[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Reactie op het monitorrapportage 'De grondbeginselen van het VN-verdrag handicap als basis van wetgeving en beleid' van het College voor de Rechten van de Mens

Gehandicaptenbeleid

Brief regering

Nummer: 2026D01580, datum: 2026-01-16, bijgewerkt: 2026-01-21 11:33, versie: 3 (versie 1, versie 2)

Directe link naar document (.pdf), link naar pagina op de Tweede Kamer site, officiële HTML versie (kst-24170-382).

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van kamerstukdossier 24170 -382 Gehandicaptenbeleid.

Onderdeel van zaak 2026Z00686:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


Tweede Kamer der Staten-Generaal 2
Vergaderjaar 2025-2026

24 170 Gehandicaptenbeleid

Nr. 382 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 16 januari 2026

Hierbij stuur ik uw Kamer de reactie op de monitorrapportage «De grondbeginselen van het VN-verdrag handicap als basis van wetgeving en beleid» van het College van de Rechten voor de Mens (hierna: het College) van december 2025. Vanwege mijn coördinerende rol op de uitvoering van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (hierna: het VN-verdrag handicap) is de rapportage aan mij aangeboden. In de monitor staan aanbevelingen gericht aan de regering over het gebruik van de grondbeginselen van het VN-verdrag handicap in beleid en wetgeving.

Ik ben het College zeer dankbaar voor deze rapportage. Deze rapportage draagt bij aan een beter begrip over de toepassing van de grondbeginselen van het VN-verdrag in beleid en wetgeving. Daarmee geeft de rapportage ook richting aan de implementatie van het VN-verdrag. In deze brief beschrijf ik eerst kort de kern van de rapportage van het College. Vervolgens ga ik in op de aanbevelingen van het College. Daarbij schets ik wat er al gebeurt in aansluiting op de aanbevelingen en welke opvolging wordt gegeven aan de aanbevelingen.

Monitorrapportage «de grondbeginselen van het VN-verdrag handicap als basis van wetgeving en beleid»

Het College is toezichthouder op de uitvoering van het VN-verdrag handicap in Nederland. Dit verdrag beschermt de rechten van mensen met een beperking. Als toezichthouder publiceert het College ieder jaar een monitor over de stand van zaken rondom dit verdrag.

Het College heeft het afgelopen jaar onderzoek gedaan naar het begrip en gebruiken van, en handelen naar, de acht grondbeginselen van het VN-verdrag handicap door de Rijksoverheid. De acht grondbeginselen uit artikel 3 van het VN-verdrag handicap scheppen de randvoorwaarden voor een inclusieve samenleving en vormen samen het fundament van het VN-verdrag. Het gaat om: respect voor de inherente waardigheid en persoonlijke autonomie, non-discriminatie, volledige participatie in de samenleving, respect voor verschillen, gelijke kansen, toegankelijkheid, gelijkheid tussen mannen en vrouwen, en respect voor de zich ontwikkelende capaciteiten van kinderen met een handicap.

De monitorrapportage bestaat uit twee onderdelen. Het College heeft eerst onderzoek gedaan naar de ontstaansgeschiedenis, theoretische basis en betekenis van de grondbeginselen (hoofdstuk 2). In consultatie met mensen met een beperking en hun vertegenwoordigende organisaties is ervoor gekozen om hierbij specifiek aandacht te besteden aan de grondbeginselen participatie, autonomie en toegankelijkheid. Het grondbeginsel participatie wijst erop dat mensen met een beperking op een betekenisvolle manier worden betrokken bij de totstandkoming, uitvoering en evaluatie van wetgeving en beleid, en dat wetgeving en beleid daadwerkelijk bijdragen aan volledige deelname van mensen met een beperking aan de samenleving. Op basis van het grondbeginsel autonomie moeten wetgeving en beleid mensen met een beperking in staat stellen zelf keuzes te maken. Het grondbeginsel toegankelijkheid geeft aan dat wetgeving en beleid moeten toezien op alle vormen van toegankelijkheid die nodig zijn voor volwaardige deelname aan de samenleving.

Daarnaast is in opdracht van het College een onafhankelijk kwalitatief onderzoek uitgevoerd naar toepassing van de grondbeginselen participatie, autonomie en toegankelijkheid bij de ontwikkeling van wetgeving en beleid door de Rijksoverheid (hoofdstuk 3).

Het College concludeert op basis van dit onderzoek dat er in de onderzochte casussen van wetgeving en beleid, met een enkele uitzondering, weinig tot geen aandacht is voor de grondbeginselen. Bij de totstandkoming van wetgeving en beleid worden de grondbeginselen meestal niet meegenomen, ze ontbreken in wetteksten en beleidsdocumenten, en bij individuele ambtenaren is kennis over de grondbeginselen vaak afwezig. Ondanks de beperkte aandacht voor de grondbeginselen toont het onderzoek aan dat er op verschillende niveaus mogelijkheden zijn en bereidheid bestaat om de grondbeginselen en het VN-verdrag handicap onderdeel te laten worden van wetgeving en beleid.

Reactie op de aanbevelingen

Het College doet de navolgende aanbevelingen aan de Rijksoverheid:

Zorg voor een duidelijke en toepasbare uitleg van de grondbeginselen als fundament van het VN-verdrag handicap als geheel en als onderdeel van elk recht in het verdrag.

Ik onderschrijf het belang van de aanbeveling van het College om te zorgen voor een duidelijke en toepasbare uitleg van de grondbeginselen. Een heldere en toepasbare duiding ondersteunt de ambtenaren bij het in lijn brengen van beleid en wetten met het VN-verdrag handicap. Vorig jaar heeft het College, in samenwerking met het Ministerie van VWS, een lezing voor juristen over het VN-verdrag handicap en non-discriminatie georganiseerd. In 2026 blijf ik graag samen optrekken met het College om in te zetten op bewustwording en kennisdeling. Daarnaast bekijk ik hoe er in het Beleidskompas, dat beleidsmedewerkers ondersteunt bij het maken van beleid, kan worden verwezen naar de grondbeginselen van het VN-verdrag.

Neem het VN-verdrag handicap en de grondbeginselen op in de werkwijze van de Rijksoverheid voor het maken van wetgeving en beleid.

Het is belangrijk om bij het maken van beleid en wetgeving aandacht te hebben voor de grondbeginselen van het VN-verdrag. De grondbeginselen vormen immers het fundament van het verdrag. Ze helpen ons om het verdrag beter te begrijpen en geven richting aan de implementatie van het verdrag.

Het VN-verdrag handicap is geen vrijblijvend kader, maar een bindende internationale verplichting. Het is dus belangrijk dat nieuwe wetgeving en beleid getoetst wordt aan het VN-verdrag. Nieuwe wetgeving wordt al op verschillende manieren getoetst aan het VN-verdrag. Zo is een standaard stap in de ontwikkeling van wetgeving het toetsen aan hogere regelgeving, waaronder het VN-verdrag. Ook de Raad van State toetst wetsvoorstellen aan alle VN-verdragen.

Aanvullend hierop zet ik met de werkagenda VN-verdrag handicap 2025–2030 onder andere in op de volgende maatregelen:

• Het structureel borgen van de principes uit het VN-verdrag handicap in het Beleidskompas;

• Het vergroten van kennis over het VN-verdrag Handicap bij wetgevingsjuristen en beleidsmedewerkers;

• Het bevorderen van het «Niets over ons, zonder ons» principe bij beleid en wetgeving. Dit houdt in dat ervaringsdeskundigen en hun vertegenwoordigende organisaties betrokken worden bij het maken van beleid en wetgeving gedurende het gehele traject.

Zorg op alle overheidsniveaus voor een infrastructuur voor betekenisvolle en effectieve participatie van mensen met een beperking en hun vertegenwoordigende organisaties bij het continue proces van de ontwikkeling, uitvoering en evaluatie van wetgeving en beleid, met bijbehorende financiering.

Net als het College vind ik het belangrijk dat mensen met een beperking betrokken worden bij de totstandkoming van wetgeving en beleid. Mensen met een beperking kunnen immers uit eigen ervaring delen wat er nodig is om de samenleving toegankelijker en inclusiever te maken. Daarom worden mensen een beperking en hun vertegenwoordigende organisaties ook betrokken bij de uitvoering van de werkagenda VN-verdrag handicap. Door de verschillende ministeries worden zij structureel betrokken bij de uitvoering van de maatregelen in de werkagenda. Goede voorbeelden hiervan zijn de programma’s Participatiewet in Balans en Simpel Switchen in de participatieketen van het Ministerie SZW. Verder gaan mensen met een beperking in gesprek met de directeuren bij de verschillende ministeries die over het beleid gaan. Daarnaast spreek ik jaarlijks met een aantal vertegenwoordigende organisaties over de uitvoering van de werkagenda.

Het betrekken van belanghebbenden zoals ervaringsdeskundigen is een vast onderdeel van de beleidsvoorbereiding. Het Beleidskompas, vraagt daar continue aandacht voor en bevordert dat belanghebbenden betrokken worden bij het bepalen van het probleem, het doel en de beleidskeuze(s). Het Beleidskompas bevat verschillende hulpmiddelen om belanghebbenden te betrekken. Er wordt bezien hoe beter kan worden geborgd dat mensen met een beperking ook daadwerkelijk worden betrokken.

Gemeenten zijn verplicht om een Lokale Inclusie Agenda (LIA) op te stellen. Hierin geven zij aan hoe zij de lokale samenleving toegankelijker gaan maken. Het betrekken van mensen met een beperking en hun vertegenwoordigende organisaties is daarvan een essentieel onderdeel. Ik moedig het opstellen ervan dan ook krachtig aan. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) doet dit bijvoorbeeld actief via handreikingen, het delen van kennis en bestuurlijke inzet. Lokaal maatwerk is essentieel om goed in te kunnen spelen op toegankelijkheidsvraagstukken van mensen met een beperking in de specifieke context van de gemeente waarin zij leven.

Zorg dat de politieke en ambtelijke leiding van de Rijksoverheid uitdraagt dat alle wetgeving, beleid en uitvoering overeenkomstig het VN-verdrag handicap en de grondbeginselen moeten zijn en dat het participatieproces hierbij gegarandeerd is.

Ik ben het eens met het College dat ook de leiding van de gehele Rijksoverheid hierin een verantwoordelijkheid heeft. Zo spelen beleidsdirecteuren een centrale rol bij het structureel verankeren van het VN-verdrag in beleid. Het is dus belangrijk dat zij goed op de hoogte zijn van de verplichtingen uit het verdrag.

Momenteel werk ik aan de maatregel uit de werkagenda VN-verdrag handicap om kennis over het VN-verdrag te vergroten onder beleidsmedewerkers en juristen. Daarnaast ga ik na hoe ik de kennis van de politieke en ambtelijke leiding kan vergroten.

Zorg daartoe voor deskundigheidsbevordering bij rijksambtenaren, gemeenteambtenaren en uitvoerders over de toepassing van het VN-verdrag handicap, de grondbeginselen en participatieprocessen. Geef deze onderwerpen een vaste plaats in het cursusaanbod voor ambtenaren.

Kennis over het VN-verdrag handicap en de grondbeginselen is essentieel voor iedere rijksambtenaar. Ik zet mij daarom in om kennis over het VN-verdrag handicap te verspreiden bij beleidsmedewerkers en juristen om beleid en wetgeving te maken dat in lijn is met het VN-verdrag. Zoals gezegd bekijk ik of ook de ambtelijke top daarin kan worden meegenomen. Ik trek daarbij graag op met het College. Dit jaar zijn voorbereidende maatregelen getroffen, waaronder het organiseren van een lezing voor juristen over het VN-verdrag en non-discriminatie, gegeven door het College. In 2026 worden in het kader van het 10-jarig bestaan van het VN-verdrag in Nederland, activiteiten georganiseerd in het kader van kennisdeling en bewustwording bij beleidsmedewerkers en juristen bij het Rijk. Ook kijk ik het komende jaar of en hoe het VN-verdrag een plaats kan krijgen in het opleidingsaanbod voor rijksambtenaren.

Ontwikkel een monitoringsysteem dat inzicht geeft in de uitvoering van het hele VN-verdrag handicap en duidelijkheid geeft over de impact van wetgeving en beleid op het leven van mensen met een beperking, gebaseerd op de grondbeginselen. Onderzoek daartoe de toepassing van de grondbeginselen ook in verplichte wetsevaluaties.

In opdracht van het Ministerie van VWS wordt door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) de monitor van de nationale strategie voor de implementatie van het VN-verdrag opgesteld. Het doel van de systematische monitoring is om inzicht te krijgen in de maatschappelijke positie en de ervaren toegankelijkheid van mensen met een beperking. Hierbij kijken we naar de doelstellingen uit de nationale strategie en de veranderingen die zich daarin door de tijd heen voordoen. De selectie van indicatoren om gefundeerd systematisch te kunnen monitoren, wordt gezamenlijk gemaakt met relevante partijen, waaronder de verschillende ministeries, onderzoeksinstellingen en met mensen met een beperking en hun vertegenwoordigende organisaties.

De grondbeginselen zijn vertaald naar «leidende principes». Deze principes geven richting aan de uitwerking van de doelstellingen van de nationale strategie. In de monitor worden deze principes gebruikt om te begrijpen en te duiden hoe het ervoor staat met de rechten die voortvloeien uit het verdrag in relatie tot de doelstellingen. Voor de monitoring maakt het RIVM gebruik van bestaande onderzoeken en enquêtes op verschillende levensdomeinen, zodat een zo volledig mogelijk beeld ontstaat van de ervaringen van mensen met een beperking. De lijst met indicatoren voor de monitor wordt naar verwachting begin 2026 opgeleverd. De eerste monitorrapportage wordt naar verwachting eind 2026 opgeleverd.

Daarnaast wordt met het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het RIVM overlegd om concrete afspraken te maken over het vergroten van de databeschikbaarheid. Dit met als doel om kwaliteitsvollere indicatoren te kunnen gebruiken in de monitor. Mijn streven is om uit te breiden in het aantal bestaande enquêtes waarin een vraag wordt opgenomen wordt over het wel of niet ervaren van beperkingen in het dagelijks leven, zodat de onderzoeksresultaten beter worden uitgesplitst naar verschillende groepen mensen met een beperking.

Afsluiting

De monitorrapportage van het College laat zien dat het betrekken van de grondbeginselen bij de ontwikkeling van wetgeving en beleid bij de Rijksoverheid nog het nodige vraagt. Dat signaal neem ik serieus. De aanbevelingen van het College zijn zeer waardevol en bieden concrete aanknopingspunten om de grondbeginselen onder de aandacht te brengen onder rijksambtenaren.

De komende periode ga ik hiermee aan de slag en trek daarbij graag op met het College.

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
N.J.F. Pouw-Verweij