Tweeminutendebat Ontwerpbesluit Besluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (36387-50) (ongecorrigeerd)
Stenogram
Nummer: 2026D01017, datum: 2026-01-13, bijgewerkt: 2026-01-14 09:25, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-01-13 16:35: Tweeminutendebat Ontwerpbesluit Besluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (36387-50) (Plenair debat (tweeminutendebat)), TK
Preview document (🔗 origineel)
Ontwerpbesluit Besluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitie
Ontwerpbesluit Besluit gemeentelijke instrumenten
warmtetransitie
Aan de orde is het tweeminutendebat Ontwerpbesluit Besluit
gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (36387, nr. 50).
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het tweeminutendebat
Ontwerpbesluit Besluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitie. Ik
heet van harte welkom de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke
Ordening in vak K. Ik geef als eerste van de zijde van de Kamer het
woord aan de heer Flach voor zijn inbreng namens de Staatkundig
Gereformeerde Partij.
De heer Flach (SGP):
Voorzitter, dank u wel. Ik heb twee vragen en twee moties. Ik begin maar
gelijk met de vragen. Ik heb begrepen dat als een gemeente kiest voor
een all-electric wijk, er geen klein warmtenet meer mogelijk is. Dat zou
een onnodige inperking van de speelruimte zijn. Wil de minister ervoor
zorgen dat een klein warmtenet in een all-electric wijk mogelijk
blijft?
De tweede vraag. Gemeenten willen voor het opstellen van betaalbare
warmtetransitieplannen graag meer inzicht kunnen krijgen in de groep
kwetsbare huishoudens, op een meer detailniveau dan nu mogelijk is. Ze
willen terecht ook meerjarige zekerheid over het financieel
instrumentarium vanuit het Rijk. Wil de minister overleggen met
gemeenten hoe dit het beste geregeld kan worden?
Voorzitter. Dan twee moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat in het Ontwerpbesluit gemeentelijke instrumenten
warmtetransitie als instructieregel wordt aangegeven dat bij de
beoordeling van de gevolgen voor de woonlasten rekening gehouden moet
worden met kwetsbare afnemers, maar dat deze instructieregel niet verder
uitgewerkt is;
overwegende dat de Kamer in het amendement-Erkens c.s. (36387, nr. 20)
heeft gevraagd om vergaande instructieregels ten aanzien van onder meer
de betaalbaarheid, in het bijzonder voor kwetsbare afnemers, en dat deze
instructieregels uitvoerbaar, transparant, rechtvaardig en uitlegbaar
dienen te zijn;
van mening dat aanscherping van de genoemde instructieregel nodig is om
kwetsbare afnemers beter te beschermen;
verzoekt de regering de genoemde instructieregel zo aan te passen dat
ten minste voor kwetsbare afnemers het "niet meer dan anders"-principe
van toepassing is, zowel wat betreft investeringskosten als de
maandelijkse woonlasten,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Flach.
Zij krijgt nr. 51 (36387).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de regering in het voorliggende ontwerpbesluit een
aanscherping van de energieprestatie-eis voor technische bouwsystemen
voor ruimteverwarming in warmtetransitiegebieden heeft opgenomen;
overwegende dat de regering op deze wijze onder meer op biomassa
gestookte ketels uitsluit met het oog op de netbelasting en
fijnstofproblematiek, terwijl deze problematiek niet in elke regio
hetzelfde is en op biomassa gestookte ketels bij kunnen dragen aan een
beter betaalbare warmtetransitie;
overwegende dat in het onderliggende onderzoek een grenswaarde van 0,7
geadviseerd wordt met het oog op het uitsluiten van gasgestookte
cv-ketels en hybride systemen met weinig warmtepompcapaciteit, terwijl
in warmtetransitiegebieden geen sprake meer zal zijn van
gasaansluitingen;
verzoekt de regering te kiezen voor een energieprestatie-eis in
warmtetransitiegebieden die op biomassa gestookte ketels mogelijk maakt
en gemeenten zo nodig ruimte te geven om deze aan te scherpen als lokale
omstandigheden daar om vragen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Flach.
Zij krijgt nr. 52 (36387).
Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Kröger voor haar inbreng namens GroenLinks-Partij van de Arbeid. Gaat uw gang.
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter. Ook van mijn kant twee moties en een vraag. De eerste
motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat Nederland ten minste in 2050 klimaatneutraal moet
zijn;
overwegende dat duidelijke en bindende langetermijndoelen essentieel
zijn voor investeringszekerheid, en duidelijkheid bieden aan betrokken
partijen;
verzoekt de regering om het schrappen van het verbod op fossiel uit de
Bgiw terug te draaien,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Kröger.
Zij krijgt nr. 53 (36387).
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
De tweede motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat voor 2026 geen budget beschikbaar is voor de
Stimuleringsregeling aardgasvrije huurwoningen;
constaterende dat hierdoor warmteprojecten niet door dreigen te
gaan;
overwegende dat hierdoor duizenden huishoudens zonder alternatief in de
warmtetransitie een betaalbaar alternatief voor gas dreigen mis te
lopen;
verzoekt de regering om bij de Voorjaarsnota middelen vrij te maken om
nieuwe warmtenetten mogelijk te maken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Kröger.
Zij krijgt nr. 54 (36387).
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter. Mijn vraag gaat eigenlijk over het delen van informatie over
elektriciteitsverbruik. Door een amendement van mijn hand is het
mogelijk voor omgevingsdiensten om die data op te vragen om de
energiebesparingsplicht te kunnen handhaven. Eigenlijk zou het heel
handig zijn als deze informatie niet alleen bij omgevingsdiensten
terechtkomt, maar ook bij gemeenten, zodat gemeenten inzicht hebben in
het elektriciteitsverbruik in een wijk om zo ook de beste optie te
kunnen kiezen. Mijn vraag is eigenlijk of de minister het mogelijk kan
maken, in de Bgiw of op een andere manier, dat die informatie niet
alleen bij omgevingsdiensten terechtkomt, maar dus ook door gemeenten
gebruikt kan worden bij het maken van warmteplannen in wijken.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Tot slot van de zijde van de Kamer is het woord aan de heer
Vermeer voor zijn inbreng namens de BBB.
De heer Vermeer (BBB):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb twee moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het Besluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitie
(Bgiw) een rendementseis (de zogenaamde 0,7-norm) bevat voor
alternatieven voor aardgas bij het aardgasvrij maken van wijken en
buurten;
overwegende dat in het buitengebied en in dorpen warmtenetten vaak geen
realistisch alternatief zijn, waardoor bewoners en bedrijven afhankelijk
worden van één techniek door die 0,7-norm, terwijl andere duurzame
technieken, zoals bioketels, daar net buiten vallen;
verzoekt de regering om in het Besluit gemeentelijke instrumenten
warmtetransitie de rendementseis voor alternatieven voor aardgas te
verruimen van 0,7 naar 0,8, zodat ook duurzame en betaalbare technieken,
zoals bioketels, kunnen worden ingezet in het buitengebied en in
dorpen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Vermeer.
Zij krijgt nr. 55 (36387).
De heer Vermeer (BBB):
En dan nog een motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de regering aangeeft dat bij de evaluatie van de Wet
gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) aandacht zal zijn voor
de uitvoerbaarheid voor landelijk gelegen gemeenten, maar deze evaluatie
pas vijf jaar na inwerkingtreding plaatsvindt;
constaterende dat de tussentijdse monitoring niet expliciet borgt dat de
specifieke knelpunten van plattelandsgemeenten structureel en
afzonderlijk in beeld komen;
overwegende dat plattelandsgemeenten te maken hebben met andere
technische, financiële en personele omstandigheden dan stedelijke
gemeenten;
verzoekt de regering om vooruitlopend op de wettelijke evaluatie
expliciet inzichtelijk te maken wat de gevolgen van de
aanwijsbevoegdheid zijn voor plattelandsgemeenten en hun inwoners, de
monitoring hierop aan te scherpen en indien nodig met voorstellen te
komen voor aanvullende structurele ondersteuning;
verzoekt de regering om, voordat gemeenten op grote schaal gebruikmaken
van de aanwijsbevoegdheid, aanvullend en expliciet inzichtelijk te maken
wat deze gevolgen zijn voor plattelandsgemeenten en hun inwoners, en de
Kamer hierover te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Vermeer.
Zij krijgt nr. 56 (36387).
Dank u wel. Ik schors tot 16.55 uur voor de beantwoording van de zijde van het kabinet.
De vergadering wordt van 16.43 uur tot 16.55 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering en geef het woord aan de minister voor de
appreciatie van de ingediende moties en voor de beantwoording van de
gestelde vragen.
Minister Keijzer:
Dank u wel, voorzitter. Ik begin met de motie op stuk nr. 51 van de heer
Flach. We kunnen niet terugonderhandelen op de wet. Er is een wet
aangenomen en vandaaruit redeneer ik. Deze motie lijkt daar iets
overheen te gaan. Ik snap wel de gedachte die erachter zit, namelijk dat
mensen het zich moeten kunnen veroorloven als de gemeente besluit om tot
aanwijzing van een gebied over te gaan. Met het amendement-Erkens in
mijn hoofd wil ik aan de heer Flach vragen of ik de motie zo kan
begrijpen dat voor het overgrote deel van de bewoners van de wijk de
investering wordt terugverdiend voor de levensduur en dat dit landt in
de instructieregel. Dan kan ik het oordeel over deze motie aan de Kamer
laten.
De heer Flach (SGP):
Het is natuurlijk aantrekkelijk om te zeggen "ja, zo bedoel ik het",
maar ik wil zeker weten dat ik goed begrijp wat de minister bedoelt. Ik
heb gevraagd om aanscherping van de genoemde instructieregel, omdat deze
in mijn ogen onvoldoende aansluit bij de strekking van het
amendement-Erkens. Begrijp ik goed dat de minister de instructieregel
als zodanig aanpast?
Minister Keijzer:
Nee, want de heer ... Wacht even, ik zeg te snel nee. Ik zeg nee op een
vraag die niet gesteld is.
In de motie staat dat voor kwetsbare afnemers, en dan gaat het om mensen
die het niet kunnen betalen, het niet-meer-dan-andersprincipe van
toepassing is. Daardoor lijkt het alsof dit een individuele toets wordt
per bewoner van een gebied dat wordt aangewezen. Dat is niet de
discussie die we in het kader van de wetsbehandeling hebben gevoerd,
waar het ging over het zorgen dat voor het overgrote deel van de
bewoners van de wijk de investering wordt terugverdiend over de
levensduur. Dat gaat net iets minder ver dan per individu "niet meer dan
anders". Dat kan ook niet, want tussen het aanwijzen van een gebied en
het uiteindelijk realiseren van een warmtenet kunnen jaren zitten. Maar
het is wel zo dat de gedachte achter het amendement-Erkens overeind
blijft.
Voorzitter. Als dit voor de heer Flach onvoldoende is, dan moet ik de
motie ontraden. Maar hij kan 'm ook aanhouden zodat we hier nog een keer
het gesprek over kunnen voeren, want het is ook wel een flink technisch,
juridisch en praktisch debat dat hieruit voortvloeit.
De voorzitter:
Tot slot.
De heer Flach (SGP):
De stemming zal pas volgende week dinsdag zijn. Vooralsnog laat ik 'm
dus even zo en accepteer ik de gesel van de minister als het gaat om het
oordeel. Ik zal erover nadenken en dan kom ik erop terug.
Minister Keijzer:
Dat is goed.
De voorzitter:
Daarmee krijgt de motie op stuk nr. 51 met de interpretatie van de
minister: oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 52.
Minister Keijzer:
Dan de motie op stuk nr. 52. Ik neem meteen de motie op stuk nr. 55 van
de heer Vermeer daar ook in mee.
Het is misschien goed om nog even met elkaar terug te halen hoe het
werkt. De gemeente kan een wijk aanwijzen om over te gaan op een
warmtenet of een verzwaring van het elektriciteitsnet, dus van het gas
af te gaan. Een gebouweigenaar heeft in die situatie de keuze om een
eigen alternatief toe te passen, zolang dat voldoende energie-efficiënt
is. Daarmee is indertijd de norm van 0,7 geboren. De reden hiervoor is
voorkomen dat alternatieven worden gekozen die onvoldoende efficiënt
zijn — dan denk je als bewoner "nou, dat heb ik even goed geregeld",
maar dan blijkt het uiteindelijk duurder te zijn — of die leiden tot een
hogere uitstoot dan gewenst. Zo voorkom je ook dat mensen te snel uit de
collectieve oplossing van het warmtenet stappen. Als dat gebeurt, gaan
de solidariteit en de betaalbaarheid uiteindelijk voor iedereen
achteruit. Een goede, efficiënte biokachel kan met eenvoudige
aanvullingen zoals isolatie en inregelen aan de gestelde norm
voldoen.
Ik heb eerder aangegeven dat ik de vinger aan de pols ga houden om na te
gaan of er in de praktijk problemen ontstaan nadat dit besluit in
werking is getreden. Als dat zo blijkt, zal de waarde moeten worden
aangepast. Het is dus net even te vroeg om nu al te zeggen "verhoog hem
maar naar 0,8%", zoals in de motie-Vermeer, of "pas hem zodanig aan dat
het wel kan", zoals in de motie-Flach. Dan heb je een aantal varianten,
zoals "ontijdig". Je hebt ook de variant " aanhouden", namelijk: laten
we de komende tijd even goed met elkaar kijken hoe dit uitpakt. Als
beide heren dat niet willen, zal ik de motie moeten ontraden.
De voorzitter:
Het zit als volgt. Als de minister stelt dat de motie nu ontijdig is,
dan doen we de leden het verzoek om de motie aan te houden. Op het
moment dat ze daar niet mee instemmen, krijgt ze de appreciatie
"ontijdig". Als de minister vindt dat de motie op inhoudelijke gronden
zou moeten worden ontraden, dan is het aan haar, maar laten we eerst
kijken of de leden bereid zijn om de motie aan te houden.
De heer Flach (SGP):
Ik kies in dit geval voor aanhouden.
De voorzitter:
Op verzoek van de heer Flach stel ik voor zijn motie (36387, nr. 52) aan
te houden.
Daartoe wordt besloten.
De voorzitter:
Dat geldt ook voor de motie op stuk nr. 55. Beide moties zijn
aangehouden.
Op verzoek van de heer Vermeer stel ik voor zijn motie (36387, nr.
55) aan te houden.
Daartoe wordt besloten.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 53.
Minister Keijzer:
In de motie op stuk nr. 53 wordt gevraagd om weer een verbod op fossiele
brandstoffen op te nemen. Daar kan ik een hoop over zeggen, maar dat
vind ik niet verstandig, dus deze wil ik graag ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 53 is ontraden.
Minister Keijzer:
De motie op stuk nr. 54 verzoekt de regering om middelen bij de
Voorjaarsnota vrij te maken. Ontraden, want ongedekt.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 54: ontraden.
De motie op stuk nr. 56.
Minister Keijzer:
De motie op stuk nr. 56 is ook van de heer Vermeer. Die motie kan ik
oordeel Kamer geven. Dit is een aansporing om te borgen dat ook
plattelandsgemeenten met de aanwijzingsbevoegdheid uit de voeten kunnen
en om inzichtelijk te maken welke ondersteuning deze gemeenten en hun
inwoners nodig hebben. Op het platteland is het namelijk toch even
anders dan in een grote stad.
Voorzitter. Dan heb ik nog drie vragen liggen. De heer Flach vroeg aan
mij of er ook een klein collectief warmtenet mogelijk is als een
gemeente kiest voor een all-electricwijk. Dat is mogelijk als
opt-out.
Hij vroeg ook aan mij ... Waar is dat papiertje? O, hier is dat
papiertje. Hij vroeg ook aan mij of de groep kwetsbare huishoudens, in
dit geval mensen met een kleine portemonnee, meer op detailniveau kan
worden gedefinieerd. Ja, dat willen we in overleg met gemeenten gaan
uitwerken in de ministeriële regeling.
Dan heb ik nog een vraag van mevrouw Schröder, over informatie ...
De voorzitter:
"Kröger."
Minister Keijzer:
Schröder, dacht ik. Nee, Kröger, natuurlijk. Ja, natuurlijk. Ik ken een
meneer Schröder.
De voorzitter:
Dat is een Duitse oud-bondskanselier. Dat is wel heel lang geleden.
Minister Keijzer:
Nee, ik ken een andere meneer Schröder, voorzitter. Ik zal maar niet
vertellen wat zijn voornaam is en waar hij woont.
De voorzitter:
Ik denk dat mevrouw Kröger daar politiek ook niet mee geassocieerd zou
willen worden.
Minister Keijzer:
Deze meneer Schröder is ook niet van GroenLinks-PvdA, dus misschien
geldt voor hem hetzelfde.
De vraag aan mij was of de informatie die bij netbeheerders ligt en die
gedeeld kan gaan worden met de omgevingsdiensten, ook met gemeentes
gedeeld kan worden. Dit gaat over de Energiewet. Die hoort bij de
minister van KGG. Ik wil de vraag dus aan haar doorgeleiden, zoals dat
officieel heet, en wil aan haar vragen of zij antwoord kan geven.
De voorzitter:
Akkoord.
De heer Flach (SGP):
Het antwoord op de tweede vraag was een antwoord op een vraag die ik
niet had gesteld; er was even wat verwarring in de documentatie van de
minister. Ik heb in de aanloop naar mijn vraag wel iets gezegd over een
definitie op detailniveau en de uitwerking daarvan, maar de vraag was of
de minister wil overleggen met gemeenten hoe dit het beste geregeld kan
worden. Met "dit" bedoel ik meerjarige zekerheid voor de kwetsbare
huishoudens over het financiële instrumentarium van het Rijk.
Minister Keijzer:
Ik ben bang dat de heer Flach mij nu overvraagt. Mijn primaire reactie
zou zijn dat mensen met lagere inkomens vallen onder het
bijzonderebijstandsbeleid. Dat is aan de gemeenten. De hele discussie
tussen gemeenten en Rijk over dit besluit is natuurlijk al eerder
beslecht. Over wat de heer Flach mij hier vraagt, zijn we dus al eerder
uitgediscussieerd. Daarbij is het een taak van de gemeenten. Ik zie dus
niet zozeer welk gesprek ik dan zou moeten gaan voeren.
De voorzitter:
Tot slot, meneer Flach.
De heer Flach (SGP):
Wellicht moet ik de vraag gewoon nog even mailen naar de minister. Dan
hebben we daar rechtstreeks nog even contact over. Op detailniveau ligt
het namelijk net iets anders, maar het voert te ver om dat in het
verband van dit overleg uit te leggen, dus ik stel voor dat ik de vraag
even mail en dat ik dan per mail een antwoord krijg.
De voorzitter:
U lost het bilateraal met elkaar op; dat mag.
Minister Keijzer:
Zeker.
De voorzitter:
Was de minister daarmee aan het einde gekomen van haar beantwoording in
dit tweeminutendebat?
Minister Keijzer:
Zeker.
De voorzitter:
Dan dank ik haar voor nu.
De beraadslaging wordt gesloten.