke grondslag, is ervoor gekozen deze voorschriften uitsluitend op basis van de Wm uit te voeren.19
De toelichting bespreekt uitsluitend de mogelijkheid de verordening uit te voeren in regelgeving op basis van de Wm. De mogelijkheid om de verordening uit te voeren binnen het wettelijk systeem van de Warenwet blijft onbesproken. Die laatste mogelijkheid verdient bespreking en afweging, omdat de Batterijenverordening vooral tot doel heeft verplichtingen en vereisten voor batterijen te harmoniseren, ter bescherming van de interne markt. Aanvullend daarop stelt de verordening milieuvoorschriften over het beheer van afgedankte batterijen.20 Gezien het doel van de Batterijenverordening behoeft de mogelijkheid deze in warenwetgeving uit te voeren dan ook nadere aandacht.
Bij deze nadere afweging is onder meer relevant welk handhavingsregime het meest passend is bij de aard van de voorschriften in de Batterijenverordening. In tegenstelling tot de Wm biedt de Warenwet een grondslag voor het opleggen van een bestuurlijke boete. Beide wetten kunnen strafrechtelijk worden gehandhaafd via de WED. Hoe dit verschil in bestuursrechtelijke handhavingsinstrumenten in de praktijk uitpakt, wordt in de toelichting niet besproken. Op basis van het wetsvoorstel kan een verschil ontstaan tussen de handhaving van productregels onder de Warenwet en de handhaving van productregels ter uitvoering van de Batterijenverordening, terwijl die regels vaak beide een grondslag hebben in het Unierecht en naar inhoud zeer vergelijkbaar zijn.21
De Afdeling merkt op dat uitvoering in de Warenwet of de Wm niet de enige opties zijn. Een meer gedifferentieerde oplossing, waarbij de Warenwet bijvoorbeeld een restfunctie heeft ten opzichte van de Wm, of de Wm ten opzichte van de Warenwet, is ook mogelijk. Voor zover dan sprake zou zijn van een dubbele wettelijke grondslag, ziet de Afdeling dat niet op voorhand als een belemmering.
Als de keuze blijft bij uitvoering van de productregels in uitsluitend de Wm zonder restfunctie voor de Warenwet, dan is van belang toe te lichten of sprake is van een bredere wens om Europese productvoorschriften in milieuwet- en regelgeving te implementeren, en als dat het geval is, wat de redenen daarvoor zijn.
De Afdeling adviseert de toelichting aan te vullen met een nadere afweging over de wetgeving die, mede gezien het bijbehorende handhavingsregime, het meest geschikt is om de Batterijenverordening uit te voeren en zo nodig het voorstel hierop aan te passen.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal
opmerkingen bij het voorstel en adviseert daarmee rekening te houden
voordat het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt
ingediend.
De vice-president van de Raad van State,
Verordening (EU) 2024/1157 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1257/2013 (PbEU 2024, L 1157).↩︎
Artikel I, onderdeel J, van het wetsvoorstel.↩︎
Richtlijn (EU) 2024/1203 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht (PbEU 2024, L 1203).↩︎
Artikel IV van het wetsvoorstel.↩︎
Artikel I, onderdeel B, van het wetsvoorstel.↩︎
Verordening (EU) 2023/1542 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2023 inzake batterijen en afgedankte batterijen, tot wijziging van Richtlijn 2008/98/EG en Verordening (EU) 2019/1020 (PbEU 2023, L 191).↩︎
Richtlijn (EU) 2018/851 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2008/98/EG betreffende afvalstoffen (PbEU 2018, L 150); artikel I onderdelen E, K en L, van het wetsvoorstel.↩︎
Kamerstukken II 2006/07, 30987, nr. 3, p. 10 en 11.↩︎
Artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht.↩︎
Memorie van toelichting, algemeen deel, paragraaf 3.3, ‘Opsporing en strafrechtelijke handhaving’.↩︎
Zie hiervoor ook aanwijzing 5.44 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.↩︎
Memorie van toelichting, algemeen deel, paragraaf 3.3, ‘Opsporing en strafrechtelijke handhaving’ en bijlage 3 bij de memorie van toelichting.↩︎
De toelichting noemt de overtreding van de terugnameplicht bij een illegale overbrenging, of een overbrenging die niet is voltooid. Zie de memorie van toelichting, algemeen deel, paragraaf 3.3, ‘Opsporing en strafrechtelijke handhaving’.↩︎
Artikel 86, tweede lid, van de herziene EVOA.↩︎
Memorie van toelichting, algemeen deel, paragraaf 9, ‘Inwerkingtreding en overgangsrecht’.↩︎
Artikel 85, derde lid, van de herziene EVOA.↩︎
Zie artikel 18.1a, eerste lid, Wm.↩︎
Artikel 13, eerste lid, van de Warenwet bevat een grondslag om bij algemene maatregel van bestuur regels te stellen ter uitvoering van een met betrekking tot waren tot stand gekomen bindend besluit van de Europese Unie dat betrekking heeft op een van de in artikel 3, eerste lid, bedoelde belangen alsmede het bijkomende belang van de bescherming van het milieu.↩︎
Memorie van toelichting, algemeen deel, paragraaf 6, ‘Opname van een aanvullende wettelijke grondslag voor de uitvoering van de Batterijenverordening’.↩︎
Dat de Batterijenverordening zich primair richt op verplichtingen en eisen voor batterijen blijkt onder meer uit de grondslag van de verordening (met name artikel 114 VWEU (interne markt) en met betrekking tot hoofdstuk VIII, artikel 192, lid 1 VWEU (milieu)), en de doelomschrijving in de artikelen 1 en 2 van de verordening en overweging 2 van de considerans.↩︎
Zie bijvoorbeeld de etiketterings-, markerings- en informatievereisten in hoofdstuk III van de Batterijenverordening en de toegankelijkheidsvoorschriften in hoofdstuk 2 van de Warenwet.↩︎