Begroting Economische Zaken (36800-XIII) 1e TK (ongecorrigeerd)
Stenogram
Nummer: 2026D02610, datum: 2026-01-21, bijgewerkt: 2026-01-22 09:21, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-01-21 10:35: Begroting Economische Zaken (36800-XIII) 1e TK (Plenair debat (wetgeving)), TK
Preview document (🔗 origineel)
Voorzitter: Moorman
Begrotingen Economische Zaken 2026 en Nationaal Groeifonds 2026
Begrotingen Economische Zaken 2026 en Nationaal Groeifonds 2026
Aan de orde is de behandeling van:
het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Economische Zaken (XIII) voor het jaar 2026 (36800-XIII);
het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaat van het Nationaal Groeifonds voor het jaar 2026 (36800-L).
De voorzitter:
Goedemorgen. Ik heropen de vergadering. Aan de orde is nu de behandeling
van de begroting van Economische Zaken (36800-XIII). Een heel hartelijk
welkom aan de minister van Economische Zaken. Ik heet ook alle
woordvoerders welkom en de mensen die dit debat volgen op de tribune en
via de digitale weg. Goedemorgen, allemaal.
Vandaag is aan de orde de eerste termijn van de zijde van de Kamer en ik
ben voornemens — let u allemaal goed op — om geen maximum te zetten op
het aantal interrupties. Ik geef u tegelijkertijd wel mee dat ik streng
ben op de lengte van de interrupties: maximaal 30 seconden en steeds in
drieën. Ik geef maar meteen mee: dit is de eerste keer dat ik hier zit,
maar ik zal het wel streng doen.
De algemene beraadslaging wordt geopend.
De voorzitter:
Dan geef ik nu graag het woord aan … Het is misschien wel goed om te
zeggen dat we vandaag maar liefst twee maidenspeeches hebben. Dat is
altijd een feestelijk moment. Het gaat om de maidenspeech van de heer
Prickaertz en de maidenspeech van de heer Schoonis.
Dan geef ik nu graag het woord aan mevrouw Oualhadj, die het woord zal
voeren namens D66. O, sorry. Dat staat verkeerd in mijn … Nou, daar gaan
we al meteen. Ik geef het woord aan de heer Schoonis. Hij gaat dus
gelijk zijn maidenspeech geven. Succes, ga uw gang.
De heer Schoonis (D66):
Dank u wel, voorzitter. Speciale aandacht gaat uit naar mijn gezin,
ouders en broer op de tribune. Ik ben geboren en getogen in Sas van Gent
in Zeeuws-Vlaanderen, dat rond deze tijd beter bekend staat als
Betekoppenstad, de carnavalsnaam. Dankzij mijn ouders heb ik daar een
fijne jeugd gehad, samen met mijn broer. Ik was vaak op straat te
vinden, voetballend met mijn vrienden. Vanuit Sas van Gent liep je zo
België in. Alleen aan de nummerplaten merkte je dat je de grens was
overgestoken. Voor mijn opa, oma, vader en moeder was dat nog anders:
zij moesten elke keer dat zij de grens overgingen hun paspoort laten
zien. Het opheffen van die grenscontroles maakte hieraan gelukkig een
eind en bracht Nederland en België dichter bij elkaar. Dat heeft ons
economisch ook geen windeieren gelegd.
Na mijn studie in Rotterdam trok ik verder zuidwaarts. Ik deed wat ik
mijzelf als 15-jarig jochie al beloofd had: ik kocht een enkeltje
Parijs. In Parijs wilde ik bruggen slaan tussen Frankrijk en Nederland.
Zo gezegd, zo gedaan. Als kleine zelfstandige ging ik aan de slag om
Nederlandse start- en scale-ups aan contracten te helpen bij grote
Franse bedrijven. U hoort het: hier staat een Europese Zeeuw.
Maar 25 mei 2014 was voor mij een keerpunt. Op die dag won Marine Le Pen
de Europese parlementsverkiezingen in Frankrijk. Dat voelde voor mij als
een steek in de maag. Haar uitsluitingspolitiek is alles waar ik niet
voor sta, maar Marine verleidde mij wel om politiek actief te worden. Ik
dacht: dat moet anders; het is tijd om in actie te komen. Voor wie mij
nog niet kent: ik breng mensen graag samen. Ik sta voor positieve actie.
Vrienden noemen mij een federateur. Ik geloof dat we niet klein moeten
calculeren, maar groot moeten denken. We moeten niet alleen het debat
willen winnen, maar beweging creëren. We moeten niet alleen problemen
benoemen, maar aan oplossingen bouwen.
De wereld om ons heen verandert sneller dan ooit. We zijn een
handelsland, een kenniseconomie, een land van durf, innovatie en
ondernemerschap. Dat betekent brutaal in de champions league van de
economie spelen en samenwerken met onze Europese vrienden om gezamenlijk
kansen te benutten. Want laten we eerlijk zijn: wat Nederland vaak
kampioen heeft gemaakt, is het vermogen om samen te werken, te verbinden
en te vernieuwen — Europa dus. Want deze verbindende Zeeuws-Vlaming,
hartstochtelijke Nederlander en overtuigde Europeaan ziet de belangen
van ons land en de Europese Unie als één. Als je de een versterkt,
versterk je ook de ander.
Daarom stel ik voor dat we hier in deze Kamer een Europese stap zetten.
Laat bij elke beslissing naast de Nederlandse vlag ook de Europese vlag
zichtbaar zijn, als herinnering aan onze gezamenlijke kracht en als
teken dat we met elke keuze die we maken, beide vlaggen sterker maken.
Laten we de pagina omslaan naar een nieuwe wereldorde, waarin Nederland
en Europa samen vooruitgaan. We hebben in Nederland en Europa een
fundament van waarden dat sociaal en economisch slim is. Dat fundament
combineert sociale zekerheid met innovatiekracht, ziet duurzaamheid als
economische kans en laat zien dat technologische ontwikkeling en goed
sociaal beleid hand in hand gaan.
Daarom moeten we economisch bloeien. Draghi en Wennink gaven al strakke
voorzetten, die we in deze Kamer moeten inkoppen. De herontdekking van
onze kracht in Nederland en Europa. Focussen op de interne markt. Bouwen
aan ecosystemen en clusters, zoals in Eindhoven. Denk aan het
techcluster bij Noordwijk, met hightechinnovatie voor ruimtevaart en
defensie. Denk ook aan de industriële clusters in Zeeland bij North Sea
Port, bij de havens van Vlissingen, Terneuzen en Gent. Dat doen we samen
met onze Vlaamse vrienden.
Economische bloei biedt ook kansen voor klimaat en natuur, en maakt
investeringen mogelijk in de leefbaarheid van dorpen en steden. Van
grootbedrijf tot mkb, iedereen doet mee. Een goede boterham voor
iedereen, dat willen we toch allemaal? Tegelijkertijd houden we graag
ook wat tijd over om te genieten van mooie natuur, en natuurlijk voor
een terrasje met vrienden op z'n tijd. Zo behouden we voor de lange
termijn onze European way of life. Sommigen zullen zeggen "dat kan
niet", maar wij zeggen "dat kan wél".
Ik wil de minister dus vragen om extra aandacht te geven aan onze
innovatiekracht en aan het mkb, de motor van onze economie en aanjager
van de leefbaarheid in onze kernen en binnensteden. Ik heb voor de
minister drie vragen. Hoe kunnen we snel de ambitie waarmaken — een
ambitie die ik deel met de heer Karremans, namelijk onnodige regeldruk
verminderen voor het mkb — zodat we voor de zomer 500 regels minder
hebben? Hoe borgt de minister dat de mkb-focus niet verwatert, wanneer
het Nederlands Comité voor Ondernemerschap zijn opdracht neerlegt en
deze wordt ondergebracht bij de Productiviteitsraad? En mijn laatste
vraag: is de minister bereid tot een verkenning van een renteplafond
voor kleine ondernemers, dat voorkomt dat kleine ondernemers
woekerrentes betalen bij non-bancaire financiers?
Voorzitter, tot slot. Wij zien de toekomst met vertrouwen tegemoet en
komen sterker uit deze tijd — als we het samen doen, door niet te veel
achterom te kijken maar energie te geven aan wat er komen gaat. In de
woorden van wijlen Mathieu Segers: "De bakens moeten flink verzet gaan
worden in Nederland en Europa". Voorzitter, daar nodig ik iedereen in
deze Kamer toe uit.
(Geroffel op bankjes)
De voorzitter:
Heel hartelijk dank voor uw maidenspeech, Zeeuwse Europeaan! Aan mij als
voorzitter de eer om u als eerste te feliciteren met uw maidenspeech, en
het is hier in de Kamer de gewoonte dat uw fractie en alle andere leden
u daarmee komen feliciteren. Ik wil u dus vragen om hier voor het
rostrum te gaan staan om de felicitaties in ontvangst te nemen. Van
harte!
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Nadat alle felicitaties in ontvangst zijn genomen, heropen ik de
vergadering. We gaan door met de eerste termijn. Ik wil graag mevrouw
Oualhadj uitnodigen om achter het spreekgestoelte plaats te nemen. Neem
uw tijd, hoor.
Mevrouw Oualhadj (D66):
Dank u wel, voorzitter. We kunnen met twee perspectieven naar de
Nederlandse economie kijken. Aan de ene kant zien we dan een economie
die tot de wereldtop behoort, met krachtige internationale bedrijven,
een sterk mkb en duizenden pionierende start-ups. Aan de andere kant
zien we dat Nederland langzaam internationaal terrein verliest. De
waarschuwingen van Draghi en Wennink zijn helder: onze Europese positie
verzwakt, besluitvorming vertraagt en regels stapelen zich op. Juist nu
we economisch onafhankelijker moeten worden, staat ons verdienvermogen,
en daarmee de banen van de toekomst en de langetermijnbetaalbaarheid van
onze sociale voorzieningen, onder druk, terwijl we zo ontzettend veel
potentie hebben. We hebben het talent, de ideeën en het ondernemerschap,
maar we zullen de koers moeten verleggen: van het beschermen van de
status quo naar het aanjagen van vernieuwing. Vrijblijvende deregulering
is daarbij niet de juiste weg. Wie niet durft te kiezen voor het
investeren in de economie van de toekomst, raakt de welvaart van vandaag
onherroepelijk kwijt. Dat vraagt om drie dingen: investeren in
innovatie, eerlijke spelregels die groei richting geven en een fundament
dat zekerheid biedt zodat ondernemers durven.
Ik begin bij innovatie. Dat is dé structurele weg naar groei, een
sterker vestigingsklimaat, hogere lonen en betere banen. Nederland kan
daarin een veel actievere rol spelen. Allereerst kan het dat doen door
meer te investeren in onderzoek en ontwikkeling, zodat we meer en beter
opgeleid talent krijgen, nieuwe bedrijven aanboren en hier innovaties
uitvinden en opschalen. Nederland heeft zich gecommitteerd aan het
Lissabondoel om 3% van het bbp te investeren in R&D, waarvan ten
minste 1% publiek geld is. Dat doel halen we nog steeds niet.
Dan kom ik bij financiering, een van de grootste uitdagingen voor
start-ups en scale-ups. Er liggen allerlei goede voorstellen, van betere
valorisatie tot opschalingsfinanciering. Ook op het vlak van fiscale
regels moeten echte stappen gezet worden. In plaats van te faciliteren,
werken we start- en scale-ups op sommige punten soms zelfs tegen,
bijvoorbeeld door de regeling voor ondernemingen in moeilijkheden. In
het debat voor het kerstreces stelde ik hier vragen over aan de
minister. Ik hoor graag wat de voortgang is op dit dossier.
De heer Dassen (Volt):
Dank voor dit intro. Over de Lissabonnorm van 3% hebben we de afgelopen
jaren vaak het debat gevoerd. Landen als België en Duitsland halen die
norm inmiddels met gemak. Nederland loopt ver achter. Is D66 van mening
dat dit dadelijk onherroepelijk in het regeerakkoord moet komen?
Mevrouw Oualhadj (D66):
Die analyse herkennen wij ook en daarom noemde ik die hier. Wij gaan ons
er hard voor maken. Volgens mij heeft u dat ook kunnen lezen in de
positieve agenda die wij samen met het CDA hebben gepresenteerd. Dat is
dus wel onze inzet aan de onderhandelingstafel. Ik kan niet vooruitlopen
op de uitkomst, maar dat is wel waar we op inzetten.
De voorzitter:
Meneer Dassen. Nee, toch niet? Ik zie de heer Van der Lee naar de
interruptiemicrofoon komen.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
We hebben dat document allemaal gelezen, maar er stond weinig in over
hoe we dat allemaal gaan betalen. Ik ben wel benieuwd naar de inzet van
D66 bij de onderhandelingen. Hoeveel mag er vanuit de staatschuld de
komende jaren extra worden geïnvesteerd op de terreinen die mijn en uw
partij belangrijk vinden?
Mevrouw Oualhadj (D66):
Ik zou met plezier allerlei antwoorden willen geven op deze vraag, maar
meneer Van der Lee, zeg ik via de voorzitter, snapt natuurlijk dat ik
gewoon echt niet vooruit kan lopen op deze zaken, ook niet op de inzet.
Ik zit overigens niet aan de tafel waaraan ze momenteel in gesprek zijn.
Ik sta hier omdat ik vragen heb over deze begroting. Laten we dus ook
niet vooruitlopen op de zaak. Ik wil wel zeggen: heb vertrouwen. U weet
namelijk wat onze inzet is. Dat betekent ook dat er aan die tafel
gesproken wordt over eventuele dekking en op welke manier we dat willen
doen.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Ik weet niet wat de inzet is. Ik ken de doorrekening van het
D66-verkiezingsprogramma. Daarin zijn bedragen opgenomen waar ook
allerlei bezuinigingen tegenover staan. Mijn vraag gaat specifiek over
hoeveel er vanuit de staatsschuld extra mag worden geïnvesteerd. Ik neem
aan dat de fractie daar wel al echt over gesproken heeft. Daarom vraag
ik naar de inzet, niet naar de uitkomst. U moet daarover echt helderheid
kunnen geven vandaag.
De voorzitter:
Uw vraag is helder, meneer Van der Lee.
Mevrouw Oualhadj (D66):
Ik begrijp de vraag heel goed, maar ik blijf toch echt bij mijn
antwoord. Ik kan daar niet op vooruitlopen en dat begrijpt de heer Van
der Lee heel goed, denk ik.
De voorzitter:
Gaat u verder, mevrouw Oualhadj.
Mevrouw Oualhadj (D66):
Even kijken waar ik was gebleven. Als je iets wilt doen aan het
verdienvermogen, heb je structureel inzicht nodig in de omvang van de
problematiek. In aanloop naar deze begrotingsbehandeling bekeek ik de
begroting van EZ, maar die biedt maar voor een beperkt deel inzicht in
de investeringen in het verdienvermogen. Dat lijkt onder andere te komen
doordat de financiering via steeds meer kanalen loopt, elk met weer een
andere wijze van verantwoording. Ik vraag de minister dan ook om toe te
zeggen dat hij op zoek gaat naar een wijze die wel een totaalbeeld geeft
van de investeringen. Dat zou kunnen op de manier waarop bijvoorbeeld
alle uitgaven voor het klimaatbeleid op dit moment worden weergegeven.
Daarvoor is een tabel opgenomen in de begroting van het ministerie van
KGG. Wat mij betreft geeft dat een helderder inzicht. Ik vraag de
minister ook om dit totaalbeeld te appreciëren zodra dat er is.
Voorzitter. Naast innovatie is het aanjagen van economische groei
cruciaal. Als wij niet sturen, wint het bestaande vaak van het
vernieuwende. Groei is immers geen natuurkracht die vanzelf de juiste
kant opgaat. Mijn fractie staat voor een economie die ons
verdienvermogen vergroot, onze strategische onafhankelijkheid versterkt
en bijdraagt aan brede welvaart, voor een economie waarin
maatschappelijk verantwoord ondernemen loont en waarin we te grote
marktmacht begrenzen zodat concurrentie weer een motor van groei wordt.
Dat vraagt om sturing met heldere spelregels en randvoorwaarden, om true
pricing, zodat bedrijven die investeren in de toekomst niet worden
weggeconcurreerd door degenen die de rekening afwentelen, om minder
regeldruk als die regels niets opleveren en om juist het overeind houden
van standaarden die innovatie en verduurzaming versnellen. Zo geven we
duidelijkheid en houvast aan iedereen: van student en onderzoeker tot
start-up en onderneming. Juist nu we economisch alle zeilen moeten
bijzetten, moeten we alle potentie uit de economie halen. Het initiatief
Code-V berekende dat vrouwen bijna 40% van de ondernemers in Nederland
vormen, maar slechts 14% van het groeikapitaal ophalen. Hiermee laten we
bijna 140 miljard aan economische waarde liggen. Laat dat bedrag even op
u inwerken. We laten daarmee innovatie- en concurrentiekracht liggen,
dus kom ik met een motie om dit initiatief te steunen en deze groep
ondernemers daadwerkelijk te helpen hun groeipotentie te realiseren.
Daar gaan we namelijk alleen maar van profiteren.
Voorzitter. Onze economie groeit niet in een vacuüm. Nederland zit vol
ondernemers en talenten die willen investeren, maar te vaak niet durven
door onzekerheid over stikstof, netcapaciteit, vergunningen, al dan niet
beschikbare subsidies en beleid dat telkens verschuift. Daar kan de
overheid wél het verschil maken door zekerheid te organiseren,
knelpunten weg te nemen en groei te faciliteren. Juist hier liggen
kansen om doorbraken te realiseren: investeren in onderwijs en scholing,
toegang voor internationale kenniswerkers, extra investeren in
energie-infrastructuur en verduurzaming, vastgelopen dossiers zoals
stikstof doorbreken, ruimte bieden voor slimme experimenten via
sandboxes en vooral stabiel en voorspelbaar fiscaal beleid op de lange
termijn — ik ben ook blij met de motie van mijn collega vandaag — zodat
investeren weer loont. Het ministerie van EZ is sterk afhankelijk van
andere ministeries voor het op orde brengen van de randvoorwaarden. Kan
de minister inzicht geven in de samenwerking met andere departementen op
deze dossiers, zodat we ook weten waar het nu op vastloopt?
Het nieuws van afgelopen weekend herinnert ons eraan hoe snel de wereld
verandert en hoe geopolitiek direct doorwerkt in onze economie. Wij
kunnen niet bepalen hoe de wereld verloopt, maar wel hoe wij daarop
reageren. Dat vraagt dat we scherper wegen wat beleid betekent voor onze
strategische autonomie. Ook daarover zal ik een motie indienen.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Ik kom even terug op een eerder stukje, over stabiel fiscaal beleid. We
hebben heel veel gejojo gezien, bijvoorbeeld bij de energieprijzen en
energiebelastingen in Nederland. Nu heeft D66 vorige week een amendement
ingediend in reactie op een lobbybrief van banken om de bonussen los te
laten. Er loopt een harde lobby om de energieprijzen in Europa gelijk te
trekken. Daarom was ik even benieuwd of we nu van D66 kunnen verwachten
dat al die heffingen, waar we samen voor hebben gestreden, van tafel
gaan.
Mevrouw Oualhadj (D66):
Nee, dat lijkt me niet, zeg ik via de voorzitter.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Dat is goed nieuws. Dan wacht ik natuurlijk de resultaten van de
onderhandelingen af, maar we komen elkaar daarover nog wel te spreken
bij de volgende behandeling van de Economische Zakenbegroting, of al
eerder.
De voorzitter:
Mevrouw Oualhadj, u mag continueren.
Mevrouw Oualhadj (D66):
Ja, ik rond af. We kunnen sneller en slimmer groeien met investeringen
in innovatie, spelregels die vernieuwing belonen en een fundament dat
zekerheid geeft, zodat ondernemers durven. Daarmee dragen we niet alleen
bij aan onze brede welvaart, maar krijgen we ook het stuur steviger in
eigen handen, juist in een wereld die steeds onrustiger wordt.
Dank u wel.
De voorzitter:
Mevrouw Oualhadj, voordat u afrondt: de heer Dijk heeft een
interruptie.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Ik hoorde mevrouw Oualhadj zeggen dat ze een voorstel namens D66 gaat
indienen om overal rekening te houden met strategische autonomie, als ik
het goed heb begrepen. Ze knikt, dus dat is mooi; dan heb ik het goed
begrepen. Kan zij een kijkje in de keuken geven? Aan welke sectoren
denkt D66 zoal? Ik denk namelijk dat we daarop moeten gaan sturen in
plaats van dit te moeten vragen aan een demissionair kabinet. Volgens
mij moeten we daar heel sterk op gaan sturen. Ik was zelf ook bezig met
een voorstel hierop. Volgens mij …
De voorzitter:
Meneer Dijk, ik denk dat …
De heer Jimmy Dijk (SP):
… is dat zeer actueel. Eén korte interruptie, voorzitter. Ik ben
benieuwd aan welke sectoren ik moet denken, zodat we misschien met
meerdere partijen in deze Kamer zo'n voorstel kunnen doen.
De voorzitter:
Nog net binnen de 30 seconden.
Mevrouw Oualhadj (D66):
Super, graag zelfs, zeg ik via de voorzitter. Ik denk bijvoorbeeld aan
de halfgeleiderindustrie. Als we naar het voorbeeld van Nexperia kijken,
dan zien we dat we daar nog niet onafhankelijk genoeg opereren. Die
sector zou ik dus als een voorbeeld noemen waar we volledig op kunnen
inzetten om die autonomie te borgen. Maar het gaat erom, en daar gaat
mijn motie eigenlijk over, dat we breder kijken, naar verschillende
sectoren. We kunnen er vijf noemen, zodat de minister misschien iets
gerichter aan de slag kan. Daar sta ik ook voor open, hoor. Dat is voor
mij niet onbegaanbaar.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Dan heb ik toch een aanvullende vraag. U noemt nu het meest voor de hand
liggende voorbeeld, omdat we daar eigenlijk van kunnen zeggen dat we
laat, of misschien nét op tijd, waren. Ik wil daar eigenlijk even iets
dieper op ingaan. We zijn namelijk ook afhankelijk van bijvoorbeeld
openbaarvervoerbedrijven die niet in onze eigen handen zijn. Ik kan het
heel breed trekken: de hele globalisering, het openen van markten en het
privatiseren van diensten hebben er eigenlijk toe geleid dat we zeer
afhankelijk zijn geworden van …
De voorzitter:
Meneer Dijk, graag binnen de 30 seconden. Wat is uw vraag?
De heer Jimmy Dijk (SP):
Dat we zeer afhankelijk zijn geworden van veel grote bedrijven verderop.
Kunt u een aantal nieuwe sectoren bedenken waarbij sommige partijen hier
in het verleden te veel naar anderen hebben gekeken?
De voorzitter:
Dat is uw vraag. Dank u wel. Mevrouw Oualhadj.
Mevrouw Oualhadj (D66):
Ik vind de halfgeleiderindustrie eerlijk gezegd niet per se een oude
sector. Ik weet niet of we te laat zijn. Het is volgens mij heel erg
belangrijk — dat is mijn doel met deze motie — om te kijken naar
strategische autonomie binnen de bestaande beleidsstructuren. Ik noem
subsidieverleningen of andere manieren waarop we middelen toekennen. Dat
kan bijvoorbeeld middels een toets, of door er überhaupt een blik op te
werpen. Daar gaat die motie over. Nogmaals, ik sta ervoor open om eens
te kijken welke sectoren we dan precies kunnen aanmerken, zodat we de
minister iets meer sturing kunnen geven. Maar u vroeg mij om een
voorbeeld en ik gaf een voorbeeld.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Ik heb nog één vraag over het rapport van de AWTI. We waren bij de
presentatie.
Mevrouw Oualhadj (D66):
Ja. Zeker.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
De AWTI pleit ook voor forse investeringen in R&D, maar plaatst die
binnen maatschappelijke opgaven die breder zijn dan louter
verdienvermogen. Dat is de focus van Wennink. Ik ben benieuwd waar D66
de nadruk op wil leggen.
Mevrouw Oualhadj (D66):
Ik heb het rapport van Wennink natuurlijk ook gelezen. Daar is al veel
over gezegd. Om heel eerlijk te zijn was ik ook een beetje verrast dat
er onvoldoende aandacht was voor de brede welvaart. Ik zou dus ook wel
een focus op brede welvaart willen houden. Het hoeft voor mij niet
alleen maar over radicale groei te gaan. Als we die nieuwe economie met
elkaar willen bouwen, zoals D66 graag wil, dan zullen we ook zeker oog
moeten blijven houden voor die brede welvaart.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Vindt D66 dan ook dat onze weerbaarheid — ik doel op de uitwerking
daarvan — echt breder moet zijn dan louter het beschermen van
verdienvermogen, ook als het gaat om economische veiligheid?
Mevrouw Oualhadj (D66):
Ik denk dat ik hetzelfde antwoord kan herhalen dat ik net gaf, namelijk
dat strategische autonomie en weerbaarheid zeker niet ten koste mogen
gaan van die brede welvaart.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw bijdrage, mevrouw Oualhadj. Dan wil ik graag de
volgende spreker uitnodigen. Dat is mevrouw Martens-America namens de
fractie van de VVD.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Dank, voorzitter. Wat leuk om u hier opnieuw te treffen in een andere
rol. We bespreken vandaag de begroting van Economische Zaken. Wat de VVD
betreft is dit dossier de rode draad die loopt door alle grote
maatschappelijke vraagstukken waar wij vandaag de dag voor aan de lat
staan. Het geld zal immers verdiend moeten worden. Bedrijven vullen de
schatkist, niet de overheid. Daar kunnen we tegenwoordig dossiers als
strategische autonomie en onafhankelijkheid aan toevoegen. De wereld is
onrustig. Economische groei is geen vanzelfsprekendheid. Tegelijkertijd
staan we voor grote opgaven. Een sterk vestigings- en
ondernemingsklimaat is voor de VVD dan ook de absolute prioriteit.
Het aantal onderwerpen dat ik vandaag zou willen bespreken is oneindig,
maar gezien het feit dat we vanmorgen zijn gestart met het debat over
start-ups en scale-ups en volgende week het debat over innovatie
plaatsvindt, wil ik mij beperken tot …
De voorzitter:
Ik hoor dat er bij het rostrum wordt gepraat. Zou het daar iets rustiger
kunnen?
Mevrouw Martens-America (VVD):
Ik wil mij vandaag graag beperken tot vier onderwerpen: een stabiel en
sterk vestigingsklimaat, AI, een ecosysteemaanpak en ruimte voor de
fysieke maakindustrie. Ik zou u willen vragen om al het enthousiasme
over het mkb even te bewaren voor mijn collega, de heer Kisteman.
Voorzitter. Een stabiel en sterk vestigingsklimaat is breder dan enkel
het dossier dat helaas valt binnen de portefeuille van deze minister.
Een recent naar de Kamer gestuurde brief over de industrie laat zien
waar de kansen liggen, wat de uitdagingen zijn voor ons verdienmodel en
dat we op een punt staan waarop we keuzes moeten gaan maken. Het is een
ingewikkeld en complex dossier dat vraagt om vele debatten. Maar
rapporten zoals dat van Draghi en Wennink laten zien dat een sterk
vestigingsklimaat een fundament vormt voor alle grote maatschappelijke
vraagstukken. Dat vraagt om keuzes op verschillende dossiers. Er zijn
vele knoppen waar we aan zullen moeten draaien om ervoor te zorgen dat
Nederland verder komt dan die ene procent economische groei per jaar.
Sommigen van ons zullen daar wellicht genoegen mee nemen, maar de VVD
niet. Dit moeten we ook doen om minder afhankelijk te worden van landen
waar we eigenlijk niet afhankelijk van zouden willen zijn, en simpelweg
omdat we onze maatschappij moeten blijven betalen, van zorg tot
onderwijs.
Wat mij opvalt aan de reacties op rapporten als dat van Draghi en
Wennink, is dat het onderdeel overheidsuitgaven er vaak direct wordt
uitgepikt. De voorstellen met astronomische bedragen als dekking vliegen
je in dit huis om de oren, terwijl diezelfde rapporten en de gesprekken
die wij hopelijk allemaal met ondernemers voeren, laten zien dat het
heel veel breder is dan dat. Er zijn fundamentele hervormingen nodig om
mee te kunnen blijven doen op het wereldtoneel. Denk aan rust en
stabiliteit in fiscale maatregelen, dingen die in dit huis nog steeds
ver te zoeken zijn. Ik licht er ook iets uit als de expatregeling. Ik
heb mij bijvoorbeeld in de afgelopen jaren met mijn collega Wendy van
Eijk hard gemaakt voor het aantrekkelijker maken van de
medewerkersparticipatie. Denk ook aan de bizar lange loondoorbetaling in
Nederland bij ziekte, die het start- en scale-ups praktisch onmogelijk
maakt om mee te doen op het wereldtoneel en mkb'ers slapeloze nachten
bezorgt. Denk aan de starre cao's, die nieuwe verdienmodellen blijven
dwingen om in oude mallen te stappen. Ook dat is voor organisaties soms
een verdienmodel op zich. Denk aan de reflex in politiek Den Haag, in
dit huis, om innovaties — lees: AI — te zien als een bedreiging in
plaats van een kans. Wij voeren hier een wedstrijd om extra wetten en
regels in te dienen.
Voorzitter. Ik kan hier nog wel even mee doorgaan, maar ik hoop dat mijn
punt duidelijk is. Een sterk vestigingsklimaat is essentieel voor ons
vandaag, maar ook voor de volgende generatie. Dat vraagt om focus en
discipline op alle dossiers. Ik wil dan ook een oproep doen aan mijn
collega's: kijk met deze bril naar alle voorstellen, ook die die uw
collega's op andere portefeuilles doen, want enkel in de debatten over
de economie zullen wij ons vestigingsklimaat niet vooruithelpen. Ik ben
ook heel erg benieuwd hoe de minister hiernaar kijkt. Welke pogingen
zouden wij kunnen doen om de ontschotting tussen al die departementen te
versnellen, om het maar zo te zeggen?
Voorzitter. AI is een onderwerp dat wij hier terecht vaak bespreken.
Nederland en Europa dreigen de AI-boot te missen. We zullen een been
moeten bijtrekken.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Voordat we over AI gaan beginnen, heb ik een vraag over Draghi en
Wennink. Die rapporten gaan ook over publieke investeringen. Draghi wil
meer Europese financiering. De secretaris-generaal van het departement
EZ vindt ook dat de Nederlandse positie moet veranderen als het
bijvoorbeeld gaat om de Nederlandse afdracht. Bij Wennink gaat het ook
om extra investeringen financieren uit de staatsschuld. Dat krijgt
altijd een keihard njet van de VVD, al jarenlang. Gaat die positie
veranderen?
Mevrouw Martens-America (VVD):
Dank voor deze vraag. U heeft die volgens mij ook gesteld aan de collega
van D66. Het gaat bijvoorbeeld ook over de vraag in hoeverre je het
begrotingstekort wilt laten oplopen. Ik wil de heer Van der Lee er wel
op wijzen dat hij tegenwoordig bij de portefeuille Economische Zaken
staat. Ik zou hier met liefde antwoord op geven, want ik denk dat het
een fundamenteel debat is dat we met elkaar moeten voeren, en ook nog
zullen voeren wanneer het rapport-Wennink op de politieke agenda komt te
staan — dat is volgens mij heel binnenkort — maar vanwege de formatie ga
ik daar nu niet op vooruitlopen.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Ik constateer dat de VVD structureel wegloopt voor de vraag: ben je als
partij bereid om extra te investeren en daarmee extra schulden aan te
gaan? Zolang je die bereidheid niet hebt en alleen maar roept dat alles
wat wij willen, moet komen uit bezuinigingen op andere terreinen, loop
je vast; je loopt vast hier in Den Haag, je loopt vast in Brussel en je
loopt vooral vast als het gaat om gezamenlijk weerbaarder zijn tegen de
geopolitieke krachten uit China en de VS.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Voorzitter, ik hoor geen vraag. Waarvan akte. Mijn partij loopt helemaal
nergens voor weg. Ik probeer alleen aan te geven in mijn bijdrage dat
het gewoon te simpel is om er één specifiek onderwerp uit te halen. Het
is natuurlijk mooi dat ik begin over politieke partijen die hier heel
snel klaarstaan met voorstellen met astronomische dekkingen als het gaat
over overheidsuitgaven, want de partij van de heer Van der Lee is daar
een van; mijn partij kijkt daar net iets anders naar. Volgens mij is het
én én. Onze economie vraagt om een én én. Daarover gaan we met z'n allen
in debat.
De heer Vermeer (BBB):
De heer Van der Lee brengt hier wel een interessant punt op richting
mevrouw Martens, met name omdat zij net zelf in het debat zegt dat we
moeten ontschotten en die andere onderdelen erbij moeten pakken. Bij de
eerste de beste vraag die mevrouw Martens daarover krijgt, zegt ze
opeens: ja, formatie, dus ik doe even niet mee. Dan heeft die oproep
toch ook geen zin, vraag ik aan mevrouw Martens.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Dank voor deze terechte vraag. Ik denk dat ik mij dan niet goed heb
uitgedrukt. Op het moment dat mij hier vragen worden gesteld over
bijvoorbeeld de uitgaven op begroting van Financiën, kan ik daar zelf
geen uitspraken over doen. Ik hoop dat mijn collega dat begrijpt. Op de
fundamentelere vraag of de overheid moet gaan investeren om groei te
investeren, zeg ik: uiteraard. Ik hoop ook dat er bij de
onderhandelingen die nu plaatsvinden, goed wordt gekeken naar waar we
het geld goed aan uit kunnen geven. Het fundamentele verschil tussen
mijn partij en die van de heer Van der Lee is dat hij gelooft in een
maakbare planeconomie en mijn partij niet. Maar u heeft helemaal gelijk,
zeg ik via de voorzitter. Ik zal daar zelf ook op letten.
De heer Vermeer (BBB):
Extra geld investeren in bedrijfsleven, in economie en daarvoor
tijdelijk de staatschuld op laten lopen omdat er in de toekomst ook
extra verdienvermogen gecreëerd wordt, heeft niks met een maakbare
planeconomie te maken. Dat is gewoon gezond verstand.
De voorzitter:
En uw vraag is?
De heer Vermeer (BBB):
Is mevrouw Martens dat met mij eens?
Mevrouw Martens-America (VVD):
Het ligt eraan waarin en op welke manier wordt geïnvesteerd. Mijn partij
is natuurlijk altijd een groot voorstander van een gedeelte publiek en
een gedeelte privaat. Als de heer Vermeer een heel concreet voorbeeld
heeft waarin en hoe zou moeten worden geïnvesteerd, kan ik daar een
oordeel over geven. Maar in de meest brede zin denk ik: ja, je moet
uiteraard blijven investeren in zaken, zoals deze minister nu doet in
bijvoorbeeld de AI-fabriek in Groningen. Ik denk dat er heel veel
voorbeelden zijn waarin publiek en privaat samengaan om de economie te
versnellen.
De voorzitter:
De heer Vermeer voor zijn laatste interruptie in dit blokje.
De heer Vermeer (BBB):
Mijn laatste vraag hierover gaat over de ontschotting. Een groot deel
van de economische groei wordt ook nog beperkt door netcongestie,
terwijl uw VVD-collega's in de andere debatten bij Klimaat en Groene
Groei nog weer pleiten voor extra windenergie op zee, wat de druk op het
net nog verder verhoogt.
De voorzitter:
En uw vraag is?
De heer Vermeer (BBB):
Hoe kijkt mevrouw Martens daartegen aan?
Mevrouw Martens-America (VVD):
Volgens mij is dit een van de grotere uitdagingen, net als bijvoorbeeld
stikstof, waar onze economie nu tegen aanloopt. Ik denk dat fysieke
economische groei nu daadwerkelijk wordt beperkt en dat daarom de
ontschotting van essentieel belang is. Volgens mij moeten we al dat
soort dossiers samenpakken en daarnaar kijken. Als blijkt dat dit een
van de voorbeelden is waardoor het lastig wordt, zullen we het daar hier
over moeten hebben.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Ik word natuurlijk een beetje geprikkeld door kwalificaties die totaal
nergens op slaan, bijvoorbeeld een planeconomie en dat soort dingen.
Moet ik daar nu de conclusie uit trekken dat wat de VVD betreft het
rapport-Wennink en de veel actievere, sturende rol die dat rapport
bepleit voor de overheid, de prullenbak in moeten?
Mevrouw Martens-America (VVD):
Ik zou de woorden van de heer Van der Lee graag weer terug willen
uitspreken. Ik hoor een aantal harde kwalificaties waar ik mezelf niet
in herken. Ik denk dat het goed is om het hele rapport-Wennink in de
meest brede zin — volgens mij komt bijvoorbeeld de minister van
Financiën daar ook bij — hier te bespreken, omdat dit juist ontschotting
vraagt. Ik gok dat wij elkaar nog wel zullen vinden, zeg ik via de
voorzitter tegen de heer Van der Lee, bij dat debat.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Nou, dat wordt misschien best moeilijk als ik zo luister naar het
verhaal. Er zijn veel meer elementen die een investeringsklimaat
bepalen; dat geef ik zonder meer toe. Er worden voorbeelden genoemd waar
de VVD nu al vijftien jaar voor verantwoordelijk is. Neem de
doorbetaling in het tweede ziektejaar. Dat had allang kunnen worden
opgelost door het collectiviseren van dat jaar over het hele
bedrijfsleven heen. Dat is niet gebeurd.
De voorzitter:
En uw vraag is, meneer Van der Lee?
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Mijn vraag is: waarom heeft u in die vijftien jaar deze punten niet
aangepakt?
Mevrouw Martens-America (VVD):
Ik zou heel veel zaken willen aanpakken. Ik zit hier nu ongeveer twee
jaar en ik denk ongeveer elke dag: waarom hebben we dit nog niet eerder
aangepakt? Er bestaat ook zoiets als meerderheden. Tot voor kort, tot
gister denk ik, hadden wij een links-economische meerderheid in deze
Kamer. Ik zie nieuwe kansen. Je weet het nooit. We zullen zien, maar we
zullen de voorstellen blijven indienen. Dat kan ik de heer Van der Lee
wel beloven, hoor. Als het nog niet gelukt is de afgelopen jaren,
betekent dit niet dat ik de handdoek in de ring gooi.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Is het dan niet zo dat aan de rapporten die u zelf noemt, de Europese
rapporten, Draghi, Letta, Wennink, vijftien jaar VVD-economisch beleid
vooraf is gegaan? Op al die dingen waarvan u zegt dat die niet deugen,
moet u toch op z'n minst reflecteren en zeggen "daar zijn we mede
schuldig aan"? Geen woord hoor ik daarover. Geef eens wat reflectie
daarop.
Mevrouw Martens-America (VVD):
De heer Van der Lee maakt het een interessant debat; dat wil ik hem wel
nageven. Ik loop nooit weg voor reflectie. Het is voor elke politicus
frustrerend wanneer bepaalde zaken niet lukken terwijl je de
mogelijkheid hebt om aan de knoppen te draaien. Ja, het zou toch wel
heel gek zijn als je naar huis gaat aan het einde van een lang debat en
denkt "yes, het is niet gelukt". Volgens mij komen wij hier omdat we
geloven in een aantal zaken. De heer Van der Lee en ik kijken, denk ik,
fundamenteel anders naar het dossier economie of de noodzaak van groei.
Dus ja, ik kan de heer Van der Lee via de voorzitter wel vertellen dat
ik baal als ik een voorstel indien waar vervolgens geen meerderheid voor
blijkt te zijn. Nogmaals, dat betekent dat ik het waarschijnlijk
volgende week opnieuw ga indienen. Je moet toch altijd op zoek naar
meerderheden in dit huis. Zoals ik al eerder heb gezegd: tot gister was
er een links-economische meerderheid. Dus ik heb hoop.
De heer Dassen (Volt):
Volgens mij was de afgelopen jaren een meerderheid ervoor om juist meer
te investeren in het toekomstig verdienvermogen van Nederland en heeft
het vorige kabinet, met daarin de VVD, er bewust voor gekozen om dat
niet te doen. Dat leidde tot kritiek van heel veel experts en
planbureaus, die allemaal zeiden: dit gaat juist lijnrecht in tegen
hetgeen Draghi aangaf. Daar heb ik mevrouw Martens-America ook vaak over
horen spreken. Is zij nou van mening dat het beleid dat de afgelopen
jaren is gevoerd, goed beleid was dat doorgezet moet worden door een
toekomstige coalitie of moeten we daarmee breken en moeten we juist gaan
zorgen dat we daadwerkelijk gaan investeren in het toekomstig
verdienvermogen?
Mevrouw Martens-America (VVD):
De partij van de heer Dassen is, ondanks, moet ik ook zeggen, dat we op
een aantal dossiers heel prettig samenwerken, zeker ook als het gaat om
start- en scale-ups, een van die partijen waarvan ik eigenlijk indirect
heb proberen aan te geven dat ik het toch altijd lastig vind dat er
direct wordt gekeken naar overheidsinvesteringen en in mindere mate naar
welke andere randzaken van belang zijn voor economische groei. De heer
Dassen en ik spreken volgens mij voor een groot gedeelte dezelfde
bedrijven. Wat zij als eerste aangeven is niet: wij hebben een extra
overheidsinvestering nodig om te zorgen dat we groeien. Zij komen met
een hele trits aan maatregelen. Met stip op één staat het instabiele
fiscale klimaat, waar de partij van de heer Dassen groot onderdeel van
heeft uitgemaakt. Ik noem bijvoorbeeld de belastingbespreking van twee,
drie jaar geleden. De hoofdrolspeler van toen zit tegenwoordig ook in
deze zaal. Dat zorgt voor instabiliteit als het gaat over
langetermijninvesteringen. De heer Dassen heeft ook ervaring in het
bedrijfsleven en weet dat vandaag de besluiten voor over tien jaar
worden genomen. Als wij hier de expatregeling afschaffen of de
faciliteit voor de inkoop van eigen aandelen weer onder druk zetten, dan
heeft dat impact op het stabiele vestigingsklimaat. Daarnaast zullen we
moeten investeren in de economie van de toekomst. De heer Dassen vraagt
mij: wat nemen we mee van de afgelopen jaren? Ik wil de heer Vermeer wel
één ding meegeven: wij hebben altijd heel strak opgelet dat we niet
automatisch de rekening neerleggen bij het bedrijfsleven. Die reflex
moet eruit in dit huis. Dat wil ik meenemen.
De heer Dassen (Volt):
Ik ben natuurlijk een beetje gewend dat er in debat met mevrouw
Martens-America toch altijd ook een hoop terugkomt. Dat is prima. Maar
veel van de kritiek is natuurlijk geweest dat we juist de investeringen
die noodzakelijk waren, niet gedaan hebben. Mevrouw Martens-America
spreekt nu veel over de randvoorwaarden. Een van die randvoorwaarden is
het stikstofdossier, dat niet opgelost is. Dat heeft de VVD ook
jarenlang vertraagd. Het gaat ook om de energienetten, die niet …
De voorzitter:
Meneer Dassen, kunt u tot uw vraag komen?
De heer Dassen (Volt):
Ja, maar ik wil er wel even wat langer bij stilstaan …
De voorzitter:
Ik heb gezegd: 30 seconden voor elke interruptie. In principe heeft een
interruptie geen inleiding.
De heer Dassen (Volt):
Dan zal ik tot de vraag komen. Ik vraag misschien toch nog iets meer
reflectie. Mevrouw Martens-America heeft het over de bredere
randvoorwaarden. Hoe kijkt zij naar de randvoorwaarden die nog steeds
niet op orde zijn?
Mevrouw Martens-America (VVD):
We bespreken hier natuurlijk wel de begroting van Economische Zaken. Ik
snap dat de heren op zoek zijn naar een vorm van zelfreflectie van de
VVD. Ik heb deels al geprobeerd daaraan te doen. Ik heb namelijk gezegd:
nee, het is nooit goed genoeg. Ik kom hier naar mijn werk om te zorgen
dat het beter wordt, dat het vestigingsklimaat morgen beter is. De heer
Dassen heeft gelijk, want we hebben onvoldoende geleverd op de punten
die hij aanhaalt. Volgens mij hebben alle partijen die op dit moment aan
tafel zitten bij de onderhandelingen die zaken ook heel hoog op de
politieke agenda staan. De heer Dassen en ik vinden elkaar dus daarin.
We moeten meters gaan maken op de randvoorwaarden. We kunnen het nu
hebben over fiscaliteit. We kunnen het nu hebben over investeren in
verschillende economieën en sectoren. Maar als de randvoorwaarden niet
heel snel op orde komen, hebben we een ander probleem. De heer Dassen en
ik zijn het dus helemaal met elkaar eens.
De voorzitter:
De heer Dassen voor de laatste vraag in dit blokje.
De heer Dassen (Volt):
Laatste vraag. Is de VVD van mening dat het volgende kabinet ervoor moet
zorgen dat we de Lissabonnorm van 3% gaan halen, waarbij we 1% publiek
doen en 2% privaat? Uiteindelijk heb je publieke middelen nodig om ook
private partijen te mobiliseren.
De voorzitter:
Heldere, korte vraag.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Dat is ook een van de dingen waar de heer Dassen en ik elkaar absoluut
in vinden. We zullen die 3% moeten gaan halen. Zowel de publieke als de
private investeringen blijven achter. Laten we het nu dus niet alleen
hebben over de publieke investeringen. Deze minister is volgens mij ook
hard aan de slag gegaan om te zorgen dat de private investeringen
loskomen. We zullen heel gericht moeten gaan kijken waar je als overheid
in moet investeren om dat percentage te halen. Maar zeker, maximale
inzet.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
De VVD begint zelf over fiscale stabiliteit. Ik hoor heel de tijd maar
jij-bakken over één amendement, maar wie was er verantwoordelijk voor
het gejojo rondom de CO2-heffing? De VVD. Wiebes heeft die
heffing geïntroduceerd. Wie heeft het Groeifonds om zeep geholpen? De
VVD. In ruil voor een of andere tolvrije tunnel en een jaar lang geen
hogere benzineaccijns ging het hele Groeifonds naar de maan. Neem eens
verantwoordelijkheid voor die slechte keuzes, in plaats van te
jij-bakken naar de oppositie.
De voorzitter:
Wat is uw vraag, meneer Van der Lee? Nou, geen vraag. Mevrouw
Martens-America ...
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Nee, ik zei: neem verantwoordelijkheid voor de slechte keuzes.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Ik ben blij dat de heer Van der Lee zich wel thuis voelt in deze
commissie, dus wat dat betreft kijk ik uit naar alle komende debatten.
Volgens mij heb ik in elke interruptie die ik tot nu toe heb gekregen,
een spiegel voorgehouden en gezegd dat als ik hiernaartoe ga, ik baal
als ik zaken niet aangenomen krijg, baal als er geen meerderheden zijn,
en heb gezegd dat er een aantal randvoorwaarden hoger op de politieke
agenda moeten, zoals stikstof. Via de voorzitter: ik loop helemaal
nergens voor weg. Volgens mij concluderen we hier met z'n allen dat het
op elk vlak beter moet, en daar is ook mijn partij onderdeel van.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Ja, dat klopt, en dan ben ik benieuwd hoe dat in de toekomst beter zal
gaan. Hoe gaat de VVD waarmaken wat ze nu zegt? Hoe gaat ze die fiscale
stabiliteit waarmaken? Hoe gaat ze waarmaken dat als er geld wordt
vrijgemaakt voor innovatie, voor R&D, voor wetenschap, dat ook
bestendig gebeurt en dat dat niet weer een jaar later, omdat er een
ander ding in de mode is, van tafel gaat?
Mevrouw Martens-America (VVD):
Ik weet eigenlijk niet meer zo goed wat ik moet antwoorden. Ik ga hard
mijn best doen. Mijn partij gaat hard haar best doen. Ik heb heel veel
vertrouwen in de bewindspersonen die we op dit moment leveren. Mochten
we die straks weer gaan leveren, dan zullen daar vast heel veel mensen
bij zitten met verstand van zaken. Ik heb vertrouwen in de mogelijke
nieuwe coalitie, in dat de juiste dingen hoog op de politieke agenda
zullen staan. Daar kunt u mij straks opnieuw op aanspreken, afrekenen et
cetera, et cetera. Volgens mij kan ik niet meer doen dan dat.
De voorzitter:
De laatste vraag van de heer Van der Lee.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Nou, ik denk niet dat dat gaat gebeuren, want het valt me op dat u nu de
inhoudelijke discussie niet aangaat. Dat vind ik jammer. Als er geen
lessen worden getrokken uit het verleden, wordt het heel moeilijk om het
in de toekomst beter te doen.
De voorzitter:
Waarvan akte. Mevrouw Martens-America, gaat u verder.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Ja, voorzitter. AI. Ik heb inderdaad al een inleiding gedaan over dat ik
bang ben dat we de AI-boot missen. Dan heel snel naar mijn vragen. We
zijn begonnen met investeren in een AI-fabriek. Ik ben ook blij dat het
de minister is gelukt om daar de investeringen voor rond te krijgen,
maar er zijn natuurlijk belangrijke initiatieven als Station F in
Frankrijk en de AI-gigafabriek. Hoe staat dat ervoor, waar staan we op
de planning et cetera?
Ecosystemen. Het is een begrip waarvan ik me goed kan voorstellen dat de
mensen thuis denken: wat is dat, wat moet ik daarmee? Maar Project
Beethoven was een van mijn eerste grote debatten. Het laat zien dat
juist die triplehelixaanpak zorgt voor investeringen en de juiste
randvoorwaarden. Wat je ook ziet, is dat een gebrek aan ownership er
ondanks alle beste intenties voor zorgt dat onderwerpen soms tussen wal
en schip vallen. Kan de minister wellicht specifiek Beethoven maar ook
mijn aangenomen voorstellen als blauwdruk gebruiken voor het laten
groeien van andere ecosystemen, zoals de techscene in Amsterdam?
Voorzitter, tot slot. De ruimte voor de fysieke maakindustrie is wat
mijn fractie betreft een ondergeschoven kindje. De heer Flach en ik
trekken hier samen in op. Ik zou er toch nog een keer een lans voor
willen breken. Waar start- en scale-ups vaak — en terecht — op veel
enthousiasme kunnen rekenen, is het enthousiasme voor bijvoorbeeld de
chemische industrie of de fysieke maakindustrie toch echt wat minder
groot. Maar als wij in dit huis constateren dat we minder afhankelijk
willen zijn van andere landen en vinden dat er ruimte moet blijven voor
ambachten, maar ook voor iets ogenschijnlijk kleins als een fietsenmaker
in de stad, en willen voorkomen dat een stad straks enkel bestaat voor
mensen die met een laptop werken, zoals in Amsterdam, dan zullen we hier
serieus mee aan de slag moeten. Mijn fractie is blij met de Nota Ruimte
en met het groeiende besef dat, waar die enorme woningbouwopgave
wellicht belangrijk is, dorpen zonder ruimte voor ondernemers leeglopen.
Ik ben benieuwd of de minister iets kan zeggen over de voortgang en ook
de mogelijke regierol als het gaat over gebieden van strategisch
belang.
De voorzitter:
Voordat u afrondt: ik zie de heer Dijk bij de interruptiemicrofoon.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Dank u wel, voorzitter. Ik wou een interruptie doen over AI, maar die
gaat nu, in verband met uw laatste woorden, ook over de maakindustrie.
AI en robotisering kunnen gigantische gevolgen hebben voor al die mensen
die jarenlang keihard werken in fabrieken, in de productie. Op dit
moment zien we met name in de Verenigde Staten dat door het argument "de
ontwikkelingen gaan zo ontzettend snel; we kunnen niet achterblijven"
fors veel banen verloren raken. Mijn vraag is dus: op welke manier vindt
de VVD dat we democratische controle moeten hebben over AI, zodat die
ook echt de vooruitgang van mensen dient in plaats van die van een
aantal techondernemers?
Mevrouw Martens-America (VVD):
Volgens mij heeft de heer Dijk daar een heel terecht punt. We staan op
een moment dat AI een enorme vlucht neemt en we onvoldoende grip hebben
op wat dat brengt. Laten we eerlijk zijn: juist die fabrieken en die
maakindustrie hebben enorme tekorten aan handen. Steeds minder mensen
kiezen voor een beroep waarin ze met hun handen werken. Dus wat de
VVD-fractie betreft moet het uiteindelijk een win-win worden. Ik heb een
rondetafel aangevraagd met experts, vandaag over twee weken, om met z'n
allen in dit huis verder van gedachten te wisselen over hoe we die
balans ook daadwerkelijk gaan bewaren. Dus ja, ik hoop dat we daarin
samen kunnen optrekken, want volgens mij hebben wij dezelfde doelen en
ambities hierin.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Is de VVD het met de SP-fractie eens dat we niet achterlopen in
AI-ontwikkeling, maar dat we vooral achterlopen in zeggenschap daarover,
waardoor de banen van fors veel mensen bedreigd kunnen worden? Is de VVD
het ermee eens dat we dit moeten voorkomen en wel degelijk moeten
ingrijpen voordat we weer achter de feiten aanlopen? De ontwikkelingen
gaan zó snel en dan worden we weer voorbijgestreefd. We zien
bijvoorbeeld al bij datacenters die veel data en veel energie gebruiken
…
De voorzitter:
Meneer Dijk, we hadden afgesproken dat we interrupties van maximaal 30
seconden doen. Mevrouw Martens-America.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Ik snap de zorgen van de heer Dijk heel goed. Het is heel terecht dat
hij dit punt hier maakt, maar we zijn het niet eens over de grondslag.
Nederland en Europa missen de AI-boot. Alle nieuwe technologische
ontwikkelingen, ook ontwikkelingen die de enorme krapte op de
arbeidsmarkt zouden kunnen oplossen, worden gelanceerd in het
buitenland. De AI Act die in Europa is gelanceerd, is bijvoorbeeld een
van de remmende factoren die ervoor zorgen dat er hier niet of minimaal
wordt geïnvesteerd in R&D ten aanzien van AI. Daar maakt mijn
fractie zich zorgen over. Ik ontving net ook een vraag over de
investering in R&D. Het is en-en. Volgens mij moeten we het niet
tegenover elkaar zetten. Hoe kunnen we ervoor zorgen dat onze
samenleving er profijt van heeft en dat we grip houden op wat het doet
met de arbeidsmarkt? Dat vraagt nog om heel veel debatten in dit huis,
volgens mij.
De voorzitter:
Meneer Dijk, voor de laatste vraag.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Ik wilde eigenlijk mijn interruptie beginnen met zeggen dat
technologische vooruitgang niet iets positiefs of negatiefs is, maar dat
het cruciaal is wie erover gaat en wie het bepaalt. Techmiljardairs
zeggen: het gaat allemaal zo snel; het is allemaal niet bij te houden.
Ik heb dat bij de bankencrisis ook meegemaakt. Niemand zou het begrijpen
en vervolgens gingen topeconomen uitleggen hoe het allemaal in elkaar
stak.
De voorzitter:
Meneer Dijk, uw vraag?
De heer Jimmy Dijk (SP):
Aan de ene kant hoor ik de VVD zeggen dat we moeten opschieten met de
ontwikkeling. Ik ben ervoor dat we het zelf doen, in eigen hand en in
eigen land.
De voorzitter:
Meneer Dijk, uw vraag?
De heer Jimmy Dijk (SP):
Maar ik ben er ook voor dat we beschermende maatregelen nemen voor
werkgevers die nu bedreigd worden door techmiljardairs die daar de winst
pakken, terwijl gewone mensen hun banen kunnen verliezen.
De voorzitter:
Oké. We hebben afgesproken dat het aantal interrupties onbeperkt is,
maar ik wijs de Kamer er toch nog een keer op dat die dan binnen de 30
seconden moeten blijven.
Mevrouw Martens-America (VVD):
"In eigen hand" lijkt me niet zo verstandig. Ondernemers moet je laten
ondernemen. Die zijn daar vele malen beter in dan de overheid. Maar de
zorg die de heer Dijk hier uitspreekt, is heel terecht. Volgens mij
hebben we hier de komende tijd nog heel veel debatten over. Laten we
deze zorgen ook bespreken en ons laten bijpraten door experts, niet
alleen door bedrijven maar ook door hoogleraren et cetera, et cetera. De
zorg van de heer Dijk is terecht. Laten we dat hier op die manier met
z'n allen bespreken.
De heer Frederik Jansen (FVD):
Ik hoor dit met veel verbazing. Is de mevrouw van de VVD het met me eens
dat hier eigenlijk sprake is van neo-Malthusiaans denken? Dus: het gaat
op en we kunnen daar niks aan doen. Kijk naar de ontwikkelingen op het
gebied van programmeren, het eerste vakgebied dat nu volledig
geautomatiseerd lijkt te worden. Dat betekent niet dat de programmeurs
verdwijnen, maar het betekent dat iedereen programmeur kan worden.
Volgens mij biedt artificial intelligence enorm veel kansen voor
iedereen. Ik vraag me af hoe de VVD daarnaar kijkt, vooral ten aanzien
van het optimaliseren en efficiënter maken van de overheid.
De voorzitter:
De vraag van meneer Jansen: is mevrouw Martens-America het eens met de
vraag of hier sprake is van neo-Malthusiaans denken?
Mevrouw Martens-America (VVD):
Die kwalificatie laat ik bij mijn collega, zeg ik via de voorzitter. Ik
ben verbaasd dat u zo verbaasd bent, want ik probeer te schetsen dat het
en-en is. Volgens mij moeten we goed nadenken over de ethische gevolgen
voor onze samenleving, bijvoorbeeld in de zorg, maar daarnaast is dit dé
oplossing voor de schaarste in het bedrijfsleven en bijvoorbeeld ook om
ervoor te zorgen dat de overheid veel kleiner kan worden. Dus ik zet in
op en-en.
De voorzitter:
Dat was voldoende. Daarmee heeft u uw bijdrage afgerond. We gaan door
naar de heer Kisteman namens de VVD-fractie. Ik wijs hem erop dat hij
vijf minuten heeft in de eerste termijn.
De heer Kisteman (VVD):
Voorzitter. Vanochtend begon ik in een kleuterklas op een basisschool in
Den Haag met het voorlezen van het boek De kleine aap. Het is vandaag de
Nationale Voorleesdag. Mocht je kinderen hebben, pak thuis dan even die
tien minuten. Het is heel veel waard en kinderen hebben er heel veel
aan. Nu staan we hier weer om op te komen voor het bedrijfsleven en het
mkb. Wat hebben we toch een prachtig werk.
Dan ga ik dus door naar het mkb, de grootste werkgever van Nederland. De
bakker op de hoek, de installateur, de schilder, de metaalbewerker, de
kledingwinkel en ga zo maar door: stuk voor stuk dragen ze bij aan onze
economie, zorgen ze voor werkgelegenheid, zijn ze goed voor hun mensen,
sponsoren ze de lokale sportvereniging of organiseren ze evenementen die
zorgen voor gezelligheid en levendigheid in de buurt. Mkb'ers zijn
onmisbaar voor de lokale economie. Wat zij doen, is niet altijd in geld
uit te drukken: het sociale praatje, even kijken hoe het met die oudere
is, zorgen dat de straten weer leuk versierd zijn.
Voorzitter. Daarom moeten we het voor onze ondernemers niet te moeilijk
maken. Talloze regels maken het ondernemen onmogelijk. Gelukkig is deze
minister hard op weg om de eerste 500 regels te schrappen of te
vereenvoudigen. Mijn fractie kijkt hoopvol uit naar de volgende serie
onnodige regels die de minister nog voor de zomer gaat schrappen.
Ondernemers zijn toe aan ruimte om te ondernemen, om te doen waar ze
goed in zijn en om bezig te zijn met hun vak of product. Zij hebben geen
behoefte aan al die onnodige rapportageverplichtingen, die voornamelijk
worden ingegeven door wantrouwen tegen ondernemers.
Vandaag wil mijn fractie een volgende stap zetten in de strijd tegen de
regeldruk. Regionaal bestaan er namelijk ook ontzettend veel regels. Het
bekendste voorbeeld daarvan is misschien wel de zero-emissiezone. Elke
gemeente heeft haar eigen regels en voorwaarden daaraan gekoppeld. Dat
maakt het voor ondernemers ontzettend lastig om te kunnen ondernemen.
Bij elke gemeente moet je de voorwaarden kennen, de uitzonderingen
opzoeken en verschillende ontheffingen aanvragen. Denk ook eens aan
geluidsnormen, laad- en lostijden, terras- en reclamebeleid, handhaving
en toezicht en ga zo maar door.
Voorzitter. Ondernemers worden daar gewoon helemaal gek van. Ik heb
hierover dan ook een aantal vragen aan de minister. Ziet hij
mogelijkheden om de regeldruk vanuit de gemeentes te verminderen, zonder
dat daarbij hun autonomie wordt aangetast? Misschien nog wel
belangrijker: is het mogelijk ervoor te zorgen dat alle regionale regels
dezelfde uitwerking hebben, zodat een ondernemer die het in de ene stad
op orde heeft, het in de andere stad automatisch ook op orde heeft? Voor
de armoederegelingen geldt dat er inmiddels stappen worden gezet om een
lappendeken tussen de gemeentes tegen te gaan. Welke mogelijkheden ziet
de minister hiervoor?
Voorzitter. Dan de impulswinkelgebieden. Het is velen wel bekend dat dat
punt hier zo ongeveer mijn hobby is. Toen de minister recent
bekendmaakte dat Groningen, Land van Cuijk en Zwolle alsnog de
stimulering voor de impulswinkelgebieden ontvingen, kreeg ik ontzettend
veel berichten van andere gemeenten met de vraag of zij niet ook in
aanmerking konden komen voor deze subsidie. Met deze impuls worden
projecten ondersteund die zich richten op herstructurering met elementen
als het toevoegen van woningen, meer groen, het verbeteren van de
openbare ruimte en het verbeteren van de aantrekkelijkheid voor de
bewoners. Uit onderzoek blijkt dat deze regeling ontzettend doelmatig
is. Dit komt ook doordat er privaat geld tegenover gezet wordt. Overheid
en bedrijfsleven trekken hierin samen op. Dat is een ontzettend goede
combinatie. Mijn fractie wil daar graag een vervolg aan geven. Daarom ga
ik een amendement indienen dat ervoor kan zorgen dat twee gemeenten
alsnog weer in aanmerking komen voor deze aantrekkelijke subsidie om het
winkelgebied in binnensteden en dorpskernen interessanter en
aantrekkelijker te maken.
Voorzitter. Ik wil afronden met een compliment aan de minister. Ondanks
dat het mkb het zwaar heeft en klaagt, hoor ik toch ontzettend veel
positieve reacties van veel mkb'ers over de betrokkenheid van de
minister. Ga zo door, zou ik dus zeggen.
De voorzitter:
Voordat u afrondt, is er een interruptie voor u van de heer Grinwis.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Collega Kisteman riep ertoe op om recht te doen aan de gemeentelijke
autonomie, maar als ik dat vertaal naar de motie die hij heeft ingediend
over de vervroegde evaluatie van de Winkeltijdenwet, merk ik niets van
de geest dat je recht moet doen aan de autonomie van gemeenten. Dan zie
ik drammerige, liberale etalagepolitiek om koste wat kost de
Winkeltijdenwet zo aan te passen dat iedereen open moet op zondag.
De voorzitter:
Wat is uw vraag?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Hoe verhoudt dat zich tot elkaar?
De heer Kisteman (VVD):
Het wordt natuurlijk een beetje uit zijn context getrokken. Wij hebben
gevraagd om de evaluatie van de Winkeltijdenwet naar voren te halen. Dat
wordt gedaan, dus de evaluatie komt voor de zomer. Vorige week is er een
brief gekomen met een aantal opties, vier stuks, waar de minister over
nadenkt: dit zou eventueel kunnen, wat er ook uit de evaluatie komt. Wij
hebben gevraagd om dat eens in beeld te brengen. Wij zeggen niet dat
ondernemers open moeten op zondag. Wij zeggen dat ondernemers die op
zondag open willen, die ruimte moeten hebben, net zoals consumenten die
op zondag naar de winkel willen, dat op zondag kunnen doen en anderen
dat op maandag kunnen doen. Prima. Het is raar dat gemeentes kunnen
zeggen: als ondernemer mag je niet open, maar als consument mag je wel
lekker je boodschappen doen.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Het betoog van de heer Kisteman is inconsistent, als ik het vergelijk
met deze motie. De opties gaan allemaal ten koste van de kleine
winkelier die niet op zondag open wil en het gaat afleggen tegen de
grote supermarkt. Het gaat ten koste van de autonomie van gemeenten, die
het heel goed zelf kunnen regelen. Hij zoekt een probleem met een loep,
terwijl in de brief staat dat er geen problemen bekend zijn.
De voorzitter:
En uw vraag is?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik begrijp dus werkelijk niet wat de heer Kisteman hier enerzijds staat
te vertellen en anderzijds betoogt in de motie. Mijn vraag is: moeten
we, als we die evaluatie toch gaan doen, niet ook heel goed kijken naar
de sociale gevolgen voor winkeliers en de maatschappij?
De heer Kisteman (VVD):
Volgens mij heeft de heer Flach, onze collega, een toezegging gehad van
de minister dat ook die kant werd meegenomen in de evaluatie. Als
christelijke ondernemers bijvoorbeeld niet open willen op zondag, staan
wij er ook zeker voor open dat het sociale aspect daarvan wordt
meegenomen. Maar we vinden het ook belangrijk dat ondernemers zelf de
ruimte hebben om te bepalen of ze open willen op zondag of niet. Het is
gewoon raar dat het bijna in heel Nederland is geregeld. Overal is die
lijn bijna gelijk. Er zijn echter een aantal gemeentes, ik geloof 20,
waar helemaal niks mag en een stuk of 50 waar het één keer per maand is,
of deels op zondag. Wil je het dus echt gelijktrekken, dan zou je moeten
zeggen dat die ondernemers zelf die ruimte kunnen krijgen.
De voorzitter:
Meneer Grinwis, voor uw laatste interruptie geef ik u nu het woord.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Hier valt de heer Kisteman weer in zijn eigen zwaard. Gemeentelijke
autonomie is dus leuk bij de VVD, zolang het in het straatje van de VVD
past. Dat is toch drammerige etalagepolitiek van onze liberale vrienden?
Dat is koste wat kost doorzetten, terwijl de verkenner Wouter Koolmees
heeft gezegd dat er vijf grote opgaven zijn waar ons land mee aan de
slag moet. Ga je dan niet verliezen in zaken die eigenlijk helemaal geen
probleem zijn en die prima geregeld zijn in verschillende gemeenten. De
heer Kisteman zegt het zelf: het gaat om twintig gemeenten. Dus wat is
het probleem?
De voorzitter:
Meneer Kisteman, bent u het daarmee eens?
De heer Kisteman (VVD):
Nee, dat lijkt mij niet. Trek het gewoon overal in Nederland gelijk. Het
is raar dat er een aantal uitzonderingen zijn. Wij willen een gelijk
speelveld voor alle ondernemers in Nederland. Het is raar dat daar een
aantal uitzonderingen op zijn. We willen de autonomie niet overal
aanpakken, maar zorg dan in ieder geval voor een gelijk speelveld. Het
blijft gewoon raar dat je in Elburg op zondag niet open mag, terwijl je
daar ondernemers hebt die heel graag open willen. De lokale politiek
zegt: we willen het wel, maar het komt er gewoon niet door. Wij zeggen
daarnaast: kijk goed naar onderzoek en neem dat hier ook in mee. Daarna
kunnen wij daar conclusies uit trekken.
De voorzitter:
De heer Dijk. Niet? O, ik dacht dat u eerder was dan de heer Van der
Lee. Heel hoffelijk, meneer Dijk. De heer Van der Lee.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Mijn vraag sluit hierop aan, want die gaat ook over gemeentelijke
autonomie. Ik hoor de heer Kisteman eigenlijk ook afgeven op gemeenten.
De zero-emissiezones zijn een gevolg van het feit dat het landelijk
beleid faalt als het gaat om het aanpakken van de concentratie van
emissies in onze binnensteden. Erkent de VVD dat?
De heer Kisteman (VVD):
Meneer Van der Lee, dit is ons eerste debat samen. Ik denk dat wij nog
even moeten wennen aan onze manier van communiceren. Ik heb niet gezegd
dat ik afgeef op gemeenten. Dat geef ik niet aan. Ik heb aangegeven dat
er niet één overzichtelijke regel is waar ondernemers zich aan kunnen
houden. Ik gebruik de zero-emissiezones als voorbeeld daarbij. Of die er
nu wel of niet zijn, het was handiger geweest als dit bij alle gemeentes
gelijk was. Het kan niet zo zijn dat je in Apeldoorn met je marktkraam
niet naar binnen kan, andere regels hebt of meer geld moet betalen voor
een uitzondering, terwijl dat in Zwolle heel anders gaat. Daar gaat het
me om. Wij geven niet af op de autonomie van de gemeentes; daar heb ik
het niet over.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Daar hoort vervolgens bij dat daar een landelijke regel voor moet komen.
Het doel van die zones is namelijk om emissie te reduceren waar de
concentratie het hoogst is: in onze binnensteden. Is dat ook de positie
van de VVD?
De heer Kisteman (VVD):
Wij hebben het niet over het doel, maar over de ongelijkheid in het
aantal regels. Ik gebruik de zero-emissiezones als voorbeeld daarbij.
Ondernemers lopen er enorm tegen aan dat dit overal verschillend is en
dat er al uitzonderingen en verschillen zijn. In Amsterdam moet je
bijvoorbeeld veel meer betalen voor het aanvragen van een uitzondering
dan in andere delen van het land. Het moet niet heel moeilijk zijn om
dit in heel Nederland gelijk te trekken. Ik gebruik dit als voorbeeld.
Ik geef nog tal van andere voorbeelden. We moeten eens kijken hoe we dit
kunnen doen.
De voorzitter:
De laatste interruptie van de heer Van der Lee.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Maar als je dingen wil oplossen, moet je wel nadenken over wat je doel
is. Waarom gebeurt dit? Wat is het doel daarachter? Waar, op welk
niveau, kun je dit het beste regelen, als je een gelijk speelveld wil?
Maar als je dat niet op nationaal niveau wil — dat heeft de VVD namelijk
jarenlang geblokkeerd — dan krijg je dit soort gevolgen. Dan moet je
niet gaan zeuren over de gevolgen, want je hebt ze zelf veroorzaakt.
De voorzitter:
En uw vraag is?
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Dat was een conclusie.
De heer Kisteman (VVD):
De manier van debatteren van de heer Van der Lee, het hebben over
"zeuren" en dat soort dingen, is niet mijn manier van debatteren. Ik
geef een voorbeeld van iets waar ondernemers tegenaan lopen. Ik geef tal
van voorbeelden, zoals geluidsnormen. In elke stad zijn die
verschillend. Dat heeft niks met zeuren te maken, meneer Van der Lee,
zeg ik via de voorzitter. Dat heet opkomen voor onze ondernemers.
Misschien ligt mij dat iets meer aan het hart dan de heer Van der
Lee.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Ondertussen is het tienenhalf jaar geleden dat een van mijn voorgangers,
de heer Roemer, een voorstel deed om het tweede jaar loondoorbetaling
bij ziekte voor kleine bedrijven collectief te organiseren, zonder
afbreuk van werknemersrechten. Onlangs, in september, heb ik dat samen
met de VVD weer gedaan. Dat voorstel is weer aangenomen. We zijn
tienenhalf jaar verder en we hebben geen reactie gehad van het
kabinet.
De voorzitter:
Ik wil u toch vragen om inleidingen achterwege te laten. Het gaat hier
om het stellen van vragen.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Bent u het met mij eens dat er heel snel een reactie van het kabinet
moet komen die in lijn ligt met de motie, dus zonder afbreuk van
werknemersrechten?
De heer Kisteman (VVD):
Dank voor die hele goede motie van de SP. Wij zijn daar namelijk heel
blij mee. Het is belangrijk dat we iets gaan doen aan het tweede jaar
loondoorbetaling bij ziekte. We moeten dat gaan oppakken. Dat zou aan
een nieuw kabinet kunnen zijn. Als er van dit kabinet nog een reactie
moet komen — ik weet niet of dat zo is — dan kijk ik even naar links en
vraag ik mijn collega Karremans om dat alsnog te doen. Ik ben het daar
zeker mee eens. Dit is namelijk een heel belangrijk onderwerp.
Ondernemers lopen hier al heel lang tegenaan.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Dank daarvoor. Mijn vraag is ook specifiek. In dat voorstel staat heel
nadrukkelijk "het tweede jaar niet schrappen, maar collectief
organiseren" en "met behoud van werknemersrechten". Die mogen niet
geschaad worden. Staat de VVD ook nog pal voor het laatste deel van die
motie?
De voorzitter:
Een keurige korte vraag.
De heer Kisteman (VVD):
Daar zal ik ook keurig kort antwoord op geven: daar staan wij zeker nog
pal voor.
De heer Vermeer (BBB):
De heer Kisteman had net een interruptiedebat met de heer Grinwis. Het
ging over de winkelopenstelling op zondag. Wat ons betreft mogen ze
gewoon open, maar wel op vrijwillige basis. Er moet ook goed gekeken
worden of kleine ondernemers beschermd moeten worden door niet altijd
open te gaan. Dat moet ook samen geregeld worden.
De voorzitter:
Meneer Vermeer, wat is uw vraag?
De heer Vermeer (BBB):
De heer Kisteman verwijst naar Elburg en zegt vervolgens: de politiek
wil het, maar het komt er niet. Is de heer Kisteman zich ervan bewust
dat er gewoon geen politieke meerderheid is in die plaats?
De heer Kisteman (VVD):
Dan heb ik het misschien verkeerd gezegd. Ik gaf aan dat een deel van de
politiek het graag wil. Er lopen onderzoeken en gesprekken, maar er is
daar nog geen meerderheid. Daar ben ik me dus van bewust.
De heer Vermeer (BBB):
Onderkent de heer Kisteman dat dit een gevolg is van democratie en dat
hij dat dan eigenlijk niet als voorbeeld moet gebruiken, omdat de
democratie daar perfect werkt?
De heer Kisteman (VVD):
De vraag is hoe de ondernemers in die democratie worden meegenomen. Ik
lees brieven en krijg berichten waaruit blijkt dat onder andere in
Elburg — maar het gebeurt in meerdere gemeentes — hetgeen ondernemers
willen om te kunnen doen waar zij goed in zijn, niet altijd even goed
wordt meegenomen.
De voorzitter:
Meneer Vermeer voor zijn laatste vraag.
De heer Vermeer (BBB):
Suggereert de heer Kisteman hier dat als een minderheid iets wil, wat
door de meerderheid niet gehonoreerd wordt, wat hem betreft de
democratie overruled moet worden?
De heer Kisteman (VVD):
Nee. Wij suggereren dat we graag een gelijk speelveld willen voor
ondernemers. Wij vinden het raar dat je in de ene gemeente niet mag
ondernemen, maar inwoners wel naar een ander dorp of een andere stad
kunnen gaan om hun boodschappen te doen. Wij vinden dat raar. We vinden
dat gek voor de lokale economie. Wij zeggen: geef die ondernemers nou
eens die ruimte. Ik denk dat de heer Vermeer het met mij eens is dat de
stem van de ondernemers in Nederland iets kleiner is dan stemmen met
andere geluiden. Neem die geluiden en signalen nou serieus en onderzoek
ze eens. Geef de ondernemers die ruimte.
De voorzitter:
Meneer Kisteman, u bent klaar met uw betoog?
De heer Kisteman (VVD):
Ja hoor. Had ik de minister al een compliment gegeven? Nee?
De voorzitter:
Ik geloof dat u dat al had gedaan. Dan gaan we door met de bijdrage van
de heer Van der Lee namens de fractie van GroenLinks-Partij van de
Arbeid. Gaat uw gang.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel. Afgelopen zomer opende het nieuwsplatform POLITICO met de
kop "Is Europa's eeuw van vernedering aanstaande?" Men trok een parallel
met China's vernedering door Europese mogendheden van twee eeuwen
geleden. Door technologische en militaire overmacht wist Europa toen
zware economische concessies af te dwingen. De vraag die POLITICO
opwerpt, is of dat nu met Europa gaat gebeuren. Is het China of de VS,
of zijn ze het allebei, die ons gaan vernederen op economisch terrein?
Ik ben wel benieuwd hoe de minister daarnaar kijkt. Recente
gebeurtenissen rond Groenland, maar ook het Chinese record, met een
exportoverschot van 1.200 miljard dollar, stemmen somber. In Nederland
leggen de zaken over Nexperia en Solvinity de vinger op de zere plek.
Technologisch en economisch zijn we geweldig kwetsbaar. Dat geeft grote
risico's voor onze veiligheid.
In een wereld die geopolitiek gezien in korte tijd onherkenbaar is
veranderd, kunnen we het ons niet veroorloven om "industriepolitiek" nog
langer als vies woord te zien. Als we de VS en China van repliek willen
dienen, zullen we onszelf weer strategisch relevant moeten maken. Of,
zoals Sandor Gaastra, de sg van EZ, deze week schreef: geo-economische
macht moet een veel grotere rol spelen bij beleid. Ik ben benieuwd of de
minister dat ook zo ziet. Is hij het eens met de sg dat dit ook op
Europees niveau meer middelen en bevoegdheden betekent? Dat is niet de
lijn van dit kabinet. Heroverweegt dit kabinet de lijn of moeten we weer
wachten op de uitkomst van de formatie?
Nederland en Europa hebben niets aan fatalisme. We hebben nog steeds een
maakindustrie van wereldklasse en een hoogopgeleide beroepsbevolking. We
zijn de Gateway to Europe. We hebben als Europa de grootste
consumentenmarkt en een geweldige kennisinfrastructuur. Als Mario Draghi
en het onlangs gepresenteerde Wennink-rapport iets laten zien, dan is
het: het is niet te laat, maar er is werk aan de winkel. Laat ik dan
toch beginnen met een compliment aan, in dit geval, de heer Wennink. We
sluiten ons aan — of hij sluit zich bij ons aan — bij de noodzaak om als
overheid veel meer in de economie te investeren. Alleen zo kunnen we
maatschappelijke opgaven als duurzaamheid, veiligheid en weerbaarheid
het hoofd bieden.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Ik ben blij. Ik hoor allemaal bemoedigende, optimistische woorden van de
GroenLinks-PvdA-fractie over dat onze economie daadwerkelijk van
essentieel belang is. De heer Van der Lee en ik hebben een stukje
zelfreflectie achter de rug net; daar heeft iedereen van mogen
meegenieten. Ik heb een vraag terug. Betekent dit ook dat uw fractie nu
afscheid neemt van de lijn dat we bedrijven uitzwaaien wanneer ze
vertrekken, juist omdat die geopolitieke situatie zo veranderd is?
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Dat is nooit een lijn geweest van mijn fractie, dus daar hoef ik
helemaal geen afstand van te doen. Over dat uitzwaaien van bedrijven: er
zijn bekende bedrijven geweest die om voor hen moverende redenen — ik
wijs op de dubbele aandelenstructuur — hebben gekozen om hun
hoofdkantoor te verplaatsen naar Londen. Er is een bedrijf dat een ander
bedrijf heeft overgenomen, DSM, en in die onderhandelingen zelf heeft
gekozen om het hoofdkantoor te verplaatsen naar Zwitserland. Dat heeft
niets te maken met overheidsbeleid. Dat wordt de hele tijd ten onrechte
gesuggereerd. Want ons vestigingsklimaat gaat, zoals u zelf al
benadrukte, om veel en veel meer dan alleen fiscaliteit. Dat is alleen
wel elke keer het knopje waar de VVD op drukt. Als we zo met elkaar
blijven discussiëren, komen we niet verder, terwijl we wel voor een
gemeenschappelijke opgave staan.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Meneer Van der Lee, u maakt er echt een heel zwaar ...
De voorzitter:
Via de voorzitter, mevrouw Martens.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Via de voorzitter. Meneer Van der Lee maakt er echt een heel zwaar debat
van. Ik ben helemaal niet bezig met een jij-bak. Ik ben op zoek naar een
manier waarop we samen op kunnen trekken, omdat ik de conclusie van uw
fractie hoor dat een sterke economie ook van strategisch belang is. Ik
vraag de heer Van der Lee via de voorzitter: als een bedrijf aankondigt
dat ze gaan vertrekken, zullen wij daar dan samen naartoe gaan om te
vragen waarom ze vertrekken? Want het gaat natuurlijk ook om
belastinginkomsten voor de Staat. Zullen we dan samen kijken wat ze
nodig hebben om hier te blijven, ook wanneer dat ingewikkelde fiscale
maatregelen zijn?
De voorzitter:
Ja, uw vraag is duidelijk.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Die handschoen pak ik samen met u op, maar hier zit de veronderstelling
achter dat ik geen gesprekken voer met die bedrijven, terwijl ik dat
voortdurend doe. Dat doe ik ook met hele grote bedrijven, zoals ASML.
Aanstaande vrijdag ga ik op werkbezoek bij Rijk Zwaan. Ik ga graag op
werkbezoek bij bedrijven. Echter, ik zit ook al heel lang in de politiek
en het dreigement om uit Nederland te vertrekken, heb ik al vier
decennia gehoord. Wat constateer ik uit de cijfers? De winstquote is nog
nooit zo hoog geweest ten opzichte van de werknemersinkomsten. Ik ben
bereid, gelet op de geopolitieke situatie, om forse stappen te zetten,
om te investeren, om een aantal zaken aan te pakken. Ik noem
bijvoorbeeld het stikstofprobleem. Kijk naar al die randvoorwaarden die
genoemd worden. Als er eerder naar ons was geluisterd, waren we verder
geweest in de energietransitie. Dat gesprek ga ik dus graag aan. Maar
ons aanwrijven dat we niet weten wat er leeft bij bedrijven, gaat mij
veel te ver.
Ik kom weer even terug bij waar ik gebleven was in het verhaal, en dat
was Wennink. Het belangrijkste verschil tussen dat rapport en het tot
nog toe gevoerde beleid is de nadruk op meer publieke investeringen en
vooral ook het financieren uit de staatsschuld en niet alleen uit
bezuinigingen. Ik moet zeggen dat ik ook een beetje geschrokken ben van
de manier waarop er omgegaan is met cijfers in dat rapport. Er wordt een
doembeeld geschetst van een oplopende staatsschuld, door verschillende
scenario's van het CPB op te tellen. Dat is echt heel onhandig. Ik hoop
dat de minister daarop in de reactie van het kabinet op het rapport nog
ingaat. Maar de noodzaak om meer investeringen te financieren uit de
staatsschuld wordt in het rapport helder aangetoond. Ik wil graag van de
minister horen hoe hij daartegen aankijkt.
Er zitten eerlijk gezegd ook wel tekortkomingen in het rapport-Wennink,
en dan vooral op het sociale domein. Want wil je een weerbare economie
hebben, dan moet je investeren in mensen. Ons grootste kapitaal zijn
onze inwoners. De samenleving moet niet voor de economie werken; de
economie moet voor de samenleving werken. Als ik dan zie dat weer de
traditionele riedel wordt afgedraaid over het afbouwen van onze
verzorgingsstaat, zonder enige reflectie op het feit dat jaren van
loonmatiging hebben geleid tot een economie waarin laagproductieve
sectoren te groot zijn, ook omdat ze arbeidsmigranten uitbuiten, dan
denk ik dat we op dat punt ook een inhaalslag te maken hebben. Waarom
staat dat niet in Wennink? Er wordt wel gerefereerd aan sectoren als
slachterijen, de tuinbouw en dat we daar iets mee moeten. Maar wat? En
welke consequentie trek je daaruit? Een van de belangrijke manieren om
innovatie te stimuleren, is hogere lonen. Dat drijft bedrijven tot
innovatie! Ook die reflectie mis ik in het rapport, maar daar gaan we op
een later moment nog apart over spreken.
Ik vraag ook aan de minister of hij erkent dat zijn begroting geen
Wenninkbegroting is en dat dit kabinet ervoor gekozen heeft om in plaats
van te investeren, het Groeifonds te schrappen — we noemden het al — en
te bezuinigen op de wetenschap.
Wat onze inzet betreft wil ik dat we echt snel stappen zetten om onze
economie toekomstbestendiger te maken. Allereerst betekent dat heldere
doelen. In de Kamerbrief Industriebeleid met focus wordt enkel gesproken
over 3% van het bbp investeren in R&D. Dat doel onderschrijven wij.
Ik hoor nu ook partijen zeggen: dat willen we halen. We gaan het zien.
Maar er is veel meer dan dat nodig om onze economie toekomstbestendig te
maken en daar ook concrete doelen op te formuleren. Werkt de minister
daaraan? En hoe kunnen we daar vervolgens als Kamer op monitoren om
elkaar scherp te houden?
Ten tweede moet de overheid haar marktmacht meer inzetten voor groene,
sociale en strategische doelen en ook voor onze weerbaarheid. De
overheid is geen toeschouwer, maar creëert zelf ook een markt. Jaarlijks
worden voor tussen de 110 en 120 miljard euro aan diensten en producten
ingekocht. Dat is 13% van het bbp en gaat nog fors stijgen door de extra
investeringen die voor ons liggen, bijvoorbeeld alleen al op het terrein
van defensie. Is de minister bereid om werk te maken van eenvoudiger
maar doelgerichter aanbesteden, waarbij strategische doelen,
bijvoorbeeld "koop Europees", groene en ook sociale doelen moeten worden
geformuleerd?
De overheid moet ook assertiever optreden in strategische sectoren. De
casus-Nexperia maar ook de overname van Solvinity laten zien dat het
Nederlandse afwegingskader, de Wet vifo, misschien nog niet voldoende is
ontwikkeld. Ik ben wel benieuwd of de minister kan aangeven of dit
instrument nog verder versterkt moet worden en in hoeverre hij dat op
Europees niveau wil. Er wordt aan een aantal zaken gewerkt. Graag
krijgen wij inzicht in waar wij staan en waar de minister naartoe
wil.
Meer specifiek over Nexperia: we gaan daar nog over spreken. Ik ben heel
benieuwd naar de uitspraak waar wij op wachten. Ik constateer trouwens
wel dat de reconstructie van het FD eindigde met iets wat ik aan het
eind van het debat zei, namelijk "had nou even twee dagen gewacht". Ik
ben benieuwd of de minister nog gereflecteerd heeft in het kerstreces en
of hij daar anders over is gaan denken.
De voorzitter:
Dat leidt tot een interruptie van de heer Grinwis.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik wil even dit laatste punt relateren aan waar de heer Van der Lee mee
begon. Hij haalde namelijk de secretaris-generaal van Economische Zaken
aan, die ook in dit kader een pleidooi hield voor control points, dus
dat we moeten zorgen en borgen dat andere machtsblokken in de wereld
afhankelijk blijven van Europa. Nu zijn de casus-Nexperia en het
assertieve optreden van deze minister misschien wel een schoolvoorbeeld
van hoe je ervoor zorgt dat wij control points blijven, opdat andere
machtsblokken afhankelijk blijven. Hoe verhouden die twee zich tot
elkaar?
De voorzitter:
Het kwam nog net binnen de 30 seconden tot een vraag. Dank u wel, meneer
Grinwis.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Kijk, over die control points ben ik het volledig eens. Het gaat om de
wederkerigheid. Strategische autonomie in de zin van autarkie gaat
niemand bereiken. Dat moeten we ook niet willen. Het gaat erom dat je
wederzijds afhankelijk bent, zoals de Chinezen afhankelijk zijn van
ASML. De vraag is of we dat gaan uitspelen. Dat is een hele andere
discussie. In deze specifieke casus is het de vraag of de stap die gezet
is niet een grotere escalatie heeft veroorzaakt dan nodig was geweest.
Wat als het in eerste instantie was gebleven bij de gang naar de
Ondernemingskamer en de ingrepen die die heeft gepleegd? Ik snap dat dat
een afweging is, maar in dit geval vraag ik me af of we onszelf niet
iets te veel in de vingers hebben gesneden. Dat doet niets af aan de
noodzaak van control points. Ik erken ook volmondig dat we de Wet vifo
nog niet hadden toen Nexperia destijds werd overgenomen door Chinese
partijen. Achteraf gezien denk ik dat we dat anders hadden moeten doen,
maar dat kon toen niet. Ik zet echter nog steeds vraagtekens bij deze
afweging en ik constateer dat ik niet de enige ben. In een uitgebreide
reconstructie in het FD van dit weekend werd precies hetzelfde punt
gemaakt.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Dit is mijn laatste vraag. Over die specifieke casus gaan we vast nog
wel weer een keer het debat voeren, maar breder gezien wil ik het
volgende weten. Welke consequentie trekt GroenLinks-PvdA uit de
benadering dat we, in deze onrustige wereld, met strategische autonomie
ervoor moeten zorgen dat andere blokken afhankelijk blijven van Europa?
Wat betekent dat dan voor de omgang — dat gaat niet alleen om de omgang
met ASML, want dat is heel voor de hand liggend, het is een ongelofelijk
belangrijk bedrijf — met bijvoorbeeld onze weg- en waterbouw, met
bedrijven zoals Boskalis en onze ingenieursbureaus?
De voorzitter:
Meneer Grinwis, uw vraag is: wat betekent dat?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Wat betekent het op dat vlak?
De voorzitter:
Helder.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Ik denk dat het twee dingen betekent. Aan de ene kant betekent dat
zelfbewuster omgaan met de economische kracht die we al hebben. We
hebben bedrijven die toonaangevend zijn in specifieke sectoren met
specifieke technologieën. Er hoort dan ook de bereidheid te zijn om daar
op een gegeven moment op in te zetten, zoals andere geopolitieke blokken
ook doen. Andersom gaat het erom dat je dat soort excellentie probeert
opnieuw op te bouwen, of, meer defensief, probeert te diversifiëren door
productie die nu buiten Europa plaatsvindt, voor een deel in Nederland
te laten plaatsvinden, bijvoorbeeld in de halfgeleiderindustrie.
Daar gaat precies mijn volgende punt over. Ik zou het heel goed vinden
als er wat betreft de backendproductie van ook de wat minder complexe
chips, zoals de chips die Nexperia produceert, een productiecapaciteit
in Europa tot stand komt en we daar met andere Europese lidstaten aan
werken. Ook hierin zit een vorm van wederkerigheid. We gaan als overheid
namelijk fors investeren in defensie en breder gezien in de
weerbaarheid. Dat betekent wel dat bedrijven daar ook aan zullen moeten
bijdragen. Dat moeten ze niet alleen doen door privaat te investeren,
maar ook door bereid te zijn om een iets hogere prijs te betalen voor
hun leveringszekerheid. Waarschijnlijk zal het immers ietsje duurder
zijn om dat soort producten in Europa af te nemen, zeker in de eerste
jaren, omdat er fors moet worden geïnvesteerd en we niet de lagere
arbeidskosten zoals in andere landen hebben. Er zal dus met de industrie
gesproken moeten worden. Wij als overheid zullen deze stappen zetten,
maar de industrie moet als consequentie daarvan accepteren dat het voor
een deel van de inkoop misschien iets duurder uit is. Als de industrie
daartoe niet bereid is, dan hebben we wel een probleem met elkaar. Als
het niet vrijwillig gebeurt, dan zul je misschien toch met wetgeving
moeten afdwingen dat er wat meer nationaal of Europees wordt
ingekocht.
De voorzitter:
Gaat u verder met uw betoog.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Dank. Dat scheelde mij een stukje van mijn inbreng. Ik heb dat stukje
bij dezen via de interruptie geplaatst. Ik vraag aan de minister welke
stappen, specifiek wat betreft de halfgeleiderindustrie, hij wil zetten
om ons als Europa en als Nederland, en de bedrijven daarbinnen, minder
afhankelijk te maken van productie in Zuidoost-Azië. Hoe ver wil hij
daarin gaan? Wat gebeurt er al op Europees niveau? Welke stappen kunnen
we extra zetten? Ik denk dat hij, ook gelet op de Nexperiacase, extra
gemotiveerd is om daar werk van te maken. Ik denk ook dat dit past
binnen de bredere ambitie die in de Kamer en in het rapport-Wennink
leeft om meer strategisch te investeren en onze weerbaarheid te
vergroten. Daar hoor ik de minister graag over. Daar kunnen we morgen,
geloof ik, antwoord op krijgen.
Voor dit moment laat ik het hierbij. Ik krijg nog een interruptie, zie
ik.
De heer Chris Jansen (PVV):
Ik heb met veel interesse zitten luisteren naar de heer Van der Lee. Ik
kan me best goed vinden in een aantal overwegingen. De wereld verandert,
de geopolitieke situatie verandert heel sterk en we willen ons als
Nederland daartoe verhouden. De kosten voor ondernemingen, voor alle
ondernemingen, betreffen voor het grootste deel personeel, energie,
huisvesting en belastingen. Juist op die punten zijn we ons heel erg op
achterstand aan het zetten, met name als het gaat om klimaatmaatregelen.
Ik vroeg me af of meneer Van der Lee hierop kan reflecteren. Moeten zijn
ambities op klimaat misschien worden bijgesteld, gelet op de
veranderende wereld?
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Nou ja, een paar dingen. Ik refereerde er al even aan: in de afgelopen
jaren is de winstquote ten opzichte van de arbeidsinkomensquote enorm
toegenomen in Nederland. Van iedere verdiende euro gaat er steeds meer
naar de winst in plaats van naar de werknemers. Die kloof is groter
geworden, gedurende al een langere periode. Als ik kijk naar wat er
wordt omgezet en welke winsten er worden gemaakt door Nederlandse
bedrijven, dan zie ik dat het nog best goed gaat, zeker Europees
vergeleken. Nederland heeft het de afgelopen jaren, ook na corona, veel
beter gedaan dan bijna alle andere buurlanden. Dus zo slecht staan we er
niet voor.
Specifiek over het klimaatbeleid. Het onderdeel energiekosten is voor
heel veel bedrijven maar een beperkt onderdeel van hun totale
productiekosten, met uitzondering van zeer energie-intensieve bedrijven.
Die zitten natuurlijk in de industrie, specifiek in de chemische
industrie. Daar is de concurrentie lastig, maar daar komt wel bij dat
Nederland een zeer fossiele economie had en nog steeds heeft. Dat kwam
vanwege onze eigen gasvoorraden. We hebben ook altijd heel veel olie
geïmporteerd. We hebben een forse opgave te maken op dat terrein.
Daarmee zijn we begonnen; die uitdaging zijn we aangegaan. We
verschillen er misschien van mening over, maar wij vinden dat doel
belangrijk. Wij willen dus niet zomaar meegaan in: we moeten we weer
terug naar af, we moeten ons nationale energie- en klimaatbeleid opgeven
en alleen nog maar sturen op wat er Europees wordt afgesproken. Dan
breken we af wat we hebben opgebouwd. Dan gaan we jojobeleid
voortzetten, juist op klimaat en energie. Daar balen bedrijven ook enorm
van, bijvoorbeeld van de nationale CO2-heffing. Elk jaar, of
elk halfjaar, is het weer anders hier in Den Haag. Daar worden ze
knettergek van. Ze willen weten waar ze aan toe zijn. Bij ons weten ze
dat.
De voorzitter:
Ik wil vragen om de beantwoording van de interrupties iets korter te
houden.
De heer Frederik Jansen (FVD):
Wat ons betreft gaat die hele CO2-heffing er natuurlijk af,
dus dan weten ze ook waar ze aan toe zijn. Maar als je kijkt naar
sectoren zoals AI dan zie je dat die industrie een enorme hoge
elektriciteitsvraag heeft. Nederland is uniek gepositioneerd in de
wereld om hier een grote rol in te spelen. We hebben ontzettend veel
kennis, maar we hebben ook een hele interessante geologische positie,
ten opzichte van de Atlantische Oceaan en de kabel, om hier een hele
grote rol in te spelen. Als je dan kijkt naar die datacenters …
De voorzitter:
Meneer Jansen, interrupties zijn niet voor colleges, maar voor
vragen.
De heer Frederik Jansen (FVD):
Oké, maar dan nog één vraag. Die datacenters vragen dus heel veel
stroom. De stroom hier is heel erg duur, terwijl dat in Amerika en China
veel minder het geval is. Dan kom je toch weer op dat punt terecht.
De voorzitter:
En uw vraag is?
De heer Frederik Jansen (FVD):
Kan de heer Van der Lee daarop bespiegelen?
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Een van de krachten van Nederland is dat we een van de meest
interconnected landen zijn in de wereld en zeker in Europa. Wij hebben
relatief al heel veel datacenters, die heel veel energie trekken. Het
mooie van die transitie is dat elektriciteit in de toekomst heel
goedkoop wordt als we vooral veel wind en zon gaan gebruiken. U moet
daar dus vooral in investeren. Dan krijgt u ook uw zin op die
AI-fabriek, die trouwens in omvang … De cijfers over wat er nou echt
nodig is, lopen wat uiteen. Maar als u dat zou willen, investeer dan
vooral in die transitie. Je hebt namelijk niet alleen het opwekken
nodig, maar ook alle kabels om die elektriciteit door te geleiden. Ook
dat betekent fors investeren in de transitie. Dat zou JA21 juist moeten
aanspreken.
De voorzitter:
Meneer Jansen voor de laatste interruptie.
De heer Frederik Jansen (FVD):
Ik ben niet van JA21, maar van Forum voor Democratie.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Ja, sorry, mijn fout. Ik kan al die rechtse partijen niet meer uit
elkaar houden.
De heer Frederik Jansen (FVD):
Je ziet nu juist dat datacenters, met name in Amerika, letterlijk
kerosinemotoren kopen om die om te bouwen tot
mini-elektriciteitscentrales. Het is toch veel goedkoper om dat fossiel
te doen? Je kunt toch gewoon een kolencentrale openen? Dan kun je een
heel datacenter gewoon oneindig laten draaien. Dat is toch
duidelijk?
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Als er iets technologie uit het verleden is, dan zijn het kolen. Daar
zijn ze in de negentiende eeuw mee begonnen. Ja, "goedkoop" … Goedkoop
is duurkoop. Hoe langer je wacht met ingrijpen op onze energietransitie,
hoe duurder je uitkomt. Alle onderzoeken tonen dat aan. Forum keert zich
met de rug naar de geschiedenis. Maar misschien moet ik het anders
formuleren, want heel veel van de inbrengen van Forum doen mij altijd
denken dat er een onderhuids verlangen is bij Forum om terug te keren
naar de negentiende eeuw. Dat mag en dat is een mooie wens, maar die
sluit totaal niet aan bij de uitdagingen van vandaag en wat de overgrote
meerderheid van deze Kamer, van Nederland, van Europa en van de wereld
wil.
De voorzitter:
Meneer Jansen, we hadden drie interrupties per blokje afgesproken, dus
daar laten we het bij. De heer Van der Lee heeft zijn bijdrage geleverd.
Wij gaan door met de heer Vermeer van BBB. Gaat uw gang.
De heer Vermeer (BBB):
Dank u wel, voorzitter. We hebben in Nederland grote economische
ambities op het gebied van innovatie, productiviteit en verdienvermogen,
maar buiten deze zaal ziet het er vaak anders uit. Het mkb wil vooruit,
maar staat stil als we niet oppassen, niet omdat ondernemers niet
willen, maar omdat systemen vastlopen. Als we eerlijk zijn, gaat deze
begroting dus over een simpele vraag: maken we het ondernemers
makkelijker om te investeren of moeilijker? BBB kiest natuurlijk voor
het eerste. Wat BBB betreft gaat deze begrotingsbehandeling niet over
abstracte groeicijfers of mooie strategieën, maar over de vraag of
Nederlanders en Nederlandse ondernemers nog gewoon kunnen ondernemen.
Dan gaat het niet alleen over grote multinationals in de Randstad of de
regio Eindhoven, maar ook over het brede mkb in onze regio's, over
familiebedrijven, de maakindustrie, de logistiek, de agrarische keten en
de dienstverleners die het grootste deel van onze economie dragen.
De begroting zet zwaar in op sleuteltechnologieën, innovatie en
internationale concurrentiekracht. Dat is belangrijk, maar wat BBB
betreft niet compleet genoeg. Het rapport-Wennink stelt dat economische
groei de komende jaren niet voortkomt uit arbeid, maar uit hogere
productiviteit. Die productiviteitsgroei ontstaat niet vanzelf in
beleidsnota's, maar op de werkvloer, bij bedrijven die mensen opleiden,
processen verbeteren en investeren in nieuwe technieken.
We investeren fors in topsectoren, AI, halfgeleiders en
hightechecosystemen, maar de vertaalslag naar brede mkb-productie en
primaire productie blijft wat ons betreft te vaag. We hebben vanmorgen
een interessante sessie gehad over R&D en de agrofoodsector, waarbij
meerdere Kamerleden aanwezig waren. Daar is nogmaals benadrukt dat je
zonder primaire sector ook geen innovatie hebt en houdt. R&D
verplaatst zich dan namelijk naar het buitenland. Dat is een
waarschuwing, en niet alleen voor de agrarische sector. We hebben ook
bij de chiptechnologie en in de Nexperiacase gezien dat je een groot
probleem hebt als je hier alleen de machines maakt en de technologieën
ontwikkelt, maar voor de productie vervolgens afhankelijk bent van
landen waar je misschien liever geen zaken mee doet. Als de koppeling
met de regionale werkgelegenheid en de primaire sector ontbreekt, dan
versterken we maar een paar sterke clusters en laten we grote delen van
Nederland achter. De verschraling in de regio zal dan blijven
doorzetten.
In de praktijk zien we dat ondernemerschap juist in winkelgebieden en
binnensteden onder druk staat. De heer Kisteman had het ook al over de
Impulsaanpak winkelgebieden. Concepten als Streetwise laten zien dat het
versterken van de ondernemersdynamiek, marktwerking én lokale
economische logica vaak veel effectiever is dan alleen het stapelen van
subsidies en fysieke ingrepen die gericht zijn op panden en straten. Het
gaat om de ondernemers zelf en om concepten die daar uitgerold moeten
worden. Ik wil daarom toch nog iets van de minister weten. Ik hoor nu
weer geluiden dat bijvoorbeeld de aanpak van Streetwise in de hoek van
staatssteun wordt geplaatst, terwijl het in feite hetzelfde type steun
is als de steun die via de Impulsaanpak winkelgebieden uit wordt gerold.
Provincies en gemeenten staan te trappelen om dit soort concepten uit te
rollen, maar komen maar niet verder. Ik ben hier nou al tweeënhalf jaar
mee bezig en mijn geduld begint echt op te raken. We komen geen steek
verder zo.
De voorzitter:
Meneer Vermeer, u had vier minuten spreektijd aangevraagd. Ik wil u erop
wijzen dat u daar nu doorheen bent.
De heer Vermeer (BBB):
Ja. Het gaan zes minuten worden, vrees ik. Daar gaat mijn saldo. Zo gaat
het in een onderneming soms ook.
Een mkb'er kan niet elk jaar inspelen op een nieuw programma of
tijdelijke regeling. Die wil duidelijkheid, voorspelbaarheid en toegang
tot ondersteuning in de eigen regio. Daarom vindt BBB het cruciaal dat
economische beleidsmiddelen niet los worden ingezet. Ze moeten
structureel worden verbonden aan de arbeidsmarktregio's en bestaande
regionale samenwerking in plaats van dat er weer nieuwe loketten en
structuren op worden getuigd.
Dan ten slotte het vestigingsklimaat.
De voorzitter:
Ik zie dat mevrouw Oualhadj naar de interruptiemicrofoon is gekomen.
Gaat uw gang.
Mevrouw Oualhadj (D66):
Mijn vraag aan de heer Vermeer gaat over het eerste deel van zijn
inbreng. Ik lees in het verkiezingsprogramma van de BBB dat klimaat
ingebed mag worden in het ministerie van EZ. Dat vind ik prima, maar u
noemt daarbij ook: waarbij economische belangen en brede welvaart
leidend zijn. U bent daarnaast, net als ik, ook voor vermindering van
regelgeving. Ik vroeg me af of de heer Vermeer het met me eens is dat we
de verminderde regeldruk niet ten koste mogen laten gaan van
bijvoorbeeld klimaatrapportages die brede welvaart bevorderen. Dan
bedoel ik ook echt de regels die niet effectief blijken te zijn.
De heer Vermeer (BBB):
Naar mijn mening bevorderen rapportages brede welvaart helemaal niet.
Die bevorderen alleen de regeldruk en de administratieve druk. Wij
hebben er meermaals voor gepleit om al die rapportageverplichtingen
alleen maar voor grote bedrijven te laten gelden. Daar zit al beweging
in. Maar de praktijk is helaas — dat is niet "helaas"; zo werkt het nou
eenmaal — dat er in ketens gewerkt wordt. Als een groot bedrijf een
rapportageverplichting heeft, zal het diezelfde rapportageverplichtingen
ook doorgeven en opleggen aan onderliggende toeleverende en
dienstverlenende bedrijven. Dat zijn vaak de kleinere bedrijven. Dus in
theorie lijkt het voor een groot bedrijf een verplichting te zijn, maar
in de praktijk is het voor alle bedrijven een verplichting.
Mevrouw Oualhadj (D66):
Begrijp ik dan goed dat de heer Vermeer zegt dat brede welvaart op geen
enkele manier bijgestuurd kan worden met regels?
De heer Vermeer (BBB):
Dat heb ik niet gezegd. Mevrouw Oualhadj probeert mij iets in de mond te
leggen. Ik heb gezegd dat rapportages daar niet aan bijdragen.
Mevrouw Oualhadj (D66):
Tot slot. Die rapportages kunnen natuurlijk alleen maar fungeren op
basis van de regels die we daarvoor met elkaar vastleggen. Daarom stelde
ik die vraag. Ik probeerde u absoluut geen woorden in de mond te leggen,
zeg ik via de voorzitter. Nog een keer, verhelderend, vanuit mijn kant:
ik doel op de rapportages, in dit geval.
De heer Vermeer (BBB):
Wat mij betreft geven rapportages inzichten en kunnen die bedrijven
helpen om de juiste beslissingen te nemen om bepaalde doelen te halen.
Maar een rapportage an sich lost niets op en is alleen maar een middel
in de informatievoorziening. Regeldruk an sich lost misschien wel iets
op om bepaalde doelen te bereiken, maar kan er ook voor zorgen dat
andere doelen juist niet bereikt worden of dat die doelen niet meer
haalbaar zijn omdat ze niet betaalbaar zijn.
De voorzitter:
Gaat u verder. Ik wil u er wel op wijzen dat u nog anderhalve minuut
hebt.
De heer Vermeer (BBB):
Ja. Ondernemers in de regio lopen steeds vaker vast door ruimtegebrek,
netcongestie, regeldruk en aanbestedingsregels die zijn geschreven voor
grote projecten en multinationals. Het wetsvoorstel Rechtsbescherming
bij aanbesteden dreigt grote projecten en maatschappelijke opgaven juist
te vertragen en duurder te maken, terwijl het mkb verder op achterstand
wordt gezet. Ik wil graag van de minister weten hoe hij daar tegen
aankijkt.
Voorzitter. BBB gelooft dat economisch beleid alleen werkt als het
uitvoerbaar is. Minder Haagse eenheidsworst, meer regionale slagkracht;
minder papieren ambities, meer praktische ruimte voor ondernemers. Dat
is geen afzwakking van beleid, dat is beleid dat werkt.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Vermeer. Dan wil ik graag de heer Prickaertz
uitnodigen voor zijn maidenspeech namens de fractie van de PVV. Zoals we
wij gewoon zijn, zijn er dan geen interrupties. Na de bijdrage van de
heer Prickaertz zullen wij natuurlijk schorsen voor de felicitaties. Ik
wil aan de Kamer voorstellen om daarna meteen een lunch te doen van drie
kwartier. Ja? Dat betekent wel dat u zich daarna allemaal goed aan de
orde moet houden. Meneer Prickaertz, van harte welkom en gaat uw gang.
We gaan met z'n allen luisteren naar uw maidenspeech.
De heer Prickaertz (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Na 25 jaar ondernemerschap kwam er voor mij een
moment van keuze. Het was een keuze die voor sommigen logisch leek, maar
voor anderen verrassend was: de politiek. De reacties in mijn omgeving
waren uiteenlopend, maar echt verbaasd was niemand. Ik was immers mijn
hele leven al politiek geïnteresseerd. In die 25 jaar als ondernemer heb
ik de wereld om mij heen zien veranderen. Het landschap waarin ik ooit
met enthousiasme mijn bedrijf begon, is drastisch veranderd. Waar
vroeger ruimte was om te ondernemen, werden de regels steeds strikter,
werden belastingen steeds zwaarder en voelde de vrijheid om te
ondernemen steeds beperkter. Het vrije ondernemerschap, dat ooit werd
gekoesterd in dit land, kent steeds meer beperkingen.
Terwijl het ondernemersklimaat werd gesloopt, veranderde ook Nederland
zelf in rap tempo. Soms herken ik ons land niet meer. Wie vandaag de dag
door de grote steden loopt, ziet hoe onze cultuur, identiteit en sociale
samenhang onder druk staan. Dat is geen onderbuikgevoel, dat is de
realiteit op straat. Toch heb ik altijd één les voor ogen gehouden: als
je het ergens niet mee eens bent, heb je twee keuzes. Je kunt klagen en
blijven klagen vanaf de zijlijn of je kunt instappen en proberen het
verschil te maken. Ik ben hier om mijn ervaring, mijn kennis en mijn
passie voor ons land in te zetten. Ik ben hier om te zorgen voor een
Nederland waarin ondernemers weer kansen krijgen, waarin onze cultuur
behouden blijft en waarin we samen, als samenleving, de uitdagingen van
de toekomst kunnen aangaan. Daar wil ik graag mijn steentje aan
bijdragen.
Voorzitter. Dan kom ik op hetgeen waarvoor we hier vandaag zijn: de
begroting van Economische Zaken. Het mkb staat al jaren structureel
onder druk. Ondernemers zijn het zat. Ze verliezen hun vertrouwen, hun
plezier en steeds vaker ook hun toekomst in Nederland. Steeds meer
ondernemers overwegen serieus om te vertrekken of te stoppen, niet omdat
zij niet willen ondernemen, maar omdat de overheid het hun onmogelijk
maakt. Het ondernemersvertrouwen daalt jaar op jaar. Dat is geen toeval.
Dat is het directe gevolg van beleid dat zegt er voor ondernemers te
zijn, maar hen in werkelijkheid opzadelt met steeds meer regeldruk,
steeds hogere lasten en steeds minder zekerheid. Laten we het gewoon
benoemen: dit is het resultaat van jarenlang slecht ondernemersbeleid,
van niet ondersteunen maar structureel de lasten verhogen. Elke keer
weer is de boodschap dat de ondernemers het maar moeten opvangen.
Dat beleid jaagt de ruggengraat van onze economie het land uit. Een
schoolvoorbeeld daarvan is de btw-verhoging op logies. Dat is een
keiharde lastenverzwaring voor hoteliers en ondernemers in de
verblijfsector. Bepaalde politieke partijen schreeuwden tijdens
commissiedebatten moord en brand over de btw-verhoging, maar toen het
erop aankwam, trok men zich terug van de motie-Beckerman om het lage
btw-tarief te behouden, en liet men de verblijfsector keihard vallen.
Opnieuw komt de rekening bij de ondernemers terecht. Een ander voorbeeld
is het algemeen landelijk vuurwerkverbod. Een complete branche is
letterlijk om zeep geholpen en de kosten voor compensatie van de
vuurwerkbranche bedragen minimaal 150 miljoen euro. Wij denken dat niet
vuurwerk het probleem is, maar een gezagscrisis.
Nog een mooi voorbeeld was een item op televisie vorige week, ik geloof
bij RTL. Een Nederlandse ondernemer die sportvoeding en supplementen op
de markt brengt, werd geconfronteerd met de Douane, die van mening is
dat de proteïnepoeders die hij op de markt brengt, omdat ze een smaakje
bevatten en met water vermengd worden, onder de verbruiksbelasting,
oftewel de frisdrankenbelasting, vallen, en dat met terugwerkende
kracht. Deze ondernemer verwijst terecht naar zijn buitenlandse
concurrenten, die daar niets mee te maken hebben en hun producten
rechtstreeks versturen naar Nederland. De betreffende ondernemer
overweegt nu zijn bedrijf te verhuizen naar Duitsland. Weer een
ondernemer minder.
Wie deze begroting leest, ziet direct waar de focus níét ligt: niet bij
de bakker, bij de aannemer of bij de circa 300.000 familiebedrijven, die
al generaties lang werk bieden in de regio. De focus ligt vrijwel
uitsluitend op de grote hightech- en halfgeleiderbedrijven. Dat is
veelzeggend. Het woord "familiebedrijven" komt in de hele begroting niet
één keer voor, absoluut geen enkele keer. Dit kabinet kiest voor een
kleine groep bedrijven aan de top en laat het brede midden van
ondernemend Nederland bungelen. Dat lijkt een bewuste keuze. Kan de
minister dit beeld bevestigen?
Voorzitter. Dan een andere verkeerde keuze, waar vandaag al veel over is
gesproken: de zogenaamde groene transitie. Die transitie bestaat in de
praktijk vooral uit extra regels, extra kosten en extra verboden. In
Nederland stapelen we regel op regel, leggen we onze industrie aan
banden en maken we ondernemen onder het mom van duurzaamheid steeds
duurder en ingewikkelder. Het gevolg is voorspelbaar: bedrijven
vertrekken, niet omdat ze dat willen, maar omdat ze hier geen toekomst
meer zien. Ondertussen produceren diezelfde bedrijven straks in het
buitenland gewoon door, met uitstoot en al, alleen dan zonder
Nederlandse banen en zonder Nederlandse belastinginkomsten. Toch blijft
hier de naïeve gedachte leven dat Nederland als voorloper de wereld wel
zal overtuigen. Dat is pure zelfoverschatting. De rest van de wereld
lacht ons uit en profiteert van de bedrijven die wij wegjagen. Mijn
advies in dezen zou dan ook zijn: gooi al die klimaatafspraken door de
shredder. Mijn vraag aan de minister is daarom ook helder: waarom blijft
Nederland vasthouden aan verplichtingen die onze economie schaden? Is de
minister bereid om te stoppen met beleid dat onze industrie, banen en
ondernemers kapotmaakt?
Voorzitter. Dan de toenemende overlast. Steeds meer ondernemers worden
dagelijks geconfronteerd met vernielingen, intimidatie en geweld.
Rellend tuig maakt winkelstraten onveilig, terwijl ondernemers zelf
mogen opdraaien voor schade en beveiligingskosten. Tijdens een
rondetafelgesprek hierover met vertegenwoordigers van de publieke
recreatievoorzieningen viel één ding pijnlijk duidelijk op: geen
politieke belangstelling. Ondanks de uitnodiging was, in alle
eerlijkheid, naast woordvoerders van de PVV, alleen de VVD aanwezig.
Voor alle andere partijen een gemiste kans, maar het was opnieuw toch
een bevestiging dat de echte problemen van ondernemers weinig tot geen
prioriteit krijgen. Ondernemers zijn de dupe van een groeiende
gezagscrisis. Ze zijn genoodzaakt zelf op te treden als handhaver, omdat
de overheid faalt. Dat is onacceptabel, om over de kosten die dat met
zich meebrengt voor deze ondernemers nog maar te zwijgen. Heeft de
minister kennisgenomen van dit rondetafelgesprek, herkent hij deze
signalen en beseft hij wat dit betekent voor ondernemers, die al gebukt
gaan onder torenhoge lasten, extreme regeldruk en nu ook nog de angst
voor hun eigen veiligheid?
Voorzitter. Het aantal faillissementen in Nederland blijft stijgen. In
2024 gingen 4.100 bedrijven failliet. Dat is een stijging van 30% ten
opzichte van het jaar ervoor, boven op de al forse stijging van 53% in
2023. Een groot deel hiervan is direct terug te voeren op
coronaschulden. De verwachting is dat nog eens 30.000 tot 40.000
bedrijven zullen gaan omvallen vanwege die schulden. De verwachte
schade, alleen al voor de fiscus, wordt beraamd op circa 2 miljard
euro.
Voorzitter. Nederlandse ondernemers hebben in totaal nog een
coronaschuld openstaan van circa 4,7 miljard euro. Gisteren werd
bekendgemaakt dat onderzoek heeft uitgewezen dat een op de tien
ondernemers gebukt gaat onder zware schulden. Veel van die ondernemers
durven vaak uit schaamte geen hulp te vragen. En als ze dat al willen,
is de vraag vaak: waar? Toch ontbreekt in deze begroting vrijwel elke
concrete aanpak. Geen perspectief, geen plan, geen verantwoordelijkheid.
Waarom laten we deze ondernemers vallen? Beseft de minister dat niets
doen leidt tot massaal banenverlies en miljarden aan maatschappelijke
schade? Beseft hij dat deze kosten uiteindelijk vele malen hoger zullen
zijn dan wat de fiscus nu misloopt? Is de minister bereid, even als
voorbeeld, naar de terugbetalingsperiode te kijken en deze eventueel te
verlengen, waardoor de maandelijkse lasten voor deze ondernemers
verlaagd worden?
Tot slot, voorzitter. Als dit kabinet miljarden uitgeeft aan defensie,
moet dat geld maximaal ten goede komen aan onze eigen economie. Een
duidelijke kanttekening van onze partij, de PVV, die hierbij gemaakt
moet worden, is dat hogere defensiebudgetten nooit mogen worden
afgewenteld op de burger. Dus niet via bezuinigingen op de zorg, niet
via een aanval op de koopkracht en ook niet via belastingverhogingen
voor de burger. Dat geldt natuurlijk ook absoluut voor ons
bedrijfsleven.
De PVV ziet hier een uitgelezen kans voor de Nederlandse maritieme
sector. Dat is een sector van strategisch belang, met unieke kennis,
vakmanschap en innovatiekracht. Ik noem bijvoorbeeld de regio
Drechtsteden. Dat is de regio waar ikzelf woon, waar vakmanschap, kennis
en innovatie samenkomen in de maritieme sector. De hele wereld kijkt
naar Nederland op vanwege deze enorme maritieme expertise. Dat is een
strategisch voordeel waarvan wij denken dat we het maximaal moeten
benutten. Hou de investeringen dus zo veel mogelijk in eigen land.
Daarom vraag ik ook aan de minister hoe hij zich in EU-verband gaat
inzetten voor de Nederlandse industrie. Erkent hij ook dat de maritieme
sector strategisch cruciaal is voor onze economische weerbaarheid?
Dan ben ik er. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Prickaertz.
(Geroffel op bankjes)
De voorzitter:
Aan mij de eer om u zo meteen als eerste te feliciteren. U staat al
netjes voor het rostrum klaar om zo meteen ook de felicitaties van uw
collega's in ontvangst te nemen.
De algemene beraadslaging wordt geschorst.
De voorzitter:
Ik schors de vergadering tot na de lunch, tot 13.10 uur.
De vergadering wordt van 12.25 uur tot 13.13 uur geschorst.
Begrotingen Economische Zaken 2026 en Nationaal Groeifonds 2026
Begrotingen Economische Zaken 2026 en Nationaal Groeifonds 2026
Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:
het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Economische Zaken (XIII) voor het jaar 2026 (36800-XIII);
het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaat van het Nationaal Groeifonds voor het jaar 2026 (36800-L).
De voorzitter:
Goed. Dan gaan we nu verder met de behandeling van de begroting van
Economische Zaken.
De algemene beraadslaging wordt hervat.
De voorzitter:
Ik geef het woord aan de heer Van Lanschot, namens de fractie van het
CDA. Meneer Van Lanschot, ga uw gang.
De heer Van Lanschot (CDA):
Dank, voorzitter. Vandaag gaat het over onze economie, over hoe wij die
in de komende jaren willen vormgeven en waar we prioriteit aan willen
geven. Een goed draaiende, productieve economie, die zorgt voor brede
welvaart, ontstaat niet uit zichzelf. Het CDA kiest voor veerkrachtige,
creatieve bedrijven die onze economie dragen; familiebedrijven — de heer
Prickaertz noemde ze al — die zich op de lange termijn richten en
betrokken zijn bij hun regio; slimme ondernemers die mooie producten en
innovatieve diensten bedenken; bedrijven die zich medeverantwoordelijk
voelen voor de toekomst van Nederland, voor onze aarde en onze
samenleving, die meebouwen aan sociale cohesie. De afgelopen jaren
echter is het ondernemersklimaat in Nederland er niet beter op geworden.
Dat moet en dat kan anders. Het CDA wil rust, reinheid en regelmaat in
regelgeving, minder regels en minder ad-hocbeleid, zodat ondernemen weer
leuk wordt en ondernemers durven investeren.
Voorzitter. Ik wil het vandaag hebben over drie belangrijke
randvoorwaarden die ook in het rapport-Wennink genoemd werden, talent,
kapitaal en regelgeving. Allereerst kapitaal. Het is goed dat er werk
wordt gemaakt van een nationale investeringsbank die met slagkracht en
kapitaal marktfalen kan adresseren. De mijlpalenplanning die we hierover
hebben ontvangen, houdt echter niet over. Daarom vragen we in goed
Nederlands om een "one-pager roadmap" van de minister, met per
werkstroom — dan denken we aan: wetgeving, financiering en staatssteun —
de belangrijke mijlpalen op kwartaalbasis. Dan stellen we ook graag de
vraag hoe het kabinet reflecteert op de reguliere prestatie-indicatoren
en -doelen van Invest-NL en Invest International op het gebied van het
uitboeken van financieringen.
Het CDA is blij met de verhoging van het ruimtevaartbudget met 109
miljoen voor ESA-ESTEC, maar heeft wel een aantal vragen. Vallen er
gaten, en zo ja welke, in de Faciliteiten Toegepast Onderzoek, waarin 85
miljoen naar voren is gehaald? Het is positief dat Defensie 24 miljoen
heeft bijgedragen. Kan de minister toezeggen, gezien het belang van
dual-use en deze financiële bijdrage van Defensie, om een
medeopdrachtgeverschap van Defensie te verkennen voor ESA-ESTEC?
Naast de overheid en particulieren zie ik ook kansen voor onze
pensioenfondsen om meer te investeren in onze economie. Kan de minister
daarom met zijn collega's van Financiën en SZW onderzoeken hoe onze
pensioenfondsen, naast de lopende fund-of-fundsinitiatieven en bij de
ETCI, ook binnen de kaders van het pensioenakkoord meer kunnen
investeren in Nederland en in Europa, juist in het kader van onze
langetermijnkoopkracht?
Dan over regelgeving. We kiezen voor minder regels en minder vertrouwen,
als het aan het CDA ligt. Een aantal punten daarover. De inzet van de
minister om het aantal regels en de regeldruk te verminderen is
lovenswaardig. We begrijpen natuurlijk allemaal dat je naar de
netto-impact van regels moet kijken, maar toch ondersteunen wij de
doelstelling om kwantitatief minimaal 500 regels te schrappen. De teller
staat nu op 218, dus onze CDA-fractie zal bij de verschillende
begrotingsbehandelingen aan collega's van de minister vragen wat hun
ambitie is om regeldruk terug te dringen en voor hoeveel regels we hen
aan de lat kunnen schrijven. Daarom de vraag: op hoeveel extra regels op
de lijst van te schrappen regels kunnen we rekenen van het ministerie
van EZ?
Mevrouw Martens-America (VVD):
Ik denk dat iedereen in dit huis een hele wensenlijst heeft met regels
die hij zou willen schrappen. Zou de heer Van Lanschot misschien zelf
een of twee extra regels kunnen noemen waar we per direct mee zouden
moeten stoppen? Dan kan de minister dat meenemen in zijn plannen.
De heer Van Lanschot (CDA):
Dank voor deze suggestie. Ik kan nu een aantal regels noemen, maar het
liefst zou ik alle regels waarbij wij nationale koppen plaatsen op
internationale afspraken, zoals van de EU, willen schrappen. Ik kan een
lijst sturen naar de minister van regels die ondernemers hinderen om
effectief te ondernemen. Dat doe ik met plezier. Maar nu één of twee
noemen zou denk ik potsierlijk zijn.
De voorzitter:
Mevrouw Martens-America kan uit de voeten met uw antwoord, zie ik. Dan
verzoek ik u om verder te gaan.
De heer Van Lanschot (CDA):
Voorzitter, ik ga verder. Het CDA snapt — misschien is dit meteen een
eerste mooie voorzet — dat de overheid veilig zaken moet doen.
De voorzitter:
Dat leidt weer tot een nieuwe interruptie, van de heer Van der Lee.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Misschien toch een vraag over het schrappen van nationale koppen. Dat
klinkt mooi, maar het is ook heel gemakkelijk om dat te zeggen. In de
praktijk zit daar een wereld achter van problematiek, van de vraag of
mens en milieu voldoende worden beschermd en van regels die in
belangrijke mate ook door bedrijven zelf zijn aangejaagd, omdat zij met
lobby's altijd een goede ingang hebben in de politiek. Hoe denkt het CDA
dat nu echt waar te gaan maken?
De heer Van Lanschot (CDA):
Ik denk dat het belangrijk is om in Europees verband op te trekken en om
daar ambitieuze regels en wetten te maken, juist om groene energie en
klimaattechnologie aan te jagen. Maar het helpt niet om daar zelf als
land een kop op te zetten, want daarmee jaag je onder andere de
industrie naar het buitenland.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Die koppen ontstaan nou juist omdat we vinden dat de Europese regels
niet sterk genoeg zijn en niet adequaat de problemen adresseren die wij
in Nederland ondervinden. Daar komen ze vandaan. Betekent dit dat het
CDA nu alles wil schrappen en de Europese lijn voortaan als ondergrens
gaat hanteren?
De heer Van Lanschot (CDA):
Ik denk dat de heer Van der Lee terecht benoemt dat dit soort nationale
koppen altijd een ontstaansgeschiedenis hebben. De vraag is: hebben wij
ons bij het invoeren van die koppen voldoende afgevraagd wat het effect
daarvan zou zijn? Blind zomaar alles afschaffen is natuurlijk altijd een
verkeerd idee, maar je moet die koppen allemaal kritisch tegen het licht
houden en kijken naar wat destijds de argumentatie voor die kop was. In
de basis zijn wij er als CDA voor om die weg te halen.
De voorzitter:
Van der Lee, voor de laatste interruptie op dit punt.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Het gaat over regels en regelingen. Waarom lukt het dan bijvoorbeeld
niet … Ik kijk nu even alleen maar naar de fiscale regelingen, maakt
niet uit waarover. Heel veel van die regelingen worden negatief
geëvalueerd. Toch durft de politiek het niet aan om ze te schrappen.
Gaat hetzelfde straks niet gebeuren met al die beloftes over het
schrappen van regels, namelijk dat als het erop aankomt, de politiek en
met name de regerende partijen het niet durven?
De heer Van Lanschot (CDA):
De heer Van der Lee merkt terecht op dat er politieke moed nodig is om
zaken te veranderen. Daarom heeft bijvoorbeeld mijn partij tijdens de
verkiezingscampagne gezegd dat we de hypotheekrenteaftrek geleidelijk
willen afbouwen en willen teruggeven via de inkomstenbelasting.
De heer Flach (SGP):
Ook de SGP is van mening dat we zo min mogelijk nationale koppen op
Europese regels moeten zetten. Tegelijkertijd worden we niet primair
vanuit Brussel geregeerd en zijn we gewoon een soeverein land binnen de
EU. Betekent dit voor het CDA dat er helemaal geen nationale koppen meer
zouden moeten zijn, op geen enkele manier, nergens, nooit?
De heer Van Lanschot (CDA):
In de basis is het antwoord daarop "ja".
De heer Flach (SGP):
Oké, dat is verstrekkend. Ik neem even als voorbeeld de bonuswetgeving
bij banken. Daar hebben we een nationale kop op gezet om de bonuscultuur
te beperken, omdat we grote schade hebben opgelopen door de
bankencrisis. De impact op de overheid was destijds groot. Is de heer
Van Lanschot van mening dat dat bijvoorbeeld wel een hele goede
nationale kop was?
De heer Van Lanschot (CDA):
Ik ben niet van mening dat dat een hele goede kop is. Zie ook het
voorstel dat hierover vorige week gedaan is, dat ook het CDA heeft
gesteund. Ik wijs erop dat het voor bijvoorbeeld fintechstart-ups — u
kunt allen de woorden van de heer Mol daarover lezen in de kranten — ook
leidt tot allerlei negatieve effecten, waardoor fintechstart-ups hun
medewerkers niet kunnen belonen met aandelen, waardoor ze talent
mislopen en verkassen naar het buitenland. Dat moeten we tegengaan.
De heer Flach (SGP):
Afrondend, voorzitter. Geeft de heer Van Lanschot zich er rekenschap van
dat er door die aangejaagde bonuscultuur ook concurrentie op de
nationale markt plaatsvindt? Daardoor worden bijvoorbeeld de zo gewilde
ICT'ers die bij banken aan de slag gaan, weggetrokken bij
omgevingsdiensten, ziekenhuizen en overheidsinstanties, waardoor er een
soort braindrain plaatsvindt. Het kan dus wel degelijk nuttig zijn om
hierop te sturen met nationale koppen.
De heer Van Lanschot (CDA):
Daar ben ik het niet mee eens. Natuurlijk is er altijd een spanning
tussen de publieke en de private arbeidsmarkt. De publieke arbeidsmarkt
heeft, zoals we weten, ook heel veel andere zaken te bieden. Verder zit
hier ook de potentiële misvatting in dat het mogelijk maken van een meer
variabele beloning zal leiden tot een hogere totale loonsom. Juist omdat
je meer variabel kunt belonen, hoef je het vaste deel niet zo hoog te
maken en kan dat dus naar beneden, wat bedrijven helpt om weerbaarder te
zijn.
De voorzitter:
Ik verzoek u om door te gaan met uw betoog.
De heer Van Lanschot (CDA):
Het CDA snapt dat de overheid veilig zaken moet doen, maar ons bereiken
zorgwekkende berichten over de Algemene Beveiligingseisen Rijksoverheid
Opdrachten. Dat is een hele mondvol. Het wordt afgekort tot ABRO.
Daarover is nog weinig bekend, behalve dat er 450 eisen in staan en dat
er een screeningsperiode van drie tot negen maanden geldt voor bedrijven
die zaken willen doen met de overheid. Dat was voorheen vooral van
toepassing op defensie, maar dat is nu veel breder getrokken. Bij de
totstandkoming hiervan is het bedrijfsleven niet betrokken. We vragen
ons af of er een implementatietoets heeft plaatsgevonden en, zo niet,
waarom dan niet. Kan de minister erop toezien dat zijn collega van
Binnenlandse Zaken het bedrijfsleven er alsnog voldoende bij betrekt,
zodat er effectief en veilig zakengedaan kan worden? Denk aan het
versimpelen van vervolgscreenings, zodat je niet iedere keer weer door
die molen van drie tot negen maanden hoeft.
Voorzitter. Dan gaan we het hebben over aanbestedingen. De heer Van der
Lee maakte daar een aantal zinnige opmerkingen over. Als we kijken naar
de defensie-industrie, hebben we namelijk een prachtige kans om onze
Europese en Nederlandse defensie-industrie te transformeren met de
NAVO-gelden. Wat dan helpt, is natuurlijk een effectieve
aanbestedingsmethodiek van de overheid. Hoe kijkt de minister van EZ
ernaar om binnen de Europese kaders van aanbestedingsregels scherper aan
de wind te varen en ons nationaal industriebelang sterker mee te laten
wegen?
Dan ga ik door naar de AVG. Die is een grote bron van regeldruk. Daarom
is het goed dat de Europese Commissie voorstelt om bedrijven onder de
750 medewerkers deels te ontzien. Als je het dan hebt over onze
nationale invloed, is de lijst van verwerkingen waarvoor geen DPIA nodig
is van de Autoriteit Persoonsgegevens van belang. DPIA is een
administratieve handeling die je moet doen om te zorgen dat je een
bepaalde persoonsgegevensverwerking kunt organiseren. Het is dus heel
belangrijk dat bedrijven weten dat ze voor sommige van die handelingen
geen DPIA nodig hebben en gewoon door kunnen. Wij vragen ons af wanneer
in 2026 de AP deze lijst oplevert. Is de minister het eens met het CDA
dat, om tempo te maken, deze lijst niet uitputtend hoeft te zijn, maar
dat we gewoon kunnen beginnen en dat die later kan worden
aangevuld?
Voorzitter. Over ondernemingen in moeilijkheden hebben we tijdens het
start-updebat gesproken. Ik heb daar nog een vraag over. Ziet de
minister kans om parallel aan de nu te ontwikkelen EU-regels de
Belgische remediëringsmethodiek explicieter door RVO te laten
toepassen?
Dan kom ik bij colportage, een praktijk die veel Nederlanders vrij
hinderlijk vinden. Mijn collega Bontenbal en GroenLinks-PvdA-collega
Kröger hebben daar eerder in 2023 een motie over ingediend, die is
aangenomen. In navolging daarvan zou ik vandaag een motie willen
indienen die de regering vraagt om ongevraagde, commerciële
deur-aan-deurverkoop maximaal te begrenzen. Let op: het gaat om
commercieel. Kinderpostzegels moeten natuurlijk nog wel kunnen.
Dan onze vragen over bestrijding van fraude. Een effectieve manier om
bankfraude via phishing tegen te gaan, is via de zogenaamde "Line
Busy"-aanpak. Minister, wanneer kunnen we hiervoor de wijziging van de
Telecomwet verwachten? Zou de minister in de tussentijd het gebruik
daarvan al kunnen gedogen?
De heer Flach (SGP):
Ik heb nog een vraag over het punt over colportage dat naar voren werd
gebracht. We kennen allemaal het filmpje van de meneer van DELTA die een
abonnement probeert te verkopen. Betekent dit voor het CDA dat alle
deur-aan-deurverkoop niet meer zou moeten kunnen? Bij mij komen er
kinderen aan deur met eieren. Er rijden bijvoorbeeld ook nog SRV-wagens
in bepaalde delen van het land. Trekt de heer Van Lanschot het zo ver of
wil hij zich beperken tot het verkopen van kranten, energieabonnementen
en dat soort zaken?
De heer Van Lanschot (CDA):
We hebben het nu geformuleerd als "commercieel". Daarmee beogen we niet
op te houden met dit soort sympathieke voorbeelden van kinderen die
eieren verkopen voor de voetbalclub.
De heer Flach (SGP):
Dan zou ik de heer Van Lanschot willen vragen om toch nog eens goed te
kijken naar de formulering, want dit gaat ook om commerciële
eierenverkoop. Ook zo'n SRV-wagen heeft een commercieel doel. Ik snap
wel wat de heer Van Lanschot probeert te voorkomen: die irritante druk
aan de voordeur om in een paar seconden grote abonnementen af te
sluiten. Zou hij toch nog eens goed willen kijken naar de begrenzing
daarvan en of kleinschalige detailhandel aan de deur dan toch nog
mogelijk zou zijn?
De heer Van Lanschot (CDA):
Ik vind dat een goede suggestie. De intentie van de motie is ook niet om
dat te verbieden. U kunt dit interpreteren als ongevraagde commerciële
deur-aan-deurverkoop. Deze zaken worden daardoor niet uitgesloten. Dat
zou inderdaad nog het geval mogen blijven.
De voorzitter:
Gaat u verder.
De heer Van Lanschot (CDA):
Dan ga ik verder met talent.
De voorzitter:
Voordat u dat doet, heeft meneer Vermeer nog een interruptie.
De heer Vermeer (BBB):
Ik denk wel dat de heer Van Lanschot dat dan nadrukkelijk vast moet
leggen in de beschrijving, want anders gaat dat in de toekomst tot
verkeerde interpretaties leiden. In buitengebieden rijden bijvoorbeeld
ook mobiele winkels rond. Dat kan gaan om groente en fruit, maar zelfs
ook om spijkerbroeken, werkkleding en dat soort zaken.
De voorzitter:
En uw vraag?
De heer Vermeer (BBB):
Mijn vraag is of de heer Van Lanschot niet alleen de interpretatie die
hij er zelf aan geeft, wil bevestigen, maar of hij dat ook wil
vastleggen in alles wat hierover op papier komt.
De heer Van Lanschot (CDA):
Deze goede suggestie van collega Vermeer zullen we toevoegen aan de
motie, zodat dat duidelijk is.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Het is een goed idee om die agressieve deur-aan-deurverkoop aan te
pakken. Ik ben benieuwd naar de mening van de heer Van Lanschot. Wat is
de prikkel waardoor dit zo ontstaat? Er kwamen net namelijk zeer terecht
collega's naar de microfoon die het hadden over de eierenverkoop. Dat is
toch echt iets anders dan bijvoorbeeld per se internetkabels willen
trekken.
De heer Van Lanschot (CDA):
Dat kunnen natuurlijk allerlei prikkels zijn. Zeer evident is het
uitbesteden van deze taak aan bedrijven die vervolgens worden afgerekend
op targets in volume en niet op klanttevredenheid.
De voorzitter:
Meneer Dijk voor een tweede interruptie.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Daar ben ik het mee eens. Gaat het CDA dan ook een voorstel indienen om
daar iets aan te doen? Naar mijn mening ligt daar het probleem. De
agressieve verkoop zit toch in die heftige concurrentie, bijvoorbeeld
wat betreft het snel willen trekken van die kabels? Er moet marktaandeel
worden verworven. Dáár moeten we toch iets aan gaan doen? Het is dan erg
goed om agressieve straatverkoop aan te pakken, maar de kern van het
probleem ligt natuurlijk daar.
De heer Van Lanschot (CDA):
Het CDA gelooft dat concurrentie uiteindelijk ook goed is voor de
consument. Als je die niet hebt, betaal je een hogere prijs. Wat ons
betreft is er dus geen steun om in te grijpen in hoe bedrijven zichzelf
organiseren, bijvoorbeeld in of ze wel of niet met targets werken of een
competitie laten ontstaan.
De voorzitter:
Meneer Dijk met een laatste interruptie.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Dan moet er nog even bewezen worden dat het inderdaad tot lagere prijzen
leidt, zeker als we een aantal grote spelers op een markt hebben, die
zich blijkbaar zo hufterig durven te gedragen via de uitbesteding van
het werven van mensen. Dat moet dan nog maar blijken. Ik ben heel
benieuwd naar het antwoord van de heer Van Lanschot op de vraag waaruit
blijkt dat de prijzen lager zijn geworden dan in het verleden.
De heer Van Lanschot (CDA):
Over het algemeen is het natuurlijk zo dat als je monopolisten hebt, er
geen druk is om prijzen te verlagen of andere meer klantgerichte zaken
te ontwikkelen. Daar wil ik het eigenlijk bij laten.
De voorzitter:
Dan verzoek ik u om door te gaan met uw betoog.
De heer Van Lanschot (CDA):
Dan over talent. Het CDA maakt zich zorgen dat we met
de-internationalisering op universiteiten het kind met het badwater
weggooien. Ook Wennink pleitte onlangs voor meer internationaal talent
en het belang daarvan. Zo zijn studenten economie aan de Universiteit
Utrecht, waarvan ik zelf toevallig ook alumnus ben, in shock — ik moet
eigenlijk "geschokt" zeggen — wegens de plotselinge aankondiging van het
schrappen van de Engelstalige track …
De voorzitter:
"Richting"!
De heer Van Lanschot (CDA):
… terwijl een oplossing met een Nederlandse en Engelstalige track met
een numerus fixus naast elkaar ook een reële oplossing was. Nu verliezen
ook Nederlandse studenten de kans om deze oplossing in het Engels te
volgen, terwijl 80% van de begrippen in het Engels is. De voertaal van
de bedrijven waar zij vaak gaan werken, is ook Engels. We snijden
onszelf daarmee in de vingers. Het CDA roept daarom op tot bezinning en
vraagt het kabinet om in gesprek te gaan met UNL om negatieve effecten
hiervan te mitigeren.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Niet heel lang geleden had het CDA op de voorpagina van zijn website nog
staan dat we de verengelsing en internationalisering tegen moesten gaan.
Volgens mij is die voorpagina twee jaar geleden, ergens rondom de
OCW-begroting, bijzonder rustig verdwenen. Over een numerus fixus heb ik
in deze Kamer een amendement laten aannemen. Tegelijkertijd vind ik het
CDA ook aan mijn zijde als het gaat over het beter laten aansluiten van
het onderwijs op de arbeidsmarkt van de toekomst. Ik hoor nu een
drastisch ander verhaal, namelijk dat alle Engelstalige opleidingen
mogelijk moeten blijven.
De voorzitter:
Uw vraag is?
Mevrouw Martens-America (VVD):
Hoe gaat u ervoor zorgen dat die opleidingen beter aansluiten op de
economie van de toekomst?
De heer Van Lanschot (CDA):
De vraag die mevrouw Martens uiteindelijk stelt, is anders dan de
inleiding daarvoor. Ik denk dat het heel belangrijk is om aansluiting te
zoeken bij het bedrijfsleven. Waar is nou vraag naar? Je ziet dat er een
enorm tekort is aan STEM. Dat is een afkorting voor de meer
bètarichtingen. Wat ons betreft zou je moeten onderzoeken wat mooie
instrumenten zijn om te stimuleren dat meer mensen die opleidingen gaan
doen. Dat kan financieel zijn. Het kan een belofte van een baan zijn.
Het kan gaan om het brengen van meer techniek in de klas. Er is
eigenlijk een hele waaier aan initiatieven. Wat ons betreft moet je die
echt najagen.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Toen de heer Van Lanschot begon over regeldruk, vroeg ik hem natuurlijk
welke regels hij wil schrappen. Nu de heer Van Lanschot begint over
internationaal talent, vraag ik heel simpel wat hij wil doen om dat
internationale talent aan te trekken. Eigenlijk hoor ik geen voorbeeld.
Wij gaan niet over het ingrijpen binnen het onderwijs. Instellingen gaan
zelf over hun eigen onderwijsaanbod, vandaar de numerus fixus en het
ingrijpen in de verengelsing van opleidingen. Het klopt dat daar een
nuance in moet blijven bestaan.
De voorzitter:
En wat is uw vraag?
Mevrouw Martens-America (VVD):
Heeft u een voorbeeld, buiten nieuwe onderzoeken, waarmee we er voor
kunnen zorgen dat onderwijs beter aansluit op de banen van de
toekomst?
De heer Van Lanschot (CDA):
Op het gebied van technologie en bètastudenten heb ik daar net al iets
over gezegd. Op het gebied van economie in deze casus zou je dus gewoon
kunnen denken: houd beide in stand, maar zet een numerus fixus op de
Engelstalige kant, zodat je dat ook enigszins begrenst. Er zijn namelijk
genoeg bedrijven die ook economiestudenten met een Engelse opleiding
willen aannemen.
De voorzitter:
Mevrouw Martens-America voor een afrondende interruptie.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Afrondend. Wat ik al aangaf: er is een amendement-Martens-America
geweest om universiteiten de optie te geven een numerus fixus in te
zetten op de Engelse tracks. Dit wordt minimaal tot niet in gezet door
universiteiten, dus we hebben daar een uitdaging. Maar mag ik dan wel
concluderen dat er dus eigenlijk geen voorstel is? Ik vind het altijd zo
makkelijk als we roepen dat we daar wat aan moeten doen, zonder dat er
voorstellen komen.
De heer Van Lanschot (CDA):
Ik begrijp de vraag van mevrouw Martens-America nu iets beter.
Allereerst is dat een uitstekend idee. De universiteiten gaan zelf
natuurlijk over hun curriculum. Wat ons betreft roepen we de minister op
om met de koepel van de universiteiten in gesprek te gaan om de
negatieve effecten waar hier sprake van lijkt te zijn, te mitigeren. Een
mogelijke oplossing daarvoor is wat hier net is aangedragen.
De voorzitter:
Gaat u verder met uw betoog.
De heer Van Lanschot (CDA):
Erkenning van diploma's is ook belangrijk. Onze fractie las onlangs met
verbazing in het FD dat meer dan 6.000 diploma's van andere EU-landen in
Nederland niet erkend worden. Daarmee zijn we, op Italië na, het
strengste land. Welke rol kan de minister spelen om, conform de
aanbevelingen van Letta, diploma-erkenningen te verbeteren en dit aantal
drastisch te verlagen?
Dan eindig ik met valorisatie. Daar is al wat over gezegd. Het is een
belangrijk onderwerp. Kan de minister in zijn gesprekken met de TTO's
expliciet aandacht vragen voor het werken met vaste bandbreedtes voor
spin-offtransacties? Ik denk aan 1% tot 5% aandelen en single digit
royalties, zoals bij ETH en Colombia. Het doel hiervan is zekerheid
bieden aan startende ondernemers, waar ze aan toe zijn.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw bijdrage. Dan wil ik graag mevrouw Nanninga
uitnodigen voor haar bijdrage. Daarvoor heeft zij tien minuten. Dit doet
zij namens de fractie van JA21.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Dat klopt, voorzitter. Dank u wel.
Voorzitter. Met ongeveer 3,5 miljard euro is de EZ-begroting de kleinste
begroting van het Rijk, maar de betekenis ervan is groot. Hoewel de
huidige minister demissionair is, bespreek ik hier toch graag wat op dit
moment een gigantisch probleem is in Nederland, met de hoop dat de
opvolger van de minister — of hij dat nou zelf is of iemand anders — dit
voortvarend zal aanpakken. Nederland heeft een enorm klimaatprobleem en
dan bedoel ik hier, voor alle duidelijkheid, het
investeringsklimaat.
Het lijkt wel alsof mensen soms denken dat onze vrijheid en welvaart
vanzelf gaan. Die welvaart is de afgelopen eeuw met bloed, zweet en
tranen opgebouwd, met zo veel vernuft en doorzettingsvermogen. Mensen
denken soms dat we daar gewoon op de een of andere manier recht op
hebben, omdat we hele aardige mensen zijn, of dat het komt aanwaaien.
Maar dat is niet zo; het gaat niet vanzelf. Het verdienvermogen van
Nederland staat onder druk en de alarmbellen klinken al jaren. In het
kader daarvan ben ik de afgelopen jaren op heel veel werkbezoeken
geweest bij allerlei bedrijven: KLM, Talpa, Yara in Zeeland, Shell,
Boomsma Distilleerderij, aardappeltelers in Friesland, een peeskamertje
op de Wallen, Damen Shipyards, grote bedrijven, kleine bedrijven,
industrie, winkels enzovoorts. Al deze bedrijven, van hele grote
bedrijven met tienduizenden werknemers tot eenmanszaakjes, in alle
sectoren ... Er is echt één rode lijn. Die gaat door drie punten die ze
allemaal zonder uitzondering aan ons meegeven als we ze bezoeken:
dereguleer, lage belastingen en hou het beleid stabiel. Hou op met de
beleidsjojo. Het lijkt ons duidelijk dat dit prioriteit moet
hebben.
De afgelopen jaren is pijnlijk duidelijk geworden dat we
aantrekkingskracht verliezen voor grote bedrijven en industrie. In
internationale ranglijsten zakken Nederlandse ondernemingen weg of
verdwijnen ze geheel. Steeds meer bedrijven verplaatsen hun
hoofdkantoor. Bedrijven zoals Shell, Unilever, DSM en RELX, het
voormalige Reed Elsevier, zijn al weg uit ons land. Volgens onderzoek
van VNO zou een op de vijf ondernemers overwegen te verhuizen. Andere
bedrijven zijn er nog wel, maar breiden niet meer hier, maar ergens
anders uit, of sluiten hier fabrieken om ze ergens anders op te bouwen.
AkzoNobel wil verf gaan maken in Spanje en Polen. De topman van Boskalis
— dat is toch echt Hollands glorie, met die grote baggerschepen op alle
wereldzeeën — zei onlangs ook dat zijn bedrijf een vertrek moet
overwegen. Ik citeer: het morele vingertje uit Europa wordt niet meer
gepruimd. Techbedrijf Bird, ontstaan in de Amsterdamse buurt De
Baarsjes, gaat naar Amerika. Ik citeer: we kunnen het ons niet
veroorloven om in een land als Nederland te zitten. En dan Rotterdam,
onze haven. Bedrijf na bedrijf kondigt aan investeringen af te blazen en
fabrieken te sluiten. Ze kiezen voor Antwerpen, Azië of Canada, waar ze
met open armen worden ontvangen. En dan wordt er soms ook nog eens
lacherig over gedaan, alsof het prima is dat de industrie vertrekt. "Dat
zijn toch een stelletje vervuilers." Wat een decadentie.
Niet iedereen kan een baan krijgen waarin je met een laptopje in de
Bagels & Beans kan gaan zitten. Achter die grote bedrijven die we in
de krantenkoppen zien, zit een enorme waardeketen, een heel groot
industrie- en mkb-ecosysteem, met onder andere mkb-bedrijven,
toeleveranciers, aanhangende diensten en noem maar op. En over die
mkb'ers gesproken: de regelgeving rondom Nederlandse familiebedrijven,
de ambachtslieden en de kleine maakindustrie is op lokaal niveau een
lappendeken van overal andere en steeds verder uitbreidende regelzucht.
Een spreker voor mij, ik meende van de VVD, stipte dit probleem ook al
aan. Daarnaast ervaren familiebedrijven grote problemen met de
overdracht en continuïteit van hun opvolging. Kortom, ons
investeringsklimaat verslechtert, bedrijven verdwijnen en er lijkt nog
geen licht aan het einde van deze tunnel.
Wat zet ons investeringsklimaat zo onder druk? Dat zijn hoge
belastingen, te veel regels, eindeloze vergunningstrajecten, te weinig
venture capital, ook voor start-ups, en absurd stikstofbeleid. Ik geef
een voorbeeld. Europa heeft de hoogste energiekosten van de wereld.
Vergeleken met Amerika en Azië betalen we twee keer zo veel en binnen
Europa heeft Nederland inmiddels de hoogste energiekosten van heel
Europa. Het mkb betaalt hier gewoon zes keer zo veel voor gas als in
België of Duitsland. Dat geldt ook voor elektriciteit. Voor alle extra
belastingen in Nederland betalen we nu drie keer zo veel voor
elektriciteit als Frankrijk en twee keer zo veel als Duitsland of
België. Dat zijn gigantische verschillen. Vinden wij het dan gek als
bedrijven die veel energie gebruiken, verkassen? In het geval van Yara
wordt gas niet gebruikt als brandstof, maar als grondstof. Die halen het
gas chemisch uit elkaar en daar maken ze hun kunstmest van. Dat is niet
meer betalen.
Mensen vergeten ook dat de hoge energiekosten zorgen voor een enorme
inflatie. Dat raakt iedereen, maar vooral mensen met weinig geld. De
bakker moet meer betalen om zijn brood te bakken. Alles wordt duurder.
Onze welvaart staat onder druk, omdat door slecht beleid de kosten van
de meest basale dingen voor mensen steeds hoger worden: wonen, energie
en eten. Waarom is energie zo duur? Omdat Nederland massaal heeft
ingezet op wind- en zonne-energie en torenhoge belastingen moet heffen
om dat te betalen. Het probleem is niet alleen dat deze energievormen
heel veel geld kosten en dat je alternatieven moet hebben voor als het
niet waait, maar ook dat het leidt tot netcongestie, waar we nu mee
kampen. Bedrijven kunnen niet meer worden aangesloten op ons stroomnet.
Kortom, we kunnen het niet veroorloven om verder door te modderen. Het
nieuwe kabinet moet hiermee straks echt integraal aan de slag, dwars
door alle portefeuilles heen. Wat ik hiervoor noemde, slaat natuurlijk
ook op bijvoorbeeld Klimaat en Groene Groei. Dit moet het kabinet doen
voor ons bedrijfsleven, voor onze industrie en bijgevolg voor ons aller
welvaart.
Het is hier inmiddels een cliché geworden, maar we moeten echt aan de
slag gaan met het radicaal verminderen van regels. Nederland loopt vast
in de uitdijende technocratie, waar creativiteit en ondernemerslust
verstrikt raakt in bestuurlijke spaghetti. Bij elk incident of probleem
is de pavlovreactie van een overheid: meer regels, meer controle en meer
ambtenaren om die controles uit te voeren. Dat komt ook voort uit
wantrouwen richting ondernemers. Dat moet stoppen. Minder regels
betekent ook een efficiëntere overheid. Er zitten ruim een miljoen
voltijdbanen bij de hele overheid. Bijna een vijfde van de
overheidsuitgaven gaat naar de salarissen van de ambtenarij. De mensen
die het geld moeten verdienen, die brood op de plank moeten brengen, die
dingen maken, namelijk de boeren en de industrie, dreigen te vertrekken.
Dan zakt uiteindelijk het hele stelsel in elkaar.
Ik zie de tijd …
De voorzitter:
Mevrouw Nanninga, ik wil u erop wijzen dat de tijd nu vrij hard wordt
verbruikt. U gaat nu al de tijd voor uw tweede termijn in. Houdt u daar
rekening mee?
Mevrouw Nanninga (JA21):
Bedankt voor de waarschuwing. Ik zag het klokje terug tikken, maar ik
maak dit nog wel even af.
Als we er niks aan doen, dan zakt het hele stelsel in elkaar. Zoals
Margaret Thatcher al zei: "Socialism doesn't work. At some point you run
out of other people's money." Dat geld wordt verdiend in het
bedrijfsleven, niet bij de overheid. Ten tweede moeten we stoppen met
ondoordacht milieu- en klimaatbeleid. Ik zeg niet dat je moet stoppen
met milieu- en klimaatbeleid, maar wel met ondoordacht milieu- en
klimaatbeleid. We moeten stoppen met al die nationale koppen, die een
gelijk speelveld in Europa verstoren. Dat werd net ook al door de heer
Van Lanschot van het CDA genoemd. We moeten beginnen met het realisme in
de hele groene gekte. Los van deze punten draait het ook om mentaliteit.
Nederland moet weer trots worden op ondernemers, handelsgeest en onze
industrie. Ik hoop dat de nieuwe coalitie onze zienswijze deelt.
Voorzitter. Tot slot wil ik heel kort nog iets zeggen over het
internationale speelveld, dat steeds verder onder druk komt te staan. Ik
kan daar nu niet te lang op doorgaan, omdat er morgen nog een heel groot
debat over dit onderwerp is, maar zoals we weten heeft Trump
aangekondigd importtarieven van 10% in te voeren op producten uit
Nederland. Deze heffingen zouden per 1 februari al in gaan. Ik zag net
in de lunchpauze dat het hooggerechtshof van de Verenigde Staten er
vandaag uitspraak over had kunnen doen, maar dat ze dat niet gedaan
hebben. De eerstvolgende dag dat dat kan, is pas in februari. We kijken
dus echt naar een probleem. Los van de juridische houdbaarheid van
dergelijke maatregelen — dat oordeel van het Amerikaanse hooggerechtshof
moet nog komen — vraag ik de minister alvast of hij een overzicht heeft
van bedrijven en sectoren die hierdoor het hardst geraakt gaan worden en
hoe we de schade kunnen minimaliseren of voorkomen. Hoe gaan we dat
aanpakken?
Voorzitter, dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Nanninga. Ik wil u er wel op wijzen dat u straks nog
maar anderhalve minuut heeft voor de tweede termijn. Dat komt goed, hoor
ik u zeggen. Dat is heel fijn. Dan wil ik de heer Jansen van Forum voor
Democratie uitnodigen om naar het spreekgestoelte te komen voor zijn
bijdrage.
De heer Frederik Jansen (FVD):
Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Het ministerie van Economische Zaken
zou zich bezig moeten houden met het scheppen van randvoorwaarden voor
het kunnen bouwen van een gezonde markteconomie. Wie echter de begroting
leest, ziet iets anders. Nog geen 15% van het budget is daadwerkelijk
gericht op economische randvoorwaarden. Het overgrote deel wordt
opgeslokt door één centraal thema dat is samen te vatten met één woord:
duurzaamheid. Inmiddels wordt bijna de helft van ons nationale inkomen
in de vorm van belastingen afgeroomd om door een inefficiënte overheid
heen te halen. De minister van Economische Zaken geeft daarvan een
fractie terug met de opmerking dat bedrijven moeten investeren in
zogenaamde innovatie, alsof de overheid beter kan bepalen dan mensen
zelf waar innovatie zou moeten plaatsvinden. Blijkbaar kan zij dat niet,
want zij stuurt aan op het kapotmaken van goed functionerende
industrieën en processen in het kader van zogenaamde duurzaamheid.
De Staat stelt zich met de duurzaamheidsagenda in feite boven de markt,
en daarmee boven de bevolking, en zegt: jullie, ondernemers, fabrikanten
en consumenten, kunnen jullie eigen belang niet zien of niet juist zien.
Dat is een ontzettend paternalistische en denigrerende opstelling. Ik
zat na te denken. Ik heb ook een bedrijf, Eerlijk Eten. Wij verkopen
heel mooi grasgevoerd Nederlands vlees en heel veel andere
producten.
De voorzitter:
Het is niet de bedoeling, wil ik toch even zeggen, om hier reclame te
maken voor eigen bedrijven.
De heer Frederik Jansen (FVD):
Oké, excuus. Maar om het te betrekken op mijn bedrijf: ik zat erover na
te denken in het kader daarvan. Wij moeten dat allemaal laten inpakken
en zo. Stel dat wij als criterium ineens iets nieuws bedenken: het
inpakproces moet minder paarstinten bevatten. Dan gaan wij intern
commissies opstellen en mensen aannemen om dat te gaan doen. Het is een
totaal arbitrair criterium. Het heeft er helemaal niks mee te maken. Dan
gaat ineens 20% van onze hele omzet daarheen.
De voorzitter:
Meneer Jansen, er is een interruptie van de heer Markuszower van Groep
Markuszower.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
U kapte de spreker af toen hij over zijn eigen bedrijf begon. Ik vind
het in dit debat op zich relevant dat Kamerleden die zelf van niets iets
maken, dus geld maken, juist een enorm frisse kijk kunnen geven op een
onderwerp als Economische Zaken. Ik wilde dus aan de heer Jansen vragen:
wat is nou die website en kunt u de Kamerleden misschien een korting
aanbieden?
De voorzitter:
Dat ga ik als voorzitter niet toestaan. Het is echt niet de bedoeling om
hier reclame te maken voor websites of eigen bedrijven. Het is prima als
een spreker zegt dat hij een eigen bedrijf heeft, maar ik sta niet toe
dat hier dan ook de naam van het eigen bedrijf wordt genoemd.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Op zich correct, voorzitter. Dan een wat serieuzer vraag. De heer Jansen
is met een eigen bedrijf bezig. Kan hij misschien aangeven tegen welke
problemen hij nou in de praktijk als ondernemer aan loopt en hoe de
minister van Economische Zaken daar iets kan doen?
De voorzitter:
Dat is een heldere vraag aan de heer Jansen.
De heer Frederik Jansen (FVD):
Dat vind ik een hele leuke vraag, want in de praktijk loop je tegen
ontzettend veel dingen aan. Dat gaat op het gebied van regelgeving
vooral over compliant worden. Wij zitten in de foodsector — ik zal de
naam van het bedrijf achterwege laten — en daarvoor moet je aan allerlei
eisen van de NVWA voldoen. Wij hebben bijvoorbeeld looproutes moeten
veranderen, muren moeten doorbreken en deuren moeten maken op plaatsen
waarvan je denkt: je had ook wel zó kunnen lopen; zo erg is het nou
allemaal niet. We hebben allerlei investeringen moeten doen in bepaalde
typen vriezers en koelingen. Er is een oneindige lijst aan uitgaven die
we hebben gedaan. We hebben personeel in dienst moeten nemen om allemaal
formulieren in te vullen, die in mappen gaan die niemand nog een keer
bekijkt. Het is superinefficiënt. We zijn een klein bedrijf, maar we
zijn daar ontzettend veel geld aan kwijt geweest, alleen al aan
personeelskosten. We hebben externe bureaus moeten inhuren om te checken
of we compliant zijn. Labels moesten ineens worden aangepast. We moeten
dan bijvoorbeeld ...
De voorzitter:
Meneer Jansen, ik wil u toch verzoeken om niet te lang te antwoorden op
deze vraag.
De heer Frederik Jansen (FVD):
Oké. Ja, ik kan hier heel lang over praten, maar …
De voorzitter:
Ja, dat hebben we in de gaten.
De heer Frederik Jansen (FVD):
Kort gezegd: er is een oneindige waslijst aan regels. Om daarmee
compliant te zijn, moet je heel veel kosten maken die je anders niet zou
hebben gemaakt en die je zou hebben gestoken in de ontwikkeling van het
bedrijf.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Ik vind het wel interessant. Ik zal de voorzitter er niet mee belasten
dat de heer Jansen uitweidt, maar ik zou graag — ik zal zo ook een
kleine eigen bijdrage doen — via de heer Jansen …
De voorzitter:
Nee, via de voorzitter.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Sorry, via de voorzitter, maar wel in deze interruptie. Ik zou graag aan
de heer Jansen willen vragen of hij aan de minister wil vragen of de
minister deze voorbeelden herkent — niet precies al die voorbeelden — en
andere voorbeelden kent, en of hij of zijn opvolger bereid is om wat
regels te schrappen. De ondernemers in Nederland rennen hier weg …
De voorzitter:
Meneer Markuszower, u bent door de 30 seconden heen.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Oké. Maar die rennen het land uit omdat het ondernemen in Nederland
onmogelijk wordt gemaakt.
De voorzitter:
De vraag is helder. Ik wil de heer Jansen ook nog meegeven dat we het
hier hebben over de begroting van Economische Zaken en dat artikel 8.15
van het Reglement van Orde aangeeft dat u zich bij het onderwerp moet
houden. Ik weet dat er net een interruptie is gedaan door de heer
Markuszower, maar wilt u het alstublieft kort doen en het bij het
onderwerp houden?
De heer Frederik Jansen (FVD):
Ja, helemaal goed. Dat komt ook goed uit, want er was ook een stukje in
mijn bedrage dat over regelgeving ging, maar dan in abstracte zin. De
minister heeft namelijk aangekondigd 500 regels te willen schrappen. Dat
vind ik een ontzettend bewonderenswaardige ambitie, dus complimenten
daarvoor. We hebben in december ook een brief gekregen met de eerste
218, zeg ik uit mijn hoofd. Mijn vraag daarover aan de minister is op
welke termijn die daadwerkelijk worden geschrapt en wanneer we de
volgende 282 kunnen verwachten, want daar kijk ik met groot plezier naar
uit.
De voorzitter:
Dat was uw bijdrage, meneer Jansen?
De heer Frederik Jansen (FVD):
Nee.
De voorzitter:
U gaat nog verder?
De heer Frederik Jansen (FVD):
Ja, heel graag. Ik wil het dus kort betrekken op mijn eigen bedrijf. Als
wij ineens een willekeurig criterium introduceren aan de hand waarvan
wij onze processen gaan beoordelen, dan is dat natuurlijk totaal
inefficiënt. Volgens mij is dat wat er gaande is met onze visie op de
economie, tenminste, de visie van andere partijen hier op de economie.
De hele obsessie met duurzaamheid en het op alle mogelijke manieren
terugdringen van CO2 zorgt ervoor dat we de verkeerde keuzes
maken. Dat zorgt ervoor dat we onze economie juist de verkeerde kant op
sturen, inefficiënt gaan werken en niet meer kunnen concurreren met het
buitenland. Juist in een tijd als nu zouden we bezig moeten zijn met
bekijken wat onze concurrentiepositie verhoogt, en niet met: waarmee
doen we onszelf te kort? Ik heb al best veel gehad. Dat stelt ons voor
de volgende vraag: wat zou de verhouding tussen Staat en markt moeten
zijn? Is het de taak van de Staat om te bepalen wat lucratieve
investeringen zijn? Als het antwoord wel bevestigend luidt, welke
investeringen zijn dit dan? Ik hoor graag een bespiegeling hierop van de
minister. Wij denken bij FVD namelijk dat het marktmechanisme uitstekend
in staat is om te bepalen wat een productieve investering is. Zou er
namelijk bijvoorbeeld sprake zijn van een te snel uitgeputte fossiele
energiebron, zoals kolen of zo, dan zou de prijs omhooggaan. Dan zouden
ondernemers dus afstappen van het gebruiken van kool en overgaan op een
andere energiebron. De markt reguleert dit dus zelf. We hebben helemaal
geen overheid nodig die dat doet.
In het interruptiedebat met de heer Van der Lee, van GroenLinks-PvdA,
ging het hier eigenlijk ook over. Er werd mij verweten dat ik terug
wilde naar de negentiende eeuw, omdat ik pleitte voor het heropenen van
de kolencentrales. Vooropgesteld, de negentiende eeuw was bij uitstek
een eeuw van ongekende technologische en culturele vooruitgang. Dat is
ontzettend inspirerend en zou ons moeten aansporen om te zeggen dat we
het nog beter willen doen, maar wij pleiten natuurlijk niet voor het
herinvoeren van de koets. Er is natuurlijk wel het een en ander gebeurd.
Maar om een goedwerkend en goedkoop alternatief te vervangen door een
alternatief dat duurder en minder efficiënt is en toevallig vorige week
is uitgevonden, slaat natuurlijk helemaal nergens op. Als je een
datacenter voor een fractie van de kosten van stroom kan voorzien met
technologie die zogenaamd ouder is dan iets wat nieuwer is, is dat een
volstrekt logische bedrijfskeuze. Dat is volgens mij wat hier continu
gebeurt: in plaats van kijken naar wat er goed is voor ons land en voor
onze economie worden er keuzes gemaakt door ideologie. Dat is geen
vooruitgang; dat is in heel veel gevallen achteruitgang.
Stel je namelijk eens voor dat de overheid anders zou denken. Stel je
voor dat de overheid niet onze nationale welvaart weggooit met volstrekt
zinloze projecten. Stel je bijvoorbeeld eens voor dat we onze gasbaten
goed hadden ingezet.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Even over die ideologie. Forum voor Democratie bepleit de nexit, terwijl
het Nederlandse bedrijfsleven als geen ander heeft geprofiteerd van het
gegeven dat wij al vele decennia deel uitmaken van de Europese Unie, de
grootste vrijemarkteconomie ter wereld. Toch moeten wij uit ideologische
overwegingen uit de Europese Unie.
De voorzitter:
Wat is uw vraag?
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Mijn vraag is: is dit geen idioot standpunt, ook gelet op de
geopolitieke situatie waarin de wereld nu verkeert?
De heer Frederik Jansen (FVD):
Nee, dat is zeker geen idioot standpunt. Als je kijkt naar de Europese
economische ontwikkeling ten opzichte van die van de Verenigde Staten,
dan zie je een heel dramatisch effect. Europa had een grotere economie
dan de Verenigde Staten tot ongeveer 2010. Vanaf dat moment is er iets
interessants gebeurd. De Verenigde Staten zijn één kant opgegaan en wij
een andere kant. Wij zijn de kant opgegaan van veel meer regels en
hogere belastingen introduceren en zij zijn gaan dereguleren. Er zijn
dus ook heel veel Europese regels; wij gaan in Nederland allang niet
meer zelf over heel veel dingen. De Verenigde Staten zijn vervolgens
doorgegroeid, ook na de economische crisis, en wij komen nu pas op het
groeiniveau dat zij al begin jaren tien bereikten. Wij zijn dus
volstrekt achtergebleven. Het is een volstrekte misvatting dat de
Europese Unie economische groei veroorzaakt en goed zou zijn voor ons
bedrijfsleven. Het staat ons ontzettend in de weg en we moeten er zo
snel mogelijk uit.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Ook hierbij is er een ideologisch verschil, denk ik. De Amerikaanse
economische groei is terechtgekomen bij een groep oligarchen. De
welvaart bij de elite is nu nog veel groter dan die in de golden age
was. Universele gezondheidszorg en brede welvaart zoals wij die kennen,
zijn afwezig in de Verenigde Staten. Als Forum dat ambieert, stel ik
voor: migreer gewoon naar de VS en laat Nederland met rust.
De heer Frederik Jansen (FVD):
Zo kunnen we allerlei landen uitkiezen en elkaar aansporen daarheen te
emigreren. Ik kan ook de heer Van der Lee vragen om naar Venezuela te
emigreren, omdat ze daar wel een socialistische economie hebben. Het is
natuurlijk zo dat er grote verschillen zijn tussen Amerika en Nederland.
Misschien hebben wij sommige dingen beter geregeld, maar het staat als
een paal boven water dat zij het economisch veel beter doen en
industrieën hebben die wij überhaupt niet eens in ons land hebben, zeker
als het gaat om technologie. Wij zijn gewoon ontzettend achtergebleven.
Dat heeft voor een heel groot deel te maken met de ontzettend grote
regeldruk, die zelfs voor het allergrootste deel uit Europa komt. Als je
kijkt naar de ontwikkeling van AI nu, dan zie je dat wij geen groot
AI-bedrijf hebben in Europa, ook niet in Nederland. Nederland zou bij
uitstek zo'n bedrijf kunnen leveren. We hebben hier de slimste mensen en
de beste universiteiten, maar het gebeurt niet omdat het nu al
kapotgereguleerd is. Stel, je wilt een AI lanceren die dezelfde mate van
FLOPS heeft als ChatGPT in 2022. Dan moet je dat gaan registreren bij de
Europese Unie. Je moet oneindige formulieren invullen. Je moet een hele
legal-afdeling gaan optuigen. Dat gaat niet voor start-ups. Dat gaat
niet voor kleine bedrijven. Innovatie wordt gewoon in de kiem
gesmoord.
De voorzitter:
Gaat u door met uw betoog.
De heer Frederik Jansen (FVD):
Ja, dank u wel. Stel je voor dat de overheid dit allemaal niet zou doen.
Stel je voor dat wij dus heel anders zouden kijken naar wat wij met onze
nationale welvaart kunnen doen. Ik vind de gasbaten daar zo'n goed
voorbeeld van. Wij hebben in de hele periode waarin wij gas hebben
gewonnen uit Nederlandse bodem, met name in Groningen, ongeveer 450
miljard euro aan welvaart uit de grond gehaald. De immigratie die sinds
1990 heeft plaatsgevonden, heeft ons 500 miljard euro gekost. Het gaat
dus over baten van 450 miljard vanuit gas en kosten van 500 miljard aan
immigratie. De overheid is totaal niet bezig met wat goed is voor de
bevolking. Ze is alleen maar bezig met ideologie. Ter vergelijking:
Qatar heeft een vergelijkbare hoeveelheid gas uit de grond gehaald, net
iets meer dan wij, en zij hebben daar een absoluut paradijs op aarde
gebouwd. Dubai is daar natuurlijk nog een ander voorbeeld van. Er was
daar helemaal niets. Het was gewoon woestijn. Voor de menselijke
geschiedenis was daar niets. Er liepen een paar kamelen rond. Toch
hebben ze daar een absoluut paradijs van gemaakt, omdat hun regering
rationele keuzes voor hun bevolking heeft gemaakt. Dat zou de rol van de
overheid moeten zijn: niet het afromen van welvaart van burgers, maar
het faciliteren van de mogelijkheden om het allerbeste uit ons land te
halen.
De voorzitter:
Bent u daarmee aan het einde van uw betoog?
De heer Frederik Jansen (FVD):
Ik heb nog één puntje.
De voorzitter:
Ik wil u er wel op wijzen dat inmiddels de spreektijd van uw tweede
termijn loopt.
De heer Frederik Jansen (FVD):
Ja, dank u wel. Ik heb nog een ander puntje in het kader van het
allerbeste van ons land maken. We moeten natuurlijk ook weerbaar zijn
tegen geopolitieke ontwikkelingen. Mijn fractiegenoot Ralf Dekker heeft
al eens eerder gepleit voor het innemen van strategische
aandeelhoudersposities in cruciale industrieën. Ik ben benieuwd wat de
minister daar eigenlijk van vindt, zeker ook in het kader van wat er is
gebeurd rondom Nexperia. Dat gaat dus niet over ideologie, maar over
strategie. Daar zal ik mee afsluiten. Wij moeten de economische waarde
van Nederland weer kennen. Wij moeten onszelf weer op de eerste plaats
zetten voor de toekomst.
Dank u wel.
De voorzitter:
Voordat u het spreekgestoelte verlaat, zijn er een aantal interrupties.
Ik begin bij mevrouw Martens-America.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Dit was een bijzondere bijdrage, want volgens mij spreekt de heer Jansen
zichzelf tegen. Enerzijds wordt er gepleit voor maximale marktwerking,
waarbij de markt het zelf veel beter weet dan de overheid. Anderzijds
hoor ik de heer Jansen ervoor pleiten dat de overheid aandeel neemt in
bedrijven. Ik ben dan wel heel erg benieuwd wie gaat bepalen over welke
bedrijven dat dan gaat. En gaat de overheid dan alsnog op de stoel van
deze bedrijven zitten? Misschien kan de heer Jansen deze
tegenstrijdigheden even toelichten.
De heer Frederik Jansen (FVD):
Ja, dat vind ik een leuke vraag. Bedankt daarvoor. Ik zat daar zelf ook
over na te denken. Aan de ene kant wil je het natuurlijk aan de markt
overlaten, maar aan de andere kant hebben we wel te maken met staten in
de wereld. We hebben ook te maken met andere staten die daar posities in
innemen. Ik pleit dus niet voor een volledige vrijemarkteconomie. Ik
pleit er wel voor dat de overheid, en dus uiteindelijk wij als Tweede
Kamer en als hoogste orgaan, keuzes maakt in wat wij op nationaal niveau
moeten beschermen. Dat betekent niet per se dat wij dat dan volledig
moeten nationaliseren. Maar we moeten wel rationeel nadenken over wat er
in Nederlandse handen moet blijven, en wat dus niet zomaar aan het
buitenland verkocht kan worden.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Ik vind dit toch bijzonder. Ik ken Forum voor Democratie ook als de
partij die in verschillende actoren geen enkel risico ziet, terwijl de
meerderheid van partijen in dit huis die actoren toch spannend vindt en
daar liever niet afhankelijk van wil zijn. Misschien kan u dus nog even
toelichten welke landen een risico zijn en in welke sectoren we dan een
aandeel zouden moeten nemen.
De heer Frederik Jansen (FVD):
Goede vraag. Ik denk dat mevrouw Martens doelt op Rusland, want dat
wordt ons vaak in de schoenen geschoven. Ik denk dat wij heel
realistisch moeten kijken naar de wereld. Het is niet per se zo dat wij
bepaalde landen leuker vinden dan andere landen; we moeten vooral kijken
naar het Nederlands belang. Als het in ons belang is om met Amerika te
handelen, dan moeten we zeker met Amerika handelen. Als het in ons
belang is om met Rusland te handelen, dan moeten we dat ook doen. Dat
geldt natuurlijk ook voor China. Maar zij kunnen belangen hebben die
tegengesteld zijn aan die van Nederland. Dat is nu eenmaal de
geopolitiek. Dat is realpolitik. Daar moeten we ons gewoon toe
verhouden. Ik wil niet categorisch landen gaan uitsluiten of insluiten
als het erom gaat met wie wij bevriend zouden moeten zijn. Ik geloof
überhaupt niet in vriendschappen in de geopolitiek, maar wel in opkomen
voor het Nederlands belang.
De voorzitter:
Mevrouw Martens-America voor een afrondende interruptie.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Ik heb geen landen genoemd; dat laat ik aan de heer Jansen zelf. Het is
wel een prachtig voorbeeld waaruit blijkt dat er bij Forum toch ook wel
wordt gevoeld dat niet alles enkel vriendschappelijk is. Maar stel dat
we het hebben over een bepaalde sector. Meneer Jansen is vrij overtuigd
van zijn eigen bijdrage. Kan hij ons meenemen als het gaat om in welke
sectoren de minister een belang zou moeten nemen, omdat we toch
afhankelijk zijn van landen die niet het beste met ons voor hebben?
De heer Frederik Jansen (FVD):
Ik denk dat wat er gebeurd is met halfgeleiderbedrijven een heel goed
voorbeeld hiervan is. Wij zijn ontzettend afhankelijk van het
buitenland. Wij kunnen dat hier in Nederland niet zelfstandig
produceren; we hebben daar gewoon de grondstoffen niet voor. Dus ja, we
moeten heel sceptisch kijken naar wat er in het buitenland gebeurt en
hoe we kunnen waarborgen dat onze economie daar nog … Dus ik denk vooral
aan de technologie, eigenlijk.
De heer Jimmy Dijk (SP):
De heer Jansen van Forum voor Democratie schetst een soort ideaalbeeld
van de VS, namelijk dat er zo min mogelijk regels zijn. Maar is hij zich
ervan bewust dat grote delen van de maakindustrie juist door die
deregulering in de VS zijn verplaatst naar andere landen, waardoor
keihard werkende mensen in de productie- en maakindustrie hun baan zijn
kwijtgeraakt in de afgelopen jaren?
De heer Frederik Jansen (FVD):
Komt dat door deregulering? Is dat nou echt zo? Ik denk dat de
loonkosten in Amerika een grote factor zijn geweest. Het is gewoon veel
goedkoper om in het buitenland te produceren. Tegelijkertijd heeft het
introduceren van vrijhandelsverdragen met bepaalde landen onmiddellijk
geleid tot het verplaatsen van industrieën. De huidige Amerikaanse
regering kiest een ander beleid en heeft nu dus die importheffingen
ingesteld, waar wij als Nederland dan weer heel veel last van hebben.
Dat is natuurlijk de keerzijde. Dat sluit eigenlijk aan bij de vorige
vraag. Als landen doen wat goed is voor henzelf, dan kan dat ook weleens
slecht uitpakken voor ons. Dat is wel het type denken waar we volgens
mij aan moeten gaan wennen.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Die vrijhandelsverdragen braken juist heel veel sociale verworvenheden
af, zoals regels om werk te behouden, om de winsten die werkende mensen
produceren in eigen land te houden en om de productie daar te houden. U
noemde ook het voorbeeld van Qatar en Dubai. Bent u zich ervan bewust
dat mensen daar door een gebrek aan regelgeving zestien- tot
achttienurige werkdagen hebben, bij bosjes uit het buitenland gehaald
worden en gewoon sterven op hun werk?
De heer Frederik Jansen (FVD):
In elk geval in mindere mate dan … Nee, daar ben ik me niet zo van
bewust. Ik weet wel dat zij een heel ander immigratiebeleid voeren.
Mensen mogen daar tijdelijk komen en moeten daar bijdragen, en dan gaan
ze weer weg. Ik denk dat het heel rationeel is om daar zo naar te
kijken.
De voorzitter:
De laatste interruptie van de heer Dijk.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Het hier in deze zaal, zoals Forum voor Democratie, gaan hebben over
Qatar en Dubai als een soort ideaalbeeld, terwijl mensen daar bij bosjes
sterven op hun werkplek … Over hun rug zijn dingen daar opgebouwd. Dat
hebben zij gedaan, met hun leven. Dit soort gedoe is gewoon echt rechtse
corpsballenpraat.
De heer Frederik Jansen (FVD):
Het is jammer dat het zo moet gaan. Ik denk dat die landen ontzettend
mooie voorbeelden zijn van wat je kan doen als je echt iets uit de grond
wil stampen. Ik zeg helemaal niet dat dan alles goed gaat. Ik zeg niet
dat het een een-op-eenkopie moet worden. Dat kan ook helemaal niet. Wij
hebben een heel andere demografische opbouw. Saudi-Arabië gaat daar ook
mee te maken krijgen. Die kunnen dat niet op dezelfde manier doen als de
Emiraten. Maar het is volgens mij superduidelijk dat we daar veel van
kunnen leren. Zij hebben daar gewoon gecreëerd wat wij hadden kunnen
hebben als wij niet een totaal verkeerde afslag hadden genomen in onze
geschiedenis. Zij zijn daar bezig om paradijzen te bouwen en wij zijn
bezig om het goede dat we hier hadden, langzaamaan steeds een stukje af
te breken.
De voorzitter:
Meneer Dijk, heeft u een ander punt dan u net heeft gemaakt? Ik heb u
namelijk drie interrupties toegestaan. Ja? Weet u het zeker?
De heer Jimmy Dijk (SP):
Dan blijkt uit de bijdrage van de heer Jansen van Forum voor Democratie
dat hij tegen sociale wetgeving is voor hardwerkende mensen die een
samenleving en een economie weten op te bouwen, want die bestaat
namelijk niet in dat land. Dat hier als ideaalbeeld schetsen, demaskeert
u volledig. U bent niet voor werkende mensen.
De voorzitter:
Meneer Dijk, interrupties zijn voor een …
De heer Jimmy Dijk (SP):
U bent alleen maar voor oliegiganten die daar enorm veel geld aan
verdienen, over de ruggen van mensen. Nogmaals, daar sterven werkende
mensen op hun werkplaats, omdat ze zo hard uitgebuit worden.
De voorzitter:
En uw vraag is?
De heer Jimmy Dijk (SP):
Ik vind het nogal wat. Bent u zich daarvan bewust? Bent u zich ervan
bewust dat dat daar gebeurt?
De voorzitter:
Ik wil toch de Kamer er weer op wijzen dat interrupties er zijn om een
vraag te stellen en niet om betogen te houden. Meneer Jansen, ik wil u
ook vragen om af te ronden, want u bent ver over uw tijd.
De heer Frederik Jansen (FVD):
Ik heb niet zo veel met dit soort emopolitiek. Natuurlijk gebeuren er
erge dingen in de wereld. Natuurlijk zijn op andere plekken dingen
minder goed geregeld dan hier. Maar je kunt toch naar voorbeelden kijken
van andere landen die dingen wel beter doen dan wij? Daar kunnen we toch
van leren? Natuurlijk is er minder sociale zekerheid in Dubai en Qatar,
maar zijn we hier niet een beetje te veel de andere kant op
doorgeslagen? Hebben wij hier niet een groep van een miljoen mensen die
eigenlijk wel aan de slag zouden kunnen, maar die door een volledig
pervers stelsel van toeslagen en rare belastingprikkels aan de kant
zitten? Wij zouden hier zo veel meer uit kunnen halen. Wij zouden naar
de lichtende voorbeelden in de wereld moeten kijken om te zien: "Hoe
kunnen wij Nederland zo goed krijgen? Hoe kunnen wij Nederland zover
krijgen?" Daarvoor kunnen we van iedereen in de wereld leren. Dat het
misschien dan … Die dingen moeten we dan niet doen. Andere dingen moeten
we wel doen. Zo simpel is het.
De voorzitter:
Dat was het einde van uw bijdrage. Dank u wel.
De heer Frederik Jansen (FVD):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dan wil ik graag de heer Flach — hij stond al een tijdje klaar —
uitnodigen om naar het spreekgestoelte te komen namens de SGP.
De heer Flach (SGP):
Voorzitter, dank u wel. Ik begin met het belangrijkste punt dat ik
vandaag wil inbrengen, bij de eerste dag van de week: de zondag. Dat is
een rustdag die God zelf gaf na de schepping om te rusten van alle
arbeid en om hem te dienen. Het is de dag waarop Jezus opstond na zijn
kruisiging en de dag waarop hij na zijn opstanding verscheen aan zijn
volgelingen, die bij elkaar gekomen waren. Het is de belangrijkste dag
van de week voor christenen, maar ook een gave voor onze hele
samenleving als collectieve dag van rust. Een economie en samenleving
die eindeloos doordraaien, draait op den duur dol. Rust op z'n tijd is
goed voor iedereen. Vorige week kwam de minister met een brief met
opties voor een nog verdere verruiming van de zondagsopenstelling van
winkels. Laat ik duidelijk zijn: voor mijn fractie zijn alle genoemde
opties sprekende stappen in de verkeerde richting. Gemeenten hebben nu
de mogelijkheid om hierin hun eigen maatwerk te voeren. Hier landelijk
overheen walsen met een verplichting om de zondagsopenstelling door te
voeren, is niet alleen illiberaal, maar raakt de SGP ook in het hart van
waar wij politiek voor bedrijven: een samenleving die gebaseerd is op
Gods goede geboden. Daarom zeg ik tegen het huidige en toekomstige
kabinet: bescherm en koester de zondag.
Voorzitter. De economie staat weer hoog op de agenda, niet omdat het zo
goed gaat, maar omdat één handtekening in Washington hier direct
voelbaar is. Amerikaanse importheffingen raken onze bedrijven, onze
banen en onze welvaart hard. De vraag is simpel, maar urgent: hoe zorgen
wij ervoor dat de Nederlandse economie niet het volgende slachtoffer
wordt van een handelsoorlog die wij niet zijn begonnen? Het laat eens te
meer zien dat een weerbare economie meer dan ooit noodzakelijk is, en op
dat punt is er nog veel werk aan de winkel. Juist in tijden van
onzekerheid en instabiliteit is het zaak om in te zetten op eigen
kracht, bijvoorbeeld op onze oer-Hollandse maritieme maakindustrie,
zoals in de regio Drechtsteden, waar ook ik vandaan kom, naast de heer
Prickaertz. De strijd met het water heeft ons land al veel gebracht.
Vreemd genoeg komt deze sector in het nieuwe industriebeleid nauwelijks
aan bod, terwijl hij van groot belang is voor onze strategische
autonomie en er de afgelopen jaren een ambitieuze sectoragenda is
opgesteld. Geeft de minister de maritieme maakindustrie en de
sectoragenda alsnog een prominente plaats in het industriebeleid?
Het kabinet zou inzetten op een leidende rol voor Nederlandse bedrijven
in de Europese maritieme-industriestrategie. Waar staan we nu? De
sectoragenda loopt tot het eind van het jaar en verdient wat de SGP
betreft een verlenging. Gaat het kabinet dit voortzetten? Ook kritieke
grondstoffen spelen een grote rol in onze strategische autonomie. Nu
zijn we nog te veel afhankelijk van China en andere Aziatische landen.
Lithium, kobalt, nikkel, zeldzame aardmetalen en grafiet zijn onmisbaar
voor batterijen, halfgeleiders, windmolens en defensietoepassingen. The
Netherlands Materials Observatory speelt een sleutelrol, maar heeft nu
onvoldoende middelen en een slechts tijdelijke financiering tot 2027.
Daarom heb ik een amendement ingediend waarin het budget wordt
uitgebreid en er toekomstperspectief wordt geboden. Is de minister
daarnaast bereid om de taakopdracht van het NMO te verbreden, naast
overheidsadvies, zodat ook bedrijven kunnen worden ondersteund bij onder
meer substitutie en circulaire toepassingen?
Voorzitter, ik sluit af met een blokje over zakelijke kredietverlening.
Vorig jaar maakte ik ook een punt van zakelijke kredieten met
astronomische rentes — ook de heer Schoonis begon daarover — tot wel 50%
of meer bij excessen. De markt voor zakelijke kredietverstrekking is op
dit moment onvoldoende gereguleerd. Er wordt gewerkt aan zelfregulering,
maar wat de SGP betreft mag daar wel een tandje bij, zeker als je de
schrijnende verhalen hoort van ondernemers die hiervan afhankelijk waren
en hierdoor aan de grond zijn komen te zitten. Wanneer komt er een
renteplafond zoals dat voor consumptieve kredietverlening geldt? Ik hoor
graag of de minister bereid is om stappen te zetten richting betere
regulering en toezicht op deze markt. Anders kom ik in tweede termijn
zelf met een voorstel.
Dank u wel.
De voorzitter:
Ik was even aan het kijken, meneer Grinwis, of u nou naar voren kwam
voor een interruptie, maar u komt naar voren voor uw eigen bijdrage.
Dank, meneer Flach, voor uw bijdrage. Ik geef nu graag het woord aan de
heer Grinwis, namens de ChristenUnie. Ga uw gang.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel. "Geef ons heden ons dagelijks brood". Dagelijks
brood, voor de meesten van ons heel vanzelfsprekend. Tegelijk zijn wij
zo afhankelijk — dat drukt die bede uit — van God en van de harde
werkers, zoals in dit geval van boeren en bakkers. Die dankbaarheid in
hun richting uitspreken aan het begin van mijn bijdrage leek mij wel
gepast in deze Week van het Brood. Gisteren brachten de ambachtelijke
meesterbakkers, meestal familiebedrijven, dat hier bij het Kamergebouw
terecht onder de aandacht. Dat zijn ondernemers die wij willen
koesteren, die we het ondernemen mogelijk willen maken, die we voor het
bakken van brood of het maken van een ander prachtig product de ruimte
willen geven om een goede boterham te verdienen.
Voorzitter. Wie zoekt op het woord "mkb" in de begroting van EZ, komt
dat 177 keer tegen. "Ondernemers" staat er 123 keer in, "scale-ups" 30
keer, "start-ups" 27 keer en "grootbedrijf" en "grote bedrijven" samen 4
keer. Maar "familiebedrijf" of "familiebedrijven" is niet één keer te
vinden in de begroting van Economische Zaken. Echt geen enkele keer. Ik
vind dat opmerkelijk, om niet te zeggen: schandalig. En dat terwijl het
met 61,5% van alle ondernemingen de meest voorkomende ondernemingsvorm
is. Ze zijn goed voor 2,8 miljoen banen, met een unieke focus, niet op
het volgende kwartaal, maar op de volgende generatie. Ze zijn regionaal
verankerd, vol karakter en pit.
Daarom heb ik een aantal vragen. Hoe vaak worden familiebedrijven in de
volgende begroting genoemd? Moeten we niet een formele definitie voor
familiebedrijven in wet- en regelgeving verankeren? Is het niet tijd om
ze beter te betrekken bij de totstandkoming en uitvoering van het
beleid? Is de minister bereid om inzichtelijk te maken in hoeverre
instrumenten op het gebied van investeren, financiering en innovatie
goed aansluiten bij het model van deze bedrijven? Ik zie uit naar een
reactie op deze vragen én naar de volgende begroting.
De heer Flach (SGP):
De heer Grinwis en ik zijn allebei afkomstig uit een familiebedrijf, dus
we kennen allebei ook de intrinsieke betekenis ervan. Ik ben het er dus
van harte mee eens dat hij hier met een vlammend pleidooi opkomt voor de
kracht van familiebedrijven en richting de minister de betekenis ervan
nog eens benadrukt. Wat zou de ChristenUnie concreet willen voorstellen?
Welke stappen moeten er gezet worden om familiebedrijven ook voor de
volgende generatie vitaal te houden?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Dank voor deze vraag. Ik denk dat er een aantal zaken mogelijk zijn,
deels buiten het domein van EZ, namelijk in de fiscaliteit: zorg dat het
overnemen van familiebedrijven aantrekkelijk blijft, met een goede BOR
en een goede doorschuiffaciliteit. Maar ik vind dat familiebedrijven als
entiteit door EZ ook beter betrokken zouden moeten worden bij de vorming
en uitvoering van beleid. Een familiebedrijf is toch een specifieke
categorie, die een beetje tussen de wal en het schip van mkb en
grootbedrijf in valt, waar nu vaak een tweedeling tussen wordt
gehanteerd. Misschien moeten we dus wel een formele definitie hanteren,
zoals ik aan de minister voorstelde. Het begint met ze te benoemen en ze
erbij te betrekken. Als je dat doet, komt denk ik vanzelf naar boven wat
er specifiek nodig is om familiebedrijven in Nederland toekomst te
bieden.
De heer Flach (SGP):
Geen speld tussen te krijgen. Ik denk daarnaast dat die familiebedrijven
ook erg op zoek zijn naar zekerheid over de jaren heen, juist omdat ze
in generaties denken en niet bezig zijn met het volgende kwartaal. Om
die reden heb ik een aantal maanden geleden een voorstel gedaan aan het
nieuwe kabinet om te komen met een ondernemersakkoord. Zou dat een stap
kunnen zijn waarmee je voor een jaar of tien zekerheid biedt aan een
sector zoals die van familiebedrijven, die de heer Grinwis
beschrijft?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik vind het een goed idee van collega Flach. Ik heb die oproep ook wel
gesteund, denk ik. Anders doe ik het bij dezen alsnog: dikke streep
eronder. Dat kan deze minister mooi in zijn binnenzak meenemen naar een
volgend kabinet. Ik denk dat het heel belangrijk is. Het is heel
waardevol en hartstikke goed voor ons land als er stabiliteit is in
regelgeving, in het creëren van randvoorwaarden, zodat je dat waar je
goed in bent, namelijk op lange termijn ondernemen, in de praktijk kunt
brengen. Het is heel waardevol dat we juist die bedrijven koesteren die
niet op jacht zijn naar het volgende kwartaal, maar aan de lange
termijn, in generaties, denken. Dus heel veel dank en zeer veel steun
voor de vragen van de heer Flach.
De voorzitter:
Gaat u verder met uw betoog. Nee, voordat u dat doet, is eerst het woord
aan de heer Kisteman voor een interruptie.
De heer Kisteman (VVD):
Hoe kijkt de heer Flach — sorry, de heer Grinwis — aan tegen
familiebedrijven die heel graag op zondag open willen? Die zijn er ook.
Die zitten ook in kleine dorpen waar ze dat niet mogen. Zij krijgen ook
niet de ruimte om te ondernemen op de manier waarop ze dat graag zouden
willen. Is de heer Grinwis hier niet een beetje aan het meten met twee
maten?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik denk dat ik wel mede namens de heer Flach kan antwoorden op deze
vraag. Ik vind dat collega Kisteman hier met een valse tegenstelling
komt. Dat wij het familiebedrijf koesteren, willen koesteren, de ruimte
willen geven in dit land, veel meer willen waarderen en daarom een
oproep doen aan de minister om ze te betrekken bij beleid, ze te
waarderen en te benoemen, en ze de ruimte te geven om te ondernemen, is
nog wat anders dan dat je alles offert op het altaar van de 24
uurseconomie van onze liberale vrienden. Er is meer in het leven dan
alleen maar economie. Er is ook zoiets als samenleven. Er is ook zoiets
als het beschermen van zachte waarden, van rust in deze overstreste
tijd. En alsjeblieft, van een collectieve rustdag worden we niet minder.
Daar worden we beter van.
De voorzitter:
Dat leidt tot een vervolginterruptie van de heer Kisteman.
De heer Kisteman (VVD):
Die ondernemers, die familiebedrijven, kunnen er ook voor kiezen om
bijvoorbeeld op maandag hun rust te pakken, omdat de omzet dan misschien
lager is of omdat er dan minder toeristen in hun dorp zijn. Ze zijn
capabel genoeg om zelf te bepalen wanneer zij kunnen werken en wanneer
zij willen rusten. Zij hoeven er niet toe verplicht te worden om zeven
dagen in de week, 24 uur per dag te werken. Eigenlijk zegt de heer
Grinwis: geef de ondernemers heel veel ruimte, behalve als het om de
zondag gaat, want dan moeten ze gewoon rusten. Dat blijft toch een raar
verhaal?
De voorzitter:
Meneer Grinwis, wat vindt u daarvan?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
We zijn niet geboren in een wereld zonder traditie, geschiedenis of
cultuur. We zitten hier in een land met een christelijke cultuur en
geschiedenis, met heel veel erfenissen uit die tijd. Die zou ik niet
zomaar overboord willen gooien. Bovendien spreekt er uit de
vraagstelling van de heer Kisteman een enorm individualisme, terwijl wij
geloven in gemeenschappen. Je moet met elkaar zorgen voor een
maatschappelijke orde waarin je enerzijds ruimte laat, maar anderzijds
ook regels stelt. Dit lijkt mij een fantastische regel: dat je één dag
in de week even wat rustiger aan doet. Wat mij betreft doet de heer
Kisteman dan wat hij wil. Ik beveel iedereen aan om dan eens naar de
kerk te gaan. Dat mag iedereen zelf weten. Dan zijn er zes dagen waarop
we kunnen werken, arbeiden en al ons werk kunnen doen. Daar is niks mis
mee. Dat heeft jarenlang goed gefunctioneerd. Misschien gaat meneer
Kisteman weleens op vakantie naar een buurland, naar Duitsland
bijvoorbeeld. Daar is het zondags heerlijk rustig in heel veel van de
dorpen. Daar is helemaal niks mis mee. Rust is waardevol. Ik kan het
iedereen aanbevelen.
De voorzitter:
Wilt u verdergaan met uw betoog?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter. Ik kom bij een heel ander onderwerp: de consument. Deze komt
er minder bekaaid van af dan het familiebedrijf en wordt 52 keer
genoemd. Ondertussen maken we het voor de consument te vaak wel heel
ingewikkeld, of beter gezegd, geven we bedrijven de ruimte om het voor
consumenten heel ingewikkeld te maken. Afgelopen maandag was ik te gast
bij het consumentenprogramma Radar. Zij legden de vinger weer eens op de
onmogelijke chatbots van veel bedrijven, het ontbreken van een
benaderbaar echt mens en het ontbreken van een fysiek postadres. Kunnen
we dat niet beter regelen, minister?
Nog wranger is het dat een nabestaande maar niet van een abonnement op
Microsoft Office van haar overleden echtgenoot afkwam. Zij kwam ook niet
af van oude accounts waar ze als nabestaande niet in wist te komen.
Zeker als inloggegevens ontbreken, lukt dat niet. Erkent de minister
dit? Is het niet nodig om met bedrijven af te spreken om het heel
eenvoudig te maken voor nabestaanden om accounts of abonnementen van hun
dierbaren te verwijderen? In Duitsland accepteert Microsoft bijvoorbeeld
een overlijdensakte, maar in Nederland niet. Ga op z'n minst in gesprek
met Microsoft om het in ons land net zo te regelen. Of moeten we
misschien zelfs een verplichting overwegen? Ik begon mijn bijdrage met
brood, maar het kan toch niet zo zijn dat de een zijn dood de ander zijn
brood is? Dat is toch al te cru? Graag een reactie.
De heer Frederik Jansen (FVD):
Wat bedoelt de heer Grinwis met zijn woorden over chatbots? Wat moet
daarmee gebeuren?
De voorzitter:
Heldere vraag. Meneer Grinwis, wat moet er met de chatbots gebeuren?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik denk dat heel veel burgers in dit land, ook de heer Jansen, als een
bankpas is geblokkeerd of als een postpakket terug moet worden gestuurd
of weet ik veel, weleens terechtkomen bij een platform waarop je niet te
woord wordt gestaan door een echt mens, maar door een chatbot. Op een
gegeven moment ben je die chatbot die maar geen antwoord geeft, helemaal
zat en ga je op zoek naar een echt mens, maar die echte mens is bijna
niet te vinden.
De heer Frederik Jansen (FVD):
Ja, ik vind dat ook vreselijk irritant. Stelt de heer Grinwis dan voor
dat bepaalde vormen van communicatie, zoals een klantenservice met echte
mensen, wettelijk verplicht moeten worden?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Wat ik vroeg aan de minister, is ... Wat vroeg ik ook alweer? Ik vroeg
wat hiervoor geregeld zou moeten worden, wat hieraan gedaan zou moeten
worden. Ik heb niet een bepaalde oplossing voorgeschreven. Ik heb de
suggestie gedaan dat er, als een chatbot met klanten, met mensen,
communiceert, in laatste instantie ook een echt mens beschikbaar en
benaderbaar zou moeten zijn. Daarnaast heb ik gevraagd of er niet ook
sprake moet zijn van een fysiek postadres. Dat zijn twee suggesties die
ik aan de minister heb meegegeven. Ik ben benieuwd naar zijn reactie. Ik
ga nu niet zomaar uit de losse pols zeggen dat dit of dat geregeld moet
worden. Feit is wel dat het voor heel veel mensen ongelofelijk irritant
is dat ze het bos in worden gestuurd, nooit een antwoord krijgen op hun
vraag en het ten langen leste soms maar opgeven, waardoor ze vast
blijven zitten aan een abonnement of product waar ze vanaf willen. Ik
heb het er niet voor over dat onze burgers hiermee te maken krijgen.
De voorzitter:
Meneer Jansen voor een afsluitende interruptie.
De heer Frederik Jansen (FVD):
Ik deel deze irritatie. Het is ontzettend vervelend. Ik denk dat het
voor bedrijven economisch gezien ook gewoon goed is om een goede
klantenservice te hebben. Maar ik ben zo bang dat hier weer zo'n regel
uit voortkomt die straks op het lijstje komt van de minister. Dit is
namelijk typisch zoiets waar heel veel kosten in kunnen gaan zitten en
waarvan we ons achteraf afvragen: hadden we dit eigenlijk wel zo moeten
doen?
De voorzitter:
En uw vraag is?
De heer Frederik Jansen (FVD):
Zouden we dit niet toch beter gewoon lekker aan de markt kunnen
overlaten?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
In de markt heb je gelukkig veel heel goede voorbeelden van hele
bonafide ondernemers en consumentvriendelijke bedrijven. Maar we hebben
ook bedrijven die dat minder goed doen. Dan kun je inderdaad meerdere
maatregelen overwegen. Dat was mijn oproep aan Microsoft: ga maar in
gesprek om te zorgen dat het opsturen van een overlijdensakte genoeg is
om het abonnement van je overleden partner te beëindigen, net zoals in
Duitsland. Dat is het meest laagdrempelige. In the end gaat het wel om
het beschermen van onze manier van samenleven. Soms is er met een goede,
beschermende regel niet zoveel mis als de markt het op eigen initiatief
niet helemaal goed regelt. Ik ben dus niet op voorhand wars van regels.
Maar als het zonder regels kan — dat ben ik helemaal met meneer Jansen
eens — heeft dat mijn voorkeur.
De voorzitter:
Meneer Grinwis, gaat u door met uw betoog. Ik wil u erop wijzen dat u
nog één minuut heeft in de eerste termijn.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel. Tot slot. Ik begon met het gebed om dagelijks
brood. Uit die bede spreekt ook vertrouwen dat we als mens op gezette
tijden rust mogen nemen. Ik gun elke winkelier dan ook een parlement dat
daar de ruimte voor biedt. Ik had het er net al over met collega
Kisteman. Ik lees dat er geen problemen bekend zijn. Vervolgens worden
er opties uit de brief van de minister over mogelijke aanpassingen van
de Winkeltijdenwet geopperd, in reactie op een aangenomen motie van
collega Kisteman. Zelden heb ik een motie zo gretig uitgevoerd zien
worden. Was dat maar bij alle aangenomen moties het geval. Erkent de
minister dat eigenlijk elke geschetste optie óf kleine winkeliers uit de
grote winkelstraten jaagt óf meer druk legt op zeven dagen per week
opengaan? Hoed u voor drammerige liberale etalagepolitiek, met name bij
winkels. Vergeet de waarde van rust niet, van collectieve rustpunten in
het jachtige ritme van onze economie. De wijze Prediker zei het immers
al: beter is één hand gevuld met rust dan beide vuisten vol gezwoeg en
najagen van wind.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Grinwis. Dan wil ik graag nu de heer Jimmy Dijk van
de Socialistische Partij uitnodigen om naar het spreekgestoelte te
komen. Meneer Dijk, gaat uw gang.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Dank u wel, voorzitter. Met één druk op de knop kunnen de VS
computersystemen van onze bedrijven en onze overheid blokkeren. Dat
heeft Trump ook bij het Internationaal Strafhof gedaan. Zonder pardon
kunnen de VS de data van onze burgers blokkeren, omdat veel data daar
opgeslagen liggen. Onze F-16-straaljagers kunnen met één Amerikaanse
druk op de knop onschadelijk worden gemaakt. Reserveonderdelen voor
onderhoud kunnen ons met één druk op de knop onthouden worden. Veel
cruciale medicijnen worden in het buitenland gemaakt. Hoogtechnologische
sectoren hebben patenten en kwetsbare productielijnen die via de VS
lopen.
Gezien de ontwikkelingen in de Verenigde Staten zou je denken dat onze
regering werkt aan het afbouwen van de afhankelijkheid, maar niets is
minder waar. Het verplaatsen van cruciale bedrijven of productie naar
het buitenland is aan de orde van de dag. Dat hebben we gezien bij
recente voorbeelden. Meer en meer wapens worden uit de VS geïmporteerd.
De DigiD wordt verpatst aan Amerika, met nog meer risico's van dien. De
gang van zaken rondom Nexperia is te lang op zijn beloop gelaten. Daar
is een reden voor, want de liberale globalisten hebben hier jarenlang
voor gepleit. Daar hebben aandeelhouders goed aan kunnen verdienen. Nu
zitten onze samenleving en onze economie echter in onzekerheid. Ziet de
minister in dat onze strategische sectoren, vitale goederen, kennis,
banen en economie beschermd moeten worden? Gaat hij een plan maken om
dit in kaart te brengen, zodat we onze strategische afhankelijkheden
onmiddellijk kunnen afbouwen en de democratische zeggenschap terug
kunnen pakken? Zijn er meer interessante wetten, zoals de ongelofelijk
oude wet die hij onlangs toepaste bij Nexperia?
Voorzitter. Ik heb in het debat hier niemand gehoord over de
boodschappen. Dit jaar zijn de kosten van boodschappen weer keihard
gestegen. De inflatie wordt daarnaast nog voor een belangrijk deel
gedreven door enorme huurstijgingen. In 2025 was er weer een hoge
huurstijging, net als het jaar daarvoor, toen er een recordhuurverhoging
was. Gewone mensen kunnen de rekening niet meer betalen. Daarom vraag ik
de minister of hij alsnog aan de slag gaat met de aangenomen motie om de
ACM de bevoegdheid te geven de prijzen van de boodschappen te
controleren, te reguleren en, indien nodig, te blokkeren.
Voorzitter. Afgelopen maandag was ik op bezoek bij het sociaal
ontwikkelbedrijf iederz. Daar doen mensen belangrijk werk, ook voor het
mkb. Het werk dat deze mensen doen, geeft hun voldoening en is van grote
toegevoegde waarde. Het gaat hier om echte banen. Daarom vraag ik de
minister of hij bereid is om een maatschappelijke kosten-batenanalyse te
maken, samen met VWS en Sociale Zaken, over deze werkontwikkelbedrijven.
Ik stel de vraag bewust hier, want het gaat over echte banen.
Voorzitter. Onze campings staan onder druk door privatiseringen,
winsthonger en Roompottisering. Simpel gezegd: kamperen wordt van ons
afgepakt.
De heer Flach (SGP):
Sorry dat ik het betoog over de campings onderbreek.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Daar kom ik zo meteen graag op terug; geen enkel probleem.
De heer Flach (SGP):
Mijn vraag gaat over de werkontwikkelbedrijven. Ik hoor inderdaad de
terechte oproep, namelijk dat dat belangrijke pijlers in onze
samenleving zijn. Er wordt echt werk verricht. Mensen hebben daar een
dagritme en vinden er zingeving in hun leven. Wat is het doel achter de
vraag om te komen met een maatschappelijke kosten-batenanalyse?
De heer Jimmy Dijk (SP):
Voor sommige mensen in ons land met een psychische of fysieke beperking
is een beetje begeleiding nodig. Soms gaat het om een steuntje in de
rug. Dat kan soms op de sociale werkplaats zijn of in het midden- en
kleinbedrijf. Het gaat dan om een beetje begeleiding. Wij zien dat de
deuren de afgelopen jaren gesloten zijn geweest voor mensen met een
arbeidsbeperking. Zij zijn thuis komen te zitten. Dat heeft, naast het
persoonlijke leed, geleid tot hogere zorg- en welzijnskosten. Als wij
deze kosten kunnen meerekenen in een maatschappelijke
kosten-batenanalyse, dan kunnen we ook aantonen dat het nut heeft om te
investeren in sociaal ontwikkelbedrijven, zodat mensen uiteindelijk aan
het werk gaan in plaats van dat ze thuis komen te zitten. Dat is beter
voor mensen zelf. Ik ben er sterk van overtuigd dat het goed is voor
onze samenleving en voor onze economie dat we iedereen die het kan, zo
goed mogelijk laten werken op een plek. We hebben die
kosten-batenanalyse nodig om sommige partijen daarvan te gaan
overtuigen. Nu worden mensen met een arbeidsbeperking die een baan
moeten hebben, toch een beetje als kostenpost gezien in plaats van als
mensen die op de lange termijn ook veel kunnen opleveren voor onze
samenleving.
De voorzitter:
Meneer Flach voor zijn tweede interruptie in dit blokje.
De heer Flach (SGP):
Ik ben het van harte eens met de heer Dijk dat deze groep mensen een
schitterende aanvulling is op het bestaande arbeidspotentieel. Sterker
nog, ze zijn daar volwaardig onderdeel van. Ik ben jaren bestuurslid
geweest bij Drechtwerk. Dat is een bedrijf zoals u het beschrijft.
Alleen, ik heb de indruk dat juist in de laatste jaren het zicht op die
groep is toegenomen en bedrijven heel goed beseffen dat ze die mensen
met kleine aanpassingen prima kunnen inzetten. Ze hebben dat potentieel
juist een beetje ontdekt. Met die achtergrond vraag ik of u signalen
heeft dat het ergens stokt of dat er problemen zijn.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Ja, zeker. Je hoort …
De voorzitter:
Meneer Dijk.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Ik wacht rustig af!
De voorzitter:
Nu krijgt u het woord.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Ik kan niet wachten over dit onderwerp te spreken. U weet dat ik daar
ongeduldig van word. Ik heb er passie voor.
Ik zei het net: met name in het midden- en kleinbedrijf zien we soms dat
de begeleiding op de werkplaats zelf onvoldoende is, bijvoorbeeld omdat
gemeenten onvoldoende middelen hebben om daarin te investeren. We zien
het helaas ook op sociale werkplaatsen zelf. Lange tijd zijn de deuren
gesloten geweest. Vanochtend had ik een debat over de WIA. We zien dat
daar soms mensen in zitten die via een sociaal ontwikkelbedrijf wel aan
een reguliere baan zouden kunnen komen. We moeten daar dan wel iets meer
in investeren. Er zijn onderzoeken, bijvoorbeeld ook van de vakbeweging,
waaruit blijkt dat 40.000 mensen op een plek zitten te wachten. Met iets
meer begeleiding kunnen we ze aan het werk helpen. Dat zou echt goed
zijn voor de mensen zelf, voor de economie en voor onze samenleving als
geheel.
De voorzitter:
Meneer Flach is tevreden met uw antwoord, dus u kunt verdergaan met uw
betoog.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Voorzitter. Terug naar de campings. De oplossing ligt voorhanden, zoals
mijn collega Beckerman in een initiatiefnota duidelijk heeft gemaakt.
Daar is ook een motie over aangenomen. Maar wat betreft die aangenomen
motie worden wij steeds van het kastje naar de muur gestuurd, van VRO
naar EZ en van EZ weer naar ons terug. Nu willen we weten hoe het ervoor
staat met de uitvoering van deze aangenomen motie, die ertoe oproept om
met een nieuwe campingwet te komen.
Voorzitter, ik sluit af. Ik verwacht dat de minister in de beantwoording
overal op ingaat, want ik kom met nog een aangenomen motie, die door ons
is ingediend, waarvan de uitvoering tot nu uitblijft. Die gaat over
loondoorbetaling bij het midden- en kleinbedrijf als er sprake is van
zieke werknemers. In de motie stond nadrukkelijk verwoord — ik benadruk
het nogmaals — dat het tweede jaar collectief georganiseerd moet worden
zonder afbraak van werknemersrechten.
Dank u wel.
De voorzitter:
Keurig binnen de tijd. Dank u wel, meneer Dijk. Ik wil graag de heer
Dassen namens Volt uitnodigen om naar het spreekgestoelte te komen. Gaat
uw gang, meneer Dassen.
De heer Dassen (Volt):
Dank, voorzitter. Hoe geven we de toekomst van morgen vorm? Hoe lossen
we de uitdagingen van vandaag op? Hoe bouwen we aan een duurzaam en
innovatief Europa? Binnen Nederland en Europa zijn veel ondernemingen
onvermoeibaar aan de slag met de antwoorden op deze vragen, zoals
Cradle, een start-up in biotechnologie. Of denk aan CuspAI, dat met
kunstmatige intelligentie nieuwe fysieke materialen creëert voor
batterijen. Zo zijn er vele andere bedrijven. Daarmee verdienen we het
geld waarmee we onze kinderen naar school kunnen laten gaan en waardoor
onze ouders de juiste zorg kunnen krijgen.
Maar waar verdienen we over twintig jaar ons geld mee? Amerika en China
investeren miljarden in innovatie en strategische sectoren zoals
kwantum, chips en AI. Dat doen zij omdat ze doorhebben dat hun
investeringen op meerdere manieren renderen. Dat gaat dus niet alleen om
wat van de begroting af te lezen is. Het koopt controle, dwingt
afhankelijkheid af bij zowel vijand als bondgenoot en zorgt voor
economische weerbaarheid. Het is het resultaat van
langetermijninvesteringen die niet na 4 jaar maar soms zelfs na 40 jaar
hun waarde onthullen. Het vergt eensgezindheid en politiek leiderschap.
Dat willen wij in Nederland en Europa ook. Is de minister bereid om bij
de kosten- en batenanalyses van overheidsaanbestedingen investeringen op
korte termijn te accepteren om te kijken of we op die manier
buitenlandse afhankelijkheden kunnen afbouwen?
Steeds meer landen, zoals België en Duitsland, halen de Lissabonnorm van
3%, de NAVO-norm voor innovatie; we hebben het er vandaag vaker over
gehad. Maar Nederland haalt die bij lange na niet. Welke stappen moet
een volgend kabinet volgens de minister, terugkijkend op de afgelopen
jaren en vooruitkijkend naar de toekomst, nemen om te zorgen dat we die
Lissabondoelstelling wel gaan halen?
Wie nog steeds denkt dat het zonder Europa kan, leeft in een andere
werkelijkheid, een werkelijkheid waarin geen oorlog op ons continent
woedt, waarin we nog steeds profiteren van het vredesdividend en waarin
de Verenigde Staten en China niet ontzettend hard investeren in hun
toekomstige concurrentievermogen. Zo investeren de Verenigde Staten ruim
acht keer meer in start-ups dan wij in Europa. Dat is alsof je een
roeiboot laat racen tegen een speedboot. Ook wij moeten daarom eindelijk
de stap maken naar een federale unie, want een beetje Europa is in dit
geval géén Europa. Onderkent de minister inmiddels ook de absolute
noodzaak tot meer Europese integratie? Welke stappen is hij hierin
bereid te nemen, juist in het belang van het Nederlandse
verdienvermogen?
Ons continent barst van de veelbelovende start-ups en scale-ups, maar
zij lopen tegen verdeeldheid en inefficiëntie aan. Wat betreft regeldruk
verminderen ligt hier een enorme kans. Het is ontzettend belangrijk,
juist omdat we hier het debat zo vaak over voeren. Ik ben dus ook
benieuwd hoe de minister daarnaar kijkt.
Veel kennis en talent vertrekt naar andere landen omdat hier te weinig
wordt geïnvesteerd in innovatie-ecosystemen. Vaak stroomt geld weg omdat
we die kapitaalmarktunie nog steeds niet afgemaakt hebben. We zijn wel
blij dat Ursula von der Leyen gisteren EU INC heeft aangekondigd. Dat is
volgens mij echt een stap in de goede richting. Hoe kijkt de minister
naar de verdere implementatie van het 28ste regime in Europa? Ziet hij
daar ook kansen voor een mogelijke voorlopersrol als het gaat om de
Beneluxlanden? Kijkt de minister in Europees verband ook naar andere
opties om Europese start-ups en scale-ups beter te betrekken bij
Europese aanbestedingsprojecten ten opzichte van grote en niet-Europese
bedrijven? Graag een reactie.
Voorzitter. Meerdere fracties verwezen er al naar, maar mijn fractie was
ook erg blij met de conclusies van het Wennink-rapport. Dat sprak over
de noodzakelijke oprichting van een investeringsbank. Dat is een stap
die veel medelidstaten al hebben gezet. Daarmee verhelpen we
coördinatiefalen en fragmentatie in het investeringslandschap. Het is
nodig om grootschalig te investeren in nieuwe technologieën,
maatschappelijke infrastructuur en toekomstig verdienvermogen. Deelt de
minister mijn enthousiasme voor een nationale investeringsbank? Is hij
het eens met de conclusie dat het gefragmenteerde investeringslandschap
onder deze instelling moet komen te vallen? Hoe ziet de minister de
relatie en samenwerking voor zich tussen een eventuele investeringsbank
en het aangekondigde Nationaal Agentschap voor Baanbrekende
Innovatie?
Mevrouw Martens-America (VVD):
De heer Dassen en ik delen het enthousiasme voor de
investeringsinstelling, -maatschappij, -bank et cetera, in welke vorm
die er ook zou mogen komen. Dit is natuurlijk niet nieuw. Ook de
minister van Financiën is hier volgens mij al enige tijd mee bezig,
samen met de minister van Economische Zaken. Ik heb wel een vraag. De
heer Dassen houdt ontzettend vast aan het woord "bank", terwijl juist
vertegenwoordigers vanuit de start-up- en scale-upscene zeggen: doe het
alsjeblieft niet, want de bankvergunningen en de verplichtingen die die
met zich meebrengen vertragen en we hebben de snelheid nodig. Kan de
heer Dassen dan toch een keer, voor mij persoonlijk, verhelderen waarom
hij zo vasthoudt aan die bank?
De heer Dassen (Volt):
Wij kijken ook naar wat er in andere landen gedaan wordt. Daar zie je
juist dat er investeringsbanken zijn. Kijk naar de oproep die een jaar
geleden ook is gedaan door onder andere Wennink en consorten. Zij
pleiten juist niet voor een investeringsínstelling. Zij zeggen: dat is
juist één van de problematieken die we daar gaan krijgen; je hebt juist
een volledige bank nodig om echt te kunnen voldoen aan de investeringen
die op dit moment nodig zijn. Ik hoop ook niet dat wij als Kamer
dadelijk met een halfslachtig voorstel gaan komen, dat het net niet gaat
zijn. Daarom pleit ik hier continu voor een investeringsbank. Ik ben ook
blij dat dat wederom in het rapport-Wennink staat. Ik hoop ook dat de
VVD zich daarachter zal gaan scharen.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Absoluut, met groot enthousiasme. Ik heb dus alleen, nogmaals, niet heel
concreet een antwoord gekregen op die vraag over de bank. Ik weet dat
een aantal grote bedrijven en grote namen met grote belangen zich achter
het initiatief voor een bank hebben geschaard, terwijl juist die kleine
belangen, van de kleine groeibedrijven, zeggen: doe het alsjeblieft
niet. Misschien kan de heer Dassen dan toch gewoon een aantal argumenten
delen voor zo'n bank, om ook borgstelling, garanties et cetera bij zo'n
instelling neer te leggen. Wat is dan die plus van een bank? We willen
wel hetzelfde; laten we dat even benadrukken.
De heer Dassen (Volt):
Uiteindelijk gaat het er ook om dat je ervoor zorgt dat je zelf
voldoende kapitaal kunt ophalen van de markt. Een van de manieren waarop
je dat kunt doen, is dus met een bankinstelling. Dat is de reden dat wij
daar ook voorstander van zijn.
De voorzitter:
Mevrouw Martens-America, uw laatste interruptie.
Mevrouw Martens-America (VVD):
U wordt steeds strenger, voorzitter. Heel goed.
De voorzitter:
Ja, ik wil het graag redden voor 15.00 uur.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Dan heb ik ook een afrondende oproep, aan de hele Kamer en ook de heer
Dassen: zullen we nu niet de vorm vastleggen met z'n allen en ons daarin
vastbijten, maar kijken welke opdracht er ligt en welke vorm daar
uiteindelijk het beste bij past? Volgens mij is die namelijk het minst
belangrijk.
De heer Dassen (Volt):
We gaan hier volgens mij met elkaar nog een heel debat over voeren. Dit
debat heb ik juist aangevraagd vanuit de gedachte dat we dit allemaal
goed met elkaar moeten doordenken. Dit is het uitgangspunt dat mijn
fractie op dit moment neemt. Wij zeggen: een investeringsbank is hetgeen
waar we met elkaar op moeten inzetten. Ik hoor graag van de minister of
hij dat anders ziet. Maar in mijn ogen moeten we daar wel tempo mee gaan
maken en moeten we voorkomen dat we dadelijk met een instituut komen te
zitten dat het eigenlijk net niet is.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Ik heb toch een vraag in het verlengde hiervan, want dit is een
interessante discussie. Een paar jaar geleden verscheen het WRR-rapport
Geld en schuld. Dat hekelde eigenlijk het gebrek aan concurrentie in de
bankensector in Nederland. Is dat ook een van de redenen waarom Volt
denkt, net als mijn partij, dat we beter een investeringsbank kunnen
hebben dan een investeringsinstelling?
De heer Dassen (Volt):
Ik ben het erover eens dat we voldoende concurrentie moeten hebben,
juist in de bancaire wereld, om ervoor te zorgen dat die investeringen
gedaan kunnen worden. Dat zou een additioneel punt zijn. Maar ik denk
dat het andere punt dat ik net noemde ook zeer relevant is, namelijk dat
je zorgt dat je voldoende geld op de kapitaalmarkten kunt ophalen, juist
om voldoende investeringen te kunnen doen.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Daar ben ik het ook heel erg mee eens. Ik denk dat de volgende vragen
straks in de discussie over de vorm nog wel een kwestie gaan worden. Wat
vinden we additioneel? In hoeverre mag de bank concurreren met private
instellingen of louter dingen doen die privaat niet lukken? Hoe stellen
we dat eigenlijk vast? Die vragen heb ik zelf ook. Ik hoor graag de
gedachten van de minister daarover. Ik denk dat beide argumenten valide
zijn om voor een bank te kiezen. Maar ik zie ook uit naar de uitwerking,
net als de heer Dassen, waarschijnlijk.
De heer Dassen (Volt):
Absoluut. Daar gaan we nog een debat en rondetafelgesprek over voeren
met elkaar, juist om dit soort vragen goed uit te diepen en ons daarover
te informeren, om te voorkomen dat we dadelijk een instelling met elkaar
opzetten die niet aan de verwachtingen voldoet en die de verwachtingen
niet waar kan maken, waardoor we na een tijdje als politiek toch weer
gaan zeggen: het moet weer anders. Deze investeringsbank moet, volgens
mij, juist voorkomen dat we de hele tijd gaan draaien aan knoppen, zoals
we de afgelopen jaren bijvoorbeeld met het Nationaal Groeifonds hebben
gezien, waar de politiek toch weer in ging graaien. Dat willen we,
volgens mij, voorkomen met elkaar.
De voorzitter:
Gaat u verder met uw betoog.
De heer Dassen (Volt):
Dank, voorzitter. Vandaag hebben we een beleidsarme begroting. De reden
is natuurlijk de aankomende formatie. Mijn hoop is dan ook gevestigd op
een nieuw kabinet dat wel de keuze durft te maken en inziet dat we niet
meer alleen kunnen rekenen op de oude economie. We hebben te lang een
gebrek aan keuzes gehad. Langzaam maar zeker beginnen we de gevolgen van
die stilstand te voelen. Als we het huidige niveau van welvaart willen
behouden, moeten we vol inzetten op nieuwe technologieën, sterke
randvoorwaarden voor bedrijven en onze strategische onafhankelijkheid.
Dat zijn moeilijke keuzes, in lijn met een economische visie die
toewerkt naar een welvarend Europa.
Tot slot, voorzitter. Dit is een beetje wat ik vandaag merkte in het
debat. Ik denk dat we onszelf niet te klein moeten maken. We zien wat
China en de Verenigde Staten doen, maar we hebben als Nederland
natuurlijk zelf ontzettend veel kunde, goed opgeleide mensen en een
sterke, stabiele en weerbare samenleving. Kijkend naar wat we allemaal
hebben bewerkstelligd in de afgelopen jaren, welke ondernemingen we hier
hebben, wat voor ontzettende kracht en kunde we in Nederland tot onze
beschikking hebben en welke middelen we hebben, dan zijn we volgens mij
in staat om met elkaar in Europa een enorme innovatievoorsprong op te
bouwen. We zullen dan wel echt andere keuzes moeten maken dan we de
afgelopen jaren hebben gedaan. Mijn oproep aan de formerende partijen
is: durf die keuzes te maken en durf vooral met elkaar te investeren in
Europa. Ik denk namelijk dat we het, gezien deze tijd, niet anders
kunnen dan met 450 miljoen euro per jaar.
De voorzitter:
Een van de formerende partijen is al naar voren gekomen.
Mevrouw Oualhadj (D66):
Dat was niet zo gepland. Ik heb een vraag aan de heer Dassen over het
aantrekken van talent, waar ik hem net even over hoorde. Ik weet dat
Volt zich inzet voor het gelijktrekken van de expatregeling in de
EU-lidstaten. Mijn vraag is dan ook, in het kader van het aantrekken van
talent, of dat betekent dat Volt de 30%-regeling wil loslaten, wat in
sommige gevallen kan betekenen dat de regeling zelfs verlaagd wordt. Dat
is dus mijn vraag aan de heer Dassen.
De heer Dassen (Volt):
Ik denk dat we in Europa moeten stoppen met een race to the bottom wat
betreft het aantrekken van talent. Volgens mij zijn we elkaar op die
manier helemaal verkeerd aan het beconcurreren. Het zou dus heel goed
zijn als we daar we in Europa gezamenlijke afspraken over maken. Als dat
dan betekent dat dat lager wordt dan 30%, dan zij dat zo..
Mevrouw Oualhadj (D66):
Is de heer Dassen er dan van overtuigd dat als we die regeling verlagen,
we dan nog steeds in staat zijn om überhaupt talent aan te trekken, ook
van buiten de EU?
De heer Dassen (Volt):
Kijk naar al het talent dat op dit moment vanuit de Verenigde Staten
naar Europa komt, omdat ze zien wat er in de Verenigde Staten aan de
hand is. Veel mensen denken: dit is niet meer het land waar ik aan wil
bijdragen. Heel veel onderzoekers, wetenschappers en experts zeggen dat
ze zich juist heel graag in Europa zouden willen doorontwikkelen.
Hetzelfde geldt voor heel veel start-ups en scale-ups die in Europa
zitten. Die worden soms gedwongen om weg te gaan omdat ze hier de
financiering niet rond krijgen. Ik denk dus zeker dat we dan nog in
staat zijn om die mensen aan te trekken, maar het moet niet zo zijn dat
we in Europa allemaal verschillende regelingen hebben waardoor Duitsland
aan het concurreren is met Nederland. In plaats daarvan zouden we ervoor
moeten zorgen dat we Duitsland, Nederland en al die andere landen
gezamenlijk sterker maken.
De voorzitter:
Dit is uw laatste interruptie, mevrouw Oualhadj.
Mevrouw Oualhadj (D66):
Dat was 'm. Dank u wel.
De voorzitter:
Meneer Dassen, bent u aan het einde gekomen van uw betoog?
De heer Dassen (Volt):
Ja, hoor. Dank u wel.
De voorzitter:
Oké. Dank u wel. Tot slot wil ik de heer Markuszower uitnodigen voor
zijn bijdrage namens de Groep Markuszower.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Goedemiddag, mevrouw de voorzitter. Dank u wel. Allereerst wil ik de
heer Prickaertz hartelijk feliciteren. Hij heeft net zijn maidenspeech
gehouden. Ik wens hem heel veel … O, meneer Schoonis ook, hoor ik nu.
Wat een feest. Ik heb beide speeches gemist, maar ik wens u beiden heel
veel succes in de Tweede Kamer. Ik zal de maidenspeeches later
terugluisteren. Ik weet zeker dat het mooie verhalen waren.
Voorzitter. Het is voor mij de eerste keer op deze portefeuille, maar
het is misschien wel de laatste keer voor deze minister. We zijn
namelijk aan het einde gekomen van een periode met een
dubbeldemissionair kabinet. Toch gaan we kijken of we er een mooie
begroting van kunnen maken. Wie weet wat de toekomst voor deze minister
nog in petto heeft? In ieder geval dank ik hem voor alles wat hij op
deze portefeuille de afgelopen periode heeft gedaan. Dat doe ik ook
namens mijn fractie.
Voorzitter. Nederland staat op een kruispunt. Ons land, dat ooit
bekendstond als een paradijs voor ondernemers en investeerders, ziet nu
een zorgwekkende uittocht van bedrijven. Het vestigingsklimaat in
Nederland is precair geworden. Dat is niet leuk en ook geen toeval.
Jarenlang links beleid, met alle verstikkende regeldruk die daarbij
hoort, met torenhoge belastingen en met absurde klimaatobsessies, hebben
onze economie uitgehold en onze bedrijven dus in de verdrukking
geholpen. We moeten onze bedrijven koesteren in Nederland en niet
wegjagen, bedoeld of onbedoeld. Zij maken de economie. Niet de minister,
maar de bedrijven zorgen voor bedrijvigheid. In deze begrotingsinbreng
pleit ik voor een koerswijziging die de economie een boost kan geven,
banen kan beschermen of misschien zelfs kan creëren en onze welvaart kan
herstellen of sterker kan maken. Want zonder sterke bedrijven geen
sterke samenleving.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Toch even een vraag, omdat het met nogal een doemverhaal begon. Ik hoor
graag wat er in de toekomst beter kan, maar hoe kan de heer Markuszower
verklaren dat Nederland het hoogst gewaarde bedrijf in Europa heeft
voortgebracht, namelijk ASML, als het er allemaal zo slecht
voorstaat?
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Heel soms zijn ondernemers of slimmeriken sterker dan een hele
verdrukkende en verstikkende overheid. Soms heb je van die ondernemers
die ondanks zo'n overheid toch tot bedrijvigheid komen. Het is echter
een stelregel in de economie: hoe minder de overheid zich bemoeit met
het bedrijfsleven, hoe minder belastingen en hoe minder regeldruk, des
te makkelijker ondernemers het hebben. De minister was zelf ondernemer.
Hij kan er denk ik over meepraten. ASML is een pareltje. In een vorig
leven was het nog een klant van mij. Het is een parel van een bedrijf en
dat soort bedrijven moeten we koesteren. We moeten een klimaat creëren,
zeg ik tegen de heer Van der Lee, waarin bedrijven als ASML hier blijven
en waarin bedrijven die nog niet zijn ontstaan of slimmeriken die in
Nederland wonen of studeren denken: ja, ik wil ook na mijn studie hier
blijven werken of hier een bedrijf oprichten.
De voorzitter:
De heer Van der Lee voor een tweede interruptie.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Misschien voert het wat ver, maar het beeld neerzetten alsof ASML zich
geheel tegen de verdrukking in heeft ontwikkeld, ondanks tegenwerking
van de Nederlandse overheid ...
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Dat heb ik helemaal niet gezegd.
De voorzitter:
Meneer Markuszower, via de voorzitter.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
... klopt niet helemaal. Het komt voort uit Philips.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Zeker.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
In de beginperiode heeft het heel veel moeilijkheden gehad en toen heeft
het veel steun gekregen van Philips, maar ook van de Nederlandse
overheid, op allerlei momenten, tot nog heel recent, met Project
Beethoven. Het is juist de kracht van Nederland dat wij in een gestuurde
markteconomie werken.
De voorzitter:
En uw vraag is?
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Het zou goed zijn om iets meer nuance in dat doemverhaal aan te brengen.
Dat raad ik de heer Markuszower aan.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Weet u, meneer Van der Lee, ik neem uw tip graag over. Laten we kijken
of we tot een compromis kunnen komen. In het algemeen kunnen bedrijven
floreren als de overheid zich er zo min mogelijk mee bemoeit, zo min
mogelijk regels geeft en zo min mogelijk belastingen heft. Dat is een
prettig ondernemingsklimaat.
De voorzitter:
Dan kunt u door met uw betoog.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Maar het kan zijn dat sommige sectoren baat hebben … Het is een
belangrijk antwoord. Het kan in sommige sectoren nut hebben om daar als
overheid in te investeren en extra aandacht aan te geven. Je moet wel de
balans houden en zorgen dat het geen planeconomie wordt, want u moet
maar eens kijken wat er gebeurt met al die landen die van bovenaf
gereguleerd zijn. Die zijn allemaal failliet of heel arm.
De voorzitter:
Gaat u verder met uw betoog.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Laten we beginnen met wat feitjes. Het Nederlandse ondernemingsklimaat
is de afgelopen jaren dramatisch verslechterd. Volgens recente analyses
is de aantrekkelijkheid van Nederland voor bedrijven sinds 2018 gedaald
tot een mager zesje. Ondernemers zijn onverminderd negatief. 67% vindt
dat het ondernemingsklimaat de afgelopen vijf jaar achteruit is gegaan.
Grote concerns als Aegon, Vattenfall en Chemelot waarschuwen voor een
sluipmoordenaar. Bijvoorbeeld netcongestie, stikstofregels en veel te
hoge energiekosten maken uitbreiding onmogelijk of helemaal niet
opportuun. Bedrijven stellen investeringen uit of vertrekken simpelweg
naar landen met een beter investeringsklimaat en een beter klimaat voor
ondernemers. De overheid wil steeds meer, wordt steeds groter, wil zich
steeds meer bemoeien met bedrijven, wil steeds meer regels opleggen en
heft ook steeds meer belasting. We creëren uiteindelijk nog amper echte
banen.
Voorzitter. Het is niet alleen een Nederlands probleem, dat geef ik
ruiterlijk toe, maar we maken in het Nederland soms misschien onnodig
erger. Wat zijn een aantal kernproblemen? Ten eerste de regeldruk, die
ik net al noemde, en de vergunningverlening. Ondernemers verdrinken in
bureaucratie. Stikstofregels blokkeren bouwprojecten, terwijl de
netcongestie — ik noemde die ook al — voor zo'n overvol stroomnet zorgt
dat uitbreiding gewoon niet mogelijk is.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Welkom aan de heer Markuszower. Het lijkt me ontzettend lastig om zo
snel te schakelen en hier toch te staan, dus ontzettend fijn. Dit biedt
misschien ook wel de kans aan de collega zelf om te benadrukken waar dan
het verschil zit met zijn vorige fractie, waar op economisch vlak soms
met de linkerkant van deze Kamer werd meegestemd. Ik noem regeldruk, het
minimumloon en fiscale zaken als de expatregeling. Kunt u wellicht al
een tipje van de sluier oplichten en zeggen wat we van uw fractie zouden
kunnen verwachten? Maar ik begrijp het als ik u op dit moment
overvraag.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Nou, ik ken …
De voorzitter:
Meneer Markuszower, ik geef u het woord.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Wat bent u streng vandaag, voorzitter. Maar het is ook wel leuk om dat
een keer mee te maken.
Ik ken de VVD-woordvoerder als altijd zeer goed voorbereid, dus zij is
mijn meerdere in dit debat. Ze noemde ook een aantal zaken die niet per
se deze begroting betreffen, dus dat is een kleine escape voor mij. U
zag net al hoe ik naar de heer Van der Lee acteerde. Ik dacht: die moet
ik deels gelijk geven, want ik wil ook met die kant van de Kamer in
overleg blijven over deze onderwerpen en zaken als fiscaliteit. Dat is,
denk ik, het allergrootste verschil met mijn vorige rol. We willen met
meerdere partijen kijken hoe we tot de beste dingen voor Nederland
kunnen komen. Maar algemeen kan ik u zeggen dat het verkiezingsprogramma
van de PVV — op dat platform was ik gekozen — niet zo verkeerd was. Een
op de drie Nederlanders heeft een tijd geleden in de peilingen
aangegeven dat ze dat wel zagen zitten; het zijn er nu wat minder. Dat
programma zou ik in grote lijnen omarmen, maar ik wil u wel beloven,
want u bent van de VVD, dat ook mijn fractie begrijpt dat Nederland
zonder een gezond ondernemingsklimaat niet kan overleven, zeker niet met
de verzorgingsstaat zoals wij die hebben ingericht. Het geld dat wordt
verdiend door de bedrijven en alle mensen die bij die bedrijven werken,
en die door die bedrijven kúnnen werken, zorgt ervoor dat het kabinet
goede dingen kan doen voor Nederland. Ik denk dat wij wat dat betreft
misschien wel veel dichter bij elkaar staan dan vorige woordvoeders op
dit onderwerp.
De voorzitter:
Dat is voldoende voor mevrouw Martens-America. Het leidt wel tot een
nieuwe interruptie van meneer Van der Lee.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Ik ben wel benieuwd hoe de Groep Markuszower zich gaat opstellen als de
PVV-lijn wordt gevolgd. Is dat een heel kritische opstelling tegenover
de bezuinigingen op sociale zekerheid en zorg? We hoorden net ook
kritiek op belastingverhogingen. Maar toch is het noodzakelijk om te
investeren. Betekent dat voor de Groep Markuszower dat de staatsschuld
belast mag worden met extra investeringen?
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Dat is een goede vraag. Sowieso moet alles bij ons via de fractie; dat
is misschien ook nieuw. Ik zal zeker datgene wat ik moeilijk vind met de
fractie bespreken. Ik denk dat u een goed punt heeft, want bezuinigen is
nooit leuk. Niemand hier, van rechts tot links, wil bezuinigen. Wat je
als overheid al een keer aan mensen hebt gegeven, wil je niet zomaar
afpakken. Ik denk wel dat de minister van Economische Zaken, misschien
samen met zijn collega van Financiën, een moeilijke taak krijgt. Ik
herken wel wat de heer Van der Lee zegt over de uitgaven, want waar haal
je het geld in godsnaam vandaan? Ik ben geneigd om in dit debat in ieder
geval te zeggen dat ik er niet zo bang voor ben om de staatsschuld wat
te verhogen. Is dat een antwoord waar u tevreden mee bent?
De voorzitter:
Dat lijkt mij een antwoord. Maar ik weet niet of de heer Van der Lee
…
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Dat wil nog niet zeggen dat dat het eindoordeel is. Het is wel de
richting die wij op willen. Ik vind dat geen gevaarlijke richting. De
Nederlandse staatsschuld is nu onder de 50%. In Frankrijk en in België
is die volgens mij rond de 120%, of misschien wel hoger. Wij kunnen dus
best wat met onze staatsschuld doen. De VVD doet daar misschien soms een
beetje nerveus over, maar volgens mij is daar wat ruimte.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Markuszower. Meneer Van der Lee voor zijn tweede
interruptie.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Fijn dat ik daar een antwoord op krijg. Deze richting spreekt mij aan.
Het klopt trouwens dat Frankrijk en België boven de 100% zitten.
Gemiddeld zitten we op 88% in Europa, en Nederland zit op 44%. Er zit
dus inderdaad ruimte om te investeren. We spreken elkaar daar nader
over.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Dank u wel. Ik gaf u net al toe dat sommige sectoren …
De voorzitter:
Meneer Markuszower, we praten hier via de voorzitter. Ik ben streng op
het moment dat men zich niet aan de orde houdt. Ik geef u opnieuw het
woord, meneer Markuszower.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Sorry, u heeft groot gelijk. Dank u wel. Ik zei net ook tegen de heer
Van der Lee dat ik in het begin iets te ongenuanceerd was. Je moet
investeren in sommige sectoren, omdat andere landen dat ook doen. Het is
dus niet gunstig voor het ondernemersklimaat als je niet met die
investeringen meegaat.
De heer Jimmy Dijk (SP):
De heer Markuszower had het net ook even over Chemelot, het grote
industrieterrein in Limburg. Voor een heel groot deel is dat in handen
van Saoedi-Arabië. We hebben het net ook gehad over strategische
onafhankelijkheid. Is hij het dan met de SP eens dat we daar meer
zeggenschap over moeten hebben, zodat bedrijven, zoals hij net zegt,
niet zomaar wegtrekken omdat ze ergens anders meer winst kunnen maken?
Het is belangrijk voor zo'n regio dat die sectoren hier blijven en niet
om het minste of geringste vertrekken. Het is belangrijk dat we daar
zeggenschap over en grip op hebben.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Ik vind dit een hele moeilijke vraag. Toen u begon over Saoedi-Arabië
dacht ik: nee, dat is niet goed. We willen natuurlijk niet dat die
industrieën en bedrijven die belangrijk zijn voor de Nederlandse
economie in handen vallen van andere eigenaren. De minister lag laatst
ook met een andere eigenaar van Chinese bodem overhoop. Dat willen we
natuurlijk zo veel mogelijk in eigen handen houden. Aan de andere kant
heb ik ook in dit debat gezegd dat, als je te veel aan planeconomie
doet, zo'n land uiteindelijk failliet gaat. Je moet ergens een balans
vinden. Het spreekt mij aan, hoor, dat je zo veel mogelijk essentiële
industrie en essentiële bedrijven in Nederland houdt, maar je kan dat
niet ten koste van alles doen. Je moet daar intelligent in opereren.
De voorzitter:
Meneer Dijk voor een tweede interruptie.
De heer Jimmy Dijk (SP):
We gaan het hier niet over vijfjarenplannen of een planeconomie hebben.
Dat is ook geenszins de strategie die de SP bepleit. Maar we hebben het
wel over cruciale sectoren waar je een belang in zou kunnen nemen. Dan
ben ik benieuwd naar uw mening in dit debat over het nemen van een
belang als Staat in bijvoorbeeld deze sectoren, zodat je zekerheid houdt
op het gebied van zowel de banen als de productie van cruciale
sectoren.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Ik wil toezeggen in dit debat dat ik, als u een motie indient of iets
anders, daar goed naar ga kijken. Ik ben ook wel echt benieuwd naar wat
de minister ervan vindt en naar wat andere fracties ervan vinden. Ik ben
net nieuw op dit terrein, moet ik u zeggen. Deze smoes kan ik misschien
nog één week gebruiken. Ik gebruik 'm nu dus wel. Ik wil me daar wel
even in verdiepen, maar ik vind het een moeilijk verhaal. Aan de ene
kant deel ik uw zorgen namelijk, maar aan de andere kant wil ik niet
zomaar ingrijpen bij allerlei bedrijven. Want ik denk dat dat
uiteindelijk ook niet geweldig gaat uitpakken voor het
vestigingsklimaat.
De voorzitter:
Meneer Dijk voor een laatste interruptie.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Ik begrijp de situatie van de heer Markuszower donders goed. Daarom
stelde ik de vraag ook zo open. Maar ik stel 'm ook omdat ik hier aan de
rechterkant van de Kamer een beetje een zwalkend beleid op zie: moet je
nou wel of niet ingrijpen? Sommigen zeggen: laat het helemaal de vrije
loop. Dan wordt Saudi-Arabië als voorbeeldstaat genoemd. Ik ben dus erg
benieuwd naar waar u uiteindelijk uitkomt.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Ik voelde dan goed aan dat ik in mijn antwoord ook moest zwalken. Maar
we gaan daar goed naar kijken, meneer Dijk. Ik hoop dat we tot een
vergelijk kunnen komen.
De voorzitter:
Gaat u verder met uw betoog.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Dank u wel. Ik zei net wat over netcongestie. Dat maakt het vestigen van
nieuwe bedrijven vaak onmogelijk. De Prinsjesdagbegroting van 2025
beloofde veel, maar loste uiteindelijk niks op. De krapte op de
arbeidsmarkt en de regeldruk blijven bedrijven beknellen. Ten tweede
zijn de belastingen te hoog. Nederland heeft een oneerlijk stelsel dat
ondernemers nu eigenlijk straft. De heer Jansen gaf net al wat
praktijkvoorbeelden. Ik vond het toch fijn dat de voorzitter hem dat een
beetje toestond. Want als we de praktijk niet kennen, hebben we het te
veel over de theorie. Uiteindelijk is economie niet alleen theorie, maar
gaat het vooral over wat er underground gebeurt. Loonkosten en
werkgeverslasten zijn torenhoog en premies exploderen. We lopen vast in
een vicieuze cirkel: hogere belastingen jagen bedrijven weg en dat leidt
tot werkloosheid, wat uiteindelijk de grote killer is van de economie.
Voor het eerst in vier jaar zijn er meer werklozen dan vacatures.
Ten derde: het energiebeleid. Door een dwangmatige groene transitie zijn
de energiekosten onbetaalbaar geworden. We concurreren ons dus uit de
markt, met Duitsland vergeleken niet helemaal, want die concurreren
zichzelf ook totaal uit de markt. Kolencentrales sluiten, maar China
importeert het heel goedkoop. We doen dus iets verkeerd.
De voorzitter:
Meneer Markuszower, u heeft nog een halve minuut in deze termijn.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Mooi, ik heb hierna ook een andere afspraak, dus dat komt goed uit.
De voorzitter:
Heel goed.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Nou ja, weet u wat, voorzitter? Ik heb nog heel veel spreektekst, zie
ik, maar laat ik het volgende vragen. Het zal allemaal wel beschreven
zijn, maar kan de minister in zijn beantwoording nog een keer goed
uitleggen wat hij gaat doen aan de regeldruk? Wat gaat hij doen? Gaat
hij iets doen aan de hoge belastingen? Kan hij ingaan op mijn vraag over
netcongestie? Dat is echt een heel groot probleem. Dan heb ik nog een
vraag met een wat langer antwoord. Er is dus druk, ook in de
onderhandelingen, denk ik, op de beoogde coalitiepartijen om mee te doen
aan de groene transitie. Nou weet ik dat de oude …
De voorzitter:
Meneer Markuszower, ga nou niet weer helemaal opnieuw …
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
U kunt het afhalen van mijn andere dingen.
De voorzitter:
Graag afronden.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Dat mag ik nu zelf beslissen, als het goed is. Is deze minister dus
groen links, wil ik eigenlijk zeggen … Nee , sorry, "groen rechts",
wilde ik zeggen.
(Hilariteit)
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Is hij nou van de school groen rechts, dus kan je groeien met dat groen?
Hoe ziet hij dat? Hoe gaan wij die groene transitie doen, als de
minister en het volgende kabinet dat willen, en hoe zorgen we dan
tegelijkertijd dat dat lukt met behoud van een goed vestigingsklimaat?
Dat is een groot probleem. Ik wil ook dat hij ingaat op de problemen die
er nu zijn. Ik noemde de netcongestie en de concurrentiepositie ten
opzichte van andere landen die er niet aan meedoen. Ik hoor graag zijn
betoog en kijk daarnaar uit.
Ik dank u hartelijk.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Markuszower. Succes met uw antwoord zo meteen. Het
antwoord van de demissionair minister komt morgenavond. Ik schors de
beraadslaging dus tot de voortzetting van morgenavond. Dan beginnen we
met de eerste termijn van de demissionaire minister en daarna komt de
tweede termijn van de Kamer.
De algemene beraadslaging wordt geschorst.
De voorzitter:
Dan wil ik graag even terugkomen op de vraag die de heer Flach stelde
bij de regeling van werkzaamheden. Hij had helemaal gelijk: er wordt
gesplitst gestemd. Dat gezegd hebbende schors ik de vergadering tot
15.15 uur, waarna we verdergaan met een debat over geweld tegen de
politie en hulpverleners en de hufterigheid in de samenleving.
De vergadering wordt van 15.05 uur tot 15.15 uur geschorst.