Schriftelijke antwoorden op vragen gesteld tijdens de eerste termijn van de begrotingsbehandeling van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (XXII) op 13 januari 2026
Brief regering
Nummer: 2026D01148, datum: 2026-01-14, bijgewerkt: 2026-01-14 13:20, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: M.C.G. Keijzer, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (BBB)
Onderdeel van zaak 2026Z00485:
- Indiener: M.C.G. Keijzer, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
- 2026-01-15 10:15: Begroting Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (36800-XXII) voortzetting (Plenair debat (wetgeving)), TK
- 2026-01-27 16:30: Procedurevergadering Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (Procedurevergadering), vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Preview document (🔗 origineel)
Tijdens de begrotingsbehandeling van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (hoofdstuk XXII) op dinsdag 13 januari 2026 heeft uw Kamer vragen gesteld. Hierbij bied ik uw Kamer het antwoord op een deel van deze vragen schriftelijk aan.
De minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening,
Mona Keijzer
Vragen van het lid Vijlbrief, Hans (D66)
Vraag 1:
Al die initiatieven die er zijn rond ouderen, seniorenmakelaars in Den
Haag, verhuiscoaches in Den Bosch, verhuisvergoeding in Amsterdam etc.
Kan de minister aangeven in hoeverre deze initiatieven breder worden
uitgerold in Nederland, en welke stappen zij kan zetten om te zorgen dat
de doorstroming voor ouderen verbeterd, en zo ook voor jongere
studenten?
Antwoord:
Veel gemeenten en corporaties zetten in op bijvoorbeeld
doorstroommakelaars, verhuiscoaches of financiële regelingen om
verhuizen naar een passende woning aantrekkelijk te maken. Ik vind het
belangrijk dat alle gemeenten en corporaties met dergelijke aanpakken
aan de slag gaan. Daarom is de doorstroomaanpak ook een onderwerp in het
volkshuisvestingsprogramma onder het wetsvoorstel Versterking regie
volkshuisvesting. Ook is in de nationale prestatieafspraken met
woningcorporaties een inspanningsverplichting voor het maken van een
doorstroomaanpak voor ouderen afgesproken. Daarnaast praat ik met de
hypotheeksector over het aantrekkelijk en mogelijk maken van verhuizen
voor ouderen.
Vraag 2:
Wat kunnen we eraan doen dat mensen in sociale huurwoningen ook meerdere
woningen bezitten? Kunnen we samen, kabinet en kamer, daar paal en
perken aan stellen?
Antwoord:
Het is verwerpelijk als iemand een sociale huurwoning gebruikt voor
financieel gewin, of onnodig bezet houdt. Sociale huurwoningen zijn
bedoeld voor de mensen met een smalle beurs die de woning nodig hebben
om in te wonen, niet voor mensen die woningen in eigendom hebben.
Gemeenten kunnen dit lokaal tegengaan door in hun
huisvestingsverordening op te nemen dat een huisvestingvergunning wordt
geweigerd indien niet aannemelijk is dat de woning als hoofdverblijf in
gebruik wordt genomen. Corporaties kunnen dit tegengaan door - als
duidelijk is dat de huurder de woning niet als hoofdverblijf gebruikt -
de huurovereenkomst te ontbinden, mits dat als voorwaarde is opgenomen
in het huurcontract. Ook heeft Ymere met succes na een uitspraak van de
Rechtbank Amsterdam van 27 maart 2025 het huurcontract van een sociale
huurder ontbonden op grond van ‘dringend eigen gebruik’. In dit geval
gebruikte de huurder de woning wel als hoofdverblijf, maar verhuurde
deze een andere woning. Ik ga met het Kadaster kijken wat ik kan doen om
er voor te zorgen dat corporaties voldoende informatie hebben. Ook zal
ik kijken of de opzeggrond van dringend eigen gebruik in het BW
voldoet.
Vraag 3:
Welke concrete stappen gaat de minister ondernemen om ervoor te zorgen
dat de adviezen uit STOER die richting andere overheden en bouwpartijen
zijn gegaan ook worden uitgevoerd? En wanneer komt de minister met de
uitwerking van het programma STOER?
Antwoord:
Ik ben bezig met het vervolg op STOER. Een deel van de aanbevelingen,
waaronder aanpassingen in het Besluit Bouwwerken Leefomgeving, heb ik
reeds in procedure gebracht zoals ik ook heb aangegeven in de
kabinetsreactie op het adviesrapport STOER (kamerstukken II, 2025/2026,
32847, nr. 1383). Bij de verdere uitwerking zijn ook medeoverheden
betrokken, inclusief hoe de STOER acties op lokaal en regionaal niveau
worden doorgevoerd. Over het vervolg van STOER wordt u voor het
zomerreces geïnformeerd.
Vraag 4:
Wat gaan we doen aan het stapelen van bezwaar op bezwaar? D66 heeft een
aantal voorstellen gedaan. Ik wil vragen wat de minister daarvan
vindt.
Antwoord:
De voorstellen van D66 weeg ik als volgt: allereerst onderschrijf ik de
noodzaak om woningbouw op alle punten te versnellen. Dat betekent aan de
procedurele kant snel duidelijkheid of een project door kan gaan als er
bezwaar of beroep wordt ingesteld. De wet regie volkshuisvesting
voorziet in mogelijkheden om dit te doen door bijvoorbeeld beroep in één
instantie, een uitsprakentermijn van zes maanden en versnelde
behandeling van het beroep. Wel blijft het belangrijk dat mensen altijd
kunnen opkomen voor hun belang met effectieve en passende
rechtsmiddelen. D66 stelt voor om slechts enkele casussen als
bodemprocedure aan te wijzen. Dit lijkt te duiden op een verlofstelsel
of de mogelijkheid om bij een voorlopige voorziening meteen uitspraak te
doen in de hoofdzaak. Uit de voorbereiding van het wetsvoorstel
versterking regie blijkt dat de meeste versnelling kan worden
gerealiseerd door beroep in één instantie bij de Raad van State, en dus
niet met een verlofstelsel zoals waar ook het lid Grinwis om vraagt. De
wet regie voorziet hierin door bovengenoemde maatregelen. Het voorstel
van D66 om door te gaan met bouwen hangende bezwaar of beroep is al
mogelijk onder het huidige recht. De mogelijkheid te regelen dat eerst
zienswijzen in te moeten dienen voordat beroep kan worden ingediend
raakt aan de eisen die worden gesteld in het Verdrag van Aarhus. Op dit
moment ligt een reparatiewet in bij de Raad van State. Daarbij kan ook
dit voorstel van D66 worden bezien.
Vraag 5:
Wat vindt de minister van het idee om het splitsen van woningen
vergunningsvrij te maken met een meldplicht in navolging van het
onderzoek "het beter benutten van bestaande rijtjeswoningen"?
Antwoord:
Ik vind het belangrijk dat de bestaande voorraad zo goed mogelijk wordt
benut en deel de wens om dat zo veel mogelijk vergunningsvrij te maken.
Ik maak daarom snelheid met een landelijke aanpak voor beter benutten,
inclusief het mogelijk maken van meer woningsplitsingen. Zoals verzocht
in de aangenomen motie Wijen-Nass, ben ik bezig met het ontwikkelen van
een uniform landelijk beleidskader voor woningsplitsing. Onderdeel
hiervan is te bezien hoe het splitsen van woningen vergunningsvrij kan
worden gemaakt. Waarbij ik stuur op in ieder geval van 1 naar 2
wooneenheden vergunningsvrij te maken.
Vraag 6:
Hoever is de minister met het uitwerken van de nieuwe Europese regels
rond de woningcorporaties in Nederlandse wet- en regelgeving?
Antwoord:
Op 16 december heeft de Commissie de definitieve herziening van het
zogenoemde Vrijstellingsbesluit gepubliceerd. Dit besluit geeft meer
ruimte voor het geven van staatssteun voor zowel de sociale huur en de
middenhuur. Dat besluit wordt geanalyseerd en er wordt gewerkt aan het
in kaart brengen van de mogelijkheden en de impact. Duidelijk is al wel
dat er een wijziging van de Woningwet nodig is. Binnenkort zal informeel
met de Commissie worden gesproken over wat mogelijk is in de concrete
situatie in Nederland. Een nieuw kabinet zal op basis van de analyse en
de uitkomsten van het gesprek met de Commissie een keuze moeten maken
over hoe implementatie in Nederland plaats gaat vinden. Afhankelijk van
die keuzes zal ook moeten blijken hoe lang het duurt om dit te
implementeren, er wordt al zoveel mogelijk vooruit gewerkt. Het besluit
geeft ook de mogelijkheid om bestaande regeldruk als gevolg van het oude
Staatssteunbesluit te laten vervallen, maar dat vergt zorgvuldigheid.
Corporaties kunnen overigens wel gewoon aan de slag, zij hebben op dit
moment voldoende middelen voor de niet-DAEB. Zij kunnen nu al
financieringen afsluiten voor de realisatie van middenhuur waarbij
rekening wordt gehouden met toekomstige borging. Zodra dat is geregeld
krijgt een corporatie rentekorting op de lopende financiering.
Vragen van het lid Asten, Robert van (D66)
Vraag 7:
De minister schrijft bij de laatste voortgangsrapportage van de NPLV dat
de knellende wet- en regelgeving doorbroken moeten worden en dat er
samen een nieuwe werkwijze moet worden ontwikkeld. Hoe wil de minister
hier concrete invulling aan geven?
Antwoord:
Het is een doorlopend proces om te kijken waar knelpunten bestaan. Dit
doe ik in samenwerking met de 20 NPLV-gebieden, met de betrokken
departementen en met het Instituut Publieke Waarden. Een voorbeeld van
zo’n proces is het werken aan een experiment rondom een
bureaucratievrije school in onder andere Tilburg Noord West. Als dit
succesvol is, kan dit initiatief worden opgeschaald. Verder heb ik op
verzoek van de NPLV-gebieden de administratieve lasten rondom het
aanvragen, monitoren en verantwoorden van de SPUK Kansrijke Wijk verder
teruggedrongen.
Vraag 8:
Welke aanvullende stappen kan de minister zetten boven de al genoemde 21
grootschalige gebieden om binnen de contouren van de nota ruimte nieuwe
woningbouwlocaties planologisch, financieel en qua bereikbaarheid gereed
te maken zodat na vaststelling van de nota de provincies en gemeenten
ook direct aan de slag kunnen.
Antwoord:
De inzet op nieuwe woningbouw in de ontwerp Nota Ruimte is breder dan
alleen de 21 nationaal grootschalige locaties. Zo heb ik in het
integrale thema wonen, werken en bereikbaarheid een integrale
verstedelijkingsstrategie voor heel Nederland geïntroduceerd: de
VISTA-strategie. Dit is de gebiedsgerichte strategie voor
ruimtelijk-economische ontwikkeling, waarmee we invulling geven aan de
grote behoefte aan nieuwe woningen en ruimte voor werk de komende
decennia en tegemoet komen aan de specifieke kansen en opgaven van
iedere regio. In de Ontwerp Nota Ruimte zijn naast de 21 nationaal
grootschalig locaties, in lijn met deze VISTA-strategie, ook 127
regionaal grootschalige woningbouwlocaties aangewezen. Een deel van deze
locaties heeft vanuit de WOMO-middelen (WOKT) een bijdrage ontvangen
t.b.v. bereikbaarheid. Hiermee is de ruimtelijke inpassing op nationaal
niveau mogelijk gemaakt. Aanvullend op deze grootschalige
woningbouwlocaties moet in heel Nederland ook ruimte zijn voor een
wijkje en straatje erbij, mits planologisch passend. In hoeverre de
overige locaties financieel en qua bereikbaarheid gerealiseerd kunnen
worden is een samenspel van lokaal, provinciaal en rijksniveau. In
hoeverre hier naar de toekomst middelende vanuit het Rijk beschikbaar
voor komen is aan een nieuw kabinet. Overigens kunnen gemeenten en
provincies ook nu al aan de slag en hoeft de realisatie van woningen
niet te wachten op een definitieve Nota Ruimte.
Vragen van het lid Hollander, Renate den (VVD)
Vraag 9:
Hoe kijkt de minister naar de woningbouwcijfers nu we zien dat ondanks
de miljardeninvesteringen de bouwproductie niet structureel
toeneemt?
Antwoord:
De verlening van bouwvergunningen steeg in het jaar 2024 fors tot meer
dan 110.000 woningen op jaarbasis. Begin 2025 zakte de
vergunningverlening echter terug, maar stabiliseerde vanaf juli 2025 tot
104.000 vergunningen op jaarbasis. Qua bouwvergunning is er dus geen
belemmering om voldoende woningen te bouwen. De CBS cijfers met
betrekking tot de start van de bouw van woningen geven aan dat we kunnen
verwachten dat de realisaties van nieuwe woningen zal aantrekken. De
startbouwcijfers stegen vanaf voorjaar 2024 tot mei vorig jaar namelijk
flink en zijn sindsdien gestabiliseerd. Als deze woningen gereed komen
kunnen we een stijging van de realisaties verwachten. Dat zal betekenen
dat 2026 waarschijnlijk het jaar wordt waarin de realisatie van de
woningbouw weer stijgt en de bouwdip achter ons komt te liggen. De
oorzaak van de bouwdip lag in de slechte economische omstandigheden in
de jaren 2022 en 2023 (hoge rente en gestegen bouwkosten). De oorzaak
lag dus niet in het beleid. Integendeel, de inzet op het beschikbaar
stellen van voldoende woningbouwplannen, de inzet op versnellen en
versimpelen van processen en procedures, de flinke financiële impulsen
en het op de Woontop op één lijn krijgen van marktpartijen, corporaties
en overheden heeft juist een positieve bijdrage geleverd aan de
woningbouw. De verwachting van ABF in haar Primos prognose is dat de
productie van 100.000 woningen in 2027 in beeld komt. Het is dan zaak om
de productie structureel op dat niveau te houden.
Vraag 10:
Deelt de minister de zorg dat de vergunningverlening nu het fundament
legt voor een nieuwe bouwdip in de komende jaren? Welke fundamentele
ingrepen zijn nodig om het tij te keren?
Antwoord:
Zie het antwoord op vraag 9.
Vraag 11:
Erkent de minister dat de weerstand van overheidsingrepen bijdraagt aan
het teruglopende bouwtempo en de dalende vergunningverlening?
Antwoord:
Zie het antwoord op vraag 9.
Vraag 12:
Waar liggen voor de minister de grenzen tussen sturen op betaalbaarheid
en beleid dat de woningbouw feitelijk verstikt?
Antwoord:
Ik ben van mening dat betaalbaarheid en woningbouw samen kunnen en
moeten bestaan. Het is namelijk niet alleen belangrijk dat we voldoende
bouwen, 100.000 woningen per jaar, maar ook dat we voldoende betaalbare
woningen bouwen: twee derde betaalbaar. Het is daarbij essentieel dat
deze doelstelling financieel haalbaar is. Samen met de Rebel Group en
Stadkwadraat heb ik daarom de financiële haalbaarheid van deze
doelstelling getoetst. Uitkomst van deze toetsing is dat de beschikbare
middelen voor de komende vijf jaar grotendeels toereikend zijn om de
meest directe kosten te dekken, op voorwaarde dat gemeenten 50%
cofinancieren. Dit is ook bekrachtigd door de
woontoppartners. Ook benadrukken de
woontoppartners het belang van langjarige investeringen in
(grootschalige) infrastructuur voor een goede ontsluiting. Zekerheid
over het financiële kader en de bijbehorende scope van de opgave
bevordert voor alle woontoppartners de haalbaarheid van de
gezamenlijke doelstelling.
Naast financiële ondersteuning zorg ik ook voor verlaging van kosten
door het schrappen van regels in het kader van STOER. Bij de inrichting
van de financiële regelingen heb ik ook oog voor het voorkomen van
bovenmatige lokale betaalbaarheidseisen. Ook daarmee wil ik voorkomen
dat projecten niet van de grond komen door te strenge eisen.
Vraag 13:
Hoe ziet de minister de rol van stimuleren van doorstromen in plaats van
enkel sturen op betaalbaarheid bij het bouwen van woningen?
Antwoord:
Beide zijn nodig, zowel betaalbaar bouwen als bouwen voor doorstroming.
Zij sluiten elkaar in mijn beeld niet uit. Het is belangrijk dat we
voldoende woningen bouwen en dat deze woningen aansluiten bij wat er
nodig is. Daarbij kijken we ook vooruit. Ik maak daarbij onder meer
gebruik van de ABF woningmarktverkenning waarbij wordt gekeken naar wat
een optimale bouwmix is. Daarbij wordt rekening gehouden met
ontwikkelingen in de demografie, de inkomensontwikkeling, sloop,
woningbouw, verhuizingen en woonvoorkeuren, zowel van starters maar
zeker ook van doorstromers. Om die reden is het bijvoorbeeld belangrijk
dat we voldoende woningen bouwen voor ouderen omdat ouderen vaak een
relatief grote woning achterlaten en er daardoor een doorstroomketen op
gang kan komen.
Vraag 14:
Is er voldoende toezicht op de verdeling van de schaarse betaalbare
huurwoningen?
Antwoord:
Zie het antwoord op vraag 2.
Vraag 15:
Hoe gaat de minister ervoor zorgen dat corporaties scheefhuurders
daadwerkelijk marktconforme huren laten betalen, zodat doorstroming
opgang komt?
Antwoord:
Om scheefhuur tegen te gaan bij de verhuur van corporatiewoningen vindt
een inkomenstoets bij de aanvang van verhuur plaats. Het is mogelijk dat
huishoudens door de tijd meer gaan verdienen. Corporaties kunnen elk
jaar een maandelijkse inkomensafhankelijke huurverhoging (IAH)
doorvoeren van €50 of €100 per maand, afhankelijk van hoe hoog het
huishoudinkomen is. Helaas betekent de woningnood ook dat huishoudens
met een iets hoger inkomen in de sociale huursector niet zomaar een
middenhuurwoning of koopwoning kunnen vinden.
Vraag 16:
Voor het Nationaal Fonds Betaalbare Koopwoningen is een motie aangenomen
om te kijken naar het vergroten van het fonds door private
financieringsbronnen. Ik zou van de minister willen horen waarom deze
concrete stappen nog niet gezet zijn?
Antwoord:
De motie van de heer De Groot over private funding bij het NFBK heb ik
beantwoord. In mijn kamerbrief van 8 oktober jl. (Kamerbrief over
aanpassingen NHG, betaalbaarheidsgrens en ontwikkelingen NFBK
(kamerstukken II, 2025-2026, 32847 nr. 1381) heb ik aangegeven dat ik de
kans klein acht dat het fonds op korte termijn aangevuld kan worden met
private funding. De marktinteresse van private partijen is beperkt en
het faciliteren van private financiers vergt substantiële aanpassingen
van de governance en werking van het fonds. Wanneer het budget voor het
NFBK uitgeput is lijkt het logischer eerst naar publieke middelen te
kijken. Het is aan het volgende kabinet om hier een besluit over te
nemen.
Vraag 17:
Is de minister bereid om sneller en soepeler te handelen om de bestaande
voorraad beter te benutten, bijvoorbeeld door het gedogen van
vakantiebewoningen of transformatieopgaven mogelijk maken?
Antwoord:
Ik werk sinds de Woontop van vorig jaar aan een landelijke aanpak Beter
Benutten van bestaande gebouwen en bijbehorende omgeving. Onderdeel
daarvan is het waar mogelijk vergunningsvrij maken van het splitsen van
woningen, het vergunningsvrij plaatsen van mantelzorg- en
familiewoningen op het achtererf en het inzetten van de
Transformatiefaciliteit en de Stimuleringsregeling Flex- en
Transformatiewoningen. Met de inzet van potentiescans voor optoppen en
transformatie worden kansen in bestaand vastgoed in beeld gebracht. De
Realisatiestimulans komt ook beschikbaar voor woningen die worden
gerealiseerd door splitsen. Met hulp van tien koplopergemeenten wordt de
Landelijke Aanpak Beter Benutten de komende tijd verder toegepast en
opgeschaald. Voor de stand van zaken ten aanzien van de instructieregel
permanente bewoning van vakantiewoningen verwijs ik naar antwoord
28.
Vraag 18:
Gaat de minister nu ook echt komen met een transformatieaanbod voor
vakantieparken?
Antwoord:
Ik heb het Expertteam Transformatie Vakantieparken van RVO gevraagd om
proactief in gesprek te gaan met die gemeenten waar bij eigenaren van
recreatiewoningen een sterke wens bestaat om vakantieparken te
transformeren naar woonwijken. Ik heb in beeld om welke gemeenten en
parken het gaat. Het uiteindelijke doel is om, met hulp van meer
eenduidigheid en uniformiteit, te komen tot meer transformaties waar
mogelijk, te beginnen bij die locaties. Deze gesprekken kunnen ook
worden gebruikt om helderheid te krijgen over de knelpunten waar
gemeenten/parkeigenaren tegenaan lopen bij transformaties. Vervolgens
zal worden onderzocht hoe deze knelpunten kunnen worden verholpen.
Bijvoorbeeld door de mogelijkheden te verkennen voor een landelijk
kader, waardoor transformatie van vakantieparken naar woonwijken
gemakkelijker wordt.
Vraag 19:
Op dit moment worden in de Nota Ruimte keuzerichtingen voor Nederland
geschetst. Volgens de gemeenten kan de Nota Ruimte alleen effectief zijn
als deze gekoppeld wordt aan een integrale uitvoerings- en
investeringsagenda. Kan de minister aangeven of deze vraag uit de
regio's gehoor vindt en de bestaande onduidelijkheid over de
financiering beantwoord wordt?
Antwoord:
De aard en omvang van de opgaven in het omgevingsdomein vereisen een
structurele inzet van mensen en middelen op nationaal, regionaal en
lokaal niveau. Benodigde financiering voor de Nota Ruimte en toekomstige
uitvoeringsstrategie wordt thans gevonden binnen bestaande
departementale begrotingen. Zoals ik in de Ontwerp Nota Ruimte schrijf
is voor leefomgevingsbeleid tot 2030 op jaarbasis 25-30 miljard
beschikbaar. Daarnaast wordt op verschillende manieren bezien hoe de
financieringssystematiek kan worden aangepast. Op 17 oktober jl.
(kamerstukken II, 2025/2026, 29435, nr. 270) hebben de minister van
Infrastructuur & Waterstaat en ik uw Kamer geïnformeerd over de
uitvoeringsstrategie voor structuurversterkende infrastructuur, ook
zodat nieuwe woningbouwgebieden bereikbaar zijn. De belangrijkste
aanbevelingen zijn om te gaan werken met een langetermijnperspectief, te
zorgen voor langjarige zekerheid en structureel voldoende middelen te
reserveren in een realistisch kasritme. In het kader van NOVEX-gebieden
wordt gewerkt aan de ontwikkeling van regionale investeringsagenda’s.
Met de regionale investeringsagenda’s wordt ook duidelijk welke hiaten
in de beschikbare investeringen zitten (ook van andere overheden dan het
Rijk). Door overzicht te creëren kunnen de partners elkaar aanspreken op
tijdig mee investeren. Op die manier wordt in de tijd gestroomlijnd wat,
wanneer, hoeveel wordt geïnvesteerd om het gezamenlijke ruimtelijke
beleid uit te voeren. Congruent investeren van alle publieke partijen
draagt bij aan effectief financieringsbeleid. Besluiten over toekomstige
investeringen in het ruimtelijke domein zijn aan het volgende
kabinet.
Vragen van het lid Mooiman, Jeremy (PVV)
Vraag 20:
Is de minister het met de PVV eens dat de ruimte die door het Rijk
geboden wordt voor woningbouwlocaties niet zou moeten worden ingeperkt
door provinciale regels?
Antwoord:
Gezien de omvang van de opgave moeten alle geschikte woningbouwlocaties
worden benut: zowel binnenstedelijke locaties als buitenstedelijke
locaties. Provincies moeten daarbij sturen op voldoende
woningbouwlocaties in hun provincie, gebaseerd op de aantallen woningen
die zijn vastgelegd in de woondeals. Om zoveel mogelijk belemmeringen
vanuit provincies weg te nemen schrap ik ook de Ladder voor duurzame
verstedelijking voor woningbouw. Provincies hebben echter naast het Rijk
ook een verantwoordelijkheid om ruimtelijke keuzes te maken vanuit het
provinciaal belang. In het kader van de provinciale ruimtelijke
arrangementen werken Rijk en provincie zo veel mogelijk samen om het
beleid op elkaar af te stemmen. Naast voldoende woningbouwlocaties gaat
het daarbij bijvoorbeeld ook om het zorgen voor voldoende ruimte voor
bereikbaarheid, energie, defensie, economie, landbouw, natuur, water en
bodem. Waar er sprake is van belemmeringen zijn de regionale
versnellingstafels bedoeld om belemmeringen naar voren te brengen en
projecten weer vlot te trekken.
Vraag 21:
In gemeente Alphen aan de Rijn, Koudekerk, is er een woningbouwproject
wat vastloopt. Is de minister hier mee bekend en is ze bereid om hier in
overleg te treden zodat dit project alsnog doorgang kan vinden?
Antwoord:
Ik ben altijd bereid in overleg te gaan als er knelpunten zijn, waar ik
als minister iets aan kan doen. Ik heb ondertussen begrepen dat de
gemeente met een gebiedsplan bezig is waarin ook deze locatie ligt.
Hierover heb ik nu verder geen informatie. Bij dezelfde gemeente Alphen
heb ik trouwens kort geleden meegewerkt aan het project Gnephoek polder
en daar is recent het masterplan met 5500 woningen vastgesteld. Daar heb
ik gericht inzet gepleegd om te komen tot een gedragen bestuurlijke
oplossing.
Vraag 22:
Hoe gaat de minister in de breedte er voor zorgen dat provincies niet
vooral een remmende factor worden voor de woningbouwproductie?
Antwoord:
Zie het antwoord op vraag 20.
Vraag 23:
Regionaal grootschalig of een doorbraaklocatie hebben geen concrete
invulling. Wanneer komt de minister met concrete voorstellen om ook deze
categorie te ondersteunen?
Antwoord:
In de Ontwerp Nota Ruimte zijn 127 regionaal grootschalige locaties en
20 doorbraaklocaties aangewezen. Bij de verdeling van WOMO-middelen
hebben diverse regionaal grootschalige locaties en doorbraaklocaties
middelen ontvangen. Het is aan een nieuw kabinet om hier verder
invulling aan te geven qua ondersteuning.
Vraag 24:
Hoe kijkt de minister naar de maatregelen in de Duitse Bouw Turbo, ook
met het oog op STOER? En is zij bereid om dit te analyseren en kansrijke
voorstellen over te nemen in programma STOER?
Antwoord:
Duitsland kent net als Nederland een grote woningbouwopgave. Daarom is
in het Duitse coalitieakkoord het plan opgevat om de procedures te
versnellen via de ‘Bau-turbo’. Eerste beeld is dat de ‘Bau-Turbo’
maatregelen bevat die in Nederland al de praktijk zijn. De Bau-Turbo zet
in op het versnellen van processen voor bouwen en vergunningverlening
daarvoor. In Nederland zijn daar al verschillende acties voor in gang
gezet en zijn diverse versnellingen al mogelijk. Zo zijn in Nederland de
termijnen voor vergunningverlening met de Omgevingswet al verkort (in
principe 8 tot 14 weken) en wordt via het Wetsvoorstel versterking regie
volkshuisvesting gewerkt aan procedurele versnellingen ten aanzien van
de beroepsprocedure tegen besluiten die zien op de realisatie van
woningbouwprojecten (vanaf één woning). Ik werk momenteel aan een nadere
analyse van de Bau-turbo om te bezien of er nieuwe punten zijn waar we
in Nederland van kunnen leren om de woningbouw te versnellen. Als deze
nadere analyse tot kansrijke voorstellen leidt voor de vereenvoudiging
of het schrappen van regels en het versnellen van de woningbouw, dan
informeer ik uw Kamer graag hoe ik deze tot uitvoering kan brengen.
Vraag 25:
Hoe kijkt de minister naar de oproep van marktpartijen die hebben
aangegeven ook grotere volumes te willen bouwen, maar dat zij dan wel
een soortgelijk systeem als het WSW ambiëren zodat projecten sneller van
de grond komen? Waar ziet zij daartoe mogelijkheden?
Antwoord:
De werking van WSW is toegespitst op het corporatiestelsel.
Marktpartijen kunnen niet zomaar toegevoegd worden aan dit stelsel, dat
zou namelijk betekenen dat institutionele beleggers en corporaties voor
elkaars leningen garant gaan staan. Vanuit marktpartijen is er daarnaast
minder behoefte aan vreemd vermogen, een groot gedeelte van de opgave
wordt gefinancierd met eigen geld van de pensioenfondsen. Uiteindelijk
gaat het erom dat investeringen in de middenhuur rendabel zijn, voor
corporaties en marktpartijen, maar oplossingen hiervoor kunnen per
partij verschillen. Het zetten van eventuele stappen hierin is aan een
nieuw kabinet.
Vraag 26:
Waar blijft het wetsvoorstel verplichte gemeentelijke taakstelling
opvang statushouders?
Antwoord:
Op 18 december jl. heeft de vaste Kamercommissie voor VRO verslag
uitgebracht over haar bevindingen ten aanzien van het wetsvoorstel
verbod op voorrang. Daarin zijn mij meerdere vragen gesteld over de
samenloop van dit verbod met de taakstelling in de Huisvestingswet 2014.
In de beantwoording van deze vragen zal ik nader ingaan op de
mogelijkheden om tot het afschaffen van de taakstelling over te gaan,
zoals dit kabinet zich ten doel gesteld heeft. Daarbij zal ik ook in
gaan op de gevolgen voor de werking van het huidige inburgeringsstelsel,
zoals ik in mijn brief aan de Kamer (kamerstukken II, 2024/2025, 19637,
nr. 3457) van juni 2025 over het samenhangend pakket ook heb
aangekondigd. Het fundament van de Wet Inburgering 2021 is namelijk
gebaseerd op de huisvestingstaakstelling. Dit moet dan ook in samenhang
worden bezien. Uiteraard zijn verdere stappen aan het volgende
kabinet.
Vraag 27:
Hoe gaat de minister verder met het makelaarsdossier, ook gelet op de
recente ontwikkeling in de sector en wat is de status met de
partners?
Antwoord:
Op 7 april 2025 heb ik de Kamer geïnformeerd over de voortgang van het
eerlijk koopproces. Met de brief heb ik een Nederlands Technische
Afspraak (NTA) met minimale eisen aan het biedlogboek aan de Kamer
gestuurd dat mede op mijn initiatief met de sector is ontwikkeld. Helaas
heeft de NVM deze NTA niet onderschreven. Ik heb kennis genomen van het
protocol dat de NVM heeft opgesteld voor gebruik van het biedlogboek. Ik
waardeer het dat ook de NVM zich er voor inspant dat het biedlogboek
meer wordt gebruikt. Het protocol wijkt echter af van de NTA daarmee is
het nog niet gelukt tot één norm voor de sector te komen. Ik laat
onderzoeken welke stappen verder nodig zijn, ook vormen van regulering.
Concrete stappen zijn echter aan een nieuw kabinet.
Vragen van het lid Vermeer, Henk (BBB)
Vraag 28:
Kan de minister aangeven wanneer zij verwacht dat de instructieregel
permanente bewoning van recreatiewoningen in kan gaan en wantoestanden
aangepakt kunnen worden? Er bereiken ons verontrustende signalen over
hoe handhaving op recreatieparken in de praktijk verloopt.
Antwoord:
Zoals ik uw Kamer op 2 oktober jl. heb gemeld werk ik momenteel aan een
nadere inschatting van de omvang van de doelgroep. Dat is nodig voor een
betere raming van de gevolgen voor de huurtoeslag en de uitvoeringslast
voor de Dienst Toeslagen. Concreet wordt door een extern
onderzoeksbureau via (steekproefsgewijs) onderzoek op een aantal
vakantieparken een nauwkeuriger inschatting gemaakt van de kenmerken van
de woonsituaties op vakantieparken, omdat hierop nu onvoldoende zicht
is. Het eindrapport hiervan verwacht ik in de loop van februari a.s.
Tegelijkertijd wordt onderzocht of er oplossingen zijn die de
uitvoerbaarheid bevorderen en de uitvoeringslast voor Dienst Toeslagen
beperken. Ik hoop de Kamer voor het einde van het eerste kwartaal te
informeren over het vervolg van de implementatie, waaronder het moment
waarop de instructieregel naar verwachting in werking zal treden. Ik
richt mij op een datum voor de zomer.
Vraag 29:
Kan de minister zo snel mogelijk een brief aan de Kamer sturen met alle
ins en outs over het nieuwsbericht dat 12.000 mensen zowel een sociale
huurwoning als een koopwoning bezitten? Het CPB, de corporaties en het
Rijken lijken geen volledig beeld te hebben.
Antwoord:
Ik zal uw Kamer, nadat ik een volledig beeld heb, zo snel mogelijk nader
informeren over alle ins en outs over het bericht dat 12.000 mensen
zowel een sociale huurwoning als een koopwoning bezitten. Zie ook het
antwoord op vraag 2.
Vragen van het lid Hoop, Habtamu de (GL-PvdA)
Vraag 30:
Hoe kijkt de minister naar het alarmerende voortgangsrapport actieplan
dakloosheid. Heeft de minister gelezen dat tenzij zij ook in beweging
komt, we het doel van 2030 niet halen?
Antwoord:
Op 17 december jl. (kamerstukken II, 2025/2026, 29325, nr. 193) heeft de
staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mede namens mij,
in een brief aan uw Kamer gereageerd op dit rapport. De onderzoekers
trekken een aantal zorgelijke conclusies. De voornaamste is dat als we
doorgaan in dit tempo, we het doel van nul dakloze mensen in 2030 niet
gaan halen. Realisme is hier van belang, wat onverlet laat dat we
blijven streven naar het doel. Het kabinet herkent zich in de conclusies
en heeft aangegeven zo snel mogelijk aan de slag te gaan met de
aanbevelingen uit het rapport. Daarbij is oog voor de complexe realiteit
van dit vraagstuk. Ook geldt dat de inspanningen ten aanzien van
preventie tijd kosten en resultaten niet van vandaag op morgen zichtbaar
zijn. Dat geldt ook voor het bouwen van voldoende woningen en het beter
benutten van de bestaande bouw. Dat maakt dat de aanpak van dakloosheid
op de korte termijn ook andere maatregelen en keuzes vergt. Verdere
uitwerking van maatregelen vindt plaats in nauwe samenwerking met
gemeenten, zorgaanbieders, woningcorporaties en belangenbehartigers.
Besluitvorming over een aantal fundamentele zaken is aan het volgende
kabinet.
Vraag 31:
Klopt het dat de corporaties op dit moment te kampen hebben met een
tekort van €20 mld. om aan nationale prestatie afspraken te kunnen
voldoen en waarom stopt de regering niet met het belasten van de
volkshuisvesting?
Antwoord:
Woningcorporaties beschikken op de korte termijn nog over een goede
financiële positie om te investeren in hun opgaven. Tegelijkertijd staat
de lange termijn financiële haalbaarheid van de Nationale
prestatieafspraken wel onder druk, dit was ook al bekend bij het sluiten
van de eerste NPA in 2022. Om deze reden is ook in de NPA opgenomen dat
er periode doorrekeningen zullen plaatsvinden. Het tekort ontstaat nu
door een stijging van de rente die de investeringscapaciteit sterk
beperkt en door hogere onderhoudsuitgaven. Ik verwacht een
investeringstekort van richting de €20 mld. op de NPA opgave die t/m
2034 loopt. Dit beeld komt naar voren uit het jaarlijkse onderzoek naar
de financiële haalbaarheid van de NPA dat ik momenteel aan het afronden
ben. Ik verwacht u de definitieve uitkomsten van dit onderzoek en de
omvang van het tekort over enkele weken te kunnen toesturen. Dat
betekent dat een deel van de NPA, zonder gewijzigd beleid, niet
uitgevoerd kan worden en er dus minder geïnvesteerd zal worden in
nieuwbouw en verduurzaming. Het is aan een nieuw kabinet om keuzes te
gaan maken hoe om te gaan met dit tekort.
Vragen van het lid Steen, Hanneke (CDA)
Vraag 32:
Met de Wet versterking regie volkshuisvesting zetten we een goede stap.
Maar de uitwerking van de wet is pas echt bepalend aangezien het kan
botsen met andere wetten zoals jeugdwet. De uitvoerbaarheid is cruciaal
dus mijn vraag is: Hoe gaat de minister de samenhang en uitvoerbaarheid
tussen verschillende wetten borgen in de beleidsuitwerking?
Antwoord:
Ik deel de noodzaak dat wetten goed uitvoerbaar moeten zijn en niet
moeten botsen met andere wetten. Bij de totstandkoming van het
wetsvoorstel is dit geborgd door inbreng van advies, en samenwerking met
betrokken ministeries. Om de uitvoerbaarheid in de praktijk te toetsen
is met de medeoverheden een uitvoeringstoets decentrale overheden
uitgevoerd. In het volkshuisvestingsprogramma moet de gemeente de
verbinding leggen met het sociaal domein (o.a. Wmo 2015 en Jeugdwet) om
een integrale dienstverlening voor aandachtsgroepen te bereiken. Ook
daarmee wordt de samenhang in de uitvoering geborgd.
Vraag 33:
Brussel heeft staatssteunregels aangepast zodat de overheid
woningbouwcorporaties en ontwikkelaars financieel kan steunen om
middenhuur te bouwen. Kan de minister toelichten waarom de motie van het
CDA (van eind 2024) niet is uitgevoerd om zo snel mogelijk met een plan
van aanpak te komen om direct de ruimte te benutten en investeringen los
te trekken?
Antwoord:
Deze motie is uitgevoerd en uw Kamer is hierover ook ingelicht met mijn
brief van 14 juli 2025 (kamerstukken II, 2024/2025, 27926, nr. 399). Op
16 december jl. heeft de Commissie de definitieve herziening van het
zogenoemde Vrijstellingsbesluit gepubliceerd. Dit besluit geeft meer
ruimte voor het geven van staatssteun voor zowel de sociale huur en de
middenhuur. Dat besluit wordt geanalyseerd en er wordt gewerkt aan het
in kaart brengen van de mogelijkheden en de impact. Duidelijk is al wel
dat er een wijziging van de Woningwet nodig is. Dit is reeds in
voorbereiding. Binnenkort zal informeel met de Commissie worden
gesproken over wat mogelijk is in de concrete situatie in Nederland. Een
nieuw kabinet zal op basis van de analyse en de uitkomsten van het
gesprek met de Commissie een keuze moeten maken over hoe implementatie
in Nederland plaats gaat vinden. Afhankelijk van die keuzes zal ook
moeten blijken hoe lang het duurt om dit te implementeren, er wordt al
zoveel mogelijk vooruit gewerkt. Het besluit geeft ook de mogelijkheid
om bestaande regeldruk als gevolg van het oude Staatssteunbesluit te
laten vervallen, maar dat vergt zorgvuldigheid. Corporaties kunnen
overigens wel aan de slag. Zij hebben op dit moment voldoende middelen
voor de niet-DAEB. Corporaties kunnen nu al financieringen afsluiten
voor de realisatie van middenhuur waarbij rekening wordt gehouden met
toekomstige borging. Zodra dat is geregeld krijgt een corporatie
rentekorting op de lopende financiering.
Vraag 34:
Het Rijk heeft 4 gebieden aangewezen als nieuw verstedelijkingsgebied.
Hoe komt het dat ze niet voldoende financiering hebben gekregen?
Antwoord:
De grootschalige woningbouwlocaties komen in principe in aanmerking voor
WOMO-middelen en gebiedsbudget. Voor een goede bereikbaarheid van deze
locaties zijn €1,2 mld. aan WOMO-middelen beschikbaar gesteld. Er zijn
meer voorstellen ingediend dan aan budget beschikbaar was. Dit heeft
geleid tot een selectie binnen de beschikbare budgettaire middelen. Er
is besloten om vanuit het Rijk alleen bij te dragen aan infrastructurele
maatregelen in de huidige 17 nationaal grootschalige woningbouwlocaties.
In de Ontwerp Nota Ruimte zijn 4 nieuwe nationaal grootschalige
woningbouwlocaties aangewezen (Alkmaar, Apeldoorn, Helmond en
Hengelo-Enschede). Voor deze locaties zijn geen WOMO-middelen
beschikbaar gesteld. Het is aan een nieuw kabinet om te bezien hoe de
noodzakelijke mobiliteitsmaatregelen alsnog geborgd kunnen worden voor
deze 4 nieuwe nationaal grootschalige locaties. De locaties hebben wel
een bijdrage ontvangen vanuit het gebiedsbudget (circa € 100 mln.) zodat
met de eerste gebiedsmaatregelen een start kan worden gemaakt t.b.v.
woningbouw. Hiermee spreekt het Kabinet haar vertrouwen uit in de
kansrijkheid van deze 4 nieuwe nationaal grootschalige
woningbouwlocaties.
Vragen van het lid Clemminck, Ranjith (JA21)
Vraag 35:
Waarom deze algemene instructieregel permanente bewoning van
recreatiewoningen en geen maatwerk? En hoe verhoudt zich dat met de
vrijheid van ondernemerschap en help dit nou echt het woning tekort te
beperken?
Antwoord:
Deze vraag bestaat uit drie onderdelen, die ik achtereenvolgens
beantwoord. Ten eerste, de algemene instructieregel is geen maatwerk,
omdat ik nu juist aan alle bestaande permanente bewoners van
recreatiewoningen over hun woonsituatie duidelijkheid wil bieden. De
Omgevingswet biedt een basis om via algemene maatregel van bestuur
(AMvB) bindende instructieregels te stellen voor de inhoud van een
omgevingsplan. Ten tweede heeft de instructieregel niet het gevolg dat
recreatieondernemers opeens een andere verantwoordelijkheid of rol
krijgen, omdat met deze regel alleen permanente woonsituaties die al in
de praktijk bestaan (aantoonbaar sinds tenminste 16 mei 2024) formeel
(tijdelijk) worden gelegaliseerd. Het kabinet onderschrijft de opvatting
dat aantrekkelijke recreatieparken een belangrijke functie hebben, zowel
op nationaal niveau als voor de lokale economie van gemeenten. Tien jaar
na het moment van inwerkingtreding van de nieuwe instructieregel,
wanneer de druk op de woningmarkt is verminderd, kan het recreatieve
belang opnieuw zwaarder worden meegewogen. Bovendien blijven
privaatrechtelijke afspraken tussen parkeigenaren of -ondernemers en
bewoners van kracht: de instructieregel ziet alleen toe op de
publiekrechtelijke situatie. Ten derde, acht ik een instructieregel
noodzakelijk omdat het (hoofd)doel van de instructieregel is om
duidelijkheid en rust te bieden aan de huidige bewoners van
recreatiewoningen over hun woonsituatie tijdens de woningnood. Op dit
moment staan circa 60.000 personen ingeschreven op het adres van een
recreatiewoning op een vakantiepark. In de praktijk gaat het naar
verwachting om meer mensen die daar permanent wonen. De instructieregel
zorgt er niet zozeer voor dat het woningtekort afneemt, maar voorkomt
dat mensen in tijden van woningnood hun woonruimte verliezen. Zij hoeven
dan in ieder geval voorlopig geen beroep te doen op de schaarse
woningvoorraad.
Vraag 36:
Ik hoor graag van de minister hoe ze de druk van migratie op de
woningmarkt kwalificeert en kwantificeert. Kan de minister aangeven
wanneer we gaan spreken over het wetsvoorstel schrappen voorrang voor
statushouders?
Antwoord:
Het woningtekort kent verschillende oorzaken. Jaarlijks wordt de Kamer
geïnformeerd over de bouwopgave en de oorzaken daarvan aan de hand van
de Primos-prognose. De totale door ABF verwachte woningbouw voor de
periode 2025 tot en met 2039 bedraagt 1,2 miljoen woningen. Hiervan is
45% noodzakelijk om de verwachte bevolkingsgroei (die voor 95% bestaat
uit het migratiesaldo, studie, arbeid en asiel) op te vangen. De overige
opgave ontstaat door huishoudverdunning (minder mensen per woning), door
sloop en doordat het woningtekort teruggedrongen moet worden. Dan het
wetsvoorstel verbod op voorrang voor statushouders op een sociale
huurwoning. Op 4 oktober 2025 heb ik het wetsvoorstel naar uw Kamer
gestuurd. Op 18 december jl. heeft de vaste Kamercommissie voor VRO
verslag uitgebracht over haar bevindingen ten aanzien van het
wetsvoorstel verbod op voorrang. Op dit moment ben ik bezig met
beantwoording van de vragen die u in dit verslag gesteld heeft. De
beantwoording ontvangt u zo snel mogelijk, waarna u in de gelegenheid
bent dit wetsvoorstel voor behandeling te agenderen.
Vraag 37:
Wat kan en wil de minister doen om woonfraude af te straffen? Kan en wil
de minister gemeenten verplichten om een verbod op te nemen in de
huisvestingsverordening, zodat gemeenten een stevige grondslag hebben
tot fraudebestrijding? Kan de minister middelen vrijmaken voor
kennisopbouw en capaciteit voor gemeenten?
Antwoord:
Het is belangrijk om oneigenlijke onderverhuur tegen te gaan, zodat de
beschikbare woonruimte terecht komt bij die doelgroep waarvoor deze
woningen bedoeld zijn. De instrumenten om woonfraude aan te pakken
liggen bij gemeenten en corporaties. Corporaties zijn hier in de
praktijk alert op en pakken deze problemen ook aan. Vaak zijn er
afspraken tussen corporaties en gemeenten hoe zij samen woonfraude
aanpakken. Binnen de Landelijke Aanpak Adreskwaliteit wordt momenteel
onderzoek gedaan naar de mogelijkheid van een risicoprofiel waarmee
illegale onderverhuur sneller aan het licht zou kunnen komen. De
uitkomsten worden in de loop van 2026 verwacht. Gemeenten hebben ook al
voldoende instrumenten om te handhaven op woonfraude, zoals illegale
onderhuur. Bij vergunningsplichtige woningen is een
huisvestingsvergunning nodig om de woning te kunnen huren. Zonder
vergunning, bijvoorbeeld bij illegale onderhuur, is het verboden om de
woning in gebruik te nemen. Gemeenten kunnen hierop handhaven. Daarnaast
kunnen corporaties in hun huurovereenkomsten opnemen dat onderhuur niet
mag. Als dan toch wordt onderverhuurd, is opzegging van de
huurovereenkomst mogelijk. Er bestaan dus reeds goede instrumenten om te
handhaven op woonfraude. Daarom vind ik het niet wenselijk om de
huisvestingswet op dit punt te wijzigen. Ook in algemene zin werken we
aan versterking van de uitvoeringskracht van gemeenten met een
gezamenlijk programma met IPO en VNG.
Vraag 38:
Kan de minister iets zeggen over het schrappen van de taakstelling
statushouders voor gemeente, of blijft deze overeind?
Antwoord:
Zie het antwoord op vraag 26.
Vraag 39:
Onderschrijft de minister dat circulair en biobased bouwen de
betaalbaarheid verminderd? En is de minister bereid de ambities voor
circulair en biobased bouwen te schrappen in deze tijd van
woningtekort?
Antwoord:
Het beleid circulair en biobased bouwen belemmert de betaalbaarheid
niet, en ga ik daarom niet schrappen. Het helpt immers de
beschikbaarheid van bouwmaterialen te vergroten, en daarmee de kosten
van bouwmaterialen te drukken. Daarnaast is het positieve effect hiervan
in termen van milieudrukvermindering in de bouw ook hard nodig op weg
naar 2050 waarin de gebouwde omgeving klimaatneutraal moet zijn, zoals
ik in mijn brief over de implementatie van de EPBD-richtlijn heb
toegelicht (Energy Performance of Buildings Directive, kamerstukken II,
2024–2025, 22112, nr. 4107). Dit beleid is ook onderdeel van industrieel
bouwen binnen het Programma Innovatie en Opschaling Woningbouw voor
sneller en betaalbaar bouwen.
Vraag 40:
Kan de minister reflecteren op dat er niet mooi wordt gebouwd? Welke
actie onderneemt de minister om schoonheid en onze identiteit terug te
brengen in de bebouwde omgeving?
Antwoord:
Nederland staat voor grote ruimtelijke opgaven en dit biedt kansen om
ruimtelijke kwaliteit toe te voegen. Iedere regio is anders en heeft
eigen kwaliteiten. Dat verschil mag er zijn. We beschermen en benutten
wat er is en ontwikkelen nieuwe, onderscheidende ruimtelijke kwaliteit.
We werken aan lokaal en regionaal passende oplossingen. We hanteren
daarom het adagium dat Elke Regio Telt, in de zin dat we elke regio
nodig hebben om ruimte te vinden voor alle opgaven maar ook dat we
hiermee recht doen aan de eigenheid en diversiteit van elke regio. We
willen dat Nederland met behoud van haar identiteit toch ook ruimte
biedt aan alle opgaven. Deze kernzin in het Ontwerp van de Nota Ruimte
staat er niet voor niets. Om de ruimtelijke kwaliteit en gebiedsgerichte
samenwerking te versterken, ondersteunt het Rijk op verschillende
manieren het vinden van een balans tussen de ruimtelijke opgaven en de
gewenste leefomgevingskwaliteit. We doen dit met onder andere
handreikingen Mooi Nederland, de Actieagenda Ruimtelijk Ontwerp, de
Basisinfrastructuur Cultuur en door partner te zijn van diverse
initiatieven zoals platform OntwerpNL. Ook bij de uitwerking van de
woningbouwopgave wordt deze ontwerpkracht ingezet om de kwaliteit van
het gebied te waarborgen. Voor de 21 nationaal grootschalige
woningbouwlocaties wordt samen met ontwerpers dan ook gekeken naar
balans tussen bouwtempo en ontwerpkwaliteit t.b.v. een
toekomstbestendige kwalitatieve bebouwde omgeving met eigen
identiteit.
Vragen van het lid Abassi, Ismail el (DENK)
Vraag 41:
Voor honderdduizenden mensen is betaalbare sociale huur cruciaal, niet
als extraatje maar als fundament. Per 1 juli gaat de sociale huur met
4,1% omhoog. Begrijpt de minister dat mensen hierdoor alleen maar verder
de armoede in worden gedrukt?
Antwoord:
Ik vind de betaalbaarheid van huren van groot belang. In de
Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte is vastgelegd dat de minister het
percentage vaststelt. De maximale toegestane huurverhoging is de
uitkomst van een systematiek die in 2024 is afgesproken in de Nationale
Prestatieafspraken. Een huurverhoging is verantwoord maar ook nodig,
zodat woningcorporaties de kwaliteit van de woningen op peil kunnen
houden en de afspraken over nieuwbouw en verduurzaming gestand kunnen
doen. Voor 2026 geldt in het sociale segment een maximaal toegestane
huurverhoging van 4,1%. Hoe hoog de huurverhogingen feitelijk uitvallen,
is afhankelijk van wat verhuurders aan verhoging voorstellen.
Corporaties kunnen maatwerk toepassen om de betaalbaarheid voor huurders
te bewaken. Daarnaast mag de huur niet verhoogd worden boven de maximale
huurprijs die geldt voor de woning op grond van het
Woningwaarderingsstelsel. Deze factoren bepalen dus met welk percentage
de huur van een woning daadwerkelijk verhoogd kan worden. Voor een deel
van de huurders wordt de huurverhoging deels gecompenseerd door de
huurtoeslag.
Vraag 42:
Op dit moment is de doelstelling om twee derde betaalbaar, 30% sociale
huurwoningen te bouwen. 1 op de 3 nieuwbouwwoningen is niet betaalbaar
voor lage en middeninkomens. Is de minister het met mij eens dat 1/3
niet betaalbaar te veel is, veel te veel?
Antwoord:
De doelstelling van het kabinet is om jaarlijks 100.000 woningen te
bouwen waarvan twee derde betaalbaar, 30% sociale huurwoningen. Twee
derde van de woningen die we de komende tijd realiseren zijn dus
betaalbaar: voor mensen met een laag inkomen én voor mensen met een
middeninkomen. Deze doelstelling sluit aan bij wat er nodig is ook gelet
op de inkomens van huishoudens in Nederland. Ik deel dus niet de
opvatting dat we met deze doelstelling te weinig betaalbare woningen
realiseren.
Vraag 43:
Kan de minister toezeggen dat er geen sociale huurwoningen meer gesloopt
worden, maar als dat toch gebeurd, dat vervangende woningen per m2
minstens even groot zijn?
Antwoord:
Nee dat kan ik niet. Sloop is een ingrijpende gebeurtenis en het is
belangrijk dat dit pas na zorgvuldige afweging gebeurt. Maar soms kan
het niet anders, bijvoorbeeld omdat woningen van hele slechte kwaliteit
zijn. Hetzelfde terugbouwen is niet altijd logisch. We zien bijvoorbeeld
dat gezinnen kleiner worden. Het is belangrijk om de woningen te bouwen
waar ook behoefte aan is en de ruimte te geven aan een lokale afweging.
Op dit moment laat ik onderzoek doen naar wat de potentie is van het
benutten van bestaande grond van woningcorporaties voor sloop-nieuwbouw
en verdichting, hoeveel er in de praktijk al wordt verdicht, wat de
neveneffecten zijn van sloop-nieuwbouw op lange termijn en welke
knelpunten het meest voorkomen. Naar verwachting ontvangt u de
resultaten van dit onderzoek voor de zomer.
Vraag 44:
De minister verwees eerder naar een tochtkorting in het
woningwaarderingsstelsel, maar erkent dat een dergelijke korting niks
doet aan schimmel en gezondheidsklachten. Vindt de minister het
acceptabel dat huurders in ongezonde woningen wonen zolang ze minder
betalen? Het mag toch niet zo zijn dat de dikte van de portemonnee van
ouders bepaalt of een kind in een gezonde woning opgroeit? Is de
minister het met mij eens dat wij er alles aan moeten doen om dit te
voorkomen?
Antwoord:
Iedere huurder heeft recht op een woning van goede kwaliteit. De
verantwoordelijkheid voor het waarborgen van de bouwkundige kwaliteit
van de huurwoningen ligt grotendeels bij de eigenaar. Als de schimmel
door een gebrek aan de woning komt, kan de Huurcommissie een huurkorting
opleggen, oplopend tot maximaal 80% van de huurprijs. Dit is een grote
prikkel om gebreken te voorkomen. Daarnaast zijn gemeenten bevoegd om
handhavend op te treden wanneer relevante bouwregelgeving- en
voorschriften niet worden nageleefd. Vanuit het Rijk wordt gestimuleerd
om een aanpak vocht- en schimmelwoningen op te nemen in de lokale
prestatieafspraken. In de handreiking lokale prestatieafspraken die
opnieuw wordt uitgebracht zodra de wet regie in werking gaat treden is
dan ook extra aandacht voor vocht en schimmel. In het eerste kwartaal
ontvangt u een brief over vocht- en schimmelproblematiek naar aanleiding
van de motie Beckerman die vraagt om een aanvalsplan tegen vocht en
schimmel.
Vraag 45:
Is de minister het met mij eens dat we zo snel mogelijk af moeten van
woningen met enkel glas en dat we er alles aan moeten doen om ervoor te
zorgen dat alle woningen zo snel mogelijk minimaal dubbel glas
krijgen?
Antwoord:
De Nationale Prestatieafspraken met woningcorporatie bevatten de
uitfasering van woningen met energielabel E, F en G uiterlijk in 2028.
Daarnaast is een wijziging in regelgeving in voorbereiding dat voorziet
in uitfasering van alle huurwoningen E, F en G per 1 januari
2029. De internetconsultatie daarvoor is eind vorig jaar gesloten.
Verhuurders zullen bij het wegwerken van de EFG labels, ook het enkel
glas meenemen. Tijdens de behandeling van de Wet betaalbare huur is
enkel glas en tochtkorting expliciet aan de orde gekomen naar aanleiding
van het amendement De Hoop (extra aftrekpunten voor EFG labels). De
Kamer heeft toen gekozen de tochtkorting uit te werken met een
amendement door extra aftrekpunten voor EFG labels. Dit past binnen het
stelsel van het WWS en betekent geen extra belasting voor de
Huurcommissie. Met de verbeterde Subsidieregeling Verduurzaming en
Onderhoud Huurwoningen (SVOH), ondersteun ik particuliere verhuurders
bij onder andere het plaatsen van isolatieglas. Bij koopwoningen
stimuleren we ook de verduurzaming waaronder het vervangen van enkel
glas met subsidies (ISDE, SVVE), het Warmtefonds en het Nationaal
Isolatieprogramma
Vragen van het lid Flach, André (SGP)
Vraag 46:
Hoe staat het met de vertaling van de ruimte die de EU biedt aan
woningcorporaties om middenhuurwoningen te bouwen in nationale
regelgeving?
Antwoord:
Zie het antwoord op vraag 6.
Vraag 47:
Wat vindt de minister van het voorstel om een deel van de 57 miljoen
voor de Woningbouwimpuls te laten vloeien naar de Stimuleringsregeling
ontmoetingsruimten in ouderenhuisvesting?
Antwoord:
Het aantal aanvragen bij deze regeling neemt jaarlijks toe. Bij de
laatste tranche in 2024, waarbij € 23 mln. beschikbaar was, is het
budget overtekend met € 13 mln. Daarmee wordt het succes van deze
regeling onderstreept. Er zijn op dit moment geen middelen beschikbaar
voor deze regeling. Gezien het succes van de regeling verwacht ik dat er
voldoende animo zal zijn voor een eventuele nieuwe tranche indien
hiervoor aanvullende middelen beschikbaar zouden worden gesteld.
Vraag 48:
Is het mogelijk om het subsidiebedrag op te hogen voor de
Stimuleringsregeling ontmoetingsruimten in ouderenhuisvesting of een
extra tranche toe te voegen?
Antwoord:
Zie het antwoord op vraag 47.
Vraag 49:
Is het mogelijk extra geld vrij te maken voor de Regeling Huisvesting
Aandachtsgroepen?
Antwoord:
De laatste tranches van de Regeling Huisvesting Aandachtsgroepen (RHA)
regulier en RHA studenten tezamen was in 2025 ruim overtekend. Het
budget van de regeling was € 60 mln. en is in 2e suppletoire begroting
2025 opgehoogd met circa € 13 mln. Er is in totaal ruim € 73 mln.
toegekend. Er zijn op dit moment geen middelen voorzien voor nieuwe
tranches van de RHA. Gezien het succes van de regeling verwacht ik dat
er voldoende animo zal zijn voor een eventuele nieuwe tranche indien
hiervoor aanvullende middelen beschikbaar zouden worden gesteld.
Vraag 50:
Ziet de minister kansen om met het extra geld (57 mln woningbouwimpuls)
de bouw van woningen voor jongeren en starters extra aan te jagen?
Antwoord:
Om een Woningbouwimpuls aanvraag in te kunnen dienen, moet het project
voor minimaal 50% uit betaalbare woningen bestaan. In de praktijk heeft
dit geleid tot circa twee derde betaalbare woningen gemiddeld over de
afgelopen 7 tranches. Deze betaalbare woningen zijn bij uitstek ook
geschikt voor de doelgroepen jongeren en starters. Verdere toewijzing
aan specifieke doelgroepen is aan gemeenten, aangezien dit maatwerk
betreft. Ik vind het daarom niet nodig om voorwaarden of regels aan te
passen in deze regeling.
Vraag 51:
Welke voorwaarden of regels moeten worden aangepast om de bouw van
woningen voor jongeren of starters te stimuleren via extra geld van de
woningbouwimpuls?
Antwoord:
Zie het antwoord op vraag 54.
Vraag 52:
Hoe ziet de minister het proces rondom de instructieregel voor het
permanent bewoning van recreatiewoningen voor zich?
Antwoord:
Zie het antwoord op vraag 28.
Vraag 53:
Gaat de minister de instructieregel voor permanent bewonen van
recreatiewoningen opleggen aan gemeenten?
Antwoord:
Zie het antwoord op vraag 28.
Vraag 54:
Welke maatregelen wil de minister nemen om de bestaande woningvoorraad
beter te benutten?
Antwoord:
Zoals ik ook in de beantwoording op de vragen 5 en 17 toelicht, werk ik
sinds de Woontop van vorig jaar aan een landelijke aanpak Beter Benutten
van bestaande gebouwen en bijbehorende omgeving. Beter Benutten levert
jaarlijks circa 15.000 woningen op, en dat is onmisbaar bij het
terugdringen van het woningtekort. Ik heb de Tweede Kamer op 17 november
jl. met een brief geïnformeerd over de stand van zaken op het gebied van
Beter Benutten en de bijbehorende acties. Het gaat bijvoorbeeld om het
waar mogelijk vergunningsvrij maken van het splitsen van woningen en het
vergunningsvrij plaatsen van mantelzorg- en familiewoningen op het
achtererf. Daarnaast ben ik aan de slag met een wetswijziging voor
hospitaverhuur, heb ik een splitsgids gepubliceerd en blijf ik volop
inzetten op optoppen en transformatie door het inzetten van de
Transformatiefaciliteit, de Stimuleringsregeling Flex- en
Transformatiewoningen en de Realisatiestimulans.
Vraag 55:
Hoe worden de regels bij de banken passend gemaakt voor
hospitaverhuur?
Antwoord:
Hospitaverhuur is een belangrijke manier om de bestaande voorraad beter
te benutten. Het creëert nieuwe, betaalbare woonruimte zonder woningen
bij te bouwen. Ik heb daarom een wetsvoorstel gemaakt dat belemmeringen
voor hospitaverhuur moet wegnemen. Het ligt nu ter advisering bij de
Raad van State en ik hoop dat het voorstel in het voorjaar aangeboden
kan worden aan uw Kamer. Een belangrijk doel van dit wetsvoorstel is dat
kredietverstrekkers hospitaverhuur veel vaker gaan toestaan. Op dit
moment geven zij namelijk vaak geen toestemming, of onder strikte
voorwaarden. Het wetsvoorstel regelt onder meer dat woningeigenaren bij
eventuele verkoop van de woning het huurcontract met de hospitahuurder
kunnen opzeggen. Zij lopen daardoor geen risico meer op een lagere
verkoopprijs als gevolg van verhuur. Ik verwacht dat kredietverstrekkers
na invoering van dit wetsvoorstel hospitaverhuur veel vaker gaan
toestaan.
Vraag 56:
Wat vindt de minister van het protocol van NVM rondom het
biedproces?
Antwoord:
Ik ben bekend met het protocol van de NVM en ik waardeer de inspanningen
van de NVM om tot een hoger gebruik van het biedlogboek te komen en
daarmee tot een transparanter biedproces. Tegelijkertijd vind ik het
jammer dat dat op onderdelen afwijkt van de minimale eisen aan het
biedlogboek die eerder door de rest van de sector zijn opgenomen in de
NTA (Nederlands Technische Afspraak). Ik onderschrijf nog steeds het
belang en de inhoud van de NTA en betreur het uitblijven van één norm
voor de gehele sector.
Vraag 57:
Welke stappen zet de minister om tot een gedragen oplossing rondom
overbieden en transparantie van het biedproces te komen?
Antwoord:
Ik laat op dit moment alternatieven onderzoeken voor het huidige systeem
van zelfregulering. Concrete stappen zullen echter aan een volgend
kabinet zijn.
Vragen van het lid Grinwis, Pieter (CU)
Vraag 58:
De voortoets naar het Duitse model, een soort zeef die het lastiger
maakt om naar de rechter te gaan voor omwonenden, is aanvankelijk
enthousiast omarmd maar uiteindelijk toch terzijde gelegd, waarom?
Antwoord:
Zie het antwoord vraag 4.
Vraag 59:
Wat vindt u van het alternatief om bij een omgevingsvergunning voor een
woningbouwproject dat past in het Omgevingsplan te volstaan met een
technische bouwvergunning en welstandtoets, en geen mogelijkheid voor
bezwaar en beroep te bieden? Wat vindt u hiervan en los daarvan, is het
uitvoerbaar en houdbaar?
Antwoord:
Op grond van de Omgevingswet hebben gemeenten reeds de mogelijkheid om
in een omgevingsplan af te zien van een ruimtelijke omgevingsvergunning
voor bouwplannen die passen binnen de regels van het omgevingsplan. Het
gemeentebestuur zal in dat geval ook niet meer aan welstand toetsen.
Aangezien er geen vergunningsplicht meer is, staat er ook geen bezwaar
en beroep meer open tegen het losse bouwplan. Ook een welstandscommissie
is onder de Omgevingswet niet meer verplicht. Of gemeenten van deze
mogelijkheid gebruik maken, zal afhangen van de aard en omvang van
locaties en woningbouwprojecten. Dit zal vooral bij kleinere locaties en
concrete woningbouwprojecten zijn. Als een omgevingsplan nog veel
afwegingsruimte en flexibiliteit biedt, zal deze afweging vaak nog bij
de omgevingsvergunning met bijbehorende rechtsbeschermingsmiddelen
moeten worden gemaakt. Dit zijn afwegingen die een gemeente het best kan
maken, maar ik roep gemeenten wel op om optimaal gebruik te maken van de
mogelijkheden die de Omgevingswet biedt en waar mogelijk af te zien van
de vergunningplicht.
Vraag 60:
Er zijn veel overbodige en tegenstrijdige regels en ellenlange
vergunningsprocedures, hebben we de adviezen uit het STOER-traject van
de minister wel voldoende benut?
Antwoord:
In de kabinetsreactie heb ik namens het kabinet aangegeven met een
merendeel van de adviezen zal overnemen, waaronder een onderzoek naar
een landelijk dekkend soortenmanagement plan, een uitwerking van een
typegoedkeuring voor fabrieksmatige woningen en een verkenning met de
koepels naar het hanteren van andere grenswaarden bij saneringen. Ik heb
in overleg met mijn collega’s besloten om de Lex Silencio Poisitivo niet
over te nemen. De komende tijd zal ik met mijn collega’s voortvarend aan
de slag gaan om de overgenomen adviezen op te volgen. Over de voortgang
van STOER zal ik uw Kamer voor de zomer informeren. Ik heb uw Kamer in
de brief van 17 november jl. aangegeven dat ik van plan ben
(fabrieksmatige) woningen die voorzien zijn van een erkende
kwaliteitsverklaring voor zowel de productie en de assemblage op de
bouwplaats, vrij te gaan stellen van de vergunning- of meldingsplicht
voor de technische bouwactiviteit. Dat brengt een forse vereenvoudiging
met zich mee en een versnelling in de woningbouw.
Vraag 61:
Er zijn veel voorstellen, bijvoorbeeld vereenvoudigen van bodemonderzoek
of versnelde invoering van fabrieksmatig geproduceerde woningen. De
adviezen liggen er, maar het kabinet heeft ze niet overgenomen, waarom
niet?
Antwoord:
Zie het antwoord op vraag 60.
Vragen van het lid Beckerman, Sandra (SP)
Vraag 62:
Het kabinet gaat door met het heffen van winstbelasting en ATAD te
heffen bij corporaties, hierdoor komen zij in financiële problemen. In
de departementale stukken die zijn gedeeld tijdens de formatiegesprekken
zien we dat de financiële positie van corporaties drastisch is
verslechterd, met een mogelijk tekort van ca 20 miljard euro. Wanneer
komen de doorrekeningen hiervan? Wanneer kunnen we zicht krijgen op hoe
groot dit tekort is?
Antwoord:
Zie het antwoord op vraag 31.
Vraag 63:
Is de minister bereid om een pas op te plaats te maken en enkel te
slopen bij zeer hoge uitzondering en wanneer er een goed en even
betaalbaar alternatief is?
Antwoord:
Zie het antwoord op vraag 43.
Vraag 64:
Is gemeenschapszin alleen voor mensen met poen of gaat de minister hier
iets aan doen? Vorig jaar zorgde de Tweede Kamer voor een doorbraak en
sprak per motie uit dat er weer een kampeerwet moet komen om vaste
gasten te beschermen tegen dit soort roofovernames. Gaat het kabinet die
eindelijk uitvoeren?
Antwoord:
Ik herken deze problematiek, en het is goed en begrijpelijk dat u hier
aandacht voor vraagt. Voor de inhoudelijke beantwoording verwijs ik naar
de brief (kamerstukken II, 2024-2025, 36452, nr. 3) van de minister van
Economische Zaken van 26 mei 2025 over deze problematiek.
Vraag 65:
Is de minister bereid om te zorgen dat dit ministerie de regie neemt,
zodat daklozen mensen urgentie krijgen en te zorgen voor voldoende
financiering om woningen te creëren voor dakloze mensen?
Antwoord:
Ik deel met uw Kamer het belang om dakloze mensen een thuis te bieden.
Ik wil er met de Wet regie, die nu aan de Eerste Kamer is aangeboden,
voor zorgen dat dakloze mensen beter in beeld komen en deels ook
urgentie krijgen. Tegelijk is het aan gemeenten om hier uiteindelijk
invulling aan te geven in hun volkshuisvestingsprogramma en
urgentieregeling. Daklozen vormen een van de doelgroepen van de Regeling
Huisvesting Aandachtsgroepen (RHA). In de begroting zijn hier vanaf 2026
geen middelen meer beschikbaar voor. Zie antwoord vraag 30 voor nadere
beantwoording inzake thema dakloosheid.
Vragen van het lid Brenk, Corrie van (50PLUS)
Vraag 66:
Er is door de minister toegezegd dat er tot en met 2030 290.000
seniorenwoningen gebouwd zouden moeten zijn. Dit streven is nu al
doorgeschoven naar 2036. Kan hier niet ook een tandje bij? Want tegen
die tijd zijn er alweer meer senioren. Uit onderzoek weten we dat als
een senior uit zijn woning gaat dat minimaal drie verhuisbewegingen
oplevert en dat komt andere mensen op de woningmarkt ten goede.
Antwoord:
Tot en met 2030 is de opgave voor ouderen 290.000 woningen. Die opgaven
staat nog steeds. Ik werk samen met de staatssecretaris van Langdurige
en Maatschappelijke Zorg aan het realiseren van zoveel mogelijk woningen
voor ouderen, onder andere door middel van afspraken in de woondeals en
specifieke stimuleringsregelingen voor geclusterde en zorggeschikte
woningen. Ik verwacht in het eerste kwartaal van 2026 inzicht in de
opgave ouderenhuisvesting tot en met 2036 en verder, zodat partijen op
tijd kunnen beginnen om die woningen in de bouwprogrammering te laten
landen.
Vraag 67:
Is er al een versneld traject voor agrarische ondernemers om dit soort
mogelijkheden aan te pakken (zoals het verbouwen van stallen naar een
appartement)? Dat dit niet eindeloos hoeft te duren en dat daar verder
geen bezwaren komen? Er zijn namelijk te veel regels.
Antwoord:
Sinds de Woontop werk ik met provincies en gemeenten samen in een
Actieleerprogramma voor wonen in het buitengebied. De Kamer is op 17
november jl. per brief geïnformeerd over de stand van zaken van de
maatregelen (als onderdeel van de Beter Benutten aanpak). Het huidige
beleid biedt onvoldoende ruimte voor de gewenste combinatie van functies
en kleinschalige woningbouw in het buitengebied. Het gevolg is dat dit
soort ontwikkelingen nauwelijks tot stand komt. Het Actieleerprogramma
heeft als doel om uitgangspunten op te stellen die invulling geven aan
de wens om erftransformaties toe te staan daar waar het gegeven het
gebied, de locatie en de gekoppelde maatschappelijke doelen wenselijk
is. Dit kan bijvoorbeeld leiden tot wijziging of vereenvoudiging van
bestaand beleid voor vrijkomende agrarische bebouwing (VAB) of
rood-voor-roodregelingen. De uitkomsten van dit Actieleerprogramma en de
daaruit vloeiende beleidsaanpassingen zorgen voor meer duidelijkheid bij
initiatiefnemers en zullen gemeenten en provincies helpen om tot een
zorgvuldige en vlotte gebiedsspecifieke belangenafweging te komen die
bijdraagt aan een vitaal platteland, meer woonruimte en perspectieven
voor (ex-)boeren. Ook is binnen het Actieleerprogramma aandacht voor de
belangen van zittende boeren. Bijvoorbeeld als door extra woningen in
het buitengebied hun bedrijfsvoering wordt belemmerd. In zijn
algemeenheid zie ik wel dat gemeenten vaak wel willen, maar dat de
ambtelijke capaciteit niet altijd voorradig is.
Vraag 68:
Een woningeigenaar wilde zijn woning verbouwen om vervolgens een deel
van de woning te verhuren aan een jongere, maar door diverse normen en
regels heeft het gehele proces 2,5 jaar geduurd. Onder andere omdat er 5
parkeerplaatsen moesten worden aangelegd. Er gold immers een
parkeerplaatsnorm van 2,3 parkeerplaatsen per bewoner. Als we het hebben
over woningsplitsen dan zou dit toch echt sneller en beter moeten?
Antwoord:
Bij het toevoegen van woningen door splitsen of optoppen (of aanplakken
en uitplinten) is de parkeernorm regelmatig een obstakel. Dat is
frustrerend voor initiatiefnemers zoals woningcorporaties, ontwikkelaars
en VvE’s. Met de “Handreiking voor Parkeren bij Optoppen en bij andere
vormen van beter benutten bestaande voorraad” van Platform 31, Aedes, de
provincies Zuid-Holland en Utrecht, worden zij in staat gesteld om
met ambtenaren, bestuurders en volksvertegenwoordigers tijdig het
gesprek aan te gaan over gemeentelijke parkeernormen bij het beter
benutten van bestaande gebouwen en zodoende sneller tot een afweging te
komen hoe omgegaan kan worden met parkeerdruk en (mogelijk afwijken van)
de parkeernorm. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Vraag 69:
Hoe kunnen we zorgen dat burgerinitiatieven om een gezamenlijke
woon-hofje te initiëren meer gestimuleerd worden?
Antwoord:
Om burgerinitiatieven te stimuleren richt ik een revolverend fonds op
voor wooncoöperaties waarmee het mogelijk wordt om deze initiatieven te
financieren. Daarnaast wil ik gemeenten stimuleren meer initiatieven een
kans te geven en te zorgen dat deze sneller gerealiseerd worden. Dit
vergt extra inzet vanuit gemeenten. Samen met Platform31, Cooplink, De
Derde Bouwstroom en RVO ondersteun ik gemeenten o.a met kennis en
expertise. Binnenkort ontvangt u een brief met mijn aanpak.
Vraag 70:
Het beleid van het kabinet wat betreft ouderen is zo lang mogelijk
thuiswonen: maar wat zijn de mogelijkheden als het thuis niet meer gaat?
Hoe gaan we zorgen dat het voor mensen zonder dikke portemonnee
betaalbaar is?
Antwoord:
De 290.000 voor ouderen geschikte woningen waar we in de woondeals
afspraken over hebben gemaakt, bestaan onder andere uit geclusterde en
zorggeschikte woningen. Deze woningtypen geven invulling aan de
woonvormen die nodig zijn tussen thuis en het verpleeghuis. Ongeveer de
helft van die woningen moet in het sociale segment gerealiseerd worden.
Om de ontwikkeling van deze woningtypen in het sociale segment te
stimuleren, heb ik samen met de staatssecretaris van Langdurige en
Maatschappelijke Zorg stimuleringsregelingen zoals onder andere de
Stimuleringsregeling Wonen en Zorg en de Stimuleringsregeling
Ontmoetingsruimten voor Ouderen.
Vraag 71:
De huur in een prachtig woon-zorgcomplex in Gemert is € 1245 excl.
servicekosten. Vraag aan de minister: zij ging werk maken van het
inperken van de servicekosten, zijn die inmiddels ingeperkt en is nu
scherp gekeken naar wat mag als servicekosten en wat niet?
Antwoord:
Ik werk aan een verduidelijking van de regels rondom servicekosten. De
Wet modernisering servicekosten is in 2025 door beide Kamers aangenomen.
Per 1 maart wordt de onderliggende regelgeving gepubliceerd, waarin
verduidelijkt wordt welke posten als servicekosten mogen worden
doorgerekend. De wet bevat ook een grondslag om per ministeriële
regeling regels vast te stellen met betrekking tot de wijze van
berekening en de maximumbedragen per categorie servicekosten. Deze
regeling wordt ook per 1 maart gepubliceerd. Het verduidelijkte stelsel
treedt dan als geheel per 1 juli 2026 in werking.
Vraag 72:
Er ligt een motie om 100 van dit soort Zorgbuurtschappen te realiseren.
Gaan ze er überhaupt ooit komen? In Joure wordt een mooi
buurt-wonen-project gerealiseerd bestaande uit geclusterde woningen met
een zorgcomponent. Het kan dus wel, maar het is ongelooflijk lastig als
huren alleen kan in combinatie met zorg.
Antwoord:
Het zorgbuurthuis is een mooi voorbeeld van een zorggeschikte woonvorm.
Dit is een kleinschalige woonvorm, in de eigen buurt met zorg als dat
nodig is. Het sluit daarmee goed aan op de behoefte van de ouderen. Ik
stimuleer de ontwikkeling van dit type woningen door woondealafspraken
en een stimuleringsregeling zorggeschikte woningen die ik samen met de
minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heb ontwikkeld.
Vraag 73:
Wat bedoelt de minister met: ''ik neem de aanbeveling om per regeling
een precies doel op te stellen, voor zover dit lukt in een
politiek-bestuurlijke omgeving, mee in de ontwikkeling van nieuwe
financiële regelingen''. Kunnen we dit antwoord interpreteren als een
'nee het is niet mogelijk om de effectiviteit van de regeling objectief
vast te stellen'?
Antwoord:
De Algemene Rekenkamer adviseert om de doelstellingen voor regelingen
meer specifiek te formuleren. Dat advies omarm ik. Ik heb de ambitie om
de doelen meer precies te formuleren zodat ook de effectiviteit beter
kan worden bepaald. In mijn reactie heb ik echter ook trachten aan te
geven dat politiek-bestuurlijke wensen en signalen uit de praktijk
kunnen leiden tot aanpassingen aan de doelstellingen van een
regeling.
Vraag 74:
Het kabinet pakt de woningleegstand aan met de mogelijkheid om een
leegstandsheffing op te leggen. Kan de minister aangeven of deze
maatregel, of de dreiging daarvan, al wenselijke resultaten oplevert of
is dat te vroeg?
Antwoord:
Met aanpassing van de Gemeentewet krijgen gemeenten de mogelijkheid om
een leegstandsheffing in te voeren. Deze leegstandsheffing wordt
mogelijk na minimaal 12 maanden leegstand. Het is daarom te vroeg om
iets over het effect van deze mogelijkheid te zeggen. Het is overigens
niet zo dat er 90.000 woningen langdurig leeg staan. Zoals ik in mijn
Kamerbrief over de evaluatie van de Leegstandswet (kamerstukken II,
2024-2025, 31560, nr. 54) heb geschetst verbruikt een groot deel van
deze woningen namelijk toch nog energie. Als daarvoor wordt gecorrigeerd
stonden er volgens de Landelijke Monitor Leegstand van het CBS begin
2025 circa 25.000 woningen administratief langdurig leeg. Dat is een
daling ten opzichte van het jaar daarvoor. Voor ruim de helft van deze
woningen geeft de monitor een mogelijke reden voor de leegstand en voor
de andere helft is er geen verklaring bekend.
Vraag 75:
We zien dat vooral de particuliere huren de pan uit rijzen, is dat nou
wenselijk? Hoe kijkt de minister aan tegen de vraag wat nu een redelijke
huur is en hoe kunnen we zorgen dat particuliere huren betaalbaar
blijven? Want is dat ook sociaal wenselijk en haalbaar?
Antwoord:
Ik vind het belangrijk dat huren zowel betaalbaar zijn als dat
verhuurders voldoende inkomsten hebben om te kunnen blijven verhuren. De
Wet betaalbare huur voor sociale en middenhuurwoningen bepaalt de
maximale huurprijs op grond van de eigenschappen van de woning, tot een
huur van maximaal ca. € 1.200,-. Ook particuliere verhuurders moeten
zich hieraan houden. Daarnaast gelden ook maximale
huurverhogingspercentages voor huurwoningen van particuliere
verhuurders. De stijging van huurprijzen is bij lopende contracten dus
altijd gemaximeerd.