Schriftelijke antwoorden op vragen gesteld tijdens de eerste termijn van de begrotingsbehandeling van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp op 14 januari 2026
Brief regering
Nummer: 2026D01307, datum: 2026-01-15, bijgewerkt: 2026-01-15 10:24, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: A. de Vries, staatssecretaris van Buitenlandse Zaken (Ooit VVD kamerlid)
Onderdeel van zaak 2026Z00543:
- Indiener: A. de Vries, staatssecretaris van Buitenlandse Zaken
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp
- 2026-01-15 15:00: Begroting Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp (36800-XVII) voortzetting (Plenair debat (wetgeving)), TK
Preview document (š origineel)
Geachte voorzitter,
Met dank aan de door uw leden gestelde vragen tijdens de eerste termijn van de begrotingsbehandeling Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp op 14 januari jl., treft u hierbij de schriftelijke beantwoording aan op een deel van de vragen. Op alle andere vragen zal ik in mijn eerste termijn ingaan.
| Staatssecretaris Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp, Aukje de Vries |
|---|
Vragen van het lid Bamenga (D66)
Vraag
Staan inmiddels zoveel mogelijk leden van de Rapid Support Forces- Ʃn Soedanese Volkskrijgsmacht-leiding op de Europese sanctielijst?
Antwoord
Sancties vallen onder de verantwoordelijkheid van de minister van Buitenlandse Zaken. In de Raad Buitenlandse Zaken van november 2025 zijn sancties aangenomen tegen Abdel-Rahim Hamdan Dagalo, de tweede man van de Rapid Support Forces, naar aanleiding van het geweld tegen burgers in El Fasher. Deze sancties zijn aangenomen in aanvulling op eerdere EU sancties tegen entiteiten en individuen die betrokken waren bij mensenrechtenschendingen in Soedan. Nederland steunt de uitbreiding van EU sancties ten aanzien van Soedan en zal zich ook in de komende periode blijven inzetten voor verdere uitbreiding van sancties, in lijn met de in december aangenomen moties hierover. Wegens de vertrouwelijke aard van het sanctie-instrument kan niet vooruitgelopen worden op toekomstige sanctiepakketten.
Vraag
Waarom is het Memorandum of Understanding (MoU) tussen de EU en Rwanda nog steeds niet opgeschort?
Antwoord
Het kabinet heeft zich meermaals in EU-verband uitgesproken voor opschorting van het MoU tussen de EU en Rwanda over kritieke grondstoffen, in reactie op schendingen van het internationaal recht door Rwanda. Dit is ook gedaan op verzoek van de Kamer. Mede als gevolg van de oproepen van Nederland en gelijkgezinden ligt de uitvoering van het MoU met Rwanda stil. Dit is uw Kamer onlangs gemeld in de Kamerbrief over de Afrikastrategie en de Grote Meren regio. (Kamerstuk 29237, nr. 235) Het is aan de Europese Commissie om gehoor te geven aan de oproep van Nederland en gelijkgezinden om het MoU formeel op te schorten.
Vraag
Hoe staat het met de ontwikkeling van een Nederlandse en Europese diasporastrategie en hoe faciliteert het kabinet initiatieven vanuit de Congolese en Soedanese diaspora?
Antwoord
Bij eerdere overleggen met uw Kamer heeft het kabinet, naar aanleiding van vragen van onder meer het lid Bamenga, toegezegd te zullen kijken naar hoe diaspora gemeenschappen in Nederland meer kunnen worden betrokken en bereikt.1 Naar verwachting zal uw Kamer in het eerste kwartaal van 2026 hierover middels een brief nader geĆÆnformeerd worden. Hierin zal ook worden ingegaan op de Europese dimensie, zoals o.a. in de motie Ceder/Bamenga benoemd (motie 36 725-XVII, nr. 45).
Per 1 januari 2026 is het programma CivicFocus van het beleidskader Focus van start gegaan. Dit instrument is voor het stimuleren van particuliere ontwikkelingsinitiatieven. Het programma heeft speciale aandacht voor diaspora-organisaties. Dit kunnen ook Congolese en Soedanese diaspora-organisaties zijn.
Vragen van het lid Van der Plas (BBB)
Vraag
Kan het kabinet een beeld geven over wat er nu nog met Iran gehandeld wordt, hoeveel bedrijven daar vanuit Nederland actief zijn om handel te drijven en hoeveel handel er is vanuit Iran naar Nederland?
Antwoord
Zakendoen is alleen mogelijk op terreinen die niet sanctieplichtig zijn. Voor handel met Iran geldt al jaren een groot aantal sancties en exportbeperkingen.2 Door de recente beĆ«indiging van het nucleaire akkoord met Iran op 28 september jl. zijn ā naast de al bestaande sancties en exportbeperkingen ā de brede economische sancties van de VN-Veiligheidsraad uit de periode 2006-2013 heringevoerd. De impact van deze recente herinvoering van VN-sancties op handel met Iran is nu nog niet duidelijk.
Er wordt niet bijgehouden hoeveel bedrijven vanuit Nederland zaken doen met Iran. Op basis van de meest actuele handelscijfers van het CBS is bekend dat in 2025 (januari tot november) voor EUR 40 miljoen aan goederen geïmporteerd werd. De export bedroeg EUR 425 miljoen, waarvan EUR 254 miljoen wederuitvoer was van producten uit derde landen die via Nederland naar Iran zijn geëxporteerd, over dezelfde periode.3
Vragen van het lid Markuszower (PVV)
Vraag
Kan het kabinet een overzicht geven van elke euro die Nederland vorig jaar aan ontwikkelingshulp heeft gespendeerd en wat daarmee is gebeurd?
Antwoord
De uitgaven aan ontwikkelingshulp over het afgelopen jaar worden jaarlijks verantwoord door middel van het jaarverslag op de derde woensdag in mei. De ODA uitgaven gedaan in 2025 zullen komende mei verantwoord worden in het Jaarverslag BHO over het jaar 2025. In het Jaarverslag 2024 kunt u de verantwoording over dat jaar terugvinden, onder andere in de artikelsgewijze toelichting en in de resultatenrapportage.4
Daarnaast publiceert het ministerie van Buitenlandse Zaken maandelijks via het International Aid Transparency Initiative (IATI) over de activiteiten die vanuit de BHO-begroting met ODA-middelen gesteund worden, inclusief de uitgaven gedaan in 2025. Deze publicatie is te vinden via de IATI Standard dashboard website.5 Alle ODA activiteiten worden gepresenteerd op de website nlontwikkelingshulp.nl.
Vraag
Waarom financiert Nederland inefficiƫnte NGO-structuren?
Ā
Antwoord
Zowel Nederlandse als EU-middelen worden ingezet bij organisaties die aantoonbaar bijdragen aan beleidsdoelstellingen en voldoen aan eisen voor doelmatigheid en transparantie.
De Europese Unie heeft waarborgen ingebouwd via monitoring- en evaluatiemechanismen om inefficiĆ«nte inzet van middelen te voorkomen. Organisaties die onvoldoende presteren, worden bijgestuurd of uitgesloten. Hetzelfde gebeurt voor het beleidsterrein Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp. Tijdens de uitvoering van projecten worden risicoās structureel gemonitord, onder meer door rapportages, jaarplannen en veldbezoeken.
Binnen het Nederlandse beleid voor buitenlandse handel en ontwikkelingshulp wordt nadrukkelijk ingezet op efficiƫntie. Instrumenten in het Focus-beleidskader voor samenwerking met maatschappelijke organisaties kennen bijvoorbeeld maximaal twee tussenlagen, waardoor indirecte kosten worden verminderd en lokaal eigenaarschap wordt vergroot.
Vraag
Wat is de rol van de staatssecretaris van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp betreffende Nexperia?
Antwoord
De primair verantwoordelijke bewindspersoon omtrent de Nexperia casus is de minister van Economische Zaken. De staatssecretaris van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp is verantwoordelijk voor o.a. exportcontrole, handelsbevordering en buitenlandse economische betrekkingen. Vanuit die verantwoordelijkheden is er, naast andere bewindspersonen vanzelfsprekend nauwe betrokkenheid, zowel in de informatievoorziening als bij de besluitvorming. Een volledig overzicht van de Nexperia tijdlijn, inclusief wie op welk moment betrokken is, is op 2 december jl. met uw Kamer gedeeld.
Vragen van het lid Van Ark (CDA)
Vraag
In welke landen ziet het kabinet mogelijkheden om de relatie tussen humanitaire hulp, conflictbemiddeling en handel te versterken?
Antwoord
Het kabinet zet in op handel in landen met potentieel voor zowel Nederlands als lokaal verdienvermogen. Dit betreft met name de stabielere ontwikkelingslanden en niet landen in conflict. De mogelijkheden om de relatie tussen humanitaire hulp, conflictbemiddeling en handel te versterken zijn dan ook beperkt.
Daarnaast geldt dat afspraken over handel en economische samenwerking de relatie van de EU en Nederland met landen versterken en vervolgens ook de mogelijkheden bieden om het gesprek te voeren over andere zaken, zoals conflictbemiddeling en humanitaire hulp.
Vraag
Kan het kabinet concreet aangeven hoe maatwerk voor het maatschappelijk middenveld met focus op lokale ngoās, in het licht van de bezuinigingen, vorm krijgt en in hoeverre daarbij ruimte is voor een ruimhartige en zorgvuldige toepassing?
Antwoord
In het Focus-beleidskader is er maatwerk voor specialistische organisaties en voor kleine zuidelijke organisaties, conform respectievelijk motie Kamminga (Kamerstuk 36600-XVII nr. 26) en motie Hirsch (Kamerstuk 36600-XVII nr. 60). Dit maatwerk houdt in dat deze organisaties niet hoeven te voldoen aan het drempelcriterium van 25% eigen-inkomsten dat geldt voor andere organisaties. Daarnaast wordt het bedrag dat zij kunnen aanvragen niet gemaximeerd op basis van hun eigen inkomsten. Door heldere, meetbare criteria te stellen om in aanmerking te komen voor deze uitzonderingen, kan het maatwerk worden toegepast. Aangezien er echter sprake is van een openbare aanbesteding, moeten alle criteria uniform worden toegepast.
Vraag
Het CDA kijkt uit naar het aangekondigde AIV-advies over wat Nederland kan doen aan het bestrijden van straffeloosheid voor geweld tegen hulpverleners. Graag hoort het CDA of het kabinet spoedig kan reageren op het advies.
Antwoord
In lijn met de motie Dobbe cs. (Kamerstuk 21501-02, nr. 3303) over beleid om geweld tegen hulpverleners tegen te gaan, is de AIV en de CAVV om advies gevraagd over het bestrijden van straffeloosheid voor geweld tegen hulpverleners wereldwijd. Het adviestraject van de AIV/CAVV loopt. De resultaten hiervan worden in het tweede kwartaal van 2026 verwacht. Te zijner tijd zal het kabinet de Kamer voorzien van een spoedige reactie op het rapport.
Vragen van het lid Krƶger (GroenlinksPvdA)
Vraag
Van het geld dat na de forse bezuiniging door dit kabinet resteert, wordt in 2026 bovendien bijna een kwart in eigen land uitgegeven, aan asielopvang. Waarom maximeert het kabinet deze uitgaven niet nu al, zoals ook de motie-Thijssen vraagt?
Antwoord
Het langjarig maximeren van de ODA-bijdrage aan eerstejaars asielopvang draagt bij aan het verminderen van fluctuaties binnen het ODA-budget en vergroot daarmee de rust binnen de BHO-begroting. Het kabinet heeft daarom in het Hoofdlijnenakkoord gekozen om met ingang van 2027 het deel van deze uitgaven dat aan het ODA-budget wordt toegerekend te maximeren op 10% van het ODA-budget. Als het kabinet deze uitgaven in 2026 al zou maximeren zou dit budgettaire gevolgen hebben die in dit stadium niet inzichtelijk en niet gedekt zijn. De uitgaven die niet uit het ODA-budget betaald worden, moeten namelijk elders gedekt worden. Bovendien zou deze wijziging niet passend zijn bij de demissionaire status van dit kabinet.
Vraag
Hoe komt al het geld dat het kabinet als klimaatsteun rekent op papier daadwerkelijk bij klimaatprojecten terecht en erkent het kabinet dat Nederland niet aan zijn internationale doelstellingen voldoet?
Antwoord
Voor het bepalen van de klimaatrelevantie van projecten maakt Nederland gebruik van de Rio-marker-systematiek van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). Dit is de internationaal erkende en een efficiƫnte methode om de inschatting van klimaatrelevantie van projecten te maken. Middels deze systematiek stellen we zeker dat de uitgaven bijdragen aan het tegengaan van klimaatverandering en het vergroten van weerbaarheid.
Zoals uitgewerkt in de HGIS-nota 2026 blijft Nederland zijn bijdrage aan klimaatfinanciering leveren. Binnen de EU is Nederland in absolute cijfers de vierde donor als het gaat om het verstrekken van publieke klimaatfinanciering. Ook het Overseas Development Institute (ODI) constateerde in 2025 dat Nederland zijn bijdrage aan internationale klimaatfinanciering levert en plaatst Nederland als 7e op een ranglijst van in totaal 23 landen.6
De Nederlandse klimaatsteun krijgt vorm via verschillende begrotingsartikelen van de BHO-begroting, onder andere via voedselzekerheid en water. Dit zijn bij uitstek terreinen die door klimaatverandering worden geraakt en die bijdragen aan het vergroten van klimaatweerbaarheid.
Uit de cijfers van 2024 blijkt dat met de Nederlandse klimaatfinanciering concrete resultaten worden bereikt. Zo werden dankzij duurzaam waterbeheer 4,1 miljoen mensen weerbaarder tegen droogte en overstromingen. Datzelfde jaar kregen 4,7 miljoen mensen toegang tot hernieuwbare energie dankzij de Nederlandse bijdrage. Ook heeft het kabinet in kaart laten brengen dat de Nederlandse klimaatfinanciering in 2024 leidde tot een reductie van de wereldwijde emissies van 25 miljoen ton CO2 in 2030.
Vraag
Hoe zorgen we dat mensenrechten in handelsverdragen meer zijn dan dode letters?
Antwoord
In handelsakkoorden zijn juridisch bindende verplichtingen opgenomen over mensenrechten. Dat zijn wezenlijke verplichtingen waar staten zich aan dienen te houden.
De Europese Commissie heeft in juni 2022 een nieuwe aanpak voor handel en duurzame ontwikkeling gepresenteerd. Hierin is het doel opgenomen om het mogelijk te maken handelssancties te nemen wanneer verplichtingen uit duurzaamheidshoofdstukken van handelsverdragen geschonden worden.
Het kabinet steunt de inzet van de Europese Commissie om duurzaamheidsverplichtingen, waaronder die over mensenrechten, steviger te verankeren in handelsverdragen. Via geschillenbeslechtingsprocedures die onderdeel zijn van een handelsakkoord kunnen overheden in overleg geschillen oplossen en in het uiterste geval via instelling van een geschillenbeslechtingspanel. Het Europese Single Entry Point biedt daarnaast de mogelijkheid aan lidstaten, bedrijven, beroepsverenigingen, maatschappelijke organisaties en burgers om klachten in te dienen bij de Europese Commissie over bijvoorbeeld schendingen van de verplichtingen op het gebied van duurzame handel in derde landen. Deze klachten kunnen mogelijk leiden tot een handhavingsactie van de Europese Commissie.
Vraag
Hoe gaat het kabinet de OESO-richtlijnen stevig verankeren in het handelsbeleid en hoe zorgt het kabinet er voor dat Nederlandse bedrijven zich daaraan houden? Is zij tevens bereid dit rijksbreed te verankeren in subsidies, aanbestedingen en handelsbevorderende programmaās?
Antwoord
Nederlandse ondernemers houden zelf al uitdrukkelijk rekening met de maatschappelijke impact van hun werk en zij zien ook het belang in van IMVO voor hun onderneming. Om gebruik te mogen maken van de handelsinstrumenten die het ministerie van Buitenlandse Zaken aanbiedt, is het toepassen van de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen momenteel al een belangrijke voorwaarde voor bedrijven. Deze IMVO-voorwaarden worden vooraf duidelijk gecommuniceerd en bedrijven tekenen hiervoor. Checks hierop zijn risico-gebaseerd en proportioneel, en geschieden op basis van openbare bronnen en zelfscans. Indien het redelijk vermoeden bestaat dat een bedrijf zich niet aan de OESO-richtlijnen houdt, zal de overheid een gesprek aangaan met het bedrijf. De IMVO-voorwaarden zijn gericht op verbetering en niet op uitsluiting van het instrumentarium. Hierdoor kunnen bedrijven actief werken aan verbeteringen in hun waardeketen. In alle gevallen geldt echter: als blijkt dat een bedrijf zich niet aan de OESO-richtlijnen houdt en ook niet welwillend is om hier stappen op te zetten, dan kan dit beƫindiging (en terugvordering) van de steun of uitsluiting van een missie tot gevolg hebben. Of deze IMVO-voorwaarden ook rijksbreed ingevoerd zouden kunnen worden is aan een volgend kabinet.
Vraag
Kan het kabinet reflecteren op diens weigering om in handelscontacten met de Verenigde Arabische Emiraten een grens te trekken ten aanzien van hun wapenleveranties in Soedan?
Antwoord
Zoals ook besproken tijdens het plenaire debat over de situatie in Soedan, op 10 december jl., is er Ā regelmatig contact met de Verenigde Arabische Emiraten. Daarbij wordt er ook gesproken over Soedan met als inzet een verbetering van de situatie in Soedan. Deze gesprekken vinden plaats in de context van een brede bilaterale relatie, waar o.a. justitiĆ«le samenwerking maar ook economische samenwerking een belangrijk onderdeel van vormen. Juist deze economische banden maken het mogelijk om ook over andere onderwerpen ā waaronder Soedan - een constructieve dialoog te voeren.
De EU is exclusief bevoegd als het gaat om de handelspolitiek en de Europese Commissie voert op dit moment onderhandelingen met de VAE. Er is recent een mandaat voor een onderhandelingsrichtsnoer voor de onderhandelingen met de VAE aangenomen, op basis waarvan de Commissie de onderhandelingen met de Verenigde Arabische Emiraten voert. Nederland is hiermee akkoord gegaan. In deze richtsnoer is ook opgenomen dat de inzet van de EU is dat het internationaal recht en de naleving daarvan onderdeel worden van het toekomstige handelsakkoord. Verdragen als deze versterken uiteindelijk de relatie van de EU en Nederland met een land en dientengevolge ook de mogelijkheden om het gesprek te voeren over andere zaken, zoals de situatie in Soedan.
Het nemen van handelsmaatregelen, of in dit geval het schorsen van de onderhandelingen over een vrijhandelsakkoord, schaadt naar de mening van het kabinet niet alleen de bredere nationale belangen, maar beperkt ook de mogelijkheden voor de EU en Nederland tot het voeren van een constructief gesprek met de VAE als relevante regionale actor.
Ā
Vragen van het lid Van Baarle (DENK)
Vraag
Op welke andere manieren, naast humanitair, kan het kabinet de Rohingya nog meer kan helpen?
Antwoord
Het kabinet vindt, net als het lid Van Baarle dat de situatie van de Rohingya zeer schrijnend is en blijft zich daarom in internationale gremia, zoals de Mensenrechtenraad, voor verbetering inzetten. We pleiten voor betere omstandigheden voor de Rohingya, bestaansmogelijkheden en benadrukken dat terugkeer van de vluchtelingen naar Myanmar alleen mogelijk is wanneer dit vrijwillig, veilig, duurzaam en waardig kan.
Samen met andere landen blijft Nederland bij de regering van Bangladesh pleiten voor meer mogelijkheden voor de Rohingya aldaar om in hun eigen levensonderhoud te voorzien, onderwijs te volgen en vaardigheden te ontwikkelen.
Tevens intervenieert Nederland samen met Canada, Denemarken, Duitsland, Franrijk en het VK bij de zaak Gambia versus Myanmar bij het Internationaal Gerechtshof (IGH) op grond van het Genocideverdrag. Op 3 juli 2024 is deze door het Hof ontvankelijk verklaard.
Nederland ondersteunt humanitaire hulpverlening door middel van flexibele financiering aan humanitaire partners, zoals UNICEF, UNHCR, het Wereldvoedselprogramma en het Internationaal ComitƩ van het Rode Kruis (ICRC). Zij krijgen aan het begin van dit jaar hun flexibele middelen en kunnen deze aanwenden daar waar de noden het hoogst zijn, zoals voor de Rohingya-crisis. Zo zijn er in 2025 onder andere via de VN-partners middelen terechtgekomen bij de Rohingya.
Vraag
In 2027 gaat er een Anti-dwangarbeidverordening van werking. Hoe gaat kabinet daar op voorsorteren? Op welke manieren kunnen nu producten die met dwangarbeid tot stand zijn gekomen geweerd worden om zo de Oeigoeren in China verder te ondersteunen?
Antwoord
Laat me nogmaals voorop stellen dat Nederlandse ondernemers zelf al uitdrukkelijk rekening houden met de maatschappelijke impact van hun werk. Het kabinet verwacht verder van alle Nederlandse bedrijven die internationaal ondernemen dat zij de OESO-richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen inzake Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen en de United Nations Guiding Principles on Business and Human Rights naleven. Het kabinet verwacht dan ook nu al van bedrijven dat ze risicoās in hun waardeketen, waaronder dwangarbeid, in kaart brengen en adresseren. Daarnaast gaan per 14 december 2027 de regels van de Anti-dwangarbeidverordening gelden. De Anti-dwangarbeidverordening is een Europees instrument om producten vervaardigd met dwangarbeid van de EU-markt te weren, ongeacht waar deze producten gemaakt worden. Het kabinet werkt momenteel aan de voorbereiding en uitvoering van de Anti-dwangarbeidverordening.
Ā
Daarbij zet het kabinet op EU-niveau in op effectieve implementatie en handhaving van de verordening. De Europese Commissie zal uiterlijk 14 juni 2026 richtsnoeren publiceren voor bedrijven over het toepassen van gepaste zorgvuldigheid met betrekking tot staatsgeleide dwangarbeid.
Vraag
Hoeveel middelen zullen er in 2026 in totaal door het ministerie van Buitenlandse Zaken beschikbaar worden gesteld voor hulp aan de Palestijnen?
Antwoord
De middelen die vanuit de BHO-begroting ten gunste komen aan de Palestijnse gebieden bestaan uit gedelegeerde middelen (via de vertegenwoordiging in Ramallah) en centrale programmering. Voor centrale middelen wordt er per activiteit een inschatting gemaakt van het begunstigde land omdat het ministerie niet budgetteert op landenniveau (maar op themaniveau). Daarom kan er voor de centrale middelen alleen achteraf een nauwkeurige schatting gegeven worden welke middelen er in de Palestijnse gebieden zijn uitgegeven.
Er is op dit moment afgerond EUR 28 miljoen aan gedelegeerde middelen die gebudgetteerd zijn voor de vertegenwoordiging in Ramallah en de schattingen van de toerekening vanuit de centrale programmaās. Omdat hier alleen programmaās meegerekend worden die al een geografische schatting bevatten, is dat getal een onderschatting.
Daarnaast is vanuit het budget voor humanitaire hulp (artikel 4.1) een bijdrage aan UNRWA voorzien. Deze bijdrage bedraagt EUR 11 miljoen in 2026. UNRWA is niet alleen actief in de bezette Palestijnse Gebieden, maar verleent ook steun aan de Palestijnse bevolking in omringende landen.
Over de financiƫle invulling van humanitaire hulp is op 12 januari jl. een brief naar uw Kamer gegaan. Daarin wordt ook ingegaan op de voorziene Nederlandse bijdrage aan het VN-landenfonds voor de Palestijnse gebieden. Deze bijdrage bedraagt EUR 16 miljoen voor 2026. Daarnaast zullen de middelen die Nederland ter beschikking stelt aan andere VN-organisaties en Rode Kruis worden ingezet daar waar de noden het hoogst zijn. Dit leidt ertoe dat deze middelen ook deels in de Palestijnse Gebieden terecht zullen komen. De Nederlandse humanitaire bijdrage aan de Palestijnse gebieden zal dus hoger zijn.
Vraag
Wat is gebeurd met de EUR 20 miljoen die gereserveerd was voor de wederopbouw van Gaza, die in 2024 en 2025 op de begroting heeft gestaan, maar niet is uitgegeven? Klopt het dat deze nu niet meer in de begroting staat opgenomen?
Antwoord
Het gereserveerde bedrag van EUR 20 miljoen is in 2025 geheel besteed. De middelen zijn in 2025 overgemaakt aan UNICEF voor het herstel van waterinfrastructuur in de Gaza strook. Herstel van schoon drinkwater is belangrijk voor zowel de voedselzekerheid als de gezondheid van mensen, dus een cruciale stap in wederopbouw. De Kamer is daarover geĆÆnformeerd in de Kamerbrief van 10 oktober jl. over de situatie in het Midden Oosten (Kamerstuk 23 432 nr. 614).
Vragen van het lid Dassen (Volt)
Vraag
Ziet het kabinet kansen voor de Europese positie op het wereldtoneel door het achtergelaten Amerikaanse vacuüm in te nemen en de diplomatieke macht van Europa daarmee te versterken?
Antwoord
Op dit moment is de wereldorde sterk in beweging, dat heeft gevolgen voor de positie van Nederland en de EU. Het kabinet zet zich in voor de Nederlandse en Europese belangen en werkt aanĀ constructieve samenwerking met de Verenigde Staten, zowel op het gebied van handel als veiligheidssamenwerking. Daar houden we de Nederlandse en Europese belangen scherp voor ogen. Het is met alle geopolitieke veranderingen in de wereld belangrijk voor de EU en Nederland om in de relaties met derde landen en regioās te investeren. Daarom ook is het bijvoorbeeld goedĀ dat er een positief Raadsbesluit over Mercosur is genomen in de EU.
Vraag
Is het kabinet bereid zich actief in te zetten voor verdere Europese coƶrdinatie en gezamenlijke uitvoering van ontwikkelingssamenwerking, zodat we versnippering tegengaan, middelen effectiever inzetten en Europa als geheel een sterkere, meer samenhangende rol laten spelen?
Antwoord
Het kabinet zet zich in voor effectieve Europese ontwikkelingssamenwerking, waaronder het tegengaan van versnippering en betere afstemming met de Europese Commissie en de andere lidstaten. Voor Nederland is Europese ontwikkelingssamenwerking een verlengstuk van de bilaterale hulp, gericht op wederzijdse belangen op gebied van economie en handel, migratie, en veiligheid en stabiliteit. Nederland zet zijn toegevoegde waarde en expertise op watermanagement, voedselzekerheid en gezondheidszorg Europees in om zo nog meer impact te behalen. Dit dient ook onze belangen.
Een concreet voorbeeld hiervan zijn de Team Europe-initiatieven (TEI), waarin EU-lidstaten en de Europese Commissie gezamenlijk projecten uitvoeren om internationale problemen aan te pakken met ontwikkelingslanden. Nederland participeert hierin actief en brengt daarbij eigen expertise en middelen in. Op het gebied van gezondheid speelt Nederland binnen verschillende TEIās een actieve rol. Zo draagt Nederland EUR 10 miljoen bij aan het TEI voor productie en toegang tot vaccins, geneesmiddelen en gezondheidstechnologieĆ«n in Afrika (MAV+). Hiermee wordt ook de betrokkenheid van de private sector bij lokale productie gestimuleerd. Deze Europese coƶrdinatie vindt plaats in nauwe afstemming met andere internationale organisaties, zoals de VN en de Wereldbank, zodat EU-inspanningen ook complementair zijn aan bredere mondiale inzet.
Vraag
Is het kabinet het met mij eens dat het uitstellen van de Ontbossingsverordening op Europees niveau voor onherroepelijke milieuschade in Latijns-Amerika zal zorgen?
Ā
Antwoord
| Uitstel van de EUDR betekent dat de toepassing van de EUDR een jaar later begint. Dit uitstel wordt gebruikt om administratieve lasten voor bedrijven te versimpelen en te verlichten. Het kabinet heeft zich onthouden van stemming over de voorstellen voor uitstel en versoepeling van de EUDR vooral omdat voorgestelde administratieve lasten verlichtende maatregelen onvoldoende waren uitgewerkt. Daarom wil het kabinet het aankomende jaar in nauwe samenwerking met de Commissie en de lidstaten toewerken naar een zorgvuldige implementatie van maatregelen voor deze lastenverlichting. Hierbij is het van belang dat maatregelen in conformiteit zijn met WTO-regelgeving. Verder blijven we via flankerend beleid in samenwerking met productielanden onverminderd inzetten op tegengaan ontbossing. Tijdens COP30 heeft Nederland in dit kader een bijdrage van EUR 5 miljoen aangekondigd voor de verdere ontwikkeling van het Tropical Forest Forever Facility, een nieuw financieringsmechanisme ter behoud van de tropische bossen in onder andere Braziliƫ. Overigens zijn de afspraken in het EU-Mercosur akkoord over het tegengaan van ontbossing niet afhankelijk van de toepassing van de EUDR. De afspraken in het EU-Mercosur akkoord verplichten de verdragspartijen tot actie en zijn handhaafbaar via geschillenbeslechting in het akkoord. |
|---|
Vraag
Wat gaat Nederland en Europa doen om de 109 miljard aan handelstekort terug te dringen? Ziet het kabinet ook dat een Europees gecoƶrdineerde digitale dienstenbelasting de balans weer kan terugdringen en is het kabinet bereid zich actief in te zetten voor een Europese digitale dienstenbelasting samen met andere landen?
Antwoord
De invoering van een Europese dienstenbelasting (DST) is complex en kent verschillende risicoās en onzekerheden. Het is niet duidelijk of de mogelijke voordelen van een DST opwegen tegen de risicoās en onzekerheden. De staatssecretaris van FinanciĆ«n heeft daarom in september 2025 een brief gestuurd over de complexe afwegingen bij invoering van een DST7 en gelet op de demissionaire status van het kabinet zijn beleidskeuzes omtrent een digitale dienstenbelasting op dit moment niet aan de orde.
De EU had weliswaar een handelstekort in diensten met de VS van EUR 109 miljard in 2023, maar daar stond een handelsoverschot in goederen tegenover van EUR 157 miljard. De totale handelsbalans is daarmee evenwichtig te noemen. De invoering van een DST zou ook geen directe invloed hebben op de handelsbalans, omdat de doelstellingen van een dergelijke belasting hier niet op gericht zijn.
Vragen van het lid Stoffer (SGP)
Vraag
Welke gevolgen heeft de Amerikaanse uittreding uit UNCTAD voor de kwaliteit en rechtvaardigheid van het Europees handelsbeleid en het Nederlandse IMVO-beleid, met name in relatie tot ontwikkelingslanden?
Antwoord
De terugtrekking van de VS uit UNCTAD is pas zeer recent bekend gemaakt. De politieke en economische gevolgen zijn momenteel nog onduidelijk. Wel zijn de VS al sinds midden jaren ā90 geen institutionele donor meer van UNCTAD. Zodoende is de verwachting dat de gevolgen van de uittreding op het Europees handelsbeleid en Nederlandse IMVO-beleid beperkt zullen zijn.
Vraag
Bent u bereid om in VN-verband aandacht te vragen voor prenatale gezondheid en de bescherming van moeder en kind, juist nu wordt nagedacht over de ontwikkelingsdoelen na 2030?
Antwoord
Een belangrijke doelstelling van de Nederlandse inzet op mondiale gezondheid en SRGR is het terugdringen van moedersterfte. Moeder- en kindzorg, waaronder prenatale zorg, zijn hier een belangrijk onderdeel van.
Nederland vraagt hiervoor aandacht in dialoog met het Bevolkingsfonds van de Verenigde Naties (UNFPA), de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) en de Wereldbank (via de Global Financing Facility, gericht op de gezondheid van moeders en kinderen). Moeder- en kindzorg, inclusief prenatale zorg, is een belangrijk onderdeel van onze programmaās zoals dat in samenwerking met de International Planned Parenthood Foundation (IPPF) en in gedelegeerde programmaās van onze ambassades.
De komende jaren zal duidelijker worden hoe de onderhandelingen over de duurzame- ontwikkelingsdoelstellingen (SDGās) na 2030 eruit gaan zien. Waarschijnlijk start dit proces in 2027 tijdens een grote VN SDG-top. Het Nederlandse standpunt zal in de komende jaren vormgegeven worden. Dit is aan een nieuw kabinet.
Vragen van het lid Teunissen (PvdD)
Vraag
Is het kabinet bereid om expliciete kwaliteits- en impactcriteria te ontwikkelen voor klimaatfinanciering met klimaat als hoofddoel, inclusief transparante monitoring en bijsturing wanneer de klimaatimpact onvoldoende blijkt?
Antwoord
Voor het bepalen van de klimaatrelevantie van projecten maakt Nederland gebruik van de Rio-marker-systematiek van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). Dit is de internationaal erkende en efficiƫnte methode om de inschatting van klimaatrelevantie van projecten te maken. De OESO-systematiek bevat kwaliteitscriteria op basis waarvan de klimaatrelevantie wordt vastgesteld. De gevraagde kwaliteitstoets krijgt daarmee via deze internationale systematiek vorm.
Elke twee jaar leggen landen verantwoording af over de behaalde voortgang op klimaat, inclusief de financiƫle steun voor ontwikkelingslanden. De Nederlandse rapportage over 2021-2022 werd tijdens COP30 door andere landen tegen het licht gehouden en positief beoordeeld. Zowel de Nederlandse rapportage als de beoordeling zijn openbaar toegankelijk.8
Jaarlijks publiceert het kabinet bovendien via het HGIS-jaarverslag een overzicht van de gerealiseerde klimaatfinanciering, inclusief onderliggende data op projectniveau. Zo geeft het online klimaatdashboard inzicht in de Nederlandse publieke klimaatfinanciering en de onderliggende programmaās.
Vraag
Tijdens de klimaattop is beloofd om tegen 2035 de adaptatiefinanciering te verdrievoudigen. Hoe anticipeert het kabinet daarop en is het bereid om een opbouwpad voor een eerlijke Nederlandse bijdrage te ontwikkelen?
Antwoord
De tijdens de VN-klimaattop COP30 gedane oproep om adaptatiefinanciering te verdrievoudigen betreft een collectieve oproep binnen het vorig jaar overeengekomen mondiale klimaatfinancieringsdoel voor 2035 (New Collective Quantified Goal, NCQG). Hierbinnen is geen verdeelsleutel per land of opbouwpad afgesproken.
Ruim 60% van de Nederlandse publieke klimaatfinanciering kwam in 2024 ten goede aan adaptatie. Naar verwachting zal dit verder groeien, onder meer door een toenemende klimaatrelevantie van de inzet op water en voedselzekerheid. Het is van belang dat ook andere landen het aandeel adaptatie in hun klimaatfinanciering verhogen. Nederland zet daar diplomatiek ook op in.
Vraag
Kan het kabinet toezeggen dat Nederland als randvoorwaarde voor klimaatfinanciering stelt dat de schuldenlast van landen niet wordt verhoogd?
Antwoord
In navolging van de motie Teunissen (Kamerstuk 21501-33, nr. 1106) let Nederland bij klimaatfinanciering op het voorkomen van onhoudbare schuldenlast.
Ā
Voor het deel van de Nederlandse klimaatfinanciering dat gaat via multilaterale ontwikkelingsbanken geldt dat deze banken gebruik maken van een schuldenraamwerk om de schulden van ontwikkelingslanden te monitoren en ervoor te waken dat deze schulden onhoudbaar worden. Bij de lopende hervorming van dit raamwerk zet Nederland zich ervoor in dat klimaatverandering sterk verankerd wordt in het raamwerk.
Ā
Ook binnen ons bilateraal instrumentarium houdt het kabinet rekening met de schuldenlast van ontwikkelingslanden. Bij onhoudbare schuldenlast worden geen bilaterale kredieten of garanties aan overheden verstrekt.Ā
Vraag
Kan het kabinet op VN niveau pleiten voor wettelijke maatregelen die het onrechtmatig toe-eigenen van inheemse zaden door bedrijven tegengaan.
Antwoord
Nederland pleit op VN-niveau regelmatig voor dit thema via bestaande internationale kaders. Concreet doet Nederland dit vooral via VN-gerelateerde fora zoals FAO (Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN), CBD (Verdrag inzake Biologische Diversiteit) en ITPGRFA (Internationaal Verdrag inzake Plantgenetische Bronnen) van FAO. Binnen deze kaders steunt Nederland het principe van Farmersā Rights (recht van inheemse en lokale gemeenschappen om zaden te bewaren, te gebruiken en te delen) en pleit Nederland voor Access and Benefit Sharing (ABS): bedrijven mogen genetisch materiaal gebruiken, maar moeten voordelen delen met de oorspronkelijke gemeenschappen.
Vraag
Is het kabinet bereid om nationale maatregelen te nemen tegen de afzet van overtollige, met EU-subsidies geproduceerde voedselproducten, zoals kippenvlees, zuivel en uien, op Afrikaanse markten? En kan het kabinet dit soort ondermijning van lokale voedselproducenten in de WTO en de EU aan de kaak stellen?
Antwoord
Het kabinet zet in op volwaardige integratie van ontwikkelingslanden in het mondiale handelssysteem en op versterking van de positie van kleinschalige voedselproducenten in kwetsbare landen in lokale en regionale voedselketens. Bij onderhandelingen over handelsakkoorden gebeurt dat via Sustainability Impact Assessments (SIAās) en in WTO verband ondersteunt het kabinet onder meer de versterking van het voedselveiligheidssyteem in ontwikkelingslanden, om export en lokale en regionale marktintegratie mogelijk te maken. Handel kan zo juist een belangrijke bijdrage leveren aan het opbouwen van duurzame en schokbestendige voedselsystemen.
Ook is het zo dat de bevolkingen in veel Afrikaanse landen groeien, waardoor de vraag naar voedsel stijgt, terwijl het lokale aanbod achterblijft door verschillende oorzaken. Import is dan noodzakelijk om tekorten op te kunnen vangen en een bijdrage te leveren aan de voedselvoorziening. Op dit moment wordt gewerkt aan een onderzoek naar de mogelijke structurele impact van Nederlandse voedselexporten op fragiele (Afrikaanse) markten, naar aanleiding van een eerdere motie van Thijssen/Amhaouch (Kamerstuk 29 237, nr. 196). Het onderzoek wordt naar verwachting voor de zomer van 2026 afgerond en zal worden gedeeld met uw Kamer.
Vraag
Is er ook ruimte in de begroting om andere landen te helpen in de ontwikkeling van alternatieve beleidskaders voor zaaizaad die registratie, certificering en legalisatie mogelijk maken?
Ā
Antwoord
Er worden in diverse landen projecten gefinancierd die werken aan geïntegreerde zaaizaad ontwikkeling waarbij de registratie, certificering en legalisatie van zaaizaad wordt versterkt. Een voorbeeld is het programma SAFEVEG dat wordt uitgevoerd in Benin, Mali en Niger. Hierbij wordt met het World Vegetable Center in samenwerking met lokale onderzoeksinstituten en boeren groente gewassen ontwikkeld, geregistreerd, gecertificeerd en op de markt gebracht. In Ethiopië werkt de Universiteit van Wageningen met de Ethiopische overheid aan het versterken en verbeteren van het nationale zaaizaad beleid.
Vraag
Welke ruimte ziet het kabinet in het voedselzekerheidsbeleid voor het stimuleren van de eiwittransitie?
Antwoord
De focus van het voedselzekerheidsbeleid is, onder meer, gericht op het verbeteren van diƫten, die in Afrika vooral worden gekenmerkt door een gebrek aan eiwitten en mineralen. Dierlijke producten (eieren, melk, vis, vlees) zijn in deze situatie vooralsnog onmisbaar om ondervoeding terug te dringen, met name bij jonge kinderen die in de groei zijn.
Vraag
Is het kabinet bereid om de noodhulp aan UNRWA te hervatten?
Antwoord
Zoals bekend heeft het kabinet zorgen rondom de neutraliteit van UNRWA en hecht het kabinet daarom groot belang aan het implementeren van de aanbevelingen uit het Colonna-rapport. UNRWA heeft toegezegd alle aanbevelingen komende uit het Colonna rapport te implementeren. Inmiddels is 42% (21 uit 50) van de aanbevelingen geïmplementeerd. Nederland blijft toezien, onder andere door deel uit te maken van de speciale werkgroep die toeziet op het waarborgen van de neutraliteit en integriteit van UNRWA, op de volledige implementatie van de aanbevelingen, waaronder op het gebied van neutraliteit in lesmateriaal. UNRWA maakt gebruik van lesmaterialen die hen worden aangereikt door de landen waarin ze opereren. Daarom werkt UNRWA nauw samen met de gastlanden om neutraliteit in het onderwijs materiaal te waarborgen en te voldoen aan de UNESCO standaarden. Verder werkt de EU met de Palestijnse Autoriteit om de neutraliteit van het Palestijnse lesmateriaal te verbeteren. Inmiddels voldoet het lesmateriaal voor basisschoolleerlingen (klas 1-4) aan de UNESCO standaarden. Voor hogere klassen zal de herziening van het lesmateriaal dit jaar worden afgerond, met een deel al deze zomer. Ook vindt het kabinet dat humanitaire hulp in de Gazastrook niet te afhankelijk mag zijn van slechts één organisatie en spant Nederland zich in voor diversificatie van verschillende humanitaire organisaties. Nederland zal, conform het amendement Stoffer-Eerdmans, in 2026 de bijdrage aan UNRWA naar beneden bijstellen. Dat laat onverlet dat UNRWA op dit moment nog een belangrijke rol speelt bij het leveren van humanitaire hulp en dat er nog geen alternatief voorhanden is voor het leveren van basisdiensten als bijvoorbeeld onderwijs. Dit wordt ook door het Internationaal Gerechtshof bevestigd.
Vragen van het lid Ceder (ChristenUnie)
Vraag
Hoe borgt het kabinet dat in het hele BHO-beleid maatschappelijke organisaties een rol hebben met bijbehorende ruimte en middelen, en niet alleen in het beleidskader Focus?
Antwoord
Nederlandse, internationale en lokale maatschappelijke organisaties zijn en blijven een belangrijke partner in ontwikkelingshulp. Ook buiten het beleidskader Focus (2026-2030) wordt op verschillende themaās veel samengewerkt met maatschappelijke organisaties. Voorbeelden van deze themaās zijn voedselzekerheid, watermanagement, handel en duurzame waardeketens, migratie en opvang in de regio en humanitaire hulp (zoals via de Dutch Relief Alliance). Van alle middelen die naar maatschappelijke organisaties gaan, loopt naar verwachting minder dan de helft via het beleidskader Focus.
Vraag
Wanneer komt er een plan van het kabinet om meer bedrijven de OESO-richtlijnen te laten onderschrijven?
Antwoord
Het Nederlandse IMVO-beleid is reeds gebaseerd op de OESO-richtlijnen en bestaat uit een doordachte mix van maatregelen om meer bedrijven te stimuleren hiermee aan de slag te gaan (Kamerstuk 26485, nr. 337). Dit jaar wordt het IMVO-beleid geëvalueerd, waarbij ook aanbevelingen zullen worden gedaan over hoe het IMVO-beleid effectiever en doelmatiger kan worden ingezet. Ik betrek de motie Ceder-Hirsch (Kamerstuk 21501-02, nr. 3144) graag bij de reactie op deze evaluatie. De evaluatie zal naar verwachting begin volgend jaar in 2027 aan uw Kamer worden toegestuurd.
Vraag
Hoe kijkt het kabinet naar de nieuwe ranglijst over Christenvervolging van OpenDoors en wat dat betekent voor zijn beleid? Hoe zorgt het kabinet er met het beleid voor hulp en handel voor dat het voor christenen en andere minderheden in alle landen waar Nederland actief is, daadwerkelijk veilig wordt?
Antwoord
Het kabinet heeft met zorg kennisgenomen van het laatste rapport van Open Doors, waarin geconstateerd wordt dat momenteel 388 miljoen Christenen leven in een context waar sprake is van zware tot extreme christenvervolging. De SGP vroeg hier ook al terecht aandacht voor. Het laat zien dat vrijheid van religie en levensovertuiging wereldwijd onder druk staat. Het kabinet agendeert het belang van vrijheid van religie en levensovertuiging, waaronder ook het tegengaan van christenvervolging, actief in relevante bilaterale en multilaterale contacten. Ook via projecten werkt Nederland wereldwijd aan het verbeteren van deze fundamentele vrijheden. Naast projecten die gefinancierd worden uit het Mensenrechtenfonds wordt via het Focus-instrument āBeschermen en Promoten van Mensenrechten en Fundamentele Vrijhedenā EUR 35 miljoen gealloceerd voor deze mensenrechtenprioriteit. Het nieuwe Focus-instrument richt zich op meerdere landen uit de Ranglijst Christenvervolging en heeft als doel het versterken van vrijheid van religie en levensovertuiging, de bescherming van religieuze minderheden en het ondersteunen van lokale maatschappelijke organisaties. Zo draagt Nederland bij aan meer veiligheid voor christenen en andere minderheden in landen waar Nederland actief is.
Vraag
Kan het kabinet een stand van zaken geven over de motie Ceder/ Bamenga (Kamerstuk 36180, nr. 149)over het aantoonbaar garanderen van de toegang van mensen met een beperking in de interventies rond voedsel, water en gezondheid?
Antwoord
In de programmaās op water, voedselzekerheid en gezondheid is aandacht voor kwetsbare groepen, waartoe ook mensen met een beperking behoren. EĆ©n voorbeeld is het door Nederland medegefinancierde Global Water Security and Sanitation PartnershipĀ met de Wereldbank, dat stuurt op toegang voor mensen met een beperking tot banen en diensten op het vlak van water en sanitaire voorzieningen en bevordert dat zij een rol spelen bij besluitvorming.Ā Het instrument onder het beleidskader Focus voor het stimuleren van Nederlandse Particuliere Initiatieven biedt ook de mogelijkheid tot het indienen van voorstellen gericht op mensen met een beperking. Het ministerie blijft hierover voortdurend in gesprek met relevante organisaties, zoals in december 2025 met leden van de Dutch Coalition on Disability and Development. Dat ging specifiek over de themaās water, voedselzekerheid en gezondheid.
Vragen van het lid Dobbe (SP)
Vraag
Wereldwijde vaccinatieprogrammaās zoals GAVI krijgen een enorme klap door bezuinigingen op mondiale gezondheidsinitiatieven. Wil het kabinet dit erkennen en in ieder geval zorgen dat de Nederlandse financiering hierop niet wordt gekort?
Antwoord
Het kabinet ziet ook dat de internationale financiĆ«le steun voor mondiale gezondheidsinitiatieven is afgenomen. Dat heeft een impact op internationale gezondheidsprogrammaās. Uw Kamer is per Kamerbrief (7 oktober 2025, Kamerstuk 36180, nr. 177) geĆÆnformeerd over de Nederlandse bijdragen aan zes multilaterale gezondheidsorganisaties vanaf 2026 en de effecten van bezuinigingen op het Nederlandse SRGR-beleid. De Nederlandse kernbijdrage (inclusief matchingfund voor publiek-private samenwerking) aan GAVI is EUR 12.4 miljoen. De jaarlijkse bijdrage van Nederland aan hetĀ innovatieve financieringsmechanisme van GAVI voor de immunisatie van jonge kinderen (IFFIM) blijft stabiel: EUR 25 mln. per jaar tot 2031. De totale Nederlandse bijdrage aan GAVI gaat dus van EUR 40 mln. in 2025 naar EUR 37.4 mln. in 2026. Zoals in bovengenoemde Kamerbrief vermeld, worden ook de Nederlandse bijdragen aan het Global Fund (EUR 192 miljoen voor vier jaar) ter bestrijding van tubercoluse, hiv-aids en malaria, het Global Financing Facility voor de gezondheid van moeders en kinderen (Wereldbank), UNFPA, UNAIDS en de WHO meerjarig gecontinueerd.
Vraag
Is het kabinet ermee eens dat financiering van UNRWA nu niet kan worden afgebouwd doordat andere organisaties door Israƫl worden geblokkeerd?
Antwoord
Internationale ngoās spelen een belangrijke rol in de humanitaire hulpverlening in de Palestijnse gebieden. Op dit moment wordt er in de Gazastrook humanitaire hulp geleverd door een combinatie van VN-organisaties, onderdelen van de Rode Kruis- en Halve Maanbeweging en internationale ngoās. De recente aankondiging van IsraĆ«l dat het een aantal belangrijke internationale ngoās, waaronder enkele Nederlandse ngoās, geen toegang zal verlenen baart het kabinet zorgen. Het feit dat bepaalde hulporganisaties wel een registratie lijken te zullen ontvangen van de IsraĆ«lische autoriteiten doet hier niets aan af. Gezien de hoge humanitaire noden zijn alle professionele hulporganisaties op dit moment hard nodig. De Nederlandse diplomatieke inzet is er daarom ook op gericht om humanitaire toegang te beschermen: zowel voor internationale ngoās als voor de VN ā waaronder UNRWA ā en de Rode Kruis- en Halve Maanbeweging.
Vraag
Wanneer worden de medische evacuaties van Palestijnse kinderen die dat nodig hebben weer opgestart?
Antwoord
Zoals toegezegd door de minister van Buitenlandse Zaken, werkt het kabinet aan een inventarisatie over de stand van zaken van de medische capaciteit in Gaza en de regio, waar uw Kamer in januari over geĆÆnformeerd zal worden.9 De inzet van het kabinet blijft primair uitgaan naar het versterken van de medische capaciteit in Gaza en de regio, aangezien daar het grootste verschil gemaakt kan worden.
Toezegging TZ202505-049 bij het commissiedebat de Raad Buitenlandse Zaken Ontwikkeling op 14 mei 2025, Toezegging TZ202507-026 bij de suppletoire begroting samenhangende met de Voorjaarsnota op 30 juni 2025.ā©ļø
https://www.rvo.nl/onderwerpen/landen-en-gebieden/iranā©ļø
https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/85427NED/table?dl=CDB4Fā©ļø
Kamerstuk 36740-XVII, nr. 1ā©ļø
https://dashboard.iatistandard.org/publishers/minbuza_nl/ā©ļø
https://media.odi.org/documents/Full_Report_The_Case_for_Development.pdfā©ļø
Kamerstuk 32140, nr. 277ā©ļø
Nederlandse raportage: First Biennial Transparency Report of the Netherlands under the Paris Agreement en de beoordeling: https://unfccc.int/documents/653234ā©ļø
TZ202601-005 en TZ202512-027.ā©ļø