[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Antwoord op vragen van het lid Van der Plas over het bericht ‘De stille kalifaatlobby in Nederland: alle omstreden organisaties op een rij’

Antwoord schriftelijke vragen

Nummer: 2026D00711, datum: 2026-01-12, bijgewerkt: 2026-01-12 16:20, versie: 2 (versie 1)

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen:

Onderdeel van zaak 2025Z19851:

Preview document (🔗 origineel)


AH 840

2025Z19851

Antwoord van minister Van Oosten (Justitie en Veiligheid) (ontvangen 12 januari 2026)

Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025-2026, nr. 571

Vraag 1

Bent u bekend met het bericht 'De stille kalifaatlobby in Nederland: alle omstreden organisaties op een rij’?

Antwoord op vraag 1
Ja.

Vraag 2

Bent u bekend met het recente verbod op de islamitische organisatie Muslim Interaktiv in Duitsland wegens anti-democratische activiteiten?

Vraag 3

Hoe beoordeelt u het Duitse besluit om deze organisatie te ontbinden en haar bezitten in beslag te nemen?

Antwoord op vraag 2 en 3
Ja, het is mij bekend dat Duitsland de organisatie Muslim Interaktiv heeft verboden. In algemene zin wordt een besluit over een verbodenverklaring gedaan op basis van nationale wet- en regelgeving. Activiteiten en de vorm van organisaties kunnen immers per land verschillen. In Duitsland beschikt de minister van Binnenlandse Zaken over de bevoegdheid om organisaties te verbieden. Organisaties kunnen daar worden verboden wanneer het doel of de werkzaamheid in strijd is met het strafrecht, de constitutionele orde, of het idee van begrip tussen volkeren (‘Gedanken der Völkerverständigung’).1 Een verbod in Duitsland heeft verstrekkende gevolgen. Vanaf het moment van bekendmaking van het besluit worden de activiteiten van de organisatie verboden, kunnen financiële middelen worden bevroren en kunnen goederen in beslag worden genomen. Het voortzetten, ondersteunen of opnieuw oprichten van de verboden organisatie is strafbaar, evenals het gebruik van haar symbolen. Volgens de minister van Binnenlandse Zaken is de organisatie Muslim Interaktiv verboden, omdat deze organisatie in Duitsland onder meer de principes van de democratische rechtsorde verwerpt en daarmee een anticonstitutioneel standpunt aanhoudt en uitdraagt. Dit blijkt onder andere uit het feit dat Muslim Interaktiv in Duitsland voortdurend en publiekelijk (online) oproept tot de implementatie van haar anticonstitutionele doelen, zo stelt de Duitse minister. Een voorbeeld hiervan betreft de verschillende oproepen om in Duitsland een Kalifaat te stichten. Het is verder aan de Duitse minister van Binnenlandse Zaken om op basis van informatie waarover hij beschikt tot een dergelijk besluit te komen.

Vraag 4

Acht u het in algemene zin wenselijk om, net als Duitsland, organisaties te verbieden die oproepen tot een kalifaat en westerse waarden verwerpen?

Vraag 5

De beweging Hizb ut-Tharir streeft naar de heroprichting van een wereldwijd kalifaat en beschouwt democratie als “een menselijk en zondig systeem”, acht u deze ideologie verenigbaar met de Nederlandse rechtsstaat? Zo nee, bent u bereid om de mogelijkheden in kaart te brengen om deze organisatie in Nederland te verbieden, zoals in Duitsland?

Vraag 6

Welke concrete maatregelen zijn tot nu toe genomen tegen Hizb ut-Tahrir Nederland?

Antwoord op vraag 4, 5 en 6

Onze vrijheden en democratische rechtsstaat zijn een kostbaar bezit. Het is van groot belang dat deze zo goed mogelijk worden beschermd. Nederland kent een sterke bescherming van de vrijheid van organisatie en vereniging. Tegelijkertijd zien we dat er organisaties in Nederland zijn die misbruik maken van deze vrijheden, doordat zij banden hebben met terroristische organisaties, extremisme en terrorisme bevorderen en geweld verheerlijken. Hiermee vormen deze organisaties een gevaar voor onze democratische rechtsstaat. Ik hecht eraan te benadrukken dat er in onze open samenleving geen ruimte en tolerantie is voor organisaties die tot doel hebben om onze democratische rechtsstaat te ondermijnen, bijvoorbeeld door het zaaien van haat of aanzetten tot geweld. De regering is er alles aan gelegen om onze democratische rechtstaat te beschermen en wanneer een organisatie een dreiging vormt hier in een zo vroeg mogelijk stadium op te acteren.

Tegen organisaties die strafbare feiten plegen of bevorderen, kan strafrechtelijk worden opgetreden. Voor een strafrechtelijk onderzoek is een verdenking vereist; er dient een redelijk vermoeden te bestaan dat de organisatie en/of haar leden zich schuldig maken aan een of meerdere strafbare feiten. Het is aan het Openbaar Ministerie om te bepalen of in een concreet geval sprake is van een verdenking van een strafbaar feit en of strafrechtelijke vervolging dient te worden ingesteld. Het kabinet treedt daar niet in.

Op grond van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (Wiv 2017) kan de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) onder meer onderzoek verrichten naar organisaties waarvan het ernstige vermoeden bestaat dat zij een gevaar vormen voor het voortbestaan van de democratische rechtsorde, dan wel voor de veiligheid of voor andere gewichtige belangen van de staat. Indien uit het onderzoek van de AIVD feiten en omstandigheden naar voren komen die doen vermoeden dat mogelijk sprake is van een dreiging tegen de nationale veiligheid, kan de AIVD door middel van een ambtsbericht informatie verstrekken aan het Openbaar Ministerie. Specifiek ten aanzien van de organisatie Hizb ut Tahrir heeft de AIVD in het jaarverslag van 2023 aangegeven dat er een geringe dreiging uitging van deze beweging.2 Het kabinet heeft momenteel geen signalen die tot andere conclusies leiden. Alhoewel de beweging een extremistische boodschap propageert, betreft het in Nederland een kleine groep zonder groot bereik. Uiteindelijk is het aan het Openbaar Ministerie om, conform artikel 2:20 Burgerlijk Wetboek (BW), een verzoek tot verbodenverklaring aan de rechter te doen, wanneer zij dat nodig achten.

Uw Kamer heeft meermaals zorgen geuit over organisaties die een gevaar vormen voor de democratische rechtsstaat en heeft daarover ook enkele moties aangenomen, waaronder de motie Yeşilgöz c.s.,3 de motie D. van Dijk/Eerdmans,4 de motie Van der Plas5 en de motie Stoffer6. In reactie op deze moties en conform het regeerprogramma is een verkenning uitgevoerd naar de wijze waarop andere landen omgaan met organisaties die onder meer banden hebben met terroristische organisaties, extremisme en terrorisme bevorderen en terroristisch geweld verheerlijken. Hierbij is specifiek gekeken naar welke mogelijkheden deze landen hebben om dit soort organisaties te verbieden en wat wij hiervan kunnen leren. Deze resultaten gaven aanleiding tot nader onderzoek. Begin dit jaar informeer ik uw Kamer over dit nadere onderzoek en de vervolgstappen.

Vraag 7

Op basis van artikel 2:20 van het Burgerlijk Wetboek heeft het Openbaar Ministerie de mogelijkheid om de rechter te verzoeken rechtspersonen te verbieden als de werkzaamheid van een rechtspersoon in strijd is met de openbare orde; bent u bereid met het Openbaar Ministerie in gesprek te gaan zodat zij gebruikmaken van deze bevoegdheid?

Vraag 8

Mocht het Openbaar Ministerie hier niet toe bereid zijn, bent u dan bereid een juridische verkenning te starten waarbij dit in de toekomst toch mogelijk wordt?

Vraag 9

Bent u van mening dat Nederland over voldoende juridische instrumenten beschikt om organisaties te verbieden die de grondwettelijke orde ondermijnen, ook als zij geen geweld gebruiken? Zo ja, waarom? Zo nee, wat kan Nederland hieraan aanscherpen?

Antwoord op vraag 7, 8 en 9

Conform artikel 2:20 van het BW, beschikt het Openbaar Ministerie over de bevoegdheid om aan de rechter een verzoek tot verbodenverklaring van een rechtspersoon te doen. Ook informele verenigingen als bedoeld in artikel 2:26 BW kunnen voor een verbod in aanmerking komen. Voor de toepassing van artikel 2:20 BW is vereist dat het een rechtspersoon betreft waarvan het doel of de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde. Strijdig met de openbare orde is in ieder geval een doel dat, of werkzaamheid die leidt (of klaarblijkelijk dreigt te leiden) tot een bedreiging van de nationale veiligheid of de internationale rechtsorde of tot de ontwrichting van de democratische rechtsstaat of het openbaar gezag. Daarnaast kán als strijdig met de openbare orde worden gezien, de aantasting van de menselijke waardigheid, het leiden tot geweld of het aanzetten tot haat of discriminatie. Op grond van artikel 10:122 BW kan het Openbaar Ministerie ook een verzoek tot verbodenverklaring indienen van een buitenlandse corporatie, die geen Nederlands rechtspersoon is. Het is aan het Openbaar Ministerie om te toetsen of er voldoende informatie is om een onderbouwd verzoek tot verbodenverklaring van een rechtspersoon in te dienen bij de rechter. Vervolgens is het aan de rechter om te beoordelen of een rechtspersoon daadwerkelijk verboden wordt. Als Minister van Justitie en Veiligheid treed ik niet in de bevoegdheden van het Openbaar Ministerie.

Onlangs heb ik uw Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van het onderzoek naar de effecten van een civiel verbod specifiek ten aanzien van Outlaw Motorcycle Gangs.7 Hierin ben ik ook specifiek ingegaan op de gesprekken die ik heb gevoerd met het Openbaar Ministerie en de Raad voor de Rechtspraak over het civiel verbod. Zoals in de beantwoording onder vraag 4, 5 en 6 is toegelicht, verricht ik daarnaast nader onderzoek naar hoe andere landen tegen organisaties optreden die een bedreiging vormen voor de democratische rechtsstaat door banden te hebben met terroristische organisaties, door extremisme en terrorisme te bevorderen en door geweld te verheerlijken. Juist bij die organisaties vindt het kabinet het van groot belang om in een zo vroeg mogelijk stadium vanuit de rijksoverheid normstellend op te kunnen treden. In bepaalde gevallen kan eerder ingrijpen niet alleen gewenst, maar ook noodzakelijk zijn om onze democratische rechtsstaat adequaat te kunnen beschermen. Begin dit jaar informeer ik uw Kamer over dit nadere onderzoek en de vervolgstappen.

Vraag 10

Naast activistische groepen zijn er ook salafistische organisaties met een vergelijkbare ideologische lijn, zoals de As-Soennah-moskee in Den Haag, die jarenlang geleid werd door imam Fawaz Jneid en herhaaldelijk in verband is gebracht met haatprediking en antiwesterse denkbeelden; bent u van mening dat u voldoende juridische instrumenten heeft om dit soort religieuze instellingen onder toezicht te plaatsen, of te sluiten? Zo ja, waarom? Zo nee, wat kan Nederland hieraan aanscherpen?

Antwoord op vraag 10

Dit kabinet staat voor een open en vrije samenleving waarin iedereen in vrijheid met elkaar samenleeft en kan genieten van zijn of haar grondwettelijke vrijheden.

Dit betekent dat er ruimte is voor verschillende opvattingen en religieuze stromingen, ook als ze een orthodox karakter hebben. Echter, religie mag nooit worden gebruikt als vrijbrief om onverdraagzaamheid, haat of zelfs geweld te verspreiden en hiertoe aan te zetten. Het kabinet is er dan ook alles aan gelegen hiertegen op te treden. Hiervoor kent het kabinet verschillende maatregelen.

Het onder toezicht plaatsen of sluiten van een (religieuze) instelling zijn verregaande en ingrijpende maatregelen, die grondrechten inperken. Om hiertoe over te gaan is een wettelijke basis nodig, waarbij ook de proportionaliteit en subsidiariteit worden meegewogen. Met een dergelijk zwaarwegend besluit wordt niet lichtvaardig omgegaan. Voor de wettelijke mogelijkheden en hieraan verbonden eisen, verwijs ik u naar de beantwoording van de vragen 4, 5 en 6. Het sluiten van een religieuze instelling, zoals bijvoorbeeld een moskee of ander gebedshuis, kan het praktische gevolg zijn van het verbieden van een rechtspersoon die zich achter een religieuze instelling bevindt. Een rechtspersoon kan door de rechter worden verboden op grond van artikel 2:20 BW. Er zijn bij het kabinet geen voorbeelden bekend van de inzet van artikel 2:20 BW door het Openbaar Ministerie op dergelijke rechtspersonen.

Het kabinet acht het wenselijk om dit instrumentarium verder aan te vullen. Zo richt het wetsvoorstel transparantie maatschappelijke organisaties (Wtmo) zich specifiek op ongewenste financiering door middel van donaties aan maatschappelijke organisaties. Om buitenlandse beïnvloeding door donaties tegen te gaan, krijgen de burgemeester, het Openbaar Ministerie en andere specifiek aangewezen overheidsinstanties de bevoegdheid om bij maatschappelijke organisaties - zoals stichtingen, religieuze instellingen - gericht navraag te kunnen doen naar buitenlandse giften. Als deze substantieel blijken, kan verdere navraag plaatsvinden over de donateur en kan de rechter maatregelen, zoals een stakingsbevel, opleggen. Daarnaast biedt het conceptwetsvoorstel toezicht informeel onderwijs, wanneer deze tot wet wordt verweven, de mogelijkheid om in het geval er binnen een organisatie informeel onderwijs wordt verzorgd en er binnen die setting kinderen in de leeftijd van 4 tot en met 17 jaar worden aangezet tot haat, discriminatie of geweld, een aanwijzing op te leggen. Dit moet, volgens het conceptwetsvoorstel, wel eerst zijn vastgesteld door de Onderwijsinspectie. Deze bevoegdheid ligt bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Indien de aanwijzing niet of niet volledig wordt opgevolgd kan een last onder bestuursdwang, een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete worden opgelegd.


  1. Met "Gedanken der Völkerverständigung" wordt in Duitsland het idee van internationale

    samenwerking en begrip tussen verschillende volken en culturen bedoeld. Het doel is om

    vreedzaam samen te leven, wederzijds respect en tolerantie te bevorderen en conflicten te

    vermijden door middel van dialoog en wederzijds begrip.↩︎

  2. Kamerstukken II 2023-2024, 30977, nr. 173, p. 10.↩︎

  3. Kamerstukken II 2024/25, 36 651, nr. 23.↩︎

  4. Kamerstukken II 2024/25, 29 279, nr. 882.↩︎

  5. Kamerstukken II 2024/25, 36 651, nr. 11.↩︎

  6. Kamerstukken II 2024/25, 36 651, nr. 17.↩︎

  7. Kamerstukken II 2024-2025, 29911, nr. 491.↩︎