[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Amendement van het lid Hoogeveen over een doorschuiffaciliteit bij een overgang krachtens huwelijksvermogensrecht en verdeling huwelijksgemeenschap anders dan door overlijden

Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 om werkelijke inkomsten uit bezittingen en schulden in box 3 te belasten (Wet werkelijk rendement box 3)

Amendement

Nummer: 2026D01678, datum: 2026-01-16, bijgewerkt: 2026-01-16 15:40, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen:

Onderdeel van kamerstukdossier 36748 -8 Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 om werkelijke inkomsten uit bezittingen en schulden in box 3 te belasten (Wet werkelijk rendement box 3).

Onderdeel van zaak 2026Z00721:

Preview document (🔗 origineel)


TWEEDE KAMER DER STATEN-GENERAAL 2
Vergaderjaar 2025-2026
36 748 Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 om werkelijke inkomsten uit bezittingen en schulden in box 3 te belasten (Wet werkelijk rendement box 3)
Nr. 8 AMENDEMENT VAN HET LID Hoogeveen
Ontvangen 16 januari 2026
De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:

I

Aan artikel I, onderdeel B, wordt een subonderdeel toegevoegd, luidende:

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

8. Op verzoek van de gezamenlijke belanghebbenden wordt als te conserveren inkomen aangemerkt het vervreemdingsvoordeel uit sparen en beleggen wegens een overgang krachtens huwelijksvermogensrecht op een niet in Nederland wonende verkrijger of wegens een verdeling van een huwelijksgemeenschap naar een zodanige verkrijger binnen twee jaren na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap, indien de verkregen in het buitenland gelegen onroerende zaak, het verkregen deel van een in het buitenland gelegen onroerende zaak of het verkregen aandeel in of winstbewijs van een startende onderneming geen deel uitmaakt van het vermogen van een voor zijn rekening gedreven Nederlandse onderneming als bedoeld in artikel 7.2 en niet tot het resultaat van een werkzaamheid in Nederland van hem behoort.

II

In artikel I, onderdeel R, wordt aan het voorgestelde artikel 5.23 een lid toegevoegd, luidende:

3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de omvang van de verkrijgingsprijs en het verminderen van belastingaanslagen ter zake van geconserveerd inkomen wegens vervreemdingsvoordeel uit sparen en beleggen voor situaties waarin een niet in Nederland wonende verkrijger als bedoeld in artikel 2.8, achtste lid, huwt met een persoon die in Nederland woont of situaties waarin de in het buitenland gelegen onroerende zaak, het deel van een in het buitenland gelegen onroerende zaak of het aandeel in of winstbewijs van een startende onderneming krachtens een verdeling van een huwelijksgemeenschap weer terechtkomt bij een verkrijger die in Nederland woont.

III

In artikel I, onderdeel R, wordt aan het voorgestelde artikel 5.24 een lid toegevoegd, luidende:

5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de omvang van de verkrijgingsprijs en het verminderen van belastingaanslagen ter zake van geconserveerd inkomen wegens vervreemdingsvoordeel uit sparen en beleggen voor situaties waarin een niet in Nederland wonende verkrijger als bedoeld in artikel 2.8, achtste lid, in Nederland gaat wonen.

IV

In artikel I, onderdeel R, worden na het voorgestelde artikel 5.31 twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 5.31a. Uitzondering bij overgang krachtens huwelijksvermogensrecht en verdeling huwelijksgemeenschap anders dan door overlijden

1. De overgang krachtens huwelijksvermogensrecht alsmede de verdeling van een huwelijksgemeenschap binnen twee jaren na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap anders dan door overlijden wordt niet als vervreemding aangemerkt, mits de verkrijger binnenlands belastingplichtige is en de verkregen onroerende zaak, het verkregen deel van een onroerende zaak of het verkregen aandeel in of winstbewijs van een startende onderneming geen deel uitmaakt van het vermogen van een voor zijn rekening gedreven onderneming en niet tot het resultaat uit een werkzaamheid van hem behoort. De eerste zin is van overeenkomstige toepassing op de niet in Nederland wonende verkrijger, indien de verkregen onroerende zaak in Nederland is gelegen of indien het verkregen deel onderdeel is van een onroerende zaak die in Nederland is gelegen.

2. Het eerste lid vindt geen toepassing indien de beide echtgenoten of gewezen echtgenoten hier gezamenlijk voor kiezen. De keuze wordt gemaakt bij de aangifte of aangiften waarin het aldus ontstane vervreemdingsvoordeel is begrepen.

Artikel 5.31b. Doorschuiving verkrijgingsprijs bij overgang krachtens huwelijksvermogensrecht en verdeling huwelijksgemeenschap

1. Indien bij de overgang krachtens huwelijksvermogenrecht door toepassing van artikel 5.31a, eerste lid, geen sprake is van een vervreemding, geldt als verkrijgingsprijs de verkrijgingsprijs die gold voor degene van wiens zijde de onroerende zaak, het deel van de onroerende zaak of het aandeel in of winstbewijs van een startende onderneming in de huwelijksgemeenschap is gevallen.

2. Indien bij de verdeling van een huwelijksgemeenschap door toepassing van artikel 5.31a, eerste lid, geen sprake is van een vervreemding en bij het ontstaan van deze huwelijksgemeenschap ter zake van de daartoe behorende onroerende zaak, het daartoe behorende deel van een onroerende zaak of het daartoe behorende aandeel in of winstbewijs van een startende onderneming dat lid niet is toegepast, geldt als verkrijgingsprijs de verkrijgingsprijs die gold voor degene van wie in het kader van de verdeling is verkregen.

3. Indien bij de verdeling van een huwelijksgemeenschap door toepassing van artikel 5.31a, eerste lid, geen sprake is van een vervreemding en bij het ontstaan van die huwelijksgemeenschap ter zake van de daartoe behorende onroerende zaak, het daartoe behorende deel van een onroerende zaak of het daartoe behorende aandeel in of winstbewijs van een startende onderneming dat lid ook is toegepast, geldt als verkrijgingsprijs de verkrijgingsprijs die gold voor degene van wiens zijde de onroerende zaak, het deel van de onroerende zaak, het aandeel in een startende onderneming, onderscheidenlijk het winstbewijs van een startende onderneming, in de huwelijksgemeenschap is gevallen.

Toelichting

Met dit amendement wordt het wetsvoorstel aangepast door in hoofdstuk 5 van de Wet inkomstenbelasting 2001 een nieuwe regeling op te nemen waarin wordt bepaald dat de toedeling van (een deel van) een onroerende zaak of van een aandeel in of winstbewijs van een startende onderneming die tot het box-3-vermogen behoort bij scheiding, dan wel bij het aangaan of wijzigen van een huwelijksgemeenschap of geregistreerd partnerschap, niet wordt aangemerkt als een realisatiemoment. Daarbij wordt geregeld dat de belastingplichtige aan wie het vermogensbestanddeel wordt toegedeeld voor de toepassing van box 3 in de plaats treedt van de andere belastingplichtige. De overige bepalingen van box 3 blijven ongewijzigd. De voorgestelde wettekst is in lijn met de artikelen 2.8, vierde lid, 4.17, 4.21, vijfde lid, onderdelen a en d, 4.25, zesde lid, 4.38 en 4.39 Wet IB 2001, waarin een vergelijkbare regeling voor box 2 is opgenomen. Voor niet in Nederland wonende verkrijgers is doorschuiving in beginsel niet mogelijk. Daarom is in het amendement, in lijn met de vergelijkbare regeling voor box 2,1 voor niet in Nederland wonende verkrijgers in plaats van een doorschuifregeling geregeld dat op verzoek een conserverende aanslag wordt opgelegd. Bij in Nederland gelegen onroerende zaken behoudt Nederland het heffingsrecht ook ten aanzien van niet in Nederland wonende verkrijgers, daarom is voor die situatie in dit amendement wel een doorschuifregeling opgenomen.

Dit amendement voorkomt dat belastingplichtigen bij huwelijksvermogensrechtelijke overgangen, zoals huwen en scheiden, worden geconfronteerd met heffingen, zorgt voor heffing bij realisatie, vergroot de systematische consistentie van het belastingstelsel en kent geen structurele budgettaire gevolgen.

Hoogeveen


  1. Zie artikel 2.8, vierde lid, Wet IB 2001.â†Šī¸Ž