Wijziging van de Werkloosheidswet en enige andere wetten vanwege aanpassing van de Regeling dienstverlening aan huis (Wet aanpassing Regeling dienstverlening aan huis) (ongecorrigeerd)
Stenogram
Nummer: 2026D02346, datum: 2026-01-19, bijgewerkt: 2026-01-21 10:08, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-01-19 16:00: Wijziging van de Werkloosheidswet en enige andere wetten vanwege aanpassing van de Regeling dienstverlening aan huis (Wet aanpassing Regeling dienstverlening aan huis) (Wetgevingsoverleg), vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Preview document (🔗 origineel)
Tweede Kamer, Wet aanpassing Regeling dienstverlening aan huis
VERSLAG VAN EEN WETGEVINGSOVERLEG
Concept
De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport hebben op 19 januari 2026 overleg gevoerd met mevrouw Paul, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, en mevrouw Pouw-Verweij, staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg, over:
het wetsvoorstel Wijziging van de Werkloosheidswet en enige andere wetten vanwege aanpassing van de Regeling dienstverlening aan huis (Wet aanpassing Regeling dienstverlening aan huis) (36744);
de brief van de staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg d.d. 18 december 2025 inzake toelichting op compensatie Zvw-budgethouders in het kader van wetsvoorstel Aanpassing Regeling dienstverlening aan huis (36744, nr. 19).
Van dit overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De fungerend voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
Van der Burg
De fungerend voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid,
Welzijn en Sport,
Mohandis
De griffier van de vaste commissie voor Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
Post
Voorzitter: Patijn
Griffier: Van den Broek
Aanwezig zijn zeven leden der Kamer, te weten: Bühler, Ceulemans, Flach, Edgar Mulder, Neijenhuis, Patijn en Wendel,
en mevrouw Paul, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, en mevrouw Pouw-Verweij, staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg.
Aanvang 16.00 uur.
De voorzitter:
Welkom. Goedemiddag. Wij gaan beginnen met het debat van de commissie
Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de Wet aanpassing regeling
dienstverlening aan huis. Welkom aan de minister en de staatssecretaris
en hun secondanten. Fijn dat jullie er zijn. Welkom ook aan de mensen in
de zaal en de mensen thuis. Is het gebruikelijk dat ik mensen voorstel?
Dat is misschien wel netjes. Aan tafel, naast onze onvolprezen griffier,
de heer Flach van de SGP, mevrouw Bühler van het CDA, mevrouw Wendel van
de VVD, de heer Neijenhuis van D66 en de heer Mulder van de PVV. Ik ben
Mariëtte Patijn van GroenLinks-Partij van de Arbeid.
Het debat is een wetgevingsoverleg. Dat betekent dat we echt de ruimte
willen nemen om een goed debat te hebben over dit onderwerp. Iedereen
heeft zijn spreektijden doorgegeven. Ik wil jullie wel verzoeken om je
een beetje aan die spreektijden te houden. Mijn voorstel is dat we
elkaar in eerste instantie maximaal vier keer interrumperen. Als jullie
het netjes kort houden dan is daar heus wel wat meer ruimte. Ik wil dus
wel flexibel zijn, maar probeer jezelf een klein beetje te
disciplineren. Hou de interrupties kort en ook graag de antwoorden. Dan
is er namelijk ook meer ruimte. Ik zal dus flexibel zijn in die ruimte,
maar we doen in eerste instantie vier keer. Ik geef graag het woord aan
de heer Flach.
De heer Flach (SGP):
Voorzitter, dank u wel. Dit debat, waar we ons al enige maanden op aan
het voorbereiden zijn, is een belangrijk debat voor een groep mensen
voor wie dit ingrijpend is. Het is goed dat we daar vandaag de tijd voor
nemen, want er staat veel op het spel voor de groep die het betreft. Ik
noem wat voorbeelden, bijvoorbeeld dat van Evert. Evert is blind en
verstandelijk beperkt. Maar hij krijgt uitstekende hulp van zijn
buurvrouw Natasja, die zijn huis schoonmaakt en hem begeleidt van en
naar zijn werk. Sanne zit psychisch ernstig in de knoop, terwijl ze
zorgt voor haar twee jonge kinderen en een zo normaal mogelijk leven
probeert te leiden. Gelukkig heeft zij via pgb een aantal vaste
zorgverleners die voor haar klaarstaan als zij hen nodig heeft. Meneer
en mevrouw De Vries zijn beiden meervoudig beperkt en zitten in een
rolstoel. Ze zijn volledig afhankelijk van ondersteuning bij de
dagelijkse zorg, zoals: opstaan, wassen, aankleden, eten en verplaatsen.
Dit zijn zaken waar de meesten van ons nauwelijks over nadenken. Samen
hebben zij een team van maar liefst negentien pgb'ers dat om hen heen
staat. Budgethouders als het echtpaar De Vries, Evert, Sanne en hun
zorgverleners dreigen door nieuwe regels in de knel te komen.
Voorzitter. U ziet dat de groep mensen die gebruikmaakt van het pgb en
die onder de reikwijdte van deze wet valt, zeer divers is. Het varieert
van mensen die volop deelnemen aan het arbeidsproces en een klein beetje
zorg of hulp nodig hebben, tot mensen die ernstige lichamelijke
beperkingen of psychische problematiek ervaren, van Wlz tot Wmo. Dit
zijn mensen die een administratiedruk en een regeldruk ervaren die hun
al uren per week kost. Van deze mensen, van wie in een groot aantal
gevallen is vastgesteld dat ze geheel of gedeeltelijk ongeschikt zijn
voor de arbeidsmarkt, vragen wij middels deze wet dat zij de
verantwoordelijkheid en de personele druk van een gemiddelde mkb'er op
zich nemen. Daarom heeft de SGP de noodklok geluid. Dit kan en mag niet
de uitwerking zijn van deze wet.
Voorzitter. De aanloop naar deze wetsbehandeling verliep chaotisch en
zorgde voor veel onrust bij deze budgethouders en zorgverleners. Volgens
het ministerie moest en zou het wetsvoorstel op 1 januari ingaan, of de
Kamer er nu over had gesproken of niet. Mijn fractie vond het op zijn
zachtst gezegd ongepast dat de druk op de Kamer werd opgevoerd door te
stellen dat er al onomkeerbare stappen waren gezet en dat er geen
pauzeknop meer was bij het inregelen van de IT-systemen van de SVB, die
de regeling moet uitvoeren. Dat alles verdient niet de schoonheidsprijs.
Dat zeg ik niet alleen, dat erkent deze minister inmiddels zelf ook.
Terecht, want we praten nu immers over een wetswijziging die in feite al
vanaf 1 januari wordt uitgevoerd, terwijl de Tweede en de Eerste Kamer
zich er nog over moeten uitspreken. Dat is staatsrechtelijk spelen met
vuur. Het parlement moet zijn eigen zorgvuldige afweging kunnen maken of
dit inhoudelijk een goed voorstel is, zonder dat het tijdpad voor
implementatie bij de uitvoerders belemmerend werkt. In alle haast is
ervoor gekozen een nota van wijziging in te dienen, zodat de wijzigingen
met terugwerkende kracht alsnog per 1 januari ingaan.
De SGP heeft steeds nadrukkelijk aangedrongen op uitstel van de
inwerkingtreding, juist om pgb-houders en zorgverleners de tijd te geven
om zich voor te bereiden op de nieuwe regels. Wij zijn dan ook niet
bepaald gelukkig met deze keuze, gelet op het fundamentele beginsel van
rechtszekerheid. De wet is nog niet aangenomen, maar de belastingen en
premies worden al geïnd. Artikel 88 van de Grondwet bepaalt dat wetten
niet in werking treden voordat ze bekend zijn gemaakt. Dit beginsel is
cruciaal. Burgers kunnen niet gebonden worden aan wettelijke bepalingen
waarvan zij de inhoud nog niet kunnen kennen. Het achteraf van
toepassing verklaren van regels ondermijnt deze rechtszekerheid, leidt
tot onduidelijkheid en kan het vertrouwen in de overheid aantasten.
Wetgeving moet transparant en voorspelbaar zijn. Dan is het uiterst
onverstandig om met oogkleppen op aan te sturen op een datum van
inwerkingtreding, omdat het niet anders kan volgens de uitvoerders,
zonder oog te hebben voor de consequenties voor deze kwetsbare
doelgroep. Tot op dit moment is voor budgethouders en hun zorgverleners
nog altijd niet helder wat deze nieuwe wet voor hen betekent. De Kamer
kan de wet bij amendering immers nog volledig aanpassen, maar zij kunnen
zich daar niet meer op aanpassen, omdat we inmiddels na 1 januari leven.
Onwenselijk. Hoe reflecteert de minister hierop en welke lessen trekt ze
hieruit, zodat dit nooit meer voorkomt?
Voorzitter. Waarom spreken we vandaag over dit wetsvoorstel? Eigenlijk
was deze wetswijziging als hamerstuk aangemeld en zou die geruisloos de
Tweede Kamer zijn gepasseerd. Toch meende mijn fractie de vinger op te
moeten steken omdat wij vonden dat hier nog over gesproken moest worden
in het parlement.
Het gaat hier per slot van rekening over een aanpassing van wetgeving
die aanzienlijke gevolgen heeft voor pgb-budgethouders en hun
zorgverleners. De directe aanleiding is een uitspraak van de Centrale
Raad van Beroep, die bepaalde dat pgb-zorgverleners niet mogen worden
uitgesloten van werknemersverzekeringen. Er zou namelijk sprake zijn van
indirecte discriminatie. Het voorstel dat we vandaag bespreken moet dit
aanpassen in de wet.
Voordat we over de inhoudelijke wijzigingen spreken, zou ik willen
stilstaan bij de motivatie van de Centrale Raad van Beroep. Op dit
moment geldt dat een zorgverlener die minder dan vier dagen per week via
een pgb zorg verleent aan een budgethouder geen recht heeft op een
werkloosheidsuitkering. De Regeling dienstverlening aan huis is onder
andere ooit in het leven geroepen om particuliere budgethouders te
ontlasten, zodat budgethouders niet alle werkgeversverplichtingen hebben
tegenover de zorgverleners. Ze zijn immers ook geen reguliere werkgever,
maar particulieren die vanwege hun zorgbehoeften noodgedwongen een vorm
van werkgeverschap op zich nemen. Deze bijzondere positie rechtvaardigde
een ander stelsel met een afwijkend wettelijk regime. Dat vond de
Centrale Raad van Beroep in 1996 ook. Het ging daarbij om een bewuste
beleidskeuze, waarin een balans werd gezocht tussen sociale bescherming
van zorgverleners en de uitvoerbaarheid en betaalbaarheid voor
pgb-houders.
In 2023 kwam diezelfde raad echter tot een andere conclusie, namelijk
dat de regeling leidt tot indirecte discriminatie omdat er relatief meer
vrouwen dan mannen werkzaam zouden zijn via deze regeling. Mijn fractie
vindt deze koerswijziging op z'n minst opmerkelijk. Het enkele feit dat
een neutraal geformuleerde regeling in de praktijk vaker vrouwen raakt,
betekent immers nog niet dat er sprake is van ongerechtvaardigde
indirecte discriminatie.
De regeling is niet ingevoerd met het oog op het geslacht, maar met het
doel om particuliere zorgverlening mogelijk en toegankelijk te houden.
Door dit beschermingsregime nu te framen als discriminerend ontstaat er
bovendien het risico van een paternalistische benadering, waarbij
vrouwelijke zorgverleners primair worden gezien als een kwetsbare groep
die tegen zichzelf beschermd moet worden. Dat terwijl deze vrouwen en
mannen niet zielig zijn. Zij zijn juist krachtige professionals, die met
hun hart kiezen voor de zorg van hun vaak kwetsbare cliënten. Het is
immers een bewuste, autonome keuze om liefdevolle zorg te verlenen via
een pgb-arbeidsovereenkomst. Daarbij vraag ik me af of deze oplossing de
situatie voor deze zorgverleners en hun budgethouders daadwerkelijk
verbetert. Ik denk namelijk van niet. Dat moet wel worden meegewogen.
Daarover straks meer.
Voorzitter. Wat zijn de gevolgen van dit wetsvoorstel? Deze wet regelt
de verzekeringsplicht voor de zorgverlener. Dat betekent dat de
werknemer recht krijgt op een uitkering van de WW, ZW en WIA, maar dat
moet natuurlijk wel ergens vandaan komen. De werkgever, in dit geval de
pgb-houder, moet hiervoor premies afdragen. Omgerekend komen er hierdoor
plotsklaps 20% werkgeverslasten bij. Nu komt het meest opmerkelijke:
budgethouders moeten in gesprek gaan met hun zorgverlener om hun te
vragen een loonsverlaging van soms wel 23% te accepteren. Welke
werkgever vraagt zijn medewerker even om 20% van zijn salaris af te
staan en welke werknemer accepteert zo'n loonsverlaging? In iedere
andere sector zou het Malieveld vol staan, alleen al bij het idee, maar
nu het over deze kwetsbare groep gaat, wordt dit zonder blikken of
blozen doorgevoerd. Als de consequentie is dat de lonen van
zorgverleners omlaaggaan, is hun positie juist verslechterd en leidt dit
wetsvoorstel juist tot meer ongelijkheid in plaats van dat het
discriminatie verhelpt. Budgethouders zitten met de handen in het jaar:
"Ik kan mijn hulp toch niet vragen om 20% minder te gaan verdienen?" In
de aanloop naar 1 januari jongstleden zijn daarom veel
pgb-arbeidsovereenkomsten inmiddels beëindigd. Toegewijde zorgverleners
kwamen noodgedwongen op straat te staan vanwege deze nieuwe regelgeving.
Dat is toch niet hoe we in dit land met meneer en mevrouw De Vries,
Natasja, Evert en Sanne omgaan? Hoe kijkt de regering zelf naar de
onrust en de golf van noodgedwongen ontslagen die als gevolg van dit
wetsvoorstel door het land gaat?
Uitvoerders communiceren zelf dat het zo kan zijn dat budgethouders
minder direct de zorguren kunnen inkopen omdat ze vanwege de nieuwe
regelgeving meer geld kwijt zijn aan werkgeverslasten of dat
zorgverleners moeten worden ontslagen of beter als zzp'er aan de slag
kunnen gaan. Een citaat uit de uitvoeringstoets: "Op basis van de
cijfers uit 2023 schat de SVB in dat voor ongeveer de helft van de
budgethouders het tarief niet toereikend is." Wat de SGP betreft mag dit
nooit het gevolg zijn van dit wetsvoorstel. Ik lees dat de regering dit
ook onwenselijk vindt, maar toch neemt zij nog onvoldoende maatregelen
om dit te voorkomen.
Als we nog iets dieper de techniek induiken, zien we dat eventuele
compensatie voor de kosten afhangt van de vraag of het pgb-budget uit de
Wet langdurige zorg, de Wmo en de Jeugdwet of via de Zorgverzekeringswet
wordt ontvangen. Ik loop ze kort langs. Op de website van de
rijksoverheid is te lezen dat budgethouders vanaf 2026 maximaal twee
jaar extra geld krijgen om de werkgeverspremies te betalen. Dat klinkt
mooi, maar hoe zit dat na twee jaar? Dit is dus een tijdelijke dekking
van de structurele kosten van een wetswijziging. En om hoeveel geld gaat
het? 2026 is inmiddels ingegaan, maar er staat nog altijd: "Informatie
over het extra budget volgt later."
Dan de Wmo en de Jeugdwet. Ik lees: "Gemeenten mogen tijdelijk het
pgb-budget ophogen, zodat budgethouders de werkgeverspremies hiervan
kunnen betalen." Er is maar liefst een bedrag van 1,8 miljoen euro
vrijgemaakt. Dat is omgerekend €5.000 per gemeente, terwijl grote
gemeenten meerdere miljoenen kwijt zijn aan persoonsgebonden budgetten.
Dit is dus slechts een druppel op een gloeiende plaat. Welke afspraken
zijn met gemeenten gemaakt over compensatie van de extra kosten als
gevolg van dit wetsvoorstel?
Gemeenten hebben de wettelijke plicht om te zorgen voor toereikende
pgb-tarieven. De tarieven zullen met ongeveer 20% moeten worden
opgehoogd zodat er sprake is van structurele kostendekkende compensatie.
Als dit niet gebeurt, worden de financiële gevolgen van deze
wetswijziging afgewenteld op de budgethouder en zijn zorgverlener.
Gemeenten kunnen het maximumtarief verhogen, maar wij horen van steeds
meer budgethouders dan hun gemeente het maximumtarief niet ophoogt. Daar
komt bij dat de rechter recent heeft bepaald dat een pgb-uurtarief
gelijk aan het minimumloon voor het sociaal netwerk voldoende is,
waardoor sommige gemeenten op het minimumloon uitbetalen. Nu de kosten
voor de pgb-houders stijgen, zal het budget in veel gevallen verre van
toereikend zijn. Mijn fractie maakt zich hier zorgen over. Is de
regering bereid een onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren naar
toereikende en marktconforme informele tarieven bij
arbeidsovereenkomsten?
Ondertussen zegt de regering dat de zorgcontinuïteit van geen enkele
budgethouder in gevaar mag komen, maar hoe wordt dit gemonitord? Of is
dit een loze belofte? Wil de minister in elk geval toezeggen een
invoeringstoets uit te voeren en de Kamer per kwartaal te informeren
over de uitvoeringsgevolgen van het wetsvoorstel? Het kabinet zou de
reactie van de NZa op dit wetsvoorstel met de Kamer delen, maar die heb
ik nog niet gezien. Kan die voor de stemmingen alsnog worden
gedeeld?
Ik begrijp uit gemeenteland dat er verschillende percentages circuleren
waarmee het bedrag zou kunnen worden opgehoogd. Veel gemeenten moeten
hun verordeningen nog aanpassen. Dat betekent dat voor veel
budgethouders ook na vandaag nog altijd onduidelijk is waar zij op
kunnen rekenen. Daarnaast betekent invoering met terugwerkende kracht
dat gemeenten alle beschikkingen opnieuw moeten vaststellen en
aanleveren bij de SVB. Mijn fractie is bang dat dit grote
uitvoeringstechnische problemen gaat opleveren. Is er een
uitvoeringstoets gedaan ten aanzien van de inwerkingtreding met
terugwerkende kracht, vraag ik de minister, en wat zijn daarvan de
uitkomsten? Welke risico's zijn voorzien en hoe voorkomen we die?
Voorzitter. Dan de Zorgverzekeringswet. De kleinste groep budgethouders
ontvangt het budget via de zorgverzekeraar. Hier zit meteen het grootste
probleem. 80% tot 90% van deze groep zit aan het maximumtarief dat
gedeclareerd mag worden en zorgverzekeraars hebben geen wettelijke
ruimte om boven het maximumtarief te compenseren. Als je aan het
maximumtarief zit, moet je als budgethouder dus een lager uurtarief
afspreken met je zorgverlener. Wat als die dat weigert? Dan kun je dus
minder zorg inkopen. Ook is het niet mogelijk binnen de
Zorgverzekeringswet bij te betalen uit eigen middelen, nog afgezien van
de vraag of dat wenselijk zou zijn.
Na alle onrust en vragen van de Kamer kwam de regering met een aparte
oplossing voor het Zvw-pgb. Als de SVB de salarisadministratie van de
budgethouder doet, krijgt die financiële ondersteuning. Ook hier is dat
tijdelijk, voor slechts twee jaar. Deze groep van zo'n 10.000
Zvw-budgethouders is niet bekend bij en bereikbaar voor publieke
instanties, waardoor het nu niet mogelijk is om vanuit de overheid in
compensatie te voorzien. Daarom gaat deze wetswijziging voor hen nog
niet in en wordt eerst gezocht naar een oplossing. Opvallend: eerst
wordt bij hoog en laag beweerd dat dit wetsvoorstel geen uitstel kan
lijden en dat het daarom desnoods met terugwerkende kracht moet ingaan,
en nu blijkt toch dat een onderdeel later in werking kan treden.
Voorzitter. Ik sprak de afgelopen weken veel bezorgde budgethouders.
Iemand gaf aan dat zij haar zorg sinds dit jaar niet meer durft in te
zetten. Ze is bedlegerig en heeft de hulp hard nodig, maar weet nog
altijd niet wat de nieuwe regelgeving voor haar betekent. Net voor het
weekend zou ze het moeilijke gesprek aangaan met haar zorgverlener. "Ik
moet de hulp stopzetten. Ik weet niet meer hoe het moet." Het geeft haar
al maandenlang grote stress. Ze belt de hele dag met de gemeente, de SVB
en de zorgverzekeraar. Antwoorden krijgt ze niet, alleen maar meer
vragen. Ze behoort tot de groep die pgb krijgt via de Zvw en is in beeld
bij de SVB, maar ze is nog niet geïnformeerd over de
compensatieregeling. Wanneer hoort zij meer? Ik lees ergens "voor de
zomer", maar dat is veel te laat. Om welk bedrag gaat het en wie vallen
hieronder? Haar verzekeraar compenseert op dit moment nog helemaal
niets, waardoor haar probleem nog altijd niet is opgelost.
Voorzitter. Deze wet regelt niet alleen de verzekeringsplicht, waar de
uitspraak van de rechter op ziet, maar gaat veel verder. Er wordt nog
een hele trits extra werkgeversverplichtingen opgelegd aan
budgethouders. Laten we beginnen bij de buitensporig lange
loondoorbetaling bij ziekte en alles wat daarbij komt kijken. Tot 1
januari moesten budgethouders 6 weken het loon doorbetalen. Met deze wet
wordt dat 104 weken. En ja, de SVB compenseert de salariskosten van de
zieke zorgverlener, maar de werkgever blijft eindverantwoordelijk voor
het twee jaar lange ziektetraject. Klopt het dat de SVB enkel
compenseert voor het actuele budget? Als de indicatie wordt verlaagd of
eindigt, is dat risico dus voor de werkgever. Wordt dit financiële gat
dan niet aangevuld?
Een doorsneewerkgever bezwijkt soms al bijna onder de administratieve
lasten en de verplichtingen die voortvloeien uit de Wet verbetering
poortwachter, laat staan deze kwetsbare mensen, die al genoeg
pgb-formulieren en regelsores aan hun hoofd hebben voor hun eigen
situatie. Om een indruk te geven: als je medewerker langdurig ziek is,
moet er vervanging worden geregeld, er moet een plan van aanpak worden
opgesteld, er moeten re-integratieactiviteiten worden georganiseerd, er
moeten gesprekken worden gevoerd met arbodiensten en UWV, en er moet
periodiek worden geëvalueerd en gedocumenteerd dat alle stappen zijn
uitgevoerd. Er moet zelfs worden bekeken en aangetoond dat ander werk
bij de huidige werkgever niet mogelijk is. Dat komt allemaal op het toch
al overvolle bordje van meneer en mevrouw De Vries, Sanne en Evert,
uiteraard met hulp van de SVB, maar zij blijven formeel de werkgever,
met de bijbehorende verantwoordelijkheden, ook al hebben ze nauwelijks
ervaring met arbeidsrecht of re-integratie. Gaat er iets mis, dan worden
zij erop aangekeken en zijn de consequenties voor hen, aangezien ze
persoonlijk aansprakelijk zijn. Dat is een vergaande stap, terwijl de
rechter nog niet heeft opgedragen dat de volledige loondoorbetaling bij
ziekte ook bij de budgethouder moet komen te liggen. Op dit moment is
dat onder de rechter, maar de SGP vindt het niet verstandig om
vooruitlopend daarop nu al zo'n vergaande wijziging door te voeren.
Daarom heeft de SGP een amendement ingediend om deze verplichting nu te
schrappen.
Ook heb ik amendementen ingediend op alle andere
werkgeversverplichtingen die niet rechtstreeks voortvloeien uit de
uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Het gaan dan om
verlofregelingen. Budgethouders worden ook voor alle soorten verlof van
de zorgverlener verantwoordelijk. Dat geldt ook voor scholing die
betaald mag worden uit het pgb en de Wet flexibel werken, waarbij
werknemers een formeel verzoek in kunnen dienen bij de werkgever om hun
werk flexibeler in te richten. Tot slot wordt het reguliere ontslagrecht
van toepassing op de pgb-arbeidsovereenkomst. Het laatste betekent dat
er eerst toestemming van het UWV of instemming van de werknemer nodig is
om tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst over te gaan, terwijl dat
op dit moment niet vereist is.
Ook hierbij moeten we scherp voor ogen houden dat het niet gaat om een
reguliere arbeidsrelatie. Een budgethouder heeft zorgverleners die vaak
bij hem of haar in de privésfeer komen en soms zelfs moeten helpen bij
de meest intieme dingen, zoals douchen of toiletbezoeken. Je bent dan
totaal afhankelijk van je zorgverlener. Je geeft je letterlijk en
figuurlijk bloot aan hen, dus moet er ook een bijzondere vertrouwensband
zijn. Het kan zijn dat het om de een of andere reden niet klikt, of dat
er andere persoonlijke redenen zijn waarom een budgethouder niet verder
kan of wil met een zorgverlener. Dan moet er toch redelijkerwijs
bepaalde ruimte zijn om afscheid te nemen van die persoon. Wat de SGP
betreft blijft die ruimte er. Daarom heb ik hier ook een
wijzigingsvoorstel op ingediend.
Tot slot wil ik ook nog even iets verder kijken dan deze wetswijziging.
De Regeling dienstverlening aan huis is namelijk niet voor niets ooit in
het leven geroepen. Het doel was om het inhuren van mensen voor hulp in
en om het huis door particulieren eenvoudiger en goedkoper te maken,
door administratieve en financiële lasten voor de opdrachtgever te
verminderen. Met deze wetswijziging wordt dat doel voor budgethouders
grotendeels om zeep geholpen, terwijl zij — ik herhaal het nog maar eens
— geen doorsnee werkgever zijn. Een aantal vragen hierover aan de
bewindslieden. Erkennen zij dat de beweging naar volwaardig
werkgeverschap juist niet de oorspronkelijke bedoeling van deze regeling
is? Wat vinden ze daarvan?
Het pgb-landschap is inmiddels verworden tot een groot oerwoud met
ingewikkelde administratieve lasten voor werkgeverschap, in elkaar
grijpende wetgeving en maar liefst vier zorgwetten waarbinnen pgb
mogelijk is. Wordt het niet tijd om toe te werken naar één
overzichtelijk landschap, met een eenvoudig juridisch kader waarbij de
arbeidsrechtelijke kant nadrukkelijk wordt meegenomen? Eerder voerde ook
de SVB een dergelijk pleidooi. Wil het kabinet toezeggen te komen met
een verkenning naar een eenvoudiger en lichter toekomstig regime voor
pgb-houders, onder andere ten aanzien van arbeidsrechtelijke
verplichtingen, zoals de Wet verbetering poortwachter en de Wet
arbeidsmarkt in balans?
Voorzitter. U hebt gemerkt dat ik er de tijd voor heb genomen, maar dat
was nodig om helder te maken dat er veel mis is met deze wet.
Pgb-houders en hun zorgverleners komen in de knel door een goed
bedoelde, maar slecht doordachte wetswijziging. Dat moeten we niet laten
gebeuren. Waar de rechter de positie van zorgverleners bedoelde te
verbeteren, dreigt in de praktijk een verslechtering van hun positie en
wordt de continuïteit van zorg aan mensen met een pgb in gevaar
gebracht. Daarom heb ik concrete wijzigingsvoorstellen aangedragen. Ook
de aanloop naar deze wetswijziging had echt anders gemoeten. Laten we nu
vooral naar voren kijken hoe we de schade kunnen herstellen of zo veel
mogelijk kunnen voorkomen, voor Evert, Natasja, Sanne en het echtpaar De
Vries.
Dank u wel.
De voorzitter:
Er is een vraag van de heer Mulder. Gaat uw gang.
De heer Edgar Mulder (PVV):
Ik vond het een perfect of, laat ik het zo noemen, een goed verhaal. Ik
hoop niet dat ik het tekort doe met mijn vraag. Ik wil eigenlijk graag
het volgende weten. Stel nou dat al uw amendementen worden aangenomen.
Wat doet u dan met het stemmen voor de wet? U sloot af met het beperken
of helemaal voorkomen van de schade. Gaat u, als die amendementen worden
aangenomen, wel voor de wet of niet?
De voorzitter:
Ik vraag u via de voorzitter te spreken.
De heer Flach (SGP):
Dat is een goede vraag. Die weging zal natuurlijk plaats moeten vinden.
In het fictieve geval dat de grote pijnpunten die ik heb genoemd
allemaal uit de wet gaan, wordt de wet eigenlijk teruggebracht tot het
minimum waar de Centrale Raad van Beroep om heeft gevraagd. Ondanks dat
je iets kunt vinden van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep,
snap ik wel dat we er als overheid iets mee moeten. Dat minimum blijft
wat ons betreft dus wel staan, maar dan hebben we wel alle
niet-verplichte wijzigingen uit die wet gehaald. Zo kijk ik
daarnaar.
De heer Edgar Mulder (PVV):
Duidelijk.
De voorzitter:
Ik heb zelf eigenlijk ook één vraag. Ik zie dat de commissie het goed
vindt als ik dat zo doe. Ik kan niet via de voorzitter spreken, maar ik
zal proberen neutraal te formuleren.
Er is een kans dat er ook nog nieuwe uitspraken zullen komen waaruit
blijkt dat die arbeidsrechten wel degelijk van toepassing verklaard
moeten worden. Dat zou ervoor zorgen dat de wet straks toch weer
aangepast moet worden en dat er nog meer onzekerheid komt, als het
volgens de lijn van de SGP uitgevoerd zou worden. Ik vind het best
logisch dat de minister de keuze maakt om het maar gewoon geheel toe te
passen, zodat er in één keer duidelijkheid is. Kan de heer Flach
uitleggen waarom hij denkt dat wat hij nu doet, risicoloos is?
De heer Flach (SGP):
Er is niets zo risicovol als een soort kansberekening doen op wat de
rechter in de toekomst zal doen. Ik vond deze uitspraak van de Centrale
Raad van Beroep al opmerkelijk. Er is geen enkele aanwijzing om te
veronderstellen dat er in de toekomst nog meer van dit soort uitspraken
gedaan zullen worden. Als dat gebeurt, zit je natuurlijk in de
ongemakkelijke situatie dat je opnieuw de wet moet aanpassen. Dat is
ongemakkelijk voor ons hier als parlement. Dat is extra werk en zo. Het
leidt ook wel weer tot wat onzekerheid onder pgb-ouders. Dat realiseer
ik me zeker wel. Tegelijkertijd vervangen we dat nu door de zekerheid
dat het alvast maar in de wet staat dat je verantwoordelijk wordt voor
loonbetaling en de volledige re-integratie en dat je gebonden bent aan
het ontslagrecht. Dus daar waar er nog een kans was dat dat soort zaken
niet van toepassing zouden zijn op pgb-zorgverleners, gaan we nu een
extra stap zetten die de rechter niet van ons vraagt en nemen we voor de
zekerheid alles maar mee. Ik denk dat het wel duidelijk is waar mijn
prioriteit ligt in die weging van belangen.
De voorzitter:
Ik heb één vervolgvraag. Met het voorstel dat de heer Flach nu doet,
ontstaat er eigenlijk een soort tweederangswerknemer. Er wordt
natuurlijk geredeneerd vanuit het perspectief van de budgethouder, maar
er zijn natuurlijk ook zorgverleners die hiermee werknemersrechten
krijgen. Voor heel veel van die zorgverleners zal dat ook prettig zijn,
want dat geeft ook zekerheid voor de toekomst. Is het de wens van de
heer Flach om een soort tweederangswerknemer te creëren die we nu nog
niet op deze manier kennen?
De heer Flach (SGP):
In de vraag zit al bijna de ongepaste suggestie dat ik dat zou willen,
maar ik weet dat mevrouw Patijn het zo niet bedoelt. Nee, dat is niet
mijn wens. Maar we vergeten weleens dat er allerlei situaties zijn. Dit
ging specifiek om de groep mensen die drie dagen of minder werken, voor
wie het vaak niet eens een bewuste keuze was om dit te gaan doen, maar
die dit zijn gaan doen uit persoonlijke betrokkenheid of uit compassie
met de budgethouder en die helemaal niet zitten te wachten op een
complete werknemersbescherming, omdat men dat op een andere manier heeft
geregeld of er nog een andere baan bij heeft. We moeten niet doen alsof
deze groep niet in staat zou zijn om de consequenties van wat ze doen
voor hun rekening te nemen. Ik heb ook in mijn betoog gezegd dat die
regeling natuurlijk ooit als doel heeft gehad om die dienstverlening aan
huis juist uit te zonderen van een aantal verplichtingen, want het is
geen ondernemersafspraak die je met elkaar maakt. De Centrale Raad van
Beroep vond dat toen ook uitstekend. Dat was nog maar in 1996. Ik denk
dat er in ons land ook ruimte moet zijn voor mensen om zelf de keuze te
maken om geen zzp'er en geen reguliere werknemer te worden, maar via
deze constructie voor een pgb-houder te werken. Ik denk dat we ze goed
moeten informeren dat dat dus betekent dat je een aantal rechten niet
hebt. Toch weet ik zeker dat 80% tot 90% daar echt niet voor zal
wijken.
De voorzitter:
Dank u wel. Als er geen vragen meer zijn, geef ik het woord aan mevrouw
Bühler van het CDA.
Mevrouw Bühler (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Vandaag gaat het over de wijziging Regeling
dienstverlening aan huis. Allereerst wil ik mijn buurman, de heer André
Flach van de SGP, bedanken voor het onthameren van dit voorstel in de
periode tussen de nieuwe en de oude Kamer. Dat heeft ervoor gezorgd dat
de Kamer meer tijd genomen heeft om hiernaar te kijken. Dankzij de heer
Flach is het duidelijk geworden dat er veel mis is met dit wetsvoorstel.
Mijn buurman heeft het al goed aangegeven: dit voorstel heeft impact op
mensen. Daarbij hoort een zorgvuldige afweging. Deze wetswijziging is
benaderd als een technische wijziging. Er is een juridische uitspraak
van de rechter, die we moeten vertalen in nieuwe wetgeving. Uitvoering,
regelen en klaar! Maar we hebben het hier over mensen: mensen voor wie
ik als wethouder zorg had, mensen met een maatwerkvoorziening die ervoor
zorgt dat zij ondanks een beperking gewoon mee kunnen draaien in de
samenleving. Wij als Kamerleden hebben de verantwoordelijkheid om dit
mogelijk te maken. Die verantwoordelijkheid voel ik vandaag. Daarom wil
ik daarvoor opkomen.
Voorzitter. Per 1 januari van dit jaar zijn mensen die noodzakelijke
hulp krijgen ineens zelfstandigen met personeel. Laat dat even tot u
doordringen. Mensen die gebruikmaken van hulp omdat ze wat extra zorg
nodig hebben, zijn ineens ondernemers met een extra administratieve
last. Ze worden verantwoordelijk voor het welzijn en de financiële
zekerheid van hun personeel. Wat ons betreft is dat de omgekeerde
wereld. Pgb-houders doen dat, want ze moeten wel. Maar kunnen we dat van
ze vragen?
Voorzitter. De afgelopen weken heb ik me enorm verdiept in deze materie
en met veel deskundigen gesproken. Ik blijf worstelen met dit
wetsvoorstel. Ik vertel u waarom. Allereerst is er de gang van zaken,
waarover later meer. Ten tweede noem ik het gemak waarmee deze zware
verantwoordelijkheden op het bordje worden gelegd van mensen in een
kwetsbare positie. Ten derde vraag ik mij af wat de manier is om dit tot
een goed einde te brengen.
Vooropgesteld: werknemers die hun inkomen genereren uit zorg, hebben
recht op sociale zekerheid. Dat moeten we regelen. Dat staat hier niet
ter discussie. Dat deel van het wetsvoorstel laten wij ook ongemoeid.
Maar de regering gaat in haar voorstel verder dan de rechter. Zij
wijzigt niet alleen de aspecten van de sociale verzekering, zoals de
rechter bedingt, maar er worden ook nog eens arbeidsrechtelijke aspecten
toegevoegd. Dat brengt grote consequenties met zich mee in de relatie
tussen de pgb-houder en de verzorgde, met forse verantwoordelijkheden
voor de zorgvrager. Iemand met een handicap die hulp krijgt om 's
morgens uit bed te komen om naar zijn werk te gaan, is nu opeens een
soort mkb-ondernemer geworden. Wij maken ons zorgen over de gevolgen
hiervan. We vinden dat de regering voor dit deel van het wetsvoorstel
slechts een hele magere onderbouwing levert. De regering toont niet
voldoende aan dat er noodzaak is en brengt niet in beeld wat het
betekent voor deze pgb-groep. De mens raakt hier uit beeld. De mensen
blijven verantwoordelijk. Dat vinden wij geen goed idee.
Het eerste gevolg voor deze groep is de verantwoordelijkheid voor de
werkgeverslasten. Naar wat wij hebben begrepen, wordt de financiering
hiervan deels overgenomen. De uitvoering vindt plaats via de SVB, maar
uiteindelijk blijft de budgethouder verantwoordelijk. Dan zijn er nog
arbeidsrechtelijke verplichtingen. De budgethouder wordt
eindverantwoordelijk voor het welzijn en de financiële zekerheid van
zijn dienstverlening. Dit aspect weegt voor ons het allerzwaarst. Mijn
buurman heeft ook al aangegeven wat dat in de praktijk betekent, maar ik
herhaal het nog een keer. Bij ziekte van de zorgverlener moet de
zorgvrager opeens aan de slag met re-integratieverplichtingen, onder
andere vanuit de Wet verbetering poortwachter. Het niet naleven daarvan
kan behoorlijke consequenties hebben. Ook hier ligt de volledige
verantwoordelijkheid weer bij de pgb-houder.
Ik sprak met een vriendin die een goede baan heeft en vijf uur in de
week haar buurman Ronnie ondersteunt. Ze zei: "Ik kan het Ronnie echt
niet aandoen om deze last voor mij op zich te nemen. Misschien moeten we
het dadelijk anders gaan regelen, of stop ik bij Ronnie, want ik kan hem
dat echt niet aandoen." Dat is een voorbeeld waar ik buikpijn van krijg.
Vaak valt er niks anders te regelen, want dat pgb-budget is nu net het
vangnet om de zorg die niet standaard is, vorm te geven, om eigen regie
te houden. Als het makkelijk was om het anders te doen, was dit niet
nodig. Dan werd er geen pgb-budget aangevraagd.
Pgb is maatwerk. Je krijgt niet zomaar een pgb. Een ander onderbelicht
gevolg is dat wij vrezen dat een groot deel van de pgb-houders geen
budget toegekend krijgt. Om dit budget te krijgen, moet je namelijk
vaardig zijn om alle verplichtingen op je te nemen. Deze extra, nieuwe
verplichtingen kunnen er dus zomaar voor zorgen dat je niet meer vaardig
genoeg bent. Over het kind met het badwater weggooien gesproken.
Overigens zie ik dat de checklist van de website van het ministerie nog
niet aangepast is aan de vaardigheden die men per 1 januari zou moeten
hebben.
Wie raak je dan? Mensen die met extra hulp kunnen meedoen in de
samenleving. In mijn gemeente is dat bijvoorbeeld een groep jonge,
gehandicapte mensen. Zij hebben wat meer maatwerk nodig. Of het gaat om
mensen die werken en op hun werk geholpen worden om bijvoorbeeld naar
het toilet te gaan. Dat kan niet de bedoeling zijn. De CDA-fractie is
not amused over het gemak waarmee dit voorstel alle
werkgeversverplichtingen naar deze doelgroep toeschuift.
Ten aanzien van de gang van zaken. U mag best weten dat de CDA-fractie
ontsteld is over dit voorstel en de gang van zaken. De Kamer is niet in
staat gesteld de juiste afweging te maken. Het is een voorstel waarmee
meer gedaan is dan verwacht wordt en waarmee meer gedaan wordt dan de
rechter bepaald heeft. Het gesprek wordt kapotgeslagen met juridische
argumenten. Maar het gaat niet over de juridische techniek. Nogmaals,
het gaat over mensen.
Verder heeft de regering de uitvoering al in gang gezet voordat de Kamer
een oordeel heeft kunnen vellen. Ook de SVB werkt alsof de wet al in
werking is getreden. Als we zaken alsnog anders willen organiseren,
heeft dat grote gevolgen voor burgers. Degene naast mij heeft hier ook
al een aantal voorbeelden van gegeven. De regering verdedigt in de nota
van wijziging dat terugwerkende kracht mogelijk is als er sprake is van
een fair balance tussen betrokken belangen. Ik ben van mening dat daar
geen afweging in is gemaakt. De terugwerkende kracht kan niet worden
teruggedraaid — dat staat erin — omdat we dan te maken krijgen met een
verrassingseffect op inwoners. Maar is het niet zo dat deze mensen aan
het einde van het jaar al verrast zijn door de wetswijziging, met grote
impact op de samenwerking met hun zorgverlener? Wat ons betreft is het
een fait accompli.
Vanuit VWS wordt nog een reparatie doorgevoerd vanwege de
Zvw-budgethouders. De staatssecretaris toont begrip voor de breed
gedeelde zorgen van de pgb-budgethouders. Het is goed dat zij hierin een
verantwoordelijkheid pakt, maar het lijkt er wel op dat de gevolgen voor
alle andere mensen die de dupe worden, nu pas tot de beleidsmakers
doordringen. Had dit niet eerder en integraler gemoeten? Ik kan het
namelijk niet genoeg benadrukken, ook hier: het gaat over mensen.
Nogmaals, zorgverleners hebben recht op een sociale zekerheid, maar niet
ten koste van de pgb-houder. Er is niet goed gekeken naar de doelgroep
en hun zorgverleners en er zijn geen alternatieven overwogen. Dat is
extra wrang, omdat we met het arbeidsrechtelijke aspect van de wet op de
zaken vooruitlopen.
Als Kamerlid wil ik graag een goede afweging kunnen maken en in gesprek
gaan met mijn mede-Kamerleden en de minister en staatssecretaris, zonder
dat een juridische discussie het gesprek kaapt. Als nieuw Kamerlid ben
ik ook nog zoekende naar hoe ik hier het beste mijn bijdrage aan lever.
Voorafgaand aan dit debat heb ik een stevig amendement ingediend, met
daarin de volgende punten. Alle arbeidsrechtelijke voorwaarden gaan van
tafel. Er komt geen "zelfstandige met personeel"-status voor
pgb-houders. Ik ben hierin opgetrokken met de heer Flach.
Dan nu mijn worsteling. Tot laat heb ik gezocht naar wat de juiste
manier zou zijn om de grote gevolgen van dit wetsvoorstel in goede banen
te leiden. Ik sprak over dit onderwerp met heel veel mensen, groepen en
organisaties. Ik realiseer me dat er best wat uitvoeringsissues op ons
af gaan komen. Dat vind ik een hele lastige. Dingen moeten worden
teruggedraaid en er hangen verdere gerechtelijke uitspraken in de lucht.
Dat geeft ook heel veel gedoe. Mensen worden de dupe en dat wil ik niet.
Met pijn in het hart komt er dus ook een afgezwakt amendement, waarin we
ook de arbeidsrechtelijke zaken die niet uitgevoerd moeten worden, van
tafel vegen.
Voorzitter. Even kort samengevat: onze fractie maakt zich zorgen over de
werkgeversverplichtingen waarmee pgb-houders als gevolg van dit
wetsvoorstel zullen worden geconfronteerd. Pgb-houders worden dan
namelijk volwaardige werkgevers, eindverantwoordelijk voor het voldoen
aan het geldende arbeidsrecht en ze moeten zich houden aan alle
wettelijke verplichtingen die bij het werkgeverschap komen kijken.
Daarbij is er onvoldoende aandacht voor de financiële gevolgen en alle
gevolgen die dat heeft voor pgb-budgethouders. Met name het ontslagrecht
is een grote zorg voor het CDA.
De voorzitter:
Gaat u afronden? U zit namelijk over uw tijd. Er is een vraag van de
heer Flach en u zit anderhalve minuut over uw spreektijd heen.
Mevrouw Bühler (CDA):
Als het goed is, is er vandaag nog bij de griffie gevraagd om wat meer
tijd te krijgen. Is dat niet binnengekomen?
De voorzitter:
Nee. We laten u de ruimte. Dan geef ik de heer Flach even het woord voor
een interruptie.
De heer Flach (SGP):
Voorzitter, het mag ook aan het eind, hoor. Dat is prima. Dan luister ik
eerst het betoog af.
De voorzitter:
Maakt u eerst uw verhaal af.
Mevrouw Bühler (CDA):
Dank u wel voor uw flexibiliteit, dat ik toch door mag. Met het laatste
amendement stel ik voor om de inwerkingtreding van de artikelen van het
wetsvoorstel die over ontslagrecht, scholing en de Wet flexibel werken
gaan, op te schorten, met als doel dat de betreffende bepalingen, tenzij
daartoe een juridische noodzaak ontstaat, niet in werking treden. Dat
doe ik om pgb-houders te beschermen tegen verdere regeldruk, om de druk
te verminderen die het wetsvoorstel legt op de pgb-budgetten en om het
pgb als volwaardig alternatief voor zorg in natura te beschermen.
Als laatste wil ik om een toezegging van de regering vragen — anders kom
ik met een motie — om de komende tijd verder te onderzoeken op welke
wijze de pgb-budgethouders ondersteund kunnen worden, zodat de
verantwoordelijkheid die zij dragen, verlicht wordt. Ik vraag de
regering ook om hierover voor de zomer aan de Kamer te
rapporteren.
Voorzitter. Ik rond af. Ik vertelde net over Ronnie uit Sittard-Geleen,
die met zijn pgb maatwerk krijgt van zijn zorgverlener Mirjam. Voor alle
Ronnies en Mirjams in Nederland is het belangrijk dat zij hun
samenwerking kunnen voortzetten, zonder complicerende factoren of
verantwoordelijkheden die niet bij hen thuishoren. Daar gaat het
namelijk om: mensen zoals u en ik, die een beetje meer hulp nodig
hebben, maar daarmee dan ook gewoon mee kunnen doen in deze samenleving,
mensen die we het niet onnodig moeilijk moeten maken. Daarvoor zitten
wij hier.
Tot zover, voorzitter.
De heer Flach (SGP):
Goed dat mevrouw Bühler op deze manier haar dilemma's en ook de
worsteling die deze teweegbrengen, hier op tafel legt. Ik denk dat wij
daar allemaal wel iets van herkennen. Ze gaf aan een stevig amendement
te hebben ingediend. Dat is ook zo. Daar sta ik mede onder. In dat
amendement vervallen de artikelen 4, 5, 6 en 8 gewoon. Waarom? Dat heeft
mevrouw Bühler duidelijk aangegeven: ze zouden gewoon ongewenste
effecten hebben. Juist daarom verbaasde het mij dat er kort voor het
debat ook het amendement op stuk nr. 29 nog kwam, waarin de gewraakte
artikelen 4, 5, 6 en 8 toch gewoon in de wet blijven staan, maar nog
niet ingevoerd worden. Ze worden er, met andere woorden, afhankelijk van
of de rechter, de Centrale Raad van Beroep, nog weer een uitspraak doet.
Daarmee zet je toch de Kamer juist buitenspel? En daarmee maak je toch
de juridische werkelijkheid leidend? Met andere woorden: ik begrijp niet
goed waarom het CDA ervoor heeft gekozen om ook deze afgezwakte versie
van het eigen amendement in te dienen.
Mevrouw Bühler (CDA):
We zijn het er helemaal over eens dat de manier waarop dit gaat, geen
goede manier is. We zijn het er ook over eens dat deze extra verzwaring
eigenlijk niet bij de pgb-budgethouders past. Ik zou sowieso graag nog
even een taxatie van de minister wensen van het eerste amendement. Ik
wil van de minister ook graag een taxatie van de amendementen die u als
SGP heeft ingediend; daar staan wij ook onder. Wij willen vooral graag
kijken hoe we zaken kunnen organiseren. Op het moment dat blijkt dat het
in de uitvoering niet anders kan, hebben we nog een andere mogelijkheid,
namelijk het derde amendement.
In de gesprekken die ik heb gevoerd, heb ik het volgende begrepen;
daarom vind ik het ook zo lastig en worstel ik er zo mee. Over
loondoorbetaling bij ziekte zeggen budgethouders: ik vind dit heel
moeilijk, want op het moment dat mijn medewerker ziek wordt, moet ik
deze na zes weken loondoorbetaling ontslaan, en ik weet niet of ik nog
hulp van deze persoon kan krijgen als deze weer beter wordt. Er zit dus
ook een worsteling aan de kant van de budgethouder. Ik vind dat heel
lastig. Ik ga nog even een stapje verder: ik begrijp dat er ook al
sprake is van een juridische realiteit. Ik vind het heel erg lastig om
daar een knip in te maken en daar een ander dilemma op te werpen.
De heer Flach (SGP):
Ik heb nog een vervolgvraag. Ik begrijp dat. De situaties zijn zo
verschillend dat de wet nooit helemaal passend zal zijn voor iedereen.
Het gaat mij erom dat ik de lijn van het CDA heel helder vond. We zijn
niet voor niets zo gezamenlijk opgetrokken. "We moeten ons beperken tot
de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep en niet in
als-danredeneringen terechtkomen, zoals: wat nu als er een nog
verdergaande uitspraak komt? Haal dus uit deze wet wat er extra aan is
toegevoegd." Die lijn vond ik helder. Met het nieuwe amendement dat u
naar voren heeft gebracht, zeg ik via de voorzitter, ontstaat er juist
een nieuw soort onzekerheid. Dat komt doordat je de onderdelen wel
allemaal in de wet zet, dus inderdaad ook het ontslagrecht, de Wet
flexibel werken en noem maar op, maar je erbij zegt dat ze pas in
werking treden als de rechter dat noodzakelijk vindt. Dat betekent dat
er een voortdurende juridische dreiging boven de hoofden van de
zorgverleners en de budgethouders hangt, namelijk: als er nu een
rechtszaak gevoerd wordt bij de Centrale Raad van Beroep, dan ben ik
daar misschien in de toekomst ook aan gehouden. Die onzekerheid wordt
met dit amendement eigenlijk in de wet gebakken. Is dat een consequentie
die mevrouw Bühler voor haar rekening wil nemen?
Mevrouw Bühler (CDA):
Laat ik vooropstellen dat het niet de bedoeling is om nog meer
onzekerheid toe te voegen, maar juist om ervoor te zorgen dat deze zaken
niet worden ingevoerd op het moment dat dat niet nodig is. Dat zou wat
mij betreft de ultieme optie zijn. Stel dat deze wet in zijn
volledigheid wordt aangenomen, dan hebben we nog een escaperoute om een
aantal zaken niet te hoeven invoeren. Dan hebben in ieder geval iets
kunnen verzachten. Dan hebben we ten minste iets voor de pgb-houders
kunnen regelen.
De voorzitter:
Ik zie de inmiddels binnengekomen heer Ceulemans van JA21. Hij was al
een tijdje binnen, maar ik had hem niet geïntroduceerd. Hij mag eerst,
en dan is de VVD.
De heer Ceulemans (JA21):
Ik heb voortbordurend hierop toch nog een aanvullende vraag. Als je die
uitzonderingen wel in de wet laat staan, maar dan met een opschortende
werking, en pas activeert op het moment dat er een rechterlijke
uitspraak over is, dan betekent dat natuurlijk niet per definitie dat ze
zo uitgevoerd moeten worden als ze nu in de wet worden gezet. Op het
moment dat de rechter een uitspraak doet over bijvoorbeeld
loondoorbetaling bij ziekte en ontslagrecht, dan heeft de Kamer
natuurlijk nog het recht om daar invulling aan te geven op een manier
die de Kamer zelf goedvindt. Als u het met een opschortende werking in
de wet zet, om het meteen te activeren in het geval van een rechterlijke
uitspraak, is ook die mogelijkheid weg. Hoe reflecteert mevrouw Bühler
daarop?
Mevrouw Bühler (CDA):
Als we de wet die nu voorligt als vertrekpunt nemen en deze in zijn
geheel aannemen, wordt alles uitgevoerd, en dat willen we niet. De
discussie die gevoerd wordt, gaat over de juridische dreiging. Ik ga dan
kijken op welke manier ik deze discussie kan ontzenuwen en een escape
kan monteren. Dit is dus de vangrail die ik langs deze route heen bouw.
Ik hoor graag van de minister welke mogelijkheden er zijn. Ik heb liever
— dat is een worsteling — dat we een aantal zaken uit deze wet houden.
Als dat kan, ga ik die route volgen. Als dat niet kan, dan is er met dit
amendement nog een laatste escape.
De voorzitter:
De heer Ceulemans met een vervolgvraag.
De heer Ceulemans (JA21):
Ja, een korte vervolgvraag. Los van de vraag of ik het ermee eens ben of
niet, ik begrijp de reden waarom mevrouw Bühler dit doet. Maar als deze
zaken in de wet blijven staan, is op het moment dat de wet geactiveerd
wordt, de wetstekst nu eenmaal de wetstekst, ondanks het feit dat er een
opschortende werking bij zit. Als de Kamer zich niet kan vinden in de
vertaling van een mogelijke toekomstige rechterlijke uitspraak over die
andere onderwerpen, zal er alsnog weer een nota van wijziging nodig
zijn. Waarom heeft dat uw voorkeur boven nu de wet strippen tot wat de
rechter ons opdraagt en vervolgens verder kijken als er nieuwe
uitspraken komen?
Mevrouw Bühler (CDA):
Ik heb hier al gezegd dat dit voor ons de vangrails was om de tekst
zoals die er nu ligt, een stukje af te zwakken. Als u zegt op een andere
manier te willen kijken waar u nog iets kunt aanpassen aan deze wet, dan
lijkt het me goed dat u daarover een voorstel doet.
Mevrouw Wendel (VVD):
Ik hoor de worsteling bij mevrouw Bühler. Die begrijp ik heel goed.
Sterker nog, die deel ik volledig. Echter, er liggen nu een aantal
amendementen waar de naam van mevrouw Bühler onder staat die onderling
tegenstrijdig zijn. Ik begrijp dat mevrouw Bühler zegt benieuwd te zijn
naar de appreciatie van de minister om uiteindelijk knopen met elkaar te
kunnen doorhakken, maar kan mevrouw Bühler later in het debat wel kleur
bekennen over welk amendement haar voorkeur heeft? Dan weten we ook waar
we naartoe gaan met elkaar.
Mevrouw Bühler (CDA):
Mevrouw Wendel, dank u wel. Inderdaad, hier zit een worstelend nieuw
Kamerlid. Wat mij betreft gaat het liefst alles van tafel. Laten we
alleen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep volgen. Dat zou mijn
voorkeur hebben. Alleen, ik heb begrepen dat een aantal zaken echt niet
kan. Na de appreciatie zal ik uiteraard aangeven welke route voor onze
fractie de meest logische is.
De voorzitter:
Voldoende, mevrouw Wendel? Dan geef ik u meteen het woord voor uw
inbreng.
Mevrouw Wendel (VVD):
Dank u wel. Allereerst dank aan mevrouw Patijn voor het meteen willen
voorzitten van deze vergadering. Dat is heel belangrijk bij dit
belangrijke onderwerp. Dat wou ik toch even gezegd hebben.
Voorzitter. Vrijheid is voor liberalen heel belangrijk, zo ook voor mij;
de vrijheid om eigen keuzes te maken, het leven zelf in te richten en
niet te hoeven uitleggen waarom je iets op jouw manier doet. Dat was
vroeger al zo toen ik als puber mijn ouders ervan wilde overtuigen dat
het beoefenen van vier verschillende sporten tegelijkertijd prima kon en
dat het hebben van twee bijbaantjes prima te combineren was met het
schoolgaande leven. Die vrijheid geldt nog steeds. Ik maak mijn eigen
keuzes over waar ik woon, van wie ik houd en wat mijn drijfveren zijn.
Diezelfde vrijheid gun ik iedereen, juist ook mensen die zorg nodig
hebben.
Voorzitter. Daarom is het persoonsgebonden budget zo belangrijk. Bij het
pgb draait het om regie. Met een pgb kunnen mensen zelf kiezen wie hen
helpt, hoe die hulp eruitziet en wanneer deze hulp geboden wordt. Dat
geeft vrijheid. Dat voorkomt dat mensen volledig afhankelijk worden van
één zorginstelling.
Vandaag spreken wij over een wijziging van de Werkeloosheidswet en enige
andere wetten vanwege aanpassing van de Regeling dienstverlening aan
huis. De regeling zorgt ervoor dat pgb-houders die minder dan vier dagen
per week zorg of hulp inkopen, minder werkgeversverplichtingen hebben.
Dat maakt het pgb werkbaar, menselijk en flexibel. Precies daarom hecht
de VVD waarde aan deze regeling.
In 2023 oordeelde de rechter dat deze regeling aangepast moest worden,
omdat er sprake zou zijn van indirecte discriminatie van vrouwen. Het
geeft mij een afdronk van "zielige vrouwtjes". Het gaat volledig voorbij
aan het punt dat dit een bewuste keuze is van veel vrouwen — en
overigens ook van mannen — en dat de arbeidsmarkt voor hen zeer gunstig
is. Deze werknemers verliezen met deze wetswijzigingen dan ook hun
flexibiliteit. Hoe kijkt de minister hiernaar?
Ondanks het feit dat de VVD grote waarde hecht aan de huidige
uitzonderingspositie die pgb-houders ontlast, vinden wij dat we moeten
voldoen aan deze rechterlijke uitspraak. Wat de minister nu voorlegt,
gaat echter veel verder dan wat de rechter vraagt. Niet alleen wordt de
WW-premie verplicht, ook komt er een loondoorbetaling bij ziekte van 104
weken. Daarnaast regelt dit wetsvoorstel dat de pgb-houder moet
doorbetalen bij wettelijk verlof en de werknemer moet ondersteunen bij
scholing. Ook zorgt deze wetswijziging voor een minder soepel
ontslagrecht. Waarom gaat de minister verder dan de rechterlijke
uitspraak?
Ik begrijp dat er nieuwe rechtszaken lopen, maar waarom wachten we die
uitspraken dan niet af? Heeft de minister zicht op wanneer die
rechtszaken plaatsvinden?
De VVD wil niet meer verantwoordelijkheden en verhoging van de
administratieve last voor budgethouders als het niet echt nodig is. Ik
maak me in het bijzonder zorgen om het ontslagrecht. Pgb-houders zijn
geen gewone werkgevers. Het gaat hier om mensen die zorg nodig hebben,
soms dagelijks, en in zeer persoonlijke situaties. Als er een conflict
ontstaat, dan kan iemand toch niet verplicht worden om zorg te blijven
ontvangen van degene met wie het zo botst?
Dan kom ik op het volgende. Ik wil de minister vragen naar de gevolgen
van deze wetswijziging. Het voorliggende wetsvoorstel heeft als doel om
de positie van zorgverleners die minder dan vier dagen per week zorg
verlenen aan budgethouders, te verbeteren. De minister zegt zelf echter
ook dat het onbekend is in hoeverre veel of weinig zorgverleners de
huidige rechtspositie als problematisch ervaren. We lossen dus een
probleem op, zonder dat we zeker weten in welke mate er daadwerkelijk
een groot probleem ervaren wordt. Hoe reflecteert de minister
daarop?
Daarnaast is de impact op pgb-houders en zorgverleners onvoldoende
duidelijk. Er zijn natuurlijk ook zorgverleners die juist waarde hechten
aan de huidige flexibiliteit. Verwacht de minister dat zorgverleners
afhaken omdat de flexibiliteit verdwijnt? Leidt dit niet tot extra
krapte in de zorg?
Door deze wetswijziging wordt dienstverlening duurder en wordt de
prikkel om buiten het systeem om hulp te regelen groter. Hoe reflecteert
de minister daarop? Verwacht de minister dat er straks meer zwartgewerkt
gaat worden? Wat als er sprake is van een combinatie van een pgb en een
particulier budget voor hulp? Wat betekent dit dan?
Voorzitter. Het pgb is essentieel voor mensen met een chronische ziekte
of een handicap. Tegen wil en dank krijgen ze nu allerlei
werkgeversverantwoordelijkheden. De budgethouders worden opgezadeld met
20% hogere werkgeverslasten, en dan heb ik het nog niet eens over de
stijgende administratieve last. Ik wil van de minister weten welke taken
en risico's altijd bij de budgethouder blijven liggen, ook met
ondersteuning van de SVB.
Dan de financiële gevolgen. Wat mij betreft mogen de budgethouders niet
de dupe worden van deze wetswijziging. Ik ben blij te zien dat daar
aandacht voor is. Maar wat gebeurt er na twee jaar? Hoe zorgen we ervoor
dat gemeenten het geld dat zij krijgen daadwerkelijk inzetten voor
budgethouders, ongeacht of zij in Groningen, Amsterdam of Zeeland
wonen?
Dan het meest opmerkelijke van deze wetswijziging: de haast. Waarom moet
deze wet per se per 1 januari 2026 ingaan? Ik heb begrepen dat de
uitvoering onomkeerbare stappen heeft genomen en er grote problemen
veroorzaakt worden als deze wetswijziging nu niet doorgevoerd wordt. Hoe
kan het dat uitvoeringskeuzes de Kamer voor een voldongen feit stellen?
De Kamer heeft de wetgevende macht. Deze ligt niet bij de uitvoering.
Waarom heeft de toenmalige minister de Tweede Kamer niet geïnformeerd
toen dit besluit genomen is? Hoe worden situaties zoals deze in de
toekomst voorkomen? In de tweede termijn zal ik hierover een motie
indienen.
Tot slot, voorzitter. Het pgb is voor veel mensen geen bijzaak, maar een
voorwaarde om zelfstandig te kunnen leven. Wat er ook verandert, regie
over het eigen leven mag nooit het kind van de rekening worden. Wat
betekent deze wetswijziging volgens de staatssecretaris voor het pgb? Ik
vraag de staatssecretaris om alles op alles te zetten en te garanderen
dat het persoonsgebonden budget een volwaardig alternatief blijft voor
zorg in natura.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Wendel. U bent te gast in deze commissie, maar u had
een helder verhaal. Ik geef nu het woord aan de heer Neijenhuis.
De heer Neijenhuis (D66):
Voorzitter, dank u wel. Dit is mijn eerste wetsbehandeling als Kamerlid,
en wat voor een meteen! Al voordat we de wet hier kunnen bespreken, is
die eigenlijk al ingegaan. Bovendien is ons duidelijk gemaakt dat de
invoering in alle ICT-systemen maar liefst anderhalf jaar kostte en
aanpassingen dus praktisch onuitvoerbaar zijn. Of we even willen
tekenen. Ik kijk even naar de Kamerleden die hier al wat langer zitten.
Gaat het altijd zo hier?
Over dat proces heb ik dus nog wel wat vragen, maar laat ik beginnen met
de mensen die voor mij centraal staan in het beoordelen van deze wet.
Dat zijn de budgethouders en hun zorgverleners. D66 vindt dat het pgb
altijd een volwaardig alternatief moet zijn voor zorg in natura, waarmee
mensen hun eigen zorg kunnen regelen. Een jongere met een handicap die
ook een studie wil volgen, iemand met een uitdagende baan die ook hulp
nodig heeft, een budgethouder met een zeldzame aandoening: het kunnen
allemaal mensen zijn waar de gewone thuiszorg vaak niet op is ingericht.
Voor hen is vaak de beste, of soms zelfs de enige, oplossing om een
groot team te verzamelen van mensen die allemaal een klein beetje
meehelpen en daarvoor een passende vergoeding krijgen. Dat zijn de
mensen voor wie het pgb een essentiële voorwaarde is om mee te doen in
de samenleving, en die mensen moeten we voor ogen hebben.
Een deel van deze budgethouders heeft weloverwogen gekozen voor de
ruimte die de wet bood om niet voor alle zorgverleners alle
werkgeversverplichtingen op zich te nemen. De rechter zet nu een streep
door die mogelijkheid. Daar kunnen we met z'n allen van alles van
vinden, maar laten we er vooral voor zorgen dat budgethouders en hun
zorgverleners op een goede manier verder kunnen gaan na deze uitspraak.
Daar hadden we wel zorgen over, want budgethouders hebben nu al enorme
administratieve lasten. Daar komen nu ook nog eens deze
werkgeversverplichtingen bij. Ik kom uit de financiële hoek, en als daar
extra uitgaven worden voorgesteld, moet je volgens de begrotingsregels
elders ook altijd weer compenserend bezuinigen. Heeft de minister
overwogen om die gedachtegang ook hier voort te zetten, en voor deze
extra administratieve lasten ook te zoeken naar onderdelen waar de
administratie voor pgb-houders juist versimpeld kan worden, als een
soort compenserende administratievelastenverlichting?
Nu wordt direct gezegd dat veel taken van die extra verplichtingen
geregeld kunnen worden via de Sociale Verzekeringsbank. Zijn
budgethouders ook voldoende op de hoogte van deze mogelijkheid? Klopt
het dat zelfs nu de compenserende middelen in de Zvw afhankelijk zijn
van het regelen van zaken via die SVB-route, er nog steeds niet meer
budgethouders zich hebben aangemeld bij de Sociale Verzekeringsbank? Dat
lijkt me geen goed teken. Wat gaat de minister of de staatssecretaris
doen om deze route beter onder de aandacht te brengen, behalve de acties
die tot op heden blijkbaar nog niet het gewenste effect hebben bereikt?
En, voor het geval het een succes wordt: kan de Sociale Verzekeringsbank
het eigenlijk wel aan als er opeens wel een groot aantal budgethouders
aanklopt? Kan de minister meer inzicht bieden in hoe die uitvoering via
de Sociale Verzekeringsbank dan verloopt? Is het financieel eigenlijk
wel aantrekkelijk, en welke taken worden dan uit handen genomen? Zijn er
nog steeds tijdrovende verplichtingen in die route die wél via de
budgethouders blijven lopen? Houden budgethouders ook nog voldoende
eigen regie?
Een specifieke groep waar ik me zorgen over maak zijn de budgethouders
via de Zorgverzekeringswet. We kregen daar haast surreële verhalen te
horen — ze zijn hier ook al eerder aan de orde geweest — van
budgethouders die wel meer werkgeverslasten moesten betalen, maar waar
het maximumtarief van de zorgverzekeraar niet steeg. Die extra lasten
moesten dus ten koste gaan van het nettoloon van de zorgverlener. Dat
kun je eigenlijk niet vragen van mensen. Zelfs als mensen het verschil
uit eigen zak wilden bijpassen, mocht dat niet. Het maximumtarief was
leidend. Zien de minister en de staatssecretaris het risico dat deze
werkwijze zorgverleners ertoe aanzet om als zzp'er te gaan werken,
terwijl ze dat eigenlijk liever niet zouden willen?
Complimenten aan het kabinet dat het in de laatste weken van het vorige
jaar nog een oplossing heeft uitgewerkt voor deze groep, door
compensatie te bieden, vergelijkbaar met bij de Wlz-groep. Dat is
natuurlijk een stap in de goede richting. We hebben nog wel enkele
vragen. Klopt het dat de systematiek van het maximumtarief dat ik net
heb benoemd, de komende jaren nog steeds blijft? Dat heeft het risico
dat mensen in sommige gevallen niet de volledige werkgeverslasten kunnen
bijpassen, omdat ze dan boven het maximumtarief zouden komen, zelfs als
het tarief van de verzekeraar onder het tarief van VWS ligt. Graag hoor
ik een reactie van het kabinet op het amendement van D66, dat ik heb
ingediend, om voor deze groepen een hardheidsclausule in de wet op te
nemen. Zo kan het maximumtarief van de verzekeraar in schrijnende
gevallen worden omzeild door de minister.
Hoe kan het dat de invoering van deze wet al anderhalf jaar loopt en de
compensatie in de Zvw pas twee weken voor inwerkingtreding geregeld is?
Waarom stond dat niet eerder op het netvlies?
Verder is deze compensatie slechts voor twee jaar, net als bij de Wlz.
Dat roept eigenlijk meteen de vraag op of we niet alleen die problemen
voor budgethouders in de knel twee jaar vooruitschuiven, maar zij dan
ook alsnog met hetzelfde probleem te maken krijgen. Hoe kijken de
minister en de staatssecretaris naar het amendement van D66 om hier
zicht op te houden door binnen twee jaar een gedeeltelijke evaluatie te
doen naar de toereikendheid van deze compensatie? Zo kunnen we bijsturen
voordat de middelen aflopen.
Voorzitter. Dan heb ik nog vragen over hoe we in dit proces terecht zijn
gekomen. Een wet die al is ingegaan en feitelijk niet meer te herzien is
met terugwerkende kracht behandelen, kan natuurlijk niet. Aan de andere
kant snap ik dat het ook problemen oplevert om pas na de hele
wetsbehandeling te beginnen met de complete uitvoering van een wet, die
in dit geval blijkbaar anderhalf jaar duurt. Voormalig Kamerlid Pieter
Omtzigt somde een paar jaar terug eens op hoeveel wetten er eigenlijk al
waren aangenomen maar nog niet in werking waren getreden omdat de
uitvoering nog niet klaar was. Dat waren er een heleboel. Hij had
natuurlijk een punt: dat is ook geen ideale situatie. Hoe gaan we dit in
de toekomst voorkomen?
Waarom is er in dit traject niet voor gekozen om de Kamer van te voren
eens goed mee te nemen en te informeren over de onderliggende keuzes van
deze wet? Dan was de Kamer op dit moment nog steeds gebonden aan de
keuzes die toen gemaakt zijn, maar waren die keuzes in ieder geval wel
gemaakt aan de hand van uitgangspunten waar ze zelf medeverantwoordelijk
voor was. Wordt er verder nagedacht over een democratisch verantwoorde
procedure om de Kamer te betrekken bij wetten die zo'n lange
invoeringstermijn kennen?
Het onderliggende probleem. Is het een gegeven dat de invoering van zo'n
wet maar liefst anderhalf jaar moet duren? Wordt er ook gekeken naar
maatregelen zodat wetsaanpassingen zoals deze veel sneller kunnen worden
doorgevoerd in ICT-systemen? Dan zijn amendementen nog mogelijk en wordt
het geen alles-of-nietskwestie.
Met deze vragen en voorstellen hoop ik een oplossing te kunnen bieden
aan de zorgverleners en de pgb-houders die op dit moment in onzekerheid
zijn vanwege deze wet. Ik kijk uit naar de antwoorden van het
kabinet.
Dank u wel.
De heer Flach (SGP):
Als ik goed naar het betoog van D66 luister, dan richten de bezwaren
zich naast de procedure vooral op de budgettaire kwestie en de
administratieve druk die bij pgb-budgethouders terechtkomt. Wat ik
eigenlijk niet hoor in het betoog, zijn fundamentele bezwaren tegen het
feit dat een heel aantal werkgeversverplichtingen juridisch onnodig op
het bordje van pgb-budgethouders worden gelegd. Dat betreft
verplichtingen rond het ontslagrecht, de Wazo, flexibel werk en al die
andere werkgeversverplichtingen die in deze wet zitten en niet
rechtstreeks voortvloeien uit de uitspraak van de Centrale Raad van
Beroep. Daartegen hoor ik in het betoog van de heer Neijenhuis eigenlijk
geen fundamentele bezwaren. Klopt dat?
De heer Neijenhuis (D66):
Daar kunnen we een heel lang debat over houden, maar daar is een
rechterlijke uitspraak over geweest. Die beperkte zich inderdaad tot
enkele werkgeversverplichtingen, maar er is ook gesteld dat de kans heel
groot is dat als je al die andere verplichtingen gaat voorleggen,
diezelfde redenering ook daarop van toepassing is. Dat vind ik een
logisch argument. Als je dat bij heel veel mensen en heel veel partijen
checkt, dan krijg je ook telkens terug dat het echt in de lijn der
verwachting ligt dat een rechter er zo naar zal kijken. Wat ik in ieder
geval wil voorkomen vanuit het perspectief van die budgethouder, is dat
we hier bijvoorbeeld gaan zeggen: heel veel van die verplichtingen komen
er toch niet; hij is eigenlijk al in werking getreden, maar oké, die
halen we uit de wet. Dan komen er rechtszaken en dan komen ze er toch
weer wel. Dat is echt een jojobeleid waar je budgethouders volgens mij
geen dienst mee verleent. Dan zou ik zeggen: of je het nou wenselijk
vindt of niet en of je er nou op zat te wachten of niet, daar kun je een
heel lang debat over voeren, maar we hebben nu die rechterlijke
uitspraak. Laten we het nu in ieder geval in één keer goed regelen, met
goede compensatie, duidelijkheid voor de budgethouders over waar ze aan
toe zijn en een goede uitvoering. Laten we dat in één keer goed regelen
in plaats van weer proberen te knippen en te shoppen en mensen
uiteindelijk nog veel langer in onzekerheid te laten.
De voorzitter:
Dan geef ik het woord aan de heer Mulder voor zijn inbreng.
De heer Edgar Mulder (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Mijn buurman vroeg zich af of het mogelijk was
om wetten sneller in te voeren, ook gezien de ICT-systemen. Ik kan hem
verklappen dat, ook al nemen wij als Kamer een wet aan, de computer soms
nee zegt. Dan kunnen bijvoorbeeld tarieven van de Belastingdienst of
iets voor leaseauto's … Dan kunnen we hoog en laag springen, maar het
gaat niet gebeuren.
Dat geheel terzijde, voorzitter. Over de zaak zelf. Het is goed dat er
werk gemaakt wordt van de uitspraak van de rechtbank van Rotterdam. Die
uitspraak betekent — het is een aantal keren gezegd — dat de
uitzondering voor pgb-zorgverleners onder de Regeling dienstverlening
aan huis komt te vervallen. Daardoor worden de rechten van de
zorgverleners die minder dan vier dagen werken, gelijk aan de rechten
van werknemers die niet onder die regeling vallen. De uitzondering op
het afsluiten van een verplichte WW-verzekering en overige
werknemersverzekeringen is niet meer toegestaan. Dat is goed. Dat is
uitstekend. Deze pgb-zorgverleners zijn namelijk een cruciale schakel in
het zorgsysteem; dat is vandaag ook al een aantal keren gezegd. Ze
zorgen voor persoonlijke, vaak kleinschalige zorg bij de mensen thuis.
Dat moet gewaardeerd worden. Nu krijgen ze dezelfde rechten. Dat is
positief. Eigenlijk willen wij als PVV … Tenminste, ik wil mijn fractie
voorstellen voor deze wet te stemmen, maar er zijn wel een aantal
aandachtspunten en zelfs ook bezwaren. Die wil ik kort benoemen.
Ten eerste: de wijziging brengt hogere kosten met zich mee voor
budgethouders. Werkgeverslasten zoals premies voor sociale verzekeringen
moeten met terugwerkende kracht al vanaf 1 januari worden betaald. De
regering kiest er schijnbaar bewust voor om pas in de loop van 2026 te
gaan kijken of er dan problemen ontstaan. Dat willen ze op individuele
basis doen. Ze willen kijken of er dan voldoende kwalitatieve zorg kan
worden ingekocht. Dat doen ze dus pas als er problemen ontstaan.
Eigenlijk is de vraag of die aanpak niet ook zorgt voor
onzekerheid.
Ten tweede: de minister kiest ervoor een stap verder te gaan dan nodig
is, gezien de uitspraak van de rechter, want die gaat alleen over de
uitzondering voor werknemersverzekeringen. In deze wetswijziging staan
ook overige uitzonderingen. Die zorgen voor allerlei verplichtingen voor
pgb-houders, zoals het regelen van zorgverlof, doorbetaling bij ziekte,
scholing, re-integratieplannen, overleg voeren met arbeidsdiensten et
cetera.
Ten derde: uit de reactie van de regering blijkt dat de regering geen
enkel inzicht heeft in de huidige situatie van de pgb-zorgverleners,
noch in de vraag of dit hun hoofdinkomen is, noch in de mate van
afhankelijkheid, en al helemaal niet in wat deze zorgverleners zelf
vinden en willen. Is het niet tijd om dat eerst eens goed in beeld te
brengen? Wie deze zorgverleners daadwerkelijk wil helpen en beschermen,
kan toch niet om de heel simpele vraag heen wat die zorgverleners
willen?
Die drie aandachtspunten brengen mijn fractie tot vier vragen. Vraag
één: kan de minister hier en nu garanderen dat geen enkele budgethouder
door deze wetswijziging achteruitgaat in het aantal zorguren dat hij of
zij kan inkopen? Twee: is het mogelijk om de wet zo aan te passen dat
gelijkstelling alleen plaatsvindt voor werknemersverzekeringen? Daarmee
bedoel ik: stel die amendementen worden aangenomen, wat blijft er dan
nog over en wat zal de reactie van de minister dan zijn? Drie: is de
minister het met de PVV eens dat een budgethouder geen doorsnee
werkgever is met een eigen humanresourcesafdeling en uitgebreide
verzuimprotocollen? Hoe kan worden voorkomen dat deze mensen nu ineens
een volledige werkgeverstaak erbij krijgen? De laatste vraag: de
regering stelt dat de vrijgemaakte 17,2 miljoen euro toereikend is, maar
wat als het bedrag in de praktijk niet volstaat? Ik heb geprobeerd het
even terug te rekenen naar het aantal mensen dat het betreft. Dat zou
een bedrag zijn tussen €600 en €700 per pgb-houder. Wat als die kosten
hoger uitpakken dan begroot, zoals bij eerdere zorgwijzigingen ook het
geval is geweest?
Voorzitter, afsluitend, als u mij toestaat. U merkt dat ik het kort
houd. Deze wijziging in de wet is geen standaarddossier met een
klassieke links-rechtstegenstelling. Dat merk je vandaag hier ook aan
tafel. Het gaat om rechten en plichten van aan beide kanten kwetsbare
mensen. De PVV wil, net als alle andere partijen, denk ik, een oplossing
die recht doet aan de moeilijke situatie van de budgethouders, maar ook
aan de rechten van zorgverleners. Eigenlijk heb ik dezelfde conclusie
als veel van mijn collega's vandaag: de antwoorden op de vragen van
vandaag en de appreciatie van de amendementen zullen de doorslag geven
hoe ik mijn fractie ga adviseren te stemmen.
Dank u wel.
De heer Flach (SGP):
Ik ben toch licht in verwarring, want de laatste zin die de heer Mulder
uitsprak, "ik weet eigenlijk nog niet wat ik mijn fractie ga adviseren",
is anders dan hoe hij zijn betoog begon. Toen zei hij: ik denk eigenlijk
dat ik mijn fractie ga adviseren om met deze wet in te stemmen. Ik wil
hem ongeveer dezelfde vraag stellen als hij mij heeft gesteld. Terecht
zegt de heer Mulder: dingen als loondoorbetaling bij ziekte, verlof,
ontslagrecht enzovoort zitten gewoon in de huidige wet. Met andere
woorden, gaat de heer Mulder instemmen als de wet verder niet
geamendeerd wordt? Gaat hij zijn fractie adviseren om voor de wet in
deze vorm te stemmen? Of is het voor hem en zijn fractie
randvoorwaardelijk dat er een aantal van die niet-verplichte onderdelen
uit de wet gaan?
De heer Edgar Mulder (PVV):
Nu heb ik vaak, juist van de fractie van de SGP, gehoord dat ik in een
debat altijd helemaal tot het eind moet luisteren en dan pas moet
oordelen. Maar als ik een voorschot zou moeten nemen, ben ik misschien
niet heel duidelijk geweest. Ik bedoelde heel duidelijk te zeggen dat ik
hoop dat uit dit debat komt, en ook dat dit uit de appreciaties blijkt,
dat de amendementen worden aangenomen. Eigenlijk heb ik dan dezelfde
conclusie als u: dan blijft de basisuitspraak over, en dat is de wet die
voorligt met alle aanpassingen door de amendementen. Mijn fractie zou ik
daarover willen adviseren om voor te stemmen, dus voor de amendementen
en dan nog voor de wet zoals die er dan bijstaat.
De voorzitter:
Dan geef ik het woord aan de heer Ceulemans voor zijn inbreng.
De heer Ceulemans (JA21):
Voorzitter, dank u wel. We bespreken vandaag de Wet aanpassing Regeling
dienstverlening aan huis. Om te beginnen complimenten aan de
SGP-fractie, die besloot dit wetsvoorstel te onthameren. Dat was zeer
terecht, want aan het wetsvoorstel zitten wat JA21 betreft flink wat
haken en ogen, zowel met betrekking tot het doorlopen wetstraject als
met betrekking tot de aanleiding voor het wetsvoorstel en, niet
onbelangrijk, de inhoud ervan.
Om met het eerste te beginnen: mijn fractie vindt het echt de omgekeerde
wereld en bijzonder ongelukkig hoe bij deze wetsbehandeling met de Kamer
wordt omgegaan. De Tweede Kamer wordt feitelijk onder druk gezet om in
te stemmen met het wetsvoorstel omdat er al onomkeerbare stappen zijn
gezet en de wet de facto al in werking is gesteld voordat de Kamer
erover gestemd heeft. Sterker nog, dat is een van de hoofdargumenten van
het kabinet in de ontstane discussie. Het kabinet waarschuwde voor grote
problemen bij inwerkingtreding van de wet later dan 1 januari 2026. Dit
omdat de uitvoeringsorganisaties SVB en UWV "reeds belangrijke en deels
onomkeerbare stappen hebben gezet". ICT-systemen zijn reeds aangepast,
budgethouders waren al geïnformeerd, overeenkomsten zijn aangepast en
via Rijksoverheid, de SVB en UWV zijn ook pgb-zorgverleners op de hoogte
gesteld van de voorgenomen wetswijziging. In de nota naar aanleiding van
het nader verslag komt het kabinet tot de conclusie dat "uitstel van het
wetsvoorstel zonder terugwerkende kracht tot gevolg heeft dat reeds in
gang gezette en deels afgeronde processen moeten worden teruggedraaid,
wat deels eenvoudigweg niet mogelijk is".
In reactie op de zorgen en bezwaren vanuit de Kamer en pgb-budgethouders
heeft het kabinet twee stappen gezet: een nota van wijziging om de wet
met terugwerkende kracht per 1 januari te laten ingaan toen bleek dat de
parlementaire behandeling voor die tijd niet meer ging lukken en een
brief van de staatssecretaris van VWS over de implementatie van de wet
voor Zvw-budgethouders en de compensatie voor deze groep. Met deze
stappen poogt het kabinet obstakels rond de invoering van de wet weg te
nemen, maar de centrale vraag is natuurlijk of de Kamer deze wet
überhaupt ingevoerd wil zien. De Kamer is geen stempelmachine en kritiek
vanuit de Kamer is geen hapering van een stempelmachine die op te lossen
is met wat smeerolie in de vorm van invoering met terugwerkende kracht.
"We kunnen nu eenmaal niet meer terug" is de afgelopen maanden een van
de belangrijkste argumenten van het kabinet geweest en dat hoort gewoon
niet. Graag een reflectie van de minister hierop.
Natuurlijk, de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep is een feit en
daar moeten we ons, linksom of rechtsom, toe verhouden. Zo simpel is
het. Dat wil overigens niet zeggen dat het geen rare uitspraak is. De
redenering dat hier sprake is van indirecte discriminatie van vrouwen,
puur omdat een relatief groot deel van de pgb-zorgverleners die onder de
uitzonderingsbepaling vallen, vrouw is, doet ons de wenkbrauwen fronsen,
en dan druk ik het heel voorzichtig uit. Ik vind het eigenlijk een
schoffering aan het adres van vrouwen die doelbewust deze vorm van zorg
verlenen. Het kabinet is in twee verslagen meermaals gevraagd naar een
inhoudelijke reactie op deze uitspraak, maar die is vooralsnog
achterwege gebleven. Ik vraag het kabinet daarom opnieuw, los van het
feit dat we iets met de uitspraak moeten: is het kabinet van mening dat
hier sprake is van indirecte discriminatie van vrouwen?
Met dit wetsvoorstel wordt een flinke groep pgb-houders geconfronteerd
met forse bijkomende werkgeversverplichtingen en administratieve lasten,
terwijl we het hier over een zorgbehoevende en soms bijzonder kwetsbare
doelgroep hebben. Dat was eerder in de lange discussie over deze kwestie
dan ook een reden om niet te doen wat het kabinet nu beoogt met dit
wetsvoorstel. Toen oordeelde de Centrale Raad van Beroep nog dat de
uitzondering met betrekking tot de verplichte werknemersverzekering
legitiem was vanwege onder andere de zware administratieve lasten die
erdoor zouden ontstaan en de mogelijke vlucht in het zwarte circuit. Ook
werd destijds aangegeven dat van uitsluiting van de publiekrechtelijke
werkloosheidsverzekering geen sprake was omdat het op vrijwillige basis
kon.
In alle jaren hierna hebben opeenvolgende kabinetten geen aanleiding
gezien om van deze redenering en regeling af te wijken tot de uitspraak
van de CRvB in 2023. Onze vraag aan het kabinet is dan ook: staat u, los
van de nieuwe uitspraak van de CRvB, inhoudelijk nog steeds achter de
argumenten en overwegingen van de afgelopen jaren om de
uitzonderingspositie in stand te houden? Zo nee, op grond waarvan komt u
dan nu tot een andere conclusie? Zo ja, houdt dat dan in dat puur en
alleen de CRvB-uitspraak de reden is voor de aanpassing die nu
voorligt?
Als dat laatste het geval is, werpt dat de vraag op waarom het kabinet
er in dit wetsvoorstel niet voor kiest om zo dicht mogelijk bij de
bestaande situatie te blijven. Immers, het kabinet kiest ervoor om in
dit wetsvoorstel veel verder te gaan dan de reikwijdte van de
CRvB-uitspraak. Die ging immers alleen over de uitzondering met
betrekking tot werknemersverzekeringen, maar het kabinet heeft besloten
om ook de uitzonderingen te schrappen met betrekking tot onder andere
loondoorbetaling bij ziekte, ontslagrecht, de Wet flexibel werken,
scholing et cetera.
In de schriftelijke vragenrondes is het kabinet meermaals en door
meerdere fracties gevraagd waarom voor deze brede implementatie van de
uitspraak is gekozen. Dit wetsvoorstel heeft als gevolg daarvan grote
gevolgen voor veel pgb-budgethouders. Het is daarom een heel legitieme
vraag welke andere varianten, lightvarianten of routes het kabinet heeft
overwogen naar aanleiding van de uitspraak van de CRvB. Deze vragen zijn
door meerdere fracties, waaronder de mijne, gesteld in het verslag en
het nader verslag. Hierop is vooralsnog eigenlijk geen antwoord gekomen,
behalve dan dat het kabinet aangeeft — ik citeer — de kans niet aanwezig
te achten dat de andere uitzonderingen voor langere periode wel
voldoende gerechtvaardigd kunnen worden, omdat hiervoor dezelfde
Europese toets geldt en hieraan ook dezelfde overwegingen ten grondslag
liggen.
Dat is een vrij stellige uitspraak. Kan het kabinet die nader
toelichten? Erkent u dat de uitspraak enkel betrekking heeft op de
uitzondering met betrekking tot werknemersverzekeringen en dat we ons
dus netjes aan die uitspraak houden wanneer we de wet daartoe beperken?
Erkent u ook dat de overige uitzonderingen wel degelijk voor langere
perioden gerechtvaardigd kunnen worden, zolang er hierover geen aparte
uitspraken liggen? Deelt het kabinet de conclusie dat een dergelijke
benadering meer mogelijkheden biedt voor het in stand houden van een
verlicht regime? Daar is door verschillende fracties naar gevraagd.
Onderschrijft het kabinet dat het beperken van de wetswijziging tot
slechts dat onderdeel waarop de uitspraak van de CRvB betrekking heeft,
niet tot problemen voor pgb-budgethouders hoeft te leiden, anders dan de
verwachting van het kabinet dat nieuwe rechtszaken over andere
onderdelen wellicht tot nieuwe wetswijzigingen zullen leiden? Graag een
reactie hierop. Zo nee, welke problemen ziet u dan wel concreet
opdoemen?
Voorzitter. Als dit wetsvoorstel erdoorheen komt, is het uiteraard van
belang om de risico's op negatieve financiële consequenties en de
risico's voor de continuïteit van de zorg af te hechten. Iedereen heeft,
neem ik aan, kennis kunnen nemen van de concrete punten waarvoor Per
Saldo in de brief van 14 januari aandacht heeft gevraagd. Ook hierop
graag een reactie van het kabinet. Er zijn al heel veel vragen gesteld,
dus ik beperk me tot één aanvullende vraag. In het nader verslag heb ik
een vraag gesteld over loondoorbetaling bij ziekte. Er staat dat
budgethouders worden gecompenseerd op het moment dat een zorgverlener
uitvalt, zodat nieuwe zorg kan worden ingekocht en de loondoorbetaling
kan plaatsvinden, tenzij er sprake is van verwijtbaar handelen van de
budgethouder. Ik heb gevraagd: wat is "verwijtbaar handelen" in zo'n
geval? Daarop kwam het antwoord: bijvoorbeeld niet voldoen aan de Wet
verbetering poortwachter op het punt van re-integratie. Ziet het kabinet
nou niet in dat juist het opzadelen van pgb-budgethouders met dergelijke
bijkomende werkgeversverplichtingen ertoe kan leiden dat de continuïteit
van zorg en het in stand houden van het budget alsnog in gevaar komt op
het moment dat budgethouders worden geconfronteerd met
verantwoordelijkheden die zij eigenlijk niet aankunnen?
Daar hou ik het eventjes bij.
De voorzitter:
Ik kijk even rond. Er zijn geen vragen voor de heer Ceulemans. Dan vraag
ik de heer Flach om het voorzitterschap even over te nemen.
Voorzitter: Flach
De voorzitter:
Dat is prima. Dan geef ik het woord direct aan mevrouw Patijn voor haar
bijdrage namens GroenLinks-PvdA.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Dank, voorzitter. Er ligt hier een wetsvoorstel dat recht doet aan een
uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, namelijk dat werknemers recht
hebben op sociale zekerheid. Die uitspraak erkent wat GroenLinks-Partij
van de Arbeid al jaren zegt: pgb-zorgverleners zijn gewoon werknemers en
hebben dus recht op de bescherming op grond van het arbeidsrecht en de
sociale zekerheid. Wij steunen dan ook dat deze uitspraak nu vertaald
wordt in wetgeving.
In de wet ontbreekt de privaat gefinancierde dienstverlening aan huis.
In de memorie van toelichting schrijft de minister dat er voor de
private markt een rechtvaardiging bestaat om de regeling in stand te
houden. Kan de minister nader toelichten waarom er in de private markt
geen sprake zou zijn van indirecte discriminatie? Waarom zou er met
privaat geld niet gediscrimineerd worden en met publiek geld in exact
dezelfde situatie wél? Waarom gaat deze wet nu niet ook gelden voor de
private markt, zodat ook de schoonmaker, de tuinman en al die anderen
die nu in die arbeidsverhouding aan het werk zijn, de bescherming
krijgen van het arbeidsrecht? Graag een uitgebreidere toelichting dan in
de memorie.
Desondanks vinden we dat de wet die voorligt een stap in de goede
richting is. We zien in de vele reacties die wij gekregen hebben dat ook
veel budgethouders voorstander zijn van het toekennen van
werknemersrechten aan hun zorgverlener. Het is bijzonder om te zien hoe
uit alle reacties blijkt hoe waardevol de relatie is tussen de
budgethouder en de zorgverlener en hoe budgethouders actief pleiten voor
de werknemersrechten van hun zorgverlener. Dat neemt niet weg dat de
onzekerheid bij mensen blijft bestaan. Mensen blijven met vragen zitten.
Wat zijn de effecten van deze wet? Gaat het inkomen van mijn
zorgverlener omlaag of moet ik het voor hetzelfde geld met minder uren
doen? En welke verantwoordelijkheden komen er op mij als werkgever af?
Die vraagtekens en onzekerheden zijn in de afgelopen periode niet
weggenomen. Het pgb geeft heel veel mensen een beetje van hun
onafhankelijkheid terug die ze door hun ziekte vaak zijn kwijtgeraakt.
Het is belangrijk dat het vertrouwen zo veel mogelijk hersteld
wordt.
Voorzitter. Met deze wet krijgt de pgb-zorgverlener meer
werknemersrechten. De budgethouder wordt werkgever, maar daarmee is goed
werkgeverschap nog niet geregeld. Het is daarom goed dat in deze wet is
nagedacht over ondersteuning: de SVB krijgt een centrale rol, de
salarisadministratie wordt overgenomen en budgethouders worden
gecompenseerd bij loondoorbetaling bij ziekte.
Ik stel het kabinet graag een aantal vragen, onder andere over de
compensatie langs de lijnen van de pgb-financiering, dus voor
budgethouders uit de Wlz, de Wmo en de jeugdzorg en de Zvw. Kan de
minister voor de drie vormen van financiering nog één keer helder
uitleggen hoe de compensatie vormgegeven wordt? Krijgt iedere
budgethouder automatisch compensatie of moeten mensen zelf hun vinger
opsteken?
Specifiek voor de Wlz-gefinancierde budgettering: klopt het dat voor de
Wlz geldt dat de compensatie volledig gefinancierd is voor twee jaar,
dat iedere Wlz-pgb-budgethouder volledig gecompenseerd wordt en dat er
na twee jaar alsnog een gat valt? Kan de minister aangeven waarom
compensatie alleen geldt voor Wlz-overeenkomsten van voor 2026? Als
iemand een nieuwe overeenkomst moet aangaan na 2026, zal dat toch net zo
hard gevolgen hebben voor het tarief of voor het aantal uren zorg?
Ook over de Wmo-gefinancierde pgb hebben we een aantal vragen. We
krijgen nu het signaal dat het beschikbare budget voor compensatie in
sommige gemeenten niet of maar gedeeltelijk terechtkomt bij de
pgb-houder; hier hebben ook een aantal collega's al naar gevraagd.
Waarom is ervoor gekozen om het geld niet te oormerken? Was het de
bedoeling van de minister om pgb-houders via de Wmo volledig te
compenseren? En zo ja, waarom zijn er dan geen heldere regels opgesteld
om dit zeker te stellen?
GroenLinks-Partij van de Arbeid was verbaasd om in de handreiking van de
VNG te lezen dat er een instructie is toegevoegd waarmee de
zorgverlening tegen een lager tarief vormgegeven kan worden. Je kunt de
arbeidsovereenkomst ontbinden, zo staat er, en dan een nieuwe
zorgverlener zoeken die een lager tarief accepteert of met dezelfde
zorgverlener een lager tarief afspreken in een nieuwe overeenkomst. Met
deze wet regelt het kabinet het werkgeverschap, maar naar ons idee moet
dat dan ook goed werkgeverschap kunnen zijn. Kan de minister hierop
reflecteren? Vindt zij dat de VNG-instructie op bladzijde 10 voor goed
werkgeverschap goed ingevuld wordt? Is dat goed werkgeverschap? Maar nog
belangrijker: is het kabinet bereid om met de VNG in gesprek te gaan om
te zorgen dat de compensatie een-op-een bij de mensen terechtkomt? En is
de compensatie aan de gemeenten in dat geval toereikend om iedereen
volledig te compenseren? Mijn indruk is dat niet.
Ten aanzien van de Zvw-gefinancierde pgb-houders creëert de minister
twee groepen. De groep die de loonadministratie door de SVB laat
uitvoeren wordt gecompenseerd. Klopt het dat dat voor twee jaar is en
dat dat volledig toereikend is, of zijn er onvoldoende middelen om
iedereen te compenseren? De groep die de loonadministratie niet door de
SVB laat uitvoeren, wordt niet gecompenseerd, maar daarvoor geldt een
uitstelregeling. Kan de minister uitleggen hoe die uitstelregeling er
exact uit komt te zien? Dat is mij nog niet duidelijk.
Voorzitter. We zijn blij dat er nu in ieder geval iets van compensatie
is. Dat ging niet vanzelf. Pas na verschillende vragen en het onthameren
van de wet door de SGP ligt er iets van een overgangsregeling.
GroenLinks-Partij van de Arbeid vindt het echt een groot bezwaar dat er
slechts een tijdelijke compensatie is. Dat maakt dat we twijfelen of we
deze wet wel willen steunen. Met de overgangsregeling wordt nu de pijn
verzacht, maar deze pijn komt als boemerang terug in '28, met alle
gevolgen van dien voor de continuïteit van de zorg. Het gaat hier immers
om een financiële impact van 17,7% of 22,71% van het totale budget. Kan
het kabinet aangeven waarom er geen compensatie is voor langer dan twee
jaar? Is het kabinet bereid om met structurele oplossingen te komen,
zodat de continuïteit van de zorg niet onder druk komt te staan?
Toch even terug naar de besluitvorming. De wet regelt de arbeidsrelatie.
Dat brengt extra kosten met zich mee. Dit had de minister vanaf het
begin toch scherp, mag ik hopen? Hoe is het besluitvormingsproces gegaan
bij het ministerie zelf? Had de minister de hoop dat het wel even
tussendoor zou glippen? Ik kan het me niet voorstellen. Waarom moesten
wij zo vaak aan de bel trekken voordat er iets gebeurde? Graag een
beantwoording door de minister van deze vragen.
Voorzitter. Los van de premieplicht wordt ook het werkgeverschap
ingevuld. Zorgverleners worden echte werknemers, met bijbehorende
rechten bijvoorbeeld bij ziekte. Kan de minister ons stap voor stap
meenemen in wat er met de pgb-zorgverlener gebeurt als die ernstig ziek
wordt? En hoe werkt dat dan? De poortwachterswet is van toepassing. Via
de SVB is er een arbodienst. Gaat die de stappen van de poortwachterswet
doorlopen? En hoe gaat het dan met de re-integratie van mensen als zij
herstellen? Wat gebeurt er als er naar het oordeel van UWV onvoldoende
is gedaan aan de re-integratie? Wordt er dan een loonsanctie opgelegd?
En wat moet de budgethouder dan doen? Past de loonsanctie in deze
situatie überhaupt wel? Is het voor de uitvoering, zoals voor UWV,
gezien de huidige problemen mogelijk om op een goede manier bijvoorbeeld
het dagloon vast te stellen? En meer algemeen: kan de minister in brede
zin uitleggen welke dienstverlening exact geleverd zal worden door het
SVB en welke werkgeverstaken blijven liggen bij de budgethouder? Mevrouw
Wendel vroeg dit ook al.
Voorzitter. Ik heb begrepen dat er 200.000 pgb-zorgverleners werken op
basis van een overeenkomst van opdracht. Naar verwachting zal bij deze
wet onder deze groep een aanzienlijk deel ook onder het
arbeidsovereenkomstenrecht vallen. Voor deze mensen zal ook premie
afgedragen moeten worden. Heeft het kabinet er rekening mee gehouden dat
de groep waarvoor compensatie moet komen daardoor groter kan worden? In
de overgangsregeling staat dat die alleen geldt voor overeenkomsten die
vóór 2026 aangegaan zijn. Hoe kijkt de minister dan tegen deze
arbeidsrelatie aan? Zij waren formeel juridisch immers vooral vóór 2026
werknemer. Vallen ze dan wel of niet onder de compensatieregeling?
Voorzitter. Ik heb nog een paar losse vragen. En ik heb er heel veel.
Excuus daarvoor, maar ik denk dat dit ook wel de kern is van de
behandeling van deze wet. We hebben zo veel vragen, en die zijn ons nog
niet duidelijk. De duur van de WW is gebaseerd op het arbeidsverleden
van mensen. Kan de minister aangeven hoe zij het arbeidsverleden gaat
vaststellen? Wat wordt er meegenomen bij de vaststelling van het
arbeidsverleden van deze mensen, waaronder ook de periode waarin mensen
met een overeenkomst in opdracht gewerkt hebben? In de memorie van
toelichting geeft de minister aan dat de Wet flexibel werken een geringe
invloed zal hebben op de arbeidsovereenkomst. Per Saldo gaf aan zich
juist daar zorgen over te maken. Kan de minister aangeven waarom zij van
mening is dat er een geringe invloed zal zijn van deze wet, en kan zij
de zorg wegnemen die Per Saldo heeft over deze wet?
Tot slot, voorzitter. Eerder zagen wij dat er bij de kinderopvang
gastouderbureautjes ontstonden die het werkgeverschap overnamen.
Hierdoor bleef er geld hangen bij commerciële dienstverleners die een
deel van het kinderopvanggeld opsoupeerden. Dat risico lijkt mij hier
ook aanzienlijk. Hoe voorkomt de minister dat dergelijke bureaus
oppoppen en dat zij misschien, als zij goede dienstverlening geven, te
veel geld verdienen aan de onzekerheid van mensen die afhankelijk zijn
van pgb-gelden, met als gevolg dat de inkomens van de zorgverleners naar
beneden gaan en het aantal uren zorg minder zal worden?
Voorzitter. Ik ben voorstander van deze wet, die werknemersrechten
regelt voor zorgverleners. Ik sta dus achter deze wet. Maar de manier
waarop deze wet tot stand is gekomen, is op zijn minst rommelig en
onzorgvuldig. Dat had voorkomen kunnen worden als het kabinet vanaf het
begin bereid was geweest om compensatie te regelen. Dat is kwalijk en
het zorgt voor onnodige onrust. Bovendien is de compensatie niet
structureel en volledig; de onzekerheid zal na 2028 terugkeren. Onze
steun voor deze wet hangt daarom af van de antwoorden en van de
toezeggingen die het kabinet bereid is te doen. Als je ziek bent,
verdien je zekerheid van zorg, en moet je niet de angst hebben dat die
zorg opeens aanzienlijk minder wordt door de gebrekkige financiering van
de implementatie van deze wet door het kabinet. Dus nogmaals, minister,
kabinet: regel voor Prinsjesdag structurele middelen en oplossingen in
plaats van tijdelijk geld voor overgangsregelingen, zodat er structurele
zekerheid geboden wordt, niet alleen aan de zorgverlener, maar ook aan
de budgethouder.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank, mevrouw Patijn. Ruim binnen de opgegeven tijd. Ik kijk even naar
de collega's. Mevrouw Wendel heeft nog een vraag.
Mevrouw Wendel (VVD):
Ja, voorzitter. Ik ben een beetje verward, eerlijk gezegd. Want mevrouw
Patijn startte haar betoog met: deze wet is een stap in de goede
richting. Dus ik dacht: het glas is halfvol; ze is enthousiast.
Vervolgens hoor ik: we twijfelen of wij deze wet willen steunen. En
vervolgens hoor ik mevrouw Patijn toch zeggen: we staan achter de wet.
Ik moet eerlijk zeggen dat ik de worsteling wel herken. Dat heb ik al
eerder gezegd. Maar vervolgens hoor ik mevrouw Patijn dan toch weer
zeggen dat zij twijfelt en dat het afhankelijk is van de antwoorden die
zij nog gaat krijgen van het kabinet. Dus ik ben eigenlijk wel benieuwd
hoe mevrouw Patijn hier nu in zit. Ziet zij deze wet inderdaad als een
stap in de goede richting? Of zegt zij straks "we gaan dit toch niet
doen"?
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Wij zien de wet zeker als een stap in de goede richting, maar de
uitvoering en de financiering van de compensatie vind ik onvoldoende.
Dat maakt dat wij daarover twijfelen. Daarom hebben wij nog heel veel
vragen. En het tweede deel is dat wij met name over die loonsanctie die
kan worden opgelegd, helder willen krijgen hoe die in elkaar zit, omdat
dat echt wel een ingewikkeld onderdeel is. Maar wij staan achter deze
wet, als die in zijn geheel ingevoerd gaat worden. Dus wij hebben veel
moeite met de amendementen die de wet juist gaan afzwakken.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van mevrouw Wendel.
Mevrouw Wendel (VVD):
Dank voor de verduidelijking. Dan ben ik wel benieuwd naar dit. Het
amendement gaat natuurlijk over een angst, de zorg, dat pgb-houders een
steeds hogere administratieve last krijgen en dat de werkgeverslasten
met 20% verhoogd worden. Eigenlijk hoor ik mijn collega's hier ook
zeggen dat pgb-houders geen mkb'ers zijn, dus dat ze ook niet lasten
moeten hebben die daarmee overeenkomen. Hoe kijkt mevrouw Patijn
daarnaar? Deelt zij deze zorg met ons?
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Volgens mij is er, helemaal los van deze wet, gewoon een uitspraak van
de Centrale Raad van Beroep, die maakt dat die premies betaald moeten
gaan worden. Dat is het ene deel. Dus de kosten gaan omhoog. Ik wil daar
graag compensatie voor. Ik hoop de VVD daarbij aan mijn zijde te vinden,
want dan kunnen we misschien de afspraak maken dat er een structurele
compensatie komt voor die extra kosten die eraan komen. De lasten die
daarachter zitten, dus het organiseren van het werkgeverschap ... Tja,
dat is natuurlijk heel ingewikkeld, juist omdat deze groep zo kwetsbaar
is. Daarom maak ik ook die vergelijking met de kinderopvang, met toen
daar ook een slag gemaakt werd en er allemaal bureautjes ontstonden.
Maar ik zou het wel goed vinden als er werd gekeken of die SVB-taken die
daar liggen misschien wat breder uitgevoerd zouden kunnen worden, en dus
of de uitwerking van die wet beter wordt ingevuld. Het ingewikkelde van
deze wet is eigenlijk ... Nee, sorry hoor, ik heb zo veel dingen
tegelijkertijd in mijn hoofd ... Uw vraag ging over de amendementen. Ik
vind niet dat er drie soorten werknemers zijn, namelijk zelfstandigen,
werknemers en een groep daartussenin. Op het moment dat we die
amendementen gaan invoeren, zeggen we: we hebben een groep werkers in
Nederland die wel sociale zekerheid krijgen, maar die verder eigenlijk
helemaal geen rechten hebben en die geen bescherming krijgen vanuit het
arbeidsrecht. Daar zou ik heel veel moeite mee hebben, want ik vind het
ontzettend belangrijk dat zij deze bescherming krijgen en dat wordt
voorkomen dat mensen, zoals nu in de huidige situatie, ziek kunnen
worden, ernstig ziek, zes weken betaald worden, daarna een tijd helemaal
in onzekerheid komen en dan misschien recht hebben op de WIA. Dat soort
dingen moeten we met elkaar oplossen. Dus de kern is: ik sta achter de
wet, maar ik vind de uitvoering, zoals die plaatsvindt, onvoldoende. Ik
vind dat het belangrijk is dat de wetten voor de bescherming van mensen
geregeld worden — ik neem even extra tijd, voorzitter, want ik had mijn
tijd nog niet opgemaakt, en u mag mij daar straks op aanspreken — maar
ik vind dat er compensatie moet zijn. En ik vind dat de begeleiding en
ondersteuning voor het invullen van het werkgeverschap beter geregeld
moeten worden.
De voorzitter:
Nee, ik ga mevrouw Patijn er helemaal niet op aanspreken dat zij een
duidelijk antwoord gaf. Ik denk dat de mensen die naar dit debat kijken
het ook verdienen dat wij bij zo'n impactvolle wet daarvoor de ruimte
krijgen. Dat is dus prima. Er is nog een vervolgvraag van mevrouw
Wendel. Daarna gaan we naar mevrouw Bühler.
Mevrouw Wendel (VVD):
Dank, voorzitter, en dank ook aan mevrouw Patijn voor het uitgebreide
antwoord. Dat er een rechterlijke uitspraak ligt, is natuurlijk zo en
dat zien wij ook. Dus volgens mij zijn we het daarover met elkaar eens.
Maar waar ik me met name zorgen over maak en wat ik ook in mijn eerste
termijn naar voren heb geprobeerd te brengen, is de extra last die daar
nog overheen komt. Ik heb het dus over het voorstel dat de minister
doet, dat meer is dan enkel die gerechtelijke uitspraak, en dan
specifiek gericht op het ontslagrecht. Deelt mevrouw Patijn met mij de
mening dat dat ontslagrecht voor pgb-houders echt ingewikkeld is om aan
te voldoen?
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Ik denk dat heel veel van die werkgeverstaken ingewikkeld zijn voor
pgb-budgethouders. Daarom ben ik ook zo benieuwd naar de antwoorden van
de minister over welke rol zij nou precies ziet voor de SVB, die zowel
de arbodiensten als juridische ondersteuning biedt. Dat is namelijk ook
toegezegd. Ik weet niet waar ik dat allemaal gelezen heb, maar er zitten
dus allerlei taken bij de SVB. Nou, ik wil heel graag van de minister
horen hoe zij dat ziet. Maar als dat goed geregeld is, dan denk ik dat
je een heel eind bent.
Mevrouw Bühler (CDA):
Voorzitter. Ik heb ook geluisterd naar mevrouw Patijn. Ik herken ook die
enorme worsteling die zij voelt, maar dan eigenlijk vanuit een andere
hoek, die van financiering en uitvoering. Ten aanzien van die uitvoering
heb ik al aangegeven dat ik daar ook buikpijn van krijg. Maar stel dat u
zegt: ik krijg geen goede antwoorden op mijn vragen en ik zal
genoodzaakt zijn om tegen deze wet te stemmen. Dan zou dat kunnen
betekenen dat de uitvoering die al gestart is, teruggedraaid moet
worden. Hoe kijkt u daartegen aan?
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Volgens mij zijn daar ook vragen over gesteld. Hoe gaat dat dan? Ik ben
ook wel benieuwd naar die antwoorden. Die lijken me vrij relevant. Ik
denk — ik denk dat dat voor ons allemaal geldt — dat veel van onze
besluiten afhangen van de antwoorden van de minister en de
staatssecretaris. Aan de andere kant moet er iets gedaan worden met die
uitspraak. Er moet iets geïmplementeerd gaan worden. Er zijn gewoon
rechten toegekend. Daar hangen ook andere dingen mee samen. Ik ben dus
erg benieuwd hoe de minister daarop gaat reageren.
De voorzitter:
Goed. Dan ben ik door de vragen heen. Ik geef het voorzitterschap terug
aan mevrouw Patijn.
Voorzitter: Patijn
De voorzitter:
Dan gaan wij schorsen. Ik kijk even naar rechts. Hoelang verwacht de
minister nodig te hebben? We lassen meteen een eetpauze in, dus wij
denken aan minimaal drie kwartier. Is dat genoeg?
Minister Paul:
Dat zou mooi zijn. Wij gaan vooral werken. Drie kwartier helpt ons
al.
De voorzitter:
Het mag ook een uur zijn, als dat nodig is. Wij hebben heel veel vragen
en willen graag hele goede antwoorden.
Minister Paul:
55 minuten?
De voorzitter:
Ja. Dan schorsen we tot 18.30 uur. Daarna krijgen we de antwoorden van
het kabinet.
De vergadering wordt van 17.41 uur tot 18.34 uur geschorst.
De voorzitter:
We hervatten het debat over de Wet aanpassing Regeling dienstverlening
aan huis. Voor de eerste termijn van het kabinet geef ik graag het woord
aan ... Sorry, eerst nog over het aantal interrupties. Ik stel voor: zes
interrupties. Als we nog wat ruimte hebben, doe ik soepel. Ik kijk
meteen naar de heer Flach, die al een beetje ...
De heer Flach (SGP):
We kunnen best met zes beginnen, maar inderdaad, als u die soepelheid
heeft om, mochten die al snel opgebruikt zijn, het aantal te verhogen,
dan graag. Er zijn immers veel vragen gesteld. Als die vragen allemaal
naar tevredenheid worden beantwoord, is zes goed, maar het kan ook zijn
dat de beantwoording nog meer vragen oproept. Ik hoop dat u verderop in
het debat de soepelheid betracht om het aantal nog wat op te
hogen.
De voorzitter:
Indien nodig en indien korte interrupties! Ik geef graag het woord aan
de minister.
Minister Paul:
Voorzitter, dank u wel. Ik ga mijn uiterste best doen om de vragen zo
goed mogelijk te beantwoorden. In de eerste plaats wil ik u, voorzitter,
en de aanwezige leden bedanken dat we dit wetsvoorstel op zo'n korte
termijn kunnen behandelen in dit wetgevingsoverleg. Ook dank aan mijn
collega, de staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijk Zorg, en haar
team voor de samenwerking op dit dossier en haar aanwezigheid bij dit
overleg. Met name vragen over de uitvoering door de SVB zullen worden
beantwoord door de staatssecretaris vanuit haar rol als opdrachtgever
van de SVB.
Voorzitter. Meerdere leden, ik geloof alle leden, hebben het proces rond
dit wetsvoorstel aangestipt en hun ongenoegen daarover uitgesproken. Ik
snap dat heel goed. Het proces is anders gelopen dan eerder gedacht en
daarom zijn de vragen die uw Kamer heeft gesteld heel begrijpelijk. Het
kabinet heeft op 9 december 2025 uw nadere vragen zo spoedig en volledig
mogelijk beantwoord. Het krappe tijdpad en hoe een en ander is verlopen
verdienen geen schoonheidsprijs. Dat heb ik ook in mijn eerdere brieven
duidelijk aangegeven; de heer Flach refereerde daar al aan. Ik zal hier
in mijn tweede blokje nader op ingaan. Tegelijkertijd wil ik hier het
dilemma schetsen waar ik ook gewoon mee te maken heb. Als we hadden
gewacht met stappen zetten, dan had het nog een hele tijd geduurd
voordat we tot uitvoering over zouden kunnen gaan. De heer Neijenhuis
schetste in zijn inbreng ook dat soms wetten worden aangenomen waarna we
twee of drie jaar en soms nog langer moeten wachten tot ze goed en wel
geïmplementeerd kunnen worden. Daarom nogmaals onze dank dat we vandaag
dit wetsvoorstel kunnen behandelen.
Het wetsvoorstel dat we behandelen betreft een aanpassing van de
Regeling dienstverlening aan huis. De Centrale Raad van Beroep, de
hoogste bestuursrechter in socialezekerheidszaken, heeft in maart 2023
helder gemaakt: de huidige wet leidt voor werknemers die zorg verlenen
vanuit de pgb tot ongelijke behandeling van vrouwen, en dit is niet
toegestaan. Aanpassing is daarom noodzakelijk. Dit wetsvoorstel regelt
dat. Het gaat om pgb-zorgverleners met een arbeidsovereenkomst van
minder dan vier dagen per week. Dit wetsvoorstel verbetert hun
rechtspositie, in lijn met de uitspraak van de rechter. Deze wet legt
het recht op een uitkering uit de werknemersverzekering wettelijk vast
en het verbetert ook op andere punten de rechtspositie van deze
zorgverleners, bijvoorbeeld als het gaat om loondoorbetaling bij ziekte,
verlofregelingen, scholing, ontslag en de Wet flexibel werken, die in de
Regeling dienstverlening aan huis wordt beperkt.
De heer Ceulemans (JA21):
Ik wil nog even terugkomen op het eerste blokje. De minister ging vrij
snel over hoe het proces verlopen is heen. Ze verwees ook naar de
inbreng van de heer Neijenhuis, die terecht aangeeft dat nadat wetten
zijn aangenomen, het vanwege de uitvoering vervolgens vaak nog heel lang
duurt voordat ze in werking treden. Maar de Kamer confronteren met
onomkeerbare stappen is natuurlijk het andere uiterste. Dit gaat veel
verder dan voorsorteren op een wet die misschien aangenomen zal worden.
Dit is het zetten van onomkeerbare stappen, waarbij de Kamer te horen
krijgt: je kunt eigenlijk niet meer tegenstemmen, want het kan niet meer
teruggedraaid worden. Hoe reflecteert de minister daarop?
Minister Paul:
Ik verwees al naar het feit dat ik nog uitgebreider op dat proces terug
zou komen in dat blokje. Voor de goede orde: dit wetsvoorstel en
wetgeving überhaupt verdienen het dat wij ze zorgvuldig en uitgebreid
behandelen. Ik zal wat inleidende woorden wijden aan dit wetsvoorstel en
daarna — ik ga nu maar even naar de laatste bladzijde van mijn
inleidende tekst — komen de volgende blokjes aan de orde. Het eerste
blokje gaat over de reikwijdte. Het tweede blokje gaat over het proces.
In het derde blokje ga ik in meer detail in op budgethouders en
zorgverleners. Het vierde blokje gaat over eventuele
arbeidsmarkteffecten. In mijn laatste blokje geef ik tot slot graag een
reactie op de verschillende ingediende amendementen.
Voorzitter. Ik was aan het uitweiden over de verschillende zaken die we
met deze wet regelen. Deze bepalingen worden opgeheven voor
pgb-zorgverleners die onder deze regeling vallen, waardoor zij dezelfde
bescherming krijgen als andere werknemers. Die verdienen zij ook, want
deze zorgverleners verrichten zeer belangrijk werk voor budgethouders,
bijvoorbeeld als huishoudelijke hulp of bij de persoonlijke verzorging,
verpleging of begeleiding. Ik wist al hoe belangrijk dit werk is, maar
door de gesprekken met budgethouders en betrokken organisaties zoals Per
Saldo staat het belang van dit werk mij nog scherper op het
netvlies.
Op dit moment voert het UWV de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep
van maart 2023 al zo goed mogelijk uit. Pgb-zorgverleners kunnen dus al
in aanmerking komen voor een uitkering bij het UWV, bijvoorbeeld voor
een WW-uitkering. Het wetsvoorstel regelt ook dat er premies,
werknemersverzekeringen en loonbelasting worden betaald. De SVB
ondersteunt budgethouders hierbij. In de beantwoording door de
staatssecretaris zal zij hier dieper op ingaan, zoals ook aangegeven in
de brieven die aan uw Kamer zijn verzonden en in de beantwoording van de
schriftelijke vragen.
Door sommige van uw leden is gevraagd of de hele Regeling
dienstverlening aan huis niet afgeschaft zou moeten worden. Voor de
goede orde: dit wetsvoorstel beperkt zich tot de uitspraak van de
Centrale Raad van Beroep van maart 2023, en dus tot dienstverlening op
basis van pgb's. De ondersteuning van budgethouders die de SVB biedt,
speelt hierbij een belangrijke rol. De argumenten die de Regeling
dienstverlening aan huis noodzakelijk maken, zijn op andere vormen van
dienstverlening aan huis nog steeds van toepassing. Denk bijvoorbeeld
aan de klusjesman of de schoonmaker die werkt voor een particuliere
werkgever.
Volledige afschaffing van de Regeling dienstverlening aan huis leidt tot
meer kosten voor particuliere werkgevers. Bij toenemende kosten bestaat
het risico dat particulieren deze werkzaamheden op een andere, niet
wenselijke manier inrichten, denk bijvoorbeeld aan zwartwerk, en dat wil
het kabinet tegengaan. Het is hierbij wel van belang om te benoemen dat
pgb-budgethouders die werken met arbeidsovereenkomsten onder de Rdah al
werkgever zijn. Er gelden diverse verplichtingen. Zo moet er een eerlijk
loon betaald worden, hebben de werknemers recht op vakantie en moeten er
bij ontslag een geldige reden zijn én de opzegtermijn in acht genomen
worden. Bij de uitvoering van deze werkgeverstaken kunnen pgb-houders
gebruikmaken van de dienstverlening door de SVB.
Het wetsvoorstel zorgt er ook voor dat er premies ingehouden en
afgedragen worden door de budgethouders. Er is tijdelijke compensatie
geregeld voor alle budgethouders die bekend zijn bij de SVB en de SVB
ondersteunt budgethouders bij de aanvullende werkgeverstaken. Zo worden
ze ontlast en ondersteund bij de salarisadministratie en geholpen met
onder andere een bedrijfsarts en een rechtsbijstandsverzekering.
Bovendien heeft mijn collega, de staatssecretaris voor Langdurige en
Maatschappelijke Zorg, in overleg met zorgverzekeraars geregeld dat er
tijdelijke financiële compensatie komt voor een groot deel van de
budgethouders die hun pgb ontvangen vanuit de Zorgverzekeringswet en die
bekend zijn bij de SVB.
Alleen de groep budgethouders die financiering ontvangt vanuit de
Zorgverzekeringswet en die zich nog niet vrijwillig laat bijstaan door
de SVB kan niet worden gecompenseerd. Voor hen wordt nog gezocht naar
een oplossing en treedt het wetsvoorstel dan ook later in werking.
Hierover heeft mijn collega uw Kamer op 18 december 2025 per brief
geïnformeerd. Samen met Zorgverzekeraars Nederland wordt gezocht naar
een manier om ook deze groep budgethouders te bereiken.
Voorzitter. Tot slot van mijn inleiding wil ik nogmaals het belang van
inwerkingtreding van dit wetsvoorstel met terugwerkende kracht per 1
januari benadrukken. Deze terugwerkende kracht geldt ook ten aanzien van
de compensatie van de budgethouders die bekend zijn bij de SVB. Zij
ondervinden hier aldus geen nadeel van. Met dit wetsvoorstel wordt de
ongelijke behandeling van en onduidelijkheid voor burgers weggenomen,
conform de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van maart
2023.
Uitvoerders zijn inmiddels aan de slag met de implementatie van het
wetsvoorstel om de gelijke behandeling van pgb-zorgverleners te borgen.
Er zijn belangrijke stappen richting inwerkingtreding per 1 januari 2026
genomen. Budgethouders die bekend zijn bij de overheid zijn actief
geïnformeerd en ook zij hebben de nodige stappen gezet. Daarom is ook
een nota van wijziging ingediend om voor de meeste groepen budgethouders
het wetsvoorstel met terugwerkende kracht op 1 januari jongstleden in te
laten gaan. Dit wetsvoorstel brengt daarmee de wet in lijn met
jurisprudentie en het Europese recht. Hiermee zorgen we uiteindelijk
voor duidelijkheid en zekerheid bij budgethouders, zorgverleners en
uitvoerders. Daarom vraagt de regering uw Kamer bij monde van de
staatssecretaris en mijzelf om in te stemmen met dit wetsvoorstel.
Dan ga ik nu in op alle vragen die gesteld zijn. Dat waren er behoorlijk
wat. Ik zal dat doen in de blokjes die ik al even genoemd heb. Ik begin
met het eerste blokje over de reikwijdte.
De leden Wendel, Bühler en Ceulemans stelden de vraag waarom ik verder
ga dan de rechterlijke uitspraak en waarom we niet afwachten wat de
lopende rechtszaken brengen. De uitspraak van de Centrale Raad van
Beroep vormt de aanleiding van dit wetsvoorstel, en geen andere reden.
In die zin is de mening van het kabinet over de vraag of er sprake is
van indirecte discriminatie minder relevant.
Door de uitspraak van de Centrale Raad moeten de rechten van de
verschillende groepen zorgverleners met elkaar gelijkgetrokken worden.
Dat volgt uit Europees recht en dat wordt met dit wetsvoorstel geregeld.
De Centrale Raad heeft inderdaad geoordeeld over de uitzondering in de
werknemersverzekeringen. Met dit wetsvoorstel worden ook de rechten in
het arbeidsrecht gelijkgetrokken. Vanuit de Kamer is aangegeven dat dit
wetsvoorstel daarom te ver gaat en dat er eigenlijk sprake is — even in
mijn eigen woorden — van overkill. Volgens de regering zijn ook andere
uitzonderingen voor pgb-zorgverleners met een arbeidsovereenkomst van
minder dan vier dagen niet goed te rechtvaardigen. Voor deze
uitzonderingen geldt namelijk dezelfde Europese toets en daar liggen ook
dezelfde overwegingen aan ten grondslag.
Het is dus, zeg ik in alle eerlijkheid, een risico-inschatting of deze
overige uitzonderingen wel standhouden. Mocht dat niet zo zijn ... Er
lopen op dit moment allerlei rechtszaken, overigens niet alleen richting
de SVB, maar ook rechtszaken tegen individuele pgb-budgethouders.
Mochten die uitspraken uiteindelijk anders uitwijzen, dan is er weer
reparatiewetgeving nodig. Als dat gebeurt, leidt dat tot wijziging op
wijziging voor pgb-houders, pgb-zorgverleners en de uitvoering. Ook dat
vinden wij als regering onwenselijk. Voor deze uitzonderingen geldt
namelijk dezelfde Europese toets en daar liggen ook dezelfde
overwegingen aan ten grondslag. Het is dus inderdaad een
risico-inschatting of deze overige uitzonderingen wel standhouden.
Ik refereerde al aan de rechtszaken die er op dit moment lopen. Die gaan
bijvoorbeeld over de loondoorbetalingsperiode bij ziekte, waarbij
pgb-zorgverleners zich beroepen op de uitspraak van de Centrale Raad van
Beroep. Er loopt ook een handvol beroepsprocedures. Gevraagd is ook hoe
het loopt met die rechtszaken en wanneer wij daar meer over komen te
weten. De zittingsdata zijn door de rechter nog niet vastgesteld.
Wanneer deze zaken voorkomen, is dus niet te voorspellen. De verwachting
is dat het nog even op zich kan laten wachten voordat er uitspraak wordt
gedaan in deze zaken. In alle eerlijkheid: ik wil daar niet op wachten,
maar dat is duidelijk, want anders had ik het wetsvoorstel niet op deze
manier ingediend.
De heer Flach (SGP):
Ik heb goed geluisterd naar wat de minister zegt, maar ik vind het toch
opvallend dat voorgaande kabinetten nooit aanleiding hebben gezien om op
basis van die aangehaalde Europese richtlijn maatregelen te nemen,
terwijl we toch ook wisten dat de Regeling dienstverlening aan huis in
bepaalde opzichten afweek van andere werknemersrechten. Dat men nu in
reactie daarop niet alleen besluit om de premie voor
werknemersverzekeringen toe te voegen ... Ik zeg het verkeerd. Ik ben
met mijn gedachten al verder dan met spreken. Maar eigenlijk laat men
hiermee dus de hele Regeling dienstverlening aan huis vallen onder de
strekking van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Dat is toch
bijna een eigenstandige juridische conclusie van het kabinet, die maar
moeilijk te rechtvaardigen is en die eigenlijk ook vooruitloopt op
lopende rechtszaken?
Minister Paul:
Even simpel gezegd: die uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, de
hoogste rechter op het gebied van sociale zekerheid, is een uitspraak
waar wij ons als kabinet toe te verhouden hebben. Daar begint het mee.
Wetgeving maken of wetgeving aanpassen is niet een doel op zich en ook
geen hobby van mij, zeg ik maar. Ik heb mij gewoon te verhouden tot die
uitspraak. Vervolgens constateer ik dat er verschillende rechtszaken
lopen. Die gaan ook over andere aspecten, bijvoorbeeld de
loondoorbetaling bij ziekte en een aantal andere zaken. Dan maak je een
juridische inschatting, en daartoe hebben we uiteraard experts
geraadpleegd en met juristen gesproken. We hebben de inschatting gemaakt
dat het kwetsbaar is en dat het risico bestaat dat je uiteindelijk
verandering op verandering zult moeten doorvoeren. Dat risico wilde ik
niet nemen. Ik wil in die zin kiezen voor zekerheid en duidelijkheid,
zowel voor de pgb-zorgverleners alsook voor de pgb-budgethouders, alsook
voor de uitvoering.
De heer Flach (SGP):
Maar toch, als ik rechter was bij de Centrale Raad van Beroep, dan zou
ik met gefronste wenkbrauwen naar dit betoog luisteren. Zo'n rechter zou
wellicht denken: "In eerste instantie moet ik dus de overheid erop
wijzen dat haar handelen in strijd is met Europees recht. Hadden ze dat
zelf niet kunnen zien de afgelopen decennia? Vervolgens gaan ze op mijn
stoel zitten en voeren ze iets in per 1 januari waar ik in de komende
maanden of misschien nog later pas een uitspraak over moet gaan doen."
Met andere woorden: het is een vorm van juridische kansberekening door
het kabinet die prompt ook maar is omgezet in wetgeving, terwijl we
daarmee eigenlijk ook op de stoel van de rechter van de Centrale Raad
van Beroep gaan zitten.
Minister Paul:
Ik weet niet of de rechter zijn of haar wenkbrauwen fronst. Het enige
wat voor mij telt is dat ik mij te verhouden heb tot die uitspraak.
Vervolgens maak ik op basis van andere, nog lopende rechtszaken een
inschatting van wat er mogelijk zou kunnen gebeuren. Op basis daarvan
kies ik ervoor om duidelijkheid, zekerheid en rust te brengen, in plaats
van wetgeving te moeten doorvoeren die verandering op verandering en
wijziging op wijziging brengt. Ik wil ook niet heel lang boven de markt
laten hangen welke wijzigingen er eventueel zouden kunnen plaatsvinden.
Het kabinet vindt dat onwenselijk.
Mevrouw Bühler (CDA):
Ik hoor een toelichting op de afweging die het kabinet gemaakt heeft om
de arbeidsrechtelijke aspecten mede in te voeren bij deze uitspraak. Nu
zijn er meerdere losse arbeidsrechtelijke aspecten. Ik vraag mij af of
er per arbeidsrechtelijk aspect een weging is gemaakt of de ene wel en
de andere niet zou moeten worden doorgevoerd. Nu lijkt het er namelijk
op dat ze allemaal op één hoop worden gegooid en er daarmee in één keer
worden doorgeduwd, om het maar in mijn woorden te zeggen.
Minister Paul:
Ook hiervoor geldt dat ik niet eigenmachtig zaken erdoor wil duwen omdat
ik denk dat het lollig is of zo. Dit is een combinatie van enerzijds de
uitspraak van de Centrale Raad van Beroep en anderzijds lopende
rechtszaken op verschillende punten, bijvoorbeeld loondoorbetaling.
Vandaar dat ik ervoor gekozen heb, dat het kabinet ervoor gekozen heeft
om het in één keer goed te doen, om het zo te zeggen.
Mevrouw Bühler (CDA):
Dan wil ik toch heel even doorvragen. Neem een arbeidsrechtelijk aspect
als scholing. Hoe materieel is dat? Hoe wordt gewogen of dit al dan niet
moet worden ingevoerd en doorgevoerd?
Minister Paul:
De basisgedachte of het onderliggende fundament gaat steeds over de
gelijke behandeling van pgb-zorgverleners en andere zorgverleners. Daar
draait het allemaal om. Ik denk dat het niet houdbaar is om daarin
onderscheid te maken. Daar is het dus op gestoeld.
De heer Ceulemans (JA21):
De minister zegt dat ze het in één keer goed wil doen. Ook mensen aan
deze tafel die kritisch zijn over deze wet zullen onderschrijven dat het
een reëel scenario is dat die nieuwe rechtszaken ertoe leiden dat ook
die zaken in de toekomst wellicht aangepast moeten worden. Dat ontkent
niemand, dat ontken ik ook niet. Maar dan is er wel sprake van een
belangenafweging. De minister zegt het in één keer goed te willen doen.
Dan weegt zij het belang van het nu snel en vloeiend invoeren van dit
wetsvoorstel kennelijk zwaarder dan de belangen van pgb-budgethouders,
die nu in één klap juridisch onnodig geconfronteerd worden met een
enorme lawine aan werkgeversverplichtingen die bij hen op het bordje
landen. Waarom weegt de minister dat op deze manier?
Minister Paul:
Op de werkgeversverplichtingen, hoe we daarmee omgaan en hoe we daarbij
de budgethouders en de zorgverleners ondersteunen, kom ik in het derde
blokje graag terug. Het gaat hierom. De rechtszaken die nu lopen, lopen,
zoals ik net ook al aangaf, ook tegen individuele budgethouders. Er zijn
pgb-zorgverleners die op basis van de uitspraak van de Centrale Raad van
Beroep ook hun recht willen halen op die andere werknemersrechten, om
het zo maar te zeggen. Het kabinet maakt de inschatting dat dat best
stand zou kunnen houden, omdat er eigenlijk geen reële basis is of een
rationale voor het bestaande onderscheid tussen de pgb-zorgverleners en
andere zorgverleners.
De voorzitter:
Gaat u verder, minister.
Minister Paul:
Ik ga verder met de vraag van de heer Flach of met dit wetsvoorstel het
doel van de Regeling dienstverlening aan huis niet teniet wordt gedaan.
Het doel van die Regeling dienstverlening aan huis is het stimuleren van
de markt voor particuliere dienstverlening en het tegengaan van
zwartwerk. Voor private dienstverlening aan huis zijn deze doelen naar
het oordeel van het kabinet nog steeds aan de orde. Ik gaf in mijn
inleidende tekst of in een eerder antwoord al aan dat als de kosten te
hoog worden of de werkgeversverplichtingen te veel en te ingewikkeld
worden, particulieren uitwijken naar eenvoudige alternatieven zoals
zwartwerk. De Centrale Raad van Beroep heeft geoordeeld dat specifiek in
het geval van publiek gefinancierde dienstverlening de redenen die de
Rdah noodzakelijk maken niet opgaan. Er is immers sprake van
ondersteuning en compensatie door de SVB. Het wetsvoorstel richt zich
dan ook specifiek op het pgb en dus publiek gefinancierde
dienstverlening aan huis, en niet op de transacties die plaatsvinden in
de private sector.
Mevrouw Patijn vroeg of ik nader kan toelichten waarom er voor de
private markt geen sprake zou zijn van indirecte discriminatie. Ik gaf
net al richting de heer Flach aan waar die regeling überhaupt voor
bedoeld is. Voor de private dienstverlening aan huis zijn de doelen naar
het oordeel van het kabinet nog steeds aan de orde. Ik acht het
onderscheid met de andere particuliere werkgevers op de private markt
dus gerechtvaardigd en geen indirecte discriminatie. Als kosten te hoog
worden en de werkgeversverplichtingen te veel en te ingewikkeld, dan
wijken particulieren uit naar eenvoudige alternatieven, zoals ik net al
aangaf. Een dergelijke vlucht levert zeker geen verbetering op voor de
groepen die mevrouw Patijn noemt. De Centrale Raad van Beroep heeft
geoordeeld dat specifiek in het geval van die publiek gefinancierde
dienstverlening de redenen die de Rdah noodzakelijk maken niet opgaan.
Nou, dit is eigenlijk een herhaling van wat ik ook tegen de heer Flach
zei.
Dan ga ik door naar het tweede blokje, over het parlementaire proces. Ik
begin met een vraag van de leden Neijenhuis, Flach, Wendel en Ceulemans.
Volgens mij heeft vrijwel iedereen hier wel iets over gezegd. Hoe
reflecteer ik op de gang van zaken? Welke lessen trekt de regering
hieruit? Ik heb al aangegeven, ook in mijn brieven, en ik wil dat
nogmaals zeggen, dat de hele gang van zaken heel ongelukkig is. Ik heb
ook aan de andere kant van de tafel gezeten. Ik weet dat er af en toe
dingen voorbijkomen waarbij je de druk vanuit het kabinet voelt en je
het idee hebt dat het een soort stikken of slikken is. Dat voelt gewoon
niet goed. Als Kamer wil je je taak goed en volledig kunnen uitvoeren en
niet het idee hebben dat je onder druk wordt gezet om bij het kruisje te
tekenen. Dat gevoel hebt u allemaal verwoord en ik begrijp dat volledig.
Dit moeten we echt zien te voorkomen. Wat heb ik dus gedaan? Ik heb in
ieder geval binnen het ministerie hiervoor aandacht gevraagd om te
voorkomen dat deze ongelukkige en onfortuinlijke situatie nogmaals
voorkomt.
Ook heb ik de collega's gevraagd, de collega-ambtenaren, om deze lessen
ook in de Ambtelijke Commissie Publieke Dienstverlening in te brengen.
Die Ambtelijke Commissie Publieke Dienstverlening bestaat uit
vertegenwoordigers van ministeries, toezichthouders, de publieke
dienstverleners maar ook gemeentes en provincies. Zij spelen met elkaar
een sturende rol binnen het programma Werk aan Uitvoering en delen
onderling kennis, ervaring en ambities om de dienstverlening te
verbeteren. Het ministerie van SZW heeft daarin een coördinerende rol.
Bij wetgeving hebben wij natuurlijk heel vaak te maken met implementatie
en een implementatieperiode, vaak ook met zaken die in systemen, in
IT-systemen aangepast moeten worden. Met onze inspanningen willen we
voorkomen dat we alleen bij VWS en SZW lering trekken dat er echt geen
onomkeerbare stappen gezet worden zonder dat de Tweede Kamer hierover
een oordeel heeft kunnen vellen.
Kijk, het is heel simpel, nog los van het feit dat de staatssecretaris
en ik een paar maanden geleden zijn aangetreden en met het voortraject
weinig van doen hadden. Dat zeg ik niet om onszelf vrij te pleiten, want
er geldt ook zoiets als ministeriële verantwoordelijkheid en die neem ik
serieus. Het verleden kan ik niet ongedaan maken, maar we kunnen wel
kijken hoe we hiervan kunnen leren. Daarbij is ook dit heel belangrijk.
We spraken eerder — de heer Neijenhuis refereerde daar al aan — over een
implementatieperiode en implementatietrajecten. Ik denk dat het cruciaal
is dat de Kamer daarin goed wordt meegenomen. Dat is in dit traject
onvoldoende gebeurd. Er is in mei vorig jaar met de Kamer gedeeld welke
stappen er gezet zouden worden, maar mijn inschatting is dat dit niet
expliciet genoeg is gedaan en dat ook niet duidelijk genoeg is gemaakt
dat met de stappen die bij UWV en SVB gezet werden, er onomkeerbare
stappen werden gezet die niet zomaar met een druk op de knop te
herroepen waren. Nou ja, dat had niet zo moeten gebeuren. Ik denk daarom
dus dat het heel belangrijk is om ervoor te zorgen dat deze les breed
wordt gedeeld binnen de overheid, in ieder geval binnen de verschillende
departementen.
De heer Neijenhuis wees erop dat de voorbereiding van de invoering van
zo'n wet maar liefst anderhalf jaar duurt en vroeg of er ook wordt
gekeken naar maatregelen om wetsaanpassingen veel sneller te kunnen
doorvoeren. Dat is altijd een balans. Sommige zaken zou je misschien
heel veel sneller willen invoeren, maar zorgvuldige voorbereiding en
invoering van wetten vraagt simpelweg tijd. Daarbij is het belangrijk
dat burgers tijdig worden geïnformeerd. Bij een wetstraject zoals dit
zijn bovendien meerdere uitvoeringsorganisaties en andere
belanghebbenden betrokken. Ook met de invoering bij
uitvoeringsorganisaties is tijd gemoeid, bijvoorbeeld omdat IT-systemen
aangepast moeten worden, bijvoorbeeld de loonadministratiesystemen. Maar
goed, ik zei hiervoor al dat je aan de ene kant de tijd moet nemen die
nodig is, maar ik hoop dat u van mij wilt aannemen dat we niet onnodig
tijd nemen om zaken te implementeren, want daar is geen enkele reden
voor. Het is zoeken naar een balans tussen snelheid en
zorgvuldigheid.
De heer Neijenhuis vroeg ook waarom er in dit traject niet voor gekozen
is om de Kamer van tevoren mee te nemen. Daar heb ik zojuist het nodige
over gezegd. Het is heel vervelend dat de Kamer zich onder druk gezet
heeft gevoeld in dit wetgevingstraject. Dat was zeker niet mijn
bedoeling, dat was zeker niet onze bedoeling. Vanwege de uitspraak van
de Centrale Raad van Beroep van maart 2023 is het van belang dat dit
wetsvoorstel geïmplementeerd wordt. Daar hebben wij ons als kabinet toe
te verhouden. Vorig jaar werd uit de uitvoeringstoetsen duidelijk dat 1
januari 2026 de snelst mogelijke inwerkingtredingsdatum was. Het dilemma
dat de heer Neijenhuis schetste is precies de reden dat er al eerder
stappen zijn gezet om te voorkomen dat het na deze behandeling nog
minstens anderhalf jaar zou duren. Maar goed, we hebben daarvan geleerd,
wij als kabinet, dat de Kamer hierin veel beter meegenomen had moeten
worden.
De heer Neijenhuis (D66):
Dank aan de minister voor de ruimhartige erkenning dat het zo niet had
moeten verlopen. Dat kan ik waarderen. Over mijn vraag waarom het
anderhalf jaar zou moeten duren: ik begrijp dat zorgvuldigheid
belangrijk is, maar mij ging het — ik laat me daarover graag informeren
— om de complexiteit qua aanpassing van de IT-systemen om dit allemaal
goed te kunnen regelen. Zorgvuldigheid is goed, maar zou je dan ook niet
moeten kijken hoe je de IT-systemen zodanig kunt aanpassen dat
aanpassingen zoals deze niet zo complex hoeven te zijn, dus dat zulke
systemen wat flexibeler en wendbaarder zijn? Wordt daar ook naar
gekeken?
Minister Paul:
De IT-systemen zijn een thema op zich, in ieder geval onderdeel van de
ontwikkel- en verbeteragenda van bijvoorbeeld UWV. Voor veel
uitvoeringsorganisaties geldt ... Overigens geldt dit ook voor
uitvoeringsorganisaties in de private sector zoals grote banken en
verzekeringsmaatschappijen. Vaak kom je daar hetzelfde tegen; zelf heb
ik daar ook ervaring mee. Je hebt te maken met zogeheten legacysystemen
die ooit zijn ontwikkeld, waarna er steeds weer iets werd bijgeklust en
bijgefrabriceerd, zeg ik even heel oneerbiedig. Nu doe ik een heleboel
mensen tekort en dat is niet mijn bedoeling, maar het komt erop neer dat
die systemen ook op basis van wet- en regelgeving ... Want dat is één
ding, je hebt puur de techniek, maar vervolgens heb je ook de wetten en
regels die wij met elkaar maken, zowel kabinet als Kamer. Die zorgen
ervoor dat je uiteindelijk een best ingewikkeld systeem hebt, in zijn
totaliteit best een ingewikkeld stelsel. Dat op een goede manier
implementeren en vervolgens ook veranderen, is behoorlijk ingewikkeld.
Als ik naar de toekomst mag kijken, wat buiten de orde van dit debat is,
dan is om zaken beter voor elkaar te krijgen het devies: a
vereenvoudiging van wet- en regelgeving en b, daaraan gekoppeld, het
stroomlijnen en verbeteren van systemen. Daar wordt aan gewerkt, maar ik
zeg er maar gelijk eerlijk bij dat we niet van vandaag op morgen en ook
niet volgend jaar de oplossingen daarvoor paraat hebben. Maar dat is wel
echt een van de belangrijke speerpunten voor bijvoorbeeld het UWV en
SVB.
Voorzitter. Dan ga ik door met een vraag van mevrouw Wendel: waarom moet
deze wet per se per 1 januari 2026 ingaan? Dat heeft in de eerste plaats
te maken met het uitvoering geven aan de uitspraak van de Centrale Raad
van Beroep. Er zijn verschillende impactvolle gevolgen als het
wetsvoorstel niet zo snel mogelijk in werking treedt. Alleen al in de
praktijk is die juridische basis nodig om überhaupt geld over te kunnen
maken aan zorgverleners. Daarnaast denk ik dat het met alles wat zich
het afgelopen jaar rond dit wetsvoorstel heeft afgespeeld, gewoon van
belang is dat de onzekerheid en de onduidelijkheid bij budgethouders en
zorgverleners worden weggenomen. Dat is ook gewoon belangrijk, want die
onzekerheid en die onduidelijkheid zijn er, en die leiden zelfs tot
rechtszaken. Van gejuridiseer wordt ook niemand beter.
De voorzitter:
Ik wil zelf even het woord, want ik heb een vervolgvraag.
Voorzitter: Flach
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Kan de minister iets exacter zijn over wat een juridische basis is om
geld over te maken? Over welk geld gaat het dan? Voor welke dingen is er
een juridische basis nodig? Wat ontbreekt daar nu in? Naar mijn idee
zijn de WW en de WIA namelijk al wel over te maken. Waarvoor ontbreekt
nu de juridische basis?
Minister Paul:
Doordat het wetsvoorstel is voorbereid en in gang is gezet, zijn er,
even simpel of simplistisch gezegd, al schuifjes omgezet. Om het geld
uiteindelijk op een rechtmatige manier over te kunnen maken aan de
pgb-zorgverleners voor de diensten die ze verrichten, is het belangrijk
dat dit wetsvoorstel wordt aangenomen en dat we de juridische basis
daarvoor hebben. Er zijn een aantal zaken in werking gesteld. Uw Kamer
en ik zijn het erover eens dat we dat wat voorbarig hebben gedaan. Maar
dat is gebeurd. Daardoor missen we de basis om … Zeg ik het nu goed? Ja.
Ik begin nu aan mijzelf te twijfelen, maar dat is niet nodig. Dit is wel
heel plastisch en letterlijk, maar zonder de schuifjes die in dat
implementatietraject zijn omgezet, kan de SVB dat geld simpelweg niet
overmaken.
De voorzitter:
Is dat voldoende voor mevrouw Patijn? Nee, ze heeft een
vervolgvraag.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Dan probeer ik even een conclusie te trekken. Het zou heel fijn zijn als
de minister kan aangeven of ik het fout of goed heb. Begrijp ik het dan
goed dat er op de vraag van mevrouw Wendel gezegd wordt dat dit te maken
heeft met het feit dat de SVB de maatregelen niet meer kan terugdraaien?
Of gaat het om de juridische basis om überhaupt geld over te mogen maken
aan de zorgverleners?
Minister Paul:
Überhaupt.
De voorzitter:
Ik kijk even naar mevrouw Patijn om te zien of dat op dit moment
voldoende is. Dat is het geval. Dan geef ik het voorzitterschap weer
terug.
Voorzitter: Patijn
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
Minister Paul:
Voorzitter. Dan ga ik door met een vraag van de heer Flach. Hij vroeg of
er een uitvoeringstoets is uitgevoerd ten aanzien van de
inwerkingtreding met terugwerkende kracht en, zo ja, wat de uitkomsten
daarvan waren. De uitvoerbaarheid van de terugwerkende kracht is de
afgelopen periode uitvoerig getoetst bij de uitvoering, onder andere bij
de SVB en het UWV, maar ook de Belastingdienst en de VNG zijn hierbij
betrokken geweest. Er is ook geschakeld en gesproken met andere
stakeholders, zoals Per Saldo en Zorgverzekeraars Nederland. De
terugwerkende kracht is uitvoerbaar voor de betrokken organisaties. Ik
verval een beetje in herhaling, maar het is voor de betreffende burgers
en uitvoeringsorganisaties zelfs nodig dat dit wetsvoorstel per 1
januari 2026 in werking treedt. Een latere uitvoeringsdatum zou grote
problemen met zich meebrengen, zoals ik eerder en ook net in antwoord op
mevrouw Patijn heb aangegeven. De toets is gedaan, maar uiteraard blijft
de regering in overleg met de betrokken organisaties, zodat eventuele
risico's tijdig kunnen worden onderkend. Dus we houden de vinger aan de
pols.
In het verlengde daarvan vroeg de heer Flach of ik kan toezeggen een
invoeringstoets te doen en de Kamer periodiek te informeren over de
uitvoeringsgevolgen. Gezien alles wat er speelt en ook de wens van niet
alleen de Kamer, maar ook, denk ik, van de staatssecretaris en mijzelf
om goed de vinger aan de pols te houden, wil ik met de
uitvoeringsorganisaties bezien of het mogelijk is enige tijd na
inwerkingtreding een invoeringstoets te doen. Meestal is dat na een
jaar. Ik weet niet of het wenselijk en mogelijk is om dat misschien iets
naar voren te halen, maar daar moeten we naar kijken. Daarbij wil ik ook
meenemen hoe wij uw Kamer zo goed mogelijk kunnen blijven informeren
over de werking van het wetsvoorstel in de praktijk. Als je dan al
veranderingen doorvoert, is het belangrijk om ook de impact en eventueel
onvoorziene neveneffecten goed in kaart hebben. Om een goed beeld te
kunnen geven, kan de Kamer twee keer per jaar geïnformeerd worden. Vaker
informeren levert meestal niet een beter beeld op, omdat je ook gewoon
een x-volume nodig hebt om er überhaupt een zinnig oordeel over te
kunnen vellen. Dat kunnen we gaan doen.
De heer Neijenhuis vroeg of wetsaanpassingen sneller kunnen worden
doorgevoerd in ICT-systemen, maar volgens mij heb ik die vraag al
beantwoord.
De heer Ceulemans vroeg naar een nadere toelichting op verwijtbaar
handelen, in relatie tot loondoorbetaling bij ziekte. Of een
budgethouder verwijtbaar heeft gehandeld, hangt af van de omstandigheden
van het geval en kan per situatie verschillen. De verwachting is dat dit
niet vaak zal voorkomen, doordat de SVB zorgt voor ondersteuning bij de
re-integratieverplichtingen en eigenlijk die hele taak overneemt. Mocht
er toch een loonsanctie worden opgelegd, dan past de SVB maatwerk toe om
financiële gevolgen voor de budgethouder te voorkomen of te
minimaliseren. We nemen dit punt expliciet mee in de evaluaties en ook
in de invoeringstoets, want ik snap de zorg. Er is een onderliggende
zorg en die snap ik heel goed. We willen namelijk geen onmogelijke zaken
neerleggen bij de pgb-houder. Dit nemen we er dus expliciet in
mee.
Voorzitter. Ik ga door naar het derde blokje.
De voorzitter:
Ik onderbreek u even, want de heer Ceulemans heeft een vraag.
De heer Ceulemans (JA21):
Dank aan de minister dat het belang hiervan onderschreven wordt. Ik denk
dat dit wel een schoolvoorbeeld is van waar veel kritiek vandaan komt.
Normaal gesproken, als er loondoorbetaling bij ziekte moet plaatsvinden,
komt dat boven op het budget, zodat er elders zorg ingekocht kan worden
en de loondoorbetaling ook kan plaatsvinden, behalve als het verwijtbaar
is. Als het dan verwijtbaar is, wordt er een constructie gevonden waarin
er alsnog, dus feitelijk, gecompenseerd wordt. Vindt de minister dit
zelf niet een heel ingewikkelde constructie?
Minister Paul:
Het klinkt omslachtig; dat geef ik toe. Het punt is dat het op zich
valide is om dat element van verwijtbaar handelen op te nemen. Als er
sprake van is, is het ook niet gek dat het consequenties heeft.
Tegelijkertijd is er ons alles aan gelegen om de last en de belasting
voor de pgb-budgethouder te minimaliseren, zo veel mogelijk weg te
nemen. Daarom wordt de ondersteuning bij het hele traject van
re-integratieverplichtingen — daar ging het met name om — ook
overgenomen door de SVB. Ik denk dat de staatssecretaris daar wellicht
zo meteen meer over zal zeggen, dus ik weid er niet al te veel over uit.
Maar dat is iets wat integraal overgenomen wordt door de SVB.
Voorzitter. Dan ga ik alsnog door naar het derde blokje, over
budgethouders en zorgverleners. Er zijn diverse vragen over gesteld. Ik
begin met een vraag van de heer Mulder: hoe kan worden voorkomen dat de
budgethouders er volledige werkgeverstaken bij krijgen? De budgethouders
hebben de mogelijkheid gebruik te maken van de dienstverlening van de
SVB bij de uitvoering van de aanvullende werkgeverstaken. Ook ontvangen
de bij de overheid bekende budgethouders compensatie van de SVB voor de
werkgeverstaken. Dat gaat om brede ondersteuning die erop gericht is om
de pgb-houder zo veel mogelijk te ontlasten en te ondersteunen. De
staatssecretaris zal daar zo meteen meer over zeggen.
Mevrouw Wendel en de heer Mulder vroegen naar de mogelijkheid om een
werknemer te ontslaan, bijvoorbeeld als er een conflict ontstaat. Het
kan toch niet zo zijn, zo zeiden zij, dat iemand verplicht wordt zorg te
blijven ontvangen van degene met wie het botst. Het is natuurlijk een
heel persoonlijk type dienstverlening. Het is ook heel kwetsbaar, in
veel gevallen. Maar de realiteit is dat ook nu pgb-houders een geldige
reden moeten hebben om een zorgverlener te ontslaan. Dat verandert niet
met dit wetsvoorstel. Wel wordt geregeld dat de redelijke grond vooraf
moet worden getoetst door bijvoorbeeld UWV. Dat betekent niet dat de
budgethouder geen afscheid kan nemen van een zorgverlener, want de
rechter houdt nu al rekening met de bijzondere situatie van de
budgethouder, gezien de persoonlijke en vaak ook kwetsbare situatie. De
budgethouder kan via de SVB juridische ondersteuning krijgen bij een
eventuele procedure. Maar — en dat is denk ik heel belangrijk om te
vermelden — nu al wordt meer dan 80% van de beëindigingen in de praktijk
met wederzijds goedvinden geregeld. Dat is dus zonder tussenkomst van
UWV of de kantonrechter, want uiteindelijk moet je niet met elkaar
verdergaan als het niet werkt, als het niet klikt, als het niet lukt.
Dat geldt voor beide kanten, voor de pgb-houder maar zeker ook voor de
pgb-zorgverlener. Uit de praktijk blijkt dat het in vrijwel de meeste
gevallen, 80%, in gezamenlijk overleg wordt beëindigd.
Mevrouw Bühler (CDA):
Dank voor de toelichting. U geeft aan dat het in 80% van de gevallen in
overleg wordt beëindigd. Ik vraag me af waar we het dan over hebben. Hoe
kunnen we deze gegevens hebben? Op dit moment hoeven we dat namelijk nog
niet bij te houden, want de zorgverlener en de budgethouder kunnen dat
nu nog op een andere manier organiseren. Dus ik ben benieuwd waar die
wetenschap op gebaseerd is. Er is sprake van juridische ondersteuning
bij een conflictsituatie. We gaan er eigenlijk van uit dat er nog geen
conflictsituatie is als er ontslag geregeld moet worden en daar
toestemming voor gevraagd moet worden bij het UWV. Moet ik me dan
voorstellen dat een budgethouder een brief moet schrijven aan het UWV,
of moet formuleren waarom het niet werkt? Ik kan me voorstellen dat dat
heel ingewikkeld is. Kunt u mij vertellen hoe dat werkt?
Minister Paul:
Ik kom op beide vragen graag in tweede termijn terug.
Mevrouw Wendel (VVD):
Aansluitend op de vraag van mijn collega: als ik hoor dat 80% van de
arbeidsrelaties in goed, gezamenlijk overleg wordt beëindigd, vraag ik
me af welk probleem wordt opgelost door dit nu aan te passen. Als het nu
goed loopt, zou ik zeggen: niets meer aan doen.
Minister Paul:
Wat we hiermee doen, is dat we … Nee, sorry. Ik ben het even kwijt. Ik
kom hier ook in tweede termijn op terug. Dan pak ik dit samen.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog.
Minister Paul:
Een vraag van mevrouw Wendel: welke taken blijven sowieso bij de
budgethouders? Wat zijn de risico's voor de budgethouder vanuit de rol
als werkgever? De budgethouder blijft eindverantwoordelijk als werkgever
en moet daarmee voldoen aan de plichten die uit het werkgeverschap
voortvloeien. Maar om budgethouders hierin te ondersteunen heeft de SVB
de wettelijke taak gekregen om budgethouders in den brede in hun
werkgeverstaken te ondersteunen. Deze ondersteuning gaat van het
volledig voeren van de salarisadministratie tot uitgebreide
verzuimbegeleiding en het compenseren van het doorbetalen van loon bij
ziekte.
Voorzitter: Flach
De voorzitter:
Voordat we verdergaan, is er een vraag van mevrouw Patijn.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Het is altijd ingewikkeld als een debat zo belangrijk is en je toch
gewoon mee wilt doen. Ik zou het heel fijn vinden om toch wat
specifieker per taak — in de stukken gaat het bijvoorbeeld ook over
re-integratie en scholing — uitgelegd te krijgen welke rol de SVB
waarbij heeft. Dat mag ook in de tweede termijn.
Minister Paul:
Nou, dat gaat de staatssecretaris in haar eerste termijn doen. Zij gaat
dat expliciteren.
Voorzitter: Patijn
Minister Paul:
Ik blijf bij mevrouw Patijn. In de memorie van toelichting is aangegeven
dat de Wet flexibel werken geringe invloed zal hebben op de
arbeidsovereenkomst, maar volgens haar zijn er ook andere geluiden en
zorgen. Allereerst is het van belang te wijzen op de bijzondere aard van
de werkrelatie tussen de budgethouder en de pgb-zorgverlener. We hebben
geen aanleiding om aan te nemen dat zorgverleners als gevolg van deze
wet ineens andere wensen krijgen omtrent hun werkuren. Daarover zijn
immers al afspraken gemaakt tussen de budgethouder en de zorgverlener.
In de memorie van toelichting is daarom ook aangegeven dat het effect in
de praktijk vermoedelijk gering is. In alle eerlijkheid: we hebben ook
geen signalen ontvangen die een andere kant op wijzen. De reden om voor
te stellen om de uitzondering in de Wet flexibel werken voor
pgb-zorgverleners onder de Rdah te laten vervallen, is om ook op dit
punt, conform de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, ongelijke
behandeling tegen te gaan. Dat is ook, zoals ik eerder aangaf, een
juridische risicoafweging geweest.
Mevrouw Patijn vroeg ook hoe we het arbeidsverleden gaan vaststellen.
Wat wordt meegenomen bij het vaststellen van het arbeidsverleden van
deze professionals? UWV heeft dit ook in de beoordeling van het
wetsvoorstel geanalyseerd en beoordeeld. Doordat pgb-zorgverleners niet
in de systemen voor werknemers zijn opgenomen, worden deze banen niet
automatisch bij het arbeidsverleden geteld. De beoordeling van het
arbeidsverleden vindt voor — ik noem ze even: reguliere — werknemers
plaats op basis van de arbeidsverledenregistratie. Als er in eerdere
jaren is gewerkt als pgb-zorgverlener op basis van de Rdah, staan die
jaren dus nog niet altijd geregistreerd als arbeidsverleden. Deze jaren
kunnen wel op verzoek van degene die de uitkering aanvraagt alsnog
worden bijgeteld als arbeidsverleden. UWV kijkt dan wel of er voldoende
aanwijzingen zijn dat het arbeidsverleden moet worden aangevuld. Ook
hiervoor hanteert UWV een pragmatische werkwijze, met een handmatig
proces op basis van uitvraag van extra gegevens, want het zit dus niet
in de systemen.
Mevrouw Patijn vroeg me of het voor de uitvoering mogelijk is om op een
goede manier het dagloon vast te stellen. Zoals UWV in zijn
uitvoeringstoets heeft aangegeven, gaat het hierbij om een pragmatische,
handmatige werkwijze. Deze zorgverleners staan nu namelijk niet met … Er
staat "sv-loon", maar waar staat dat ook alweer voor? Sorry, ik moest
denken aan "schriftelijke vragen". Dat is ook beroepsdeformatie. Ze
staan dus niet met sv-lonen in de polisadministratie waar alle
werknemers in staan, omdat het loon nog niet als verzekerd loon wordt
doorgegeven. Voor de dagloonvaststelling zijn daarom aanvullende
gegevens nodig vanuit de SVB, de zorgverlener en/of de budgethouder. Het
kan dus, maar het is een handmatig proces. Het moet handmatig uitgevoerd
worden. Het is bewerkelijk, maar het kan en waar nodig zal het ook
gebeuren.
Voorzitter. Dan ga ik verder met het vierde blokje, over eventuele
arbeidsmarkteffecten. De heer Flach en de heer Mulder vroegen hoe de
regering aankijkt tegen onrust en mogelijke ontslagen die naar
aanleiding van dit wetsvoorstel zouden kunnen plaatsvinden. Aanpassing
van regelgeving in de arbeidsrelatie kan altijd vragen oproepen, zeker
in een bijzondere situatie als het pgb. Wat volgens mij heel belangrijk
is, is dat we als regering maximaal inzetten op communicatie over het
wetsvoorstel, via alle kanalen en alle ketenpartners die we hebben, over
welke implicaties er wel maar ook niet zijn, om ervoor te zorgen dat er
in ieder geval niet op basis van verkeerde informatie besluiten worden
genomen.
De voorzitter:
Een vraag van de heer Flach.
De heer Flach (SGP):
Dit is wat mij betreft een heel algemeen en niet afdoend antwoord, want
die zorgen over dat er ontslagen vallen komen niet uit de lucht vallen.
Die zijn niet fictief. Ons hebben signalen bereikt van pgb-budgethouders
die het gewoon niet meer aandurfden om verder te gaan en die pro forma,
of soms ook de facto, de overeenkomst hebben opgezegd, niet omdat er
verkeerde informatie beschikbaar was, maar omdat er onduidelijke en
onvolledige informatie beschikbaar was. In sommige gevallen was er
helemaal geen informatie. Geeft de minister zich wel rekenschap van de
verstrekkende gevolgen van de langslepende onduidelijkheid, gekoppeld
aan het slordige proces, voor de budgethouders die op dit moment echt
zonder zorgverleners zitten?
Minister Paul:
Daar geef ik mij zeker rekenschap van. Het was ook niet de bedoeling om
badinerend te doen of te doen alsof er geen problemen zijn. Het punt is
alleen dat dé weg voorwaarts is ervoor zorgen dat we heel duidelijk
communiceren over wat iets wel betekent, maar ook wat het niet betekent.
Wat de heer Flach zegt, sterkt me in die overtuiging. Als zaken
onduidelijk of onzeker zijn en er sprake is van een onvolkomen — de heer
Flach noemt het "slordig" — proces, snap ik heel goed dat mensen
terughoudend zijn in hun handelen, of dat ze vanuit die onzekerheid
overgaan tot stappen die eigenlijk niet nodig hoeven te zijn. Het is
heel verdrietig dat dat plaatsvindt. Het enige wat wij daar vanuit het
kabinet aan kunnen doen, met de partners met wie we samenwerken, is
ervoor zorgen dat we hier zo goed mogelijk over communiceren en dat de
informatie, die lange tijd niet beschikbaar was, er wel is. We moeten
alle kanalen en alle mogelijkheden die we tot onze beschikking hebben,
inzetten. Ik denk dat dat de oplossing is. Als er sprake is van
onzekerheid of onduidelijkheid, gaat het er vaak om dat je veel
gerichter moet communiceren.
Mevrouw Wendel vroeg wat de effecten zijn van dit wetsvoorstel. Verwacht
ik dat zorgverleners afhaken? Het is niet de verwachting dat dit type
overeenkomst … De heer Flach vroeg ook of mensen misschien wel stoppen
omdat ze niet weten waar ze aan toe zijn. Een deel van het antwoord
daarop wil ik hier herhalen. Het is niet de verwachting dat het type
overeenkomst als gevolg van dit wetsvoorstel verandert. Evenmin wordt
een vlucht naar zelfstandigheid of schijnzelfstandigheid verwacht. De
omstandigheden van het geval in de praktijk bepalen namelijk welk type
overeenkomst van toepassing is: een arbeidsovereenkomst of een
overeenkomst van opdracht. We houden in ieder geval de komende periode
goed de vinger aan de pols. Daarnaast evalueren we formeel vijf jaar na
inwerkingtreding. We gaan in ieder geval, zoals ik al heb aangegeven,
ook op veel kortere termijn een invoeringstoets doen, om te kijken of er
sprake is van ongewenste neveneffecten, ongewenste arbeidsmarkteffecten,
want daar willen we dan ook aandacht aan besteden, mocht het zo
zijn.
Mevrouw Wendel vroeg ook of er straks niet ook een prikkel is om buiten
de publiek gefinancierde route om hulp aan te vragen of zwartwerk aan te
bieden. Zij vroeg of die prikkel groter wordt. Mensen met een zorgvraag
kunnen altijd hulp krijgen. Het toegekende budget moet toereikend zijn.
Dat betekent dat alle benodigde zorg uit het budget betaald kan worden.
Sorry, er was nog een aanvullende vraag: wat betekent dit als er sprake
is van een combinatie van pgb-budget en een particulier budget voor
hulp? Het is niet de bedoeling dat de budgethouder hier eigen middelen
voor inzet. Het risico op zwartwerken voor hulpvragen gericht op zorg
acht ik daarom niet groot.
Mevrouw Wendel (VVD):
Dank aan de minister voor de beantwoording. Wat mij opvalt in dit hele
verhaal, en eigenlijk ook nog steeds in de beantwoording van de
minister, is dat er voor mijn gevoel echt slecht zicht is op wie de
zorgverlener is. Wie zitten er nou in de doelgroep? Ervaren zij een
probleem, ja of nee? Hoe zit dat in elkaar? Ik ben blij om te horen dat
de minister de effecten van deze wet de komende jaren echt actief gaat
monitoren. Ik zou wel aan de minister willen vragen of zij kan toezeggen
dat zij er actief voor gaat zorgen dat er meer zicht komt op wie de
zorgverlener is en waar deze wel en niet tegen aanloopt, zodat wij geen
wetten en regels gaan wijzigen terwijl daar wellicht helemaal geen vraag
naar is. Het gaat erom dat we het goed doen voor de mensen op de
vloer.
Minister Paul:
Zeker, dat is uiteindelijk altijd het doel. Los daarvan heeft de reden
waarom we überhaupt met deze wetgeving zijn gekomen, alles te maken met
de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, zoals ik al aangaf in mijn
inleidende woorden. Daar is het mee begonnen. Vervolgens wil je dat doen
op een manier die steekhoudend is en die ervoor zorgt dat — hoe zeg je
dat? — er wordt voorzien in de behoefte van zowel de pgb-houder als van
de pgb-zorgverleners. Daar komt het op neer. Bij de pgb-zorgverleners
gaat het over de gelijke behandeling, over het gelijkschakelen met
andere typen zorgverleners. Daar is het om begonnen. Als je het dan hebt
over evaluatie en de vinger aan de pols houden, is deze doelgroep, zijn
deze stakeholders, heel belangrijk om mee te nemen. Dat nemen we dus mee
in de evaluatie.
De voorzitter:
Er is een vervolgvraag van mevrouw Wendel.
Mevrouw Wendel (VVD):
Enkel de vraag: kan ik dat opvatten als een toezegging?
Minister Paul:
Ja, dat mag mevrouw Wendel opvatten als een toezegging. Ik geloof dat
daar ook nog iets bij hoort, namelijk dat je erop terugkomt. Wanneer we
de resultaten van de invoeringstoets delen, zullen we expliciet op dit
punt terugkomen. Dat komt dan naar uw Kamer.
De voorzitter:
Ik probeer even heel scherp te krijgen wat nu precies de toezegging
is.
Minister Paul:
Ja, ik moet het even goed zeggen. De toezegging is dat we inzicht in de
doelgroep willen creëren en in de behoeften die zij hebben.
Dan ga ik door met een vraag van de heer Neijenhuis over zzp, maar die
heb ik eigenlijk al beantwoord.
Mevrouw Patijn had de vraag hoe we voorkomen dat bemiddelingsbureaus
oppoppen en geld verdienen aan de onzekerheid van budgethouders,
waardoor zij minder zorg kunnen krijgen. De SVB biedt allerhande
ondersteuning in de salarisadministratie en op andere vlakken aan de
budgethouders, waardoor het niet aantrekkelijk en niet nodig is om een
bemiddelingsbureau in te huren. Eigenlijk vervult de SVB — dat is een
beetje oneerbiedig — die rol. Die zorgt ervoor dat de zaken optimaal op
elkaar aangesloten blijven. Tegelijkertijd kan ik niet verbieden dat
mensen hulp inschakelen om zorgverleners te vinden. Dus op het moment
dat je als individuele pgb-houder een bureau wilt inschakelen om in
bepaalde diensten te voorzien, is dat een mogelijkheid. Maar het is in
de meeste gevallen niet nodig, omdat dat uiteindelijk iets is wat vanuit
de ondersteuning van de SVB gedaan kan worden.
Voorzitter: Flach
De voorzitter:
Dit antwoord leidt nog tot een vraag van mevrouw Patijn.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Naar mijn idee geeft de minister aan — dat heb ik ook wel begrepen — dat
er vrij veel wordt overgenomen aan organisatorische handelingen door de
SVB. Er wordt juridisch ondersteund met een verzekering en een
arbodienst. Die heb ik allemaal gezien. Dat hebben we kunnen lezen. Het
juridisch werkgeverschap blijft echter liggen bij de budgethouder. Het
grote verschil tussen een bureau en de SVB is dat het juridisch
werkgeverschap overgedragen wordt. Mijn zorg zit 'm erin dat er bij de
payrollbedrijven — dat is dan wat je doet: je werft zelf je mensen, je
vindt zelf je eigen mensen, en je brengt ze onder bij een payrollbedrijf
— veel geld blijft hangen. Ik zou de minister willen vragen of er een
mogelijkheid is om in ieder geval — ik ben het wel met de minister eens
dat het bijna onvermijdelijk is dat dit soort bureaus actief gaan worden
— een soort begrenzing aan te geven voor hoeveel er dan naar zo'n bureau
gaat. Is er nog iets van sturing extra te geven, los van de Wtta die
hier van toepassing is?
Minister Paul:
Nee. In beginsel is dat niet mogelijk, omdat het aan een individuele
pgb-houder is om de bepalen wie hij of zij inzet en hoe dat dan precies
vorm krijgt. In algemene zin mag je aannemen dat wanneer je bureaus
inschakelt voor welke zaken dan ook, dat gepaard gaat met een bepaalde
marge. Dat gaat uiteindelijk af van je budget. Ik stel me zo voor dat je
op het moment dat je keuzes moet maken en ook op een andere manier in
die dienstverlening kunt voorzien, dat niet zult doen op een duurdere
manier, maar dat verbieden in den brede is niet mogelijk. Dat kan
niet.
Voorzitter: Patijn
De voorzitter:
Dan vervolgt u uw betoog.
Minister Paul:
Voorzitter. Dan ben ik aanbeland bij de amendementen. Die wil ik nu
eigenlijk in één keer achter elkaar appreciëren.
De voorzitter:
Een moment. Wellicht staan er nog een paar vragen open.
De heer Flach (SGP):
Ja, even een verhelderende vraag. Ik had verwacht dat er ook een blokje
zou zijn waarin specifiek op budget en compensatie zou worden ingegaan,
apart. Dat komt nog? Oké. Prima.
De voorzitter:
Ik had ook in mijn hoofd dat het op die manier zou gaan. Dus die houden
we nog even vast. De appreciatie door de minister.
Minister Paul:
Had ik al gezegd hoe fijn het is om dit debat samen te doen?
Voorzitter, de appreciaties van de amendementen. De amendementen van het
Kamerlid van Neijenhuis van D66 worden door de staatssecretaris
geapprecieerd.
Ik begin bij het amendement op stuk nr. 10. Het amendement op stuk nr.
10 gaat over het sneller evalueren. Die geef ik graag oordeel Kamer.
Hoewel de voorgestelde periode best kort is om goed de effecten te
onderzoeken, snap ik heel goed, gezien alles wat er vooraf is gegaan, de
wens van de Kamer om vinger aan de pols te houden en zo snel als
mogelijk te evalueren. Dus het amendement op stuk nr. 10 krijgt oordeel
Kamer.
De amendementen op de stukken nrs. 20, 21, 22 en 24 zien onder meer op
het uitzonderen van de loondoorbetaling bij ziekte, loonbelasting en
premies en de werknemersverzekeringen. Deze amendementen ontraad ik met
de volgende appreciatie. Het betalen van loonbelasting en premies is in
ons stelsel onlosmakelijk verbonden met het recht op een
werknemersuitkering. Daarom ontraad ik de amendementen op de stukken
nrs. 20 en 21, die zien op de uitzonderingen voor de loonbelasting, met
nadruk. Dit is ook niet uitvoerbaar in de salarisadministratie. Dit niet
regelen leidt tot onuitlegbare verschillen ten opzichte van andere
groepen werknemers buiten de Rdah voor wie wel premies afgedragen moeten
worden.
Daarnaast is loonbetaling bij ziekte noodzakelijk om te regelen. Door
deze amendementen, die op de stukken nrs. 20 en 21, ontstaat de
onwenselijke situatie dat de pgb-zorgverleners recht hebben op slechts
zes weken loondoorbetaling bij ziekte en pas na twee jaar eventueel in
aanmerking kunnen komen voor de WIA. Dat is een fors gat, van 98 weken,
waarin de zieke pgb-zorgverlener zonder inkomen zit. Daarnaast lopen nu
al rechtszaken van zorgverleners en dat zijn, zoals ik al aangaf, ook
rechtszaken tegen individuele pgb-houders. Er is een grote kans dat de
rechtszaken verloren worden en dit terwijl de SVB klaarstaat om
budgethouders te compenseren en ze ook ondersteunt tezamen met de
arbodienst. Dit doen ze overigens ook al voor pgb-houders die nu al
volledig werkgever zijn. Dit niet regelen leidt tot onduidelijkheid,
onzekerheid en onwenselijke uitkomsten voor zorgverleners en
budgethouders. Daarom ontraad ik ook de amendementen op de stukken nrs.
21 en 22 met nadruk.
De uitkeringen van de Wet arbeid en zorg vallen net zo goed onder de
werknemersverzekeringen als de uitkeringen voor WW en Ziektewet. Het is
dus op basis van de huidige uitspraak die er ligt echt noodzakelijk dit
te regelen. Het is ook niet uitvoerbaar voor UWV. Daarom ontraad ik ook
het amendement op stuk nr. 24 nadrukkelijk.
Dan de amendementen op de stukken nrs. 23, 25, 26 en 29. Door de
uitspraak van de Centrale Raad van Beroep moeten de rechten van
verschillende groepen zorgverleners met elkaar gelijkgetrokken worden.
De Centrale Raad van Beroep heeft in de uitspraak geoordeeld over de
uitzondering voor de werknemersverzekeringen, maar volgens de regering
zijn ook de andere uitzonderingen voor pgb-zorgverleners met een
arbeidsovereenkomst van minder dan vier dagen niet goed te
rechtvaardigen. Voor deze uitzonderingen geldt namelijk dezelfde
Europese toets op gelijke behandeling van pgb-zorgverleners en andere
werknemers. Het is dus een risico-inschatting of uitzonderingen voor de
Wet flexibel werken, het ontslagrecht en scholing wel standhouden. Mocht
dat niet zo zijn, dan is weer reparatiewetgeving noodzakelijk als dit
amendement wordt aangenomen. Ook dat vindt de regering onwenselijk. Dit
leidt namelijk weer tot nieuwe onzekerheid voor budgethouders,
zorgverleners en de pgb-keten. Daarom ontraad ik het amendement op stuk
nr. 23 over de Wet flexibel werken, het amendement op stuk nr. 25 over
ontslag en het amendement op stuk nr. 26 over scholing.
Dat is anders bij het amendement op stuk nr. 29 van mevrouw Bühler.
Daarmee wordt het niet uit het wetsvoorstel gehaald, maar blijft het
mogelijk om de rechten ten aanzien van de Wet flexibel werken, ontslag
en scholing bij koninklijk besluit te regelen en de andere onderdelen nu
wel geheel te regelen. Daarom is dit een risicoafweging die ik aan uw
Kamer wil meegeven. Wanneer uw Kamer een andere risicoafweging maakt,
wil ik dit laatste amendement, het amendement op stuk nr. 29, oordeel
Kamer laten.
Tot zover, voorzitter.
De voorzitter:
Dat was een hele administratie. Ik kijk even of er nog interrupties
zijn. Ja, ik zie mevrouw Bühler.
Mevrouw Bühler (CDA):
Het is misschien niet logisch om dit na de appreciatie van de
amendementen te doen, maar ik wist dat ik maar een aantal interrupties
had. Ik dacht: ik kijk even wat ik nog aan vragen heb. Ik zou dus
eigenlijk graag teruggaan naar een eerder blokje. Het gaat met name over
loondoorbetaling bij ziekte. Ik snap dat ik u daarmee overval. Waar ik
naar zit te kijken, is het volgende. Ik heb al medegedeeld dat er sprake
is van een enorme worsteling bij mij als nieuw Kamerlid en ook bij de
CDA-fractie rondom de zaken die arbeidsrechtelijk wel en niet geregeld
zouden moeten worden wat ons betreft. Wat ik heb begrepen, is dat er
sprake is van een juridische realiteit waarin we merken dat er heel veel
gedoe ontstaat als de loondoorbetaling zo blijft als die nu is in de
Regeling dienstverlening aan huis: zes weken lang loondoorbetaling en
dan heb je het recht om je medewerker te ontslaan als je liever een
andere zorgverlener wilt aanwerven. Ik heb veel pgb-houders gesproken.
Het is ook een zorg die we via Per Saldo doorkrijgen. Pgb-houders houden
van hun zorgverlener en willen het graag goed voor ze doen. Ik heb
begrepen dat het ontslag na zes weken loondoorbetaling echt problemen
met zich meebrengt, want dan gaan mensen uit dienst en krijgen zij geen
uitkering meer. Dat is voor ons een argument geweest om te kijken of we
daar dan wat milder moeten zijn in de beoordeling van ons eerste
amendement. Ik hoor daar eigenlijk helemaal niks over terug en dat vind
ik wel moeilijk, want daarmee krijg ik wel een beetje het gevoel van:
zijn we nu echt na aan het denken over onze mensen, de budgethouders en
de mensen die in dienst zijn …
De voorzitter:
U zet geen punt, dus ik ga u nu gewoon onderbreken. U moet een vraag
stellen en anders mag u het straks in uw inbreng doen.
Mevrouw Bühler (CDA):
Ik had het misschien in mijn tweede termijn kunnen doen, maar ik wil 'm
eigenlijk graag nu stellen. Waarom horen we dit niet en klopt de
interpretatie die ik hieraan geef?
Minister Paul:
Mevrouw Patijn zei net al: het is een hele administratie. Misschien is
het in de hele opsomming die ik deed niet helemaal goed overgekomen,
maar dat is nou juist een van de redenen waarom we die loondoorbetaling
bij ziekte goed willen regelen, ook voor de pgb-zorgverleners. Het is
inderdaad niet uit te leggen dat een pgb-zorgverlener eigenlijk tussen
wal en schip valt en niet de rechten heeft die een andere zorgverlener
of een andere werknemer heeft. Het gevoel dat mevrouw Bühler schetst,
ook vanuit de pgb-houder, dat het heel naar voelt als je je zorgverlener
moet ontslaan na die zes weken terwijl je gewoon ontzettend fijn
samenwerkt, dat begrijp ik helemaal en dat is nou juist ook wat we onder
andere regelen met dit voorstel. We regelen de loondoorbetaling bij
ziekte, zodat pgb-zorgverleners niet slechts recht hebben op zes weken
en ook niet hoeven te wachten. Zoals het nu is, krijg je na zes weken
niets en zou je na twee jaar eventueel in aanmerking kunnen komen voor
WIA. Dan zit je dus met een enorm gat. Met dit wetsvoorstel regelen we
dat die loondoorbetaling bij ziekte juist wel plaatsvindt voor twee jaar
en dat er ook geen ontslag meer is na zes weken. Dus dat even expliciet.
Dat heb ik net niet expliciet gezegd, dat laatste. Ik denk dat dat een
goede toevoeging is.
De voorzitter:
Dan denk ik dat we naar de staatssecretaris kunnen.
Staatssecretaris Pouw-Verweij:
Dank u wel, voorzitter. De Centrale Raad van Beroep is duidelijk geweest
in zijn uitspraak: het gebruik van de Regeling dienstverlening aan huis
in het pgb mag niet meer. Met dit wetsvoorstel brengt de minister van
SZW het in lijn met deze uitspraak. Zo zorgen we ervoor dat alle
zorgverleners met een arbeidsovereenkomst dezelfde werknemersrechten
krijgen. Mijn collega heeft hier al een uitgebreide toelichting
opgegeven. Vanuit mijn verantwoordelijkheid voor het pgb en de
uitvoering bij de SVB zie ik op het effect voor de budgethouders.
Budgethouders die al werkgever waren en onder de Rdah vielen, kunnen met
dit wetvoorstel geen gebruik meer maken van een verlichting van de
regels. Daarom vind ik het belangrijk dat de Sociale Verzekeringsbank
een groot deel van de administratieve verplichtingen overneemt en de
budgethouders ondersteunt. Dit deed de SVB al voor de budgethouders die
als werkgever geen gebruik maakten van de Regeling dienstverlening aan
huis en al volledig werkgever waren. Om het concreet te maken: de SVB
verzorgt de volledige salarisadministratie en kan daarnaast de
rechtsbijstand bij conflicten regelen, heeft een arbodienst voor
verzuimbegeleiding en zorgt ervoor dat zorgverleners buiten het budget
om worden doorbetaald bij ziekte.
Er waren zorgen bij uw Kamer over de toereikendheid van budgetten
vanwege de bijkomende plichten en werkgeverskosten voor budgethouders.
Ik deel deze zorg. Budgethouders moeten niet door het ijs zakken. Daarom
zorg ik ervoor dat budgethouders die te maken krijgen met dit
wetsvoorstel tijdelijk gecompenseerd worden voor de extra kosten die
voortvloeien uit de nieuwe regelgeving. Ik ben blij dat dit uiteindelijk
ook gelukt is voor de Zvw.
Dan ga ik nu graag in op de verschillende vragen van uw Kamer, met vier
kopjes. Het al gewenste kopje compensatie is het eerste. Het tweede is
uitvoering en administratieve lasten, het derde communicatie en tot slot
heb ik een ieniemienie kopje overig, waarin ik ook de amendementen zal
appreciëren.
Ik begin bij de vraag van mevrouw Patijn of de minister — dat is dan de
staatssecretaris — voor drie vormen van financiering nog een keer helder
kan uitleggen hoe de compensatie vormgegeven wordt. Per wet geldt dat
verstrekkers op verschillende wijze budgethouders financieel kunnen
helpen. In de Wlz geldt dat budgethouders twee jaar extra de tijd
krijgen om het budget passend te krijgen en dat tot die tijd 20%
gecompenseerd wordt. Voor de Wmo en de Jeugdwet geldt dat het aan de
gemeenten zelf is of en op welke manier zij financieel hulp bieden aan
budgethouders, zoals past bij ons decentrale stelsel. VWS heeft hiervoor
financiële middelen beschikbaar gesteld, waarbij opnieuw gekeken is naar
die 20%. In de Zvw wordt door het ministerie samen met verzekeraars en
de SVB een compensatie vormgegeven binnen de huidige werkwijze voor deze
wet. Daarbij is een verschil gemaakt tussen de budgethouders die de
overheid kent — deze worden al ondersteund door de SVB — en de groep die
de overheid nog niet kent, want heel simpel gezegd: wie we niet kennen,
kunnen we niet compenseren omdat we domweg niet weten wie die mensen
zijn. We doen uiteraard wel ons best om daar zicht op te krijgen en om
met hen in contact te komen. Daarom gaat de wet voor hen later in en
gaat dus de compensatie voor hen ook later in. Voor al deze groepen
geldt dat het om 20% gaat die voor een periode van twee jaar
gecompenseerd wordt, alleen via drie verschillende routes, zoals ook
past bij vier verschillende zorgwetten.
Voorzitter: Flach
De voorzitter:
Dat leidt tot een vraag van mevrouw Patijn.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Ja, een verhelderende vraag. Wlz-mensen krijgen dus 20% en de Zvw-mensen
krijgen 20% als ze bekend bij de SVB, maar de Wmo-mensen krijgen
misschien helemaal niks. Dat klopt dus wel? Het is dus aan de gemeenten
en die kunnen ook besluiten om niks toe te kennen? Daaraan gekoppeld: is
dan dat budget — dat was een vraag van de heer Flach, maar ik stel 'm
even als hij dat goedvindt — dat de staatssecretaris toegekend heeft aan
de gemeenten, het totaalbedrag, voldoende om die compensatie van 20% te
bieden?
Staatssecretaris Pouw-Verweij:
Volgens onze berekeningen wel. Dat budget is samengesteld op basis van
een compensatie van 20%, gelijk als bij de andere zorgwetten. Het
lastige is dat het voor mij moeilijk is om hierin een definitieve
toezegging te doen, omdat ik domweg niet ga over het beleid dat
gemeenten voeren. Wel is hier uiteraard met hen over gesproken. Er is
ook een handreiking gedaan vanuit het ministerie, met adviezen of
mogelijkheden om dit aan te pakken. Hier zijn gesprekken over geweest
met de VNG. Ik heb periodiek overleg met de VNG waarin ik ook telkens
zal vragen of dingen goed zijn en waarin we ook proactief hulp zullen
aanbieden. Als er casussen zijn waarin het niet goed gaat — ik hoorde
dat dat net ook werd genoemd — dan hoor ik dat heel graag. Tot nu toe
hebben wij geen casussen ontvangen waarin de gemeente heeft aangegeven
niet te willen uitkeren. Als die casussen er zijn, dan hoor ik dat heel
graag, zodat we ook specifiek met die gemeente of met de VNG over die
gemeente in gesprek kunnen gaan. Maar dit is het manco van ons
decentrale stelsel, dat ik helaas vanuit mijn portefeuille bij heel veel
debatten met de commissie voor VWS moet aangeven: ik kan de gemeenten
niet dwingen. Zo liggen de verhoudingen niet. Ik zal er vanuit mijn
positie wel alles aan doen om ervoor te zorgen dat de budgethouders in
de gemeenten vanuit de Wmo en de Jeugdwet gewoon die 20%
ontvangen.
Voorzitter: Patijn
De voorzitter:
Dan geef ik als voorzitter het woord aan de heer Flach.
De heer Flach (SGP):
De staatssecretaris zei: conform onze berekening is dat voldoende. Ik
heb in mijn bijdrage een soort schets daarvan gegeven: dat is gemiddeld
ongeveer €5.000 per gemeente. Het kost niet zo heel veel fantasie om te
bedenken dat dat gewoon nooit afdoende kan zijn, omdat gemeenten vaak
tonnen tot wel miljoenen uitgeven aan die pgb's. Dan kan €5.000 per
gemeente nooit afdoende zijn om dit te compenseren. Ik hoop dat we het
daar snel over eens zijn. Ons bereiken signalen, bijvoorbeeld uit de
gemeente Nijmegen en de gemeente Barendrecht, dat die tarieven gewoon
teruggeschakeld worden naar het minumumloonniveau. Dat is een bijkomend
probleem. Daar wordt het dus niet gecompenseerd; daar wordt het zelfs
helemaal compleet gemarginaliseerd. Vooral bij gemeenten hebben wij dus
echt grote zorgen rondom Wmo-tarieven. Ik koppel daar dan gelijk maar
het tweede deel van mijn vraag aan. Compensatie is goed voor twee jaar,
maar daarna is het op. Kan de staatssecretaris aangeven waarom dit niet
gewoon structureel geregeld is? Waarom wordt dit niet structureel
gecompenseerd? Want hoe je het ook wendt of keert, na twee jaar moet je
toch zomaar 20% van je tarief inleveren.
Staatssecretaris Pouw-Verweij:
Ik begin met de laatste vraag, want dat is een vrij fundamentele vraag
die in alle bijdragen naar voren komt. Er zijn op dit moment al ruim
2.000 budgethouders die al volledig werkgever zijn, en die dus alle
werkgeverslasten afdragen. De budgetten worden daar niet op aangepast.
Mensen krijgen gewoon een budget. Dat is gewoon een maximumtarief,
waarover we het ook hebben gehad. Er zijn dus al ruim 2.000 mensen die
vanuit 100% — althans, laten we het zo even noemen — al 20% aan
werkgeverslasten afdragen en 80% daarvan overhouden om zorg van in te
kopen. Die realiteit is er al langere tijd. Er waren mensen die vanuit
de Rdah niet die 20% hoefden af te dragen en daardoor 100% overhielden
om uit te geven aan zorgkosten. Zij moeten zich nu naar een nieuwe
situatie begeven, terwijl ze al bestaande arbeidsovereenkomsten hebben
en al zorg inkopen voor een bepaald tarief. Zij kunnen daardoor op de
korte termijn in de problemen komen. Wij hebben daarom gezegd: weet je
wat, dan zorgen wij voor een overbruggingstraject waarin we er 20% bij
doen om tijdelijk die werkgeverslasten op te vangen. Maar daardoor komen
zij dus op 120% budget uit, terwijl die 2.000 mensen die al volledig
werkgever waren, al langere tijd 100% krijgen. Daardoor ontstaat dus
ongelijkheid tussen die groepen. Mensen die eerst van de Rdah
gebruikmaakten, krijgen nu eigenlijk 20% meer budget, terwijl de
zorgvraag niet verschilt.
Zoals ik eerder zei, hebben we daarom aangegeven dat we die 20% ter
overbrugging willen geven, zodat mensen nu niet door het ijs zakken en
zij in die twee jaar de tijd hebben om aanpassingen te doen in de
zorgovereenkomsten die ze hebben. Maar daarbij verwachten wij wel dat
zij zich op termijn weer begeven naar die 100%, zoals nu al mogelijk is
bij de 2.000 budgethouders die al volledig werkgever zijn. Het gaat dus
echt nadrukkelijk om een tijdelijke tegemoetkoming, om een
overbruggingsperiode, zodat zij nu geen acute beslissingen hoeven te
nemen en nu geen mensen hoeven te ontslaan of heel veel minder zorg
moeten gaan inkopen. Maar we verwachten dus wel dat er naar die 100% toe
bewogen wordt, ook omdat we anders eigenlijk een inherente ongelijkheid
aan het creëren zijn tussen mensen die eerst geen gebruik hebben gemaakt
van de Rdah en mensen die dat wel gedaan hebben. Kortgezegd zou dat ook
niet eerlijk zijn. Dat was deel één. Er was verder nog een vraag over de
Wmo.
De voorzitter:
Ik denk dat mevrouw Bühler nog een vervolgvraag heeft.
Mevrouw Bühler (CDA):
Ik begrijp het toch niet helemaal, want de mensen die ik heb gesproken
en die gebruikmaken van de Regeling dienstverlening aan huis, hebben
zo'n specifieke zorgbehoefte dat die zorg niet gewoon in te kopen is met
een overeenkomst van dienstverlening, of hoe dat dan ook heet, of met
een overeenkomst met een zorgverlener. Het gaat vaak om zulke specifieke
contractjes of om zo'n specifieke zorgbehoefte dat ze echt mensen in
dienst moeten nemen, omdat ze die zorg anders niet geleverd krijgen. Als
je de financiering daarvan gaat vergelijken en je af gaat vragen of het
eerlijk is ten opzichte van anderen, ben je, denk ik, appels en peren
aan het vergelijken. Kan de staatssecretaris dat nog een keer
toelichten? Misschien zie ik het namelijk verkeerd.
Staatssecretaris Pouw-Verweij:
Ik zal niet snel tegen leden van uw Kamer zeggen dat ze dingen verkeerd
zien, dus daar onthoud ik me maar even van. Maar het is niet zo dat de
zorgvraag van de mensen die eerst gebruikmaakten van de Regeling
dienstverlening aan huis, inherent verschilt van die van de ruim 2.000
budgethouders die al volledig werkgever waren. Het heeft te maken met
hoe je de arbeidsovereenkomst aangaat en hoe je dus het werkgeverschap
inricht.
De verschillen liggen met name op het SZW-dossier en niet zozeer op het
zorginhoudelijke deel. Het kan zomaar zijn dat bij de mensen met een
vrijwel identieke zorgvraag, voor zover dat bestaat natuurlijk, en met
een gelijke indicatie qua uren en middelen, de een wel en de ander niet
voor de Rdah heeft gekozen. Dat staat namelijk los van het toegekende
zorgbudget. Zou dat niet zo zijn, dan zou het toegekende zorgbudget ook
hoger moeten zijn. In de Rdah is dus niet verdisconteerd dat er gezegd
zou kunnen worden: dit is een dusdanig specifieke zorgvraag dat je dit
budget krijgt en dat je het budget via de Rdah vorm moet geven. Die twee
staan los van elkaar.
De voorzitter:
Ik was te snel, want u zou ook nog antwoord geven op de vraag van de
heer Flach over de €5.000 per gemeente.
Staatssecretaris Pouw-Verweij:
Het waren twee vragen in één interruptie en ik begon inderdaad met de
laatste. Dit bedrag komt voort uit de uitvoeringstoets van de VNG zelf.
Het gaat hier om een wat kleinere groep en ook vaak om wat kleinere
budgetten dan we zien bij bijvoorbeeld de Wlz of de Zvw. Daarom gaan wij
ervan uit dat dit bedrag wel degelijk toereikend is. Mocht dat niet het
geval zijn, dan … Mijn collega heeft net ook al aangegeven dat we
uiteraard gaan evalueren, iets waar ik zo meteen ook nog wat
toezeggingen over zal doen. Maar dat gaan we zeker doen. Mochten we dan
zien dat deze bedragen niet toereikend zijn, gaan we natuurlijk terug
naar de tekentafel. Maar het is wel degelijk de intentie om ervoor te
zorgen dat de mensen die compensatie van 20% krijgen. Daarom stellen wij
als Rijk die middelen immers ook beschikbaar.
Ik hoop dat ik het goed onthouden heb, maar volgens mij hoorde ik een
concreet voorbeeld over Nijmegen. Daar ga ik heel erg graag het gesprek
over aan. Maar nogmaals, ik herken deze signalen niet. Als die er wel
zijn, dan vind ik dat zorgelijk en ga ik daar graag over in gesprek met
de gemeentes. Wij regelen deze compensatie namelijk niet voor niets. Ik
zou het heel jammer vinden als wij middelen aan de gemeenten zouden
geven die vervolgens niet bij de budgethouders terechtkomen. Dat is niet
de bedoeling.
De heer Flach (SGP):
De staatssecretaris gaf aan dat ze in de gaten gaat houden of de
budgetten voldoende zijn. Ik zou het nog ietsje verder naar voren willen
trekken: kunnen we niet met elkaar redelijkerwijs vaststellen dat we,
kijkend naar het totaal van de pgb-bedragen, ervan uit kunnen gaan dat
het niet voldoende is? Ik zou de staatssecretaris daarom om de
toezegging willen vragen om proactief een gesprek met de gemeente te
gaan voeren. Weten jullie echt zeker dat het voldoende is? De Kamer
heeft namelijk echt de behoefte om die compensatie goed te doen. Ik
vraag dat omdat er inderdaad signalen zijn. Ik noemde Nijmegen al, maar
er zijn ook voorbeelden in de gemeente Barendrecht en andere gemeenten
dat er toegewerkt wordt naar een minimumloonbedrag. Dat zijn gewoon zeer
zorgelijke signalen die tot grote zorgen leiden bij de budgethouders en
zorgverleners die afhankelijk zijn van de Wmo.
Staatssecretaris Pouw-Verweij:
Nogmaals, dit bedrag hebben wij niet bedacht, want het komt uit de
uitvoeringstoets van de VNG. Maar ik ben uiteraard bereid om contact op
te nemen, aan te geven dat er zorgen spelen in uw Kamer en om de VNG te
vragen te kijken of ze niet ergens een nul verkeerd gezet hebben. We
zijn niet zomaar op dit getal gekomen, maar ik ben uiteraard bereid om
navraag te doen.
Mevrouw Patijn vroeg naar de Wlz-overeenkomsten van na 2026. Eigenlijk
heb ik daar al iets over gezegd, want het gaat over een overbrugging.
Mensen die nú instappen, vertellen we gewoon: luister, dit is de 100%,
dit zijn de dingen die je daarvoor moet doen en daardoor houd je zoveel
over. De compensatie is dus echt een overbrugging voor mensen die al
allerlei arbeidscontracten hadden met bepaalde bedragen en die daar een
mouw aan moeten passen. Voor de mensen die nú instappen, gaat gewoon de
100% gelden, zoals dat al die tijd ook bij andere budgethouders is
gebeurd.
Voorzitter: Flach
De voorzitter:
Een vraag van mevrouw Patijn.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Ter verduidelijking. Er is ook een groep die voor 1 januari 2026 werkte
op basis van een overeenkomst tot opdracht. Wat is de consequentie voor
hen? Worden ze wel gecompenseerd?
Staatssecretaris Pouw-Verweij:
Die vraag zit ook ergens in mijn stapel met antwoorden. Het is altijd
lastig dat de volgorde waarin wij de vragen willen beantwoorden, niet
altijd de volgorde is die …
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Het is geen probleem als u er later op terugkomt.
Staatssecretaris Pouw-Verweij:
Ik kom er zo nog even op terug, want het is een flink stapeltje. Ik heb
'm langs zien komen en die vraag komt zeker aan de beurt!
Voorzitter: Patijn
De voorzitter:
Gaat u door.
Staatssecretaris Pouw-Verweij:
Verschillende Kamerleden hebben gevraagd wat er gebeurt na twee jaar
compenseren. Vallen de budgethouders dan alsnog in een gat? Onze hoop is
van niet. Het pgb biedt volledige eigen regie en budgethouders kunnen
dus zorg inkopen, zoals ze dat zelf willen. Dat houdt ook in dat
budgethouders bij een gelijke indicatie verschillende keuzes maken. Er
zijn daardoor ook budgethouders die ervoor gekozen hebben om niet
volgens de Regeling dienstverlening aan huis te werken, en die konden
dat aan met de huidige 100% van het budget.
Maar goed, ik besef tegelijkertijd dat twee jaar voor enkele
budgethouders wellicht wat te kort kan zijn. We houden daarom
nadrukkelijk de vinger aan de pols. Voordat deze twee jaar voorbij zijn,
zullen we verder ook kijken of er nog iets extra's nodig is voor de
budgethouders, zodat we bij eventuele schrijnende gevallen ondersteuning
en maatwerk kunnen bieden. Die toezegging kan ik u in ieder geval doen.
Maar het streven is dus nadrukkelijk dat de groep als geheel in ieder
geval toe gaat werken naar de nieuwe 100%, om het zo maar even te
noemen.
De heer Neijenhuis vroeg of de compenserende middelen in de Zvw
afhankelijk zijn van de SVB-route. "Hebben zich niet meer budgethouders
bij de SVB aangemeld?" Dat klopt. Er is op dit moment geen toename van
het aantal aanmeldingen van Zvw-budgethouders bij de SVB.
Een vraag van mevrouw Patijn: krijgen mensen de compensatie automatisch
of moeten mensen zelf de vinger opsteken? Verstrekkers proberen het zo
veel mogelijk automatisch te regelen voor de budgethouders. Voor de Wlz
wordt door de zorgkantoren vooraf gekeken of de budgethouder compensatie
nodig heeft. De budgethouder hoeft dus zelf niets te doen. Voor de Wmo
en de Jeugdwet bepalen de gemeenten dat en voor de Zvw wordt dit moment
nog gewerkt aan het vormgeven van de compensatie. Voor de ongeveer 450
budgethouders die ondersteund worden door de SVB wordt het automatisch
georganiseerd. Voor de overige budgethouders zijn we het aan het
uitwerken. Maar nogmaals: wie we niet in zicht hebben, kunnen we niet
compenseren. Maar voor hen gaat de wet op dit moment ook nog niet in.
Technisch gezien is er voor hen daardoor geen compensatie nodig, maar we
zijn er dus mee bezig om zicht op deze mensen te krijgen.
De heer Neijenhuis (D66):
De vraag of er een toename was bij de SVB van budgethouders die erop
aangesloten waren, stelde ik niet per se als feitelijke vraag. Als het
bekend zou zijn bij de pgb-houders en succesvol zou zijn, zou je
verwachten een toename te zien bij de SVB. Dan willen ze immers graag in
aanmerking komen voor compensatie. Dat zien we echter niet. Dan is de
vraag of dit wel voldoende bekend is bij de budgethouders. Zijn er niet
meer maatregelen nodig om ervoor te zorgen dat mensen op de hoogte zijn
van die compensatie die ze nodig hebben?
Staatssecretaris Pouw-Verweij:
Dit is een lastig punt, want dit zijn budgethouders die nog niet zijn
aangesloten bij de SVB en die wij bij VWS nog niet in beeld hebben. Wij
hebben via verschillende kanalen geprobeerd om zo veel mogelijk
budgethouders vanuit de SVB te bereiken, zo van: als je denkt dat je
misschien onder deze regeling valt, neem dan contact met ons op, want
mogelijk zijn er aanpassingen en compensatie nodig. Maar mensen moeten
zich wel melden, want ik weet niet wie het zijn. Wij weten niet wie het
zijn, dus kunnen wij geen contact met ze opnemen, en de verzekeraars
weten dit ook niet. Daarin zijn we aan het zoeken. We zijn ook met
verzekeraars in gesprek over hoe we ons ervan kunnen verzekeren dat
iedereen in ieder geval bericht heeft gekregen en de mogelijkheid heeft
gehad om zich te melden. Maar dat is lastig; daarin zijn we nog
zoekende. Dat is overigens mede reden — daar kom ik later nog op terug —
dat we in eerste instantie terughoudend waren met deze compensatie,
omdat er een inherente ongelijkheid zit tussen het deel
SVB-budgethouders dat al bij ons bekend is en waar we wat voor kunnen
doen, en het deel waar we geen zicht op hebben. Dat heeft een rol
gespeeld bij het feit dat we het lastig vonden om de compensatie vorm te
geven. Maar goed, daar kom ik zo nog even op terug.
Beantwoordt dat de vraag van de heer Neijenhuis?
De heer Neijenhuis (D66):
Het moge duidelijk zijn dat dit een lastige zaak is omdat je geen zicht
hebt op die mensen; alle begrip daarvoor. De staatssecretaris zegt dat
het een zoektocht is en dat ze daarmee doorgaat. Met die toezegging, zou
ik bijna willen zeggen, om ermee door te gaan en haar best te doen, vind
ik het goed.
Staatssecretaris Pouw-Verweij:
Die toezegging doe ik bij dezen ook graag. Zo mag het verwoord
worden.
Ben ik bereid om met de VNG in gesprek te gaan? Ja. Dat is een
toezegging, bij dezen.
Een vraag van de heer Flach: hoe monitor ik dat de zorgcontinuïteit niet
onder druk komt te staan? Nogmaals, ik vind het erg belangrijk dat
budgethouders niet in de problemen komen. Vanuit VWS houd ik dan ook
nauw contact met de SVB en de verstrekkers. Dat doe ik de komende twee
jaar intensief of, moet ik in alle eerlijkheid zeggen, mijn opvolger
doet dat. Samen met de pgb-keten ga ik, voordat de compensatie afloopt,
inventariseren hoeveel budgethouders niet uitkomen na het wegvallen van
de compensatie. Op dat moment kan er verder en gerichter actie worden
ondernomen. Nogmaals, we houden hier nadrukkelijk de vinger aan de
pols.
Nog een vraag van de heer Flach: wanneer volgt er meer info over de
compensatieregeling, over het bedrag en wie eronder vallen? Daar hebben
we het eigenlijk al over gehad, over de percentages.
Klopt het dat de SVB enkel betaalt voor het actuele budget? Ja, dat doet
de SBV. De SVB compenseert het budget met de daadwerkelijke loonkosten
van de zorgverlener gedurende twee jaar. In het eerste jaar bestaat deze
compensatie uit 100% van de loonkosten en in het tweede jaar bestaat
deze compensatie uit 70% van de loonkosten. Het gaat overigens over
compensatie bij ziekte. Ik denk dat dit in een verkeerd stapeltje zat;
het kwam er ineens tussendoor geschoven.
Dit gaat over de systematiek bij het maximumtarief; eigenlijk hebben we
al best veel gehad, voorzitter. Waarom is er niet eerder ingegrepen ten
aanzien van de Zvw-budgethouders? Ik zei hier al kort wat over. Bij VWS
zagen we al dat dit wetsvoorstel kosten voor budgethouders met zich mee
zou brengen. Daarom is al bij de voorjaarsbesluitvorming van 2025 vanaf
2026 17,2 miljoen structureel vrijgemaakt voor de verschillende wetten.
Het is dus niet zo dat we dit volledig op ons af hebben laten komen. We
zagen toen al dat we hier iets mee moesten, dat er compensatie moest
komen en dat we hiervoor geld apart moesten zetten.
De vraag van mevrouw Patijn was waarom we de Zwv-compensatie niet eerder
hebben geregeld. Eerder leek dit om juridische en technische redenen
niet mogelijk, wat deels te maken heeft met het feit dat er vanuit de
Zvw een privaatrechtelijke overeenkomst is tussen een zorgverzekeraar en
een burger. Daarin heeft de Staat eigenlijk geen rol. Alleen al vanuit
die verhouding is VWS vrij terughoudend om daarin in te grijpen.
Daarnaast was er het puur technische aspect dat we van een deel van de
groep niet weten wie het zijn. Dan volgt er bijna altijd
rechtsongelijkheid uit, waarbij voor de ene groep wel nieuwe wetgeving
ingaat, de wetgeving aangepast wordt en we compensatie leveren en voor
een andere groep niet. Dat kan ook niet anders, want we kennen die groep
niet. Inherent is er dus wel sprake van ongelijkheid tussen
groepen.
Daardoor hebben we een tijdlang gezegd dat we niet konden ingrijpen
omdat dat a niet paste bij onze rol en b we daarmee nieuwe ongelijkheid
zouden creëren. Maar door toenemende signalen van budgethouders zelf en
ook van Per Saldo hebben we gezegd dat we dan maar beter kunnen kiezen
voor ongelijkheid tussen twee groepen, zodat we dan in ieder geval zo
veel mogelijk recht doen aan de groep waar we wel zicht op hebben.
Vervolgens gaan we er zo veel mogelijk werk van maken om ervoor te
zorgen dat we zo snel mogelijk zicht krijgen op de andere groep, op wie
dat zijn. Voor hen laten we de wetgeving en de compensatie verlaat
ingaan. Maar daar komt de terughoudendheid uit voort.
De heer Neijenhuis vroeg om een reflectie op twee amendementen, ook
gericht op de compensatie. Een gaat over het opnemen van een
hardheidsclausule in de wet, zodat het maximumtarief van de verzekeraar
in schrijnende gevallen kan worden overruled door de minister. Ik snap
de zorgen van de heer Neijenhuis heel goed. Samen met mijn ondersteuning
heb ik goed gekeken naar het amendement, maar ik zie hierbij een risico
in de breedte van de door hem voorgestelde wijzigingen. Zoals we net
bespraken, gelden er maximumtarieven voor alle budgethouders en niet
alleen voor degenen met een Rdah-overeenkomst. Op basis van de nu
bekende cijfers zijn dit ongeveer 15.000 budgethouders, waarvan er
ongeveer 450 bekend zijn bij de SVB met een Rdah-overeenkomst. Die 450
zijn niet helemaal representatief, want een deel van deze groep kennen
we niet. Maar als we de SVB-cijfers extrapoleren, maakt maximaal 10% van
de hele groep van 15.000 budgethouders gebruik van de Rdah. Wanneer ik
dan de tarieven voor iedereen verhoog, creëer ik een situatie waarin
verzekeraars met veel meer extra kosten dan nodig geconfronteerd
worden.
Als alternatief voor het amendement van de heer Neijenhuis kan ik me
voorstellen dat we de werkwijze van compenseren voor de Rdah zoals we
die nu hebben vormgegeven, in wet- of regelgeving verankeren. Op die
manier is er ook een grondslag om gericht te compenseren wanneer uit
evaluatie blijkt dat twee jaar compenseren onvoldoende is. Die
handreiking zou ik graag willen doen, want ik snap de gedachte erachter
wel, maar in de huidige vorm reikt het amendement te ver.
De voorzitter:
En de appreciatie van het amendement in de huidige vorm?
Staatssecretaris Pouw-Verweij:
Ontraden.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 28 is dus ontraden. De heer Neijenhuis wil
daar iets over zeggen.
De heer Neijenhuis (D66):
Het was niet de bedoeling om het tarief voor iedereen te verhogen. De
bedoeling was een hardheidsclausule om een uitzondering te bieden voor
schrijnende gevallen. Als dat niet uitvoerbaar is, dan zij dat zo. Dank
voor het meedenken en het voorgestelde alternatief. We moeten nog kijken
wat de tekst wordt van een eventueel nieuw voorstel. Zou een amendement
in die vorm dan wel oordeel Kamer kunnen krijgen?
Staatssecretaris Pouw-Verweij:
Ja, dan wel.
De heer Neijenhuis (D66):
Dank. Dat is fijn om te weten.
De voorzitter:
Gaat u verder.
Staatssecretaris Pouw-Verweij:
En dan ook op een manier die beter aansluit bij het stelsel zoals we dat
nu hebben vormgegeven. Maar goed, op een later moment kan ik daar nog
per brief op terugkomen en het oordeel aanpassen.
Er was ook een amendement over een gedeeltelijke evaluatie na twee jaar.
Ik snap ...
De voorzitter:
Heel fijn als u het nummer erbij kunt noemen.
Staatssecretaris Pouw-Verweij:
Sorry. Dat is het amendement op stuk nr. 27.
Net hadden we het over stuk nr. 28. Dat amendement ontraad ik in zijn
huidige vorm.
Het amendement op stuk nr. 27 krijgt oordeel Kamer. Sorry, ik had de
reflectie tussen mijn antwoorden zitten en dan ... Enfin, zo is het denk
ik ook duidelijk.
Dat brengt mij bij het einde van het mapje compensatie. Dan wil ik
doorgaan naar uitvoering en administratieve lasten.
Ik begin met een overkoepelende vraag die door veel Kamerleden is
gesteld, namelijk: wordt het niet tijd om voor het pgb toe te werken
naar één overzichtelijk landschap met een eenvoudig juridisch kader en
een sterke vereenvoudiging van het werkgeverschap? Ik herken de situatie
die verschillende Kamerleden schetsen. Het pgb kent niet alleen vier
zorgwetten, maar budgethouders worden ook geconfronteerd met
bijvoorbeeld arbeidsrecht of regelgeving rondom zzp'ers. Op dit moment
ben ik bezig met het versimpelen van het pgb. Dat doe ik onder andere
door een verkenning naar alternatieve financieringsvormen uit te voeren,
bijvoorbeeld het Vlaamse model, en door samen met BZK te werken aan het
verbeteren van de toegang tot zorg en informatie over zorg vanuit de
werkagenda VN-verdrag Handicap. Daarnaast werk ik samen met de pgb-keten
aan het makkelijker maken van het werkgeverschap en hebben we
ondersteuning van uitvoerders zoals de SVB. Daarmee neem ik uiteraard de
signalen uit de stand van de uitvoering van de SVB mee, die door een van
u werden genoemd. Ik wil u toezeggen dat ik u voor de zomer nader op de
hoogte breng van de stand van zaken op deze acties. Echter, voor meer
ingrijpende aanpassingen aan het pgb kijk ik naar een nieuw
kabinet.
Dan de vraag van mevrouw Bühler of we van pgb-houders kunnen vragen dat
ze volledige werkgeversverantwoordelijkheid krijgen. De overgrote
meerderheid van de budgethouders is al aangesloten bij de SVB. Voor hen
is ondersteuning vanuit de SVB vanzelfsprekend. Zij voeren niet alleen
reactief de salarisadministratie uit, maar handelen ook proactief bij
andere onderdelen van het werkgeverschap, zoals verzuimbegeleiding. De
enige groep voor wie deze dienstverlening vrijwillig is, zijn de
budgethouders met een Zvw-pgb. Bovendien is er al een groep die volledig
werkgever is. Dat zijn ruim 2.000 budgethouders. Zij hebben
arbeidsovereenkomsten met zorgverleners voor meer dan drie dagen.
Dan de vraag van de heer Neijenhuis of ik meer inzicht kan geven in de
uitvoering via de SVB. Is dat financieel aantrekkelijk? Welke taken
worden er uit handen genomen? Wat zijn de verplichtingen? Et cetera. De
uitvoering door de SVB zal op dezelfde manier verlopen als bij de andere
budgethouders die al door de SVB ondersteund worden in hun
werkgeverstaak. Deze ondersteuning bestaat onder andere uit
informatieverstrekking over werkgeverstaken via brieven, telefonie en de
website, ondersteuning bij de salarisadministratie door het verstrekken
van loonstroken, inhoudingen van de premies, werknemersverzekeringen,
loonbelasting en de aangifte bij de Belastingdienst namens
budgethouders, ondersteuning bij ziekte van de zorgverlener, onder ander
door de ingekochte arbodienstverlener en compensatie van het budget van
de loondoorbetaling van de zieke zorgverlener, ondersteuning bij ontslag
via de ingekochte rechtsbijstandsverzekering en vergoeding van de
transitievergoeding, en ondersteuning bij het aanvragen van wettelijk
verlof, van uitkeringen, fiscaliteit, schade en aansprakelijkheid, samen
met de ingekochte diensten. De budgethouder blijft als werkgever
eindverantwoordelijk voor de plichten die uit de werkgeverstaken
voortvloeien en behoudt daarbij de eigen regie, maar ik hoop dat ik
hiermee wel geschetst heb dat uitgebreide ondersteuning mogelijk
is.
Stel dat het nou een groot succes wordt. Kan de SVB het aan als er
opeens een groot aantal budgethouders aanklopt? Op dit moment hebben we
geen signalen dat dit niet zo is, maar samen met de SVB zullen we moeten
bekijken of we de toename van budgethouders kunnen spreiden, zodat ze
niet ineens te maken krijgen met een gigantisch grote aanwas. Om de
impact compleet in kaart te brengen zal de SVB een U-toets moeten
uitbrengen.
Dan was er een vraag van mevrouw Wendel over de verantwoordelijkheden en
de administratieve lasten voor pgb-houders. Daar heb ik eigenlijk
inhoudelijk al wat over gezegd. Volgens mij was haar fundamentele vraag
eerder of het pgb wel behouden blijft als volwaardig alternatief voor
zorg in natura. Het is nadrukkelijk niet de intentie van dit kabinet om
daaraan te tornen. Zoals ik ook al aangaf, blijft de werkgever of de
budgethouder eindverantwoordelijk; hij of zij blijft ook vrij om keuzes
te maken over welke zorg er ingekocht wordt, hoeveel zorg er ingekocht
wordt en bij wie. Al die keuzes blijven bij de budgethouder liggen en de
budgethouder blijft eindverantwoordelijk, ook na alle ondersteuning die
er geboden kan worden door de SVB. Die basisvoorwaarden blijven
hetzelfde. Het is niet onze intentie om daaraan te tornen.
Dan een vraag van de heer Mulder over de kans dat er onduidelijkheid of
problemen ontstaan in de loop van 2026. Ik verwacht niet dat er
problemen ontstaan vanwege onduidelijkheid. Budgethouders en
pgb-zorgverleners zijn uitgebreid geïnformeerd over hun rechten en
plichten, samen met ketenpartners zoals het UWV, de SVB, ZN,
zorgkantoren en de VNG. De betreffende budgethouders zijn inmiddels
geïnformeerd aan de hand van een informatiefolder met een begeleidende
brief. Daarnaast heeft iedere ketenpartner informatie gepubliceerd en
zijn zij ook voorbereid op vragen, mochten ze daarmee benaderd worden.
Per Saldo biedt in samenwerking met VWS en de SVB ook diverse webinars
en bijeenkomsten aan over de wetswijziging, en ook op rijksoverheid.nl
wordt informatie verstrekt. In het pgb-portaal van de SVB zijn er
meldingen opgenomen om mensen op de wetswijziging te attenderen en ze te
stimuleren en te ondersteunen bij eventuele acties. Ik heb goede hoop
dat dit afdoende zal zijn.
Kan de minister garanderen dat budgethouders niet achteruitgaan in
zorguren die zij kunnen inkopen? Ik heb al het een en ander gezegd over
compensatie en we zullen dus de effectiviteit hiervan monitoren. Een
keiharde garantie dat niemand minder kan inkopen, kan ik op dit moment
niet geven. Ik kan wel de inspanningsverplichting op mij nemen dat we zo
veel mogelijk zullen kijken of we zo'n achteruitgang kunnen beperken,
want nogmaals, het is niet de intentie dat mensen erop achteruit zullen
gaan, zowel bij de budgethouders als bij de zorgverleners.
De heer Edgar Mulder (PVV):
Voorzitter?
De voorzitter:
Ja?
De heer Edgar Mulder (PVV):
U was lekker aan het wegdromen, en terecht.
De voorzitter:
Nee, nee, nee, ik was aan het nadenken over wat ik straks als
woordvoerder nog allemaal moet zeggen. Meneer Mulder, gaat uw
gang.
De heer Edgar Mulder (PVV):
Ik bedoelde het niet zo naar als het eruit kwam, voorzitter.
De voorzitter:
Nee, dat zal wel.
De heer Edgar Mulder (PVV):
Iedereen wakker? Het was misschien meer om mezelf wakker te krijgen. Dat
was het, voorzitter.
De voorzitter:
U klonk heel alert. Gaat uw gang, meneer Mulder.
De heer Edgar Mulder (PVV):
Ja, even. In antwoord op de vraag of er een garantie gegeven kan worden
dat budgethouders er niet op achteruitgaan, zegt de staatssecretaris dat
niet te kunnen garanderen. Maar op eerdere vragen heeft ze gezegd dat
alles berekend is, dat er goed naar gekeken is, dat er speciale bedragen
zijn vrijgemaakt. Waarom heb ik het idee dat er licht zit tussen die
twee antwoorden?
Staatssecretaris Pouw-Verweij:
Dat zit er niet echt. Ik denk dat dit dan een stukje beroepsdeformatie
van mij als arts is. Er is mij altijd geleerd "niets is zeker behalve de
dood".
De heer Edgar Mulder (PVV):
En belasting betalen!
Staatssecretaris Pouw-Verweij:
En belasting betalen, ja. Dat is dan weer de politicus. Maar nee,
volledige zekerheid kan ik niet geven. Ik durf niet met 100% zekerheid
te zeggen dat er voor niemand een verandering optreedt die zij als
negatief kunnen ervaren. Het is ook een grote groep. Maar nogmaals,
alles is erop gericht dat dit niet gebeurt. We houden de vinger aan de
pols en we zullen maatwerk leveren waar dat nodig is. En zoals ik al
eerder zei: als er op gemeentelijk gebied casussen spelen die u bereiken
en waarvan u zegt "hier gaat het niet goed", laat het ons dan
alstublieft weten, want dat is nadrukkelijk niet de intentie. We streven
dus wel naar die 100%, dat kan ik in ieder geval zeggen.
De heer Edgar Mulder (PVV):
De staatssecretaris streeft naar 100% en eigenlijk denkt ze ook dat het
zo voorbereid is dat we heel dicht bij 100% in de buurt komen. De volle
100% kan niet gegarandeerd worden, maar u zit in ieder geval wel ruim
boven de 90%?
Staatssecretaris Pouw-Verweij:
Ja, die inschatting durf ik wel aan.
De heer Edgar Mulder (PVV):
Oké, wordt vervolgd. Daar komen we op terug.
De voorzitter:
Ik hoor hier een fles wijn langskomen om dit gerealiseerd te krijgen,
maar het is vooral voor de mensen die het aangaat heel belangrijk. Gaat
uw gang, staatssecretaris.
Staatssecretaris Pouw-Verweij:
Zo is dat. Dan vroeg de heer Mulder nog of ik het met hem eens ben dat
een budgethouder geen doorsneewerkgever is met een eigen hr-afdeling.
Ja, dat ben ik volledig met hem eens. Daarom ondersteunt de SVB ook de
budgethouders bij het uitvoeren van hun werkgeverstaken.
Mevrouw Patijn vroeg of ik haar stap voor stap wil meenemen in wat er
met de pgb-zorgverlener gebeurt als hij of zij ernstig ziek wordt. Op
het moment dat een zorgverlener ziek wordt, moet de budgethouder de
zorgverlener binnen 24 uur bij de SVB ziek melden. De SVB meldt de
budgethouder en de zorgverlener aan bij de arbodienstverlener. De
arbodienst neemt contact op met de budgethouder en de zorgverlener en
start waar nodig de verzuimbegeleiding op. Het loon van de zorgverlener
wordt tijdens de ziekteperiode doorbetaald. De SVB compenseert hiervoor
het budget, zodat de budgethouder een vervangende zorgverlener kan
inhuren. Punt. Ik heb het vermoeden dat dit vragen oproept.
De voorzitter:
Ja, want dan begint natuurlijk het hele traject van de poortwachter en
re-integratie enzovoort.
Staatssecretaris Pouw-Verweij:
Daar kom ik zo op terug.
Mevrouw Wendel (VVD):
Ik heb een vraag van huishoudelijke aard. Kunnen we zeer binnenkort even
drie minuten schorsen voor een toiletbezoek, want ik hou me al heel lang
in. Dan kan ik me daarna weer iets beter focussen.
Staatssecretaris Pouw-Verweij:
Dat kunnen we wellicht combineren met mijn zoektocht naar het
poortwachtervelletje.
De voorzitter:
We combineren de zoektocht met een plaspauze van vijf minuten.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Wij vervolgen de kort geschorste vergadering, want de staatssecretaris
heeft haar poortwachter gevonden.
Staatssecretaris Pouw-Verweij:
Hij zat ergens verstopt achter een andere paperclip, maar we hebben hem
teruggevonden. Ja, de arbodienst doorloopt inderdaad de stappen van de
poortwachter, zoals mevrouw Patijn vroeg. Budgethouder en zorgverlener
zijn verplicht hieraan mee te werken, ook aan de re-integratie van de
zorgverlener. Waar mogelijk vindt de re-integratie plaats bij de
budgethouder zelf. Indien dat echt niet mogelijk is, zoekt de arbodienst
naar een andere oplossing voor de zorgverlener. Dat was dat.
O ja, nog een vraag van mevrouw Patijn. In de overgangsregeling staat
dat dit alleen geldt voor overeenkomsten die voor 2026 zijn aangegaan.
Over het hoe en waarom daarvan hebben we het kort gehad. De vraag was nu
hoe ik aankijk tegen mensen die eerst onder een overeenkomst van
opdracht vielen, maar achteraf toch een arbeidsovereenkomst blijken te
hebben. Ik snap het voorbeeld, maar ik verwacht niet dat naar aanleiding
van dit wetsvoorstel veel overeenkomsten van opdracht toch een
arbeidsovereenkomst zullen blijken te zijn.
Voor degenen van wie de komende tijd blijkt dat de overeenkomst van
opdracht onterecht is afgesloten, moeten we breder kijken naar een
oplossing. Het gaat hierbij immers niet alleen over compensatie van het
budget, maar mogelijk ook om andere rechten die met terugwerkende kracht
moeten worden toegepast. Ik vraag de SVB extra scherp te zijn op deze
casussen en ze met mij te delen wanneer ze voorkomen. Maar nogmaals: ik
verwacht niet dat het er veel zullen zijn.
Kan ik uitleggen hoe de uitstelregeling voor onbekende Zvw-budgethouders
er exact uit komt te zien? Het wetsvoorstel treedt op een later moment
per koninklijk besluit in werking voor de op dit moment nog onbekende
Zvw-pgb-budgethouders. Die moeten we dus eerst samen met de SVB en de
zorgverzekeraars verder uitwerken. Dat betekent dat zij niet vanaf 1
januari van dit jaar compensatie krijgen, maar ze vallen ook niet per 1
januari onder de wijzigingen. Om ervoor te zorgen dat zij wel gelijk
worden behandeld in het kader van deze wet, krijgen zij per
inwerkingtreding compensatie onder gelijke voorwaarden als de
Zvw-budgethouders die nu al wel bij de SVB bekend zijn.
De voorzitter:
Ik stel mijn vraag maar heel even zo. Wanneer verwacht de
staatssecretaris dat er hier meer duidelijkheid over is?
Staatssecretaris Pouw-Verweij:
Daar zijn we nog mee bezig. Volgens mij had ik net een brief beloofd
voor de zomer. Ik kan het daarin meenemen. Als er eerder uitsluitsel
over is, zal ik eerder contact opnemen.
Nog een vraag van mevrouw Patijn. Hebben wij er rekening mee gehouden
dat de groep waarvoor er compensatie moet komen, groter kan worden? Dat
kan doordat zorgverleners die werken op basis van een overeenkomst van
opdracht ook een arbeidsovereenkomst willen hebben. Zoals ik al zei, is
er vooralsnog geen enkel signaal dat deze overeenkomsten na
inwerkingtreding van het voorliggend wetsvoorstel onder het arbeidsrecht
gaan vallen. Veel van dit soort overeenkomsten zijn bijvoorbeeld met
familieleden. Hier is een arbeidsovereenkomst niet vanzelfsprekend,
omdat er geen sprake is van een gezagsverhouding. Ik heb dus niet de
verwachting dat het aantal zorgovereenkomsten onder het arbeidsrecht
straks sterk zal toenemen.
Voorzitter. Dan kom ik bij het volgende kopje: communicatie. Mevrouw
Bühler zei: het lijkt alsof de gevolgen nu pas doordringen. Had dat niet
eerder en integraler gemoeten? Vanuit VWS en SZW zijn we al twee jaar
bezig met de voorbereiding van deze wetswijziging. Budgethouders en
pgb-zorgverleners zijn vanaf dit voorjaar uitgebreid geïnformeerd over
hun rechten en plichten. Dat is samen met de ketenpartners gebeurd, die
ik net ook al noemde.
De betreffende budgethouders zijn inmiddels geïnformeerd aan de hand van
een informatiefolder met een brief. Er is informatie op websites en de
ketenpartners zijn voorbereid op vragen als zij benaderd worden door
budgethouders. Per Saldo biedt webinars en bijeenkomsten hierover aan.
We hebben dus echt allerlei dingen gedaan, ook in de periode hiervoor,
om zowel de zorgverleners als de budgethouders zo goed mogelijk attent
te maken op de wijzigingen die er aankomen en om hen zo veel mogelijk
terecht te laten komen bij de SVB, voor zover ze dat nog niet waren,
zodat ze hierbij voldoende ondersteund kunnen worden. Dat een aantal
punten in het traject niet de schoonheidsprijs verdient, erkennen we.
Dat heeft de minister ook al benoemd. Maar dat dit volledig uit de lucht
zou komen vallen, is ook weer niet het geval. We hebben wel degelijk ons
best gedaan, ook via de uitvoerders, om de burgers waar het over gaat op
tijd te benaderen en te ondersteunen.
Mevrouw Bühler vroeg ook of het niet zo is dat deze mensen aan het einde
van het jaar verrast zijn door deze wetgeving. Dat denk ik dus niet,
want het eerste contact hierover heeft al in het voorjaar van 2025
plaatsgevonden. Er zijn al veel eerder brieven met informatie verstuurd.
Ik verwacht niet dat ze daardoor overvallen zijn.
Budgethouders die een pgb vanuit de Zvw hebben, zijn een uitzondering.
Voor hen hebben we pas eind van dit jaar compensatie kunnen regelen.
Maar voor alle andere groepen is het echt een ander verhaal.
Mevrouw Bühler (CDA):
Dank voor dat antwoord, maar bij mij blijft toch een gevoel hangen van:
fijn dat we budgethouders informeren, maar het was nog fijner geweest om
dat pas te doen nadat de Kamer haar oordeel heeft geveld. Nu zitten we
in een squeeze die het voor ons heel erg moeilijk maakt om hier goed
over te praten met elkaar.
Staatssecretaris Pouw-Verweij:
Dat ben ik volledig met mevrouw Bühler eens en dat ontken ik geenszins.
Minister Paul gaf dat ook al aan. Net als zij heb ik ook al aan de
andere kant van deze tafel gezeten, en ik kan ook wel zo'n beetje
uittekenen wat mijn bijdrage zou zijn geweest als ik in uw schoenen had
gestaan. Ik snap de frustratie daarover heel erg goed. Dat had anders
moeten gaan en wij zullen ook stappen ondernemen om ervoor te zorgen dat
het niet nog een keer op deze manier gaat. Uiteindelijk ligt het recht
om dit soort dingen te beslissen toch bij uw Kamer; dan kan het niet zo
zijn dat het via de uitvoering al geregeld is en u voor een voldongen
feit wordt gesteld. Dat erken ik en dat ben ik met u eens.
De heer Neijenhuis vroeg nog wat we gaan doen om de route beter onder de
aandacht te brengen bij Zvw-budgethouders die nog niet bekend zijn bij
de SVB. Zoals ik al zei, vind ik het heel belangrijk dat wij hen
bereiken. Op dit moment wordt er al veel informatie via onlineplatforms,
websites en social media gedeeld, via alle ketenpartners en de
verstrekkers. Zoals eerder gezegd, verzorgt Per Saldo webinars en
bijeenkomsten en is er aandacht via rijksoverheid.nl. Dat neemt niet weg
dat onduidelijk is of we de betrokken budgethouders daadwerkelijk
bereiken. We zijn samen met de zorgverzekeraars nog naar andere
mogelijkheden aan het kijken. Pas wanneer we ook daadwerkelijk dit deel
van de groep in beeld hebben en compensatie mogelijk is, zal het
wetsvoorstel ook voor hen van toepassing worden.
Dan overig. Dat mapje is heel dun, dus we zijn er bijna doorheen. Is de
regering bereid om een onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren voor
toereikende en marktconforme informele tarieven bij
arbeidsovereenkomsten? Ik ben het van harte met uw Kamer eens dat
pgb-tarieven toereikend moeten zijn. Dat geldt niet alleen voor de
arbeidsovereenkomsten maar ook voor andere soorten overeenkomsten, zoals
die met zzp'ers. Maar gegeven de breedte van dit verzoek valt het
goeddeels buiten de kaders van dit debat en is het goed om te besluiten
dat de opvolging van eventuele uitkomsten van onderzoek moet worden
overgelaten aan een nieuw kabinet. Daarom wil ik toezeggen dat ik de
Kamer op een later moment per brief informeer over wat ik doe aan
toereikende tarieven.
Ten slotte de vraag van de heer Flach of ik bereid ben de reactie van de
NZa op het voorliggende wetsvoorstel en de compensatie nog voor de
stemmingen te delen. Ja, daar ben ik toe bereid.
Voorzitter. De amendementen hebben we tussendoor al gedaan, dus dit was
het van mijn kant.
De voorzitter:
Ik kijk even naar links. Ik zie geen vragen meer. Ik zag nog een mapje
binnenkomen; wil de minister meteen nog iets kwijt? Nee, dat is voor de
tweede termijn; dan horen we het in haar tweede termijn.
Wij gaan naar die tweede termijn toe. Ik geef het woord aan de heer
Flach.
De heer Flach (SGP):
Dank u wel, voorzitter. Normaal gesproken begin je een bijdrage in
tweede termijn met "hartelijk dank voor de beantwoording". Ik zou daar
nu als variant op willen zeggen "hartelijk dank voor het feit dat er een
beantwoording heeft plaatsgevonden, maar de inhoud van die beantwoording
stemt de SGP-fractie niet tot tevredenheid", en wel op drie vlakken. Eén
op het proces, twee op de keuzes, en drie op de impact voor pgb-houders
en zorgverleners.
Eerst even het proces. De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ligt
er al sinds 2023. Juist door de beantwoording zie ik niet in waarom die
uitvoering al vooruitlopend op de besluitvorming in gang is gezet. Was
het niet voldoende geweest om wetgeving voortvarend door de Kamers te
krijgen? Dan had je voldaan aan de CRvB-uitspraak en dan had de
uitvoering daarna kunnen plaatsvinden, zoals bij zo veel wetten. Het
ontgaat mij echt waarom de uitvoering per se vooruit moest lopen op de
besluitvorming.
Dan de keuzes. Kijkend naar de kwetsbare positie van de mensen waarover
het hier gaat, snap ik werkelijk niet waarom gekozen is voor een strikte
toepassing van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Sterker
nog, er is eigenlijk niet gekozen voor een strikte benadering, maar voor
het omgekeerde daarvan: een soort juridische kansberekening, zo van "we
denken dat een aantal rechtszaken wel zo en zo zullen uitvallen en daar
passen we de wet alvast maar op aan". Dat lijkt heel zorgvuldig omdat je
daarmee de onduidelijkheid wegneemt, maar dat weet je niet zeker. Er
zijn namelijk twee situaties denkbaar. Het is denkbaar dat de uitspraak
van de rechter gedeeltelijk anders is en dat je dus verkeerd zit met je
wetgeving. Die situatie werd al eerder aangehaald door collega
Ceulemans. Maar wat nu, wat doet de minister nu als er gewoon een
uitspraak van de Centrale Raad van Beroep komt waarin wel rekening wordt
gehouden met de bijzondere omstandigheden van de budgethouders en
zorgverleners en waarin dus staat "deze onderdelen van de Regeling
dienstverlening aan huis houd ik overeind"? Dan hebben wij het
ondertussen al wel in de wet veranderd en dan is de chaos werkelijk
compleet.
Er werd beargumenteerd dat we het nodig hebben om rechtmatig geld uit te
kunnen geven. Dat argument snap ik helemaal niet, want in de stukken
lees ik gewoon dat de pgb-verleners met een arbeidsovereenkomst
verplicht als verzekerd zijn aangemerkt en dus ook al hun
arbeidsverleden gecorrigeerd krijgen. Het enige punt is dat ze nog geen
premie betalen. Nou ja, dat is een klein deukje voor de Staat, maar dat
kunnen we wel hebben. Met andere woorden, het dwingende belang, ook op
het gebied van rechtmatigheid, ontgaat mij echt. Conform de uitspraak
van de Centrale Raad van Beroep vallen zij namelijk gewoon al onder de
rechten die werknemers hebben op die punten.
Het derde en misschien wel belangrijkste punt is de impact voor
pgb-houders en zorgverleners. Dat is mij het meeste aan het hart gegaan
in de maanden dat ik bezig ben geweest met dit dossier. Het kabinet
lijkt toch het beeld te schetsen dat die impact wel meevalt, want er is
verzuimbegeleiding. Verder is er sprake van een salarisadministratie. Je
wordt begeleid op het moment dat je een ontslagtraject ingaat. De
rechter houdt rekening met de bijzondere omstandigheden van pgb-houders
en zorgverleners willen heus niet vaker flexibel werken. Maar waarom
doen we het dan? Waarom doen we het dan? Wordt er dan wel rekening
houden met de belangenafweging? Volgens de SGP vindt de belangenafweging
echt niet op de juiste gronden plaats. De impact op deze groep mensen is
zo groot. Afgezet tegen de onzekerheid die kan ontstaan als er later een
nieuwe uitspraak komt van de Centrale Raad van Beroep, vinden wij de
gemaakte belangenafweging niet juist.
Dan de appreciatie van de amendementen. Het zal de minister niet
verrassen dat wij daardoor zeer teleurgesteld zijn. Ondanks alle lovende
woorden dat het goed is dat we dat hier bespreken, heb ik geen enkele
toenadering gemerkt in de appreciatie. Wij blijven daardoor toch vooral
met een teleurgesteld gevoel achter. Het gaat dan helemaal niet om mijn
gevoel. Dat is niet boeiend; daar moet je tegen kunnen als Kamerlid. Het
gaat dan om de mensen die hier ook op hadden gehoopt.
Tot slot, voordat ik met twee moties kom, nog iets over de tarieven. We
hebben een tijdelijke overbrugging van de Zvw en de Wlz. De
staatssecretaris heeft geprobeerd aan te geven hoe het zit met de
ongelijkheid met die 2.000 mensen om wie het gaat. Maar er zit ook wel
een verschil in, want die mensen hebben onder die omstandigheden
afspraken gemaakt met hun zorgverleners. Die afspraken komen hierdoor
onder druk te staan. Deze nieuwe groep moet afspraken gaan maken waarin
staat dat er 20% terug moet worden gegaan in salaris. Dan is twee jaar
toch maar weer heel kort. Dan moet je misschien wel na 30 jaar trouwe
dienst afscheid nemen van je pgb-zorgverlener. Met andere woorden, ik
vind het toch niet helemaal vergelijkbaar. Ik ben dus wel blij met de
toezegging dat de staatssecretaris na die twee jaar gaat kijken of er
toch nog extra compensatie nodig is. Dat leg ik hier nog een keer
dringend op tafel.
De Wmo vind ik een apart probleem. We hebben daarover al wat gewisseld
tijdens de interruptiedebatten. Daaruit moeten ook de uitvoeringskosten
nog worden betaald per gemeente. Het bedrag dat overblijft voor
compensatie is dus heel klein. Tussen de eerste en de tweede termijn
kreeg ik nog wat namen door van gemeentes: Zwolle, Goes, Rijswijk en
Wijk bij Duurstede doen niet aan compensatie voor budgethouders. Met
andere woorden: het probleem speelt vrij breed binnen gemeenteland. Of
dat nou een financieel probleem of een uitvoeringsprobleem is, weet ik
niet, maar ik zou nogmaals willen vragen of u daarnaar zou willen
kijken.
Tot slot, wil ik afsluiten met twee moties, voorzitter. Eentje gaat over
de vereenvoudiging van het pgb-stelsel. De ander gaat over voorkomen dat
er ooit nog een keer zo'n traject als dit komt.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat met de voorgestelde aanpassing van de Regeling
dienstverlening aan huis de oorspronkelijke doelstelling van een
verlicht regime voor onder meer budgethouders in belangrijke mate wordt
ondergraven;
overwegende dat de SVB pleit voor fundamentele vereenvoudiging van het
pgb-stelsel, omdat de huidige inrichting te complex is voor zowel
budgethouders als uitvoerders, gelet op de meerdere wetten,
uiteenlopende regimes, verschillende verantwoordingsvereisten en
uitzonderingen waarmee zij te maken hebben;
overwegende dat een toekomstig vereenvoudigd en verlicht regime voor
alle budgethouders wenselijk is;
verzoekt de regering, in samenwerking met Per Saldo, een verkenning uit
te voeren naar een vereenvoudigd en verlicht regime voor budgethouders,
waarbij het verlichten van de administratieve lasten en de
arbeidsrechtelijke verplichtingen die voortvloeien uit onderhavig
wetsvoorstel, de Wet verbetering poortwachter en de Wet arbeidsmarkt in
balans, nadrukkelijk wordt betrokken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Flach.
Zij krijgt nr. 30 (36744).
De heer Flach (SGP):
Dan de tweede.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het kabinet ervoor heeft gekozen de inwerkingtreding
van de Wet aanpassing regeling dienstverlening aan huis per 1 januari
2026 toch door te zetten zonder hiervoor voorafgaande parlementaire
goedkeuring te hebben verkregen;
overwegende dat het kabinet voor afronding van de parlementaire
behandeling reeds aangaf dat er geen "pauzeknop" bestond ten aanzien van
de implementatie in de IT-systemen en er dus al onomkeerbare stappen
waren gezet met alle bijbehorende gevolgen, zorgen en onzekerheden voor
budgethouders, zorgverleners en uitvoerders;
van mening dat hiermee voorbij is gegaan aan de medewetgevende rol van
de Staten-Generaal en dat voorkomen moet worden dat de Kamer voor
voldongen feiten wordt geplaatst;
spreekt uit deze gang van zaken te betreuren;
verzoekt de regering onderzoek te doen naar hoe dit heeft kunnen
gebeuren en hierbij tevens voor de toekomst lessen te trekken uit deze
gang van zaken onder meer ten aanzien van het tijdpad van implementatie
van wetgeving en de rol van het parlement als medewetgever hierin, en de
Kamer hierover voor het zomerreces te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Flach.
Zij krijgt nr. 31 (36744).
De heer Flach (SGP):
Tot zover, voorzitter.
De voorzitter:
Dan geef ik het woord aan mevrouw Bühler.
Mevrouw Bühler (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Hier zit een nieuw Kamerlid, dat met veel
enthousiasme aan de slag is gegaan om iets te kunnen betekenen voor de
mensen in dit land. Ik moet u eerlijk zeggen: wat betreft dit eerste
overleg vind ik er echt helemaal niks aan. Ik vind het geen fijn
wetgevingsoverleg, omdat we te maken hebben met een fait accompli. Dat
betekent dat je niet het goede gesprek kunt voeren. Dat vind ik echt
ontzettend jammer. Dus ik hoop echt dat dit de enige keer is dat we het
op deze manier gaan doen, want anders zie ik de lol er niet van in. Wat
zegt u, meneer Mulder?
De heer Edgar Mulder (PVV):
Gaat u dan weg?
Mevrouw Bühler (CDA):
Ik zei: "Ik zie er dan de lol niet van in." Ik vind het heel jammer dat
het zo moet. Ik vind het fijn dat de staatssecretaris en de minister
ruimhartig toegeven dat dit niet de gang van zaken is, maar op het
moment dat je aan het worstelen bent om te bekijken wat je het beste
kunt organiseren voor de mensen in dit land, wordt het je wel heel
lastig gemaakt als er weinig ruimte is.
Mij werd gevraagd wat ik ga doen met het eerste amendement dat ik heb
ingediend. Ik heb besloten om dat in te trekken, omdat er al sprake is
van juridische realiteit. Verder zijn er ten aanzien van andere
amendementen een aantal zaken benoemd waar ik het met mijn fractie over
ga hebben.
De voorzitter:
Mevrouw Bühler, ik wil u even vragen om welk nummer het gaat.
Mevrouw Bühler (CDA):
Dat was het amendement op stuk nr. 21, geloof ik. Toch?
De voorzitter:
Ja, dat is de vraag aan u.
Mevrouw Bühler (CDA):
Jajaja. Even kijken. Ja, het is het amendement op stuk nr. 21.
De voorzitter:
Oké. Dat amendement wordt ingetrokken. Sorry, dat moet ik formeel even
zeggen.
Het amendement-Bühler/Flach (stuk nr. 21) is ingetrokken.
Mevrouw Bühler (CDA):
Er was door de collega's gevraagd hoe ik er verder tegen aankijk. Fijn
dat het laatste amendement, het amendement op stuk nr. 29, een positieve
appreciatie heeft gekregen. Over de andere amendementen waar mijn naam
onder staat en die ik samen met de SGP heb ingediend, ga ik nog met mijn
collega-Kamerleden in overleg. Ik weet niet of ik dit procedureel
allemaal goed doe, maar het is de eerste keer, dus als dat niet zo is,
hoor ik het wel van de voorzitter.
De voorzitter:
U bent niet vergeten om moties voor te lezen? U had geen moties, neem ik
aan.
Mevrouw Bühler (CDA):
Er zijn geen moties van onze kant.
De voorzitter:
Nee, oké. Dan ga ik naar de VVD. Gaat uw gang.
Mevrouw Wendel (VVD):
Dank, voorzitter. Ik wil graag één motie indienen, zoals ook al in de
eerste termijn aangekondigd.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de SVB als uitvoerder van de (salaris)administratie
voor pgb-budgethouders al aanpassingen voor het uitvoeren van een
wetsvoorstel heeft doorgevoerd die niet meer terug te draaien zijn in
het uitvoeringssysteem;
constaterende dat de Kamer daar destijds niet over is
geïnformeerd;
overwegende dat de Tweede Kamer als wetgevende macht hierdoor praktisch
voor een voldongen feit is gesteld terwijl de wetsbehandeling nog moest
plaatsvinden, en dat dit zeer onwenselijk is;
verzoekt de regering adequate maatregelen te treffen om herhaling te
voorkomen, zodat de Kamer in de toekomst standaard de mogelijkheid
krijgt zich hierover uit te spreken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Wendel en Neijenhuis.
Zij krijgt nr. 32 (36744).
Dan geef ik het woord aan de heer Neijenhuis voor zijn tweede
termijn.
De heer Neijenhuis (D66):
Voorzitter. Dank voor de antwoorden. Het blijft een vreemde en
onwenselijke gang van zaken, maar het is fijn dat er ook erkenning
vanuit het kabinet is gekomen voor dit feit en dat werd aangegeven dat
dit niet de bedoeling is en dat dit voorkomen moet worden in de
toekomst. Voor D66 staan de belangen van de budgethouders en hun
zorgverleners voorop. Zij worden geconfronteerd met deze rechterlijke
uitspraak. Voor hen moeten we regelen dat zij hier goed doorheen komen,
wat ons betreft het liefst ook in één keer goed. We hebben voorstellen
gedaan om dat te regelen. Dank aan de staatssecretaris voor de
constructieve houding daarop. We komen nog terug op het amendement over
de hardheidsclausule en willen kijken hoe we die op een goede manier
uitvoerbaar kunnen maken, dus dat wordt nog vervolgd. Dank
daarvoor.
De voorzitter:
Dan geef ik het woord aan de heer Mulder.
De heer Edgar Mulder (PVV):
Voorzitter, volgens mij is alles gezegd. Ik heb geen bijdrage
meer.
De voorzitter:
U heeft vandaag al te veel gezegd, geloof ik. Nee hoor. Een klein
grapje. Sorry. Ik geef gauw het woord aan de heer Ceulemans.
De heer Ceulemans (JA21):
Voorzitter, dank. Dank aan de minister en de staatssecretaris voor de
antwoorden en ook voor de erkenning dat dit een proces is dat nooit meer
op deze manier doorlopen moet worden. We hebben daar achteraf niet veel
aan, maar het is goed dat de erkenning er is. We steunen de motie die de
VVD daarover indient. Het zal geen verrassing zijn gelet op mijn eerste
termijn: voor ons zijn de amendementen van de SGP ook een belangrijke
voorwaarde om in te kunnen stemmen met welke versie van dit wetsvoorstel
dan ook. We gaan zien waar dat toe leidt.
Dan heb ik tot slot nog een motie, ook voortbordurend op het
interruptiedebatje dat al even ging over de mogelijke gevolgen voor
budgethouders van loondoorbetaling bij ziekte, ook omdat in de wet niet
echt gedefinieerd is wat verwijtbaar is. In de memorie van toelichting
is alleen een voorbeeld gegeven, maar daar wordt ook bij gezegd dat dat
verschillende varianten kan hebben. Dus ik hecht er wel aan om dat wat
meer dicht te timmeren. Vandaar de volgende motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de wetswijziging Rdah pgb-budgethouders confronteert
met ingrijpende nieuwe werkgeversverplichtingen en een verlenging van de
loondoorbetaling bij ziekte naar 104 weken;
constaterende dat de regering aangeeft dat in gevallen van "verwijtbaar
handelen" door de budgethouder geen compensatie wordt verstrekt voor de
extra loondoorbetaling, waardoor het beschikbare budget voor vervangende
zorg onder druk kan komen te staan;
overwegende dat het pgb primair bedoeld is als instrument voor passende
zorg en eigen regie voor mensen met een zorgvraag, en niet als middel om
deze groep met ondoenlijke werkgeversrisico's te belasten;
verzoekt de regering te borgen dat onder "verwijtbaar handelen" niet
wordt verstaan dat een pgb-budgethouder de nieuwe
werkgeversverplichtingen vanwege gezondheidssituatie, beperking of
complexiteit van de regelgeving niet volledig kan overzien of uitvoeren
en dit derhalve niet tot gevolg kan hebben dat er onvoldoende middelen
beschikbaar zijn om de volgens de indicatie noodzakelijke vervangende
zorg in te kopen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Ceulemans.
Zij krijgt nr. 33 (36744).
De heer Ceulemans (JA21):
Bedankt.
De voorzitter:
Dan vraag ik de heer Flach om heel even het voorzitterschap over te
nemen.
Voorzitter: Flach
De voorzitter:
Met alle plezier. Het woord is aan mevrouw Patijn.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Dank, voorzitter. Er zijn heel veel antwoorden gegeven en er zijn veel
dingen duidelijk geworden, onder meer dat het geen mooi proces is
geweest. Dat was vooraf ook al duidelijk. Ik denk dat het
allerbelangrijkste is dat het nu tot een goed einde gebracht wordt voor
budgethouders en zorgverleners. Er zijn daarbij voor mij twee dingen
echt heel belangrijk. Dat is ten eerste de structurele compensatie. Ik
hoor de staatssecretaris zeggen dat het oneerlijk zou zijn tegenover
budgethouders die geen gebruikmaken van de Regeling dienstverlening aan
huis. Het is een beetje een redenering als: even slecht is ook gelijk.
Dat klinkt agressiever dan ik het bedoel te zeggen, maar ik denk dat een
structurele compensatie echt van groot belang is. Ik zal daar zo ook een
motie over indienen.
Gebrekkige compensatie door gemeenten is wat mij betreft het tweede
punt. De intentie van de staatssecretaris is dat de budgethouders
volledig gecompenseerd worden, maar het is dus mogelijk om dat niet te
doen. Ik denk dat het daarbij heel erg belangrijk is om toch nog eens te
kijken of er een mogelijkheid is om de gelden, de budgetten, alsnog te
oormerken. Ik zou daar ook op aan willen dringen bij de
staatssecretaris. Ik weet niet of dat achteraf alsnog kan, maar het
oormerken van die gelden is wat mij betreft heel belangrijk, zodat dat
geld niet ergens anders aan besteed kan worden in de gemeente.
De SVB gaat een heleboel taken overnemen. Ik heb daar niet zozeer
bezwaar tegen. Dat is alleen maar goed. Ik ben eigenlijk best blij met
wat ik daarover gehoord heb. Maar één ding kan de SVB niet overnemen:
het juridisch werkgeverschap. Dat zorgt ervoor dat een aantal risico's
bij de budgethouders blijven liggen. Ik verwacht dat er wel degelijk
payrollbedrijfjes gaan opstaan en een rol gaan invullen. Ik ben heel
bang dat er dan toch veel geld bij die payrollbedrijven achterblijft. Ik
zou het fijn vinden als in een evaluatie meegenomen kan worden wat er
precies gebeurt. Ik weet niet of dat te monitoren is op enig moment of
dat er een onderzoek gedaan kan worden, maar ik zou het fijn vinden om
daar enig inzicht in te krijgen. Hoeveel van dat werkgeverschap wordt nu
uitbesteed aan payrollbedrijven in de loop van de twee jaar? Dat is een
logische termijn, denk ik.
Ik heb nog geen antwoord gekregen op mijn vraag over de VNG-instructie
over de mogelijkheid om je huidige zorgverlener te ontslaan en een
goedkopere zorgverlener te gaan zoeken. Daarom stel ik die vraag nog
maar een keertje. Ik zou daar graag nog een antwoord op krijgen.
Het andere wat ik graag gemonitord zou willen hebben, is dat handmatig
vaststellen door het UWV van zowel de dagloonberekening als het
arbeidsverleden. Ik zou daar graag op enig moment een soort
voortgangsverslag van willen hebben. Dat kan pas na twee jaar, schat ik
zomaar, maar ik zou het fijn vinden als we iets van terugkoppeling
kunnen krijgen daarover. Lukt dat handmatig vaststellen? Gaat dat? Is
dat niet te veel werk? Hoe gaat het met de toch al overbelaste
medewerkers van het UWV als dat moet gaan gebeuren?
Als laatste heb ik de voorbeelden van de mensen die op basis van een
overeenkomst van opdracht werken. De verwachting is dat er toch wel wat
mensen boven komen drijven als schijnzelfstandigen, zeker nu de
Belastingdienst daarop gaat handhaven. Ik zou het fijn vinden als ook
dat in enige rapportage terugkomt. Ik kan ook niet helemaal inschatten
wanneer dat duidelijk wordt, maar er is bij de Belastingdienst ook oog
voor de zorg bij de handhaving van schijnzelfstandigheid. Ik kan me dus
voorstellen dat daarin aan het einde van het jaar al wat inzicht gegeven
moet kunnen worden.
Tot slot heb ik een motie, als dat nog kan. Ja, dat kan nog. Die gaat
over de structurele compensatie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er een compensatieregeling is getroffen voor
pgb-houders, maar dat deze overgangsregeling slechts tijdelijk is en er
in de structurele situatie nog geen oplossing voorhanden is;
overwegende dat tijdelijke compensatie afbreuk doet aan de
zorgvuldigheid en voorspelbaarheid van wetgeving;
verzoekt de regering te komen tot een structurele oplossing, daarvoor
opties in kaart te brengen, en de Kamer hierover bij de Miljoenennota
2027 te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Patijn.
Zij krijgt nr. 34 (36744).
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Dat was mijn inbreng.
De voorzitter:
Dank, mevrouw Patijn. Dan gaat het voorzitterschap terug naar u.
Voorzitter: Patijn
De voorzitter:
Ik kijk naar de bewindspersonen. Heeft u een schorsing nodig? Vijf
minuten? Tien minuten? Vijf minuten is genoeg, hoor ik. Dan gaan we om
21.10 uur verder met de tweede termijn van de minister en de
staatssecretaris.
De vergadering wordt van 21.06 uur tot 21.12 uur geschorst.
De voorzitter:
Wij gaan verder met de tweede termijn van de staatssecretaris en de
minister. Ik geef als eerste het woord aan de minister.
Minister Paul:
Ik begin met het appreciëren van de moties. Ik begin met de motie op
stuk nr. 31, want de motie op stuk nr. 30 zal mijn collega, de
staatssecretaris, doen. De motie op stuk nr. 31 geef ik oordeel
Kamer.
De motie op stuk nr. 32: oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 33 kan ik ook oordeel Kamer geven.
Dat waren mijn moties.
Dan had ik nog een paar vragen die openstaan. Ik begin met de vraag van
mevrouw Bühler, die aansloeg op de 80% die ik noemde ten aanzien van het
aantal beëindigingen met wederzijds goedvinden en vroeg waarop dat
gebaseerd is. Dat percentage is gebaseerd op onderzoek dat in opdracht
van mijn ministerie is gedaan door SEO Economisch Onderzoek, waaruit
blijkt dat het aantal ontslagen met wederzijds goedvinden boven de 80%
ligt. Daar moet ik bij zeggen — daar was ik niet duidelijk over in mijn
oorspronkelijke tekst — dat dit gaat om algemene cijfers, dus niet
specifiek toegespitst op deze situatie. De SVB herkent het beeld dat het
overgrote deel van de ontslagen met wederzijds goedvinden plaatsvindt en
dat dit beeld zowel geldt voor de arbeidsovereenkomsten die vallen onder
de Rdah, als voor de arbeidsovereenkomsten voor vier of meer dagen per
week, die dus al volledig onder de regels vallen.
In het verlengde daarvan vroeg mevrouw Wendel: welk probleem lossen we
nou op als 80% van de arbeidsrelaties met wederzijds goedvinden wordt
beëindigd? Met het wetsvoorstel wordt een preventieve ontslagtoets
ingevoerd. Hiermee worden de rechten van de verschillende
pgb-zorgverleners met een arbeidsovereenkomst gelijkgetrokken. Dit naar
aanleiding van de inmiddels veel aangehaalde uitspraak van de Centrale
Raad van Beroep. De preventieve toets geeft de zorgverlener meer
zekerheid in een situatie waarin het niet mogelijk is het dienstverband
met wederzijds goedvinden te beëindigen. De budgethouder kan juridische
ondersteuning ontvangen als er onverhoopt een procedure nodig is. De ins
en outs daarvan heeft de staatssecretaris toegelicht.
Tot slot een vraag van mevrouw Bühler: moet de budgethouder voor
juridische ondersteuning bij ontslag een brief schrijven aan UWV over
wat de conflictsituatie is? Nee, dat is niet nodig. Met de ondersteuning
door middel van mediation via de SVB of de arbodienst kan de
budgethouder het gesprek aangaan met de zorgverlener, waarbij partijen
ook met wederzijds goedvinden uit elkaar kunnen gaan. Mocht dit echt
niet lukken, dan kan de budgethouder door de rechtsbijstandsverzekeraar
en de SVB worden ondersteund bij het doen van een verzoek tot ontslag
bij de rechter of bij UWV.
Tot zover, voorzitter. O, nee. Sorry, mevrouw Patijn. Ik spreek u nu aan
als voorzitter, maar het lid Patijn had ook nog een aantal vragen. Heel
goed. Die heb ik met mijn hanenpoten opgeschreven. Even kijken of ik
daar alsnog wijs uit kan worden. Mevrouw Patijn vroeg naar handhaving op
schijnzelfstandigheid, of we daar meer zicht op kunnen krijgen en
daarover terug kunnen rapporteren. Eind van het jaar verschijnt er een
rapportage van de Belastingdienst en daarin kunnen we dit expliciet
meenemen.
De tweede vraag van mevrouw Patijn ging over het dagloon. Dat ligt bij
UWV en daar hebben we ook andere dossiers liggen. Dat weet mevrouw
Patijn ook heel goed. Het probleem is dat we niet zeker weten wat we
niet weten. Dat is het ingewikkelde. Wat we kunnen doen nu dit
wetsvoorstel gaat spelen, is in ieder geval in de halfjaarlijkse
monitoring dit aspect ook meenemen. Dat nemen we daarin mee.
Dan de derde vraag van mevrouw Patijn. Die ging over payrollbedrijven,
om daar sowieso meer zicht op te krijgen en het liefst ook meer grip
zodat er niet onnodig geld weglekt. Dit kunnen we meenemen in de
evaluatie die na drie jaar plaatsvindt. We hebben die evaluatie conform
het amendement-Flach naar voren gehaald. In die evaluatie zullen we dit
expliciet meenemen, zodat we kunnen kijken wat zich naar aanleiding van
dit wetsvoorstel manifesteert, ook op het gebied van payroll,
intermediaire bedrijven enzovoort.
De voorzitter:
Als de wet aangenomen wordt; dat moeten we nog afwachten.
Minister Paul:
Zeker, alles is onder dat voorbehoud.
De voorzitter:
Ook als het amendement niet aangenomen wordt, is het fijn als we dit
over drie jaar teruggekoppeld krijgen.
Minister Paul:
Zeker, maar dat is dan inderdaad in de evaluatie.
Tot zover, voorzitter. Ik zou uw Kamer nogmaals enorm willen bedanken
voor het op deze termijn kunnen doen van deze behandeling en voor de
betrokken en bevlogen bijdragen. Dank u wel.
De voorzitter:
De heer Ceulemans heeft nog een vraag.
De heer Ceulemans (JA21):
Ik geef toe dat dit niet de grootste halszaak van vanavond is, maar ik
zie dat ik er bij het herschrijven van een zin een hele lelijke taalfout
in heb gefietst. In de eerste zin staat "het wetswijziging". Dat moet
"de wetswijziging" zijn. Kan dit met pen worden aangepast? Dat scheelt
weer een indiening van een aangepaste motie. Nee? Dan ga ik dat
delen.
De voorzitter:
De staatssecretaris.
Staatssecretaris Pouw-Verweij:
Dank u wel, voorzitter. Ik zal beginnen met de appreciaties. De motie op
stuk nr. 30 krijgt oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 34 moet ik ontraden onder verwijzing naar het
debat. Zoals gesteld is de compensatie echt gericht op een
overgangsregeling en niet op permanente compensatie. Wel zullen we dus
kijken of er maatwerkoplossingen nodig zijn. Ik heb de woorden van de
heer Flach, die dit nog even extra aan wilde stippen, ook gehoord. We
nemen dit serieus, maar het is niet onze intentie om de volledige groep
permanent 120% van de indicatie te geven. Daarom moet ik deze motie dus
ontraden.
Dan nog een paar punten. Ik schrok van het aantal gemeenten dat de heer
Flach noemde. Ik wil graag nogmaals toezeggen dat ik dit op ga pakken.
In het eerstvolgende bestuurlijk overleg met de VNG zal ik dit dus als
agendapunt op tafel leggen, want dit is niet hoe wij in de wedstrijd
zitten. Dus dank in ieder geval voor het attenderen hierop.
De VNG-instructie, waar mevrouw Patijn naar vroeg, ben ik inderdaad per
abuis vergeten. Daarin staat inderdaad dat je de arbeidsovereenkomst
kunt ontbinden en een nieuwe zorgverlener kunt zoeken die een lager
tarief accepteert of met dezelfde zorgverlener een lager tarief kunt
afspreken in een nieuwe overeenkomst. De realiteit is dus wel dat mensen
in de nieuwe situatie, nadat de overgangsregeling van 120% is afgelopen,
80% overhouden van wat ze op dit moment hebben. Daar zullen afspraken
over gemaakt moeten worden. Dan zijn er een aantal opties. Je kan eruit
komen met de huidige zorgverleners die je hebt en afspraken maken over
hun inkomen, de uren, de inhoud van het werk et cetera. Als je daar niet
uit komt, zal er inderdaad gekeken moeten worden naar nieuwe
arbeidsovereenkomsten die tegemoetkomen aan het budget dat daarvoor is.
Maar nogmaals, we zien bij heel veel budgethouders dat dat gaat. Bij de
Wlz-pgb zien we zelfs een structurele onderuitputting. We verwachten dus
echt dat die mogelijkheid er is.
Dan was er nog een vraag over zicht krijgen op een eventuele
verschuiving van opdracht naar de werknemer. We hebben het net gehad
over een periodieke evaluatie. Daarin nemen we dit graag mee. We zullen
in overleg met de SVB kijken of we inderdaad een transitie zien. Als die
er is, zullen we daarover rapporteren en ook over de mate waarin die
transitie aanwezig is. Die toezegging wil ik dus doen.
Dat was het van mijn kant. Dank u wel allen voor het debat.
De voorzitter:
Volgens mij zijn alle vragen beantwoord. Ik heb eerst een voorstel voor
de verdere behandeling. Het voorstel is om de stemmingen over de
amendementen en de moties volgende week dinsdag te doen en de stemming
over de wet een week later, want er zijn vrij heftige amendementen met
grote gevolgen voor de wet. Dan kunnen we zorgvuldig bekijken hoe de wet
eruit komt te zien. Of heeft iemand hier bezwaar tegen? Dat is niet het
geval.
Dan komen we bij de toezeggingen.
De minister zegt toe om binnen een jaar na de invoering van de wet een invoeringstoets te doen. Dit is een toezegging aan de heer Flach.
De minister zegt het lid Wendel toe inzicht te creëren in de doelgroep en in de behoefte van deze doelgroep en neemt dit mee bij de invoeringstoets.
De staatssecretaris zegt toe in gesprek te gaan met de gemeenten over de toereikendheid van de toegezegde bedragen en zal daarover een terugkoppeling doen aan de Kamer. Dit is een toezegging aan de heer Flach.
Kan de staatssecretaris aangeven wanneer en hoe dit zal
gebeuren?
Staatssecretaris Pouw-Verweij:
Schriftelijk per Kamerbrief voor de zomer?
De heer Flach (SGP):
De sneeuw is nog maar net gesmolten en de zomer is nog ver weg. Zou het
niet ietsje eerder kunnen?
Staatssecretaris Pouw-Verweij:
Ja, dat kan.
De voorzitter:
Voor het meireces?
Staatssecretaris Pouw-Verweij:
Ja, voor het meireces moet lukken.
De voorzitter:
Oké.
De staatssecretaris informeert de Kamer voor de zomer over de stand van zaken rondom de lopende acties voor de aanpassing van het pgb.
De staatssecretaris stuurt de Kamer voor de stemmingen de reactie op de brief van de NZa.
Die stemmingen zijn volgende week dinsdag. Ik denk dus dat het fijn
is als de reactie deze week wordt verstuurd, dus voor het weekend. Lukt
dat?
Staatssecretaris Pouw-Verweij:
Ja.
De voorzitter:
Oké.
De staatssecretaris zegt toe de compensatieregeling te monitoren en komt hier bij de Kamer op terug.
Op welke termijn zou dat kunnen?
Staatssecretaris Pouw-Verweij:
Voor het commissiedebat Pgb? Is dat een logisch punt?
De voorzitter:
Wij zijn natuurlijk de commissie voor SZW. Het pgb wordt besproken door
een andere commissie.
Staatssecretaris Pouw-Verweij:
O ja. Voor de zomer?
De voorzitter:
Volgens mij is dat goed. Dat is reëel, want anders is er ook nog niet zo
veel te monitoren, denk ik.
De minister zegt toe dat het monitoren van schijnzelfstandigheid meegenomen wordt in de rapportage van de Belastingdienst aan het einde van dit jaar. Dit is een toezegging aan mijzelf, niet als voorzitter maar als lid van deze commissie.
Dat gaat specifiek over deze groep: wat gebeurt er met deze groep?
De minister zegt toe de payrollbedrijven mee te nemen in de evaluatie over drie jaar, mits dat amendement aangenomen wordt. Maar wij krijgen aan het einde van die drie jaar sowieso een terugkoppeling daarover.
Dat zijn de toezeggingen. Daarmee sluiten we deze vergadering.
Ik dank iedereen, met excuses voor het uitlopen van deze vergadering,
maar we hebben geprobeerd de uitloop beperkt te houden. Veel dank en tot
een volgende keer.
Sluiting 21.25 uur.
ONGECORRIGEERD STENOGRAM Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden ontleend. Uit ongecorrigeerde verslagen mag niet letterlijk worden geciteerd. Inlichtingen: verslagdienst@tweedekamer.nl |
|---|