Vragenuur (ongecorrigeerd)
Stenogram
Nummer: 2026D02331, datum: 2026-01-20, bijgewerkt: 2026-01-21 09:11, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-01-20 14:00: Vragenuur (Vragenuur), TK
Preview document (🔗 origineel)
Vragenuur
Vragenuur
Aan de orde is het mondelinge vragenuur, overeenkomstig
artikel 12.3 van het Reglement van Orde.
Vragen Struijs
Vragen van het lid Struijs aan de staatssecretaris
Langdurige en Maatschappelijke Zorg over het bericht
"Mantelzorgers overbelast maar overheid vraagt hen meer te
doen".
De voorzitter:
Aan de orde zijn de mondelinge vragen. Ik heet de leden van de Kamer
welkom. Ik heet ook de staatssecretaris in vak K van harte welkom. Wij
beginnen met de eerste collega, de heer Struijs van 50PLUS, met zijn
mondelinge vragen aan de staatssecretaris. Gaat uw gang.
De heer Struijs (50PLUS):
Dank u, voorzitter. In Nederland is ongeveer het ongelofelijke aantal
van 5 miljoen mensen mantelzorger. We hebben het bij 50PLUS al eerder
gezegd: zonder mantelzorgers en vrijwilligers stort de samenleving in
elkaar. Zij zijn het cement dat de boel bij elkaar houdt. Een groot deel
van hen zijn 50-plussers die voor hun ouder of ouders zorgen, maar ik
wil hier zeker ook de jonge mantelzorgers benoemen. Ook op hun schouders
rust namelijk een enorme last. Ook de werkende vrouwen in de zorg, die
ook nog eens kinderen hebben, mogen niet vergeten worden. Zij worden
driedubbel uitgewoond.
Een op de drie mantelzorgers werkt in de zorg. Vorige week bleek uit een
onderzoek van de FNV dat de situatie van mantelzorgers steeds penibeler
wordt. Bijna 50% geeft aan steeds vermoeider te raken. 10% geeft aan op
omvallen te staan. Dit is erg zorgwekkend, en zelfs alarmerend te
noemen. Je kunt niet én bezuinigingen op de zorg én ouderen langer thuis
laten wonen, en dan verwachten dat de mantelzorgers als een
duizenddingendoekje de klappen blijven opvangen. De balans is wat 50PLUS
betreft weg. Met de toenemende vergrijzing zal de druk op mantelzorgers
alleen maar toenemen. Daarom de volgende vragen.
Realiseert de staatssecretaris zich dat de rek er bij de inzet van
mantelzorgers nu wel uit is? Langer thuis wonen en het te veel leunen op
mantelzorgers zorgen ervoor dat niet alleen mensen, maar ook het systeem
door het ijs zakken. Erkent zij het probleem en wat doet zij met dit
gegeven?
Mantelzorgondersteuning, de Wmo, is nu belegd bij gemeenten, dus
verschilt enorm. Is de staatssecretaris het eens met de stelling dat
overbelasting van mantelzorgers een nationaal probleem is, dat veel meer
met een ondergrens aan beleid landelijk zou moeten worden
opgepakt?
In het bijzonder is er een probleem voor mantelzorgende werkende vrouwen
in de zorg. Als zij omvallen, treft dit hun inkomen en pensioenopbouw,
maar ook de inzet in de zorg. Hoe kunnen we zorgen voor een vangnet voor
deze groep?
Als vervolg wil ik ook weten of er echt een brede erkenning is binnen
het kabinet, omdat wij dit als een zeer cruciaal probleem zien.
Ik dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik nu graag de staatssecretaris het woord. Gaat uw
gang.
Staatssecretaris Pouw-Verweij:
Dank u wel, voorzitter. Heel hartelijk dank voor de vragen. Als
allereerste zou ik willen zeggen dat ik het helemaal met de heer Struijs
eens ben dat mantelzorgers het cement zijn. Ze zijn van onschatbare
waarde. Ik denk bovendien dat mantelzorg eigenlijk de mooiste vorm van
zorg is die je kunt krijgen. Het is zorg die je ontvangt van een
geliefde, die als een warme mantel — daarom wordt het wellicht ook zo
genoemd — om je heen gelegd wordt. Deze mantelzorgers zijn van
onschatbare waarde en die moeten we waar mogelijk ondersteunen.
Ik zal nu de vragen adresseren. Is de rek eruit en erken ik het
probleem? Ik herken de signalen dat er steeds meer mantelzorgers in de
knel komen. Met name de opmerking over vrouwen in de zorg is er een die
ik herken. Daarbij zie je ook dat er spanning is tussen verschillende
soorten beleid die gevoerd worden. Aan de ene kant zie je dat er veel
ingezet wordt op maximale arbeidsparticipatie, onder andere vanuit het
ministerie van SZW. Tegelijkertijd zien wij bij VWS bepaalde
ontwikkelingen op ons afkomen. Het aantal werknemers in de zorg stijgt
niet gigantisch, terwijl we wel een stijging van de zorgvraag zien,
onder andere door de vergrijzing. Dat zijn dingen die heel erg lastig te
combineren zijn. We zien inderdaad dat heel veel mantelzorgers in de
knel komen. Hierbij noemde de heer Struijs onder andere het langer thuis
wonen. Daarbij wil ik ook wel noemen dat een deel hiervan het effect is
van een maatschappelijke beweging. We zien dat steeds meer ouderen zelf
de keuze maken om langer thuis te wonen. Toen ik zelf Kamerlid was, heb
ik heel vaak gepleit voor de terugkomst van het verzorgingshuis.
Inmiddels heb ik als staatssecretaris moeten erkennen dat uit onderzoek
onder ouderen blijkt dat zij daar zelf eigenlijk veel minder behoefte
aan hebben dan ik dacht. Ouderen willen ook liever niet naar het
verpleeghuis. We zien de wachtlijsten daar teruglopen. Ook ouderen zelf
kiezen er dus steeds vaker voor om minder formele zorg af te nemen en
lang thuis te blijven wonen. Ze maken daardoor meer aanspraak op
informele zorg. Dit is dus niet alleen een politieke beweging; hieraan
ligt ook een maatschappelijke beweging ten grondslag.
Dat gezegd hebbende erken ik dat er steeds meer mensen in de knel komen.
Ik heb daar absoluut oog voor. Ik zet dan meteen de stap naar uw laatste
vraag, zeg ik via de voorzitter, over de erkenning door het kabinet. Die
is er absoluut. We zijn niet voor niets afgelopen week gestart met de
campagne ZIEN dat zij er voor iemand ZIJN. Die gaat heel specifiek over
mantelzorgers en de erkenning die zij nodig hebben. Daarbij kijken we
ook specifiek naar jonge mantelzorgers en werkende mantelzorgers,
groepen die hier ook werden genoemd, en werken we samen met
Mantelzorg.nl, sociaal werk, Alzheimer Nederland en nog veel meer
ketenpartners.
Dan de vraag hoe we dit regelen. Ik herken dat dit een landelijk
probleem is. We zien dat dit voorkomt in alle delen van Nederland en
onder alle bevolkingsgroepen. Daarom doen we er ook landelijk dingen
aan, onder andere vanuit het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg en vanuit de
Mantelzorgagenda. Samen met OCW, SZW en Fin hebben we de SER gevraagd om
met een onderzoek te komen over de combinatie mantelzorg en werk. Dat is
allemaal landelijk beleid. Dat gezegd hebbende blijkt ook uit het
FNV-onderzoek dat er juist behoefte is aan erkenning en ondersteuning
dichtbij, onder andere op het werk maar ook in lokale kring. Ik denk dus
dat het juist goed is dat er ook op een zo lokaal mogelijk niveau
ondersteuning wordt geboden. Daarbij kijk ik naar werkgevers, maar ook
naar de gemeenten, omdat die het beste maatwerk kunnen bieden dat past
bij de lokale behoeften.
Ten slotte de vraag over het vangnet voor werkende vrouwen in de zorg.
Ook dat herken ik. Zoals ik al aangaf, komt het SER-advies eraan. Naar
verwachting wordt dat in het eerste kwartaal van 2026 gepubliceerd.
Daarbij is de SER expliciet verzocht om in het advies oog te hebben voor
eventuele ingrepen in wettelijke stelsels, zoals de sociale zekerheid.
Ik verwacht dat zij het nieuwe kabinet van concrete aanbevelingen zullen
voorzien om de combinatie werk en mantelzorg beter te faciliteren.
Aangezien mijn tijd hier helaas beperkt is, kijk ik daarvoor
nadrukkelijk naar het volgende kabinet.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik weet dat Kamerleden vaak een frisse wind zijn, maar ik ga
de heer Struijs toch vragen om hier te gaan staan, want dan kunnen we uw
tijd ook een beetje in de gaten houden en is er ook ruimte voor andere
collega's. Gaat uw gang.
De heer Struijs (50PLUS):
Ik dacht: ik probeer dit trucje even om wat meer … Nee hoor.
De voorzitter:
Het is mislukt. Gaat uw gang.
De heer Struijs (50PLUS):
Ik ben blij met de erkenning, maar ik ben in deze periode toch op zoek
naar een ondergrens die we vanuit de Tweede Kamer kunnen leggen. Ik zie
te veel differentiatie bij werkgevers, zoals u terecht zegt, maar met
name ook bij gemeenten. Ik ben zelf enorm geschrokken door wat ik in ons
eigen empirische onderzoek las over die differentiatie. Sommige
gemeenten doen aantoonbaar veel te weinig. Ik ben er dus naar op zoek om
als Kamer, samen met dit kabinet maar ook het toekomstige kabinet, toch
een ondergrens van zorg te bepalen waarmee gemeenten en werkgevers in de
cao rekening moeten houden. Is dat een richting die u zelf al wilt
inslaan, of is dat voor het volgende kabinet? Misschien zit ik daar zelf
wel in; ik weet ook niet hoe de toekomst eruitziet. Kunt u het
ondersteunen om die weg toch in te slaan? Natuurlijk hebben wij ook oog
voor het SER-rapport, want daar zijn we met z'n allen heel erg
nieuwsgierig naar. Mijn concrete vraag is dus of u bereid bent om de
eerste stappen te zetten om gewijde grond te maken voor een stevige
basis bij zowel gemeenten als werkgevers, en dan niet met een te
vrijblijvend karakter.
Staatssecretaris Pouw-Verweij:
Ja, daar ben ik zeker toe bereid. Wat mij betreft zou de variatie tussen
gemeenten moeten gaan tussen goed, beter en best en moet iedereen in
Nederland vanuit zijn gemeente een goed aanbod krijgen. Dit hebben we al
wel opgepakt. Onder andere vanuit het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg
zijn we bezig met de gelijkgerichtheid tussen gemeentes. We zijn ook
nadrukkelijk bezig om de geboden ondersteuning aan mantelzorgers per
gemeente zo veel mogelijk overeen te laten komen tussen gemeentes, zodat
er niet te grote verschillen tussen gemeentes zijn. Daarnaast
financieren we vanuit VWS het Adviesteam Mantelzorg, dat specifiek voor
gemeentes is ingericht. Daar kunnen gemeentes terecht als zij tegen
dingen aanlopen met de mantelzorgondersteuning. Wij kunnen daarbij dan
hulp bieden. Er worden dus verschillende dingen gedaan en daar gaan we
mee bezig, ook binnen het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg.
De heer Struijs (50PLUS):
Ja, wij gaan er zeker achteraan. Dank u voor de beantwoording. Dank u,
voorzitter. Mijn laatste oproep aan de staatssecretaris, en eigenlijk
aan eenieder, gaat over het kopje "ik zie u staan". Ik wil ertoe
oproepen dat wij alle mantelzorgers af en toe eens een warm hart
toedragen in het debat. Ik dank u wel.
Staatssecretaris Pouw-Verweij:
Daar sluit ik me graag van harte bij aan.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik heb even niet goed gezien wie eerder was, mevrouw Bikker
of mevrouw Dobbe. O, jullie laten elkaar voor. Dat is galant. Ik ga
kiezen. Mevrouw Bikker, ga uw gang.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Dank aan collega Struijs voor het naar voren halen van al die
mantelzorgers die dag in, dag uit belangeloos zorgen voor hun naasten en
zichzelf heel vaak geen mantelzorger noemen, maar het gewoon doen. Het
geluid dat we deze keer hoorden via Omroep MAX klinkt natuurlijk al een
heel aantal jaren. Ik weet dat mijn partij twee jaar geleden een
meldpunt had. Daar kon men aangeven waar tegenaan wordt gelopen als
mantelzorger. Wij stonden ervan te kijken hoe de brievenbus continu
bleef klepperen. Men had het over de regelbrij, hoe moeilijk het is om
telkens opnieuw passende zorg te vinden, hoe je door een doolhof heen
moet en over het vinden van goede respijtzorg om even op adem te komen.
Ik hoor van de staatssecretaris heel veel goede bedoelingen en heel veel
inzet, maar we wachten vaak op de stevige vuist die nodig is om hierbij
nog meer resultaat te krijgen. Nu wachten we op het SER-advies. Ik hoop
dat zij nog heel lang politiek actief is, maar mogelijk kan ze wel een
beetje reflecteren: wat zou de staatssecretaris het allermeest aan haar
opvolger willen meegeven dat we wel op korte termijn voor elkaar zouden
kunnen krijgen om mantelzorgers echt te helpen?
Staatssecretaris Pouw-Verweij:
Pfoe. Ik zou mijn opvolger meegeven om hierin nadrukkelijk samen te
werken met Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Ik denk namelijk dat daar
uiteindelijk het meeste te behalen valt. Zoals ik aangaf, doen we van
alles vanuit VWS. We hebben de Mantelzorgagenda. Met het
Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg doen we niet alleen ons best voor de
gelijkgerichtheid, maar ook voor het beter toegankelijk maken van
respijtzorg. Ik hoor van mantelzorgers dat zij heel erg vaak aan lopen
tegen onbegrip op de werkplek en dat dat het meeste pijn doet. Ze worden
daarin niet gezien en krijgen niet de erkenning en ondersteuning die
nodig is. Wij zetten enerzijds in op 2.0 fte arbeidsparticipatie per
huishouden en anderzijds verwachten we dat mensen een rol van betekenis
in hun gemeenschap spelen. Ouders dragen vaak zorg voor hun kinderen en
voor hun naasten binnen de familie en daarbuiten. Op een gegeven moment
houdt het wel op. Er zit 24 uur in een dag. Ik denk dus dat het
belangrijk is om goed te kijken naar wat onze verwachtingen precies
zijn. Laten we dus ook kijken naar de verhouding tussen betaald en
onbetaald werk. Dat zou ik dus graag mee willen geven.
Mevrouw Dobbe (SP):
Bedankt voor de beantwoording. Dank aan collega Struijs voor het
agenderen, want volgens mij is dit inderdaad een heel belangrijk
onderwerp. Volgens mij hebben we het hier wel over een symptoom,
namelijk dat mantelzorgers moeten oppakken wat de overheid laat vallen.
Dat betekent dat het op dit moment gewoon niet goed gaat in de zorg,
naar aanleiding van beleid. Dat is geen natuurwet, maar het gevolg van
het beleid dat wordt gevoerd door dit kabinet en de voorgaande
kabinetten. We hebben het dan niet alleen over de bezuinigingen die zijn
doorgevoerd, maar ook over het vermarkten van de zorg. Daardoor vallen
er nu gaten, die dichtgelopen moeten worden door mantelzorgers. Die
raken daardoor extra overbelast.
Ik mis in de beantwoording van deze staatssecretaris toch de erkenning
dat dit een resultaat is van die bezuinigingen. Ik mis een erkenning dat
je kan bezuinigen op de zorg, maar dat het niet betekent dat de
zorgvraag afneemt. Als mensen zorg nodig hebben, moet het ergens vandaan
komen. Dus als de overheid dat laat liggen, dan moeten mantelzorgers het
gaan doen. Dat kan dus niet. Zowel de bezuinigingsplannen van dit
kabinet, die nog steeds worden doorgevoerd, als die van de komende
kabinetten moeten echt van tafel. Ik mis dat volledig in de analyse van
deze staatssecretaris. Ik zou wel graag willen horen dat ze dat in ieder
geval erkent en wil oplossen.
Staatssecretaris Pouw-Verweij:
Ik ben het daar ten dele mee eens. Tegelijkertijd zie ik ook dat er door
het huidige kabinet, waar ik deel van uitmaak, geen nieuwe bezuinigingen
zijn ingevoerd als het aankomt op de ouderenzorg, om maar eens wat te
noemen. Er is juist een deel van de bezuinigingen van de vorige
kabinetten teruggedraaid. Toch zien we geen grote verlichting onder de
groep mantelzorgers. Het is niet zo dat ik dagelijks dankbare brieven
ontvang van mensen die zeggen dat het fijn is dat we dat niet hebben
gedaan en dat ze nu weer makkelijk kunnen ademhalen. Ook als we er dus
als kabinet voor kiezen om daar geen geld weg te halen, zien we
desondanks dat we nog steeds een periode hebben van een stijgende
zorgvraag en chronische tekorten in de zorg. Dit leidt tot chronische
overbelasting.
Ik stipte daarom net ook even die maatschappelijke ontwikkeling aan.
Voor een deel is het ook een keuze van mensen zelf. Zij kiezen minder
voor formele zorg, ook als die wel aangeboden wordt. Ik heb met mevrouw
Dobbe ook weleens gesprekken gehad over de onderuitputting in de Wlz.
Die onderuitputting komt niet allemaal door sturing vanuit het
ministerie van VWS. Natuurlijk is het fijn als er geld overblijft, maar
dat geld is daar wel degelijk gereserveerd en mag dus ook besteed
worden. Voor een heel groot deel wordt er ook geen aanspraak op gedaan
door de zorgontvangers zelf. Daar gebeurt dus ook van alles. Dat gezegd
hebbende zullen verdere bezuinigingen op de zorg hier natuurlijk niet
bij helpen. Daar ben ik het meteen mee eens.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik wil even doorgaan op die laatste zin van de staatssecretaris. Dit
inmiddels dubbel-demissionaire kabinet heeft ervoor gezorgd dat er juist
structureel 600 miljoen extra kwam voor de ouderenzorg. Wij hebben er
juist voor gezorgd dat er geïnvesteerd werd in de ouderenzorg. Nu komt
er een nieuw kabinet aan, dat al heeft aangekondigd dat er flink
bezuinigd kan gaan worden op de zorg. Ik zou graag van de
staatssecretaris een soort van visie krijgen op de situatie nu. Ze zegt
daar al van dat de druk nog steeds hoog is, ook al heb je erin
geïnvesteerd. Wat gaat het nou betekenen voor de extra druk op de
mantelzorg als het volgende kabinet flinke bezuinigingen gaat
doorvoeren?
Staatssecretaris Pouw-Verweij:
Dat is een lastige vraag. Ik heb natuurlijk geen glazen bol waar ik in
kan kijken en precies kan zeggen wat er gaat gebeuren. Ik kan wel één
dossier aanstippen, ook omdat mevrouw Van der Plas dat potje voor de
ouderenzorg noemt. Ik noemde dat eerder ook al even. Dat was
oorspronkelijk het plan voor de verzorgingshuizen. Ik ben daar als
staatssecretaris mee aan de gang gegaan. Op basis van de vraag vanuit de
ouderen zijn we nu eigenlijk een plan voor moderne verzorgingshuizen aan
het maken, waarin we inzetten op laagdrempelige zorg in wooninstellingen
en zorgzame gemeenschappen. Zo hopen we de stap naar de verpleeghuiszorg
zo lang mogelijk, of helemaal, uit te stellen.
Ik denk dat die beweging echt essentieel is om op die manier
laagdrempelig zorg te bieden aan de mensen op de plekken waar zij wonen.
Dat kan ook een middel zijn waarmee je uiteindelijk kunt besparen op
veel duurdere verpleeghuiszorg. Ik denk dat dat heel belangrijk is.
Volgens mij zijn er best vernieuwingen en aanpassingen in de zorg
mogelijk die uiteindelijk tot besparingen zullen leiden. Als je echter
geleid door een bezuiniging naar de zorg kijkt en zegt dat er een aantal
miljard vanaf moet en dat je het beleid daar dus maar op aan moet
passen, dan is het risico op brokken heel groot. Ik denk dat dan het
risico heel groot is dat de prijs uiteindelijk bij de mantelzorgers
terechtkomt. Het komende kabinet en alle kabinetten daarna zou ik willen
adviseren om daarvoor te waken.
Mevrouw Tijmstra (CDA):
Het rapport laat een aantal punten zien waar mantelzorgers tegenaan
lopen, onder andere in de combinatie met werk. Een van de dingen die mij
opviel, was dat mantelzorgers aangaven dat de mantelzorgondersteuning
vanuit de gemeenten niet altijd aansluit bij de behoefte die er is,
terwijl gemeenten daar natuurlijk wel een ongelofelijk belangrijke taak
in hebben. Gemeenten zijn het eerste aanspreekpunt voor mantelzorgers.
Is de staatssecretaris bereid om met de VNG in gesprek te gaan om dit
punt te adresseren? Kan zij enerzijds aandacht vragen voor de
vindbaarheid van de ondersteuningsmogelijkheden die er zijn en
anderzijds ervoor zorgen dat de behoefte goed aansluit bij de
ondersteuning die gemeenten bieden?
Staatssecretaris Pouw-Verweij:
Zeker. Dit is een van de speerpunten van het HLO, dus meer de gelijke
gerichtheid tussen gemeenten en ook de samenwerking tussen het Rijk en
de gemeenten via de VNG. We willen ervoor zorgen dat het
mantelzorgondersteuningsaanbod zo goed mogelijk aansluit bij wat
mantelzorgers nodig hebben. Ten dele doen wij dit al. Hier zijn ook al
periodieke overleggen voor en daar gaan we uiteraard mee door.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dat is een heel goed punt van mijn collega. De vraag hoe we ervoor
zorgen dat het aanbod beter aansluit op de vraag lag inderdaad op het
puntje van mijn tong. Ik heb nog een andere vraag. Ik kan me heel erg
goed vinden in de opmerkingen van de staatssecretaris. Zij zegt: zoek de
samenwerking met SZW, want daar ligt natuurlijk wel een groot probleem.
SZW zegt tegen iedereen: ga allemaal de arbeidsmarkt op! VWS zegt
daarentegen: ga allemaal voor elkaar zorgen! Als de staatssecretaris
toch nog iets wil nalaten voor een volgend kabinet, dan vraag ik haar:
hoe zouden wij dit patroon kunnen doorbreken? Hoe zouden we ervoor
kunnen zorgen dat deze twee ministeries elkaar niet tegenwerken op dit
terrein, maar versterken?
Staatssecretaris Pouw-Verweij:
Ja, als ik daar toch eens het antwoord op had ... Als er een heel
makkelijk antwoord op die vraag was, had iemand dat eerder al bedacht,
denk ik. Ik moet zeggen: het is niet zo dat ik nu tegenwerking van SZW
ervaar. Als ik dat beeld geschetst heb, dan wil ik dat graag terugnemen,
want we hebben een hele fijne samenwerking op allerlei dossiers, ook op
dit dossier. Ik denk dat het essentieel is dat we niet alleen samen met
SZW, maar ook samen met OCW en het ministerie van Financiën het verzoek
voor een advies bij de SER hebben neergelegd. We hebben daarbij ook
nadrukkelijk aangegeven: kijk daarin ook naar stelselwijzigingen; kom
echt met diepgravende, maar ook concrete aangrijpingspunten. Ik denk dat
dat heel erg gaat helpen. Die aanvraag is samen gedaan, dus er zal ook
samen naar het advies gekeken worden. Hopelijk kan men dan ook samen tot
oplossingen komen.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik dank deze staatssecretaris voor haar aanwezigheid en
beantwoording.
Vragen Synhaeve
Vragen van aan de staatssecretaris Jeugd, Preventie en
Sport over het bericht "Sara danste door het leven, maar
verzweeg donkere gedachten: 'Elke maand sterft een klas vol
jongeren'".
De voorzitter:
Ik nodig de volgende staatssecretaris uit achter de microfoon in vak K
en ik nodig mevrouw Synhaeve van de fractie van D66 uit voor haar
mondelinge vragen over het bericht "Sara danste door het leven, maar
verzweeg donkere gedachten: 'Elke maand sterft een klas vol
jongeren'".
Mevrouw Synhaeve (D66):
Dank u wel, voorzitter. Gisteren, op Blue Monday, lanceerde 113 een
nieuwe campagne om zelfdoding onder jongeren bespreekbaar te maken. Het
is een dag die vaak wordt neergezet als de meest sombere dag van het
jaar, maar voor veel van deze jongeren is die somberheid helaas niet
iets van één dag. Die somberheid dragen ze elke dag met zich mee, in hun
hoofd en in hun hart. Elke maand verliezen we in Nederland gemiddeld een
klas van 26 jongeren door zelfdoding. Dat zijn geen statistieken; dat
zijn lege stoelen in klaslokalen, gezinnen die nooit meer hetzelfde
zijn, vriendengroepen die hun maatje missen en onze samenleving die een
toekomstig talent verliest.
Een klas per maand betekent ook één klas deze maand. Dat onderstreept
hoe groot de urgentie is en dat dit geen dossier is om te parkeren tot
een volgend kabinet. Gezien de ernst van het nieuws over de grote
aantallen zelfdoding onder jongeren wil ik de staatssecretaris als eerst
vragen om te delen hoe zij dit nieuws gisteren tot zich heeft
genomen.
De voorzitter:
Het woord is aan de staatssecretaris, die een grote promotor is van
bewegen, dus het komt u vast goed uit.
Staatssecretaris Tielen:
Dank u wel, voorzitter. Dank aan mevrouw Synhaeve voor het aanmelden van
deze vraag. Dank ook aan u, voorzitter, voor het agenderen ervan. Zoals
mevrouw Synhaeve in haar inleiding al zei: spreken over suïcide en
suïcidepreventie is enorm belangrijk. Alleen al de gedachte met elkaar
delen en bespreekbaar maken is een belangrijke bijdrage om te voorkomen
dat suïcide voorkomt. Elke suïcide is verdrietig. Gisteren was het
verhaal over Saar in het nieuws, maar we kennen allemaal een Saar, een
Indy, een Elias, een Brechje. Mevrouw Synhaeve zei het al goed: het gaat
om zo veel jonge mensen, zo veel jonge vrouwen, die ouders, naasten en
vrienden nalaten met zo veel verdriet. Zo heb ik het nieuws gisteren ook
tot mij genomen. Ik ben de afgelopen maanden veel in contact geweest met
onder andere 113 Zelfmoordpreventie. Ik ben ook heel veel in contact
geweest met nabestaanden. Elke keer dat één persoon het leven niet meer
ziet zitten en voor zichzelf die daad moet plegen, suïcide begaat, is
een keer te veel. Dat levert verdriet op.
Mevrouw Synhaeve (D66):
De staatssecretaris gaf al aan dat het bespreken heel belangrijk is,
maar meer grip krijgen op de oorzaken is net zo belangrijk. Zelfdoding
is namelijk de nummer één doodsoorzaak onder jongeren tot 30 jaar, maar
we weten er eigenlijk nog te weinig over. Zo weten we niet waarom het
aantal suïcides blijft stijgen onder jongeren, specifiek onder jonge
vrouwen. Kan de staatssecretaris toezeggen hier onderzoek naar te gaan
doen?
Staatssecretaris Tielen:
Ik denk dat mevrouw Synhaeve ook daar weer een terecht punt aangrijpt.
Er is ook niet één oorzaak of één rode draad te vinden. We zien allemaal
wel de cijfers over de mentale gezondheid van onze jongeren, die onder
druk staat. Veel jongeren kampen met mentale problematiek, maar dat zegt
niet alles over de oorzaken van suïcide. Momenteel ben ik in overleg met
ZonMw, onze verlengde arm voor het organiseren van wetenschappelijk
onderzoek, om een aanvullend onderzoeksprogramma te maken voor suïcide.
Dat programma zou moeten gaan lopen vanaf 2027. We proberen daar nu
criteria, lijnen in aan te brengen. We nemen daarin de berichtgeving
over het aantal suïcides onder jonge mensen mee. Ook heeft 113 zelf een
programma om te achterhalen welke onderliggende factoren er zijn. We
zien daar grote verschillen en diversiteit, maar we proberen ook mee te
denken over hoe we daarmee aan de slag kunnen.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Super. Dank voor deze belangrijke toezegging over extra onderzoek. Dat
is ook waar 113 om vraagt. 113 zegt: ga nou dieper in die oorzaken
duiken, want er is niet maar één oorzaak. Er zijn natuurlijk ook een
aantal dingen die we wél weten. Ik heb daar twee vragen over. We weten
dat het risico op suïcide toeneemt op het moment dat jongeren uitvallen
op school. Als die structuur en begeleiding wegvallen, verergeren de
problemen. Hoe zorgt de staatssecretaris ervoor dat minder jongeren
uitvallen op school en, als dat dan toch gebeurt, dat zij beter in beeld
blijven? Dat was de eerste vraag. Dan mijn tweede vraag. We weten ook
dat kinderen die in gesloten jeugdzorg hebben gezeten extra kwetsbaar
zijn. Welke stappen zet de staatssecretaris nu om te zorgen voor
zorgvuldige hersteltrajecten voor de jongeren die in gesloten jeugdzorg
hebben gezeten?
Staatssecretaris Tielen:
Dan wil ik de vraag eigenlijk ietsje breder trekken. Je ziet dat er zo
veel verschillende oorzaken zijn. Die worden, denk ik, terecht door
mevrouw Synhaeve samengebracht in een paar. We hebben heel veel
beleidsdomeinen, om het maar in jargon te zeggen, nodig om mee te werken
aan de preventie van suïcide. Vorig jaar hebben uw Kamer en de Eerste
Kamer een initiatiefwet aangenomen, de Wet integrale suïcidepreventie —
die is van kracht vanaf 1 januari dit jaar — waarbij gemeenten, het
Rijk, het ministerie van VWS, het ministerie van OCW en het minister van
BZK meedenken over hoe we suïcidepreventie kunnen verbeteren. Gemeenten
zijn nu bezig met plannen om deze wet toepasbaar te maken.
Als het gaat om scholen, is dit typisch iets waar het ministerie van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap meer mee bezig is. Uitval is een
belangrijk element. Daarbij hebben de lokale teams in de gemeenten —
denk aan wijkteams en buurtteams — een belangrijke rol om mee te kijken
met kinderen en gezinnen naar wat er aan de hand is en om eventueel hulp
en bijstand aan te bieden en in gang te zetten als dat nodig is.
Als het gaat om de gesloten jeugdzorg, zijn we nu nog bezig met een
specifiek traject over de erkenning van kinderen die in gesloten
jeugdzorg hebben gezeten. We zijn daarmee bezig in gesprek met de
ervaringsdeskundigen, om te kijken wat zij nodig hebben voor zichzelf en
voor al die anderen die in de gesloten jeugdzorg hebben gezeten. Ik
verwacht dat wij tegen de zomer een concreet antwoord hebben op de vraag
van mevrouw Synhaeve.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Fijn dat de vraag eerst breder werd beantwoord en daarna meer specifiek.
Er valt mij iets op. Ik zei het ook al in mijn inleiding. Ook deze maand
is het wéér een schoolklas. Hoe doorbreken we dat nou? Hoe komen we niet
alleen met allerlei plannen, maar ook met concrete stappen die ook hier
met elkaar besproken en verdedigd kunnen worden?
Staatssecretaris Tielen:
Ik denk dat die plannen heel belangrijk zijn, juist om het contact
tussen alle potentiële hulpverleners, de naasten en de samenleving te
maken en om elkaar alert te houden. Zo begon ik ook mijn antwoord. Het
begint met het bespreekbaar maken. Het durven vragen aan iemand van wie
je denkt "hoe somber is die eigenlijk en welke worstelingen heeft die?"
is enorm belangrijk. Er is een training, de VraagMaar-training, die mede
met hulp van 113 is opgesteld, om dat gesprek te kunnen openen. Het is
natuurlijk ook gewoon een heel ingewikkeld onderwerp, maar dat moet het
niet blijven, juist door met elkaar in gesprek te zijn. Er is
PRAATPOWER, een programma voor jongeren om met elkaar dit gesprek te
voeren onder begeleiding. Er is een digitaal platform, injebol.nl, dat
ik afgelopen najaar heb gelanceerd samen met Hare Majesteit Koningin
Máxima, vanuit MIND, om jongeren ook laagdrempelig en digitaal de
mogelijkheid te geven om hun gedachten te delen en hulp te vinden.
Dus ja, er zijn heel veel plannen, maar er zijn ook heel veel concrete
handvatten om daar met elkaar aan te werken en te zorgen dat de
suïcidecijfers omlaaggaan. Juist omdat het een probleem is met zo veel
oorzaken, is er ook niet één toverstokje dat je ergens op kunt houden
waardoor het dan opgelost is. Het is dus gewoon een work in progress, om
het in goed Nederlands te zeggen. Ik denk dat er heel veel goede stappen
zijn gezet. Ik denk ook dat er elke dag door heel veel mensen keihard
wordt gewerkt. Maar we hebben hier ook als samenleving een rol in te
spelen.
Mevrouw Synhaeve (D66):
De staatssecretaris had het al over "vanaf het begin bespreekbaar
maken". Ik was gisteren in gesprek met een aantal jongeren over hun
dromen, hun zorgen en gezond opgroeien. Op een bepaald moment zei een
van hen: er is eigenlijk niemand die mij ooit vraagt hoe mijn dag online
is geweest, terwijl ik daar toch best veel tijd doorbreng. Hoe kijkt de
staatssecretaris daarnaar, ook in het kader van de voorbeelden die net
gegeven werden? Het zijn natuurlijk allemaal voorbeelden waarbij wij
nieuwe platforms maken en dan verlangen dat de jongeren daarnaartoe
gaan. Misschien kunnen wij ook iets meer moeite doen om zelf naar die
jongeren toe te gaan.
Staatssecretaris Tielen:
Dat is zeker zo. We hebben in deze Kamer overigens ook vaak debatten
over de vraag wat de onlinewereld wel en niet kan brengen. Er zijn
namelijk heel veel mooie dingen aan social media, maar er zijn ook heel
veel dingen waar we ons zorgen over maken. Ik verwees al een paar keer
naar 113. Die hebben zelf ook een Landelijke Agenda Suïcidepreventie.
Een van de lijnen daarin heeft te maken met de onlinewereld: hoe zorgen
we ervoor dat we die veilig houden en dat die een positieve manier van
verbinding is in plaats van een negatieve? Maar ook daar hebben we met
elkaar wat in te doen.
Vanuit het ministerie van VWS zijn er richtlijnen rondom schermgebruik
en social media, maar ik denk dat we de handen ook ineen moeten slaan om
ervoor te zorgen dat de onlinewereld voelt als een veilige wereld waarin
je je gedachten kan delen. Die moet je bespreekbaar kunnen maken, ook
thuis. Dat suggereerde mevrouw Synhaeve eigenlijk al een beetje.
De voorzitter:
Afrondend, mevrouw Synhaeve.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Afrondend. Ik ben geraakt door de verhalen, de kwetsbaarheid en de moed
van alle nabestaanden die hun ervaringen hebben gedeeld, onder andere in
deze campagne. Ik ben er ook van overtuigd dat die lessen voor andere
jongeren het verschil zullen maken. Vanuit de Tweede Kamer zullen we ook
het verschil blijven maken. Dat is een van de redenen waarom we bijna
Kamerbreed, met heel veel partijen, het initiatief hebben genomen voor
een rondetafelgesprek over dit onderwerp.
Staatssecretaris Tielen:
Mooi.
De voorzitter:
Dank u wel. De heer Hamstra.
De heer Hamstra (CDA):
Allereerst dank aan collega Synhaeve voor het bespreekbaar maken van het
onderwerp en het aanvragen van het rondetafelgesprek; dat voorstel heeft
ook de steun van het CDA gekregen. Het feit dat wij hier in dit huis
over praten, draagt volgens mij bij aan het doorbreken van het taboe. De
vragen van net gingen ook even over de wet die per 1 januari in is
gegaan en waarin gemeenten een belangrijke rol spelen. Gemeenten zijn er
in allerlei verschillende groottes. Zeker voor kleine gemeenten is het
soms lastig om voldoende toegerust te zijn om die wet ook daadwerkelijk
uit te kunnen voeren. Concreet is mijn vraag aan de staatssecretaris:
kunt u aangeven op welke manier u de vinger aan de pols houdt in gesprek
met de gemeenten om ervoor te zorgen dat de plannen die we gemaakt
hebben, die waar mevrouw Synhaeve het ook al over had, daadwerkelijk
effect gaan sorteren?
Staatssecretaris Tielen:
Ik ben uiteraard veel in gesprek met gemeenten. Ik kom ook graag op
werkbezoek in gemeenten. De Landelijke nota gezondheidsbeleid, die ik
afgelopen najaar naar uw Kamer, maar ook naar de gemeenten heb gestuurd,
zal een houvast bieden. Daarin zit ook een lijn over mentale gezondheid.
Gemeenten kunnen gebruikmaken van alle kennis en expertise die
bijvoorbeeld bij 113 en bij de verschillende patiëntenverenigingen,
zoals MIND en MIND Us, aanwezig is. Gemeentes kunnen dus een heleboel
bronnen gebruiken.
Wat de wet betreft … Mevrouw Bikker staat achter u. Zij is een van de
pleegmoeders — eigenlijk is ze een van de moeders — van de wet. Zij weet
dit dus nog beter dan ik. Er ligt voldoende. De bedoeling is natuurlijk
vooral om gemeentes de energie en motivatie te geven om het probleem op
de agenda te zetten en urgent te maken. Dat is inmiddels gebeurd.
Vervolgens moet je er handen en voeten aan geven. Ik denk dat er heel
veel ligt om dat te kunnen doen. Uiteraard ga ik in gesprek. Ik hoor het
ook graag als gemeenten zeggen: we weten niet waar we terechtkunnen,
want we vinden het ingewikkeld. Het is en blijft een ingewikkeld
onderwerp. Daarom moet het bespreekbaar blijven.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Ik ga graag door op de vraag van mijn collega over de implementatie van
de Wet integrale suïcidepreventie. Het is goed dat de staatssecretaris
de vinger aan de pols houdt. Doet ze dat ook op het terrein van het
budget? Zorgt ze ervoor dat gemeenten voldoende financiële armslag
hebben om deze wet op een goede manier te implementeren?
Staatssecretaris Tielen:
De rol van VWS daarin is vooral om voldoende bronnen aan te bieden,
zodat gemeenten op gang kunnen komen. Zij moeten met die kennis,
ervaring en deskundigheid vanuit verschillende hoeken hun plan kunnen
vormen. Ik geloof dat wij jaarlijks ruim 30 miljoen euro beschikbaar
hebben voor onder andere 113 en de Landelijke Agenda Suïcidepreventie.
Er is ook 10 miljoen specifiek voor gemeenten beschikbaar. Dus ik denk
dat er voldoende ligt, zodat ook de daad bij het woord gevoegd kan
worden.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Elke zelfmoord is natuurlijk een tragedie, zeker als het onverwacht komt
en zeker als het jongeren betreft. Er zijn natuurlijk heel veel oorzaken
hiervoor; dat zegt de staatssecretaris net terecht. Eén potentiële
oorzaak zou ik graag tegen het licht willen houden. Jongeren komen
natuurlijk op sociale media. Dat is net al genoemd. De hele tijd wordt
daar natuurlijk een perfecte wereld geschetst. Dat gebeurt vaak. Wij
weten natuurlijk dat de echte wereld, het echte leven, vaak heel
moeilijk is. Zou het niet goed zijn om in die aanpak en in die
gesprekken meer voor het licht te houden dat het beeld dat jongeren
bijvoorbeeld op sociale media vaak voorgeschoteld krijgen, niet de echte
wereld is? Dat is eigenlijk mijn open vraag aan de staatssecretaris.
Staatssecretaris Tielen:
Misschien heeft meneer Van Houwelingen mijn Versterkingsagenda Mentale
gezondheid & ggz ook gelezen. Dat hoop ik, want daarin besteden we
inderdaad ook aandacht aan die mentale veerkracht. Hoe belangrijk is
die? Hoe ga je om met teleurstellingen? Als meneer Van Houwelingen dit
hoort, denkt hij: ja, maar daarmee komt ze niet helemaal op wat er op
sociale media staat. Maar het heeft wel te maken met hoe het leven
eruitziet en hoe je omgaat met dat en met wat je op sociale media ziet.
Dat moet zeker het gesprek van de dag blijven in klaslokalen, in
buurtteams, thuis en onder jongeren zelf.
De voorzitter:
Dit is uw laatste vraag, meneer Van Houwelingen.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Ja, laatste vraag. Dit zal ook op scholen moeten gebeuren. Er is een
aanpak op scholen, de STORM-aanpak. Daar heeft mevrouw Westerveld nog
een motie over ingediend. Ik begrijp van degenen die dat promoten dat
die aanpak nog steeds niet wordt uitgerold. Ik weet dat het bij het
ministerie van OCW ligt, maar het heeft natuurlijk ook met zorg te
maken. Mijn vraag aan de staatssecretaris is of het ministerie van
Volksgezondheid hier ook iets mee doet. Misschien is het ministerie
zelfs bereid om het mede te financieren. Het ligt natuurlijk weer vast
op de financiën, denk ik. Dat is mijn vraag.
Staatssecretaris Tielen:
Volgens mij gaat meneer Van Houwelingen nu heel snel vanuit een aantal
aannames naar een vraag. Wat in scholen en klaslokalen gebeurt, is aan
scholen en onderwijzers. We hebben daar een aantal handreikingen voor.
Meneer Van Houwelingen verwijst terecht naar de STORM-aanpak: Strong
Teens and Resilient Minds, in goed Nederlands. Ik hoor het graag van de
staatssecretaris van OCW als hij belemmeringen heeft waar ik iets aan
kan doen, maar ik wil zorg ook niet te veel in de klaslokalen hebben.
Wat mij betreft gaat het over mentale veerkracht en mentale gezondheid.
Daar zijn een aantal aanpakken vanuit mijn ministerie op ingericht.
Scholen spelen daar een rol in, maar we moeten ook niet in elkaars
rollen treden. Hoe noem je dat?
De voorzitter:
Vaarwater. Initiatiefnemer mevrouw Bikker, gaat uw gang.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
De wet om suïcidepreventie veel meer overal gangbaar te maken is echt
net van kracht, sinds 1 januari. En wat is die hard nodig. Dat zien we
ook als we naar de cijfers kijken, waarin we zien dat helaas steeds meer
jonge vrouwen het afgelopen jaar suïcide hebben gepleegd. Juist daarom
zou ik aan de staatssecretaris willen vragen om nu die wet van kracht is
enorm goed de vinger aan de pols te houden voor wat gemeenten daarin
nodig hebben. Als we uit de uitvoeringstoets nu al de eerste signalen
krijgen dat het best wel krap is qua budget, dan hoop ik dat de
staatssecretaris nadrukkelijk doorgeeft aan haar opvolgers, als ze niet
zelf doorgaat, dat we op dit punt echt niet in het eerste jaar vast
moeten lopen, maar de beweging nu juist in gang kunnen zetten. Kan de
staatssecretaris een klein inkijkje geven in hoe zij dit voor zich
ziet?
Staatssecretaris Tielen:
Ik denk dat mevrouw Bikker terecht zegt dat we nog geen drie weken bezig
zijn met de wet in de hand. Ik vind het ook wel goed om gemeenten even
te laten wennen, om het zo maar te zeggen, aan het hebben van de
verantwoordelijkheid voor een plan rondom suïcide en suïcidepreventie.
Ik heb in het najaar een landelijke nota uitgestuurd waarin een aantal
elementen zitten. Er ligt een versterkingsagenda, die ze daarbij ook
kunnen gebruiken, waarin vrouwengezondheid specifiek benoemd is, juist
omdat we zo veel verschillen zien tussen met name jongens en meisjes in
geestelijke gezondheid en mentale veerkracht. Ik kan me dus voorstellen
dat we over een paar maanden, als gemeentes hopelijk op stoom zijn, ook
aan uw Kamer laten weten wat mijn beeld is van wat er in het land aan de
hand is en waar eventueel knelpunten dan wel drijfveren liggen om het in
elke gemeente voldoende van de grond te krijgen.
Mevrouw Wendel (VVD):
Het praten over mentale gezondheid gaat steeds meer uit de taboesfeer.
Ik denk dat dat heel belangrijk is en dat we dat zullen moeten blijven
stimuleren. Tegelijkertijd blijkt nu uit wetenschappelijk onderzoek dat
er ook meisjes zijn die zo veel met elkaar over problemen praten dat ze
elkaar juist alleen maar naar beneden trekken, waardoor ze juist steeds
meer problemen krijgen. Ik zou graag aan de staatssecretaris het
volgende willen vragen. Hoe zorgen we ervoor dat die gesprekken over
mentale gezondheid, die zo belangrijk zijn, op een juiste manier worden
gevoerd door jongeren, door kinderen, zodat ze elkaar daadwerkelijk
helpen in plaats van verder de problemen in trekken?
Staatssecretaris Tielen:
Ik denk dat we allemaal wel iets herkennen in die stelling, als je je
een beetje op social media begeeft. Het belangrijkste is dat we ook als
mede-Nederlanders meiden maar ook jongens verwijzen naar de websites,
naar de socialmediaplatforms, naar de bronnen die betrouwbaar zijn en
waar mensen op een goede manier met elkaar in gesprek kunnen. Ik denk
bijvoorbeeld aan In je bol en aan wat 113 aanbiedt: een gratis
telefoonnummer waar je 24 uur per dag, zeven dagen per week met iemand
kan praten over dingen die je bezighouden. Ik denk dat het met name aan
ons is om mensen te geleiden naar die goede bronnen waar echt deskundige
mensen zitten die niet alleen een luisterend oor hebben, maar ook goed
in gesprek komen.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik heb specifiek een vraag over de jeugdzorg. In 2019 hadden wij hier
een debat, specifiek over de relatie tussen suïcides en jongeren die in
behandeling waren bij de jeugdzorg. De inspectie had daar destijds
onderzoek naar gedaan en de hele Kamer gaf aan dat we dat belangrijk
vonden. Minister De Jonge, die toen op de plek van de staatssecretaris
stond, gaf aan dat hij dat ook een prioriteit vond. Mijn vraag aan de
staatssecretaris is: is er nu een actueel beeld van de relatie tussen
jongeren die in behandeling zijn bij de jeugdzorg en suïcides? Zo nee,
is de staatssecretaris bereid om daar meer onderzoek naar te doen, zodat
we daar weer inzicht in kunnen krijgen?
Staatssecretaris Tielen:
Ik herinner me dat debat inderdaad ook heel goed. Toen stond ik aan
dezelfde zijde als mevrouw Westerveld. Ik kan daar nu niet acuut
antwoord op geven, maar ik ben zeker bereid om daar nadere informatie
over te verzamelen en die te delen met uw Kamer.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Dan mijn volgende vraag. Een paar weken geleden stond er in de
Volkskrant een heel aangrijpend interview met Indra, die niet meer
leeft, en met Jason. Jason kennen we omdat hij onderzoek heeft gedaan
naar de gevolgen van de gesloten jeugdzorg en Indra was een van die
jongeren. Er zijn meer jongeren overleden vanwege — dat wordt door
henzelf gezegd — schade die ze hebben opgelopen in de gesloten
jeugdzorg. Dan hoor en lees ik dat we in de zomer verder geïnformeerd
worden over het hele traject van herstel en van excuses aanbieden. Mijn
vraag aan de staatssecretaris is: hoe kan dat als we vanaf 2019 weten
dat dit een groot probleem is, als er de afgelopen jaren voortdurend aan
de bel is getrokken, als ook de Kamer aangeeft dit belangrijk te vinden
en als we weten dat dit een risicogroep is? Waarom duurt het dan nog
steeds zo lang en moeten we zo lang wachten?
Staatssecretaris Tielen:
We willen natuurlijk vaak heel veel dingen snel, soms het liefst gister.
Het erkenningstraject rondom de gesloten jeugdzorg is het afgelopen jaar
van start gegaan. We nemen echt de tijd om daarover in gesprek te gaan
met veel jongeren en met ervaringsdeskundigen uit die groep. Wij moeten
juist niet gaan bepalen wat het beste antwoord is, maar we moeten samen
met hen tot een antwoord kunnen komen. Je denkt dan dat je in een paar
weken een paar gesprekken kan voeren, maar in de praktijk gaat het toch
altijd weer wat anders. Ook in navolging van rapporten die daarover zijn
verschenen, nemen we rustig de tijd om gesprekken te laten beklijven en
eventueel terug te komen op dingen die gezegd zijn. We komen er voor de
zomer op terug, maar ik denk wel dat we dat proces op een hele goede
manier doen. Ik hoop dat als we daarmee terugkomen naar de Kamer,
mevrouw Westerveld zal herkennen dat de kwaliteit van dat traject
daadwerkelijk tot uiting is gekomen.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik dank de staatssecretaris voor de beantwoording.
Vragen Piri
Vragen van het lid Piri aan de minister van Defensie,
bij afwezigheid van de minister van Buitenlandse Zaken, over de
10% importheffing die Trump onder andere Nederland oplegt.
De voorzitter:
Ik heet de minister welkom. We gaan luisteren naar onze collega Piri,
die een mondelinge vraag heeft over het bericht "10% importheffing die
Trump onder andere Nederland oplegt". Gaat uw gang.
Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter. Afgelopen weekend kwam president Trump met een ongekende
escalatie. Nederland en de andere landen die militairen sturen naar
Groenland ter verkenning van een mogelijke missie, krijgen
importheffingen opgelegd van 10%. Dat is chantage pur sang, en wordt ook
zo gekwalificeerd door het kabinet.
Vanmorgen was minister Van Weel op tv en kreeg hij de vraag of wat hem
betreft het antidwanginstrument op tafel ligt. Met dit instrument kan
Europa de toegang van Amerikaanse bedrijven tot de Europese markt
ernstig inperken. Dat is een optie die inmiddels meerdere landen,
waaronder Frankrijk en Duitsland, openlijk bepleiten. Maar op de vraag
of de minister dit machtige verdedigingswapen wil inzetten, zei de
minister geen ja. Sterker nog, hij waarschuwde juist uitgebreid voor de
mogelijke terugslag van de zogeheten handelsbazooka. Mijn vraag aan de
minister is dus: is dit nog steeds het standpunt van het kabinet?
De voorzitter:
De minister.
Minister Brekelmans:
Dank, voorzitter. Dank aan mevrouw Piri voor deze belangrijke vraag over
dit belangrijke onderwerp. De minister van Buitenlandse Zaken heeft
eerder gezegd dat alle opties op tafel liggen. Wat we nu met name aan
het doen zijn — minister Van Weel en de premier zijn daar op dit moment
mee bezig in Zwitserland, waar ik later vandaag ook naartoe ga — is
ervoor zorgen dat we met Europese landen op één lijn komen. Volgens mij
heeft het niet zo heel veel zin als het ene land zegt "wij willen dit
instrument" en het andere land zegt "wij willen dat instrument". We
willen met een eensluidende reactie daarop komen. Daar is de Europese
Raad van aankomende donderdag ook voor.
Daarbij proberen we wel een balans te vinden. Aan de ene kant willen we
president Trump en de Amerikanen duidelijk maken dat we niet zomaar over
ons heen laten lopen. Als zij tarieven instellen, zal daar dus een
reactie op komen. Aan de andere kant willen we ook de uitgestoken hand
bieden dat we dat pad helemaal niet met elkaar op willen. Een
handelsoorlog of verdere escalatie is namelijk niet in het belang van de
Verenigde Staten en ook niet in het belang van Nederland en Europa. We
moeten uitkijken met de retoriek die we in de tussentijd gebruiken, tot
1 februari, zodat we verdere escalatie niet in de hand werken. Die
balans zoeken we dus. Maar ik zeg expliciet tegen mevrouw Piri: alle
opties liggen op tafel en daar wordt de komende dagen in Europa verdere
overeenstemming over gezocht.
Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):
De minister zegt dat alle opties op tafel liggen en benadrukt dat hij
verdere escalatie wil voorkomen. Maar de vraag is natuurlijk: wat is
daar de juiste strategie voor? Ik denk dat de minister moet erkennen dat
de Fransen en Duitsers daar gewoon veel explicieter in zijn dan het
Nederlandse kabinet. Zij zeggen dat dat instrument nu moet worden
voorbereid en moet worden ingezet als de importheffingen niet van tafel
gaan. Zij staan voor de lijn om nu duidelijk te maken, in de gesprekken
die deze minister van de week ongetwijfeld ook gaat voeren met de
Amerikanen, wat de consequenties zullen zijn als ze dit doorzetten.
Waarom wil het Nederlandse kabinet zich hier dan niet volledig bij
aansluiten?
Minister Brekelmans:
Omdat wij het op dit moment belangrijk vinden dat de 27 EU-lidstaten
niet allemaal iets anders zeggen. Overigens gaat het om meer landen,
want het Verenigd Koninkrijk en Noorwegen worden hier natuurlijk ook
door getroffen. We willen er juist voor zorgen dat we die landen op één
lijn brengen. Die rol speelt Nederland ook. Je hebt — dat schetst
mevrouw Piri terecht — landen die hier heel fel op reageren, landen die
hier minder door worden geraakt en juist helemaal niet reageren en
landen die daar nu niet zo uitgesproken een standpunt over innemen. Wij
vinden het juist zo belangrijk dat Europa meer met één mond spreekt en
niet iedereen zijn eigen standpunt vormt. Volgens mij helpen
verschillende standpunten niet als signaal richting de Verenigde Staten
en helpen die uiteindelijk ook niet om op het pad van de-escalatie
terecht te komen. Dat is ook waarom er aankomende donderdag een extra
informele Europese Raad is ingelast, dus om ervoor te zorgen dat die 27
landen één koers hanteren.
Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):
"Landen op één lijn brengen" klinkt natuurlijk leuk en goed, maar ik
verwacht van Nederland dat wij in de kopgroep zitten. Laten we eerlijk
zijn. In Europa zijn nu drie groepen. Je hebt Orbán en de zijnen, die
eigenlijk staan te klappen bij alles wat Trump doet. Dan heb je Meloni,
die wel heeft gezegd "dit kan echt niet", maar daar geen enkele
consequentie tegenover wil zetten. En je hebt de landen die traditioneel
onze bondgenoten zijn. Zowel de noordelijke landen, waaronder
Denemarken, Zweden en Finland, als de Fransen en de Duitsers zijn nu
gewoon explicieter. Ik vraag expliciet aan de minister: in welk kamp zit
Nederland nou? Ik hoop echt dat dit het kamp van de kopgroep is, samen
met de Fransen en de Duitsers, die nu gewoon een rechte rug houden.
Minister Brekelmans:
Nee, want er is ook nog een vierde groep, die daartussenin zit en zegt:
ja, we moeten niet over ons heen laten lopen en als de Amerikanen per 1
februari tarieven instellen, dan moet daar een Europese reactie op
volgen. Daar zijn verschillende instrumenten en mogelijkheden toe. Maar
laten we nu eerst — we hebben daar nog tien dagen voor — volop inzetten
op het überhaupt van tafel krijgen van dit onzalige plan, want het is in
niemands belang. En laten we ervoor zorgen dat we als Europese landen
niet 30 verschillende geluiden met Europa, Noorwegen en de Commissie
erbij laten horen, maar dat we meer met één mond spreken. In die
categorie, die mevrouw Piri niet noemt, zit Nederland, maar daar zitten
ook nog een heleboel andere Europese landen in.
Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):
Ik kan niet anders dan constateren dat het echt teleurstellend is, en
eigenlijk tekenend voor de afgelopen twee jaar, dat wanneer er een as is
tussen Berlijn en Parijs, een as waar al onze traditionele bondgenoten
bij aansluiten, wij ergens onderaan bungelen. Als één ding duidelijk is
geworden de afgelopen tijd, dan is het dat slijmen en vlijen bij Trump
niet werkt. Hij chanteert, intimideert en bedreigt zijn bondgenoten. Een
zwakke reactie van de EU nu schept ook een gevaarlijk precedent voor
alles wat er nog gaat komen. Is de minister het dan met mij eens dat het
de hoogste tijd is om af te stappen van de gênante daddy-diplomatie en
dat we nu met een rechte rug moeten gaan staan voor onze eigen waarden
en belangen?
Minister Brekelmans:
Met het beeld dat mevrouw Piri schetst, ben ik het niet eens. Er zijn
een heleboel momenten waarin Nederland vooroploopt en waarbij wij tot de
kopgroep behoren, bijvoorbeeld als het gaat om steun aan Oekraïne. Aan
de andere kant is het ook heel vaak zo — daar trekken we ook met de
Duitsers, met de Engelsen en met heel veel anderen in op — dat het
verder oplopen van de spanningen met de Verenigde Staten niet in ons
belang is. Ook bij president Trump geldt: als je hele grote woorden
terug gebruikt, kan dat ook weer tot een tegenreactie leiden. Dat hebben
we niet alleen bij Europa, maar ook bij anderen gezien.
Er zijn allerlei scenario's denkbaar, maar het is ook van enorm belang
dat we de Amerikanen aan boord houden als het gaat om Oekraïne. Dat is
mevrouw Piri met mij eens. Binnen de NAVO is het van belang dat we de
Amerikanen aan boord houden. Economische tegenmaatregelen kunnen een
enorme invloed op ons hebben, economisch en ook technologisch. Dus ja,
we moeten heel duidelijk maken dat we niet over ons heen laten lopen,
dat we het niet accepteren dat zomaar tarieven worden ingesteld en dat
wanneer de Amerikanen dat doen er ook tegenmaatregelen zullen volgen.
Aan de andere kant is het ook echt in ons belang, zowel in het belang
van Nederland als in het belang van Europa, om ervoor te zorgen dat we
niet de negatieve spiraal ingaan. Dan is het ook van belang dat we met
de Amerikanen in gesprek blijven en niet alleen maar met de grootst
mogelijke woorden dreigen. We weten namelijk ook dat dat weer tot een
tegenreactie leidt. Dan wordt het moeilijker om tot een oplossing te
komen.
Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):
Met alle respect, er is hier maar één iemand die escaleert, dreigt,
chanteert en bedriegt. Dat zijn wij niet. Dat is onze traditionele
bondgenoot, de VS, en specifiek de president. Dat zagen we eerder met
defensie-uitgaven. Toen werd er gedreigd: als je niet ophoogt, staan we
niet meer aan jouw kant mocht je bedreigd worden. Vervolgens kwam de
tarievenoorlog en kregen we eenzijdig 15% opgelegd. Vervolgens stopten
ze met inlichtingendiensten en wapenleveranties aan Oekraïne. Nu gaat
het om de soevereiniteit van Groenland. We zijn het eens over het doel,
maar niet over de strategie. Het is nu echt tijd om een hele duidelijke
streep in het zand te trekken. Vooral met een dubbeldemissionair
kabinet, leunend op 26 zetels, is het van belang dat ook deze Kamer dat
meegeeft aan het kabinet. Ik ben ervan overtuigd dat er in de Kamer een
meerderheid is voor een progressievere lijn. Vandaar dat ik bij de
regeling daarover een speciaal debat ga aanvragen.
De heer Van Baarle (DENK):
Dit kabinet laat al heel erg lang over zich heen lopen door het gevaar
voor de wereld Trump. Trump kan de president van Venezuela ontvoeren.
Dat wordt niet veroordeeld door dit kabinet. Hij kan weerloze mensen op
bootjes en in het water executeren. Dat wordt niet keihard veroordeeld
door dit kabinet. Hij kan dreigen met een aanval op Iran. Dat wordt niet
veroordeeld. Hij kan dreigen Groenland militair in te nemen. Er komt
maar geen hele stellige reactie waarin dit kabinet zegt: dit wordt
allemaal keihard veroordeeld als schending van het internationaal recht
en wij gaan handelsmaatregelen en diplomatieke maatregelen voorstellen.
Waarom elke keer weer over je heen laten lopen en dat niet duidelijk
veroordelen?
Minister Brekelmans:
Ik ga even terug naar het onderwerp waarover we het hier vandaag hebben,
namelijk Groenland. Zowel de minister van Buitenlandse Zaken als de
premier als ikzelf hebben direct gezegd dat dit onnodig, ongepast en
contraproductief is. De minister van Buitenlandse Zaken heeft zelfs het
woord "belachelijk" gebruikt. Dat heb ik in de jaren dat ik hier in het
parlement rondloop de minister van Buitenlandse Zaken nooit eerder over
de Verenigde Staten horen zeggen. Er zijn nog veel meer van dat soort
kwalificaties gebruikt. Dus volgens mij hebben wij ons daar heel
duidelijk over uitgesproken. We zeggen nu als Europa dat alle opties op
tafel liggen. Daar zitten ook zware handelsinstrumenten bij. Dat gebeurt
ook niet vaak. Dus het beeld dat de heer Van Baarle schetst, namelijk
dat wij nu zomaar over ons heen laten lopen, is leuk om neer te zetten,
maar het klopt gewoon niet met de feiten. Tegelijkertijd zeg ik er ook
weer bij dat het gegeven alle dreigingen die op ons afkomen in ons
belang is dat we de Amerikanen aan boord houden, dat we niet in een
handelsoorlog komen, dat we niet wederzijdse sancties en tarieven gaan
opleggen, en dat we niet de militaire samenwerking en de steun aan
Oekraïne stopzetten. Als we dat pad opgaan, zijn we allemaal slechter
af. Ik denk dat de heer Van Baarle dat met me eens is.
De heer Van Baarle (DENK):
Ik vind het toch wel echt lachwekkend. President Trump dreigt om het
land van een bondgenoot van ons militair in te nemen en dan zegt de
Nederlandse regering: dat vinden we onnodig en misschien een beetje
belachelijk. Amerika ontvoert de president van een ander land en schiet
mensen op bootjes in de zee gewoon dood, en dan zegt de Nederlandse
regering: we hebben iets meer informatie nodig om dat te beoordelen. In
het licht van die Trump die op dit moment misdaad na misdaad pleegt, kan
deze minister zichzelf niet meer serieus nemen als hoeder van het
internationaal recht.
De voorzitter:
Uw vraag, meneer Van Baarle.
De heer Van Baarle (DENK):
Dus nogmaals: alstublieft, als het internationaal recht nageleefd moet
worden, veroordeel dan Trump en bepleit harde maatregelen tegen de
Verenigde Staten.
Minister Brekelmans:
Aan grote woorden is er bij de heer Van Baarle zoals gebruikelijk geen
gebrek. Het is heel duidelijk dat wij bijvoorbeeld meteen hebben gezegd
dat wij staan voor de soevereiniteit en zelfbeschikking van Groenland en
Denemarken. Wij hebben heel duidelijk met andere Europese landen direct
onze steun aan Denemarken en Groenland uitgesproken en we hebben ook
heel duidelijk aangegeven hoe wij hierin staan. We hebben hele kritische
woorden gebruikt richting de Verenigde Staten als het gaat om hun
uitingen over Groenland. We hebben ook gezegd dat alle instrumenten die
we kunnen inzetten op tafel liggen als de Amerikanen hiermee doorgaan.
Dat zijn stevige stappen, zeker in de omgang met onze belangrijkste
bondgenoten, waarmee zo veel verwevenheid is. Laten we met z'n allen
onze eigen belangen vooropstellen: ons veiligheidsbelang, ons economisch
belang en ons technologisch belang, maar ook de principes waar we met
z'n allen voor staan, namelijk soevereiniteit en het principe van
zelfbeschikking. Laten we ervoor zorgen dat we dat in stand houden en
dat we dat ook kunnen verdedigen, samen met de Amerikanen.
Mevrouw Van der Werf (D66):
Het risico van de tariefaankondigingen van dit weekend is dat dit vaker
gaat gebeuren. Trump zei vanochtend ook al even tussen neus en lippen
door tegen Macron: misschien krijgt u wel 200% als u niet doet wat wij
zeggen. Hoe gaan we ervoor zorgen dat we met alle Europese partners
afspraken maken waar ze echt van onder de indruk zijn aan de andere kant
van de oceaan? Ik bedoel daarmee niet dat we als Nederland een soort
vierde smaakje worden in allerlei verschillende kopgroepen, zoals de
minister net aangaf in zijn antwoord aan mevrouw Piri.
Minister Brekelmans:
Wat er volgens mij net werd geschetst, is dat ... President Trump doet
deze uitspraken, maar het is niet zo dat alle 27 landen, plus Noorwegen,
het Verenigd Koninkrijk en de Europese Commissie daardoor automatisch op
één lijn zitten in de reactie daarop. De enige manier om hier krachtig
op te reageren, is meer eensgezindheid en meer eenheid. Dat vindt in de
komende dagen plaats in Davos, omdat iedereen daar toevallig is. Daar is
donderdag een Europese Raad, waar ook Noorwegen en het VK bij betrokken
worden. We willen daar tot een eensgezind standpunt komen, maar de
afweging blijft nog steeds: maak je al op voorhand heel concreet wat je
gaat doen na 1 februari, met het risico dat dat al voor 1 februari tot
een tegenreactie leidt waardoor het alleen maar moeilijker wordt om tot
een oplossing te komen, of laat je het boven de markt hangen? Die
afweging zal in de komende dagen verder worden gemaakt richting 1
februari. Dat is ook afhankelijk van de gesprekken die daarover
plaatsvinden met de Amerikanen.
Mevrouw Van der Werf (D66):
Tot nu toe is het allebei niet gebeurd, dus het is goed dat daarover in
ieder geval wordt nagedacht. Ik zou graag nog het volgende aan de
minister willen vragen. Hij zei dat alles op tafel ligt. Betekent dat
dat zowel het antidwanginstrument als het al dan niet sluiten van een
handelsakkoord met de VS nog open liggen? Gaat Nederland deze
maatregelen in Europa bepleiten, zodat we dit via gekwalificeerde
meerderheid kunnen doen? Dan hoeven we ons niet te laten chanteren door
iemand als Orbán, want met 27 gaat het natuurlijk sowieso een heel
lastig verhaal worden.
Minister Brekelmans:
Voor het antidwanginstrument geldt sowieso dat besluitvorming
plaatsvindt met een gekwalificeerde meerderheid. Even technisch gezien:
het antidwanginstrument moet eerst worden geactiveerd. Dat gebeurt via
gekwalificeerde meerderheid. Vervolgens doet de Commissie een voorstel
voor de specifieke maatregelen die je kunt nemen. Binnen het
antidwanginstrument kun je een hele set aan potentiële maatregelen
nemen. De keuze welke dat uiteindelijk gaan worden, gebeurt ook via
gekwalificeerde meerderheid. Voor andere maatregelen geldt ook dat ze in
de meeste gevallen niet met unanimiteit worden genomen, maar met een
meerderheid of een gekwalificeerde meerderheid. Het is niet hetzelfde
als bij sancties, waarmee alle 27 landen moeten instemmen.
De heer Hoogeveen (JA21):
Laat ik beginnen met een compliment aan het kabinet, in tegenstelling
tot sommige andere collega's hier in de Kamer. Het is niet makkelijk.
Dit is een ongekende geopolitieke situatie. Wat wij ook doen, zowel op
het gebied van collectieve veiligheid als op economisch gebied, zal ons
raken. Een handelsoorlog zal vooral onze consumenten raken. Wij van JA21
zijn blij met de opstelling van het kabinet. Ten aanzien van het
handelsakkoord met de VS zei de minister dat alle opties op tafel
liggen. Er wordt ook geopperd om het handelsakkoord op te schorten tot
nader order. Hoe kijkt het kabinet hiernaar?
Minister Brekelmans:
Dat is een van de opties die op tafel liggen. Voor iedere optie geldt
een zekere zwaarte. Het voorstel voor de tegenmaatregelen van 93 miljard
is heel zwaar. Het Anti-Coercion Instrument is qua symboliek ook heel
zwaar, omdat het nog nooit eerder is ingezet. Het niet door laten gaan
van de handelsvoordelen is in die zin qua bedragen minder zwaar, maar
omdat we in een lang traject zitten met de Amerikanen, zal dit wel als
een zware tegenreactie worden opgevat. Kijk, zo moet dat uiteindelijk
allemaal worden afgewogen. Welke weging we daar als 27 landen in maken,
zal ook afhangen van wat er de komende dagen gebeurt. Als we weer in een
constructief vaarwater met de Amerikanen komen, kan ik me zomaar
voorstellen dat er minder neiging is om iets zwaars boven de markt te
laten hangen dan wanneer iedereen met z'n voeten in het zand blijft
steken. De komende dagen zullen we moeten zien hoe dat verdergaat.
De voorzitter:
Ik zou aan alle collega's willen vragen om het iets minder rumoerig te
laten zijn in de zaal. En zeker aan de mensen die achter in de gang nu
veel plezier hebben: het mag wat rustiger! De heer Hoogeveen.
De heer Hoogeveen (JA21):
Helder antwoord. Wij van JA21 zien het ook als een sterk signaal om nu
te laten zien, zoals Canada ook doet, dat je je leveringsketens gaat
diversificeren, dus dat je handelsverdragen gaat sluiten met andere
delen van de wereld. Het handelsakkoord met Zuid-Amerika heeft nu 25
jaar geduurd. De vraag is hoe we dat sneller kunnen doen. Eind deze
maand is er in India een EU-top met de voorzitter van de Europese Raad,
Costa. Is het kabinet bereid om er volle bak op in te zetten om daar al
een handelsakkoord te beklinken?
Minister Brekelmans:
Dat is een zeer terecht punt van de heer Hoogeveen. Dat moeten we
sowieso doen. Dus even los van de opties voor tegenmaatregelen, waar nu
over wordt gesproken, moeten we zorgen dat we minder afhankelijk worden,
dat we meer zelfstandig zijn, dat we zowel qua invoer als qua export
meer diversificeren, dat we meer handelsakkoorden sluiten. Daar ben ik
allemaal voor. Wat er de afgelopen tijd is gebeurd, is wat mij betreft
alleen een extra impuls om daar met nog meer energie aan te werken.
Mevrouw Dobbe (SP):
We zien een VS van Trump waarbij er, nog los van de
mensenrechtenschendingen die nu plaatsvinden in het land zelf, een
buitenlandpolitiek is waarin Venezuela is aangevallen: een illegale
aanval waarbij de president is gegijzeld. We zien dat Groenland, een
NAVO-bondgenoot, en een EU-land worden bedreigd. We zien dat de heer
Trump vandaag heeft uitgesproken zich niet meer zo geroepen te voelen om
zich in te zetten voor vrede omdat hij de Nobelprijs voor de Vrede niet
heeft ontvangen.
De voorzitter:
En uw vraag, mevrouw Dobbe?
Mevrouw Dobbe (SP):
En we zien dat wij in Europa nu worden gechanteerd met importtarieven.
Mijn vraag aan deze minister is: vindt hij deze Verenigde Staten nog een
betrouwbare bondgenoot en is het niet tijd om nu te stoppen met het
lopen aan de leiband van de VS, om stelling te nemen, om
handelsmaatregelen te nemen en om te stoppen met de verplichtingen van
de NAVO en de 3,5%? Dat laatste was immers alleen maar een toezegging
aan daddy Trump, om te investeren in de …
De voorzitter:
Mevrouw Dobbe! De minister.
Mevrouw Dobbe (SP):
… Amerikaanse wapenindustrie.
Minister Brekelmans:
We lopen aan niemands leiband. Ik kan er ook tegenover stellen dat er op
dit moment 80.000 Amerikanen in Europa zijn die bijdragen aan onze
veiligheid en dat wij iedere dag satellietinformatie krijgen vanuit
Amerikaanse technologie die wij ontzettend hard nodig hebben om onze
verdediging op orde te houden. Ook is de luchtverdediging die Oekraïne
dagelijks nodig heeft tegen vreselijke luchtaanvallen alleen mogelijk
met Amerikaanse luchtverdediging, omdat er geen Europees alternatief is.
Zo kan ik als minister van Defensie een hele lijst van dingen noemen die
ook allemaal waar zijn. Dus ja, op een aantal voorbeelden die mevrouw
Dobbe noemt moeten we kritisch zijn. Dat heb ik net gezegd. Dat zijn we
ook richting de Amerikanen. Het is niet voor niks dat er over
tegenmaatregelen wordt gesproken. Aan de andere kant is het ook in het
belang van onze veiligheid dat we zelf meer verantwoordelijkheid nemen
en dat we volop in onze eigen defensie investeren, want de Russische
dreiging is enorm. Maar we moeten daarbij ook de Amerikanen aan boord
houden, want anders wordt het leven hier in Nederland en in de rest van
Europa direct onveiliger.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Het wordt hoog tijd dat de Nederlandse regering Trump ziet voor wat hij
is, namelijk een enorme bedreiging, een enorm gevaar voor de democratie,
voor de rechtsstaat en voor de soevereiniteit van landen. Dan hoor ik de
minister zeggen dat alle opties op tafel liggen. Maar het is toch juist
een teken van zwakte als het kabinet zegt dat alle opties op tafel
liggen, maar we ons niet duidelijk uitspreken voor het initiatief van
Duitsland en Frankrijk, terwijl dat een heel stevige reactie is richting
Trump? Is het dus niet juist een teken van zwakte als we nu zeggen dat
alle opties openliggen?
Minister Brekelmans:
Nee. Volgens mij is het vooral van belang dat we ervoor zorgen dat 27
Europese landen samen met het Verenigd Koninkrijk en Noorwegen in ieder
geval na de Europese Raad op donderdag meer met één mond spreken. Wat in
het Witte Huis en door de Amerikanen juist als teken van zwakte wordt
gezien, is dat zij, als zij een Europese reactie of wat dan ook willen
horen, 30 keer iets anders horen en het ene land het ene zegt en het
andere land het andere. Volgens mij is het een hele krachtige houding
dat wij er als Nederland nu voor kiezen om te zeggen dat we bijdragen
aan een eensgezinde reactie en dat we niet over ons heen laten lopen,
maar dat we wel die uitgestoken hand houden omdat we dat pad van
de-escalatie op willen. Dat is overigens ook een houding die door heel
veel andere Europese landen wordt gedeeld.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Maar dan kan het niet zo zijn dat Nederland straks degene is die tegen
het antidwanginstrument stemt bij de informele Raad. Ik hoop echt dat we
dat niet gaan zien.
De voorzitter:
De minister.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Nee, voorzitter. Dan mijn vraag, die gaat over het handelsverdrag
waarover nu wordt onderhandeld tussen de VS en de EU. Mijn vraag is: wil
het Nederlandse kabinet zich bij die informele Raad inzetten om dit
verdrag op te schorten?
Minister Brekelmans:
Ik ga mijn antwoord herhalen. Ik heb gezegd: alle opties liggen op
tafel. Ik zei net in reactie op de heer Hoogeveen dat bijvoorbeeld het
al dan niet opschorten van het handelsverdrag of tegenmaatregelen
allemaal voorstellen zijn die nu de ronde doen. Wat uiteindelijk het
standpunt van de Europese landen zal worden en welke positie Nederland
zal innemen, hangt echt af van wat er de komende dagen nog gebeurt. De
komende dagen zijn alle diplomatieke inspanningen erop gericht om de
boel weer enigszins tot bedaren te brengen en ervoor te zorgen dat we
met elkaar weer op een constructief pad komen. Dat is volgens mij in het
belang van Europa en van de Verenigde Staten.
De voorzitter:
Ik begrijp dat de heer Vermeer een hele korte vraag gaat stellen. Gaat
uw gang.
De heer Vermeer (BBB):
De mondelinge vraag ging over importheffingen. Er ligt een pakket klaar
om te kunnen reageren als we er niet uitkomen met de VS. Mijn vraag aan
de minister is: is inzichtelijk welke sectoren in Nederland door dat
mogelijke pakket getroffen kunnen worden? Ligt er ook een plan klaar om
deze sectoren te steunen? En dan zonder gezeur over staatssteunregels et
cetera.
Minister Brekelmans:
Sommige pakketten waarover gesproken wordt, hebben al eerder op tafel
gelegen, omdat er eerder al handelsperikelen met de Verenigde Staten
waren. Toen is er natuurlijk ook per land, ook in Nederland, gekeken wat
dat dan eventueel zou betekenen. Op dit moment ligt alles op tafel,
zoals ik al zei. Er is niet één scenario of één tegenmaatregel zo
waarschijnlijk dat je nu al kunt zeggen: daar moeten we ons concreet op
voorbereiden. Toen deze tegenmaatregelen zijn vormgegeven, is er
natuurlijk ook gekeken naar welke tegenmaatregelen Europese landen zo
min mogelijk raken en welke andere juist wel hard raken. Daar is eerder
ook naar gekeken.
De heer Dassen (Volt):
De minister zei net dat het als een teken van zwakte wordt gezien als er
30 of 27 verschillende geluiden naar buiten komen. Dat ben ik volledig
met hem eens. De vraag is dan ook wat de minister gaat bepleiten om dit
te veranderen. Wat gaat hij doen om ervoor te zorgen dat we in de
toekomst juist weer met één stem op het wereldtoneel gaan spreken en ook
richting de Amerikanen of de Chinezen — het maakt eigenlijk niet uit —
duidelijk en daadkrachtig kunnen zijn?
Minister Brekelmans:
Ik denk dat de heer Dassen doelt op afschaffen van het veto als het gaat
om buitenlandbeleid. Als je dat zou doen, zou dat bijvoorbeeld helpen
met sancties. Er ligt vaak één land dwars. Dan heb je een probleem
vanwege het veto. Dat geldt veel minder voor de tegenmaatregelen op het
gebied van handel, want dat gaat vaak met een gekwalificeerde
meerderheid.
Dan over de tegenreactie. Hoe reageer je hier nou op qua formulering,
bewoording? We hebben mevrouw Kallas en mevrouw Von der Leyen met hun
reactie gezien. Daar zat een zekere mate van eensgezindheid in, maar
daar zaten toch ook behoorlijk wat verschillen in, zoals net ook al aan
de orde is gekomen. Volgens mij is het nu gewoon van belang — daar is de
Europese Raad donderdag ook voor; dat is uiteindelijk toch het
instrument — dat we ervoor zorgen dat we tot één lijn komen en dat we
die gezamenlijk uitdragen.
De heer Dassen (Volt):
Nu spreekt de minister zichzelf een beetje tegen. Het beeld van al die
verschillende geluiden die vanuit de Europese Unie komen … Dat is koren
op de molen van Trump, die niks liever wil dan ons allemaal tegen elkaar
uitspelen. Als wij vast blijven houden aan de manier waarop we met
elkaar reageren op dit soort gebeurtenissen, namelijk met al die
verschillende stemmen in plaats van met één krachtige stem — wat mij
betreft gaan we nog veel verder en krijgen we op Europees niveau een
minister van Buitenlandse Zaken die dat kan doen — zullen we door de
Verenigde Staten als zwak worden gezien. Ik hoop dat de minister en het
kabinet straks niet alleen maar naar Europa, naar Brussel gaan …
De voorzitter:
Wat is uw vraag, meneer Dassen?
De heer Dassen (Volt):
… om te kijken wat de tegenreacties zijn op deze aankondiging van Trump,
maar ook om na te denken over hoe we de Europese Unie klaarmaken voor de
toekomst. Wat mij betreft is dat met één stem op het wereldtoneel, met
een minister van Buitenlandse Zaken, zodat we snel en slagvaardig kunnen
reageren.
Minister Brekelmans:
Dat standpunt van de heer Dassen en van Volt begrijp ik vanuit zijn
idealen. Laat ik even teruggaan naar het voorbeeld van deze week. Onze
eerste reactie toen Trump die 10% aankondigde, was ook: laten we niet
direct reageren, maar eerst met andere landen afstemmen wat onze
gezamenlijke reactie wordt. Dat was ook de eerste reactie van de
minister van Buitenlandse Zaken, die in die zin, zo heeft hij zelf ook
gezegd, wat procesmatig was. "We hebben dit gehoord en we komen met een
reactie." Dat was ook de intentie van een aantal Europese landen, maar
je ziet dan dat er toch bepaalde presidenten en premiers zijn die het
niet kunnen laten om dezelfde avond nog te reageren, terwijl wij een
Hoge Vertegenwoordiger en verschillende Europese officials voor
buitenlandbeleid hebben. Ik vrees dat zelfs als je dat institutioneel
wat anders zou inrichten in Europa, er nog steeds presidenten en
premiers in Europa zijn die zich niet altijd aan die lijn zullen houden
en ook namens hun land zullen blijven spreken. Dat leidt inderdaad tot
een beeld dat de heer Dassen schetst, van veel verschillende Europese
stemmen en geluiden. Dat betekent hard werken om dat weer op één lijn te
brengen.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik dank de minister voor zijn aanwezigheid. Ik schors voor
enkele ogenblikken. Daarna gaan we verder met de stemmingen.
De vergadering wordt van 15.14 uur tot 15.18 uur geschorst.