Debat over geweld tegen de politie en hulpverleners en de hufterigheid in de samenleving (ongecorrigeerd)
Stenogram
Nummer: 2026D02609, datum: 2026-01-21, bijgewerkt: 2026-01-22 09:15, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-01-21 15:15: Debat over geweld tegen de politie en hulpverleners en de hufterigheid in de samenleving (Plenair debat (debat)), TK
Preview document (🔗 origineel)
Geweld tegen de politie en hulpverleners en de hufterigheid in de samenleving
Voorzitter: Van Campen
Geweld tegen de politie en hulpverleners en de hufterigheid in de
samenleving
Aan de orde is het debat over het geweld tegen
de politie en hulpverleners en de hufterigheid in de
samenleving.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Ik heet de minister van Justitie en
Veiligheid van harte welkom in vak K voor het debat over het geweld
tegen de politie en hulpverleners en de hufterigheid in de samenleving.
Van de zijde van de Kamer zijn er veertien sprekers, eenieder met vier
minuten spreektijd. Ik wil graag mevrouw Van der Plas het woord geven
voor een punt van orde.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
We spreken vandaag over het geweld tegen politie en hulpverleners. Ik
heb het vermoeden dat het vuurwerk hierbij ook aan de orde zal komen,
omdat veel partijen denken dat het feit dat iemand een sierpot in de
straat wil afsteken alles te maken heeft met geweld tegen de politie.
Nou is er pas een uurtje geleden een 50 pagina's tellende AMvB
toegestuurd door de heer Aartsen, die vanzelfsprekend niet bij dit debat
is, omdat dit over het geweld gaat. Ik wil alleen wel even markeren dat
het dan wel lastig wordt als we hier een discussie gaan hebben over
vuurwerk. Ik zal het vuurwerk ook noemen, juist in de zin van dat ik
niet vind dat de sierpot, die nog toegestaan is, de oorzaak is van
geweld. Maar ik wilde hier toch in zijn algemeenheid even markeren dat
dingen gewoon heel laat naar de Kamer worden gestuurd. Als ik tijd had
gehad om die 50 pagina's te lezen, had ik daar beter iets over kunnen
zeggen. Dat kan ik nu niet. Ik vind dat niet netjes. Het gebeurt bij dit
kabinet heel vaak dat dingen gewoon rijkelijk laat komen. Dat wil ik
hier wel even gezegd hebben.
De voorzitter:
U heeft het punt gemaakt. Ik hecht er ook aan te benoemen dat het de
Kamer zelf was die erop stond om vandaag, deze week nog, dit debat te
voeren. Het staat uiteindelijk eenieder lid vrij om vuurwerk en de
ophanden zijnde wet- en regelgeving te betrekken in het betoog, maar
vanzelfsprekend zal de AMvB die door de staatssecretaris naar de Kamer
is gestuurd, nog kunnen rekenen op een zorgvuldige parlementaire
behandeling. Laten we elkaar niet te scherp bevragen op die AMvB,
aangezien het natuurlijk niet mogelijk is geweest om die dermate
inhoudelijk te betrekken bij de voorbereiding. Laten we gewoon zelf
kiezen welke woorden en welke onderwerpen we betrekken bij dit debat.
Maar die AMvB krijgt nog een zorgvuldige parlementaire
behandeling.
Ik wil graag het woord geven aan mevrouw Michon-Derkzen als eerste
spreker van de zijde van de Kamer in de eerste termijn. Zij spreekt
namens de fractie van de VVD.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Voorzitter, dank u wel. Ik sta hier voor de politie, de brandweermannen,
de brandweervrouwen, de ambulancemedewerkers en de handhavers op straat,
in onze natuurgebieden, in de trein en op de stations. Ik sta hier voor
de burgemeesters en alle lokale politici. Ik sta hier voor de docenten,
de verpleegsters en de baliemedewerkers van de sociale dienst. Kortom,
ik sta hier voor al die mensen die ervoor zorgen dat ons land draait. Al
deze mensen krijgen meer en meer te maken met agressie en geweld. Dat is
niet normaal. Dat moet stoppen. Het is van belang dat we vandaag unaniem
een streep in het zand zetten. We moeten niet alleen veroordelen, maar
we moeten de grens trekken: je blijft met je handen van onze mensen af.
Iedereen die deze grens overschrijdt, pakken we aan. Die pakken we
keihard aan. We stellen een norm en we koppelen daar acties aan.
Voorzitter. Je schrikt je dood van de cijfers als het gaat over agenten.
Vorig jaar maakten politiemedewerkers 12.543 keer melding van geweld.
Meer dan 1.000 politiemedewerkers maakten melding van een vorm van
mishandeling. We weten allemaal dat een heleboel het niet eens melden.
Ze moeten lang wachten op de uitspraak van de rechter en zitten in die
tijd in onzekerheid. De verhalen achter deze cijfers maken op mij nog
veel meer indruk. Dat maakt ook dat ik zo veel bewondering en respect
voor hen heb. Dat heb ik overigens ook voor het thuisfront.
Ik voel me tot op het bot verantwoordelijk om te doen wat ik kan om hen
te helpen. Dat begint bij straffen. Wie aan onze agenten en
hulpverleners komt, kan daar niet mee wegkomen. We hebben niet voor
niets die strafeisverhoging van 200%, waarmee de straf drie keer zo hoog
kan zijn. Dat is het uitgangspunt. Dat is het uitgangspunt dat het OM en
vervolgens de ZM moeten hanteren, maar ze doen dat niet, zo zagen we in
het rapport van het WODC dat we in het eerste kwartaal van vorig jaar
hebben ontvangen. Met alle respect voor de positie van het Openbaar
Ministerie en de rechterlijke macht: ik accepteer het niet. Dit
ondermijnt het vertrouwen van de politieagenten en de hulpverleners dat
de overheid pal achter hen staat als zij het zwaar hebben en letterlijk
de klappen opvangen. Ik lees dat de minister in gesprek gaat met het
Openbaar Ministerie. Ik wil daar graag een terugkoppeling van. Ik kan me
echt voorstellen dat dit een onderwerp is waarvoor ook een algemene
aanwijzingsbevoegdheid kan worden ingezet. Graag een reactie van de
minister daarop. Overigens bevestigt dit de inzet van de VVD op het
wetsvoorstel inzake het taakstrafverbod, want blijkbaar zijn die
uitgangspunten niet stevig genoeg voor het OM en de ZM om ze toe te
passen.
Voorzitter. Het is elke dag bal, bij elke willekeurige dienst, maar bij
voetbalwedstrijden, bij demonstraties en bij oudjaar schiet het risico
omhoog. Op al deze zaken heb ik met de VVD acties uitstaan, bijvoorbeeld
voor het onderscheid tussen demonstraties en ordeverstorende acties,
meer verantwoordelijkheid bij de voetbalclubs zelf, maar ook de
uitbreiding van de uitrusting met rubberen kogels. Mijn fractie heeft
zelfs een gewijzigd standpunt over consumentenvuurwerk ingenomen. We
komen daar nog uitgebreid over te spreken. Maar de politie moet zelf ook
aangeven wat zij nodig heeft om het werk veilig te kunnen doen. In die
zin wil ik de bonden bedanken. Zij hebben een positionpaper geschreven
waarin een heel aantal voorstellen staan om die oudjaarsnacht op een
betere manier door te komen. Ik wil de minister vragen wanneer we een
update krijgen van het handhavingsplan voor oud en nieuw, waarmee wordt
ingegaan op al die voorstellen van de bonden.
Tot slot, voorzitter. Wij moeten dus pal staan voor al die mensen die
een publieke taak uitvoeren. Voor hen hebben we een extra
verantwoordelijkheid om hen te beschermen. We moeten het ambt beschermen
en henzelf. Want wie wil er nog raadslid worden? Of wie wil er nog
burgemeester worden? Daarom ook heb ik een initiatiefnota ingediend in
september jongstleden, waarin ik ervan uitga dat de werkgever namens het
slachtoffer aangifte kan doen en dat we elke melding ook laten opvolgen
door een aangifte, zodat degene die aan onze mensen komt, degene die
ervoor zorgt dat zij belemmerd worden in hun publieke taak, waar juist
hun verantwoordelijkheid ligt, inderdaad ook ons tegenkomt.
Dank u wel.
De voorzitter:
Ik maximeer het aantal interrupties niet, maar ze zullen wel onder de 30
seconden blijven, anders ga ik erdoorheen. En niet vaker dan drie
keer.
Mevrouw Faber.
Mevrouw Faber (PVV):
Dank u, voorzitter. Ja, ik heb wel een vraag voor mevrouw Michon. Zij
geeft aan dat de politie moet aangeven wat die nodig heeft. De politie
worden geweldsmiddelen toegewezen. Maar wat zie je dus? Elke keer moet
de burgemeester, als het de openbare orde betreft, die geweldsmiddelen
toewijzen. Maar je ziet dus gewoon dat er burgemeesters zijn die
bijvoorbeeld weigeren om het waterkanon in te zetten met traangas, en
die dat ook van tevoren zeggen. Dan is dat toch in feite al een
aanmoediging om tegen mensen te zeggen: "Rotzooi maar aan, want ik ga
die middelen toch niet inzetten"?
De voorzitter:
Mevrouw Michon-Derkzen.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Mevrouw Faber grijpt hier een terecht punt aan. Kijk, het is onze taak
om ervoor te zorgen dat de uitrusting van de politie op orde is. Dat
gaat van gehoorbescherming tot goede helmen, en wat mij betreft ook die
rubberen kogels en de waterwerpers met traangas. Vervolgens doen agenten
elke operationele actie onder de verantwoordelijkheid, of "het gezag",
moet je zeggen, van een burgemeester. Dus hoeveel agenten, waar en met
welke middelen is aan de burgemeester. In het geval dat je bij oud en
nieuw besluit om die waterwerper met traangas maar niet in te zetten,
wat het geval was in Amsterdam, komt dat op mij over als een niet al te
verstandig besluit, maar ik ga daar niet over, wil ik tegen mevrouw
Faber zeggen. Ik zou dit dus zeggen. "Had u dat anders gedaan?". Nou,
wellicht, maar ik heb die baan niet; ik zit niet in die positie. Maar ik
vond dat ook geen verstandig besluit.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik vind het een beetje te makkelijk om te zeggen "ik ga daar niet over",
want de Tweede Kamer kan natuurlijk wel de regering aansturen om iets te
gaan doen. En wat zie je dus? Je ziet dat er heel veel burgemeesters
toch politiek gekleurd zijn. En je ziet vooral bij die linkse
burgemeesters, zoals bijvoorbeeld in Amsterdam, dat hele slappe beleid.
Daar kunnen wij zeker wel wat aan doen, ook in de Kamer. Bent u ook
bereid om u daarvoor in te zetten? Bent u dus bereid tegen zo'n
burgemeester te zeggen: "Maar ho, dit kan niet; wij kunnen niet onze
diensten zomaar op deze manier de straat op sturen"? En er is natuurlijk
ook nog een aanwijzingsbevoegdheid voor de minister om in te
grijpen.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Ik hecht, net als mevrouw Faber, hoop ik, zeer aan onze democratie en de
democratische pijlers in ons land. Ik hoop en ik ga er ook van uit dat
in de gemeenteraad van Amsterdam een discussie wordt gevoerd over de
kwestie waar mevrouw Faber het nu over heeft. Ik wil hier niet vanuit de
Kamer in Den Haag elke operationele actie van elke gemeente bij wijze
van spreken vooraf bepalen en achteraf recenseren. Dat is geen
terughoudende reactie, dat is gewoon zuiverheid in de positie die we met
z'n allen innemen.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dank voor uw inbreng. Ik wil het met mevrouw Michon-Derkzen hebben over
een analyse van de oorzaken. We zien niet alleen dat het elke keer, en
elke keer erger, met oud en nieuw ontspoort. Ik ben het er helemaal mee
eens dat geweld plegen tegen hulpverleners onacceptabel is. Je blijft er
gewoon van af. Dat moet bestraft worden. Maar waar komt het vandaan?
Kunnen we daar wat meer in betekenen? Want het is een toenemende trend.
Mevrouw Michon-Derkzen zegt dat we ook moeten luisteren naar wat de
politie zelf nodig heeft. De politie zegt zelf dat zij meer middelen
nodig heeft.
De voorzitter:
Wat is uw vraag?
Mevrouw Dobbe (SP):
Hoe kijkt mevrouw Michon-Derkzen daarnaar? De politie zegt dat zij
minimaal 350 miljoen extra nodig heeft, omdat zij anders heel veel
mensen moet ontslaan.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Mevrouw Dobbe stelt twee vragen. De eerste is een vraag naar de oorzaak.
We hebben vandaag een brief van de minister gekregen over een onderzoek
naar daderprofielen in dit soort zaken. Eerlijk gezegd, maar met alle
respect voor het onderzoek, lees je daar dingen in terug die je zelf ook
wel kunt verzinnen. Het komt meer in de nacht voor dan overdag. Het komt
meer bij mannen voor dan bij vrouwen. Nou, tot je dienst, dat wisten we
al. Eerlijk gezegd ben ik niet zo geïnteresseerd in hoe het komt dat je
de politie met een loden pijp te lijf gaat. Net als mevrouw Dobbe heb ik
gehoord dat de politie na oud en nieuw heeft gezegd dat ze extra
middelen nodig heeft, omdat ze anders haar werk niet kan doen. Daarop
zeg ik terug dat de politie sinds 2016 een enorme stijging van het
budget heeft en moet kiezen hoe zij dat budget inzet. Ik zou zeggen: dat
budget moet sowieso ingezet worden voor de operationele slagkracht van
de politie. Er kan geen sprake van zijn — dat hebben we hier ook
Kamerbreed uitgesproken — dat er mensen worden ontslagen of dat de
operationele slagkracht tekort wordt gedaan. We gaan er maandag ook
uitgebreid over spreken bij de begroting van de politie. Als je keuzes
moet maken ten aanzien van het budget van de politie, moet het primair
naar de operationele slagkracht gaan.
Mevrouw Dobbe (SP):
Ik heb blijkbaar twee vragen gesteld en ik krijg twee antwoorden. Die
zijn allebei wel interessant om over door te praten, denk ik. Mevrouw
Michon-Derkzen heeft het over een analyse van de oorzaken. Ja, ik vind
het wél interessant waarom het geweld tegen hulpverleners toeneemt. Het
is niet zozeer goed te praten dat iemand dat doet, dat iemand met een
loden pijp een hulpverlener te lijf gaat; natuurlijk niet. Maar we
moeten wel voorkomen dat dit toeneemt. We moeten ervoor zorgen dat dit
afneemt. Daar is wel degelijk een analyse voor nodig die verder gaat dan
alleen een daderprofiel en een feitenrelaas over wat er is gebeurd. We
moeten echt …
De voorzitter:
Mevrouw Michon-Derkzen.
Mevrouw Dobbe (SP):
Mag ik nog mijn vraag stellen?
De voorzitter:
Ja, als u dat gauw doet.
Mevrouw Dobbe (SP):
De analyse gaat natuurlijk ook over hoeveel agenten er zijn. Als er te
weinig agenten zijn, is er ook een te grote afstand tussen bijvoorbeeld
de politiemensen en de samenleving. Ziet mevrouw Michon-Derkzen ook dat
verband?
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Ik ben van mening dat we juist tekortschieten in het geven van een
duidelijk antwoord, in het handhaven van de normstelling. Wij zijn trots
op de politie, op de wijkagenten en op de verbinding die onze
politieagenten hebben met de samenleving en met de mensen in de straat.
Maar als daders de grens overgaan, moeten ze stevig aangepakt worden.
Als we tevreden zijn met, ik meen, 200 of 250 aanhoudingen met oud en
nieuw, ben ik daar ontevreden over. Ik ben ontevreden over hoe laag de
straffen zijn voor degenen die de politie in elkaar hebben geslagen,
hebben belaagd, mishandeld, bedreigd en gedoxt, en noem het allemaal
maar op. Ik vind dat wij veel steviger met elkaar moeten normeren op
hetgeen wij ontoelaatbaar vinden. Ik vind geweld tegen agenten
ontoelaatbaar. Daarom pleit ik voor veel stevigere straffen en voor een
taakstrafverbod en pleit ik ervoor om er daadwerkelijk voor te zorgen
dat degenen die zo stoer zijn om politiemensen in elkaar te slaan, te
mishandelen, te bedreigen en noem het allemaal maar op, een direct
antwoord krijgen. Ze komen er gewoon mee weg. Dáár gaat het mis.
Mevrouw Dobbe (SP):
Maar als de politie meer mensen moet opsporen en aanhouden om te kunnen
doen wat mevrouw Michon-Derkzen nu voorstelt, kan het natuurlijk niet zo
zijn dat wij niet het minimale bijpassen, zoals de politie nu vraagt, en
dat er straks 2.500 fte verdwijnt bij de politie. Ik vind dat de VVD
hier wel heel makkelijk aan voorbijgaat. Het is namelijk ook een
resultaat van het VVD-beleid dat die behoefte er nu ligt bij de
politie.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Door deze interruptie van mevrouw Dobbe mis ik meneer Van Nispen enorm.
Er is geen sprake van afscheid nemen van politieagenten; daar is geen
sprake van. Er is budget voor de politie, waarmee je de formatie, de
operationele slagkracht, kunt financieren. Ik zeg dus, en ik hoop dat
mevrouw Dobbe dat met mij zegt: laten wij ons er samen voor inzetten om
het budget voor de politie inderdaad in te zetten voor de operationele
slagkracht van de politie. Daar is voldoende geld voor. Dan kun je
wellicht andere dingen niet doen, maar de operationele slagkracht heeft
prioriteit. Als de politie dan aangifte van dit soort misdrijven doet,
moeten we ervoor zorgen dat zowel het Openbaar Ministerie als de
rechterlijke macht die zaken oppakt en dat het snel tot een uitspraak
van de rechter leidt.
De voorzitter:
U lokte enigszins uit, dus ik wil toch nog ruimte geven voor één
interruptie.
Mevrouw Dobbe (SP):
Het is in ieder geval een persoonlijk feit. Ik mis Michiel van Nispen
natuurlijk ook. Dat doen wij hier allemaal, denk ik, maar dat maakt wat
ik net stelde, niet minder waar.
De voorzitter:
Waarvan akte.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Ik hoor de oplossingsrichtingen van collega Michon-Derkzen, maar wanneer
je de organisatie intern laat bezuinigen — laat ik het zuiver zeggen —
kan dat uiteindelijk ten koste gaan van de capaciteit en kan dat dus ook
direct impact hebben op de operationele slagkracht. Als je niet
investeert in agenten en in de opsporingscapaciteit, kun je die daders
niet oppakken. Als je geen geld en middelen ter beschikking stelt voor
de celcapaciteit, de gevangenissen, is een taakstrafverbod ook een
wassen neus.
De voorzitter:
Wat is uw vraag?
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Wat gaat de VVD, in dit geval een van de belangrijkste formerende
partijen, daaraan doen? Anders zijn alle oplossingen die net zijn
genoemd, niks waard, volgens mij.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Ik ben het volstrekt niet eens met mevrouw Mutluer. In de periode van
2016 tot nu is de begroting van de politie gestegen van 5,8 miljard naar
8,5 miljard; misschien zal ik er achter de komma iets naast zitten. We
hebben dus gigantisch geïnvesteerd in de politie. Het totale budget van
de politie is voldoende voor de formatie, voor de operationele
slagkracht, waar de politie ook een overbezetting heeft. Die zit in de
bedrijfsvoering en de stafdiensten. Daar moet in gesneden worden. Daar
moet een onsje vanaf. Dat kan ook en dat moet dus ook. Laten we met
elkaar uitspreken — ik hoop dat ook mevrouw Mutluer dat wil doen, maar
dat zullen we maandag bij het debat over de begroting van de politie
zien — dat we het geld dat beschikbaar is voor de politie, het geld dat
we hier voor de politie beschikbaar stellen, willen inzetten voor de
operationele slagkracht van de politie.
Natuurlijk wil ik met mevrouw Mutluer ook kijken of we nog meer en op
een slimmere manier aan opsporing kunnen doen. We wensen natuurlijk
altijd dat er meer politie is, want er is altijd werk voor de politie.
We werken samen aan heel veel dingen om ervoor te zorgen dat zij hun
werk op een goede manier kunnen doen. De formatie loopt; die wachten we
allemaal in spanning af. In ons verkiezingsprogramma hebben wij een
investering van 1 miljard in veiligheid staan, waaronder ook geld voor
de politie. Dat zal ook de inzet van de VVD zijn in alle gesprekken. Dat
weet mevrouw Mutluer ook. In die zin kan de politie dus altijd op de VVD
rekenen als het gaat om financiële bijdrages.
De voorzitter:
Niet alleen de interrupties moeten kort zijn; dat geldt ook voor de
antwoorden.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
We moeten wel eerlijk zijn. We hebben allemaal de brief van vandaag van
de minister gezien. In hele wollige woorden wordt daarin aangegeven dat
er interne bezuinigingen aan komen. Dat gaat hoe dan ook, linksom of
rechtsom, impact hebben op de basisteams en de wijkagenten, die we
allemaal nodig hebben. Dat is gewoon een gegeven, want, met alle
respect, als je gaat snijden in de ondersteuning en niet investeert in
digitalisering, terwijl de criminaliteit in de digitale wereld toeneemt,
gaat dat slachtoffers raken. We moeten dus wel het eerlijke verhaal
vertellen. Vandaar wederom mijn vraag: als de VVD daadwerkelijk achter
die agenda staat, is het toch logisch dat ik vraag wat deze formerende
partij straks gaat doen voor al die agenten? Gaat de VVD er in ieder
geval voor zorgen dat er straks voldoende capaciteit is en dat er geen
ontslagen vallen? Want dat zou uiteindelijk ten koste gaan van de
veiligheid van onze samenleving.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Een korte reactie: de VVD, een van de drie formerende partijen, heeft in
het verkiezingsprogramma 1 miljard extra ingezet voor veiligheid,
waaronder de politie. De drie partijen zijn met elkaar in gesprek. Ik
ben net zo benieuwd als mevrouw Mutluer wat daaruit is gekomen.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Toen collega Michon-Derkzen dit debat aanvroeg, ging dat over een
bredere ontwikkeling van de toename van hufterigheid dan alleen rond de
jaarwisseling. Dat is juist wat mij grote zorgen geeft. Als ik de
conducteur in de trein spreek, zegt die evengoed dat hij de afgelopen 30
jaar steeds vaker een grote bek kreeg en dat hij af en toe collega's in
moet seinen voor assistentie omdat hij zich niet veilig weet. Daarom is
mijn vraag de volgende: welke analyse heeft de VVD over hoe het komt dat
die hufterigheid zo toeneemt? Want wij geven telkens als antwoord: er
moet nog meer politie komen. Dan staan wij naast elkaar. Ik wil weten
wat daaronder ligt en wat dat ons te zeggen heeft.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Niet om flauw te zijn, maar dan denk ik toch dat het goed is als de
minister een toelichting geeft op dat rapport over daderprofielen. Dat
hebben we kortgeleden gekregen en ik heb het nog niet van kaft tot kaft
gelezen. Ik ben het totaal met mevrouw Bikker eens dat het veel breder
is dan de politie. Kijk alleen al naar de balie bij elk stadhuis. Ik
vind daarmee dus ook — daarom hecht ik zo aan dit debat — dat we met
elkaar moeten zeggen dat we altijd aangifte moeten blijven doen. Dit heb
ik ook aangegeven in de initiatiefnota die ik in september heb
ingediend. We moeten dus niet met elkaar dit probleem gaan
bagatelliseren. We moeten niet doen alsof het er eigenlijk misschien een
beetje bij hoort. We gaan bijna dingen normaal vinden. Ik hoor dus ook
terug in gesprekken dat je bij een beetje grof beledigen een glaasje
water neemt en overgaat tot de orde van de dag. Juist voor de personen
die voor de publieke zaak werken, vind ik dat we hier met elkaar moeten
zeggen dat dat niet normaal is en dat zij altijd aangifte moeten
doen.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
We hebben op dit moment heel veel goede reallife-tv-programma's die
laten zien wat er gebeurt op straat. Bureau Utrecht is een van de meest
recente programma's en doet ook veel stof opwaaien. Ik heb iedere keer
diep respect voor de politieagenten die daar de-escalerend optreden.
Mijn bloed kookt dan. Tegelijkertijd denk ik dat iedere ouder zich kapot
zou moeten schamen als hun kind op dat moment zo respectloos richting
gezagsdragers is. Ik hoor hier telkens een oproep — die hoor ik vast nog
van veel meer collega's — om nog meer optreden, optreden. Die oproep doe
ik zelf ook. Maar het begint toch met opvoeden? Wat kunnen we daaraan
doen?
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Dat ben ik totaal met mevrouw Bikker eens. Je zou je de ogen uit je kop
moeten schamen als je weet dat jouw kind dader is van geweld tegen
agenten. Ik vind dat je de schadevergoeding ook moet verhalen op de
daders, ook op de jonge daders. Je moet de ouders, die daar nog
verantwoordelijk voor zijn, daar ook bij betrekken. Dat ben ik zeer met
mevrouw Bikker eens.
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ik denk dat we het in ons land weer meer moeten gaan hebben over normen
en waarden. Wat geven we onze jongste generatie mee? Wat geven we ouders
mee op het moment dat dat kennelijk even niet lukt? Ik zou mevrouw
Michon-Derkzen daarom willen uitnodigen en willen vragen of zij bereid
is om met mij te verkennen wat we kunnen doen om de positie van ouders
te versterken. Het is niet zo dat ik een groot nationaal opvoedplan wil;
dat is niet aan de regering. Maar ik wil wel dat we in de wijken waar
het structureel misgaat — Bureau Utrecht geeft de meest recente
voorbeelden — gaan kijken hoe we ervoor kunnen zorgen dat er vanaf jonge
leeftijd weer gewoon respect en normen en waarden zijn.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Ik vind dit een hele mooie oproep van mevrouw Bikker. Ik weet ook zeker
dat de minister hier iets over kan zeggen vanuit zijn ervaring als
burgemeester. Ik ken ook voorbeelden van burgemeesters die ouders met
hun kind uitnodigen om het er met elkaar over te hebben. Ik ben het
totaal eens met mevrouw Bikker over wat je kunt doen om ervoor te zorgen
dat ouders ook verantwoordelijkheid nemen voor hun kinderen.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Het vuurwerkverbod komt er. Mevrouw Michon-Derkzen had het erover dat
het handhavingsplan snel moet worden aangescherpt. Daar staan we
helemaal achter. Mijn vraag sluit aan op de vraag van mevrouw Bikker. In
het kader van het vuurwerkverbod zegt de politie: "Handhaving is
belangrijk. Dat gaan we in orde maken, maar het kan niet alleen maar op
onze schouders rusten." Dit is een maatschappelijk probleem en er moet
een maatschappelijke norm worden gesteld. Dat betekent dus ook dat het
moet worden uitgedragen door de politiek en door het kabinet. Er moet
dus ook een soort plan komen over hoe we dat maatschappelijk zo goed
mogelijk laten landen. Kunnen we rekenen op steun van mevrouw
Michon-Derkzen om het kabinet ertoe op te roepen ook daaraan te
werken?
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Bij de bespreking van de wetgeving over vuurwerk heb ik drie voorwaarden
voorgesteld. Het lid Kostić zegt: dat vuurwerkverbod komt er. Wij hebben
dat gekoppeld aan drie voorwaarden. Over die drie voorwaarden moeten we
in gesprek met het kabinet. Dat doen we wat mij betreft niet vandaag,
maar op een ander moment. Een van die drie voorwaarden is het
handhavingsplan. Los van wel of geen vuurwerkverbod zal oudjaarsnacht
voor de politie een zware dienst zijn. Er gebeurt iets met mensen op de
avond van 31 december; ik weet ook niet precies waarom en hoe. Daarna
leidt dat tot een enorme explosie van ellende in nieuwjaarsnacht. Een
vuurwerkverbod zal er niet voor zorgen dat iedereen vervolgens gaat
zitten ganzenborden. We moeten van die naïviteit af. Daarom is het
belangrijk dat de politie zich met zo'n handhavingsplan nog steeds
wapent, bijna letterlijk, tegen een zware dienst. Dat zal oudjaarsnacht
zijn. We hebben op de beelden van afgelopen jaren gezien dat er echt
verbetering mogelijk is. Er moeten meer mensen worden opgepakt. De
politie moet de baas zijn op straat. Dat is niet gebeurd. Daarom stel ik
de vraag aan de minister wanneer we een actualisatie krijgen van het
handhavingsplan. Wat mij betreft spreken we daarover als het over de
wetgeving van het vuurwerkverbod gaat.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Dit is een heel mooi betoog over het belang van het handhavingsplan. Ik
zei daarover dat dat zeker belangrijk is om te regelen. Maar ik probeer
mevrouw Michon-Derkzen erop te wijzen dat de politie daarnaast ook zegt
dat er vanuit de politiek duidelijk moet worden gemaakt dat er een
verbod komt en dat mensen zich daaraan moeten houden. Er moet vanuit de
politiek worden uitgedragen dat die maatschappelijke norm er komt en dat
die moet gaan landen. Mijn vraag is dus vooral of mevrouw Michon-Derkzen
het met mij eens is dat we uiteindelijk, als we definitief over het
verbod hebben besloten, duidelijk moet zijn hoe we die norm goed kunnen
laten landen, dus zoals de politie dat wil?
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Een verbod is niet het ingewikkeldst. Dat is een wet. Elk verbod dat je
instelt, maakt dat daarna de uitdaging wordt hoe je dat handhaaft. Is er
voldoende draagvlak voor het verbod? Dat helpt natuurlijk om mensen zich
eraan te houden. Een verbod instellen waar niemand op zit te wachten is
moeilijker te handhaven dan een verbod waar mensen juist om zitten te
springen. Met een verbod an sich begint eigenlijk de uitdaging van
handhaving. Daar zit natuurlijk ook de maatschappelijke discussie bij.
Dat zag je ook heel erg bij zedenwetgeving. Daar zit ook gewoon een
stevig handhavingsplan bij. Het is dus een combinatie van factoren die
maakt of een verbod effectief is en of het daadwerkelijk goed kan
landen. Dan gaat het inderdaad zowel om strakke handhaving als om de
maatschappelijke discussie; dat ben ik met het lid Kostić eens.
De voorzitter:
Tot slot.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Dat is heel fijn, want dat wilde ik bevestigd zien. Nogmaals, het is een
wens van de politie om ook die maatschappelijke kant goed aan te
kaarten. Er is een breed draagvlak voor het vuurwerkverbod, maar er ligt
ook een verantwoordelijkheid bij ons als politici en bij de maatschappij
om die norm goed te laten landen. Daar is gewoon inspanning voor nodig.
Ik zal straks dus ook met een voorstel voor het kabinet komen om daaraan
te denken, naast ook zeker die handhaving.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
We hebben het de hele tijd over hufterigheid. Ik vind het hufterigheid
als iemand mij afsnijdt op de snelweg, opeens op de rem gaat staan of
een middelvinger opsteekt. Dat is hufterigheid. Hier hebben we het
gewoon over crimineel gedrag. Kunnen we dus alsjeblieft stoppen met
zeggen dat geweld tegen de politie "hufterig gedrag" is? Dit is namelijk
gewoon crimineel gedrag. Is mevrouw Michon het daarmee eens?
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
In juridische termen is dat zo, inderdaad. Belediging, geweld en
mishandeling zijn gewoon verboden en allemaal strafrechtelijk te
vervolgen; dat staat in ons Wetboek van Strafrecht. In die zin is het
crimineel gedrag. Ik weet helemaal niet of ik de term "hufterigheid" heb
genoemd, maar volgens mij staat die in de titel van dit debat. Hoe dan
ook, we weten allemaal waar het over gaat. Ik denk dat het belangrijk is
— dat ben ik met mevrouw Van der Plas eens — dat we normeren wat niet
normaal is. Ook iemand ongelofelijk uitschelden bij de balie van de
sociale dienst is niet normaal. Ik merk ook aan de gesprekken die ik heb
dat mensen bijna denken dat het er een beetje bij hoort. Ik zou zo graag
willen dat we hier met elkaar zeggen: dat is niet normaal. Het begint
met uitspreken, maar vervolgens moeten er ook acties aan gekoppeld
worden. We mogen dat ook niet normaal gaan vinden. Dat hoort er niet
bij. Ook niet, zoals inderdaad eerder genoemd, de grote bek, het
uitschelden en het semibedreigen of -intimideren. Dat ben ik volledig
met mevrouw Van der Plas eens.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ik hoor de VVD — dat is ook niet voor het eerst — roepen: de politie
moet weer de baas zijn op straat. Daar kan ik me vanuit JA21 natuurlijk
helemaal bij aansluiten. De politie is echter op dit moment helemaal
niet de baas op straat en dat heeft alles te maken met de manier waarop
we zaken hebben geregeld. Ik ben dan ook heel erg benieuwd hoe mevrouw
Michon-Derkzen aankijkt tegen het feit dat de politie op dit moment niet
zelfstandig de bevoegdheid heeft om bijvoorbeeld traangas in te zetten
of om … We gaan nu bijvoorbeeld naar een pilot met rubberen kogels, maar
in plaats van een pilot kunnen we ook gewoon rubberen kogels inzetten.
Hoe kijkt mevrouw Michon-Derkzen daartegen aan?
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Dat is een interessante vraag. We hebben het zo geregeld dat de
burgemeester het gezag over de politie heeft, dus de politie werkt
altijd in opdracht van iemand. Als het gaat om strafbare feiten is dat
het Openbaar Ministerie, de officier van justitie, en als het gaat om
handhaving van de openbare orde is het de burgemeester. De burgemeester
draagt dan de verantwoordelijkheid voor het optreden van de politie. Zo
hebben we dat georganiseerd. Als je dat totaal los zou laten, is de
politie ook een eigenstandige organisatie die dat zelf bepaalt. Ik ben
het dus met mevrouw Coenradie eens dat je die professionele ruimte wel
maximaal bij de politie moet laten, want die weten hoe zij met
ingewikkelde situaties om moeten gaan. Tegelijkertijd wil ik dat die
burgemeester blijft staan voor de inzet van de politie. Dat is degene
die gewoon eindverantwoordelijk is voor de openbare orde in een gemeente
en die daarvoor de politie inzet.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Waarom zouden we niet het vertrouwen teruggeven aan een organisatie met
mensen die daarvoor getraind en opgeleid zijn, die weten wat ze doen en
op welk moment zij iets moeten inzetten? Waarom zouden we dat niet doen?
Als het gaat om de boel veranderen, zijn wij hier aan zet. Dit zou nou
eens zo'n moment kunnen zijn om te zeggen: wij gaan die bevoegdheden
weer terugbrengen naar een organisatie die daar volledig op ingericht is
en die daar verstand van heeft. Nu is het afhankelijk van de willekeur
van, bij wijze van spreken, het humeur van de burgemeester.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Van terugbrengen is geen sprake, want sinds jaar en dag heeft de
burgemeester het gezag over de politie bij openbare orde. Dat is ook
nooit anders geweest. Maar als mevrouw Coenradie vraagt of we de
professionele ruimte van de politie kunnen optimaliseren en
maximaliseren, dan ben ik het daar zeer mee eens.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Michon-Derkzen. Het woord is aan mevrouw Mutluer
voor haar inbreng namens GroenLinks-Partij van de Arbeid.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Ik kan er met mijn verstand niet bij dat iemand
ammoniak in het gezicht van een agent gooit, dat een ambulancemedewerker
met een gebroken kaak achterblijft of dat er zwaar vuurwerk wordt
afgestoken richting brandweerlieden die bezig zijn met een reanimatie,
terwijl iemand vecht voor zijn leven. Er waren ruim 15.000 incidenten.
406 politiemensen en 122 brandweerlieden en zorgverleners zijn het
slachtoffer geworden van geweld. Die cijfers zijn nauwelijks hardop uit
te spreken, want ze zijn ontluisterend.
Voorzitter. Agressie en geweld beperken zich allang niet meer tot de
jaarwisseling. Voor sommige agenten, boa's, brandweerlieden en
hulpverleners is het een terugkerende realiteit, want maand na maand
worden er grenzen overschreden. Dat vind ik afschuwelijk, verwerpelijk
en onacceptabel. Punt. Uit al mijn gesprekken weet ik dat de steun
vanuit de Kamer belangrijk is, maar die steun alleen is niet genoeg.
Daarom vraag ik om een reactie van de minister. Ik richt mij wederom tot
de collega's van D66, VVD en CDA, die op het punt staan het roer over te
nemen. Formeren is reageren. Dit kan gewoon niet wachten.
In de eerste plaats: wat wordt de concrete inzet op die
politiecapaciteit? We zien zware onderbezetting en ingewikkelder en
zwaarder werk. Dat schreeuwt om structurele versterking. Wie handhaving
eist, moet durven investeren in politie. We zien nu een enorm tekort van
46 miljoen voor alleen al dit jaar. Dat gaat hoe dan ook impact hebben
op de operationele slagkracht. Dat kan niet. Dat heeft ook effect op de
opsporing. We willen dolgraag die daders gaan oppakken. Dit geldt
overigens ook voor het OM en de strafrechtspraak. Als dat uitblijft,
kunnen we dit soort debatten net zo goed laten, want dan zijn het
allemaal praatjes waar de politie echt helemaal niks aan heeft.
Komt er verder een concreet handelingsperspectief op mensen met
onbegrepen gedrag? We hadden het net over de vraag waar dit door komt.
Het is namelijk geen incident, maar dagelijkse realiteit. Er liggen
verkenningen, er liggen voorstellen, ook vanuit deze Kamer, maar er is
nog steeds geen actieplan — nog steeds niet! — met meer escalatie en
geweld tot gevolg. Laat de politie ook op dit onderwerp niet in de
steek!
In de tweede plaats moet gewoon de norm helder zijn: je blijft af van
onze mensen. Het OM beschikt over een richtlijn die tot 200% zwaardere
strafeisen mogelijk maakt bij geweld tegen hulpverleners, maar die wordt
in de praktijk niet consequent zichtbaar toegepast, omdat er — dat is
heel logisch — maatwerk wordt toegepast. Hoe begrijpelijk dat ook is,
niemand moet denken dat geweld tegen politie en hulpverleners niet
bestraft wordt. Dat zou namelijk niet goed zijn voor het
rechtsvaardigheidsgevoel en de broodnodige afschrikwekkende
normstellende werking. Wij vinden daarom een gesprek met het OM op z'n
plaats om na te gaan hoe je in je afweging toch die transparantie kunt
bieden, eventueel volgens het principe dat je de richtlijn toepast óf
uitlegt waarom je dat niet doet. Alleen zo worden volgens mij
verwachtingen gemanaged en wordt de norm geloofwaardig en transparant
gehandhaafd.
Ten derde heeft de taskforce tegen geweld jegens hulpverleners
aantoonbaar waarde gehad. Die loopt af. Dat vind ik onbegrijpelijk en
eigenlijk ook onwenselijk, want de problematiek is niet verdwenen. Ik
wil weten of de minister bereid is om te kijken naar een structureel
rijksbreed programma onder regie van deze minister of van die van
BZK.
Voorzitter, tot slot het juridisch instrumentarium. Wordt het hele
juridische bestuursrechtelijke instrumentarium goed benut bij
risicomomenten? Ik noem de jaarwisseling en voetbalwedstrijden, maar ik
kan er een heleboel noemen. Wat mogen we in dat licht verwachten van dit
kabinet en van het volgende kabinet? Hoe kijkt deze minister naar
instrumenten zoals de digitale meldplicht, bekend uit Rotterdam, of het
idee om daders hun straf voor jaarwisselingsgeweld echt uit te laten
zitten op de volgende 31 december, zodat de raddraaiers dan
thuiszitten?
Voorzitter, ik rond nu echt af. Woorden van steun zijn belangrijk, maar
bescherming vraagt ook om keuzes en om daadkracht.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Ik dank mevrouw Mutluer voor haar stevige betoog. Ik heb een vraag over
het "comply or explain"-punt dat zij noemde. We hebben dus nu een
richtlijn — sorry, voorzitter, maar ik moet daar even wat woorden aan
wijden — waarbij het OM als uitgangspunt hanteert dat je een
strafeisverhoging van 200% kan eisen. We hebben in een rapport gezien
dat dit vooralsnog niet wordt gedaan. Hoe zou dat "comply or explain"
dan werken? Zou dat per zaak een extra motivering zijn? Wordt het
slachtoffer daarover geïnformeerd? Hoe ziet dat er dan uit? Dat wil ik
graag aan mevrouw Mutluer vragen.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
De 200% strafeisverhoging is ooit een politieke wens geweest. Ik snap
dat de officieren van justitie het in dit geval per zaak bekijken en
maatwerk leveren, want je kunt die zwaardere strafeis niet in elke zaak
of tegen elke dader toepassen. Maar ik kan mij goed voorstellen dat,
zeker gelet op het verwachtingsmanagement, het contrast tussen het
ernstige geweld tegen hulpverleners en de straf die daarvoor wordt
opgelegd soms niet te begrijpen en weinig transparant is. Hetzelfde
geldt voor de impact die dat geweld heeft op hulpverleners. Daarom
stellen wij ook voor om met het OM het gesprek aan te gaan, want wij
willen graag meer transparantie over de afweging die is gemaakt. Hoe je
dat vorm moet geven, moet uit dat gesprek blijken, want ik weet dat het
OM ook met allerlei capaciteitsproblemen zit. Toch willen wij graag dat
een hulpverlener daar minimaal over wordt geïnformeerd. Ik denk dat je
daarover heel goed moet nadenken. We hebben het eerder gehad over de
rechten van slachtoffers. Ik vind echt dat je die slachtoffers, in dit
geval onze hulpverleners, nooit uit het oog mag verliezen. Ze mogen
duidelijkheid verwachten; die moeten we ze ook geven.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Ik denk dat mevrouw Mutluer en ik allebei willen dat die
strafeisverhoging meer wordt toegepast. Wij vinden wat er gebeurt
allemaal onacceptabel en denken dan: dat verdient een hogere straf.
Denkt mevrouw Mutluer dat die strafeis daadwerkelijk omhooggaat door dit
voorstel, doordat de officier dan expliciet moet beargumenteren waarom
er niet is gekozen voor die 200% strafeisverhoging?
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Dat is niet het doel. Dat is een middel. Mijn doel is dat het helder
wordt waarom men in een bepaalde zaak of situatie tot een strafeis komt.
Uiteindelijk is het aan de rechter. Die moet bepalen hoe en wat. Het
lijkt mij dat excessief geweld tegen agenten een strafverzwarende
omstandigheid kan zijn.
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Ja, tot slot. Ik vind het interessant dat de bewustwording ertoe kan
leiden dat er hogere straffen worden geëist. Daar ben ik voorstander
van. Maar de fractie van mevrouw Mutluer blijft heel terughoudend over
het taakstrafverbod. Dat is hier al langs geweest en in de Eerste Kamer
is daar door haar fractie tegengestemd. Mevrouw Mutluer maakt zich hier
heel druk over dit soort misdrijven. Zou dat dan voor haar fractie
aanleiding zijn om toch voor een taakstrafverbod te stemmen? Dat komt
hier binnenkort namelijk weer langs.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Als het zover is, voer ik heel graag het debat met mevrouw
Michon-Derkzen. Wij zijn heel erg kritisch geweest op een generiek
taakstrafverbod. Daarmee haal je namelijk een aantal instrumenten bij de
rechters weg, terwijl het in mijn beleving aan de rechter is om per
situatie of per dader te bekijken wat werkt. Bovendien weten we uit
onderzoek en uit adviezen van de Raad voor de rechtspraak dat
taakstraffen, juist in combinatie met bepaalde voorwaarden of een
voorwaardelijke gevangenisstraf, recidive kunnen verminderen. In mijn
beleving is dat óók bescherming van de hulpverleners. Ik voer dat debat
dus graag, maar het staat vast dat wij een kritische grondhouding
hebben. Ik wil namelijk niet op de stoel van de rechter zitten. Dat laat
onverlet dat wij absoluut alles op alles gaan zetten om onze
hulpverleners te ondersteunen.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik denk dat mevrouw Mutluer heel terecht de vraag stelt of we alle
juridische instrumenten al inzetten om geweld tegen hulpverleners aan te
pakken. Zij noemt een aantal voorbeelden, die met name zien op het
strafrechtelijke en het bestuursrechtelijke domein. Het CDA heeft vaker
aandacht gevraagd voor de civielrechtelijke mogelijkheden om naast een
straf ook een schadevergoeding te vorderen. Ik ben heel benieuwd hoe
mevrouw Mutluer daartegen aankijkt. Ziet zij dat ook als een van de
middelen om de daders extra te raken, namelijk ook financieel?
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Dat zou absoluut een onderdeel kunnen zijn. We zeggen nu dat er in den
lande echt wel mooie voorbeelden zijn, zoals het opleggen van een last
onder dwangsom of de pilot in Rotterdam met de digitale meldplicht. Met
name de burgemeesters zeggen dat ze daarbij iets meer hulp en
ondersteuning, richtlijnen of middelen nodig hebben. Civielrechtelijke
mogelijkheden zijn natuurlijk ook een onderdeel. Die zouden aan de
afschrikwekkende werking kunnen bijdragen.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dat vind ik heel mooi om te horen, want uiteindelijk willen we niet
alleen dat er een straf opgelegd wordt, maar ook dat de daders
financieel geraakt worden. Ik denk dat het civiel recht heel veel meer
middelen biedt dan we op dit moment benutten. Ik ben dus blij met dit
antwoord.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik geef het woord aan mevrouw Straatman voor haar inbreng
namens de fractie van het CDA in de eerste termijn.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dank u wel. Veldslag. Oorlogsgebied. Verwoestend. De jaarwisseling was
een ongekend dieptepunt in geweld tegen politie en hulpverleners. Als er
vuurwerk wordt afgeschoten terwijl ambulancebroeders een baby
reanimeren, wordt een vuurrode lijn overschreden. Het is dus goed dat we
zo kort na de jaarwisseling dit debat voeren, maar laat het duidelijk
zijn dat geweld tegen politie en hulpverleners zich helaas niet beperkt
tot die ene dag in het jaar. Het is een teken van een verharde en
verruwde samenleving, het hele jaar rond. Geweld is zelden zinvol.
Daarom is de term "zinloos geweld" een pleonasme in zichzelf, maar
hoeveel schakels zitten er los als je geweld denkt te kunnen gebruiken
tegen personen die zich dag in, dag uit inzetten voor onze veiligheid,
op straat, in de trein en in het ziekenhuis? Daar zijn geen woorden
voor. De vraag is of er wel politieke middelen zijn in antwoord op deze
gezagscrisis, zoals ik het zou willen noemen. Ik zou zeggen: ja,
namelijk harde en slimme straffen, tijdig inspelen op nieuwe vormen van
geweld en een persoonsgerichte preventieve aanpak.
Allereerst de repressieve kant. De politieke wil om geweld tegen
personen met een publieke taak zwaar te straffen is er. Richtlijnen van
het OM zijn er ook, zelfs met verzwaringsgronden tot 200%. De praktijk
is echter weerbarstig. Vorige week bevestigde de minister nog dat er
gesprekken lopen met het OM om de praktijk beter te laten aansluiten bij
de politieke wens om zwaarder te straffen. Ik vraag de minister naar de
stand van zaken. Wat is de stand van zaken met betrekking tot het
wetsvoorstel om het taakstrafverbod uit te breiden? Het CDA heeft vaker
aandacht gevraagd voor civielrechtelijke middelen om groepsgeweld aan te
pakken. Hoe vaak wordt bij geweld tegen hulpverleners het civiele recht
nu al ingezet om schade te verhalen?
Dan de aangekondigde maatregelen. Veel maatregelen betreffen een
voortzetting van bestaand beleid, maar de Taskforce Onze hulpverleners
veilig loopt af. Hoe wordt na afloop hiervan de bescherming van
hulpverleners structureel verankerd? Tegelijkertijd poppen ook nieuwe
vormen en bronnen van geweld in razend tempo op, vooral in het
onlinedomein. Waarom kiest de minister hier vooral voor onderzoek,
terwijl slachtoffers nú bescherming nodig hebben? Neem het actuele
voorbeeld van de AI-app Grok, waarin intimidatie en
geweldsverheerlijking een verdienmodel is. Andere landen nemen
maatregelen om die app te verbieden. Wat gaat de minister doen om te
voorkomen dat er straks weer nieuwe taskforces nodig zijn om dit geweld
het hoofd te bieden?
Voorzitter, tot slot de preventieve aanpak van geweld. Een sterke
samenleving vraagt namelijk ook om betrokken ouders en een sterk
maatschappelijk middenveld. Dat vraagt ook om goede informatiedeling,
want te vaak hoor ik nog dat informatie tussen jeugdwerkers, wijkagenten
en schooldirecteuren stroef verloopt om allerlei AVG-redenen. Wat gaat
de minister daaraan doen? Hoe werkt het kabinet aan het versterken van
normbesef en respect onder jongeren? Het CDA zal in de tweede termijn
een motie indienen over een verplichte educatieve maatregel voor daders
van geweld tegen hulpverleners, zoals die nu ook geldt bij rijden onder
invloed. Daders gaan dan echt eens nadenken over wat ze hebben
aangericht.
Voorzitter, ik rond af. Zojuist stelde ik mezelf de vraag of de politiek
middelen in handen heeft om het geweld tegen hulpverleners te keren.
Mijn antwoord was "ja", maar het eerlijke antwoord is dat de minister
het niet alleen kan, dat het een vraagstuk is van ons allemaal als
samenleving. Want veiligheid begint bij normen en waarden, bij
verantwoordelijkheid nemen. Dat begint ook hier. Hoe wij spreken over de
rechtsstaat, de journalistiek en elkaar, sijpelt door naar de haarvaten
van onze samenleving. Dus ja, harde straffen, apps verbieden en inzetten
op preventie, maar het vraagt ook dat wij met z'n allen het goede
voorbeeld geven.
Dank u wel.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Een mooie speech van mevrouw Straatman, met heel veel punten. Over één
punt heb ik haar niet gehoord, als ik me niet vergis, namelijk de
toereikendheid van de geweldsmiddelen. Heeft de politie, de ME voldoende
middelen om zichzelf en de samenleving te beschermen? Hoe staat mevrouw
Straatman daarin? Zou dat verruimd moeten worden, misschien ook naar
meer onorthodoxe geweldsmiddelen? Kan ze daar nog op reflecteren?
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik denk dat dat een hele terechte vraag van meneer Van Dijk is. Ik vraag
me dan wel af wat hij bedoelt met "onorthodoxe middelen" — ik weet dat
dit geen debat mag zijn, maar dat zou ik dan wel graag willen weten.
Maar ik denk dat de vraag heel terecht is. Het geweld dat de politie nu
ziet, vraagt ook om andere bescherming. We moeten periodiek blijven
evalueren of die bescherming voldoende is. Het CDA was bijvoorbeeld
groot voorstander van een waterkanon of pepperstray met daarin
kleurstof, zodat je, op het moment dat het geweld in groepsverband
gepleegd wordt, heel makkelijk kan zien wie de raddraaiers zijn. Dat kan
nu in een strafrechtelijk proces nog heel lastig zijn.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Mevrouw Straatman geeft het antwoord al, dus ik hoef het eigenlijk niet
nader toe te lichten. Ik had anders verwezen naar bijvoorbeeld Duitsland
of Frankrijk. Denk aan de inzet van bijvoorbeeld rubberen kogels,
traangas et cetera. Maar uit het antwoord begrijp ik dat ook het CDA er
wel degelijk voor openstaat om ook die discussie te voeren.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dat is correct. Ik denk dat we tijdig moeten blijven evalueren of de
middelen nog passen bij deze tijd.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dank aan mevrouw Straatman voor haar inbreng. Mevrouw Straatman heeft
het over een gezagscrisis. Die zien we inderdaad. Bij elke oud en nieuw
zien we een uiting van die gezagscrisis. We zien die ook in de toename
van geweld tegen hulpverleners. Het geweld neemt elk jaar weer toe. We
horen die verhalen het hele jaar door, niet alleen met oud en nieuw.
Mijn vraag is waardoor die gezagscrisis is ontstaan. Wat is de analyse
van mevrouw Straatman? Want dan kunnen wij het ook hier in de Kamer
hebben over hoe we het oplossen in plaats van dat we het vooral hebben
over de reactie op het geweld zodra dat plaatsvindt.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik denk dat mevrouw Dobbe een hele grote vraag stelt, die ik moeilijk in
een paar zinnen kan beantwoorden. Als we met z'n allen het antwoord
hadden geweten op die vraag, zouden we ook veel gerichter kunnen sturen,
denk ik. We hebben een rapport ontvangen van de minister. Daarin wordt
een eerste analyse zichtbaar van de daderprofielen. Mevrouw
Michon-Derkzen zei daar zojuist ook over: dat waren een aantal inkoppers
voor leeg doel. Het vraagt dus ook een nadere analyse. Tegelijkertijd
zie ik breed in de samenleving een verharding. Ik hoor veel vaker
kritiek op instituties, op de rechtspraak, de journalistiek, de media.
Het sijpelt natuurlijk door als wij dat doen, ook op tv. Als het de norm
wordt dat je te pas en te onpas mag zeggen en doen wat je wil, dan leidt
dat ook op andere terreinen tot ander en veel ernstiger geweld. Ik denk
dus ook dat we bij onszelf te rade moeten gaan en ons moeten afvragen
hoe we met elkaar omgaan. Het zit 'm ook in de opvoeding; mevrouw Bikker
zei dat zojuist ook. Daarom doen wij ook het voorstel om met een
educatieve maatregel te komen. We kunnen niet alleen maar harder
straffen; we moeten ook iets willen doen op het gebied van preventie. Op
het moment dat mensen zich misdragen en ze niet zelf weten waarom, dan
zullen we ze moeten confronteren met hun eigen gedrag.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dank u wel voor deze reflectie. Ik snap dat het een heel brede vraag is.
Ik vind het wel belangrijk dat we die analyse maken met elkaar als
Kamer. Ik denk dat mevrouw Straatman het daar ook mee eens is. Ik heb
ook het rapport gezien. Kijken naar daderprofielen is natuurlijk niet de
analyse die hoort bij de vraag hoe het geweld tegen hulpverleners over
de jaren toeneemt en hoe die gezagscrisis ontstaat. Ik hoop dan ook op
steun van het CDA op het moment dat wij voorstellen om die analyse
dieper te doen. Nu moet ik ophouden van de voorzitter, want ik ben over
de 30 seconden heen. Maar ik vraag dus of zij dat steunt en daarna doe
ik nog een laatste interruptie.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik denk dat het altijd goed is om te analyseren en te kijken waar we
verbeterpunten kunnen doorvoeren. Tegelijkertijd moeten we niet alleen
maar analyseren en ook tot actie overgaan. Maar je ziet dat er al veel
werk wordt gedaan door bijvoorbeeld jeugdzorgwerkers en jeugdcoaches.
Dat zijn de gouden oren en ogen van de wijken. We moeten er ook voor
zorgen dat de informatie die zij hebben, efficiënt terechtkomt op andere
plekken. Daar zie ik nog veel problemen. Er is dus veel informatie, maar
het is ook de kunst om die op een efficiënte manier bij elkaar te
brengen.
De voorzitter:
Het komt niet op een seconde meer of minder, hoor, mevrouw Dobbe.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dat is goed om te horen; dat is heel fijn. We zien bijvoorbeeld ook dat
de afstand tussen de overheid en bijvoorbeeld bepaalde buurten toeneemt
doordat de publieke sector, en daarmee ook de politie, door de jaren
heen steeds meer is uitgehold. Je ziet minder agenten in de wijk.
Wijkagenten zijn op veel plekken verdwenen, omdat de capaciteit er niet
meer is. Op het moment dat de afstand groeit tussen bijvoorbeeld
wijkagenten en de overheid in het algemeen, dan ontstaat er natuurlijk
een afstand. Dat kan leiden tot wantrouwen, want mensen zien de overheid
dan alleen op het moment dat die keihard optreedt. Zie het CDA dat ook?
Wat betekent dat als we kijken naar de vraag van de politie om meer
capaciteit? Daar zit toch een deel van de oplossing. Steunt het CDA dan
ook de oproep van de politie om er in ieder geval voor te zorgen dat er
voldoende middelen zijn en dat er geen fte's verdwijnen?
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik heb wat moeite met de analyse van mevrouw Dobbe dat geweld op enige
manier te verklaren zou zijn doordat er minder politie zichtbaar is. Ik
denk dat het onderdeel is van je opvoeding dat je je fatsoenlijk
gedraagt, zeker tegenover de mensen die zich inzetten voor onze
veiligheid. Maar als mevrouw Dobbe het belang wil benadrukken van
politie in de wijk en wijkagenten, maar ook van een goede spreiding van
wijkagenten en politiecapaciteit, dan vindt zij mij daar. Dat is ook het
standpunt van het CDA. We zien op dit moment inderdaad dat bepaalde
regio's minder politieagenten hebben dan wij zouden willen. Ik sluit me
daar op dat punt helemaal bij aan.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Hierop voortbordurend, want als je de politie vraagt hoe het kan dat ze
ondanks vele miljarden extra tegen enorme tekorten aanlopen, dan zullen
ze zeggen: "Dat komt onder meer door het feit dat wij heel veel
structurele problemen met tijdelijke, incidentele middelen hebben
proberen op te lossen. We krijgen er ook heel veel taken bij, plus de
digitale criminaliteit, die heel veel van ons vraagt." Ik stelde deze
vraag ook aan de VVD. Op het moment dat je zegt dat we de raddraaiers
moeten opsporen en harder moeten straffen, dat er een taakstrafverbod is
en ze dus naar de cel gaan, zul je moeten investeren in OM, politie en
rechtspraak. Wat gaat het CDA, als een van de formerende partijen,
daaraan doen?
Mevrouw Straatman (CDA):
Dat is een hele mooie vraag van mevrouw Mutluer, maar ik vrees dat zij
ook het antwoord daarop al weet. Ik kan daar op dit moment helaas niks
over zeggen. Dat ligt op de formatietafel en wordt daar besproken. Maar
ik deel helemaal haar analyse. Als wij strenger willen straffen, dan
vraagt dat iets van de gevangeniscapaciteit. We zien op dit moment code
zwart bij de gevangenissen, dus we zullen ook moeten kijken hoe we het
gevangenissysteem kunnen hervormen. We moeten misschien ook kijken hoe
we veel slimmer kunnen straffen. Maar ik kan over de formatie verder
niks zeggen; dat weet mevrouw Mutluer ook.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Ik benoem het wel. Waarom? Als wij agenten spreken, dan zeggen ze heel
terecht: "Jullie zijn altijd heel verontwaardigd. Er moet altijd meer
bij. Jullie hebben allerlei oplossingen voor de problemen waar we als
agenten tegenaan lopen, maar we zien geen boter bij de vis." Snapt
collega Straatman, zeker nu ze in die positie zit, dat van de formerende
partijen wordt verwacht dat ze de hulpverleners daadwerkelijk helpen
door de organisaties te versterken en dus te investeren?
Mevrouw Straatman (CDA):
Dat is een heel helder verhaal. Tegelijkertijd is er op dit moment op
heel veel terreinen extra geld nodig, ook bij de politie. Dat is iets
wat ook aan de formatietafel besproken wordt. Ik denk dat we het niet
alleen moeten platslaan tot geld, maar dat er ook een hervorming van
bijvoorbeeld het stelsel nodig is. We moeten dus niet alleen kijken naar
harder straffen — wel voor zware criminaliteit — maar ook kijken of we
in bepaalde gevallen bijvoorbeeld veel slimmer kunnen straffen, zodat we
het systeem kunnen ontlasten.
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Ik probeer te luisteren zoals een hulpverlener hiernaar zou luisteren.
Die denkt: jullie hebben weer mooie praatjes en willen veel, maar help
ons daadwerkelijk. Ik denk dat we wel een verantwoordelijkheid hebben
richting deze hulpverleners.
Mevrouw Straatman (CDA):
Daar sluit ik me helemaal bij aan. Ik denk dat mijn betoog daarover ook
heel duidelijk is. We moeten dat langs drie lijnen oplossen. Ten eerste
moeten we zwaarder straffen. Wat betreft het taakstrafverbod hoop ik ook
dat ik mevrouw Mutluer aan mijn zijde kan vinden als het gaat om het
zwaarder straffen en een duidelijke normstelling. Maar het gaat niet
alleen over zwaarder straffen. Het gaat ook om tijdig inspelen op nieuwe
vormen van geweld, zoals het onlinegeweld waar mevrouw Mutluer het ook
over had. Daarnaast gaat het ook over preventie. Ik zou dus graag dat
hele plaatje meenemen.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Straatman. Dan geef ik het woord aan mevrouw Bikker
voor haar inbreng in de eerste termijn namens de fractie van de
ChristenUnie. Gaat uw gang, mevrouw Bikker.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Voorzitter. Graag sluit ik me aan bij de voorgaande sprekers. Geweld
tegen de politie, geweld tegen hulpverleners, geweld tegen welke
gezagsdrager dan ook en geweld tegen iedere medemens is onacceptabel en
verdient een sterke veroordeling. Het feit dat we hier jaar na jaar het
debat over voeren, laat wat mij betreft zien dat er iets fundamenteel
mis is in onze samenleving.
Bij dit debat over geweld tegen de politie gaan mijn gedachten
natuurlijk onherroepelijk terug naar de afgelopen jaarwisseling.
Hulpverleners werden toen letterlijk in hinderlagen gelokt en werden
zelfs beschoten met zogeheten vuurwerkmitrailleurs. Je verzint het niet.
De politie sprak zelfs over criminele netwerken die daarachter zouden
zitten. Dat alles is natuurlijk uitermate schokkend. Het verdient niets
anders dan een veroordeling en een keiharde aanpak van politie en
justitie.
Maar we moeten ook een spade dieper gaan. Het valt me namelijk op dat
dit niet alleen in Nederland, maar ook in andere landen gebeurt. Ik zag
in ieder geval dat het in Duitsland en Frankrijk, waar je net als bij
ons ook de discussie over vuurwerk ziet, aan het kantelen is. Wat kan de
minister meer doen om in Europees verband er in elk geval voor te zorgen
dat idiotie als vuurwerkmitrailleurs onmiddellijk verboden wordt, dat ze
uit de handel worden genomen en dat het wordt aangepakt? Ik hoor heel
graag een concreet en snel actieplan.
Voorzitter. Dat er iets fundamenteel mis is in onze samenleving, gaat
dus een spade dieper. Ik zeg dat niet omdat ik vind dat iedereen op
oudejaarsavond bij z'n schoonouders op de bank moet zitten met een kopje
thee en een potje scrabble, absoluut niet. Ik ben ook opgegroeid in een
streek waar het ontzettend leuk is om naar buiten te gaan, om carbid te
schieten en om plezier te maken met elkaar. Dat is mooi. Oud en nieuw is
een overgangsritueel: het jaar dat achter je ligt, laat je ook echt
achter je. Je mag ook blij vooruitkijken naar wat er weer kan komen.
Maar zoals het nu op een groot aantal plekken gaat, is het waardeloos en
normloos. We hebben een bredere discussie aan te gaan met elkaar dan
alleen maar voorstellen te doen voor wat er strenger en strakker kan. We
moeten het dan ook hebben over wie er afwezig zijn. Wie treden er op dit
moment niet op? Ik heb op veel te veel plekken jongeren en ouders zien
lopen die geen sjoege gaven. Ik zie afleveringen van Bureau Utrecht
waarin jonge kinderen tekeergaan tegen de politie op een manier waarop
je dat zelfs niet tegen je vriendje zou mogen doen, laat staan tegen een
volwassene.
Voorzitter. Daarom hebben we iets anders te herstellen dan alleen de
manier waarop we omgaan met vuurwerk of met oud en nieuw. We zullen het
moeten hebben over opvoeden. Betrek ouders er maar verplicht bij als een
kind voortdurend voor overlast zorgt. Betrek ouders er maar verplicht
bij als een kind straf heeft gekregen, want dat is niet niks. Ook aan de
voorkant, als ouders wel willen maar niet kunnen opvoeden: ga maar aan
de slag met ze. Is de minister het daarmee eens? Welke mogelijkheden
ziet hij voor het formuleren van een aanpak hiervoor?
Voorzitter. Als mensen dan eenmaal de fout in gaan, zeker ook
meerderjarigen, dan gaan ze de gevolgen daarvan wat mij betreft meer
ervaren. We zien er al hele goede voorbeelden van. Ik noem dat hooligans
bij een voetbalwedstrijd binnen moeten zitten. Met de meldplicht kunnen
we volgens mij nog meer doen. Hetzelfde geldt voor de enkelband. Wat mij
betreft mag het namelijk eerder klaar zijn. Ik vraag aan de minister wat
er nodig is om dat beleid verder op te schalen. Natuurlijk is er ook de
strafrechtelijke route. Daar zullen ook veel voorstellen voor worden
gedaan. Ik heb met belangstelling gekeken naar gemeenten die vooruit
hebben gedacht wat betreft het bestuursrecht. Denk aan Deventer en aan
Urk. Hooligans of jongeren die de boel verstieren krijgen daar in
bepaalde gevallen een bestuursrechtelijke last onder dwangsom opgelegd.
Heb jij iets vernield of heb je hulpverleners mishandeld? Dan krijg je
de jaren daarop telkens opnieuw in de weken voorafgaand aan bijvoorbeeld
oud en nieuw een brief waarin staat: als jij dit opnieuw doet, moet je
een aantal duizenden euro's aftikken. Nou, dat werkt heel goed. Hoe ziet
de minister het verder uitvoeren van dit beleid?
Voorzitter. Er gaat veel mis in ons land. Er is een fundamenteel
probleem in onze samenleving. Maar ik heb ook plekken gezien waar het
wel kan, waar mensen samen opstaan en er een mooi feestje van maken. Hoe
komt dat? Doordat mensen zich verantwoordelijk weten. Dat wens ik ons
land toe. De overheid kan dat niet alleen brengen, maar daar waar dat
nodig is, kunnen we wel helpen om het gezag te herstellen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. U heeft een interruptie van mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Dat vind ik leuk.
De voorzitter:
Nou, dat moet u nog maar zien.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ja, dat is waar, maar meestal gaat dat wel goed.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dat moet u inderdaad nog maar zien.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Vrolijkheid is troef.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Opvoeding, ouders, schelden op straat tegen wie dan ook op een
verschrikkelijke manier, met vaak het k-woord ertussendoor geroepen, ik
ben het helemaal eens met mevrouw Bikker: het is gewoon onacceptabel,
gewoon schofterig eigenlijk, wat je ziet in die programma's. Ik noem ook
Nederland agressieland bij Zembla van laatst. Maar durft mevrouw Bikker
dan ook een keer de olifant in de Kamer te benoemen in de zin dat het
vaak bepaalde groepen treft, dat bij de meerderheid van geweldsdelicten
vaak jonge jongens, jongetjes vaak zelfs nog — het zijn vaak nog kleine
gastjes maar soms ook wat oudere — betrokken zijn? Als we het debat goed
willen voeren, moeten we ook dat kunnen benoemen. Natuurlijk …
De voorzitter:
Mevrouw Bikker.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Wat doe ik hier? Ik benoem dat een aantal ouders afwezig is en aanwezig
zou moeten zijn, dus volgens mij is er geen olifant in de Kamer. Die heb
ik in ieder geval niet gezien. Ik wil het hebben over die jongelui die
daadwerkelijk problemen veroorzaken. Dan maakt het mij niet uit wat de
achtergrond is, of ze rijk of arm zijn, of hun vader of moeder uit
Friesland, Marokko of Turkije komt. Het gaat erom dat als jij in
Nederland bent, jij je aan de Nederlandse normen en waarden te houden
hebt, wie je ook bent, allemaal. Op het moment dat ouders niet opvoeden,
wie je ook bent, waarvandaan dan ook, als ze dat wel kunnen maar niet
willen, moeten we daarin ook wat dwingender durven te zijn; die oproep
doe ik vandaag. Ga mij niet verwijten wat ik allemaal niet zou zien,
want ik sta voor deze stevige aanpak en dat doe ik al sinds ik raadslid
was.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik vind ook niet dat de ene groep harder gestraft moet worden dan een
andere groep. Alle groepen die dat doen, iedereen, elk individu dat dit
doet, moeten gewoon keihard worden aangepakt. Maar hier en in het
publieke debat mis ik vaak wel dat we soms niet durven te zeggen:
groepen Marokkanen of groepen Eritreeërs. Ik noem maar wat. We durven
het vaak niet te benoemen …
De voorzitter:
Wat is uw vraag?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
… want we zijn heel bang dat meteen de racismekaart wordt getrokken.
Nee, ik zeg niet dat mevrouw Bikker daar bang voor is. Ik zeg dat gewoon
in zijn algemeenheid.
Nou ja, als we het debat goed willen voeren en hier ook echt wat aan
willen doen, moeten we die groepen ook durven te benoemen. Als je daar
niks aan kan doen omdat je het maar niet benoemt en dus een beetje
generiek beleid gaat maken, wordt het echte probleem gewoon niet
aangepakt.
De voorzitter:
En uw vraag, mevrouw Van der Plas?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Nou ja, als we het debat goed willen voeren en hier ook echt wat aan
willen doen, moeten we die groepen ook durven benoemen. Als je daar niks
aan kan doen omdat je het maar niet benoemt en dus een beetje generiek
beleid gaat maken, wordt het echte probleem gewoon niet aangepakt.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Dat noemen we nou subsidiariteit. Dat is dat je bij gemeenten heel goed
de verantwoordelijkheid neerlegt om aan te pakken wat passend is bij die
gemeente. De plattelandsgemeente waar het bij oud en nieuw helemaal
fantastisch gaat, ken ik heel goed — lekker carbidschieten; helemaal
prima — maar wij kennen ook allebei de gemeenten waar het jaar op jaar
gedonder was en één grote strijd was tegen het gezag, soms zelfs in
gemeenten waar eigenlijk veel ChristenUnie en SGP werd gestemd. Dat zeg
ik om het maar even plat te slaan. Ook daar wonen niet alleen maar
heiligen. Ook dan heb je heel specifiek met de gemeenschap te kijken:
hoe kunnen we dit aanpakken? In dat geval wordt ook contact gezocht met
de dominees en met de ouders. Datzelfde geldt voor een wijk waar
overwegend Marokkaanse gezinnen wonen. Als het daar voorkomt, pak je een
aanpak die daar werkt, maar allermeest geldt voor mij: je hebt je te
houden aan de Nederlandse normen en waarden, en waar de politie ook
verschijnt, je behandelt ze met respect. Doe je dat niet, dan zul je ook
de consequenties moeten voelen. Het maakt voor mij dus niet uit welke
olifant er waar dan ook door de Kamer trippelt, want hij heeft zich aan
de Nederlandse normen en waarden en aan de Nederlandse wet te
houden.
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
In Staphorst, ook een groot SGP- en ChristenUniebolwerk …
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Klopt.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
… ging het fantastisch tijdens de jaarwisseling.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
In de Achterhoek ook. In Aalten ook.
De voorzitter:
Mevrouw Van der Plas is aan het woord.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Excuus, ik word helemaal enthousiast als mevrouw Van der Plas het over
Staphorst heeft. Excuus. Gaat u door, mevrouw Van der Plas.
De voorzitter:
Ja, ik hoor het. Mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ja, dan heb ik nog de vraag of mevrouw Bikker nou echt gelooft dat het
probleem is opgelost als er een vuurwerkverbod komt. Nu wordt er
namelijk eigenlijk gezegd dat een vuurwerkverbod er ook moet komen omdat
we het onderscheid niet kunnen maken. Nou, er zijn een heleboel
gemeenten met een vuurwerkverbod, dus daar zou je het onderscheid wel
kunnen maken. Heel veel gemeenten met een vuurwerkverbod hebben dat
onderscheid wel kunnen maken, want daar is het helemaal verboden. Als we
vuurwerk gaan verbieden — ik proef hier echt bij een paar partijen dat
zij denken: dan wordt het fantastisch — dan gaan ze andere dingen doen.
Dan worden het bakstenen of dan wordt het auto's in de fik steken. Dan
gaan er andere middelen gebruikt worden. Het gaat die gasten namelijk
niet om het vuurwerk. Het gaat erom dat ze gewoon willen
relschoppen.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
We gaan wel in herhaling vallen met het vuurwerkverboddebat, maar ik wil
heel graag nog een keer de positie van mijn partij daarin schetsen.
Allereerst geloof ik dat mensen soms geneigd zijn tot kwaad doen en dat
mensen dus niet alleen door iets te veranderen heiligen en lieverdjes
worden. Daar hebben we rekening mee te houden, ook bij de komende
jaarwisseling, of er nou wel of geen vuurwerkverbod is. Ik heb goed
geluisterd naar de oproep van de hulpverleners, de politie en heel veel
burgemeesters. Die zeiden: alsjeblieft, laten we dat vuurwerkverbod in
gaan voeren. Daarbij heb ik gezegd en voorgesteld dat ik het belangrijk
vind dat een burgemeester lokaal kan kijken wat er nodig is om een
geslaagde jaarwisseling te hebben. Ik heb het voorbeeld gegeven van
Súdwest-Fryslân, dat heel veel kernen heeft. Dat is heel anders dan een
grote stad, waar je één vette lichtshow of iets anders kan neerzetten.
Dat is anders in zo'n gemeente. Ik vind het dus ook belangrijk dat die
ruimte er is voor burgemeesters. Zij hebben nu een jaar de kans om aan
de slag te gaan om tot een goede jaarwisseling te komen met de mensen
van goede wil.
Gaat het dan perfect zijn de komende jaarwisseling? Nee, want mensen
zijn niet perfect. Maar we moeten wel zorgen dat onze hulpverleners en
gezagsdragers op zo'n manier kunnen optreden dat ze kunnen zeggen: wij
kunnen effectief omgaan met de wet en ons houden aan de regels. We
hebben er ook voor te zorgen dat we in de komende jaren — dat zal niet
in één jaar lukken — komen tot een andere manier van de jaarwisseling
vieren, zodat het weer een feestje wordt, in plaats van dat de
raddraaiers telkens de nieuwskolommen overheersen. Daarom heb ik net een
paar voorstellen gedaan. Ik vind dat als iemand het deze keer verstiert,
je prima de meldplicht in kan voeren, zodat diegene de komende jaren
niet bij zijn vriendjes en vriendinnetjes is. Of diegene heeft
bijvoorbeeld een heel aantal duizend euro's af te tikken. Volgens mij
kunnen we die maatregelen samen nemen. Ook ik kan allerlei
rampscenario's bedenken, maar ik vind dat wij ervoor verantwoordelijk
zijn om te gaan bedenken: hoe kan het wel?
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Faber voor haar inbreng in eerste
termijn namens de fractie van de Partij voor de Vrijheid.
Mevrouw Faber (PVV):
Dank u, voorzitter. Jaar na jaar wordt oudjaarsavond, wat ooit een mooie
traditie was, verziekt door groepen bestaande uit hoofdzakelijk
allochtoon tuig. Politie en hulpverleners werden in de val gelokt, om
vervolgens bekogeld te worden met stoeptegels en molotovcocktails en als
klap op de vuurpijl beschoten te worden met vuurwerkmitrailleurs. Dit
was gewoon een poging tot doodslag. In grote delen van Nederland stonden
de straten in brand. Auto's werden afgefikt, bewoners moesten
geëvacueerd worden wegens brand en in Arnhem zou er zelfs in de lucht
zijn geschoten. Het leek wel oorlog. Oorzaak: slap links-liberaal
beleid. Hoezo is de VVD de partij van law-and-order? Zij heeft samen met
het CDA veertien jaar de minister van Justitie geleverd. Nou, dat
belooft nog wat de komende periode, want met de wokies van D66 ga je de
oorlog niet winnen. Deze bende van Jetten gaat echt niet de grenzen
sluiten voor nog meer niet-westers tuig.
Staatssecretaris Rutte tracht dit probleem te verkleinen door te spreken
over "zielige kleine mannetjes", alsof het over kwajongens gaat. Maar
daar gaat het allang niet meer over. Het Legioen heeft als voorbeeld
volwassen kerels, zoals de 39-jarige Yusuf A. en de 40-jarige Jamal Z.,
die inmiddels al berecht zijn. Het probleem ligt veel dieper, maar
vrijwel niemand durft het te benoemen. Het is een veldslag tussen
verschillende culturen, met andere normen en waarden. Deze mensen hebben
geen respect voor de politie en hulpverleners en weten dat de pakkans
klein is en de straffen laag zijn. De antropoloog en criminoloog Hans
Werdmölder durft het wel aan om de culturele kloof te benoemen. Hij
geeft aan dat de Marokkaans-Riffijnse cultuur van eer, hoge eigendunk en
een wantrouwende opstelling aanleiding kunnen geven tot confrontaties
met de Nederlandse cultuur. Hieraan voegde hij nog toe: "Ze haten ons
soms ronduit."
Voorzitter. Kortom, wij hebben een probleem met Marokkaans tuig, dat
altijd een reden vindt om te rellen. Er is maar één manier om dat op te
lossen: wil je niet luisteren, dan moet je maar voelen. Gewoon enkele
reis Marokko! Dat kan: gewoon denaturaliseren. Dit alles weerhoudt de
PvdA-GroenLinks-burgemeester Halsema er niet van om maar door te gaan
met pappen en nathouden. Ze geeft van tevoren al aan de waterwerper met
traangas niet in te willen zetten. Dit geeft een totaal verkeerd signaal
af. Dit is geen ferme taal, maar een uitnodiging om maar eens lekker los
te gaan. Dit gebeurt terwijl zij haar eigen agenten wel de straat op
stuurt als boksbal en schietschijf. Dan is het ook niet zo gek dat een
deel van de politiemensen aangeeft niet meer te willen werken tijdens de
jaarwisseling.
Voorzitter. U moet er toch niet aan denken dat agenten niet meer de
straat opgaan om de openbare orde te handhaven? Dan ontstaat er een
totale anarchie, die zomaar kan afglijden naar een burgeroorlog. Dan kan
ons leger op vredemissie gaan in ons eigen land. De moraal van het
verhaal is: keihard optreden, in dergelijke situaties het leger inzetten
ter ondersteuning van de politie zodat raddraaiers opgepakt en keihard
bestraft worden, maximale gevangenisstraffen, maximale geldboetes,
denaturaliseren en een digitale schandpaal invoeren om verdachten op te
sporen. Dit laatste vergroot niet enkel de opsporingskans, maar heeft
ook een afschrikkende werking, zodat de politie weer de baas is op
straat.
Ik heb de volgende vragen aan de minister en overweeg hier ook moties
over in te dienen. Is de minister in het geval dat de politie niet meer
in staat is om de veiligheid te waarborgen, bereid het leger in te
zetten ter ondersteuning van de politie, zodat ze haar werk weer kan
doen? Is de minister bereid de digitale schandpaal in te voeren om
verdachten op te sporen? Is de minister bereid een overzicht te
verstrekken met de volgende gegevens per soort delict: de strafeis van
het OM, de opgelegde straf en de uitgevoerde straf? Waarom heeft de
minister gezien de voorspelbare anarchie geen ministeriële aanwijzing
aan het lokale gezag gegeven voor de inzet van waterwerpers met traangas
en het gebruik van rubberkogels? Is de minister bereid Marokkaans tuig
terug te sturen naar Marokko door over te gaan tot
denaturalisatie?
Dat was 'm, voorzitter. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Faber. Een interruptie van mevrouw
Michon-Derkzen.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Ik twijfel of ik deze vraag nou moet stellen, maar ik doe het toch.
Mevrouw Faber gebruikt altijd stevige woorden en ze heeft een oplossing
voor alle kwalen. Maar zij zit hier nu in de Kamer en daarmee heeft zij
als Kamerlid gewoon het recht op initiatief. Ik wil daarom aan mevrouw
Faber vragen — ik kan de antwoorden op haar vragen namelijk wel raden —
met welk initiatiefwetsvoorstel zij binnenkort gaat komen om er
daadwerkelijk voor te zorgen dat die agenten op een veilige manier hun
werk kunnen doen. Daar ben ik wel benieuwd naar.
Mevrouw Faber (PVV):
Dat is al door mijn hoofd gegaan en daar heb ik al ideeën over, maar die
ga ik nu nog niet op tafel leggen. Die ga ik eerst bespreken met mijn
fractie. Het is natuurlijk wel een feit dat de hele zaak uit de hand
loopt door het pappen en nathouden. We zitten met mensen uit andere
landen die andere normen en waarden hebben. Uit de eigen gelederen van
de Marokkaanse gemeenschap wordt ook gewoon gezegd: het werkt niet zoals
jullie omgaan met deze relschoppers. Ik noem een buurtvader uit
Kanaleneiland, die aangeeft: "Als de politie fermere taal gebruikt,
voelen de jongens zich aangesproken. Ik denk dat dat goed is. In Marokko
is de politie ook streng en dat werkt goed." Een Nederlands-Marokkaanse
journalist, meneer Ghouddani, heeft een ondubbelzinnige oplossing:
"Vanaf dag één moet je die raddraaiers keihard aanpakken. Dan escaleert
het ook niet." Met al dat pappen en nathouden gaat het gewoon niet
werken. We zitten hier met mensen vanuit een andere cultuur. Zij komen
uit een woestijncultuur en hebben een veel hardere mentaliteit. Pappen
en nathouden helpt niet. De tijd van praten is voorbij. Ik hoor allemaal
mooie woorden van mijn collega's in deze Kamer, maar er gebeurt gewoon
niets. We moeten gewoon een keertje orde op zaken gaan stellen. Dan
moeten we zeggen: die raddraaiers moeten we oppakken, berechten en
uitzetten.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Je zou bijna denken: was u maar minister, want dan kunt u wel concrete
voorstellen doen. Maar dat is helaas ook niet gelukt. Ik kijk uit naar
de initiatiefwetsvoorstellen van collega Faber. Ik wil haar er wel op
wijzen dat er bij de grote rellen die in een wijk in Breda plaatsvonden,
echt helemaal niemand uit een andere cultuur aanwezig was. Dit is
natuurlijk het hele verdienmodel van mevrouw Faber en haar partij, maar
negen van de tien Marokkaanse Nederlanders zijn gewoon in Nederland
geboren. We moeten dit probleem inderdaad aanpakken, maar ik krijg wel
een klein beetje genoeg van deze simpele woorden.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik snap dat mevrouw Michon-Derkzen daar wat moeite mee heeft, want zij
geeft aan dat zij zo van law-and-order is, maar dat is natuurlijk
allemaal een beetje slap geklets, want men durft niet echt aan te
pakken. Dan kan ze wel met zo'n voorbeeld komen over Breda, maar kunnen
we dan ook even kijken naar afgelopen zondag, toen het weer prijs en
premie was omdat het Marokkaanse team had verloren? Daarom werd weer de
hele boel op stelten gezet en werd de politie weer bekogeld met
vuurwerk. Of ze nou winnen of verliezen, het maakt allemaal geen fluit
uit. Ze vinden altijd iets om te rellen. Dat moet gewoon stoppen! Daar
moeten we een streep in het zand zetten. Mevrouw Michon-Derkzen maakt
het gewoon nog erger door te zeggen dat negen van de tien hier geboren
zijn. Nog erger dus! Dan moet je dus gewoon beter weten; dan weet je
gewoon hoe de Nederlandse samenleving is. Maar ze verrekken het om zich
aan te passen, doordat wij veel te tolerant zijn.
Mevrouw Van der Werf (D66):
Ik hoor mevrouw Faber herhaaldelijk praten over "pappen en nathouden".
Nu heeft de partij van mevrouw Faber de afgelopen periode maar liefst 37
zetels gehad en heeft de partij ook ruim vertegenwoordigd in het kabinet
gezeten. Wat hebben mevrouw Faber en haar partij nou precies gedaan en
bereikt om al deze problemen op te lossen?
Mevrouw Faber (PVV):
Als u mij toestaat, voorzitter, zal ik praten vanuit mijn toenmalige rol
als minister van Asiel en Migratie. Er zijn toen in no time twee
asielwetten bij de Raad van State gekomen. Dat heeft nog nooit een
andere minister van Asiel en Migratie bereikt. Vervolgens heb ik ook
zaken in het beleid veranderd, zodat ook bij minderjarigen het plegen
van een zeer zwaar delict en het daarvoor berecht zijn onder het
jeugdrecht meetelt om uitzetting te bewerkstelligen en om de vergunning
te weigeren. Dat is punt één. Punt twee: ik heb de wet ook zo gewijzigd
dat het niet gaat om de strafmaat die de rechter geeft bij een zwaar
delict — dan heb ik het over een zedendelict, doodslag of een poging tot
doodslag — maar om het delict zelf. Er waren namelijk rechters die onder
de grens gingen rechtspreken zodat die persoon in Nederland kon blijven.
Dat kan niet meer. Dan is er vervolgens nog iets bereikt. Toen ik
aantrad als minister, stond het inwilligingspercentage voor asielzoekers
op 85%. Toen ik er een paar maanden zat, was het 65%, en toen ik
wegging, was het 35%. Dat was enkel door het bijstellen van beleid. Dus
komt u nu niet met die praatjes dat er niets bereikt is, want dat is er
zeker wel. Als de Partij voor de Vrijheid er niet zou zijn, was het hier
een nog grotere puinhoop, want wij zijn de enige partij die tegenwicht
geeft.
Mevrouw Van der Werf (D66):
Een stukje college over asiel en migratie is natuurlijk altijd goed,
maar mijn vraag ging over geweld tegen hulpverleners. Daarover is er de
afgelopen jaren één hele concrete vraag aan ons, aan de politiek en ook
aan u geweest. Die ging over een vuurwerkverbod. Uw partij, mevrouw
Faber, de PVV, heeft dat verbod en die vraag vanuit de hulpverleners
zelf keihard in de kou laten staan. U heeft een hele grote mond als het
gaat om het tegengaan van geweld tegen hulpverleners. Dan vraagt de
politie ons één ding en dan zegt u: ja, maar dat kan ik niet doen.
De voorzitter:
Mevrouw Faber, iets beknopter als het kan.
Mevrouw Faber (PVV):
Zo'n college asiel was toch niet weg, hè? Daar hebben we allemaal wat
aan.
De voorzitter:
Nee, het staat ook opgenomen in het stenografische verslag, dus we
kunnen het zelfs nog teruglezen.
Mevrouw Faber (PVV):
Heel goed. Het vuurwerkverbod heeft er niet mee te maken dat mensen een
vuurpijl afschieten. Zolang je maar in de lucht schiet, is er niks aan
de hand, maar je moet hem niet gaan richten op een hulpverlener. Het
heeft gewoon te maken met gedrag. Gaan we dan ook zeggen: we gaan geen
keukenmessen meer verkopen omdat er om de haverklap iemand wordt
neergestoken op straat? Dat doen we toch ook niet? Het heeft te maken
met hoe je ermee omgaat. Het gaat niet om het instrument; het gaat erom
hoe je met dat instrument omgaat. Vuurwerk is op zich een mooie
traditie. Als iedereen zich aan de regels houdt en alleen op
oudjaarsavond vuurwerk afsteekt, wat volgens mij ook de regel zou moeten
zijn, is er gewoon helemaal niets aan de hand. En je schiet die vuurpijl
gewoon in de lucht en niet op een agent. Dan ben je er.
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Van der Werf (D66):
Het gaat helemaal niet om een keukenmes. Het gaat om een hele expliciete
wens die de politie en de politiebonden richting de politiek hebben
uitgesproken. Die wens heeft u heel bewust in de wind geslagen. Sterker
nog, op dit punt heeft u geen deuk in een pakje boter geslagen.
De voorzitter:
We spreken via de voorzitter.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik vind het allemaal onzin, want het gaat gewoon om hoe je met iets
omgaat. Als ik bijvoorbeeld niet goed omga met dit glas hier en dat naar
de voorzitter gooi, dan heeft hij misschien een hersenschudding. Gaan we
dan zeggen: u krijgt geen glazen water meer? Dat is in feite wat u zegt.
U zegt dat het keukenmes er niet toe doet. Nee, het gaat er gewoon om
hoe je ermee omgaat. Ik snap dat het een beetje moeilijk is voor D66 om
dat begrip te hebben, maar zo staan de zaken gewoon.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Ook ik heb getwijfeld of ik hierop in zou gaan, want wat schiet de
politie op met de bijdrage van collega Faber? Ik heb haar richting
collega Michon-Derkzen het verwijt zien maken dat ze onzin aan het
praten was, maar ik heb het idee dat mevrouw Faber niet beseft dat ze
zelf onzin roept. Ze draagt namelijk oplossingen aan die helemaal niet
te regelen zijn. Anders had ze dat zelf kunnen doen als minister.
Volgens mij is dit ook haar opzet, zodat ze anderen lekker kan
beschimpen en hun de schuld kan geven. Mijn vraag is hoe ze concreet
invulling gaat geven aan haar ideeën. Hoe gaat ze die uitvoeren?
Mevrouw Faber (PVV):
Ik heb dus al diverse zaken aan de minister gevraagd en ga daar ook
moties over indienen. Dat gaat bijvoorbeeld over het ondersteunen van de
politie door het leger in te zetten als de zaak helemaal uit de hand
loopt. In ieder geval moeten we de politie meer geweldsmiddelen
toewijzen. Daar moeten die burgemeesters ook eens een keertje toe
overgaan, want je kan de politie wel geweldsmiddelen geven, maar als ze
die niet mogen inzetten, is het gewoon een papieren tijger. Ik breng dus
zeker wel oplossingen aan. We moeten zwaarder straffen, gewoon zwaarder
straffen en hogere geldboetes opleggen. Als het minderjarigen betreft,
dan moeten we het gewoon verhalen op de ouders. Op het moment dat ouders
behoorlijke boetes krijgen, dan zet dat volgens mij zeker wel zoden aan
de dijk. Mevrouw Bikker had het al over een paar duizend euro; ik meen
dat dat in Urk was. Als ouders enorme boetes moeten gaan betalen, dan
gaan ze zo opvoeden, hoor! Dan hebben we helemaal geen rapport meer
nodig. Op het moment dat ze goed financieel geraakt worden, dus in de
portemonnee, dan moet u maar eens zien hoe ze gaan lopen, zeg ik via de
voorzitter.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Tot slot heb ik een welgemeend advies. Als mevrouw Faber haar werk op
het vlak van justitie en veiligheid serieus wil oppakken, dan raad ik
haar aan om beter naar de politie te luisteren. Die is overigens
inderdaad wel voor het vuurwerkverbod en gaat ook in gesprek met de
burgemeesters. In ieder geval moeten we bekijken hoe we de
uitvoeringstoets dan een keertje kunnen doen, zodat wij in ieder geval
weten of de politie het eens is met de ideeën van mevrouw Faber. Ik heb
met name echt onzin gehoord. Ik ga daar verder niet meer op in.
Mevrouw Faber (PVV):
Ja, mevrouw Mutluer mag natuurlijk zeggen wat ze wil. Zij vindt het
misschien onzin. Ik snap dat het een beetje ongebruikelijk is. Mevrouw
Van der Plas zei ook dat de olifant in de Kamer niet benoemd wordt. Ik
benoem die wel. Dan snap ik wel dat het een beetje schuurt. Maar goed,
daar moeten we dan maar een beetje aan wennen, want we kunnen de
problemen alleen oplossen als we ze benoemen.
Mevrouw Straatman (CDA):
Mevrouw Faber focust zich alleen op de Marokkaanse raddraaiers. Dat zijn
we van de PVV gewend. Voor het CDA maakt de achtergrond van de
raddraaiers geen donder uit. Voor iedereen geldt dat hij zich moet
gedragen en de handen af moet houden van de politie. Mevrouw Faber zegt
dat we te maken hebben met een gezagscrisis en dat normen en waarden in
brede zin niet meer meegegeven worden vanuit huis. Dat ben ik met
mevrouw Faber eens. Daarom kom ik ook met die educatieve maatregel. Op
het moment dat mensen vanuit huis niet meer meekrijgen hoe ze zich
fatsoenlijk moeten gedragen, moet de overheid dat maar verplichten en ze
daarmee confronteren. Op basis van het verhaal van mevrouw Faber
verwacht ik dus dat ik haar aan mijn zijde vindt. Klopt dat?
Mevrouw Faber (PVV):
Nou, kijk, weet u ... Op scholen zijn er allerlei
voorlichtingsprogramma's om de jeugd op te voeden, maar dat schijnt niet
zo te helpen. Ik bedoel dat ik dat nog niet zo zijn vruchten zie
afwerpen. Ik zei het al eerder: op het moment dat je minderjarigen
straft omdat zij de raddraaiers zijn, moet je de ouders hoge boetes
laten betalen. Ten eerste laat je ze betalen voor de vernielingen. Als
iemand een bushokje opblaast, dan moet hij dat maar betalen. Nou, ik kan
u vertellen dat dat behoorlijke bedragen zijn. Verder hebben we het over
schade gericht op agenten, op brandweerlieden of wie dan ook. Ook dat
moeten ze gaan betalen. Daarbovenop komt dan ook nog een boete vanwege
het gedrag. Dat tikt lekker aan, hoor, kan ik u zeggen via de
voorzitter. Dan wil ik nog weleens zien of we al die opvoedingsplannen
nodig hebben, want volgens mij gaan ze die jongens dan echt wel
binnenhouden. En dan moet je dus ook echt het geld gaan hálen, desnoods
met loonbeslag of een beslag op de uitkering.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik ben het met mevrouw Faber eens dat we ze financieel moeten raken,
maar niet alleen dat; we moeten ook zwaar straffen. Ik zou de daders ook
graag willen confronteren met de beelden van de dingen die ze zelf
veroorzaken. Ik denk dat dat misschien nog wel veel meer pijn doet dan
al die financiële maatregelen. Sterker nog, wat mij betreft betalen ze
zo'n educatieve maatregel ook zelf. Nogmaals, op basis van al deze
verhalen verwacht ik dat mevrouw Faber mij steunt. Ik denk dat het gaat
om het totaalpakket, dus niet om of-of-of, maar om en-en-en.
Mevrouw Faber (PVV):
We zijn al tig jaar aan het educateren en daar ben ik wel een beetje
klaar mee. Het wordt nu eens een keertje actie voor straffen.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Een debat over het vuurwerkverbod hebben we al gehad. Dat is heel fijn.
Tegelijkertijd weten we dat het vuurwerkverbod er komt. We weten ook dat
onze hulpdiensten zeggen dat het belangrijk is dat mensen in hoge
posities, zoals mevrouw Faber, het goed gaan uitdragen als het er komt.
Is mevrouw Faber bereid om wanneer het vuurwerkverbod er komt haar
achterban en de mensen in het land op te roepen om zich ook echt aan het
vuurwerkverbod te houden, zodat de veiligheid van onze hulpdiensten echt
wordt geborgd?
Mevrouw Faber (PVV):
Volgens mij ben ik niet een handhavende factor. Volgens mij zit dat meer
bij de politie en niet bij een Kamerlid. Een Kamerlid mag hier gewoon
uitspreken wat hij of zij vindt. Daar kunnen we het gewoon over hebben.
Kijk, ik ga niet oproepen tot geweld of dat soort zaken, maar ik kan
bijvoorbeeld wel zeggen dat ik kritisch ben op het vuurwerkverbod. Dat
mag ik gewoon zeggen. Daar is helemaal niks mis mee. Daarvoor heb je
democratie, want anders slaan we het debat natuurlijk helemaal dood. Ik
ga niet de boel opjutten. Daar ben ik niet van. Daar hou ik niet van. Ik
vind ook dat de wet de wet is, maar ik hoef niet bepaalde dingen actief
uit te gaan dragen. Dat hoef ik niet.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Dat klopt. Iedereen kan ervoor of ertegen zijn. Daar gaat het hier niet
om; dat debat hebben we dus ook al gehad. Het gaat erom dat het, wanneer
het vuurwerkverbod er komt, voor de veiligheid van onze hulpdiensten,
zoals zij zelf ook zeggen, heel belangrijk is dat mensen die hier een
positie en een podium hebben, daadwerkelijk gaan zeggen: jongens in het
land, misschien is, net als mevrouw Faber, niet iedereen het ermee eens,
maar hou je aan het vuurwerkverbod nu het er is. Is mevrouw Faber bereid
om die oproep dan inderdaad te doen?
Mevrouw Faber (PVV):
Ik ben helemaal niet verantwoordelijk voor het gedrag van iemand anders;
daar gaat iedereen zelf over. Moet ik dan iedereen gaan lopen
corrigeren? Dat ga ik niet doen. Ik bedoel, ik voer hier gewoon het
debat. Ik doe geen rare oproepen, zoals "ga eens lekker met vuurpijlen
schieten als dat niet mag". Dat ga ik allemaal niet doen. Iedereen is
verantwoordelijk voor zijn eigen gedrag. Dat zou heel mooi worden. Dan
zouden we hier bijvoorbeeld een of andere asielwet aannemen waar ik het
helemaal niet mee eens ben en dan moet ik het nog gaan uitdragen ook.
Dat is natuurlijk een beetje gek.
De voorzitter:
Tot slot.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Dit is dus precies wat zorgwekkend is en wat we hier in de politiek echt
anders moeten gaan doen. Nogmaals, mevrouw Faber mag het ermee oneens
zijn dat het vuurwerkverbod er komt, maar als je niet durft uit te
dragen dat als het vuurwerkverbod er straks gewoon is, iedereen zich er
gewoon aan moet houden, dan breng je onze hulpverleners bewust in
gevaar. Ik vind dat zeer kwalijk.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik vind het gewoon een rare framing, want ik ga mensen helemaal niet
oproepen om zich niet aan de wet te houden. That's it gewoon. Laat ik
het daar maar op houden; anders sta ik hier straks nog vijf minuten.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Faber. Het woord is aan mevrouw Van der Plas voor
haar inbreng in de eerste termijn namens de BBB. Gaat uw gang.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank u wel, voorzitter. Laten we duidelijk zijn: dit debat gaat niet
over hufterigheid, zoals het is genoemd. Politie en ambulancepersoneel
met vuurwerk bekogelen terwijl die een baby aan het reanimeren zijn, is
niet hufterig; dat is crimineel. Geweld bij voetbalwedstrijden is niet
hufterig; dat is crimineel. Ambulancepersoneel mishandelen wanneer het
iemand hulp biedt, is niet hufterig; dat is crimineel. Politieagenten in
elkaar slaan wanneer zij hun werk doen, is niet hufterig; dat is
crimineel. Een betere titel van dit debat zou zijn: debat over crimineel
tuig dat totaal lak heeft aan gezag. We hebben het hier over groepen die
denken boven de wet te staan en die politie, boa's en hulpverleners als
schietschijf gebruiken. Vervolgens roepen partijen om een
vuurwerkverbod, niet omdat het vuurwerk het probleem is, maar omdat
bepaalde groepen zich crimineel gedragen. Hetzelfde zien we bij
demonstraties en bij voetbalwedstrijden. Het probleem is niet het
vuurwerk an sich, waarvan overigens al heel erg veel verboden is, het
demonstratierecht of het voetbal. Het probleem is de relschopper.
Kermissen zijn onderhand ook een bekend voorbeeld. Groepen tuig weten
overal en elke keer de boel te verzieken. Bij de kermis hier om de hoek,
bij het Malieveld, lijkt het tegenwoordig wel een gevarenzone:
detectiepaaltjes, beveiligingscamera's, hekwerken enzovoorts. Door
tekorten bij de politie komt het vaak neer op ondernemers van de kermis
zelf, maar zij hebben veel minder bevoegdheden dan de politie. Daarom
wil BBB dat de security, de beveiliging, op de kermis net zoals bij
winkeldiefstallen proces-verbalen kan opstellen bij het niet opvolgen
van een kermisverbod. Ik wil hier graag een reactie op van de
minister.
Voorzitter. Ook de vuurwerktraditie lijkt eraan te gaan door het
terrorgedrag van een kleine groep. Ik vraag me echt af waarom wij ons
steeds maar aanpassen aan relschoppers. De focus zou niet moeten liggen
op het beperken van tradities en vrijheden, maar op het aanpakken van
criminelen die bewust de confrontatie zoeken. Daarom heeft BBB al
meerdere moties ingediend die hier concreet op zijn gericht. Toch blijft
het vanuit het kabinet oorverdovend stil. Onze voorstellen gaan onder
andere over het invoeren van een taakstrafverbod bij geweld tegen
hulpverleners, het instellen van minimumstraffen, het verhogen van de
strafvorderingsrichtlijnen bij het Openbaar Ministerie, het invoeren van
een meldplicht voor relschoppers, dat BBB vorig jaar al heeft
voorgesteld, en het verruimen van preventief fouilleren. Waarom zien we
hier nog niets van terug? Hoe staat het met de uitvoering van al deze
voorstellen? Voorzitter. De hardere hand is hard nodig, want straffen
die worden opgelegd zijn een lachertje. Zo is er dit jaar nog een man
tot slechts veertien dagen cel veroordeeld voor het neerslaan van een
agent. Veertien dagen! De gasten die dit doen, lachen zich helemaal rot.
Er moet dus veel harder worden gestraft, maar agenten moeten zich ook
beter kunnen verdedigen. De politievakbond vraagt al langer om de inzet
van een luchtdrukwapen dat zogenaamde beanbags — dat zijn zakjes met
kleine boontjes — kan afvuren. Dit middel schakelt een relschopper uit
zonder blijvend letsel en vult het gat tussen de wapenstok en het
vuurwapen. Kan de minister dit luchtdrukwapen toch meenemen in zijn
pilot?
Voorzitter. Als agenten grijpen naar dit soort geweldsmiddelen, dan
moeten we er ook voor zorgen dat ze niet in ellenlange onderzoeken
terechtkomen. Hoe kijkt de minister hiernaar? Is hij bereid hier iets
aan te doen?
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Van der Plas. Dan is het woord aan de heer … Er is
nog een interruptie van het lid Kostić, mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik dacht al: waar blijft lid Kostić?
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik zie mevrouw Van der Plas te blij kijken om mij te zien!
De voorzitter:
Gaat uw gang.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Heel fijn. Het vuurwerkverbod gaat er komen. De verantwoordelijkheid om
dat goed te laten verlopen, mag niet alleen maar bij de politie liggen;
wij dragen als politici ook een grote verantwoordelijkheid. Ook aan
mevrouw Van der Plas is mijn vraag: is zij bereid mensen op te roepen
zich aan het vuurwerkverbod te houden als het er komt, juist om de
veiligheid van onze hulpverleners te waarborgen?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Er geldt bijna 365 dagen per jaar een vuurwerkverbod. Alleen op
oudejaarsdag mag gedurende een aantal uren vuurwerk worden afgestoken.
Dat vuurwerkverbod is er dus al. We zien gewoon dat er het hele jaar
door overal vuurwerk wordt afgestoken. Er wordt gezegd: ja, maar als we
dat verbod hebben, kunnen we handhaven. Het is nu al niet te handhaven.
Waarom niet? Omdat dit gasten zijn die illegaal vuurwerk uit het
buitenland halen. Denk aan cobra's, nitraatbommen en noem maar op. Dat
vuurwerkverbod gaat dus sowieso niet helpen. Echt iedereen die dat
denkt, leeft in een utopie. Dat gaat gewoon niet gebeuren. Weet je wie
wij straks gaan straffen? En dan ga ik de vraag of ik mensen wil
oproepen zich aan het vuurwerkverbod te houden concreet beantwoorden.
Weet je wie wij hiermee gaan straffen? Dat is die hele grote meerderheid
van brave huisvaders, die gewoon met hun kinderen, zoals we al
decennialang doen, op straat, in gezelligheid, een sierpot afsteken. Dat
zijn de mensen die getroffen worden. Ik zal lid Kostić vertellen: dát
zijn de mensen die straks gepakt worden. Die zijn namelijk makkelijk te
pakken. Die steken in de straat een sierpot af en dan komt er een
politieagent, een boa of wie dan ook, die zegt: ja, meneer Jansen, dat
mag u niet doen, want er is een vuurwerkverbod. Die grote groepen
relschoppers worden gewoon met rust gelaten. Die krijgen niet te harde
straffen.
De voorzitter:
Helder.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Die pakken in plaats van een vuurpijl — dat is overigens ook al verboden
— bakstenen en gaan gewoon door.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Er wordt geen antwoord gegeven op mijn hele duidelijke vraag. Het debat
over het vuurwerkverbod hebben we gehad; daar is van alles over verteld.
Mijn simpele vraag was: is mevrouw Van der Plas bereid
verantwoordelijkheid te nemen als het vuurwerkverbod er komt en uit te
dragen dat iedereen zich aan het verbod zou moeten houden?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
De wet zegt al dat mensen zich aan de wet moeten houden. Ik ga ook niet
elke dag oproepen dat mensen niet door rood licht mogen rijden. Ik ga
ook niet oproepen: wilt u er vandaag voor zorgen dat u geen politieagent
in elkaar slaat? De wet is gewoon duidelijk: als er een verbod is, dan
moeten mensen zich daaraan houden. Ik ga niet zelf oproepen doen. Lid
Kostić zegt wel heel stellig dat dat vuurwerkverbod er komt, maar dat is
helemaal niet zeker. Er zijn drie voorwaarden in de wet opgenomen. Aan
alle drie de voorwaarden wordt helemaal niet voldaan. Dat vuurwerkverbod
gaat er in 2027 dus helemaal niet komen.
De voorzitter:
Tot slot.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Het vuurwerkverbod komt er. De staatssecretaris van Justitie heeft
vorige week bevestigd dat we gewoon op schema liggen. Ik wil wel
afsluiten met een opmerking over wat mevrouw Van der Plas zei, namelijk
dat iedereen die denkt dat het vuurwerkverbod gaat helpen, in een utopie
leeft. Dan wijs ik mevrouw Van der Plas erop dat het hier gaat om
artsen, om medeoverheden, om politiemensen, om ambulances en eigenlijk
om iedereen die expertise heeft in de maatschappij. Ik vraag me dan dus
wel af wie hier in een utopie leeft.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
We hebben een debat over geweldsmisdrijven. Er zal zeker nog wel een
vuurwerkdebat komen, want er ligt sinds vandaag een AMvB, een algemene
maatregel van bestuur. De discussie is dus zeker nog niet afgelopen.
Bovendien ligt er niet alleen die voorwaarde, want er liggen ook nog
andere voorwaarden onder. Aan die voorwaarden kan gewoon niet voldaan
worden. Er is dus ook nog niet aan voldaan en dan heb ik het alleen nog
maar over de compensatie voor de vuurwerkhandelaren. Wat ik er nu van
heb gezien, is gewoon een lachertje. Mensen worden gewoon met een fooi
weggestuurd en die discussie is dus nog helemaal niet afgerond.
Mevrouw Coenradie heeft verder een debat over de jaarwisseling zelf
aangevraagd. Daarin komen ook de zorg en alle andere aspecten om de hoek
kijken en dan zal ik daar ook verder op ingaan.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Van der Plas. Dan is het woord aan de heer Diederik
van Dijk voor zijn inbreng namens de Staatkundig Gereformeerde Partij.
Gaat uw gang.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank u wel, voorzitter. "Als een volk, dat bestaat uit 100 miljoen
burgers, beschermd wordt door 100 miljoen innerlijke politieagenten of
politiemensen — dat wil zeggen door 100 miljoen gewetens die heersen
over het eigen ik — dan zijn er op straat weinig politiemensen nodig.
Echter, in een samenleving zonder innerlijke agenten zijn er nooit
genoeg politiemensen om beschaving te garanderen. Zelfbeheersing is geen
autoritair systeem, maar veeleer het tegendeel ervan." Dit citaat van de
filosoof Michael Novak legt de vinger op de zere plek, maar een
rechtsstaat kan zich niet beperken tot morele beschouwingen. Wanneer
innerlijke grenzen verdwijnen, moeten juridische grenzen des te strakker
worden getrokken en ook daadwerkelijk worden gehandhaafd.
Voorzitter. Mijn zoon, Rutger, start deze maand zijn politieopleiding.
Mijn vrouw en ik zijn supertrots, maar ineens voel je toch ietsje meer
mee met die vaders en moeders die hopen op een geruststellend berichtje
van hun zoon of dochter die 's nachts de straat op is geweest. Daarbij
geldt: wie geweld gebruikt tegen een hulpverlener, schendt niet alleen
een persoon, maar tast het gezag en de beschermingsfunctie van de staat
zelf aan. En dat rechtvaardigt de strafverzwaringsgrond voor geweld
tegen personen met een publieke taak, zoals vastgelegd in ons Wetboek
van Strafrecht en uitgewerkt in de ELA, de Eenduidige Landelijke
Afspraken.
Deze dubbele strafmaat is geen symboliek, maar een normatieve opdracht
aan het OM en de rechterlijke macht. Helaas zien we in de praktijk dat
deze bepaling te vaak niet of marginaal benut wordt en daarmee worden de
bedoeling van de wetgever en de veiligheid van onze hulpverleners
uitgehold. Waarom wordt het geldende recht onvoldoende toegepast? Wat
gaat de minister doen om dat te corrigeren?
De SGP doet drie concrete voorstellen. Dring bij het OM aan op de
wettelijk voorgeschreven strafverzwaringsgrond bij geweld tegen
hulpverleners. Afwijking van deze norm dient nadrukkelijk gemotiveerd te
worden. Twee. Structurele verankering van de dubbele strafmaat in
straftoemetingskaders en oriëntatiepunten bij de rechtspraak. Drie.
Rapporteer transparant over de toepassing van deze strafverzwaring,
zodat parlementaire controle mogelijk wordt.
Voorzitter. Strafrecht dient niet alleen vergelding, maar ook preventie.
Op dit punt ontbreekt het afschrikwekkende effect. Wie nu vreugde en
teleurstelling botviert door politieagenten te bekogelen met zwaar
vuurwerk, ervaart te vaak dat dit effect strafrechtelijk beperkt blijft.
Dat ondermijnt de rechtsorde en werkt normvervaging in de hand. Daarom
moet ook het instrumentarium richting notoire relschoppers en
veelplegers worden aangescherpt. De SGP pleit voor ruimere mogelijkheden
tot preventieve vrijheidsbeperking en vrijheidsbeneming bij concrete
aanwijzingen voor ernstig geweld rond risicomomenten; denk aan
preventieve hechtenis, gebiedsverboden en een meldplicht met directe
strafrechtelijke consequenties. Bescherming van hulpverleners moet hier
zwaarder wegen dan de bewegingsvrijheid van wie stelselmatig de
rechtsorde ondermijnt.
Voorzitter. Daarnaast moeten we kijken naar de middelen waarmee de
politie en de ME worden uitgerust om zichzelf en de samenleving te
beschermen. In omringende landen zoals Frankrijk en Duitsland wordt bij
grootschalige ordeverstoringen en zware aanvallen op agenten gewerkt met
onorthodoxe geweldsmiddelen. Deze middelen zijn ingrijpend en vragen om
juridische kaders, proportionaliteit en toezicht. Afgelopen
jaarwisseling zagen we dat zelfs met de pilot die gedraaid werd naar
aanleiding van de aangenomen motie-Stoffer c.s. over extra
geweldsmiddelen, de politie niet altijd adequaat kon ingrijpen. Is de
minister bereid te onderzoeken welke lessen hieruit te trekken zijn,
kijkend naar de wettelijke mogelijkheden bij onze buurlanden?
Voorzitter. Mijn laatste punt gaat over de Taskforce Onze hulpverleners
veilig. Ik vraag de minister hoe de Taskforce Onze hulpverleners veilig
bijdraagt aan deze strafrechtelijke aanscherping. Welke voorstellen
liggen er voor de vervolging, straftoemeting en vrijheidsbeperkende
maatregelen? Is de minister bereid de Kamer actief te informeren over de
opvolging en de uitwerking van het rijksprogramma, zodat de taskforce
een uitvoerend instrument wordt?
Dank u, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Van Dijk. Ik schors vijf minuten, waarna het woord is
aan mevrouw Van der Werf.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Het woord is aan mevrouw Van der Werf voor
haar inbreng in de eerste termijn namens D66.
Mevrouw Van der Werf (D66):
Dank u wel, voorzitter. De afgelopen weken zagen we beelden die niemand
onberoerd lieten. Politieagenten, ambulancemedewerkers, boa's en
brandweerlieden werden bekogeld, uitgescholden en aangevallen. Vuurwerk
werd ingezet als wapen, met als dieptepunt agenten die een baby in nood
probeerden te helpen en hier ook niet van werden ontzien. Dit was
gericht tegen de mensen die er elke dag voor zorgen dat wij veilig zijn.
Dat raakt mij, want het zijn geen anonieme gezichten in een uniform. Het
zijn vaders, moeders, zonen en dochters die dit werk doen. Het zijn
mensen die 's nachts de straat opgaan als wij slapen.
Afgelopen jaarwisseling was het weer raak. Vuurwerk werd op ongekende
wijze misbruikt om hulpverleners te bestoken. Ruim 400 agenten raakten
daarbij gewond. Ik kan niet zeggen dat ik verbaasd ben, maar boos ben ik
wel. We waren namelijk gewaarschuwd. De politiebonden pleitten er vorig
jaar al voor om het vuurwerkverbod direct in te laten gaan en er niet
een jaar mee te wachten. Waarom heeft het kabinet die oproep van de
politie links laten liggen? Erkent de minister dat het uitstellen van
het verbod een miscalculatie is geweest?
Voorzitter. Twee jaar geleden schreef ik samen met collega Joost Sneller
een manifest, samen met ketenpartners en meerdere partijen uit deze
Kamer. Naar aanleiding van het manifest zijn er meerdere moties
aangenomen, waaronder één waarin de regering werd verzocht om zelf, als
werkgever, effectiever invulling te geven aan de verantwoordelijkheid om
werknemers veilig te houden, onder andere door altijd aangifte te doen
bij agressie en binnen 24 uur een normstellende reactie richting de
agressor te geven. Hoe staat het met de uitvoering hiervan? Wordt er in
de praktijk altijd overgegaan tot aangifte? Heeft de minister zicht op
het percentage waarbij daadwerkelijk aangifte wordt gedaan? Wordt dit
ook nageleefd in alle andere sectoren waarin hulpverleners te maken
krijgen met geweld? Denk bijvoorbeeld aan het NS-personeel, van wie we
weten dat ook zij veel te verduren krijgen.
Voorzitter. Ik heb ook per motie verzocht om een samenwerkingsverband op
te richten voor beroepsgroepen die te maken krijgen met agressie en
geweld, juist omdat we álle werkgevers nodig hebben om de aanpak te
verbeteren. Er zijn sindsdien goede samenwerkingen geweest. Denk ook aan
de Taskforce Onze hulpverleners veilig. Maar die taskforce wordt nou
juist geleidelijk afgebouwd. Kan de minister aangeven hoe hij het gat
gaat dichten dat met het verdwijnen van die taskforce ontstaat? Hoe gaat
hij ervoor zorgen dat expertise en best practices alsnog worden gedeeld
en dat hulpverleners een duidelijke plek hebben waar zij
terechtkunnen?
Voorzitter, tot slot. We zien hier ook de uitdrukking van iets anders.
Meningsverschillen horen bij een vrije samenleving, net als frustratie,
maar steeds vaker slaat die onvrede om in schelden, bedreigen en geweld,
alsof elke grens is vervaagd. Die verharding raakt juist de mensen die
hun werk doen namens ons allemaal. Hulpverleners, maar ook het
NS-personeel en anderen, worden zo onterecht het afvoerputje van
maatschappelijke woede. Als we duidelijk willen maken dat hulpverleners
geen tegenstanders zijn maar onze bondgenoten, dan vraagt dat iets van
burgers, van de samenleving, van werkgevers en ook van ons. Het vraagt
onder andere van ons dat wij hier het goede voorbeeld geven.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Van der Werf. Mevrouw Mutluer heeft een
interruptie.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
De volgende vraag heb ik ook gesteld aan de andere formerende partijen.
Als wij de politie en de hulpverleners willen ondersteunen, dan moeten
we wel iets doen aan die enorme tekorten waar zij mee van doen hebben.
Dat geldt niet alleen voor de politie, die alleen dit jaar al met een
tekort van 46 miljoen te kampen heeft — dat loopt nog op naar 350
miljoen in 2030, met alle gevolgen van dien — maar ook voor het OM en de
rechtspraak. Dit is mijn vraag, in het kader van dualisme: wat kan ik
straks verwachten van mijn collega wat betreft het coalitieakkoord en de
manier waarop dat moet worden beoordeeld? Wat moet daar sowieso in
komen?
Mevrouw Van der Werf (D66):
Ik wil mevrouw Mutluer complimenteren met de charmante vorm waarin ze
dezelfde vraag op drie verschillende manieren heeft gesteld. Toch laat
ook ik me niet verleiden tot het doen van uitspraken over dingen die we
simpelweg nog niet weten. Ik wil daar wel aan toevoegen dat mevrouw
Mutluer onze inzet natuurlijk kent. Wij hebben de afgelopen jaren
talloze debatten gehad; die heeft zij ook met collega Sneller gedaan.
Het valt dus allemaal na te zoeken op onze website.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Wij zullen de komende tijd echt wel voorstellen doen. Volgende week zijn
er begrotingen. Dan zullen we deze minister zeker kritisch bevragen op
zijn Kamerbrief, die niet helemaal helder en conform de toezeggingen
was. Ik hoop dat we mevrouw Van der Werf in dat geval ook aan onze zijde
gaan vinden, ten behoeve van al die hulpverleners die echt boter bij de
vis willen.
Mevrouw Van der Werf (D66):
Ik kan mevrouw Mutluer in ieder geval beloven dat ik onze goede
samenwerking van de afgelopen jaren — dan heb ik het niet alleen over
femicide en geweld tegen vrouwen, maar ook over de politie en het veilig
houden van Nederland — heel graag wil voortzetten.
Mevrouw Dobbe (SP):
Ik zal de vraag op nog een andere manier stellen. Ik denk namelijk dat
dit wel een belangrijke is. Mevrouw Van der Werf zei: we moeten ervoor
zorgen dat mensen weten dat de politie geen tegenstander, maar een
medestander is. Ik denk dat dit inderdaad heel belangrijk is. Ik denk
dat het heel belangrijk is om de afstand te verkleinen tussen politie en
bijvoorbeeld bepaalde buurten waar de politie nu nauwelijks meer
capaciteit voor heeft, waar geen wijkagenten meer zijn en waar de
voorzieningen zijn afgebroken. Deelt mevrouw Van der Werf de analyse dat
de nabijheid van de politie ook te maken heeft met capaciteit en dat het
vergroten van die capaciteit dus ook helpt om die afstand te verkleinen
en de vervreemding van het gezag te verminderen?
Mevrouw Van der Werf (D66):
Jazeker. Ik heb de afgelopen jaren bijvoorbeeld veel voorstellen gedaan,
onder andere samen met uw oud-collega, de heer Van Nispen, over de
verdeling van politiesterkte over Nederland. Er zaten namelijk gewoon
hele gekke, onverklaarbare verschillen tussen wijken en regio's wat dit
betreft. Ik denk dat we daar wat aan moeten doen. Dan gaat het niet
alleen maar over de simpele vraag of je een bureau opent of sluit, maar
ook over de vraag wat de nabijheid is van de politie tot bewoners en op
welke manieren je die zaken zo goed mogelijk kunt inrichten. Maar ik
denk dat dit niet alleen met de politie te maken heeft, maar ook met de
vraag hoe we het voor mensen makkelijker kunnen maken om hun recht te
halen. Er zijn heel veel problemen rond het doen van aangifte, de
snelheid waarmee zaken worden opgepakt en de manier waarop mensen
daadwerkelijk geholpen kunnen worden. Ik denk dat er een heel scala aan
mogelijkheden is als het gaat om de vraag wat we hieraan kunnen
doen.
Mevrouw Dobbe (SP):
Met dat tweede, dat je het recht dicht bij mensen moet organiseren, ben
ik het natuurlijk helemaal eens. Wij hebben in de Kamer natuurlijk ook
het voorstel voor het Huis van het Recht besproken. Maar op het moment
dat mevrouw Van der Werf de analyse deelt dat die nabijheid ook met
capaciteit te maken heeft en dat dat ook bijdraagt aan het herstellen
van het gezag en de autoriteit van het gezag, dan kan de conclusie toch
niet anders zijn dan "als de politie zegt meer capaciteit en ook meer
middelen voor die capaciteit nodig te hebben omdat ze anders misschien
wel 2.500 fte moet laten gaan, kunnen we dat niet laten gebeuren"? Ik
snap dat mevrouw Van der Werf niet vooruit kan lopen op de formatie,
maar delen we in ieder geval de analyse dat dat dan niet kan?
Mevrouw Van der Werf (D66):
Ik denk dat mevrouw Dobbe één belangrijk punt overslaat: het gaat ook om
prioritering. Mevrouw Michon had dat net ook al aangestipt. Ja, wij
zouden eigenlijk Kamerbreed willen zien dat de politie meer op straat
kan en meer kan doen voor mensen. De politieke meningsverschillen
daarover zijn helemaal niet zo groot; dat zegt de politie zelf ook. Maar
wat ik de afgelopen jaren ook heel vaak heb zien gebeuren, is dat wij
met de commissie constateren dat we bijvoorbeeld voor xyz meer aandacht
zouden willen, maar dat het ons niet lukt om dat in de praktijk te laten
gebeuren. Waarom is fietsendiefstal een high-impact crime en huiselijk
geweld niet? Dat zijn ook andere problemen die ik hierin mee zou willen
pakken. Wat mij betreft is dat niet alleen maar een geldvraagstuk,
waarop ik op dit moment geen antwoord kan geven, maar een veel breder
iets. Ik denk dat we in heel goed overleg met de politie en met de Kamer
moeten kijken hoe we dat het beste kunnen oppakken.
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dat antwoord snap ik. Het is niet alleen een geldvraagstuk, maar ook een
kwestie van prioriteren. De voorbeelden die mevrouw Van der Werf noemt,
zijn daarbij relevant. Dat geldt ook voor de keuzes die de politie moet
maken omdat ze veel meer tijd en capaciteit kwijt zijn aan bijvoorbeeld
verwarde personen of personen met verward gedrag, omdat dat ook weer te
maken heeft met bezuinigingen op de ggz et cetera. Dat heeft natuurlijk
alles met prioriteiten te maken, maar het is óók een geldkwestie. Het is
wel fijn om te horen dat mevrouw Van der Werf dat erkent. Want als de
politie zegt dat ze haar werk gewoon niet meer kan doen, dan kunnen wij
hier zo veel debatten voeren als we willen over dat we moeten opsporen,
zwaarder straffen et cetera, maar dan gaat dat gewoon niet lukken. Het
is, denk ik, wel belangrijk dat we dat met elkaar erkennen.
Mevrouw Van der Werf (D66):
Natuurlijk is het een geldkwestie. Maar wat ik soms ingewikkeld vind aan
de interrupties van de SP over geldkwesties, is dat zij — de partij van
mevrouw Dobbe; laat ik het zo zeggen — soms de indruk wekt alsof er
steeds minder geld ergens naartoe gaat. Zoals een paar collega's net ook
al zeiden, is er de afgelopen jaren steeds meer geld naar de politie
gegaan. Toch lukt het ons blijkbaar niet om het geld op die manier te
besteden zoals wij dat het liefste zouden zien. Betekent dat dat er niks
extra bij zou moeten komen? Dat verwacht ik niet, maar ik ga daar niet
concreet op in. En ik denk, aan het gezicht van mijn collega te zien,
dat zij dat heel goed begrijpt.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Van der Werf. Dan is het woord aan mevrouw Coenradie
voor haar inbreng namens JA21. Gaat uw gang.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Voorzitter. Voor heel Nederland was het nieuwjaarsnacht, voor onze
politie was het oorlog. Geen incident, geen uitzondering, maar een
voorspelbaar jaarlijks terugkerend patroon van geweld, haat en totale
minachting voor gezag. Agenten die onder vuur worden genomen met zwaar
illegaal professioneel vuurwerk. Brandweerlieden die pas kunnen blussen
nadat de politie eerst het terrein heeft vrijgevochten. Ambulances die
moeten wachten om zwaargewonden en andere hulpbehoevenden te kunnen
verzorgen, omdat de weg doelbewust wordt geblokkeerd. Politieauto's die
worden gesloopt en in brand gestoken. Agenten die worden opgejaagd alsof
zíj het probleem zijn en niet de relschoppers. En wat misschien nog wel
het meest beschamend is: we kijken er niet eens meer van op. Het is elk
jaar hetzelfde liedje, dezelfde beelden, dezelfde woede, dezelfde
beloften.
En daarna? Dan gebeurt er niets. We hobbelen van gezagscrisis naar
gezagscrisis. De afgelopen dagen was het ook twee keer raak tijdens de
voetbalwedstrijden van Marokko. We spreken grote woorden, maar weigeren
harde keuzes te maken. En ondertussen sturen we onze hulpverleners jaar
na jaar opnieuw de straat op, wetende wat hen te wachten staat. Dat is
geen falend incidentenbeleid; dat is structureel falend gezag. En laten
we eerlijk zijn. Dit gebeurt niet omdat de politie tekortschiet; dit
gebeurt omdat de politiek tekortschiet. We maken regels over de politie,
maar vragen niets aan de politie. We luisteren naar bestuurders en
adviseurs, maar niet naar de agent die daar 's nachts staat, oog in oog
met agressie. Die agent zegt al jaren hetzelfde: geef ons vertrouwen,
geef ons ruimte, geef ons rugdekking. Maar wat doen wij? Wij behandelen
de politie alsof het kleuters zijn. Stelt u zich dit eens voor bij een
chirurg, dat die tijdens een operatie eerst de ziekenhuisdirecteur of
zelfs de burgemeester moet bellen met de vraag of hij mag snijden en, zo
ja, met welk instrument. Dat zouden we lachwekkend vinden, maar bij de
politie accepteren we dit al jaren.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Iedereen gaat over zijn eigen woorden, maar ik hoor mevrouw Coenradie
zeggen: we behandelen de politie alsof ze kleuters zijn. Nou, ik niet,
wil ik zeggen. Ik wil ook niet dat deze woorden plakken aan mijn partij,
mijn inbreng of wat ik de afgelopen jaren met de politie heb gedaan.
De voorzitter:
U vervolgt.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Zeker. Dit ondermijnt gezag, dit ondermijnt moraal en dit ondermijnt de
veiligheid op straat.
Ik heb een zestal vragen aan de minister. Kan de minister uitleggen
waarom structurele ondersteuning van Defensie of de KMar tijdens
grootschalige rellen nog steeds geen standaardoptie is? Is de minister
bereid om de politie het vertrouwen te geven om zelf te beslissen over
de inzet van middelen als traangas en rubberen kogels zonder
bestuurlijke vertraging? Kan de minister garanderen dat het OM daders
van geweld tegen hulpverleners consequent vervolgt en wil hij voor de
zomer een overzicht sturen van vervolgingen en straffen? Is de minister
bereid zwaardere sancties, zoals een meldplicht en huisarrest, in te
voeren voor geweld tegen hulpverleners? Kunnen omstanders die geweld
filmen, aanjagen of verspreiden ook strafrechtelijk worden aangepakt? Is
de minister, tot slot, bereid in excessieve situaties de veiligheid van
hulpverleners en samenleving boven de privacy van daders te
plaatsen?
Dank.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Coenradie. Dan is het woord aan het lid Kostić voor
haar inbreng namens de Partij voor de Dieren in eerste termijn. Gaat uw
gang.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Dank, voorzitter. Het is jammer dat dit debat gevoerd moet worden, dat
mensen die hun nachten opofferen voor onze veiligheid moeten vrezen voor
hun leven. Het is belangrijk dat handhaving en bestraffing op orde zijn,
maar het is ook een sociaal-maatschappelijk probleem. Dat zei de
staatssecretaris van Justitie vorige week al en dat wordt ook bevestigd
door experts. Sterkere straffen geven een signaal, maar zonder
verandering in normen zullen dieperliggende oorzaken ongewijzigd
blijven. Experts benadrukken dat communicatiecampagnes en normatieve
interventies nodig zijn om negatieve houdingen tegenover hulpverleners
te veranderen. Denk aan interventies waarbij wordt samengewerkt met
scholen, wijken en gemeenschappen. Preventie zonder repressie is
tandeloos, maar repressie zonder preventie is eindeloos. De Partij voor
de Dieren vindt het daarom belangrijk om van de minister te horen hoe
hij die maatschappelijke kant, die normverandering vanuit zijn
ministerie verder kan sturen. Er zijn talloze gedragsexperts die hem
daarbij zouden kunnen helpen.
Voorzitter. In dit licht nog even iets over het vuurwerkverbod. De wet
is aangenomen. Gelukkig, want hulpverleners, medeoverheden, de politie
en een meerderheid van Nederland vroegen er al jaren om. Het is alleen
jammer dat het niet afgelopen jaar al is ingevoerd. Dat had een deel van
de ellende van de jaarwisseling kunnen voorkomen. Het is belangrijk dat
het verbod snel, dit jaar rondkomt en ik was blij dat de
staatssecretaris vorige week bevestigde dat we op schema liggen. Het
verbod gaat niet alles oplossen, maar het is wel een noodzakelijke stap
om van die totale chaos af te komen. Van gedragsexperts weten we dat de
hoeveelheid vuurwerk an sich een situatie van chaos creëert waarin
mensen makkelijker overgaan tot grensoverschrijdend gedrag. Het
vuurwerkverbod heeft, net als het verbod op roken in cafés, tijd en
middelen nodig om ingebed te raken als de nieuwe maatschappelijke norm.
Gedragswetenschappers zeggen allemaal dat een duidelijke normstelling
het gedrag aanzienlijk beïnvloedt. Mensen zijn geneigd om zich aan te
passen aan wat ze denken dat de meerderheid doet. Een sterke
normstelling zorgt voor een dynamiek waarin gewenst gedrag zich snel
verspreidt. Dit zag je ook bij rookverboden, waarbij mensen elkaar
gingen aanspreken en na verloop van tijd roken in openbare ruimtes als
ongewenst werd gezien. Het is juist voor de veiligheid van onze
hulpverleners en de politie belangrijk dat de minister het
vuurwerkverbod niet alleen ziet als een kwestie van handhaving. Dat legt
onterecht alle last bij de politie, terwijl het aan de politiek is om
mensen mee te nemen in die transitie. Is de minister dat met mij
eens?
Het is aan de minister om in het belang van de veiligheid van onze
hulpdiensten maatregelen te nemen die deze nieuwe norm inbedden. Het
doel moet zijn om de norm op tijd te laten landen en om de transitie
naar viering van de jaarwisseling zonder vuurwerk zo soepel mogelijk te
laten verlopen. De nieuwe norm, namelijk dat gewone burgers geen
vuurwerk meer mogen afstaken, moet heel duidelijk uitgedragen worden. Ik
kom straks met een voorstel daarover.
Tot slot wil ik mijn collega-politici wijzen op hun
verantwoordelijkheid. De Kamer heeft het verbod aangenomen. Daarmee is
het onze gezamenlijke plicht — het maakt daarbij echt niet uit of je nou
voor of tegen het verbod was — om die nieuwe norm goed te laten landen.
Het is je plicht om aan je achterban duidelijk te maken dat er straks
door consumenten geen vuurwerk meer mag worden afgestoken en dat
iedereen zich daar gewoon aan moet houden, juist in het belang van onze
hulpdiensten, waar iedereen hier voor zegt te staan. Wie die norm blijft
ondergraven, brengt politie en hulpverleners onnodig in gevaar.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de heer Struijs voor zijn inbreng namens de
fractie van 50PLUS in eerste termijn.
De heer Struijs (50PLUS):
Voorzitter. Geheel tegen mijn gewoonte in heb ik een blaadje meegenomen.
Maar hier staat wel een ervaringsdeskundige, met vele jaren ervaring. In
1982 kreeg ik de eerste fles op mijn hoofd met oud en nieuw, waar mijn
kapper nog steeds trots op wijst, want ik heb dun haar gekregen. Zonde
van de drank, want het was een volle fles whisky. In deze anekdote zit
veel besloten. Ik mocht rond kerst wat reünies bijwonen, en niet
iedereen is er zo goed uit gekomen als ik. Jarenlang kijk ik nu naar
slachtoffers, zijnde hulpverleners. Ik ben het zo zat! Goed. Ik zal de
emotie maar even laten voor wat die is.
Wederom was dit geen volksfeest maar een veldslag, met vele
dieptepunten. Eentje wil ik er benoemen, omdat ik er zelf contact mee
heb gezocht: het seniorencomplex in Maarssen werd bestookt met zwaar
vuurwerk dat naar binnen werd gegooid en afgestoken in de entreehal. Een
bewoonster van 82 zei daarover: "We zaten als ratten in de val. Het leek
oorlogsgebied. Gelukkig kwamen de politiemensen eraan, maar het was
kantje boord." En daar zit ook een beetje de grondhouding van 50PLUS: er
is hier sprake van een structureel probleem. Het is een veenbrand die al
jaren is opgelaaid, bij demonstraties, voetbalwedstrijden en met oud en
nieuw. We moeten met structurele oplossingen komen en de omloopsnelheid
van die oplossingen moet omhoog. Toen de eerste broek in de brand werd
gestoken in 1983, duurde het vijf jaar voordat het uniform werd
aangepast en de broeken wat meer brandvrij werden. Dit is even de
historie, maar af en toe krijg ik een déjà vu.
Onze rechtsstaat moet kwetsbaren beschermen, maar staat echt onder
water. In elke debat waar 50PLUS aan deelneemt, gaan we dus kijken naar
structurele oplossingen. Ik ben heel blij met de vele woorden die hier
gesproken zijn — dat meen ik oprecht — maar handhaving en vergelding
zijn een onderdeel van ons rechtssysteem. Dit zijn geen vieze woorden.
Vergelding hoort erbij. Er moet strenger gestraft worden in vele
gevallen en misschien wel in alle gevallen.
Ik wil ook nog even iets anders belichten. In het operationele optreden
moet ook nadruk komen te liggen op het aanhouden van daders en niet
alleen het handhaven van de openbare orde. De politie en andere boa's
vragen regelmatig om extra bewapening, niet alleen om de orde te bewaken
maar ook om sneller over te kunnen gaan tot aanhouding, bijvoorbeeld
door desoriëntatie. Daar zijn allerlei middelen voor die al door
collega's zijn genoemd. Laten we ze invoeren, want ik koppel daar het
volgende aan. Ik heb aan politiemensen en leden van het OM gevraagd wat
ongeveer de pakkans is als je meegedaan hebt aan deze verschrikkelijke
misdrijven. Dan heb ik het over geweld tegen alle hulpverleners of
kwetsbare burgers. Zij schatten in dat ongeveer 10% tot 15% wordt
gepakt. Ongeveer de helft daarvan wordt veroordeeld, en we hebben ook
nog eens een cellentekort. Dus de kans dat het optreden effectief is,
met alle maatregelen, is klein; maar de pakkans moet omhoog.
Ik geef even gas en sluit me aan bij de vele moties hierover. Wij zijn
overigens ook voor een vuurwerkverbod. Het is geen wondermiddel, maar
het is hard nodig. Is de minister bereid te voorzien in aanvullende
middelen en trainingen die de inzet van middelen tussen wapenstok en
vuurwapen bevorderen, zodat aanhoudingen op heterdaad worden
bevorderd?
Ik ga met vele voorstellen hier mee. Ik ga ook vele moties tekenen. Wij
zijn het zat. Laat de rechtsstaat niet onder water staan. Het geldt voor
zowel de hulpverleners als de boa's, de politie, het OM en de
rechtsstaat. Dit kan gewoon niet langer. Het gaat niet over oud en
nieuw. Het gaat over een uitslaande veenbrand en over onze democratie en
veiligheid.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Struijs.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Wij, de heer Struijs en ik, zijn het erover eens dat het geweld tegen
politie en hulpverleners heel streng moet worden aangepakt. In Nederland
heerst de gedachte dat bijvoorbeeld vuurpijlen en rotjes nog mogen. Dat
is allemaal al verboden. Alles is al verboden. Het enige dat nog mag,
zijn sierpotten. Dat is echt het enige. Romeinse kaarsen en voetzoekers:
het is allemaal al jarenlang verboden. Je kunt die niet nog een keer
verbieden. Het gaat dus om de sierpot. De sierpot is niet de oorzaak van
het geweld. De oorzaak van het geweld is dat mensen hier in Nederland
gewoon totaal lak hebben aan het gezag.
De voorzitter:
Uw vraag?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik vraag me af hoe de heer Struijs het ziet. Wat wordt er opgelost met
een vuurwerkverbod?
De heer Struijs (50PLUS):
Ik luister niet alleen naar de artsen van de nacht, maar ook naar de
politiemensen en alle hulpverleners. Het is geen wondermiddel, maar het
is een stap in de goede richting. Ik wil naar een volksfeest, net zoals
u. Dit is een kleine stap, geen wondermiddel. Maar het moet nu wel
stoppen. Ook het legale vuurwerk wordt als wapen ingezet. Ik heb
meerdere hulpverleners gesproken die legaal vuurwerk naar zich
toegeworpen kregen. Dat geeft ook schade. Natuurlijk zijn we het erover
eens dat het 'm hoofdzakelijk in gedrag zit. Maar vuurwerk als wapen …
Bij mij geven alle hulpverleners die hiervan de dupe zijn de doorslag.
Dat advies volg ik dus.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Een mes is ook een wapen, maar het mes in mijn la is hartstikke veilig.
Dat ligt namelijk gewoon in mijn la. Het doet niks. Het springt niet
ineens uit de la om op iemand af te gaan en diegene de keel door te
snijden of dwars door zijn hart te gaan. Dat gebeurt als iemand het mes
gaat gebruiken als wapen. Het gewone keukenmes is niet verboden. Wat ik
steeds proef, is toch een soort van: dan gaan we het oplossen. Heel veel
mensen die bij een huisartsenpost terechtkomen … Bij een huisartsenpost
zijn het vaak kleine brandwondjes. Dat gebeurt vaak …
De voorzitter:
Uw vraag, mevrouw Van der Plas?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
… en daar hoeft geen verbod voor te komen. Bij heel veel van dat
vuurwerk betreft het illegaal vuurwerk. Mensen denken namelijk dat een
rotje legaal is. Een cobra is illegaal. Een nitraatbom is illegaal.
Eigenlijk is bijna alles al verboden. Nogmaals, ik zie zelf niet in wat
het oplost. Ik denk namelijk dat de brave huisvader straks … Die is
makkelijk te pakken.
De voorzitter:
Meneer Struijs.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
De huisvader in de Pietje Pukstraat in Utrecht is makkelijk te
pakken.
De voorzitter:
Meneer Struijs.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Maar de grote geweldsincidenten gaan we er gewoon niet mee oplossen.
De voorzitter:
Mevrouw Van der Plas, dit was een interruptie van twee minuten. Het moet
echt korter.
De heer Struijs (50PLUS):
We hebben hier eerder over gesproken. Ik hou het kort. Het klopt: het is
geen wondermiddel. Het gaat nog vijf jaar duren eer het uitgebannen is
en we een cultuuromslag krijgen naar een volksfeest. Dit gaat een stap
in de goeie richting zijn, is de overtuiging van onze fractie, horende
alle hulpverleners.
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik wil de hulpverleners ook beschermen. Dat wil ik doen door
bijvoorbeeld strenger te straffen en het geweld keihard aan te pakken.
Er is het hele jaar door geweld tegen politie en hulpverleners. Dat moet
worden aangepakt. Dat het over vijf jaar is uitgefaseerd, is ook een
utopie. In België en Duitsland is het namelijk gewoon te krijgen. We
hebben nu al gezien dat er kilometers file stond richting de Duitse en
de Belgische grens. Het hele jaar door wordt er online vuurwerk besteld.
Echt zware vuurwerkbommen komen Nederland binnen. Die worden gebruikt
door die criminele gasten. Het is dus helemaal niet waar dat het over
vijf jaar is uitgefaseerd. Mensen kunnen het gewoon in het buitenland
verkopen. Hoe kijkt de heer Struijs daartegen aan?
De heer Struijs (50PLUS):
Ook daar zie ik een omslag. Ook de rellen in Brussel, waar ik zelf ook
ben geïnformeerd over het gebruik van vuurwerk, gaan daar eindelijk eens
op de agenda komen, ook in de politiek. In Duitsland zie ik een omslag.
Het gaat nog heel lang duren eerdat we dit uitbannen. Maar nogmaals, als
ik een keuze moet maken … Nogmaals, ik ben het met u eens: dit is stap
één, want we moeten ook zwaarder straffen; we moeten een heel pakket
gaan doen. Het gaat mij niet alleen om oud en nieuw. We hebben het hier
over een gezagscrisis, maar het gaat mij er ook om dat we de
gedragscrisis bij vele mensen handelen. Dat vraagt dus veel meer dan
alleen een vuurwerkverbod. 50PLUS blijft denken dat het een stapje in de
goeie richting is en dat het echt gaat helpen, niet alleen voor de
hulpverlening, maar ook voor de kwetsbaren die niet meer naar buiten
durven te komen door dit vuurwerk.
Mevrouw Faber (PVV):
Meneer Struijs geeft aan strak in de wedstrijd te zitten, in ieder geval
als het gaat om geweld tegen hulpverleners. Hij zegt ook wel bereid te
zijn om moties mede te willen ondertekenen. Ik heb zelf een paar moties
in de pijplijn zitten, bijvoorbeeld over het inzetten van het leger, het
invoeren van de digitale schandpaal en het denaturaliseren van
Marokkanen. Hoe ziet meneer Struijs dat? Gaat hij die medeondertekenen?
Daar zou ik me zeer op verheugen.
De heer Struijs (50PLUS):
Nee.
Mevrouw Faber (PVV):
O, niet? Oké.
De heer Struijs (50PLUS):
Nee, hoor. Wij zien veel meer heil in het versterken van de politie en
alle hulpverleners, en in alles wat nu ter tafel komt, zoals het
zwaarder straffen en ook nog een paar preventieve maatregelen. We zijn
gelukkig nog ver van het inzetten van het leger. Dat is één. Twee. Mijn
ervaring, en ook die van mijn achterban, is dat er nergens zo veel
democratie is als bij de criminaliteit. Ik heb ook nu weer de celletjes
mogen bezoeken van de mensen die er zijn aangehouden. Daar zit iedereen:
Bart uit Amersfoort en Achmed uit Rotterdam-Zuid. Ik ga geen groepen
eruit halen. Ik ga echt op het algemene gedrag zitten, dat ik ernstig
crimineel vind.
Mevrouw Faber (PVV):
Dat vind ik wel interessant, want hij zegt: in die gevangenis zit
iedereen. De cijfers geven echter aan dat 67% van de veroordeelden een
migratieachtergrond heeft. Dat zijn dus toch wel dingetjes. 50% van
degenen die worden voorgeleid bij de rechter, heeft een
migratieachtergrond. Dat is dus zeker wel een probleem. Dan kunt u wel
een beetje nee schudden, maar we moeten natuurlijk wel de problemen
aanpakken bij de wortel. In het rapport van Ipsos staat toch echt dat de
grootste vertegenwoordigers van de relschoppers uit geboortelanden zoals
Somalië, Marokko en Eritrea komen. We hebben dus zeker wel een
migrantenprobleem. Dat kunt u toch niet zomaar onder de tafel duwen?
De heer Struijs (50PLUS):
Dat is het laatste wat ik doe, maar ik zoek andere oplossingen. Ik vind
bijvoorbeeld — ik geef u maar één voorbeeld — dat de dwaze Marokkaanse
moeders, zoals ze zichzelf noemen, in Rotterdam al heel veel preventief
werk aan het verrichten zijn. Ook daarvoor zie ik allerlei
oplossingsrichtingen. Ik ken geen enkele oplossing die allesomvattend
is. Maar om er nu één groep uit te lichten … Er zijn meerdere groepen
die zich helaas aan dit soort hufterig gedrag schuldig maken.
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik wil alleen iets opmerken. Dit is het hele probleem in Nederland:
niemand durft de problemen te benoemen.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Dit is misschien niet eens een politieke interruptie, maar gewoon een
verhelderende vraag. Ik was in de veronderstelling, maar misschien ben
ik verkeerd geïnformeerd, dat we al een vuurwerkverbod hebben. Misschien
kunt u als oud-politieman … Dat is toch zo? Even een anekdote. Net voor
het reces was ik bij een grote vuurwerkverkoper, een van de grootste van
het land. Die zei: dit is de laatste keer dat ik dit doe, want het wordt
verboden. Klopt dat? Is die analyse juist?
De heer Struijs (50PLUS):
Nou …
De voorzitter:
Meneer Struijs, meneer Markuszower was nog aan het woord.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Is die analyse juist? Ik denk dat het voor iedereen die thuis het debat
volgt goed is om te weten of vuurwerk wordt verboden of niet. Als u het
niet precies weet, kan de minister daar straks misschien antwoord op
geven.
De heer Struijs (50PLUS):
De stand van zaken hoor ik inderdaad graag van de minister. Er is al een
deel verboden. Denk aan de cobra's en dat soort dingen. Alleen zouden
wij dat heel graag onder de Wet wapens en munitie brengen, omdat het
gewoon hele zware ontploffingen geeft. Je kunt er caravans mee
ontploffen. Dan komen we natuurlijk in de volgende categorie. Laat ik
het even op siervuurwerk houden. Ook daarvan weten de handhavers niet
precies wat de status is. Zij zeggen: geef ons duidelijkheid; gaan we
dit nou tolereren of niet? Wat ons betreft doen we dat niet, maar er
moet nu wel snel uitsluitsel komen, zodat iedereen weet waar die aan toe
is.
Dan wil ik nog een ander punt meegeven. U heeft het zelf ook gezien. Ik
heb ook naar steden gekeken die een vuurwerkverbod hadden, maar waar
toch heel veel vuurwerk is afgestoken. Mensen zeiden: o, is hier een
verbod? We hebben in de communicatie nog veel uit te leggen. Daarom vind
ik de vraag ook sterk. Wat mag wel en wat mag niet? In wat voor
tussenliggende fase zitten we nu?
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Eens, dank u wel. Het is een beetje ongewoon, voorzitter, maar ik wil
via u vragen of de heer Struijs het een goed idee vindt dat de minister
straks in zijn inleiding — wat mij betreft gaat dit debat niet over
vuurwerk — kan zeggen wat er met dat vuurwerk gaat gebeuren vanaf 31
december 2026. Dan is het voor iedereen helder, denk ik. Dan kunnen we
daarna beter een discussie voeren.
De voorzitter:
Dat is een creatieve vorm.
De heer Struijs (50PLUS):
Bedankt dat ik namens de minister al een klein beetje een antwoord mocht
geven.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw inbreng. Dan zijn we aangekomen bij een heuglijk
moment. Hoewel de heer Russcher vorige week is beëdigd, gaan we nu
luisteren naar zijn maidenspeech. Ik wijs de leden er ten overvloede op
dat er tijdens maidenspeeches geen sprake is van interrupties. Als u
zover bent, meneer Russcher, heeft u het woord.
De heer Russcher (FVD):
Voorzitter. Het is voor mij een bijzonder moment; ik spreek hier voor
het eerst. Hoewel ik liever mijn maidenspeech had gehouden over iets
opbouwends en positiefs, is het onderwerp dat we vandaag bespreken
helaas veelzeggend over de toekomst van Nederland. We voeren hier een
debat over geweld tegen mensen die belangrijk werk doen voor onze
samenleving: brandweerlieden, ambulancepersoneel, politieagenten,
buschauffeurs, conducteurs. Dat zijn mensen die de straat op gaan als
anderen wegrennen, die de orde helpen bewaren, die zorg verlenen en die
de veiligheid bewaken. Het feit dat zij tegenwoordig steeds vaker worden
aangevallen, uitgescholden, bekogeld, gefilmd en uitgelachen, is niet
alleen schokkend, maar ook onacceptabel. Dit soort gedrag past absoluut
niet bij een beschaafd land.
Maar, voorzitter, dit soort geweld komt niet uit het niets. Wat we
vandaag "hufterigheid" noemen, is in feite namelijk het gevolg van iets
veel diepers. Het is het gevolg van een samenleving die de samenhang is
kwijtgeraakt, waarin normen en waarden zijn vervaagd, waarin mensen zich
niet meer gedragen als een onderdeel van een gemeenschap en waarin het
gezag op school en op straat stelselmatig is ondermijnd. Dat gezag is
ondermijnd door keuzes van onze eigen overheid. Denk aan het voeren van
een opengrenzenbeleid en het in stand houden van de gefaalde
multiculturele samenleving. In plaats van te controleren wie er ons land
binnenkomt, verzint de overheid alsmaar meer regels en wetten die vooral
de gewone burger raken.
Voorzitter. Dat heet symptoombestrijding. Zo wordt vuurwerk verboden,
met als gevolg nog meer gevaarlijk vuurwerk uit het buitenland. Contante
betalingen worden bemoeilijkt omdat dat zogenaamd crimineel gedrag zou
voorkomen. Preventief fouilleren en camera's op elke straathoek worden
de norm.
Voorzitter. Orde kan niet bestaan zonder cultureel fundament. Er is
namelijk geen samenleving zonder gedeelde cultuur. Normen en waarden
ontstaan niet door wetten, maar door traditie, cultuur, opvoeding en
trots. Ze ontstaan in een land waarin huftergedrag ook keiharde
consequenties heeft. Forum voor Democratie wil dus ook een harde aanpak
van geweld tegen hulpverleners. De 200% verzwaring van de strafeis moet
door het OM in de praktijk vaker worden toegepast. We willen ook dat het
supersnelrecht waar dat al mogelijk is eindelijk serieus wordt ingezet.
De oplossing ligt echter niet alleen maar in nog meer losse maatregelen
of verboden, maar in een fundamentele koerswijziging, in het herstel van
de samenhang en in het behoud van onze cultuur en de identiteit van
Nederland. Daarom pleit Forum voor Democratie voor een immigratiestop,
voor uitbreiding van al bestaande terugkeerregelingen, voor het herstel
van normen in het onderwijs, voor het stimuleren van persoonlijke
verantwoordelijkheid, voor het verantwoordelijk stellen van de ouders
van jonge raddraaiers en ook voor bescherming van wat ons van oudsher
bindt: onze taal, onze geschiedenis, onze manier van samenleven.
Voorzitter. Onze hulpverleners verdienen veiligheid, maar ook een
samenleving die hun werk weer vanzelfsprekend maakt, en waarin het idee
dat je hulpverleners aanvalt ondenkbaar is. Daar wil ik mij als Kamerlid
vanaf vandaag voor inzetten, niet alleen voor hen maar ook voor de
toekomst van Nederland.
Dank u wel.
(Geroffel op bankjes)
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Russcher. Ik heb het genoegen om u als eerste de hand
te mogen schudden om u te feliciteren. Ik wil u verzoeken om voor het
rostrum te gaan staan om de felicitaties in ontvangst te nemen. De
vergadering is voor een kort ogenblik geschorst.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering en geef het woord aan mevrouw Dobbe voor haar
inbreng in de eerste termijn namens de SP. Ik verzoek de leden hun
plaatsen in te nemen. Gaat uw gang.
Mevrouw Dobbe (SP):
Geweld tegen hulpverleners, dus tegen onze politiemensen, boa's,
zorgverleners, ambulancepersoneel en maatschappelijk werkers, neemt toe.
Dit zijn de mensen die zich elke dag inzetten voor onze veiligheid en
onze zorg, en zich inzetten om levens te redden. Het zijn mensen met
gezinnen. Het zijn moeders, vaders, broers, zussen, zonen en dochters.
Geweld tegen onze hulpverleners is onacceptabel. Daders moeten keihard
worden opgespoord en bestraft. Van onze politiemensen en hulpverleners
blijf je af.
Geweld tegen hulpverleners neemt toe, maar gebrekkige en snelle
uitspraken zonder analyse van de onderliggende problemen gaan dit niet
oplossen. Dan staan we hier namelijk elk jaar weer. De publieke moraal
moet worden onderhouden, anders erodeert die. Neoliberaal beleid en
individualisering, de mentaliteit "ik moet het zelf doen", leiden tot
"ik maak het zelf wel uit". Dat doet iets met de relatie tot de
overheid. Het beschadigt de relatie tot autoriteit. Ook de groeiende
sociaaleconomische en maatschappelijke ongelijkheid doet dat. In buurten
waar voorzieningen zijn verdwenen, die worden vergeten door de overheid,
waar de overheid zich steeds verder heeft teruggetrokken en waar armoede
toeneemt, ontstaat een voedingsbodem voor ontevredenheid of wantrouwen
jegens de overheid en tegen autoriteit. Ook politie en hulpverleners
kunnen daarbij tot doelwit worden gemaakt. Dat is wat we nu zien. Daarom
is het belangrijk om een goede analyse te maken waarom geweld tegen
hulpverleners elk jaar weer toeneemt en hierbij ook te kijken naar wat
we kunnen leren uit andere landen. Is de minister bereid om dat te
doen?
Het is niet te ontkennen dat de rellen van jongeren tegen de politie
tijdens oud en nieuw laten zien waar jarenlange politieke en publieke
verwaarlozing toe leidt. Het is een kwartet van segregatie van mensen
die zich geen onderdeel van de samenleving voelen, van schooluitval en
jongeren die kiezen voor het snelle geld en voor criminaliteit, van een
overheid op afstand die er niet voor jou is en die je alleen ziet
ingrijpen als het misgaat, van verwaarlozing van de publieke sector die
verweesd is geraakt, waar het aanzien van onze politie en hulpverleners
dat ernstig heeft geschaad, van het degraderen van beroepen, het
uitkleden van verantwoordelijkheden en het uitkleden van de waardering
voor beroepen in de publieke sector. Deelt de minister deze analyse? Zo
ja, wat gaat hij er dan aan doen?
Gaat hij er bijvoorbeeld voor zorgen dat er voldoende agenten zijn, ook
wijkagenten, die zorgen dat politiemensen ook in de buurt zichtbaar
kunnen zijn, menselijke relaties kunnen opbouwen, kunnen werken aan
preventie en niet alleen moeten komen als er problemen zijn en alleen
dan nog maar kunnen ingrijpen? Wat gaat hij bijvoorbeeld doen aan
jongerenwerk, dat op veel plekken is wegbezuinigd, waardoor het zicht en
het contact met veel jongeren is verloren? Graag een reactie.
Dan zorg en nazorg voor de hulpverleners die geweld hebben meegemaakt,
voor de mensen die kampen met de fysieke en psychologische gevolgen van
geweld. Wij willen meer aandacht voor de nazorg, zoals psychologische
hulp, die ook al eerder is aanbevolen door het WODC, zoals een duidelijk
protocol voor werkgevers over de verantwoordelijkheden, over waar
aangifte kan worden gedaan en wie de nazorg biedt, maar ook over het
goed opleiden van bijvoorbeeld teamleiders. Dit zijn de aanbevelingen
die staan in de rapporten van het WODC. Hoe staat het met de opvolging
van deze aanbevelingen?
Het WODC heeft namelijk ook aanbevelingen gedaan over de
aangiftebereidheid; die is laag, blijkt uit alle onderzoeken. Zorg voor
eenduidige slachtofferregistratie en vereenvoudig het registratie- en
aangifteproces voor in ieder geval boa's en de brandweer, waarbij
geleerd kan worden van de werkwijze bij de politie. Het aangifteproces
kan beter en eenvoudiger. Graag een reactie van de minister.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Dobbe. Tot slot is het woord aan de heer Markuszower
als laatste spreker van de zijde van de Kamer voor zijn inbreng namens
de Groep Markuszower. Gaat uw gang.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Weer veel dank, voorzitter. De jaarwisseling 2025-2026 was opnieuw een
totale chaos in Nederland: vuurwerkincidenten, branden, ontploffingen,
overlast in wijken, zware mishandelingen, bedreigingen, vernielingen en
ongekend geweld tegen hulpverleners. 406 politieagenten werden
slachtoffer van agressie en geweld, daarnaast ook 122 personen met een
andere taak: ambulancebroeders, zorgpersoneel en boa's. Deze cijfers
zijn dramatisch hoger dan vorig jaar en de jaren ervoor. Elk jaar worden
er nieuwe records verbroken en elk jaar weer staan we hier en wordt over
dit onderwerp een debat gevoerd. Dat debat is noodzakelijk, maar als
deze aanhoudende stijging het resultaat is van al die uren debatteren in
de afgelopen jaren, dan moeten we onszelf wel de vraag stellen waar we
nou mee bezig zijn. De vuist moet nu op tafel. Preventieve maatregelen
moeten veel breder worden ingezet, er moeten hogere straffen komen e de
politie moet meer middelen krijgen om de baas te worden op straat. Maar
daarover is bijna iedereen, hoop ik, in deze Kamer het met mij
eens.
Ondanks deze brede consensus, die ik hopelijk weet te bespeuren, worden
elk jaar weer hulpverleners aangevallen en bedreigd. Elk jaar weer
moeten Nederlanders oppassen op straat. Er zijn gezinnen die hun
kinderen binnenhouden, wijken waar de angst regeert. Dat kan niet
langer. Daarom richt ik mij vandaag tot de formerende partijen. Ik zal
hierover later een motie indienen. Ik dring er bij de formerende
partijen op aan om in het regeerakkoord een afzonderlijk hoofdstuk op te
nemen over het geweld zoals we dit hebben gezien tijdens de
jaarwisseling. Kom dan na het aantreden van het nieuwe kabinet binnen
twee maanden met een wetsvoorstel en een pakket aan maatregelen om dit
geweld in de kiem te smoren, met harde, duidelijke en concrete
maatregelen, zodat dit geweld voor eens en voor altijd stopt. De Kamer
is dit verschuldigd aan de Nederlanders en aan alle hulpverleners.
Dank u wel. Ondanks het feit dat u vooralsnog mijn spreektijd inkort,
ben ik binnen de tijd klaar. Ik dank u hartelijk.
De voorzitter:
Maar u heeft nog wel een interruptie van mevrouw Van der Werf.
Mevrouw Van der Werf (D66):
De Groep Markuszower dringt aan — ja, cheers! — op stevige maatregelen.
Nu doet de politie en deden ook de bonden een heel duidelijke oproep
voor de stevige maatregel van de instelling van een vuurwerkverbod. Ik
ben het met vorige sprekers eens dat dit geen wondermiddel is, maar dat
het wel het belangrijkste middel is om een duidelijke norm te stellen en
van het gedonder af te komen. Wat vindt de Groep Markuszower
daarvan?
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Formeel moet ik dat aan mijn fractie voorleggen. Ik heb net via de heer
Struijs een vraag gesteld in de hoop dat u deze lastige interruptie niet
bij mij zou plegen, maar ik zal toch antwoorden. Volgens mij is er al
een vuurwerkverbod. Ik woon in Amsterdam. Daar is al twee jaar een
vuurwerkverbod. Ik was net voor het reces bij een van de grootste of
misschien wel dé grootste vuurwerkhandelaar in Nederland en die zegt
gewoon: ik verkoop mijn spullen niet meer vanaf 1 januari 2026, want dan
mag het niet meer; het is verboden.
Ik wil dus graag van de minister weten of het al verboden is. Als dat zo
is, dan hoef ik me daar ook helemaal niet over uit te laten, want dan is
het al verboden. Als het nog niet helemaal verboden is — ik wil u best
helpen — dan ben het ik wel eens met wat mevrouw Van der Plas heeft
gezegd, namelijk dat het niet gaat helpen. Het geweld dat we hebben
gezien, wordt namelijk niet gepleegd met het vuurwerk dat eventueel nog
niet verboden zou zijn. Dat wordt met een soort bommen en halve granaten
gepleegd en dat soort vuurwerk was al heel lang verboden. Ik wil gewoon
eerst van de minister horen wat de stand van zaken is. Is het niet al
verboden? Welke steden hebben het überhaupt al verboden? Ik geef het u
op een briefje: zelfs als we alles nog een keer verbieden of dubbel en
dwars verbieden, dan is dat niet het pakket aan maatregelen waar ik naar
op zoek ben en waar dat nieuwe kabinet mee moet komen.
Mevrouw Van der Werf (D66):
Het overleg met de fractie-Markuszower duurde kort.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Nee, ik sta hier zo lang mogelijk.
De voorzitter:
Mevrouw Van der Werf heeft het woord.
Mevrouw Van der Werf (D66):
Het probleem is natuurlijk dat het lokale vuurwerkverbod, waar de heer
Markuszower het over heeft, dus die lappendeken aan verbod, geen verbod
en andere maatregelen, juist voor heel veel gedonder en voor totale
onduidelijkheid zorgt. Het zorgt voor het gebrek aan een norm waarvan je
kunt zeggen: dit is het begin van een nieuw soort jaarwisseling waarin
we in een ander verband, in een leuker verband, vuurwerk gaan afsteken,
lokaal met een beroepsgroep. Dat kunnen we dus op een nieuwe manier
doen. Nu vraagt de politie ons om daarbij te helpen. Zegt de heer
Markuszower dan nog steeds dat hij die uitgestoken hand niet pakt?
De voorzitter:
De heer Markuszower spreekt via de voorzitter.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Via de voorzitter zeg ik dat er inderdaad incidenten met vuurwerk waren
tijdens de jaarwisseling. Er waren branden. Er waren ontploffingen. Er
was overlast in wijken. Er waren zware mishandelingen, bedreigingen en
vernielingen. Er was sprake van ongekend geweld tegen de hulpverleners.
Daar spreken we vandaag over. Ik zeg dus eigenlijk dat we daar vandaag
over kunnen spreken, maar ik denk dat we het voor 80%, 90% of misschien
wel 100% eens zijn. Niemand wil dit. Niemand wil dit. Daarom vraag ik
aan u, als lid van een van de formerende partijen, om alsjeblieft te
komen met een paragraaf in het coalitieakkoord. Maak die zo breed
mogelijk! Wat mij betreft schrijft u er ook iets in over vuurwerk. Zorg
dat er binnen twee maanden nadat het kabinet aangetreden is, een
wetsvoorstel komt en een pakket aan maatregelen. Dan kunnen we daarover
spreken. Dan weet ik ook welke lacunes er eventueel nog zijn betreffende
het vuurwerk. We kunnen nu met elkaar van gedachten wisselen en zeggen
"o, het is zo erg, het is zo erg", maar dat hebben we vorig jaar ook
gedaan. Daar zijn we het over eens. Ik heb liever dat we iets concreets
leveren aan Nederland en dat moet volgens mij gebeuren via het akkoord
dat u gaat sluiten.
De voorzitter:
Dat de fractie van mevrouw Van der Werf …
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
… dat de fractie van mevrouw Van der Werf mogelijk gaat sluiten en dat
snel aan de Kamer kan worden gestuurd. Deze minister is een geweldige
minister, maar die is dubbeldemissionair. Dus vandaag gaan we geen
zakendoen met deze minister.
De voorzitter:
Tot slot.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Denk ik, maar misschien gaat hij mij verrassen.
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Van der Werf (D66):
De fractie van Markuszower verrast toch ook enigszins, want bij het
eerste antwoord dacht ik: o, men is geen voorstander van een
vuurwerkverbod. En nu laat de heer Markuszower dat toch even boven de
markt hangen. Er is natuurlijk gewoon over die wet gestemd. Er is gezegd
dat we het gaan invoeren, maar het is nog even onduidelijk wanneer dat
precies kan en aan welke voorwaarden er voldaan moet zijn. Maar het is
natuurlijk een beetje gek dat de heer Markuszower nu net doet alsof dit
ding een aardappel op het bord van de formerende partijen is. Wat is nu
precies uw mening over de invoering daarvan? Bent u daar nu in hindsight
toch ook voor?
De voorzitter:
Is de heer Markuszower daarvoor?
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Ik herhaal het toch nog maar één keer. Er waren wat incidenten met
vuurwerk, vaak vuurwerk dat al heel lang verboden is. We hebben het hier
over branden, ontploffingen, overlast in wijken, zware mishandelingen,
bedreigingen, vernielingen en ongekend geweld. Ik vind het zo jammer dat
dit hele debat wel over vuurwerk, siervuurwerk, lijkt te gaan. Waar
hebben we het over? We hebben het over vuurwerk dat niet de oorzaak is
van al dat geweld. Ik kan me voorstellen dat de politie het lastig vindt
dat een deel van het vuurwerk misschien wel nog mag of niet — ik hoor de
minister daar graag over — maar het zal onze problemen niet oplossen. Ik
leg het niet op het bord van de formerende partijen, maar als mevrouw
Van der Werf van D66 dat probleem níét op het bord van de formerende
partijen wil hebben, wat ligt er dan wel op dat bord? Dit is toch een
essentieel … We zijn toch allemaal tegen geweld op straat? Dat moet toch
in dat regeerakkoord worden opgenomen?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Wat betreft de vraag of er nou wel of geen vuurwerkverbod is: er is een
vuurwerkverbod van 1 januari om 2.00 uur tot 31 december om 18.00 uur.
Er is dus eigenlijk het hele jaar, op acht uurtjes na, een
vuurwerkverbod. Toch wordt de politie bij wijze van spreken alle
weekenden van het jaar met vuurwerk bestookt.
De voorzitter:
Uw vraag?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Mijn vraag is: kan de heer Markuszower uitleggen wat dan een
vuurwerkverbod voor die acht uurtjes zou betekenen voor de
geweldsincidenten die overal het hele jaar door plaatsvinden en dan met
name gedurende de jaarwisseling? Helpt dat dan?
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Ik denk, mevrouw Van der Plas, dat wij het helemaal met elkaar eens
zijn: dat helpt natuurlijk niet. Ik denk ook niet dat het geweld dat we
tijdens de jaarwisseling hebben gezien, enig verband heeft met het wel
of niet invoeren van een vuurwerkverbod. Al dat vuurwerk dat ik op tv
heb gezien waar geweld mee is gepleegd, was geen vuurwerk, maar dat
waren een soort bommen en vuurpijlen, zaken die in Nederland volgens mij
nog nooit legaal waren.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Als je zegt dat het illegaal vuurwerk is, hoor je vaak het argument:
"Nee, nee, want daar was ook een vuurpijl." Dat is sowieso verboden.
"Nee, er was ook een sierpot. Die is op zijn kant gezet." Is de heer
Markuszower het met mij eens dat het bekogelen van de politie met welk
voorwerp dan ook, maar ook met een sierpot, al verboden is? Dat is toch
al verboden? Als je dat gaat verbieden, helpt dat toch niet? Dat helpt
sowieso niet, omdat er overal al wordt verkocht. Ze gaan dan gewoon
andere dingen gooien, denk ik.
De voorzitter:
U heeft uw punt gemaakt.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Duizend procent eens. Overigens is geweld tegen eenieder al verboden en
kan er bij geweld tegen hulpverleners een strafverzwaring plaatsvinden.
Ik ben het dus helemaal met mevrouw Van der Plas eens. Daarom vraag ik
de formerende partijen ook om een totaalpakket van maatregelen te maken,
om dit nou voor eens en voor altijd op te lossen en om dan tot de kern
te komen en ons niet te laten afleiden op precies de punten die mevrouw
Van der Plas nu aanstipt. Want volgens mij laten we ons nu op die punten
afleiden.
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Wie zal er volgens Markuszower bij een eventueel ingaan van een verbod
op vuurwerk per 2027 beboet en gepakt worden? Zijn dat de mensen die
geweld plegen of zijn dat brave huisvaders die gewoon met hun kind
lekker een sierpotje afsteken? Wie is makkelijker te pakken, zeg
maar?
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Ik wacht steeds af waar het addertje onder het gras zit, maar ook op dit
punt ben ik het helemaal met mevrouw Van der Plas eens. Natuurlijk, de
goede burger die helemaal geen kwaad in de zin heeft, wordt in dit land
vaak gepakt. De echte klootzakjes, als ik dat zo mag zeggen, meneer de
voorzitter …
De voorzitter:
Liever niet.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Oké, dan neem ik het terug. De mensen die de boel in Nederland echt aan
het verpesten zijn, komen niet eens met de schrik vrij; die worden niet
aangepakt.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
We waren natuurlijk allemaal benieuwd waar die Groep Markuszower mee
gaat komen, welke toon er wordt aangeslagen en wat voor daadkracht er
wordt ontplooid.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Ik ging net toch weer de mist in.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Pardon?
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Ik ging net weer even de mist in.
De voorzitter:
Meneer Van Dijk.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Ik zal inderdaad verdergaan. Ik schrik nu toch wel een klein beetje,
want er komt nu een oproep aan de formerende partijen. U komt zelf mede
net uit een kabinet; maar goed, dat laat ik liggen. U doet een oproep
aan de formerende partijen. Die moeten bij elkaar gaan zitten, plannen
gaan maken en snel met een wet komen. Als ik heel eerlijk ben, is dat
toch een beetje een slappe hap. Er kan al zoveel; we hebben al een
strafverzwaringsgrond en mogelijkheden om mensen preventief op te
pakken. Is dat niet het punt? Er is een volle gereedschapskist, maar die
wordt onvoldoende benut. Moeten we niet gewoon aan de gang met wat we
hebben?
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Ik ben het op zich eens met wat de heer Van Dijk zegt, maar niet met de
aantijging dat ik slappe hap zou zijn. Het is precies andersom. De heer
Van Dijk zegt nu: nee, we hebben alles al, dus er hoeft niks nieuws
gedaan te worden. Ik pleit voor iets heel anders: wat we hebben, moeten
we gaan doen, en ik wil graag van de formerende partijen nog 10, 20, 30,
100 lagen erbovenop. Het is dus het tegenovergestelde van slappe hap.
Wat er nu is, is volgens mij slappe hap. Anders werd Nederland niet elk
jaar geconfronteerd, en vaker dan alleen met de jaarwisseling, met zo
veel geweld tegen hulpverleners en mensen op straat. Daar moet iets aan
worden gedaan. Ik ben het met de heer Van Dijk eens: de overheid heeft
al heel veel tools in handen om dat aan te pakken. Misschien kan de
minister straks uitleggen waarom er niet maximaal gebruik wordt gemaakt
van al die middelen. Maar ik zeg: nee, er moet nog veel meer
bovenop.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Ik begrijp wat de heer Markuszower zegt. Maar toch, zien we dat probleem
niet veel vaker op justitieterrein? Er zijn problemen, dus komen er
nieuwe wetvoorstellen en nieuwe maatregelen, maar dat leidt af van het
feit dat we al zo veel hebben. Laten we de tools die we hebben nu eens
goed en adequaat inzetten, in plaats van alle energie besteden aan
nieuwe plannen en de uitvoering daarvan. Zou dat geen veel effectievere
weg zijn?
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Ik vind eerlijk gezegd dat het een niet met het ander hoeft te botsen.
Ik ben het dus helemaal met de heer Van Dijk eens dat er heel veel is.
Laat de minister dat alsjeblieft allemaal optimaal inzetten. Maar laten
we tegelijkertijd als opdracht aan de formerende partijen meegeven:
bedenk nou nog veel meer extra. Ik ben bang dat de geweldplegers harder
aangepakt moeten worden. Dat zal ze eens leren. Ik denk dat Nederland
dat ook wil.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Markuszower. Daarmee zijn we aan het einde gekomen
van de eerste termijn van de zijde van de Kamer. Ik schorst tot 18.50
uur, waarna we verder zullen gaan met de beantwoording van het kabinet.
De vergadering is geschorst tot 18.50 uur.
De vergadering wordt van 18.04 uur tot 18.53 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Het woord is aan de minister.
Minister Van Oosten:
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Ik wijs de minister erop dat het 18.53 uur is.
Minister Van Oosten:
Ik ga ook meteen, metéén, van start.
Ik vind het goed dat we dit debat vanavond met elkaar kunnen voeren. U
had met elkaar al wat discussie over enerzijds het geweld tegen
hulpverleners en anderzijds hufterigheid en over de vermenging van die
twee. Ik hoef niet voor iedereen hier te spreken, want u heeft het
allemaal al zelf gezegd, maar we kijken allemaal met ongelofelijke
ergernis terug op de jaarwisseling. Met ongelofelijke ergernis hebben we
wederom kennis moeten nemen van het feit dat zo veel van onze
hulpverleners zijn belaagd. Dat überhaupt zo veel brandweermensen
massaal moesten opkomen om ervoor te zorgen dat het voor ons allemaal
nog een beetje een veilige avond bleef, is ongekend. Dit debat is eerder
aangevraagd en we hebben dan ook al eerder dergelijke momenten gehad,
ook recent. Dat was — laat ik het maar algemeen formuleren — een
voetbalwedstrijd, waarbij we zagen dat agenten, ME'ers of wie dan ook,
mensen die elke dag weer voor ons allemaal klaarstaan, werden belaagd
door mensen die zich niet wisten te beheersen. En dat is gewoon
schandalig. Ik kan het niet anders zeggen.
Ik ga dadelijk een aantal punten met u langslopen. Ik denk dat ik
daarmee tegemoetkom aan de opmerkingen die u zelf heeft gemaakt. Dat
zijn overigens ook gelijk de blokjes. Ik ga die blokjes noemen, maar ik
doe dat ook omdat ik u daarmee wil laten zien wat het kabinet al doet en
waar ik als minister überhaupt zelf op wil inzetten in de komende
periode. Dat staat los van uw eigen input, maar ik herken daar
natuurlijk veel van.
Ik begin dadelijk met preventie. Daar doen we al veel aan, maar we
hebben daar nog meer te doen. We hebben dat ook vast te houden. Daarna
kom ik op de bevoegdheden en de bestuurlijke maatregelen die ook andere
overheden kunnen treffen, in het bijzonder burgemeesters. Dan kom ik op
het onderwerp strafrecht. Dat bestaat uit een paar punten: de
prioritering van het in behandeling nemen van aangiftes tegen
geweldplegingen tegen mensen met een publieke functie en natuurlijk de
inzet op die 200%-norm, waar bijna iedereen van u over is begonnen.
Daarna kom ik terug op de inzet van het kabinet om te komen tot een
aanscherping van het taakstrafverbod en dan in het bijzonder het
taakstrafverbod bij geweld tegen hulpverleners.
Vervolgens kom ik op de inspanningen die het kabinet gaat doen in het
overleg met diverse organen over wat minimumstraffen eventueel zouden
kunnen toevoegen. Hoe kijkt men daartegen aan? Vervolgens zal ik dat aan
u terugrapporteren, zodat we daar met elkaar de discussie over kunnen
aangaan. Ik kom ook terug op het punt wat je kunt doen voor
groepsverbanden, als ik het even heel algemeen mag opmerken. Ik dacht
dat ik ook een aantal van u dat hoorde noemen. Ik ben er nog niet over
uit wat je kunt doen, maar ik vind dus wel dat we daar wat mee moeten
doen. Daar kom ik dadelijk nog op terug.
Ten slotte wat dan de laatste punten zouden zijn, maar een van die
punten is ook iets waar we vol op moeten blijven inzetten, namelijk de
voorzorg en de bescherming van onze ME'ers en agenten. Aan het eind heb
ik dan nog een paar opmerkingen ten aanzien van nazorg en overige
relevante opmerkingen.
Voorzitter. Dat zijn mijn blokjes, maar het geeft ook gelijk inzicht in
de inspanningen die ik als minister van Justitie en Veiligheid op dit
punt doe.
De voorzitter:
Ik zou de leden willen voorstellen om met hun interrupties steeds even
te wachten tot het einde van een blokje van de minister. Na zo'n blokje
geef ik namelijk ruimte voor interrupties. De minister.
Minister Van Oosten:
Dan begin ik bij het punt van de preventie. Ook dat probeer ik kort en
bondig te houden. We hebben een programma Voorbereid op agressie en
geweld ingericht. Daarmee worden werkgevers ondersteund. Er wordt een
baseline opgesteld over hoe je daarmee om kunt gaan. We hebben
programma's en workshops als Alleen jij bepaalt wie je bent. We doen dat
in samenwerking met gemeenten en onderwijsinstellingen. Maar ik zou ook
willen opmerken — ik dacht dat mevrouw Michon daarnaar vroeg — dat ik
ook uit eigen ervaring weet dat er ontzettend veel initiatieven worden
ondernomen, ook op gemeentelijk en lokaal niveau, bijvoorbeeld op
scholen, om heel actief met de buurt-boa of de wijkagent of de
burgemeester zelf actief scholen op te zoeken of om bij mensen langs te
gaan die zich hebben misdragen. We geven dan ook uitleg van wat er mis
kan gaan en wat voor effect het op je eigen toekomst kan hebben als je
je niet gedraagt, omdat je nu eenmaal respect moet hebben voor de mensen
die je elke dag weer helpen. Op dat punt van preventie wordt dus al het
nodige gedaan.
Mevrouw Straatman zou ik een specifiek antwoord willen geven op haar
vraag naar de betrokkenheid van ouders. Hoe kun je dat nou stimuleren?
Hoe zie ik in dit verband het sterke maatschappelijke middenveld?
Daarvoor is het ongelooflijk belangrijk dat gemeenten over het algemeen
heel precies weten om welke mensen het gaat. Er zijn in dat kader ook
wettelijke mogelijkheden om met elkaar informatie te delen. Ook zijn er
diverse handreikingen hoe om te gaan met problematische jeugdgroepen. Ik
weet dat er in VNG-verband veel informatie op dat punt wordt gedeeld
waar gemeenten over en weer iets aan kunnen hebben. Daarnaast komt er
nog een handreiking op basis waarvan gemeenten houvast kunnen krijgen
bij het organiseren van vroegsignalering.
Mevrouw Bikker vraagt ook naar het belang van ouders. Ik zie haar nu zo
snel niet in de zaal, maar ik ben het geheel met haar eens dat je van
ouders het nodige mag verwachten wanneer een minderjarige in contact
komt met de politie. Ik gaf daar zelf al een voorbeeld van. Het is soms
heel erg verdrietig als je moet vaststellen, bijvoorbeeld wanneer je als
burgemeester aanbelt, dat de ouder niet in de gelegenheid is om het kind
echt de bijstand te geven die het nodig heeft en niet in de gelegenheid
is om dat kind bij de kraag te vatten en te laten zien dat het beter kan
en beter moet. Er zijn diverse mogelijkheden voor gemeenten om op dat
punt contactmomenten met ouders te organiseren. Overigens heeft de
staatssecretaris van Justitie en Veiligheid daar recent ook een brief
over gestuurd, de verzamelbrief Justitiële Jeugd.
In het kader van het thema preventie kom ik te spreken over de civiele
aansprakelijkheid. Bestuursrecht of strafrecht, vroegen diverse partijen
en mevrouw Straatman in het bijzonder. In het bestuursrecht zijn er
mogelijkheden voor onder meer de burgemeester om bijvoorbeeld een last
onder dwangsom op te leggen. Dit kan ook wanneer het een minderjarige
betreft. In dat geval kan de dwangsom worden geïnd bij de ouders. In het
civiele recht, maar dat weet u ongetwijfeld allemaal, is het afhankelijk
van de leeftijd van het kind of de ouder aansprakelijk kan worden
gesteld.
Dan kom ik de Taskforce Onze hulpverleners veilig. Ook dit punt valt nog
onder het kopje preventie. Ben ik bereid om deze taskforce anders in te
richten, of om daarmee door te gaan of anderszins? De taskforce heeft
bewustzijn gecreëerd en samenwerking bevorderd. De kennis- en
onderzoeksfunctie van de taskforce is binnen het ministerie geborgd bij
het programma Voorbereid op agressie en geweld. Het is nu ook aan
werkgevers om hier actief mee aan de gang te gaan. Wij zullen dat als
ministerie goed moeten bewaken, want de resultaten van deze taskforce
zijn van grote betekenis, zo zeg ik ook in antwoord op vragen van
mevrouw Van der Werf. De afgelopen vijf jaar is er ook een
instrumentarium ontwikkeld over hoe om te gaan met doxing. De nieuwe
Richtlijn psychosociale ondersteuning binnen hoog-risico beroepen is
daar bijvoorbeeld bij langsgekomen.
De strafrechtelijke aanscherping rondom de taskforce heb ik al
genoemd.
Mevrouw Kostić vraagt nog in het bijzonder naar normverandering. Hoe kan
hier verder op worden gestuurd via onder meer mijn ministerie? Ik gaf
daarnet al aan dat er diverse initiatieven worden ondernomen ter
preventie, waaronder voorlichting op scholen door politie en boa's. Ik
vind ook dat er bij ons allemaal de norm mag liggen dat wij ons hierover
blijven uitspreken en soms ook mensen helpen met dit besef. Immers,
geweld tegen politieagenten is overduidelijk fout, maar tegen hufterig
gedrag kunnen we allemaal helpen. Als iemand in de trein zijn benen op
het bankje tegenover hem legt, zou ik wel durven zeggen dat dat hufterig
gedrag is. We kunnen natuurlijk proberen om elkaar daarop te
wijzen.
Dan is er gevraagd om een analyse van geweld tegen hulpverleners. Ik
moet zeggen dat het aantal incidenten tegen hulpverleners het afgelopen
jaar stabiel was, maar wel ook onverminderd hoog en onacceptabel. We
gaan nu verkennen wat we vanuit Duitsland, België en Frankrijk aan
instrumentarium voor handen zouden kunnen hebben in de sfeer van
preventie; ik geloof dat de heer Van Dijk hiernaar vroeg.
Ik meen dat mevrouw Dobbe vroeg naar de wijkagenten. We kunnen hier
eventueel maandag bij het WGO Politie nog over doorpraten, afhankelijk
van of mevrouw Dobbe dat wenst. Wijkagenten hebben een heel bijzondere
rol, zeker wijkagenten die betrokken zijn bij de gemeenten waar je het
programma Preventie met Gezag hebt, omdat die wijkagenten worden
gestimuleerd, en er voor een deel ook middelen beschikbaar zijn, om
juist in te zetten bij problematische groepen. Vaak heb je het dan over
minderjarigen, in die sfeer.
Ten slotte mijn laatste opmerking, die ik overigens niet in mijn mapje
heb gevonden. We focussen ons bij preventie erg op minderjarigen. Maar
laten we wel wezen: er zijn ook heel veel meerderjarigen die veroordeeld
worden — ik heb het zo meteen nog over strafverzwaring. Dat zijn gewoon
volwassen mannen, en misschien soms ook vrouwen, die blijkbaar te
onbeschaamd zijn om te beseffen dat je dit politieagenten niet aandoet.
Daar helpen ouders dus niet zo veel meer aan, behalve dat wij daar wel
in de sfeer van repressie en sanctionering stevig bovenop moeten zitten.
Ik kom hier zo meteen op terug.
Voorzitter. Tot zover het punt van de preventie.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Zeer veel dank. De minister ging vlotjes door een aantal vragen heen. Ik
wilde eigenlijk ook van de minister een soort visie hebben. Wat vindt de
minister? Hebben we inderdaad genoeg tools in handen om dat
verschrikkelijke geweld tegen hulpverleners en het geweld op straat bij
de jaarwisseling en bij andere gelegenheden van dat soort te bedwingen?
Zo ja, waarom gebeurt dat dan niet? Zo nee, welke middelen vindt de
minister dan nog nodig? Als ik goed heb geluisterd, zag ik een vrolijke
minister die zei: we hebben eigenlijk al heel veel en dat gaat allemaal
goed. Ik wil eigenlijk een duiding van de minister.
Minister Van Oosten:
Dat is goed. Ik kom daar dadelijk ook nog op terug. Ik vind wel degelijk
dat we moeten bezien of we de bestuurlijke maatregelen maximaal
inzetten. Volgens mij vroeg mevrouw Straatman daar ook naar. De
instrumententas voor bijvoorbeeld burgemeesters moet wat mij betreft
maximaal gevuld zijn. Ik vind wel — dat kan ik ook zeggen — dat er al
heel veel in zit. Dan kom je vervolgens bij de vraag of je het ook
inzet. Dat is afhankelijk van de afweging die op dat ogenblik in de
driehoek wordt gemaakt. Over het civielrechtelijk stuk heb ik net al het
een en ander gezegd. Op het strafrechtelijk deel kom ik dadelijk ook nog
terug, maar dat ziet met name op bijvoorbeeld de aanscherping van het
taakstrafverbod, wat echt een strafrechtelijke component is. Ik hoop dat
ik u als Kamer tegen die tijd meekrijg. We wachten nu op het advies van
de Raad van State. Dat gaan we verwerken en dan komt het bij u. Dan
zeggen we echt dat wij als vertegenwoordigers van de samenleving niet
accepteren dat er geen gevangenisstraf zou volgen bij geweld tegen
hulpverleners, bijvoorbeeld. Er is dus al heel veel, maar we moeten wel
aan de bal blijven en wellicht hier en daar wat aanscherpingen doen.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Gewoon even voor mijn begrip, en misschien ook voor de kijkers thuis:
wat is nou de gemiddelde straf voor iemand die een vuurbom op een
hulpverlener afschiet? Wat is de gemiddelde straf, ongeveer, die
afgelopen jaar naar aanleiding van het geweld van vorig jaar is
opgelegd?
Minister Van Oosten:
Een gemiddelde straf zou voor mij gissen worden. Daar kan ik u geen
gericht antwoord op geven. Ik kan wel kijken of ik daar in de tweede
termijn op kan terugkomen. Ik ga u later ook nog wel wat brieven
toezeggen. Ik weet zeker dat dit onderwerp bij u onder de aandacht
blijft, en ik zou ook niet anders willen. Wellicht is dat ook een plek
om wat meer duiding op dat punt te geven.
De voorzitter:
Tot slot, meneer Markuszower.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Ik wilde de minister niet overhoren, dus ik vind het ook prima dat hij
dat niet precies weet, maar ik geef de minister op een briefje dat dat
een hele lage straf is. In Nederland krijg je voor terrorisme gemiddeld
tweeënhalf jaar. Ik denk dat je, als je met oud en nieuw een vuurbom
naar een hulpverlener gooit — ja, wat krijg je? — een week, twee weken,
misschien drie maanden krijgt. Vindt de minister niet dat we mensen die
vuurbommen of vuurpijlen op een agent of hulpverlener afvuren — dat is
eigenlijk gewoon een poging tot doodslag, of misschien wel moord —
gewoon tien, vijftien jaar in de cel moeten gooien?
Minister Van Oosten:
Ik ben het met de heer Markuszower eens dat mensen die bewust geweld
plegen tegen de politieagenten, waarvan bewezen wordt dat zij het hebben
gedaan, daarvoor gesanctioneerd dienen te worden. Ik vind ook dat die
straf stevig mag zijn en dat de samenleving mag snappen dat het
normbesef bij betrokkenen afwezig was. Ik vind ook dat je de samenleving
en de overheid erop moet kunnen vertrouwen dat die niet opgeven en deze
persoon uiteindelijk ook de verdiende straf geven. De jaartallen die de
heer Markuszower noemt, zijn van de heer Markuszower, maar er moet wel
opgetreden worden.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Ik moet bekennen dat ik blok één heel teleurstellend vind. Ik verwacht
iets meer van deze minister. Als het hem menens is dat geweld tegen
hulpverleners onacceptabel is, dan verwacht ik, met alle respect, extra
maatregelen boven op de bestaande maatregelen die de minister zojuist
heeft opgesomd. Als de minister het heeft over preventie, dan verwacht
ik dat er ook extra inzet wordt gepleegd om te zorgen voor meer
jongerenwerkers. Wij weten dat er bij gemeenten bezuinigd wordt. Als hij
menens is en zegt dat de politie daders moet opsporen, dan kan de
minister niet aankomen met een brief waarin staat "het is 46 miljoen; ze
moeten dat lekker zelf oplossen", terwijl we weten wat de consequenties
zijn, namelijk veel meer ontslagen de komende tijd. Als je zegt "ik kom
met een taakstrafverbod", dan moet je ook de ballen hebben om extra geld
te investeren in het gevangeniswezen. Graag een reactie van de
minister.
Minister Van Oosten:
Ik kan niet gehele spectrum overzien rond jongerenwerkers, omdat dit ook
voor een deel bij andere overheden ligt. Als het gaat om de politie,
moet ik mevrouw Mutluer corrigeren. Dat gebeurt ook in de brief die ik
heb gestuurd; daar gaan we maandag vast weer over doorpraten. Er gaan
geen mensen ontslagen worden bij de politie. Dat beeld moeten we ook
niet oproepen. Dat neemt niet weg dat we ontzettend hard moeten werken.
Mijn boodschap ten aanzien van preventie was alleen maar dat we als
ministerie al het nodige doen en dat ook onverkort blijven doen. Dit zeg
ik overigens in navolging van de zeven andere punten die ik al kort heb
aangestipt, maar nog nader ga duiden. We moeten ook niet vergeten dat er
daaromheen nog heel veel gebeurt bij overheden waar wij niet over gaan.
U en ik weten allemaal dat er daar ontzettend veel gebeurt.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Dan denk ik dat het goed is als onze minister opnieuw met de politie
gaat zitten. Naar mijn weten hebben we namelijk nog steeds een tekort
dat oploopt naar 350 miljoen euro. Als er niet wordt geïnvesteerd in de
politie, betekent dit dat er op termijn duizenden mensen niet bij de
politie kunnen werken. Dat vind ik een interne bezuiniging en daarmee
een groot probleem. Is hij het daarmee eens?
Minister Van Oosten:
Ik ben het met mevrouw Mutluer eens dat er na 2026 een financieel
vraagstuk is wat betreft de politie. Daar ben ik altijd heel transparant
over geweest, net als mijn voorganger. Voor 2026 hebben we gepoogd een
oplossing te vinden; daar gaan we maandag over praten. Dat is ook waar
ik als minister van Justitie en Veiligheid in een demissionair kabinet
over ga.
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Dan kan de minister verwachten dat wij er maandag best een stevig debat
van gaan maken. Tot slot een vraag over de Taskforce Onze hulpverleners
veilig. Ik hoor de minister zeggen dat die al belegd is bij een
ministerie. Dat is weer zo'n halve oplossing. Maak daar dan een
rijksbreed programma van! Ga voor mijn part het een en ander verlengen.
Als je serieus werk wil maken van de veiligheid van onze hulpverleners,
dan moet je zoiets in mijn beleving veel steviger borgen in je
organisatie.
Minister Van Oosten:
We hebben het geborgd in het programma Voorbereid op agressie en geweld.
Daarmee borgen wij dat het instrumentarium dat de taskforce — die heeft
daar trouwens vijf jaar aan gewerkt; daar zijn we ontzettend dankbaar
voor — heeft opgeleverd, wordt voortgezet. Ik denk dat het daarom gaat.
Of je het dan een rijksbreed programma noemt of niet, vind ik dan wat
minder relevant.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
De minister gaat als een vuurpijl door de punten heen.
De voorzitter:
Op verzoek van de voorzitter!
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Op verzoek van de voorzitter zelfs. Goed. Ik zou toch graag iets meer
willen horen over de zogenaamde wegkijkende ouders, de ouders die op
zich handelingsbekwaam zijn, maar hun verantwoordelijkheid en hun
opvoedingstaak gewoon niet pakken. Hoe kunnen we die mensen meer de pen
op de neus zetten? Wat gebeurt hier? Zou er hierop nog een extra slag
gemaakt kunnen worden?
Minister Van Oosten:
Ik zal u eerlijk zeggen dat ik had gehoopt in het rapport dat, meen ik,
gisteren naar u toe is gestuurd — ik heb het zelf niet veel eerder
ontvangen — iets meer duiding van de daderprofielen te krijgen, zodat ik
daar gericht werk van zou kunnen maken. Het is wat het is. Daarmee doe
ik verder niks af aan het rapport zelf, maar ik had dus wel gehoopt daar
iets meer uit te halen, want dan had ik misschien iets kunnen doen met
de vraag die de heer Van Dijk stelt. Ik weet wel dat er op latere
termijn nog een onderzoek gaat plaatsvinden naar sociale cohesie, al zal
dat niet via mijn ministerie lopen. Wellicht kan dat ook nog een
bijdrage leveren. Maar specifiek over ouderbetrokkenheid: wij hebben
daar naar mijn weten geen studie naar gedaan, maar ik hoop wel dat er
aandacht wordt besteed aan dit vraagstuk. Ik weet ook wel dat dit
gebeurt. Dat gebeurt via politie en onze boa's, maar dat loopt ook via
gemeentes en scholen. Ik denk dat je dit vraagstuk, het feit dat je
respectvol en fatsoenlijk om moet gaan met de mensen die voor ons
klaarstaan, ook goed kunt verwerken in maatschappijlessen of ergens
anders. Denk aan burgerschapstrainingen, of verzin het maar. Zo zou ik
ernaar willen kijken. Ik vind het heel verdrietig dat ik heb moeten
vaststellen dat ouders, door allerlei omstandigheden, niet altijd in
staat zijn om te weten wat hun kinderen precies doen. Dat is niet iets
liefdeloos of wat dan ook, maar dat is wel wat er gebeurt. Het gaat
overigens in de meeste gevallen natuurlijk wel goed; laten we dat ook
benadrukken.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Ik hoor wat de minister zegt. Er gebeurt het nodige en er kan het
nodige. Maar dan is de vraag of dit genoeg is en of het genoeg zoden aan
de dijk zet. Wat mij betreft vergt dit toch een iets structurelere, meer
integrale aanpak. Ziet de minister daartoe mogelijkheden?
Minister Van Oosten:
Dat proberen wij te doen met de programma's binnen mijn ministerie die
ik heb genoemd ten aanzien van preventie. Voor een deel kan de discussie
zonder meer ook gevoerd worden in andere commissiedebatten met andere
ministeries die hier raakvlakken mee hebben. Daar zou je die borging dan
ook in terug kunnen vinden. Ik kom dadelijk nog terug op een flink
aantal andere punten ten aanzien van het vraagstuk geweld tegen
hulpverleners; dat is namelijk waar dit vraagstuk in doorloopt.
Preventie is daarin ook een cruciaal thema.
Mevrouw Straatman (CDA):
Mijn vraag gaat over de civielrechtelijke aansprakelijkheid. De minister
is daar heel kort op ingegaan. Hij zegt alleen: afhankelijk van de
leeftijd van het kind kunnen de ouders aansprakelijk gesteld worden.
Maar dat was niet helemaal mijn vraag, of eigenlijk helemaal niet. Mijn
vraag is: ziet de minister mogelijkheden om hulpverleners te helpen bij
een civiele claim, een schadevergoeding op basis van een onrechtmatige
daad, om op die manier civiele schade te verhalen bij daders? Zou de
minister hulpverleners willen helpen om zulke schadeclaims in te
dienen?
Minister Van Oosten:
Dan heb ik uw vraag verkeerd opgevat. Inderdaad, ik heb 'm opgevat
vanuit de minderjarige. Wat de algemene inzet betreft, verkennen wij hoe
je civiel schadeverhaal kan versterken. We hebben daar in een eerder
debat ook over gesproken. Ik neem deze vraag graag daarbij mee. Ik ben
alleen even kwijt bij welk debat ik die toezegging heb gedaan —
misschien kan dat via de Griffie uitgezocht worden, maar anders weten
mijn mensen dat ook wel — maar ik weet wel dat eraan gewerkt wordt. Dan
kunnen we daarbij meenemen of dit überhaupt kan. Misschien betekent de
politie daar zelf al het nodige in vanuit goed werkgeverschap. Dat kan
ik niet overzien.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dank aan de minister voor het antwoord. Er lopen al veel succesvolle
pilots als het gaat om civielrechtelijke aansprakelijkheid, bijvoorbeeld
bij winkeldiefstal. Ik denk dat er heel veel mogelijk is, dus ik wacht
met smart op de mogelijkheden die de minister ook vindt.
Ik heb nog een tweede vraag, over de informatiedeling. Ik denk dat dit
bij dit kopje hoort, omdat het ook raakt aan het maatschappelijk
middenveld. Mijn vraag ging over de AVG-problematiek die zich nog steeds
veel voordoet, met name bij schooldirecteuren. Heel veel informatie die
er is bij jeugdzorgwerkers, jeugdwerkers en straatcoaches kan niet
gedeeld worden met schooldirecteuren, waardoor er niet effectief kan
worden opgetreden. Wat is de reactie van de minister daarop?
Minister Van Oosten:
Ik dacht dat ik dat had gezegd, maar misschien heb ik die zin ingeslikt.
Er zijn wettelijke mogelijkheden om informatie te delen, ook via
scholen. Vaak moet je wel daar convenanten voor afsluiten. Ik heb dat
zelf ook weleens meegemaakt. Dat is soms een beetje ingewikkeld, maar
het kan voor een end wel zonder dat je dan in strijd handelt met de AVG.
Daar zijn dus mogelijkheden toe. Als het meer specifiek gaat over
achtergronden et cetera, dan komt het Veiligheidshuis om de hoek kijken.
Dan kan je op casusniveau heel gericht kijken hoe je dan met die
informatie van de betrokkene om kan gaan. Vaak doen de scholen dan niet
meer mee, maar wordt er via een wijkagent wel gepoogd een terugkoppeling
te geven.
Mevrouw Dobbe (SP):
De minister gaat wel heel snel door een lijstje heen van dingen die al
gebeuren. Daar blijft het dan bij, terwijl ik in mijn inbreng heel
duidelijk heb gevraagd om een reflectie op waar die gezagscrisis nu
vandaan komt, bijvoorbeeld de ondermijning en het disrespect voor
autoriteit die we op dit moment zien. Als je kijkt naar jongeren die dit
soort geweld plegen in de buurten, dan kunnen we wel analyseren wie die
jongeren zijn, waar ze het doen en wanneer ze het doen, maar volgens mij
is het van belang dat we weten waarom ze het doen en vooral ook waarom
het toeneemt. Ik heb daar nog geen analyse over gehoord. Het is moeilijk
om te praten over effectieve preventie als we niet een goed beeld hebben
waarom het nou toeneemt en waar die gezagscrisis nu vandaan komt.
Minister Van Oosten:
Mevrouw Dobbe spreekt heel specifiek over een gezagscrisis. Ik probeer
een beetje daarvan weg te blijven, want de vraag is natuurlijk wel: wie
heeft er allemaal een gezagscrisis? Het is in mijn ogen overduidelijk
dat mensen die geweld plegen tegen hulpverleners last hebben van een
gezagscrisis, maar ik mag alleen even voor mezelf spreken. Ik heb zelf
helemaal geen last van een gezagscrisis en ik ken heel veel mensen om me
heen die dat bij mijn weten ook niet hebben. Die halen het niet in hun
hoofd om geweld te plegen tegen politieagenten; het is even een
voorbeeld. Ik heb net wel in mijn antwoord in de richting van de heer
Van Dijk aangegeven dat ik zelf ook had gehoopt iets meer profiel en
duiding te kunnen krijgen van de achtergronden. Dat is wat mij betreft
nog onvoldoende geslaagd met het rapport dat ik heb gekregen. Daar kan
je dan stevig op inzetten. Tegelijkertijd is het ook weer niet zo dat we
… Dat weten de lokale overheden in het bijzonder ook. Die weten vaak
best wel een heel end waar ze misschien — mag ik het even heel ouderwets
zeggen? — hommeles kunnen verwachten. Die kunnen daar dan ook op
inzetten. Ik heb net al aangekondigd dat er op een later moment nog
onderzoek rondom sociale cohesie gaat plaatsvinden. Dat loopt niet via
mijn ministerie, maar ik weet wel dat dat gebeurt. Dat zal wellicht ook
wat meer duiding kunnen geven rond het thema dat mevrouw Dobbe
aanstipt.
Mevrouw Dobbe (SP):
Ik zou niet alleen wat meer duiding willen krijgen. Ik zou met deze
Kamer graag een debat willen voeren over waarom dit nu ontstaat. Het
antwoord dat we nu krijgen van de minister is wel heel erg omfloerst,
want we hebben het natuurlijk niet over het gedrag van deze minister
tijdens oud en nieuw. Ik weet niet wat u heeft gedaan, maar u heeft
ongetwijfeld niet met vuurwerk op hulpverleners geschoten. We hebben het
hier over de mensen die dat wel hebben gedaan en over de mensen die in
toenemende mate geweld toepassen op onze hulpverleners. Dat is een
probleem. Dat moeten we niet wegbagatelliseren. Dat is een probleem en
daar moeten we de oorzaken van analyseren, want waarom neemt dat toe?
Dan is het niet genoeg, denk ik — dan rond ik af, voorzitter — om alleen
maar te kijken naar wat er is gebeurd, wat de profielen van de daders
zijn en wanneer het gebeurt. Dan moeten we ook weten waarom. Het is dan
ook onvoldoende als deze minister verwijst naar een ander ministerie,
want dan weten we misschien niet of misschien wel wat voor informatie er
komt.
Minister Van Oosten:
Op het laatste punt met ik het met u eens. Ik kan gewoon niet meer
zeggen, maar ik wil u de informatie niet onthouden dat die informatie
gaat komen ten aanzien van sociale cohesie. Ik heb u ook teruggekoppeld
wat ik vind van het rapport dat we hebben gekregen. Ik had gehoopt dat
dat wat meer handvatten zou geven. We moeten dus later bezien hoe dat
verder moet. Wat in eerste instantie heeft gemaakt dat ik ben ingegaan
op die gezagscrisis, is dat ik er moeite mee heb dat zeg maar heel
Nederland de noemer "gezagscrisis" opgestempeld krijgt. Ik ben het daar
niet mee eens, want heel veel mensen in Nederland hebben geen last van
een gezagscrisis. Daar ben ik ook van overtuigd. Maar een aantal mensen
heeft dat wel en dan is het interessant om te weten wat hun motieven
zijn, maar ik vind het dan minstens zo interessant om te weten wat we
kunnen doen om te voorkomen dat de rest van het land en onze
hulpverleners in het bijzonder daar hinder van hebben en dat ze het
vervolgens nog een keer doen.
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Dobbe (SP):
Ik vind dit wel teleurstellend dat deze minister niet in staat is om een
analyse te geven van waarom het geweld tegen hulpverleners toeneemt — ik
heb er meermaals om gevraagd nu, in dit debat meermaals, maar ook eerder
tijdens de mondelinge vragen hierover — en, nog erger, dat deze minister
eigenlijk niet lijkt te willen onderzoeken en niet lijkt te willen weten
waarom dat geweld tegen hulpverleners toeneemt. Als we dat niet weten,
kunnen wij volgens mij dit geweld ook niet goed preventief met elkaar
hier bespreken. Ik wil de minister, en in ieder geval zo meteen de
Kamer, toch oproepen om ervoor te zorgen dat die analyse er wel komt,
want anders staan we hier elk jaar en blijft het geweld gewoon toenemen.
Dus dat is dan mijn oproep aan de minister, maar ook aan de Kamer.
Minister Van Oosten:
Ik heb niet zo ontzettend veel meer toe te voegen aan de antwoorden die
ik heb gegeven. We hebben een onderzoek gedaan. Er volgt hopelijk op
termijn ook nog verdere informatie ten aanzien van de sociale cohesie.
Verder geldt ook dat we niet moeten vergeten dat men decentraal echt wel
een heel end weet waar het vandaan komt en daarop in kan zetten. Ik denk
dat het aan ons is om ervoor te zorgen dat de instrumententas voor die
overheden en voor de politie maximaal gevuld is om dan ook ingezet te
kunnen worden.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ik denk dat we het toch moeten hebben over het vertrekpunt van dit
debat, want ik heb er wel ontzettend veel moeite mee dat we een
semantische discussie gaan hebben over het woord "gezagscrisis". Niemand
in de Kamer heeft gezegd dat heel Nederland spreekt van een gezagscrisis
of dat heel Nederland een gezagscrisis heeft met of richting de politie.
Dat is helemaal niet aan de orde, maar er is wel sprake van een
gezagscrisis, in toenemende mate, bij grote groepen mensen, waarvan we
allemaal de beelden hebben gezien. Ik zou het erg prettig vinden als de
minister gewoon daarin naast heel veel mensen in de Kamer zou gaan staan
en zou zeggen: ja, daar is inderdaad sprake van. Als dat niet het
vertrekpunt is, dan vind ik dat deze minister bagatelliseert wat hier
aan de hand is en dan komen we ook niet verder in dit debat, denk
ik.
Daaraan toevoegend, over bagatelliseren gesproken: we kunnen ook een
semantische discussie voeren over of er nou wel of geen mensen weggaan
dit jaar. Wij spreken de politie, de agent, maar ook de korpsleiding, de
mensen hoog in de boom. Wij zien ook de berichten. Wij zien de berichten
van de politievakbond. Het blijkt dat er toch echt mensen weggaan. Dan
kunnen we een semantische discussie voeren over "er worden vacatures
niet ingevuld" of "we gaan personeel begrenzen", zoals het allemaal zo
mooi staat in de Kamerbrief, maar uiteindelijk betekent dat gewoon
simpelweg: niet meer mensen, meer wijkagenten, op straat, niet meer
politiemensen en we gaan gewoon beknibbelen. Laten we hier nou gewoon
eens eerlijk in zijn. Laten we nou gewoon dit eens als vertrekpunt
hierin hebben, want anders verwacht ik gewoon een enorm moeilijk
debat.
Minister Van Oosten:
Als het gaat om die gezagscrisis, heb ik enkel geprobeerd aan te geven
dat er overduidelijk een gezagscrisis is bij de mensen die dit doen.
Volgens mij zijn mevrouw Coenradie en ik het daar ook volstrekt over
eens. Het lijdt geen enkele twijfel dat ik dat ook vind. Ik zou het
alleen vervelend vinden als dan heel Nederland zeg maar in een
gezagscrisis zou verkeren, want dat herken ik niet. Maar specifiek die
groepen zeker wel; daar moeten we dus vol op inzetten. Als het gaat om
de politie, de politiebegroting, de politiebezetting et cetera, denk ik
dat het voor het comfort van de voorzitter fijn is als we dat meenemen
naar het wetgevingsoverleg Politie van aanstaande maandag. Ik vond
alleen dat ik wel een opmerking mocht maken ten aanzien van het woord
"ontslagen" dat mevrouw Mutluer gebruikte, omdat ik dat zo niet
herken.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ik snap het, maar laat ik dan in ieder geval de toon zetten. Ik vind het
prettig als we de zaken benoemen zoals ze zijn en geen semantische
discussies voeren. Of iets nou vandaag wordt besproken of aankomende
maandag: laten we met elkaar de zaken wel helder benoemen en zoals ze
zijn. Dat maakt dit debat in ieder geval makkelijker.
Minister Van Oosten:
Daarmee ben ik het geheel eens. Dat probeer ik ook te doen. Daarom ga ik
dadelijk ook nog wat andere punten noemen die hopelijk tegemoetkomen aan
de wensen van mevrouw Coenradie.
De voorzitter:
Ja, ik wijs de leden er ook op dat de minister op het gebied van de
bevoegdheden, het strafrecht, de prioritering, het taakstrafverbod,
voorzorg en bescherming nog een hele hoop te beantwoorden heeft. Dit is
het eerste blokje. Daar zijn we nu een halfuur mee bezig, dus ik hoop
dat we ook de ruimte voor die beantwoording kunnen geven, zodat we op
basis van de inhoud een goed debat kunnen hebben. Ik geef deze drie
sprekers tijdens dit blokje de ruimte voor interrupties. Daarna gaan we
luisteren naar het vervolg van de minister.
Mevrouw Van der Werf (D66):
De minister had het net over het borgen van het programma van de
Taskforce Onze hulpverleners veilig, maar het klonk mij wel wat passief
in de oren. Ik zou graag nog wat verduidelijking willen: wat houdt dat
borgen nou precies in? Volgens mij is dit namelijk een onderwerp in
beweging. Je kan niet zeggen dat het af is. Er komen steeds nieuwe
dingen bij. Er veranderen dingen in de samenleving. Daar zou ik dus
graag wat toelichting op willen.
Minister Van Oosten:
Dank ook voor deze vraag. Ik ben het met u eens, zeg ik via de
voorzitter, dat het inderdaad nooit af is. De afgelopen vijf jaar heeft
de taskforce een instrumentarium ontwikkeld. Daar heb ik ook het een en
ander over gezegd. Dat is een basis voor toekomstige inspanningen van
werkgevers. Het is nu aan werkgevers om dit ook in de eigen organisatie
te implementeren. In mijn ministerie wordt dat in de organisatie
overgenomen door het programma Voorbereid op agressie en geweld. Dat
omvat alle organisaties van JenV. Wij zullen dat instrumentarium vanuit
het ministerie blijvend ondersteunen. Alle producten van dat programma
worden breed voor alle publieke werkgevers beschikbaar gesteld. Zo
willen we dat dus gaan doen. Ik hoop dat dat wat meer duiding geeft.
Mevrouw Van der Werf (D66):
Zeker, maar ik wil bij dezen toch nog even dubbelchecken of vragen of
het nou klopt dat het nog niet voor brandweer en boa's geldt en of, als
u zegt dat het beschikbaar wordt gesteld aan alle publieke
beroepsgroepen, het dus verbreed gaat worden.
Minister Van Oosten:
Ik heb gezegd dat het zich in mijn ministerie richt op alle
taakorganisaties die onder JenV vallen. Ik moet mij dan dus voorzichtig
uitlaten over de brandweer. Dat kan ik u in de tweede termijn even laten
weten. Ik kan er later op terugkomen, zodat u dat weet.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Daar kan ik misschien antwoord op geven, voorzitter, in het licht van
mijn controlerende taak. Als de minister zegt "de taskforce" oftewel
"dat hebben we geborgd", terwijl wij hier roepen dat wij gewoon een
rijksbreed programma willen omtrent geweld tegen hulpverleners om dat
geweld te voorkomen, nazorg te plegen en het juiste instrumentarium in
te zetten …
De voorzitter:
En uw vraag?
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Als de minister zegt dat dat geborgd is, kan ik hem mededelen dat de
taskforce die de minister noemt zich inzet voor ambtenaren die direct
vallen onder het Rijk zelf en het departement van het ministerie van
Justitie. De brandweer, de boa's en het ambulancepersoneel vallen daar
niet onder, net zoals 40 andere beroepsgroepen. Dus hoe rijmt dat met de
eerdere opmerking dat het allemaal geborgd is?
Minister Van Oosten:
Dat probeerde ik net in het antwoord mee te geven. Ik weet dus niet of
dat bijvoorbeeld bij de brandweer op die manier is opgezet. Op die vraag
hoop ik dadelijk het antwoord te kunnen te geven. Ik kan dat wel voor
mijn eigen ministerie zeggen. Ik heb gezegd: we hebben het beschikbaar
gesteld voor alle publieke instanties, zeg maar. Het is natuurlijk
uiteindelijk ook aan die publieke werkgevers om daarmee verder te gaan.
Ik kan dat niet afdwingen. Ik zal wel heel goed blijven volgen wat ermee
gebeurt, want de aanbevelingen die men heeft aangeboden, zijn wel heel
waardevol. U gaat daar zeker ook naar vragen; dat weet ik zeker.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Ik verwacht dat de minister in dezen het voortouw neemt dan wel iets
meer ambitie toont, gelet op de ernst van de zaak. Van links tot rechts
krijgt hij gewoon steun.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ik hoop dat de minister op een later moment nog iets preciezer terug kan
komen op hoe dat zit met de brandweer. Het zou fijn zijn als dat nog
voor de begrotingsbehandeling kan. Maar mijn punt ziet toch nog even op
de analyse. We hebben het nu gehad over een gezagscrisis en
verhuftering. Dat kwam laatste kwam terug in de titel van dit debat.
Maar los van die enorme geweldsexplosies, waarvan Kamerbreed wordt
gezegd dat dit moet stoppen en we de politie in staat moeten stellen om
daar paal en perk aan te stellen, voelen we allemaal dat dat begint op
een eerder moment, namelijk als jongeren geen respect hebben voor de
politie, die alsnog de-escalerend optreedt, maar ouders vervolgens hun
kinderen daar niet op aanspreken.
De voorzitter:
En uw vraag?
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Daarom is mijn vraag aan de minister: dat los je niet op met alleen
socialecohesieanalyses of met doen wat we al deden; welke weg ziet de
minister voor zich om juist op dit punt ook een verandering te
bewerkstelligen?
Minister Van Oosten:
Dat ben ik wel met mevrouw Bikker eens. Toen ik net mijn opmerking ten
aanzien van het rapport maakte, was ik niet kritisch over de inhoud van
het rapport, maar ik had gehoopt dat we makkelijker zouden weten aan
welke knop we moeten draaien. In het rapport lezen we natuurlijk van
alles. Onbegrepen gedrag, frustratie, middelengebruik en recidive kunnen
allemaal aanleiding geven. Ik probeer wel te voorkomen dat het
ministerie waar ik nu verantwoordelijk voor ben, uiteindelijk over al
die zaken moet gaan. Ik denk dat we er in de commissie waarin wij
vergaderen ook niet in gaan slagen om dat te doen slagen. Alleen, weet
wel dat mijn ministerie doet wat het kan doen. Uit eigen ervaring weet
ik dat er lokaal stevig wordt ingezet, maar dat je bij sommige
vraagstukken die zich misschien vertalen in agressie tegen agenten — wat
mij betreft zit er nooit een rechtvaardiging in, maar dat staat ook in
het rapport — soms het een en ander over middelengebruik of anderszins
herkent, wat misschien wel de aanzet ertoe heeft gegeven. Was dat
middelengebruik er niet geweest, dan had misschien ook dat geweld niet
plaatsgevonden. Maar ja, het was er wel en het heeft plaatsgevonden. Dat
kan niet onbestraft blijven, vind ik dan.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Daar zijn we het over eens. Als mensen zich misdragen, dan kan dat
sowieso niet onbestraft blijven. Ook als jij ellende hebt meegemaakt,
kan dat nooit een reden zijn om vervolgens los te gaan op een ander. Ik
ben het daar dus helemaal mee eens, maar ik vind wel het volgende
belangrijk. Bij elk ministerie krijg ik het antwoord "maar mijn
ministerie gaat alleen over dit stukje", terwijl we allemaal aanvoelen
dat als het respect wegdraaft uit sommige wijken, de problemen allemaal
op diezelfde straten opduiken. Dan hebben we dus meer te doen dan alleen
het vergroten van de politiecapaciteit — ik zal het altijd steunen als
dat meer moet zijn — en dan hebben we meer te doen dan het voorkomen van
drugsgebruik; de ChristenUnie zal zich er altijd voor inzetten dat dat
minder wordt. Dan hebben we het ook te hebben over welke normen en
waarden we met elkaar delen en hoe we ervoor zorgen dat ouders als ze
kunnen opvoeden, dat ook gaan doen. Dat is wel mijn oproep aan de
minister: bekijk ook die maatschappelijke kant. Waar u dat in uw kabinet
belegt, maakt me niet uit, maar het moet wel gebeuren.
Minister Van Oosten:
Dat begrijp ik. In mijn antwoord wil ik nog kort het volgende
aanstippen. OCW is bezig met persveiligheid, ook een thema. Volgens mij
noemde een van u het ook: als het gaat om de veiligheid en de weerbare
democratie is BZK bezig met politieke ambtsdragers. Zo hebben we
allemaal wat, maar het is wel goed als je daar een beetje een integraal
beeld bij weet te houden. Maar als u mij vraagt naar de diepgaandere
analyse van hoe het toch komt dat mensen het in hun hoofd halen om dat
te doen, dan moet ik ook voorzichtig zijn en niet zomaar in de lucht
gaan praten. Ik heb gepoogd een antwoord te geven via dat rapport, en ik
vind dat dat onvoldoende inzichtelijk maakt aan welke knop ik moet
draaien. Dat wil ik u ook meegeven. Dat laat onverlet dat ik wel vind
dat als het gebeurd is, we het moeten aanpakken. Toevallig gaat mijn
ministerie daar in het bijzonder wel over.
Voorzitter, mag ik door naar mijn volgende punten?
De voorzitter:
U vervolgt uw beantwoording. Daar gaan we aandachtig naar luisteren.
Minister Van Oosten:
Bestuurlijke maatregelen. Ik zou willen vertellen — de leden hebben het
ook op verschillende momenten aangehaald — dat in preventieve zin
burgermeesters over een breed scala aan bestaande bevoegdheden
beschikken ter voorkoming van ordeverstoringen en ter bescherming van de
veiligheid van bewoners en hulpverleners. Het gaat om allerlei lokale
bevoegdheden, die door de burgemeester worden ingezet, vaak ook in
samenspraak met de politie en het Openbaar Ministerie, ook afhankelijk
van de lokale situatie. We hebben er best wel veel: individuele
gedragsaanwijzingen, gebiedsverboden, groepsverboden, gebiedsgeboden,
meldplichten, die bijvoorbeeld ook gehandhaafd kunnen worden met een
last onder dwangsom. Ik hoorde mevrouw Coenradie, meen ik, ook over
veiligheidsrisicogebieden spreken. Ik weet zelf ook: dat gebeurt. Die
mogelijkheden zijn er ook. Ik heb hier nog wat voorbeelden. Er zijn
mogelijkheden om daar vervolgens aan de hand van de rapportages die via
de politie aangeleverd worden, weer maatregelen op te zetten,
bijvoorbeeld in die sfeer van preventie.
Dus er gebeurt en er kan van alles. Maar toch het volgende. Ik weet dat
dat een aantal jaren geleden al heeft plaatsgevonden, maar gegeven de
ernst van de situatie, kom ik er nu op terug. Er is weer een nieuwe
minister van Justitie en Veiligheid, maar er zijn ook een aantal
Kamerleden bij gekomen. Die vragen mij om, en ik hoop het ministerie van
Binnenlandse Zaken daarbij aan mijn zijde te krijgen — daar ga ik wel
van uit — toch nog even het volgende verder te verkennen. Mist er in het
bestuurlijke instrumentarium, die bestuurlijke instrumententas, nog iets
wat burgemeesters nodig zouden kunnen hebben, wat hiervoor een
toegevoegde waarde zou kunnen hebben? Die vraag wil ik uitzetten. Ik ga
u daar netjes over terugrapporteren. Als u in de tussentijd dan zelf
iets heeft bedacht wat er niet in terugkomt, gaan we het erover hebben
of dat toch kan. Maar voor nu moet ik vaststellen dat we bestuurlijk
heel veel kunnen. Een andere vraag is natuurlijk of dat ook wordt
ingezet, maar die afweging is aan de lokale driehoek. De burgemeester in
kwestie legt daarover natuurlijk ook altijd verantwoording af aan de
individuele gemeenteraad.
De digitale meldplicht is heel specifiek opgebracht door mevrouw
Mutluer, zo dacht ik. Er is een mogelijkheid voor de burgemeester om een
gebiedsverbod op te leggen aan mensen die de openbare orde herhaaldelijk
of ernstig hebben verstoord. Daarbij kan ook een meldplicht worden
opgelegd. Een digitale meldplicht is wettelijk mogelijk, maar die
mogelijkheid bevindt zich op dit ogenblik nog in een pilotfase. Over de
voortgang in het kader van veilig en gastvrij betaald voetbal heb ik u
op 19 december een brief gestuurd. Het is de ambitie om de digitale
meldplicht op termijn breder in te zetten. Wat mij betreft gaan we
daarmee door. Die pilot moet je alleen wel even uitwerken, want er zijn
misschien aandachtspunten die je wil meenemen. Het is niet voor niks een
pilot.
Ik zie dat ik een interruptie heb, maar mag ik nog één opmerking maken,
voorzitter? Dan ben ik namelijk helemaal rond met dit blokje. Mevrouw
Van der Plas vroeg naar security op de kermis. Processen-verbaal dienen
te worden opgesteld door een opsporingsambtenaar bij een strafbaar feit.
Particuliere organisaties, zoals beveiliging op de kermis, hebben geen
strafrechtelijke of bestuursrechtelijke bevoegdheden. Die kunnen dus ook
geen proces-verbaal opstellen, ook niet bij winkeldiefstal. Ik hoorde
dat voorbeeld ergens genoemd worden. Die mogelijkheid is er dus niet.
Men kan het natuurlijk wel rapporteren aan politieagenten of aan boa's.
Die kunnen het nadrukkelijk wel.
Dat waren mijn opmerkingen, voorzitter.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Zoals de hulpverleners de vuurwerkbommen om de oren vliegen, vliegen mij
de pilots een beetje om de oren. We hebben een pilot met rubberen
kogels. Nu hebben we opeens weer een pilot digitale meldplicht. Niemand
weet van een begin- en einddatum. Is het perspectief nou dat we in 2026
echt kunnen overgaan tot de digitale meldplicht? Dat punt maakte ik net.
Ik zou daar dus toch echt een antwoord op willen hebben. Als we het
daarover hebben, wil ik ook het punt over het huisarrest maken. Dat kan
namelijk ook opgelegd worden. Dan zijn al die raddraaiers aankomend
jaar, op het volgende feestje, simpelweg niet welkom. Is dat
mogelijk?
Minister Van Oosten:
Ik ben terughoudend om toe te zeggen dat het bij de volgende
jaarwisseling al kan, want ik weet gewoon even niet precies waar de
pilot staat. Die beperking heb ik even. Ik geloof zelf wel dat het
fenomeen van de digitale meldplicht een toegevoegde waarde kan hebben.
Die pilot werken we dus uit. Ik heb aan u gerapporteerd dat die loopt.
Ik ga dat ook bijhouden. U gaat mij er ook weer naar vragen. Mijn
inspanning zou als volgt zijn. Mits die pilot succesvol is, zoals we
allebei verwachten, spannen we ons in om het per de volgende
jaarwisseling te kunnen toevoegen. Maar pin me er niet op vast, want ik
weet nu gewoon onvoldoende. Ik krijg het antwoord ook onvoldoende terug
van mijn ondersteuning. We kunnen dat op dit ogenblik namelijk nog niet
overzien.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Dan toch nog twee dingen. Met dit antwoord voel ik me gewoon niet
senang. "Ik weet het niet en ik weet ook niet wanneer ik het wél weet":
dat is een beetje de afdronk van dit antwoord. Ik zou dus toch graag
willen weten wanneer wij een stand van zaken hierover kunnen verwachten.
Om de minister alvast een kleine richtlijn mee te geven: wij zouden het
heel prettig vinden om er in ieder geval voor het voorjaarsreces
duidelijkheid over te hebben. De minister beantwoordt overigens ook nog
steeds niet mijn tweede vraag over de inzet van het huisarrest. Ik vind
dat iets anders. Erop vooruitlopend zou ik willen vragen in hoeverre de
minister bereid is om dan in ieder geval dat in te zetten, zodat deze
raddraaiers er volgend jaar niet bij zijn.
Minister Van Oosten:
Ik krijg inmiddels te horen dat we in het najaar gaan terugrapporteren
hoe het is afgelopen met de pilot digitale meldplicht. Dat is dus nog op
tijd. Ik kan het dus toevoegen. Ik ga daarin ook specifiek uw verzoek
rondom huisarrest meenemen. Dat kan daarin. Ik heb u namelijk al
toegezegd — het verwatert misschien alleen wat in de mêlee aan woorden
die ik u …
De voorzitter:
U zegt het mevrouw Coenradie toe, niet mij.
Minister Van Oosten:
Pardon, voorzitter. Ik had al toegezegd dat ik samen met de minister van
Binnenlandse Zaken wil nagaan, en die vraag dus ook uitzet bij
bijvoorbeeld de VNG en het Genootschap van Burgemeesters, of er in het
bestuursrechtelijke nog aspecten zijn die we missen. Zo kan ik u
daarover terugrapporteren. Dan kunt u met mij ook de discussie aangaan
over de vraag of dat u bevalt of dat er misschien nog punten in missen.
Ik neem in elk geval mee dat ik aan u terugrapporteer over de digitale
meldplicht en over dat huisarrest waar u het over heeft, al heeft dat
misschien een andere term.
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Inderdaad tot slot, voorzitter. We weten allemaal dat er straks een
nieuw kabinet komt. Misschien zit deze minister er nog, misschien niet.
Voor je het weet zitten we in het najaar, is het weer oud en nieuw en
staan we in januari dit debat weer te voeren. Ik wil dit gewoon echt
voorkomen. Het najaar is vrij lang, maar ik zou toch willen pleiten voor
oktober. Zo hebben we in ieder geval de ruimte om daadwerkelijk knopen
door te hakken, zodat we straks niet zeggen: nu zijn we eigenlijk te
laat om daadwerkelijk een concrete beslissing te nemen voor oud en
nieuw. Ik zou dus toch heel graag die toezegging willen van de
minister.
Minister Van Oosten:
Die heb ik u gegeven, want ik wil dat u uiterlijk in het najaar ... Pin
me er niet op vast tot wanneer het najaar precies loopt, maar dat is
natuurlijk niet 31 december. Ik hoor u goed. Wie er vervolgens ook
minister van Justitie en Veiligheid is: het team eromheen blijft
hetzelfde. Dat team hoort dit ook en snapt heus goed dat u deze vraag
stelt in relatie tot de jaarwisseling. Ik wil 'm wel een beetje
loskoppelen van de jaarwisseling, omdat ie misschien ook op andere
momenten heel geschikt kan zijn. Ik ga u daarover terugrapporteren en
daarin neem ik mee wat ik ophaal bij de minister van Binnenlandse Zaken
ten aanzien van het bestuursrechtelijke instrumentarium.
De voorzitter:
Minister, ik zou u ook willen vragen om via de voorzitter te
spreken.
Minister Van Oosten:
Pardon, u heeft gelijk.
De voorzitter:
Zo doen we dat.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik heb nog een paar vragen aan de minister. De minister vroeg zich af of
de burgemeester wel voldoende middelen heeft om de openbare orde te
bewaren. Ik denk dat er best al vrij veel middelen zijn. Het is altijd
handig om nog extra middelen te krijgen, maar ze moeten dan wel worden
ingezet. Ik zie gewoon dat het van stad tot stad verschilt. Ik heb hier
ook al de volgende vraag over gesteld: als je aan ziet komen dat het
gewoon helemaal uit de hand gaat lopen, waarom geeft de minister dan
niet eventueel een ministeriële aanwijzing? Ik weet wel dat hij daar
niet zo'n voorstander van is, maar als we zien dat het keer op keer uit
de hand loopt, dan moet er toch een keer iets gebeuren? De minister
hééft deze bevoegdheid.
Minister Van Oosten:
Dat gaat mij te snel, zeg ik via de voorzitter tegen mevrouw Faber. Ik
heb er alle vertrouwen in dat het lokale gezag, de burgemeesters, dit
inzetten. U doelt ongetwijfeld op de waterbus met onder meer
traanverwekkende stoffen. Als minister heb ik burgemeesters toegestaan
die in te zetten, maar het is niet aan mij om dat te bepalen. Die
ministeriële bevoegdheid waar u naar verwijst, waarbij ik een soort
aanwijzing kan geven, zou wellicht in zeer uitzonderlijke situaties
kunnen plaatsvinden, bijvoorbeeld wanneer de betrekkingen van Nederland
met andere mogendheden aan de orde zouden kunnen zijn. Ik zie nu niet zo
snel dat we het daarover hebben. Ik wil wel heel kritisch evalueren. Dat
is dan wel weer een pilot — excusez le mot, zeg ik via de voorzitter
tegen mevrouw Coenradie — met vragen als: hoe loopt dat af, hoe gaat
dat, wordt dat ingezet en heeft dat een toegevoegde waarde? Daar gaat u
ook iets over terughoren. Ik vind het heel belangrijk dat het toegevoegd
wordt aan de tas van middelen die burgemeesters kunnen inzetten, maar ik
bepaal niet of ze dat doen.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik waardeer natuurlijk de inzet van de minister en dat hij zich daarvoor
inspant. Nogmaals, de minister kan allerlei instrumentaria toewijzen,
maar dan moeten we die wel gaan gebruiken. Is de minister bereid om
gewoon eens met het lokale bestuur te praten en het erover te hebben dat
het toch echt heel handig kan zijn om het in te zetten? Er is gewoon een
roep vanuit de samenleving dat er wat moet gaan gebeuren. We kunnen ons
suf gaan evalueren, maar zolang er in de praktijk niks gebeurt, houdt
het toch gewoon op.
Minister Van Oosten:
Ik vind het echt te vroeg om te stellen dat er in de praktijk niks
gebeurt. We gaan evalueren wat er gebeurt. Er moet ook een goede
aanleiding zijn om het erin te zetten. Dat is ook weer ter beoordeling
aan de lokale driehoek. Voor mij is het belangrijk dat de mogelijkheid
er nu is. Dat wil de politie ook ontzettend graag. We gaan nu zien of
het een toegevoegde waarde heeft, wanneer het gebruikt wordt, hoe het
gebruikt wordt et cetera. Daar gaat u over horen. Het is aan de
betreffende gemeenteraad om zijn burgemeester hierop aan te spreken als
er vragen over zijn. Zo is het controlemechanisme in ons land geregeld,
en dat kan prima.
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik moet zeggen dat dit toch een beetje op duikgedrag lijkt, niet alleen
van de minister, maar ook van de andere bestuurders die erbij betrokken
zijn. Men verschuilt zich achter elkaar, maar zo lossen we de problemen
natuurlijk niet op. Er moet toch een keer iemand zijn die kan
doorpakken? Deze minister zou dat gewoon moeten kunnen, lijkt mij. Ik
doe nogmaals een beroep op de minister: pak alstublieft eens door en
verschuil u niet achter andere, lokale bestuurders. Zij kunnen dat doen,
maar dat hoeft u niet te doen, zeg ik via de voorzitter.
Minister Van Oosten:
Ik ben een paar maanden minister van Justitie en Veiligheid. In die paar
maanden is de mogelijkheid tot deze waterwerper toegevoegd, is de
mogelijkheid van grotere pepperspraybussen toegevoegd en zijn er andere
maatregelen toegevoegd, al dan niet op voorspraak. Dat was vaak op
voorspraak van uw Kamer. Ik zit erbovenop. Mijn ministerie zit
erbovenop. Ik ken bijna alle burgemeesters. Er is hun veel aan gelegen
om bezig te zijn met de veiligheid in hun stad of dorp, zo weet ik.
Alleen wil ik voorkomen dat wij bepalen wat er moet gebeuren. Maar het
is mijn taak — het is uw taak om mij daar strak op te houden — om die
burgemeesters de maximale tas te geven.
De voorzitter:
De minister vervolgt zijn beantwoording met het strafrecht.
Minister Van Oosten:
Ja, strafrecht. Ik had heel graag een glaasje water, maar deze zit
vastgeplakt dus die durf ik niet te pakken.
De voorzitter:
Zit die vast?
Minister Van Oosten:
Het strafrecht.
De voorzitter:
O, u maakte een grap.
Minister Van Oosten:
Het is echt waar.
De voorzitter:
Zit die vast?
Minister Van Oosten:
Ja, die zit vast, en ik ben bang dat als het gebeurt het hele blad hier
…
De voorzitter:
We gaan u helpen. We gaan zorgen dat u goed kunt hydrateren.
Minister Van Oosten:
Ja. Het strafrecht. Ik wil er een paar dingen over zeggen. Om te
beginnen hebben we bij het strafrecht de Eenduidige Landelijke
Afspraken. Het was de heer Van Dijk die daar ook over begon en die
daarnaar verwees. Dat doen we al en dat blijven we dus ook doen. Het is
ontzettend belangrijk dat aangiftes geprioriteerd in ontvangst worden
genomen en dat er volgens die afspraken wordt gewerkt wanneer er geweld
tegen hulpverleners plaatsvindt. De politie bekijkt die aangiftes met
grote prioriteit.
Een aantal van u heeft daarnaast diverse vragen gesteld over dat
uitgangspunt van die 200% hogere straf, en dat snap ik ook heel goed.
Het is namelijk het uitgangspunt van het Openbaar Ministerie dat die
geëist wordt bij de aanpak van geweld tegen hulpverleners. Dat is ook
het vertrekpunt bij de straftoemeting. U mag best weten dat ik gisteren
nog met het Openbaar Ministerie heb gesproken en heb aangegeven dat ik
het van belang vind dat er zware straffen volgen voor strafbare feiten
tegen personen met een publieke taak. Het Openbaar Ministerie heeft mij
toegelicht waarom er in sommige gevallen wordt afgeweken van die
200%-norm. Ik vind het soms ook wel heel ingewikkeld om te begrijpen,
maar het gaat niet in alle situaties met geweld om de excessen die wij
soms in de media zien. Daar heeft het Openbaar Ministerie in de vrijheid
die we het Openbaar Ministerie daarin geven ook een afweging in te
maken. Ik vertrouw er ook op dat men de juiste afweging maakt. Maar ik
zeg er ook bij — ik hoor namelijk wat u zegt — dat ik vind dat ik met
het OM in gesprek moet blijven gaan als het gaat om dat uitgangspunt.
Dat geldt ook voor wat andere punten waar ik dadelijk nog op kom.
Ik heb hier ook met de korpschef over gesproken, want de korpschef vindt
het natuurlijk ook verschrikkelijk als ze moet vaststellen dat haar
agenten met vuurwerk of anderszins worden belaagd. Ik heb dus ook met de
korpschef afgesproken dat wij ook zelf heel precies gaan volgen wat nu
het verdere verloop wordt als het gaat om de strafverzwaring die het
Openbaar Ministerie ons heeft meegegeven, zeg maar. De samenleving mag
er namelijk op rekenen dat hulpverleners worden beschermd. Daarnaast is
er dat taakstrafverbod; dat is dan de vervolgstap. Dat is ook een
belangrijke stap. Het wetsvoorstel Aanscherping taakstrafverbod, dat
erop ziet dat rechters een gevangenisstraf opleggen, is voor gevallen
van mishandeling van handhavers en hulpverleners. Dat ligt dus nu bij de
Raad van State. Dat stuur ik zo snel het kan en zo snel het verwerkt is
terug naar uw Kamer.
Uw Kamer heeft mij eerder verzocht om werk te maken van minimumstraffen.
Daar gaan we dus ook mee door. Ik ga op korte termijn ook in gesprek met
verschillende instanties over hun standpunten op dat punt en over
minimumstraffen voor opzettelijk geweld tegen hulpverleners in het
bijzonder, zoals u ook heeft verzocht. Ik ga ook gewoon aan die
instanties vragen wat dan de verwachte effecten zijn. Ik heb niet de
illusie dat ik u dan vervolgens kan terugrapporteren dat al deze
instanties daar enthousiast over zijn, maar ik heb gelijktijdig zelf ook
wel de overtuiging dat het enkele feit dat ik als minister van Justitie
en Veiligheid dat gesprek voer, eigenlijk ook min of meer in uw
opdracht, ook niet zonder betekenis is. Daar ga ik ook van uit. Dat doe
ik dus, en ik ga u erover terugrapporteren en dan gaan we er weer een
debat over voeren.
Ik vind het opsporen en vervolgen van mensen die bepaald gedrag in een
groep plegen — ik dacht dat mevrouw Coenradie daarover begon — nu nog te
ingewikkeld. Mag ik dat even zo formuleren? Ook de politie en het
Openbaar Ministerie hebben mij dat aangegeven. Ik heb het over het
bekogelen van mensen of het beschieten van agenten of andere
hulpverleners vanuit een groep, bijvoorbeeld met bedekte gezichten of
met allemaal dezelfde soort kleding. Identificeren wordt daardoor
vrijwel onmogelijk gemaakt. Gezien de ernst van dit soort gedrag ga ik
verkennen of het huidige juridische kader voldoet en gaan we bezien
welke aanvullende mogelijkheden het strafrecht kan bieden bij de
opsporing en de vervolging van deze mensen. De start hiervan is dat ik
van het Openbaar Ministerie en de politie wil weten of dat hen bij het
werk gaat helpen, want geweld tegen hulpverleners is echt
onacceptabel.
Ik heb nog een aantal vragen, maar dat zijn er best nog wel wat.
De voorzitter:
Op het terrein van het strafrecht?
Minister Van Oosten:
Ja, maar die …
De voorzitter:
Ik wil toch voorstellen dat u dat kopje afrondt.
Minister Van Oosten:
Toch wel?
De voorzitter:
Ja, want we hebben hier om 20.45 uur de minister van Landbouw. Ik wil
het echt niet laten uitlopen. De minister.
Minister Van Oosten:
Dan kom ik op de vereenvoudiging van de registratie van het
aangifteproces voor boa's en de brandweer. Op dit moment wordt er
gewerkt aan de herziening van de Eenduidige Landelijke Afspraken,
waarbij de versterking van het aangifteproces wordt meegenomen, dus de
vraag hoe dat proces mogelijk kan worden vereenvoudigd en geüniformeerd.
Dat proces loopt dus, zeg ik in de richting van mevrouw Dobbe.
Dan de vraag van mevrouw Michon-Derkzen over de 200%-norm. Eigenlijk
heeft ze mij gevraagd of ik een algemene aanwijzing ga geven. Daarin
dien ik gezien de staatsrechtelijke positie van het Openbaar Ministerie
hele grote zorgvuldigheid te betrachten, maar ik heb u zonet gepoogd uit
te leggen dat het onderwerp mij wel zeer aangelegen is en dat we dit dus
ook niet loslaten.
Mevrouw Mutluer vraagt ook naar de 200%-norm. Wordt die consequent
toegepast, aangezien niemand mag denken dat het onbestraft blijft? U
vraagt eigenlijk ook of ik daaraan wat meer duiding kan geven. Wellicht
komt u zelf ook nog met een oproep daartoe, maar in zijn algemeenheid
wil ik best het volgende zeggen. Ik snap uw vraag, maar realiseert u
zich wel dat het motiveren van de strafeis en het vastleggen daarvan om
het inzichtelijk te maken een grote administratieve last voor het
Openbaar Ministerie zal meebrengen? Dat betreft namelijk duizenden zaken
per jaar. Ik zal die last echter wel meenemen in mijn gesprek met het
Openbaar Ministerie, want ik wil ook wel graag dat we met elkaar meer
duiding hebben van waar we het nou precies over hebben. En ik denk ook
wel dat dat goed is.
Mevrouw Faber vroeg naar een overzicht van de strafeis, de opgelegde
straf et cetera. Dat raakt wel een beetje aan het antwoord dat ik aan
mevrouw Mutluer heb gegeven. Ik ga hier dus ook met het Openbaar
Ministerie en de rechtspraak over in gesprek. Op dit ogenblik is het
registreren van elke strafeis niet mogelijk. Er wordt ook niet per se
bijgehouden of de rechtspraak een strafconforme eis oplegt. Ook hiervoor
geldt: als je dat doet, is dat wel een substantiële last voor de
organisaties. Het hangt daar dus mee samen.
De heer Van Dijk stelde een vraag over de 200%. Volgens mij heb ik dat
eigenlijk net al aangegeven.
Mevrouw Coenradie vraagt: kan de minister garanderen dat er consequent
wordt vervolgd? Ja, zeker vervolging in het geval van geweld tegen
hulpverleners. Als je tenminste weet wie het is, natuurlijk. Dat lijkt
me evident. Ik heb net verteld hoe wordt omgegaan met de 200%.
Mevrouw Straatman vroeg naar de stand van zaken van de uitbreiding van
het taakstrafverbod. Ik heb net aangegeven dat dat bij de Raad van State
ligt. Ik ga het verwerken zodra ik het heb en dan krijgt u het. Dan gaan
we het aanmelden bij de Griffie ter behandeling. Mevrouw Van der Plas
vroeg daar eigenlijk ook naar.
Mevrouw Van der Werf vroeg of ik zicht heb op de percentages van
aangiften die worden gedaan. Er bestaat geen overzicht van het totaal
aantal incidenten, aangezien er geen sluitende registratie is door de
verschillende werkgevers. U vroeg eigenlijk of werkgevers die aangifte
altijd doen. Dat is ook een verantwoordelijkheid van de werkgevers
zelf.
Mevrouw Van der Plas vroeg nog naar de relatie met hufterigheid, maar
volgens mij is dat in het debatje met mevrouw Michon al een heel eind
beantwoord, als ik het zo mag zeggen, hoewel ik natuurlijk niet over dat
debat ging. Hufterigheid is natuurlijk totaal iets anders dan geweld
plegen tegen hulpverleners.
Dank u wel.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ik kan me goed voorstellen dat veel mensen die hiernaar kijken inmiddels
een beetje zijn afgehaakt. We hebben een enorm groot probleem. We hebben
dat inmiddels een "gezagscrisis" genoemd. Ik hoor termen als
"evalueren", "pilots", "verkennen", "kan niet", "weet ik niet", "doen we
al", "mag niet". Nou is mijn vraag aan de minister heel concreet: wat
denkt de minister dat de gemiddelde burger die hiernaar kijkt hier nou
van denkt?
Minister Van Oosten:
Ik ga niet in de hoofden van iedereen kruipen, maar ik hoop wel dat de
gemiddelde burger van dit gesprek meeneemt dat wij hier allemaal
ongelofelijk gepassioneerd zijn om op te komen voor de bescherming van
onze politieagenten en brandweermensen, die vooraan staan bij
veiligheidsvraagstukken. Ik heb u namens het kabinet laten zien dat we
op maar liefst acht punten ontzettend hard aan het werk zijn. Veel is
geïnspireerd door opmerkingen van u. Wat mij betreft kunnen we nog meer
realiseren, ook op voorspraak van de ideeën van uzelf. Dus ik hoop dat
dat een positieve indruk afgeeft.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Dan zou ik de minister willen aanraden om dit debat gewoon eens terug te
kijken of om een rondvraag te doen bij mensen in het werkveld. De
minister maakt een opmerking over wat de burgemeesters nodig hebben. Ik
vraag mij dan af: is dit de minister van de burgemeesters of de minister
van de politie? Maar dat even terzijde. Er is net besproken dat het
lastig is om die groepen aan te pakken.
De voorzitter:
Uw vraag?
Mevrouw Coenradie (JA21):
Mijn vraag is hoe gaan wij dan ook om met omstanders, raddraaiers die
filmen precies op het moment dat er vuurwerk wordt gegooid bijvoorbeeld
en dat dan vervolgens plaatsen op TikTok of Snapchat? Dat was namelijk
ook de vraag die ik gesteld had
Minister Van Oosten:
Ik heb geprobeerd om daar antwoord op te geven. Ik wil groepsgedrag
meenemen in een verkenning. Wat mij betreft nemen wij daar dan ook het
heel actief filmen et cetera in mee. Ik ga nu niet speculeren wat daarin
mogelijk moet worden. Laten we eerst eens even goed kijken. Ik heb wel
signalen dat we hier meer mee moeten en dat ga ik uitzetten. Dat noem ik
dus een verkenning. Die gaat u terugkrijgen. Daarna gaan we daar meer
precies de discussie over voeren, anders blijft het speculeren en dat
vind ik niet goed. Ik heb wel, net als u, het idee dat de groep eromheen
er misschien wel een rol bij speelt, maar nu onvoldoende wordt aangepakt
en dat vind ik niet goed.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Nog even over die strafverzwaringsgrond, die 200%. Erkent de minister
dat de strafverzwaringsgrond zoals de wetgever die bedoeld heeft, hoe je
het ook went of keert momenteel een lege huls is, omdat deze zelden of
nauwelijks wordt toegepast, in ieder geval niet zoals de wetgever voor
ogen stond?
Minister Van Oosten:
Nee, want die wordt wel degelijk toegepast, maar het is wel ingewikkeld.
Het Openbaar Ministerie heeft natuurlijk uiteindelijk de magistratelijke
vrijheid, chic geformuleerd, om het anders te doen, kijkend naar de
omstandigheden van het geval. Het is altijd heel ingewikkeld om dat in
zijn algemeenheid uit te leggen, omdat we allemaal gruwelijke beelden
zien van politieagenten die worden belaagd met vuurpijlen en weet ik
wat. Aan mijn gesprek met het Openbaar Ministerie heb ik bepaald niet de
indruk overgehouden dat het Openbaar Ministerie dat niet doet, dat niet
aanpakt en de dader niet oppakt, voor zover het weet wie het is. Er
kunnen theoretisch ook situaties zijn van geweld tegen hulpverleners in
het algemeen, waarbij het Openbaar Ministerie tot een andere afweging
komt. Dat kan dan te maken hebben met psychische nood of iets
dergelijks; ik verzin maar iets. Zo'n situatie telt ook mee in het
totaal. Daarom snap ik de vraag van mevrouw Mutluer wel of daar wat meer
inzicht in kan worden gegeven. Dat inzicht wil ik graag bieden, maar ik
wil ook voorkomen dat ik ineens een enorme last bij de organisaties
neerleg die wij allemaal moeten betalen, terwijl we juist willen dat ze
aan de slag gaan met het opsporen, vervolgen en berechten van
mensen.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Meer inzicht kan altijd helpen, inderdaad. Is dit het nu wat betreft de
minister? Of is hij bereid om toch mee te denken en mee te kijken hoe we
op een iets meer dwingende manier wel tegemoet kunnen komen aan de wens
van de wetgever? Die 200% voor geweldplegers tegen hulpverleners is
namelijk gewoon de norm is die we hier gesteld hebben.
Minister Van Oosten:
Er wordt natuurlijk hoger geëist en gestraft. Dat sowieso. Ik heb al
aangegeven wat ik doe met die gesprekken. Ik probeer daar verder
maximale druk op te zetten door het actief te volgen. Dat doe ik niet
alleen vanuit mijn ministerie zelf, maar ik schakel er ook de korpschef
bij in. Niet voor niks heb ik dat net publiekelijk zo gezegd. Het
overkomt namelijk de agenten van de korpschef. Daarnaast zet ik niet
voor niets de stap richting het taakstrafverbod en de gesprekken over
minimumstraffen, met de nuancering die ik daarbij heb gegeven. Ik doe
dit omdat het mij echt aangelegen is dat mensen die geweld plegen tegen
onze hulpverleners niet vrijuit gaan. Dat is overigens niet het geval.
De samenleving moet echter snappen en merken dat daar vol op ingezet
wordt. In het totale verhaal zou dat nog beter naar voren moeten komen,
want dat is nog onvoldoende overgekomen bij een aantal aanwezigen hier
en daarmee dus ook bij de samenleving.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Dit is meer een vooraankondiging. Ik zal met een oproep komen. Het is
niet zo dat ik op de stoel van het OM wil zitten, omdat ik weet dat het
OM maatwerk levert en dat het afhankelijk is van de dader. Het kan
iemand zijn met verward en onbegrepen gedrag of iemand die roekeloos
agenten probeert te beschieten met vuurwerk. Ik wil alleen nogmaals
benadrukken en meegeven dat het vooral slachtoffers echt ontzettend
helpt als zij zien dat hun belang expliciet is betrokken bij het bepalen
van de strafeis. Daarom zullen we die oproep zo zorgvuldig mogelijk
formuleren en voorleggen.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Dit debat gaat eigenlijk precies zoals ik van tevoren had verwacht. Ik
ben daar echt behoorlijk teleurgesteld over. We hebben namelijk niet
voor niks om dat WODC-onderzoek gevraagd. Daar hebben we echt lang op
gewacht, omdat wij jarenlang geen inzicht hadden in de strafmaat, de
strafeis en uiteindelijk de straf. In dat onderzoek lezen we terug wat
we eigenlijk al wisten, want dat hadden we allang uit de samenleving
gehoord. Nu hoor ik de minister zeggen dat hij met het OM zal praten.
Dat heeft de voorganger van deze minister ook gedaan. Hij zegt: ik zit
er bovenop.
De voorzitter:
Uw vraag?
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Dat is niet genoeg. Hoe kan de minister er nu voor zorgen dat die 200%
strafeisverhoging daadwerkelijk het uitgangspunt wordt? Hoe zorgt deze
minister ervoor dat daar draagvlak voor is? In het rapport staat
letterlijk dat er geen draagvlak is voor deze eis. We moeten dus naar
andere methoden, omdat wij vandaag met elkaar hebben gezegd dat we het
niet acceptabel vinden. Wat gaat de minister daar dus aan doen, behalve
het gesprek voeren met het Openbaar Ministerie?
Minister Van Oosten:
In tegenstelling tot wat mevrouw Michon-Derkzen net leek te zeggen, is
die 200% het uitgangspunt. Dat is echt het vertrekpunt voor de
straftoemeting. Er wordt hoger geëist en er wordt ook hoger gestraft.
Het is alleen niet zo dat er in alle gevallen een verhoging van 200% van
de straf wordt toegepast. Dat is ook gewoon een feit. Ik heb geprobeerd
om uit te leggen dat dat komt doordat er redenen zijn om de strafmaat te
beperken. Die vrijheid komt het Openbaar Ministerie toe. Ik wil dat goed
blijven volgen, omdat ik echt niet doof ben voor wat u zegt. Bovendien
vind ik er zelf nog wat van, want ik zie de beelden ook. Ik ben daar
eerlijk in. Ik kom echter op voor het OM, omdat ik de mensen van het OM
spreek. Ik zie dat zij met een ongelofelijke gedrevenheid aan de gang
zijn om ervoor te zorgen dat dit niet onbestraft blijft. Ik wil ook
voorkomen dat nou de indruk ontstaat dat het OM er niks om geeft. Dat is
ook niet goed.
Ik wil ook voorkomen — ik zeg het maar gewoon eerlijk — dat u mij dwingt
tot een of ander aanwijzingsbesluit. Daar hebben we ook andere debatten
met deze Kamer over gevoerd; daar moet je heel prudent en voorzichtig in
zijn. Dat zou niet nodig zijn. Daarom maak ik die koppeling met dat
taakstrafverbod en het gesprek over die minimumstraffen, want dan kunnen
we elk moment weer aangrijpen om aan de samenleving te laten zien dat
wij voor onze mensen staan en aan onze organisatie te laten zien dat wij
het echt heel serieus nemen. Kom dus met een goed verhaal. Laat zien hoe
je tot je besluitvorming komt. Dat is eigenlijk de vraag die mevrouw
Mutluer neerlegt.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Onderdeel van die strafeisverhoging is de snelheid van afdoening. Ik heb
een casus van een agent in mijn hoofd die twee jaar moest wachten
voordat hij de uitspraak van de rechter had. Die snelheid van afdoening
zit bijvoorbeeld niet in de Eenduidige Landelijke Afspraken. De vraag is
daarom wat de minister ook met het OM, los van de hoogte van de
strafeis, kan bewerkstelligen in de snelheid van afdoening.
Minister Van Oosten:
Waar mogelijk wordt natuurlijk lik-op-stukbeleid toegepast, ook in de
sfeer van ZSM-situaties. Dat heeft ook naar aanleiding van de afgelopen
jaarwisseling plaatsgevonden. Ik zeg er dan even bij dat de casus zich
er wel toe moet lenen. Je wilt het namelijk niet in alle gevallen, want
je wilt soms echt wel even een stevige straf kunnen eisen en dan heb je
misschien meer feiten nodig, maar ik ga het punt wel meenemen. Als dit
een vraagstuk is, wil ik daar meer van weten. Ik weet in zijn
algemeenheid dat we wel een vraagstuk hebben met doorlooptijden, maar
dat is misschien een te algemeen antwoord op uw vraag, dus ik ga dat
meenemen bij het Openbaar Ministerie. Misschien wilt u mij laten weten
om welk voorbeeld het gaat; dan kan ik dat als voorbeeld overdragen,
zodat ik daar zelf weer van kan leren.
De voorzitter:
Afrondend.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Ik denk ook dat het, ook met respect voor het goede werk dat het
Openbaar Ministerie doet, goed is dat we er sneller wat meer inzicht in
krijgen. Hoe langer je erop wacht … Als er een onderzoek is waar we
allemaal naar uitkijken en waar tegenvallende resultaten in staan, lijkt
dat me ook onderdeel van de … Ik wil maar zeggen dat de manier waarop we
het überhaupt met elkaar organiseren veel beter kan, want dan zitten we
er met elkaar beter op en kunnen we sneller bijsturen als dat nodig is.
Ik hoop dat de minister daar ook voor openstaat.
De voorzitter:
Mevrouw Faber krijgt het woord. Daarna vervolgt de minister weer zijn
beantwoording.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik heb gewoon een verhelderende vraag, want ik had gevraagd naar dat
overzicht per soort delict: de strafeis van het OM, de opgelegde straf
en de uitgevoerde straf. Is de minister wel of niet bereid om dat te
verstrekken? Kunt u dat toezeggen? Dan hoef ik eventueel ook geen motie
in te dienen.
Minister Van Oosten:
Ik ga met het Openbaar Ministerie en de rechtspraak in gesprek over de
vraag wat men kan aanleveren. Mijn algemene reactie is namelijk dat ik
wil voorkomen dat ik een enorme substantiële last neerleg. Ik ben een
beetje bang dat dat zo is, maar ook als dat zo is, heeft u wel het recht
om zo veel mogelijk duiding te krijgen. Alleen al door het enkele feit
dat u mij dat vraagt, heb ik u daar informatie over te geven. Dan moet
ik dus met het OM en de rechtspraak uitzoeken wat ik u wél kan geven. In
zoverre kunt u dat dus als een toezegging beschouwen, maar ik ga niet
precies toezeggen wat u wilt, want ik wil echt eerst het gesprek zijn
aangegaan over de vraag of dat kan.
De voorzitter:
De minister vervolgt zijn beantwoording en heeft nog twee kopjes te
gaan, als ik goed heb meegeschreven.
Minister Van Oosten:
Ik heb er drie, maar dat zeg ik heel zachtjes. Ten eerste de
voorbereiding van hulpverleners, de ME-bewapening en bevoegdheden. Daar
is al het een en ander over voorbijgekomen; ik denk dus dat dit kort kan
blijven. Daar waar we het hebben over het strafrecht, richten we onze
ogen met name op de daders, maar het is ook goed om vanuit de
werkgeversrol aandacht te blijven hebben voor adequate bescherming.
Daarbij denk ik in het bijzonder aan de politie. U bent er allemaal mee
bekend — het kwam net al langs — dat ik de politie toestemming heb
gegeven voor pilots met aanvullende bewapening voor de ME en grotere
bussen pepperspray. Ik heb zelf gezien dat die in gebruik zijn genomen.
Ik noem ook de traanverwekkende middelen bij de waterwerper. Het eerste
beeld is dat er positieve ervaringen zijn opgedaan met de grotere
bussen. Het grotere volume en de mogelijkheid om verder te spuiten dan
met een normale bus zijn van grote meerwaarde. Daarnaast beschikken
ME'ers maar ook een deel van de medewerkers uit de gebiedsgebonden
politiezorg over nieuwe — dat zeg ik met nadruk — gehoorbescherming,
omdat alle overige politiemedewerkers adequate gehoorbescherming hebben
maar niet per se de nieuwste variant. Dat zeg ik in het bijzonder tegen
mevrouw Van der Werf, die mij hier eerder vragen over heeft gesteld. Dit
voorkomt het geweld niet, maar beperkt wel de impact voor onze
politiemensen.
Mevrouw Coenradie stelde mij een paar vragen. Is de minister bereid om
de politie het vertrouwen te geven om zelf te kunnen beslissen om iets
in te zetten? Daarbij werd in het bijzonder verwezen naar de "less
lethal"-geweldsmiddelen. Ik veronderstel dat mevrouw Coenradie daarbij
onder meer denkt aan het luchtdrukwapen. Ik heb toestemming gegeven om
dat ook goed te gaan verkennen. Het is wel heel belangrijk, zeg ik
erbij, om dat ook echt zorgvuldig te doen. Mij zijn namelijk ook
voorbeelden uit het buitenland bekend waaruit blijkt dat er hele
ernstige situaties door kunnen ontstaan. Je wil dus wel weten waar je in
stapt.
De heer Van Dijk vraagt welke lessen we kunnen trekken uit de
buurlanden. Dat heb ik al gezegd. Er ligt namelijk een belangrijke rol
voor het vorig jaar gestarte programma Politie en Openbare Orde
Management, dat onderzoekt of de slagkracht et cetera kan worden
verbeterd. Daar worden ervaringen uit het buitenland ook vanzelfsprekend
in meegenomen.
Ellenlange onderzoeken wil mevrouw Van der Plas eigenlijk niet. Ik ook
niet. Ik wil wel dat zorgvuldig is bekeken of het allemaal verantwoord
et cetera is voor de politieagenten, die onder mijn verantwoordelijkheid
als minister aan de slag zijn. Dat wil de korpschef niet anders.
Mevrouw Van der Plas vraagt ook naar het luchtdrukwapen waar ook de
politievakbond om vraagt. Daar heb ik net in de richting van mevrouw
Coenradie al het een en ander over gezegd.
Tot zover, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Er zijn twee interrupties, van mevrouw Coenradie en mevrouw
Faber.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ik heb nog geen antwoord op mijn gestelde vraag over de inzet van
wapens, rubberen kogels, traangas et cetera. De beslissingsbevoegdheid
daarvoor ligt helemaal niet bij de politie zelf. Dat zou je wel
verwachten, maar dat is niet zo. Dat vertrouwen krijgen ze niet. Nee,
dat moet via allerlei lagen en gaat uiteindelijk naar de burgemeester.
Is de minister het met mij eens dat dat vreemd is, als je aan de ene
kant zegt dat we de politie het vertrouwen en de vrijheid geven om een
juiste afweging te maken? Is de minister bereid om een aanpassing te
doen, zonder elke keer tegen allerlei bestuurlijke vertragingen aan te
lopen? Dit verhaal krijg ik meermaals terug van de politie en de
politievakbond.
Minister Van Oosten:
Op uw eerste vraag is mijn antwoord nee, want de gezagsrelatie is zo
georganiseerd dat de politie onder het gezag van de burgemeester
optreedt. Het is dus ook aan de burgemeester, en vaak aan het OM, om tot
inzet te komen. Daar is de politie ook zelf bij betrokken. Nu vind ik
het belangrijk dat we eerst goed gaan evalueren. Ik vind het toch echt
belangrijk om te kijken of wat we hebben ingezet, ook echt effect heeft.
Heeft het toegevoegde waarde? Daar ga ik wel zomaar van uit, maar toch.
En wordt het ook gebruikt? Als het laatste niet het geval is, en ik heb
er geen beeld bij dat het helemaal niet gebruikt wordt, dan komt de
vraag aan de orde hoe de pilot uitwerking kan hebben en wat dat
betekent. Het is voor mij, en ook voor u, denk ik, belangrijk dat wij
zorgen dat de instrumententas van de burgemeesters adequaat gevuld is,
zodat gemeenteraden ook kunnen vragen aan hun burgemeesters: zet je dat
nou in of niet?
Mevrouw Coenradie (JA21):
Kijk, zoals we het hebben geregeld is één ding. Maar dan hebben we de
realiteit. De realiteit is dat de politie hunkert naar veel meer
autonomie en veel meer mogelijkheden om zelf te beslissen. Waarom
luisteren we dan niet gewoon naar wat de politie wil en nodig heeft om
daadwerkelijk te kunnen functioneren?
Minister Van Oosten:
Ja, maar de politie is betrokken, zeg ik even, in die lokale driehoek
waarbij die afweging wordt gemaakt. In die zin heeft de politie daar dus
ook een rol bij. Dat is hoe we het nu altijd gangbaar hebben
georganiseerd; dat werkt in beginsel ook. Maar ik wil wel goed met u
evalueren — dat gaan we dus ook doen — of het ook uitpakt zoals we
willen. Pas als we dat weten, kunnen we nadenken over een eventueel
vervolg. Maar dat loopt echt op de zaken vooruit. Ik denk dat de winst
nu echt is dat waterwerpers met bijvoorbeeld een traanverwekkende stof
of, later, verf erin, en ook het luchtdrukgeweer, ingezet kunnen worden.
Die pepperspraybussen hebben de politieagenten al mee. Die kunnen ze dus
ook inzetten bij een hele ernstige situatie.
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Tot slot ben ik dan toch ook benieuwd wanneer deze verkenningen, pilots
et cetera kunnen worden afgerond. Kan dat dit jaar, zodat we volgend
jaar, bij wederom een jaarwisseling of op een ander moment, kunnen
zeggen: we hebben de boel helemaal onderzocht en geëvalueerd en we weten
waar we aan toe zijn?
Minister Van Oosten:
Ik zeg u toe dat ik voor de zomer een terugrapportage geef waarin dat
staat. Ik weet dan ook preciezer of het nog iets langer duurt of niet.
De pilot zal langer dan een halfjaar duren, omdat het nou eenmaal meer
tijd kost. Maar u heeft wel recht op een tussentijds inzicht daarin. Dat
verstrek ik u graag.
Mevrouw Faber (PVV):
Volgens mij mis ik nog drie antwoorden op mijn vragen, maar het kan zijn
dat die later komen. Ik wil die ook later stellen, aan het einde, als de
minister klaar is.
De voorzitter:
Wellicht kunnen we dan nu eerst de beantwoording van de minister
afronden.
Mevrouw Faber (PVV):
Als we dan maar wel toestemming van u krijgen.
De voorzitter:
Vanzelfsprekend, absoluut. Dan vervolgen we nu met de afronding van de
beantwoording van de minister. Daarna bieden we nog de ruimte voor een
ronde interrupties.
De minister vervolgt zijn beantwoording.
Minister Van Oosten:
Mogelijk zitten die vragen bij het kopje jaarwisseling of bij andere
relevante onderdelen. Dat weet ik nu even niet.
Mevrouw Michon-Derkzen vroeg naar het handhavingsplan: wanneer kunnen we
dat verwachten? Er wordt momenteel gewerkt aan het aanpassen van het
handhavingsplan naar aanleiding van de AMvB die de staatssecretaris
afgelopen vrijdag met uw Kamer heeft gedeeld. Daarnaast nemen we in het
handhavingsplan de ervaringen van de jaarwisseling mee. Waar mogelijk
neem ik dan ook de positionpaper en de opmerkingen in de positionpaper
van de politievakbonden mee. Ik streef ernaar dat binnen een maand, zeg
maar even eind volgende maand, met uw Kamer te hebben gedeeld. Dat is
ook nodig, want we zullen daar best nog wel met elkaar over willen
discussiëren en we zullen er ook op tijd mee moeten beginnen.
Mevrouw Bikker vraagt naar het Europese verband als het gaat om
vuurwerkwapens et cetera. Ik heb u er eerder over geïnformeerd dat ik
mij in Europees verband, in het bijzonder met mijn Franse en Zweedse
collega, inzet om dit op de agenda te houden. Ons hoofddoel is een
wijziging van de Pyrorichtlijn. We willen naast strengere
productie-eisen ook aanvullende maatregelen op Justitie en Veiligheid.
Dat doen we door in gesprek te gaan met de Commissie, collega-ministers
et cetera. Dat heeft ook al wel succes gehad, want de evaluatie van de
richtlijn en de aanvullende studie van de Europese Commissie hebben tot
gevolg gehad dat het in Raadsconclusies is verwerkt, dat er aandacht is
van de ministers van Justitie en van BZK en dat het prioriteit heeft
gekregen in het Parlement. Ik heb het punt ook zelf opgebracht toen ik
bij Europarlementariërs in Brussel was. De volgende stap is dat de
Commissie moet besluiten over de herziening van de richtlijn. Dus dat
onderwerp is absoluut niet vergeten. Maar ja, we kunnen het ook niet
zomaar afdwingen in Europees verband. Maar het heeft dus wel onze
voortdurende aandacht.
Mevrouw Mutluer vraagt naar de 15.000 incidenten. Die staan in feite
centraal in de discussie die we vandaag met elkaar hebben. Die
incidenten beperken zich, zegt mevrouw Mutluer terecht, niet tot de
jaarwisseling. Ik ben het verder met haar eens dat het aantal incidenten
onverminderd hoog blijft. En … Nou ja, alle punten die we net hebben
gewisseld, zouden een bijdrage moeten leveren aan het aanpakken en
terugdringen ervan.
Mevrouw Bikker zegt dat bij wangedrag soms een waarschuwingsbrief wordt
verstuurd. Dat had ik zelf kunnen zeggen bij het bestuursrechtelijke,
want ik vind dat het daar eigenlijk een onderdeel van is. In die zin is
het niet echt bestuursrechtelijk maar wel iets wat echt door de lokale
overheden kan worden gedaan. Ik denk dan aan bezoeken aan jongeren
thuis, het afgeven van preventieve waarschuwingen et cetera. Maar het is
wel aan de burgemeester om dat te doen. Ik weet echter dat veel
burgemeesters — ik weet eigenlijk niet welke burgemeester dat niet zou
zijn — daartoe zeer gemotiveerd zijn.
Mevrouw Van der Werf refereert aan de politiebonden en aan hun eerdere
verzoeken om een vuurwerkverbod, die soms al jaren teruggaan. Ik wil
niet te veel recenseren hoe het hier in het verleden allemaal is
gelopen, want ik ben hier pas later ingevlogen, maar het is natuurlijk
wel zo dat op 3 april 2025 de motie-Eerdmans/Van der Plas is ingediend.
Daarin wordt verzocht het vuurwerkverbod niet voor '26 in te laten gaan,
vanwege al het vuurwerk dat zou zijn ingekocht door de vuurwerkbranche.
Maar nogmaals, mijn inzet is gericht op de toekomst. Daarom wil ik nu
met elkaar organiseren dat dat goed gaat.
De heer Markuszower stelde de vraag hoe het hele proces rondom vuurwerk
zit, maar volgens mij heb ik dat al wel verteld. Uw Kamer gaat naar
aanleiding van de verzwaarde voorhangprocedure rondom de AMvB hier in
ieder geval nog over spreken. Het handhavingsplan heb ik u toegezegd.
Verder wordt de nadeelcompensatie door het ministerie van IenW
opgepakt.
Mevrouw Kustić vraagt naar het vuurwerkverbod. Zij wil duidelijke
normstelling en zegt dat het aan de politiek is om de samenleving daarin
mee te nemen.
De voorzitter:
Minister, het is lid Kostić!
Minister Van Oosten:
O, Kostić. Excuus. Daar bent u! Excuus.
Het is volgens haar aan de politiek om de samenleving daarin mee te
nemen. Daarmee ben ik het eens. Het is aan ons allemaal, denk ik, om dat
te doen. De heer Struijs gaf dat ook aan. Het zal echt nog wel wat jaren
nemen voordat je die hele transitie hebt doorgewerkt. We kunnen er later
nog een discussie over voeren, maar tegelijkertijd ben ik er ook van
overtuigd dat de meeste mensen in Nederland, misschien met een beetje
pijn in het hart, het ook niet meer doen op het moment dat het niet meer
mag. Ik kan mezelf als voorbeeld geven, want ik heb altijd heel graag
een vuurwerkpijl de lucht in geschoten. En dan schreef ik op dat houtje
wat ik dat jaar niet meer wilde. We hadden dan de hele avond plezier
door daar een discussie over te hebben. Toen mocht dat niet meer en dat
snapte ik ook, want ik weet ook wat het effect van misbruik op de
politie en anderen is. Daarna heb ik het dus ook nooit meer gedaan. Ik
weet zeker dat er heel veel mensen zijn zoals ik, die daarnaar
luisteren. De heer Struijs gaf al het voorbeeld van die fles whisky
tegen zijn hoofd; ik vind het heel ernstig om dat te horen. Zo zijn er
helaas heel veel voorbeelden. Het ligt dus bij ons allemaal.
Mevrouw Michon-Derkzen vraagt naar de update van het handhavingsplan.
Daar heb ik het al over gehad.
Dan de andere relevante onderwerpen; ik hoop dat daar de vragen van
mevrouw Faber nog bij zitten.
Mevrouw Straatman stelde een vraag over nieuwe vormen van geweld. Dat
zag op dat preventieprogramma.
Er is gevraagd naar concreet handelingsperspectief bij mensen met
onbegrijpelijk gedrag. U voert op 12 februari een debat met elkaar over
verward en onbegrepen gedrag, waar ik in uw bijzijn mag spreken samen
met de collega's van Binnenlandse Zaken en van VWS. Om de werklast van
de politie verder te verlagen wordt er gewerkt aan verbeteringen rondom
meldingen, vroegsignalering en triage en aan verbeterde
samenwerking.
Mevrouw Michon-Derkzen vraagt naar een toelichting op het rapport over
daderprofielen. Die heb ik eigenlijk al gegeven. U kunt het ook allemaal
lezen: veelal mannen, relatief jong, 30% afgelopen jaar geregistreerd
vanwege onbegrepen gedrag, kwetsbare sociale achtergrond. In die zin is
dat heel nuttig om te weten, maar mevrouw Michon-Derkzen heeft deels ook
wel gelijk: voor een deel verrassen de momenten waarop het plaatsvindt
ook weer niet. Ik blijf dus nog steeds met een paar vragen zitten; daar
ben ik eerlijk in. Maar het is ook goed om het vastgesteld te hebben.
Dus qua inhoud heb ik geen enkele kritiek op het rapport; het is meer
dat ik zelf dus nog steeds zoekende ben.
Mevrouw Faber vraagt — daar zal die vraag misschien zijn — naar het
denaturaliseren. In algemene zin is een onherroepelijke strafrechtelijke
veroordeling nodig om verblijf in te trekken. Mevrouw Faber weet, denk
ik, als geen ander hoe dat verloopt. Bij intrekking van Nederlanderschap
gelden heel hoge eisen; ik verwijs naar terrorismewetgeving et cetera.
Ik wijs er bovendien op dat, nog even los van de vraag of je het zou
moeten willen — ik vind dat nu de vraag centraal zou moeten staan hoe we
ervoor zorgen dat het geweld tegen hulpverleners wordt aangepakt en
bestraft en dat deze daders een les leren — het natuurlijk heel vaak
mensen betreft die hier zeg maar als bloemkool uit de klei getrokken
zijn en waarbij een denaturalisatieproces dan ook geen enkele meerwaarde
zou bieden. We kunnen dit voor een deel ook teruglezen in het rapport
dat u gisteren allemaal heeft ontvangen.
Dan vroeg mevrouw Faber nog of ik bereid ben om het leger in te zetten;
ik meen dat mevrouw Coenradie er ook naar vroeg. Het formele antwoord is
dat dat al gebeurd is, want de marechaussee is in Amsterdam opgetreden
en zoals u weet, vormt die onderdeel van het leger. Maar goed, in zijn
algemeenheid worden alleen in uitzonderlijke situaties en onder strikte
voorwaarden andere onderdelen van Defensie ingezet. Ik mag u vertellen
dat ik zelf bij de politie Midden-Nederland, waar van Emmeloord tot
Amersfoort tot Utrecht alles werd bijgehouden, zag wat er gebeurde:
werkelijk elke ME-colonne werd ingezet en in the end hielden we alleen
het ME-peloton van de marechaussee achter de hand voor de dag erna. Dat
is echt heel, heel, heel ernstig. Maar goed, daar hoef ik u niet van te
overtuigen, want daarom staan we hier vanavond met elkaar.
Over de concrete inzet van de politiecapaciteit hebben we het al
gehad.
Mevrouw Dobbe had het over nazorg bij de beroepsziekte PTSS maar ook op
andere momenten. Ik kan u vertellen dat bij de politie naast het nieuwe
stelsel voor beroepsgerelateerde gezondheidsklachten het programma
Specifieke Aandacht en Zorg is opgericht voor de doorontwikkeling
richting een hoge preventie van PTSS. Er wordt altijd aandacht besteed
aan debriefings en aan collegiale ondersteuning. Politiemedewerkers
worden soms drie of vier weken later nog uitgenodigd voor een
groepsgesprek met een psycholoog.
Mevrouw Dobbe vraagt ook nog naar een relatie tussen geweld tegen
hulpverleners en brede maatschappelijke oorzaken. Eigenlijk hadden we
het daar eerder al over. Ik kan geen specifieke uitspraken daarover
doen, maar wat mij betreft rechtvaardigt geen enkele omstandigheid dat
je geweld pleegt.
Voorzitter. Daarmee meen ik alle vragen beantwoord te hebben.
De voorzitter:
Ik geef ruimte voor een enkele interruptie. Dat betekent één interruptie
in tweeën. Mevrouw Faber.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik dacht toch dat de voorzitter had toegezegd dat we nog ruimte zouden
krijgen voor onze vragen.
De voorzitter:
Bij dezen.
Mevrouw Faber (PVV):
Goed. Ik zal beginnen bij het denaturaliseren. De minister geeft aan dat
er ook mensen zijn die uit de klei zijn getrokken die dat soort dingen
doen. Dat klopt; dat zal ik ook niet ontkennen. Maar in het rapport van
Ipsos — dat heb ik nog bestudeerd — gaat het over de verdachten en
daders inzake geweld tegen hulpverleners. Als er wordt gekeken naar de
herkomst op basis van geboorteland van de persoon of van de ouders, dan
zien we dat de verdachte daders met Poolse, Marokkaanse, Eritrese,
Somalische en Surinaamse achtergrond oververtegenwoordigd zijn. Dat
staat er dus gewoon in. Als we dan kijken naar de voetbalrellen, dan
zien we dat dat de supporters van Marokko betreft. Ik denk niet dat dat
dan de Hollandse Jan is die uit de klei is getrokken. Vandaar dat ik
begon over denaturalisatie. De minister zegt dat het allemaal heel
moeilijk is. Het is ook niet altijd eenvoudig, maar we zitten ook niet
hier omdat het eenvoudig is. We kunnen gewoon het Europees Verdrag
inzake nationaliteit opzeggen. Die mogelijkheden zijn er. We kunnen de
nationale wetgeving aanpassen door middel van een spoedwet. Dat kan
gewoon.
Minister Van Oosten:
Ja, maar deze minister gaat dat niet op die manier inzetten. Ik wil echt
niet ontkennen dat er ook mensen zijn met een achtergrond van buiten
Nederland gelegen die zich schuldig maken aan geweld. Het is terecht dat
mevrouw Faber daarop wijst. Er zijn een aantal verdachte daders met
profielen uit andere geboortelanden. Dat wil ik ook niet onder stoelen
of banken steken, maar — dan spreek ik meneer Struijs na, die dat
volgens mij voortreffelijk zei; nu haal ik u voor de tweede keer aan —
in the end interesseert het mij geen ene lor waar iemand vandaan komt.
Maar het gaat me wel interesseren als je je hier, om te beginnen,
hufterig gedraagt. Dat is onderdeel één van het debat. Ik vind dat dat
hier niet past. Nog erger vind ik het wanneer je geweld tegen onze
politieagenten gebruikt. Dan past daar een straf bij. Nou, daar hebben
we het met elkaar over gehad. Dan moet je ook nadenken — daarbij kan het
daderprofiel natuurlijk helpen — over hoe je daar misschien nog iets in
kunt betekenen. Mevrouw Dobbe vroeg er ook naar. Soms is het
bijvoorbeeld een sociale kwetsbaarheid die dit mogelijk maakt. Zo kijk
ik ernaar.
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Faber (PVV):
De minister geeft aan dat het niet uitmaakt waar ze vandaan komen. Nee,
het maakt niet uit wie het doet; diegene moet bestraft worden. Maar je
ziet dus dat deze mensen oververtegenwoordigd zijn als dader. Er wordt
hier gevraagd wat dan de oorzaken zijn. Dit is een van de oorzaken: we
hebben gewoon een cultuurverschil. Op het moment dat we er een paar
denaturaliseren, is het gewoon afgelopen. Dat is gewoon een oplossing.
Dan hoeven we niet meer al die schillen op te bouwen en al die moeilijke
dingen te doen. Dit is gewoon één ding. Als je gewoon laat zien
"jongens, dit gaan we niet pikken; je gaat gewoon naar huis", dan is het
gewoon afgelopen.
Minister Van Oosten:
Ik heb niks toe te voegen. Mevrouw Faber legt een veronderstelling voor,
en die kan ik niet staven met de feiten. Ik neem kennis van de
opmerkingen van mevrouw Faber.
De voorzitter:
De digitale schandpaal, minister.
Minister Van Oosten:
Een digitale schandpaal hebben we niet zo, maar er zijn wel
mogelijkheden …
De voorzitter:
Het mag ook in de tweede termijn, want de leden hebben ook nog een
tweede termijn.
Minister Van Oosten:
Als dat kan, graag. Ik wil het even precies zeggen. Ik heb een goed
antwoord op wat we wel kunnen doen, maar dat ben ik even kwijt.
De voorzitter:
De schandpaal komt in de tweede termijn, in welke vorm dan ook. Mevrouw
Straatman.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik hoop niet dat ik daarop sta. Ik heb nog een hele concrete vraag over
het toenemend aantal vormen van onlinegeweld, tegen hulpverleners of in
brede zin. Ik noemde het voorbeeld van de AI-app Grok, dat heel actueel
is, denk ik. Verschillende landen hebben al hele vergaande stappen gezet
om de internettoegang daartoe te verbieden. Neem de Filippijnen,
Indonesië, Australië en Engeland. Dat is een heel concreet punt. Wat
gaat de minister doen om dat hier ook zo snel mogelijk voor elkaar te
krijgen?
Minister Van Oosten:
Dat had ik beter moeten zeggen in uw richting. Een goede analyse is van
belang om de effectiviteit van de aanpak zo groot mogelijk te maken. Het
kwam recent natuurlijk ook weer voorbij met allerlei apps waar we van
alles over kunnen vinden, ook in negatieve zin. Daar heb ik mij ook
publiekelijk zo over uitgelaten. Ik heb in december een onderzoek
gedeeld met de Kamer dat laat zien dat het nodig is om breed in te
zetten op de aanpak van online uitingen. Dit voorjaar wordt u
geïnformeerd over de vervolgstappen op basis van de aanbevelingen.
Daarin ga ik specifiek dit punt rondom die nieuwe AI-tools meenemen,
voor zover dat nog niet is gebeurd, want die informatie is ook weer van
iets latere datum. Ik zeg u er wel bij, zoals ik publiekelijk ook heb
aangegeven, dat het best wel complexe materie is. Maar het is een zeer
aangelegen thema om mee aan de gang te gaan.
De voorzitter:
Mevrouw Dobbe, kort.
Mevrouw Dobbe (SP):
Heel kort. In mijn inbreng heb ik ook gevraagd naar de aanbevelingen van
het WODC wat betreft nazorg. Deze minister gaat heel kort in op nazorg
voor politiemensen, maar nog niet op de aanbevelingen van het WODC. Maar
mijn vraag was nog breder. Dat WODC-rapport gaat over hulpverleners, dus
ook over brandweermensen en ambulancepersoneel. Volgens mij moeten we
dit onderwerp niet opknippen als het gaat over geweld tegen
hulpverleners. Daar zou ik nog wel een reflectie van deze minister op
willen.
Minister Van Oosten:
Maar die kan ik u nu niet zo precies geven als die ten aanzien van de
politie, want die informatie heb ik niet. U heeft wel recht op de goede
informatie. Als het heel klein en handzaam kan, kom ik daar in de tweede
termijn nog op terug. Anders zoek ik een andere weg, via een
commissiebrief of iets dergelijks, om u dat te vertellen. Ik weet
namelijk dat het onderwerp PTSS als voorbeeld ook op andere momenten nog
voorbij gaat komen.
De voorzitter:
Ik dank de minister voor zijn beantwoording in de eerste termijn. Ik
geef het woord aan mevrouw Michon-Derkzen voor haar inbreng in de tweede
termijn. Ik wijs erop dat er zeer beperkt ruimte is voor debat: u mag
elkaar maximaal één keer interrumperen, maar het hoeft niet.
Mevrouw Michon-Derkzen.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Voorzitter. We zijn natuurlijk als was in uw handen wat betreft de klok,
maar ik vind het wel heel goed en belangrijk dat we vandaag uitgebreid
bij dit onderwerp stilstaan.
Ik heb een aantal moties. Ik vind dat we meer en sneller informatie
moeten hebben over het handelen van het OM op dit belangrijke onderwerp.
Vandaar deze motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat uit WODC-onderzoek en een reportage van Zembla blijkt
dat de 200% strafeisverhoging bij geweld tegen personen met een publieke
taak nauwelijks wordt gehanteerd;
overwegende dat exacte cijfers over hoe vaak een 200% hogere strafeis
wordt gehanteerd en hoe vaak dit wordt opgelegd niet eenduidig is af te
leiden uit de systemen van het Openbaar Ministerie en de
rechtspraak;
van mening dat de 200% strafeisverhoging nodig is om steviger te
normeren en pal achter de politie en hulpverleners te staan;
verzoekt de regering jaarlijks de Kamer te informeren over:
de totale aantallen aangiften van GTPA-feiten (Geweld tegen Politie Ambtenaren) en VPT-feiten (Veilige Publieke Taak);
het aantal keren dat het OM bij deze zaken het uitgangspunt van de 200% strafeisverhoging in hun eigen richtlijn heeft gehanteerd;
het aantal keren dat de rechter vervolgens besloot tot het opleggen van deze strafeis;
het aantal sepots;
de nakoming van de afspraken over de doorlooptijd in de keten,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Michon-Derkzen, Coenradie en
Struijs.
Zij krijgt nr. 820 (28684).
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Dan heb ik nog een motie.
De voorzitter:
Snel, snel, snel, snel!
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de mensen die een publieke taak uitvoeren onze
samenleving draaiend houden en dat zij te maken krijgen met toenemende
agressie in dit werk;
constaterende dat de werkgever te allen tijde verantwoordelijk is voor
een veilige werkomgeving van de werknemer;
overwegende dat er een bijzondere verantwoordelijkheid bestaat voor de
mensen die een publieke taak uitvoeren;
van mening dat de decentrale bestuurder als publieke werkgever voor
volksvertegenwoordigers kan optreden;
verzoekt de regering om te verkennen om wettelijk vast te leggen dat de
publieke werkgever:
áltijd aangifte doet namens de werknemer;
een intern meldingssysteem heeft om een incident te melden;
via een eenduidig digitaal format het leeuwendeel van de aangifte zelf kan invullen;
de schade verhaalt, zowel van het slachtoffer als van de organisatie zelf,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Michon-Derkzen, Bikker en
Struijs.
Zij krijgt nr. 821 (28684).
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Ik had ook nog een motie over de jaarwisseling, maar daar heeft de
minister een toezegging op gedaan. Die laat ik dus achterwege.
De voorzitter:
Daar was ook geen tijd meer voor geweest.
Het woord is aan mevrouw Mutluer, voor haar inbreng namens
GroenLinks-Partij van de Arbeid.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Dank, voorzitter. Ik heb een drietal voorstellen.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat agressie en geweld tegen politie en hulpverleners
aanhoudt en grote impact heeft op hun veiligheid;
constaterende dat de OM-richtlijn ruimte biedt voor een tot 200% hogere
strafeis bij geweld tegen personen met een publieke taak, maar dat voor
betrokkenen en samenleving onvoldoende inzichtelijk is wanneer deze
mogelijkheid wel of niet wordt toegepast;
verzoekt de regering in overleg te treden met het OM om te bezien hoe
het wel of niet toepassen van de 200% strafeisverhoging bij geweld tegen
personen met een publieke taak transparanter en beter uitlegbaar kan
worden gemaakt, bijvoorbeeld via het principe van "comply or explain",
en de Kamer hierover te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Mutluer en Straatman.
Zij krijgt nr. 822 (28684).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de Taskforce Onze hulpverleners veilig aantoonbaar
bijdraagt aan de bescherming en ondersteuning van politie, boa's en
brandweer bij agressie en geweld;
verzoekt de regering om de opgedane ervaringen uit de taskforce, onder
regie van Justitie en Veiligheid en samen met BZK en betrokken partners,
uit te werken tot een rijksprogramma ter bescherming van hulpverleners,
en de Kamer hierover te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Mutluer, Diederik van Dijk,
Bikker en Kostić.
Zij krijgt nr. 823 (28684).
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Tot slot.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat geweld tegen hulpverleners en agenten zich vooral
voordoet tijdens voorspelbare risicomomenten;
verzoekt de regering met betrokken partijen te bezien of en hoe het
beschikbare civielrechtelijk, bestuursrechtelijk en strafrechtelijk
instrumentarium — waaronder gebiedsverboden, huisarrest en (digitale)
meldplicht — bij deze risicomomenten eenduidiger en gerichter kan worden
toegepast, en wat daarvoor nodig is in beleid, wetgeving en/of
uitvoering, en de Kamer hierover te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Mutluer en Straatman.
Zij krijgt nr. 824 (28684).
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Met zeven minuten in de min … Seconden!
De voorzitter:
Dank u wel. Ja, dat doet u beter dan mevrouw Michon-Derkzen. Het woord
is aan mevrouw Straatman voor haar inbreng in tweede termijn namens het
CDA.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dank, voorzitter. Ik heb er maar één, dus ik ga het proberen.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat geweld tegen politie, hulpverleners en andere personen
met een publieke taak een structureel probleem is, met in 2024 meer dan
12.000 incidenten;
constaterende dat geweld tegen hulpverleners vaak samenhangt met een
gebrek aan normbesef en inzicht in de gevolgen van eigen gedrag;
overwegende dat een effectieve aanpak van geweld tegen politie en
hulpverleners vraagt om een combinatie van handhaving, normstelling en
preventie, waaronder het vergroten van bewustwording over de
maatschappelijke gevolgen van geweld;
overwegende dat educatieve maatregelen in andere contexten, zoals bij
rijden onder invloed, bijdragen aan gedragsverandering en normbesef, en
dat een vergelijkbare maatregel bij geweld tegen hulpverleners herhaling
kan voorkomen;
verzoekt de regering te onderzoeken of bij geweld tegen politie,
hulpverleners en andere personen met een publieke taak een verplichte
educatieve maatregel kan worden ingezet, gericht op bewustwording van de
maatschappelijke gevolgen van dit geweld;
verzoekt de regering voor de zomer van 2026 de Kamer te informeren over
de uitkomsten van dit onderzoek,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Straatman, Mutluer, Dassen, Van
der Werf, Diederik van Dijk, Bikker, Kostić en Struijs.
Zij krijgt nr. 825 (28684).
Dank u wel, mevrouw Straatman. Het woord is aan mevrouw Bikker in tweede termijn namens de ChristenUnie. Gaat uw gang.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Voorzitter. Dank aan de minister voor de beantwoording. Ik heb een
tweetal moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat geweld tegen politie en andere hulpverleners toeneemt,
en op alle mogelijke manieren teruggedrongen dient te worden;
constaterende dat verschillende gemeenten, zoals Urk en Deventer, goede
ervaringen hebben met het opleggen van een bestuursrechtelijke last
onder dwangsom, vaak bovenop strafrechtelijke vervolging;
overwegende dat een dergelijke bestuurlijke boete, bovenop de
strafrechtelijke aanpak, herhaling voorkomt, omdat in dat geval een
boete van vele duizenden euro's betaald moet worden;
verzoekt de regering de goede ervaringen met het opleggen van een last
onder dwangsom bij sommige gemeenten breder uit te werken, zodat
relschoppers en hooligans in alle Nederlandse gemeenten hiermee
geconfronteerd zullen worden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Bikker, Michon-Derkzen, Diederik
van Dijk, Dobbe, Struijs, Straatman, Markuszower en Van der Plas.
Zij krijgt nr. 826 (28684).
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
De motie is medeondertekend door de collega's Michon-Derkzen, Diederik
van Dijk, Dobbe, Struijs, Straatman en Markuszower.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat jaar na jaar geweldpleging gedurende oud en nieuw
ernstige vormen aanneemt, met grote gevolgen voor betrokken agenten en
hulpverleners;
constaterende dat de toename van agressief gedrag bovendien ook op veel
andere momenten in het jaar door steeds meer Nederlanders ervaren
wordt;
overwegende dat ouders verantwoordelijk zijn voor hun minderjarige
kinderen;
overwegende dat verschillende gemeenten en burgemeesters juist daarom de
ouders betrekken als de kinderen over de schreef gaan;
overwegende dat ouders die wel meer betrokken kunnen zijn op de
opvoeding maar niet willen, meer dwingend moeten worden benaderd;
overwegende dat de Kamer eerder middels de motie-Dral (24587, nr. 1062)
heeft verzocht om een verkenning van dwangmiddelen jegens ouders;
verzoekt de regering meer aandacht en zo nodig dwingende invulling te
geven aan de betrokkenheid van ouders indien minderjarigen structureel
overlast veroorzaken en hiervoor in het najaar een strategie te
presenteren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Bikker, Coenradie,
Michon-Derkzen, Diederik van Dijk, Kostić, Van der Werf, Struijs,
Straatman en Markuszower.
Zij krijgt nr. 827 (28684).
Mevrouw Van der Plas (BBB):
De motie op stuk nr. 826 zou ik heel graag willen meetekenen. De motie
op stuk nr. 827 moet ik nog even goed bekijken. Misschien dat ik die ook
meeteken, maar dat kan dan later wel. Maar de eerste motie, waarin mijn
prachtige woonplaats Deventer wordt genoemd, zou ik graag mee willen
tekenen.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
In de herberg van de ChristenUnie zijn vele plaatsen.
De voorzitter:
Dan zorgen wij dat dat administratief in orde komt.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Ik heb toch even een vraag over de voorstellen over ouderbetrokkenheid.
Ik vind het belangrijk dat ouders te allen tijde betrokken zijn bij wat
hun kinderen doen, maar in een van de voorstellen van mevrouw Bikker
staat dat het dwingende karakter ook moet worden onderzocht. Ik meen me
te herinneren dat daar in Rotterdam mee is geëxperimenteerd door de
toenmalige burgemeester, door boetes uit te delen aan ouders, maar dat
ze werden teruggefloten door de rechter. Hoe kijkt ze daarnaar?
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Daarom vraag ik de minister nu uitdrukkelijk om ook de motie-Dral te
betrekken, die al eerder heeft verzocht om dwingende mogelijkheden
richting ouders verder te onderzoeken. Het lijkt me dus dat er al
voorwerk is gedaan. Dat is één. Als dat betekent dat er wetgeving moet
worden aangepast, dan kan de minister dat meenemen in de strategie die
ik hem vraag te presenteren. Waar het mij om te doen is, zijn ouders die
wel kunnen opvoeden, maar dat niet doen en die vervolgens eigenlijk geen
verantwoordelijkheid nemen voor de grote gevolgen die het heeft. Dat
vind ik belangrijk. Het is toch eigenlijk van de zotte dat als jij een
kind hebt van een jaar of 12, 13 en dat om halfvier 's nachts nog weg
is, je dat niet weet of je daar niet ingrijpt? Ik vind het dus echt
belangrijk dat we daarbij op een andere manier het gesprek gaan voeren
met deze ouders. En het liefst leer je goedschiks, maar als het niet
anders gaat, dan maar kwaadschiks.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Bikker. Het woord is aan mevrouw Faber voor haar
inbreng in tweede termijn namens de PVV.
Mevrouw Faber (PVV):
Voorzitter. Ten eerste wil ik de minister bedanken voor zijn
beantwoording. Nou ja, ik begin maar met de moties. Laten we het zo maar
doen.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de politie verantwoordelijk is voor de handhaving van
de openbare orde;
constaterende dat er de afgelopen jaren een groeiende trend is van
geweld gericht tegen politieagenten en hulpverleners en het hen haast
onmogelijk wordt gemaakt hun werk uit te kunnen voeren;
constaterende dat de geweldsmiddelen van de politie in bepaalde
situaties tekortschieten en de veiligheid niet te allen tijde kan worden
gewaarborgd;
van mening dat de politie ondersteuning van het leger dient te hebben,
zodat de politie haar werk kan uitvoeren;
verzoekt de regering in het geval dat de politie niet meer in staat is
om haar werk uit te voeren ten bate van de openbare veiligheid, ter
ondersteuning het leger in te zetten zodat de politie wel in staat is
haar werk uit te voeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Faber.
Zij krijgt nr. 828 (28684).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat het tijdens openbare-ordeverstoring in diverse gevallen
het niet altijd mogelijk is om verdachten aan te houden en eventueel te
vervolgen;
overwegende dat in het geval het niet mogelijk is om verdachten aan te
houden, maar het wel mogelijk is om hen op digitale beelden vast te
leggen;
overwegende dat deze beelden gepubliceerd kunnen worden met gebruik van
een digitale schandpaal, hetgeen niet alleen een mogelijkheid tot
opsporing geeft, maar ook een afschrikkende werking heeft;
verzoekt de regering een digitale schandpaal te creëren om verdachten op
te kunnen sporen en af te schrikken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Faber.
Zij krijgt nr. 829 (28684).
Mevrouw Faber (PVV):
Dan de volgende motie. Die dien ik in samen met de heer Diederik van
Dijk.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat het OM in de straftoemeting voor een delict betreffende
agressie of geweld tegen personen met een publieke functie in beginsel
een verzwaringsfactor van 200% hanteert;
overwegende dat agressie en geweld tegen onze hulpverleners zeer hoog
moet worden opgenomen en dat het van belang is dat het OM ook
daadwerkelijk gebruikmaakt van de verzwaringsfactor in haar
strafeis;
verzoekt de regering een overzicht te verstrekken inzake delicten
gepleegd tijdens de jaarwisseling met daarin opgenomen het soort delict,
de strafeisen van het OM, opgelegde straffen, uitgevoerde straffen en de
gehanteerde verzwaringsfactor,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Faber en Diederik van
Dijk.
Zij krijgt nr. 830 (28684).
Mevrouw Faber (PVV):
Dan …
De voorzitter:
Nee, nee, nee. Dat was het. Dat was uw spreektijd.
Mevrouw Faber (PVV):
Nee, want ik heb nog twee moties. Die mag ik gewoon indienen.
De voorzitter:
Ja, maar u heeft geen spreektijd meer om ze in te dienen.
Mevrouw Faber (PVV):
Ja, nee. Ho.
De voorzitter:
Dat is wat het is. Dat geldt voor iedereen. U was eigenlijk bij de
laatste motie al ver over de tijd heen. Dat gold ook voor mevrouw
Michon-Derkzen.
Mevrouw Faber (PVV):
Ja, maar ik heb hier nog twee moties. Ik bedoel …
De voorzitter:
Ja, maar geen spreektijd meer.
Mevrouw Faber (PVV):
Wilt u alstublieft coulance geven hier?
De voorzitter:
Nee, want dan moet ik het bij iedereen doen.
Mevrouw Faber (PVV):
Als ik het had geweten, dan had ik de volgorde van de moties
veranderd.
De voorzitter:
Maar u heeft de tijd op het scherm staan, mevrouw Faber.
Mevrouw Faber (PVV):
Daar heb ik helemaal niet op gelet, want ik moest zo snel oplezen.
De voorzitter:
Voor de volgende keer. Ik hoor dat u maandag een WGO heeft en volgende
week is er een begrotingsdebat JenV.
Mevrouw Faber (PVV):
Nee, laat mij alstublieft deze …
De voorzitter:
Nee, gaan we niet doen. We gaan mevrouw Van der Plas het woord
geven.
Mevrouw Faber (PVV):
Ja, maar dit gaat over denaturaliseren van Marokkanen en over openbare
orde. Ik vind dat dat echt niet kan. Het is echt geen opzet.
De voorzitter:
Nee. Dit is écht hoe we het doen, mevrouw Faber.
Mevrouw Faber (PVV):
Als ik dit had geweten, had ik namelijk de volgorde van de moties
omgedraaid. Ik was me hier niet van bewust en ik vraag u toch enige
coulance.
De voorzitter:
Nee, dat gaan we niet doen.
Mevrouw Faber (PVV):
Dan wil ik een ordevoorstel doen. Laten we dan stemmen over of het wel
of niet mag.
De voorzitter:
U mag een ordevoorstel doen. Mevrouw Faber doet het ordevoorstel om de
motie alsnog te mogen indienen.
Mevrouw Faber (PVV):
Twee moties.
De voorzitter:
Ik kijk of daar steun voor is.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Voorzitter. Zo werkt dat niet. Anders ga ik daar zo meteen staan en zeg
ik: ik heb 1.000 moties; wilt u mij coulance geven om die in te
dienen?
De voorzitter:
Nee. Zo is dat.
Mevrouw Faber (PVV):
Ja, maar ik was me er niet van bewust. Het was absoluut geen opzet.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ja, maar dat is wel gewoon de orde hier en dat kan je gewoon opzoeken.
Dus geen steun.
De voorzitter:
Geen steun. De heer Markuszower.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Ik vind dat als mevrouw Faber de Kamer kan beloven dat ze zich beter
verdiept in de procedures hier, we haar best één keer coulance kunnen
gunnen.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Voorzitter, we maken allemaal fouten en inmiddels hebben we het er ook
al vijf minuten over, dus die twee minuten kunnen er echt nog wel bij.
Steun.
De voorzitter:
Maar ik ga eigenlijk over de orde en ik zie dat er geen meerderheid voor
is. Mevrouw Faber, ik bedank u. Het woord is aan mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Faber, het woord is aan mevrouw Van der Plas. Mevrouw Van der
Plas, ik nodig u uit voor uw tweede termijn. Mevrouw Van der Plas,
mevrouw Van der Plas, u heeft het woord.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank u wel.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er bij de wetsbehandeling Wet veilige jaarwisseling
een amendement is aangenomen (35386, nr. 16) waarin drie voorwaarden
worden gesteld voordat een vuurwerkverbod in werking kan treden;
constaterende dat burgemeesters van grote steden aangeven dat handhaving
onmogelijk is en dat hiermee dus niet kan worden voldaan aan een van de
voorwaarden gesteld in het amendement;
constaterende dat een compensatieregeling verre van in zicht is en
daarom niet kan worden voldaan aan een van de voorwaarden gesteld in het
amendement;
verzoekt de regering het vuurwerkverbod voor de jaarwisseling 2026-2027
niet in te laten gaan,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.
Zij krijgt nr. 831 (28684).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat agenten bij escalaties vaak onvoldoende middelen
hebben om zichzelf effectief te beschermen;
overwegende dat het huidige arsenaal van wapenstok en vuurwapen niet
altijd proportioneel of veilig inzetbaar is bij geweldsincidenten;
constaterende dat een luchtdrukwapen dat zogenoemde beanbags afvuurt een
proportioneel middel biedt om agressors uit te schakelen zonder blijvend
letsel;
verzoekt de regering dit luchtdrukwapen op te nemen in de pilot voor
nieuwe geweldsmiddelen voor de politie,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.
Zij krijgt nr. 832 (28684).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat agenten die geweldsmiddelen gebruiken bij escalaties
vaak langdurig en intensief worden onderzocht, waardoor hun functioneren
wordt belemmerd en de bereidheid om adequaat op te treden afneemt;
overwegende dat dit de veiligheid van zowel hulpverleners als burgers in
gevaar kan brengen;
verzoekt de regering maatregelen te treffen zodat agenten die
verantwoord gebruikmaken van geweldsmiddelen, waaronder in de toekomst
mogelijk luchtdrukwapens, niet worden geconfronteerd met langdurige
belastende onderzoeken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.
Zij krijgt nr. 833 (28684).
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Van der Plas. Het woord is aan de heer Diederik van
Dijk voor zijn inbreng in tweede termijn namens de SGP.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb twee moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het Wetboek van Strafrecht een strafverzwaringsgrond
kent voor geweld tegen personen met een publieke taak, waaronder politie
en andere hulpverleners;
overwegende dat de toepassing van deze strafverzwaringsgrond in de
strafvorderlijke praktijk niet consistent plaatsvindt;
van mening dat het eisen van de verhoogde strafmaat bij geweld tegen
hulpverleners de norm dient te zijn en dat daarvan slechts gemotiveerd
mag worden afgeweken;
verzoekt de regering in overleg met het Openbaar Ministerie te
bevorderen dat in een aanwijzing wordt vastgelegd dat bij geweld tegen
hulpverleners standaard de strafverzwaringsgrond wordt geëist en dat
afwijking hiervan uitdrukkelijk en zwaarwegend wordt gemotiveerd, en de
Kamer te informeren over de uitkomst,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Diederik van Dijk, Van der Plas,
Coenradie, Faber en Markuszower.
Zij krijgt nr. 834 (28684).
De heer Diederik van Dijk (SGP):
De tweede motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat politie en ME steeds vaker te maken krijgen met
extreem geweld bij rellen en ernstige verstoringen van de openbare orde
waarbij ook hun eigen veiligheid in gevaar komt;
overwegende dat in omringende landen, zoals Frankrijk en Duitsland,
aanvullende geweldsmiddelen zoals rubberkogels en traangas kunnen worden
ingezet bij zware ordeverstoringen;
verzoekt de regering nadrukkelijk in te zetten op uitbreiding van de
uitrusting van politie en ME met onorthodoxe geweldsmiddelen, naar het
voorbeeld van Frankrijk en Duitsland, teneinde een veiliger en
daadkrachtiger optreden bij rellen en grootschalige ordeverstoringen te
bewerkstelligen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Diederik van Dijk, Coenradie,
Markuszower, Faber en Van der Plas.
Zij krijgt nr. 835 (28684).
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Ik dank u, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Van der Werf voor haar inbreng in
tweede termijn namens D66.
Mevrouw Van der Werf (D66):
Dank, voorzitter. Ik heb één motie, dus ik durf nog snel even een punt
te maken. Ik heb nog enige bezorgdheid over wie die maatregelen en hulp
die de minister noemt, gaat treffen. Want wat doen we nou met mensen die
conducteur zijn, met mensen die op de trein staan? Ik zou het gewoon
zonde vinden als we het gaan afbakenen, zo van: dit ga ik op JenV
regelen en voor de rest moeten mensen zich maar melden.
Voorzitter. Dan ga ik snel mijn motie indienen.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat tijdens de jaarwisseling het aantal
vuurwerkslachtoffers op de spoedeisende hulp met een derde is
toegenomen, en dat onder die slachtoffers veel kinderen en jongeren
zijn;
constaterende dat het geweld tegen politie, brandweer, zorgpersoneel en
andere hulpverleners is toegenomen;
overwegende dat het besluit om de invoering van het vuurwerkverbod uit
te stellen niet heeft bijgedragen aan het tegengaan van de hoeveelheid
schade, agressie en geweld;
verzoekt de regering de Wet veilige jaarwisseling ruim voor de volgende
jaarwisseling van kracht te laten gaan,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van der Werf, Straatman,
Mutluer, Struijs en Kostić.
Zij krijgt nr. 836 (28684).
Dank u wel, mevrouw Van der Werf. Het woord is aan mevrouw Coenradie voor haar inbreng in tweede termijn namens JA21. U heeft 1 minuut 20.
Mevrouw Coenradie (JA21):
1 minuut 20? O God! Sorry ...
De voorzitter:
Zo gaat dat bij debatten die vier minuten duren.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ja, voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat geweld tegen politie en andere hulpverleners zich vaak
concentreert in specifieke situaties en gebieden en gepaard kan gaan met
het gebruik van wapens of gevaarlijke voorwerpen, waaronder zwaar
illegaal vuurwerk;
overwegende dat de pakkans kan worden vergroot door vroegtijdige,
gerichte opsporing en handhaving, waaronder de inzet van extra
politiecapaciteit en tijdelijk preventief fouilleren;
verzoekt de regering ervoor te zorgen dat bij dreigende situaties van
geweld tegen hulpverleners eerder en gerichter extra politiecapaciteit
wordt ingezet en tijdelijk preventief fouilleren wordt toegepast in
aangewezen risicogebieden, met als doel het voorkomen van geweld en het
onderscheppen van gevaarlijke voorwerpen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Coenradie, Diederik van Dijk,
Struijs, Bikker en Markuszower.
Zij krijgt nr. 837 (28684).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het vertrouwen vanuit de samenleving in de politie
zeer hoog is;
overwegende dat de politie dit vertrouwen niet krijgt vanuit de politiek
en andere gezagsdragers;
verzoekt de regering het gezag en het vertrouwen in de politie te
vergroten door de bevoegdheid rondom de inzet van traangas en rubberen
kogels bij de politie/ME te beleggen en niet meer bij de
burgemeester/driehoek,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Coenradie, Struijs en
Markuszower.
Zij krijgt nr. 838 (28684).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het gericht gebruik van zwaar en illegaal vuurwerk een
ernstig en soms levensbedreigend risico vormt voor omstanders en
hulpverleners;
overwegende dat het strafrecht vervolging wegens poging tot doodslag al
mogelijk maakt, maar dit in de praktijk slechts beperkt gebeurt;
verzoekt de regering in overleg met het OM ervoor te zorgen dat bij
gericht gebruik van zwaar vuurwerk tegen of in de directe nabijheid van
personen vaker wordt vervolgd wegens poging tot doodslag,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Coenradie, Struijs en
Markuszower.
Zij krijgt nr. 839 (28684).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat daden ook gevolgen moeten hebben om in een samenleving
normerend op te kunnen treden;
overwegende dat de NPB, ACP en Equipe in hun positionpaper pleiten voor
vormen van meldplicht en huisarrest voor daders van geweld tegen
hulpverleners;
verzoekt de regering om, conform de positionpaper, makkelijker en
sneller gebruik te maken van een (digitale) meldplicht of
huisarrest,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Coenradie, Diederik van Dijk,
Struijs, Bikker, Straatman, Michon-Derkzen en Markuszower.
Zij krijgt nr. 840 (28684).
Mevrouw Coenradie (JA21):
Poeh ...
De voorzitter:
Dank u wel. We weten allemaal hoe het voelt als je zo snel moet spreken,
mevrouw Coenradie. We hebben dit allemaal meegemaakt. Het woord is aan
het lid Kostić.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik houd het kort, want het kabinet moet vooral aan de slag. Dat blijkt
ook als ik de Kamer zo hoor. Ik heb één motie en ben blij dat we ook
hiermee van links tot rechts in meerderheid laten zien dat we bij de
transitie naar een jaarwisseling zonder consumentenvuurwerk openlijk
rugdekking geven aan onze agenten en hulpverleners.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat ondersteuning van handhaving belangrijk is;
overwegende dat tegelijkertijd het consumentenvuurwerkverbod vraagt om
de acceptatie van een nieuwe norm in de samenleving;
constaterende dat het aan de overheid is om, in het belang van de
veiligheid van hulpdiensten, maatregelen te nemen die deze nieuwe norm
stevig inbedden in de samenleving en de transitie soepel te laten
verlopen;
verzoekt de regering om in gesprek te gaan met onder andere
gedragswetenschappers, politie en de VNG over welke maatregelen genomen
kunnen worden om deze nieuwe norm goed te laten landen, en de Kamer
hierover te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Kostić, Struijs, Mutluer, Van
der Werf, Straatman en Michon-Derkzen.
Zij krijgt nr. 841 (28684).
Kamerlid Kostić (PvdD):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de heer Struijs voor zijn inbreng in tweede
termijn.
De heer Struijs (50PLUS):
Voorzitter. Minister, dank voor de antwoorden. Ik hou het helemaal kort,
want ik prijs de fijne samenwerking die ik met collega's in deze Kamer
ervaar, met de vele moties waar ik zelf ook ondertekenaar van ben. Ik
had een motie, maar die houd ik even bij me, want ik heb een te korte
spreektijd. Ik hou me aan de discipline, dus ik breng 'm in een ander
debat in. Die motie gaat over de inzet van middelen versus het vergroten
van de pakkans. Maar dat doe ik in een ander debat.
Nogmaals, dank.
De voorzitter:
Dank u wel. De heer Russcher krijgt het woord voor zijn inbreng in
tweede termijn namens FVD.
De heer Russcher (FVD):
Dank, voorzitter. Ik zou graag één motie indienen. Die luidt als
volgt.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat fysiek en verbaal geweld tegen hulpverleners en
personen met een publieke taak de afgelopen jaren een aanhoudend
maatschappelijk probleem vormt;
constaterende dat hulpverleners en personen met een publieke taak hun
werkzaamheden veilig en onbelemmerd moeten kunnen uitvoeren;
overwegende dat Nederland de afgelopen decennia te maken heeft gehad met
een substantiële instroom van migranten;
verzoekt de regering een onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren naar
mogelijke verbanden tussen immigratie, integratievraagstukken en geweld
tegen hulpverleners en personen met een publieke taak,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Russcher.
Zij krijgt nr. 842 (28684).
Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Dobbe voor haar inbreng in tweede termijn namens de SP.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb twee moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat geweld tegen hulpverleners toeneemt;
overwegende dat gedegen onderzoek en analyse nodig is over de
achterliggende oorzaak van deze toename en hoe dit te voorkomen;
overwegende dat andere landen, zoals bijvoorbeeld het Verenigd
Koninkrijk, hier na de rellen in 2011 ervaring mee hebben opgedaan, waar
Nederland van zou kunnen leren;
verzoekt de regering een onderzoek uit te voeren naar de oorzaken van de
toename van geweld tegen hulpverleners waarin vergelijkingen worden
gezocht met beleid in het buitenland, met aanbevelingen, in samenwerking
met partners met expertise op het gebied van maatschappelijke spanningen
en polarisatie,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Dobbe, Kostić, Struijs, Mutluer,
Bikker en Straatman.
Zij krijgt nr. 843 (28684).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat goede nazorg voor hulpverleners essentieel en
rechtvaardig is wanneer er geweld wordt gepleegd;
overwegende dat onder anderen de programmamanager Geweld tegen
Politieambtenaren net zoals het WODC aangeeft dat de aangiftebereidheid
van hulpverleners die slachtoffer zijn van geweld, laag is;
overwegende dat twee recente WODC-rapporten, getiteld Sterke afspraken
tegen agressie en geweld in de publieke sector en Hot victims of hot
shifts?, waardevolle aanbevelingen doen ter verbetering van de nazorg en
aangiftebereidheid;
verzoekt de regering de aanbevelingen uit deze WODC-rapporten over de
nazorg en aangiftebereidheid over te nemen en, indien dat niet mogelijk
is, per aanbeveling de onderbouwing hiervan met de Kamer te delen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Dobbe, Kostić, Struijs, Mutluer,
Diederik van Dijk, Bikker, Van der Werf, Straatman en
Michon-Derkzen.
Zij krijgt nr. 844 (28684).
Dank u wel. Tot slot is het woord aan de heer Markuszower, als laatste spreker van de zijde van de Kamer.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Voorzitter, dank u wel. Ik heb een motie mede namens de heer Russcher,
die ik nogmaals feliciteer met zijn maidenspeech.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het geweld tijdens de jaarwisseling jaar op jaar
toeneemt en hulpverleners en dit burgers ernstig in gevaar brengt;
verzoekt de formerende partijen om in het regeerakkoord een afzonderlijk
hoofdstuk op te nemen over de aanpak van het soort geweld dat wij onder
andere iedere jaarwisseling zien, en het volgende kabinet op te dragen
binnen twee maanden na aantreden een wetsvoorstel inclusief een
totaalpakket aan maatregelen naar de Kamer te sturen, zodat dit geweld
voor eens en voor altijd stopt,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Markuszower en Russcher.
Zij krijgt nr. 845 (28684).
Was dat nou een motie aan de formerende partijen? Dat is een nieuwe vorm. We gaan 'm even goed bestuderen. Het klonk wat exotisch, maar we gaan gewoon even kijken wat de minister daarop gaat antwoorden. Ik schors de vergadering voor tien minuten. Dan krijgen we de beantwoording van de minister.
De vergadering wordt van 20.49 uur tot 21.02 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Ik geef het woord aan de minister voor de
appreciaties van de 26 ingediende moties.
Minister Van Oosten:
Als u mij toestaat, voorzitter, geef ik nog heel kort twee antwoorden op
vragen die ik open heb staan. De eerste is van mevrouw Mutluer, over het
borgen van het programma van de Taskforce Onze hulpverleners veilig:
klopt het dat dit nog niet voor de brandweer en boa's is geregeld en dat
dit dus verbreed gaat worden? Het ontwikkelde instrumentarium wordt
vanuit het ministerie van Justitie en Veiligheid blijvend onderhouden.
De producten worden breed voor alle publieke werkgevers beschikbaar
gesteld, maar het is nu wel aan de werkgevers, zoals de gemeente voor
boa's, de veiligheidsregio's voor de brandweer et cetera, om hier actief
mee aan de slag te gaan en het beschikbaar gestelde instrumentarium te
implementeren.
Dan stelde mevrouw Faber nog een vraag ten aanzien van de digitale
schandpaal. Ik kom dadelijk op de motie daarover, maar zo houden we het
netjes uit elkaar. In het huidige kader van waarheidsvinding kan dit
worden ingezet in het doen van onderzoek naar een poging tot misdrijf
zoals zware mishandeling of een poging tot doodslag. Het vrijgeven van
de identiteit is weliswaar een ingrijpend middel, maar kan onder
omstandigheden wel degelijk worden benut. De identiteit van de verdachte
kan na toestemming van de hoofdofficier worden vrijgegeven wanneer er
sprake is van ernstige bezwaren of een veroordeling voor een misdrijf
met een strafbepaling van acht jaar of meer, en wanneer het dringend
noodzakelijk wordt geacht. Ik mag u verwijzen naar de situatie rondom de
roof in het Drents Museum.
Voorzitter. Dan ga ik naar alle moties. Ik beperk dat tot het meest
bondige.
De motie op stuk nr. 820, van mevrouw Michon-Derkzen: oordeel Kamer. Die
gaat over het WODC-rapport et cetera. Ik zal dat er heel kort bij
zeggen, zodat we het kunnen volgen.
De motie op stuk nr. 821, van mevrouw Michon-Derkzen, inzake de publieke
taak: oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 822, van de leden Mutluer en Straatman, inzake in
overleg treden: oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 823, van de leden Mutluer en anderen, over de
taskforce et cetera: oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 824, van de leden Mutluer en Straatman, inzake het
bestuursrechtelijk instrumentarium en zo verder: oordeel Kamer.
Over de motie op stuk nr. 825, van de leden Straatman enzovoort, over
educatieve maatregelen, wil ik iets meer zeggen. Als ik de motie zo mag
interpreteren dat ik ga onderzoeken of het effectief is om een
educatieve maatregel op te leggen bij dit type geweld, dan kan ik de
motie oordeel Kamer geven. Anders moet ik haar ontraden.
De voorzitter:
Ik zie dat mevrouw Straatman daarmee kan instemmen.
Minister Van Oosten:
Dank u wel.
De motie op stuk nr. 826, van de leden Bikker en anderen, over het
instrument dwangsom: oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 827, van de leden Bikker enzovoort, over de
betrokkenheid van ouders: oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 828, van mevrouw Faber, over het leger inzetten —
dat is mijn korte samenvatting — geef ik het oordeel overbodig, want de
politie kan al beroep doen op het leger, bijvoorbeeld op de KMar. Ik ben
het overigens niet eens met de constatering dat de geweldsmiddelen van
de politie in bepaalde situaties tekort zijn geschoten.
De motie op stuk nr. 829 van mevrouw Faber gaat over de digitale
schandpaal. Ik heb net antwoord gegeven op de vraag daarover. Dat
antwoord verklaart waarom ik de motie ontraad.
De motie op stuk nr. 830, onder meer van mevrouw Faber, ziet op de
poging tot doodslag et cetera. Ik ontraad de motie.
De motie op stuk nr. 831 van mevrouw Van der Plas, over het verbod
inzake de jaarwisseling, is ontijdig.
De voorzitter:
Dan is de vraag of mevrouw Van der Plas bereid is om de motie aan te
houden. Dat is niet het geval. Dan krijgt de motie de appreciatie
"ontijdig".
Minister Van Oosten:
Oké, sorry.
De voorzitter:
Dan de motie op stuk nr. 832.
Minister Van Oosten:
De motie op stuk nr. 832 van mevrouw Van der Plas, over een pilot
luchtdrukwapens, is overbodig.
De motie op stuk nr. 833 van mevrouw Van der Plas, over de bescherming
van agenten, is overbodig.
De motie op stuk nr. 834 van de heer Van Dijk en anderen, over een
strafverzwaringsgrond …
De voorzitter:
Mevrouw Van der Plas lijkt aan te geven dat ze wel een kleine
toelichting zou wensen op de appreciatie van de motie op stuk nr.
833.
Minister Van Oosten:
Ik kan wat meer vertellen over de motie op stuk nr. 833. Het hangt af
van de omstandigheden van …
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Sorry. De moties op de stukken nrs. 832 en 833 krijgen de appreciatie
"overbodig". Voor beide moties zou ik dan even een toelichting
willen.
Minister Van Oosten:
Die heb ik ook voor u, maar ik dacht: omwille van de tijd slik ik die
even in. De motie op stuk nr. 832 is overbodig. Op dit moment worden
verkenningen uitgevoerd naar het gebruikmaken van een luchtdrukwapen; ik
heb u daar net ook over verteld. Als deze verkenning ertoe leidt dat de
korpschef een verzoek tot een pilot met een luchtdrukwapen indient, zal
ik hierover een besluit nemen. Daarmee is de motie overbodig.
De voorzitter:
En dan de volgende motie, die op stuk nr. 833. Dan krijgt daarna mevrouw
Van der Plas het woord.
Minister Van Oosten:
De motie op stuk nr. 833 betrof de bescherming van agenten. Het hangt af
van de omstandigheden van het geval wat voor soort onderzoek wordt
uitgevoerd naar geweld gebruikt door een politiemedewerker. Juist in
procedures met betrekking tot geweld gebruikt door de politie zijn
snelheid en zorgvuldigheid van procedures noodzakelijk. Daarom is het
niet mogelijk om in zijn algemeenheid iets te zeggen over de
mogelijkheid om de duur van een onderzoek in een concreet geval te
verkorten. Het blijft nog altijd maatwerk. Daarom is de motie
overbodig.
De voorzitter:
Eén interruptie voor mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ja. Die gaat over de motie op stuk nr. 832. Ik weet dat er een
verkenning is, maar de motie vraagt om het gewoon mee te nemen in de
pilot. Ik weet dat er een verkenning loopt — dat is mij bekend — maar
deze motie vraagt dus om het gewoon te doen.
Minister Van Oosten:
Dat beschouw ik als overbodig. Ik probeerde net wel kort uit te leggen
dat dat ermee te maken heeft dat het gebruik van zo'n luchtdrukwapen
niet helemaal zonder risico's is. Ik vind het dus echt heel belangrijk
dat daar heel zorgvuldig naar gekeken wordt — ik zet er ook op in dat
dat ook snel gebeurt, zodat ik kan terugrapporteren aan u — om daarna te
bezien of dat wapen ook echt ingezet kan worden. Ik wil gewoon niet met
u in de situatie terechtkomen dat dit middel uiteindelijk erger is dan
de kwaal, dus dat het mensen bijvoorbeeld heel ernstig letsel toebrengt.
Dat moet ook niet als het niet nodig is.
De voorzitter:
U gaat naar de motie op stuk nr. 834.
Minister Van Oosten:
De motie op stuk nr. 834 van de heer Van Dijk c.s. gaat over de
strafverzwaringsgrond. Oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 835 over onorthodoxe geweldsmiddelen, ook van de
heer Van Dijk c.s., is overbodig. Bij "overbodig" ga ik gewoon door,
tenzij ik iets van de voorzitter hoor.
Dan de motie op stuk nr. 836 van mevrouw Van der Werf c.s. over de
jaarwisseling. Ik verzoek om de motie aan te houden. "Ontijdig" is dat,
begreep ik? Sorry.
De voorzitter:
Dan is het verzoek aan het lid dus eigenlijk of zij bereid is om de
motie aan te houden. Als dat niet het geval is, krijgt de motie de
appreciatie ontijdig. Het verzoek aan mevrouw Van der Werf is of zij
bereid is om de motie aan te houden.
Mevrouw Van der Werf (D66):
Ik zou 'm niet aan willen houden, omdat deze motie juist aan wil jagen
om die wetgeving goed en snel te kunnen behandelen zodat we niet weer
deze vertraging oplopen waarvan een hoop mensen nu zeggen: hadden we die
maar niet gehad.
De voorzitter:
Akkoord. Dan wordt deze motie in stemming gebracht en krijgt die de
appreciatie ontijdig.
Minister Van Oosten:
Ik kom bij de motie op stuk nr. 837 van mevrouw Coenradie et cetera. Ik
vraag of de motie kan worden aangehouden. Ik wil wel wat uitleggen, als
u wilt. Anders moet ik 'm ontraden.
De voorzitter:
Nee, dan krijgt die de appreciatie ontijdig. U kunt 'm appreciëren als
ontraden. Wanneer u mevrouw Coenradie vraagt om de motie aan te houden,
krijgt de motie de appreciatie ontijdig.
Minister Van Oosten:
Dat doet mevrouw Coenradie niet, begrijp ik, dus dan moet ik 'm
ontraden.
De voorzitter:
Nee, ontijdig. Mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik heb een heel klein puntje van orde. Ik wil wel graag een toelichting,
want dat helpt ons ook om te bepalen of we dan voor- of tegenstemmen.
Anders wordt dat een beetje vaag. Ik zou dus wel graag een toelichting
willen horen.
De voorzitter:
Het beoordelingskader dat we conform het Reglement van Orde met elkaar
hebben afgesproken zegt twee dingen. Een minister kan een motie oordeel
Kamer geven en een minister kan een motie ontraden of overbodig
verklaren of verzoeken tot aanhouden. Als het lid niet bereid is om de
motie aan te houden, krijgt die de appreciatie ontijdig. Dat blijkt in
het geval van de motie van mevrouw Coenradie het geval. Mevrouw Van der
Plas geeft aan wel graag te willen weten waarom de motie ontijdig is. Ik
zou de minister dus willen vragen op de motie op stuk nr. 837 een
toelichting te geven.
Minister Van Oosten:
Dat ga ik doen. De regering gaat niet over het tijdelijk inzetten van
preventief fouilleren; dat is aan het lokale gezag. De burgemeester is
bevoegd om in spoedeisende gevallen een veiligheidsrisicogebied aan te
wijzen, waarna de officier van justitie en de politie opdracht kunnen
geven tot preventief fouilleren op wapens. Daartoe worden ook voorwerpen
gerekend die als wapen kunnen worden gebruikt. De burgemeester wordt
door zowel de politie als zijn gemeentelijke dienst geadviseerd bij het
toepassen van deze bevoegdheid. Daarmee is voorzien in een sluitend
juridisch systeem. De toepassing daarvan is lokaal. Ik ontraad daarom de
motie.
Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 838 van mevrouw Coenradie. O, nou
heb ik weer zo'n ingewikkelde. Ik verzoek het Kamerlid om de motie aan
te houden tot zomer 2026. Voorzitter, mocht ik dat nou zo vragen?
De voorzitter:
U mag dat vragen, maar wellicht kunt u ook aangeven waarom u dat
wenst.
Minister Van Oosten:
U heeft gelijk. Op verzoek van de korpschef wordt thans onderzoek gedaan
naar de bevoegdheid van het bevoegd gezag om toestemming te verlenen
voor specialistische "less lethal"-geweldsmiddelen. Dat is een complex
juridisch vraagstuk dat goed onderzocht moet worden. Er moeten
gesprekken gevoerd worden met vertegenwoordigers van het lokale gezag.
Ik vind het echt belangrijk — daar had ik het zonet ook over met mevrouw
Van der Plas — dat die evaluatie van pilots en verkenningen goed wordt
afgewacht en dat pilots en verkenningen goed uitgerold kunnen worden.
Daarna kunnen we bezien of het noodzakelijk en wenselijk is om bestaande
wetgeving aan te passen. Overigens wil ik erop wijzen dat een ME'er op
grond van bestaande regelgeving geen toestemming nodig heeft van een
hogere autoriteit voor het gebruik van een traangasgranaat in een
levensgevaarlijke situatie. Mijn verzoek is of mevrouw Coenradie deze
motie wil aanhouden tot de zomer van dit jaar.
De voorzitter:
Is mevrouw Coenradie daartoe bereid? Dat is niet het geval. Dan krijgt
deze motie het oordeel ontijdig. Dan de motie op stuk nr. 839.
Minister Van Oosten:
De motie-Coenradie c.s. op stuk nr. 839 ontraad ik.
Ik ontraad ook de motie-Coenradie c.s. op stuk nr. 840.
De motie-Kostić op stuk nr. 841 …
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 840 kreeg de appreciatie ontraden.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ik ben erg benieuwd waarom deze motie wordt ontraden.
Minister Van Oosten:
Ja, ik sla dat steeds over vanwege de tijd, maar ik heb ook een uitleg.
In de motie op stuk nr. 840 staat: verzoekt de regering conform de
positionpaper van NPB et cetera versneld werk te maken van het opleggen
van een gedragsaanwijzing in de vorm van een digitale meldplicht of
huisarrest. Ik verzoek mevrouw Coenradie om de motie over het versneld
werk maken van het opleggen van een digitale meldplicht aan te houden.
Het is de ambitie om de digitale meldplicht op termijn breder in te
zetten, zoals bij de jaarwisseling. Dat heb ik u ook verteld in het
debatje van zonet. Het is wel belangrijk om eerst meer casuservaring te
hebben en de ketenwerkprocessen te optimaliseren. Om die reden hebben
zes extra burgemeesters op korte termijn ook de mogelijkheid om die
digitale meldplicht bij een gebiedsverbod op te leggen. Naar verwachting
is de pilotfase in de zomer afgerond. Daarom durf ik u toe te zeggen dat
ik u in het najaar kan rapporteren over wat het heeft opgeleverd. Daar
heeft het eigenlijk mee te maken.
De voorzitter:
Daarmee krijgt de motie op stuk nr. 840 de appreciatie ontijdig.
Minister Van Oosten:
Daar heeft u gelijk in. Dat heb ik verkeerd gezegd.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 840 is ontijdig.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Vorig jaar heeft BBB al een motie ingediend voor een meldplicht. Dat is
dus niet nieuw. Die motie is ook aangenomen. De minister heeft toen
aangegeven dat de meldplicht aan het lokale gezag is. Wij hadden het
verzoek gedaan om daarover met de gemeenten in gesprek te gaan. De
minister heeft toen gezegd: dit is aan het lokale gezag. Hier lopen nou
even twee dingen door elkaar heen, want die motie over de meldplicht
bestaat al. Het is aan de gemeenten. Wat is het nou?
Minister Van Oosten:
Zes burgemeesters hebben in het kader van de pilot de mogelijkheid
gekregen om dit bij een gebiedsverbod op te leggen. Het bestaat dus
alleen nog maar in de pilotversie. Het staat me niet heel specifiek bij
hoe het vorig jaar is besproken. Dat is gegaan hoe het is gegaan. Die
pilot ga ik nu afwachten. Voor de zomer ga ik daarover rapporteren. Ik
weet niet of u bij dat debatdeel aanwezig was, maar met mevrouw
Coenradie heb ik afgesproken dat ik in het najaar, dus na de zomer,
terugkom op wat de pilot heeft opgeleverd. Dat is mijn toezegging. Op
die manier heeft u voldoende tijd om eventueel voor de jaarwisseling te
bepalen wat u ermee wilt. Dat is de gedachte.
De voorzitter:
U heeft allen ongetwijfeld gezien dat de minister van Landbouw plaats
heeft genomen in vak K. Ik wens haar niet al te lang te laten wachten.
Dat zou ik onhoffelijk vinden. Laten we het dus kort met elkaar
afronden.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ook mijn handtekening staat onder de motie op stuk nr. 840. Ik kan de
argumentatie van de minister om te zeggen "ontijdig" niet rijmen met het
dictum. Het dictum zegt namelijk niks over wanneer het makkelijker en
sneller moet zijn, maar brengt vooral de urgentie naar voren dat we dit
voor elkaar moeten krijgen. Ik gun de minister, maar ook degene die de
appreciatie schrijven, een exegese van het dictum dat we hebben. Dan zou
dat helemaal geen probleem hoeven te zijn.
Minister Van Oosten:
Dan wordt mijn uitleg dat het komt doordat het nu in een pilot loopt en
we dus moeten uitvinden of het de toegevoegde waarde heeft die we
wensen. De motie op stuk nr. 840 verzoekt om makkelijker gebruik te
kunnen maken van de digitale meldplicht. Dat wordt nu in een pilot
neergelegd bij zes burgemeesters. Ik zeg er voor mevrouw Bikker
overigens bij: ik heb er een positieve grondhouding over, maar ik stel
wel vast dat het nu een pilot is. Ik wil erover terugrapporteren. Anders
is het dictum: makkelijker en sneller gebruikgemaakt kan worden. Dat
strookt niet helemaal met wat er eventueel uit de pilot kan komen. Dat
wil ik graag afwachten. Dat zou mijn suggestie of mijn verzoek zijn.
De voorzitter:
De Kamer wenst zich hier al wel een oordeel over te vormen en dat maakt
dat de motie toch in stemming zal worden gebracht.
Minister Van Oosten:
Zo stel ik het ook vast.
De voorzitter:
Zo gaat het soms in het leven. De motie op stuk nr. 841.
Minister Van Oosten:
Daar moet ik mij nederig naar schikken.
De motie op stuk nr. 841 krijgt oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 842 is overbodig. Dit ziet op het WODC van
gisteren.
De motie op stuk nr. 843, van onder meer mevrouw Dobbe, geef ik oordeel
Kamer.
De motie op stuk nr. 844, van onder meer mevrouw Dobbe, is
overbodig.
Ik vind dat het niet aan het kabinet is om de motie op stuk nr. 845 te
appreciëren.
De voorzitter:
Akkoord. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de tweede termijn van
de zijde van het kabinet. Ik dank de minister heel hartelijk voor zijn
beantwoording, zijn aanwezigheid en zijn medewerking.
De beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
Over de ingediende moties zal aanstaande dinsdag worden gestemd. Ik
schors een heel kort ogenblik, waarna we verdergaan met het
tweeminutendebat Landbouw- en Visserijraad.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.