Conceptverslag Uitkomsten van de COP30
Verslag van een commissiedebat
Nummer: 2026D01912, datum: 2026-01-15, bijgewerkt: 2026-01-19 13:40, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-01-15 13:00: Uitkomsten van de COP30 (Commissiedebat), vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei
Preview document (🔗 origineel)
Tweede Kamer, Uitkomsten van de COP30
VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBAT
Concept
De vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei heeft op 15 januari 2026 overleg gevoerd met mevrouw Hermans, minister van Klimaat en Groene Groei, viceminister-president, over:
de brief van de minister van Klimaat en Groene Groei d.d. 12 december 2025 inzake terugblik COP30 (31793, nr. 287);
de brief van de minister van Klimaat en Groene Groei d.d. 31 oktober 2025 inzake verwachtingen en inzet VN-klimaatconferentie COP30 (31793, nr. 285).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De fungerend voorzitter van de vaste commissie voor Klimaat en Groene
Groei,
Kröger
De griffier van de vaste commissie voor Klimaat en Groene
Groei,
Nava
Voorzitter: Vermeer
Griffier: Nava
Aanwezig zijn zes leden der Kamer, te weten: Ceulemans, Jumelet, Klos, Van Oosterhout, Teunissen en Vermeer,
en mevrouw Hermans, minister van Klimaat en Groene Groei, viceminister-president.
Aanvang 13.01 uur.
De voorzitter:
Goedemiddag. Ik heet u allemaal van harte welkom bij het debat van de
commissie voor Klimaat en Groene Groei over de terugblik op de COP30,
oftewel: de klimaatconferentie in Belém, Brazilië. Ik heet de minister
van Klimaat en Groene Groei, mevrouw Hermans, van harte welkom, net als
de leden Jumelet namens het CDA, Teunissen van de Partij voor de Dieren,
Van Oosterhout van GroenLinks-PvdA, Klos van D66 en ...
De heer Ceulemans (JA21):
Ceulemans.
De voorzitter:
… Ceulemans van JA21.
We hebben een spreektijd van vijf minuten. Ik stel voor dat we max vier
interrupties toestaan. Mevrouw Teunissen heeft aangegeven dat ze straks
naar een plenair debat moet. Betekent dat dat zij als eerste wil spreken
of betekent dat iets anders?
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Nee, hoor. Het begint pas over twee uur, dus u kunt prima de
sprekersvolgorde aanhouden.
De voorzitter:
Dat moet ons lukken. We hebben vijf uur voor dit debat, maar we gaan
proberen om het in minder tijd te doen, zodat we echt aan de slag kunnen
met allerlei zaken die we hier vandaag bespreken in plaats van dat we er
alleen over praten. Ik geef graag als eerste het woord aan de heer Klos
namens D66.
De heer Klos (D66):
Dank, voorzitter. Een klimaattop kan een prachtig fenomeen zijn: de mens
in optima forma, een symbool van ons succes als diersoort, van ons
onderscheidend vermogen om in grote groepen samen te werken, zelfs over
generaties heen. Maar dat was het deze keer in Brazilië niet. Verre van.
Desinteresse en schaamteloosheid maakten het moeilijk om tot een
resultaat te komen dat recht doet aan de urgentie van het
klimaatprobleem. In weerwil van de uitspraak van het Internationaal
Gerechtshof verbonden staten zich niet aan concrete afspraken die de
wereld op koers houden voor 1,5 graad.
Europa moet zich dat aanrekenen. Europa heeft de grootste historische
verantwoordelijkheid, maar ook de grootste wil en het grootste vermogen.
Als enige blok dat daadwerkelijk met één stem spreekt in de
klimaatdiplomatie heeft Europa ook de grootste inbreng bij
klimaattoppen, maar Europa is er niet in geslaagd om de rest van de
wereld te overtuigen.
Een onverwacht lichtpunt van de COP30 was de opstelling van Nederland.
Toegegeven: door het weinig doortastende binnenlandse klimaatbeleid is
de geloofwaardigheid van de eigen nationale actie een beetje geslonken,
maar op het wereldtoneel heeft Nederland zich van zijn allerbeste kant
laten zien. Nederland diende, zoals beloofd, als enige land van de
alliantie voor de afbouw van fossiele subsidies een plan in om dat ook
te doen. De samenwerking met Colombia richting een internationale
conferentie over fossiele brandstoffen verdient erkenning.
Voorzitter. Dat de woorden "fossiele brandstoffen", die verantwoordelijk
zijn voor driekwart van de wereldwijde uitstoot, geen enkele keer
voorkwamen in het eindakkoord, laat zien hoe moeilijk het is om met de
huidige COP-aanpak tot ambitieuze afspraken te komen. Daarom is het
initiatief van Colombia en Nederland zo belangrijk. Als het niet via de
COP kan, dan vinden we een andere weg, een kans om de wereld te laten
zien dat het wél kan.
Nederland staat nu voor de immense opdracht om de aankomende top te
laten slagen. Het gaat niet alleen om het meekrijgen van de aanwezige
landen in concrete afspraken, maar ook om het vormen van een front dat
er bij de volgende klimaattop wél in slaagt om de afbouw van fossiel en
fossiele subsidies toe te voegen aan het langetermijnkader van het
klimaatbeleid van de wereldgemeenschap. Dat vraagt om snelle en gerichte
actie van de minister en het kabinet. Daarom heb ik de volgende vragen.
Hoe kan het kabinet ervoor zorgen dat de ruim 80 landen die een
voortrekkersrol namen op de COP30 ten aanzien van het uitfaseren van
fossiel, ook een actieve rol op zich nemen op de conferentie in
Colombia? En trekt het kabinet hierin samen op met de Europese Commissie
en de Raad, zodat de EU zich als geheel aan de conclusies van de top kan
verbinden?
Voorzitter. Brazilië nam tijdens de klimaattop ook een hoopvol
initiatief ter bescherming van de tropische bossen. Bossen nemen
ongeveer een kwart van de menselijke CO2-uitstoot op. De
Tropical Forest Forever Facility — dat is een hele mond vol — de TFFF,
zoals het initiatief luidt, kan ons daarom een hoop ellende en werk
besparen. Maar de ambitie voor dat permanente fonds blijft nu toch een
beetje steken. Er is 25 miljard nodig van overheden om het van de grond
te krijgen, maar als ik de brief goed heb gelezen, staan we nu, met alle
contributies bij elkaar opgeteld, op 6,5 miljard. Nederland kondigde 5
miljoen aan voor de opstartkosten, maar dat staat niet helemaal in
verhouding tot de wereldwijde verantwoordelijkheid die we hebben als
rijk land met een grote voetafdruk. We missen daarmee ook een kans om de
vertrouwensband met het mondiale Zuiden, dat cruciaal is voor het laten
slagen van de volgende klimaattoppen, te versterken. Kan de minister
onderzoek doen naar de mogelijkheden om, al dan niet in Europees
verband, een grotere bijdrage te leveren aan het startkapitaal van het
fonds voor tropische bossen en kan zij daarover een brief sturen
voorafgaand aan de begrotingsbehandeling?
Tot slot. Voorafgaand aan de klimaattop in Brazilië heeft de Kamer de
toezegging gekregen dat onderzocht zou worden of de klimaattop naar Den
Haag kan worden gehaald. De reactie in de Kamerbrief is echter wat
summier. Het is geen onderzoek maar een beknopte kostenschatting en de
constatering dat het intensieve ambtelijke voorwerk niet strookt met de
ambitie van het huidige kabinet om te bezuinigen op de publieke zaak.
Dat laat de inhoudelijke, strategische en economische kansen buiten
beschouwing. Nederland kan met sterk voorzitterschap tot sterke
conclusies komen die de kloof dichten tussen Europa en de
wereldgemeenschap. Dat is ook in Nederlands belang. We kunnen de top een
stuk efficiënter maken: minder circus en meer praktische kennis over de
energietransitie aan tafel. Als wereldleider en klimaatkoopman kunnen
wij onze bedrijven en kennisinstellingen dan in de etalage zetten. Graag
vraag ik dan ook nogmaals aan de minister om een toezegging om een
onderzoek te doen naar de mogelijkheid om de COP36 in Den Haag te
organiseren en daarbij de voor- en nadelen af te wegen en de Kamer
daarover zo snel mogelijk te informeren.
De voorzitter:
Dank u wel. U heeft een interruptie van mevrouw Van Oosterhout. Wil de
heer Klos even de microfoon uitzetten in verband met de
camerasetting?
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Ik hoor dat de heer Klos het heeft over internationaal klimaatbeleid,
het belang daarvan, het mondiale Zuiden en het startkapitaal. Toch
stemde D66 gisteren in met het halveren van de klimaatuitgaven in de
ontwikkelingsbegroting. Ik vroeg mij dus af of collega Klos zich er dan
ook voor gaat inspannen om dat bedrag opnieuw te verdubbelen of te
verhogen, zodat Nederland wél een eerlijke bijdrage gaat leveren.
De heer Klos (D66):
Daar sta ik in principe voor open. Uiteraard moet ik bekijken wat mijn
collega in dat andere debat heeft gedaan. Ik wil daar zeker bij u op
terugkomen.
De voorzitter:
U heeft nog een interruptie.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Veel dank. Dat waardeer ik enorm. In uw bijdrage had u het ook over de
top in Colombia. Ik denk dat we het erover eens zijn dat het een heel
belangrijke stap is dat Nederland daar een voortrekkersrol in neemt. Wat
mijn fractie betreft is het een belangrijke stap dat Nederland een
voortrekkersrol inneemt en dat het een concreet afbouwpad voor Nederland
formuleert. Ik vroeg me af hoe de fractie van D66 daarin staat. Wat zou
wat de heer Klos betreft de inzet moeten zijn?
De heer Klos (D66):
D66 heeft in het verkiezingsprogramma heel duidelijk gezegd dat wij per
sector voor alle fossiele technieken een afbouwpad willen en duidelijke
duurzame alternatieven daarvoor willen ontwikkelen. Dat standpunt
bestaat nog steeds.
De voorzitter:
Dank u wel. U was aan het einde van uw betoog, netjes binnen de tijd. Ik
geef graag het woord aan de volgende spreker van de zijde van de Kamer,
namelijk mevrouw Van Oosterhout van GroenLinks-PvdA.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. We leven in geopolitiek roerige tijden en dat is
jammer. De mensen hebben niet om al die zinloze oorlogen gevraagd;
zinloos, niet enkel omwille van het verschrikkelijke bloedvergieten,
maar ook omwille van kortzichtigheid. Poetins inval in Oekraïne, Trumps
machtsgreep in Venezuela, Netanyahu's kolonisatie en genocide in
Palestina, de door oliestaten en buurlanden aangewakkerde burgeroorlogen
in Sudan, Congo en Jemen zullen uiteindelijk allemaal botsen op een
harde realiteit: gevaarlijke klimaatverandering. Wat ga je namelijk met
oorlog bereiken als je huis overstroomt of je bevolking onder hittegolf
op hittegolf bezwijkt? Bovendien zijn fossiele brandstoffen een
belangrijke aanjager voor conflicten. Trumps illegale machtsgreep in
Venezuela toont dit opnieuw aan. Olie leidt tot oorlog.
Ons klimaat is het grootste veiligheidsvraagstuk, het grootste
geopolitieke vraagstuk van de 21ste eeuw. De wereld heeft dus behoefte
aan minder verdeeldheid en meer samenwerking. Landen moeten stoppen met
onderling vechten en focussen op de gemeenschappelijke vijand: een
onleefbare planeet. Juist daarom blijft klimaatdiplomatie zo belangrijk.
Het zorgwekkende feit dat de VS nu uit onder andere het IPCC en de
UNFCCC stappen, is een reden te meer voor Nederland en Europa om het
leiderschap in handen te nemen. Welke bijkomende initiatieven zal de
minister dus nemen om het Nederlandse leiderschap in de internationale
klimaatonderhandelingen te verhogen?
Uit het verleden weten we dat een gezamenlijke aanpak van
milieu-uitdagingen aan vrede bijdraagt. Samen problemen oplossen brengt
landen dichter bij elkaar. Wij verwelkomen dus de Nederlandse ambitie om
leiderschap te nemen in de internationale klimaatonderhandelingen door
toe te werken naar een zeer geslaagde top met Colombia over het
uitfaseren van fossiele brandstoffen. We zijn blij dat Nederland die
voortrekkersrol op zich neemt met deze coalition of the willing en de
ambitie heeft om de uitfasering van fossiele brandstoffen te versnellen.
De top in Colombia is onze kans om te gaan naar een wereld van minder
fossiel en dus ook meer vrede. Wat is de ambitie van het kabinet voor
deze top? Op welke output mikt de minister? Is het doel om tot een
routekaart te komen die werkt naar een concrete einddatum voor het
fossiele tijdperk? Hoe zal deze top worden voorbereid? Welke landen
worden uitgenodigd? Welke diplomatieke initiatieven zal Nederland zelf
en in samenwerking met Colombia nemen in de komende maanden om de top
tot een succes te maken? Welke rolverdeling is er tussen Colombia en
Nederland voor, tijdens en na de top? En puur praktisch: wat zijn de
risico's voor de top van Trumps dreigementen aan het adres van de
Colombiaanse president?
Laten we kijken naar de klimaatconferentie in Belém.
Wat gaat de minister doen om een goede Nederlandse en Europese opvolging
van de afspraken van de klimaatconferentie in Belém te garanderen? Welke
lessen geeft ze haar opvolger mee richting de volgende top in Turkije?
Hoe kunnen Nederland en de EU hun doelen beter halen? Wat zijn de
politieke moeilijkheden die voor een volgende conferentie weggemasseerd
moeten worden? Welke rol kan Nederland daarin spelen?
Dan tot slot fossiele subsidies. Het blijft bizar dat we geld blijven
steken in vervuiling, terwijl we dat geld kunnen ombuigen naar
investeringen in de economie van de toekomst. Daarom blijft leiderschap
binnen de Coalition on Phasing Out Fossil Fuel Incentives Including
Subsidies, COFFIS, zo belangrijk. Leiderschap betekent ook: het goede
voorbeeld geven. Het gat tussen internationale toezeggingen over het
uitfaseren van fossiele voordelen en nationale uitvoering moet worden
gedicht. Nederland heeft zelf nogal wat werk te doen aan het dichten van
dat gat. Bovendien kan de ambitie gerust nog wat omhoog. Welke
bijkomende maatregelen stelt de minister voor om de eigen ambitie te
verhogen en zo het goede voorbeeld te geven? Welke voortrekkersrol kan
Nederland al met bepaalde Europese lidstaten spelen om sneller
vooruitgang te boeken op de afbouw van fossiele subsidies? Welke
mogelijkheden heeft Nederland om meer druk uit te oefenen op de
internationale en intra-Europese onderhandelingen rond de afbouw van
fossiele subsidies?
Internationale klimaatonderhandelingen kunnen landen dichter bij elkaar
brengen. Meer samenwerking betekent meer vrede en meer veiligheid.
Nederland dient dus zelf het goede voorbeeld te geven door het
versnellen van de opbouw van hernieuwbare energie en de afbouw van
fossiele subsidies. De top in Colombia is onze kans om de wereld weer in
de goede richting te duwen. Zo brengen we eindelijk een einde aan het
fossiele tijdperk.
Dank, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik het woord aan mevrouw Teunissen van de Partij
voor de Dieren.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Dank u wel, voorzitter. De wereld staat in brand. 2025 eindigde in de
top drie van warmste jaren ooit. Dat was opnieuw een jaar van
hitterecords, overstromingen en droogte door de klimaat-en natuurcrisis.
Bij de klimaattop waren er veel woorden, maar de top laat geen concrete
afspraken zien om snel tot een einde van het fossiele tijdperk te komen.
Daarom moet Nederland nu zelf aan de bak om ook weer een voorbeeld te
zijn voor andere landen, maar Nederland maakt zich toch steeds opnieuw
weer afhankelijk van olie en gas van andere regimes, ook regimes waar we
niet van afhankelijk willen zijn. CBS-cijfers laten zien dat een
toenemend deel van de olie uit de Verenigde Staten komt, een land dat
onder president Trump bezig is om de fossiele kraan overal weer open te
draaien, met alle geopolitieke gevolgen van dien en schendingen van het
internationaal recht tot gevolg. Die olie gaat naar de Nederlandse
industrie: naar de chemie, naar de luchtvaart, naar fossiele sectoren.
Afhankelijkheid van landen zoals de VS voor onze grondstoffen maakt ons
land er niet veiliger op en houdt fossiel in stand. Wie afhankelijk is
van olie- en gasimport is per definitie kwetsbaar. Daarom is het des te
vreemder dat het kabinet nu niet keihard werkt aan een nationale
strategie om onze olie- en gasafhankelijkheid versneld af te bouwen. Die
strategie zou in ieder geval de volgende onderdelen moeten bevatten:
energiebesparing, geen nieuwe fossiele infrastructuur, geen publieke
euro's meer naar olie en gas, en een duidelijke einddatum voor het
gebruik van fossiele brand- en grondstoffen. Is de minister bereid om op
korte termijn een dergelijke afbouwstrategie te ontwikkelen?
Dan over de fossiele subsidies. De minister heeft altijd gezegd dat ze
dit in internationaal verband wil doen. Ze is pas ook met een nationale
strategie gekomen. De Partij voor de Dieren vindt het heel belangrijk
dat we juist ook die nationale route verder uitbreiden. Op de COP30 zou
de minister een afbouwplan presenteren als onderdeel van het
COFFIS-initiatief, maar die presentatie bleef uit. Het nationale
uitfaseerplan van het huidige kabinet, dat vlak voor de klimaattop is
gepresenteerd, zegt eigenlijk dat het maken van een daadwerkelijk
uitfaseerplan aan het volgende kabinet is. Het huidige kabinet negeert
daarmee de aangenomen motie-Kröger. Kan de minister toezeggen dat er nu,
in deze periode totdat er een nieuw kabinet zit, in de resterende tijd
op z'n minst geen nieuwe subsidies worden toegekend?
Dan hebben we nog de joint letter of intent met Tata Steel, wat je ook
kunt zien als fossiele subsidies, 2 miljard. Kan de minister toezeggen
dat dat besluit over 2 miljard aan Tata Steel dus ook aan een volgend
kabinet wordt overgelaten?
Dan de top. Nederland organiseert binnenkort samen met Colombia een
internationale conferentie over het uitfaseren van fossiele
brandstoffen. Complimenten aan de minister voor het nemen van het
initiatief. Maar wat wordt daar de inzet van het kabinet? Hoe en wanneer
wordt de Kamer hierover geïnformeerd?
Naar aanleiding van de klimaattop gaat de Braziliaanse COP-voorzitter
twee roadmaps ontwikkelen. De eerste is een forest and climate roadmap
en de tweede is een transitioning away from fossil fuels roadmap. Hoe
kan de minister samenwerken met Brazilië zodat de conferentie in
Colombia een stap vooruit kan zijn in het ontwikkelen van deze roadmaps?
Hoe kan Nederland bijdragen aan het verder ontwikkelen van deze roadmaps
richting de volgende klimaattop?
De conferentie in Colombia is een kans om leiderschap te tonen, maar het
is ook een verantwoordelijkheid, want Nederland is pas geloofwaardig als
we ook zelf laten zien dat we die fossiele verslaving durven af te
zweren. Daarom vraag ik de minister welke concrete maatregelen zij in
totaal neemt om onze olie- en gasafhankelijkheid af te bouwen. Met welk
tijdpad gaat zij dat doen? Hierbij zien wij graag aandacht voor de
prijs, de aantrekkelijkheid en de beschikbaarheid van fossiele
brandstoffen. Maar ook aan de vraagkant van fossiele brandstoffen moet
er versneld afgebouwd worden. Waarom ligt er nog geen maatregelenpakket,
vraag ik de minister. Het kan ook zinnig zijn voor een volgend kabinet
om met verschillende opties te komen. Daar hoort natuurlijk ook het
afschaffen van de fossiele reclames bij, het stoppen van sluikpromotie
voor de industrie die onze toekomst opwarmt. Graag een reactie.
Voorzitter. Tot slot over methaan. Methaan is een extreem krachtig
broeikasgas, op korte termijn 80 keer krachtiger dan CO2.
Tijdens de klimaattop is opnieuw beloofd om de mondiale methaanuitstoot
met 30% terug te dringen, maar zolang die belofte vrijblijvend blijft,
is die weinig waard. The Guardian laat namelijk zien dat de
methaanuitstoot wereldwijd sinds de Methane Pledge alleen maar flink is
gestegen. Daarom mijn laatste vraag: is de minister bereid om een
Europese strategie te initiëren om methaanafspraken van de COP30
wettelijk bindend te maken, inclusief handhaving en
rapportageverplichtingen? Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik het woord aan de volgende spreker, de heer
Jumelet van het CDA.
De heer Jumelet (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Je moet idealen hebben om ergens te komen. Wie
geen doel heeft, komt nergens. Onlangs bezocht ik samen met mijn collega
Jantine Zwinkels op uitnodiging een bijeenkomst, die iets dichterbij was
dan de bijeenkomst waar we hier over spreken, namelijk een bijeenkomst
van de Grootouders voor het Klimaat. Het was net buiten dit Tweede
Kamergebouw. Er werd gevraagd naar onze standpunten. Ik kon iets zeggen
over het rentmeesterschap. We zijn uitvoerig in gesprek gegaan over het
klimaatbeleid en de betekenis voor komende generaties. Over en weer
toonden we respect. Dat is in die discussies altijd waardevol. Ik wil
maar zeggen: klimaatbeleid begint klein, aan de basis, en vraagt om
moed. We hebben de aarde in bruikleen.
Voorzitter. Deze week hoorde ik een van de collega's zeggen: we kunnen
het eens zijn over klimaatdoelen maar verschillen over de weg ernaartoe.
Dat blijkt natuurlijk in gesprekken. Ik noemde zojuist een voorbeeld.
Het is ook aan de orde als we de uitkomsten van de COP30 lezen en
bespreken. Samengevat kunnen we zeggen dat de bijeenkomst in Belém
succesvol was in het voortzetten van de dialoog — dat is goed — en het
opzetten van nieuwe samenwerkingsverbanden, maar er kwamen geen harde
bindende afspraken. Voor het CDA is het belangrijk dat we ons in Europa
ervoor blijven inzetten om de uitstoot van broeikasgassen te
verminderen. Het doel is om in 2050 klimaatneutraal te zijn.
Dan heb ik een aantal vragen naar aanleiding van het verslag dat we hier
met elkaar bespreken. Tijdens de COP30 bespraken landen de handel in
koolstofkredieten op basis van artikel 6 van de Overeenkomst van Parijs,
een onderwerp waar Nederland en de EU actief bij betrokken waren. Wat is
de indruk van de minister van deze gesprekken over de eerste ervaringen
met deze bilaterale samenwerkingen? Welke mogelijkheden ziet de minister
voor Nederland en de EU om in de toekomst meer gebruik te maken van dit
mechanisme? Hoe kan dit mechanisme in de Nederlandse context
daadwerkelijk bijdragen aan het behalen van de EU-klimaatdoelen voor
2040?
Voorzitter. In Belém is opnieuw het belang onderstreept van het
terugdringen van ontbossing, maar concrete afspraken, waaronder de door
Brazilië aangekondigde routekaart, bleven uit, zo lezen we. Welke
verwachtingen heeft de minister van deze routekaart, nu deze ondanks
brede internationale steun niet is opgenomen in het eindbesluit van deze
COP? Op welke manier kan Nederland samen met gelijkgezinde landen en de
EU meer bijdragen aan het terugdringen van ontbossing en het bevorderen
van ontbossingsvrije productie? Dat zijn belangrijke onderwerpen, denken
wij.
Tijdens de COP30 heeft Nederland laten zien goed gepositioneerd te zijn
om internationaal een actieve rol te spelen op het gebied van
waterbeheer, landbouw en klimaatadaptatie. Welke aanvullende
mogelijkheden ziet de minister om vanuit Nederland nog actiever kennis
en technologie te delen, bijvoorbeeld op het gebied van waterbeheer en
landbouw? Er is afgesproken om een technologie-implementatieprogramma,
afgekort het TIP, op te zetten met als doel de inzet van technologie in
ontwikkelingslanden te versnellen. Welke kansen ziet de minister om
hierin een leidende rol te spelen, gezien de sterke Nederlandse kennis-
en innovatiepositie? Het mandaat van het TIP wordt nog verder
uitgewerkt. Is de minister bereid zich ervoor in te zetten dat ook de
land- en tuinbouw expliciet onderdeel worden van dit programma? In de
afgelopen week werden we vooral door de tuinbouworganisatie benaderd met
het verzoek om hierop in te zetten.
Voorzitter, tot slot. Tijdens de COP30 is afgesproken om sterker in te
zetten op het versnellen van de uitvoering van de gemaakte
klimaatafspraken, onder meer via een nieuwe implementatieversneller. Wat
houdt deze implementatieversneller precies in? Hoe moet deze versneller
landen concreet helpen bij het realiseren van hun klimaatdoelen? Welke
voorbeelden of instrumenten ziet de minister om de uitvoering van
afspraken in de praktijk te versnellen zonder dat aan de autonomie van
landen wordt getornd of democratische processen worden doorkruist?
Voorzitter, tot zover.
De voorzitter:
Dank u wel. Ook mooi binnen de tijd. U heeft een interruptie van mevrouw
Teunissen.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Een mooi betoog van het CDA. Het CDA zei dat klimaatadaptatie van belang
is. Ook op de klimaattop kwam dat aan de orde. Gisteren hadden we de
behandeling van de begroting van BHO. Vandaag komen we daar ook nog over
te spreken. Het blijft daarbij toch een beetje onduidelijk wat het CDA
wil met klimaatfinanciering. Het huidige budget is gehalveerd. Hoe ziet
het CDA dat in het vervolg? Komt er wat het CDA betreft extra budget
bij?
De heer Jumelet (CDA):
U verwacht het niet, maar het is een beetje in lijn met wat de collega
net heeft geantwoord op dezelfde vraag. Ik denk dat het goed is om de
vinger aan de pols te houden en met elkaar goed te kijken wat nodig is.
Volgens mij is dat nu vooral aan de orde. Ik kan zomaar zeggen dat dat
misschien ook wel aan een tafel ergens in dit gebouw aan de orde komt.
Ik denk dat het belangrijk is om daar allen oog voor te houden. We
zullen op basis daarvan zeker bepalen of daar inderdaad middelen voor
worden vrijgemaakt. Ik kan me dus goed voorstellen dat die vraag wordt
gesteld.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan de heer Ceulemans van
JA21.
De heer Ceulemans (JA21):
Voorzitter, dank u wel. U moet het vandaag eenmalig met mij doen als
vervanger van de collega's Boomsma en Van den Berg, die allebei vanwege
commissieverplichtingen in het buitenland zijn.
In november vorig jaar vond in Belém de klimaattop COP30 plaats. 50.000
aanwezigen van over de hele wereld werden ingevlogen om vervolgens via
een speciaal aangelegde snelweg door beschermd Amazonewoud naar de
conferentie gereden te worden, om daar vervolgens heel erg veel te
praten en gigantische stapels papier te produceren.
Om met een positieve noot te beginnen: de commissie is vandaag
behoorlijk eensgezind. Dat is een unicum bij debatten over
klimaatbeleid. Niemand kan namelijk tevreden zijn: mijn fractie niet
vanwege de astronomische kosten van het beleid en de aanval op fossiele
energie die minister Hermans samen met Colombia op eigen houtje besloot
in te zetten; de progressieve fracties niet vanwege het feit dat de
klimaattop zelf meer CO2 uitstootte dan zal besparen. De
uitkomst van de COP30 werd in brede zin als dermate teleurstellend
ervaren dat het uiteindelijk maar als winst verkocht werd dat landen in
ieder geval niet boos weggelopen waren. Ook de minister heeft in elf
kantjes nog erg haar best gedaan om er nog wat van te maken: een
onuitputtelijke opsomming van evenementen en sessies, allerlei dialogen
die worden aangekondigd, indrukwekkend klinkende maar totaal
onduidelijke initiatieven zoals een Global Implementation Accelerator,
een lijst met adaptatie-indicatoren die uiteindelijk niet bruikbaar is,
en zo kan ik mijn hele spreektijd wel opmaken.
Mijn vraag aan de minister is: kunt u zich voorstellen dat zo'n
klimaattop overkomt als een compleet ontspoorde exercitie met een hoog
navelstaargehalte? Want laten we eerlijk zijn: deze klimaattoppen zijn
uitgegroeid tot een jaarlijkse rituele dans. Het is een industrie op
zichzelf, met een kostenplaatje van inmiddels 800 miljoen dollar. Het is
een gigantische karavaan van delegaties, lobbyisten en persmomenten, met
als opbrengst een aaneenschakeling van statements, slogans en nieuwe
pledges, waar vervolgens niemand op wordt afgerekend. Waarom stoppen we
niet gewoon met dit format? Hoe je ook tegen het klimaatbeleid aankijkt,
ik kan me niet voorstellen dat er iemand is die dit de meest effectieve
inzet van mensen en middelen vindt.
Voorbij alle zijpaden in de brief van het kabinet heb ik een aantal heel
concrete vragen aan de minister. Aan welke nieuwe zaken heeft Nederland
zich op deze top gecommitteerd? Welke verplichtingen komen daarbij
kijken? Wat zijn de concrete gevolgen hiervan? Welke kosten zullen
hiermee gepaard gaan? Wat zijn de totale kosten die Nederland gemaakt
heeft in het kader van COP30? Ik doel op zowel alle kosten met
betrekking tot deelname aan de conferentie in de brede zin, als de
concreet door Nederland toegezegde bedragen op de conferentie
zelf.
Over kosten gesproken: in de brief wordt kort gerefereerd aan de Baku to
Belém Roadmap richting 1.300 miljard dollar per jaar in 2035 voor
klimaatbeleid in ontwikkelingslanden. Dat lijkt me niet bepaald een
detail. Wat kan de minister hier meer over zeggen dan dat ene zinnetje
in de brief? Hetzelfde geldt voor de verdrievoudiging van de
adaptatiefinanciering voor zogeheten kwetsbare landen in 2035. Ook
hierover heb ik de vraag: wat valt hier meer over te zeggen en welke
financiële gevolgen voor Nederland brengt dit met zich mee? Waar kunnen
we straks überhaupt nog nee tegen zeggen?
Voorzitter. De minister toog naar Brazilië in de hoop een
voortrekkersrol te kunnen spelen om een einde te maken aan fossiele
brandstoffen en zogeheten fossiele subsidies. Dat is een compleet
verkeerd signaal, aangezien we simpelweg nog lange tijd op fossiele
energie aangewezen zullen zijn, de Nederlandse industrie in een
doodsstrijd verkeert, de Rotterdamse haven onder zware druk staat,
Nederlandse banen en welvaart op het spel staan en ga zo maar door. Toen
uit de klimaattop geen afbouwpad kwam, besloot de minister samen met
Colombia het voortouw te nemen in het organiseren van een internationale
top tegen fossiele energie. Op het oog was dat een soloactie, waarmee ze
zelf haar laatst overgebleven coalitiepartner onaangenaam verraste.
Vraag aan de minister: waarom doet u dit? Welk signaal naar de
Nederlandse industrie denkt u hiermee af te geven? Wat zijn de laatste
ontwikkelingen hieromtrent? Graag een reactie.
We lezen ook dat Nederland zich, voortbordurend op de aangenomen
motie-Kröger, heeft aangesloten bij het Global Initiative on Information
Integrity on Climate Change van onder andere UNESCO, dat volgens het
kabinet klimaatwetenschap beschermt als objectieve basis voor
maatregelen. Vraag aan de minister: wat betekent dit concreet? Ziet zij
de risico's van dergelijke initiatieven voor het vrije publieke debat
over klimaatbeleid en politieke besluitvorming over maatregelen? Graag
een reactie.
Verder lezen we dat in het besluit veel prioriteiten van Nederland
terugkomen, waaronder — ik citeer — "versterkte monitoring en evaluatie,
en een genderperspectief in adaptatieplanning". Een simpele vraag aan de
minister: waarom zou genderperspectief in adaptatieplanning een
prioriteit voor Nederland moeten zijn in het kader van
klimaatadaptatie?
Dan kom ik tot een afronding, voorzitter. JA21 blijft zich inzetten voor
een rationeel energiebeleid, voor kernenergie, voor behoud van fossiele
energie als belangrijke pijler onder onze energievoorziening, voor het
benutten van onze eigen gasvoorraden en voor een betaalbare
energierekening voor huishoudens en bedrijven. JA21 blijft zich
verzetten tegen onbetaalbare dwang en symboolpolitiek waarvan de
rekening terechtkomt bij gewone mensen, die geen 1.300 miljard op hun
rekening hebben en niet naar de andere kant van de wereld kunnen vliegen
om te lobbyen.
Ik sluit af met een positieve noot. De minister schrijft dat het kabinet
het organiseren van COP36 in Nederland niet wenselijk acht, gelet op
onder andere de kosten, en daarom de mogelijkheid daartoe niet verder
zal onderzoeken. Wat ons betreft is dat de verstandigste zin uit de hele
brief. Kan de minister deze voor alle zekerheid herbevestigen?
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Ceulemans. Dan wil ik vragen of iemand tijdelijk het
voorzitterschap over wil nemen, zodat ik namens BBB mijn inbreng kan
doen.
Voorzitter: Teunissen
De voorzitter:
De heer Vermeer van de BBB voor zijn bijdrage.
De heer Vermeer (BBB):
Dank u wel, voorzitter. We hebben de kabinetsbrief over COP30 gelezen.
Die bevestigt eerlijk gezegd vooral het beeld dat we vooraf al hadden:
weer een klimaattop, weer grote woorden, weer nieuwe processen en
programma's. Ondertussen worstelen Nederlanders met torenhoge
energierekeningen, ondernemers met onzeker beleid en boeren met steeds
nieuwe beperkingen. Zonder enige vorm van cynisme zou ik de minister
willen vragen wat zij vindt van het feit dat voor deze klimaattop een
deel van de Amazone in een bouwput veranderde, het vliegveld uitgebreid
werd, vele hotels gebouwd zijn en tropisch regenwoud vernietigd is voor
een weg van 14 kilometer lang. De minister schrijft daar namelijk niets
over en stelt vooral dat COP30 in het teken stond van implementatie.
Maar wij zien vooral nieuwe routes, dialogen en werkprogramma's.
We lezen weer een oproep om nationale plannen verder aan te scherpen
richting 2035. BBB wil hier glashelder zijn: Nederland zit al klem op
zijn eigen doelen. Het stapelen van internationale ambities bovenop
nationale ellende helpt niemand. Mijn eerste vraag aan de minister is
dan ook: hoe kan zij garanderen dat Nederland zich na Belém niet opnieuw
vastlegt op extra jaartallen of aangescherpte doelen die hier simpelweg
niet uitvoerbaar zijn?
Voorzitter. Dan kom ik bij de internationale klimaatfinanciering. De
brief bevestigt dat de ambitie van 1.300 miljard dollar per jaar
richting 2030 nadrukkelijk in beeld blijft. 1.300 miljard! Hoe dan?
Waarom moeten Nederlanders opdraaien voor de kosten van landen waar geen
enkele basis op orde is en waar het geld als sneeuw voor de zon
verdwijnt? Diezelfde Nederlanders zien dat er in eigen land grote
tekorten zijn: woningnood, druk op voorzieningen, onzekerheid in de
regio. Kan de minister toezeggen dat Nederland verder geen geld bij gaat
dragen aan die 1.300 miljard dollar?
Voorzitter. BBB ziet wél het belang van adaptatie. Bescherming tegen
hoog water, droogte en extreem weer is noodzakelijk. Nederland heeft
daar kennis over en ervaring mee, maar ook hier dreigen we door te
schieten. Is de minister het met BBB eens dat adaptatie vooral moet gaan
over concrete maatregelen, zoals waterveiligheid, robuuste
infrastructuur en voedselzekerheid, en niet over extra uitgebreide
verantwoordingskaders?
Voorzitter. Over voedsel en landbouw lezen we in de brief veel
initiatieven, conferenties en deals, maar BBB mist een duidelijke
politieke lijn. Boeren zijn geen probleem; ze zijn onderdeel van de
oplossing. Internationale afspraken mogen nooit leiden tot het verder
onder druk zetten van onze voedselproductie of tot het framen van
landbouw als hoofdoorzaak van het probleem. Is de minister bereid
expliciet uit te dragen dat Nederland geen internationale afspraken
steunt die neerkomen op krimp van de veestapel in Nederland of op het
wegjagen van productie?
Voorzitter. Ik heb tot slot nog één punt. Tijdens COP30 kondigde
minister Hermans aan dat Nederland samen met Colombia een eigen
internationale top gaat organiseren over het uitfaseren van fossiele
brandstoffen. Dat is opvallend, want zo'n routekaart is op COP30 zelf
juist niet afgesproken. BBB vindt dit moeilijk te volgen. Als op de
klimaattop geen internationaal draagvlak is, waarom organiseert
Nederland dan een aparte meerdaagse conferentie om dit alsnog af te
dwingen? Wat is hier de meerwaarde van, behalve extra kosten en
symboolpolitiek, zeker gezien het huidige kabinetsbeleid, waarin
betaalbaarheid en leveringszekerheid centraal zouden moeten staan? Of
sorteert de minister hiermee voor op nieuw kabinetsbeleid van het
aanstaande experimentele minderheidskabinet?
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Vermeer. Ik zie een interruptie van mevrouw Van
Oosterhout. Gaat uw gang.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Ik hoor dat de heer Vermeer bezorgd is over ontbossing en de Amazone. Ik
ben eigenlijk heel blij om dat te horen. Ik vraag me af of dat betekent
dat de BBB zich nu ook in nationaal en internationaal verband gaat
inspannen om ontbossing daadwerkelijk tegen te gaan, bijvoorbeeld door
een snelle implementatie van de Europese anti-ontbossingswet.
De heer Vermeer (BBB):
Wij zijn tegen extra beperkingen. Ik ben wel heel blij dat bijvoorbeeld
de Nederlandse veevoederindustrie werkt met gecertificeerde veevoeders,
waarvan gegarandeerd wordt dat er geen ontbossing voor heeft
plaatsgevonden. Ook persoonlijk heb ik altijd achter dat soort
initiatieven gestaan toen ik nog in de veevoederindustrie werkte. Ik
denk dat we met die ontbossingsstrategie wel heel goed op moeten passen
dat wij ons verdienvermogen in Europa, en dus ook het vermogen om te
investeren in klimaatadaptatie, niet om zeep helpen door extra
beperkingen. En sowieso wil BBB geen enkele nationale kop op Europees
beleid.
De voorzitter:
Ik zie geen verdere interrupties. Dan geef ik het voorzitterschap weer
over.
Voorzitter: Vermeer
De voorzitter:
Dank u wel. Ik kijk even naar de minister om te zien hoeveel tijd zij
nodig heeft om de antwoorden te formuleren. Kunnen we om 13.45 uur
verdergaan?
Minister Hermans:
Ik moet nog even naar boven lopen. Ik wilde 14.00 uur voorstellen.
De voorzitter:
Oké, u gaat een hele lange route naar boven lopen. Nee, grapje. Is goed.
We gaan om 14.00 uur verder met de beantwoording van de minister.
Volgens mij kunnen we op deze manier allemaal bij de tweede termijn
zijn. Dank u wel. Ik schors de vergadering tot 14.00 uur.
De vergadering wordt van 13.35 uur tot 14.01 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. We gaan verder met het commissiedebat
Uitkomsten van de COP30. Ik geef graag het woord aan de minister van
Klimaat en Groene Groei voor haar eerste termijn namens het
kabinet.
Minister Hermans:
Dank, voorzitter. Ik zal de gestelde vragen beantwoorden langs de
volgende lijnen. Ik begin met een meer algemene terugblik, wat algemene
opmerkingen over COP30. Dan zal ik ingaan op alle vragen rondom de
conferentie die we samen met Colombia gaan organiseren en op een aantal
andere vragen over de uitkomsten van de COP, over de leiderschapsrol van
Nederland, over klimaatadaptatie en over de vraag hoe we nu verdergaan.
Dan zal ik ingaan op de vragen over financiering: de financiering van
vorig jaar en de afspraken daarover dit jaar. Dan is er nog het mapje
overig. Dat mag eigenlijk bijna geen naam hebben, maar er is een vraag
over COP36 en een vraag over methaan van mevrouw Teunissen. Die zal ik
tot slot beantwoorden.
Voorzitter. Ik begin met een terugblik, in wat algemenere termen, op de
afgelopen COP. Daar zijn door verschillende Kamerleden verschillende
woorden op geplakt. Laat ik het houden bij hoe ik daarop terugkijk. Mijn
beeld en mijn gevoel bij de vijf dagen dat ik daar was, zijn gemengd.
Het had op sommige onderdelen beter — beter is dan vooral concreter —
gemoeten. Tegelijkertijd had het ook slechter gekund. Het klinkt een
beetje als "halfleeg, halfvol". Soms is dat wat het is en heb je het in
zo'n ingewikkelde internationale, multilaterale context te stellen met
de situatie zoals die is en de opstelling van landen of groepen van
landen zoals die is. Ik ben daarbinnen als Nederlandse minister — omdat
we daar als Europese Unie optreden was dat natuurlijk in samenwerking
met mijn collega's uit Europa — zo pragmatisch mogelijk te werk gegaan:
waar kunnen we nu wel stappen zetten en waar kunnen we zorgen dat we in
elk geval geen stappen terugzetten? Dat laatste is, hoe vervelend soms
ook, ook de realiteit waar we mee te maken hebben. We hebben dus ook te
bewaken dat er geen stappen terug worden gezet.
Ik zoom in op het Mutirão-eindbesluit en de conclusies. Daar zitten een
aantal belangrijke punten voor Nederland en de EU in. Ten eerste is er
opnieuw het commitment dat landen vastberaden zijn om die 1,5 graad te
halen en de overschrijding te minimaliseren. We hebben het er gisteren
in een ander debat, over rapporten die verschijnen, al even over gehad
hoe lastig dat zal zijn. Dat erkent ook iedereen. Tegelijkertijd is er
dus dit commitment.
Ten tweede wordt het belang onderschreven van het beschikbaar houden en
blijven stimuleren van de best beschikbare wetenschap. Landen blijven
elkaar ook oproepen en aansporen om klimaatplannen volledig te
implementeren en zich in te spannen om eigenlijk nog ambitieuzer te zijn
en die plannen voorbij te streven. Dan gaat het met name om de doelen
voor 2035. Ik denk dat het goed is dat dat opnieuw in dat eindbesluit is
opgeschreven.
Desondanks geldt dat Nederland en de EU graag hadden gewild dat we
concretere afspraken hadden gemaakt en concretere stappen hadden gezet
om de bestaande afspraken te realiseren. Dan moeten we in het bijzonder
denken aan de ambities die op de COP28 zijn geformuleerd, namelijk dat
we sneller wegbewegen van fossiele brandstoffen en dat er een
verdrievoudiging van hernieuwbare energie komt. Hoe gaat dat er dan
uitzien? Wat voor stappen ga je daar dan concreet voor zetten? Denk
overigens ook aan concrete afspraken op het gebied van ontbossing.
In de aanloop naar de klimaatconferentie en in de eerste dagen van die
conferentie speelde dat idee van die routekaart voor dat uitfaseren van
fossiele brandstoffen. Die routekaart an sich stond vooraf niet op de
agenda van de klimaattop, maar kwam naar boven in de conferentie met
regeringsleiders. Die routekaart is dus uiteindelijk niet in het
eindbesluit terechtgekomen, maar het Braziliaanse voorzitterschap heeft
gezegd die routekaart met landen die daarvoor openstaan verder uit te
willen werken. Hetzelfde geldt voor een roadmap op het punt van
ontbossing.
Ten aanzien van het wegbewegen van fossiele brandstoffen heeft Nederland
— een aantal van u heeft daar ook aan gerefereerd — gezegd: de
conferentie die Colombia al eerder had aangekondigd te gaan organiseren,
gaan wij medeorganiseren. De gedachte daarachter is de volgende. Wij
hebben met elkaar ambities afgesproken. Ik noemde al de ambities van de
COP28. Je kan jaar op jaar ambities herbevestigen of bevechten dat ze
overeind blijven, maar op enig moment is de vraag: hoe gaan we dit dan
voor elkaar krijgen? Wat is er nodig om dit op een manier te doen dat
energierekeningen betaalbaar blijven, dat bedrijven de overgang ook
daadwerkelijk kunnen maken en dat we de transitie met al die
samenlevingen, met al die economieën, ook daadwerkelijk door kunnen
maken? Je ziet dat er een groep van landen is die zeggen: wij willen
graag voorwaarts energie daarin steken en ons daar actief voor inzetten.
We zouden misschien zeggen dat dat in de ideale wereld gewoon op de COP
moet gebeuren, maar dat gebeurt niet, dus dan vind ik dat je realistisch
en pragmatisch moet zijn. Met welke landen, met welke coalition of the
willing, kan je daar dan wel stappen in zetten? Dat is de reden, de
aanleiding, geweest voor mij om te zeggen dat Nederland zich hierbij
aansluit. Dit past ook in het kabinetsbeleid en het uitvoering geven aan
internationale afspraken die al eerder gemaakt zijn.
Ik hecht er ook grote waarde aan juist omdat we zien, zeg ik tegen de
heer Ceulemans, dat bijvoorbeeld de Rotterdamse haven het zwaar heeft
door allerlei internationale economische ontwikkelingen; maar het geldt
natuurlijk voor de industrie in den brede in Nederland en in Europa. Dan
staat ook nog dit grote vraagstuk voor de deur. Dat maakt dat je juist
internationaal moet samenwerken en afspraken moet maken. Hoe ga je samen
hand in hand door deze transitie, zodat we het gelijke speelveld
beschermen, we onze economieën beschermen en versterken en we natuurlijk
oog hebben voor de weerbaarheid? Dat is niet onbelangrijk; sterker nog,
het is ongelofelijk belangrijk in deze onrustige internationale
situatie.
De heer Ceulemans (JA21):
Dank aan de minister voor het antwoord. Dit bevestigt juist waar onze
vrees zit. De minister heeft zich op de COP hiervoor ingezet, wat je er
inhoudelijk ook van vindt. Daar is niet uit gekomen wat de minister
wilde. Vervolgens zegt zij: dan ga ik het alsnog proberen met een
coalition of the willing, met een beperktere groep landen. Daarmee wordt
Nederland nog verder op achterstand gezet en hangen we ons nog verder op
aan onmogelijke, onhaalbare doelen ten koste van welvaart en
werkgelegenheid in Nederland. Ziet de minister dat risico niet?
Minister Hermans:
Nee. Ten eerste waren de afspraken over deze conferentie en met een
groep landen al gemaakt voordat we überhaupt wisten wat er in de
eindconclusies van de COP terecht zou komen. Dat liep naast elkaar. Dat
kan volgens mij ook heel goed naast elkaar bestaan als je maar niet met
oogkleppen op zo'n conferentie in rent, maar echt kijkt naar wat er
gebeurt in de wereld en wat voor type afspraken je nodig hebt om dit op
een manier te kunnen doen dat je economisch sterk blijft. Sterker nog,
dat je ook in de toekomst economisch sterker wordt en dat je oog houdt
voor de betaalbaarheid. Dat is een ander vraagstuk in Colombia dan in
Nederland, maar dat neemt niet weg dat je samen afspraken daarover kan
maken. Sterker nog, dat moet je ook samen doen, want het risico dat de
heer Ceulemans schetst, zie ik in de situatie waarin we dat allemaal in
ons eentje gaan doen.
De heer Ceulemans (JA21):
Daar wil ik toch even op doorvragen. De minister zegt dat je er niet met
oogkleppen heen moet, maar ik vind het juist een voorbeeld van met
oogkleppen op acteren als je eerst op de COP ziet, ongeacht wat je ervan
vindt, dat er geen draagvlak is onder de brede groep landen die daar
vertegenwoordigd is om fossiel af te schalen, en dan vervolgens zegt:
wij gaan alsnog dat pad op met een beperkt aantal landen. Daardoor zet
Nederland zichzelf op achterstand. Daardoor knoopt Nederland zich
opnieuw op aan doelen die wij moeten nastreven, die veel verder gaan dan
waar de rest van de wereld zich aan houdt, wetende dat dat juist precies
hetgeen is waardoor onze industrie nu al zo onder druk staat.
Minister Hermans:
De heer Ceulemans schetst in zijn interruptie steeds een
volgordelijkheid waarmee ik het niet eens ben, maar laten we daar nu
even niet de discussie over voeren. Dit gaat over hoe je nu kijkt naar
het vraagstuk van het wegbewegen van fossiele brandstoffen. Dat is van
belang in het kader van de klimaatopgave die we hebben, maar het is
breder dan dat. Dit gaat ook over onze economie. Dit gaat ook over onze
veiligheid en over onze weerbaarheid. We willen wegbewegen van die
fossiele brandstoffen, juist omdat die ons op dit moment zo afhankelijk
maken in de wereld, met alle gevolgen van dien. Dan moet je het wel op
een verstandige manier doen. Dit gaat niet van vandaag op morgen. Dat
heb ik in Brazilië gezegd en ook bij terugkomst in Nederland en ik
herhaal het nu. Dit kan niet van vandaag op morgen, juist omdat we zien
dat we nog op zo veel plekken in Nederland — dat geldt ook in andere
landen — die fossiele brandstoffen nodig hebben. Maar dat we de
transitie moeten maken, staat wel als een paal boven water. Daar moeten
we mee doorgaan. Dat is juist de manier om onze economie voor de
toekomst te versterken en dan maak ik die afspraken graag in
internationaal verband, juist om de economie en het gelijke speelveld te
beschermen.
De voorzitter:
Heeft u toch nog een vraag hierover?
De heer Ceulemans (JA21):
Nee, geen vraag. Meer een ordepunt. Hoeveel interrupties hebben wij in
deze termijn?
De voorzitter:
Net als in de eerste termijn: vier.
De heer Ceulemans (JA21):
Dan laat ik het even hierbij.
De voorzitter:
Dank u. Minister, vervolgt u uw betoog.
Minister Hermans:
Voorzitter, dank. Over de conferentie met Colombia is een heel aantal
vragen gesteld. Die ga ik nu proberen allemaal te beantwoorden en als ik
iets vergeet, dan hoor ik dat ongetwijfeld.
Wij organiseren die conferentie eind april, 28 en 29 april, in Colombia.
De Colombianen hadden dit al eerder aangekondigd en hebben ons gevraagd
om die mede op te zetten en te organiseren. Wat we merkten tijdens
COP30, was dat er een momentum ontstond en ook positieve energie om met
een aantal landen te zeggen: kunnen we op dit specifieke onderwerp
doorpakken en concreter worden en hoe gaan we dat dan doen? Ik heb daar
net ook al een aantal dingen over gezegd. De kern van de conferentie,
zeg ik ook tegen mevrouw Van Oosterhout, is dat we daar in gesprek gaan
over wat er nodig is om op een sociaal en economisch verantwoorde manier
over te stappen van een op fossiele brandstoffen gebaseerd systeem op
een op hernieuwbare energie gebaseerd systeem. Uiteraard — dat herhaal
ik toch graag nog een keer — met oog voor betaalbaarheid en onze
concurrentiepositie.
Wat de gedachte nu is — we zitten echt nog in de beginfase van de
organisatie — is dat we rond verschillende thema's en invalshoeken over
dit kernthema spreken en daarop dus een aantal stappen met elkaar gaan
definiëren. Nederland zal in elk geval in Colombia een sessie voorzitten
over het uitfaseren van fossiele subsidies. Dat past ook bij onze rol
als trekker van de COFFIS, het internationale verband. We zijn nu aan
het kijken met Colombia en andere landen die een actieve rol willen
spelen wat voor andere onderwerpen, themasessies zij zouden kunnen
trekken, bijvoorbeeld over economische diversificatie, hernieuwbare
energie of het sociaal-economische spectrum.
Mevrouw Van Oosterhout vroeg wie er allemaal zijn uitgenodigd.
Voorzitter: Teunissen
De voorzitter:
Ik zie een interruptie van de heer Vermeer en ik zie dat de minister
naar het volgende punt wilde. Dus op dit punt de heer Vermeer.
De heer Vermeer (BBB):
Dank u wel, voorzitter. De minister zegt dat ze een sessie voor gaat
zitten over het uitfaseren van fossiele subsidies. Nou hebben wij in
Nederland elke keer al een discussie over wat nou een fossiele subsidie
is. Wat is de definitie van de minister hiervan?
Minister Hermans:
We hebben die internationale coalitie en daarin hebben we eigenlijk drie
stappen met elkaar afgesproken. Landen maken een lijst van wat ze nou
als land, nationaal, maar ook in internationaal verband, hebben aan
fossiele subsidies, zodat je een vergelijking kunt maken. Het kan
namelijk, precies zoals de heer Vermeer zegt, weleens uiteenlopen in
landen. Overigens kunnen we er hier in Nederland ook discussie over
hebben. Dat is helemaal niet erg. Daarom zijn die lijsten juist goed,
want daarmee wordt het expliciet en kun je het gesprek voeren. Als je
nationaal of internationaal besluit om een bepaalde subsidie uit te
faseren of af te bouwen, dan kun je ook zien waar dat dan potentieel
effect heeft, bijvoorbeeld in de portemonnee van mensen thuis of op de
investeringscapaciteit van bedrijven. Dat is een eerste stap in wat we
hebben afgesproken, namelijk dat landen zo'n inventarislijst leveren.
Een volgende stap is dat landen hun eigen uitfaseerplan presenteren. Een
derde stap is kijken hoe je van elkaar kan leren en hoe je samen stappen
kan zetten, zeker in internationaal verband, omdat heel veel van die
subsidies, of fossiele voordelen, Europees of zelfs mondiaal ingebed
zijn.
De heer Vermeer (BBB):
Dit is een vrij algemeen antwoord, maar er zijn partijen in de Kamer die
vinden dat het niet-heffen van een brandstofaccijns op olie als
grondstof ook een subsidie is. Als al die fossiele subsidies op een rij
gezet worden, zet de minister het niet-heffen van brandstofaccijns op
olie die als grondstof gebruikt wordt dan wel of niet op haar lijst van
subsidies? Dit is een gesloten vraag, dus ik zou daar graag een helder
ja of nee op willen horen.
Minister Hermans:
In de Miljoenennota presenteren wij een lijst van fossiele subsidies.
Volgens mij noemen we het daarin "fossiele voordelen". Het vorige
kabinet deed dat al en dit kabinet heeft dat voortgezet. Ik zeg niet dat
je daar zomaar in één keer een streep doorheen moet zetten. De heer
Vermeer schetst terecht dat die subsidies zowel nationaal als
internationaal niet allemaal een-op-een vergelijkbaar zijn. Ergens een
streep doorheen zetten of afbouwen heeft natuurlijk ook ergens een
effect. Dat moet je wegen. Daarom is het niet heel makkelijk om deze
vraag eenduidig met een simpel ja of nee te beantwoorden. Wel vind ik
het belangrijk om in deze discussie te beginnen met de vraag waar we het
eigenlijk over hebben en om die lijst inzichtelijk te maken. Dat doen we
dus in de Miljoenennota. In de bijlage van de brief voorafgaand aan de
COP, waar het Nederlandse uitfaseerplan bij zat, staan die subsidies en
voordelen ook allemaal opgesomd.
De voorzitter:
Dit wordt de derde interruptie van de heer Vermeer. Nee, hij ziet ervan
af. Dan geef ik het voorzitterschap weer over.
Voorzitter: Vermeer
De voorzitter:
Dank u wel. Ik geef het woord aan de minister.
Minister Hermans:
Dank, voorzitter. Ik ga verder met een vraag van mevrouw Van Oosterhout.
Zij vroeg wie we hebben uitgenodigd voor de conferentie. We hebben
ongeveer 60 landen uitgenodigd. Dat zijn landen die hebben aangegeven
bereid te zijn om op een constructieve manier een bijdrage te leveren
aan het verder brengen van deze ingewikkelde discussie. We hebben ook
gekeken om een zo breed mogelijke groep deelnemers uit verschillende
regio's met verschillende achtergronden straks in Colombia
vertegenwoordigd te laten zijn. Dat zijn dus niet alleen Europese
landen, maar ook landen uit andere werelddelen.
De heer Klos vroeg hoe Europa vertegenwoordigd is. Er is een aantal
Europese landen uitgenodigd. Ook de Eurocommissaris, Commissaris
Hoekstra, hebben we uitgenodigd, vanwege zijn bevoegdheid en mandaat om
in Europees verband stappen te zetten op dit thema.
De heer Klos vroeg mij ook of je straks kunt zeggen dat de uitkomsten
van de conferentie een-op-een gesteund worden door de 27 EU-lidstaten.
Nee, dat kan niet. Ze zijn daar namelijk niet alle 27 vertegenwoordigd.
Wel zal ik de uitkomsten natuurlijk inbrengen bij mijn collega's in de
Europese Milieuraad en de Energieraad, om te kijken hoe we dat Europees
verder kunnen brengen. Ik hoop dat mijn opvolger dat met dezelfde
intentie zal doen. We zijn op weg naar COP31 en uiteindelijk moeten we
als Europa weer met één inzet verschijnen in Turkije.
Voorzitter. Zowel Nederland als Colombia, maar ook de landen die zich
aangesloten hebben bij het initiatief, zeiden al snel "wij willen graag
komen". Je wil verder ook het maatschappelijk middenveld en het
bedrijfsleven een plek geven. Heel veel organisaties hebben ons
benaderd. Hoe we het precies gaan vormgeven, is op dit moment onderwerp
van gesprek met Colombia. Colombia is op dit moment van plan, en ik denk
ook dat dat verstandig is, om voorafgaand aan de conferentie op 24 en 25
april maatschappelijke partijen, wetenschappers en andere
geïnteresseerden de gelegenheid te bieden om op een bijeenkomst te
spreken over dit onderwerp. Het is wel de bedoeling dat de partijen die
bijeenkomst zelf organiseren. Wij zijn daar dus verder niet bij
betrokken, anders dan dat we wel meedenken over hoe dat eruit kan gaan
zien. Maar dat is dus hoe we kijken naar wie we uitnodigen en naar hoe
we dit soort partijen een plek geven.
De voorzitter:
Mevrouw Van Oosterhout heeft daar een vraag over.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Ik hoor de minister zeggen dat ook het bedrijfsleven een rol zal spelen
tijdens deze bijeenkomst, deze conferentie. We weten allemaal dat er
mede door de rol van de vele fossiele lobbyisten vaak geen vooruitgang
wordt geboekt bij dit soort klimaattoppen. Ik hoop daarom dat ik ervan
uit mag gaan dat in ieder geval de fossiele industrie niet zal worden
uitgenodigd voor deze conferentie.
Minister Hermans:
Niet voor niks zitten we nu met Colombia op de lijn om die conferentie
op 28 en 29 april echt een conferentie met landen te laten zijn. De
dagen daarvoor willen we dus iets met andere partijen en organisaties
doen. Als ik het heb over het bedrijfsleven, dan … Kijk, er zijn
natuurlijk ook organisaties zoals de We Mean Business Coalition en de
World Business Council for Sustainable Development. Daar zitten ook
partijen uit het bedrijfsleven in die intrinsiek gemotiveerd zijn om te
verduurzamen en om hier stappen in te zetten. Maar die zoeken ook naar
een goede manier om op een gezonde manier die overgang te kunnen maken.
Daar zou ik wel echt ruimte aan willen geven.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Maar dat is dus de toezegging dat er geen vertegenwoordigers van de
fossiele industrie aanwezig zullen zijn bij deze conferentie.
Minister Hermans:
Ik weet nog niet exact hoe de deelnemerslijst eruitziet, maar ik zeg u
nu al wel dat die bijeenkomst op 28 en 29 april echt bedoeld is als een
… De conferentie die wij met Colombia organiseren, is er dus echt op
gericht dat landen met elkaar in gesprek gaan. En ja, daar zullen ook
sprekers zijn, want je wilt je natuurlijk ook laten inspireren. Wie dat
precies zullen zijn, weet ik gewoon nog niet en daarom ga ik er nu ook
geen toezegging over doen.
Voorzitter: Teunissen
De voorzitter:
Een interruptie van de heer Vermeer.
De heer Vermeer (BBB):
Ik word getriggerd door de interruptie van mevrouw Van Oosterhout. Ik
zou er juist bij de minister voor willen pleiten dat het bedrijfsleven
hier wel bij betrokken wordt, want het bedrijfsleven hebben wij juist
nodig voor bijvoorbeeld het ontwikkelen van alternatieven voor fossiele
brandstoffen. Het grootste volume biobrandstof komt op dit moment gewoon
bij bedrijven vandaan en niet bij ngo's of politieke partijen! Kan de
minister wel of niet bevestigen dat het bedrijfsleven juist een
belangrijke rol heeft in dit hele proces?
Minister Hermans:
"Het bedrijfsleven" is natuurlijk een heel brede term. Ik noem het
bedrijfsleven en ook twee type organisaties, omdat daar volgens mij een
type bedrijven zit, waartegen mevrouw van Oosterhout niet direct bezwaar
zal maken als die deelnemen aan zo'n conferentie of bijeenkomst,
voorafgaand aan die tweedaagse conferentie die wij mede organiseren. De
vraag van mevrouw Van Oosterhout ziet heel specifiek op de fossiele
industrie, om even haar woorden te herhalen. Daarover heb ik gezegd dat
ik nu niet kan toezeggen dat iemand er per definitie wel of niet bij is.
Ik snap tegelijkertijd ook het punt dat de heer Vermeer maakt, want je
wilt het bedrijfsleven er wel bij betrekken. Ik vind die betrokkenheid
juist zo belangrijk, omdat we willen komen tot een afbouwpad, tot een
wegbewegen van fossiele brandstoffen, dat gaat werken voor onze
economieën en onze bedrijven in die economieën. Tegelijkertijd wil je
ook niet dat de positieve energie mogelijk wordt tegengehouden door
bedrijven die daar niet op zitten te wachten. Maar daar zullen we dus
aandacht voor hebben in de vormgeving.
Voorzitter: Vermeer
De voorzitter:
Gaat u verder, minister.
Minister Hermans:
Dank, voorzitter. Dan ga ik naar de vragen: wat willen we dat eruit komt
en hoe geven we opvolging aan de uitkomsten van de conferentie? Dit is
onderdeel van het gesprek dat we voeren. Ik vind het belangrijk dat in
elk geval de coalitie van landen die zich hier actief voor inzet en
concreet afspraken wil maken bij elkaar blijft, een aantal eerste
stappen definieert om weg te bewegen van fossiele brandstoffen en zegt
hiermee door te willen gaan, zodat het niet bij één conferentie blijft.
Er hebben zich ook al landen gemeld die zeggen: wij zouden wel een
volgende conferentie willen organiseren.
Mevrouw Van Oosterhout vroeg: is het nou de bedoeling of inzet van de
minister om in Colombia tot die roadmap over fossiele brandstoffen te
komen waar in Brazilië niet toe besloten is? Ik denk dat dat niet de
uitkomst is van een tweedaagse conferentie. Dat vraagt echt meer. Dat
was er in Brazilië ook niet zomaar uitgekomen. Maar daar was de gedachte
natuurlijk om te definiëren en concreter in kaart te krijgen wat voor
stappen je nou moet zetten. Ik zou ook graag zelf willen kijken hoe je
tot een uitkomst komt die je kan bundelen en kan inbrengen op weg naar
COP31. Gister hebben collega's weer een call gehad met collega's in
Colombia. Dat gaat de komende tijd door. Zodra er meer over bekend is,
zal ik de Kamer daar natuurlijk over informeren. Ik sta ook absoluut
open voor ideeën daarover. We doen dit ook voor het eerst op deze
manier. Dit moeten we dus ook met elkaar vormgeven.
Voorzitter. Tot slot een vraag van mevrouw Van Oosterhout over de
mogelijke impact van de situatie in Venezuela op de conferentie. Op dit
moment hebben we geen indicatie dat de spanningen impact hebben op de
voorbereidingen of de conferentie zelf. Dat blijven we natuurlijk heel
goed in de gaten houden. Daar hebben we ook overleg over met Colombia.
Als er iets gebeurt en we daarop moeten handelen, dan zullen we dat
natuurlijk doen. Maar dit is de situatie op dit moment. Dat kunnen we
ook zeggen naar aanleiding van contacten die er tussen de Verenigde
Staten en Colombia zijn geweest om spanning die daar zat weg te nemen.
Op dit moment ziet dat er dus goed uit en zien wij geen impact op de
conferentie.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Mijn vraag ging niet over de impact van de spanningen in Venezuela, maar
over de impact van de directe bedreigingen die Trump heeft geuit
richting Colombia.
Minister Hermans:
Daar refereerde ik in het tweede stuk van mijn antwoord aan. Ik zei dat
er contact is geweest tussen de Verenigde Staten en Colombia, en dat die
spanningen voor nu … Nou ja, of ze weg zijn, kan ik natuurlijk niet
vanuit hier inschatten. Daar wil ik echt voorzichtig mee zijn. Die
spanningen hebben voor Colombia voor nu geen negatieve impact op de
voorbereidingen of de conferentie zelf, zo hebben ze ons ook laten weten
in de contacten. Maar wij blijven dit monitoren en blijven er natuurlijk
ook met Colombia het gesprek over voeren.
Voorzitter. In het verlengde van deze conferentie is een aantal vragen
gesteld over de afbouw van fossiele energiedragers. Mevrouw Teunissen
vroeg mij onder andere of ik bereid ben om op korte termijn zo'n
afbouwstrategie te ontwikkelen. Als ik het mij goed herinner, hebben wij
vlak voor de kerst nog een debat gehad, waarin mevrouw Teunissen ook nog
een motie heeft ingediend die hierover ging en waarin ik heb aangegeven
dat wij met een actualisatie komen van het Nationaal Plan
Energiesysteem. Ik denk dat dat met Prinsjesdag zal zijn, na de zomer
van dit jaar. Daarin zit het plan voor energiebesparing en de opbouw van
het hernieuwbare energiesysteem. Daaruit volgt natuurlijk ook de afbouw
van fossiele energiedragers, wat boven op de al vastgestelde einddatum
voor de kolencentrales komt. Ik heb dus al toegezegd dat we daarmee
komen. Dat wilde ik nog een keer herhalen, maar misschien bedoelde
mevrouw Teunissen wel iets anders of aanvullends. Ik zou haar dan willen
vragen dat nog even te expliciteren.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Het klopt dat we het er voor het reces over gehad hebben, maar ik stelde
de vragen ook in het licht van wat Trump heeft gedaan in Venezuela. We
zien nu dat hij met die illegale aanval expliciet fossiele markten
probeert te openen. Tegelijk is Nederland nog steeds afhankelijk van
olie en gas uit de VS en hebben we die afhankelijkheid alleen maar
vergroot omdat we van de afhankelijkheid van Rusland af wilden. Dat was
terecht, maar daarmee zitten we weer vast aan een onbetrouwbare actor.
Mijn vraag is dus eigenlijk of we dit niet kunnen versnellen naar
aanleiding van wat er in Venezuela is gebeurd en voor onze veiligheid.
Kunnen we niet toch op een bepaalde manier de onafhankelijkheid en de
plannen daarvoor versnellen?
Minister Hermans:
Ik ben het met mevrouw Teunissen eens dat de instabiliteit en de onrust
in de wereld in het algemeen het belang onderstrepen van werk maken van
die onafhankelijkheid. Dat gaat om het wegbewegen van fossiele
brandstoffen. Dat ziet natuurlijk ook op kritieke grondstoffen, dus dat
is breder dan alleen het energiedeel, waar we het nu over hebben. Wij
zetten op dit moment dus ook alles op alles om die onafhankelijkheid zo
snel mogelijk te beperken of verkleinen. Ik ga nu een paar dingen
noemen. Ik weet dat mevrouw Teunissen het daar niet direct mee eens zal
zijn, maar het is in dit kader wel relevant. We hebben dat sectorakkoord
over de versnelling van gaswinning op de Noordzee gesloten omdat je wat
je dicht bij huis wint, niet verder weg hoeft te importeren. We zetten
in op de spreiding van de herkomst van onze import. Daar hebben we het
gisteren in het debat over gas ook over gehad. Ik heb afgelopen week in
Limburg op industrieterrein Chemelot samen met de Eurocommissaris
Séjourné de chemische alliantie gestart; we hadden de eerste bijeenkomst
daarvan. Die ziet echt op samenwerking van de chemische industrie in
Europa om te kijken hoe we de industrie kunnen verduurzamen, maar wel in
Europa kunnen houden, zodat we ook hier productie blijven hebben en ons
wat dat betreft niet afhankelijk maken.
Ik zie mevrouw Teunissen al een beetje nee schudden. Ik weet dat zij het
niet eens is met al deze stappen, omdat ze liever heeft dat ik zeg dat
we van vandaag op morgen met alles stoppen, maar helaas is dat niet
realistisch gezien de hoeveelheid huizen in Nederland die nog verwarmd
worden en koken op gas. We zijn met een afbouw bezig, maar dat moet op
een realistisch tempo dat iedereen kan meemaken in de uitvoering en de
portemonnee.
De voorzitter:
Mevrouw Teunissen heeft daar toch nog een vraag over.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Zeker, voorzitter. Twee dingen hierover. Zo'n Nationaal Plan
Energiesysteem klinkt mooi, maar is natuurlijk niet toereikend gezien de
realistische situatie van dit moment. Als we kijken naar de olie- en
gasimport vanuit de VS, zien we dat die niet wordt gebruikt voor de
verwarming van onze huizen, maar vooral voor de fossiele industrie.
Daarvoor importeren we olie, bijvoorbeeld voor de olieraffinaderijen.
Dat is dus mijn vraag. Om tot onafhankelijkheid te komen moeten we niet
alleen het Nationaal Plan Energiesysteem hebben, maar moeten we nu als
de wiedeweerga aan de slag met een strategie. Hoe zorgen we dat onze
industrie nu ook daadwerkelijk op korte termijn onafhankelijk wordt? Ik
zie er in het verhaal van de minister eerlijk gezegd geen
aanknopingspunten voor dat het kabinet daar nu echt mee aan de slag
is.
Daarnaast hoor ik dan inderdaad over meer gaswinning op de Noordzee om
dan maar onafhankelijk te zijn. Mevrouw Van Oosterhout merkte in haar
bijdrage terecht op dat het grootste veiligheidsrisico waarmee we te
maken hebben, klimaatverandering is. Het is dus ook vanuit de
portefeuille van deze minister niet logisch om te zeggen: we willen
onafhankelijk worden, dus dan gaan we maar nieuw gas winnen. Ik mis dus
een integraal plan met klimaat als uitgangspunt, waarmee we de afbouw
van onze afhankelijkheid versnellen. Dat was mijn vraag aan de minister:
wil ze zich daarvoor inzetten?
Minister Hermans:
Nu ga ik toch een paar opmerkingen maken, want hier wordt wel heel veel
op één hoop gegooid en onterecht weggelaten. We zijn ook bezig met de
verduurzaming van de industrie hier in Nederland. Ja, we hebben
olieraffinaderijen en ja, die hebben ook duurzaamheidsdoelen. Daar
gebeurt van alles. We hebben in het voorjaar een hele discussie gehad
over hoe je de zogenaamde raffinageroute vormgeeft, zodat ook daar
bioraffinage gaat plaatsvinden. Dus dat daar niks gebeurt, dat daar geen
stappen worden gezet, is gewoon onzin. Dat mevrouw Teunissen dat
misschien sneller zou willen of zou willen dat ik dat allemaal nog
dwingender zou doen, is allemaal prima, maar ik probeer ook oog te
houden voor een industrie die ik heel graag overeind houd hier in
Nederland. We hebben er helemaal niets aan om die bedrijven omver te
duwen, zodat ze over de grens net zo vervuilend blijven produceren. Dan
zijn we overigens ook nog eens de werkgelegenheid kwijt. Ook is het
ongelofelijk slecht voor onze veiligheid en onze weerbaarheid, want ze
maken producten die we elke dag nodig hebben voor onze bescherming en
overigens ook voor de isolatie van woningen. Die producten maak ik
liever dicht bij huis dan verder weg. Dat is één.
Twee. Wat continu gebeurt in debatten, ook hier, en waar ik het echt mee
oneens ben, is dat klimaat, economie en veiligheidsbeleid tegenover
elkaar worden gezet, alsof het een of-ofvraag is. Maar het is en-en-en.
We moeten werken aan het schoner doorgeven van dit land en van de
wereld. We moeten werken aan het versterken van onze economie. Daar heb
je schone energie die dicht bij huis geproduceerd is, voor nodig. Dat is
cruciaal, ook voor onze concurrentiepositie, bijvoorbeeld ten opzichte
van China, en voor onze veiligheid, die ook weer gaat over het
produceren van onze eigen energie, omdat dit ons onafhankelijker maakt.
We hebben het volgens mij weleens over de driehoek gehad. Dat zijn die
drie onderwerpen, waarbij we op alle drie tegelijkertijd inzet moeten
plegen en die we in balans met elkaar moeten vormgeven, omdat we nu
eenmaal zien dat niet alleen in de wereld, maar ook in Nederland de
situatie niet alleen maar rooskleurig is. Met die ingewikkelde context
moet je rekening houden. In die context geef ik vorm aan het klimaat- en
energiebeleid. En ja, daar hoort ook bij dat we het potentieel van gas
dat we in Nederland hebben op de Noordzee, benutten. Dat is gewoon een
flink potentieel. Daar hebben we afspraken over gemaakt met partijen. Ik
vind het van belang dat we dat doen. Dat is niet het enige. Ja, we
hebben ook die import nodig en ja, die import moeten we diversificeren,
dus dat doen we ook. Het is dus echt een veelheid aan activiteiten en
maatregelen die we nemen en beleid waar we op inzetten. Dat is echt
nodig, zeg ik nogmaals. Daar sta ik ook helemaal achter.
Tot slot. In het Nationaal Plan Energiesysteem geven we vorm aan hoe ons
energiesysteem van de toekomst eruitziet. Een eerste NPE is uit mijn
hoofd gezegd twee jaar geleden, misschien drie jaar geleden,
gepubliceerd. Met alle ontwikkelingen van de afgelopen tijd is het van
groot belang om die te actualiseren. Dat doen we dus ook. Daarin gaan we
in op de opbouw van hernieuwbaar en de afbouw van ons
fossiele-energiesysteem.
De voorzitter:
Mevrouw Teunissen. Ik hoop wel dat u niet weer dezelfde vraag gaat
stellen omdat het antwoord misschien niet helemaal past.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Voorzitter, ik probeer echt te verduidelijken waar ik naartoe wil. Ik
heb één punt gemaakt over dat de minister zegt dat zij er integraal naar
kijkt. Maar dat doe je niet als je inzet op nieuwe gaswinning. Je moet
klimaat als randvoorwaarde stellen en daarbinnen bepalen hoe we onze
economie gaan inrichten. Die nieuwe gaswinning zorgt ervoor dat we nog
jarenlang aan contracten vastzitten en dat we grote investeringen doen.
Wat betreft dat gas een transitiebrandstof is: daar hebben we helaas
geen tijd meer voor. De vraag is heel concreet. De minister zegt: er
zijn bioraffinagebedrijven waarmee we in gesprek zijn. Dat is nou
precies waarom ik een pleidooi houd voor een afbouwstrategie. Maak het
nou concreet. Bedrijven zeggen het zelf ook. Duurzame bedrijven zeggen:
overheid, kom nou met regie, kom nou met duidelijkheid. Is de minister
bereid … Ik zeg het nogmaals, want anders blijven we maar meer olie en
gas uit de VS halen en is dit weer een langetermijnplan: kom met een
specifiekere strategie om bijvoorbeeld de bioraffinage sneller in gang
te zetten, eventueel met subsidies, zodat we de olieafhankelijkheid
kunnen afbouwen. Dat is mijn vraag.
Minister Hermans:
Mevrouw Teunissen zei een paar dingen die ik niet zo gezegd heb. Maar
dat laat ik even voor wat het is, want anders gaan we tot in allerlei
details daarop door. Ik heb specifiek over de gaswinning eerder al
toegezegd dat we gewoon verdergaan met het vraagstuk hoe die afbouw
eruit gaat zien, ook in relatie tot dat sectorakkoord land, waaraan
gewerkt wordt, en de herziening van de Mijnbouwwet. Wat niet gaat
gebeuren, is dat ik nu zeg dat we helemaal niks meer op de Noordzee gaan
doen. We hebben dat gas namelijk nodig in de transitie. We hebben CCS
ook nodig, want je wil opslaan wat we nu nog uitstoten. Misschien zijn
dat allemaal geen vormen waar mevrouw Teunissen voorstander van is. Maar
als ik met een realistische bril kijk naar waar we nu staan en welke
stappen we moeten en kunnen zetten in de komende jaren, dan moet je ook
de potentie op de Noordzee benutten. Tegelijkertijd moet je met de
industrie verder werken aan de verduurzaming. We hebben daar gelukkig
ook het ETS-systeem voor; dat blijft ook gewoon bestaan. We hebben
nationaal beleid. In Europa komt er vanuit de Clean Industrial Deal ook
nog allerlei aanvullend beleid. Het is dus niet zo dat dit het is en dat
het hierbij blijft. Het is en, en, en: én kijken wat je aanvullend op de
Noordzee moet doen én kijken naar hoe we die verduurzaming van de
industrie voortzetten.
De voorzitter:
Ik wil de minister toch wel graag vragen om te antwoorden op de vraag
van mevrouw Teunissen of er een specifieke strategie voor bioraffinage
komt.
Minister Hermans:
Ja, maar daar zat precies het punt. Ik zei niet dat ik aan het praten
ben over de bioraffinage — overigens doen we dat ook — maar ik zei dat
we voor de raffinagesector in Nederland, voor de hele industrie in
Nederland, verduurzamingsdoelen hebben. Dat leidt ook tot
bioraffinageprocessen, bijvoorbeeld langs die raffinageroute waarover we
in het voorjaar afspraken hebben gemaakt. Het is dus niet zo dat daar
niks op gebeurt. Dat was het punt dat ik in mijn vorige antwoord ook al
maakte.
De voorzitter:
De minister geeft dus aan dat er een strategie is. Dank. Voldoende zo,
mevrouw Teunissen?
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Ja.
De voorzitter:
Dan geef ik graag het woord weer aan de minister.
Minister Hermans:
Mevrouw Teunissen had nog een vraag over de fossiele reclames. Ik heb
daar al vaker met mevrouw Teunissen over gedebatteerd. In december
afgelopen jaar, in 2025, hebben we nog een brief gestuurd over de
uitspraak inzake het reclameverbod van de gemeente Den Haag. Die
uitspraak geeft onvoldoende aanleiding om een nationaal verbod te
overwegen. Het is niet per definitie onmogelijk, maar er zijn nog wel
een flink aantal juridische uitdagingen en onzekerheden die invoering
hiervan, in elk geval op afzienbare termijn, niet opportuun maken.
Bovendien lijkt de invoering van een nationaal verbod zonder dat er
gelijktijdig sprake is van flankerend beleid op grond van
beleidsinhoudelijke overwegingen, niet effectief.
Dan vroeg mevrouw Teunissen nog of ik kan toezeggen dat er in de periode
totdat er een nieuw kabinet is geen nieuwe subsidies worden toegekend
door dit kabinet. Ik denk dat het niet echt voor de hand ligt dat het
nog aan mij of aan dit kabinet is om dit type besluiten te nemen, gelet
op de demissionaire status van dit kabinet en de planning die de
formerende partijen hebben afgesproken en gecommuniceerd met de Kamer.
Tegelijkertijd vind ik het ook risicovol om nu dingen volledig uit te
sluiten, want je weet niet wat er in de komende weken gebeurt. Dat ga ik
dus ook niet doen. Ik acht het niet heel waarschijnlijk, maar ik ga het
niet uitsluiten. Volgens mij heb ik hiermee alle vragen over fossiele
subsidies en Colombia afgerond.
De voorzitter:
Ik zie geen verdere interrupties. Dan kunnen we nu verder met het blokje
financiering.
Minister Hermans:
Nee, voorzitter, ik heb nog wel wat vragen liggen. Ik was eigenlijk nog
bij de terugblik op de klimaattop.
De voorzitter:
Oké.
Minister Hermans:
Je zou bijna vergeten waar het debat over gaat! Maar goed, ik ga daar nu
nog even op door.
Mevrouw Van Oosterhout, maar eigenlijk ook de heer Jumelet, stelden de
vraag wat Nederland nou kan doen om in internationale
klimaatonderhandelingen en op het internationale klimaatspeelveld die
leidende rol te blijven vervullen. We zagen dat het op de COP lastig is
om tot unanimiteit of consensus te komen. Ik zei het volgens mij in mijn
inleiding al: je werkt natuurlijk het liefst met multilaterale
afspraken, maar daar waar dat niet lukt, zul je ook pragmatisch moeten
zijn. We hebben ons ook altijd gerealiseerd dat dit niet de enige manier
is. Daar komt dat initiatief met Colombia onder meer vandaan. Wij zullen
onze rol als aanjager binnen de COFFIS wel blijven vervullen. Ik hecht
eraan dat dit soort initiatieven wel in internationaal verband gebeuren,
juist met het oog op onze concurrentiepositie. Dit zijn echter wel
initiatieven waarmee Nederland op het internationale speelveld een rol
kan blijven spelen.
Daar zeg ik direct bij dat wij die rol ook kunnen spelen op het gebied
van klimaatadaptatie; dat was een vraag van de heer Jumelet. Daarin
speelt Nederland een belangrijke rol, zeker gezien de kennis en ervaring
die wij op dat gebied hebben.
De heer Jumelet vroeg mij ook wat we hierin mogelijk nog meer kunnen
doen. Denk aan programma's met Nederlandse waterschappen en
drinkwaterbedrijven, zoals de Blue Deal en WaterWorks. Daarbij wordt er
heel specifiek Nederlandse kennis en technologie gebruikt om de
capaciteit van lokale drinkwaterautoriteiten te verbeteren en mensen te
voorzien van schoon, veilig en voldoende drinkwater. Dan is er nog het
programma Partners voor Water, waar Nederland ook aan deelneemt. Daarin
zetten we echt extra in op klimaatadaptatie en het uitwisselen van
kennis over water. Vanuit de LVVN-kant zijn er, specifiek voor voedsel
en landbouw, nog allerlei netwerken en coalities waar we aan deelnemen.
De komende dagen is Nederland ook weer vertegenwoordigd bij een
landbouwconferentie in Berlijn. We blijven ons hier actief voor
inzetten, natuurlijk in samenwerking met een aantal van onze
gerenommeerde kennisinstituten, zoals Deltares en Wageningen. Natuurlijk
gebruiken we ook de kennis uit Delft.
Voorzitter. Dan vroeg de heer Jumelet mij ook naar de routekaart wat
betreft ontbossing, naar de verwachtingen die daarover in Brazilië
gewekt zijn en naar een bijdrage van Nederland daaraan. Om heel precies
te zijn: we zijn nog in afwachting van het exacte vervolg dat Brazilië,
het land dat het voorzitterschap heeft, daaraan wil geven. Het
initiatief als zodanig juicht Nederland toe. Het doel van die routekaart
is om ervoor te zorgen dat we het doel dat we eerder met elkaar hebben
afgesproken, ook daadwerkelijk halen. Maar we zijn nu echt in afwachting
van de verdere uitwerking. Als we dat weten, kunnen we natuurlijk ook
bepalen hoe we daar als Nederland verder invulling aan geven en een
bijdrage aan leveren.
De heer Vermeer gaf in het kader van adaptatie aan dat het vooral zou
moeten gaan over concrete maatregelen en niet over uitgebreide
verantwoording, als ik het zo even kort mag samenvatten. Ik wil
benadrukken dat beide zaken belangrijk zijn. Bij adaptatie die erop
gericht is om de weerbaarheid wat betreft de gevolgen van
klimaatverandering te versterken, gaat het natuurlijk om het nemen van
de juiste maatregelen, de maatregelen die passen bij de problemen waar
een land of een regio mee te maken heeft. Voor het kiezen van de juiste
maatregelen heb je die verantwoordingskaders juist weer nodig. Daarvoor
is het belangrijk dat we de indicatoren hebben, en dat dit ook de juiste
indicatoren zijn. Dus je hebt die verantwoording nodig. Ik ben het met
de heer Vermeer eens dat die verantwoording wel in balans moet zijn.
Uiteindelijk gaat de aandacht naar het implementeren van de juiste
maatregelen.
Nu ik het over implementatie heb: de heer Jumelet vroeg naar de
implementatieversneller. Als ik het me goed herinner, vroeg de heer
Ceulemans daar ook naar. Wat is het precies en wat is het doel ervan?
Misschien vroeg alleen de heer Jumelet ernaar.
De voorzitter:
Volgens mij stelde de heer Ceulemans geen vraag, maar dropte hij wat
meningen.
Minister Hermans:
Ja, dat proefde ik wel uit zijn bijdrage, voorzitter. Wat die
implementatieversneller betreft: ik ben het eens met wat de naam
suggereert, we moeten de implementatie versnellen. Maar over wat het
precies inhoudt zijn wij ook nog in afwachting. Wij wachten op de
uitwerking. Zodra daarover meer bekend is, deel ik dat uiteraard met de
Kamer.
De heer Jumelet vroeg verder wat de kansen voor Nederland zijn om een
leidende rol te spelen in het TIP-programma, het Technology
Implementation Program, specifiek voor land- en tuinbouw. Ook op dit
onderwerp hebben we natuurlijk veel kennis en kunde, die we ook buiten
Nederland en buiten Europa graag inzetten. Onze inschatting is dat dat
TIP-programma daarvoor niet de meest geschikte plek is. Wel wil ik, zeg
ik tegen de heer Jumelet, samen met de collega's van LVVN en BHO kijken
naar bestaande instrumenten, waar we onze kennis en kunde het beste
kunnen inzetten en ook of er een route is richting dat TIP om ook land-
en tuinbouwkennis in te zetten.
De voorzitter:
De heer Jumelet heeft daar nog een vraag over.
De heer Jumelet (CDA):
Ja, eigenlijk ter ondersteuning van wat de minister zegt. Inderdaad moet
het nog verder worden uitgewerkt, dat begrepen wij ook. Maar de
tuinbouwsector heeft zichzelf gemeld, juist om een rol te spelen. Ik
vind het heel belangrijk om dit te noemen. Technologie kan bij uitstek
CO2-emissies tegengaan. We hebben natuurlijk Kas als
Energiebron en zo zijn er een heel aantal mooie voorbeelden. Zelf melden
ze ook dat dit tijdens de COP30 aan de orde is geweest. Ik zou me kunnen
voorstellen dat dit een handreiking is om hier verder op door te gaan en
LVVN hierop aan te spreken.
Minister Hermans:
Laat ik dat betrekken bij wat ik net heb toegezegd, dus dat ik met de
collega van LVVN bekijk hoe de Nederlandse land- en tuinbouwsector
kennis en kunde beschikbaar kan stellen aan dat TIP.
De heer Ceulemans vroeg nog naar het Global Initiative for Information
Integrity on Climate Change. Wat is het precies? Doet het niet af aan
het vrije publieke debat over klimaat? In de aanloop naar de COP, maar
eigenlijk breder in de context van wat we internationaal zagen gebeuren
en het ter discussie stellen van de klimaatwetenschap, hebben we, onder
andere naar aanleiding van een aantal moties en vragen van mevrouw
Kröger, ons aangesloten bij het initiatief. Ik hecht daar ook grote
waarde aan, want een vrij publiek debat kunnen voeren over
klimaatverandering is een groot goed. Alle vormen van informatie moeten
daarin een plek hebben. Ik sluit daarmee informatie niet uit, maar het
vrije debat vind ik van groot belang. Om goed beleid te kunnen maken op
het gebied van klimaat — dit geldt natuurlijk voor alle onderwerpen —
heb je de juiste informatie nodig en ook toegang tot en beschikbaarheid
van die informatie. Dat beoogt dit initiatief mogelijk te maken en te
houden.
Wat onze inzet betreft het volgende. We hebben een aantal gesprekken
gehad, onder meer met UNESCO, de mede-initiatiefnemer, maar ook met het
KNMI. In overleg met het KNMI kijken we hoe we onze bijdrage verder vorm
kunnen geven. Later deze maand vindt de eerste officiële
onlinebijeenkomst van het initiatief plaats. Dat gebeurt op uitnodiging
van de Braziliaanse overheid, die dat als onderdeel van hun
voorzitterschap op zich hebben genomen. Nederland zal zich daarbij
aansluiten. Ik zal de Kamer informeren over wat daar uitkomt en wat de
vervolgstappen zijn.
De heer Vermeer vroeg mij of ik kan garanderen dat wij ons niet
vastleggen op extra jaartallen of aanvullende doelen die niet
uitvoerbaar zijn, na Belém. De focus van het beleid op dit moment ligt
echt op het uitvoeren van afspraken die we gemaakt hebben. Dat is niet
gericht op het nu stellen van nieuwe doelen. Verder is de Nederlandse
inzet ingebed in de Europese inzet en het Europese doel voor 2040 waar
we vlak voor de kerst na een heel lange sessie in Brussel
overeenstemming over hebben bereikt. Dat is het doel waar Europa zich
aan committeert. Ik heb al eerder gezegd dat ik het Europese doel niet
in nationale wetgeving ga vastleggen, maar in nationale wetgeving hebben
we natuurlijk wel afspraken gemaakt voor 2030 en 2050.
De heer Vermeer vroeg mij ook nog of ik expliciet wil uitdragen dat we
geen afspraken steunen die neerkomen op krimp van de veestapel in
Nederland. We hebben afspraken gemaakt in dit kabinet over gedwongen
krimp of onteigening, namelijk dat we dat niet doen. Dus internationale
afspraken daarover zal ik niet steunen.
De heer Ceulemans vroeg nog wat nou concrete bedragen zijn die zijn
toegezegd door Nederland op de conferentie. Ik zeg dit even voordat ik
inga op de bredere vragen over dat grote financieringsvraagstuk. Tijdens
de conferentie, dus in Brazilië, heeft Nederland een toezegging gedaan
voor 5 miljoen dollar voor de opstartkosten van het bossenfonds. Ik kom
zo ook nog op een vraag van de heer Klos daarover. En vast even kort en
goed: aan de klimaatfinanciering die ziet op die 300 miljard en die
1.300 miljard, waar de heer Ceulemans ook een vraag over had, is geen
nationale verdeelsleutel of bijdrage gekoppeld, dus daar heeft Nederland
geen, vorig jaar al niet en ook dit jaar niet, toezeggingen op gedaan.
Wij bepalen dus zelf hoeveel wij bijdragen en op welke manier. Dus de
enige financiële toezegging is die 5 miljoen opstartkosten voor het
bossenfonds geweest.
Voorzitter. Dan kom ik bij de financiering. Ik kijk even of in dat mapje
nog een vraag van mevrouw Teunissen zit, zodat ik die kan beantwoorden
voordat zij vertrekt. Er was volgens mij geen expliciete vraag van
mevrouw Teunissen over financiering.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Ik had inderdaad geen vraag gesteld over klimaatfinanciering. Dat gaan
we nu plenair bespreken. Ik had nog wel een vraag gesteld over methaan
onder andere, maar wij gaan uiteraard gewoon actief meeluisteren.
Minister Hermans:
Ik heb 'm hier, dus ik kan 'm even tussendoor doen.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
O, heel fijn.
Minister Hermans:
Dan kan mevrouw Teunissen op een andere plek verder discussiëren over
klimaatfinanciering terwijl ik die antwoorden geef. De vraag was of ik
bereid ben om de methaanafspraken wettelijk bindend vast te leggen,
inclusief handhaving en rapportageverplichtingen, naar aanleiding van
COP30. Dat is niet nodig, want we hebben de Europese Methaanverordening
en die is al in lijn met de afspraken uit de COP. Omdat Europese
wetgeving zich doorvertaalt in nationale wetgeving, zit daar al een
bindend element aan. Dit is eigenlijk het antwoord op uw vraag, mevrouw
Teunissen.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan kan mevrouw Teunissen naar een debat in de plenaire
zaal. Ik dank haar voor haar bijdrage. Gaat u verder, minister.
Minister Hermans:
Dan ga ik nu verder met de klimaatfinanciering. De voorzitter, de heer
Vermeer en de heer Ceulemans hadden een vraag over die 1.300 miljard,
over wat de stand van zaken is en waar wij ons nou aan hebben
gecommitteerd. Een paar opmerkingen vooraf. We hebben vorig jaar op de
klimaatconferentie in Bakoe een nieuw collectief doel afgesproken. Dat
is een doel voor 2035. Daar wordt de komende jaren invulling aan
gegeven. Dat bedrag van 1.300 miljard stamt ook uit het bedrag dat vorig
jaar genoemd is, maar het collectieve doel is 300 miljard per 2035. Die
1.300 miljard is dus geen opgave voor Nederland, maar een totale
financieringsbehoefte die de ontwikkelingslanden per 2035 geformuleerd
hebben. Zoals vorig jaar is afgesproken — dat is dit jaar verder niet
veranderd, dus je zou kunnen zeggen dat dat herbevestigd is — moet een
heel groot deel daarvan door private investeerders worden opgebracht.
Dus ik herhaal: er is geen sprake van een verdeelsleutel per land of een
groeipad richting 2035.
Wij leveren onze bijdrage aan klimaatfinanciering. Dat blijven we ook
doen. Dat loopt via de begroting van BHO, waarover mevrouw Teunissen nu
een debat over voert. En natuurlijk — dat is het publieke
financieringsdeel — mobiliseren we ook de private financiering. De Kamer
wordt in de HGIS-nota geïnformeerd over de hoogte van de Nederlandse
klimaatfinanciering. Daarin staat ook waar het geld precies aan besteed
wordt. Tot zover over dat bedrag.
De heer Ceulemans zei: "Er is dit jaar wel iets afgesproken over het
verdrievoudigen van de adaptatiefinanciering. Hoe zit dat dan precies?".
De oproep die bij de klimaattop in Brazilië is gedaan, is een
collectieve oproep om binnen het vorig jaar overeengekomen mondiale doel
voor 2035 een verdrievoudiging op de adaptatie plaats te laten vinden.
Nogmaals, er is niks afgesproken over een verdeelsleutel per land of
opbouwpad.
Als je specifiek naar Nederland kijkt, zie je dat ruim 60% van de
Nederlandse publieke klimaatfinanciering in 2024 ten goede kwam aan
adaptatie. De verwachting is dat dat verder zal groeien, onder meer door
een toenemende relevantie van de inzet op water en voedselzekerheid. Het
is van belang dat ook andere landen het aandeel adaptatie in hun
klimaatfinanciering verhogen. Nederland zet zich daar ook internationaal
actief voor in.
De heer Klos vroeg mij of ik een ...
De voorzitter:
Een momentje, alstublieft. Ik geloof dat de heer Ceulemans hier nog een
vraag over heeft.
De heer Ceulemans (JA21):
Ik vrees dat het niet veel concreter wordt, maar ik heb toch een vraag.
Kan de minister zich voorstellen dat dit allemaal heel ontastbaar wordt?
Er komen astronomische bedragen over tafel: 1.300 miljard en 300
miljard. Nederland zet daar een handtekening onder, als algemene
uitspraak of algemeen voornemen. Wij vragen hierop door en dan is de
reactie van de minister, naar haar beste weten op dit moment: we hebben
ons daar verder niet op toegelegd; er is geen verdeelsleutel of
ingroeipad. Begrijpt de minister dat het voor de Kamer heel erg
ingewikkeld controleren is als er wel akkoord wordt gegaan met een
algeheel voornemen tot astronomische geldtransfers zonder dat wij daar
verder op kunnen doorvragen, omdat er geen concrete invulling aan
gegeven is?
Minister Hermans:
Vooropgesteld, dit zijn gigantische bedragen, waar je je bijna geen
voorstelling van kan maken. De opmerking van de heer Ceulemans snap ik
dus heel goed. Die 1.300 miljard is een door de ontwikkelingslanden
geformuleerde behoefte. Het gaat om landen die echt hard geraakt worden
door klimaatverandering en daar echt forse schade van ondervinden; nu
al, en dat zal in de toekomst niet minder worden.
Het doel van 300 miljard per 2035 is gewoon een afspraak, omdat er een
nieuw collectief financieringsdoel moest worden afgesproken. Vorig jaar
hebben wij ons ingezet om ervoor te zorgen dat daarbij niet alleen wordt
gekeken naar de ontwikkelde landen, maar ook breder, naar landen die ook
een bijdrage leveren aan de uitstoot wereldwijd. Wij zetten ons ervoor
in dat men niet alleen naar publieke financiering kijkt, maar ook naar
private financiering, zodat je niet alleen de donorbasis verbreedt, maar
ook waar dat geld dan vandaan komt. Daarmee willen we laten zien dat
Nederland zijn aandeel blijft leveren. We leveren ook echt een vrij fors
aandeel, zou je kunnen zeggen. Maar we hebben niet de taak gekregen om
dat op te hogen met een percentage of een bedrag. Maar even voor het
beeld: in 2024 was de Nederlandse bijdrage aan de klimaatfinanciering
ruim 2,4 miljard, waarvan 1,4 miljard publiek en 1 miljard privaat.
Nederland levert dus zijn bijdrage. Er zijn echt landen die dat in
mindere mate doen, maar vorig jaar hebben we ook gewoon een behoefte
geformuleerd. Soms is het in beeld hebben van die behoefte, van wat
landen nodig zeggen te hebben om hiermee om te kunnen gaan, relevant om
gewoon te zien wat er speelt in de wereld, even ongeacht wat je vindt
van het onderwerp.
De voorzitter:
Ik wil hier als Kamerlid mijn laatste interruptie voor gebruiken namens
de BBB. De interim-voorzitter is vertrokken, dus we doen het maar even
op een losse manier.
Minister Hermans:
Ja, het is ook raar als ik u nu het woord geef.
De voorzitter:
Nee, dat lijkt me ook niet verstandig. Maar er wordt nog altijd
gesproken over ontwikkelingslanden. Naar mijn weten zit China ook nog
steeds in dat tabelletje, terwijl we gisteren in het debat over
gasvoorraden en leveringszekerheid ook hebben geconstateerd dat de
gasprijzen op dit moment eigenlijk relatief laag zijn omdat er in Azië
volop kolen gestookt worden. Hoe moeten wij dus rijmen dat ons eigenlijk
wordt gevraagd een bijdrage te leveren aan die landen, terwijl die
landen zelf zorgen dat het probleem verergert via het stoken van kolen,
wat vervolgens ook nog onze gasopbrengsten verlaagt? Om het heel plat te
zeggen: in wat voor spinnenweb zijn we dan terechtgekomen? Hoe moet ik
dit rijmen?
Minister Hermans:
Van alle landen wordt een bijdrage gevraagd. Precies het voorbeeld dat
uzelf gaf, was ook de reden dat we vorig jaar, overigens met de hele
Europese Unie en een aantal andere ontwikkelde landen, hebben gezegd dat
die donorbasis verbreed moet worden. Dat gaat bij de donorbasis om
privaat en publiek — wat mag je vanuit de private hoek, vanuit de
ontwikkelingsbanken meetellen? — maar gaat er ook om welke landen nog
meer een bijdrage leveren. Een land als China is daar een voorbeeld van.
Dat is vorig jaar dus juist de inzet geweest en dat is ook zo in de
conclusies terechtgekomen.
De voorzitter:
Gaat u verder.
Minister Hermans:
Dan de vraag van de heer Klos of ik onderzoek wil doen, al dan niet in
Europees verband, naar een grotere bijdrage aan het startkapitaal van
het tropischebossenfonds en of ik de Kamer daar voor de
begrotingsbehandeling over wil informeren. Ik zei net al dat we die
bijdrage hebben geleverd aan de opstartkosten van het TFFF, Tropical
Forest Forever Facility. Dat is dus echt voor de opzet daarvan. Voor de
publieke inleg of een besluit over onze inleg in het investeringsfonds
zelf is het nog te vroeg. Daarvoor moet de vormgeving nog verder worden
uitgewerkt. De manier waarop je dat uiteindelijk gaat dekken, zal ook om
een keuze vragen. Dat is echt aan het nieuwe kabinet. Voor de
begrotingsbehandeling, die volgens mij in de eerste of tweede week van
februari gepland staat, met een voorstel komen is dus te vroeg, maar
Nederland heeft niet voor niks een bijdrage geleverd aan die
opstartkosten. We zien echt het belang van deze faciliteit.
De voorzitter:
Dat roept nog een nieuwe vraag op.
De heer Klos (D66):
Als ik het goed begrijp uit de nieuwsberichten, heeft Denemarken
besloten om alvast 5 miljard bij te dragen aan dit fonds. Dat is een
groot gedeelte van het kapitaal dat er nu in zit, dat nog maar een
vijfde is van wat nodig is om de private financiering verder aan te
trekken. Hoe kan het dan dat Denemarken daartoe wel heeft kunnen
besluiten en wij dat niet kunnen? Wat is het verschil daartussen?
Minister Hermans:
Dat vind ik een terechte vraag. Dat zou ik even moeten nagaan. Ik weet
niet wat daarbij de overweging is. Dat wil ik uiteraard nagaan. Als ik
dat in tweede termijn al kan beantwoorden, zal ik dat doen. Anders kom
ik daar uiteraard later op terug.
Voorzitter. De heer Jumelet vroeg mij nog — het is een beetje een
afgeleide van het punt over de financiering — naar artikel 6, de
koolstofhandel. Vorig jaar op de klimaatconferentie hebben we een
akkoord bereikt over de vormgeving en de werking van artikel 6. De
eerste geluiden over het gebruik van de internationale kredieten blijken
gemixt te zijn: de vraag neemt toe en er lijkt dus echt een behoefte te
zijn, maar het blijkt lastig om aanbod van goede kwaliteit te creëren.
Vanuit Europa hebben we daar in het bijzonder aandacht voor, omdat wij
net in de afspraken rondom het klimaatdoel voor 2040 hebben afgesproken
dat we het gebruik van die kredieten mogelijk willen maken. We hebben
daarom afgesproken dat er de komende tijd veel gesprekken zullen
plaatsvinden tussen lidstaten en de Europese Commissie en dat we een
impactassessment gaan doen. De Commissie heeft toegezegd om aan het eind
van het jaar met een voorstel te komen, ondersteund door een
impactassessment, voor hoe we hier precies mee omgaan. Uiteraard zal de
Kamer daar dan over geïnformeerd worden via het BNC-fiche en de
gebruikelijke procedure daarvoor.
In algemene zin is het goed om te zeggen dat het voor het kabinet en
voor de inzet zoals ik er in Brussel over gesproken heb, en overigens
ook vorig jaar bij de onderhandelingen over artikel 6, die ik toen
namens de EU samen met mijn Deense collega deed, van belang is dat de
internationale kredieten ook daadwerkelijk bijdragen aan het verminderen
van de uitstoot. Als dat op een goede en verantwoorde manier kan, is het
best een goed instrument en ben ik er dus ook niet per se op tegen. Maar
we moeten ook — dat was het debat dat ik net met mevrouw Teunissen had —
investeren in onze eigen industrie. Het zal dan een weging zijn of je
daarin investeert of in het kopen van kredieten voor reducties buiten de
EU. Dat zal steeds om een weging vragen. Desalniettemin wil je ook
gewoon dat dit artikel in zichzelf goed werkt. Daarvoor lopen dus die
gesprekken en komt dat impactassessment, zoals ik dat net
omschreef.
De heer Jumelet (CDA):
Dat was een heldere uitleg, die ook verwoordt wat onze eigen,
Nederlandse inzet is. Maar juist om die reden zou ik mij kunnen
voorstellen dat we goed de vinger aan de pols houden — dat zegt u ook —
over de bijdrage aan het klimaatdoel voor 2040. Tegen de achtergrond van
de discussie van daarnet kan ik mij heel goed voorstellen dat we hier
heel goed kijken naar wat mogelijk is maar ook kan bijdragen. De
discussies gaan heel vaak over de vraag of we de klimaatdoelen halen.
Dat vinden we met elkaar van belang; sterker nog, dat hebben we met
elkaar afgesproken. Laten we elkaar daar dan ook scherp op houden. Dat
zou in ieder geval de inzet moeten zijn van wat we doen. Ik ben dus erg
blij dat er wordt beschreven dat het een van de mogelijkheden is. Het is
echter wel goed om heel nauwkeurig te kijken wat de opbrengst dan is,
zonder af te doen aan wat onze industrie zou moeten doen en kan
bijdragen.
Minister Hermans:
Daar ben ik het mee eens. Het is ook in lijn met de inzet.
Voorzitter. Tot slot een vraag van de heer Klos over COP36. Hij vraagt
of we dat toch nog wat verder willen onderzoeken. In de Kamerbrief van
volgens mij december heb ik gezegd waarom dit kabinet het niet wenselijk
acht. Dit nog een keer onderzoeken vind ik op dit moment niet heel
nuttig. Ik kan nog wel een paar dingen zeggen over de reden dat wij dit
niet wenselijk vinden. In een vorig debat werd de vergelijking gemaakt
met andere in Nederland georganiseerde conferenties of activiteiten. Het
is echter lastig om de COP te vergelijken met andere internationale
conferenties, omdat het bij de COP gaat over meer dan twee weken
multilaterale onderhandelingen die je moet faciliteren in ruimte en
bijbehorende faciliteiten. Daarnaast is er ook een meerdaagse top van
staatshoofden en regeringsleiders en, breder, een actieprogramma dat een
zeer grote en diverse groep betrokkenen aantrekt. Als we het zouden
doen, komt er dus echt een heel grote groep mensen naar Nederland. Dat
legt dus een ongelofelijke druk op onze infrastructuur en onze
faciliteiten. Het vraagt ook veel fte, iets waarop ik al inging in de
Kamerbrief. Ook zijn er veel bijkomende kosten. Kijk maar naar wat de
afgelopen COP's in Bakoe en Brazilië gekost hebben. Dat zijn echt forse
bedragen, waar dan natuurlijk dekking voor gevonden moet worden. Even
los van de specifieke COP36 hoop ik wel, zeker na de uitgebreide
discussie die we gehad hebben over wat Nederland gaat doen met de
conferentie met Colombia en onze blijvende inzet in de COFFIS-coalitie,
dat Nederland zijn kennis en kunde internationaal zichtbaar blijft
inzetten, ook op adaptatie overigens. Dat deel ik met de heer Klos, als
dat zijn onderliggende vraag is. Daar zijn manieren voor en die zoeken
we dus ook. Die opties grijpen we met beide handen aan, maar deze optie
zou ons echt boven de pet groeien, gegeven een aantal van de
vraagstukken waarvoor we gesteld zouden worden in de komende tijd.
De voorzitter:
U heeft naar uw idee alle vragen beantwoord?
De heer Klos (D66):
Voorzitter, mag ik hier nog wat over vragen?
De voorzitter:
Jajaja, dat komt zo. Maar uw deel is afgerond, minister?
Minister Hermans:
Volgens mij heb ik dat gedaan, ja.
De voorzitter:
Oké, dan de heer Klos.
De heer Klos (D66):
Uiteraard vind ik het antwoord van de minister jammer om te horen. Ik
denk dat ik met deze minister op dit vlak ook niet heel veel verder ga
komen, dus dat verlies moet ik dan maar nemen. Wat ik er jammer aan
vind, is dat het weinig zelfvertrouwen uitstraalt over wat Nederland
kan. Ook doet het een beetje de bezwaren tekort die we bijvoorbeeld van
JA21 gehoord hebben, in die zin dat klimaattoppen anders georganiseerd
worden op plekken waar daar nog helemaal geen infrastructuur voor
bestaat. Die infrastructuur bestaat in Nederland wel. Wij kunnen
iedereen een goed broodje kaas serveren in bestaande hotels en wij
kunnen alles wat we in Nederland hebben aan klimaatadaptatie, kennis en
kennisinstellingen aan de man brengen tijdens zo'n top. We kunnen het,
nu we in de implementatiefase zitten, ook een keer in een afgeslankte
vorm doen, met expertise aan tafel van mensen die echt wat van de
energietransitie weten. Experts roepen er ook toe op om dat op die
manier te gaan doen. Dat zouden wij in Nederland fantastisch kunnen
doen. Ik vraag de minister dus om daar toch nog één keer op te
reflecteren. Waarom ziet zij die positieve kansen daarvan niet? Tot slot
voeg ik daaraan toe dat er natuurlijk een reden is waarom Turkije de
locatie wil zijn van de door Australië voorgezeten top, namelijk dat
Turkije kansen ziet in het organiseren daarvan, ook economische. En
helemaal tot slot het belangrijkste punt: inhoudelijk zou Nederland
natuurlijk een fantastische bijdrage kunnen leveren aan het
voortdenderen van de klimaatpolitiek van de wereldgemeenschap, juist
omdat wij goed zijn in vergaderen. Dit soort zaaltjes kunnen wij
fantastisch organiseren. Wij kunnen dit soort vergaderingen goed
voorzitten en die tot een goed einde brengen, iets wat Brazilië niet is
gelukt. Er waren namelijk genoeg voorstanders van het uitfaseren van
fossiel, maar er is niet goed geteld. Dat zou Nederland best wel goed
kunnen.
De voorzitter:
Ik weet niet of vergaderen en tellen de oplossing gaat zijn, maar
wellicht kan de minister daarop antwoorden.
De heer Klos (D66):
Wil de voorzitter zijn persoonlijke mening wel even buiten beschouwing
laten voordat het antwoord komt!
Minister Hermans:
Ik waardeer het vlammende betoog, de pitch, van de heer Klos. Het is
bijna een bid in zichzelf voor de COP36 hier in Nederland, zou je kunnen
zeggen. Nogmaals, ik zie ook echt de rol die Nederland kan spelen op het
internationale toneel waar het gaat om implementatievraagstukken en om
kennis en kunde in de energietransitie en de klimaattransitie maar ook
in de klimaatadaptatie. Ik denk dat we ook steeds zoeken naar
mogelijkheden, naar manieren, om dat te doen en te laten zien. Nogmaals,
Colombia is daar een voorbeeld van. Vergeet ook niet dat wij in
Nederland volgens mij al een aantal jaar op rij, en ook dit jaar weer,
de waterstofconferentie organiseren, de Hydrogen Summit. Dat is een hele
grote bijeenkomst in Ahoy in Rotterdam waarbij de hele wereld samenkomt
om over dit specifieke onderwerp te spreken. Dat is al een vrij groot
evenement, en de COP is echt een heel aantal factoren groter. Daar komt
dus echt veel meer bij kijken. Ik heb geschetst waarom ik daar kritisch
over ben. Dat ben ik niet omdat Nederland het niet zou kunnen, maar de
vraag is op een gegeven moment wel waar je je energie, capaciteit en
middelen in wil steken. Daarmee zeg ik niet dat wij internationaal geen
rol te spelen hebben. Dat doen we dus ook internationaal en ook weer op
de waterstofconferentie in Rotterdam in mei dit jaar.
De voorzitter:
Dan geef ik het woord graag nog aan de heer Ceulemans; hij had ook nog
een vraag.
De heer Ceulemans (JA21):
Ondanks de creatieve poging en de offerte van de heer Klos slaan we die
toch even over, als u het niet erg vindt. We zijn blij dat de minister
onderschrijft dat een COP in Nederland geen haalbare kaart is, ook
vanwege de kosten. Maar dat werpt ook een vraag op over de COP30. De
heer Vermeer en ikzelf maakten daar een paar opmerkingen over. Hoe kijkt
de minister daarnaar? We kunnen ongelofelijk verschillen in opvattingen
over het klimaatbeleid, maar zelfs als je ongelofelijk voorstander bent
van de huidige weg die is ingeslagen, ziet de minister niet in dat zo'n
megalomane top, waarvoor een regenwoud wordt gekapt voor het aanleggen
van een weg, het bouwen van hotels en het uitbreiden van vliegvelden,
waar 800 miljoen dollar aan wordt besteed en waar 50.000 mensen op
afkomen, ten koste kan gaan van het draagvlak voor hetgeen zij zelf voor
zegt te staan?
Minister Hermans:
Als je er in dit soort woorden over spreekt, ontstaat er een beeld dat
niet helemaal recht doet aan de werkelijkheid. Zoals ik zelf zei toen ik
in Brazilië was: ik snap dat het ergens een beetje wrang voelt dat
zoveel duizenden mensen ergens naartoe vliegen om over het klimaat te
spreken. Tegelijkertijd is het ook zo dat — dit zei ik volgens mij net
tegen mevrouw Van Oosterhout — als je op zo'n internationaal vraagstuk
stappen wil zetten, je soms met z'n allen bij elkaar moet komen, ook in
lastige situaties, en ook als de uitkomst misschien een iets gemengder
gevoel oproept dan we van tevoren zouden willen hebben. Maar in het
belang van de energietransitie en de klimaattransitie is het soms goed
om bij elkaar te komen.
Dan even heel specifiek over het aanleggen van de snelweg, waar de heer
Vermeer en nu ook de heer Ceulemans aan refereerden. De locatie Belém
bracht specifieke uitdagingen met zich mee; laat ik daar eerlijk over
zijn. In overleg met het VN-secretariaat heeft Brazilië daar als
gastland op de best passende manier invulling aan gegeven. Specifiek
over de weg: Brazilië zegt zelf dat deze weg niet speciaal voor de COP
is aangelegd, maar al langer op de planning stond voor de ontwikkeling
van Belém. Ik ga daar geen heel debat over voeren of mij verder over
uitlaten, maar ik zeg dit om er ook een iets ander beeld tegenover te
zetten.
De heer Ceulemans vroeg ook naar de kosten. Wij gaan daar ook met een
delegatie naartoe; dat is waar. Dit jaar zijn we met een kleinere
delegatie dan vorig jaar gegaan. Er is altijd een deel waar de
conferentie en de vergaderingen plaatsvinden en een deel waar de
landenpaviljoens zijn. Zo'n paviljoen hadden wij dit jaar niet. Het
besparen van kosten was ook een van de redenen daarvoor. Maar ik hecht
er waarde aan dat Nederland als lid van de Europese Unie daar ook is en
dat wij een bijdrage leveren aan dit grote, internationale vraagstuk.
Natuurlijk kijken we bij de samenstelling van onze delegatie en bij de
keuzes die wij maken over waar we aan bijdragen, met bijvoorbeeld een
landenpaviljoen, elke keer heel kritisch. We bepalen dan hoe wij op een
goede manier onze bijdrage kunnen leveren en tegelijkertijd uitleggen
welke uitgaven we daarvoor doen.
De voorzitter:
Ik denk dat dit een vraag oproept omdat dit niet helemaal een antwoord
op de vraag is.
De heer Ceulemans (JA21):
Dat heeft u heel goed gezegd. De minister zegt dat ze dit jaar met een
minder uitgebreide delegatie zijn gegaan, ook om de kosten te drukken.
Als ik de lijst met deelnemers zie, vind ik het alsnog een behoorlijke
delegatie. Er zitten ook deelnemers bij waarvan ik me afvraag waarom die
überhaupt onder de Nederlandse vlag mee moeten gaan. Ik had heel
concreet gevraagd wat de kosten van de Nederlandse deelname hieraan
bedragen. De minister zegt dat ze daarop hebben gelet, maar er is nog
geen antwoord op de vraag gekomen.
Minister Hermans:
De heer Ceulemans refereert aan de lijst met de bijlage met deelnemers,
maar dat is natuurlijk iets anders dan de delegatie die daar vanuit de
Nederlandse overheid naartoe gaat. De heer Ceulemans vraagt nu naar een
exact bedrag. Dat zou ik moeten nagaan. Ik zal straks kijken of ik daar
bij benadering iets over kan zeggen, maar dit kan natuurlijk een beetje
een flauw spelletje worden. Ik weet dat de heer Ceulemans inherent tegen
het klimaatbeleid en deze klimaatconferentie is. Daarover verschillen we
gewoon van mening. Dat kan en dat mag. Ik vind het prima om in te gaan
op dit kostenvraagstuk. Dat zal ik straks dus doen, maar dan vraag ik de
heer Ceulemans ook om dat af te zetten tegen: wat als we nu niks doen
tegen klimaatverandering en als we niet inzetten op die
energietransitie? De kosten van niks doen zijn ook gigantisch. Laten we
dan dus wel een kostenvergelijking maken die reëel en fair is.
De voorzitter:
Dat roept toch nog een nieuwe vraag op.
De heer Ceulemans (JA21):
Nee, meer een conclusie. Het is geen flauw spelletje, want ik zit hier
gewoon als Kamerlid en ik moet het kabinet gewoon kunnen controleren.
Als Nederland een behoorlijke tijd vertegenwoordigd is bij een heel
grootscheepse conferentie, is het volgens mij heel legitiem dat ik vraag
naar de kosten daarvan. Dat lijkt me geen rare vraag. We verschillen
inderdaad fundamenteel van visie op het klimaatbeleid en dus ook op de
effectiviteit van al het geld dat we op dit moment aan
klimaatverandering besteden. Daar komen we op dit moment niet uit; dat
weet ik, maar een vraag naar de kosten van deze conferentie is wat mij
betreft geen flauw spelletje, maar gewoon een hele legitieme vraag van
een Kamerlid.
De voorzitter:
Dat is geen vraag, maar een opmerking. Ik weet niet of de minister daar
nog op wil reageren.
Minister Hermans:
Die vraag ga ik ook beantwoorden, maar de heer Ceulemans stelt die vraag
in een context. Ik vraag hem om het antwoord ook in een bredere context
te bezien.
De voorzitter:
Zijn er volgens de leden nog vragen niet beantwoord? Dat is niet het
geval. Dan gaan we naar de tweede termijn, met een spreektijd van 1
minuut en 40 seconden; ja, dat gaat hier heel precies. Ik wil graag
beginnen bij de heer Klos.
De heer Klos (D66):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb uit dit debat vooral gehaald dat de
minister haar ambitieuze inzet voor de top in Colombia doorzet. Daar is
de fractie van D66 heel blij mee. Gezien de positie van de EU op de
klimaattoppen denk ik dat het Europese aspect daarbij heel belangrijk
is, omdat wij het enige grote blok ter wereld zijn dat daar met één stem
spreekt. Het is dus heel belangrijk om de inzet te plegen die de
minister de Kamer hier vandaag beloofd heeft om ook andere Europese
lidstaten daar steeds bij te betrekken en om dit te brengen naar de
Milieuraad of de Energieraad, afhankelijk van waar dit ter sprake komt,
zodat we de Europese lidstaten allemaal achter die ambitieuze conclusies
hebben. Die volgende stappen zal de fractie van D66 met heel veel
belangstelling volgen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan mevrouw Van
Oosterhout.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Ik zou graag een tweeminutendebat willen
aanvragen. Ik wil ook kort terugkomen op een punt in de beantwoording
van de minister, namelijk op haar opmerking dat bij de top in Colombia
ook het bedrijfsleven uitgenodigd zal worden. Laat ik vooropstellen dat
het inderdaad helder en duidelijk is dat samenwerking met bedrijven
noodzakelijk is, maar er kan hier niet onbenoemd blijven dat de fossiele
industrie geen neutrale stakeholder is. Gisteren hoorden we dat 2025 het
derde warmste jaar ooit gemeten is. Tegelijkertijd weten we dat in de
top in Belém zo'n 1.500 à 1.600 lobbyisten voor fossiele brandstof
toegang hadden tot de onderhandelingen. Dat betekent dat 1 op de 25
deelnemers op deze COP fossiele belangen vertegenwoordigde. Dit
ondermijnt de geloofwaardigheid van de klimaatdiplomatie. Het IPCC is
hier al jarenlang glashelder over. De fossiele industrie beperkt actief
de beleidsruimte van overheden en houdt de samenleving gevangen in
fossiele afhankelijkheid. De uitnodiging van de fossiele industrie voor
een top die expliciet gaat over het uitfaseren van fossiele brandstof,
is uitermate problematisch, niet omdat deze sector geen belangen heeft —
die heeft deze sector juist wél — maar juist daarom. De
wetenschappelijke literatuur laat zien dat deze belangen jarenlang
structureel zijn ingezet om klimaatbeleid te vertragen, af te zwakken en
te blokkeren. Daarom de concrete vraag aan de minister hoe zij voorkomt
dat de top in Colombia dezelfde dynamiek krijgt als we nu hebben gezien
bij de COP30, waar fossiele lobbyisten de agenda domineerden. Welke
criteria hanteert zij voor de deelname van bedrijven? En hoe wordt
geborgd dat deze top gericht blijft op het versnellen van de uitfasering
en niet op het legitimeren van uitstel, schijnoplossingen of
greenwashing? Leiderschap betekent kiezen voor het publieke belang en
voor de wetenschap. De top in Colombia kán een kantelpunt zijn, gericht
op het einde van het fossiele tijdperk. Maar dan moeten we wel voorkomen
dat de industrie die dat tijdperk heeft opgebouwd de conferentie
gijzelt. Ik hoor hier graag nog een heldere reflectie van de minister
op.
Dank u wel.
De voorzitter:
Kan iemand mij het woord geven voor een interruptie hierop?
Voorzitter: Jumelet
De voorzitter:
De heer Vermeer voor een interruptie.
De heer Vermeer (BBB):
Mevrouw Van Oosterhout is op zoek naar neutrale stakeholders. Realiseert
zij zich dat er geen neutrale stakeholders zijn? Anders ben je geen
stakeholder meer. Stakeholders zijn belanghebbenden. Hoe wil mevrouw Van
Oosterhout waarmaken dat er selectiecriteria komen voor neutrale
stakeholders?
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Ik stel vast dat de wetenschap heel duidelijk is dat het klimaatbeleid
decennialang is vertraagd en geblokkeerd door de fossiele industrie,
onder andere op dit soort klimaatonderhandelingen. Er waren ook bij deze
klimaattop, zoals ik net al stelde, 1.600 van deze vertegenwoordigers
van de fossiele industrie aanwezig. De wetenschap is er heel duidelijk
over: als zij niet aanwezig waren geweest, was het anders geweest. Zij
hebben actief klimaatbeleid tegengehouden. Daarom lijkt het mij heel
verstandig dat dit soort partijen niet worden uitgenodigd bij een top
die daarover gaat, omdat we anders nooit een stap verder komen.
Nogmaals, ik ben er heel duidelijk over dat het bedrijfsleven een rol
zou moeten spelen, maar de fossiele industrie — dan heb ik het echt over
big oil — zou daar wat mij betreft geen onderdeel van moeten zijn.
De heer Vermeer (BBB):
Maar snapt mevrouw Van Oosterhout dat als je een top, een overleg hebt
over beleid, er altijd mensen zijn die iets sneller willen en anderen
iets trager? Volgens de redenering van mevrouw Van Oosterhout is iemand
die iets minder snel wil een vertrager en moet diegene worden
uitgesloten van een top. Daarmee pleit zij eigenlijk voor echoputten met
alleen gelijkgestemden.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Nee, ik pleit ervoor dat we luisteren naar de wetenschap. De wetenschap
is heel duidelijk: de fossiele industrie blokkeert, vertraagt en
frustreert al decennialang het klimaatbeleid. Daarom doe ik een oproep
om bij een top die gaat over het uitfaseren van fossiele brandstoffen
juist deze spelers niet uit te nodigen.
De heer Vermeer (BBB):
Maar volgens deze redenatie zal de wetenschap, als die daar onderzoek
naar doet, ook zeggen dat bepaalde partijen het klimaatbeleid
versnellen. Dat is gewoon een gegeven. Maar dat gaat juist om
verschillen in belangen. Dat is toch normaal als we in een proces tot
iets moeten komen? Echt, deze redenatie heeft niets meer met overleg te
maken, maar alleen met voorsorteren op een bepaalde uitkomst.
De voorzitter:
Ik geef het voorzitterschap weer aan u terug, want er komt volgens mij
geen reactie meer van mevrouw Van Oosterhout.
Voorzitter: Vermeer
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik graag het woord voor de tweede termijn aan de
heer Jumelet van het CDA.
De heer Jumelet (CDA):
Voorzitter. Ik kom door dit debatje toch even terug op mijn eigen
woorden, die weer een citaat waren: we kunnen het eens zijn over de
klimaatdoelen, maar verschillen over de weg ernaartoe. Dat hoorde ik u
eigenlijk net ook nog een keer noemen. Ik ben het daar wel mee eens,
want je ziet het ook gebeuren: er worden verschillende accenten gelegd.
Ik denk dat het goed is om daar oog voor te houden en om daar met
respect voor elkaar over te spreken.
Voorzitter. Ik hoorde de minister ook zeggen dat als de samenvatting
wordt gegeven van de conferentie in Belém, die is dat die succesvol was
in het voortzetten van de dialoog en in nieuwe samenwerkingsverbanden.
Ook is een nieuwe conferentie aangekondigd. Maar er zijn geen bindende
afspraken gemaakt. Daar hoorde ik de minister over zeggen dat dat vooral
heel pragmatisch is. Dat woord hoorde ik in ieder geval voorbijkomen.
Voor het CDA is dat vooral ook realistisch. Ik denk dat het goed is om
te constateren dat we met elkaar stappen moeten zetten, het doel voor
ogen moeten houden — 2050 klimaatneutraal — maar ook dat de weg
ernaartoe ook nog wel iets extra's van ons vraagt. Daar hebben we met
elkaar op te acteren.
Daarom kom ik toch nog even terug op de beantwoording van zojuist waar
die ging over de koolstofkredieten. Namens het CDA toch nog even de
vraag die al eerder gesteld werd. Het waren collega Bontenbal en collega
Grinwis die eerder vragen hebben gesteld over de internationale
koolstofmarkten. Daar is in januari 2025 een antwoord op gekomen. Dat
antwoord was niet zo positief over die koolstofkredieten. Ik denk dat
het goed is om te constateren — dat check ik nog even bij de minister —
dat dat nu wat positiever is, want dat is eigenlijk wat we hier nu met
elkaar hoorden. Wat ons betreft zou dat een goede stap vooruit
zijn.
Voorzitter, tot zover.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan is het woord aan de heer Ceulemans.
De heer Ceulemans (JA21):
Voorzitter, dank u wel. Ik kan het bij een korte tweede termijn houden.
Volgens mij hebben we hier een goed debat gehad met elkaar. Aan het
tweeminutendebat zal mijn collega Van den Berg waarschijnlijk weer
deelnemen.
Ik wil nog wel iets zeggen voortbordurend op het interruptiedebatje
tussen de heer Vermeer en mevrouw Van Oosterhout van net. Dat is dus
eigenlijk precies waar ik bang voor was toen ik vroeg naar de deelname
van Nederland aan het Global Initiative for Information Integrity on
Climate Change. Daar gebeurde eigenlijk precies waar ik voor vreesde.
Mevrouw Van Oosterhout interpreteert dat nu al als niet alleen het
uitfaseren van de fossiele industrie, maar ook het uitsluiten van de
fossiele industrie van elk gesprek daarover met een beroep op de
wetenschap. Volgens mij is dit gewoon iets wat we als politiek moeten
besluiten. Dit gaat om welvaart. Dit gaat om banen. Dit kan niet zomaar
terzijde geschoven worden. Dus ik vraag nogmaals aan de minister — zij
is daar net al even op ingegaan — om ons te informeren als er wat meer
bekend is over de gevolgen van het Nederlandse aansluiten bij dat
initiatief. Ik vraag de minister ook om ons op het moment dat dat tot
concrete stappen leidt, ook na de eerste brief die zij erover gaat
sturen, aan de voorkant daarin mee te nemen. Nogmaals, dit kan grote
gevolgen hebben en dat is iets waar wij voor vrezen.
Voor de rest wacht ik op het antwoord over de kosten dat de minister net
in haar termijn heeft toegezegd.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik vraag de heer Jumelet om het voorzitterschap over te
nemen, zodat ik mijn inbreng in tweede termijn kan doen.
Voorzitter: Jumelet
De voorzitter:
Uiteraard. Ik zal de heer Vermeer nu het woord geven.
De heer Vermeer (BBB):
Dank u wel. Wij hebben volgens mij net in het interruptiedebat al
voldoende uitgewisseld. Wij moeten er wel op letten — de heer Ceulemans
steunt dat en feitelijk de heer Jumelet ook — dat dit geen totalitair
proces wordt en dat wij ook tegenkrachten nadrukkelijk uitnodigen om mee
te praten. De wetenschap kan van alles onderzoeken en doet dat ook, maar
dat hoeft niet automatisch te leiden tot een bepaalde politieke keuze
die hier of elders ter wereld gemaakt wordt. In dat geval zouden wij een
groep wetenschappers kunnen benoemen en verder dit parlement kunnen
opheffen. Ik ben dat in ieder geval niet van plan. Ik vind dat we in een
democratisch stelsel moeten zorgen dat we met z'n allen de juiste dingen
doen en de belangen goed afwegen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Ik geef graag het voorzitterschap weer aan de heer Vermeer en vraag hem
dan gelijk of ik een interruptie mag plegen.
Voorzitter: Vermeer
De voorzitter:
Gaat uw gang.
De heer Jumelet (CDA):
De heer Vermeer haalde mij aan in zijn betoog alsof wij het daarover
eens zijn met elkaar, maar ik had toch echt een andere indruk. Ik heb
wel gezegd dat de doelen ons duidelijk voor ogen staan, maar dat je de
weg ernaartoe soms verschillend kunt lopen. Als het gaat om het debat
van zojuist, denk ik dat het inderdaad goed is om wel ruimte te geven
aan alle stemmen en om daar goed over na te denken, maar dat het niet zo
kan zijn dat dat aanleiding geeft tot de situatie die u net schetste. Ik
zou in ieder geval willen zeggen: laten we vooral proberen de goede
dingen te doen, maar wel met het doel voor ogen. Dat je verschillende
tempo's loopt en verschillende wegen bewandelt, dat lijkt me bijna
vanzelfsprekend in deze grote wereld.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zie dat als een bevestiging van de steun die ik voelde,
maar wellicht in andere woorden. Dank u wel.
De minister zegt dat zij acht minuten nodig heeft om de antwoorden te
formuleren. Dat betekent dat we om 15.45 verdergaan met de laatste
termijn van het kabinet en daarmee richting afsluiting gaan. Ik schors
de vergadering voor een kort moment.
De vergadering wordt van 15.37 uur tot 15.48 uur geschorst.
De voorzitter:
We hervatten de vergadering. Ik geef graag het woord aan de minister
voor haar tweede termijn.
Minister Hermans:
Dank, voorzitter. In het debat hadden we het even over de bijdrage van
Denemarken aan de TFFF, de bosfaciliteit, als ik het even kort mag
samenvatten. De heer Klos vroeg daarnaar, maar het gaat over Noorwegen.
Het klopt inderdaad dat Noorwegen de afgelopen COP geld heeft toegezegd,
namelijk 3 miljard. Dat past op zich wel bij de rol van Noorwegen als
wereldwijd grootste donor op het gebied van bos. Het gaat overigens om
leningen die Noorwegen heeft toegezegd. Zoals ik al zei, hebben wij een
bijdrage geleverd aan de opstartkosten. We zijn nu verder terughoudend
over wat in het vervolg mogelijk onze publieke inleg nog is, ook vanwege
de demissionaire status. Als je hier namelijk geld in stopt, komt daar
ook een dekkingsvraagstuk achter vandaan, zoals ik ook in de eerste
termijn zei. Dat vraagt ook weer om keuzes. Die passen bij vragen waar
de formerende partijen zich nu over buigen. Volgens mij was dat de enige
vraag waarop ik het antwoord nog aan de heer Klos verschuldigd
was.
Mevrouw Van Oosterhout vroeg naar de aanwezigheid van het bedrijfsleven
bij de top in Colombia. Er is heel veel gezegd over de brede definitie
van het bedrijfsleven en over het feit dat er natuurlijk bedrijven
tussen zitten die echt vooruit willen en die een constructieve en goede
bijdrage kunnen leveren. Laat ik daar even mee beginnen. Dat is echt het
criterium dat wij hanteren bij het uitnodigen van partijen. Dat geldt
ook voor de landen die we hebben uitgenodigd. Wat zijn nou constructieve
partijen, constructieve landen, voor de tweedaagse die ik met Colombia
organiseer? Wat zijn constructieve partijen, zoals maatschappelijke
organisaties en bedrijven, die je in de twee dagen daarvoor wil
uitnodigen? Dat moeten partijen zijn die vooruit willen en een
constructieve bijdrage willen leveren aan deze discussie. Dat is het
criterium.
Dan wil ik nog even heel precies het volgende zeggen over die twee
dagen, 28 en 29 april. Op die dagen nemen ministers namens al die landen
deel. Het bedrijfsleven is daar niet betrokken bij de besluitvorming.
Dat zijn gewoon besluiten die ministers nemen. Dat loopt daar dus niet
door elkaar. Volgens mij was dat de vraag van mevrouw Van Oosterhout aan
mij.
Dan kom ik bij de heer Jumelet. Hij vroeg naar artikel 6 en of het
inderdaad klopt dat de beantwoording over artikel 6 in januari wat
terughoudender was dan mijn beantwoording van zojuist in het debat. Dat
klopt. Ik herinner mij die beantwoording nog. Die zag overigens wel echt
op de inzet van de kredieten voor het behalen van het doel in 2030. In
de maanden die daarop volgden, zijn we in Europa natuurlijk gesprekken
gaan voeren over het 2040-doel. Daarin is de discussie over de inzet van
artikel 6, over de koolstofkredieten, een rol gaan spelen en die hebben
daar uiteindelijk een plek in gekregen. Dat is pragmatisme, realisme. De
vraag is hoe je daar dan op een zo goed mogelijke manier vorm aan geeft.
Dat is de route die ik schetste. Wij zien daarin wel echt mogelijkheden
en tegelijk een paar ingewikkeldheden. Daarover lopen die gesprekken en
dus ook het impactassessment.
De heer Ceulemans had een vraag over de kosten. Voor Klimaat en Groene
Groei is er in zijn totaliteit een begroting. Binnen die begroting
moeten wij al onze activiteiten ontplooien. Daar hoort de deelname aan
de COP ook bij. Het is niet zo dat daar één post op gereserveerd staat,
zo van: dit is voor de COP. Het moet in zijn totaliteit natuurlijk
gewoon passen en kloppen. Vervolgens verschillen de kosten voor deelname
van COP tot COP. Het hangt er natuurlijk van af waar het plaatsvindt en
wat daar de faciliteiten zijn. Het prijsniveau ligt in het ene land nou
eenmaal wat hoger dan in het andere land. De kosten voor deelname van
Nederland verschillen dus. Daarom ga ik u een bandbreedte geven. Dan
moet je denken aan tussen de €80.000 en twee ton om daaraan deel te
kunnen nemen, dus om daar een kantoor te kunnen hebben, om daar al dan
niet een paviljoen te kunnen hebben. Dat hebben we dit jaar niet gedaan.
Dat is exclusief de reis- en verblijfkosten. Die worden door de
ministeries en de ambtenaren die vanuit de verschillende ministeries
gaan, zelf betaald vanuit budgetten die op die begrotingen staan. Van
sommige ambtenaren worden de reis- en verblijfkosten ook openbaar
gemaakt, ook van mijzelf, dus die kan de heer Ceulemans heel precies
nagaan.
De heer Ceulemans suggereerde nog iets anders. Ik hecht eraan om dat nog
even duidelijk te maken. Op verzoek van de Kamer hebben wij de lijst van
deelnemers of vertegenwoordigers die naar de COP zijn afgereisd,
openbaar gemaakt. Daar staan ook niet-ambtenaren op. Die hebben hun
reis- en verblijfkosten natuurlijk zelf betaald. Dat wil ik nog wel even
heel duidelijk maken.
Voorzitter. Dan heb ik volgens mij de vragen beantwoord. Of ben ik een
vraag van de voorzitter zelf vergeten? Nee, die had alleen een
statement.
De voorzitter:
De voorzitter zelf stelde geen vraag. Ik zie dat de heer Ceulemans nog
een opmerking wil maken.
De heer Ceulemans (JA21):
Dank voor het antwoord. Ik had nog één vraag gesteld over het initiatief
over …
Minister Hermans:
Ja, dat klopt. U had nog een vraag gesteld over het Global Initiative
for Information Integrity en de klimaatwetenschap. Ik had de heer
Ceulemans al toegezegd dat ik de Kamer daarover zal informeren als
duidelijker is wat de Nederlandse bijdrage precies zal zijn, hoe die er
precies uit zal zien. In de loop van deze maand, ik dacht op 20 januari,
is er een eerste onlinebijeenkomst van alle deelnemers die zich hierbij
hebben aangesloten. Als er meer over de uitwerking en de Nederlandse
bijdrage te zeggen is, zal ik dat met de Kamer delen.
De voorzitter:
Prima, dan ga ik dit debat sluiten, maar niet voordat ik geprobeerd heb
een toezegging die de minister heeft gedaan, te formaliseren. Even
kijken of we daaruit kunnen komen.
De minister zal de Kamer informeren over de uitkomsten van het gesprek met UNESCO over de Nederlandse steun aan het Global Initiative for Information Integrity, waarover net nog een vraag werd gesteld.
Mijn vraag is wanneer de Kamer daarover geïnformeerd kan
worden.
Minister Hermans:
Dat vind ik even lastig om te zeggen. Zoals ik zei, is er volgende week
een bijeenkomst, maar ik weet niet of daar direct al allerlei conclusies
worden getrokken op basis waarvan ik de Kamer echt de informatie kan
geven waar zij, terecht, om vraagt.
De voorzitter:
Wellicht kan de minister, ook als daar geen duidelijkheid over komt, ons
daar dan toch over informeren. Dat is ook informatie.
Minister Hermans:
Ik wil voorkomen dat we de ambtenaren nu om allemaal brieven gaan vragen
die niet echt een bijdrage leveren aan de informatievoorziening aan de
Kamer. We zijn een initiatief aan het opzetten. Althans, er wordt een
initiatief opgezet en Nederland kijkt hoe het daar een bijdrage aan kan
leveren. Dat is niet na één onlinebijeenkomst vormgegeven. Ik wil dus
even de ruimte hebben, zodat we, als er twee of drie weken later of een
maand later nog een bijeenkomst over is, daarop kunnen voortborduren. Ik
kan wel toezeggen dat we niet zomaar iets gaan doen zonder dat ik de
Kamer daarover geïnformeerd heb, maar of dat leidt tot een brief eind
januari of eind februari, kan ik nu niet zeggen. Wat ik wel kan doen, is
het volgende. Begin februari is de begrotingsbehandeling. Ik sluit niet
uit dat de heer Ceulemans of de heer Van den Berg mij dan nog een vraag
stelt. Ik beloof dat ik bij de begrotingsbehandeling een update zal
geven van hoe de bijeenkomst op 20 januari is verlopen.
De voorzitter:
Is dat voldoende voor de heer Ceulemans? Als ik de minister zo hoor,
zouden we namelijk ook kunnen zeggen: het is prima als we daar in Q1
over geïnformeerd worden. Maar misschien spreek ik dan voor mijn
beurt.
De heer Ceulemans (JA21):
Ik kan me voorstellen dat de minister zegt: als die eerste bijeenkomst
beperkt blijft tot een voorstelrondje, heeft het weinig zin om daar een
brief over te sturen. Dat begrijp ik, maar als daar wél al stappen
worden gezet, zou ik het ook zonde vinden dat daarnaar gevraagd moet
worden bij de begrotingsbehandeling, waardoor er op dat moment pas een
eerste antwoord komt waarop wij ons dan niet hebben kunnen voorbereiden.
Is er misschien een tussenoplossing denkbaar? Als er echt niets zinnigs
te zeggen valt over die eerste bijeenkomst, hoef ik ook geen brief met
één zinnetje waarin staat dat er een voorstelrondje is gedaan, maar als
er iets meer dan dat besproken is, zou ik dat in ieder geval voorafgaand
aan de begrotingsbehandeling te horen willen krijgen, zodat wij ons op
dit punt kunnen voorbereiden, ter voorbereiding op de
begrotingsbehandeling.
Minister Hermans:
Ik heb volgens mij al toegezegd dat als er relevante ontwikkelingen
zijn, ik die per ommegaande met de Kamer deel. We hebben ook nog een
commissiedebat Klimaat en energie op 28 januari. Daarin zou ik er ook
nog op in kunnen gaan. Laten we dit als tussenvorm afspreken. Als er
echt iets uitkomt volgende week, stuur ik natuurlijk een brief. Als er
procesafspraken uitkomen, volgt de brief op het moment dat er gewoon
echt iets te melden is.
De voorzitter:
Dan concluderen we dat zo af. Dan staat het ook zo Handelingen en kan
daar naar gehandeld worden.
Er is een tweeminutendebat aangevraagd door mevrouw Van Oosterhout. Dat
zal aangemeld worden met als eerste spreker mevrouw Van Oosterhout
zelf.
Dan wil ik iedereen bedanken, zowel de Kamerleden, de minister en haar
team als iedereen die deze vergadering mogelijk heeft gemaakt en de
registratie daarvan. Dan sluit ik hierbij de vergadering.
Sluiting 15.59 uur.
ONGECORRIGEERD STENOGRAM Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden ontleend. Uit ongecorrigeerde verslagen mag niet letterlijk worden geciteerd. Inlichtingen: verslagdienst@tweedekamer.nl |
|---|