[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Reactie op het onderzoek van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum inzake ''Meer dan de dader - Samenhangende inzichten over agressie en geweld tegen hulpverleners''

Naar een veiliger samenleving

Brief regering

Nummer: 2026D02171, datum: 2026-01-20, bijgewerkt: 2026-01-22 13:58, versie: 2 (versie 1)

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van kamerstukdossier 28684 -819 Naar een veiliger samenleving.

Onderdeel van zaak 2026Z00908:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


28684 Naar een veiliger samenleving

Nr. 819 Brief van de minister van Justitie en Veiligheid

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 20 januari 2026

Hierbij bied ik uw Kamer de uitkomsten aan van het onderzoek van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (hierna: WODC) “Meer dan de dader – Samenhangende inzichten over agressie en geweld tegen hulpverleners”.

Op verzoek van het Ministerie van Justitie en Veiligheid en de Taskforce Onze hulpverleners veilig heeft DSP-groep, in samenwerking met Ipsos I&O, in opdracht van het WODC onderzoek uitgevoerd naar agressie en geweld tegen de beroepsgroepen politie, boa’s openbare ruimte (domein I), brandweer en ambulance. Medewerkers uit deze beroepsgroepen moeten hun werkzaamheden ongestoord en veilig kunnen uitvoeren. Helaas worden zij geregeld geconfronteerd met agressie en geweld. Dit is volstrekt onaanvaardbaar.

Bevindingen uit het onderzoek

Het onderzoek geeft inzicht in de kenmerken en motieven van de verdachten/daders van agressie en geweld tegen hulpverleners, als ook in het verloop van agressie- en geweldsincidenten. De belangrijkste bevindingen van het onderzoek laten zich als volgt samenvatten.

Inzicht in kenmerken en motieven van verdachten/daders
De groep van verdachten/daders heeft diverse en fluĂŻde kenmerken, achtergronden en motieven. Dat maakt dat het niet mogelijk is om eenduidige daderprofielen te onderscheiden. Voor het begrijpen van agressie en geweld richting hulpverleners is het van belang te kijken naar de samenhang met persoon, gedrag en context. Wel komen op basis van het onderzoek een aantal kenmerken, achtergronden en motieven naar voren.

Verdachten/daders van agressie en geweld tegen hulpverleners zijn vaak mannen en relatief jong. Zo zijn personen tussen de 18 en 29 jaar sterk oververtegenwoordigd ten opzichte van de Nederlandse bevolking. Verder zijn verdachten gemiddeld lager opgeleid, hebben ze een lager inkomen en ontvangen ze vaker een uitkering dan de Nederlandse bevolking. Ook is ongeveer 30% in de afgelopen vijf jaar geregistreerd vanwege zogenoemd onbegrepen gedrag. Driekwart van de verdachten/daders heeft antecedenten (eerdere strafrechtelijke veroordelingen), en ruim de helft is eerder verdachte geweest van een geweldsmisdrijf.

Specifieke voorvallen in alledaagse situaties kunnen de kiem vormen voor agressie en geweld. Expressief of emotioneel geweld (zoals frustratie, machteloosheid, ervaren van onrecht of uitzichtloosheid) komt vaak voor, zo blijkt uit literatuuronderzoek en uit interviews met advocaten en hulpverleners die slachtoffer werden van agressie en geweld (daders zelf zijn niet direct gesproken). Ook escalaties van ongepland geweld tijdens een interactie met hulpverleners spelen bij gewelddadig gedrag door verdachten/daders een grote rol. Met name alcohol- en drugsgebruik en groepsdruk versterken het risico op gewelddadig gedrag door verdachten/daders.

Er zijn veel overeenkomsten in het type verdachte/dader waarmee de vier verschillende beroepsgroepen (politie, boa’s openbare ruimte (domein I), brandweer en ambulance) te maken krijgen. Maar er is ook een aantal verschillen op te merken. Zo zijn verdachten/daders van agressie- en geweldsincidenten tegen politie en boa's jonger en hebben zij vaker antecedenten dan verdachten/daders bij incidenten tegen brandweer- en ambulancemedewerkers. Het onderzoek biedt hiervoor geen specifieke verklaring.

Kenmerken en verloop van agressie- en geweldsincidenten
De meeste geweldsincidenten tegen hulpverleners vinden plaats op de openbare weg of op het water, gevolgd door woningen als locatie waar het geweld zich afspeelt. Incidenten vinden vooral plaats in stedelijke gebieden, met name in Amsterdam, Rotterdam en Den Haag. Met betrekking tot de verschillen tussen de beroepsgroepen blijkt dat agressie en geweld tegen politiemedewerkers vaak plaatsvindt op politiebureaus en agressie en geweld tegen medewerkers van brandweer en ambulance relatief vaak in woningen en zorginstellingen.

In de avond en nacht en in het weekend is de kans op agressie en geweld groter. Rond oud en nieuw vinden er relatief veel incidenten plaats. Zogenoemde triggers voor escalatie zijn volgens de onderzoekers mede afhankelijk van de achtergrond van de verdachte/dader, de situatie en de interactie met de hulpverlener(s). Ook versterkende factoren, zoals middelengebruik en groepsdruk, spelen een belangrijke rol. Verder kan escalatie volgen in reactie op handhavend optreden door politie en boa's.

Implicaties voor de aanpak van geweld tegen hulpverleners
De onderzoekers stellen dat het voor een effectieve aanpak onvoldoende is om enkel op daderprofielen te focussen. Agressie en geweld tegen hulpverleners kan volgens de onderzoekers alleen goed worden begrepen wanneer we het verloop van het incident kennen. Daarnaast dienen ook de situatie en de context waarin agressie en geweld zich voordoen in acht te worden genomen.


Opvolging van de bevindingen
Agressie en geweld tegen hulpverleners is helaas een hardnekkig probleem. De bevindingen van dit onderzoek dragen bij aan een beter inzicht in het type verdachte/dader dat is betrokken, alsook in het verloop van agressie- en geweldsincidenten. Deze kennis kan bijdragen aan het verder vormgeven van gericht beleid om agressie en geweld tegen hulpverleners te voorkomen en om hun weerbaarheid te vergroten.

In het bijzonder wijzen de onderzoekers in dit verband op het herkennen van triggers, risicobewust en situatiebewust optreden en adequate communicatie als essentiële elementen voor preventie en de-escalatie. Situatiegerichte periodieke trainingen, ook wat betreft de inzet van de-escalerend optreden, en samenwerking met ondersteunende partijen (zoals de politie dat is voor boa's, brandweer en ambulance) zijn daarbij belangrijke pijlers. Hier ligt een verantwoordelijkheid voor de verschillende werkgevers van deze beroepsgroepen. Voor de politie specifiek geldt dat politiemedewerkers tijdens de basispolitieopleiding worden getraind op de-escalerend optreden. Er wordt gedurende de gehele opleiding gewerkt aan communicatie, gesprekstechnieken, gespreksmodellen en conflicthantering. Dit is ook onderdeel van het examen van de basispolitieopleiding. Na de basispolitieopleiding is de-escalerend communiceren onderdeel van de verplichte jaarlijkse Regeling Toetsing Geweldsbeheersing Politie voor alle executieve politiemedewerkers.

Tot slot constateren de onderzoekers dat er veel onderzoek gedaan is naar het terug dringen van agressie en geweld tegen hulpverleners. Er is, mede dankzij de inspanningen van de Taskforce Onze Hulpverleners Veilig, veel informatie en kennis beschikbaar. Tegelijkertijd vraagt het verbeteren van de aanpak van agressie en geweld om gerichte actie op basis van al deze onderzoeken. De onderzoekers doen dan ook een oproep tot het beter benutten van de reeds verworven kennis in de praktijk. Die oproep onderschrijf ik. Voor mijn departement is dat belegd bij het programma “Voorbereid op agressie en geweld”. U bent eerder over dit programma – toen nog project ‘Werkgeversrol bij agressie en geweld tegen medewerkers JenV’ geheten – geïnformeerd1. Het programma “Voorbereid op agressie en geweld” richt zich op alle (uitvoerings-)organisaties vallend onder de Ministeries van Justitie en Veiligheid en Asiel en Migratie, waarvan medewerkers hun publieke taak verrichten in contact met burgers. Inmiddels heeft het programma begin 2025 een normen- en handelingskader opgeleverd, namelijk de Baseline ‘Preventie, aanpak en zorg bij agressie en geweld’. Ook is een zelfevaluatie ontwikkeld waarmee de organisaties kunnen checken in welke mate ze al voldoen aan de Baseline. Daarnaast zijn binnen het programma diverse handreikingen opgesteld om werkgevers te ondersteunen bij het invullen van hun werkgeversrol.

Tenslotte wordt, net als bij de Taskforce Onze hulpverleners veilig, een kennis- en onderzoeksfunctie ingericht. Het doel hiervan is om met de inzet en het ontwikkelen van (wetenschappelijke) inzichten de uitvoering van de werkgeversrol op dit onderwerp effectiever en beter te maken. De bruikbaarheid van het onderzoek voor de organisaties staat daarbij centraal. Daarbij wordt onderkend dat er ook al heel veel ervaring en inzicht in de praktijk aanwezig is ten aanzien van dit onderwerp. Het ophalen van die inzichten en het samenspel met een wetenschappelijke aanpak is de kern van de voorgenomen praktijkgerichte aanpak. Via onder meer ‘living labs’ kunnen onderzoekers en praktijk de onderzoeksvragen zowel formuleren als in de praktijk onderzoeken.

Tot slot

Naast deze sporen, is de inzet van het strafrecht een essentieel instrument om personen die overgaan tot agressie en geweld tegen hulpverleners te bestraffen. Op dit moment wordt langs meerdere lijnen gewerkt aan het zwaarder straffen van de plegers van geweld tegen hulpverleners en anderen met een publieke taak. Zo heeft het kabinet besloten om het taakstrafverbod in het Wetboek van Strafrecht uit te breiden, nu het kabinet meent dat een taakstraf geen passende straf is bij mishandeling van personen die zijn belast met het verlenen van acute hulp of met de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde. Verder ga ik op korte termijn in gesprek met betrokken instanties over de invoering van minimumstraffen voor opzettelijk geweld tegen hulpverleners.2 Ik verwacht u voor het zomerreces te kunnen informeren over de uitkomst van de gesprekken en het mogelijke vervolgtraject.

Zoals gezegd dragen de bevindingen van het onderzoek bij aan een beter inzicht in het type verdachte/dader dat is betrokken, alsook in het verloop van agressie- en geweldsincidenten. Deze kennis stelt ons in staat om gericht beleid vorm te geven om agressie en geweld tegen hulpverleners terug te dringen. Dat is immers onacceptabel. Ik spreek hier op korte termijn verder met u over in het debat over geweld en agressie tegen politie en hulpverleners en de verhuftering van de samenleving.

De minister van Justitie en Veiligheid,

F. van Oosten


  1. Aanhangsel Handelingen II 20236/24, nr. 745 en Kamerstuk 29 628, nr. 1217↩

  2. Naar aanleiding van de motie van Van der Plas en Yesilgoz-Zegerius waarin de regering wordt verzocht om wetgeving voor te bereiden waarin minimumstraffen worden ingevoerd voor opzettelijk geweld tegen hulpverleners, met inachtneming van het opzetvereiste (Kamerstuk 286 84, nr. 812)↩