[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Voorstel van wet

Wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Bankwet 1998 en de Wet op de economische delicten ter implementatie van Richtlijn (EU) 2024/1619 met betrekking tot kapitaalvereisten voor banken en Richtlijn (EU) 2024/2994 met betrekking tot blootstellingen op centrale tegenpartijen (Implementatiewet kapitaalvereisten 2026)

Voorstel van wet

Nummer: 2026D02313, datum: 2026-01-19, bijgewerkt: 2026-01-20 19:00, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Onderdeel van kamerstukdossier 36885 -2 Wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Bankwet 1998 en de Wet op de economische delicten ter implementatie van Richtlijn (EU) 2024/1619 met betrekking tot kapitaalvereisten voor banken en Richtlijn (EU) 2024/2994 met betrekking tot blootstellingen op centrale tegenpartijen (Implementatiewet kapitaalvereisten 2026) .

Onderdeel van zaak 2026Z00967:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


Wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Bankwet 1998 en de Wet op de economische delicten ter implementatie van Richtlijn (EU) 2024/1619 met betrekking tot kapitaalvereisten voor banken en Richtlijn (EU) 2024/2994 met betrekking tot blootstellingen op centrale tegenpartijen (Implementatiewet kapitaalvereisten 2026) [KetenID WGK026836]

VOORSTEL VAN WET

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is om regels te stellen ter implementatie van Richtlijn (EU) 2024/1619 van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 2024 tot wijziging van Richtlijn 2013/36/EU wat betreft toezichtsbevoegdheden, sancties, bijkantoren uit derde landen en ecologische, sociale en governancerisico’s en Richtlijn (EU) 2024/2994 van het Europees Parlement en de Raad van 4 december 2024 tot wijziging van de Richtlijnen 2009/65/EG, 2013/36/EU en (EU) 2019/2034 wat betreft de behandeling van het concentratierisico dat voortvloeit uit blootstellingen aan centrale tegenpartijen en het risico van tegenpartijen bij centraal geclearde derivatentransacties;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten‑Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Wet op het financieel toezicht wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1:1 worden in de alfabetische volgorde vier definities ingevoegd, luidende:

financieel directeur: de persoon bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel 9 quinquies, van de richtlijn kapitaalvereisten;

hoofden van de internecontrolefuncties: de personen bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel 9 quater, van de richtlijn kapitaalvereisten;

in aanmerking komend bijkantoor: een bijkantoor als bedoeld in artikel 2:20, eerste lid, dat gekwalificeerd is als klasse 2-bijkantoor en voldoet aan alle voorwaarden bedoeld in artikel 48 ter, eerste lid, van de richtlijn kapitaalvereisten;

klasse 1-bijkantoor: een bijkantoor als bedoeld in artikel 2:20, eerste lid, dat voldoet aan een of meer voorwaarden van artikel 48 bis, eerste lid, van de richtlijn kapitaalvereisten;

klasse 2-bijkantoor: een bijkantoor als bedoeld in artikel 2:20, eerste lid, dat geen klasse 1-bijkantoor is;

medewerker met een sleutelfunctie: een natuurlijk persoon als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel 9 bis, van de richtlijn kapitaalvereisten;

B

In artikel 1:27a, derde lid, wordt na “Er is een profielschets” ingevoegd “met objectieve en transparante criteria in het geval van directeuren als bedoeld in artikel 4 bis van de richtlijn kapitaalvereisten,” en wordt “de aandeelhouder.” vervangen door “de aandeelhouder. De profielschets wordt langs elektronische weg openbaar gemaakt indien het directeuren als bedoeld in artikel 12a van de Bankwet 1998 betreft.”.

C

In artikel 1:48a, eerste lid, wordt “een aanvraag voor een vergunning” vervangen door “een aanvraag van een vergunning”.

D

In artikel 1:51, derde lid, wordt na “het eerste lid” ingevoegd “of op eigen initiatief”.

E

Aan paragraaf 1.3.2.1.a wordt een artikel toegevoegd, luidende:

Artikel 1:54d

1. De Nederlandsche Bank richt, met inachtneming van artikel 1:90, eerste tot en met derde lid, een college van toezichthouders op voor de uitoefening van de taken, bedoeld in artikel 48 septdecies, vierde en vijfde lid, en artikel 116, eerste lid, van de richtlijn kapitaalvereisten, met inachtneming van de ingevolge artikel 48 terdecies, eerste lid, van de richtlijn kapitaalvereisten gestelde regels, en om te zorgen voor passende coördinatie en samenwerking met relevante toezichthoudende instanties van andere lidstaten, indien de Nederlandsche Bank toezicht houdt op een klasse 1-bijkantoor, dat bijkantoor de grootste totale waarde heeft van geboekte activa binnen de Europese Unie, en de groep, waarvan de moederonderneming haar zetel heeft in een staat die geen lidstaat is, waartoe dit bijkantoor behoort:

a. in meerdere lidstaten een bijkantoor als bedoeld in de aanhef heeft maar geen dochteronderneming heeft in een lidstaat; of

b. in meerdere lidstaten een bijkantoor als bedoeld in de aanhef heeft en een dochteronderneming in een lidstaat heeft die niet reeds onder een college van toezichthouders valt.

2. Indien de Nederlandsche Bank toezicht houdt op een klasse 1-bijkantoor en een college van toezichthouders wordt opgericht als bedoeld in het eerste lid door een toezichthouder uit een andere lidstaat, of er in een andere lidstaat reeds een college van toezichthouders is opgericht voor een dochteronderneming van dezelfde groep als waartoe het klasse 1-bijkantoor behoort, neemt zij deel in dat college van toezichthouders.

F

In artikel 1:57a wordt na “aan toezichthoudende instanties van andere lidstaten” ingevoegd “of aan Europese autoriteiten”.

G

Artikel 1:62 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding “1.” geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

2. De Nederlandsche Bank stelt de toezichthoudende instantie van een lidstaat in de gelegenheid advies uit te brengen alvorens een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 3:96a of 3:96c te verlenen indien daarbij is betrokken:

a. een bank, beheerder van een beleggingsinstelling, beheerder van een icbe, beleggingsonderneming, herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar waaraan in de desbetreffende lidstaat een vergunning is verleend;

b. de moedermaatschappij van een bank, beheerder van een beleggingsinstelling, beheerder van een icbe, beleggingsonderneming, herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar als bedoeld onder a; of

c. een rechtspersoon die anderszins zeggenschap heeft over een bank, beheerder van een beleggingsinstelling, beheerder van een icbe, beleggingsonderneming, herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar als bedoeld onder a.

H

De eerste zin van artikel 1:65, eerste lid, komt te luiden:

De toezichthouder kan met een toezichthoudende instantie of een bij afwikkeling betrokken autoriteit van een staat die geen lidstaat is, vertrouwelijke gegevens of inlichtingen uitwisselen, voor zover de uitwisseling voor de vervulling van zijn taak op grond van deze wet of de taakuitoefening van die instantie of autoriteit nodig is.

I

In artikel 1:86 wordt na “3:95, eerste lid” ingevoegd “3:96a, eerste lid, 3:96b, eerste lid, 3:96c, eerste lid, 3:96d, eerste lid”, wordt na “3:103, eerste lid” ingevoegd “ of 3:280a”, en wordt “bank of beleggingsonderneming” vervangen door “bank, beleggingsonderneming, financiĂ«le holding of gemengde financiĂ«le holding”.

J

Artikel 1:104 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. Onderdeel f komt te luiden:

f. de vergunninghouder:

1°. de vergunningplichtige activiteit heeft beëindigd;

2°. de houder van een vergunning als bedoeld in artikel 3:4, een beleggingsonderneming, betaalinstelling, klasse 1-bijkantoor, klasse 2-bijkantoor, elektronischgeldinstelling of wisselinstelling is die haar bedrijf gedurende meer dan zes maanden heeft gestaakt;

3°. een bemiddelaar in hypothecair krediet, een entiteit voor risico-acceptatie of een natura-uitvaartverzekeraar is die zijn of haar bedrijf waarvoor zij of hij een vergunning heeft, gedurende meer dan zes maanden heeft gestaakt;

4°. een levensverzekeraar dan wel schadeverzekeraar is die zijn bedrijf in een branche waarvoor hij een vergunning heeft, gedurende meer dan zes maanden heeft gestaakt;

5°. een herverzekeraar is die zijn bedrijf in een herverzekeringsactiviteit waarvoor hij een vergunning heeft, gedurende meer dan zes maanden heeft gestaakt;

b. In onderdeel k wordt “betaalinstelling of een elektronischgeldinstelling” vervangen door “betaalinstelling, een elektronischgeldinstelling, een klasse 1-bijkantoor of klasse 2-bijkantoor,”.

c. Onder verlettering van de onderdelen o tot en met r tot p tot en met s wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

o . de vergunninghouder een klasse 1-bijkantoor of klasse 2-bijkantoor is waarvan de moederonderneming die gezeteld is in een staat die geen lidstaat is niet aan de prudentiële vereisten van die staat voldoet of er een vermoeden is dat zij niet meer voldoet of binnen twaalf maanden niet meer zal voldoen;

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

7. Indien de omstandigheid, bedoeld in het eerste lid, onderdeel q, zich voordoet bij de moederonderneming of in de groep van een klasse 1-bijkantoor of klasse 2-bijkantoor kan de vergunning van dat bijkantoor worden ingetrokken.

K

Artikel 1:106b wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

1. De Nederlandsche Bank zendt een schriftelijke ontvangstbevestiging aan de aanvrager:

a. binnen twee werkdagen na ontvangst van de aanvraag van een verklaring van geen bezwaar en van alle gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 3:95, tweede lid, met uitzondering van een verklaring van geen bezwaar voor een gekwalificeerde deelneming als bedoeld in artikel 3:95, eerste lid, onderdeel b; of

b. binnen tien werkdagen na ontvangst van:

1°. de aanvraag van een verklaring van geen bezwaar en van alle gegevens en bescheiden voor een gekwalificeerde deelneming als bedoeld in artikel 3:95, eerste lid, onderdeel b;

2°. de aanvraag van een verklaring van geen bezwaar en van alle gegevens en bescheiden als bedoeld in de artikelen 3:96a, tweede lid, of 3:96c, tweede lid;

3°. de kennisgevingen als bedoeld in de artikelen 3:96b, tweede lid, of 3:96d, tweede lid.

2. In het vierde lid wordt “artikel 3:95” vervangen door “de artikelen 3:95, 3:96a of 3:96c”.

3. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

5. Indien een aanvraag voor zowel een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in enerzijds artikel 3:95, eerste lid, onderdeel b, en anderzijds artikel 3:96a, eerste lid, onderdeel a, of 3:96c, eerste lid, onderdeel a, wordt ingediend, verstrijkt in afwijking van het tweede en derde lid de termijn voor beslissing van de Europese Centrale Bank of de Nederlandsche Bank pas wanneer de laatste van de twee beslistermijnen verstrijkt.

6. Indien een aanvraag voor zowel een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 3:96a, eerste lid, onderdeel b of c, of artikel 3:96c, eerste lid, onderdeel b of c, wordt ingediend, evenals een aanvraag van een vergunning als bedoeld in artikel 2:11 of een aanvraag voor een goedkeuring als bedoeld in artikel 3:280a, neemt de Nederlandsche Bank de aanvraag van een verklaring van geen bezwaar voor de voorgenomen fusie of splitsing als bedoeld in artikel 3:96a, eerste lid, onderdeel b of c, of artikel 3:96c, eerste lid, onderdeel b of c, niet in behandeling.

L

Artikel 1:106c wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het tweede lid wordt een zin toegevoegd, luidende:

Indien het aanvullende informatie in het kader van een procedure als bedoeld in artikel 1:106b, eerste lid, onderdeel b, betreft, zendt de Nederlandsche Bank in afwijking van de eerste zin binnen tien werkdagen een ontvangstbevestiging.

2. Het derde lid komt te luiden:

3. Indien de aanvraag van een goedkeuring als bedoeld in artikel 3:280b of van een ontheffing als bedoeld in 3:280c tegelijkertijd wordt ingediend met een aanvraag van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 3:95, eerste lid, onderdeel b, of 3:96c, eerste lid, onderdeel a, houdt de Nederlandsche Bank de beslissing aan totdat een besluit op de aanvraag omtrent goedkeuring of ontheffing is genomen.

3. Het vijfde lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In de aanhef wordt “derde lid” vervangen door “vierde lid”.

b. Onderdeel a komt te luiden:

a. de aanvrager, de onderneming waarin een deelneming als bedoeld in artikel 3:96a, eerste lid, onderdeel a, of 3:96c, eerste lid, onderdeel a, verworven wordt, of een van de betrokken ondernemingen bij een fusie of splitsing als bedoeld in artikel 3:96a, eerste lid, onderdelen b of c, of artikel 3:96c, eerste lid, onderdelen b of c, zijn zetel heeft of onder toezicht staat in een staat die geen lidstaat is;

c. Er wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van dat lid door “; of” een onderdeel toegevoegd, luidende:

c. een uitwisseling van informatie met de toezichthoudende autoriteiten, bedoeld in artikel 1d, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme, noodzakelijk is.

M

Artikel 1:106d wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding “1.” geplaatst.

2. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

2. Het eerste lid is niet van toepassing op een aanvraag voor een verklaring van geen bezwaar voor een handeling als bedoeld in artikel 3:96a, eerste lid, onderdelen b of c, of 3:96c, eerste lid, onderdelen b of c, tenzij de handeling uitsluitend plaatsvindt tussen ondernemingen als bedoeld in artikel 3:96a, eerste lid, aanhef, onderscheidenlijk, 3:96c, eerste lid, aanhef, uit dezelfde groep.

3. De betrokken onderneming die een mededeling als bedoeld in het derde lid ontvangt, deelt het besluit mede aan de instanties die belast zijn met het toezicht op de fusie of splitsing als bedoeld in artikel 3:96a, eerste lid, onderdelen b of c, of 3:96c, eerste lid, onderdelen b of c, uit hoofde van het vennootschapsrecht.

N

In artikel 1:106e, wordt “artikel 3:96” vervangen door “de artikelen 3:96a en 3:96c”.

O

Aan artikel 1:107, tweede lid, worden, onder vervanging van “; en” aan het slot van onderdeel b en onder vervanging van de punt door een puntkomma aan het slot van onderdeel c, twee onderdelen toegevoegd, luidende:

d. financiële holdings en gemengde financiële holdings met een goedkeuring als bedoeld in artikel 3:280a of een vrijstelling als bedoeld in artikel 3:280c; en e. de classificering van klasse 1-bijkantoren en klasse 2-bijkantoren, en de classificering van die klasse 2-bijkantoren als een in aanmerking komend bijkantoor.

P

Aan artikel 1:112 wordt een lid toegevoegd, luidende:

3. De afdelingen 1.7.2 tot en met 1.7.6 zijn van overeenkomstige toepassing op een klasse 1-bijkantoor of klasse 2-bijkantoor met dien verstande, dat voor “financiĂ«le onderneming” wordt gelezen: “het klasse 1-bijkantoor of klasse 2-bijkantoor”.

Q

Artikel 2:13a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel a, wordt “aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 2:12, eerste lid, heeft ingediend” vervangen door “aanvraag van een vergunning als bedoeld in artikel 2:12, eerste lid, heeft ingediend, al dan niet gelijktijdig met een verzoek tot ontheffing als bedoeld in artikel 8 bis, derde lid bis, van de richtlijn kapitaalvereisten”.

2. Onder vernummering van het tweede tot en met vierde lid tot derde tot en met vijfde lid wordt een lid ingevoegd, luidend:

2. De Nederlandsche Bank kan, na een gelijktijdig bij de aanvraag als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, ingediend verzoek, een ontwerpbesluit voor ontheffing opstellen van het beschikken over een vergunning als bedoeld in artikel 2:12, eerste lid, indien de bank voldoet aan de criteria van artikel 8 bis, derde lid bis, van de richtlijn kapitaalvereisten.

3. In het vijfde lid (nieuw) wordt “aanvraag voor een vergunning” vervangen door “aanvraag van een vergunning”.

R

In het opschrift van paragraaf 2.2.2.3 wordt “banken” vervangen door “ondernemingen”.

S

Artikel 2:20 komt te luiden:

Artikel 2:20

1. Het is een ieder met zetel in een staat die geen lidstaat is verboden om in Nederland, zonder een in Nederland gevestigd bijkantoor en zonder daartoe over een door de Nederlandsche Bank te verlenen vergunning te beschikken, de volgende werkzaamheden te verrichten:

a. de in bijlage I, onder 1, bij de richtlijn kapitaalvereisten genoemde activiteit tenzij deze activiteit valt onder de uitzondering bedoeld in artikel 3:5, tweede lid, onderdeel f;

b. de in bijlage I, onder 2 of 6, bij de richtlijn kapitaalvereisten genoemde activiteit indien de persoon in de staat die geen lidstaat is zou worden aangemerkt als bank indien zij haar zetel in Nederland zou hebben gehad.

2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de verrichting van de in het eerste lid genoemde activiteiten voldoet aan de uitzonderingsvereisten, bedoeld in artikel 21 quater, tweede en derde of vierde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten.

T

Artikel 2:21 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, komt te luiden:

1. De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 2:20, eerste lid, indien:

a. voldaan is aan artikel 48 quater, vierde lid, onderdeel e en f, van de richtlijn kapitaalvereisten;

b. de aanvrager aantoont dat hij voldoet aan artikel 48 quater, vierde lid, onderdelen b en c, van de richtlijn kapitaalvereisten en dat met betrekking tot het bijkantoor zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge:

1°. artikel 3:8 met betrekking tot de geschiktheid van de in dat artikel bedoelde personen;

2°. artikel 3:9 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel genoemde personen;

3°. artikel 3:10, eerste en tweede lid, met betrekking tot het beleid met betrekking tot de integere bedrijfsuitoefening;

4°. artikel 3:17, eerste en tweede lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering;

5°. artikel 3:18, met betrekking tot uitbesteding aan een derde;

6°. artikel 3:21, met betrekking tot het minimum aantal personen dat het dagelijks beleid van het bijkantoor bepaalt en de plaats van waaruit zij hun werkzaamheden verrichten;

7°. artikel 3:53, eerste en derde lid, met betrekking tot het minimum eigen vermogen;

8°. artikel 3:57, eerste en tweede lid, met betrekking tot de solvabiliteit;

9°. artikel 3:63, eerste en tweede lid, met betrekking tot de liquiditeit;

10°. artikel 3:80a met betrekking tot de boekingsvereisten; en

c. artikel 48 quinquies, eerste lid, onderdeel b, van de richtlijn kapitaalvereisten niet van toepassing is.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

4. De vergunning vermeldt de activiteiten die op grond van de vergunning uitgevoerd mogen worden onder de voorwaarden bedoeld in artikel 48 quater, vierde lid, onderdeel d, van de richtlijn kapitaalvereisten.

U

In de aanhef van artikel 2:22, eerste lid, wordt “2:20 aan een bank die naast de uitoefening van het bedrijf van bank” vervangen door “2:20, eerste lid, aan een bank die naast de activiteiten, bedoeld in artikel 2:20, eerste lid,”.

V

In artikel 2:25, tweede lid, en artikel 2:26 wordt “15” telkens vervangen door “15 tot en met 17”.

W

Na artikel 2:62 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2:62a

Artikel 2:60, eerste lid, is niet van toepassing op een klasse 1-bijkantoor en klasse 2-bijkantoor, indien de vergunning met betrekking tot dat bijkantoor bepaalt dat het bijkantoor de werkzaamheden, bedoeld in bijlage I, onder 2, van de richtlijn kapitaalvereisten, mag verlenen.

X

Artikel 3:5 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het eerste lid wordt een zin toegevoegd:

Tevens is het een ieder met zetel in een staat die geen lidstaat is verboden in Nederland in de uitoefening van een bedrijf van een ander dan het publiek opvorderbare gelden aan te trekken, ter beschikking te verkrijgen of ter beschikking te hebben.

2. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:

a. in onderdeel a vervalt “of 2:20,”.

b. onder verlettering van de onderdelen c tot en met f tot e tot en met h worden twee onderdelen ingevoegd, luidende:

c. klasse 1-bijkantoren en klasse 2-bijkantoren indien de vergunning bepaalt dat het bijkantoor de werkzaamheden, bedoeld in bijlage I, onder 1, van de richtlijn kapitaalvereisten, mag verrichten;

d. ondernemingen met een zetel in een staat die geen lidstaat is en het aantrekken van opvorderbare gelden valt onder een uitzondering als bedoeld in artikel 21 quater, tweede en derde of vierde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten;

Y

Aan artikel 3:7, tweede lid, wordt een onderdeel toegevoegd, onder vervanging van “; en” door een puntkomma aan het slot van onderdeel b en onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel c door een puntkomma, luidende:

d. klasse 1-bijkantoren en klasse 2-bijkantoren.

Z

Artikel 3:8 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt in de derde zin “bank,”.

2. In het derde lid wordt, onder vervanging van “; en” door een puntkomma aan het slot van onderdeel b en onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel c door “; en”, een onderdeel toegevoegd, luidende:

d. de in het eerste lid genoemde geschiktheidseis niet van toepassing is op tijdelijk bewindvoerders aangesteld op grond van artikel 1:76a, en bijzondere bestuurders aangesteld op grond van artikel 3A:49.

AA

Artikel 3:9 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt in de derde zin “bank,”.

2. Aan het derde lid wordt een zin toegevoegd, luidende:

Bij het vaststellen of de betrouwbaarheid van een persoon, die het beleid van een bank bepaalt of mede bepaalt, buiten twijfel staat, wordt voldaan aan de eisen bedoeld in artikel 91 van de richtlijn kapitaalvereisten.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

4. Het eerste lid is niet van toepassing op tijdelijk bewindvoerders aangesteld op grond van artikel 1:76a, en bijzondere bestuurders aangesteld op grond van artikel 3A:49.

BB

Na artikel 3:9a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3:9b

1. Een bank draagt, met inachtneming van artikel 91 bis, eerste tot en met vierde lid, er zorg voor dat de bij de bank werkzame medewerkers met een sleutelfunctie geschikt zijn en hun betrouwbaarheid buiten twijfel staat.

2. De betrouwbaarheid van de hoofden van de internecontrolefuncties en de financieel directeur staat buiten twijfel wanneer dat eenmaal door een toezichthouder voor de toepassing van deze wet is vastgesteld, zolang niet een wijziging in de relevante feiten of omstandigheden een redelijke aanleiding geeft tot een nieuwe beoordeling. Artikel 3:9, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld betreffende de geschiktheid van een persoon als bedoeld in het eerste lid.

CC

In artikel 3:11 wordt “bijkantoren van banken met zetel in een staat die geen lidstaat is” vervangen door “klasse 1-bijkantoren en klasse 2-bijkantoren”.

DD

Na artikel 3:18a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3:18a.1

Banken, beleggingsondernemingen onder de verordening kapitaalvereisten, en andere partijen die in het kader van een stresstest als bedoeld in artikel 3:18a, vijfde lid, optreden in een raadgevende functie bij banken of beleggingsondernemingen onder de verordening kapitaalvereisten, onthouden zich van activiteiten die een stresstest kunnen belemmeren.

EE

Na artikel 3:18aa wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3:18ab

1. De Nederlandsche Bank evalueert periodiek de wijze waarop een klasse 1-bijkantoor en klasse 2-bijkantoor voldoet aan de vereisten, bedoeld in artikel 2:21, eerste lid.

2. Op grond van de evaluatie, bedoeld in het eerste lid, beoordeelt de Nederlandsche Bank of de wijze waarop de bedrijfsvoering is ingericht en de aangehouden liquiditeit en solvabiliteit, een degelijk beheer, solide dekking en levensvatbaarheid van het bijkantoor waarborgen.

3. De Nederlandsche Bank stemt de frequentie en de omvang van de evaluatie af op de aard, omvang, complexiteit en classificatie van het bijkantoor .

FF

In artikel 3:21, eerste lid, wordt “bijkantoor van een bank met zetel in een staat die geen lidstaat is” vervangen door “klasse 1-bijkantoor en klasse 2-bijkantoor”.

GG

Artikel 3:23 wordt als volgt gewijzigd:

1. De aanduiding “1.” voor het eerste lid vervalt.

2. Het tweede en derde lid vervallen.

HH

Na artikel 3:23 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3:23a

1. De artikelen 3:17 tot en met 3:18 zijn van overeenkomstige toepassing op een in Nederland gelegen klasse 1-bijkantoor en klasse 2-bijkantoor.

2. De Nederlandsche Bank kan nadere eisen als bedoeld in artikel 48 octies, tweede lid, tweede zin, en derde lid, tweede zin, van de richtlijn kapitaalvereisten stellen met betrekking tot de governance van het bijkantoor.

3. Het bijkantoor zorgt frequent voor een beoordeling door een onafhankelijke derde over de uitvoering en doorlopende naleving van de in het eerste lid bedoelde vereisten. Het advies dat volgt uit de beoordeling wordt met bevindingen en conclusies ingediend bij de Nederlandsche Bank.

4. De Nederlandsche Bank stelt de frequentie van de beoordeling bedoeld in het derde lid vast en deelt deze mede aan het bijkantoor.

II

Artikel 3:29 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt “2:107, tweede lid” vervangen door “2:106.0a, tweede lid, 2:107, tweede lid”.

2. In het tweede lid wordt “2:108, tweede lid” vervangen door “2:108, derde lid”.

JJ

Artikel 3:43 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt “3:32,” en “bank,”.

2. In het tweede lid vervalt “bank of” en “artikel 2:21, tweede lid,”.

KK

Na artikel 3:43 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3:43a

1. Een klasse 1-bijkantoor en klasse 2-bijkantoor geeft kennis van wijzigingen met betrekking tot onderwerpen waarover krachtens artikel 2:21, eerste lid, verstrekking van gegevens is voorgeschreven, aan de Nederlandsche Bank. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt, onder vermelding van de te volgen procedures, bepaald welke gegevens daarbij worden verstrekt en, indien van toepassing, onder welke voorwaarden de wijzigingen ten uitvoer mogen worden gelegd.

2. Een bijkantoor als bedoeld in het eerste lid, geeft onverwijld kennis aan de Nederlandsche Bank indien de moederonderneming in een staat die geen lidstaat is niet aan de daar geldende prudentiële vereisten voldoet, er redelijke gronden zijn om te vermoeden dat de moederonderneming niet aan die vereisten voldoet, of dat de moederonderneming binnen een jaar inbreuk zal maken op die vereisten.

LL

Artikel 3:44 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt “bank,”.

2. Onder vernummering van het tweede lid tot derde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

2. Een klasse 1-bijkantoor en klasse 2-bijkantoor dat tot ontbinding dan wel algehele of gedeeltelijke liquidatie wil overgaan, raadpleegt de Nederlandsche Bank over de wijze waarop de ontbinding onderscheidenlijk de liquidatie zal plaatsvinden ten minste dertien weken voordat aan de beslissing uitvoering wordt gegeven.

MM

Artikel 3:46 vervalt.

NN

In artikel 3:54, eerste lid, vervalt “banken,”.

OO

Aan paragraaf 3.3.5.2 wordt een artikel toegevoegd, luidende:

Artikel 3:54a

Artikel 3:53, eerste en derde lid, is van overeenkomstige toepassing op een klasse 1-bijkantoor en klasse 2-bijkantoor.

PP

In artikel 3:58, eerste lid, vervalt onderdeel b, onder verlettering van onderdeel c tot onderdeel b.

QQ

Na artikel 3:58 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3:58a

Artikel 3:57 is van overeenkomstige toepassing op een klasse 1-bijkantoor en klasse 2-bijkantoor.

RR

In artikel 3:62b wordt, onder vernummering van het derde lid tot vierde lid, een lid ingevoegd, luidende:

3. Het tweede lid is niet van toepassing indien toepassing van het verbod uit het tweede lid leidt tot wanbetaling of een aanleiding vormt om een faillissementsprocedure te starten.

SS

Artikel 3:62ba wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het derde tot en met achtste lid tot vierde tot en met negende lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

3. Het tweede lid is niet van toepassing indien toepassing van het verbod uit het tweede lid leidt tot wanbetaling of een aanleiding vormt om een faillissementsprocedure te starten.

2. In het zevende lid (nieuw) wordt “vierde, onderscheidenlijk vijfde” vervangen door “vijfde, onderscheidenlijk zesde”.

3. In het negende lid (nieuw) wordt “achtste” vervangen door “negende”.

TT

In artikel 3:65 vervalt “banken en op”.

UU

Aan paragraaf 3.3.7.3 wordt een artikel toegevoegd, luidende:

Artikel 3:65a

Artikel 3:63 is van overeenkomstige toepassing op een klasse 1-bijkantoor en klasse 2-bijkantoor.

VV

Artikel 3:74a wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

1. De Nederlandsche Bank kan een bank of beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten met zetel in Nederland:

a. opdragen frequenter dan is voorgeschreven in de artikelen 433 tot en met 433 van de verordening kapitaalvereisten de in deel 8 van die verordening bedoelde informatie te publiceren;

b. termijnen stellen waarbinnen een bank of beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten openbaarmakingsinformatie bij de Europese Bankautoriteit, als bedoeld in artikel 1 van verordening (EU) nr. 1093/2010, moet indienen met het oog op publicatie ervan op de EBA-website voor gecentraliseerde openbaarmakingen;

c. opdragen gebruik te maken van andere specifieke media en locaties dan de EBA-website voor gecentraliseerde openbaarmakingen voor publicaties of de financiële overzichten.

2. Onder vernummering van het tweede en derde lid tot derde en vierde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

2. De Nederlandsche Bank kan de volgende beleggingsondernemingen met zetel in Nederland opdragen de volgende informatie met een hogere frequentie dan eens per jaar te publiceren en voorschrijven op welke wijze deze publicatie plaatsvindt:

a. een beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen, niet zijnde een kleine en niet-verweven beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen, met betrekking tot de informatie, bedoeld in artikel 46, eerste lid, van die verordening; of

b. een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 46, tweede lid, van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen, met betrekking tot de informatie, bedoeld in artikel 46, tweede lid, van die verordening.

3. Onder vernummering van het vierde lid (nieuw) tot vijfde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

4. Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing op kleine en niet-complexe banken, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel 145, van de verordening kapitaalvereisten.

WW

In artikel 3:80, eerste lid, vervalt “banken,”.

XX

Na artikel 3:80 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3:80a

1. Een klasse 1-bijkantoor en klasse 2-bijkantoor, voldoet aan de boekingsvereisten van artikel 48 nonies, eerste en tweede lid, van de richtlijn kapitaalvereisten met inachtneming van de ingevolge artikel 48 nonies, vierde lid, van die richtlijn gestelde regels.

2. Een bijkantoor als bedoeld in het eerste lid zorgt frequent voor een beoordeling door een onafhankelijke derde over de uitvoering en doorlopende naleving van de in het eerste lid bedoelde vereisten. Het advies dat volgt uit de beoordeling wordt met bevindingen en conclusies ingediend bij de Nederlandsche Bank.

3. De Nederlandsche Bank stelt de frequentie van de beoordeling bedoeld in het tweede lid vast en deelt deze mede aan het bijkantoor.

YY

In artikel 3:81, eerste lid, vervalt “bank,”.

ZZ

In artikel 3:82, eerste lid, vervallen de zinsneden “en in Nederland gelegen bijkantoren van banken met zetel in een staat die geen lidstaat is” en “of bank”, alsmede de tweede zin.

AAA

Na artikel 3:82a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3:82b

1. Artikel 3:72, eerste en vijfde tot en met zevende lid, is van overeenkomstige toepassing op een klasse 1-bijkantoor en klasse 2-bijkantoor.

2. De Nederlandsche Bank kan aanvullende rapportagevereisten stellen aan een bijkantoor als bedoeld in het eerste lid, indien zij van oordeel is dat aanvullende informatie noodzakelijk is om een volledig beeld te krijgen van de bedrijfsactiviteiten, de solvabiliteit of liquiditeit, van het bijkantoor of de moederonderneming, om na te gaan of het bijkantoor of de moederonderneming de op hen van toepassing zijnde wetgeving naleeft en om ervoor te zorgen dat de bijkantoren dat ook daadwerkelijk doen.

3. De Nederlandsche Bank kan, met inachtneming van artikel 48 terdecies, derde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten, een in aanmerking komend bijkantoor geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van de verplichting om de in artikel 48 duodecies, tweede lid, van die richtlijn bedoelde informatie te rapporteren.

BBB

Artikel 3:83a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt “eerste lid, onderdeel a, tweede en derde lid” vervangen door “eerste, derde en vijfde lid”, vervalt “een bank of” en “, in het geval van een beleggingsonderneming”.

2. In het tweede lid wordt “eerste lid, onderdelen b en c, tweede en derde lid” vervangen door “tweede, derde en vijfde lid”.

CCC

Artikel 3:91 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding “1.” Geplaatst.

2. In het eerste lid (nieuw) vervalt “bank,”.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

2. Artikel 3:88 is van overeenkomstige toepassing op accountants of andere deskundigen die het onderzoek, bedoeld in artikel 3:82b, eerste of tweede lid, uitvoeren van de staten van een klasse 1-bijkantoor of klasse 2-bijkantoor.

DDD

Artikel 3:96 vervalt.

EEE

Voor artikel 3:97 worden vijf artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 3:96a

1. Het is een bank met zetel in Nederland verboden, anders dan na verkregen verklaring van geen bezwaar van de Nederlandsche Bank, van de Europese Centrale Bank, of van de toezichthoudende instantie van een andere lidstaat en de Nederlandsche Bank gezamenlijk, indien de toezichthoudende instantie van een andere lidstaat de consoliderende toezichthouder is, om:

a. een deelneming van betekenis rechtstreeks of middellijk te verwerven van ten minste 15% van haar in aanmerking komend kapitaal op individuele basis of, in voorkomend geval, op zowel individuele als geconsolideerde basis;

b. een fusie als bedoeld in artikel 27 nonies van de richtlijn kapitaalvereisten aan te gaan en zij de uit de fusie voortvloeiende onderneming zal zijn;

c. een splitsing als bedoeld in artikel 27 nonies van de richtlijn kapitaalvereisten uit te voeren.

2. Een bank met zetel in Nederland vraagt een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in het eerste lid aan bij de Nederlandsche Bank onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

3. Indien een bank als bedoeld in het eerste lid zowel op individuele, als geconsolideerde basis voldoet aan de grens van het eerste lid, onderdeel a, verzendt zij tevens een kennisgeving van haar aanvraag als bedoeld in het tweede lid tevens aan de Europese Centrale Bank, of de toezichthoudende instantie van een andere lidstaat, indien deze de consoliderende toezichthouder is.

4. De Nederlandsche Bank neemt een besluit over de aanvraag bedoeld in het derde lid, in overeenstemming met de consoliderende toezichthouder en neemt hierbij artikel 27 quater, tweede en derde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten in acht.

5. Indien de verklaring van geen bezwaar ziet op een fusie of splitsing als bedoeld in het eerste lid, onderdelen b of c, geschiedt de aanvraag na de vaststelling van de ontwerpvoorwaarden van de fusie of splitsing.

Artikel 3:96b

1. Een bank met zetel in Nederland stelt de Nederlandsche Bank in kennis alvorens:

a. een deelneming als bedoeld in artikel 3:96a, eerste lid, onderdeel a, rechtstreeks of middellijk af te stoten;

b. een overname of overdracht van activa of passiva uit te voeren indien

deze overdracht van materieel belang is als bedoeld in artikel 27 septies, tweede lid, van de richtlijn kapitaalvereisten.

2. De kennisgeving bedoeld in het eerste lid geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

Artikel 3:96c

1. Het is een financiële holding of gemengde financiële holding als bedoeld in artikel 3:280a verboden, anders dan na verkregen verklaring van geen bezwaar van de Europese Centrale Bank, indien deze bevoegd is toezicht uit te oefenen op de holding op grond van de artikelen 4 en 6 van de verordening bankentoezicht, van de Nederlandsche Bank, indien deze de in artikel 4, eerste lid, onderdeel 41, van de verordening kapitaalvereisten bedoelde consoliderende toezichthouder van de holding is, of van de toezichthoudende instantie van een andere lidstaat en de Nederlandsche Bank gezamenlijk, indien de toezichthoudende instantie van een andere lidstaat de consoliderende toezichthouder is:

a. een deelneming van betekenis te verwerven van ten minste 15% van haar in aanmerking komend kapitaal op geconsolideerde basis;

b. een fusie als bedoeld in artikel 27 nonies van de richtlijn kapitaalvereisten aan te gaan en zij de uit de fusie voortvloeiende onderneming zal zijn;

c. een splitsing als bedoeld in artikel 27 nonies van de richtlijn kapitaalvereisten uit te voeren.

2. Een holding als bedoeld in het eerste lid met zetel in Nederland vraagt een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in het eerste lid aan onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens bij de Nederlandsche Bank, de Europese Centrale Bank, of bij de Nederlandsche Bank onder verzending van een kennisgeving van de aanvraag aan de consoliderende toezichthouder , al naar gelang de bevoegdheidsverdeling in artikel 3:280a.

3. De Nederlandsche Bank neemt een besluit over de aanvraag bedoeld in het tweede lid in overeenstemming met de consoliderende toezichthouder van de holding als zij dat niet is en neemt hierbij artikel 27 quater, tweede en derde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten in acht.

4. Indien de verklaring van geen bezwaar ziet op een fusie of splitsing als bedoeld in het eerste lid, onderdelen b of c, geschiedt de aanvraag na de vaststelling van de ontwerpvoorwaarden van de fusie of splitsing.

Artikel 3:96d

1. Een financiële holding of gemengde financiële holding als bedoeld in artikel 3:280a stelt de Europese Centrale Bank, indien deze bevoegd is toezicht uit te oefenen op de holding op grond van de artikelen 4 en 6 van de verordening bankentoezicht, de Nederlandsche Bank, indien deze de in artikel 4, eerste lid, onderdeel 41, van de verordening kapitaalvereisten bedoelde consoliderende toezichthouder van de holding is, of de toezichthoudende instantie van een andere lidstaat indien de toezichthoudende instantie van een andere lidstaat de consoliderende toezichthouder van de holding is, in kennis alvorens:

a. een deelneming als bedoeld in artikel 3:96c, eerste lid, onderdeel a, rechtstreeks of middellijk af te stoten;

b. een overname of overdracht van activa of passiva uit te voeren indien

deze overdracht van materieel belang is als bedoeld in artikel 27 septies, tweede lid, van de richtlijn kapitaalvereisten.

2. De kennisgeving bedoeld in het eerste lid geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

Artikel 3:96e

1. Indien de Nederlandsche Bank de consoliderende toezichthouder is van een financiële holding of gemengde financiële holding als bedoeld in artikel 27 bis, eerste lid, van de richtlijn kapitaalvereisten, met zetel in een andere lidstaat, beoordeelt zij een kennisgeving als bedoeld in artikel 27 bis, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 27 decies, eerste lid, van de richtlijn kapitaalvereisten overeenkomstig artikel 27 ter, onderscheidenlijk 27 undecies, van die richtlijn.

2. Indien de Europese Centrale Bank de consoliderende toezichthouder is van een financiële holding of gemengde financiële holding als bedoeld in het eerste lid, omdat zij in de plaats is getreden van de Nederlandsche Bank op grond van de artikelen 4, 5 en 6 van de verordening bankentoezicht, beoordeelt zij, op aanvraag en indien de financiële holding of gemengde financiële holding zijn zetel heeft in een niet-deelnemende lidstaat, uitsluitend in overeenstemming met de toezichthouder in die lidstaat, de kennisgeving als bedoeld in artikel 27 bis, eerste lid, 27 septies, eerste lid, en 27 decies, eerste lid, van de richtlijn kapitaalvereisten overeenkomstig artikel 27 ter, onderscheidenlijk artikel 27 undecies, van die richtlijn.

3. De Nederlandsche Bank of de Europese Centrale Bank neemt bij de beoordeling, bedoeld in het eerste onderscheidenlijk tweede lid, artikel 27 quater, tweede en derde lid, onderscheidenlijk 27 duodecies, eerste en tweede lid, van de richtlijn kapitaalvereisten in acht.

FFF

In artikel 3:98 vervallen het eerste en tweede lid, alsmede de aanduiding “3.” voor het derde lid.

GGG

In artikel 3:100, eerste lid, wordt, onder vervanging van “; of” door een puntkomma aan het slot van onderdeel e en onder verlettering van onderdeel f tot g, een onderdeel ingevoegd, luidende:

f. de aanvrager van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 3:95, eerste lid, onderdeel b, gezeteld is in een staat die geen lidstaat en die is aangemerkt als staat met een hoog risico dat strategische tekortkomingen vertoont in zijn regelgeving met betrekking tot witwassen of terrorismefinanciering, of in een land dat onderworpen is aan beperkende maatregelen van de Europese Unie, en dit afbreuk doet aan de capaciteit van de kandidaat-verwerver om de vereiste praktijken en processen toe te passen om te voldoen aan de voorschriften van de Wet voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme; of

HHH

Artikel 3:101 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef van het eerste lid vervalt “3:96, eerste lid, of”.

2. In het eerste lid, onderdeel a, vervalt “bank”.

III

Na artikel 3:101 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3:101a

1. De Nederlandsche Bank of de Europese Centrale Bank verleent een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 3:96a, eerste lid, onderdeel a, of artikel 3:96c, eerste lid, onderdeel a, tenzij:

a. de aanvrager als gevolg van de deelneming niet zal kunnen blijven voldoen aan de prudentiële regels die ingevolge deze wet zijn gesteld; of

b. er goede redenen zijn om te vermoeden dat in verband met de voorgenomen deelneming geld wordt of werd witgewassen of terrorisme wordt of werd gefinancierd of dat gepoogd wordt of werd geld wit te wassen of terrorisme te financieren in de zin van de Wet voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme of dat de voorgenomen deelneming het risico daarop zou kunnen vergroten.

2. De Nederlandsche Bank verleent een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 3:96a, eerste lid, onderdelen b of c, of artikel 3:96c, eerste lid, onderdelen b en c, tenzij:

a. de betrouwbaarheid van de aanvrager van de verklaring van geen bezwaar of van de personen die op grond van de voorgenomen fusie of splitsing het beleid van de financiële onderneming zullen bepalen of mede bepalen of zullen kunnen bepalen of mede bepalen niet buiten twijfel staat;

b. de aanvrager, gelet op zijn reputatie, niet geschikt is of de personen die op grond van de voorgenomen fusie of splitsing het dagelijks beleid van de financiële onderneming zullen bepalen terzake niet geschikt zijn;

c. de financiële soliditeit van de financiële ondernemingen betrokken bij de fusie of splitsing rekening houdend met de bedrijfsactiviteiten van de financiële onderneming, niet is gewaarborgd;

d. de financiële onderneming die ontstaat als gevolg van de voorgenomen fusie of splitsing niet zal kunnen blijven voldoen aan de prudentiële regels die ingevolge deze wet zijn gesteld;

e. het uitvoeringsplan van de voorgenomen fusie of splitsing vanuit prudentieel oogpunt niet realistisch en solide is; of

f. er goede redenen zijn om te vermoeden dat in verband met de voorgenomen fusie of splitsing geld wordt of werd witgewassen of terrorisme wordt of werd gefinancierd of dat gepoogd wordt of werd geld wit te wassen of terrorisme te financieren in de zin van de Wet voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme of dat de voorgenomen verwerving of vergroting het risico daarop zou kunnen vergroten.

3. Indien een aanvrager onvolledige of onjuiste informatie verstrekt, ondanks een verzoek overeenkomstig artikel 1:106c, eerste lid, wordt de verklaring van geen bezwaar niet verleend.

4. In afwijking van het eerste en tweede lid kan de Nederlandsche Bank, en, waar van toepassing overeenkomstig artikel 3:96a, derde lid, of 3:96c, derde lid, in overeenstemming met de toezichthoudende instantie van een andere lidstaat, de verklaring van geen bezwaar verlenen, indien:

a. een deelneming als bedoeld in artikel 3:96a, eerste lid, onderdeel a, of artikel 3:96c, eerste lid, onderdeel a, ziet op een situatie als bedoeld in artikel 27 bis, zevende lid, van de richtlijn kapitaalvereisten;

b. een fusie als bedoeld in artikel 3:96a, eerste lid, onderdeel b, of artikel 3:96c, eerste lid, onderdeel b, ziet op een situatie als bedoeld in artikel 27 decies, tweede lid, van de richtlijn kapitaalvereisten.

JJJ

Het derde lid van artikel 3:102 vervalt.

KKK

In artikel 3:103a, vijfde lid, wordt “artikelen 1:62” vervangen door “artikelen 1:62, eerste lid”.

LLL

Artikel 3:104 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt “3:96, eerste lid,” vervangen door “3:96a, eerste lid, 3:96c, eerste lid,” en wordt “onderscheidenlijk 3:101” vervangen door “onderscheidenlijk, 3:101, onderscheidenlijk, 3:101a”.

2. In het tweede lid wordt “3:95, eerste lid,” vervangen door “3:95, eerste lid, of verbonden aan een deelneming als bedoeld in artikel 3:96a, eerste lid, onderdeel a, onderscheidenlijk, artikel 3:96c, eerste lid, onderdeel a,”.

3. In het derde lid wordt “3:95, eerste lid,” vervangen door “3:95, eerste lid, 3:96, eerste lid, 3:96a, eerste lid, of 3:96c, eerste lid”.

MMM

Paragraaf 3.3.11.2 vervalt.

NNN

In artikel 3:110, zesde lid, wordt “onderdeel a” vervangen door “onderdeel b”.

OOO

Artikel 3:111a, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. De onderdelen f en g komen te luiden:

f. beperkingen opleggen ten aanzien van de bedrijfsactiviteiten, onder meer met betrekking tot het aantrekken, ter beschikking verkrijgen of ter beschikking hebben van opvorderbare gelden, de transacties of het netwerk van banken of beleggingsondernemingen dan wel de afstoting te verlangen van activiteiten die buitensporige risico's voor de soliditeit opleveren;

g. voorschrijven dat het risico dat verbonden is aan de activiteiten, producten en systemen, inclusief de uitbestede activiteiten, wordt beperkt;

2. Onderdeel h vervalt, onder verlettering van de onderdelen i tot en met o tot h tot en met n.

3. Er worden, onder vervanging van “; of” door een puntkomma aan het slot van onderdeel m (nieuw) en onder verlettering van onderdeel n (nieuw) tot q, drie onderdelen ingevoegd, luidende:

n. voorschrijven dat de risico’s worden verminderd die op korte, middellange en lange termijn uit ESG-factoren als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel 52 quinquies, van de verordening kapitaalvereisten voortvloeien, waaronder de risico’s die voortvloeien uit het aanpassingsproces en uit transitietrends in samenhang met de desbetreffende wettelijke en regelgevingsdoelstellingen van de Europese Unie, een lidstaat of een staat die geen lidstaat is, door aanpassingen aan de bedrijfsstrategie, governance en risicobeheer waarvoor een aanscherping van de streefdoelen, maatregelen en acties ingevolge artikel 3:17, tweede lid, aanhef en onderdeel c, op te stellen plannen kan worden gevraagd;

o. voorschrijven dat de bank of beleggingsonderneming stresstests of scenarioanalyses uitvoert om de risico’s te beoordelen die voortvloeien uit blootstellingen aan cryptoactiva en uit het verlenen van cryptoactivadiensten als bedoeld in de verordening cryptoactiva;

p. voorschrijven dat de bank of beleggingsonderneming blootstellingen aan een centrale tegenpartij vermindert of blootstellingen op hun clearingrekeningen aanpast overeenkomstig artikel 7 bis van de EMIR-verordening, indien de Nederlandsche Bank van oordeel is dat er sprake is van een buitensporig concentratierisico dat voortvloeit uit blootstellingen aan die centrale tegenpartij; of

PPP

Artikel 3:111a.0, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. De onderdelen f en g komen te luiden:

f. beperkingen opleggen ten aanzien van de bedrijfsactiviteiten, de transacties of het netwerk van beleggingsondernemingen, dan wel de afstoting te verlangen van activiteiten die buitensporige risico's voor de soliditeit opleveren;

g. voorschrijven dat het risico dat verbonden is aan de activiteiten, producten en systemen, inclusief de uitbestede activiteiten, wordt beperkt;

2. Onderdeel h vervalt onder verlettering van de onderdelen i tot en met o tot h tot en met n.

3. Er wordt, onder vervanging van “; of” door een puntkomma aan het slot van onderdeel n (nieuw), een onderdeel toegevoegd, luidende:

o. voorschrijven dat de beleggingsonderneming blootstellingen aan een centrale tegenpartij vermindert of blootstellingen op hun clearingrekeningen aanpast overeenkomstig artikel 7 bis van de EMIR-verordening, indien de Nederlandsche Bank van oordeel is dat er sprake is van een buitensporig concentratierisico dat voortvloeit uit blootstellingen aan die centrale tegenpartij.

QQQ

Na 3:111a.0 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3:111a.1

1. De Nederlandsche Bank kan aan een klasse 1-bijkantoor of klasse 2-bijkantoor maatregelen opleggen om ervoor te zorgen dat:

a. het bijkantoor voldoet aan het bepaalde ingevolge dit deel;

b. de wezenlijke risico’s waaraan het bijkantoor is blootgesteld, op solide en toereikende wijze worden gedekt en beheerd en dat het bijkantoor levensvatbaar blijft.

2. De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, zijn de volgende:

a. voorschrijven dat zij over een hogere solvabiliteit of liquiditeit beschikt dan ingevolge de artikelen 3:57 en 3:63 van deze wet is vereist;

b. voorschrijven dat ingevolge artikel 3:17 ingevoerde strategieën, maatregelen, procedures en ingevolge artikel 3:80a vereiste boekingsvereisten worden aangescherpt;

c. beperkingen opleggen aan de reikwijdte van de bedrijfsactiviteiten, aan de activiteiten die zij verrichten, of aan de tegenpartijen bij die activiteiten;

d. voorschrijven dat activiteiten, producten en systemen, waaronder de uitbestede activiteiten, die een inherent risico met zich meebrengen worden beperkt of beëindigd;

e. voorschrijven dat het bijkantoor voldoet aan aanvullende rapportagevereisten overeenkomstig artikel 3:72 of de frequentie van de periodieke rapportage verhoogd; of

f. voorschrijven dat het bijkantoor aanvullende informatie openbaar maakt.

3. De Nederlandsche Bank heft de maatregelen, bedoeld in het tweede lid, op zodra het bijkantoor weer voldoet aan het bepaalde ingevolge dit deel of de risico’s weer op solide en toereikende wijze worden gedekt en beheerd en het bijkantoor weer levensvatbaar is.

RRR

In artikel 3:111aa, eerste lid, wordt “artikel 104 ter, derde en vierde lid” vervangen door “artikel 104 ter, derde tot en met vierde lid bis”.

SSS

In de artikelen 3:111ac, 3:111ad en 3:111ae wordt telkens “onderdeel k” vervangen door “onderdeel j”.

TTT

Na afdeling 3.5.1 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:

Afdeling 3.5.1.0 Systeemrelevantie en bankvergunningseis bijkantoren van ondernemingen uit een staat die geen lidstaat is

Artikel 3:111ba. Beoordeling systeemrelevantie bijkantoren

1. De Nederlandsche Bank beoordeelt, indien een klasse 1-bijkantoor of klasse 2-bijkantoor zich in een groep in de Europese Unie bevindt met een gerapporteerd totaalbedrag aan activa van € 40 miljard of meer bij alle in de Europese Unie gevestigde bijkantoren, of dat bijkantoor systeemrelevant is en aanzienlijke risico’s met zich meebrengt voor de financiĂ«le stabiliteit van de Europese Unie of Nederland, overeenkomstig de artikelen 48 decies, tweede lid, tweede alinea, en 48 undecies, eerste tot en met derde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten.

2. Indien een bijkantoor als bedoeld in het eerste lid als systeemrelevant is aangemerkt, kan de Nederlandsche Bank om de vastgestelde risico’s te adresseren maatregelen nemen waaronder:

a. voorschrijven dat het bijkantoor zijn activa of activiteiten zodanig herstructureert dat zij niet langer als systeemrelevant wordt aangemerkt of dat zij niet langer een overmatig risico vormt voor de financiële stabiliteit van de de lidstaten;

b. voorschrijven dat het bijkantoor aan aanvullende prudentiële eisen voldoet die de Nederlandsche Bank noodzakelijk acht.

Artikel 3:111bb. Verplichting aanvragen bankvergunning door bijkantoren

1. De Nederlandsche Bank kan voorschrijven dat een klasse 1-bijkantoor of klasse 2-bijkantoor een vergunning als bedoeld in artikel 2:11, eerste lid, aanvraagt indien:

a. het bijkantoor de activiteiten bedoeld in artikel 2:20, eerste lid, verricht met cliënten of tegenpartijen in andere lidstaten die niet vallen onder de vrijstellingen uit artikel 48 quater, vierde lid, onderdeel d, van de richtlijn kapitaalvereisten;

b. het bijkantoor systeemrelevant wordt geacht op grond van artikel 3:111ba;

c. het totaalbedrag van de activa van alle bijkantoren in de lidstaten die tot dezelfde groep als een bank uit een staat die geen lidstaat is behoren, ten minste € 40 miljard bedraagt, of het bedrag van de activa op de balans van het bijkantoor in Nederland in zijn boeken ten minste € 10 miljard bedraagt;

2. De Nederlandsche Bank kan voorschrijven dat een bijkantoor een vergunning als bedoeld in het eerste lid behoeft indien de Nederlandsche Bank:

a. eerder de maatregelen bedoeld in artikel 3:111a.1, tweede lid, of 3:111ba, tweede lid, heeft genomen; of

b. op andere dan de in het eerste lid, onderdelen a tot en met c, bedoelde gronden van oordeel is dat de maatregelen bedoeld in dit lid, onderdeel a, ontoereikend zouden zijn om de wezenlijke toezichtproblemen weg te nemen.

UUU

Artikel 3:271 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding “1.” geplaatst.

2. In het eerste lid (nieuw) vervalt “, financiĂ«le holding, gemengde financiĂ«le holding”.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een financiële holding of gemengde financiële holding als bedoeld in artikel 3:280a.

VVV

Artikel 3:272 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding “1.” geplaatst.

2. In het eerste lid (nieuw) vervalt “, financiĂ«le holding, gemengde financiĂ«le holding”.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een financiële holding of gemengde financiële holding als bedoeld in artikel 3:280a.

WWW

Na artikel 3:272 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3:272a

Artikel 3:9b is van overeenkomstige toepassing op een financiële holding en een gemengde financiële holding als bedoeld in artikel 3:280a.

XXX

Artikel 3:273 wordt als volgt gewijzigd:

1. In artikel 3:273, eerste lid, wordt “gemengde financiĂ«le holding, financiĂ«le holding of verzekeringsholding” vervangen door “een financiĂ«le holding of gemengde financiĂ«le holding als bedoeld in artikel 3:280a of een verzekeringsholding”. Tevens wordt aan het eerste lid een zin toegevoegd, luidende:

Een financiële holding of financiële gemengde holding als bedoeld in artikel 3:280a meldt tevens wijzigingen met betrekking tot onderwerpen waarover ingevolge artikel 3:272a verstrekking van gegevens is voorgeschreven aan de Nederlandsche Bank.

2. In het tweede lid wordt “gemengde financiĂ«le holdings, financiĂ«le holdings en verzekeringsholdings” vervangen door “financiĂ«le holdings en gemengde financiĂ«le holdings als bedoeld in 3:280a en op verzekeringsholdings”.

YYY

In artikel 3:275, eerste lid, wordt “artikel 111, eerste tot en met vijfde lid” vervangen door “de artikelen 110 bis en artikel 111, eerste tot en met vijfde lid”.

ZZZ

In artikel 3:276 wordt telkens “3:96, eerste lid, onderdeel b” vervangen door “3:96a, eerste lid, onderdeel a”.

AAAA

In artikel 3:277a, eerste lid, wordt “3:96, eerste lid, onderdeel b,” vervangen door “3:96a, eerste lid, onderdeel a”.

BBBB

In artikel 3:280a wordt na “de verordening kapitaalvereisten zijn gesteld” ingevoegd “of indien zij is aangewezen als bedoeld in artikel 3:280c”.

CCCC

In artikel 3:280b, eerste lid, onderdeel d, wordt “artikelen 3:271 en 3:272” vervangen door “artikelen 3:271, 3:272 en 3:272a”.

DDDD

Artikel 3:280c wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In de aanhef wordt “bank” vervangen door “bank, of een financiĂ«le holding of gemengde financiĂ«le holding die een goedkeuring heeft als bedoeld in artikel 3:280b, eerste lid,”. en wordt “artikel 3:280a” vervangen door “de artikelen 3:271, 3:272, 3:272a en 3:280a”.

b. Er wordt, onder vervanging van de “; en” door een puntkomma aan het slot van onderdeel b en onder vervanging van de punt door “; en” aan het slot van onderdeel c, een onderdeel toegevoegd, luidende:

d. de financiële holding of gemengde financiële holding zorg draagt dat het bestuur van die holding voldoende geschikt respectievelijk betrouwbaar is als bedoeld in artikel 3:8, eerste lid, respectievelijk, artikel 3:9, eerste lid.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

5. De Nederlandsche Bank, al naar gelang de bevoegdheidsverdeling in artikel 3:280a, kan op individuele basis besluiten een financiële holding of gemengde financiële holding die een ontheffing als bedoeld in 3:280c, eerste lid, heeft buiten de reikwijdte van consolidatie van een groep te houden indien voldaan wordt aan de voorwaarden in artikel 21 bis, vierde lid bis, van de richtlijn kapitaalvereisten.

EEEE

In het tweede lid van artikel 3:280e wordt “van die richtlijn” vervangen door “van de richtlijn kapitaalvereisten”.

FFFF

In artikel 3A:26 wordt “3:95, 3:96” vervangen door “3:95, 3:96a, 3:96c”.

GGGG

In artikel 3A:103 wordt “3:95, 3:96” vervangen door “3:95, 3:96a, 3:96c”.

HHHH

Artikel 4:3, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a vervalt “of 2:20,”.

2. Onder verlettering van de onderdelen c tot en met f tot d tot en met g, wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

c. klasse 1-bijkantoren en klasse 2-bijkantoren indien de vergunning bepaalt dat het bijkantoor de werkzaamheden, bedoeld in bijlage I, onder 1, van de richtlijn kapitaalvereisten, mag verrichten;

IIII

In artikel 4:9.0a, eerste lid, wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel c door een puntkomma een onderdeel toegevoegd, luidende:

d. het bepaalde ingevolge dat artikel niet van toepassing is op tijdelijke bewindvoerders aangesteld op grond van artikel 1:76a, en bijzondere bestuurders aangesteld op grond van artikel 3A:49.

JJJJ

Artikel 4:10 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het derde lid wordt een zin toegevoegd, luidende:

Bij het vaststellen of de betrouwbaarheid van een persoon die het beleid van een beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten bepaalt of mede bepaalt buiten twijfel staat, wordt voldaan aan de eisen bedoeld in artikel 91 van de richtlijn kapitaalvereisten.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

4. Het eerste lid is niet van toepassing op tijdelijk bewindvoerders aangesteld op grond van artikel 1:76a, en bijzondere bestuurders aangesteld op grond van artikel 3A:49.

KKKK

Na artikel 4:10 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4:10a

1. Een beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten draagt, met inachtneming van artikel 91 bis, eerste tot en met vierde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten er zorg voor dat de bij de beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten werkzame medewerkers met een sleutelfunctie geschikt zijn en hun betrouwbaarheid buiten twijfel staat.

2. De betrouwbaarheid van de hoofden van de internecontrolefuncties en de financieel directeur staat buiten twijfel wanneer dat eenmaal door een toezichthouder voor de toepassing van deze wet is vastgesteld, zolang niet een wijziging in de relevante feiten of omstandigheden een redelijke aanleiding geeft tot een nieuwe beoordeling. Artikel 4:10, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de geschiktheid van een persoon als bedoeld in het eerste lid.

LLLL

De bijlagen behorende bij de artikelen 1:79 en 1:80 worden elk gewijzigd als volgt:

1. In de opsomming onder het Deel markttoegang financiĂ«le ondernemingen wordt in de numerieke volgorde “2:13a, eerste lid” toegevoegd en wordt “2:20” vervangen door “2:20, eerste lid”.

2. In de opsomming onder het Deel Prudentieel toezicht financiĂ«le ondernemingen wordt “3:74a, eerste tot en met derde lid” vervangen door “3:74a, eerste tot en met derde en vijfde lid” en vervalt “3:96, eerste en vierde lid”.

3. In de opsomming onder het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen worden in numerieke volgorde toegevoegd:

3:18a.1

3:43a

3:96a, eerste lid

3:96b, eerste lid

3:96c, eerste lid

3:96d, eerste lid

3:111a.1, eerste en tweede lid

3:111ba, tweede lid

4. In de opsomming onder het Deel Gedragstoezicht financiĂ«le ondernemingen wordt “4:10, eerste lid” vervangen door “4:10, eerste en vierde lid”.

ARTIKEL II

De Bankwet 1998 wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 1, eerste lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel i door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

j. richtlijn kapitaalvereisten: Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG.

B

Artikel 12 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het derde lid worden twee zinnen toegevoegd, luidende: “Het functieprofiel is gebaseerd op objectieve en transparante criteria. In het geval van directeuren als bedoeld in artikel 12a wordt het functieprofiel langs elektronische weg door de Bank openbaar gemaakt.”

2. Aan het vijfde lid wordt een zin toegevoegd, luidende: In het geval van directeuren als bedoeld in artikel 12a bevat het koninklijk besluit en de mededeling in de Staatscourant, als bedoeld in het vierde lid, de redenen voor de ontheffing uit de functie, tenzij de betrokkene zich daartegen verzet.

C

Na artikel 12c wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 12d

1. De Bank stelt interne richtlijnen vast met betrekking tot:

a. belangenverstrengeling, die voldoen aan artikel 4 bis, derde, zevende en achtste lid van de richtlijn kapitaalvereisten; en

b. afkoelingsperiodes, die voldoen aan artikel 4 bis, derde lid, vierde lid, eerste alinea, en zesde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten.

2. De Bank hanteert een afkoelingsperiode van minimaal drie maanden, conform artikel 4 bis, vierde lid, tweede alinea, en vijfde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten, jegens een persoon werkzaam voor de Bank, die rechtstreeks betrokken is geweest bij het toezicht op een instelling als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, waar deze persoon rechtstreeks betrokken is geweest bij het toezicht op die instelling, indien deze persoon in dienst treedt bij of een contract sluit voor het verrichten van professionele diensten met:

a. die instelling;

b. een dienstverlener van die instelling;

c. een aan die instelling gelieerde entiteit; of

d. een rechtstreeks concurrent van die instelling.

3. In geval van een directeur als bedoeld in artikel 12a, hanteert de Bank een afkoelingsperiode als bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, van minimaal zes maanden, conform artikel 4 bis, vierde lid, tweede alinea, van de richtlijn kapitaalvereisten.

ARTIKEL III

In de Wet op de economische delicten wordt in artikel 1, onderdeel 2°, in de opsomming van artikelen bij de Wet op het financieel toezicht “2:20” vervangen door “2:20, eerste lid”, wordt “artikel 3:7” vervangen door “3:7”, “artikel 3:69 eerste lid” vervangen door “3:69, eerste lid”, wordt “3:96, eerste lid, artikel 3:97” vervangen door “3:96a, eerste lid, 3:96c, eerste lid, 3:97” en wordt “artikel 3:267d” vervangen door “3:267”.

ARTIKEL IV

1. De Nederlandsche Bank beoordeelt uiterlijk op 10 januari 2027 of een bijkantoor met een vergunning als bedoeld in artikel 2:20 van de Wet op het financieel toezicht, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel S van deze wet, voldoet aan de vereisten van artikel 2:21 van de Wet op het financieel toezicht. Indien het bijkantoor voldoet aan de vereisten, verleent De Nederlandsche Bank een vergunning als bedoeld in artikel 2:20, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht overeenkomstig artikel 2:21 van die wet onder gelijktijdige intrekking van de vergunning als bedoeld in artikel 2:20 van de Wet op het financieel toezicht, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel S van deze wet. Indien het bijkantoor niet voldoet aan de vereisten, trekt De Nederlandsche Bank de vergunning als bedoeld in artikel 2:20 van de Wet op het financieel toezicht, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel S, van deze wet, in. Artikel 1:104, derde lid, van de Wet op het financieel toezicht is van overeenkomstige toepassing.

2. De artikelen 2:20, eerste lid, en artikel 3:5, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht zijn niet van toepassing op een in een staat die geen lidstaat is gevestigde onderneming die een overeenkomst heeft gesloten voor 11 juli 2026 met een persoon als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht in Nederland voor de verlening van de in artikel 2:20, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht genoemde activiteiten, met dien verstande dat de artikelen 2:20, eerste lid, en artikel 3:5, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht wel van toepassing worden op het moment dat die overeenkomsten onderhevig zijn aan looptijdverandering of novatie.

3. Verklaringen van geen bezwaar, verkregen op grond van artikel 3:96, eerste lid, onderdelen a, b, of d, van de Wet op het financieel toezicht zoals dat artikel luidde voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel CCC, van deze wet, worden vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet gelijkgesteld met een op grond van artikel 3:96a van de Wet op het financieel toezicht verkregen verklaring van geen bezwaar.

4. Artikel 3:96b, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op het financieel toezicht is niet van toepassing indien een aanvraag voor een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 3:96, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op het toezicht zoals dat artikel luidde voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel CCC, van deze wet is ingediend of verleend voorafgaand aan deze inwerkingtreding.

5. Een aanvraag van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 3:96 van de Wet op het financieel toezicht ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel CCC, van deze wet wordt, indien op dat tijdstip nog niet onherroepelijk is beslist, gelijkgesteld met een aanvraag als bedoeld in artikel 3:96a van de Wet op het financieel toezicht.

ARTIKEL V

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

ARTIKEL VI

Deze wet wordt aangehaald als: Implementatiewet kapitaalvereisten 2026

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Minister van Financiën,