Brief van de tijdelijke commissie Grondrechten en constitutionele toetsing over een advies over het wetsvoorstel Wijziging van de Huisvestingswet 2014 inzake het verbod op voorrang voor vergunninghouders (Wet nieuwe regels inzake huisvesting vergunninghouders)(Kamerstuk 36831)
Wijziging van de Huisvestingswet 2014 inzake het verbod op voorrang voor vergunninghouders (Wet nieuwe regels inzake huisvesting vergunninghouders)
Brief commissie
Nummer: 2026D02830, datum: 2026-01-22, bijgewerkt: 2026-01-22 16:44, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: T.J. Bushoff, voorzitter van de tijdelijke commissie Grondrechten en constitutionele toetsing (GroenLinks-PvdA)
- Mede ondertekenaar: Y.C. Kling, griffier
Onderdeel van kamerstukdossier 36831 -6 Wijziging van de Huisvestingswet 2014 inzake het verbod op voorrang voor vergunninghouders (Wet nieuwe regels inzake huisvesting vergunninghouders).
Onderdeel van zaak 2025Z18749:
- Indiener: M.C.G. Keijzer, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Onderdeel van zaak 2026Z01190:
- Indiener: T.J. Bushoff, voorzitter van de tijdelijke commissie Grondrechten en constitutionele toetsing
- Medeindiener: Y.C. Kling, griffier
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
- 2025-10-16 14:45: Aanvang middagvergadering: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2025-11-25 16:30: Procedurevergadering Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (Procedurevergadering), vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
- 2025-12-04 09:30: Procedurevergadering tijdelijke commissie Grondrechten en constitutionele toetsing (Procedurevergadering), tijdelijke commissie Grondrechten en constitutionele toetsing
- 2025-12-16 14:00: Wijziging van de Huisvestingswet 2014 inzake het verbod op voorrang voor vergunninghouders (Wet nieuwe regels inzake huisvesting vergunninghouders) (TK 36831) (Inbreng verslag (wetsvoorstel)), vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
- 2026-01-22 09:30: Procedurevergadering tijdelijke commissie Grondrechten en constitutionele toetsing (Procedurevergadering), tijdelijke commissie Grondrechten en constitutionele toetsing
- 2026-01-27 16:30: Procedurevergadering Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (Procedurevergadering), vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Preview document (🔗 origineel)
36 831 Wijziging van de Huisvestingswet 2014 inzake het verbod op voorrang voor vergunninghouders (Wet nieuwe regels inzake huisvesting vergunninghouders)
Nr. 6 BRIEF VAN DE TIJDELIJKE COMMISSIE GRONDRECHTEN EN CONSTITUTIONELE TOETSING
Aan de Leden
Den Haag, 22 januari 2026
De tijdelijke commissie Grondrechten en constitutionele toetsing
(hierna: de tijdelijke commissie) heeft tijdens haar
procedurevergadering van 4 december 2025 besloten, gelet op het dictum
en het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State (hierna:
Raad van State), een adviestraject te starten voor het wetsvoorstel Wet
nieuwe regels inzake huisvesting vergunninghouders (36831). De vaste
commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening is hierover
geïnformeerd met een brief van 4 december 2025 (2025Z21165). Hierbij
biedt de tijdelijke commissie haar advies aan.
Inhoud en context wetsvoorstel
Gemeenten hebben nu de mogelijkheid om in een gemeentelijke verordening
te bepalen dat zij voorrang geven aan bepaalde woningzoekenden,
waaronder vergunninghouders.1 Het voorliggende
wetsvoorstel introduceert een verbod voor gemeenten om aan
vergunninghouders voorrang te verlenen voor sociale huurwoningen, enkel
vanwege het feit dat zij vergunninghouder zijn. Het verlenen van
urgentie aan vergunninghouders omdat zij om andere redenen onder de
urgentieregeling vallen, mag wel.2 In het kader van het
wetsvoorstel is het relevant om te noemen dat gemeenten – op basis van
een al bestaande wettelijke taak – verplicht zijn te zorgen voor de
huisvesting van een evenredig aantal vergunninghouders, gelet op het
inwoneraantal van de gemeente (ook wel taakstelling genoemd).3 Als het wetsvoorstel Wet versterking
regie volkshuisvesting - dat momenteel in behandeling is bij de Eerste
Kamer - in werking treedt, moeten gemeenten bepaalde
woningzoekenden in hun urgentieregeling opnemen, zoals mensen met een
ernstige chronische ziekte of mensen die uitstromen uit de opvang voor
huiselijk geweld, een (jeugd)gevangenis of de seksbranche. Daarnaast
staat het gemeenten vrij andere categorieën woningzoekenden voorrang te
verlenen.4 Het onderhavige wetsvoorstel voegt
daaraan een verbod toe op voorrang aan vergunninghouders.
De regering is voornemens om dit wetsvoorstel in drie fasen (de
voorbereidings-, de implementatie- en de normalisatiefase) uit te voeren
om ervoor te zorgen dat vergunninghouders een vergelijkbare
uitgangspositie krijgen als andere woningzoekenden. De regering wil
daarvoor voorzien in een pakket van maatregelen voor huisvesting,
participatie en integratie van vergunninghouders. Achterstanden in de
taakstelling voor het huisvesten van vergunninghouders moeten worden
weggewerkt, de (tijdelijke) woningvoorraad moet worden uitgebreid en
gemeenten moeten voorzien in snellere huisvesting van vergunninghouders.
Een jaar na inwerkingtreding van het wetsvoorstel moet het verbod om
voorrang te verlenen aan vergunninghouders ingaan.
De Raad van State heeft in zijn advies aangegeven bezwaren te hebben bij
het wetsvoorstel vanwege het recht op gelijke behandeling en de gevolgen
van het wetsvoorstel voor de positie van gemeenten. In de paragrafen
hierna wordt daarbij stilgestaan. Telkens is daarbij het juridisch kader
weergegeven, evenals een analyse van de reactie van de regering en een
advies van de tijdelijke commissie.
Het recht op gelijke behandeling bij verdeling
woonruimte
Uitgangspositie vergunninghouders en andere regulier
woningzoekenden
Het wetsvoorstel gaat in de kern om het vraagstuk van verdeling van
sociale woonruimte. Voor de manier waarop de overheid sociale woonruimte
verdeelt is het gelijkheidsbeginsel van belang. Dit is opgenomen in
onder andere artikel 1 van de Grondwet.5 De
kern daarvan is dat de overheid alle mensen die zich in Nederland
bevinden gelijk moet behandelen. Ook de wetgever heeft een belangrijke
rol om ervoor te zorgen dat het gelijkheidsbeginsel in acht wordt
genomen bij de totstandkoming van wetgeving.6 De
kernvraag daarbij is: wat is gelijk? Uitgangspunt is dat gelijke
gevallen gelijk moeten worden behandeld en ongelijke gevallen juist
niet, naar de mate van ongelijkheid. Gelijke behandeling van wezenlijk
ongelijke gevallen kan (juist) discriminerend zijn. Willekeurige
verschillen in behandeling mogen in ieder geval niet. In bepaalde
gevallen mag gelijke behandeling van ongelijke gevallen of ongelijke
behandeling van gelijke gevallen wel.7
De Raad van State wijst in zijn advies erop dat alle woningzoekenden in
Nederland op gelijke voet toegang moeten hebben tot een woning. Om dit
te verzekeren, kunnen niet alle woningzoekenden op dezelfde manier
worden behandeld door de overheid. Feitelijke verschillen moeten worden
gecorrigeerd of gecompenseerd. Dit kan door middel van urgentie- of
voorrangsregelingen, afhankelijk van hoe ongelijk het geval is. De Raad
van State geeft daarbij als voorbeeld mensen met een fysieke beperking –
voor wie niet alle woningen geschikt zijn - of mensen die het
slachtoffer zijn geworden van huiselijk geweld en snel veilig onderdak
nodig hebben. De Raad van State constateert dat er tussen
vergunninghouders en andere woningzoekenden vier grote feitelijke
verschillen zijn, namelijk: het kunnen opbouwen van wachttijd, het
beschikken over een sociaal netwerk, het machtig zijn van de taal en het
beschikken over huisvesting versus het verblijf in de COA-opvang.
Daardoor hebben zij volgens de Raad van State een meervoudige
achterstandspositie.
De regering geeft in reactie hierop aan zich bewust te zijn van de
positie van vergunninghouders op de woningmarkt. De regering merkt
daarbij op dat niet in alle gevallen sprake is van verschillen tussen
vergunninghouders en andere regulier woningzoekenden. Bijvoorbeeld als
het gaat om het kunnen opbouwen van wachttijd of het beschikken over een
sociaal netwerk, zijn er ook reguliere woningzoekenden voor wie dit niet
opgaat. Ook wijst de regering op een onderzoek van het WODC waaruit
blijkt dat het hebben van een bestaand sociaal netwerk de belangrijkste
reden is voor migranten om voor Nederland te kiezen als bestemming.8 Daarom is het volgens de
regering aannemelijk dat een deel van de vergunninghouders beschikt over
een sociaal netwerk. De regering betoogt dus dat vergunninghouders niet
allemaal dezelfde uitgangspositie hebben. Ook stelt zij dat sommige
regulier woningzoekenden op één van de vier benoemde verschillen ook een
slechtere uitgangspositie kunnen hebben. De regering maakt echter niet
inzichtelijk om hoeveel mensen dit gaat. Op de andere twee grote
verschillen die de Raad van State benoemt – het machtig zijn van de taal
en het verblijf in de COA-opvang – en de meervoudige achterstandspositie
van vergunninghouders, gaat de regering in het geheel niet in.
Om ervoor te zorgen dat leden zelf kunnen beoordelen of sprake
is van een ongelijke uitgangspositie tussen vergunninghouders en andere
woningzoekenden, geeft de tijdelijke commissie de leden in overweging om
de regering te vragen:
nader de stelling te onderbouwen dat niet in alle gevallen sprake is van verschillen voor wat betreft het kunnen opbouwen van wachttijd en het beschikken over een sociaal netwerk door aan te geven om hoeveel mensen het daarbij gaat, en
alsnog in te gaan op de door de Raad van State benoemde verschillen voor wat betreft het machtig zijn van de Nederlandse taal en het verblijf in de COA-opvang, alsmede de meervoudige achterstandspositie.
Ongelijke uitgangspositie adresseren door (i) maatregelen
Als er sprake is van feitelijk ongelijke uitgangsposities
tussen groepen, maar deze wel gelijk worden behandeld, is er sprake van
ongelijke behandeling. Dit kan, zo merkt de tijdelijke commissie op, op
twee manieren worden geadresseerd. Ten eerste kunnen maatregelen worden
genomen om de ongelijke uitgangspositie weg te nemen. Wanneer deze
maatregelen effectief en doeltreffend zijn, is er geen sprake meer van
een ongelijke uitgangspositie. Ten tweede is ongelijke behandeling
toelaatbaar, wanneer daarvoor een redelijke en objectieve
rechtvaardiging is te geven.9 In het nader rapport en
de toelichting gaat de regering - deels impliciet - in op maatregelen om
de uitgangspositie te normaliseren en op de rechtvaardiging voor de
maatregelen. Daarom wordt hieronder bij beide punten stilgestaan.
Allereerst is dus de vraag of er effectieve en doeltreffende
maatregelen worden genomen om de veronderstelde ongelijke
uitgangspositie weg te nemen. Volgens de Raad van State blijkt uit de
toelichting dat de regering zich bewust is van de feitelijke achterstand
die vergunninghouders hebben. Daarom voorziet de regering in een
gefaseerde aanpak: het wegwerken van de achterstand voor wat betreft de
taakstelling, het creëren van extra (met name onzelfstandige) woonruimte
en het vergroten van de toegang tot de reguliere woningmarkt. De Raad
van State noemt de voorgestelde maatregelen echter niet realistisch in
de zin dat tijdig een gelijke uitgangspositie voor vergunninghouders
wordt bereikt. Dit geldt voor het wegwerken van de achterstanden bij de
taakstelling omdat uit recente prognoses blijkt dat de asielinstroom in
ieder geval tot 2028 zal stijgen.10 Ook wordt volgens de
Raad van State niet inzichtelijk hoe de doorstroomlocaties en extra
onzelfstandige woonruimte op tijd worden gecreëerd. Verder noemt de Raad
van State de toegang tot de particuliere markt voor de meeste
vergunninghouders denkbeeldig vanwege onvoldoende inkomen.
De regering geeft daarop aan dat zij erop vertrouwt dat de
aangekondigde maatregelen binnen de beoogde termijnen het gewenste
effect zullen hebben. De regering onderbouwt echter niet waar zij dit
vertrouwen aan ontleent. De regering herhaalt dat zij werkt aan een
samenhangend pakket van maatregelen voor de huisvesting, participatie en
integratie van vergunninghouders. Daarnaast geeft de regering aan de
kabinetsinzet te versterken om vergunninghouders sneller mee te laten
doen in de Nederlandse samenleving, met het programma voorinburgering in
de opvanglocatie en het reguliere inburgeringstraject tijdens het
verblijf in het azc. Ook wil de regering gemeenten toestaan gedurende
een jaar na inwerkingtreding van het wetsvoorstel vergunninghouders nog
voorrang te geven voor onzelfstandige woonruimte (waarover zij zelf
opmerkt dat die vaak niet passend zal zijn voor gezinnen). De regering
maakt niet inzichtelijk wat het verwachte effect van het pakket van
maatregelen is op de uitgangspositie van vergunninghouders en op welke
termijn de effecten naar verwachting merkbaar zullen zijn. De VNG geeft
aan dat zij verwacht dat de alternatieve huisvestingsmogelijkheden niet
toereikend zijn en dat zij deze om uiteenlopende redenen onwenselijk
vindt. Over het huisvesten in onzelfstandige woonruimte is door de VNG
opgemerkt dat dit door driekwart van de gemeenten niet als structurele
oplossing wordt gezien, omdat dergelijke woonruimte door het
woningtekort ook snel vol dreigt te raken.11
Ook het College voor de Rechten van de Mens wijst hierop, evenals op de
lagere kwaliteit van deze locaties.12
Om meer inzicht te verkrijgen in de verwachte effecten van het door de
regering voorgestelde pakket aan maatregelen om de nadelige
uitgangspositie van vergunninghouders op de sociale woningmarkt te
compenseren, geeft de tijdelijke commissie de leden in overweging om in
gesprek te gaan met de VNG en het COA.
Ongelijke behandeling toelaatbaar bij (ii) objectieve en
redelijke rechtvaardiging
Als er geen maatregelen worden genomen om een feitelijk
ongelijke uitgangsposities tussen groepen effectief te adresseren, maar
deze groepen wel gelijk worden behandeld, is er sprake van ongelijke
behandeling. De tijdelijke commissie merkt op dat dit alleen toelaatbaar
is wanneer daarvoor een redelijke en objectieve rechtvaardiging is te
geven. Er moet dan sprake zijn van het nastreven van een legitiem doel.
Ook moeten de maatregelen in het licht van het doel evenredig en
proportioneel zijn.13 Wanneer zo’n objectieve en
redelijke rechtvaardiging kan worden gegeven, is er weliswaar alsnog
sprake van een ongelijke behandeling, maar die is dan niet in strijd met
het recht op gelijke behandeling.14 Er is dan sprake van
een gerechtvaardigde ongelijke behandeling.
De door de regering gegeven rechtvaardiging is volgens de Raad
van State primair gelegen in de wens gelijke gevallen gelijk te
behandelen en de positieve discriminatie van vergunninghouders te
beëindigen. De regering gaat daarmee voorbij aan de feitelijke
ongelijkheid tussen vergunninghouders en andere woningzoekenden, aldus
de Raad van State.
De regering acht een systematiek waarbij vergunninghouders geen
voorrang krijgen bij huisvesting en waarbij zij net als andere mensen in
Nederland in de eerste plaats worden aangesproken op eigen initiatief,
niet in strijd met het recht op gelijke behandeling, omdat dit ook van
andere woningzoekenden wordt gevraagd. De regering acht het niet
gerechtvaardigd dat - in de context van een overbelaste woningmarkt -
het enkele feit dat iemand vergunninghouder is, wordt gebruikt als
grondslag voor het toekennen van een woning. Steeds meer andere
woningzoekenden - ook met urgente omstandigheden - moeten langdurig
wachten op een passende woning.
Ter onderbouwing van het wetsvoorstel baseert de regering zich
op de schatting van wiskundige en cultureel antropoloog Van de Beek. Hij
schat in dat in 2015-2018 ongeveer 32% van het aantal vrijgekomen
huurwoningen waarvoor ook jonge sociale huurstarters in aanmerking
zouden komen, wordt toegewezen aan vergunninghouders. Het CBS komt tot
een lager percentage van 7%, maar dit komt volgens de regering omdat dit
betrekking heeft op het totaal aantal vrijkomende sociale huurwoningen.
Daarvoor komen niet alleen starters, maar ook doorstromers in
aanmerking. De regering stelt dat het voorgestelde verbod op voorrang
objectief gerechtvaardigd is, gezien het pakket aan maatregelen om grip
te krijgen op migratie en om vergunninghouders te helpen huisvesting te
vinden. Door het verbod op voorrang wordt volgens de regering juist een
meer gelijke uitgangspositie tussen vergunninghouders en andere
woningzoekenden bewerkstelligd en de gelijke behandeling bevorderd.
De tijdelijke commissie merkt op dat om te beoordelen of er
sprake is van een objectieve en redelijke rechtvaardiging, moet worden
gewogen of er sprake is van een legitiem doel en of de maatregelen in
het licht van het doel proportioneel zijn. Het doel van het wetsvoorstel
is om een gelijke uitgangspositie te bewerkstelligen tussen
vergunninghouders en andere woningzoekenden. Kernvragen bij toetsing van
de maatregel zijn: vinden de leden dit doel legitiem? Is het verbod
noodzakelijk om het doel te bereiken en staat het in redelijke
verhouding tot het doel? En zijn er minder ingrijpende alternatieven
voorhanden om hetzelfde doel te bereiken? Volgens de tijdelijke
commissie is daarvoor meer inzicht nodig in het verwachte effect van het
verbod op het verlenen van voorrang aan vergunninghouders. De regering
onderbouwt de maatregel nu met een schatting van het aantal
woningen dat wordt toegewezen aan vergunninghouders - en daarmee niet
aan starters. Het verwachte effect van het verbod kan
inzichtelijk worden gemaakt door te verhelderen wat de impact is van de
huidige mogelijkheid die gemeenten hebben om voorrang te verlenen aan
vergunninghouders, op zowel de wachttijd als op de hoeveelheid
toegewezen woningen aan alle verschillende groepen andere
woningzoekenden.
De tijdelijke commissie adviseert de leden de regering te vragen meer
inzicht te geven in de verwachte effecten van het verbod op voorrang
voor vergunninghouders op de sociale woningmarkt, zodat de leden kunnen
wegen of er sprake is van een redelijke en objectieve rechtvaardiging
voor het voorgesteld verbod.
Positie gemeenten
De Raad van State maakt ook een opmerking over de gevolgen van
het wetsvoorstel voor de uitvoering van een al bestaande wettelijke taak
door gemeenten: de huisvesting van vergunninghouders. Op basis van de
huidige Huisvestingswet 2014 zijn gemeenten verplicht te zorgen voor de
huisvesting van een evenredig aantal vergunninghouders, gelet op het
inwoneraantal van de gemeente.15 De Raad van State
constateert dat gemeenten door het wetsvoorstel een belangrijk
instrument verliezen om te voldoen aan deze wettelijke taakstelling,
namelijk: de mogelijkheid om voorrang te verlenen. De Raad van State
vindt het niet aanvaardbaar dat het wetsvoorstel ervoor zorgt dat het
voor gemeenten zeer moeilijk wordt om aan de taakstelling te voldoen.
De tijdelijke commissie merkt op dat gemeenten in opdracht van
de wetgever de taak uitvoeren om vergunninghouders te huisvesten. De
taakstelling is namelijk neergelegd bij gemeenten in de Huisvestingswet
2014. Een dergelijke wettelijke taak wordt ook wel medebewind genoemd.16 De Raad van State heeft in een
recente voorlichting opgemerkt dat voor het uitvoeren van een taak in
medebewind, de randvoorwaarden dusdanig moeten zijn dat gemeenten die
taak ook daadwerkelijk kunnen uitvoeren.17
Het is mede aan de wetgever om voor adequate randvoorwaarden te zorgen.
De VNG geeft echter aan dat deze taak door het wegnemen van het
instrument van voorrang onuitvoerbaar wordt en dat gemeenten hierdoor
voor een onmogelijke opgave worden gesteld.18
Verder wijst de tijdelijke commissie erop dat in reactie op een eerder
voorstel met dezelfde strekking, een vorig kabinet heeft erkend dat het
niet kunnen verlenen van voorrang aan vergunninghouders gemeenten
“belemmert (…) te voldoen aan de taakstelling” en dat “het voor veel
gemeenten onuitvoerbaar zal worden om aan de wettelijke taakstelling te
kunnen voldoen”.19 De regering heeft niet aangegeven
waarom de situatie nu anders is.
Volgens de regering hebben gemeenten voldoende alternatieven om
te voldoen aan de taakstelling. De regering doelt daarmee op de
alternatieve huisvestingsmogelijkheden voor vergunninghouders en de
vergroting van het woningaanbod door gemeenten. De regering gaat niet in
op de kritiek van de Raad van State dat de genoemde alternatieven voor
de voorrang niet realistisch, denkbeeldig en niet inzichtelijk zijn. De
regering geeft aan dat zij erop vertrouwt dat het pakket van maatregelen
het gewenste effect zal hebben. De VNG schrijft echter dat gemeenten
verwachten dat de alternatieve huisvestingsopties niet toereikend zijn
om alle statushouders binnen afzienbare termijn van onderdak te
voorzien.20 Na het advies van de Raad van State
heeft de regering aan het wetsvoorstel toegevoegd dat gemeenten in het
eerste jaar na inwerkingtreding van het wetsvoorstel nog voorrang mogen
verlenen aan vergunninghouders voor onzelfstandige woonruimte.
Over het huisvesten in onzelfstandige woonruimte is door de VNG echter
opgemerkt dat dit niet als structurele oplossing wordt gezien, omdat
dergelijke woonruimte door het woningtekort ook snel vol dreigt te
worden.21 Ook het College voor de Rechten van
de Mens wijst hierop.22 De regering geeft verder aan
voornemens te zijn om op termijn de taakstelling af te schaffen, maar
geeft in het nader rapport niet aan wanneer dit zal zijn.
De tijdelijke commissie adviseert de leden de regering te vragen te
reflecteren op de gevolgen voor gemeenten van het verbod op het geven
van voorrang aan vergunninghouders, mede in het licht van:
de conclusie van de VNG dat de wettelijke taakstelling om vergunninghouders te huisvesten hierdoor onuitvoerbaar wordt, en
de laatste voorlichting van de Raad van State over interbestuurlijke verhoudingen.23
Ook vraagt de tijdelijke commissie aandacht van de leden hiervoor, vanuit hun rol als medewetgever.
De hiervoor genoemde punten kunnen betrokken worden bij de verdere
behandeling van het wetsvoorstel.
De voorzitter van de tijdelijke commissie Grondrechten en
Constitutionele toetsing,
Bushoff
De griffier van de tijdelijke commissie Grondrechten en Constitutionele
toetsing,
Kling
Artikel 11 Huisvestingswet 2014. Tot 1 juli 2017 waren gemeenten verplicht om vergunninghouders aan te wijzen als voorrang hebbende.↩︎
Dit is anders bij het wetsvoorstel Wet regie volkshuisvesting, waarin door het amendement-Mooiman (36512, 30) een absoluut verbod op urgentie voor alle vreemdelingen is opgenomen. Dit wordt uit het wetsvoorstel gehaald met een novelle omdat het volgens de minister in strijd is met artikel 1 van de Grondwet en artikel 14 van het EVRM. Zie Advies Raad van State bij novelle Wet versterking regie volkshuisvesting, W04.25.00335/I, 3 december 2025, p. 3. ↩︎
Artikel 28 en 29 Huisvestingswet 2014.↩︎
Zie Kamerstukken II 2024/24, 36512, nr. 3, p. 49-50 en Kamerstukken II 2024/24, 36512, C, artikel II, onderdeel F, p. 3.↩︎
Zie ook artikel 1 Twaalfde Protocol bij het EVRM, artikel 14 van het EVRM en artikel 26 IVBPR.↩︎
D.E. Bunschoten, Tekst en commentaar Grondwet en Statuut, commentaar op artikel 1 van de Grondwet.↩︎
C.A.J.M. Kortmann, Constitutioneel recht, 7e herziene druk, p. 411-414 en 419.↩︎
K. Kuschminder e.a., Irreguliere migratieroutes naar Europa en de factoren die van invloed zijn op de bestemmingskeuze van migranten (2015), p. 67.↩︎
J. Gerards in Grondrechten, De nationale, Europese en internationale dimensie, p. 4, 5 en 15.↩︎
Kamerstukken II 2024/25, nr. 3310 (bijlage).↩︎
Zie de consultatiereactie van de VNG, p. 2 en 3: https://www.internetconsultatie.nl/nieuweregelsinzakehuisvestingvergunninghouders/reactie/81c34201-8032-4c17-8186-d699e432d5f0.↩︎
Brief College van de Rechten voor de Mens aan de Tweede Kamer, d.d. 11 december 2025, kenmerk 2025/093/VZ/BJO, p. 4.↩︎
J. Gerards in Grondrechten, De nationale, Europese en internationale dimensie, p. 4, 5 en 15.↩︎
C.A.J.M. Kortmann, Constitutioneel recht, 7e herziene druk, p. 411-414 en 419.↩︎
Artikel 28 en 29 Huisvestingswet 2014.↩︎
Artikel 124, tweede lid, Grondwet.↩︎
Zie de voorlichting van de Raad van State over interbestuurlijke verhoudingen van14 december 2022: Kamerstukken II 2022/23, 36200 VII, nr. 142, p. 10 en 14.↩︎
Uit de uitvoeringsscan van de VNG blijkt dat 88% van de deelnemende gemeenten geeft aan dat door het wetsvoorstel het behalen van de taakstelling onmogelijk wordt. Uitvoeringsscan VNG, p. 2 zie: https://vng.nl/kennisbank-impactanalyse/uitvoeringsscan-nieuwe-regels-inzake-huisvesting-vergunninghouders.↩︎
Kamerstukken II 2021/22, 35914, nr. 8, p. 1.↩︎
Zie de consultatiereactie van de VNG, p. 2: Overheid.nl | Consultatie Wetsvoorstel nieuwe regels inzake huisvesting vergunninghouders, reactie.↩︎
Idem, p. 3.↩︎
Brief College van de Rechten voor de Mens aan de Tweede Kamer, d.d. 11 december 2025, kenmerk 2025/093/VZ/BJO, p. 4.↩︎
Voorlichting van de Raad van State over interbestuurlijke verhoudingen van 14 december 2022, Kamerstukken II 2022/23, 36200 VII, nr. 142, p. 10 en 14.↩︎