Begroting Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (36800-XXII) 1e TK (ongecorrigeerd)
Stenogram
Nummer: 2026D01019, datum: 2026-01-13, bijgewerkt: 2026-01-14 09:27, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-01-13 17:05: Begroting Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (36800-XXII) 1e TK (Plenair debat (wetgeving)), TK
Preview document (🔗 origineel)
Begroting Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening 2026
Begroting Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening 2026
Aan de orde is de behandeling van:
het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (XXII) voor het jaar 2026 (36800-XXII).
De voorzitter:
We zijn aangekomen bij de begroting Volkshuisvesting en Ruimtelijke
Ordening. Ik zou daarvoor als eerste het woord willen geven aan de heer
Vijlbrief. Ik wijs erop dat het een heugelijke avond is, want we hebben
maar liefst drie maidenspeeches vanavond: de maidenspeech van de heer
Van Asten, de maidenspeech van mevrouw Zalinyan en de maidenspeech van
mevrouw Steen.
De algemene beraadslaging wordt geopend.
De voorzitter:
Maar allereerst geef ik het woord aan de heer Vijlbrief voor zijn
inbreng namens de fractie van D66.
De heer Vijlbrief (D66):
Voorzitter. Als ik spreek komt altijd de halve fractie luisteren, dat
ziet u. Ik zal dat doen, maar iedereen komt natuurlijk voor Robert van
Asten zo meteen en het is nog mooier dat er nog twee maidenspeeches
zijn. Het is een heugelijke avond.
We hebben het eerste debat over wonen sinds de verkiezingen. Het is hier
tijdens de campagne natuurlijk ongelofelijk veel over gegaan en dat is
heel goed, want de zachte stem van woningzoekenden, zoals ik dat noem,
verdient het om gehoord te worden in deze Kamer. Er zijn natuurlijk
verschillen in deze Kamer, maar ik ga toch iets vertellen over wat we
tijdens de campagne hebben meegemaakt. Ik kijk naar mevrouw Steen en de
heer De Hoop. Wij zaten in een parkje in Utrecht — weten jullie nog? —
in september, met prachtig weer. Voor Ons Nederland had georganiseerd
dat wij werden geïnterviewd door mevrouw Bos, Mies Bos. Peter de Groot
was daar ook, maar die is helaas vandaag ziek en kan er niet bij zijn.
We waren in ieder geval met z'n vieren. We waren het eigenlijk over zo
ongelofelijk veel eens, viel mij toen op, in dat park in Utrecht. Maar
ja, soms vergt het ook moeilijke besluiten. We zijn het niet altijd eens
over de weg daarnaartoe, maar ik denk eerlijk gezegd dat dit onderwerp
nou bij uitstek een onderwerp is waarop kabinet en Kamer hebben
samengewerkt en moeten samenwerken in de toekomst.
Ik had het afgelopen jaar de gelegenheid om bij heel veel
woningzoekenden langs te gaan. Daar hoorde je eigenlijk altijd dezelfde
verhalen. De minister kent ze ook. Er zijn gezinnen die ontzettend klein
wonen in appartementen, alleenstaanden die geen kans maken op een
woning, studenten die geen kamer kunnen vinden en ouderen die in het
verkeerde huis zitten. U kent het allemaal en het is dan ook goed dat we
vandaag het eerste grote debat in deze Kamer weer hebben over de
begroting van VRO.
Ik wilde eigenlijk beginnen met een compliment aan de minister. Toen
sloeg ik vanmorgen Het Financieele Dagblad open en toen dacht ik: er is
toch geen enkele minister die ik ken die nog beter complimenten kan
geven aan zichzelf dan ik kan. Dat was namelijk minister Keijzer die
zei: ja, uit die stukken van CDA en D66 blijkt eigenlijk gewoon dat ik
het hartstikke goed heb gedaan. Nou, daar ga ik nou geen antwoord op
geven of dat waar is of niet, maar ik zeg één ding: ik dank de minister
voor haar inzet. Ik dank de minister voor haar inzet die ze ook heeft
gehad, met name bijvoorbeeld in het programma STOER, waarin ze denk ik
een belangrijke verandering heeft aangebracht en waarvoor ze een
belangrijke input is geweest.
Maar het onderwerp "wonen" is wel zo belangrijk dat wij denken dat er
meer stappen nodig zijn, ook urgente stappen. Daar wil ik het vandaag
over hebben. Laten we nog eens een keer terughalen waar het allemaal om
gaat: een half miljoen Nederlanders zijn op zoek naar een woning. Daar
komen de volgende jaren nog eens 800.000 extra huishoudens bij. U kent
mijn opvatting daarover: ik vind zelf dat de stem van woningzoekenden in
deze Kamer te weinig gehoord wordt, dat de stem van woningzoekenden in
het hele woondossier te weinig gehoord wordt. Daarom moeten we geen kans
onbenut laten om te praten over wonen en daar wat aan te doen.
Voorzitter. Dan kom ik eerst bij de lange termijn, de heel lange
termijn. Dat gaat natuurlijk over hét onderwerp waar wij campagne mee
hebben gevoerd: tien nieuwe steden. Toen ik in campagnezalen stond om te
praten over die tien nieuwe steden, gebeurde er altijd wat bijzonders.
Wat er altijd gebeurde, was dat cynici in de zaal zeiden: dat kan
allemaal niet, dat gaat allemaal niet gebeuren. En dan was mijn
antwoord: één ding is zeker, als je erover gaat zeiken en zeuren, dan
gebeurt er in ieder geval niks. Zullen we in ieder geval proberen de
ambitie te hebben om wel nieuwe steden te bouwen? Ik weet dat deze Kamer
… Dat brengt me gelijk bij een compliment aan de heer Grinwis, want ik
heb voorinzage gehad in zijn woonplan. Ook de heer Grinwis kwam met een
nieuwe stad: de Markerwaard 2.0. Het plan van de heer Grinwis had een
aantal dingen die ik ontzettend goed herken: de wirwar van regels,
luisteren naar de stem van de woningzoekenden, maar ook die nieuwe
steden. Ik zeg het nog één keer: D66 wil dit en denkt ook dat het nodig
is. We denken ook dat investeringen in de infrastructuur daarbij
cruciaal zijn. Wij denken dat het investeren in de infrastructuur niet
alleen cruciaal is voor de begroting van VRO, maar ook voor de komende
jaren.
De voorzitter:
U heeft een interruptie van de heer De Hoop. Ik zal het aantal
interrupties niet maximeren. Ik verwacht wel echt dat ze korter duren
dan 30 seconden, anders kom ik tussenbeide. Ook verwacht ik dat ze niet
vaker dan in drie keer worden gesteld.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
De heer Vijlbrief spreekt als eerste. Dat is niet zonder reden. Dat is
omdat D66 de verkiezingen heeft gewonnen met een knappe campagne met
veel ambitie, maar ook met veel beloftes. De heer Vijlbrief had het al
over de tien nieuwe steden en 100.000 woningen die gebouwd zouden
worden. Weet u nog dat RTL-debat? Waar alle andere partijen zeiden "het
eerlijke verhaal is dat ons dat in 2026 niet gaat lukken", sloeg Jetten
op de knop en zei: wij gaan die 100.000 woningen bouwen, komend jaar
nog. Ik was nieuwsgierig naar hoe de heer Vijlbrief denkt dat te gaan
doen.
De heer Vijlbrief (D66):
De nieuwe steden, zo gebiedt de eerlijkheid te zeggen, gaan niet zorgen
voor nieuwe woningen nú. Dat weet de heer De Hoop ook. Ik kom nog op wat
we nú kunnen doen. Er zijn heel veel dingen die je nu kunt doen om meer
woningen te krijgen. Ik ga straks wat zeggen over het splitsen van
woningen, wat ongelofelijk moeilijk is in veel gemeentes. Ik ga wat
zeggen over "straatje erbij" en "rijtje erop": allerlei dingen die je
kunt doen. Laat ik zeggen dat ik het met de minister eens was in het
interview. Ik denk wél dat alles klaarstaat voor die 100.000 woningen
erbij. Ik denk overigens wel dat er een aantal randvoorwaarden zijn. Om
maar eens een voorbeeld te noemen: het investeringsklimaat voor
woningcorporaties en private investeerders zal echt moeten verbeteren
wil je dit ook gaan halen. Maar ik ben er nog steeds van overtuigd dat
Jetten totaal terecht op die knop drukte, al is het maar omdat — dat
geldt ook voor die nieuwe steden — als je zegt "nou, we weten nog niet
of we het gaan halen, maar het is wel een ambitie", dat geen ambitie is,
maar iets halfzachts, iets slaps. Ik ben er nog steeds voor; ik denk dat
het kan.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Het siert de heer Vijlbrief ook dat hij nog steeds zegt "wij gaan die
100.000 woningen realiseren" en dat hij nog steeds achter die
verkiezingsbelofte staat. De vraag is wel wat voor woningen dat dan
worden, wat voor steden dat worden en wie daar kan wonen. De heer
Vijlbrief gaf daar eigenlijk al een voorschot op. Zijn het ontwikkelaars
die heel duur bouwen? Iets wat de VVD eigenlijk vooral wil: geen
betaalbaarheidseisen. Of zorg je ervoor dat corporaties de ruimte
krijgen? Zorg je ervoor dat die meer kunnen bouwen, zorg je ervoor dat
we de winstbelasting afschaffen, dat we dat gat van 20 miljard dichten?
Kunnen ook die huurders voor een betaalbare woning rekenen op D66 de
komende periode?
De heer Vijlbrief (D66):
Dat is een ongelofelijk goede vraag. Het korte antwoord is gewoon: ja.
Als je kijkt in het stuk dat wij samen met het CDA hebben gemaakt en dat
wij ook naar buiten hebben gebracht, dat zie je in de paragraaf over
wonen dat wij wel degelijk nog steeds aan die betaalbaarheidseis willen
voldoen, de 30% aan de onderkant. Dat willen we en dat moet ook. Ik zei
al dat daarvoor het klimaat voor de woningcorporaties en de private
investeerders moet verbeteren. Ik ga daar nu geen kwantitatieve
uitspraken over doen, maar dat vraagt u ook niet, zeg ik tegen de heer
De Hoop. Maar dat moet wel.
De voorzitter:
Tot slot.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Tot slot. Mijn angst is toch, zeg ik heel eerlijk tegen de heer
Vijlbrief, dat D66 en deze coalitiepartijen de huurders gaan
teleurstellen. Daar heb ik eigenlijk drie redenen voor. Allereerst. Als
ik dat stuk van D66 en CDA lees, zie ik daarin niets staan over
huurbescherming. D66 was de partij die bij de doorrekening de grootste
huurstijging had van alle partijen die hun programma's lieten
doorrekenen. De laatste minister van D66 vergrootte de ongelijkheid
onder huurders. Toen de Kamer in coronatijd, toen mensen de rekening
niet meer konden betalen, zei "we willen een huurbevriezing", was het
minister Kajsa Ollongren die er alles aan deed om dat niet te doen. Zij
was de eerste minister die een motie van afkeuring kreeg in de senaat
sinds 1875.
De voorzitter:
En uw vraag?
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Gaat de minister van D66 in de komende periode of gaat D66 in het
kabinet niet weer huurders teleurstellen?
De heer Vijlbrief (D66):
Ik zou zeggen: wacht maar op onze daden. Ik denk het niet. Als u aan mij
vraagt "bent u voor een huurbevriezing", dan kent de heer De Hoop het
antwoord. Het antwoord is: nee, daar ben ik niet voor, want dat betekent
gewoon dat je je investeringscapaciteit van de woningcorporaties naar
beneden brengt. Daar ben ik dus niet voor. Maar ik denk niet dat u op
voorhand ervan moet uitgaan dat wij huurders gaan teleurstellen. U moet
daarvoor echt even op onze daden wachten.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Daar staat een collega, collega Vijlbrief, die een bondgenoot is als het
gaat om door roeien en ruiten gaan om te zorgen voor onderdak voor
woningzoekenden. Dank voor de aardige woorden van collega Vijlbrief over
de volkshuisvestingsvisie van de ChristenUnie, maar ik heb daar wel twee
vragen bij. In het praatstuk van collega's Bontenbal en Jetten … Of nou
ja, "de uitnodiging" staat er op voorpagina; vooruit, wat het ook is.
Daarin worden een aantal dingen heel nadrukkelijk genoemd, maar een paar
ook niet. Een daarvan raakte collega De Hoop aan, namelijk wel de
prestatieafspraken doorzetten, wel de corporaties in staat stellen om
huizen te bouwen …
De voorzitter:
En uw vraag?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
… maar tegelijkertijd nog niet de boter bij de vis leveren. De gratis
oplossing wordt in het vooruitzicht gesteld, namelijk DAEB en niet-DAEB,
middenhuur en sociale huur bij elkaar vegen …
De voorzitter:
En uw vraag?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
… maar geen geld, geen vennootschapsbelasting, geen
herbestedingsreserves.
De heer Vijlbrief (D66):
Kijk, DAEB en niet-DAEB … Voor de niet-ingewijden: bij het ene deel gaat
het om diensten van algemeen economisch belang en bij het andere deel
niet. Dat dat voor een deel een oplossing kan bieden, weten we. Maar dat
gaat niet de capaciteit garanderen. Daar heeft de heer Grinwis dus
gelijk in. Het is overigens wel belangrijk dat het gebeurt en ik vind
het goed dat het gebeurt. Dat vindt hij denk ik ook. Wat betreft de
investeringscapaciteit van de woningcorporaties: nee. Het staat mij
volledig helder voor de bril dat dat op dit moment niet gegarandeerd is.
Verder moet u op dat punt even onze daden afwachten. Over een aantal
weken zal de informateur haar rapport naar de Kamer sturen en daar zal
een financiële tabel bij zitten. U zult daarin zien dat daar wel
degelijk rekening mee wordt gehouden.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Het staat me inderdaad helder voor de bril dat we dat gaan samenvoegen
en dat dat niet de hele oplossing is. Tegelijkertijd snap ik dat de heer
Vijlbrief nu niets prijsgeeft uit onderhandelingen die nog niet zijn
afgelopen. Wel ben ik blij om te zien dat zijn inzet is om daadwerkelijk
financieel boter bij de vis te leveren, zodat deze mooie woorden op
papier geen woorden op papier blijven, maar in de praktijk voor
woningzoekenden worden gerealiseerd. Ik heb nog één vraag over de
woningbouwlocaties.
De voorzitter:
Kort.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
De heer Vijlbrief noemde het al: huizen bouwen in het Markermeer. Ik ben
het daar erg mee eens. Laten we de oude poldertraditie maar weer eens
nieuw leven inblazen. Huizen bouwen bij het treinstation Veenendaal-De
Klomp is een ander punt. Beide punten zaten niet alleen in het D66-plan,
maar ook in het plan van de ChristenUnie. Ik lees alleen maar iets terug
over 21 grootschalige nieuwbouwlocaties. Dat waren locaties die al
bestonden in de tijd van Hugo de Jonge en deze minister Keijzer. Waar is
Veenendaal-De Klomp? Waar zijn de huizen in het Markermeer?
De heer Vijlbrief (D66):
Nou, die moeten allebei nog gebouwd worden, maar dat weet de heer
Grinwis wel. Hij heeft er gelijk in dat dat nog niet gespecificeerd is
in dit stuk, maar dit was een uitnodiging. U zult in het regeerakkoord
hopelijk zien dat we daar concreter over gaan zijn.
De heer Mooiman (PVV):
Ik hoor net het antwoord op de vraag van collega Grinwis. Er werd
zojuist gezegd dat het hopelijk in het regeerakkoord concreter wordt. Ik
denk dat dat gelijk het probleem is. Het antwoord van tien steden is te
makkelijk geweest. Die tien steden zijn een grote belofte van D66
geweest. Vervolgens hebben we gezien dat dat genuanceerd of
teruggebracht is tot een soort metafoor. Ik wil toch graag weten of die
tien steden er echt gaan komen. Worden die straks concreet of is het
toch een soort loze belofte van D66 geweest, die we niet terug gaan
zien?
De heer Vijlbrief (D66):
Ik hou van korte antwoorden, zoals de heer Mooiman weet. Ja, die komen
er. Dat is geen loze belofte.
De heer Mooiman (PVV):
Nou, dat is mooi. Daar gaan we de heer Vijlbrief dan zeker aan houden.
Hetzelfde geldt voor de 21 grootschalige woningbouwlocaties. Het is
natuurlijk fantastisch dat die er komen, maar dat is allemaal bestaand
beleid. Ik denk dat het probleem is dat heel veel partijen vergezichten
hebben opgeworpen tijdens de campagne, maar vervolgens geen concrete
plannen leveren over hoe dat te realiseren, terwijl de woningzoekenden
daar wel op wachten. Mijn vraag aan de heer Vijlbrief is dus: in
hoeverre gaan we die 21 locaties terugzien? Gaat dat echt om nieuwe
locaties of zijn dat echt alleen maar oude locaties?
De heer Vijlbrief (D66):
We moeten even een onderscheid maken. Binnen die 21 locaties heb je
locaties die er nog helemaal niet zijn, zoals Rijnenburg. Rijnenburg is
natuurlijk een voorbeeld van een locatie die er nog moet komen. Ik ben
er geweest en u bent er misschien ook geweest, zeg ik tegen de heer
Mooiman. Je staat daar naar een weiland te kijken. Dat moet dus nog
ontwikkeld worden. Als je gaat kijken naar de belangrijkste
randvoorwaarden daarvoor, dan is het niet zo heel raar dat je ziet dat
het niet alleen maar een kwestie van goede bedoelingen is, maar dat er
ook veel geld nodig zal zijn om bijvoorbeeld de infrastructuur eromheen
te ontwikkelen. Dat is dus het antwoord op die vraag. Maar nogmaals,
tien nieuwe steden is een concreet voorstel. Het zijn steden en er is
niks metaforisch aan. Twee, wat betreft die 21 locaties: soms is dat
nieuw, soms is dat oud, soms zijn dat nieuwe steden en soms zijn het
wijken. Dat staat trouwens letterlijk in het stuk van ons met het
CDA.
De voorzitter:
Tot slot.
De heer Mooiman (PVV):
Ik vind ook dit toch wel een te makkelijk antwoord. Ik concludeer
eigenlijk dat het simpelweg de 21 bestaande locaties zijn. Of die nou
wel of niet gerealiseerd zijn, er zijn natuurlijk wel woningbouwplannen
voor. Dat strookt natuurlijk niet met de belofte die D66 heeft gedaan in
de campagne. Ik zou dus toch graag van de heer Vijlbrief willen weten op
welke nieuwe locaties hij dan doelt, buiten de bestaande locaties die we
met elkaar hebben vastgesteld.
De heer Vijlbrief (D66):
Maar die kent de heer Mooiman. Dat is helemaal niet nieuw. Ik ga dan het
rijtje uit ons woonplan noemen. De heer Grinwis deed dat net ook al. Die
kunnen onderdeel zijn van die 21 en dat kunnen nieuwe dingen zijn. Ik
begrijp het probleem hier eigenlijk niet zo heel goed. Volgens mij
moeten wij hier in de Kamer er samen aan werken dat er woningen komen.
Ik denk dat geen enkele woningzoekende iets heeft aan de discussie die
we nu staan te voeren. Wij zeggen dat er tien nieuwe steden moeten komen
in Nederland. Dat hebben we altijd gezegd. We hebben gezegd: we geven in
ons woonplan locaties aan waar die moeten komen. In het stuk met het CDA
zeggen we dat we gaan zien wat er komt uit die 21 nieuwe locaties die we
kunnen doorontwikkelen naar nieuwe steden. U zoekt dus iets wat er niet
is, zeg ik tegen de heer Mooiman.
De heer Flach (SGP):
Ik wil daar toch even op doorgaan. Die tien nieuwe steden hebben
natuurlijk best wel aandacht getrokken in de campagne en misschien zelfs
voor een belangrijk deel bijgedragen aan veel stemmen voor D66. Dat kan.
Des te opvallender was het dat dat kort na de verkiezingen afgezwakt
werd tot een metafoor, maar nu hoor ik de heer Vijlbrief toch heel
stellig zeggen: nee, die tien nieuwe steden komen er echt. Op enig
doorvragen van collega Mooiman blijkt dat toch nog wat diffuser te zijn.
Ik probeer er ook even op door te prikken, want Nederland kent eigenlijk
geen onbestemde gebieden, dus …
De voorzitter:
Wat is uw vraag?
De heer Flach (SGP):
Ik kom op mijn vraag, voorzitter. Wie moeten er straks gaan wijken voor
die tien nieuwe steden van D66? Daar ben ik oprecht benieuwd naar. Ik
vrees voor het antwoord, maar ik stel een open vraag.
De heer Vijlbrief (D66):
Nou ja, ik begrijp niet zo goed waarom de heer Flach vreest voor het
antwoord. Als hij gewoon concreet kijkt naar ons woonplan, dan ziet hij
dat wij bijvoorbeeld Ede-De Klomp als locatie noemen. Wie moet daarvoor
gaan wijken? Nou ja, u bent er ook geweest. Ik noem Rijnenburg bij
Utrecht, Fellenoord in Eindhoven, eventueel een locatie in Zeeland en
eventueel een locatie in Drenthe. Ik weet niet hoe de heer Flach die zou
omschrijven, maar ik zou die, als ik erbij sta, omschrijven als
"weiland". Dat moet er vaak voor wijken, ja; dat is het.
De voorzitter:
Meneer Flach.
De heer Vijlbrief (D66):
Als u dat antwoord vreest, vrees ik een beetje …
De voorzitter:
Meneer Flach.
De heer Flach (SGP):
Dit antwoord vreesde ik inderdaad, ja. "Weilanden" klinkt voor de heer
Vijlbrief misschien alsof dat kennelijk geen bestemming heeft, maar daar
grazen normaal gesproken koeien. Volgens mij hebben we vorig jaar een
discussie gehad over het al dan niet op waarheid berustende verhaal dat
er een D66-bord in een weiland had gestaan met: "Koeien eruit, huizen
erin." Dat bleek ik verkeerd opgevat te hebben, maar ik hoor dat hier
tussen de regels door eigenlijk toch. De boodschap is dus ook in dit
antwoord wel dat een deel van de landbouw zou moeten wijken voor die
tien nieuwe steden. Klopt dat? Heb ik dat goed begrepen?
De heer Vijlbrief (D66):
Ja, maar dat heb ik …
De voorzitter:
Meneer Vijlbrief.
De heer Vijlbrief (D66):
Ja, sorry, voorzitter, maar ik word helemaal warm van dit debat. Ik vind
het zo grappig, want wij zijn hier altijd glashelder over geweest. Er
komt geen grond uit de lucht vallen, dus dit klopt helemaal. Als je
overigens de sommen maakt, zie je dat het reuze meevalt met hoeveel
landbouwgrond je dan precies nodig hebt. Dat blijkt uit de Nota Ruimte.
Dat valt reuze mee, want dat gaat om ongeveer 0,5%. Misschien dat
vanwege de stikstofproblematiek de veestapel nog wel iets verder moet
inkrimpen dan dat, dus ik zou mij niet zo zorgen maken over het feit dat
wij misschien grond wil bestemmen voor wonen, want dat gaat gebeuren.
Dit is een ontwikkeling die bezig is, zeg ik tegen de heer Flach. Wat
het zwaarste is, moet wel het zwaarst wegen. Mensen willen wonen. We
hebben het over een half procent, dus ik zou dan toch nog een keer naar
de prioriteiten kijken.
De voorzitter:
Tot slot, meneer Flach.
De heer Flach (SGP):
Dat D66 en de SGP niet op alle punten dezelfde prioriteiten hebben, is
volgens mij wel gevoeglijk bekend. Vanuit de wet van de grote getallen
klinkt het allemaal heel prima, maar het zal maar om jouw familiebedrijf
gaan, waar de familie al honderd jaar van vader op zoon aan het boeren
is. Dan praat je toch echt anders over dit soort zaken. Ik wil dus het
klip-en-klare antwoord krijgen — dat heb ik gekregen, dus complimenten
voor de helderheid — dat er uiteindelijk boeren zullen moeten wijken
voor die tien nieuwe steden. "Geen natuur, geen industrie, geen
recreatie, maar landbouw" is dan een helder antwoord. Ik vreesde voor
dat antwoord, maar het is wel heel duidelijk naar voren gekomen.
De heer Vijlbrief (D66):
Nu maakt de heer Flach toch een beetje een karikatuur van het antwoord
dat ik gaf, want de heer Flach weet toch ook dat er vanwege de
stikstofproblematiek sowieso boerenbedrijven zijn die willen stoppen.
Laten we nou niet net doen alsof wij met omgekeerde hooivorken de boeren
van hun land gaan verjagen en alsof het een groot probleem is vanwege
het wonen. Het gaat om relatief kleine hoeveelheden. Overigens moeten we
de stikstofproblematiek toch aanpakken. Ik zie deze tegenstelling dus
toch echt niet.
De heer Clemminck (JA21):
Ziet de heer Vijlbrief de noodzaak om tien nieuwe steden te bouwen in
relatie tot de migratiecijfers?
De heer Vijlbrief (D66):
Sorry, ik verstond dat laatste niet.
De heer Clemminck (JA21):
De vraag is of u het verband ziet tussen uw ambitie, de noodzaak om tien
nieuwe steden te bouwen, en het migratiesaldo in Nederland.
De heer Vijlbrief (D66):
Nou ja, ik kan tellen. Als u bedoelt dat er door migratie meer
woningzoekenden in Nederland komen: dat is per saldo natuurlijk waar als
er een positief migratiesaldo is. Dan lijkt het me het geval, want
migranten moeten ook ergens wonen.
De heer Clemminck (JA21):
Zou het in de ogen van de heer Vijlbrief dan winst kunnen zijn dat, als
een nieuw kabinet straks succesvol is in het beperken van de migratie,
we misschien niet tien nieuwe steden nodig hebben maar een stuk
minder?
De heer Vijlbrief (D66):
Nee, dat denk ik niet. Als je naar de dimensies, de hoeveelheden, kijkt,
is het antwoord daarop nee. Ik denk wel dat we allemaal grip willen
krijgen op migratie en de instroom; daar is helemaal geen discussie
over. Ik denk dat dat kan helpen, maar ik denk dat de dimensies zo zijn
dat je nog steeds echt nieuwe grootschalige locaties nodig hebt waar
mensen kunnen wonen.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Ik ben gewoon enthousiast over het feit dat D66 volhoudt. Ik denk
absoluut dat we inderdaad woningen nodig hebben — er is grote woningnood
— maar ik zou graag willen horen hoe D66 tegenover burgerinitiatieven
voor collectief samen bouwen staat, omdat ik dat onvoldoende weet vanuit
het programma.
De heer Vijlbrief (D66):
Daar zijn wij zeer enthousiast over, net zoals voorbeelden van
burgerinitiatieven zoals knarrenhoven en allerlei andere dingen waarbij
ouderen en jongeren samen gaan wonen. Ik ben in de campagne bij een
project in Nijmegen geweest waarin ouderen en jongeren door elkaar
wonen. Eigenlijk is dat ook een soort half burgerinitiatief, samen met
een aannemer. Daar zijn wij kortweg gewoon enthousiast over.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Dat is fantastisch om te horen. Inderdaad, gespikkeld wonen en
knarrenhoven zijn prachtig, maar ik zie burgerinitiatieven die al tien
jaar dood voor de kast liggen en waarbij mensen het gewoon opgegeven
hebben omdat ze bij een gemeente niet verder komen en omdat het voor
ambtenaren schijnbaar heel erg lastig is om met burgers tot afspraken te
komen. Wat kunnen die initiatieven verwachten van D66?
De heer Vijlbrief (D66):
Dat is een ontzettend goede vraag. Dit onderwerp houdt me ook al langer
bezig. Wat u op dat punt van D66 kunt verwachten, is dat wij graag
willen dat gemeenten paal en perk gaan stellen aan de hoeveelheid
regulering die zij toepassen. Ik ga daar straks nog wat meer over
zeggen. Ik ben voorstander van het vergunningsvrij maken van splitsen,
als dat zou kunnen. Ik zal straks aan de minister vragen of dat kan. Ik
zou het heel goed vinden als gemeenten, desnoods met harde hand, door de
Rijksoverheid echt beperkt gaan worden in het aantal eisen dat zij
stellen aan splitsen, delen et cetera van woningen en aan dit soort
initiatieven. Ik herken dit dus. Die initiatieven worden vaak te duur
door alle regels eromheen en komen daardoor niet tot stand. Dat herken
ik en ik ben zeer enthousiast om daar met gemeenten over in gesprek te
gaan en om dit desnoods af te dwingen; dat zou moeten gebeuren.
De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Van Brenk.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Misschien nog een advies aan de heer Vijlbrief, waar hij de SGP heel
gelukkig mee kan maken. In Nistelrode heeft een boer het fantastische
initiatief genomen om zijn stallen om te bouwen tot prachtige
appartementen. Misschien is het leuk om daar eens te gaan kijken.
De heer Vijlbrief (D66):
Heel graag; ik ga heel graag samen met u en de heer Flach naar
Nistelrode.
De heer Vermeer (BBB):
Ik constateer toch weer dat de heer Vijlbrief woningbouw tegenover
boeren zet en daarbij zelfs ook suggereert dat daarmee een
stikstofprobleem opgelost zou kunnen worden. Ik weet niet of de heer
Vijlbrief het laatste onderzoek van NRC, Follow the Money en Omroep
Gelderland heeft gelezen, maar daarin is duidelijk aangetoond dat de
uitkoop van boeren niet efficiënt is. Kent de heer Vijlbrief dat
onderzoek?
De heer Vijlbrief (D66):
Nee. Ik was het overigens niet die deze tegenstelling creëerde; dat was,
dacht ik, de heer Flach. Daar heb ik u een keurig antwoord op
gegeven.
De heer Vermeer (BBB):
De heer Vijlbrief gaf daar inderdaad keurig antwoord op — tenminste, hij
noemt dat keurig — maar hij liet niet na om nog weer even te benadrukken
dat door het verdwijnen van een stuk van de veestapel het
stikstofprobleem opgelost zou kunnen worden, terwijl dat pertinent
onjuist is. We hebben een stikstofwétprobleem. Al zouden wij alle
mensen, alle dieren en alle bedrijven uit Nederland verwijderen, dan nog
steeds hebben wij volgens de huidige stikstofwetten een
stikstofprobleem. Ik wilde dus wel benadrukken dat de heer Vijlbrief ook
in een zogenaamd keurige beantwoording in een tussenzinnetje toch nog
boeren en de veestapel tegenover woningen zet, want dat is een pertinent
onjuiste weergave van feiten.
De heer Vijlbrief (D66):
Dat heb ik ook niet gedaan. Ik kreeg van de heer Flach de vraag waar de
grond dan vandaan moet komen en daar heb ik keurig een antwoord op
gegeven.
De voorzitter:
U continueert.
De heer Vijlbrief (D66):
Ik vervolg mijn betoog. Voorzitter. Waar was ik eigenlijk
gebleven?
Wat kunnen we eerder doen dan die tien nieuwe steden? Toen kregen we
deze hele discussie. Nou, we kunnen sneller en slimmer bouwen.
Prefabwoningen zijn een bekend fenomeen, maar we weten dat gemeentes
verschillende eisen stellen aan die prefabwoningen. Daar moeten we wat
aan doen. Ik zit naar de heer Grinwis te kijken, die zelf dit punt ook
eerder heeft gemaakt. Gemeentes moeten zelf grond kunnen kopen en
daardoor voor een redelijke grondprijs kunnen zorgen. Als we dan aan het
bouwen zijn, laten we dan ook gelijk goed bouwen. Dus laten we zorgen
dat ouderen langer kunnen samenleven in een wijk. Daar hadden we het net
al even over. Er zijn meer geschikte woningen nodig voor ouderen om door
te groeien. Ik heb eerder aan de minister gevraagd — ik wil dat graag
nog een keer aan haar vragen — in hoeverre al die initiatieven die er
zijn rond ouderen, zoals seniorenmakelaars in Den Haag, verhuiscoaches
in Den Bosch en verhuisvergoedingen in Amsterdam en Amersfoort, breder
worden uitgerold in Nederland en welke stappen zij kan zetten om te
zorgen dat de doorstroming voor ouderen verbetert. Ten slotte wil ik
natuurlijk ook nog jongeren en studenten noemen, voor wie we in de
campagne heel veel aandacht hebben gehad, omdat voor hen ook niet goed
wordt gebouwd. Er worden vaak studio's gebouwd, terwijl jongeren en
studenten vaak in studentenhuizen samen willen wonen.
Voorzitter. Dat brengt mij bij vandaag. Wat kun je dan vandaag doen? Ik
ga eigenlijk helemaal terug naar de eerste vraag die de heer De Hoop
stelde. Hij zei namelijk: je moet ook wel echt aan de slag om die
100.000 woningen te gaan bereiken. Vanmorgen schrok ik toen ik in het
nieuws las over mensen die in sociale huurwoningen zitten en
tegelijkertijd meerdere woningen bezitten. Ik zie de minister knikken;
die herkent dat ook. Dat kan natuurlijk min of meer per ongeluk gebeuren
als je een erfenis krijgt en een woning erft, maar drie of vijf of tien
woningen per ongeluk hebben terwijl je in een sociale huurwoning zit zou
ik toch gewoon misbruik van de sociale huurwoningen willen noemen. Ik
zou de minister willen vragen of zij donderdag, als zij antwoord gaat
geven, zou willen zeggen wat we daar nou aan kunnen doen en of we daar
samen, als kabinet en Kamer, paal en perk aan kunnen stellen. Ik vind
het namelijk oneerlijk en onrechtvaardig dat het op die manier
gaat.
Ik wil ook graag nog wat zeggen over de regels en de procedures. Ik ben
erg tevreden over het feit dat de minister aan de slag blijft met het
programma STOER. Ik vraag naar aanleiding van de kabinetsreactie aan de
minister welke concrete stappen zij nu gaat nemen op het programma STOER
om ervoor te zorgen dat de adviezen die richting andere overheden en
bouwpartijen zijn gegaan ook worden uitgevoerd en wanneer zij komt met
het voorstel voor uitwerking van het programma STOER.
Ik zou ten slotte nog iets willen zeggen over het stapelen van bezwaar
op bezwaar. Ook daarover zou ik aan de minister willen vragen: wat gaan
we daaraan doen? D66 heeft daarvoor een aantal voorstellen gedaan en ik
zou graag willen weten wat de minister daarvan vindt.
Ik zou ten slotte aan de minister willen vragen wat zij vindt van het
idee om het splitsten van woningen vergunningsvrij te maken, met een
meldplicht, in navolging van het onderzoek Beter benutten bestaande
rijtjeswoningen. Zo heet dat onderzoek.
Ten slotte, als allerlaatste, zou ik aan de minister willen vragen
hoever zij is met het uitwerken in Nederlandse wet- en regelgeving van
de nieuwe Europese regels rond de woningcorporaties. Ik wacht even, want
ik zie een interruptie.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Een onderwerp waarop de Kamer in de afgelopen jaren met een sociale
meerderheid breed heeft samengewerkt, is het overeind houden van de Wet
betaalbare huur. Ik denk namelijk dat het belangrijk is dat kwetsbare
huurders beschermd worden tegen torenhoge huren. Dat is de heer
Vijlbrief vaak met mij eens in het debat. Ik lees in het stuk van D66 en
CDA niet direct iets over die Wet betaalbare huur. Ik denk wel dat dat
een heet hangijzer is. Ik ben dus benieuwd wat we daarbij van D66 kunnen
verwachten.
De heer Vijlbrief (D66):
De opvatting van D66 daarover is onveranderd. Wij vinden dat de Wet
betaalbare huur er niet voor niks is gekomen. Dat heb ik ook steeds
gezegd in de campagne, waar de heer De Hoop zelf bij was. De Wet
betaalbare huur is er, nogmaals, om tegen te gaan dat er belachelijke
huren zouden worden gevraagd aan mensen. Daarom hebben we dat gedaan.
Die wet is er net. Ik heb eerder bij alle wetsbehandelingen gezegd:
wacht nou heel even met het veranderen van deze wet, die er net is, want
we hebben evaluatietermijnen. Tegelijkertijd zie ik ook de cijfers over
het uitponden. Ik heb in de campagne tegen collega's die zich daarover
grote zorgen maakten, gezegd: de huizen die uitgepond worden, gaan niet
in rook op, maar worden verkocht aan anderen. Nou, dat blijkt ook in de
praktijk, want toen ik vorige week de krant opensloeg, zag ik dat
starters hierdoor makkelijker aan een huis kunnen komen. Al met al is de
opvatting van D66 dat wij willen wachten op de evaluatie van de Wet
betaalbare huur. Maar als partijen nu al ideeën hebben waardoor we de
scherpe kantjes van die wet af kunnen halen, valt er met ons altijd te
praten. Dat is de nog steeds de dubbele boodschap.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Dat is een dubbele boodschap, maar biedt ook iets meer ruimte voor het
wijzigen van de Wet betaalbare huur dan ik eerder van de heer Vijlbrief
gehoord heb. Daar heb ik wel enige zorgen over. Dan over dat uitponden,
waar de heer Vijlbrief naar verwijst. Toen minister Stef Blok de
woningmarkt eigenlijk openzette, zag je dat tussen 2017 en 2021 75.000
starterswoningen opgekocht werden door mensen met geld, met als doel die
woningen te verhuren. Is de heer Vijlbrief het met mij eens dat het
logisch is dat die woningen terugvloeien naar de markt als je reguleert
en dat dat niet per se een reden zou moeten zijn om dan meteen weer aan
de wet te morrelen?
De heer Vijlbrief (D66):
Het antwoord is ja. Dat ben ik met hem eens. De heer De Hoop heeft het
over meer ruimte. Ik heb volgens mij in iedere verkiezingscampagne
waarin ik met u en met anderen hier in de zaal stond, precies hetzelfde
antwoord gegeven: nee, wij vinden deze wet nuttig om uitwassen te
voorkomen. Maar als mensen ideeën hebben … Daar stonden ook partijen met
ideeën. Mijn idee zou niet zijn om de hele Wet betaalbare huur maar even
terzijde te gooien of om enorm zware ingrepen te gaan doen. Daarvoor is
die wet gewoon te waardevol.
De voorzitter:
Tot slot.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Helder. Tot slot. Dan hoop ik ook niet dat het idee van het CDA wordt
doorgevoerd. Daardoor zullen de huren in de grote steden door de WOZ
namelijk wel weer omhooggaan. De heer Vijlbrief gaf eigenlijk al een
oplossing in zijn bijdrage: de corporaties de mogelijkheid geven om in
de middenhuur ook een rol te spelen, zoals de Europese Commissie met de
sociaaldemocratische Commissaris nu doet met de staatssteunregels. Is de
heer Vijlbrief het met me eens dat de minister eigenlijk voor deze zomer
die staatssteunmogelijkheden gewoon uitgewerkt moet hebben, zodat we dan
met elkaar aan de bak kunnen gaan, waardoor je dan ook het risico en de
consequenties van het uitponden enigszins dempt?
De heer Vijlbrief (D66):
Ik heb één probleempje met die redenering. Ik zie wél een rol voor
particuliere investeerders in de middenhuurmarkt. Ik zie daar niet
alleen maar een rol voor woningcorporaties. Ik begrijp best dat het
investeringsklimaat voor de particuliere investeerders zo moet zijn dat
die het ook aantrekkelijk vinden. Als we het daarover eens zijn, dan ben
ik het verder met de heer De Hoop eens. En ja, als de minister dat voor
de zomer uitgewerkt kan hebben … Maar ik heb zelf eens op het
departement rondgekeken. De uitwerking van Europese regels is meestal
niet heel eenvoudig. Dat moeten we dan van de minister horen donderdag.
Maar ik ben het ermee eens dat we dat graag snel willen. Dat vroeg ik
zelf ook al.
De heer Mooiman (PVV):
Ik denk dat de heer Vijlbrief terecht de situatie aansnijdt omtrent
prefabwoningen en de stapeling van bovenwettelijke eisen die door
gemeenten worden opgelegd. U zegt terecht dat verschillende partijen
daar ook al in een eerder stadium oproepen aan het kabinet voor hebben
gedaan. Ondanks dat ik het met u eens ben, zie je dat dat lastig
handhaafbaar is, zelfs als het kabinet een oproep doet aan die
gemeenten. Ik vraag me toch af hoe D66 beziet wat er gedaan kan worden
om die stapeling van eisen tegen te gaan.
De heer Vijlbrief (D66):
Goede vraag. Ik heb daar half antwoord op gegeven in het licht van een
andere discussie. Ik vind dat het kabinet er met gemeenten over in
gesprek moet gaan als gemeenten dat niet willen doen. Desnoods moet het
kabinet al haar middelen gebruiken in omgevingswetten et cetera, om
ervoor te zorgen dat gemeenten — ik vind het breder gelden — geen regels
maken die het oplossen van de woningnood in de weg staan. Daar gaat het
mij om. Het gaat mij er niet om de gemeentelijke autonomie aan te
tasten, far from that, maar ik zou wel heel graag willen dat iedere
gemeente waar woningnood heerst scherp voor ogen heeft dat dat de eerste
prioriteit is. Daar hoort dit idee dan dus ook bij.
De voorzitter:
Daarmee bent u aan het einde gekomen van uw inbreng.
De heer Vijlbrief (D66):
Ja, maar ik had nog twee zinnen: ik geloof echt dat de overeenkomsten in
het beleid op het gebied van wonen en de aanpak van de wooncrisis groter
zijn dan de verschillen en ik hoop bijzonder hard dat een volgend
kabinet dit samen met de Kamer kan aanpakken.
Dank u wel.
De voorzitter:
Ik dank u wel, meneer Vijlbrief. Dan geef ik het woord aan de heer Van
Asten voor zijn maidenspeech, een bijzonder moment. Ik wijs de leden
erop dat het daarbij niet gebruikelijk is om te interrumperen. Meneer
Van Asten, als u zover bent, heeft u het woord.
De heer Van Asten (D66):
Dank u wel. Dank, collega Vijlbrief en alle collega's die daarbij hebben
geholpen natuurlijk, voor het opwarmen van de zaal.
Voorzitter. Vandaag heb ik de eer om hier in de Tweede Kamer voor het
eerst het woord te voeren. Dat doe ik bij de begrotingsbehandeling van
Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Dat maakt deze maidenspeech
extra bijzonder, niet alleen omdat ik tot voor kort wethouder was in Den
Haag met Stedelijke Ontwikkeling in mijn portefeuille, maar ook omdat
wonen voor mij meer is dan beleid, cijfers en kaarten. Wonen is
persoonlijk.
Voorzitter. Ik ben van 1978. Volgens de statistieken betekent dit dat de
woningmarkt voor de generatie van mijn ouders en ook voor mij lange tijd
zeer gunstig was. Ik groeide op in Rijswijk. Toen ik 10 was, verhuisden
we van een flat langs het spoor naar een nieuwbouwwoning. In 2000 ging
ik op kamers in Leiden, waar ik fiscaal recht studeerde. Kom daar nog
maar eens om: een betaalbare kamer midden in het centrum van de stad. Na
mijn studie ging ik samenwonen, kochten wij onze eerste woning op een
gunstig moment en verhuisden we vijf jaar geleden opnieuw. Terugkijkend
zie ik hoezeer timing en kansen voor ons meewerkten. Hoe anders is dat
vandaag.
Uit de verhalen die ik hoorde als raadslid en wethouder, maar ook van
vrienden en familie, komt één ding pijnlijk naar voren: het vinden van
een geschikte woning is door het gierende tekort een loterij geworden.
Terwijl het hebben van een woning fundamenteel is om je eigen leven te
kunnen leiden. Voor mij betekende op kamers gaan in Leiden natuurlijk
vrijheid, het studentenleven, samenleven met leeftijdsgenoten, een
nieuwe fase. Maar het bracht meer. Een eigen plek geeft ruimte. Die
ruimte gaf mij de mogelijkheid om mezelf beter te leren kennen en te
durven zeggen wie ik ben. Dat ik ervoor kon uitkomen dat ik op mannen
val, gaf ruimte voor mijn hele ontwikkeling. Die bevrijding en ruimte
gun ik iedereen die worstelt met zichzelf, met zijn, haar of diens
omgeving. Ik ben ervan overtuigd dat dat niet los te zien is van het
hebben van een eigen plek en van de veiligheid, de autonomie en het
gevoel dat je ergens woont waar jij de regie hebt.
Voorzitter. Als wethouder zag ik wat een woning betekent voor mensen. Ik
zag dat het verschil kan maken tussen vastzitten en verder kunnen,
tussen afhankelijk blijven en een eigen leven opbouwen. Of het nu gaat
om een studentenkamer, een starterswoning of een passende woning voor
ouderen: een eigen plek is vaak de basis voor vrijheid en ontwikkeling.
Twaalf jaar gemeentepolitiek hebben mij laten zien hoe groot die opgave
is.
Niet iedereen krijgt vandaag de kansen die ik destijds had. Voor veel
mensen is de zoektocht naar een woning geen begin van hun leven, maar
een periode van stilstand. Ik zag dat scherp in de wijken van Den
Haag-Zuidwest. Ik zag slecht geïsoleerde woningen, achterstallig
onderhoud en bewoners met veel talent dat onvoldoende tot bloei kan
komen doordat de woningmarkt tegenwerkt, thuis en in de wijk. Juist
daarom ben ik zo blij met het Nationaal Programma Leefbaarheid en
Veiligheid. Dat is een programma dat perspectief biedt aan twintig
wijken in Nederland, waaronder Den Haag-Zuidwest. We kunnen het ons niet
veroorloven deze wijken, en vooral de mensen die er wonen, af te
schrijven. Hun talent verdient ruimte. Ik ben dan ook blij om te lezen
dat de minister bij de laatste voortgangrapportage schrijft dat we de
knellende wet- en regelgeving moeten doorbreken en samen een nieuwe
werkwijze moeten ontwikkelen. Ik hoor dan ook graag hoe de minister hier
concreet invulling aan zou willen geven.
Voorzitter. Het lostrekken van de woningmarkt is een van de grootste
opdrachten van de komende jaren. De vraag is niet óf we moeten bouwen,
maar hoe en waar. Precies daarom is de Nota Ruimte zo cruciaal. De Nota
Ruimte is het kompas voor de inrichting van Nederland in de komende
decennia. Hier maken we keuzes over hoe we schaarse ruimte verdelen
tussen wonen, natuur, landbouw, economie, defensie en recreatie. Zonder
duidelijke keuzes komt alles klem te zitten. Met duidelijke keuzes
kunnen we tempo maken in woningbouw, in bereikbaarheid en in
leefbaarheid.
Voorzitter. Kan de minister concreet aangeven welke aanvullende stappen
zij nu wil zetten bovenop de al genoemde 21 grootschalige gebieden om
binnen de contouren van de Nota Ruimte nieuwe woningbouwlocaties
planologisch, financieel en qua bereikbaarheid versneld gereed te maken,
zodat provincies en gemeenten na vaststelling van de Nota Ruimte ook
direct aan de slag kunnen?
Voorzitter. Ik ben een positief mens. Grote uitdagingen zijn er niet om
bij te somberen, maar om aan te pakken. Of hoe wij dat zeggen: het kan
wél. Ik heb gezien dat er veel mogelijk is wanneer overheden goed
samenwerken. Daarom wil ik mij inzetten voor een samenhangende aanpak
van woningbouw en mobiliteit. Als oud-voorzitter van de
Verstedelijkingsalliantie was mijn motto: "Geen rails, geen woning". Dat
zal ik hier dan ook blijven herhalen.
Voorzitter. Wonen gaat over ruimte en ruimte vraagt om keuzes. Met de
Nota Ruimte hebben we de kans om richting te geven, om duidelijkheid te
scheppen en om tempo te maken, zodat wonen weer een begin wordt en geen
blokkade. Daar zal ik mij de komende jaren voor gaan inzetten.
Dank u wel.
(Geroffel op bankjes)
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Van Asten. Het is een genoegen u zo dadelijk als
eerste de hand te mogen schudden. Ik wil u verzoeken daarna voor het
rostrum de felicitaties in ontvangst te nemen. De vergadering is een
enkel ogenblik geschorst.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering en geef het woord aan mevrouw Den Hollander
voor haar inbreng namens de fractie van de VVD.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Voorzitter. Mijn collega Peter de Groot is een bevlogen woordvoerder als
het gaat over woningbouw en andere volkshuisvestingszaken. Hij had hier
vandaag dan ook graag gestaan om met Kamerleden en het kabinet het
gesprek aan te gaan over de begroting Volkshuisvesting en Ruimtelijke
Ordening. Helaas is hij echter door ziekte aan huis gekluisterd. Vandaag
heb ik de eer om hem te mogen vervangen als het gaat om deze
onderwerpen. Het eerste deel van deze tekst heb ik van Peter mogen
ontvangen. Ik hoop dat de Kamerleden het mij zullen vergeven dat ik
wellicht niet alle vragen, mochten die gesteld worden, zal kunnen
beantwoorden. Ik wil wel alvast de toezegging doen dat ik mijn uiterste
best zal doen om daar dan in de tweede termijn van de Kamer alsnog op
terug te komen. Voordat ik start met de inhoudelijke bijdrage, wil ik de
organisatie danken voor het opstellen van de begroting en de
complimenten geven voor de overzichtelijke en vrijwel complete
Strategische Evaluatie Agenda, die te lezen is.
Voorzitter. Voor veel mensen in Nederland is een eigen huis geen
vanzelfsprekendheid meer. We leven inmiddels in een werkelijkheid waarin
er een groot tekort aan woningen is. Starters kunnen geen begin maken.
Jonge gezinnen zitten vast in een te kleine woning. En dit betreft ook
de middeninkomens. Ook mensen die werken, zorgen en ons land draaiende
houden, kunnen geen woning vinden. Al deze mensen zullen helaas de
werkelijkheid moeten inzien dat dit morgen niet ineens anders is. Het is
aan ons, de politiek, om nu de juiste keuzes te maken en om het aanbod
van woningen substantieel te vergroten. Het achterblijven van het aanbod
is geen natuurverschijnsel. Het is het gevolg van beleid, van politieke
keuzes en van een politiek die steeds meer wil sturen en reguleren, maar
ondertussen vergeet dat er zonder bouwen, zonder investeringen in
nieuwbouw en zonder meer nieuwe woningen niks te verdelen valt, terwijl
het hier in deze Kamer juist heel vaak gaat over het herverdelen van wat
we hebben. Het zou moeten gaan over méér: meer woningen, sneller en
daadkrachtiger. Voor de VVD is wonen namelijk geen beleidsdossier. Wonen
gaat over vrijheid, over eigenaarschap en over de mogelijkheid om je
leven op te bouwen. Precies die vrijheid staat vandaag de dag zwaar
onder druk.
Voorzitter. Dit demissionaire kabinet heeft miljarden euro's
uitgetrokken voor de woningmarkt. Ook voor 2026 staan van de in totaal 5
miljard van dit kabinet honderden miljoenen gereserveerd als impuls voor
bouwen: meerjarige woondeals, woningbouwimpulsen en
stimuleringsprogramma's die tot ver na 2030 doorlopen. Samen met de
investeringen door decentrale overheden lopen de investeringen in
woningbouw flink op, enkel en alleen op de huurmarkt zelfs tot 23
miljard per jaar. Dat zijn gigantische hoeveelheden geld. Aan middelen
ontbreekt het dus niet.
Toch laten de cijfers een ongemakkelijke werkelijkheid zien. In 2025
zijn naar verwachting ongeveer 77.000 woningen gebouwd, minder dan het
jaar daarvoor en ver onder wat nodig is om het woningtekort van 400.000
woningen terug te dringen. In de eerste helft van 2025 zijn slechts
31.600 nieuwbouwwoningen opgeleverd. Dat is het laagste halfjaarcijfer
in jaren. Wat nog zorgelijker is, is dat de aanvoer voor de komende
jaren onder druk staat. In 2025 zijn ruim 13% minder bouwvergunningen
afgegeven dan een jaar eerder. Dat is geen statistiek voor vandaag; dat
is een probleem voor morgen. Minder vergunningen nu betekent minder
woningen over twee, drie of misschien wel acht tot tien jaar, moet ik
helaas zeggen, want zo lang duurt het inmiddels om tot daadwerkelijk
bouwen te komen. Hoe kijkt de minister naar deze cijfers nu we zien dat
ondanks de miljardeninvesteringen de bouwproductie niet structureel
toeneemt? Deelt zij de zorg dat de vergunningverlening nu het fundament
legt voor een nieuwe bouwdip in de komende jaren? Welke fundamentele
ingrepen zijn nodig om het tij te keren?
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Ik heb even zitten wachten om te horen of er ook nog iets over
seniorenwoningen langskwam, maar dat lijkt bij de VVD eigenlijk niet zo
op het netvlies te staan, terwijl we toch weten dat een verhuizing van
een senior drie verhuisbewegingen met zich meebrengt. Mijn vraag is: hoe
kijkt de VVD aan tegen de plannen, die maar niet van de grond komen, om
290.000 seniorenwoningen of zorggerelateerde woningen te bouwen?
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Ik heb hier vijf A4'tjes voor mij liggen. Ik ben nu bij pagina 2. Het
woord "doorstroming" komt zeker nog tevoorschijn. Ik weet niet of u
daarop wilt wachten of heel graag wilt dat ik daar nu op inga. Dan moet
ik even mijn tekst husselen.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Ik wil eigenlijk wel heel graag weten wat de VVD voor plannen heeft
rondom seniorenwoningen en zorggerelateerde woningen.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
De VVD vindt het bouwen van meer woningen heel belangrijk. Wij willen
niet dat we alleen maar aan het herverdelen zijn of zeggen: we gaan nu
alleen voor senioren bouwen in plaats van voor starters. Wij willen
gewoon veel meer gaan bouwen, voor alle doelgroepen. Maar we willen
vooral ook dat de doorstroming op gang komt, waardoor ook een natuurlijk
proces op gang komt waarbij senioren bijvoorbeeld nieuwe woningen kunnen
krijgen die leeftijdsgericht zijn, levensloopbestendige woningbouw,
waardoor hun woning weer vrijkomt voor een andere generatie.
De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Van Brenk. Nee? Meneer Grinwis.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Het is natuurlijk hartstikke goed dat collega Den Hollander hier staat
om waar te nemen voor collega Peter de Groot, die ziek is. Vanaf deze
plaats wens ik hem beterschap. Ik weet hoezeer hij van wonen houdt als
onderwerp om over te debatteren en dat hij hier echt stevig van baalt.
Mijn vraag slaat terug op een punt waar mevrouw Den Hollander de vinger
op legde, namelijk dat er steeds minder vergunningen worden verleend.
Dat is een goede voorspeller voor hoeveel woningen de komende jaren
gebouwd gaan worden, namelijk steeds minder. We raken dus steeds verder
weg van die 100.000. Daar kun je heel veel redenen voor aanwijzen:
stikstof, wethouders en ambtenaren die er misschien te lang over doen.
Maar één gehoorde reden in het land bij juristen die deskundig zijn op
het gebied van omgevingsvergunningen, is dat de Omgevingswet het ook wel
heel ingewikkeld gemaakt heeft. Het is een illusie dat wij in Den Haag
dingen samenbrengen en voor ons gevoel op papier vereenvoudigen met een
Omgevingswet of met een Realisatiestimulans, in plaats van dat we
specifieke wetten en specifieke regelingen invoeren. Hebben we daar
misschien niet een fout gemaakt? Of is dat gewoon nog leergeld dat we
moeten betalen?
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Ik vind het wel ietwat voorbarig om de conclusie te trekken dat de
Omgevingswet een fout was. Als wethouder heb ik zelf ook te maken gehad
met de Omgevingswet. Ik weet hoe ingewikkeld die is. Dat geldt
bijvoorbeeld voor het DSO, het Digitaal Stelsel Omgevingswet. Het is
echt nog heel erg zoeken voor ambtenaren om daar de juiste zaken in te
vullen. Ik weet ook hoe complex het is voor aanvragers om een aanvraag
te doen. Ik denk dat het heel goed is om die wet te evalueren. Dat doen
we volgens mij met elke nieuwe wet die we in de Kamer hebben. Maar het
gaat ook niet alleen om de lengte van de vergunningaanvraag. Die willen
we heel graag verkorten. Het gaat vooral ook heel erg om de
bezwaarmakers. Daar kom ik zo meteen nog even op terug. De VVD vindt het
heel belangrijk dat die notoire bezwaarmakers, die er hun beroep van
maken om bezwaar te maken, strenger aangepakt worden, bijvoorbeeld door
de griffierechten te verhogen.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik wil de Omgevingswet niet gelijk door het putje spoelen, hoor, maar ik
hoor wel van te veel deskundigen — collega Den Hollander is zelf
wethouder geweest en heeft ermee te maken gehad — dat die waarschijnlijk
leidt tot een hiccup in de vergunningverlening. Misschien kan de
minister daar ook op terugkomen. Ik ben het zeer eens met collega Den
Hollander over het punt van het bezwaar maken. Samen met collega
Meulenkamp heb ik een motie ingediend om een voortoets naar Duits model
in te voeren. Daar was de minister enthousiast over, maar die komt er
uiteindelijk niet. Wat vindt zij van het idee dat, als een
woningbouwproject waarvoor een omgevingsvergunning wordt afgegeven past
binnen het omgevingsplan, voorheen het bestemmingsplan, er geen bezwaar
en beroep meer tegen kan worden aangetekend? Er is namelijk al een
beroep- en bezwaarmogelijkheid geweest, bij het opstellen van het grote
omgevingsplan. Dit is verstrekkend; dat geef ik gelijk toe. Maar we
moeten inventief zijn om die woningen daadwerkelijk te gaan bouwen voor
al die zoekenden.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Ik denk dat er altijd een balans moet zijn tussen het recht om bezwaar
te maken, waarmee je je kunt beschermen tegen ongewenste ontwikkelingen,
en het onrecht dat er ontstaat als zo'n bezwaar maar wordt gerekt,
nogmaals wordt verlengd en verderop gaat. Ik denk dat daar een balans in
moet zijn. Ik vind het wel belangrijk dat mensen het recht houden om
bezwaar te maken, maar het moet korter en het moet sneller beantwoord
worden. Er moet niet nog een keer een stap bovenop gedaan worden.
De voorzitter:
U vervolgt.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Voorzitter. Als we de zojuist genoemde cijfers serieus nemen, moeten we
ook eerlijk zijn over de rol van de overheid, want een groot deel van de
onzekerheid in de bouw komt niet uit de markt maar uit beleid. De
stapeling van eisen en regels maakt projecten steeds moeilijker rond te
rekenen. Denk aan de steeds verdergaande regulering van huren, de
grotere rol van overheidsdiensten in de woningbouw, het invoeren van
allerlei belastingen op grond en op leegstand en de voortdurende
onzekerheid over de toekomst van de hypotheekrenteaftrek. Al deze
maatregelen grijpen in op dezelfde markt en vergroten samen het risico
voor investeerders, ontwikkelaars en voor de grootste groep: de
woningafnemers en woningkopers. Het resultaat is voorspelbaar: projecten
worden uitgesteld, versoberd of helemaal geschrapt, niet omdat men niet
wil bouwen, maar omdat het simpelweg niet meer kan.
De heer Mooiman (PVV):
Ik wil nog even ingaan op het stuk hypotheekrenteaftrek. Wat ons betreft
moet die ook zeker blijven bestaan en moet er absoluut niet aan getornd
worden. De VVD heeft dat in de campagne natuurlijk ook tot een thema
gemaakt, namelijk dat ze niet in een nieuw kabinet stapt op het moment
dat de hypotheekrenteaftrek wordt geschrapt dan wel wordt gewijzigd.
Staat dat nog steeds?
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Volgens mij is de VVD in de campagne heel helder geweest over het belang
van de hypotheekrenteaftrek. Dat is ook de inzet die wij plegen.
De heer Mooiman (PVV):
Maar ik hoor hier toch wat ruimte. Er is natuurlijk nadrukkelijk gezegd
dat men niet in een kabinet zal stappen dat tornt aan de
hypotheekrenteaftrek. Maar ik hoor hier nu het woord "inzet". Kunt u
niet gewoon garanderen dat de VVD inderdaad niet in zo'n kabinet zal
stappen?
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Ik zit niet aan de formatietafel. De inzet van de VVD is dat er niet aan
de hypotheekrenteaftrek getornd wordt, omdat wij het uitermate
belangrijk vinden dat die blijft.
De voorzitter:
Tot slot.
De heer Mooiman (PVV):
Ja, tot slot. Dus ik kan concluderen dat de hypotheekrenteaftrek wel
degelijk gewijzigd of zelfs geschrapt kan worden, en dat de VVD dat
alleen gaat proberen tegen te houden.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Volgens mij was ik helder. Ik laat de conclusie aan u. De inzet van de
VVD is helder. Wij willen rust in de portemonnee, ook de komende
jaren.
De voorzitter:
U vervolgt. Ik wil u erop wijzen dat het gebruikelijk is om via de
voorzitter te spreker. U vervolgt uw betoog.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Excuus. Erkent de minister dat de opeenstapeling van overheidsingrepen
bijdraagt aan het teruglopende bouwtempo en de dalende
vergunningverlening? Waar ligt voor de minister de grens tussen sturen
op betaalbaarheid en beleid dat de woningbouw feitelijk verstikt? Hoe
ziet de minister haar rol in het sturen op doorstróming — ik moet
eigenlijk dóórstroming zeggen, anders hebben we hier een IenW-begroting
in plaats van een Volkshuisvestingbegroting — in plaats van enkel op
betaalbaarheid? Professor Boelhouwer zegt namelijk nadrukkelijk dat de
woningmarkt een voorraadmarkt is, dus dat er gestuurd moet worden op
voldoende woningen voor senioren. De nieuwbouw van middenhuurwoningen en
betaalbare koopwoningen is, als je kijkt naar de benodigde
woningvoorraad volgens het onderzoek van ABF, essentieel. Maar ook te
veel bestaande huurwoningen zitten vast. Mensen wonen scheef en betalen
niet-marktconforme huren, terwijl anderen geen woning kunnen vinden. Dat
is niet eerlijk en werkt ook verlammend op de hele woningmarkt.
Vanmorgen nog was in het nieuws te lezen dat bijna 12.000 huurders van
een sociale huurwoning ook eigenaar zijn van een koopwoning. Kan de
minister aangeven of er wel voldoende toezicht is op de verdeling van de
schaarse sociale huurwoningen? En hoe gaat de minister ervoor zorgen dat
corporaties scheefhuurders daadwerkelijk marktconforme huren laten
betalen zodat doorstroming op gang komt?
Voorzitter. Voor de VVD is een gezonde woningmarkt ook een kwestie van
eigenaarschap. Een eigen huis moet weer bereikbaar worden voor starters
en middeninkomens. Niet alleen sociale huur, maar juist ook betaalbare
koopwoningen zijn essentieel voor doorstroming en perspectief. Het
Nationaal Fonds Betaalbare Koopwoningen is operationeel gemaakt. Daarmee
is een startkapitaal van circa 100 miljoen tot stand gebracht met de
Kamerinzet van de ChristenUnie en de VVD. De motie van de heer Peter de
Groot van vorig jaar, die vraagt hoe we hierna externe
financieringsbronnen zoals pensioenfondsen of andersoortig kapitaal
daadwerkelijk gaan inzetten en verzoekt om het fonds structureler en
groter te maken, is nog niet concreet beantwoord of uitgewerkt in een
Kamerbrief. Ik zou van de minister graag willen horen waarom deze
concrete stappen nog niet gezet zijn.
Voorzitter. Ik wil ook graag kort aandacht vragen voor woningen die
onnodig vastzitten door trage procedures en starre interpretaties van
regels, bijvoorbeeld bij Beter Benutten, vakantieparken en
transformatieopgaven. Duizenden woningen zijn feitelijk beschikbaar,
maar komen niet op de markt. Juist hier kan sneller schakelen het
verschil maken, door transformatie mogelijk te maken, door pragmatisch
te gedogen waar dat verantwoord is en door niet elk probleem te
benaderen vanuit nieuwe regels, maar vanuit oplossingen. Is de minister
bereid om op dit terrein sneller en soepeler te handelen, en gaat de
minister nu ook echt komen met een transformatieaanpak voor
vakantieparken?
Voorzitter. In de ruimtelijke ordening wordt de komende maanden
gesproken over de Nota Ruimte, een zeer belangrijk richtinggevend
document. De ruimte in Nederland is schaars en er zijn veel
ruimtevragers. Dit vraagt om een goede afweging en om het maken van
duidelijke keuzes. Als Kamerleden hebben wij veel reacties ontvangen van
veel regio's in het land, die vragen hebben over de opgestelde Nota
Ruimte en over de speelruimte die zij nog hebben als de Nota Ruimte is
vastgesteld. Om die reden heb ik bij de commissie aangedrongen op de
start van een nieuwe voorbereidingsgroep, om het gesprek aan te gaan met
de regio's voordat de Nota Ruimte definitief wordt gemaakt. Het is
belangrijk om structurerende keuzes te maken, maar dan wel zo veel als
mogelijk samen met de regio's. De provincies, de gemeenten en de
waterschappen nemen namelijk de uitvoering van de gebiedsprocessen op
zich, maar wij zullen landelijk een duidelijke richting moeten meegeven.
Dit kunnen we niet afwentelen op de regio's. Op dit moment worden in de
Nota Ruimte keuzerichtingen voor Nederland geschetst. Volgens de
gemeenten kan de Nota Ruimte alleen effectief zijn als deze gekoppeld
wordt aan een integrale uitvoerings- en investeringsagenda. Kan de
minister aangeven of deze vraag vanuit de regio's gehoor vindt en of de
bestaande onduidelijkheid over de financiering beantwoord wordt?
Voorzitter. De VVD kiest voor bouwen, eigenaarschap en vrijheid, voor
minder regels, minder verstikking en meer woningen, voor beleid dat
ruimte geeft in plaats van afknelt, voor een snellere doorloop van
vergunningaanvragen en voor het beperken van beroepsmatige
bezwaarmakers. De komende jaren worden er miljarden geïnvesteerd in de
woningmarkt. Dan mogen Nederlanders ook verwachten dat dit leidt tot
meer woningen, meer tempo en meer perspectief. De woningzoekenden in
Nederland kunnen niet wachten.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan is het woord aan ... Of nee, eerst toch een interruptie
van de heer Mooiman.
De heer Mooiman (PVV):
Voorzitter, ik dacht inderdaad: ik doe het aan het einde. In de
toespraak van mevrouw Den Hollander hoorde ik eigenlijk niks terug over
de vraagkant van het verhaal. Ik ben het er natuurlijk mee eens dat we
enerzijds iets moeten doen aan het aanbod, maar anderzijds moeten we ook
wat doen aan de vraag. In dat kader wordt er gewerkt aan het verbod
omtrent voorrang voor statushouders. Mijn vraag aan mevrouw Den
Hollander is of de VVD daar nog steeds achter staat, ook gelet op het
feit dat die formeert met twee partijen die daartegen zijn.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
We vallen een klein beetje in herhaling. Ik zit niet aan de
formatietafel. De VVD zet er inderdaad op in dat het gewoon blijft zoals
het in het programma stond.
De heer Mooiman (PVV):
Helder. Ik denk dat dit toch belangrijk is. We hebben natuurlijk de
discussie over de voorrang. Aan de andere kant hebben we ook de
discussie over het schrappen van de verplichte taakstelling voor
gemeenten. Dat is iets waar dit kabinet, weliswaar demissionair, nog
voor heeft gepleit. Ik ga ervan uit dat de VVD blijft staan achter het
schrappen van die taakstelling voor gemeenten.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
De VVD strijdt er al jaren voor om de instroom vooral te beperken. Als
de instroom beperkt wordt, is ook het spreiden op een andere manier
mogelijk. Volgens mij is dat heel helder.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan de heer Mooiman voor zijn
inbreng in de eerste termijn, namens de fractie van de PVV.
De heer Mooiman (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Voor ons ligt de begroting voor 2026 van het
ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Een begroting
die in grote lijnen voortbouwt op de begroting van het voorgaande jaar.
Zo wijst het kabinet op de eerder vrijgemaakte 5 miljard euro voor de
woningbouw, die via de verschillende instrumenten wordt ingezet, alsmede
op de 2,5 miljard voor de bijbehorende infrastructuur.
Hoewel het goed is dat de woningbouw nadrukkelijker prioriteit heeft
gekregen en er weer een ministerie is dat zich hiervoor inzet, is er
meer nodig. We hebben immers nog altijd te maken met een enorme
woningcrisis. Het woningtekort is opgelopen tot meer dan 400.000
woningen en neemt vooralsnog ieder jaar toe. Door de schaarste zijn
koop- en huurprijzen naar recordhoogte gestegen. Nog nooit was een huis
zo duur. De gemiddelde prijs van een bestaande woning lag vorig jaar op
ongeveer €496.000. Dat is bijna een half miljoen, voorzitter.
Ook de wachtlijsten voor sociale huurwoningen zitten nog altijd
muurvast. Gemiddeld sta je in Nederland meer dan zeven jaar op een
wachtlijst, terwijl ook wachttijden van tien jaar, of in een aantal
gemeenten zelfs twintig jaar, geen uitzondering meer zijn. De
woningcrisis zorgt er dus voor dat jongeren en starters steeds vaker
geen woning kunnen vinden. Hierdoor worden levens uitgesteld. Maar ook
voor hen die willen doorstromen naar een meer passende woning,
bijvoorbeeld ouderen, is vaak niets beschikbaar. Een woning in het rijke
Nederland is verworden tot een luxeproduct. Dat is simpelweg
onacceptabel. Het is daarom van groot belang dat we snel voldoende
betaalbare en ook passende woningen bouwen om het tij te keren en om te
zorgen dat Nederlanders wel weer een geschikte woning kunnen vinden.
Daarvoor is het belangrijk dat we de doelstelling van de 100.000
woningen per jaar gaan halen. Het is hoog tijd dat we het woningtekort
echt als crisis gaan behandelen. Daarom moeten we erop inzetten om de
woningbouw zo veel mogelijk te bevorderen. We zullen dus ook volop
buiten de stad moeten gaan bouwen en daaraan ook de ruimtelijke
prioriteit moeten geven, evenals aan het ontwikkelen van nieuwe
grootschalige woningbouwlocaties.
Ook aan de randen van steden en dorpen kan er veel. Niet enkel een
straatje erbij, maar ook buurten en hele wijken. Binnenstedelijk kunnen
we naast woningbouw verder inzetten op het transformeren van kantoor- en
bedrijfspanden, het optoppen en uitplinten van de daarvoor geschikte
gebouwen en het makkelijker maken van het splitsen en delen van
woningen. Op verschillende lagen bestaan er nog steeds allerlei regels
die dit bemoeilijken, ondanks dat de nood hoog is.
Om de woningcrisis effectief te lijf te gaan, zal het dus en-en moeten
zijn, en niet of-of. Dat wil zeggen: zowel binnenstedelijk als
buitenstedelijk, en grootschalig en kleinschalig. Gemeenten en andere
relevante partners zullen daartoe in staat gesteld moeten worden. Dit
wil zeggen dat we op het gebied van regelgeving afstemming nodig hebben,
maar ook dat overheden elkaar niet tegenwerken. Neem bijvoorbeeld het
straatje erbij. Dat is iets waar bijna de gehele Kamer voorstander van
is en dat veel potentie heeft voor nieuwe woningen. Het is een goede
manier om bestaande gebieden uit te breiden en draagt ook nog eens bij
aan de vitaliteit en leefbaarheid van kernen. Toch zien we in de
praktijk dat verschillende provincies in het omgevingsbeleid eisen
hanteren die woningbouw buiten bestaand stads- en dorpsgebied
bemoeilijken of zelfs onmogelijk maken en dat er beperkingen worden
opgelegd aan woningbouwplannen en ambities die wij hier met elkaar
vaststellen. Zo hanteert de provincie Zuid-Holland bijvoorbeeld de eis
dat "een straatje erbij" zich beperkt tot maximaal 1,5 hectare. Maar
veel gemeenten willen de ruimte gebruiken die het Rijk geeft en ervoor
zorgen dat zij, ook buiten een stad en aan de randen, zo veel mogelijk
woningen kunnen toevoegen. Is de minister het met de PVV eens dat de
ruimte die door het Rijk geboden wordt, niet zou moeten worden ingeperkt
door provinciale regels?
Voorzitter. Daarmee kom ik gelijk op mijn volgende punt, regie. We
moeten ervoor zorgen dat het Rijk weer de nationale regie neemt én
krijgt over onze volkshuisvesting. Dat wil zeggen dat we scherp moeten
hebben waar het vastloopt en adequaat en tijdig moeten ingrijpen waar
dat nodig is. Bij woningbouwprojecten als de Gnephoek in Alphen aan den
Rijn, Cortelande in Zuidplas of Bleizo-West in Lansingerland zagen we
dat er, ondanks dat er al heel lang vanuit de lokale politiek voor
bebouwing van deze locaties werd gepleit, vanwege bestuurlijke
onenigheid of een gebrek aan de juiste samenwerking jaren overheen
gingen voordat er stappen werden gezet. In Alphen aan den Rijn zien we
dat nu opnieuw gebeuren bij een ander project. De gemeente wil graag
woningen realiseren in het dorp Koudekerk, wat nodig is om in de
woningbehoefte te voorzien en om de vitaliteit van de kern te
verbeteren. Door een gebrek aan woningen vertrekken veel jongeren uit
het dorp, maar toch zegt de provincie weer nee. Zo kunnen mensen
natuurlijk heel lang gaan wachten op die nieuwe woningen. Is de minister
bekend met dit woningbouwproject en is zij bereid om in overleg te
treden hierover, om te zorgen dat ook dit project wel doorgang kan
vinden? Hoe gaat de minister in de breedte ervoor zorgen dat provincies
niet vooral een remmende factor worden voor de
woningbouwproductie?
Voorzitter. Wat betreft woningbouw en waar concreet gebouwd kan gaan
worden, ligt een deel van de oplossing in de Nota Ruimte, die net al
even werd aangehaald. Binnenkort gaan we die met elkaar behandelen.
Richting de publicatie van de Nota Ruimte werden verschillende gebieden
gepresenteerd als grootschalige woningbouwlocatie, die ook wettelijk
verankerd zullen worden. Er zijn middelen voor vrijgemaakt. Deze
locaties zullen helpen om meer en sneller betaalbare woningen te
realiseren. Daarnaast zijn ook een hoop locaties aangemerkt als
regionaal grootschalig of doorbraaklocatie, maar deze locaties missen
dezelfde concrete invulling die grootschalige woningbouwlocaties wél
krijgen, ondanks dat deze locaties zeker niet minder nodig zijn. Wanneer
komt de minister met concrete voorstellen om ook deze laatste
categorieën te ondersteunen? Dan heb ik het ook over ondersteunen met
middelen.
Voorzitter. Een ander probleem ten aanzien van de woningbouw is de
situatie omtrent de vergunningverlening alsmede bezwaar- en
beroepsprocedures, waardoor plannen om woningen te bouwen nodeloos
worden vertraagd of helemaal geen doorgang vinden. We hebben het er
regelmatig over gehad. Recent is er middels de Wet regie, die weliswaar
nog terugkomt in de Kamer middels een novelle, een aanzet gedaan om
regels aan te passen om woningbouwplannen te versnellen. Maar terwijl we
in Nederland ontzettend veel zaken kapot hebben geregeld en we daarom
via allerlei wegen moeten pogen om processen te versnellen, zien we dat
het bij onze oosterburen heel anders wordt aangepakt. Dan heb ik het
over de zogenoemde Duitse Bau-Turbo. Dat is een noodmaatregelenpakket
van de Duitse overheid om de woningnood aan te pakken door bouwregels te
versoepelen, vergunningstermijnen te verkorten en te automatiseren, en
gemeenten meer ruimte te geven om te bouwen, ook als dat volgens wet- en
regelgeving en bestemmingsplannen niet mag. Hoe kijkt de minister naar
deze maatregelen, ook in het kader van STOER, waar de minister
natuurlijk mee bezig is geweest en wat ook een hele goede aanzet is? Is
zij bereid om dit Duitse model te analyseren en om eventueel kansrijke
elementen over te nemen in het programma STOER?
Voorzitter. Ik vervolg graag met een ontwikkeling die ervoor zorgt dat
er meer betaalbare woningen in Nederland gerealiseerd kunnen worden. Ik
heb het dan over de nieuwe staatssteunregels van de Europese Commissie
waardoor corporaties goedkoper kunnen lenen om middenhuurwoningen te
bouwen. Het is iets waar we al een tijd op wachten en waar de minister
ook al een tijd mee bezig is, en het zorgt voor duizenden extra
betaalbare woningen per jaar. Dat is dus een goede ontwikkeling.
Tegelijkertijd zien we echter dat ook andere partijen een grotere
bijdrage willen leveren om meer betaalbare woningen te realiseren. Zo
hebben marktpartijen aangegeven dat zij in grotere volumes willen
bouwen, maar dat zij dan wel een systeem dat lijkt op het WSW ambiëren,
zodat projecten sneller van de grond kunnen komen. Hoe kijkt de minister
naar de oproep van deze partijen? Waar ziet zij mogelijkheden?
Voorzitter. Hoewel het goed nieuws is dat woningbouwcorporaties meer
betaalbare woningen kunnen realiseren, hebben we ook nog steeds te maken
met de terugkerende discussie over de vennootschapsbelasting, de vpb,
voor woningbouwcorporaties. Zoals we weten, legt de vpb een grote last
op de schouders van corporaties, waardoor er minder woningen worden
gerealiseerd. Het volledig schrappen van de vpb zou middelen vrijmaken
om meer woningen te bouwen. De PVV wil de vpb voor woningbouwcorporaties
dan ook volledig afschaffen. Wel moet deze ruimte ook daadwerkelijk voor
nieuwe betaalbare woningen worden benut. Er mogen dus geen grote
verschillen meer zijn tussen bijvoorbeeld het aantal te verwachten en
het aantal gerealiseerde nieuwbouwwoningen. In eerdere jaren hebben we
immers gezien dat slechts 57% van de door corporaties beloofde woningen
daadwerkelijk werd gebouwd. Het afschaffen van de vpb hangt wat ons
betreft ook samen met de discussie over betaalbaardere huren, waarvoor
we in de tweede termijn een voorstel zullen indienen.
Voorzitter. Ondanks dat we flink zullen moeten bijbouwen — nogmaals,
daar gaan we verschillende voorstellen voor doen — is er natuurlijk meer
nodig dan bouwen alleen om de wooncrisis te bedwingen. Dat wil zeggen
dat met name het asielsysteem drastisch hervormd moet worden. We zullen
ook iets aan de vraagkant moeten gaan doen. Terwijl er gesproken wordt
over het slopen van Moerdijk, een dorp met 1.100 woningen, komen er
wekelijks ongeveer 1.100 asielaanvragen bij. Daar valt natuurlijk lastig
tegenop te bouwen. Binnenkort hebben we het in dat kader ook over het
verbod op de voorrang voor statushouders bij de toewijzing van sociale
huurwoningen, een langgekoesterde wens van de PVV-fractie. Daar gaan we
het natuurlijk bij de behandeling van de betreffende wet uitgebreid over
hebben, alsmede over wat er volgens ons nog ontbreekt en waar nog
risico's zijn die wij willen dekken.
Wat de PVV betreft is het echter ook van groot belang dat gemeenten
statushouders überhaupt niet meer hoeven op te vangen, niet in sociale
huurwoningen, maar ook niet elders. We willen dan ook van de minister
weten waar het wetsvoorstel blijft voor het schrappen van de verplichte
gemeentelijke taakstelling voor de opvang van statushouders. De minister
heeft in het verleden meermaals naar andere bewindspersonen verwezen,
maar is nu natuurlijk zelf al een tijd verantwoordelijk voor zowel het
woondossier als een groot deel van het asieldossier. We zien daar echter
weinig voortgang in. Is de minister het met de PVV eens dat die
taakstelling zo snel mogelijk moet worden geschrapt? Kan zij hier de
status van aangeven? Iedere dag worden er namelijk nog steeds woningen
aan statushouders weggegeven, terwijl de Nederlandse woningzoekende geen
kant op kan. Dat kan niet langer.
Voorzitter. Tot slot het makelaarsdossier. Verschillende partijen,
waaronder die van ons, vragen al langere tijd actie van het kabinet om
delen van het verkoopproces te standaardiseren en te professionaliseren.
Daartoe zijn ook verschillende moties aangenomen, onder andere van mijn
hand, bijvoorbeeld een motie over een biedlogboek alsmede een motie over
een kwaliteitsstandaard waarin onder andere een gedragscode,
opleidingseisen, het tuchtrecht en een meldpunt zijn opgenomen. Hoe is
de minister nu van plan daar verder mee om te gaan, ook gelet op de
recente ontwikkelingen in de sector? Wat is momenteel de status met
betrekking tot de partners?
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Ik dank u wel. Ik geef het woord aan de heer Vermeer voor zijn inbreng
in eerste termijn namens de BBB.
De heer Vermeer (BBB):
Voorzitter. Voor BBB is het uitgangspunt bij deze begroting onveranderd
en glashelder: elke regio telt. We zien in de begroting voor 2026 de
ambitie om te bouwen aan 100.000 woningen per jaar. Dat is hard nodig,
maar voor BBB gaat het niet alleen om de aantallen, maar vooral ook om
waar en hoe we bouwen; ik had daar al een debatje over met de heer
Vijlbrief. Regie vanuit Den Haag mag nooit veranderen in een
Randstedelijke blauwdruk die geen recht doet aan onze dorpen, kernen en
provincies.
Onze visie op woningbouw is simpel en praktisch: bouwen met gezond
verstand. Dat betekent dat we afscheid moeten nemen van de verstikkende
regels die bouwen onnodig ingewikkeld maken. BBB is daarom blij met het
schrappen van de Ladder voor duurzame verstedelijking. Geef gemeentes
gewoon weer de ruimte om buiten bestaand stedelijk gebied te bouwen en
maak dat vertrouwde straatje erbij in dorpen mogelijk. Juist daar kan
snel, betaalbaar en passend worden gebouwd.
Voorzitter. Een ander belangrijk punt is de instructieregel permanente
bewoning van recreatiewoningen. Er bereiken ons nog steeds veel
verontrustende signalen over hoe de handhaving op recreatieparken in de
praktijk verloopt. Kan de minister aangeven wanneer zij verwacht dat
deze wantoestanden aangepakt kunnen worden? Wanneer kan die
instructieregel ingaan?
Voorzitter. In de media verscheen vandaag een bericht waaruit blijkt dat
minstens 12.000 sociale huurders ook een of meer koopwoningen bezitten;
verschillende collega's refereerden er al aan. Dit terwijl
tegelijkertijd honderdduizenden mensen jarenlang op een sociale
huurwoning wachten. Omdat het CPB, de corporaties en het Rijk op dit
moment geen volledig beeld lijken te hebben, vraag ik de minister om zo
snel mogelijk een brief aan de Kamer te sturen met alle ins en
outs.
Voorzitter. Laten we bouwen aan Nederland met de regio als partner,
praktisch, haalbaar en met gezond verstand.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Vermeer. Ik geef het woord aan de heer De Hoop voor
zijn inbreng in eerste termijn namens de fractie van GroenLinks-Partij
van de Arbeid. Ik stel voor om na de maidenspeech van mevrouw Zalinyan
te schorsen voor de dinerpauze. U heeft het woord, meneer De Hoop.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Dank, voorzitter. Voordat ik begin aan mijn bijdrage wil ik natuurlijk
allereerst de heer Van Asten feliciteren met zijn mooie maidenspeech. Ik
heb echt zin om verder met hem te gaan samenwerken. Ook wens ik alvast
mevrouw Steen van het CDA en mijn collega Zalinyan succes, die zo meteen
ook een maidenspeech gaan houden. Ik ben ook blij met de nieuwe
collega's de heer Clemminck van JA21 en mevrouw Van Brenk, die terug is
namens 50Plus. Dat is toch een extra sociaaldemocraat in deze commissie,
daar kan ik natuurlijk alleen maar blij mee zijn.
Voorzitter. Ik heb geluisterd naar de twee van de drie beoogde
coalitiepartijen die al aan het woord zijn geweest; het CDA spreekt zo
meteen nog na ons. Zij vormen de drie partijen die samen de komende
jaren het land moeten besturen en die vandaag een voorproefje geven van
hun recept om de wooncrisis op te lossen. Ik hoorde al een aantal
bekende maatregelen voorbijkomen: tien nieuwe steden, grondpolitiek,
meer regie. Dat zijn maatregelen waar ik hartstikke blij van word. U
verwacht natuurlijk van mij dat wij vanuit GroenLinks-Partij van de
Arbeid onze maatregelen en ons recept daaraan toevoegen. Maar ik ga het
vandaag toch een beetje anders doen, want volkshuisvesting is wat mij
betreft veel meer dan een aantal losse maatregelen. Alle maatregelen en
voorstellen zijn heus belangrijk; daar willen wij niks aan afdoen. Maar
het is wat ons betreft niet voldoende en ik zal ook uitleggen
waarom.
Voorzitter. We zijn de afgelopen decennia getuige geweest van het verval
van de volkshuisvesting. Een betaalbare, mooie woning is een luxeobject
geworden. Lage inkomens kunnen geen sociale huur meer vinden en de
middenklasse kan door torenhoge huren bijna niet meer rondkomen. Een
gemiddelde koopwoning — collega Mooiman van de PVV zei het al — kost
tegenwoordig een half miljoen. Een half miljoen euro! De woningnood
heeft echt zijn kookpunt bereikt. In zo'n tijd heb je niks aan losse
maatregelen zonder ideologisch fundament. Zo'n tijd vraagt om een
kompas, om overtuiging en om idealen in antwoord op de vraag hoe dit
land uit de wooncrisis kan komen. En zo'n tijd vraagt ook om politici
die door muren gaan voor mensen. Politici die ervoor zorgen dat de
ongelijkheid tussen huurders en mensen die de woningen bezitten kleiner
wordt. Dat we de verschillen tussen arm en rijk kleiner maken. Dat we
niemand in de kou laten zitten en al helemaal niet tienduizenden mensen
in Nederland bij -10 graden in de kou buiten laten slapen. Hoe kijkt de
minister naar het zeer alarmerende rapport over de voortgang van het
Nationaal Actieplan Dakloosheid? Heeft zij ook gelezen dat tenzij zij nu
in beweging komt, we het doel van 2030 niet halen?
Juist in moeilijke tijden moeten we dit land socialer maken. Dat begint
bij sociale voorzieningen. Dat begint bij volkshuisvesting. Maar we
weten hier ook allemaal dat wij niet degenen zijn die al die broodnodige
huizen gaan bouwen. Dat zijn onze bouwers, pensioenfondsen,
ontwikkelaars en corporaties. Juist al die bondgenoten moeten we in hun
kracht zetten, bijvoorbeeld door de idiote winstbelasting voor
corporaties af te schaffen, die hen elk jaar meer dan een miljard kost.
Klopt het dat die corporaties nu kampen met een tekort van 20 miljard om
aan de Nationale Prestatieafspraken te kunnen voldoen? Waarom stopt de
regering niet met het belasten van volkshuisvesting? Laten we überhaupt
sociale huur uit het verdomhoekje halen, door ervoor te zorgen dat ook
de middenklasse toegang krijgt tot meer betaalbare woningen. Wat ons
betreft komt de minister dus ook nog voor de zomer met een plan om die
staatssteunregels van die sociaaldemocratische Eurocommissaris verder
uit te werken, zodat ook corporaties in die middenhuur kunnen bouwen. Om
die woningen te kunnen bouwen, moeten we ook investeren in
woningbouw.
Om even te schetsen, voorzitter, in de jaren tachtig van de vorige eeuw
ging 8% van de rijksbegroting naar volkshuisvesting. Toen bouwden we op
onze top 120.000 woningen per jaar. Ik zou bijna willen zeggen: het kan
wel. Nu gaat er maar 1,6% van onze begroting naar volkshuisvesting. Dan
is het ook niet gek dat je die 100.000 woningen niet haalt. Flinke
investeringen in corporaties en ontwikkelaars met resultaat en onder de
voorwaarde dat de huren beperkt bleven met de garantie op een goed
rendement door de overheid: vroeger kon het en nu dus ook. De
woningnood, als gevolg van het structureel niet halen van het bouwdoel
van 100.000 woningen per jaar, is geen natuurwet. Het is het gevolg van
bewuste keuzes van rechtse kabinetten die kozen voor de markt en niet
voor volkshuisvesting.
Voorzitter. We moeten ook niet slechts woningen bouwen, maar ook
woningen van kwaliteit. Dat zijn woningen waar niet schimmel tot aan het
plafond loopt, maar waar zonnepanelen op het dak liggen. Dat zijn
woningen die geïsoleerd worden. We moeten buurten bouwen waar het groen
en veilig is, waar iedereen uit elke klasse elkaar ontmoet. Dat is geen
naïeve droom. We deden het in het verleden en we kunnen dat vandaag
ook.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Ik zou graag willen weten of de heer De Hoop ook erkent dat er ook nog
wel wat mogelijkheden zijn voor de huursector, bijvoorbeeld door via de
inkomensafhankelijke huurverhoging of voor duurzame woningen extra
ruimte te creëren voor huurverhoging. Want als de energielasten
omlaaggaan, dan is er toch meer ruimte om binnen dezelfde lasten iets
meer huur te gaan betalen? Daar kunnen volgens mij corporaties
tientallen miljarden extra geld mee binnenhalen voordat wij als overheid
daar nog meer in zouden moeten doen. Zou de heer De Hoop ook kunnen
reflecteren op wat er vanochtend in de media stond over het scheefwonen
en de mensen met een koopwoning die een huurwoning bezetten?
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Dat zijn een aantal vragen. Ik zal ze even afpellen. Laat me beginnen
bij de verduurzaming en dat je dan meer huur zou moeten kunnen vragen.
Ik kan mevrouw Den Hollander geruststellen: het mag al. Bijvoorbeeld ten
aanzien van de Wet betaalbare huur geldt dat als je je woning
verduurzaamt, dat meer punten oplevert in het woningwaarderingsstelsel
en dat je dan meer huur mag vragen. Waarom hebben we die ruimte geboden?
Dan gaat jouw energierekening namelijk omlaag, en daarmee houd je netto
meer over aan het einde van de maand. Ik heb daar zelf een amendement
over ingediend, de tochtkorting, die ervoor zorgt dat slechte woningen
duurder worden en goed verduurzaamde woningen goedkoper. Dus dat kan al.
Ook kun je meer huur vragen als de huurder eruit gaat bij bestaande
woningen die verduurzaamd worden. Dat over de verduurzaming.
Scheefhuren en mensen in een sociale huurwoning die ook een woning
bezitten, zou ik uit elkaar willen halen. Mensen die in een sociale
huurwoning zitten en een woning bezitten — soms niet één maar twee of
drie; ik las dat er zelfs mensen zijn die tien woningen bezitten —
hebben niks in een sociale huurwoning te zoeken. Waarom? Iemand die al
een woning heeft, hoeft niet in een sociale huurwoning te zitten. Ik
vind dat dat soort profiteurs uit die sociale huurwoningen moeten worden
gezet, en dat er ruimte moet komen voor gewone mensen om erin te
komen.
Tot slot. Het spijt me dat het een lang antwoord is, maar het waren ook
een groot aantal vragen. "Scheefhuurders" vind ik een ingewikkeld
begrip, omdat ik het scheef vind dat een leraar, een politieagent of een
zorgmedewerker bijna niet meer in een sociale huurwoning kan wonen,
omdat je daar geen recht op hebt als je meer dan €50.000 verdient. Dus
ik vind dat er juist meer ruimte moet komen voor die groepen om ook in
die woningen terecht te komen. Dat kan alleen als je fors investeert in
corporaties, daar rijksgeld naast legt én de winstbelasting van
corporaties afschaft.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Excuus, ik heb natuurlijk een aantal vragen tegelijk gesteld, waardoor
zowel de vraag als het antwoord wat langer is. Wij weten dat het al kan,
maar het gebeurt dus nog heel weinig. Corporaties laten soms dus echt
geld liggen door die verduurzaamde woning niet "zwaarder" te laten
verhuren. Ik denk dat dat eerst moet worden opgelost, voordat we als
Rijk weer meer geld moeten gaan geven. Als je eenmaal in een huurwoning
zit, is er geen inkomenstoets meer of je op een gegeven moment nog wel
past bij die woning. Dat wordt ook bedoeld met "scheefwonen". Als je op
basis van je startsalaris recht hebt op een sociale huurwoning, maar na
drie, vier of vijf jaar veel meer verdient, dan zou je eigenlijk niet
meer in aanmerking komen, maar dan kun je er niet uitgezet worden. Vindt
de heer De Hoop ook dat daar misschien maatregelen voor genomen zouden
moeten worden?
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Nee, dat vind ik niet. Laat me een voorbeeld noemen. Stel je voor dat je
als leraar werkt. Je zit op het randje van €50.000 — rond dat bedrag zit
het op dit moment — en jouw salaris stijgt net iets meer dan
bijvoorbeeld de inflatie of de gemiddelde loonstijging. Dan zou ik niet
willen dat iemand daarmee door zijn inkomen, dat net boven dat bedrag
zit, zijn huurbescherming verliest en dan uit de sociale huurwoning zou
moeten of dat hij daardoor meer huur zou moeten betalen. Ik vind dat
niet eerlijk. Ik vind juist dat er meer ruimte moet komen voor mensen,
ook voor de middengroepen, om in een sociale huurwoning te wonen, zodat
meer mensen elkaar ontmoeten en we niet verschillende wijken hebben waar
verschillende groepen mensen wonen. We moeten ervoor zorgen dat mensen
weer samen wonen in al die wijken en dat we segregatie tegengaan.
De voorzitter:
U vervolgt.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter. Ik wil namens GroenLinks-Partij van de Arbeid strijden voor
een land waarin de volkshuisvesting niet verder wordt afgebroken maar
weer wordt opgebouwd. We hebben de afgelopen jaren ook vanuit de Kamer
laten zien dat dat mogelijk is. Laat me een aantal voorbeelden noemen,
zoals de Wet vaste huurcontracten, die is ingediend door mijn voorganger
Henk Nijboer samen met collega Grinwis. Die wet heeft gezorgd voor meer
zekerheid voor huurders. Laat ik ook de Wet betaalbare huur noemen, van
minister De Jonge. Die wet heeft echt gezorgd voor meer zekerheid voor
huurders en wij hebben daar ook vanuit de Kamer onze stempel op kunnen
drukken. Laat me ook het amendement van collega Stultiens noemen, dat de
leegstand aanpakt en waardoor gemeenten nu een leegstandsheffing kunnen
invoeren. Waar het kabinet-Den Uyl in 1977 viel over grondpolitiek, is
hier in de Kamer al twee jaar een meerderheid om grondpolitiek toe te
passen en te zorgen voor een planbatenheffing. Ik wacht nog steeds op
een minister die dat daadkrachtig oppakt. Ik denk eigenlijk niet dat
deze minister dat nog gaat doen, maar ik hoop dat de volgende dat met
heel veel ambitie gaat doen.
Voorzitter. Tot slot is het de komende jaren vooral aan ons om te laten
zien wat we belangrijker vinden: het eigendomsrecht of de bevordering
van voldoende woongelegenheid voor eenieder, zoals in onze Grondwet
staat. Dat staat in artikel 22, lid 2. Steken we miljarden aan subsidie
in het helpen van mensen die al een woning bezitten of kiezen we ervoor
om al die miljarden aan subsidie juist te investeren voor mensen die een
woning zoeken? Vergroten we de ongelijkheid of kiezen we voor het
verkleinen daarvan? U weet welke keuzes wij maken, maar het interessante
is vooral wat de keuzes zijn die D66, het CDA en de VVD wat betreft die
fundamentele vragen gaan maken. Wat u van GroenLinks-Partij van de
Arbeid kunt verwachten, is wat u van sociale en groene politici, bij wie
het hart links klopt, altijd kunt verwachten: bouwen waar het kan, regie
nemen, reguleren waar het moet, volkshuisvesting en eerlijk delen. De
komende jaren moeten wij met z'n allen door muren heen gaan om de
wooncrisis echt te doorbreken. GroenLinks-Partij van de Arbeid zal dat
zeker doen.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer De Hoop. Dan is het woord aan mevrouw Zalinyan voor
haar maidenspeech namens de fractie van GroenLinks-Partij van de Arbeid,
in de eerste termijn van deze begroting. Ook nu staan we, zoals
gebruikelijk, geen interrupties toe. Als u zover bent, heeft u het
woord.
Mevrouw Zalinyan (GroenLinks-PvdA):
Dank, voorzitter. Dit is mijn eerste bijdrage in deze zaal. Het voelt
bijzonder om hier te staan, bij de begroting van Volkshuisvesting en
Ruimtelijke Ordening. Deze begroting gaat niet alleen over beleid en
cijfers, maar ook over iets heel wezenlijks: over hoe we samenleven in
dit land, over wie waar kan wonen en wie zich hier thuis kan voelen. Ik
zal beginnen met iets persoonlijks. Ik was 11 jaar toen ik met mijn
ouders naar Nederland kwam. Veiligheid was voor ons niet langer
vanzelfsprekend. Maanden van onzekerheid volgden: opvang, wachten,
opnieuw verhuizen, onbekende plekken en onbekende mensen. Maar voor het
eerst sinds lange tijd volgde ook iets anders: rust. Laat ik een
misverstand wegnemen, want dat was geen gouden ticket en geen luxe. Het
was een plek met gedeelde wc's, gedeelde douches, gedeelde angsten en
gedeeld wachten. Maar er was ook hoop. In een ruimte van 15 vierkante
meter kon ons gezin weer ademhalen.
Ik heb Nederland toen leren kennen zoals je een huis leert kennen dat je
voorzichtig binnengaat. Je doet dat niet in één keer, maar stap voor
stap; van Groningen naar Ter Apel en van een tentenkamp in Amsterdam
naar Gilze-Rijen, provincie voor provincie. Met elk landschap, elke stad
en elk dorp werd Nederland voor mij tastbaarder. Overal waren het de
mensen die het verschil maakten: vrijwilligers in het azc, mensen van
het COA en van VluchtelingenWerk. Dat deden zij niet met grote woorden,
maar met solidariteit en menselijkheid. Meester Frans en juf Sigrid
leerden mij de Nederlandse taal. Het is vanwege deze mensen dat ik van
Nederland hou en waarom ik hier vandaag kan staan.
Ook het Nederlandse landschap raakte mij direct. Als meisje ben ik
opgegroeid in het bergachtige Armenië, maar hier zag ik iets anders: een
land dat zichtbaar is gevormd door keuzes van generaties voor ons. Dat
zijn keuzes over water en bodem, over wonen en werken, over ruimte delen
in een land waarin ruimte nooit vanzelfsprekend is geweest. Op de
basisschool kreeg ik een opdracht om een werkstuk te maken over
Nederland. Ik koos het onderwerp Deltawerken. Ik herinner me kaarten met
blauwe lijnen, dijken, die met zorg waren getekend, en het idee dat
veiligheid niet vanzelf ontstaat maar wordt gemaakt door keuzes, door
samenwerking en door vooruitdenken. Ik begreep toen nog niet hoe hoog
het water kon stijgen of hoe ingewikkeld de techniek erachter was, maar
ik voelde wel wat het verhaal vertelde.
Nederland is een land dat weet dat het kwetsbaar is. Het is een land dat
erkent dat water sterker kan zijn dan mensen. Het is een land dat niet
wegkijkt, maar samen zegt: dit lossen we op. Zo ook in mijn woonplaats
Haarlemmermeer, waar land is gewonnen op het water dat vroeger "de
Waterwolf" werd genoemd. Eeuwenlang leek het te sterk, maar mensen
besloten het te begrijpen, dijken te bouwen, gemalen neer te zetten en
het land stukje bij beetje te winnen. Achteraf zie ik dat dit mij is
bijgebleven, niet als lesstof maar als een gevoel, het gevoel dat
Nederland problemen niet doorschuift maar ordent, niet verdeelt maar
verbindt.
Dat besef heeft mij geholpen om mij hier thuis te voelen, maar het heeft
mij ook iets anders geleerd: ik ben hier niet anders, ook al stond mijn
wieg in een ander land. Iedereen kent wel iemand die ergens anders is
geboren, iemand die je voor geen goud zou willen missen in je leven.
Toch zie ik, juist in tijden van schaarste, hoe makkelijk het is om
mensen tegenover elkaar te zetten, hoe snel er wordt gezegd: zij zijn
het probleem. Waarom hebben zij wel een dak boven het hoofd en hebben
wij geen woning? Alsof problemen verdwijnen als we ze op elkaar
afschuiven! Als wij dan groepen tegenover elkaar zetten, starters
tegenover statushouders en spoedzoekers tegenover vluchtelingen, dan
verliezen we allemaal. Terwijl ik als wethouder in Heemskerk betaalbare
woningen aan het bouwen was, ging het hier in Den Haag over migranten
als de oorzaak van de wooncrisis — vandaag is dat ook weer zo — en over
schuldigen en verdeling. Dat wringt. Ik heb gezien hoe het lokaal kan
werken. In Heemskerk hebben we gewerkt aan woningbouw, betaalbaarheid,
vergroening, waterberging en klimaatadaptatie. Dat hebben we niet gedaan
door te verdelen, maar door te doen. De wooncrisis is niet ontstaan
doordat mensen zoals ik hier zijn. Deze crisis is het gevolg van
jarenlange keuzes: te weinig betaalbare woningen bouwen, te veel aan
marktdenken doen en te weinig grip houden op volkshuisvesting.
Voorzitter. Ook ik ben tegen dit systeem aan gelopen. Ik zag hoe het
werkte, of juist niet werkte: tientallen bezichtigingen, hoge huren,
ondoorzichtige biedingsmethoden en verhuurders die meer vroegen dan
mensen konden betalen. Dit is een systeem waarin wie al bezit voorrang
heeft op wie begint. Ik merkte hoe oneerlijk dat voelde, niet omdat
mensen geen moeite doen, maar omdat het systeem niet werkt. Dat is de
reden waarom ik de politiek in ben gegaan: omdat een thuis hebben geen
gunst is en omdat misstanden op de woningmarkt geen natuurverschijnsel
zijn maar het gevolg zijn van politieke keuzes. Nu sta ik hier, twintig
jaar nadat ik leerde over de Deltawerken, in deze zaal bij de
behandeling van deze begroting. Opnieuw gaat het over dezelfde vraag:
hoe gaan we om met schaarste en wat zeggen we daarmee over wie we zijn
als samenleving?
Voorzitter. Nederland staat voor grote ruimtelijke keuzes. Er is niet
één opgave, maar er zijn er veel tegelijk. Woningbouw, energietransitie,
natuurherstel, economie, waterveiligheid, defensie: alles vraagt ruimte.
Die ruimte is schaars. Juist daarom is ruimtelijke ordening geen
technocratische exercitie maar een politieke verantwoordelijkheid. Het
gaat over keuzes maken, samenhang en de moed om te zeggen dat niet alles
overal kan. Maar alles verdient in dit land wel een plek. Ruimtelijke
ordening gaat niet alleen over stenen en de kaarten, maar over
mensenlevens. Een gezonde leefomgeving is geen luxe voor de toekomst,
maar een voorwaarde voor vandaag. Ruimtelijke kwaliteit hangt samen met
gezondheid, veiligheid en kansen. Slechte wijken zijn zelden toeval.
Vaak zijn ze het gevolg van slechte keuzes of het uitblijven van keuzes.
Waar je wieg staat, beïnvloedt hoe gezond of hoe oud je wordt. Daarom is
ruimtelijke ordening nooit neutraal. Waar en wat er wordt gebouwd,
bepaalt toegang tot groen, schone lucht, voorzieningen en veiligheid.
Het is dus ook sociaal beleid, volksgezondheid, kansengelijkheid en
preventie. Bouwen zonder oog voor samenhang betekent het in de wijken
van morgen inbouwen van de ongelijkheid van vandaag. Dat vraagt om
richting en om een overheid die durft te sturen.
Te lang hebben we gedacht dat de markt het wel zou oplossen, maar zonder
regie ontstaat versnippering. Zonder keuzes groeit de ongelijkheid en
zonder samenhang komt niet alleen de woningbouw maar ook de leefomgeving
onder druk te staan. Wie de grond beheerst, bepaalt immers wat er
gebouwd wordt, voor wie en tegen welke prijs. Als we betaalbaar willen
bouwen en publieke belangen serieus nemen, is actief grondbeleid
noodzakelijk. Dat betekent eerlijk waarderen op gebruikswaarde en
inzetten van instrumenten om grip te houden op die ruimte. We mogen
nooit vergeten dat Nederland is gebouwd op water. Water en bodem moeten
weer sturend zijn, niet als rem maar als leidraad. Wie vandaag bouwt
zonder rekening te houden met het klimaat, legt de rekening bij de
volgende generatie. Toekomstbestendig bouwen betekent nu
verantwoordelijkheid nemen, zodat we later geen spijt hoeven te
hebben.
Voorzitter. Laten we Nederland niet tekortdoen. Dit land is groot
geworden door vooruit te kijken, door keuzes te maken en door samen te
werken. Laten we als politiek mensen niet verdelen, maar de ruimte
ordenen en echte problemen oplossen, zoals van ons wordt verwacht. Als
we vandaag kiezen voor verdeling, als we mensen reduceren tot aantallen
en als we elkaar de schuld blijven geven in plaats van
verantwoordelijkheid te nemen, doen we Nederland tekort. Maar als we
kiezen voor bouwen, voor ordening en voor solidariteit, doen we recht
aan wie we zijn als mens en aan wie er hier na ons komen.
Dank, voorzitter.
(Geroffel op bankjes)
De voorzitter:
Mevrouw Zalinyan, mag ik u als eerste van harte feliciteren met uw
maidenspeech? Ik verzoek u de felicitaties voor het rostrum in ontvangst
te nemen.
Ik schors de vergadering tot 19.45 uur.
De vergadering wordt van 18.51 uur tot 19.45 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering en geef het woord aan mevrouw Steen voor een
bijzondere speech, want het is haar maidenspeech. Zij spreekt in de
eerste termijn van deze begrotingsbehandeling namens de fractie van het
CDA. Mevrouw Steen, ik zie uw collega's al in groten getale toestromen.
Als u zover bent, heeft u dus het woord.
Mevrouw Steen (CDA):
Zeker, voorzitter. Het is voor mij een bijzonder groot voorrecht om hier
vandaag voor het eerst het woord te mogen voeren over een onderwerp dat
zo veel mensen raakt. Over waar je thuis bent, over hoe we ons land
inrichten en uiteindelijk ook over hoe we samenleven. Juist die vraag,
hoe we nou willen samenleven, is de vraag die mij naar de politiek en
ook naar het CDA heeft gebracht.
Voorzitter. Mijn weg naar deze Kamer begon in de Groningse Rechten- en
Bestuurskundefaculteit, waar ik een aantal belangrijke lessen leerde
over het recht, over hoe we ons land organiseren, en over
rechtvaardigheid, rechtmatigheid en doelmatigheid. Doen we de dingen nou
goed? Maar wat is nou goed? Die vraag bleef eigenlijk altijd boven de
markt hangen voor mij. Het antwoord daarop gaat ook veel verder dan
rechtmatigheid of doelmatigheid; het gaat over rechtvaardigheid en je
eigen waarden. Voor mij begon daar ook het doorgronden van mijn eigen
morele kompas. Waar wil ik mezelf nou op kunnen aanspreken? Waarop val
ik terug als ik moeilijke besluiten moet nemen over ingewikkelde
dilemma's? Als u mij vraagt om mij voor te stellen, zeg ik niet: hoi, ik
ben Hanneke, ik heb een zwart jasje aan en ik heb een Twents accent.
Nee, dan zeg ik "Ik ben getrouwd, ik heb een man en ik woon in Hengelo,
dichtbij mijn ouders en mijn schoonouders. Ik ben sinds kort lid van de
Tweede Kamerfractie van het CDA." En als ik nog wat meer tijd heb,
vertel ik over mijn vrienden, over de kerk en over de muziekvereniging.
Het gaat over de mensen met wie ik samenleef; al die mensen maken mij
tot wie ik ben. Zij plaatsen mij in een groter geheel van betekenisvolle
relaties met verantwoordelijkheden over en weer.
Voorzitter. Zo kijk ik ook naar de samenleving. Niemand leeft voor
zichzelf. Het leven is meer dan je eigen personal space. Voor mij is de
overheid er om juist dat sociale weefsel van mensen te beschermen en te
versterken. Ze moet de ruimte geven aan mensen die verantwoordelijkheid
nemen voor elkaar en moet ingrijpen wanneer iemand buiten de boot dreigt
te vallen. Dat besef bracht me naar de politiek, want het is in zalen
zoals deze waar we met elkaar praten over waarde. En het bracht me thuis
bij de christendemocratie.
Voorzitter. Ik kom onmiskenbaar uit Twente, uit Hengelo. Daar ben ik
geboren en getogen. Ik heb het voorrecht gehad om mijn stad en mijn
regio als wethouder te mogen besturen. Hengelo is een stad die is
gevormd door de metaal- en de maakindustrie en ook door visie. Neem
Stork. Toen de familie Stork in 1868 haar fabriek in Hengelo vestigde,
begreep zij iets dat heel erg essentieel is, namelijk dat je niet alleen
moet investeren in werk maar dat je ook moet investeren in wonen en in
de gemeenschap. Zo richtte Stork een eigen bouwvereniging op. Zij bouwde
Tuindorp 't Lansink, een wijk met groen, met ruimte en met samenhang en
waarin de opzichter naast de arbeider woonde. Dat was voor een
arbeiderswijk echt heel erg uniek in die tijd. Ze zorgde ook voor een
van de eerste pensioenfondsen van het land. Ze bouwde scholen en
verenigingen en zo ontstond een hele hechte gemeenschap om het bedrijf
heen. Het bedrijf groeide. Hengelo groeide mee en zorgde voor een
bloeiende economische ontwikkeling van de hele Twentse regio.
Voorzitter. Dat sociale weefsel maakte de stad ook weerbaar. In de
Tweede Wereldoorlog begonnen bij Stork de april-meistakingen. Een van de
grootste stakingen tegen de Duitse bezetter verspreidde zich over het
hele land. De Storkianen, de medewerkers van Stork, waren ook de
drijvende kracht achter de wederopbouw van onze gebombardeerde stad. Tot
op de dag van vandaag zijn het ook de Storkiaanse verenigingen die staan
als een huis. Ze maken het verschil voor jong en oud in Hengelo. Dat is
voor mij de kern van christendemocratische politiek. Stork nam
verantwoordelijkheid en maakte een bewuste keuze voor samenleven en
gemeenschapszin. Het was een voorbeeld voor heel veel steden, dorpen en
regio's. Dus is Hengelo nodig? Reken maar!
Voorzitter. Ruimtelijke ordening is niet politiek neutraal, maar bevat
morele keuzes. Dat zijn keuzes waarover we vandaag ook met elkaar
spreken. Dat brengt me bij deze begroting.
Voorzitter. Als Den Haag het ergens over eens was en is, is het dat de
woningnood moet worden opgelost. De afgelopen jaren was er ook best veel
consensus over de belangrijkste hoofdthema's; meneer Vijlbrief zei het
zonet ook al. Daarom is de Wet versterking regie volkshuisvesting ook
aangenomen met steun van links tot rechts in de Kamer. Maar de afgelopen
jaren stonden ook in het teken van wantrouwen. Dat heb ik als lokale
bestuurder ook van dichtbij gemerkt. En wantrouwen werkt niet. Bouwen
kan alleen door samen te werken, heel praktisch en lokaal. Dat vraagt om
visie en vertrouwen. Stork deed decennialang wat nodig was en nu is het
onze beurt. Als er iets nodig is om snel en goed te kunnen bouwen aan
gemeenschappen, is dat vertrouwen en voorspelbaarheid, voor bouwers,
corporaties, gemeenten en provincies.
Voorzitter. Het verkorten van procedures en het schrappen van regels
moet daarom echt prioriteit krijgen in de komende tijd. Het bouwtempo
gaat alleen omhoog als dat lokaal begint en lokaal kan gebeuren, als
ambtelijke capaciteit gericht wordt ingezet, als er minder
administratieve barrières komen voor gemeenten om samen met corporaties
en bouwers aan een project te werken, en als we met lef en vertrouwen
echt werk maken van zaken als parallel plannen en een stevige aanpak van
leegstand. Dat vraagt ook moed van lokale bestuurders.
Voorzitter. Met de Wet versterking regie volkshuisvesting zetten we als
overheid een stap naar voren en dat is goed. Maar de uitwerking van de
Wet regie bepaalt of de wet ook echt gaat werken. We weten namelijk ook
dat er een samenloop gaat ontstaan met andere wetten met een
wooncomponent, bijvoorbeeld met de Jeugdwet. Gemeenten hebben daar
zorgen over en dat snap ik goed. Uitvoerbaarheid is cruciaal. Mijn vraag
is daarom hoe de minister de samenhang en de uitvoerbaarheid in de
beleidsuitwerking gaat borgen.
Voorzitter. We bouwen wijken voor vele generaties. Bouwen aan
gemeenschappen betekent ook investeren in ontmoeting, in groen en
gezondheid. Dat kost geld. Een vierkante meter ontmoetingsruimte levert
minder op dan een vierkante meter woonoppervlak, maar minder eenzaamheid
betaalt zich later uit in minder zorgkosten. We zijn niet gewend om dit
soort zachte maatschappelijke baten in te rekenen in harde businesscases
die onder woningbouwplannen liggen. Wat het CDA betreft moeten we
ontmoeting, groen en gezondheid niet als onrendabel zien, maar als
investering in de samenleving.
Voorzitter. Na een intensieve lobby vanuit Nederland heeft Brussel de
staatssteunregels eindelijk aangepast, zodat de overheid
woningbouwcorporaties en ontwikkelaars financieel kan steunen om
middenhuur te bouwen. Eind 2024 is een motie van het CDA aangenomen om
zo snel mogelijk een plan van aanpak te maken, zodat meteen gestart zou
kunnen worden na het besluit. Dit was een plan om direct de ruimte te
benutten en investeringen los te trekken. Het plan ligt er echter niet.
Kan de minister toelichten waarom die motie niet is uitgevoerd?
Er is ook woningnood onder studenten. Dat heeft een hele hoge sociale
prijs, want we zien de eenzaamheid onder jongeren schrikbarend toenemen.
Dit gebeurt juist in een levensfase waarin je leert samenleven,
verantwoordelijkheden leert delen en vriendschappen voor het leven
opbouwt. Ook middelgrote steden kunnen en willen daar
verantwoordelijkheid voor nemen. Daarom is een goede samenwerking nodig
tussen onderwijsinstellingen, ervaren studentenhuisvesters en minder
ervaren corporaties. Daarvoor zal ik in de tweede termijn een motie
indienen.
Voorzitter. Het is goed dat we binnenkort in de commissie VRO de diepte
ingaan over de ruimtelijke ordening, net als over de staat van de
volkshuisvesting. Ik kijk ernaar uit daar de woningbouwopgave uit te
gaan diepen met u allen. Daar zullen we het ongetwijfeld gaan hebben
over hoe we regionale economische clusters gaan stimuleren. We gaan het
vast hebben over de Didam-arresten, het bestrijden van dakloosheid,
seniorenwoningen, de transformatieopgave en het optoppen en splitsen van
woningen. Dat is namelijk allemaal heel erg hard nodig.
Tot slot, voorzitter. Het Rijk heeft vier gebieden aangewezen als nieuwe
verstedelijkingsgebieden, maar daardoor komen ze ineens op korte termijn
niet meer in aanmerking voor de regeling in het kader van de woningbouw
en bleek er ineens ook geen zicht meer op financiering van
infrastructurele ontsluiting, waar het Rijk zelf op had aangestuurd. Hoe
kan dat? Ik krijg graag een reactie van de minister.
Voorzitter. Ik rond af met één ding. In aanloop naar de verkiezingen
kreeg ik vaak de vraag: wat neem je nou vanuit Twente mee naar Den Haag?
U denkt nu vast dat ik ga beginnen over noaberschap, maar ik vind
eigenlijk dat dat inmiddels tot het standaardvocabulaire van deze Kamer
moet behoren, dus ik ga iets anders zeggen. Ik ga beginnen met "heanig
an". "Heanig an" is ongeveer het Twentse equivalent van rust, reinheid
en regelmaat. We zeggen het bijvoorbeeld als een discussie hoog oploopt.
Dan zeggen we: joh, doe even een beetje heanig an. Dat is dus: tel even
tot tien. Heanig an. Heanig an. Tel even tot tien. Kauw even op je
woorden. Even rustig nadenken.
Voorzitter. Laten we de komende tijd vooral tempo maken met het bouwen
van gemeenschappen, maar een beetje heanig an doen in het politieke
debat, want dan komen we samen een heel eind.
(Geroffel op bankjes)
De voorzitter:
Mevrouw Steen, mag ik u als eerste van harte feliciteren met uw
maidenspeech? Ik verzoek u vervolgens voor het rostrum de felicitaties
in ontvangst te nemen. Ik schors de vergadering voor een enkel
ogenblik.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Ik geef het woord aan de heer Clemminck voor
zijn inbreng namens JA21 in eerste termijn. U heeft het woord.
De heer Clemminck (JA21):
Voorzitter, dank u wel. Allereerst felicitaties aan de collega's met hun
maidenspeech. Ik moet die zelf nog houden, dus ik heb goed opgelet op
wat werkt en niet werkt. Dank overigens ook aan collega De Hoop voor de
warme welkomstwoorden van vandaag.
We spreken vandaag over de begroting van Volkshuisvesting en Ruimtelijke
Ordening. Als de afgelopen verkiezingen ons één ding hebben geleerd, dan
is het dat wonen een thema van grote zorg is bij onze kiezers, samen met
migratie. Die twee thema's zijn ook heel erg met elkaar verbonden. Dat
zal ik in mijn bijdrage ook duidelijk maken. In zekere zin zijn ze ook
verbonden in de persoon van de minister, want zij heeft de unieke
portefeuille die beide terreinen deels combineert. Dat is een enorme
verantwoordelijkheid, maar ook een enorme kans.
Laat ik beginnen met namens mijn fractie de minister te bedanken voor
haar werk. In algemene zin verdient zij zeker onze waardering daarvoor.
Ze toont initiatief, lef en doorzettingsvermogen. Gaat daarmee alles
goed? Nee. Dat kan ook niet. Dat kunnen we ook niet verwachten. De
minister heeft immers geen magische bol voor de toekomst en ook geen
knop om op te drukken om ineens honderdduizenden woningen per jaar bij
te bouwen. "Helaas", hoor ik de minister zeggen. Ja, was het maar zo
inderdaad. Tegelijkertijd is de invloed van de minister beperkt en
verdeeld over veel partijen. Vaak zorgen internationale wet- en
regelgeving en jurisprudentie ook nog voor belemmeringen in de
woningbouw. Is de fractie van JA21 het dan altijd met de minister eens?
Ook dat niet. Dat hoeft ook niet. We zijn immers een politiek bestel met
verschillende opvattingen over wat goed en fout is en we zullen
uiteindelijk moeten samenwerken.
Waarover in deze Kamer volgens mij geen verdeeldheid is, is het doel,
namelijk zorgen voor voldoende, betaalbare en kwalitatief goede woningen
voor alle Nederlanders. Wel zijn er verschillen van mening over de
probleemanalyse en de oorzaken van de problemen op de woningmarkt. Er
zijn verschillen van mening over de prioritering, de keuzes en de voor-
en nadelen van elke keuze die we maken. Ook dat hoort erbij. Ik zei al
dat de minister waardering verdient voor haar inzet. Dat geldt onder
andere voor het beperken van de bezwaarmogelijkheden en het stapelen
daarvan, het schrappen van onnodige regels via STOER en de nieuwe Nota
Ruimte, waarover we op een ander moment nog uitgebreider zullen spreken.
Dat geldt ook voor het opheffen van de ladder voor duurzaamheid, wat het
juist voor kleinere gemeenten en middelgrote gemeenten in de regio
mogelijk maakt om er een straatje of wijkje bij te bouwen. Dat is hard
nodig en het kan ook vaak op die plekken. Dat geldt ook voor het
schrappen van de oneerlijke vordering van statushouders bij sociale
huurwoningen die eraan zit te komen. Dat vinden wij een positieve
zaak.
Het kernwoord is volgens mij "regie pakken". Dat lijkt een toverwoord op
dit dossier, maar het roept ook een aantal vragen op over wanneer regie
pakken te veel wordt en doorslaat. Dat is zeker zo als het gaat om de
balans tussen enerzijds lokale autonomie en anderzijds ingrijpen van de
minister. Die balans is voor mijn partij belangrijk. Ik was vorige week
op werkbezoek in Zeeland. Om verwarring te voorkomen: dat is een
plaatsje in de gemeente Maashorst in de provincie Noord-Brabant. Ik
stond daar samen met ondernemers van een recreatiepark, de wethouder en
een gedeputeerde tot aan de knieën — en bij mij zelfs nog iets verder —
in de sneeuw. Ik sprak daar met de ondernemers over de nieuwe
instructieregel die de minister voorziet. Het waren ondernemers pur
sang: vol passie over hun vak en hun werk, de tweede generatie en sterk
verbonden met de lokale omgeving waarin zij ondernemen. Zij vertelden
mij wat permanent wonen en de instructieregel die eraan komt nou
eigenlijk voor hen betekenen. Het is een beperking van de
ondernemingsvrijheid. De overheid zegt eigenlijk tegen deze ondernemers
dat zij niet langer een recreatieonderneming runnen, maar voortaan
wijkmanager zijn. Ik heb dan ook een aantal vragen voor de minister.
Waarom komt zij met deze algemene instructieregel niet met maatwerk? Hoe
verhoudt zich dat tot de vrijheid van ondernemerschap, die heel erg
belangrijk is? Helpt dit nou eigenlijk echt om het woningtekort te
beperken?
Voorzitter. Soms is een goed idee niet het beste idee. Zoals een aantal
collega's al zeiden, is de woningnood geen natuurverschijnsel, maar een
gevolg van massamigratie en het opengrenzenbeleid van de afgelopen
decennia. Er is een positief migratiesaldo van 107.000 in 2024, en een
positief migratiesaldo van 137.000 in 2023. De afgelopen jaren komt er
jaarlijks een stad ter grootte van Zwolle bij. Daar is niet tegenop te
bouwen. We bouwen daarom uiteindelijk niet voor Henk en Ingrid, ook niet
voor Joost of Annabel. We gaan bouwen voor Mohammed en Fatima en voor
Janusz en Zofia. Dat zijn de meest voorkomende namen van de twee
grootste groepen: Syriërs en Polen. De eerste groep is het grootst bij
asiel, en de ander bij arbeidsmigratie.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Ik vind het wel heel scherp aangezet van de heer Clemminck dat we alleen
maar zouden bouwen voor Mohammed en Fatima. Dat zijn geloof ik de namen
die hij noemde. Ik vind dat toch wel wat problematisch. Als mensen hier
een status krijgen, dan vind ik dat ze ook een woning zouden moeten
krijgen. Ik neem aan dat JA21, ook al zijn ze strenger op migratie dan
GroenLinks-Partij van de Arbeid, ook vindt dat je recht hebt op een
woning op het moment dat je hier een status hebt, toch? Of begrijp ik
dat verkeerd?
De heer Clemminck (JA21):
Nee. Dat heb ik ook niet gezegd, overigens. Het gaat mij erom dat wij de
migratie sterk moeten beperken, omdat we daarmee ook de woningopgaves
beperken. Daar zit nou eenmaal een verband tussen. Nederlanders zijn
niet gek; de meesten zien het verband tussen enerzijds de grote instroom
en anderzijds het feit dat deze mensen een woning nodig hebben. Daar
zijn we het ook over eens. Mijn stelling is dat we de woningbouw zullen
kunnen beperken als we de migratie heel erg sterk gaan beperken. Daar
zit een verband tussen.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Ja, daar zit een verband. De heer Clemminck insinueert hiermee echter
dat we een stad als Zwolle bouwen voor Mohammed en Fatima en niet voor
iedereen in Nederland die een woning zoekt, terwijl dat natuurlijk wel
de situatie is. Die nuance zou ik toch iets meer terug willen zien in de
bijdrage van JA21.
De heer Clemminck (JA21):
Dat kan, uiteraard. Ik zou tegen de heer De Hoop dan willen zeggen dat
ik iets meer van hem zou willen zien wat over dat verband gaat. Wat wil
hij gaan doen om de migratie in Nederland te beperken? Ik besef
natuurlijk dat dit geen migratiedebat is en dat het hier over wonen
gaat. Ik denk echter dat het goed zou zijn als ook linkse partijen
eerlijk zouden zijn tegen de kiezer en zouden vertellen dat
massamigratie zorgt voor enorme woningtekorten en een prijsopdrijvend
effect heeft in Nederland. We moeten dus ook iets aan de instroom doen,
want anders is het dweilen met de kraan open.
De voorzitter:
U vervolgt.
De heer Clemminck (JA21):
Voorzitter. Ik hoor graag van de minister hoe zij de druk van migratie
op de woningmarkt kwalificeert en kwantificeert. Kan de minister
aangeven wanneer we gaan spreken over het wetsvoorstel Schrappen
voorrang statushouders? Kan de minister ten slotte ook iets vertellen
over het schrappen van de taakstelling voor gemeenten? Of blijft deze
overeind?
Voorzitter. Een groot probleem is de betaalbaarheid van woningen. De
huren zijn te hoog en de koopprijzen zijn ronduit idioot. Bij nieuwbouw
zijn de kosten ongekend hoog vanwege de inflatie en de materiaalkosten.
Het is echter niet alleen dat. Circulair en biobased bouwen zijn linkse
hobby's waar Nederlanders voor mogen betalen in euro's, omdat niet
alleen de materiaalkosten gewoon 15% tot 40% hoger zijn, maar ook de
loonkosten, omdat het specialistisch werk vraagt. Nederlanders mogen
vanwege deze hobby's ook nog eens wachten op woningen. Onderschrijft de
minister dat circulair en biobased bouwen de betaalbaarheid verminderen?
Is zij bereid om de ambities en middelen voor circulair en biobased
bouwen te schrappen, zeker in deze tijd van woningtekort? Op de
begroting staat circa 10 miljoen voor de financiering van de Nationale
Aanpak Biobased Bouwen. Deels is dat geld gelabeld en deels kan het geld
nog besteed worden. Dat geld kunnen we beter gebruiken. Afhankelijk van
de antwoorden van de minister overweeg ik dan ook om een amendement
hierover in te dienen.
Voorzitter. JA21 is een partij van law-and-order. Woonfraude is een
groot probleem. De schatting is dat het om 10% tot 20% gaat, om
honderdduizenden woningen. De verantwoordelijkheid voor
fraudebestrijding ligt deels bij corporaties en deels bij gemeenten. Wat
kan de minister doen om de woonfraude af te straffen? Wil en kan de
minister gemeenten verplichten om een verbod op te nemen in de
huisvestingsverordening, zodat gemeenten een stevige grondslag voor
fraudebestrijding hebben? Kan de minister middelen vrijmaken voor
kennisopbouw en voor capaciteit daarvoor bij gemeenten?
Voorzitter. Ten slotte wil ik aandacht voor niet alleen méér bouwen maar
ook mooi bouwen. Met "mooi bouwen" bedoel ik dat schoonheid ook een deel
is van de opgave. Veel van wat tegenwoordig gebouwd wordt, is niet mooi,
is gewoon lelijk. Het inspireert niet. Het spreekt niet tot de
verbeelding. Het zorgt niet voor herkenning bij mensen. Het laat niet
zien wie wij als Nederlanders, als gemeenschap, zijn. We moeten terug
naar een lokale bouwstijl en een herkenbaar Nederlandse verbouwing van
onze straten, het karakteristieke beeld dat daarbij hoort. Kan de
minister reflecteren op wat ik net heb gezegd? Welke actie onderneemt de
minister om schoonheid en onze identiteit terug te brengen in de
bebouwde omgeving?
Voorzitter. Ik ga afronden. In mijn betoog heb ik de grootste opgaven
genoemd voor de woningbouw in de strijd om de ruimte in ons land: ten
eerste de massamigratie, waar niet tegenop te bouwen is, en ten tweede
de kostenverhogende duurzaamheidsdromen van links. Het tekort aan
woningen is geen natuurverschijnsel — zo begon ik mijn bijdrage — maar
het gevolg van politieke keuzes. JA21 maakt andere keuzes. Een nieuw
kabinet en zijn beleid op VRO zullen we dan ook langs deze lijnen
beoordelen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Meneer Grinwis.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik heb een vraag aan collega Clemminck, die eerst tekeerging tegen
biobased bouwen en het vervolgens had over schoonheid en over
oud-Hollandse traditie in ere herstellen. Vroeger bouwden we veel met
hout, met stro, met vlas, noem maar op. Waarom zouden we dat niet weer
in ere herstellen? Dat zijn we een beetje verleerd. Daarom zit er wat
geld in de begroting om te helpen die keten, die er niet is, tot stand
te brengen. Dan groeien straks op onze Nederlandse akkers onze eigen
huizen. Hollandser kan toch niet?
De heer Clemminck (JA21):
Ik was even bang dat mijn collega terugging naar de hunebedden. In dat
geval kunnen we weer terug naar het stenen tijdperk. Ik had het over de
materiaalkosten. De materiaalkosten zijn nu simpelweg hoger. Juist in
deze tijd van crisis, waarin de betaalbaarheid onder druk staat, is dat
misschien een ambitie die we even moeten laten liggen. Ik heb er op zich
in principe niks op tegen, maar ik vraag me wel af of dit nou de juiste
keuze is, nu we zitten met een groot tekort, en de betaalbaarheid onder
druk staat.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Volgens mij is dit meer een kwestie van waar je zit op de
innovatiecurve. Kostenbesparingen zijn nog volop mogelijk. Je ziet nu al
dat isolatiemateriaal concurrerend is. Zeker als je meer in de fabriek
gefabriceerde, industrieel gebouwde woningen krijgt, kun je heel
makkelijk biobased materialen gebruiken, die dus op Nederlands akkers
gegroeid zijn. Dat hoeft bij voorbaat helemaal niet duurder te zijn. Op
dit moment is dat misschien nog zo. Daarom moet het ook geen structurele
subsidie zijn, maar eventjes een zetje in de rug. Wie weet kan het
straks dan overleven. Kan dat niet, even goede vrienden. Dan valt het
af. Maar er is toch niet zo veel mis mee dat je als overheid tijdelijk
een duwtje in de rug geeft om zo'n keten tot stand te brengen?
De heer Clemminck (JA21):
Nee, zeker niet, ware het niet dat we altijd met schaarse middelen
zitten. Dan zeg ik: dan kunnen we de middelen beter gebruiken voor
andere dingen.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik geef het woord aan de heer El Abassi voor zijn inbreng in
de eerste termijn namens de fractie van DENK. Gaat uw gang.
De heer El Abassi (DENK):
Voorzitter. U overviel me toch even. Ik dacht dat ik nog niet aan de
beurt was, maar hier sta ik dan.
De voorzitter:
Toch echt wel.
De heer El Abassi (DENK):
Ik was ook flink aan het schrijven. Het eerste deel, dat ik nog even aan
het schrijven was, ga ik hier zeker delen met de Kamer. Dat deel heeft
te maken met de nieuwe Kamerleden. Allereerst wil ik hen ook welkom
heten en feliciteren met hun maidenspeech. Daar begin ik alvast mee. Ik
wil ook aangeven dat mevrouw Zalinday … Klopt dat?
De voorzitter:
Zalinyan.
De heer El Abassi (DENK):
Zalinyan, sorry. Met name haar verhaal heeft mij enorm geraakt. Ik
herken ook dat hier partijen in de zaal zijn die inderdaad doen aan
zondebokpolitiek. Daar heb ik heel veel moeite mee. Vandaar dat ik
dacht: dit wil ik ook echt wel verwerken in mijn verhaal. Eigenlijk
stond het daar niet in. Omdat het me veel doet, is het een verhaal dat
ik natuurlijk ook wel uit mijn hoofd kan vertellen. Ik wil aangeven dat
hier partijen zijn, met name aan de rechterkant … We hoorden ze vandaag
weer; er zijn nieuwe bij gekomen die ongeveer een soortgelijk verhaal
delen. Dat vind ik jammer.
Kijk bijvoorbeeld naar het verhaal waarbij statushouders worden
aangewezen als zondebok, als een probleem. De feiten, cijfers, geven aan
dat het gaat om 5% tot 8% van de sociale huurwoningen. Als we het hebben
over 5% tot 8% van de sociale huurwoningen, hebben we het over 30% van
het totale woningpakket. Dat komt neer op ongeveer 1% tot 2%. Daarbij
zijn sociale huurwoningen gemiddeld veel kleiner, namelijk ongeveer 65
tot 75 vierkante meter. Bij middenhuur gaat het om 85 tot 100 vierkante
meter. Koopwoningen gaan over de 120 vierkante meter en villa's zitten
zelfs tussen de 180 en 300 vierkante meter. Als we dat omrekenen naar
ruimte, zien we dat veel minder dan 1% van de woningen naar
statushouders gaat. Laten we daar nog bij nemen dat ze in villawijken,
bijvoorbeeld in Wassenaar, niet alleen enorm grote woningen hebben, maar
ook enorm grote kavels, van 500 tot soms zelfs 2.000 vierkante meter. En
dan hebben we het over: wie pikt al deze ruimte in? Nogmaals, ik wil
niet wijzen naar de mensen in Wassenaar, maar je zou kunnen overwegen
waar alle ruimte naartoe gaat, in plaats van te wijzen naar een dame die
het hier heel goed gedaan heeft, die wethouder is geweest, die een
oplossing is voor het probleem en niet het probleem is, terwijl ze hier
door rechtse partijen wordt weggezet als een probleem. Dat wilde ik even
vooraf gemarkeerd hebben.
De heer Flach (SGP):
Dit is misschien goed bedoeld, maar nu doet de heer El Abassi het zelf,
hè, namelijk wijzen naar mensen met te grote kavels. Eigenlijk
illustreert hij hier heel goed hoe zondebokpolitiek werkt. Weet de heer
El Abassi hoe hoog het aantal sociale huurwoningen in Wassenaar is?
De heer El Abassi (DENK):
Sorry, ik kan me voorstellen dat het ongeveer op 0% zit in
Wassenaar.
De heer Flach (SGP):
Nee. Hier zie je dus hoe het werkt als je met beelden een discussie
ingaat. 23% van de woningen in Wassenaar is een sociale huurwoning. Met
andere woorden, laten we niet in algemeenheden blijven spreken en gewoon
de ruimte laten om in analytische zin te spreken over de vraag: waar
komt de constante vraag naar 100.000 woningen per jaar vandaan? Daar
speelt migratie hoe dan ook een rol in. Dat is echt iets anders dan
zondebokpolitiek. Als je gewoon een nuchtere analyse maakt, zie je dat
onze bevolking krimpt, terwijl we toch ieder jaar meer woningen nodig
hebben. Dan kun je volgens mij zonder aan zondebokpolitiek te doen
gewoon analytisch vaststellen dat het wel een factor van betekenis
is.
De heer El Abassi (DENK):
Excuseer mij dat ik niet wist hoeveel sociale huurwoningen er precies in
Wassenaar zijn. Het zou best kunnen kloppen. Ik wil best meegaan in de
analyse die de heer Flach net met mij deelde. Dat neemt niet weg dat
ongeveer 5% tot 8% van alle sociale huurwoningen toebedeeld wordt aan
statushouders. Ik heb hier volgens mij in het verleden ook een debat
over gehad met de heer Flach. Het zijn niet mijn cijfers. U kunt ze
terugvinden bij het CPB en in alle onderzoeken. Ongeveer 30% van álle
woningen bestaat uit sociale huurwoningen. Die 5% tot 8% moet dus
vermenigvuldigd worden met 30%. Dan kom je uit op 1% à 2%. En nogmaals,
als je dan ook meeneemt dat die woningen veel kleiner zijn, en dat ze
enorm grote gebieden hebben, dan is dat niet framen. Het is niet
"zondebokken", het zijn gewoon feiten. Heel veel rechtse partijen, ook
uw partij, nemen die vaak niet mee.
De voorzitter:
Tot slot, meneer Flach.
De heer Flach (SGP):
Eigenlijk gaat de heer El Abassi niet in op mijn vraag. Ik ben wethouder
geweest in een gemeente waarin een socialehuurpercentage was van 23%.
Daar kwamen per jaar 120 woningen vrij. De helft, de helft, van de
vrijkomende woningen was nodig om de taakstelling voor statushouders op
te vangen. Daarmee zeg ik helemaal niets. Ik wijs ook niemand aan. Ik
stel alleen vast dat de helft van de vrijkomende woningen niet naar
jonge starters of naar gezinnetjes die iets anders zochten, ging, maar
naar nieuwkomers. Daar hoef je niet eens een oordeel op te plakken om te
kunnen constateren dat je, als je niks doet aan de instroom, eindeloos
kunt blijven doorbouwen met honderdduizenden woningen per jaar, zonder
dat er ooit een einde aan komt.
De heer El Abassi (DENK):
De heer Flach lijkt bijna de suggestie te wekken dat 50% van alle
sociale huurwoningen naar statushouders gaat. Volgens mij zijn we hier
met allemaal woordvoerders Wonen, en is er geen woordvoerder die zich
hierin herkent. Dit is niet te herkennen in cijfers of onderzoeken, ook
niet van het CPB. Sterker nog, deze cijfers zijn allemaal terug te
vinden. Ik zou de heer Flach ook echt willen vragen om deze cijfers
terug te zoeken. 5% tot 8%, niet 50%, van alle sociale huurwoningen gaat
inderdaad naar statushouders. Dat fluctueert per jaar. In het ene jaar
is het 5%, in het andere jaar is het 8%. 50% is het niet. Ik heb het dan
over Nederland in zijn totaliteit, dus dat kan best in een gemeente hier
en daar verschillen. Ik wil niet in herhaling vallen, maar als je dat
vermenigvuldigt kom je uiteindelijk uit — als u het al een probleem wilt
noemen van statushouders — op ver onder de 1% als we dat vertalen naar
woonruimte en ruimtetotaliteit.
De heer Mooiman (PVV):
Allereerst wil ik toch een opmerking maken, of misschien een punt van
orde. Ik vind het ongepast dat er, als er kritiek wordt geleverd op het
effect van het aantal statushouders op het aantal woningen dat
beschikbaar is, wordt gedaan alsof rechtse partijen het over een
collega-Kamerlid zouden hebben. Dat vind ik echt ver onder de maat en
niet netjes richting zowel de collega als de partijen waar het om gaat.
Dat ten eerste. Ten tweede was ik aan het twijfelen of ik hier wel op in
zou gaan, want de heer El Abassi staat inmiddels zo'n beetje bekend om
het verspreiden van klinkklare onzin in deze Kamer. Ik vraag me ook af
of de heer El Abassi het hele voorstel en de memorie van toelichting bij
het verbod op de voorrang van statushouders wel gelezen heeft.
De voorzitter:
Ik wil verzoeken het debat op de inhoud te houden, en ik heb de heer El
Abassi geen persoonlijke verwijten horen maken in de richting van
individuele deelnemers aan dit debat.
De heer El Abassi (DENK):
Volgens mij moet de PVV het houden bij mijn bijdrage. In mijn bijdrage
geef ik aan dat u verwijst naar statushouders als onderdeel en oorzaak
van het probleem van het woningtekort. Ik geef in mijn bijdrage aan dat
het geen probleem is, sterker nog, dat een flink aantal statushouders,
waaronder mevrouw Zalinyan, die nu ook nog wethouder is, een oplossing
van het probleem is, en niet het probleem. Ik zou de PVV echt willen
verzoeken op te houden met dat frame. Iedere keer weer statushouders
benoemen in de bijdrage moet gewoon een keer afgelopen zijn.
De voorzitter:
Nou doet meneer El Abassi het toch. Ik zou toch echt willen oproepen om
het bij de inhoud van de begroting van Volkshuisvesting en Ruimtelijke
Ordening te houden, in plaats van dat we allerlei individuele collega's
toch in het debat betrekken. Dat kan alleen op het moment dat we elkaar
interrumperen. We zouden elkaar niet ook nog eens in onze eigen
interruptiedebatten betrekken, want dan is de orde hier niet te
handhaven.
De heer El Abassi (DENK):
Heel graag, voorzitter. Als het aan mij ligt, hebben we het ...
De voorzitter:
Meneer Mooiman.
De heer El Abassi (DENK):
... over wonen en niet over statushouders.
De heer Mooiman (PVV):
Ik ga inderdaad graag verder op de inhoud. De vraag aan de heer El
Abassi was natuurlijk of hij de memorie van toelichting bij het verbod
überhaupt gelezen heeft. Daar krijg ik geen antwoord op. Dan had hij ook
gelezen dat daarin staat dat 32% van de sociale huurwoningen voor jonge
starters naar statushouders gaan. De heer El Abassi heeft het over álle
verhuringen van sociale huurwoningen, dus ook een persoon die van
sociale huurwoning 1 naar sociale huurwoning 2 gaat en de eerste
achterlaat. Daar zit het 'm in.
De voorzitter:
En uw vraag?
De heer Mooiman (PVV):
De heer El Abassi moet natuurlijk het eerlijke verhaal vertellen en
meenemen dat juist de mensen die instromen en geen woning achterlaten,
concurreren met statushouders. En dat is 32%. Waarom vertelt de heer El
Abassi dat verhaal er niet bij?
De heer El Abassi (DENK):
Nogmaals, ik beroep me op onderzoeken, op het CPB. Ik heb al aangegeven
dat het gaat om 5% tot 8%. Als u daar anders over denkt, deel dat dan
vooral met mij en laat zien uit welk onderzoek dat blijkt. Ik heb het
niet op deze manier gelezen in de memorie van toelichting, maar ik zal
het zo nog een keer lezen. Als het daar staat, zal ik het terugvinden en
kunnen we daar contact over hebben.
De heer Clemminck (JA21):
Voorzitter, ik wil met uw permissie toch even terugkomen op de manier
waarop collega El Abassi mij zojuist aansprak: scherp in mijn richting.
Dat mag; dat hoort er ook bij in een democratie. We zijn het niet altijd
met elkaar eens, maar dat is prima. Ik kreeg echter toch de indruk dat
de heer El Abassi mijn inhoudelijke kritiek op dit onderwerp verlengde
richting een collega. Dat vind ik persoonlijk toch wel heel erg
vervelend. Ik wil gemarkeerd hebben dat ik onder de indruk was van de
maidenspeech van collega Zalinyan, van haar prachtige verhaal. Mijn
bijdrage ging over de inhoud en was zeker niet gericht op mijn collega.
Die suggestie was er toch wel in de bijdrage van de heer El Abassi.
De voorzitter:
Meneer El Abassi, wenst u daarop te reageren?
De heer El Abassi (DENK):
Volgens mij is er niet goed geluisterd naar de bijdrage van onze nieuwe
collega. Ik heb vaker deze retoriek gehoord, waarbij de PVV het heeft
over "we beledigen de islam, maar niet de moslims", maar toevallig zijn
het moslims die de islam belijden. Als de heer Clemminck het heeft over
een statushouder in de breedte, dan moet hij ook voelen en ervaren hoe
die mensen zich voelen en hoe het voelt als zo'n groep collectief wordt
aangesproken. Ik weiger in dat frame mee te gaan. Ik spreek mij
daartegen uit en dat zal ik altijd blijven doen.
De voorzitter:
Ik wens hier toch als uw voorzitter ook wat over te zeggen. Ik heb de
heer El Abassi waardering horen uitspreken voor de woorden van mevrouw
Zalinyan. Ik heb de heer El Abassi horen spreken in de richting van
nieuwe politieke partijen die deelnemen aan dit debat. Als partijen en
individuele deelnemers aan dit debat dat anders hebben ervaren, staat
het hun vrij om dat punt van orde te maken en dat is volgens mij zojuist
gebeurd. Ik zou meneer El Abassi nu willen verzoeken zijn betoog te
continueren.
De heer El Abassi (DENK):
Voorzitter, graag. Als het aan mij ligt, hebben we het inderdaad over
wonen. Volgens mij kunnen we op zijn minst ook zeggen dat we een vreemde
periode achter de rug hebben. Het kabinet-Wilders I heeft namelijk ook
echt bestaan. Een partij die Nederlanders 20% huurverlaging beloofde,
werd met dit soort beloften de grootste partij. Toen ze eindelijk
mochten regeren, kregen Nederlanders de hoogste huurstijging in 30 jaar.
Er zijn extra woningen beloofd. In plaats daarvan zagen we stilstand.
Huurders horen beschermd te worden, maar in plaats van dat zij
bescherming kregen, zagen we dat huurders er vooral alleen voor
stonden.
En dan de belofte aan de mensen in de sociale huur. Ze zijn keihard
geraakt. Het kabinet beloofde een huurbevriezing voor twee jaar in de
sociale huursector. Ook dit bleken loze beloftes. Huurders zitten nu
opnieuw met een hogere rekening. De gevolgen daarvan voelen mensen elke
maand. Volgens cijfers van het CBS en het SCP neemt het aantal mensen in
armoede weer toe. Het gaat om mensen die werken. Het gaat om mensen die
iedere ochtend vroeg opstaan voor hun gezin en ontzettend hun best doen,
maar bij wie er aan het einde van de maand steeds minder overblijft. Dan
staan zij voor de keuze: betaal ik mijn huur, of doe ik de boodschappen?
Stuur ik mijn kinderen naar school met een lege of een volle
broodtrommel? Juist voor hen, voor honderdduizenden Nederlanders is
betaalbare sociale huur cruciaal. Niet als extraatje, maar als
fundament. Wat gebeurt er? Per juli mag de sociale huur opnieuw met 4,1%
omhoog.
Begrijpt de minister dat deze mensen hierdoor alleen maar verder de
armoede in worden geduwd? In de middenhuur ging het per 1 januari zelfs
om meer dan 6%. In de vrije sector om ruim 4%. Dit zijn geen kleine
correcties. Dit zijn verhogingen die mensen dwingen om keuzes te maken
die niemand zou moeten maken in een rijk land als Nederland.
In de plannen wordt gesproken over 30% sociale huur en twee derde
zogenaamd "betaalbare woningen". Dit betekent dat een op de drie
nieuwbouwwoningen niet betaalbaar is voor lage- en middeninkomens. Is de
minister het met mij eens dat een derde niet betaalbaar heel veel is,
gigantisch veel?
In de plannen staat ook dat de bestaande bouw beter benut moet worden.
In de praktijk betekent dat meestal: woningen opsplitsen, kamers
verkleinen en leefruimte inruilen voor rendement. Gezinswoningen
verdwijnen. Studio's die vaak te vergelijken zijn met kippenhokken komen
tevoorschijn. Er komen plannen waarin woningen voor gezinnen verdwijnen
en waar beleggers blij van worden. Op papier lijkt het groei, maar
feitelijk is het achteruitgang. Dit soort schijnoplossingen lost het
tekort niet op. Ze verschuiven het probleem en maken wonen onzekerder.
Ondertussen slopen woningcorporaties nog altijd tienduizenden sociale
huurwoningen per jaar. Als er nieuwbouw voor terugkomt, is die vaak
duurder en kleiner. Kan de minister toezeggen dat er geen sociale
huurwoningen meer gesloopt worden en dat, als dat toch gebeurt,
vervangende woningen dan qua vierkante meters minstens even groot zijn?
Ik gaf al aan dat er een groot verschil is tussen het aantal vierkante
meters van een sociale huurwoning en dat van andere woningen, terwijl
daar geen goede uitleg voor is. Voor de bewoners die hun huis moeten
verlaten, vaak gezinnen, is dit namelijk geen verbetering maar een
ontwrichting.
Dan de kwaliteit van woningen. Meer dan een miljoen woningen kampen met
schimmel- en vochtproblemen, met als gevolg astma, longklachten en
chronische gezondheidsproblemen. Daarnaast hebben bijna 1 miljoen
huurwoningen nog steeds enkelglas. De minister verwees eerder naar een
tochtkorting in het woningwaarderingsstelsel, maar erkent dat zo'n
huurkorting niets doet aan schimmel, vocht en gezondheidsklachten. Vindt
de minister het acceptabel dat huurders in ongezonde woningen wonen
zolang ze minder betalen? Het mag toch niet zo zijn dat de dikte van de
portemonnee van ouders bepaalt of hun kind in een gezonde woning
opgroeit? Is de minister het met mij eens dat ze er alles aan moet doen
om dit te voorkomen? En is zij het met mij eens dat we zo snel mogelijk
af moeten van woningen met enkelglas en dat zij er alles aan moet doen
om te zorgen dat alle woningen zo snel mogelijk minimaal dubbelglas
krijgen?
Voorzitter, ik sluit het hierbij af. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik geef het woord aan de heer Flach voor zijn inbreng namens
de Staatkundig Gereformeerde Partij in de eerste termijn. Gaat uw
gang.
De heer Flach (SGP):
Voorzitter, dank u wel. Hoewel dit demissionaire kabinet langzaam tot
stilstand komt en een volgend kabinet nog in de steigers staat, staat de
woningmarkt niet stil. Hoge huizenprijzen, netcongestie, tekort aan
locaties, lange doorlooptijden, stijgende huren: het wordt er niet
makkelijker op. Vraag en aanbod zijn niet in balans en zijn zelfs
verstoord. De vraag stijgt meer en meer, ook door bijvoorbeeld
gezinsverdunning en immigratie. De vraagkant ligt vooral bij andere
ministeries; we hebben er net al een debat over gevoerd. De aanbodkant
van de woningmarkt vraagt oplossingen van deze minister. Die oplossingen
vragen naast nieuwbouw een veel bredere aanpak, zoals het beter benutten
van de bestaande voorraad, het wegnemen van regels en het verbeteren van
het financiële beleid.
Maar inderdaad, er zijn ook meer woningen nodig, bijvoorbeeld voor
starters. Ik ben dan ook heel positief over de uitwerking van een
amendement, dat ik samen met de heer Vijlbrief heb ingediend, over
starters. Gemeenten moeten nu in hun volkshuisvestingsprogramma's
aandacht gaan besteden aan de woonopgave voor starters. Ook de bouw van
huurwoningen vraagt voortdurend aandacht. Om daarin voortgang te
behouden is een nieuwbouwopslag ingevoerd. Door een amendement van de
SGP wordt bezien of die opslag verlengd moet worden. Recent maakte de
minister bekend dat dit al voor 1 januari 2027 gebeurt. Dat is goed
nieuws. Ook moet de ruimte gepakt worden die de EU biedt aan
woningcorporaties om middenhuurwoningen te bouwen. Hoe staat het met de
vertaling daarvan in nationale regelgeving?
Voorzitter. Tijdens de behandeling van de Najaarsnota is een amendement
van de SGP aangenomen waarmee 57 miljoen voor de Woningbouwimpuls is
behouden. Met dit geld kunnen duizenden extra woningen worden gebouwd.
Dat geld moet natuurlijk zo goed mogelijk worden ingezet. Wat de SGP
betreft wordt daarom een deel van het geld naar twee andere regelingen
verschoven. Ten eerste is dat de Stimuleringsregeling ontmoetingsruimten
in ouderenhuisvesting. Daar werd ook al door collega Steen iets over
gezegd. Hiermee wordt de bouw van ontmoetingsruimten gestimuleerd.
Daarmee wordt niet alleen indirect de bouw van ouderenhuisvesting
bevorderd, maar het draagt ook bij aan het welzijn van ouderen en helpt
om eenzaamheid tegen te gaan. Ik heb daarom een amendement ingediend om
10 miljoen euro toe te voegen aan deze subsidieregeling. Ik hoor graag
een reactie van de minister. Is het daarbij mogelijk om het
subsidiebedrag op te hogen of een extra tranche te openen?
Daarnaast heb ik een amendement ingediend om het budget voor de Regeling
huisvesting aandachtsgroepen te verhogen met 20 miljoen euro, waarmee
een extra ronde voor aanvragen kan worden geopend. Daarmee kunnen
woningen worden gebouwd voor bijvoorbeeld daklozen en mensen met een
medische urgentie. Deze regeling is inmiddels uitgeput en het zou enorm
jammer zijn als we deze kans laten liggen. De bouw van woningen voor
deze kwetsbare groepen is gestokt. Graag een reactie.
Voorzitter. Mijn doel met de amendementen is niet om het hele budget van
57 miljoen euro leeg te eten. Zeker bij starterswoningen, vaak de wat
goedkopere woningen, komt de financiering vaak niet helemaal uit. Ziet
de minister kansen om met het extra geld de bouw van woningen voor
jongeren en starters extra aan te jagen? Wat is daar concreet voor nodig
aan regels of voorwaarden?
Dan kom ik bij een vrij lang slot, dus het lijkt mij een mooi moment om
even te stoppen.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Grote complimenten voor collega Flach, die erin geslaagd is om zijn
amendement waarmee die 57 miljoen aan onderuitputting beschikbaar kan
worden gesteld voor goede doelen, te redden van de ondergang.
Over het laatste punt, over de starters. Het is heel fideel van collega
Flach dat hij de minister de ruimte geeft om dat geld naar eigen inzicht
te besteden, maar is het niet een idee om dit specifiek toe te voegen
aan het Nationaal Fonds Betaalbare Koopwoningen? Dat geld gaat namelijk
echt naar woningen voor starters op de koopmarkt. Dat is precies een
groep die we slecht weten te bereiken. Een generieke Woningbouwimpuls
komt daar niet zomaar bij. Wat vindt de heer Flach van dat idee? Ik snap
dat het zijn geld is, maar toch.
De heer Flach (SGP):
Nee, mijn geld is het zeker niet. Het is geld waarvan een meerderheid
van de Kamer heeft gezegd: laten we dat uit de gretige handen van de
minister van Financiën weghouden en dat onder de hoede van deze minister
laten. Een van de argumenten daarvoor was dat de Woningbouwimpuls wel
degelijk in een behoefte voorzag. Het zou ook een beetje raar zijn als
ik vervolgens die volledige 57 miljoen zou omzetten naar andere
regelingen. Dat is de reden geweest. Ik hoor graag een reactie van de
minister over hoe we dat geld het beste bij starters kunnen krijgen. Als
uit de beantwoording blijkt dat de route die u voorstelt, de beste is,
dan kunnen we daar best over praten. Vooralsnog denk ik dat het mogelijk
moet zijn om in de Woningbouwimpuls een extra kader toe te voegen waarin
staat dat het geld vooral bedoeld is voor projecten waar gebouwd wordt
voor starters.
Voorzitter. Tot slot heb ik nog drie andere onderwerpen. Allereerst wil
ik het hebben over de instructieregel voor het permanent bewonen van
recreatiewoningen. Daar zijn de minister en ik het al anderhalf jaar
hartgrondig over oneens. Veel betrokkenen zien in die regel grote
bezwaren. De Eerste Kamer heeft maar liefst veertien pagina's aan vragen
gesteld. Uit de uitvoeringstoets blijkt dat de instructieregel
onuitvoerbaar is. Hoe ziet de minister het proces verder voor zich? Gaat
zij dit in de laatste dagen van dit demissionaire kabinet aan gemeenten
opleggen?
Dan het tweede onderwerp, de regelgeving. Recent kreeg ik weer een lijst
met concrete casussen; ik heb hem helaas op mijn tafel laten liggen.
Regels veroorzaken in de praktijk vaak jaren vertraging en enorme
financiële lasten. De minister heeft een reactie gegeven op het
adviesrapport van de commissie STOER. Ik zie veel goede voornemens: denk
aan het vrijstellen van fabrieksmatige woningen met een erkende
kwaliteitsverklaring of aan een vergunning- of meldingsplicht. Ik mis
echter maatregelen om de bestaande woningvoorraad beter te benutten.
Welke stappen wil de minister daarin zetten?
Hetzelfde geldt voor de hospitaregeling. Ik krijg uit de sector signalen
dat de verruiming daarvan afhankelijk is van de vraag of banken die
willen faciliteren met een hypotheek. Een verhuurde woning is nou
eenmaal veel minder waard als onderpand bij een bank. Dat is een zorg
die klinkt vanuit de sector. Hoe worden regels passend gemaakt voor
hospitaverhuur?
Ten slotte. Het is de frustratie van velen en is door een enkele collega
ook al genoemd: een ondoorzichtig biedproces en het feit dat overbieden
inmiddels een soort natuurwet is geworden. Eind vorig jaar kwam de NVM
met een nieuw protocol. Niet iedereen is daar blij mee, omdat het niet
de problemen van kopers lijkt op te lossen. Hoe ziet de minister dit?
Welke stappen zet zij alsnog om tot een gedragen oplossing te komen?
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Dank aan de heer Flach voor de bijdrage. Ik kan mij een commissiedebat
van vorig jaar herinneren. De heer Flach schetste toen als een van de
weinige politici van een sociaal-economisch toch rechtse partij:
misschien moeten we wat kritischer kijken naar de leenruimte bij
bijvoorbeeld het aankopen van woningen. Ook de SGP zegt: we moeten de
hypotheekrenteaftrek misschien toch wel meer afbouwen. Ik ben benieuwd
welke mogelijkheden de heer Flach ziet voor een nieuw kabinet om daarmee
aan de slag te gaan. Hoe kijkt de SGP hiertegen aan?
De heer Flach (SGP):
Dank voor de vraag. U heeft een uitstekend geheugen, meneer De Hoop. We
hebben in januari vorig jaar de woonagenda van de SGP gepresenteerd en
aan de minister overhandigd. Een van de maatregelen daarin zat aan de
financiële kant. Bijna alle financiële prikkels die er in de
achterliggende jaren zijn geweest, de lagere overdrachtsbelasting maar
ook de hogere leennormen, hebben vooral geleid tot hogere huizenprijzen.
Daar willen wij graag afscheid van nemen. Wij zeggen dat daar echt het
mes doorheen moet. Voor die leennorm is dat even pijnlijk, want het
betekent dat er even een korte periode minder geleend kan worden, maar
dan gaat het hoe dan ook een drukkend effect op de woningprijzen
hebben.
Dit is nog redelijk makkelijk. Wat ietsje lastiger is, is de
hypotheekrenteaftrek. Dat is een gebouw. Als je daar zomaar aan trekt,
raakt dat de mensen die er bijna 30 jaar op hebben zitten niet zo erg.
Maar starters die net twee jaar geleden een woning hebben gekocht,
moeten ook kunnen rekenen op een betrouwbare overheid. Zij hebben vaak
een heel dure woning gekocht, iets wat met de hypotheekrenteaftrek ook
kon. Wij sluiten niet uit dat er in de toekomst een alternatief komt dat
veel meer voorziet in het doel van de hypotheekrenteaftrek, namelijk dat
meer mensen een woning kunnen kopen, in plaats van dat het nu vooral de
woningen duurder maakt. Maar op dit moment zien wij dat alternatief nog
niet. We zien graag waar het kabinet mee komt, maar in de huidige vorm
moeten we de hypotheekrenteaftrek voorlopig maar gewoon even houden
totdat er echt iets ligt wat de rechten van de mensen die erop mochten
rekenen dat ze het kregen, goed waarborgt en de doelen beter dient.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Dank voor deze toelichting. De heer Flach en ik kijken weleens anders
naar het woningdossier, bijvoorbeeld als het gaat om de markt en
volkshuisvesting. Maar ik deel wel zijn analyse dat hoe meer
financieringsruimte mensen krijgen, hoe hoger en prijsopdrijvender het
effect daarvan is. De Kamer heeft daar in 2013 al een keer een heel
uitgebreid onderzoek naar gedaan. De Nederlansche Bank schrijft het ook.
Ik zou het heel mooi vinden als we met elkaar het nieuwe kabinet op dit
punt kunnen uitdagen: hoe kunnen we een kloppend fiscaal gebied draaien
waar niet elke keer opnieuw die prijsopdrijvende werking is? Ik vind het
mooi dat we dat debat nu voeren en hoop dat we dat de komende periode
vaker met elkaar kunnen doen, ook richting een nieuw kabinet.
De heer Flach (SGP):
Die hand neem ik zeker aan. Er zijn veel van dergelijke financiële
regelingen waar we kritisch naar moeten kijken, maar bij de
hypotheekrenteaftrek heb ik nadrukkelijk mijn kaders neergezet. Afbouw
in acht of vijftien jaar is voor ons niet zorgvuldig genoeg richting de
groep die erop had moeten kunnen rekenen. Als er een model komt waarbij
de rechten van bestaande gebruikers gewaarborgd zijn, maar waarin we
naar de toekomst toe het instrument beter kunnen gaan richten op
bepaalde doelen, dan is erover te praten. Maar we gaan niet nu de
bestaande rechten aanpassen. Voor de rest neem ik het zeker aan.
De heer El Abassi (DENK):
Ik heb even gekeken naar Kamerstuk 36800-XXII, nr. 8. Om het duidelijk
te hebben en om te voorkomen dat we langs elkaar heen praten in het
debat wil ik de heer Flach het volgende vragen. In dat stuk wordt
letterlijk de schriftelijke vraag gesteld aan de minister of hij voor zo
veel mogelijk jaren kan aangeven hoeveel procent sociale huurwoningen
naar statushouders gaan. Hoe duidelijk willen we het hebben? 2018: 5,4%.
2019: 4,7%. 2020: 4,4%. 2021: 6,3%. 2022: 6,9%. Dit komt niet overeen
met de 50% die de heer Flach noemt? Kan hij dat toelichten?
De heer Flach (SGP):
Ik wil best een discussie voeren met de heer El Abassi. Ik hoorde hem in
zijn bijdrage vooral veel getallen noemen. Wat ik gedaan heb, is een
eigen ervaring weergeven. Ik ben zelf jarenlang wethouder Wonen geweest.
Ja, de heer El Abassi kan lachen, maar lees de verslagen er maar op na.
Ik heb gezegd: in de gemeente waar ik wethouder was, was er een sociaal
huurpercentage van 23%. Het aantal mutaties — daar gaat het over — van
vrijkomende woningen was daar dermate laag dat vanwege de taakstelling
de helft van de woningen toegewezen móést worden aan statushouders. U
kunt zich voorstellen, zeg ik via de voorzitter, dat dat een behoorlijke
druk geeft op die woningmarkt en dat mensen daar uitermate ongelukkig
mee zijn. Je zult immers maar een gezin zijn zonder urgentie of een
starter die al tien jaar op de lijst staat en verder geen extra voordeel
heeft waardoor die hoger op die lijst komt. Dan voel je je erg
achtergesteld. Dat aspect mis ik weleens in de bijdragen van de heer El
Abassi.
De heer El Abassi (DENK):
Dan snap ik waarom wij langs elkaar heen praten. Ik heb het namelijk
over de landelijke cijfers. Tenzij de heer Flach die ontkent en de
minister aan het liegen is in de beantwoording — ik neem aan dat dat
niet het geval is — zegt de heer Flach eigenlijk: "Ik heb een heel
negatieve ervaring. Ik moest 50% van de woningen toedelen aan …". Dat
heeft u zelf gedaan als wethouder, daar kan ik niks aan doen. U mocht
destijds lokaal daarover gaan. Maar dat is niet waar ik het over heb. We
zitten niet meer in de gemeenteraad, waar ik ook in heb gezeten, maar we
kijken nu landelijk.
De voorzitter:
Uw vraag?
De heer El Abassi (DENK):
Als we landelijk kijken — ik hoop dat we het daarover eens zijn — dan
hebben we het over die kleine percentages. Dan kloppen die opvolgende
percentages waar ik het over had ook.
De heer Flach (SGP):
De heer El Abassi citeert uit een stuk dat ik niet voor me heb. Dus ik
ga hiervandaan niet aangeven of getallen wel of niet kloppen. Ik heb
één, nadrukkelijk één, voorbeeld genoemd van mijn eigen gemeente. Dat
lijkt sterk op de gemeente Wassenaar, die de heer El Abassi zelf naar
voren haalde en waarvan hij meende dat daar 0% sociale woningbouw was.
Dat was iets meer. Ik hoorde zelfs dat het 26% was, dus ze zijn
behoorlijk gegroeid.
Wat ik heb geprobeerd te doen, is een rustige en beschaafde
demografische discussie voeren, die we eerder ook hebben gevoerd naar
aanleiding van het rapport van de staatscommissie. Die laat zien dat
onze bevolking al jarenlang krimpt. Toch hebben we 100.000 woningen per
jaar nodig. Dat is maar om twee redenen, waar ik in mijn bijdrage ook
iets over heb gezegd, te verklaren. Dat komt door gezinsverdunning,
minder mensen in een woning, meer mensen die alleen zijn of blijven. Dat
is de ene kant: relaties dus. De andere kant is de groei van buitenaf:
migratie. Dat is zo logisch als het maar zijn kan. Ik zie niet in waarom
we daar een discussie over zouden moeten voeren. Over de getallen die
eronder liggen, is meneer El Abassi zelf begonnen. Die interesseren mij
eigenlijk niet.
De voorzitter:
Tot slot.
De heer El Abassi (DENK):
Die interesseren mij wel, want onderbuikgevoel is iets anders dan de
feiten. Ik heb die feiten net gepresenteerd. Ik heb de discussie ook
niet opgezocht. De heer Flach kwam mij de vraag stellen, zeg ik even via
de voorzitter. Ik constateer gewoon dat de cijfers juist zijn. Sterker
nog, de minister heeft die met ons gedeeld. Ik heb genoemd in welke
Kamerstukken het staat. Als iemand het anders leest dan hoor ik dat
graag. Iedereen kan hier naar de katheder stappen. Dat wilde ik even
hier gezegd hebben.
De heer Vermeer (BBB):
Waar de discussie hier over gaat, is natuurlijk niet het absolute aantal
statushouder dat aanspraak maakt op een sociale huurwoning. Het gaat
erom hoeveel plekken er vrijkomen. DENK heeft hier drie zetels. Dat is
2% van alle zetels hier, maar als er eentje vrijkomt, dan is dat wel 33%
van de DENK-zetels. Als er ergens een woning vrijkomt, dan gaat het erom
wie er het eerst op het lijstje staat. Als er één woning vrijkomt en er
moet één statushouder geplaatst worden, dan gaat die woning naar de
statushouder.
De voorzitter:
U wilt vragen of de heer Flach het daarmee eens is?
De heer Vermeer (BBB):
Ik heb eigenlijk helemaal geen vraag meer. Maar klopt het dat dit het
verschil is tussen de insteek van de heer El Abassi en de insteek van de
heer Flach over de praktijk in een gemeente in jaar X?
De heer Flach (SGP):
Mocht er een zetel bij de BBB vrijkomen, dan kan de heer Vermeer altijd
nog wiskundeleraar worden, want hij is uitstekend in staat om het
verschil tussen "absoluut" en "relatief" uit te leggen. Daar is geen
speld tussen te krijgen.
De voorzitter:
Ik sta deze interruptie van de heer El Abassi ook toe. Ja, u werd
aangesproken. Gaat uw gang.
De heer El Abassi (DENK):
Inderdaad, het ging over een interpretatie van wat ik gezegd had. Daar
wil ik wel mijn eigen interpretatie aan toevoegen. Het ging namelijk om
het feit dat hier gepresenteerd werd dat bijna 50% van de sociale
huurwoningen naar statushouders gaat. Ik wilde aangeven dat dat niet
klopte. Ik heb aangegeven dat het minder dan 1% is. Inderdaad, daar kun
je best wel wat van vinden, maar zeg dan ook dat minder dan 1% van alle
woonruimte, van alle ruimte die we gebruiken, naar statushouders
gaat.
De voorzitter:
U heeft uw punt gemaakt.
De heer Flach (SGP):
Ik reageer daar kort op. De heer El Abassi wil er heel graag een
welles-nietesspelletje van maken. Het gaat inderdaad over de juiste
aannames. We hebben er niks aan om percentages van de totale
woningvoorraad of van de totale sociale huur te nemen. Het gaat om het
aantal woningen dat vrijkomt. Daar moeten we het over hebben. Hoe u het
ook wendt of keert, in heel veel gemeentes gaat het om tientallen
procenten van de vrijkomende woningen. In de steden zal dat anders
liggen, want daar is de socialehuurgraad veel hoger, maar in veel dorpen
door het hele land is die druk enorm groot.
De voorzitter:
Ik zou dit punt nu wel willen afronden, want we vallen nu volgens mij in
herhaling.
De heer Flach (SGP):
Daar kan ik niks aan doen, voorzitter. Ik word uitgedaagd.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Ik wilde daar ook een poging toe doen. We zijn een enorm leuke
wiskundige exercitie aan het doen, maar kunnen we niet het volgende met
elkaar constateren? Deelt de heer Flach met de fractie van de VVD dat we
gewoon veel meer moeten bouwen in plaats van continu herverdelen in de
zin van "wie mag er in die woning"? Laten we gewoon veel meer gaan
bouwen, gaan splitsen, gaan optoppen, gaan transformeren, om te zorgen
dat er meer woningen komen in plaats van dat we discussiëren over
hoeveel procent het nou is. Deelt de heer Flach dat met mij?
De heer Flach (SGP):
Ja. Echter, dat is maar een deel van het verhaal. Ik heb in het begin
van mijn betoog proberen aan te geven dat je vanwege de tekorten op de
woningmarkt te maken hebt met een vraag- en een aanbodkant. Deze
minister gaat over het aanbod. De vraag heeft veel meer te maken met
relatie en migratie, dus onze demografische ontwikkelingen. Die
discussie moeten we bij andere begrotingen en met andere ministeries
voeren. Maar als je helemaal nooit iets doet aan de vraagkant, dan kun
je aan de aanbodkant blijven doen wat je wil, maar dan blijven we
jaarlijks de druk op de woningmarkt houden. Dat was mijn betoog.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Dat klopt natuurlijk. In mijn inbreng hebben we het ook gehad over
beperking van instroom, maar als we nou gewoon veel meer gaan bouwen en
gaan waarmaken wat we al jaren roepen, dan is er geen vraagkant meer en
is er gewoon voldoende aanbod. Volgens mij moeten we dat met elkaar
nastreven, zeg ik via de voorzitter.
De heer Flach (SGP):
Dat is mij uit het hart gegrepen en klopt helemaal.
De voorzitter:
Ik dank de heer Flach voor zijn inbreng in de eerste termijn. Het woord
is aan de heer Grinwis voor zijn inbreng namens de ChristenUnie. Ga uw
gang.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel. Allereerst feliciteer ik mijn collega's Steen,
Zalinyan en Van Asten met hun maidenspeech. Het is mooi om te zien hoe
hun ervaring als raadslid en als wethouder in hun prachtige gemeenten
Heemskerk, Hengelo, dat toch nodig is, en natuurlijk Den Haag hen
vandaag hier achter dit gestoelte inspireren. Dat is hartstikke
goed.
Voorzitter. De woningnood is groot. Zo veel mensen zijn op zoek naar een
betaalbaar huis. Daarom zette de ChristenUnie in haar afgelopen vrijdag
gepresenteerde volkshuisvestingsvisie Thuisgeven in tijden woningnood,
de woningzoekende op één. En ja, dat betekent dat andere belangen en
andere zaken dus even op twee komen. Mensen hebben bijvoorbeeld geen
recht op mooi uitzicht, hoe fijn dat ook is en hoezeer ik dat iedereen
gun. Mensen hebben wel recht op een dak boven hun hoofd. Zojuist mocht
ik een exemplaar aan de minister aanbieden. Hierbij bied ik ook de
voorzitter, de griffier, al mijn collega's en medewerkers met liefde
voor volkshuisvesting een exemplaar aan.
De voorzitter:
Heel veel dank. We nemen het in ontvangst en zorgen dat het deel
uitmaakt van de beraadslaging.
Ik neem aan dat er geen bezwaar tegen bestaat dat dit stuk ter inzage
wordt gelegd bij het Centraal Informatiepunt van de Kamer.
(Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt van de Tweede Kamer
der Staten-Generaal.)
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Top, voorzitter, dank. Het kan nooit kwaad om het twee keer te lezen,
beste minister.
Voorzitter. Dakloze medemensen vormen het grimmigste gezicht van de
wooncrisis in ons land. Er zijn steeds meer mensen met een respectabele
baan die dakloos zijn. Er zijn zelfs dakloze kinderen. In mijn stad Den
Haag zijn er nota bene al meer dan 1.000 kinderen die buiten de formele
opvang niet onder een fatsoenlijk dak bivakkeren. Mijn aangenomen
amendement op de Wet versterking regie volkshuisvesting zou daar wat aan
moeten doen. Terzijde wil ik zeggen dat ik deze kabinetsperiode weleens
de indruk had dat de huisvesting van daklozen wat stiefmoederlijk werd
behandeld. De minister van VRO was er formeel niet voor verantwoordelijk
— dat weet ik — en gaf daarom niet altijd thuis. Ik vind dat we dat in
de volgende kabinetsperiode wel anders moeten doen. De minister van
Volkshuisvesting behoort ook de minister te zijn die coördinerend
verantwoordelijk is voor de huisvesting van dakloze mensen. Ondertussen
zat de Kamer gelukkig niet stil. Vorig jaar heb ik met mijn collega's
met een amendement 30 miljoen voor huisvesting van aandachtgroepen, met
name daklozen, kunnen fiksen. Dit jaar neemt collega Flach het stokje
over, met een amendement dat 20 miljoen fikst. Dat is heel goed en ik
steun dat van harte.
Ik ga terug naar onze volkshuisvestingsvisie. Een van de voorstellen die
erin staan, is het voor omwonenden lastiger maken om naar de rechter te
gaan. Dat is niet leuk, maar in het belang van woningzoekenden is dat
wel nodig. Het eerste idee was de voortoets naar Duits model, een soort
zeef, waar ik samen met oud-collega Meulenkamp van de VVD een motie over
indiende. Dat idee is aanvankelijk door de minister enthousiast omarmd,
maar uiteindelijk toch terzijde gelegd, zo las ik in een brief in
oktober. Het is mij niet helemaal duidelijk waarom. Wat vindt zij van
het alternatief om voor een omgevingsvergunning voor een
woningbouwproject dat past in een omgevingsplan te volstaan met een
technische bouwvergunning en een welstandstoets en geen mogelijkheid
meer te bieden voor bezwaar en beroep? De mogelijkheid voor bezwaar en
beroep is er immers geweest in de fase van het omgevingsplan. Wat vindt
de minister van dit — ik geef het toe — vergaande idee? Los van wat ze
ervan vindt, wil ik weten of het uitvoerbaar en houdbaar is. Ik ben zeer
benieuwd.
In dit kader wil ik ook het volgende zeggen. De minister ging heel stoer
de ellenlange vergunningsprocedures en overbodige en tegenstrijdige
regels te lijf. Daarvoor complimenteer ik haar oprecht. Maar hebben we
de adviezen uit het STOER-traject van de minister wel voldoende benut?
Ik miste in de acties nogal wat adviezen van de adviesgroep. De minister
weet het denk ik wel. Ik noem de invoering van de lex silencio positivo
bij omgevingsvergunningen, ook wel de "vergunning van rechtswege"
genoemd, de voorstellen voor de vereenvoudiging van bodemonderzoek en
-sanering, het snel ontwikkelen van een landelijk dekkend
soortenmanagementplan voor beschermde dier- en plantensoorten, inclusief
standaardiseringen, mitigatie- en compensatiemaatregelen of de versnelde
invoering van landelijk werkende typegoedkeuring van fabrieksmatig
geproduceerde woningen. Die adviezen liggen er allemaal, maar het
kabinet heeft ze niet overgenomen. Mijn vraag is: waarom niet? Ik kan me
bijna niet voorstellen dat de minister niet zou willen. Liggen dan
andere departementen dwars? Hoe zit dat nou precies? Is er een motie
nodig? Ik zou zeggen: wees stoer tot het einde.
Voorzitter. Een andere kern in onze woonvisie is de inzet op verder
herstel van volkshuisvesting, met een cruciale rol daarin voor
woningcorporaties. We moeten immers niet alleen gefocust zijn op de
kwantiteit, op bouwen, bouwen, bouwen. De essentie van huizen bouwen is
wat mijn fractie betreft dat het bijdraagt aan echt samenleven, aan
lotsverbondenheid, aan gemeenschapsvorming. Huizen bouwen is
gemeenschappen bouwen. Dat vraagt iets van onze houding als mens, maar
het vraagt ook van de overheid om die ruimte zo te ordenen en publiek
geld zo in te zetten dat er gemengde wijken met een goede mix van
woningen voor jong en oud en voor arm en rijk worden gebouwd. Een lang
verhaal kort, dat betekent dat woningcorporaties meer middelen nodig
hebben om die taak in te vullen. Dat kan enerzijds door de bouw van
middenhuurwoningen geborgd te financieren — dat staat in de uitnodiging
van collega's Jetten en Bontenbal — en anderzijds door die gekke
vennootschapsverplichting ervanaf te halen en het liefst in de vorm van
herbestedingsreserve in te voeren. Dat stond nog niet in het stuk. Ik
zou zeggen tegen de coalitieonderhandelaars: vul dat in. Vergeet ook
niet de koopkant. Ik noemde net al in een interruptie het Nationaal
Fonds Betaalbare Koopwoningen. Ik sluit me aan bij de woorden van
collega Den Hollander.
Daar houd ik het bij in eerste termijn.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Grinwis. Dat leidt nog wel tot interrupties,
allereerst van de heer De Hoop.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Allereerst dank aan de heer Grinwis voor zijn stuk. Ik zal eerlijk
zeggen dat ik het zelfs op weg naar mijn skivakantie in de auto even
gelezen. Dan kijk je toch even onderweg. Als een collega een stuk
schrijft, vind ik het leuk om dat te lezen. Een van de dingen waar ik
erg enthousiast van werd, was hoe de heer Grinwis segregatie tegen wilde
gaan en wilde zorgen voor gemengde wijken. Ik kreeg al helemaal een
glimlach op mijn gezicht toen ik las dat hij het amendement dat wij
samen indienden bij de Wet versterking regie volkshuisvesting aanhaalde.
Daarbij zeiden wij dat je eigenlijk wilt dat elke gemeente aan die twee
derde betaalbaar en die 30% voldoet. Ziet de heer Grinwis, nu de Wet
regie toch nog niet door beide Kamers gekomen is, ook kans om samen een
nieuw kabinet er nog toe te bewegen om dat toch op die manier vast te
leggen of in een nieuw regeerakkoord een plek te laten vinden?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Dat vind ik een mooie vraag. Het is hartstikke leuk dat collega De Hoop
zoiets er zelfs op weg naar zijn vakantie gewoon bij pakt en gaat lezen.
Ik zal niet beloven dat ik dat ook zou doen, maar ik vind het een enorm
compliment en hartstikke leuk. Wat betreft het opnieuw indienen van dat
amendement, is het nog sterker: ik heb as we speak een mailwisseling met
de griffier van de VRO-commissie om ervoor te zorgen dat we die novelle
zo snel mogelijk in een wetgevingsoverleg gaan behandelen, met een
inbrengdatum erbij. Ik kan niet wachten om dat amendement weer samen in
te dienen en te kijken hoe dat deze keer afloopt. Ik kijk nu in de zaal
naar de minister en zie dat zij dat WGO al met angst en beven
tegemoetziet. Ik kijk ernaar uit.
De heer Flach (SGP):
Huizen bouwen is gemeenschappen bouwen. Ik heb gelezen dat de heer
Grinwis daar zelfs de toch moeilijk te beïnvloeden voormalige minister
voor Wonen Hugo de Jonge mee wist te beïnvloeden, dus dat is voorwaar
een prestatie, zoals ook het document dat hij heeft aangeleverd een
prestatie is, dus dank daarvoor. Ik heb er even snel doorheen gebladerd.
Ik zie daar een heel aantal navolgenswaardige punten in.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Maar …
De heer Flach (SGP):
Ik vroeg me af of de heer Grinwis er bewust of onbewust voor heeft
gekozen om alleen de aanbodkant hierin mee te nemen en eigenlijk niets
op te nemen over de vraagkant. Ik zal ook even zeggen waarom ik dat
vraag. Hoelang zullen we in de ogen van de heer Grinwis moeten doorgaan
met het bouwen van die 100.000 woningen per jaar?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
In het visievormende deel staat wel degelijk iets over de oorzaken:
precies de twee zaken die de heer Flach noemde. Ten eerste
huishoudenverdunning: we wonen met steeds minder mensen in een huis. We
hebben steeds meer vierkante meter per Nederlander. Ik maak een
vergelijking met volgens mij vijftien jaar geleden. Als je dezelfde
vierkante meters van toen zou toepassen op het aantal huishoudens nu,
heb je twee keer het huidige woningtekort beschikbaar. Het staat er dus
wel degelijk in. Ook migratie wijs ik aan als reden. Tegelijkertijd
verwijs ik naar een migratievisie die we als ChristenUnie ook hebben
opgeleverd voor maatregelen om die instroom terug te dringen. Dat dus
even als reactie daarop.
In de voorstellen zelf gaat het inderdaad echt puur over de
volkshuisvestelijke kant. Ik ben voorzichtig geweest met het aanbieden
van allerlei relatietherapieën aan vrienden en vriendinnen. Wat ik wel
zeg, is dat we het maximaal aantrekkelijk moeten maken om de huidige
ruimte beter te gaan benutten. Dat kan met splitsen; dan moet je
natuurlijk rekening houden met de leefbaarheid van oude stadswijken. Het
kan met optoppen. Het kan ook door de hospitaverhuurregeling, waar de
heer Flach het over had, aantrekkelijk te maken. We wachten met smart op
het wetsvoorstel van de minister om tijdelijke hospitaverhuur mogelijk
te maken. Het kan door de kostendelersnorm te schrappen. Dat soort
voorstellen staat er in die zin allemaal in. Die beïnvloeden de
vraagkant, maar de nadruk ligt inderdaad op de aanbodkant, omdat we de
partijen die de woningen moeten bouwen nu, twee of drie weken voordat
het nieuwe coalitieakkoord verschijnt, ook in staat moeten stellen om
die woningen te gaan bouwen.
De heer Flach (SGP):
Ik hoop dat de heer Grinwis het me niet euvel duidt dat ik dat niet had
opgemerkt in de twee minuten die mij waren gegeven.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Nee.
De heer Flach (SGP):
Dat doet me deugd. Mijn zorg zit met name in de volhoudbaarheid van die
100.000 per jaar. Ik denk dat we dat allemaal willen, maar er is een
tekort van 400.000. Daar komen er per jaar 100.000 bij en we halen die
100.000 al een aantal jaren niet. Wanneer gaan we dat halen en hoelang
houden we dat vol met ons huidige personeelsbestand in de bouw, met
materialen en noem maar op? Hoe kijkt de heer Grinwis daarnaar?
De voorzitter:
Meneer Grinwis, een tikje beknopter.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
O ja, we willen vanavond ook naar huis; dat snap ik, voorzitter. Ik kan
hier niet garanderen dat we dat binnen afzienbare tijd halen. Ik ben
altijd geïnspireerd door de hoogtijdagen van de volkshuisvesting in de
jaren twintig van de vorige eeuw of in de crisisjaren van de jaren
tachtig, toen we met een anticyclisch beleid in staat waren om in 1982 —
dit zeg ik uit mijn hoofd; collega De Hoop gaf dit ook al aan — de
woningbouwproductie van net onder 100.000 op te jagen naar 120.000.
Waarom kunnen wij nu niet wat zij toen konden? Hebben we ons land
ondanks STOER zo dichtgeregeld dat we dat niet meer voor elkaar boksen?
Vooralsnog gaat het aantal vergunningen dat we afgeven omlaag. Ik ben
dus bang dat de woningbouwproductie de komende drie, vier of vijf jaar
eerder omlaaggaat dan omhooggaat. Ik maak me daar echt zorgen over. Ik
kan het hier niet garanderen. Als je bereid bent om zonder al te veel
taboes na te denken over het toevoegen van betaalbare woonruimte, zowel
door nieuwe woningen te bouwen als door de bestaande ruimte te benutten,
denk ik wel dat we dichter bij die 100.000 kunnen komen. Maar ik moet de
afgelopen jaren constateren dat deze minister dat dolgraag wilde en dat
haar voorganger dat dolgraag wilde, maar dat we er nog niet zijn. Het
ligt ook niet in de handen van één minister, één bouwbaas, één wethouder
of één ambtenaar. Het is helaas een veelkoppig monster. Ik denk dat wij
de urgentie hier inmiddels zó voelen dat dit onderwerp nummer 1 was in
veel verkiezingsprogramma's en ook in het praatstuk van Jetten en
Bontenbal. Laat ze dan ook boter bij de vis leveren en alles doen wat
nodig is om dit daadwerkelijk te realiseren. Meer kunnen we niet
beloven.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
50PLUS is sinds maandag ingetrokken bij de ChristenUnie op de gang.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ja!
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
We zijn dus buren geworden. Het is een gezellige gemeenschap, kan ik
stellen.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Absoluut.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Maar mijn zorgen gingen even over het punt dat mensen dakloos zijn en
dat daar veel kinderen bij betrokken zijn, wat u terecht aanhaalt, maar
dat we ook weten dat er bij migrantenwerkers rondom de uitzendbureaus
geen werk is en dus ook geen dak boven het hoofd. Denk daarbij aan het
rapport-Roemer. Hoe kijkt de ChristenUnie daartegen aan? Dat is namelijk
ook een ontzettende uitdaging hier in Nederland.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik denk dat wij niet voor niets ganggenoten zijn geworden, want hier
denken we, denk ik, wel hetzelfde over. Ik vind bijvoorbeeld de
glastuinbouw in het Westland, hier om de hoek, een fantastische sector.
Maar het doet me pijn dat er in het Haagse Bos, hier tegenover het
Kamergebouw nota bene, meer mensen te vinden zijn die dakloos zijn als
de paprikapluk over is. Dan klopt er iets niet in hoe wij iets geregeld
hebben. Dat betekent iets fundamenteels maar dat betekent ook dat er
iets niet goed gaat met de huisvesting. De heer Roemer heeft daar
talloze zeer behartenswaardige aanbevelingen over opgeschreven die we
hier in deze Kamer, en ook in het kabinet volgens mij, al diverse keren
hebben omarmd maar nog steeds niet helemaal hebben uitgevoerd. Ik kijk
er dus zo naar: ik wil niemand tekortdoen, dus ook niet de ondernemers
in het Westland, want het zijn prachtige innovatieve bedrijven, maar er
gaat hier iets niet goed als het gaat om hoe wij omgaan met
arbeidsmigranten. Die maken inderdaad een heel groot onderdeel uit van
het aantal daklozen in heel veel regio's in het land en ook in deze
regeringsstad.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Wij zien voornamelijk dat het kwaad zit bij die vele uitzendbureautjes.
Als wij daar met elkaar als Kamer nou eens een keertje kunnen doorpakken
en misschien ook iets mee kunnen geven aan de partijen die nu aan het
formeren zijn, denk ik dat we al een heel eind komen.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik denk dat dat inderdaad klopt. Uitzendbureaus waren ooit
vergunningsplichtig. Die vergunningsplicht hebben we eraf gehaald.
Inmiddels is er al een paar keer een wetsvoorstel aangekondigd, ook door
de vorige minister van Sociale Zaken, minister Van Hijum, en
uiteindelijk wordt het in the end iedere keer weer on hold gezet. Ik
denk dat het inderdaad nodig is om de controle op de uitzendsector heel
snel te verstrengen en de vergunningsplicht te herinvoeren. Dat zou
inderdaad enorm helpen tegen dit soort mensonterende omstandigheden.
Eens.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Grinwis. Het woord is aan mevrouw Beckerman voor haar
inbreng in de eerste termijn namens de SP.
Mevrouw Beckerman (SP):
Goeienavond. "We hebben inmiddels een wooncrisis", zei ik begin 2019.
Het was de eerste keer dat het woord "wooncrisis" viel hier in de Tweede
Kamer. Werden we toen niet serieus genomen, nu zijn alle partijen er wel
van doordrongen dat er een wooncrisis is. Maar ja, zeven jaar later is
de wooncrisis alleen maar groter geworden door opeenvolgende kabinetten
die onvoldoende hebben gedaan om de wooncrisis op te lossen. Had
Nederland ooit trotse volkshuisvesting van wereldfaam, in de afgelopen
decennia werd die stap voor stap afgebroken. Wonen werd een markt,
corporaties werden verzelfstandigd en uitgeknepen en ons werd
wijsgemaakt dat sociale huur er alleen hoorde te zijn voor een kleine
groep arme mensen. Kopen en de vrije huursector werden gepromoot en de
huren mochten almaar verder omhoog. Een gigantische wooncrisis is het
vervolg. Maar een echte omslag in hoe de overheid met wonen omgaat
blijft nog altijd uit. Voorzichtige stapjes om de markt te beteugelen
werden weer gevolgd door stappen achteruit. Een echt alternatief werd
niet gekozen.
Maar, zoals we hier zeggen, het kan wel. We kunnen kiezen voor wonen als
recht, voor 1 miljoen betaalbare woningen erbij, voor betaalbaarheid. Er
staan architecten en makers klaar om ermee aan de slag te gaan. En het
hoeft niet altijd moeilijk te zijn. Platform Woonopgave laat zien hoe we
een groot deel van de wooncrisis op kunnen lossen zonder ook maar één
woning bij te bouwen, bijvoorbeeld door de aanpak van leegstand. Het is
bizar dat er in tijden van diepe wooncrisis zo veel leegstaat in
Nederland. Er staat bijna 18 miljoen vierkante meter structureel leeg.
Laten we daar in hoog tempo goede, betaalbare woningen van maken, voor
jong en oud en alles ertussenin.
Voorzitter. Steeds meer mensen willen niet wachten tot de wooncrisis
wordt opgelost, maar willen die zelf oplossen, met wooncoöperaties. Dat
zijn groepen mensen die samen woningen bouwen of overnemen, zonder
winstoogmerk. Daar moet meer politieke steun voor komen, want deze
mensen lopen nog altijd aan tegen barrières die maken dat veel projecten
niet of moeilijk van de grond komen. Deze week zal ik daarom de tweede
versie van onze initiatiefwet Bevordering wooncoöperaties
indienen.
Voorzitter. Als we de wooncrisis willen oplossen, moeten we investeren
in sociale huur voor lage en middeninkomens, en huren betaalbaar maken.
Sociale huurders betalen nu de wooncrisis en elk jaar worden zij verder
uitgeknepen, met almaar stijgende huren. Het kabinet blijft vervolgens
de corporaties verder uitknijpen, met almaar stijgende belastingen. In
2024 was er een recordhuurverhoging, de hoogste in 30 jaar tijd. In 2025
werd die gevolgd door weer een hoge huurverhoging. Samen met
GroenLinks-PvdA kregen wij een motie aangenomen om huurders hiervoor te
compenseren, maar in plaats van met een compensatie komt deze minister
met een nieuw plan, voor weer een hoge huurverhoging in 2026. Er komt
wéér 4,1% bij voor sociale huurders, en 6,1% voor middenhuurders. Niet
te doen.
Daarbovenop verliezen huurders in flats en appartementen vanaf deze
maand de huurtoeslag op servicekosten. Dat kan huurders €48 per maand
kosten. En wie raakt dit? Dat zijn juist de armste huurders, want die
wonen vaak in een flat. Bijna 59% van de mensen die langdurig onder de
armoedegrens leeft, woont in een appartement. Het is huurverhoging op
huurverhoging, en dan verdwijnt ook nog eens de huurtoeslag op
servicekosten. Waanzinnig. De SP blijft staan voor huurverlaging.
Voorzitter. Het werkt ook gewoon niet, want terwijl het kabinet
vasthoudt aan de gedachte dat huurders de wooncrisis moeten betalen,
maar het zelf doorgaat met het uitknijpen van corporaties door nog
steeds winstbelasting te heffen en de ATAD toe te passen, komen
corporaties in financiële problemen. In de departementale stukken die
gedeeld zijn door VRO bij de formatiegesprekken zien we dat de
financiële positie van corporaties drastisch verslechtert met een
mogelijk tekort van circa 20 miljard euro. We vragen aan de minister:
wanneer komen de doorrekeningen hiervan en wanneer kunnen we zicht
krijgen op hoe groot dit tekort is? Op deze manier gaan we die
wooncrisis nooit oplossen.
Voorzitter. Wie wil er niet onderdeel zijn van een hechte gemeenschap?
Onze wooncrisis is ook een crisis van doorgeschoten individualisering en
liberalisme. Gemeenschapszin is dé oplossing. Dat schrijft ook
Rijksbouwmeester Francesco Veenstra. Gemeenschapszin is vooral bij
rechts terecht populair. In de campagne gingen bijvoorbeeld veel
partijen naar Volendam en "palingpopulist" werd terecht als geuzennaam
gezien. Maar hoe wrang is het dan dat tegelijkertijd juist hechte
gemeenschappen worden gesloopt? Voor nog eens 93.000 sociale
huurwoningen dreigt namelijk sloop, vaak niet omdat de woningen niet
meer gerenoveerd kunnen worden, maar omdat sloop-nieuwbouw financieel
aantrekkelijker is.
Sloop in tijden van een wooncrisis raakt betrokken huishoudens hard. We
zien dat bijvoorbeeld in Prinsejagt en Vaartbroek in Eindhoven en in de
Roofvogelwijk in Oss. Mensen verliezen meer dan alleen een huis. Hier
worden hele buurtjes, gemeenschappen, gesloopt. Het is onnodig. Dat
zeggen ook talloze architecten en experts. Gemeenschapszin, alleen als
je rijk bent? Sloop is geen oplossing, maar het probleem. Wij vragen de
minister: bent u bereid om een pas op de plaats te maken en enkel te
slopen bij zeer hoge uitzondering en wanneer er een goed en even
betaalbaar alternatief is?
Ook andere hechte gemeenschappen verdwijnen. Ik denk aan mensen die vaak
al jarenlang, soms van generatie op generatie, op dezelfde camping
staan. De campings worden opgekocht door ketens om er dure huisjes en
villa's te plaatsen. Vaste gasten moeten wijken voor de rijken, zoals op
de klassieke kleinschalige Achterhoekse camping Reusterman, die in
handen komt van een groot Frans concern. De vaste gasten, die hier soms
al 50 jaar staan, dreigen hun plek te verliezen. Dit gebeurt nog steeds
op veel plekken in Nederland. Zo verdwijnen ook hechte gemeenschappen op
campings. Is gemeenschapszin er alleen voor wie er de poen voor heeft of
gaat de minister hier iets aan doen? Vorig jaar zorgde de Tweede Kamer
voor een doorbraak en sprak zij per motie uit dat er weer een kampeerwet
moet komen om vaste gasten te beschermen tegen dit soort roofovernames.
Gaat het kabinet die eindelijk uitvoeren?
Voorzitter. Dan willen wij een voorstel doen voor Groningse jongeren:
nij begunwoningen, goede betaalbare woningen in het bevingsgebied. In
Groningen is er namelijk een dubbele wooncrisis. Boven op de wooncrisis
die in heel Nederland speelt, zijn veel woningen in Groningen nog steeds
beschadigd en/of onderdeel van de versterkingsoperatie. Ik spreek met
jongeren die een groot deel van hun jeugd in een kapot en onveilig huis
zaten of bijvoorbeeld in een stacaravan in de tuin moesten wonen. Nu
kunnen ze uit huis, maar waar komen ze terecht? Weer in een woning met
scheuren. Weer in een woning die onveilig is. Weer met diezelfde strijd
die hun ouders ook hebben gevoerd. Er is sprake van een dubbele
wooncrisis. Zij zijn dubbel gedupeerd.
Daarom stellen wij voor: bouw in dorpen en wijken kleinschalige
projecten die aan alle veiligheidseisen voldoen. Haal fantastische
architecten naar Groningen en laat hen met de jongeren aan de slag gaan.
Investeer in kwaliteit die over 100 jaar nog herkend wordt. Vorig jaar
was er een jongerentop in Groningen en daar zeiden de jongeren het zelf:
deze wooncrisis is een van onze grootste problemen. Maar dit is gek
genoeg nog niet opgenomen in de sociale en economische agenda. Daarom
doe ik vandaag dit voorstel: bouw echt aan een nij begun samen met
Groningse jongeren.
Voorzitter, tot slot. De wooncrisis is een ongelijkheidscrisis. Vorige
week werd die ongelijkheid nog duidelijker. Terwijl wij genoten van een
week sneeuw en zelfs een hele dag schaatsen, was het een gruwelijke week
voor dakloze mensen. Terwijl daklozen de grootste wooncrisis hebben,
komt het woord dakloosheid niet één keer voor in deze begroting. Dat
terwijl Nederland heeft afgesproken dat in 2030 niemand meer dakloos is.
Deze afspraken worden niet gehaald. Is deze minister bereid dit
ministerie de regie te laten nemen, om ervoor te zorgen dat dakloze
mensen urgentie krijgen en om te zorgen voor voldoende financiering om
woningen te creëren voor dakloze mensen?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Daar ben ik het helemaal mee eens. Ik heb ook altijd groot respect voor
de strijd van collega Beckerman voor de huurder; daar neemt ze het ieder
debat voor op. Ik ben daarom wel benieuwd hoe zij aankijkt tegen zo'n
bericht als van vanochtend. Uit onderzoek van het Centraal Planbureau
blijkt dat bijna 12.000 corporatiehuurders een of meerdere koopwoningen
bezitten. Een op de zes kan daar niet zo veel aan doen omdat het hen
overkomt, maar voor vijf op de zes is het een welbewuste actie; dat was
toch een beetje de conclusie. Ik ga altijd met mevrouw Beckerman mee in
haar stelling dat "scheefwonen" een lelijk begrip is, want je bent blij
met een goede mix van mensen, met verschillende inkomens, in een wijk.
Maar is dit niet een punt waar we wat aan moeten doen? Hoe kijkt de SP
hiertegen aan? Is mevrouw Beckerman voor een vermogenstoets? Hoe zou zij
dit willen kwalificeren?
Mevrouw Beckerman (SP):
Ik heb een dubbel antwoord. Zoals de heer Grinwis al zei: scheefwonen
bestaat voor ons niet. Dat is echt een bedacht iets. In 2011 is dat
ingevoerd en werd er gezegd dat sociale huur alleen maar voor een heel
beperkte doelgroep is. Dat heeft meer problemen veroorzaakt dan het
heeft opgelost. Wij zijn voor een sociale huur als brede
volkshuisvestingsvoorziening. Op plekken waar dat bestaat, zoals in de
stad Wenen, zien we dat de stad juist floreert. Dat ten eerste, maar
daar zijn we het dus over eens.
Ten tweede. Ik sprak zojuist over dakloze mensen. Deze mensen hebben nog
niet eens één dak. Tegelijkertijd zijn er mensen die tien daken hebben.
Ik merk dat ik daar boos van wordt. Dat zal de heer Grinwis niet
verbazen. De SP vindt dat wonen sowieso een recht is en dat het bezit
van een tweede, derde, vierde, vijfde, zesde, zevende woning niet hoort.
Wij willen van wonen weer een recht maken. Maar of degene die de woning
bezit nou in een sociale huurwoning woont of in een koopwoning, maakt
ons daarbij niet zo heel erg veel uit. Wij vinden dat wonen überhaupt
een recht moet zijn. Wij vinden het een schande dat er zo veel mensen
dakloos zijn terwijl andere mensen zo veel woningen bezitten. Dat is een
heel socialistisch antwoord, toch?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Absoluut, zo ken ik u weer! Ik kan hier een heel eind in meegaan. We
hebben het hier over volkshuisvesting, niet over armenhuisvesting. Het
is een brede voorziening. Tegelijkertijd wringt het hier wel. Mevrouw
Beckerman zegt ook dat je, hoe je ook woont, niet meerdere daken zou
moeten verzamelen. Er is hier toch sprake van een sociale huurwoning
die, als we bijvoorbeeld iets zouden hebben als een vermogenstoets, ook
naar iemand anders zou kunnen gaan? Bij de toeslagen kennen we een
vermogenstoets, maar bij de toewijzing van woningen niet. Mevrouw
Beckerman wilde geen onderscheid maken in waar iemand nu toevallig
woont. Is ze dan wel bereid om over zo'n maatregel na te denken? Of zegt
ze dat het zo in strijd is met haar principe van volkshuisvesting dat we
de paar gevallen die er op die manier gebruik van maken maar moeten
laten voor wat ze zijn?
Mevrouw Beckerman (SP):
Ik denk dat de aanpak van een tweede, derde, vierde, vijfde woning moet
aansluiten bij het gedachtegoed dat we allemaal recht hebben op een
woning en dat we niet meer willen dat woningen er zijn om slapend rijk
van te worden. Dat gebeurt trouwens niet veel meer, maar dat is wat we
moeten aanpakken. Ik denk dat dat een logischere aanpak is. Ik vraag mij
heel sterk af of je dat doet via de toewijzing bij sociale huur. Ik weet
niet meer of de heer Grinwis daarbij was, maar de heer Koerhuis heeft
hier ook ongelofelijk vaak een punt van gemaakt in de Tweede Kamer. We
hebben het hier over een hele kleine groep, terwijl je uiteindelijk een
veel grotere groep helpt als je het echt zou hebben over wonen als
recht. Ik vraag me dus af of die aanpak niet veel logischer is. Ik vraag
me ook af of je er bij uitsplitsing van deze groep niet op uitkomt dat
het voor een deel van deze mensen niet per se alleen maar om rijkdom
gaat. Zoals de CPB-cijfers ook al lieten zien, gaat het soms ook om een
erfenis, komt het soms voort uit een scheiding of gaat het soms ook om
pensioengeld. Dat vind ik geen logische oplossing. U weet dat de SP —
dat weet de voorzitter ook, dat is een ander debat — er altijd voor
gepleit heeft om dat publiek te regelen en niet via woningbezit.
Wat gebeurt daar bij de interruptiemicrofoon?
De voorzitter:
Er gebeurt hier iets wat ik niet overzie. We gaan eerst naar de heer
Flach. Meneer Clemminck, u komt écht aan het woord. Maakt u zich geen
zorgen.
De heer Flach (SGP):
Ik heb een vraag aan collega Beckerman. Als je in Nederland op zoek bent
naar een huurwoning en je niet terechtkunt bij de corporatie, dan is er
eigenlijk betrekkelijk weinig ruimte. Er is heel weinig particuliere
verhuur in Nederland. Dat valt echt niet mee. Als het je al lukt, dan
kom je vaak terecht in een woning die beheerd wordt door, laten we
zeggen, de bakker om de hoek die al dertig, veertig jaar lang zijn
bakkerij draait. Zijn accountant zegt tegen hem dat er voor hem geen
pensioen is als hij straks met pensioen gaat, omdat hij dat niet heeft
opgebouwd.
De voorzitter:
En uw vraag?
De heer Flach (SGP):
De accountant zegt: zorg dat je een woning hebt. Ik moet de vraag even
inleiden, sorry.
De voorzitter:
Ja, maar we hadden ook afgesproken dat we de interrupties kort zouden
houden.
De heer Flach (SGP):
Hij zegt: zorg dat je een woning hebt, want dat gaat iets opleveren en
daar heb je dan je pensioen van. Is mevrouw Beckerman het met de SGP
eens dat die particuliere verhuurders ook een functie hebben in de
woningmarkt? Of vindt ze het überhaupt onbestaanbaar dat mensen woningen
verhuren?
Mevrouw Beckerman (SP):
Laten we eerst even heel duidelijk zeggen dat deze wooncrisis niet de
schuld is van de bakker op de hoek. Dat de bakker op de hoek voor zijn
pensioen een woning moet kopen, is volgens de SP de oorzaak van het
probleem. Waarom hebben we het niet goed geregeld voor kleine
ondernemers? Ook zij moeten een eerlijk pensioen kunnen opbouwen. Dat
mensen voor hun pensioen hiervan afhankelijk zijn, maakt het juist heel
ingewikkeld om de wooncrisis op te lossen. Waarom regelen we dat niet
goed? Waarom zorgen we niet voor een goed pensioenstelsel? Overigens —
maar de voorzitter zal nu snel gaan ingrijpen — was de SP geen
voorstander van het nieuwe pensioenstelsel en heeft de SP tegen de
nieuwe Pensioenwet gestemd. We hebben altijd als volgt gepleit: zorg
ervoor dat kleine ondernemers een fatsoenlijk pensioen en een
fatsoenlijke arbeidsongeschiktheidsverzekering kunnen opbouwen. Het
vermengen van wonen als verdienmodel en wonen als grondrecht is heel
ingewikkeld gebleken. Dat heeft er niet voor gezorgd dat we hebben
kunnen zorgen voor een goede woning voor iedereen. De gedachte was
namelijk heel lang: als je de ondernemers maar geen gewoon pensioen laat
opbouwen, maar ervoor zorgt dat ze een woning kopen, dan sla je twee
vliegen in één klap. Dat is echter niet gelukt. Dat is niet waar
gebleken. We zitten in een diepe wooncrisis.
De voorzitter:
Interrupties zijn kort en beknopt, net zoals de antwoorden. Meneer
Flach.
De heer Flach (SGP):
Het valt me op dat ik altijd aan de beurt ben als de teugels weer even
wat strakker worden aangetrokken.
Mevrouw Beckerman (SP):
Ik geloof dat hij ook mij aansprak.
De voorzitter:
We limiteren het aantal interrupties niet, maar dat kan alleen als we
ons allemaal inspannen om het kort en beknopt te houden.
De heer Flach (SGP):
Ik waardeer uw inspanningen, voorzitter.
De voorzitter:
Gaat uw gang.
De heer Flach (SGP):
Ik zal me daarnaar voegen.
Voor mevrouw Beckerman is dit volgens mij heel principieel. Als ik iets
herken, dan is dat het wel. Waardering daarvoor dus! Mijn vraag was
alleen of zij erkent dat er in de huidige woningmarkt echt wel een rol
is weggelegd voor de bonafide woningverhuurder. Mag die er gewoon zijn?
Als je die namelijk wegdenkt, is het voor heel veel mensen ook einde
verhaal, want dan is er geen woning beschikbaar.
Mevrouw Beckerman (SP):
Allereerst zal niemand beweren dat er geen bonafide verhuurders zijn,
ook de SP niet. Een beperkte rol zou nog kunnen. Ik vind eigenlijk de
aanname lastig dat je dus tegen kleine ondernemers, zoals de bakker … We
kennen hem allemaal. Ik woonde in een straat met een bakker op de hoek,
maar die is verdwenen. Iedereen mist die bakker volgens mij nog elke
dag. Ik vind het lastig dat je tegen kleine ondernemers zegt: in deze
wereld moet je via woningbezit aan kapitaal komen. Het is eigenlijk ook
al heel triest dat dat het uitgangspunt is, dat het voor mensen dus niet
mogelijk is om op een normale manier hiervan te leven en pensioen op te
bouwen. Daar zie ik al het eerste probleem. Ik denk dat juist die
verandering van wonen als recht naar wonen als markt, die is veroorzaakt
door de politiek, heeft geleid tot de wooncrisis waar we niet uit komen.
Veel mensen hebben de voorbeelden al genoemd. Ooit was Nederland in
staat 100.000, 120.000 woningen per jaar te bouwen. Dat kwam doordat de
overheid dat echt als haar taak zag. Nu hebben we dat veel te ver van
ons vandaan geschoven en zitten we als gevolg in zo'n diepe
wooncrisis.
De voorzitter:
Meneer Clemminck.
Mevrouw Beckerman (SP):
Met zijn normale neus weer.
De heer Clemminck (JA21):
Ik raak niks meer aan. Ik beloof het. Vandaag kwam in het nieuws dat
mensen met een koopwoning ook een sociale huurwoning hebben. Het ging om
ongeveer 10.000 woningen, ongeveer 0,5% van de totale sociale
woningvoorraad. Vorig jaar zomer hadden we een soort van ophefje. Toen
ging het erover dat 10% tot 20% van de sociale huurwoningen
onderverhuurd werd. Dat waren mensen die bij iemand anders gingen wonen,
dat niet registreerden en hun sociale huurwoning onderverhuurden dan wel
kamersgewijs verhuurden. Dat gaat om enorme aantallen. Ik gaf dat in
mijn bijdrage aan. Het gaat om meer dan 100.000 sociale huurwoningen die
eigenlijk niet bij de juiste mensen terechtkomen.
De voorzitter:
En uw vraag?
De heer Clemminck (JA21):
Is mevrouw Beckerman het met mij eens dat dat een onwenselijke situatie
is? Wat stelt de SP voor om aan deze praktijk een einde te maken?
Mevrouw Beckerman (SP):
Deze huurders die dus in onderhuur terechtkomen, hebben vaak veel minder
rechten dan je zou moeten hebben als huurder. Voor de SP staat het recht
van huurders echt voorop. Ik denk dus dat dit een problematische
situatie kan zijn voor heel veel van die huurders. Tegelijkertijd zien
we ook dat veel partijen hier pleiten voor hospitaverhuur of deels
onderverhuur van bestaande sociale huurwoningen. Daar heb ik in mijn
achterhoofd ook nog wel wat vragen bij, want rechten van huurders op een
goed huis en een zekere situatie zijn voor de Socialistische Partij heel
erg cruciaal. Dan ga je kijken hoe je dat gaat oplossen. Een van de
onderdelen van het probleem is dat corporaties vaak erg groot zijn
geworden en ver afstaan van huurders. De SP wil daarom eigenlijk weer
terug naar woningbouwverenigingen waarin huurders veel meer zeggenschap
hebben, zodat die zekerheid van huurders en hun medezeggenschap voorop
komt te staan.
De heer Clemminck (JA21):
Voor de zekerheid: het gaat hier om mensen die een sociale huurwoning
hebben en daar zelf niet gaan wonen maar deze onderverhuren. Voor mij is
dat woonfraude. Mijn vraag aan de collega was of zij dat ook
kwalificeert als woonfraude. Welk voorstel doet de SP dan om deze
woonfraude te voorkomen of af te straffen?
Mevrouw Beckerman (SP):
Ik heb als antwoord gegeven dat ik dit problematisch vind omdat het de
huurders die uiteindelijk in die woning komen in een zwakkere positie
brengt. Ik heb de heer Clemminck dus beantwoord dat hij daar gelijk in
heeft. Als oplossing heb ik geschetst wat onze wenselijke situatie is,
waarbij corporaties, die nu soms ver van huurders afstaan, weer
kleinschaligere verenigingen worden waarin huurders zeggenschap hebben.
Volgens mij is dat het antwoord op die tweeledige vraag. Of verwacht de
heer Clemminck een ander antwoord?
De voorzitter:
Tot slot.
De heer Clemminck (JA21):
Het eerste klopt. Fijn dat u dat met mij eens bent. Het tweede punt is:
als het woonfraude is, is het dan niet een kwestie van opsporen en
bestraffen?
Mevrouw Beckerman (SP):
Ik heb dus de route geschetst voor hoe je dat zou kunnen doen. Het leek
misschien een zijpad in het antwoord, maar je ziet best veel dat we
richting meer vrijheden om woningen te onderverhuren gaan, bijvoorbeeld
via die hospitaconstructie. Daarbij heb ik het aandachtspunt gegeven om
op te letten, ook aan de collega van JA21, want daarmee kun je huurders
die zo'n woning uiteindelijk huren in een zwakkere positie brengen. Daar
zit mijn zorg. Eigenlijk zijn er wel situaties denkbaar waarin die
onderverhuur voorkomt, ook omdat die huurders zelf zich kwetsbaar
voelen, willen proberen om samen te wonen, dat even willen gaan oefenen
en hun woning onderverhuren. Uiteindelijk komt dit ook vanwege de
onzekerheid in brede zin. Niet alle mensen die dit doen, doen dit uit
verkeerde motieven. Ik keur af dat het op grote schaal gebeurt. Het is
wel veroorzaakt door een situatie waarin wonen te veel onzekerheid
brengt.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Beckerman.
Mevrouw Beckerman (SP):
Ja, voorzitter, dat was het. Fijne avond.
De voorzitter:
Daarmee was u ook aan het einde gekomen van uw bijdrage. We gaan tot
slot het woord geven aan mevrouw Van Brenk, als laatste spreker van de
zijde van de Kamer in eerste termijn. U heeft het woord.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Ik was nog niet zo snel, voorzitter.
De voorzitter:
Dat hoeft ook helemaal niet. Neem uw tijd.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Dank u wel. Inderdaad, de laatste spreker bij de laatste begroting van
deze minister. Het is al eerder gezegd: het is best een stoere minister,
die keihard door blijft knokken om de volkshuisvesting in Nederland goed
te regelen. Dit is voor mij een nieuwe portefeuille, dus ik wil in ieder
geval de begrotingsrapporteurs hartelijk danken voor hun inbreng. Als ik
de cijfers goed gelezen heb, dan begrijp ik dat er 5 miljard
gereserveerd is voor stimuleringsmaatregelen, waarvan 3,7 miljard voor
de onrendabele top. Dat klinkt heel aardig. Dat zijn toch behoorlijke
cijfers. Maar in de periode 2012-2023 is er 16,7 miljard onttrokken aan
de sociale woningbouw, opgehaald via de verhuurderheffing. Daar hadden,
zoals Aedes ook zegt, 94.000 woningen voor gebouwd kunnen worden. Dat
hebben we dus niet gedaan.
De Algemene Rekenkamer vindt de regeling niet effectief. Gezien de
cijfers moet er, zeker wat ons betreft, een tandje bij. Het werd eerder
al gezegd: in 2024 waren er 3,3 miljoen alleenwonenden. Dat zijn de
twintigers en senioren. Een op de vijf woont alleen. In Utrecht hebben
ze nu besloten dat er in een flat, waarvan de huur €1.800 per maand is,
drie twintigers kunnen, want dan is het betaalbaar. Maar als je iets met
je toekomst wilt, als je door wilt gaan en een gezin of een partner
wilt, dan is dat geen oplossing. Dus we moeten echt nadenken over hoe we
gaan bouwen.
Ik noemde eerder al het aantal van 290.000 seniorenwoningen. Er is
toegezegd dat dit tot en met 2030 zou zijn. Dan zouden ze gebouwd moeten
zijn. En nu is het al doorgeschoven naar 2036. Maar kan hier niet ook
een tandje bij? Tegen die tijd hebben we meer senioren. Het zou toch
mooi zijn als er naast die 290.000 nog een tandje bij kan. We weten dat
het minimaal drie verhuisbewegingen oplevert als een senior uit zijn
woning gaat. Dat komt ten goede aan een heleboel andere mensen op de
woningmarkt.
Ik noemde net in mijn debat met de heer Vijlbrief al het mooie voorbeeld
van Maksent in Nistelrode, een agrarische ondernemer die van zijn
stallen prachtige appartementen heeft gemaakt. Is er al een versneld
traject voor agrarische ondernemers om dit soort mogelijkheden op te
pakken, zodat het niet eindeloos hoeft te duren en er niet heel veel
bezwaren tegen komen? De regels, want die zijn er, zijn om gek van te
worden.
Voorzitter. In Best was een weduwnaar die besloten had om een slaapkamer
en badkamer aan te bouwen aan zijn grote woning en om de bovenkant te
verhuren of op te leveren aan een jongere. Het heeft tweeënhalf jaar
geduurd. Het vereiste vijf parkeerplaatsen. De hele voortuin moest
bestraat worden, want de norm was 2,3 parkeerplaatsen per bewoner. Zulk
soort onzinnige regels is om gek van te worden. Dat moet toch sneller?
Dat moet toch beter? Woningsplitsing zou toch echt beter moeten kunnen.
Ik noemde ook al het burgerinitiatief van een groep senioren die bedacht
hadden om met elkaar ergens te wonen — noem het een knarrenhofje, noem
het gezamenlijk wonen. Na tien jaar heeft de initiatiefnemer de handdoek
in de ring gegooid, want het is niet van de grond gekomen. Hij zei:
"Inmiddels ben ik te oud, dus ik geef de pijp aan Maarten. Ik doe het
echt niet meer." Hoe kunnen we nou zorgen dat dit soort
burgerinitiatieven gestimuleerd worden?
Het beleid van het kabinet is: zo lang mogelijk thuis te wonen. Maar wat
nou als het thuis niet meer gaat? Het verpleeghuis is echt veel te ver;
zover zijn mensen dan nog niet. Maar wat zijn dan de mogelijkheden als
het thuis niet meer gaat? Hoe gaan we zorgen dat dat ook voor mensen
zonder een dikke portemonnee betaalbaar is? Mevrouw Beckerman zei het
net al: in Gemert is een prachtig woon-zorgcomplex, maar de huur is wel
€1.245 en daar komen ook nog de servicekosten bij. De minister ging werk
maken van de servicekosten. Mijn vraag aan haar is: zijn die inmiddels
al ingeperkt en is heel scherp gekeken naar wat nou wel en niet als
servicekosten mag?
Voorzitter. Er zijn prachtige voorbeelden. Zo is zorgbuurthuis 't
Hageltje in Oss een mooi initiatief van de SP. De motie die er ligt om
100 van dat soort zorgbuurthuizen te bouwen klinkt prachtig, maar gaan
ze er überhaupt ooit komen? In Joure wordt een heel mooi
buurtwonenproject gerealiseerd. Mooie, geclusterde woningen met een
zorgcomponent: het kan dus wel. Maar het is ongelofelijk lastig, als je
erover praat dat huren schijnbaar alleen kan in combinatie met zorg.
De heer Flach (SGP):
Een mooi betoog van collega Van Brenk, dat toch allerlei nieuwe dingen
toevoegt aan de discussie. Daardoor komt bij mij de volgende vraag naar
voren. We horen vaak van ouderen dat een van de redenen waarom ze niet
willen doorstromen, is dat het eigenlijk gewoon niet aantrekkelijk is om
in een appartement te gaan zitten waar ze verder niemand ontmoeten en
eenzaam zijn. Hoe kijkt mevrouw Van Brenk namens 50PLUS naar het
amendement dat ik heb ingediend om de stimuleringsregeling voor
ontmoetingsruimten voor ouderen opnieuw op te plussen? In hoeverre kan
dat in de ogen van 50PLUS een oplossing zijn voor de bereidheid van
ouderen om naar zo'n appartement te verhuizen?
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Zeker. Daar kijk ik heel positief naar, want ik denk dat dat heel erg
belangrijk is, zeker om gemeenschappen te vormen. Wij zouden ouderen ook
niet graag uit hun sociale omgeving willen halen. Wij zouden dus graag
willen dat er kleinschalig in wijken en dorpen gebouwd wordt. Dat hoeft
niet groot te zijn. Het kan inderdaad zoiets zijn als de Thuisplusflats
in Rotterdam. Een ontmoetingsruimte is heel belangrijk. Wij hopen dat
die er niet alleen voor de ouderen is, maar dat ook de buurt naar die
ontmoetingsruimte komt. Ik noemde daarom het zorgbuurthuis 't Hageltje,
dat echt een ontmoetingsfunctie heeft voor de buurt. Daar komt iemand
koken en komt een gepensioneerde kapster de mensen één keer in de maand
knippen. Dat zijn fantastische voorbeelden. Als wij daarbij samen zouden
kunnen optrekken, zeg ik dus: zeker.
Voorzitter. Ik heb alleen nog een paar concrete vragen aan de minister.
Wat bedoelt de minister met: "Ik neem de aanbeveling om per regeling een
preciezer doel op te stellen, voor zover dit lukt in een
politiek-bestuurlijke omgeving, mee in de ontwikkeling van nieuwe
financiële regelingen"? Kunnen wij dit antwoord interpreteren als: nee,
het is niet mogelijk om de effectiviteit van de regeling objectief vast
te stellen? Ik weet het niet; ik vul het in voor de minister.
Dan het tweede. Het kabinet pakt woningleegstand aan met de mogelijkheid
om een leegstandsheffing op te leggen. Kan de minister al aangeven of de
dreiging van deze maatregel al wenselijke resultaten oplevert, of is dat
te vroeg? Als er 90.000 langdurig leegstaande woningen op de markt
komen, dan zal dat zeker helpen.
Over de servicekosten, naast de huur, had ik het al gehad.
We zien dat vooral de particuliere huren de pan uitrijzen. Ik noemde al
de drie mensen met de €1.800 per maand. Is dat nou wenselijk? Hoe kijkt
de minister daartegen aan? Wat is nou een redelijke huur en hoe kunnen
we ervoor zorgen dat de particuliere huren betaalbaar blijven? Is dat
ook sociaal wenselijk en haalbaar?
Dan het laatste punt. Wij zien dat de prijs voor iets wat je in 2010 nog
voor 5 miljard kon realiseren inmiddels is opgelopen naar 10 tot 15
miljard. Het is daarnet ook al door mensen genoemd. Wij herleiden dat
toch, zeg ik maar heel oneerbiedig, tot wat ooit eens is begonnen met
wat de heer Draghi zei over de ECB en de euro bij elkaar houden:
"whatever it takes". Dat geldt wat ons betreft ook voor woningzoekenden.
Wat ons betreft moeten we woningbouw nastreven, whatever it takes. We
moeten alles op alles zetten om het te realiseren. Dank u wel.
De voorzitter:
Ik dank u wel, mevrouw Van Brenk. Daarmee zijn we aan het einde gekomen
van de eerste termijn van de zijde van de Kamer bij de behandeling van
de begroting Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Ik dank alle
deelnemers aan het debat, inclusief de minister, en de
Kamerorganisatie.
De algemene beraadslaging wordt geschorst.
De voorzitter:
De voortzetting van dit debat zal plaatsvinden vanaf aanstaande
donderdag om 10.15 uur.
Daarmee zijn we ook aan het einde gekomen van de vergadering van 13
januari 2026.
Sluiting
Sluiting 21.31 uur.
ONGECORRIGEERD STENOGRAM Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden
ontleend. |
|---|