Antwoord op vragen van het lid Vliegenthart over het toenemende aantal hiv-diagnoses
Antwoord schriftelijke vragen
Nummer: 2026D00933, datum: 2026-01-13, bijgewerkt: 2026-01-13 15:50, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: J.Z.C.M. Tielen, staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ooit VVD kamerlid)
Onderdeel van zaak 2025Z20954:
- Gericht aan: J.Z.C.M. Tielen, staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- Indiener: L. Vliegenthart, Tweede Kamerlid
- Voortouwcommissie: TK
Preview document (đ origineel)
AH 867
2025Z20954
Antwoord van staatssecretaris Tielen (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) (ontvangen 13 januari 2026)
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025-2026, nr. 733
Vraag 1
Deelt u onze zorgen over de trendbreuk dat het aantal hiv-diagnoses niet
meer afneemt en zelfs stijgt in de komende jaren?Â
Antwoord 1
Ja, ik deel uw zorgen. Het aantal nieuwe hiv-diagnoses daalt al een
aantal jaar niet meer. Stichting hiv monitoring geeft op basis van haar
berekeningen aan dat het aantal nieuwe diagnoses de komende jaren
mogelijk zelfs weer zal stijgen.
Vraag 2
Welke stappen gaat u ondernemen om juist Nederlanders met een laag
inkomen, een migratieachtergrond en/of die gebruik maken van geestelijke
gezondheidszorg met een verhoogde kans op een hiv-diagnose en die nu
minder gebruik maken van PrEP, te helpen?
Antwoord 2
Op 28 november jl. gaf ik in mijn brief1 aan
uw Kamer aan dat ik mij zorgen maak om groepen die meer kans hebben op
een hiv-infectie, bijvoorbeeld vanwege een lager inkomen, een
migratieachtergrond en/of psychische problemen. Voor deze groepen is de
zorg door GGDâen vanuit de Regeling Aanvullende Seksuele Gezondheidszorg
(ASG-regeling) bedoeld, maar nog niet iedereen wordt bereikt. Daarom wil
ik meer zicht krijgen op drempels die mensen ervaren om met hun
soa-gerelateerde vragen of klachten naar de GGD of huisarts te gaan,
zodat deze drempels kunnen worden verlaagd of weggenomen. Ik werk hierin
samen met het RIVM, Soa Aids Nederland en enkele coördinerende
GGDâen.
Ondertussen blijf ik Soa Aids Nederland ondersteunen om mensen die baat
kunnen hebben bij PrEP-zorg hierover te informeren. Soa Aids Nederland
richt zich hierbij ook specifiek op groepen met minder toegang tot soa-
en PrEP-zorg.
Vraag 3
Waarom maakt u PrEP-zorg niet gratis toegankelijk voor
risicogroepen?Â
Antwoord 3
Het preventieve hiv-medicijn PrEP (Pre-Expositie Profylaxe) levert een
onmisbare bijdrage aan het tegengaan van hiv en de ambitie om Nederland
naar 0 nieuwe hiv-infecties te brengen. PrEP-zorg bij de GGDâen is
gratis voor personen met een verhoogd risico op hiv. Deze zorg bestaat
uit de soa-testen die horen bij PrEP, de reguliere behandeling na een
positieve soa-uitslag en de begeleiding bij het (correct) gebruiken van
PrEP door een zorgprofessional. De PrEP-medicatie moeten mensen zelf
betalen. Het dagelijks gebruiken van PrEP kost ongeveer tussen de ⏠16
en ⏠30 per maand. Door PrEP-gebruikers deze kosten zelf te laten
dragen, kunnen de GGDâen meer mensen helpen met PrEP-zorg. De evaluatie
van het RIVM laat zien dat de overgang van de tijdelijke PrEP-pilot naar
het structurele PrEP-programma de toegankelijkheid en flexibiliteit van
PrEP-zorg aanzienlijk heeft vergroot. Het aantal nieuwe PrEP-deelnemers
is toegenomen van 468 in het tweede kwartaal van 2024 naar 968 in het
tweede kwartaal van 2025. Het totaal aantal mensen dat PrEP-zorg krijgt,
is gestegen van 8.500 in juli 2024 naar 11.762 in juli 2025.
Vraag 4
Deelt u de oproep van Soa Aids Nederland om te investeren in betere
toegang tot PrEP, zonder wachtlijsten en financiële drempels? Zo nee,
waarom niet?
Vraag 5
Kunt u concreet toelichten wat u gaat doen ter promotie van PrEP, zodat
meer mensen weten dat het een veilige manier is om hiv te voorkomen?
Antwoord 4 en 5
Sinds augustus 2024 wordt PrEP-zorg regulier aangeboden door GGDâen in
plaats van in een pilot. Deze overgang van pilot naar regulier programma
ging onder andere gepaard met een structurele extra investering van 1
miljoen euro per jaar. Sindsdien is het aantal wachtenden voor PrEP-zorg
bij de GGDâen afgenomen. Zoals in mijn brief van 28 november jl.
genoemd, krijgen de GGDâen per 2027 middelen vanuit het Aanvullend Zorg
en Welzijnsakkoord (AZWA). Dit zal naar verwachting helpen om de
wachttijden te verminderen per 2028.
Daarnaast ondersteun ik Soa Aids Nederland en de Hiv Vereniging om
mensen die baat kunnen hebben bij PrEP-zorg hierover te informeren. Soa
Aids Nederland biedt betrouwbare informatie over seksuele gezondheid,
hiv, soaâs, condoomgebruik en PrEP met een breed palet aan interventies
en ondersteunende activiteiten zoals online keuzehulpen, websites,
infolijnen en deskundigheidsbevordering van professionals. Dit jaar zal
Soa Aids Nederland op het platform Sense.info meer en extra aandacht
besteden aan het onderwerp PrEP. Soa Aids Nederland lanceert dit jaar
ook een campagne voor en door transpersonen om hen te informeren over
PrEP en, in geval van risico op hiv, PrEP gebruik te stimuleren. Ook
GGDâen informeren personen met een verhoogd risico op hiv over (correct
gebruik van) PrEP en over (laagdrempelige) hiv-testen.
Omdat PrEP niet de enige manier is om hiv te voorkomen, start ik dit
jaar een campagne om condoomgebruik onder jongeren te stimuleren.2
Vraag 6
Hoe verklaart u de afname in de bereidheid om PrEP te gebruiken?
Antwoord 6
Uit de evaluatie van het RIVM over het gewijzigd PrEP-beleid blijkt géén
afname in de bereidheid om PrEP te gebruiken. Wel is een lichte
verschuiving van dagelijks naar intermitterend gebruik zichtbaar. Er is
geen wetenschappelijk onderzoek beschikbaar over de bereidheid om PrEP
te gebruiken. GGDâen, het RIVM, Soa Aids Nederland en de Hiv Vereniging
geven aan dat mensen het dagelijks slikken van de PrEP-medicatie, of het
steeds rekening moeten houden met eventuele seksuele activiteit (bij
zogenaamd event-driven gebruik) soms belastend vinden.
Vraag 7
Waarom is er in het PrEP-programma voor gekozen om deelnemers zelf hun
medicatie te laten halen bij de apotheek? Werkt dit niet
drempelverhogend?
Antwoord 7
Dit is allereerst nodig om de veiligheid beter te borgen. Apothekers
controleren op onjuist gebruik en de werking van PrEP in combinatie met
andere medicijnen. Het is dus van belang dat apothekers op de hoogte
zijn van het PrEP-gebruik van hun cliënten. Daarnaast is landelijke
inkoop van PrEP en distributie via de GGDâen niet conform
staatssteunregels, omdat er geen sprake is van marktfalen. Bovendien
kunnen en willen apothekers deze zorg ook bieden.
Er zijn mogelijkheden om, indien gewenst, gebruik te maken van een
online apotheek. Een online apotheek biedt meer anonimiteit en kan
daardoor als laagdrempeliger worden ervaren. Overigens blijkt uit de
evaluatie van het RIVM over het gewijzigd PrEP-beleid niet dat het zelf
afhalen van de medicatie heeft geleid tot een verminderde toegang tot
PrEP.
Vraag 8
Bent u van mening dat het huidige beleid afdoende is om iedereen in
staat te stellen om keuzes te maken over de eigen seksualiteit, zoals u
in uw brief als doel stelt? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 8
In ieder geval is het mijn ambitie, om iedereen in staat te stellen
keuzes te maken over de eigen seksualiteit. Daarvoor zet ik mij samen
met partners in het veld volop in. Op diverse manieren, zoals omschreven
in de beleidsvisie op seksuele gezondheid3,
wordt dan ook hard aan dit doel gewerkt. Er gaan gelukkig veel dingen
goed. Nederland heeft van oudsher een stevige infrastructuur voor
seksuele gezondheid, met laagdrempelige en goede soa- en
seksualiteitszorg via huisartsen, GGDâen en tweedelijnszorg. Voor de
meeste mensen is er goede toegang tot anticonceptie. Er is goede
monitoring van soaâs en hiv en een toegankelijk aanbod aan betrouwbare
informatiebronnen en ondersteuningsmogelijkheden over anticonceptie,
soaâs en seksualiteit. Nederland is internationaal koploper in
relationele en seksuele vorming, waardoor jongeren, passend bij hun
leeftijd, kennis en vaardigheden opdoen om bewuste en veilige keuzes te
maken.4
Ik zie echter ook de nodige uitdagingen. De GGDâen staan al lange tijd
onder druk en kunnen niet iedereen die dit nodig heeft aanvullende
soa-zorg bieden. Het aantal nieuwe hiv-diagnoses daalt al een aantal
jaar op rij niet meer en zal mogelijk de komende jaren gaan stijgen. Het
gebruik van condooms neemt af. En onder bepaalde groepen heteroseksuele
jongeren neemt gonorroe toe. Tot slot maak ik me grote zorgen om de
negatieve invloed van mis- en desinformatie over bijvoorbeeld
relationele en seksuele vorming.
Vraag 9
Welke concrete maatregelen neemt u om dit streven te behalen?
Antwoord 9
In mijn brief van 28 november jl. heb ik uw Kamer geĂŻnformeerd over de
acties die ik in gang heb gezet, bovenop bestaande activiteiten. Het
gaat om de volgende acties:
Toegang tot hiv-PrEP-zorg, beperkte wachttijd: Met de overgang van de PrEP-pilot naar het PrEP-programma is de financiering en verantwoording voor GGDâen vereenvoudigd. Dit heeft de administratieve last voor de GGDâen verminderd waardoor men meer tijd heeft om aan PrEP-zorg te besteden. Daarnaast is in het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord (AZWA) afgesproken om structureel te investeren in de aanvullende soa-zorg en PrEP-zorg door GGDâen. Vanaf 2027 komen er daardoor extra middelen bij. Ik verwacht dat de wachttijd hierdoor korter wordt in 2028.5
Jongeren en condoomgebruik: Het gebruiken van een condoom Ă©n het gebruik van PrEP zijn belangrijke manieren om soaâs, waaronder hiv, te voorkomen. Daarom investeer ik langdurig en intensief in het stimuleren van condoomgebruik onder jongeren.
Informatievoorziening: Ik blijf Soa Aids Nederland ondersteunen om mensen die baat kunnen hebben bij PrEP-zorg hierover te informeren. Ook GGDâen informeren personen met een verhoogd risico op hiv over (correct gebruik van) PrEP en over (laagdrempelige)soa en hiv-testen. Vorig en dit jaar liep daarnaast de succesvolle campagne voor jongeren over het kiezen van anticonceptie die bij je past: âweten hoe het echt zit?â
Verbinding met de huisartsenzorg: Het RIVM benadrukt dat een goede samenwerking tussen de GGDâen en huisartsen of andere zorgaanbieders gewenst en nodig is om PrEP-zorg laagdrempelig en toegankelijk te houden. Samen met het RIVM en de GGDâen versterk ik lopende initiatieven van GGDâen op dit terrein.
Gezondheidsachterstanden: Ik maak mij zorgen om groepen die een hoger risico hebben op een hiv-infectie en die een drempel ervaren om naar de huisarts te gaan. Voor deze groepen is de zorg door GGDâen vanuit de ASG-regeling bedoeld, maar nog niet iedereen wordt bereikt. Daarom wil ik meer zicht krijgen op drempels, en voor wie, zodat deze drempels kunnen worden verlaagd of weggenomen. Ik werk hierin samen met het RIVM, Soa Aids Nederland en enkele coördinerende GGDâen.
Vraag 10
Kunt u nader toelichten hoe het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord
(AZWA) gaat bijdragen aan betere en toegankelijke PrEP-zorg, waar u in
uw brief naar refereert?
Vraag 11
Wat gaat u er concreet aan doen om de lange wachtlijsten voor PrEP-zorg
in te korten?
Antwoord 10 en 11
In mijn brief van 28 november jl. informeerde ik uw Kamer over de extra
middelen vanuit het AZWA voor de ASG-regeling en de PrEP-zorg. Dankzij
het AZWA komt er vanaf 2027 budget beschikbaar voor de ASG-regeling,
waaronder PrEP-zorg. Vanaf 2028 betekent dit ook een verbetering ten
opzichte van de beschikbare middelen zoals deze vóór de 10% korting op
de ASG-SPUK bestonden. Met deze extra middelen kunnen GGDâen wachttijden
verkorten, meer mensen PrEP-zorg bieden en/of meer investeren in
outreach en de verbetering van de samenwerking met
ketenpartners.
Onderdeel van de afspraken in het AZWA over samenwerking op het snijvlak
van het zorgdomein en het sociaal domein is ook de ontwikkeling van een
ketenaanpak seksuele gezondheid. Daarin werken professionals vanuit
verschillende domeinen samen om mensen met (een risico op) een seksuele
gezondheidsachterstand tijdig te signaleren en hen hulp en ondersteuning
te bieden.
In mijn antwoord op vraag 9 gaf ik aan dat ik, aanvullend op het huidige beleid, extra actie onderneem om de druk op de soa- en PrEP-zorg te verminderen, waaronder promotie van condoomgebruik en de verbetering van de samenwerking tussen huisartsen en GGDâen.
Vraag 12
Hoe wilt u meer zicht krijgen op de drempels die mensen ervaren om zorg
omtrent soaâs op te zoeken?
Antwoord
De soa-zorg die door GGDâen wordt geboden vanuit de ASG-regeling is
aanvullend op de huisartsenzorg. GGDâen constateren een grotere vraag
naar soa-zorg dan zij op basis van de beschikbare financiële middelen
kunnen bieden. Er is eerder dit jaar besloten om in de ASG-regeling te
verduidelijken dat de soa-zorg bedoeld is voor personen uit specifieke
doelgroepen die een verhoogd risico lopen op soaâs en een drempel tot de
reguliere zorg hebben.
In de praktijk blijkt het soms lastig voor GGDâen om te bepalen in
hoeverre iemand een drempel tot de reguliere zorg ervaart. Bovendien
geven GGDâen aan nog niet alle mensen te bereiken waarvoor de
ASG-regeling juist bedoeld is. Daarom heb ik het RIVM gevraagd onderzoek
te doen naar drempels die mensen tot soa-zorg kunnen ervaren. Wat
kenmerkt deze groep? En wat maakt dat zij een drempel tot reguliere
(huisartsen)zorg of aanvullende soa-zorg ervaren? Wat is er nodig om
deze drempels te verminderen of weg te nemen? Het RIVM werkt in dit
onderzoek samen met Soa Aids Nederland en enkele GGDâen.
Vraag 13
Wat gaat u concreet doen om het kennisniveau omtrent SOAâs en
condoomgebruik bij jongeren die lager en middelbaar zijn opgeleid te
verhogen en het stigma en taboe rondom PrEP te verlagen?
Antwoord
Ik ondersteun Soa Aids Nederland en de Hiv Vereniging om mensen die baat
kunnen hebben bij PrEP-zorg hierover te informeren. Binnen de
activiteiten van Soa Aids Nederland is specifiek aandacht voor jongeren
op het praktijkonderwijs of het middelbaar beroepsonderwijs (mbo). Zo
zijn alle websites, waaronder sense.info (speciaal gericht op jongeren),
doorgelicht en herschreven naar B1-taalniveau om ervoor te zorgen dat de
taal voor iedereen begrijpelijk is. De projectweek Lang Leve de Liefde
wordt ingezet bij mbo-instellingen. En Soa Aids Nederland is actief op
sociale media, waarbij op een visuele en toegankelijke manier allerlei
vragen rond seksuele gezondheid aan bod komen.
Ook GGDâen informeren personen met een verhoogde kans op hiv,
waaronder jongeren, over (correct gebruik van) PrEP en over
(laagdrempelige) hiv-testen. Jongeren kunnen met al hun vragen over
seksualiteit en relaties terecht bij Sense: via de website wordt
informatie gegeven en jongeren kunnen appen, bellen, chatten of
langskomen op het sense-spreekuur.
Zoals aangegeven in mijn brief van 28 november jl. start ik in 2026 met
verschillende activiteiten voor jongeren om het gebruik van condooms te
promoten.
Tot slot is er in het onderwijs, ook op het speciaal onderwijs en mbo,
aandacht voor relationele en seksuele vorming, waaronder het maken van
gezonde en veilige keuzes om soa te voorkomen en om de regie op een
kinderwens te vergroten.
Kamerstukken II 2025/26 32239, nr. 20.â©ïž
Zoals aangekondigd in mijn Kamerbrief van 28 november jl.; Kamerstukken II 2025/26 32239, nr. 20.â©ïž
Kamerstukken II, 2025/26, 32239, nr. 19â©ïž
Bronvermelding te raadplegen via https://rutgers.nl/wp-content/uploads/2024/02/ Achtergronddossier-Relationele-en-seksuele-vorming.pdf.â©ïž
In 2027 zorgen de AZWA middelen ervoor dat de korting op de ASG-SPUK van 10% wordt gecompenseerd. Per 2028 betekenen de extra middelen ook een daadwerkelijke verbetering ten opzichte van de middelen zoals deze voor de uitgevoerde korting beschikbaar waren.â©ïž