Inbreng verslag schriftelijk overleg over het Rapport 'Hospices in Nederland' (Kamerstuk 29509-97)
Palliatieve zorg
Inbreng verslag schriftelijk overleg
Nummer: 2026D02551, datum: 2026-01-21, bijgewerkt: 2026-01-21 16:45, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: M. Mohandis, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (GroenLinks-PvdA)
- Mede ondertekenaar: J.J. Meijerink, adjunct-griffier
Onderdeel van zaak 2025Z19440:
- Indiener: N.J.F. Pouw-Verweij, staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- 2025-11-12 13:50: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2025-12-03 10:15: Procedurevergadering Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Procedurevergadering), vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- 2026-01-21 14:00: Rapport 'Hospices in Nederland' (Inbreng schriftelijk overleg), vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- 2026-06-04 12:00: Ouderenzorg (incl. ouderenhuisvesting) (Commissiedebat), vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Preview document (🔗 origineel)
29 509
Nr.
INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld …………. 2026
In de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport bestond bij enkele fracties behoefte een aantal vragen en opmerkingen voor te leggen aan de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over de brief van 4 november 2025 inzake Rapport 'Hospices in Nederland’ (Kamerstuk 29 509, nr. 97).
De vragen en opmerkingen zijn op 21 januari 2026 aan de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voorgelegd. Bij brief van ………………. zijn de vragen beantwoord.
De fungerend voorzitter van de commissie,
Mohandis
Adjunct-griffier van de commissie,
Meijerink
Inhoudsopgave blz.
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66–fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA–fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV–fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de 50PLUS-fractie
Reactie van de staatssecretaris
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66–fractie
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het rapport 'Hospices in Nederland' en delen de zorg dat er geen langdurig zicht is op de beschikbaarheid van hospicebedden. Hoewel het huidige aanbod in kaart is gebracht, is dit slechts een momentopname en blijkt dat structurele monitoring van wachtlijsten momenteel te versnipperd is. Daardoor blijft de werkelijke onvervulde vraag onzichtbaar. Gezien de prognose dat er tot 2040 naar verwachting 200 tot 450 extra hospicebedden nodig zijn, vragen deze leden welke concrete maatregelen de staatssecretaris overweegt om de bedbezetting, wachtlijsten en onderliggende factoren structureel te monitoren. De leden van de D66-fractie willen weten hoe en door wie wordt gewaarborgd dat het aanbod blijft aansluiten bij de groeiende vraag.
De leden van de D66-fractie vernemen dat er een specifieke groep mensen is die redelijkerwijs niet thuis kan overlijden, maar die geen 24-uurs aanwezigheid van formele zorg nodig heeft. De leden van de D66-fractie maken zich zorgen dat de omvang van deze groep momenteel onbekend is en dat nader onderzoek noodzakelijk is om de behoefte aan dit type 'informele bedden' vast te stellen. Het gaat hierbij vaak om kwetsbare mensen met een zwak informeel netwerk of een ongeschikte thuissituatie. Welke stappen gaat de staatssecretaris ondernemen om deze specifieke zorgvraag in kaart te brengen en te borgen dat ook voor deze groep voldoende capaciteit beschikbaar blijft in het sociaal domein?
De leden van de D66-fractie wijzen op de conclusie dat de grote variëteit aan organisatie- en bekostigingsvormen leidt tot een gebrek aan transparantie voor zowel de zorgvrager als de verwijzer. Voor cliënten is het vaak onduidelijk voor welke vorm en kwaliteit van zorg zij kiezen, waarbij de keuze nu vaak gebaseerd wordt op nabijheid in plaats van de best passende zorg. De leden van de D66-fractie ondersteunen het advies om een duidelijk onderscheid te maken tussen hospices met een formele zorgfunctie en hospices die fungeren als alternatieve verblijfplaats met informele zorg. Zij vragen op welke wijze de staatssecretaris de sector gaat ondersteunen om in de komende vijf jaar toe te groeien naar dit meer eenduidige landschap.
De leden van de D66-fractie lezen dat de hoogte van de eigen bijdrage voor cliënten momenteel sterk varieert zonder dat dit goed uitlegbaar is vanuit de zorgvraag. Het huidige model, waarbij de mate van financiële bijdrage afhankelijk is van de organisatievorm van het hospice in plaats van de indicatie van de cliënt, is volgens deze leden op de lange termijn niet houdbaar. Zij vragen de staatssecretaris om met voorstel te komen voor duidelijke, uitlegbare afspraken over eigen bijdragen, zodat de financiële consequenties van een hospice voor de burger voorspelbaar en rechtvaardig zijn.
De leden van de D66-fractie merken op dat de huidige bekostigingsstructuur een lappendeken is die hospices weinig zekerheid biedt voor investeringen op de lange termijn. Veel hospices zijn afhankelijk van tijdelijke VWS-subsidies die eind 2026 aflopen, wat risico's met zich meebrengt voor de continuïteit en noodzakelijke opschaling. Deze leden vragen hoe de staatssecretaris invulling gaat geven aan een stabieler financieringskader dat hen in staat stelt om met vertrouwen te bouwen aan de benodigde extra capaciteit voor 2040.
Ook vragen deze leden de staatssecretaris hoe beter kan worden bepaald wanneer zorg in de thuissituatie nog passend en verantwoord is, en wanneer een hospice een betere plek biedt in de laatste levensfase. Zij zijn daarbij benieuwd hoe de voorgenomen afspraken voor 2025 kunnen helpen om deze afweging zorgvuldiger en duidelijker te maken. Ook vragen zij welke mogelijkheden er zijn om mensen die dat wensen beter te ondersteunen bij het sterven thuis, samen met mantelzorgers en in de eigen omgeving. Tot slot willen deze leden inzicht in hoe wordt gekeken naar de balans tussen de wens om thuis te overlijden en de beschikbaarheid van hospices als alternatief, temeer omdat uit het rapport blijkt dat nog onvoldoende zicht bestaat op de groep mensen voor wie een sociale indicatie doorslaggevend is en dat nader onderzoek nodig is.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het rapport “Hospices in Nederland”. Zij benadrukken het belang van hospices als onderdeel van de palliatieve zorg. Mensen moeten in hun laatste levensfase kunnen rekenen op goede, respectvolle zorg, met aandacht voor comfort, pijnbestrijding en persoonlijke wensen. Zo zorgen we voor een waardig levenseinde. De VVD hecht veel waarde aan keuzevrijheid: mensen moeten kunnen kiezen waar zij de laatste fase van hun leven doorbrengen, bijvoorbeeld thuis, in een hospice, of in een zorginstelling. Zij stellen enige vragen.
De leden van de VVD-fractie lezen dat geadviseerd wordt duidelijk onderscheid te maken tussen twee soorten hospices op basis van de functie die zij vervullen. Enerzijds gaat het om formele zorg met medisch noodzakelijk verblijf, anderzijds gaat het om een alternatieve verblijfplaats met informele zorg. Hierbij is volgens de onderzoekers duidelijke afbakening nodig tussen mensen die op basis van hun zorgvraag 24-uurs aanwezigheid van formele zorg nodig hebben tegenover mensen die dit niet nodig hebben, maar die ook niet redelijkerwijs thuis kunnen overlijden. Dit betreft een omvangrijke stelselwijziging. Deze leden begrijpen dat stakeholders grote bezwaren zien bij de voorgestelde stelselwijziging. Heeft de staatssecretaris hiervan kennisgenomen? Kan de staatssecretaris in haar beantwoording op deze bezwaren reageren?
De leden van de VVD-fractie lezen de voorgestelde stelselwijziging met interesse, maar ook met een kritische blik. Leidt de voorgestelde tweedeling in hospices en het onderbrengen van bijna-thuis-huizen in het sociaal domein naar verwachting van het kabinet tot een versnippering in het hospicelandschap? Wat zijn de gevolgen voor de keuzevrijheid van hospicegasten, waar de leden van de VVD-fractie waarde aan hechten? En welke invloed zou deze stelselwijziging hebben op de administratieve last? Hoe noodzakelijk vindt het kabinet een stelselwijziging?
De leden van de VVD-fractie lezen dat in het rapport geconcludeerd wordt dat de hospicezorg precair is. Deelt het kabinet deze aanduiding? Wat zijn volgens het kabinet de grootste problemen bij hospices die het hoofd geboden moeten worden? Zorgverzekeraars geven aan dat in alle hospicevarianten zeer gemotiveerde professionals en vrijwilligers werken en dat de kwaliteit van zorg op orde is. De zorgverzekeraars hebben geen signalen gehad dat de kwaliteit in hospices tekortschiet. Zij vragen zich af of de voorgestelde stelselwijzigingen proportioneel en noodzakelijk zijn. De leden van de VVD-fractie horen graag de reflectie van het kabinet hierop.
De leden van de VVD-fractie merken op dat met de voorgestelde stelselwijziging de nadruk wordt gelegd op centralisatie, scheiding van functies en uniformering. In de status quo draaien hospices juist op “naoberschap”. Biedt de voorgestelde stelselwijziging voldoende ruimte voor initiatieven vanuit dit “naoberschap”?
Voorts constateren de leden van de VVD-fractie dat al een aantal jaren hospices in het project “versterken hospicezorg” gezamenlijk met hun partners regionaal werken aan het aanpakken van vraagstukken. In dit rapport wordt dit project met haar voortgang en uitkomsten niet meegenomen. Hoe reflecteert het kabinet hierop? Zijn in het rapport de ideeën van hospices zelf voldoende meegenomen? De leden van de VVD-fractie hechten er waarde aan dat bij verbetervoorstellen goed wordt afgewogen hoe deze wijzigingen lokaal in de praktijk landen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA–fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van het rapport ‘Hospices in Nederland’ en de bijbehorende brief van de regering. Zij hebben hier nog enkele vragen over.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat er geen landelijk uniform normenkader bestaat voor het zogeheten opnamebesluit. Zou het kabinet kunnen reflecteren op de mate waarin dit (regionale) verschillen versterkt? Zou het kabinet tevens kunnen reflecteren op de eventuele wenselijkheid van een landelijk uniform normenkader? Zouden zij hierbij de voor- en nadelen kunnen opsommen van enerzijds het hebben van een landelijk uniform normenkader en anderzijds het niet hebben van een landelijk uniform normenkader?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het organisatiemodel bepaalt of en hoe de indicatiestelling en het opnamebesluit bekostigd zijn. Zou het kabinet kunnen reflecteren op de mate waarin dit leidt tot ongelijkheid in toegang tot zorg in verband met de kosten die doorgerekend worden naar de patiënt? Hoeveel tijd wordt er doorgaans door zorgverleners besteed aan indicatiestelling voor eerstelijnsverblijf? Hoeveel tijd wordt er doorgaans besteed aan het komen tot een opnamebesluit? Hoe dient een opnamebesluit geregistreerd en verantwoord te worden?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het op dit moment onbekend is wat de totale maatschappelijke kosten zijn van huisartsenvisites in hospices. Is er een wijze om dit alsnog inzichtelijk te maken? Op welke wijze wordt ingezet op landelijke, toegankelijke informatievoorziening waarmee patiënten en hun naasten snel en duidelijk inzicht krijgen in de verschillen tussen hospices en zorgvormen? Hoe wordt gezorgd dat patiënten en naasten tijdig heldere en toegankelijke informatie ontvangen over kosten en vergoedingen voor hospicezorg? Hoe wordt de kwaliteit van de palliatieve zorg gemonitord vanuit het perspectief van patiënten en hun naasten? Op welke wijze wordt ondersteuning van naasten en mantelzorgers meegenomen in kwaliteitsborging en financiering van hospices?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat er gemeenten zijn die gemeentelijke subsidies verstrekken aan hospices. Hoe hoog zijn deze subsidies gemiddeld? In hoeveel en in welke gemeenten worden er subsidies verstrekt?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het deel van de cliënten dat een vergoeding rechtstreeks aan het hospice betaalt en de hoogte van deze vergoeding verschilt tussen hospices. Bestaat er een maximum aan de eigen bijdrage die gevraagd zou mogen worden door een hospice die niet zelf V&V levert? Zo nee, waarom niet en bestaan er andere dergelijke kaders om te voorkomen dat de zorg ontoegankelijk wordt voor mensen met een lager inkomen of vermogen? Op welke wijze wordt er toezicht gehouden op de kwaliteit van de (informele) zorg bij hospices die niet zelf V&V leveren? Bij welke organisatie zouden patiënten en hun naasten terecht kunnen met klachten over de kwaliteit van de zorg?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de aanbevelingen van het rapport. Zou het kabinet nader kunnen toelichten in hoeverre deze conclusies gedeeld worden door de zorgverzekeraars? Zou het kabinet tevens nader kunnen toelichten welke eventuele risico’s er gepaard zouden kunnen gaan met het overhevelen van de hospices die informele zorg leveren binnen het sociaal domein?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV–fractie
De leden van de PVV-fractie hebben het rapport Hospices in Nederland gelezen. Voor dit schriftelijk overleg hebben zij voor nu geen vragen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben met interesse het rapport ‘Hospice in Nederland’ gelezen dat in het kader van het Nationaal Programma Palliatieve Zorg II is uitgevoerd. Het rapport laat overtuigend zien dat vrijwilligers een onmisbare rol spelen in de hospicezorg. In hospices die zelf formele zorg leveren zijn gemiddeld 15 à 16 vrijwilligers per bed actief; in hospices zonder formele zorg loopt dit op tot 17 à 18 vrijwilligers per bed. Veel voorzieningen zijn ontstaan vanuit buurtinitiatieven en draaien op de kracht van lokale gemeenschappen. De leden van de CDA-fractie vinden het van groot belang dat deze maatschappelijke energie behouden blijft en dat eventuele systeemwijzigingen niet leiden tot extra regeldruk voor vrijwilligers. Kan de staatssecretaris bevestigen dat het belang van vrijwilligers en het behoud van hun inzet expliciet wordt meegenomen als uitgangspunt bij eventuele vervolgstappen?
Veel hospices, met name de hospices die zelf geen formele zorg leveren, zetten vrijwilligers in bij mensen thuis. Deze vrijwilligers bieden nabijheid, ondersteuning en begeleiding in de laatste levensfase. Het rapport gaat hier nauwelijks op in, terwijl hun bijdrage essentieel is. Op welke wijze is de ondersteuning van vrijwilligers die via hospices worden ingezet in de thuissituatie geborgd, en wordt deze groep meegenomen in het vervolg?
Hospices die geen formele zorg leveren ontvangen gemiddeld 58% van hun omzet uit de VWS‑subsidie. Deze organisaties, die grotendeels op vrijwilligers draaien, zijn daarmee sterk afhankelijk van deze financiering. Voor hun continuïteit is tijdige duidelijkheid essentieel. Voornoemde leden vragen: wanneer komt er duidelijkheid over het vervolg van de subsidieregeling?
Het rapport laat zien dat er op basis van bevolkingsprognoses in de toekomst meer hospicecapaciteit nodig zal zijn. Tegelijkertijd laten de cijfers over 2024 zien dat de verwachte behoefte hoger lag dan de feitelijke capaciteit, zonder dat dit leidde tot een hogere bezettingsgraad. De leden van de CDA-fractie vinden het positief dat het aanbod regionaal in kaart is gebracht en dat de staatssecretaris inzet op betere monitoring.
Door de verschillende ontstaansgeschiedenissen van hospices bestaat er grote diversiteit in bekostiging en eigen bijdragen. De leden van de CDA-fractie ondersteunen het streven naar een eenvoudiger systeem en het wegnemen van verkeerde prikkels. Daarbij is het essentieel dat administratieve lasten niet toenemen. Liever nog: deze zouden deze leden bij wijzigingen graag zien afnemen. Hoe borgt de staatssecretaris dat een nieuwe bekostigingssystematiek niet leidt tot hogere administratieve lasten, en op welke wijze kan worden ingezet op een vermindering hiervan?
Het rapport concludeert dat de huidige bekostigingsstructuur onvoldoende toekomstbestendig is: hospices zijn afhankelijk van diverse inkomstenbronnen, hebben weinig lange termijn zekerheid en worden geconfronteerd met uiteenlopende prikkels. Ook verschillen de eigen bijdragen sterk en zijn deze moeilijk uitlegbaar. Dit model is volgens de onderzoekers niet houdbaar, zeker gezien de verwachte groei van de vraag naar hospicezorg. De leden van de CDA-fractie delen deze analyse. De leden van de CDA-fractie kunnen zich vinden in de voorgestelde indeling in twee typen hospicevoorzieningen: 1. hospices met formele zorg en medisch noodzakelijk verblijf, en 2. hospices als alternatieve verblijfplaats met informele zorg. Beide vormen blijven noodzakelijk. De leden van de CDA-fractie vinden daarnaast dat ook hulp en ondersteuning thuis, vaak geleverd door vrijwilligers via hospices, moet worden meegenomen. Hoe kijkt de staatssecretaris hiernaar?
Een van de voorstellen is om budgetten voor informele zorg mee te nemen in de tariefstelling voor formele hospicezorg. Dit zou betekenen dat zorgaanbieders die veel vrijwilligers inzetten een lagere vergoeding ontvangen, terwijl deze middelen juist bedoeld zijn om vrijwilligers te ondersteunen. Dit creëert een negatieve prikkel voor vrijwillige inzet. De leden van de CDA-fractie zijn hier geen voorstander van. Hoe beoordeelt de staatssecretaris het risico dat het meenemen van informele‑zorgbudgetten in de tariefstelling leidt tot een financiële prikkel die vrijwilligerswerk ontmoedigt?
In de begeleidende brief staat dat er nog nadere afstemming met het veld plaatsvindt. Voor een zorgvuldige beoordeling van vervolgstappen is inzicht in deze gesprekken belangrijk. Met welke partijen vindt de nadere afstemming plaats over de toekomstige inrichting van de hospicezorg?
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB‑fractie hebben kennisgenomen van de Kamerbrief over het rapport Hospices in Nederland. De leden hebben hierover de volgende vragen.
De leden lezen dat uit het rapport blijkt dat de hospicecapaciteit regionaal sterk uiteenloopt (4 tot 12 bedden per 1.000 overledenen) en dat 42.000 mensen langer dan 30 minuten moeten rijden naar een hospice met 24/7 formele zorg. Hoe gaat de staatssecretaris voorkomen dat deze regionale ongelijkheid verder toeneemt, en kan zij garanderen dat ook krimpregio’s, dorpen en kleinere kernen toegang houden tot tijdige palliatieve zorg dichtbij huis?
Verder stelt de rapportage dat het onduidelijk is wie verantwoordelijk is voor opschaling van hospicecapaciteit, terwijl er tot 2040 200 tot 450 extra bedden nodig zijn. Wie krijgt volgens de staatssecretaris de eindregie over uitbreiding van capaciteit, en hoe wordt voorkomen dat hospices zelf financiële risico’s dragen bij noodzakelijke opschaling?
Ook lezen de leden van de BBB-fractie dat de opnamecriteria en indicatiestelling sterk verschillen per hospice, met risico’s op willekeur en ongelijke toegang. Is de staatssecretaris bereid te komen tot heldere landelijke normen voor opname, zodat cliënten niet afhankelijk zijn van lokale verschillen in interpretatie of organisatiemodel?
Daarnaast lezen de leden in het rapport dat de eigen bijdragen extreem verschillen (0 tot €85 per dag). Ook is de bekostiging complex en versnipperd. Hoe beoordeelt de staatssecretaris deze ongelijkheid in kosten voor cliënten, en is zij bereid toe te werken naar een transparant en uniform systeem dat betaalbaarheid en toegankelijkheid bevordert?
Tot slot laat het rapport zien dat de financiële situatie van hospices niet inzichtelijk is door constructies met stichtingen, vriendenfondsen en onderaanneming. Hoe gaat de staatssecretaris zorgen voor transparantie in de financiële stromen en continuïteit van hospices, zonder extra administratieve lasten?
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van het rapport van Gupta over hospicezorg in Nederland. Graag maken zij van de gelegenheid gebruik om hierover een aantal vragen te stellen.
De leden van de SGP-fractie constateren dat Gupta in hoofdstuk 1 een adequaat en grondig overzicht van het ‘hospicelandschap’ heeft gemaakt. Zij zijn vooral benieuwd naar een reflectie van de staatssecretaris op de hoofdstukken 2 en 3 van het rapport waarin Gupta de belangrijkste knelpunten opsomt en een oplossingsrichting voorstelt.
Deelt de staatssecretaris de bevindingen van Gupta in hoofdstuk 2? Kan zij hier puntsgewijs op reageren?
Kan de staatssecretaris verduidelijken welke maatregelen er al zijn genomen om het inzicht in de beschikbaarheid van hospicezorg in regionaal verband te vergroten? Kan zij met name ingaan op het project ‘Versterken Hospicezorg’? Zijn er regio’s waar al wel een gezamenlijke wachtlijst is? Hoe functioneert dit?
Gupta kwalificeert de zorg in hospices in Nederland als ‘precair’. Deelt de staatssecretaris deze omschrijving? Zo niet, hoe zou zij zelf de situatie met betrekking tot en hospicezorg omschrijven? Heeft de staatssecretaris kennisgenomen van de kritiek van VPTZ Nederland die zich niet herkent in de kwalificatie ‘precair’? Hoe duidt zij dit?
Het belangrijkste voorstel van Gupta is om een onderscheid te gaan maken tussen twee soorten hospices. Enerzijds hospices waar formele zorg wordt geleverd, sprake is van medisch noodzakelijk verblijf en die gefinancierd worden vanuit de zorgverzekeraars en zorgkantoren. Anderzijds hospices als alternatieve verblijfplaats met informele zorg, gefinancierd vanuit het sociaal domein. Hoe kijkt de staatssecretaris naar dit onderscheid?
Als het door Gupta voorgestelde onderscheid doorgevoerd wordt, moeten hospices die nu beide functies vervullen kiezen wat voor soort hospice zij willen zijn. Hoe wenselijk vindt de staatssecretaris dit? Blijkbaar voorzien hospices die nu beide functies aanbieden in een behoefte. Hoe wordt voorkomen dat er gaten in het zorgaanbod ontstaan doordat hospices gedwongen worden om te kiezen tussen één van beide categorieën?
Meer principieel vragen de leden van de SGP-fractie hoe wenselijk de staatssecretaris het vindt om een organisch gegroeid zorglandschap dat voor het grootste deel bestaat uit hospices die financieel gezond zijn en goede kwaliteit van zorg bieden zo rigoureus te gaan herinrichten. Hoe voorkomt de staatssecretaris dat er een soort tekentafeloplossing wordt ingevoerd? Het kenmerk van hospices is dat er vaak sprake is van sterke lokale of regionale verworteling, een grote betrokkenheid van lokale vrijwilligers of lokale sponsoren. Dit valt vaak niet in een beleidsmatig of wetmatig hokje te passen. De leden van de SGP-fractie vragen zich af: is dat juist niet iets moois en lopen we niet het risico door alle hospicezorg strikt onder te brengen bij de Zvw of Wmo dat dergelijke lokale verworteling wordt aangetast? Ziet de staatssecretaris het risico dat hospices in een keurslijf worden geperst waar ze niet in passen?
Als iemand in een hospice wordt opgenomen, is dat vrijwel altijd de laatste plek waar diegene voor diens overlijden verblijft. In het nieuwe systeem zou het kunnen gebeuren dat iemand verblijft in een hospice met informele zorg, te maken krijgt met verslechterende gezondheid waardoor 24/7 zorg nodig is en dus overgeplaatst moet worden naar een andersoortig hospice. Hoe wenselijk zou de staatssecretaris zoiets vinden?
Gupta beoogt met haar rapport een oplossing te bieden voor de versnippering in het hospiceaanbod. Tegelijkertijd adviseert Gupta een deel van de hospicezorg onder te brengen in het sociaal domein, waardoor gemeenten – náást de Rijksoverheid en verzekeraars – ook een rol gaan krijgen in de hospicezorg. Hoe kijkt de staatssecretaris hiernaar? Vindt zij dat wenselijk vanuit het oogpunt van versnippering van zorg?
Gupta constateert dat het onduidelijk is wanneer iemand aanspraak kan maken op formele zorg met verblijf en wanneer het verblijf buiten de aanspraak valt. Is de staatssecretaris van mening dat met het voorstel van Gupta om twee soorten hospices te creëren dit probleem is opgelost?
De Associatie Hospicezorg Nederland wijst erop dat de inzet van vrijwilligers in bijna hospices overdag is. Slechts in een heel klein aantal voorzieningen is er ook informele zorg in de nacht. In het voorstel van Gupta komen er straks hospices die verblijf met informele zorg aanbieden. De verpleegkundige komt dan alleen op indicatie langs. Dit roept de vraag op hoe zorg in de nacht dan wordt georganiseerd. Wordt dit dan bij familieleden of andere mantelzorgers neergelegd? Ook vragen de leden van de SGP-fractie zich af wat dan nog het verschil is met palliatief terminale zorg thuis. De Associatie Hospicezorg Nederland vraagt zich (naar het oordeel van de leden van de SGP-fractie terecht) af of er behoefte bestaat aan dergelijke hospices met verblijf en informele zorg. Gupta geeft zelf aan ook niet te weten hoe groot deze groep is, dit vraagt nader onderzoek. De leden van de SGP-fractie vragen de staatssecretaris dan ook om die behoefte nader te laten onderzoeken.
Gupta geeft aan dat het wenselijk is dat de bekostiging uitgaat van de zorgvraag van de cliënt, niet van de (huidige) organisatievormen van hospices. De leden van de SGP-fractie vragen zich af of hospicelandschap dat Gupta schetst, voldoet aan de zorgvraag van de cliënt.
Gupta schrijft dat een smalle afbakening van de aanspraak betekent dat capaciteit van hospices die nu formele zorg leveren, en via elv-bekostigd worden, moet worden afgebouwd of omgevormd naar hospices zonder medisch noodzakelijk verblijf. De leden van de SGP-fractie vragen de staatssecretaris om een nadere duiding van wat dit betekent voor zelfstandige hospices. Het kan toch niet zo zijn dat deze beweging ertoe zou leiden dat goedlopende hospices hun activiteiten helemaal moeten beëindigen?
Gupta verwijst naar de afspraak in het AZWA dat “burgerinitiatieven worden ondersteund”. Hiermee ligt er volgens Gupta een duidelijke basis om coördinatie op de regionale samenwerking tussen gemeenten onderling en tussen sociaal domein en zorgdomein te verbeteren en er gezamenlijk voor te zorgen dat straks in alle regio’s voldoende ‘informele bedden’ beschikbaar zijn. De leden van de SGP-fractie vragen zich af waarom dit een extra taak voor gemeenten zou moeten betekenen. Waarom zouden activiteiten op het snijvlak van het zorgdomein en het sociaal domein per se door gemeenten opgepakt moeten worden? Het zou toch op z’n minst ook van zorgverzekeraars gevraagd kunnen worden om (financieel) te ondersteunen bij dergelijke burgerinitiatieven?
Uit bijlage A blijkt dat de reistijden naar specifieke types hospicezorg in bepaalde delen van het land ver achterblijft. Dit gaat dan met name om high care hospicezorg (Friesland, Groningen, Drenthe en het grootste deel van Zeeland) en palliatieve units (delen van Zeeland, Overijssel, Gelderland en Brabant). Wie is straks in het nieuwe systeem verantwoordelijk voor de beschikbaarheid en het creëren van dergelijke zorgaanbod?
Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractie
De leden van de ChristenUnie-fractie maken van de gelegenheid gebruik om enkele vragen te stellen over het rapport Hospices in Nederland; adviezen richting toekomstbestendige inrichting en bekostiging’ van Gupta Strategists.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen welke vraag of probleemstelling vanuit het ministerie is meegegeven aan de opdrachtnemers van dit adviesrapport. Wat is de achtergrond van deze vraag en wordt deze vraag of dit probleem ook zo in de sector beleefd, zo vragen deze leden. Zijn de sectorpartijen betrokken geweest bij de totstandkoming van de opdracht en zo nee, waarom niet? De leden van de ChristenUnie-fractie vinden het belangrijk dat oplossingen voor ervaren problemen worden gezocht. Is aan de sectorpartijen gevraagd welke problemen moeten worden opgelost?
De leden van de ChristenUnie-fractie herkennen dat het hospicelandschap veelkleurig is en soms diffuus in financiering, regelgeving en toegang. Tegelijk willen deze leden ervoor waken dat het een doel op zich wordt om het systeem te vereenvoudigen. Het gaat er wat deze leden betreft allereerst om dat er goede en voldoende hospicezorg in al haar vormen kan worden geboden. De oplossing die het rapport aanreikt, namelijk een drastische herinrichting van het landschap, roept dan ook vragen op bij deze leden. Bovendien wordt er wat deze leden betreft in het rapport geen rekening gehouden met de stappen die de sector de afgelopen jaren al heeft gezet en de ontwikkelingen die nu nog gaande zijn.
Welke stappen zijn er de afgelopen jaren gezet om meer afstemming te creëren tussen hospices, om meer inzicht te krijgen in de huidige capaciteit, lege bedden en toekomstig benodigde capaciteit in regio’s, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie. Welke stappen zijn er al gezet en welke ontwikkelingen lopen er momenteel om de bekostiging beter aan te laten sluiten bij de daadwerkelijke kosten en zorgvraag, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie.
Ten aanzien van de constatering op pagina 33 dat de Inspectie Gezondheid en Jeugd (IGJ) een inspectie heeft uitgevoerd bij 3% van de hospicelocaties, merken de leden van de ChristenUnie-fractie op dat de IGJ na deze steekproef geen signalen had om verder onderzoek te doen en bij andere signalen de inspectie weer activeert. Herkent de staatssecretaris dit en dat dit een standaard manier van werken is voor de IGJ?
Ten aanzien van het beperkte zicht dat zorgverzekeraars hebben op de kwaliteit van zorg in hospices, vragen de leden van de ChristenUnie-fractie of de bestaande regels voor inkoop en verantwoording van werkzaamheden niet net als bij andere zorgaanbieders voldoende controle op de kwaliteit biedt. Wat maakt het zicht op de kwaliteit in hospicezorg anders dan bij andere zorgaanbieders?
Deelt de sector de conclusie van Gupta Strategists dat situatie van de hospicezorg precair is, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie.
Ten aanzien van de adviezen van Gupta Strategists om tot een nieuwe inrichting te komen van het hospicelandschap vragen de leden van de ChristenUnie-fractie of er geen minder drastische maatregelen zijn te bedenken die de geschetste moeilijkheden in de hospicezorg net zo goed kunnen oplossen. Deze leden denken dan aan het verbeteren van de subsidieregeling voor de inzet van vrijwilligers, de verplichte aansluiting bij de VPTZ of de Associatie Hospicezorg Nederland om in aanmerking te komen voor de subsidie, en verplichte aansluiting bij een regionaal overleg van hospices om samen de capaciteit af te kunnen stemmen. Wat vindt de staatssecretaris daarvan?
Hoe zou een strikt onderscheid tussen hospices met formele zorg met medisch noodzakelijk verblijf en hospices die een alternatieve verblijfplaats met informele zorg zijn eruit moeten zien of wat betekent dit voor hospices die beide vormen van zorg bieden, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie. Gaan er hospices verdwijnen als dit zou worden doorgevoerd?
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het rapport 'Hospices in Nederland' en de bijbehorende kabinetsbrief. Zij hebben hier nog enkele vragen en opmerkingen over.
De leden van de SP-fractie vragen de staatssecretaris of zij bij de aangekondigde vervolgstappen ook met plannen zal komen om te voorkomen dat meer hospices zullen moeten sluiten.
De leden van de SP-fractie vragen daarnaast of zij bij de vervolgstappen op het gebied van hospicezorg ook de motie Dobbe over een einde maken aan omzetplafonds in de ggz en de palliatieve zorg (Kamerstuk 36 725 XVI, nr. 23) meeneemt. Het gebruik van omzetplafonds in de palliatieve zorg kan immers ook de toegankelijkheid van hospices beperken.
Vragen en opmerkingen van de leden van de 50PLUS-fractie
De leden van de 50PLUS-fractie danken de staatssecretaris voor de toezending van het Gupta-rapport over Hospicezorg in Nederland. Zij willen hierbij nog een tweetal korte vragen stellen.
Deze leden begrijpen dat de staatssecretaris een beleidsarme reactie heeft gestuurd. Kan de staatssecretaris inmiddels wat meer duiden inzake de opvolging van de aanbevelingen en wat er kan worden voorbereid in het kader van NPPZ II? Ook willen de leden van de 50PLUS-fractie vragen om een reflectie op de suggestie uit het rapport om gemeenten, een nieuwe partij in deze, te betrekken bij een deel van de hospicezorg.
Reactie van de staatssecretaris