[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Zesde Rapportage Monitor Georganiseerde Criminaliteit

Bestrijding georganiseerde criminaliteit

Brief regering

Nummer: 2026D01291, datum: 2026-01-15, bijgewerkt: 2026-01-15 13:32, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van kamerstukdossier 29911 -493 Bestrijding georganiseerde criminaliteit.

Onderdeel van zaak 2026Z00535:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


Hierbij bied ik uw Kamer de Zesde Rapportage op basis van de Monitor Georganiseerde Criminaliteit aan. Deze Zesde Rapportage draagt als titel: “Georganiseerde Criminaliteit in Nederland: cocaïnesmokkel en liquidaties”. Dit onderzoek is verricht door het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) in samenwerking met de Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR) en de Vrije Universiteit (VU).

De Monitor Georganiseerde Criminaliteit is een doorlopend onderzoeksproject dat tot doel heeft de aard van georganiseerde criminaliteit en de ontwikkelingen daarin in beeld te brengen.

Totstandkoming en bevindingen rapportage

In het kader van de Monitor Georganiseerde Criminaliteit (hierna: de Monitor) zijn vanaf 1996 over zes rondes in totaal 196 zaken via dezelfde systematiek geanalyseerd. Hierbij is op verschillende vormen van georganiseerde criminaliteit ingezoomd. In deze zesde ronde heeft het WODC zich gericht op cocaïnesmokkel en liquidaties. Voor cocaïnesmokkel is gekeken welke ontwikkelingen binnen deze activiteit te zien zijn in de afgelopen 25 jaar, op basis van nieuwe data en data uit eerdere monitorrondes. Voor liquidaties kon een dergelijke vergelijking door de tijd heen niet worden gemaakt, omdat liquidaties tot deze ronde van de monitor niet als afzonderlijk fenomeen waren bestudeerd. De meest opvallende bevindingen van de onderzoekers zijn als volgt.

In de eerste plaats zien de onderzoekers op basis van dossiergegevens van de laatste 25 jaar een bepaalde mate van consistentie bij de plegers en het plegen van delicten die relateren aan georganiseerde criminaliteit. Zo lijkt de structuur van de samenwerkingsverbanden door de tijd heen niet wezenlijk veranderd, evenals het aantal verdachten dat per zaak centraal staat. In alle monitorrondes zijn fluïde criminele netwerken terug te zien.

Tegelijkertijd geeft het onderzoek ook zicht op enkele veranderingen. Alhoewel sommige smokkelmethoden door de tijd heen een zekere continuïteit kennen, springt in het oog dat rondom een aantal ‘klassieke’ modi operandi sprake is van nieuwe uitvoeringen.

Uit het onderzoek blijkt dat een wisselwerking bestaat tussen opsporingsdiensten en criminele samenwerkingsverbanden, in de vorm van aanpassingen over en weer aan elkaars werkwijze. De onderzoekers nodigen uit tot reflectie op de negatieve gevolgen die kunnen ontstaan door veranderende modi operandi van criminelen en de reactie van opsporingsdiensten daarop, waaronder verplaatsingseffecten.

Verschillen zijn er ook wanneer wordt gekeken naar de criminele levenspaden. De analyses van de criminele levenslopen van verdachten laten een duidelijke afname zien van het percentage verdachten dat geregistreerde delicten heeft voordat zij worden verdacht van het misdrijf waarmee zij bij de Monitor in beeld kwamen (het zogeheten ‘indexdelict’). Hoe recenter het onderzochte tijdvak, hoe vaker de onderzoekers zien dat verdachten geen eerdere justitiecontacten hebben. Van deze verdachten is geen groeipad van kleine criminaliteit naar zware misdaad zichtbaar; zij lijken ‘uit het niets’ de georganiseerde criminaliteit in te rollen.

Verder merken de onderzoekers op dat inzage in het versleutelde berichtenverkeer (pgp-berichten) in grote mate heeft bijgedragen aan de opsporing van de bestudeerde criminele activiteiten. Zij stellen de vraag hoelang die informatierijkdom nog gaat duren, omdat deze bron van informatie kan opdrogen of achterhaald raken. Tot slot merken de onderzoekers op dat relatief weinig (bekennend) wordt verklaard door personen lager in de hiërarchie van een organisatie. Deze bevinding achten zij relevant voor de toepassing van de nieuwe kroongetuigenregeling.

Implicaties voor beleid

De Rapportage verdiept de kennis van cocaïnesmokkel en liquidaties, en vormt daarom een ‘must read’ voor professionals die betrokken zijn bij de aanpak van deze vormen van zware georganiseerde criminaliteit. Daarnaast biedt de Rapportage ook handvatten voor de ontwikkeling van het beleid voor de aanpak van ondermijnende, georganiseerde criminaliteit.

De komende periode worden de uitkomsten van het onderzoek met relevante partnerorganisaties gezamenlijk verkend. Uw Kamer wordt hierover vóór de zomer van 2026 nader geïnformeerd.

De Minister van Justitie en Veiligheid,

Foort van Oosten