Begroting Economische Zaken (36800-XIII) voortzetting (ongecorrigeerd)
Stenogram
Nummer: 2026D02936, datum: 2026-01-22, bijgewerkt: 2026-01-23 09:20, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-01-22 19:15: Begroting Economische Zaken (36800-XIII) voortzetting (Plenair debat (wetgeving)), TK
Preview document (🔗 origineel)
Begrotingen Economische Zaken 2026 en Nationaal Groeifonds 2026
Voorzitter: Moorman
Begrotingen Economische Zaken 2026 en Nationaal Groeifonds 2026
Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:
het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Economische Zaken (XIII) voor het jaar 2026 (36800-XIII);
het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaat van het Nationaal Groeifonds voor het jaar 2026 (36800-L).
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering en verzoek de leden om hun plaatsen in te
nemen. Ik heet minister Karremans van harte welkom. Ik heet natuurlijk
alle leden van de Tweede Kamer welkom. Aan de orde is de eerste termijn
van de minister inzake de begroting Economische Zaken.
Door mij zijn schriftelijke antwoorden ontvangen van de minister van
Economische Zaken op vragen, gesteld in eerste termijn.
Deze antwoorden zullen worden opgenomen in een bijvoegsel bij de
Handelingen van deze vergadering.
(Het bijvoegsel is opgenomen aan het eind van deze editie.)
De algemene beraadslaging wordt hervat.
De voorzitter:
Ik geef minister Karremans het woord. Gaat uw gang.
Minister Karremans:
Dank u wel, voorzitter. Mijn opa heette Gerard Altena, maar wij noemden
hem thuis "opa Dick". Waarom precies weet ik niet, maar ik weet wel dat
hij begin jaren vijftig als, noem het, gastarbeider uit Friesland naar
de Randstad kwam om hier te komen werken. Eerst in een melkfabriek in
Rotterdam en later bij Menken Melk. Ook een melkfabriek, maar een echt
familiebedrijf in Wassenaar. Dat zal de heer Flach en de heer Grinwis
goeddoen. Hij ging daarheen omdat hij in een krantenadvertentie las dat
je bij Menken niet alleen een baan kreeg, maar ook een huis. In 1959 is
in dat huis mijn moeder geboren. Mijn opa heeft zijn hele leven bij
Menken gewerkt. Eerst als centrifugist en later als productiechef. Hij
was trots op Menken. Hij gaf alles voor het bedrijf, alsof het zijn
eigen onderneming was. Zo voelde dat voor hem. En zo vertelde hij er ook
over aan zijn kleinkinderen.
Menken, of Menken Van Grieken, zoals het na de fusie in 1988 ging heten,
bestaat niet meer sinds 1989, toen het opging in Campina Melkunie. Mijn
opa overleed in 2011. Vele jaren na zijn pensionering stonden er op zijn
begrafenis nog steeds leden van de familie Menken, om hun oude
productiechef een laatste groet te brengen. Dat zegt iets, denk ik.
Overigens heeft Jutta Chorus, telg uit de Menkenfamilie, onlangs een
heel mooi boek geschreven, dat is gepubliceerd onder de naam Dagen van
melk, over het familiebedrijf Menken. Ik ben halverwege. Ik heb niet
altijd tijd om te lezen, maar ik kan nu al zeggen: het is echt een
prachtig boek over echt een prachtig Hollands familiebedrijf.
Voorzitter. Economie is een abstract begrip. Het gaat al snel over
cijfers, CPB-ramingen en bedrijven als ASML, maar voor mij wordt het
begrip "economie" vooral ingekleurd door mensen als mijn opa en door
bedrijven als Menken Van Grieken, want in de fabriekshallen als die van
Menken, Fokker, ENKA, Niemeyer, Philips en zo veel meer prachtige
Hollandse bedrijven, is de Nederlandse economie opgebouwd. Soms bestaan
die fabriekshallen nog en bouwen we er nu een AI-fabriek in, zoals in de
oude Niemeyerfabriek in Groningen, waarmee we de basis leggen voor de
economie van de toekomst. Soms staat er op de plek waar vroeger vla en
karnemelk werd gemaakt, zoals bij de Menkenfabriek, op het oude
fundament nu een verzorgingstehuis, als stille herinnering dat goede
zorg rust op het fundament van een sterke economie.
Voorzitter. De fabriek van Menken Van Grieken mag dan niet meer bestaan,
de innovaties die het bedrijf heeft voortgebracht liggen nog steeds in
de schappen. De vlaflip, de hopjesvla en halfvolle melk komen allemaal
uit de koker van Menken Van Grieken; misschien iets meer uit die van Van
Grieken dan van Menken, maar toch. Daarmee kom ik via de vlaflip, begin
jaren zestig bedacht door Harry van Grieken, bij het belang van
innovatie. Als we een sterke economie willen behouden, dan zullen we
flink moeten blijven innoveren, want het geld in de toekomst, dat we
nodig hebben voor de zorg in de toekomst, het onderwijs in de toekomst
of de veiligheid in de toekomst, wordt verdiend met de technologie van
de toekomst. Innovatie is dus ook geen luxe of modewoord. Nee, het is
pure, pure noodzaak. Het is tegelijkertijd ook niet tot op de komma te
plannen. Maar je kunt er als politiek wel de randvoorwaarden voor
scheppen. Daarvoor zullen we flink aan de bak moeten, zoals uiteengezet
in de 3%-R&D-brief die ik afgelopen zomer naar de Kamer heb
gestuurd.
Voorzitter. In de wereld van vandaag, maar ook in de wereld van morgen,
vertaalt economische macht zich rechtstreeks naar geopolitieke macht.
Wie in die wereld innoveert, bouwt zelf aan zijn toekomst. Wie dat
nalaat, wordt afhankelijk van anderen. Daarom is innovatie niet alleen
een economische keuze, maar ook een geopolitieke keuze. Het bepaalt of
wij de regie houden of uit handen geven. Daarom is het ook logisch dat
we daar als overheid, zeg ik als liberaal, meer regie op gaan voeren,
zoals uiteengezet in het nieuwe industriebeleid, waarbij we in lijn met
het rapport-Wennink veel meer focus leggen op bepaalde sectoren.
Voorzitter. Dat brengt mij bij de vragen die gesteld zijn door de Kamer.
Een flink deel heb ik, zoals gebruikelijk, reeds schriftelijk
beantwoord, maar een aantal vragen ga ik mondeling behandelen aan de
hand van de volgende thema's: strategische autonomie, investeringen en
innovatie, versterken interne markt, regeldruk en, mijn favoriete
blokje, overig.
Dan begin ik bij strategische autonomie. De eerste vraag die ik
mondeling wil beantwoorden, is de vraag die de heer Van der Lee heeft
gesteld in de eerste termijn van de Kamer. Die vroeg naar onze
strategische relevantie, als Nederland en als Europa, om de VS en China
van repliek te kunnen dienen. Dat is uiteraard een zeer actueel
onderwerp. Hij refereerde aan het nieuwjaarsartikel van de sg van EZ.
Die zit achterin overigens. Dat is de auteur van het beroemde artikel
dat vele malen langs is gekomen in de eerste termijn, waarin staat:
"geo-economische macht moet een veel grotere rol spelen bij beleid". De
vraag van de heer Van der Lee was op welke manier het kabinet er op
Europees niveau naar kijkt en of er niet meer middelen en bevoegdheden
naar Europa moeten gaan.
Laat ik het volgende daarover zeggen. Ik vind, zeker vanuit economisch
perspectief, dat je niet over economische groei kunt praten zonder het
ook te hebben over Europa. Die gaan nou eenmaal niet zonder elkaar. We
hebben een relatief sterke economie voor zo'n klein land, maar we zijn
een klein land in een groter geheel. Als je wil kijken naar de
economische toekomst van Nederland, zullen we daarom meer moeten
samenwerken in Europa. U kent mijn ambitie om minder regels te krijgen
in dit land, om meer regels af te schaffen. Daar zijn we druk mee bezig.
Daar kom ik in een ander blokje op terug. Maar ten aanzien van Europa
zeg ik weleens gekscherend: meer regels, meer regels uit Europa, niet
minder regels uit Europa. Maar ze moeten wel in de plaats komen voor de
regels die we hier hebben. Met andere woorden: je krijgt dus veel meer
regels die op Europees niveau geharmoniseerd zijn. De minister van
Financiën vindt dat ook ten aanzien van de bankenunie bijvoorbeeld. Dan
gaat het om de harmonisatie van bankenrecht en het faillissementsrecht,
maar ook, zeg ik als minister van Economische Zaken, om het
vennootschapsrecht, het arbeidsrecht en noem het maar op. Als er één
land is dat daar voordeel bij heeft, dan is het Nederland. 35% van ons
bbp komt uit het buitenland. Dat is uniek voor een land. We hebben een
open economie. Als er één land baat heeft bij meer Europese eenwording
op economisch gebied, dan is het Nederland. Het zijn de Nederlandse
bedrijven. Het zijn bedrijven die nu nog niet genoeg kunnen opschalen in
Europa of die hun producten niet aan alle Europese burgers kunnen
verkopen, omdat ze met die verschillende regimes te maken hebben op het
gebied van fiscaal recht, arbeidsrecht, noem het maar op. Die
verschillende regimes zijn goed voor handelsbarrières van ongeveer 40%.
Je hebt het dus niet eens meer over de 15% of de "10%-en-toen-weer-niet"
van Trump. We hebben het over 40% tussen landen. Daar heeft het mee te
maken. Dus je zult daar stappen in moeten zetten. Dat wil niet zeggen
dat je altijd meer bevoegdheden naar Brussel moet brengen, maar je moet
wel meer dezelfde regels hebben. Daar ben ik een zeer groot voorstander
van.
Dan de vraag van de heer Flach. Hoe zorgen we ervoor dat we als
Nederlandse economie niet het slachtoffer worden van een handelsoorlog
die wij niet zijn begonnen? Maar ik zie dat de heer Van der Lee een
compliment wil uitdelen.
De voorzitter:
Ik geef zo het woord aan de heer Van der Lee. Misschien is het goed om
vooraf nog even de spelregels te herhalen voor de interrupties. Ik sta
in principe onbeperkt interrupties toe, in blokjes van drie en van
maximaal 30 seconden, net als gisteren. De heer Van der Lee.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Het compliment gaat allereerst uit naar Sandor Gaastra voor zijn artikel
en deels naar de minister. Minder regels of gelijke regels: prima, daar
kunnen we over twisten. Maar er werd ook een ander punt gemaakt en daar
wil ik de minister toch over horen. Het gaat altijd weer over het Groei-
en Stabiliteitspact en dat we binnen die kaders moeten blijven. Maar
Nederland heeft het grootste handelsoverschot binnen de Europese Unie.
Europa vraagt ook: Nederland, investeer nou meer. We hebben een
staatsschuld van 44%, de helft van het Europese gemiddelde.
De voorzitter:
En uw vraag is?
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Ik wil dat de minister ingaat op de vraag of we extra gaan investeren,
ook uit onze staatsschuld, omwille van Nederland, maar ook omwille van
de strategische autonomie van heel Europa.
Minister Karremans:
Dank. Ik snap die vraag heel goed. Tegelijkertijd is het natuurlijk een
vraag die op de formatietafel ligt. Daar wordt voor een heel groot deel
de begroting van volgend jaar vormgegeven. Dat is het procedurele deel
van mijn antwoord. Als het gaat om meer investeren: een minister van
Economische Zaken zal altijd voorstander zijn van meer investeren.
Tegelijkertijd is het ook belangrijk voor de economie om een lage
staatsschuld te hebben. Een te hoge staatsschuld werkt als een
molensteen om de nek van de economie. Dat zien we in Frankrijk en dat
zien we in het Verenigd Koninkrijk. Dus we moeten niet doen alsof wij
daarmee een ongebreidelde, gemakkelijke manier hebben om beschikking te
krijgen over meer geld. Dat is niet het geval. Daar hoort een discussie
bij. Dat is een brede discussie, zeg ik tegen de heer Van der Lee. Die
gaat niet alleen over meer investeren ten opzichte van een hogere
staatsschuld, maar ook over de vraag wat je doet met consumptieve
uitgaven binnen de overheid en wat je doet met de grootte van het
overheidsapparaat. Dat is een integrale discussie, waarin je al die
verschillende zaken zal moeten meenemen. Dat is de discussie die op dit
moment aan de formatietafel wordt gevoerd. En ik denk dat dat terecht
is.
De voorzitter:
Punt. Van der Lee.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Dat klopt allemaal. Dat speelt zowel nationaal als bij het MFK straks.
Uiteindelijk is het wel de vraag of je bereid bent om meer schulden te
maken om die investeringsinspanning te verrichten. Daar waar China en de
VS al boven de 100% zitten en Europa gemiddeld op 88%, zitten wij op
44%. Ik vind het heel vervelend dat het huidige kabinet dit elke keer
uit de weg gaat en ik vrees, gelet op de partijen die aan tafel zitten,
dat die stap weer niet wordt gezet, terwijl het uit economisch belang en
vanwege de strategische autonomie cruciaal is dat we dat gaan doen.
Vindt de minister dat ook?
Minister Karremans:
Ik heb net een introductie gehouden over het belang van innovatie. Daar
zal ook voor geïnvesteerd moeten worden. Tegelijkertijd, als het gaat om
het halen van de 3%-R&D-norm, die zo belangrijk is voor onze
strategische autonomie en zeker binnen de geopolitieke wereld waarin we
nu leven, moet het gros van de investeringen komen uit de private
sector. We zullen de randvoorwaarden daarvan dus als overheid moeten
invullen.
Er moeten ook extra publieke investeringen bij om het deel van de
overheid op orde te brengen. Absoluut waar! De vraag is dan een hele
politieke vraag, namelijk: waar moet dat geld vandaan komen? Dat kan
door minder consumptieve uitgaven door de overheid of het laten oplopen
van de staatsschuld of allebei, hè. Nou goed, daar valt zeker ook met
mijn partij over te praten, maar het zal geen verrassing zijn voor de
heer Van der Lee waar de VVD staat. Ik sta hier als minister en niet als
vertegenwoordiger van de VVD, want dat zijn die twee leden van de Kamer
die tegenover me zitten, maar er valt over te praten. De vraag is alleen
in welke mate je wat doet.
De voorzitter:
Van der Lee voor de laatste interruptie in dit blokje.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Het liep al een beetje door elkaar, de VVD en de minister.
Minister Karremans:
Dat heb ik vaker, hoor.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Ik weet het, ik weet het. Maar dat is natuurlijk in Nederland wel een
beetje het probleem. Als het gaat om echt doorpakken op investeren, dan
praat de VVD heel veel, maar levert ze in de praktijk niet. De VVD helpt
zelfs het Groeifonds om zeep. De VVD kort op de uitgaven voor
wetenschap, dus ja … Hoe kan de minister mij het vertrouwen geven …
De voorzitter:
Minister, het gaat hier via de voorzitter.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
... dat dat de komende periode gaat veranderen? Waarom zouden het straks
niet weer alleen maar mooie woorden zijn zonder dat er wat gebeurt?
De voorzitter:
Dat was de vraag. De minister krijgt het woord.
Minister Karremans:
Dat Groeifonds is hartstikke mooi, want het is wel door een VVD'er
opgericht. Dat wordt er nooit bij gezegd! Twee. Ik snap het allemaal,
hoor. Ook wat er gezegd wordt over de overheidsuitgaven en de keuzes die
gemaakt zijn bij de begroting en bij de totstandkoming van dit kabinet:
allemaal tot uw dienst. Tegelijkertijd ben ik wel van de school: wat doe
je met het geld? Wat mij betreft is het niet alleen maar "er moet meer
geld naar een bepaalde post en dan zijn we tevreden", want het is heel
belangrijk hoe je het geld uitgeeft.
Het is bij onderwijs heel belangrijk om ons te realiseren dat wij in
Nederland meer geld uitgeven aan onderwijs dan het bbp van Letland, het
totale bbp van Letland. Dus we geven veel geld aan onderwijs, ook
relatief, vergeleken met andere landen. Maar het gaat erom wat we met
het geld doen. Dat wil niet zeggen dat je nooit meer extra moet
investeren, maar deze hele belangrijke vraag hoort er wel bij.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Even een persoonlijk feit.
De voorzitter:
Een persoonlijk feit mag altijd, meneer Van der Lee.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Het Groeifonds is door een VVD'er én een CDA'er gestart, nadat ze
onderhandeld hebben met GroenLinks-PvdA. Deze partijen hebben garanties
gegeven, die door de VVD allemaal teniet zijn gedaan.
De voorzitter:
Oké. Ik weet niet of dit nou echt een persoonlijk feit is, maar u heeft
uw opmerking gemaakt.
De heer Prickaertz (PVV):
Ik kom even terug op het stukje over de regels. We hebben een liberale
VVD-minister voor ons staan, die gelukkig druk bezig is om veel regels
voor het bedrijfsleven af te schaffen in Nederland. Maar hij roept wel
om meer Europese regels. Is dan de kans niet heel groot dat die Europese
regels de Nederlandse regels, die we willen afschaffen, gaan
vervangen?
De voorzitter:
Vraagteken! De minister.
Minister Karremans:
Dat is natuurlijk wat ik zeg. Maar er zijn zo veel ondernemers die
internationaal zaken doen en die schreeuwen om meer harmonisatie van
Europese regels en Europese wetten. Dat is wat er nodig is om Nederland
verder te krijgen, om Europa verder te krijgen en om de afhankelijkheden
die we nu hebben, af te bouwen. De reden waarom Amerika zo veel sneller
is gegroeid dan wij en waarom we zo afhankelijk zijn geworden van
bepaalde diensten uit Amerika, is dat wij geen functionerende interne
markt hebben. De reden daarvoor is dat al die 27 verschillende
minimarkten aparte regels, aparte belastingregimes en aparte culturen
hebben, noem 't maar op. Berekend is dat er voor 40% aan
handelsbarrières zijn. Of je nou VVD'er, SP'er of PVV'er bent, dat moet
je niet willen. Dit is wat je wil: meer harmonisatie. Je wilt
uiteindelijk meer harmonisatie, zodat Hollandse bedrijven makkelijk over
de grens zaken kunnen doen.
De heer Prickaertz (PVV):
Mag ik er dan van uitgaan dat de minister het in dit geval heeft over
regels die nu met elkaar botsen. Die regels moeten vervangen worden door
één lijn, maar er moeten niet allerlei nieuwe regels opgelegd worden aan
het Nederlandse bedrijfsleven.
Minister Karremans:
Dat heb ik gezegd. Precies.
De voorzitter:
Nee, nee. Minister, u krijgt van mij het woord.
Minister Karremans:
Dank u wel, voorzitter. Het is oppassen!
Ik ben het daarmee eens. Dat is het.
De voorzitter:
Via de voorzitter. U kunt uw betoog vervolgen.
Minister Karremans:
Ik was bij de eerste vraag, dus dat wordt ... Ik dacht … Nou, oké.
De heer Flach dacht "ik loop maar even uit de zaal", maar hij is nu weer
terug. De heer Flach vroeg hoe we ervoor kunnen zorgen dat de
Nederlandse economie niet het slachtoffer wordt van een handelsoorlog
die wij niet zelf zijn begonnen. Dat vind ik natuurlijk een heel
terechte vraag. Of wij een handelsoorlog beginnen ... Wij beginnen als
Nederland meestal geen handelsoorlogen, of je moet teruggaan naar
zestienhonderd zoveel, denk ik. Maar in het recente verleden hebben wij
geen handelsoorlogen gestart. Het kan natuurlijk wel gebeuren dat wij
erin belanden. Dat is onmiskenbaar het geval. En dan zullen we er ook
last van hebben, omdat wij een grote, open economie hebben. Ik zei het
al even: 35% van ons bbp wordt verdiend in het buitenland, wordt
verdiend met export.
Op de korte termijn zou dus mijn antwoord zijn: daar kun je niets aan
doen. We hebben een open economie, dus we zijn kwetsbaar voor
handelsoorlogen. Tarieven zijn dus, juist en bij uitstek voor Nederland,
een slechtnieuwsshow. Wat kun je er op de middellange tot lange termijn
aan doen? Dan heb je wel degelijk opties. Diversificatie: daarom is dat
Mercosur-verdrag zo belangrijk. Maar ook zorgen dat je werk maakt van je
strategische autonomie. Totale autonomie ga je nooit bereiken. Je zal
altijd afhankelijkheden behouden van andere werelddelen en andere
economieën. Dat is ook hartstikke gezond en daar heeft iedereen profijt
van.
Je moet wel zorgen voor wederzijdse afhankelijkheden. Daar ging Nexperia
natuurlijk ook over en daar gaan heel veel andere dossiers ook over;
daar gaat de inzet over die wij als lidstaat plegen in de Europese Unie
en het vervolmaken van de interne markt. Dat is waar we het net ook even
over hadden. Dat zijn zaken die wij kunnen doen en die we kunnen
oppakken om ervoor te zorgen dat wij minder kwetsbaar worden voor dat
soort handelsoorlogen en tarieven.
De heer Flach (SGP):
Over die wederzijdse afhankelijkheden hebben we het nadrukkelijk gehad
in het Nexperiadebat. Een van de sterke assets die Nederland in huis
heeft, is de hele kennis en alles wat we hebben gedaan rond de
agro-industrie. Mag ik daaruit afleiden dat de minister dat vanuit
economisch perspectief erkent als een heel belangrijke waarde in die
wederzijdse afhankelijkheden?
Minister Karremans:
Zeker. Ja.
De voorzitter:
Gaat u verder.
Minister Karremans:
Dan een vraag van de heer Dijk over hoe ik aankijk tegen het beschermen
van strategische sectoren, vitale goederen, kennisbanen en de economie
in Nederland, en of we dat in kaart kunnen brengen. Vind ik ook dat we
die strategische afhankelijkheden moeten gaan afbouwen? Hij vroeg ook of
er meer wetten zijn zoals de Wet beschikbaarheid goederen die onlangs is
toegepast bij Nexperia. In algemene zin is het niet alleen de taak van
de minister van Economische Zaken om de economie te bevorderen, maar ook
om de economie te beschermen. Daarvoor zijn er een aantal instrumenten,
waaronder de Wet beschikbaarheid goederen en de Wet vifo. De Wet
beschikbaarheid goederen is nu één keer ingezet. Ik ben niet van plan om
dat heel veel vaker te doen. Dat doe je alleen in unieke situaties. Er
wordt gelachen, maar ik sta nog steeds vierkant achter dat besluit en
denk dat het absoluut nodig was om dat te doen in het geval van
Nexperia, maar dan wel in het unieke geval Nexperia. Ten aanzien van de
Wet vifo: die wordt natuurlijk vaker toegepast in zaken en dat zal ook
nodig blijven.
Daarnaast hebben we al beleid om risicovolle strategische
afhankelijkheden in kaart te brengen via de Taskforce Strategische
Afhankelijkheden. Daar zijn meerdere ministeries bij betrokken, dus niet
alleen het ministerie van EZ. Daar worden ook beleidsopties en
mitigerende maatregelen uitgewerkt en waar nodig ingezet, waarbij
overigens het belangrijkste handelsperspectief vaak op Europees niveau
ligt, omdat we daar natuurlijk met elkaar in een, weliswaar nog niet
perfecte, maar toch interne markt zitten. Daarnaast heb ik naar
aanleiding van de motie van de heer Van Lanschot in het Nexperiadebat
toegezegd om een lijst op te stellen van kritieke entiteiten in
Nederland en de Kamer daarover vertrouwelijk te informeren. Dit is dus
iets wat op die manier op de agenda staat.
Ik zeg er wel bij — dat heb ik net ook gezegd — dat niet elke
afhankelijkheid een probleem is. We moeten ook niet willen dat we naar
totale onafhankelijkheid gaan, want dat is een illusie. Het gaat erom
dat je wederzijdse afhankelijkheden creëert. Dat betekent wel dat je ook
afhankelijkheden moet maken waarbij wij niet degenen zijn die
afhankelijk zijn, maar waarbij anderen afhankelijk zijn van ons. Daar
werken we hard aan, ook in relatie tot het nieuwe Industriebeleid met
focus.
De voorzitter:
Ja, meneer Dijk? Gaat uw gang.
De heer Jimmy Dijk (SP):
De minister had net een paar zeer uitlokkende uitspraken over regeldruk
en de interne markt in Europa. Ik had overal op in willen gaan maar ik
dacht: het was zo liberaal, ik ga even een andere vraag bedenken en die
gaat wel hierover. Ik hoor de afgelopen weken, met zo veel
internationale onrust en bijvoorbeeld ook dat Nexperiadebat: er is toch
iets veranderd de afgelopen ...
De voorzitter:
Meneer Dijk, uw vraag is?
De heer Jimmy Dijk (SP):
Ik ben benieuwd wat er in het hoofd van deze liberale minister de
afgelopen tijd echt op dit punt wezenlijk is veranderd.
Minister Karremans:
Ik denk niet dat het iets is wat van de ene op de andere dag verandert.
Ik denk wel dat we vergeleken met tien jaar geleden in een totaal andere
wereld leven. Tien jaar geleden was vrijhandel vanzelfsprekend. Er waren
toen geen tarieven en je handelde vrij. Als je over grondstoffen wilde
beschikken, dan kon dat. Er werden geen exportcontrolemaatregelen
opgelegd. In het artikel van de sg, dat in ESB is verschenen, staat ook
dat de controlemaatregelen op de export in de afgelopen jaren ontzettend
zijn toegenomen. Dat zijn allemaal zaken die je in ogenschouw moet nemen
als je economisch beleid maakt. Ik heb het in mijn inleiding ook gezegd:
economische macht is vandaag de dag, en dat zal morgen ook zo zijn,
geopolitieke macht.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Oké. Toch denk ik dat de wet, volgens mij van 1953, even ergens is
opgezocht. Die moest toch ergens liggen? Ik denk niet dat de minister
dacht dat hij die zomaar ergens had. Heeft dat deze minister ook aan het
denken gezet dat er meer middelen om in te kunnen grijpen nodig zijn dan
we nu hebben? Deze moest iemand nu wel ergens heel diep in een la vinden
en afstoffen om in te kunnen zetten. Daarom vraag ik: wat is er
wezenlijk veranderd in het hoofd van de minister, gezien de afgelopen
periode?
Minister Karremans:
Die wet heb ik ingezet omdat er een unieke situatie ontstond waarbij de
chipproductie in Nederland en in Europa in gevaar kwam. Niet alleen de
productie kwam in gevaar, maar ook de beschikbaarheid van goederen.
Daarom heb ik die Wet beschikbaarheid goederen ingezet. Dat is overigens
een wet die inderdaad uit 1952 of 1953 komt, maar die is in de
tussentijd wel geüpdatet. Dat is allemaal langs de Kamer geweest, en het
is allemaal elke keer geüpdatet en netjes bijgehouden. Hetzelfde geldt
voor de Wet vifo. Ik denk dat daar het grote scharnierpunt in denken in
zit. Toen Nexperia bijvoorbeeld werd overgenomen, hadden we de Wet vifo
nog niet. Die hadden we daarna wel en die hebben we ook steeds verder
uitgebreid. Gelukkig zien we de afgelopen jaren al een andere reactie op
de wereld om ons heen, omdat die wereld gewoon verandert. Je wilt dus
ook, anders dan misschien tien of vijftien jaar geleden, ingrijpen bij
investeringen uit andere landen, uit andere wereldeconomieën, omdat je
bepaalde belangrijke economische spelers in dit land wil beschermen. Ik
denk dat dat de essentie is van de verandering in het denken.
De voorzitter:
De heer Dijk voor zijn laatste interruptie.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Dat is één kant op. Dat is van landen die hier willen investeren. Kijkt
de minister ook naar landen die hun investering juist willen wegtrekken?
Ik had een klein interruptiedebatje met de heer Markuszower over
Chemelot in Limburg, waar we zien dat het onze basisindustrie echt kan
bedreigen. Dat zou iets moeten doen in het denken van de minister: hé,
daar gaat iets mis; dat kan gevaarlijk zijn voor onze werkgelegenheid en
onze basisindustrie. Zegt de minister dan ook: het gaat over
investeringen die hier gedaan worden …
De voorzitter:
Vraagteken.
De heer Jimmy Dijk (SP):
… maar ook over investeringen die weggehaald worden?
Minister Karremans:
Zeker. Volgens mij is dit in de eerste termijn ook benoemd door de
Kamer. Ik weet niet wie die bijdrage had, waarvoor excuus, maar er werd
in de eerste termijn gezegd: industriebeleid en industriepolitiek mogen
niet meer vies zijn. Dat was altijd een vies woord. Heeft de heer Dijk
dat gezegd? Dat had de heer Dijk kunnen zeggen; laat ik het zo
zeggen.
De voorzitter:
Het was de heer Van der Lee.
Minister Karremans:
Ik denk dat hij daar gelijk in heeft. Je moet niet naïef zijn. Als de
rest van de wereld industriepolitiek bedrijft en wij als Europese Unie
dat als enige niet doen, dan zijn wij uiteindelijk degenen die
verliezen. Je ziet het inderdaad met de chemie. Je ziet het met
betrekking tot staal. Er wordt gedumpt, zeker nu er hoge tarieven zijn
om bijvoorbeeld Chinese chemie te importeren in Amerika. Dat komt
allemaal deze kant op. Er is dus goede grond om dat te doen. Dan krijg
je vervolgens de discussie in de Europese Unie of je dat moet willen. Er
zijn namelijk ook heel veel partijen die gebaat zijn bij goedkope
chemie. Die vinden het wel fijn dat er goedkope chemie is. Voor de
chemieverwerkende industrie betekent dat gewoon lagere kosten, hogere
marges en meer mogelijkheden om te investeren. Dat is dus een discussie
die nu plaatsvindt in de Europese Unie, maar ik vind dat je daar niet
naïef in kan zijn. Ik ben het volstrekt eens met de heer Van der Lee:
industriepolitiek is geen vies woord meer. Dat is het in ieder geval wat
mij betreft niet meer.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Ik ben heel blij om dat te horen, temeer daar we weten dat China al heel
lang een hele gerichte industriepolitiek voert. De Amerikanen hebben dat
ook gedaan, gelet op het werk van Mazzucato, met defensie-uitgaven en
DARPA, met allerlei grote techondernemingen als gevolg. In hoeverre
denkt de minister dat het voor Europa nodig is om daar keuzes in te
maken?
Minister Karremans:
Ik denk dat dat niet eens alleen voor Europa geldt, maar ook voor
Nederland, als lidstaat. Ik heb niet voor niets in oktober het nieuwe
industriebeleid, Industriebeleid met focus, naar de Kamer gestuurd. Ik
geloof namelijk niet meer in een strategie waarbij je zegt: we alle
laten alle duizend bloemen bloeien en we zien wel wat er boven komt
drijven. Zeker in een land met schaarste aan arbeid, financiële
middelen, ruimte en noem maar op, moet je heel gericht keuzes maken. Je
moet focussen. Dat geldt ook voor de ambtenaren die werken op mijn
ministerie en mensen die werken in al die verschillende sectoren. Ik
denk dus dat je daar keuzes in moet maken, om ervoor te zorgen dat je
het heel goed gaat doen in bepaalde industrieën. Een voorbeeld dat ik
daarbij gebruik is Roger Federer. Hij was heel goed in tennissen, maar
misschien minder goed in cricketen. Gelukkig heeft hij ervoor gekozen om
nog beter te worden in tennissen. Daarmee kon hij echt iets bereiken, in
plaats van dat hij nog beter werd in cricket. We moeten dat in Nederland
ook doen. Begrijpt u wat ik bedoel?
De voorzitter:
Dat gaan we nu horen.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
We zijn het eens op de hoofdlijnen, maar in uw stuk, Industriebeleid met
focus, heb ik nog niet zo heel veel focus kunnen ontdekken in de
operationalisering ervan. In het rapport-Wennink lees ik toch meer: alle
industrie in Nederland behouden, laten aanpassen aan de
energietransitie, niet afhankelijk maken van grondstoffen uit derde
landen en daarbovenop een aantal nieuwe techbedrijven proberen op te
zetten.
De voorzitter:
En uw vraag is?
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Ik zie ook daarin nog weinig focus. Kan de minister iets concreter
worden over op welke tak van sport in de industrie hij de focus zou
willen leggen?
Minister Karremans:
Dat staat heel duidelijk in de industriebrief. Daarin staat met naam en
toenaam genoemd welke sectoren en markten dat zijn. Dat zijn
bijvoorbeeld de semiconductorindustrie, de machinebouw, de innovatieve
chemie en noem het maar op. Die staan allemaal netjes genoemd. Ik snap
de vraag van de heer Van der Lee wel over hoe je vervolgens die focus
gaat aanbrengen. Het in een brief zetten dat je het belangrijk vindt is
één ding, maar vervolgens moet je er uitvoering aan geven. Het valt of
staat bij die uitvoering, net als in het bedrijfsleven. Het is
uitvoering, uitvoering, uitvoering die uiteindelijk bepaalt of iets
succes heeft. Datzelfde geldt voor ons industriebeleid. Ik dacht dat ik
het volgende had beschreven in een brief, maar wellicht was dat niet
voldoende. Ik wil dat je vervolgens met de betreffende markt, de
betreffende sector, een sectoragenda maakt en plannen maakt. Ik wil dat
er doelen vastgesteld worden zoals: hoeveel procent van het bbp wil een
sector bijdragen over 10, 20, 30 jaar, hoe wordt dat bereikt en waar
worden de ecosystemen gebouwd? Tegen welke barrières loopt men nu aan?
Hoe kunnen die worden weggehaald? Dat is eigenlijk zoals we nu werken
bij het Project Beethoven, in Eindhoven, waarbij je aan tafel zit met de
lokale overheid, het bedrijfsleven en de belangrijke spelers in de
sector. Daarin is eens in de zoveel tijd overleg, is er veel contact,
worden investeringen gericht gedaan en ben je als overheid barrières aan
het wegnemen. Dat kan niet overal in Nederland. Je kan dat als Rijk niet
overal in Nederland doen voor elke sector, maar dat kan wel met die
specifieke sectoren waar we het kunnen winnen op basis van die drie
eigenschappen, namelijk ten aanzien van ons verdienvermogen, de
maatschappelijke opgave en onze strategische autonomie.
De voorzitter:
Meneer Van der Lee, een concluderende vraag of opmerking.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
In algemene lijnen ben ik het eens met de minister. Wel denk ik dat wij
als Nederland altijd worstelen om echt keuzes te maken. We willen vaak
nog te veel bloemen laten bloeien. Dat zie je ook in ons
instrumentarium. Daarin staan heel veel fiscale dingen, maar er wordt
vervolgens helemaal niet gekeken naar welke activiteit dan. Het is een
vrij beperkt subsidie-instrumentarium. Project Beethoven moest uit alle
hoeken en gaten vandaan getoverd worden. Is het niet zaak om dan ook het
instrumentarium aan te passen en nog wat scherper te kiezen tussen
industriële activiteiten, in plaats van te veel in de lucht te willen
houden?
Minister Karremans:
Dat ben ik volstrekt met de heer Van der Lee eens. Je zult ook naar de
instrumenten moeten kijken — in de brief heb ik ook gezegd dat je ook
fiscale instrumenten nodig hebt — om juist heel doelgericht bepaalde
industrieën te bevorderen en barrières weg te nemen, bijvoorbeeld door
investeringen aan te trekken of uit te lokken. Daarmee ben ik het dus
volstrekt eens.
De voorzitter:
Minister, gaat u verder met uw betoog.
Minister Karremans:
Dan blijf ik bij de heer Van der Lee, die vroeg naar de
halfgeleiderindustrie, waar ik het vaker met de heer Van der Lee over
heb gehad. Hoe gaan we ervoor zorgen dat Europa en Nederlandse bedrijven
minder afhankelijk worden van productie in Zuidoost-Azië? Welke stappen
worden daartoe gezet? Met het bedrijfsleven zijn we bezig met de
semiconvisie voor 2035. Die zal binnenkort naar de Kamer komen. Hierin
wordt met analyses en ambities geschetst wat Nederland zou moeten doen
om de bestaande kwetsbaarheden te verminderen. Vervolgens is het aan een
nieuw kabinet om hierin positie in te nemen. Tegelijkertijd gebeurt er
ook veel in Europees verband. Onlangs, met Prinsjesdag, hebben we geld
verstrekt voor de IPCEI-ronde. Dat is het Important Project of Common
European Interest on Advanced Semiconductor Technologies. Het
verminderen van afhankelijkheden is daarin een centrale doelstelling.
Daarnaast is Nederland aanjager van de Europese Chips Act. Daarvoor
hebben we de Semicon Coalition gestart. Dat heeft allemaal tot doel om
minder afhankelijk te zijn van andere economieën, ook op het gebied van
halfgeleiders.
Dan de vraag van mevrouw Nanninga of er een overzicht is van bedrijven
en sectoren die het hardst geraakt gaan worden door de Amerikaanse
tarieven van 10%. Hoe kunnen we deze schade voorkomen? Net heb ik in
antwoord op de vraag van de heer Flach gezegd hoe we dat in de toekomst
kunnen voorkomen. De tarieven lijken nu weer van tafel, dus dat ziet er
dan weer goed uit. Maar goed, dat was afgelopen weekend even een ander
verhaal. Zondag hebben we gelijk met een aantal leden van het kabinet
een bewindspersonenoverleg gehad en ook gelijk contact gehad met een
aantal CEO's, zeker CEO's van bedrijven die mogelijk sterk geraakt
zouden worden door die tarieven. Ook hebben we via VNO-NCW afgelopen
maandag direct een bijeenkomst georganiseerd om ervoor te zorgen dat
iedereen aangehaakt is en om ook de strategie daarop af te stemmen. Ik
kan daar publiek niet alles over zeggen, maar u kunt zich voorstellen
dat je dan de klokken gelijkzet en kijkt wat je met elkaar kan doen, ook
in de lobby, om ervoor te zorgen dat het weer van tafel gaat. Dat is
uiteindelijk gelukt door de inzet van de secretaris-generaal van de
NAVO.
De vraag was welke bedrijven bij uitstek kwetsbaar zijn. Dat zijn
bijvoorbeeld machinebouwers die veel exporteren naar de VS, zoals
Philips met de medische technologie, maar ook Tata Steel heeft daar veel
last van. Dat zijn Nederlandse bedrijven die er erg veel last van
hebben.
Dat was mijn laatste vraag in dit blokje, voorzitter.
De voorzitter:
Gaat u door naar het volgende blokje.
Minister Karremans:
Dan ga ik inderdaad door naar het volgende blokje: investeringen en
innovatie. Daar heb ik in mijn inleiding natuurlijk al wat over gezegd.
De heer Van der Lee heeft daar ook een opmerking over gemaakt in de
eerste termijn. Je hebt nu die 3%-R&D-brief en dat is allemaal goed,
maar er is natuurlijk meer nodig om de economie uiteindelijk
toekomstbestendig te maken. Ik kan alleen maar zeggen dat ik het daarmee
eens ben. Dat gaat over stikstof, netcongestie en ook regeldruk en
ruimte. Al die zaken spelen daarin nog steeds een rol.
De heer Van der Lee vroeg ook of ik erken dat mijn begroting geen
Wenninkbegroting is en dat dit kabinet in plaats van te investeren
ervoor gekozen heeft om het Groeifonds te schrappen, maar ook te
bezuinigen op innovatie en wetenschap. Daar hebben we het net ook al
over gehad. Het gaat ook om hoe je het geld besteedt. Tegelijkertijd
zijn er voor ondernemers, moet ik zeggen, ook heel veel goede dingen
gebeurd bij de totstandkoming van het kabinet, namelijk minder lasten.
Dat is ook belangrijk voor ondernemers, want dan kunnen zij het geld
zelf investeren in plaats van dat de overheid dat voor hen bedenkt. Maar
ik geef hem wel gelijk in die zin dat we nog niet op de 1% publieke
investeringen in R&D zitten, zoals je natuurlijk wil. Maar dat zat
in de vorige begroting ook niet, in die daarvoor ook niet en in die van
tien jaar geleden ook niet. Daar zullen we met elkaar naartoe moeten;
dat ben ik zeker met de heer Van der Lee eens. De vraag is natuurlijk
hoe je het betaalt, maar dat is een hele politieke discussie.
Mevrouw Martens-America en mevrouw Oualhadj hadden zo'n beetje dezelfde
vraag, namelijk: het ministerie van EZ is sterk afhankelijk van andere
ministeries voor het op orde brengen van de randvoorwaarden; hoe gaan we
die silovorming tegen? Dat klopt. Toen bekend werd dat ik minister van
Economische Zaken zou worden, was ik nog staatssecretaris bij VWS. De sg
kwam bij mij langs en zei tegen mij: de mate van succes van je
ministerschap hangt af van in hoeverre je vrienden bent met andere
ministers en andere ministeries. Dat is namelijk nou eenmaal zo: het
ministerie van Economische Zaken zit overal tussenin. Economie zit in
alles. De regels, waar we het straks natuurlijk over gaan hebben, zitten
niet bij het ministerie van Economische Zaken, maar bij andere
ministeries. Ga zo maar verder: investeringen, onderwijs. Onderwijs is
heel belangrijk voor de economie; dat zit bij het ministerie van
Onderwijs. Infrastructuur, die heel belangrijk is voor bijvoorbeeld de
logistiek en de economie, zit bij het ministerie van I&W; luchtvaart
idem dito. Fiscale regelingen zitten bij Financiën. Ik wil geen
calimero-indruk achterlaten — daar ben ik ook veel te groot en te lang
voor — maar Calimero zei altijd "zij zijn groot en ik ben klein" en dat
klopt wel ten aanzien van de begroting van EZ. Je moet samenwerken met
andere ministeries. Dat is van groot belang. Als je de agenda erop zou
naslaan, ben ik daarom, denk ik, ook kampioen bwo's. Ik doe de meeste
overleggen met allerlei verschillende bewindslieden. Ik vraag ze dan
natuurlijk om meer regels af te schaffen. Dan krijg ik daar weer een
reactie op en dan ga ik overleggen met andere bewindspersonen. Dat is
wat je doet als minister van Economische Zaken. Daar probeer ik
natuurlijk mijn uiterste best voor te doen.
Het echte antwoord dat op deze vraag gegeven zou moeten worden, is
gegeven door de heer Van Lanschot. Hoe zorgen we ervoor dat iedereen
aangehaakt blijft? Zijn suggestie is om in alle begrotingsbehandelingen
aandacht te vragen voor regeldruk bij de verschillende departementen.
Dat zou ons enorm helpen. Die neem ik dus graag aan van de heer Van
Lanschot.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Ik zag ook nog een andere suggestie in het rapport-Wennink, namelijk dat
het toekomstig verdienvermogen chefsache moet zijn en dat de premier
voortaan verantwoordelijk moet zijn. Ik ben dus wel benieuwd hoe de
minister van Economische Zaken daartegen aankijkt.
Minister Karremans:
Heel goed. Het verdienvermogen is het allerbelangrijkste. Dat is per
definitie chefsache, en dat is het nu ook. Ik spreek met de
minister-president bijvoorbeeld heel veel met bedrijven. Ik weet ook dat
dat voor de huidige minister-president een heel belangrijk onderwerp is.
Daar ben ik het dus volstrekt mee eens. Ik ben het er ook mee eens om —
dat is ook het voorstel dat in het rapport-Wennink staat — een
ministeriële commissie toekomstige welvaart op te richten, onder
voorzitterschap van de premier. Daar ben ik het 100%, 100.000% mee eens.
Dat zal je ook moeten doen. Ik denk dat de minister van Economische
Zaken daar wel een belangrijke rol in speelt, maar het lijkt me evident
dat de minister-president daar eveneens een belangrijke rol in
speelt.
De voorzitter:
Gaat u verder met uw betoog.
Minister Karremans:
De heer Van Lanschot vroeg of ik in gesprekken met de TTO's, de
Technology Transfer Organisations, expliciet aandacht kan vragen voor
het werken met vaste bandbreedtes voor spin-off transacties, waaronder
de 1% tot 5% equity en single digit royalties zoals bij ETA en Columbia.
Dat is ook onderwerp van het gesprek dat plaatsvindt. Ik heb dat gesprek
ook gehad met de TTO's. Dat gesprek heb ik binnenkort weer, ik dacht
volgende week. Ik zal er dan ook weer aandacht voor vragen. Ik heb hen
ook gevraagd om een voorstel uit te werken waarmee we verder kunnen. Ik
vind namelijk wel dat die deal terms echt heel goed moeten zijn. Het is
natuurlijk heel goed om te zeggen dat we vergelijkbare deal terms willen
hebben als MIT, Harvard of Columbia, maar dan laat je eigenlijk buiten
beschouwing dat alle andere voorwaarden om een succesvol bedrijf te
starten in Amerika veel beter zijn dan in Nederland. Qua talent is het
denk ik nog wel vergelijkbaar, maar qua financiering is het daar veel
makkelijker dan hier. Als je echt wil concurreren, zal je dus op de deal
terms, of op andere onderdelen, beter moeten scoren. Dat is mijn visie
daarop. Ik heb daarover een gesprek met die universiteiten, met de
TTO's. Dat was ook gelijk de laatste vraag in dit blokje.
De voorzitter:
Gaat u door met het volgende blokje.
Minister Karremans:
Dan kom ik bij de regeldruk; daar zijn veel vragen over gesteld. De heer
Markuszower vroeg wat ik ga doen op het moment dat de volgende 282
regels worden geschrapt. De heer Jansen vroeg dat ook, geloof ik. De
heer Schoonis vroeg specifiek naar de regeldruk in het mkb. Zoals ik al
zei, vroeg de heer Jansen of ik zijn voorbeelden van regeldruk, die over
zijn eigen bedrijf gingen, herkende. Ik mag van de voorzitter geloof ik
de naam van dat bedrijf niet noemen, dus daar heb ik goed op gelet. Maar
daar ging de vraag over, en ik herken dat zeker. Ik kom dagelijks in
contact met ondernemers. Dan hoor je soms weleens over de
Jiskefet-achtige situaties waar ondernemers in terechtkomen. Ik heb dat
als ondernemer ook weleens meegemaakt. Ik weet niet hoeveel
UBO-formuliertjes ik heb ingevuld in mijn leven. Als ik die uren terug
zou kunnen krijgen en ik daar iets anders mee had kunnen doen, dan was
dat me veel waard geweest. Dat is inderdaad wat ik zelf als ondernemer —
ik zal de naam van mijn eigen bedrijf natuurlijk ook niet noemen — ook
heb meegemaakt. Dit zijn dus allemaal herkenbare voorbeelden. Ik ben
daarom persoonlijk ook erg gemotiveerd om dit aan te pakken.
Dat wil niet zeggen dat ik er als Elon Musk met een kettingzaag doorheen
ga, want achter elke regel zit een zorg. Alleen, ik denk dat je die zorg
vaak op een betere manier moet adresseren. Mevrouw Nanninga verwoordde
dat heel treffend in haar eerste termijn: het heeft ook vaak te maken
met wantrouwen, met gestold wantrouwen binnen de overheid richting het
bedrijfsleven. Maar ik heb al eerder gezegd dat het ook te maken heeft
met het geloof in de maakbaarheid van regels. Ik heb het dan over het
idee dat we een probleem oplossen als we regels maken, terwijl dat heel
vaak niet het geval is, zeker niet voor de goedwillende ondernemers die
zich graag aan regels willen houden. Het gaat dan gelukkig om 99% van de
ondernemers. Vaak maken we die regels voor die ene procent die zich niet
aan de regels houdt. Alleen, die gaan zich ook niet aan de zeventiende,
achttiende of negentiende regel houden. Dat moeten we ons realiseren als
we daarmee bezig zijn.
Tegelijkertijd zit het een beetje in ons Europese DNA, en zeker ook in
ons Nederlandse DNA — we zijn ook Europeanen — om elk risico te willen
wegmitigeren tot een duizendste achter de komma. Dat zie je bijvoorbeeld
in de biotech. Als je dat vergelijkt met de Verenigde Staten … Ik zeg
niet dat we richting de Verenigde Staten moeten, maar daar kost het zes
maanden om een product op de markt te brengen. In Europa duurt dat
minimaal zes jaar. Je moet gek zijn om dan vervolgens hier te gaan
investeren. Dat doen ze dus ook niet. Ik spreek die ondernemers. Die
zeggen: we worden gedwongen om naar Amerika te gaan. Wil je die
investering in innovatie? Ik wil graag dat 3%-target halen, niet alleen
om het te halen, maar ook omdat het gewoon een hele positieve bijdrage
kan leveren aan onze economie en aan onze welvaart. Daar hebben we met
z'n allen baat bij.
Die ondernemers zeggen ook: we gaan die kant op. Ik stel ze dus de
vraag: hoeveel jaren moeten het dan zijn? Moet het ook terug naar zes
maanden? "Nee, joh. Jullie zijn zoveel beter op die andere punten:
talent, zekerheid, et cetera. Nederland is een prachtig land om in te
leven. Maak er twee of tweeënhalf jaar van en we gaan allemaal hier
investeren." Daar zullen we wel wat voor moeten doen. Dat is waar we met
elkaar mee te maken hebben. Regeldruk hindert onze economie, zeker in de
EU. Vandaag heeft Merz dat ook gezegd op het World Economic Forum. Je
moet niet weglopen van de zorgen die achter regels zitten — daar ben ik
heel helder over — maar je moet het wel op een andere manier inkleden.
En dat kan. Daar zijn we nu ook mee bezig. De volgende 282 verwacht ik
ergens in dit voorjaar te publiceren. Dan gaan we als een raket naar de
500 en is de heer Prickaertz ook weer blij. Ik zie hem al lachen.
De voorzitter:
Dat gaan we afwachten. De heer Prickaertz voor een interruptie.
De heer Prickaertz (PVV):
Tja, blij? Volgens mij staat de teller op dit moment op zeven. Ik heb
begrepen dat er een toezegging door de minister gedaan is. Als ik het
goed heb, gaan er 218 regels weg voor aankomende zomer.
Minister Karremans:
500 zelfs.
De heer Prickaertz (PVV):
500; helemaal goed. Ik heb inmiddels wel wat informatie ontvangen. De
minister geeft het zelf al aan. Er zijn een aantal departementen die
daar misschien toch iets anders tegen aankijken.
De voorzitter:
En uw vraag?
De heer Prickaertz (PVV):
Nou, er kunnen gewoon departementen zijn die gewoon stelselmatig zeggen:
daar hebben wij geen trek in; dat gaan we niet doen.
De voorzitter:
En uw vraag?
De heer Prickaertz (PVV):
Hoe denkt de minister daarmee om te gaan? Daar ben ik heel benieuwd
naar.
Minister Karremans:
Daar heb ik de heer Van Lanschot voor. Hij heeft gezegd dat het CDA bij
elke begroting aandacht gaat vragen voor het regeldrukpunt. Daar ben ik
hem zeer dankbaar voor. Ik zou willen dat elke fractie dat zou doen,
want — dat zeg ik ook — EZ zit tussen al die verschillende departementen
in. Ik kan niet eigenhandig regels met betrekking tot milieu, woningbouw
of fiscale regelingen afschaffen. Het is belangrijk om dit breed op de
agenda te houden. Ik zorg er intern voor dat er druk op blijft en dat we
blijven leveren op dit punt. Uiteindelijk maken we ook duidelijk van
welke departementen die verschillende regels komen. Dat staat ook in de
overzichtsbrief die ik heb gestuurd.
Ik zeg er wel bij: de reden dat ik heb gezegd "de zomer van 2026" is dat
trajecten om regels aan te passen tijd kosten. Ik heb al gezegd dat ik
er niet met een kettingzaag doorheen ga, want op een gegeven moment loop
je het risico dat je het kind met het badwater weggooit. Dat wil je
niet. Je wil het zorgvuldig doen. Soms kost het schrappen van een regel
namelijk net zo veel tijd als het maken van een regel. Er moet een wet
worden gewijzigd en die moet naar de Kamer. Dat vergt zorgvuldige
trajecten. Die hebben we met z'n allen bedacht. Daar moet ik me als
minister ook aan houden, en dat doe ik ook. Elke ondernemer weet — ik
weet dat de heer Prickaertz ook een ondernemer is geweest — dat als je
bijvoorbeeld aan de slag gaat met een omzettarget en aan sales wil gaan
doen, je eerst lijntjes uit gaat gooien en aan het eind van het jaar de
resultaten krijgt. Dat is precies wat er nu aan de hand is.
De voorzitter:
Meneer Prickaertz, uw tweede interruptie.
De heer Prickaertz (PVV):
Eigenlijk heb ik een toevoeging. Ik hoop dat de minister zo veel
mogelijk druk zal kunnen uitoefenen op zijn collega's om alsnog zo snel
mogelijk tot die 500 afgeschafte regels te komen.
Minister Karremans:
Binnen de kaders van de wet zal ik dat doen. Binnen de kaders van de wet
zal ik zo veel mogelijk druk uitoefenen.
De voorzitter:
Minister, gaat u verder met uw betoog.
Minister Karremans:
Op hoeveel geschrapte regels kunnen we rekenen? Dat is een vraag van de
heer Van Lanschot. Ik zei het al: ik ga nog steeds voor 500 voor de
zomer van 2026. Ik ben ervan overtuigd dat dat gaat lukken. Er is veel
momentum, zeker ook door een target te stellen. Minister zijn is op zich
een hele interessante baan, maar het interessante ervan is: alles wat je
doet — het maakt niet uit wat — krijgt gelijk kritiek vanuit de
samenleving. Er zijn altijd mensen die het met je oneens zijn. Dat is
helemaal prima. Dat geldt ook voor dit geval.
Ook over het kwantitatieve target van 500 zeggen mensen: je zou dat
eigenlijk helemaal anders moeten doen. Maar ik heb juist dat
kwantitatieve target van 500 genomen — ik weet dat de heer Van Lanschot
het met me eens is, want dat heb ik hem horen zeggen in de eerste
termijn — omdat je dan de dynamiek krijgt van een afrekenbaar target.
Dat hebben we daarvoor nooit gehad. Ik heb ook gezegd: het maakt met
niet uit wat het target is, als het maar ambitieus en haalbaar is. Het
maakte mij niet uit of dat 1.000 of 200 is; ik wilde een target waarmee
ik kan werken, dat ambitieus is en ook haalbaar is. Dat is die 500. Je
ziet daarmee een dynamiek ontstaan op departementen die er niet eerder
is geweest, omdat er opeens wordt gedacht: o ja, we moeten iets leveren.
Het is net als met taakstellingen: we moeten iets leveren en als we het
een niet willen leveren, moeten we iets anders leveren. Het helpt enorm
om die stok achter de deur te houden. Ik denk dat dat belangrijk
is.
Uiteindelijk zal je altijd moeten kijken naar het resultaat. De ene
regel, zoals het schrappen van die registratieplicht voor het bijhouden
van hoe je personeel naar zijn of haar werk komt, heeft meer impact dan
het schrappen van de regel dat autohandelaren altijd een gids bij de
hand moeten hebben voor brandstofgebruik als mensen daarnaar vragen. Ik
noem maar wat. Dat zijn er overigens twee die we allebei gaan schrappen.
De een heeft meer impact dan de ander; dat zal je altijd hebben.
Uiteindelijk is het belangrijk om die dynamiek zo te maken dat we eens
een keer de andere kant op gaan. In plaats van elke keer weer meer
regels maken — dat horen we echt terug van ondernemers: er komen alleen
maar meer en meer en meer regels — gaan we nu eens de andere kant op.
Dat is echt nodig, niet alleen voor het vestigingsklimaat — uiteindelijk
is het indirect ook daarvoor nodig — maar vooral om ondernemen weer leuk
te maken. Ik zie de lol en het plezier vaak wegsijpelen uit de ogen van
ondernemers als ze het over de regeldruk hebben.
De voorzitter:
Minister, u bent ontzettend enthousiast aan het betogen, maar ik wil u
toch vragen iets meer vaart te maken in uw beantwoording van de
vragen.
Minister Karremans:
Helder.
Dan een vraag van de heer Kisteman: hoe kunnen we de regeldruk vanuit
gemeenten, dus de regionale regeldruk, zo veel mogelijk beperken voor
ondernemers, zonder dat we daarbij de autonomie van gemeenten
veronachtzamen? Dat is een heel terecht punt. Daar zullen we ook mee aan
de slag moeten met de VNG. Ik wil dus toezeggen dat ik daarmee aan de
slag ga. Dat is ook een van de acties van de OndernemersTop. Daar zag je
bijvoorbeeld dat evenementenorganisatoren, ondernemers, in verschillende
gemeenten te maken hadden met verschillende regels. In de ene gemeente
moest het podium zo groot zijn en in de andere gemeente weer 1 vierkante
meter groter. Je wordt er helemaal gek van. Dat is totaal niet op elkaar
afgestemd. Dat moeten we wel gaan doen. Daar heb ik ook met de VNG over
gesproken. Dat pakken we nu op met de evenementensectoren, maar ik zeg
ook toe dat we dit breder gaan bekijken en dat we met de VNG afspraken
gaan maken om te kijken of we dit veel meer kunnen harmoniseren. We zijn
al een klein land, met 342 gemeenten. Met alle respect voor het huis van
Thorbecke, waar de heer Flach altijd aandacht voor vraagt: dit moeten we
toch beter kunnen standaardiseren? Daar gaan we mee aan de slag. Goed
punt.
De heer Kisteman (VVD):
Bedankt voor deze toezegging. Ik heb de minister net horen betogen hoe
blij hij is met concrete doelstellingen. Die hebben we nodig; we moeten
targets zetten. Wanneer kunnen we dit verwachten? Is het misschien een
goed idee om dit meteen met die 500 regels mee te nemen in een brief,
vlak voor de zomer?
Minister Karremans:
Ik kan voor de zomer sowieso met de VNG een aanpak met daaraan
gekoppelde doelstellingen communiceren aan de Kamer. Ik denk dat dat
voor de zomer kan. Ja, dat pakken we op.
De voorzitter:
Die toezegging schrijven we op. Gaat u verder.
Minister Karremans:
Oké. Dan zijn we bij het blokje versterken van de interne markt.
Daarover was één vraag, van de heer Dassen. Hij is vandaag niet
aanwezig, maar ik vond het wel een relevante vraag. Ik heb hem eigenlijk
voor een deel al beantwoord. Is Europese integratie absoluut
noodzakelijk? Volgens mij heb ik daar het een en ander over gezegd. We
moeten naar een Europese harmonisatie van de economie toe, dus daarop
zeg ik kortheidshalve absoluut ja.
De heer Van Lanschot (CDA):
Nog even over het blokje regeldruk. In de schriftelijke beantwoording
stond een prachtig epistel over de ABRO. Ik zou de minister willen
vragen of hij de resultaten van de mkb-toets kan delen met de Kamer
wanneer die binnen zijn.
Minister Karremans:
Dat kan zeker.
De voorzitter:
Dat is lekker kort. Gaat u verder.
Minister Karremans:
Ja, ik moest het kort houden. Het blokje versterking van de interne
markt heb ik dus ook gehad. Dat hebben we namelijk al besproken met
elkaar.
Dan ben ik bij het kopje overig. De heer Vermeer had een vraag over het
wetsvoorstel Rechtsbescherming bij aanbesteden, dat volgens hem grote
projecten en maatschappelijke opdrachten dreigt te vertragen en duurder
dreigt te maken. Dat is met aanbesteden natuurlijk altijd een ... De
reden voor de wijziging daarvan is eigenlijk de balans tussen
rechtsbescherming, ook voor kleine ondernemers, ten aanzien van het
tempo dat je hebt bij aanbestedingen. Op zichzelf stipt de heer Vermeer
dus een heel terecht punt aan. De internetconsultatie is net afgerond.
Daar komen ook positieve geluiden uit voort. Dit wetsvoorstel zal ook in
de Kamer worden behandeld. Volgens mij ligt het nu ook bij de Kamer. Ik
zie uit naar een goede inhoudelijke behandeling van dit
wetsvoorstel.
Tot slot. Ik kreeg van de heer Prickaertz en de heer Flach een vraag
over de maritieme maakindustrie. Zij vroegen of wij ons daarvoor ook
inzetten. Absoluut. Dat doen we met de gezant, die net weer is
herbenoemd, en met de Sectoragenda Maritieme Maakindustrie, met de titel
No guts, no Hollands Glorie! Die is u welbekend, denk ik. Daar wordt nog
steeds uitvoering aan gegeven. Een belangrijke actielijn in de
sectoragenda behelst het versterken van de maritieme sector op Europees
niveau, met daarin een sterke positie voor de Nederlandse maritieme
sector. Daar lobbyen wij ook voor in Europa.
De heer Flach (SGP):
Daar heb ik een vervolgvraag op. Die sectoragenda en het
Rijksregiebureau lopen door tot eind 2026. De strekking van mijn vraag
en het aanbod dat daarachter zit, is: zet dat toch alstublieft vooral
door, juist vanwege de strategische autonomie en vanuit onze positie in
Europa op dit punt.
Minister Karremans:
Ik snap de vraag, maar daar moet ik even naar kijken. Daar moet ik even
in duiken. Daar kom ik dan in de tweede termijn even op terug.
Mevrouw Oualhadj (D66):
Voordat de minister zo meteen afrondt, wil ik nog heel even terugkomen
op zijn antwoord in de schriftelijke beantwoording over ondernemingen in
moeilijkheden. Ik heb het antwoord gelezen. Ik snap natuurlijk helemaal
waar het lastig is en waarom het zo beperkt is. Daar hebben wij het op
18 december ook over gehad. Heel fijn dat de minister dit op Europees
niveau probeert op te lossen. We weten waarom dat voor mij zo'n lastig
punt is. 2027 is nog ver, maar ik heb toch even de volgende vraag. Als u
dan toch met die andere lidstaten optrekt, praat u dan ook met de
lidstaten die dit al wel geregeld hebben op nationaal niveau? Wat is nou
precies het verschil met hoe wij het in Nederland organiseren waardoor
dat hier niet kan?
De voorzitter:
Ja, duidelijke vraag.
Minister Karremans:
Zeker, daar praten we ook mee, maar het lijkt in die andere lidstaten
wel dezelfde problematiek te geven. Dat is dus gewoon de uitleg van de
Europese regels. Bij de Commissie wordt ook gezegd: jullie leggen het
goed uit. Zo wordt het dus ook gezien in andere lidstaten; daar is ook
vergelijkbare problematiek. Zoals ik in de schriftelijke beantwoording
heb gezegd, laten we RVO wel maximaal meedenken. We kijken dus altijd
hoe we daar nu even tijdelijk een mouw aan kunnen passen, omdat we
verwachten dat over een jaar de definitie is aangepast. Daarover wordt
dus heel proactief meegedacht, om ervoor te zorgen dat de lacune in het
begrip zo min mogelijk in de weg loopt.
De voorzitter:
Mevrouw Oualhadj voor een tweede interruptie.
Mevrouw Oualhadj (D66):
Ja, dank. Dat is echt heel fijn, ook voor de ondernemers die meekijken.
Toch kan in Duitsland een achtergestelde lening in de nationale
boekhoudwetgeving wel worden gekwalificeerd als eigen vermogen, omdat
die de kenmerken daarvan heeft. Ik ben dan dus toch benieuwd waarom de
buren dat wel kunnen en wij niet, en of u hen gesproken heeft, zeg ik
via de voorzitter tegen de minister.
Minister Karremans:
Volgens mij is er ambtelijk contact over geweest. Ik kom zo in tweede
termijn even terug op dit specifieke voorbeeld.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Ik zou toch nog één vraag willen stellen over aanbesteden. Daar kan ik
heel veel over zeggen. In de schriftelijke beantwoording zegt de
minister dat Nederland terughoudend is als het gaat om "koop Europees".
Dat zou je dan per sector moeten bekijken. Nou snap ik dat vanwege de
Nederlandse open economie en omdat we veel exporteren, niet in de
laatste plaats naar de VS en ook echt buiten de Unie, maar dat is nog
geen visie. Kan de minister aangeven hoe we daar nou mee omgaan, in de
zin van in welke sectoren we dat wel zouden willen en in welke niet?
Minister Karremans:
Dat is natuurlijk lastig. Ik vind het op zichzelf een terechte vraag.
Vitale sectoren, waar we het in het kader van vifo bijvoorbeeld ook over
hebben, wil je het liefst Europees houden. Met de hele discussie over
Solvinity en een Amerikaanse koper nu kan je je voorstellen dat je op
telecomgebied of op defensiegebied, als het gaat om de vitale sectoren,
er juist wel voor kiest om te zeggen: dat willen we zo veel mogelijk in
Europese handen houden. Nederland is er inderdaad voorzichtig in om dit
helemaal dicht te gooien, wat bijvoorbeeld de Franse positie is,
namelijk: alles moet in Europa. Je wilt ook kijken naar kwaliteit en je
hebt inderdaad ook handelsbelangen in economieën buiten de Europese
lidstaten. Als wij dat gaan doen, wat gaan zij dan doen? Dat is de visie
erop. Als het echt gaat om vitale, strategische sectoren, dan valt er
veel voor te zeggen om dat te doen, maar je moet ook altijd kijken naar
de uitwerking in de praktijk. Dat geldt ook ten aanzien van defensie. Ik
denk dat er geen enkele minister van Defensie in Europa nu zou willen
zeggen: we kopen alleen nog maar Europees defensiemateriaal.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Dat laatste is duidelijk. Ik snap de houding ook wel, maar dat is ook
een beetje de klassieke houding tegenover Frankrijk, en voor een deel
ook Duitsland. In zo'n Europese discussie gaan zij vooral hun industrie
promoten en dat wordt dan "koop Europees". Maar dat is wel een beetje
een defensieve opstelling. Je kunt ook andersom denken: in welke sector
is Nederland goed en vinden we "koop Europees"? Moeten we dat zelf niet
ook eens gaan agenderen?
Minister Karremans:
Dat doen we ook. We kijken bij elk voorstel, ook als het bijvoorbeeld
gaat om seabed-beschermingsmaatregelen ten aanzien van staal, wat het
netto-effect voor Nederland is. We nemen dan niet alleen de potentiële
negatieve effecten mee maar ook de positieve effecten. We bekijken het
dus in balans. Omdat de economie zich nou eenmaal zo gevormd heeft, zal
je dus ook per sector moeten bekijken wat de impact is.
De heer Van Lanschot (CDA):
Dank aan de minister voor zijn gloedvolle en inspirerende betoog over
onder andere het familiebedrijf en zijn boeiende persoonlijke
achtergrond daarin. Ik heb eigenlijk nog twee vragen gemist in de
beantwoording. Eentje is naar aanleiding van de schriftelijke vragen
over de nationale investeringsbank. Daarin hebben wij gevraagd om een
routekaart met mijlpalen op hoofdlijnen op kwartaalbasis. In het belang
van de uitvoering, die de minister zo benadrukt, zouden wij die graag
zien, maar die toezegging zien wij niet terug in de beantwoording van de
schriftelijke vragen. Ik zou dus toch aan de minister willen vragen of
hij dat kan heroverwegen.
De voorzitter:
Minister, kunt u dat heroverwegen?
Minister Karremans:
Dan moet ik zo even de schriftelijke set erbij pakken om te zien wat
precies de afweging was, maar volgens mij had het ermee te maken dat een
aantal dingen best wel een beetje "schuivende panelen" waren — laten we
het zo zeggen. Daardoor is het lastig om nu een onepager te maken. Ik
beloof dat ik het nog even zal heroverwegen en daarop in de tweede
termijn zal terugkomen.
De voorzitter:
De heer Van Lanschot voor een tweede vraag.
De heer Van Lanschot (CDA):
Mijn tweede vraag gaat over internationalisering in het onderwijs en de
ontwikkelingen op dat vlak bij de Universiteit Utrecht. In de
beantwoording van de schriftelijke vragen schrijft deze minister dat de
minister van OCW gaat praten met de UNL, maar de oproep die wij deden,
neemt hij daarin niet mee, namelijk de oproep om de negatieve effecten
van sommige ontwikkelingen die wij zien, te mitigeren. Wij willen de
minister dus vragen of hij dat wel kan overbrengen aan de minister van
OCW.
Minister Karremans:
Sorry. Dat zal ik doen, want ik vond het verhaal van de heer Van
Lanschot daarover zeer terecht. Ik heb ook economie gestudeerd, maar dan
in Rotterdam. Het is juist belangrijk dat die opleiding Engelstalig is,
want de meeste banen die economen vervolgens krijgen, zijn ook
Engelstalig. Ik vond het juist een extreem grote meerwaarde hebben dat
die opleiding voor een heel groot deel in het Engels was. Heel
belangrijk.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Ik heb ook de schriftelijke beantwoording van de vragen gelezen. In deze
Kamer hebben wij heel veel debatten gevoerd over de inflatie en de
boodschappenprijzen die mensen iedere dag of een aantal keren in de
supermarkt zien. In Nederland kennen wij een bovengemiddeld hoge
inflatie. Dat geldt zeker voor de voedselprijzen. Ik lees de
schriftelijke antwoorden en ik zie een aantal aangenomen voorstellen van
mijn partij. Wat mij nou steeds verbaast, is dat daar eigenlijk niets
mee wordt gedaan.
De voorzitter:
Uw vraag?
De heer Jimmy Dijk (SP):
Op den duur wordt dat wel een beetje frustrerend. Je krijgt het voor
elkaar dat voorstellen worden aangenomen en we hebben hier veel debatten
over gehad, maar eigenlijk komt er nooit een antwoord op de vraag wat we
gaan doen om de prijzen van voedsel in supermarkten te verlagen.
De voorzitter:
Helder.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Aan de ene kant worden de voorstellen die worden aangenomen niet
uitgevoerd en aan de andere kant komt er geen antwoord op.
De voorzitter:
Minister, kan daar een antwoord op komen?
Minister Karremans:
Ja. Ik zit even na te denken over welke voorstellen dat dan zijn. Ik
weet wel dat door de SP en bijvoorbeeld ook door de PVV voorstellen zijn
gedaan, bijvoorbeeld om boodschappenprijzen te cappen en zo, maar ik heb
gemotiveerd aangegeven waarom het heel onverstandig is om dat te doen.
Ik denk dus dat we het daar gewoon niet met elkaar over eens zijn.
Wat doen we ten aanzien van de boodschappenprijzen? Ik denk dat de heer
Dijk daar absoluut een punt heeft en dat veel mensen merken dat de
boodschappenprijzen enorm zijn gestegen. Dat komt natuurlijk door de
inflatie in Nederland. Supermarkten ondervinden vaak beperkingen als zij
goedkoper willen inkopen in het buitenland. Je zou in Europa graag voor
lagere prijzen willen inkopen. Bijvoorbeeld in Duitsland is een fles
cola heel veel goedkoper dan in Nederland, maar dat geldt ook voor chips
en andere producten. Je wil de Nederlandse supermarktconcerns dus daar
laten inkopen, maar door regels kan dat nu heel vaak niet. Ik doel nu op
de territoriale leveringsbeperkingen. In Europa trekken we er heel hard
aan om daar een einde aan te maken. Dat is niet even makkelijk, zeg ik
er gelijk bij, want niet alle lidstaten zijn daarvoor te porren, maar we
zijn al een heel eind. Bij dat soort zaken gaan mensen direct merken dat
die iets aan de boodschappenprijzen doen. Wij hebben hier inderdaad een
uitgebreid debat gehad over de inflatie en de boodschappenprijzen,
waarin een aantal ideeën zijn gewisseld. Het kabinet heeft daarop gezegd
een aantal zaken op te pakken. Ook de ACM heeft dat gezegd ten aanzien
van de boodschappenprijzen, althans wat betreft sommige producten, want
het geldt niet voor alle producten. Er zijn ook voorstellen gedaan
waarover we gezegd hebben dat we die niet verstandig vinden.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Dat is helder. Laat ik er dan nog eentje bij pakken, van 30 januari
2025. We zien dat slechts vijf bedrijven de volledige
voedingsmiddelenmarkt in handen hebben. We willen dat graag in kaart
gebracht zien en we willen dat de regering iets gaat doen aan de
concentratie en de marktmacht die tot prijsopdrijving kan leiden. Ik heb
dit voorstel gedaan namens de SP, maar het lijkt mij best wel liberaal
om marktmacht en concentratie van enkele grote spelers te
doorbreken.
De voorzitter:
En uw vraag?
De heer Jimmy Dijk (SP):
Daar is tot op de dag van vandaag geen antwoord op gekomen.
De voorzitter:
Oké. Minister, kunt u daarop ingaan?
Minister Karremans:
Dan moet ik dat even nagaan, want als het om een aangenomen motie gaat
die nog niet is afgedaan, kan ik even kijken wat daar de status van is.
Daar kan ik zo op terugkomen.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Het bevreemdt mij zo dat hier wel constant door partijen en door het
kabinet wordt gezegd dat zij het zo belangrijk vinden dat die
boodschappen betaalbaar worden, maar er bar weinig gebeurt, eigenlijk
niets. We zijn een jaar verder. Ik heb eens even gekeken: in '23, '24 en
'25. Maar tot op de dag van vandaag blijven de boodschappenprijzen
stijgen en hebben mensen daar dagelijks last van. En potverdorie,
gisteren of eergisteren kwam weer het bericht dat er veel werkende armen
zijn die de rekening niet kunnen betalen. Ik vind het dan fijn als het
kabinet ook iets serieuzer omgaat met aangenomen voorstellen van deze
Kamer die daar iets aan pogen te doen, in plaats van daarvan weg te
kijken. Ik vind dat zonde.
De voorzitter:
Ja. Dat was de laatste interruptie van dit blokje. De minister.
Minister Karremans:
Ik snap die frustratie van de heer Dijk. Ik zeg er wel gelijk bij: er is
geen knop waarop we kunnen drukken hier in Den Haag, wat ervoor zou
zorgen dat de boodschappenprijzen morgen gaan dalen. De aangenomen
voorstellen gelden altijd; daarmee heeft de heer Dijk zonder meer een
punt. Als er aangenomen voorstellen zijn, moet daar netjes een antwoord
op komen. Als het kabinet ze bij nader inzien toch niet wil uitvoeren,
om wat voor reden dan ook, dan moet dat netjes aan de Kamer worden
gecommuniceerd. Ik zal ten aanzien van het voorbeeld dat de heer Dijk
net noemde, navraag doen en kijken wat daar de stand van zaken van is.
Maar je moet ook eerlijk zijn over de boodschappenprijzen, dus over
waardoor dat komt. We zien in Nederland — en dat is de andere kant van
het verhaal — niet alleen gestegen boodschappenprijzen, maar ook zeer
sterk gestegen lonen. We hebben een reële loongroei, wat betekent dat de
lonen gelukkig sterker stegen dan de inflatie in de afgelopen tijd. En
dat is ook mooi, dat mensen meer geld overhouden in de portemonnee. Dus
niet alleen de boodschappenprijzen zijn gestegen; de lonen zijn nog veel
harder gestegen. Het heeft ook allemaal met elkaar te maken, want die
supermarkten moeten natuurlijk ook hun mensen goed betalen. Dus het is
allemaal logisch. Zo werkt dat in een economie. Maar de voorstellen die
worden gedaan voor een cap op de boodschappenprijzen — dat is ook
weleens in deze Kamer genoemd en daar is volgens mij schriftelijk op
teruggekomen — zijn een zeer, zeer onverstandig idee om te doen. Dat
zorgt voor schaarste en een lagere kwaliteit. In de landen en op de
plekken waar ze dat ooit geprobeerd hebben, heeft dat niet goed
uitgepakt. We zijn dus ook zeker niet van plan om dat hier te doen, maar
aan de punten waarop we wel invloed hebben, bijvoorbeeld die
territoriale leveringsbeperkingen, werken we hard om ervoor te zorgen
dat die boodschappenprijzen op dat punt een stuk omlaag kunnen.
De voorzitter:
Meneer Dijk, u bent eigenlijk al door uw interrupties heen.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Ja, maar ik wilde hier wel een feitelijk punt over maken. Het voorstel
dat aangenomen is, gaat er namelijk over dat we onderzoeken of dat een
middel is om te doen. Dat is dus niet gebeurd. De minister beweert dat
hier, maar kan dat eigenlijk niet staven. Het voorstel was gewoon om de
ACM te laten uitwerken of dit kan en welke effecten dat heeft.
Minister Karremans:
O, maar dat ga ik na.
De voorzitter:
Het gaat hier via de voorzitter. U gaat het na. Dat heeft u net
toegezegd en dat hebben we genoteerd, dus dat gaan we in de gaten
houden. Gaat u verder met uw betoog.
Minister Karremans:
Nou, ik was klaar eigenlijk.
De voorzitter:
Dan kunt u, als u ze voor u heeft, ook nog de drie amendementen
bespreken.
Minister Karremans:
O, ik dacht die zo meteen te doen, bij de moties.
De voorzitter:
We zijn het eigenlijk gewoon om in de eerste termijn de amendementen te
doen, zodat de Kamer daarop kan reageren in de tweede termijn. Wilt u
dat we daar even kort voor schorsen?
Minister Karremans:
Ja. Ik heb hier namelijk een motie ...
De voorzitter:
Ik schors even, voor een minuut.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de begroting van Economische
Zaken, de eerste termijn van de demissionaire minister. Hij gaat nu de
drie amendementen die er nog liggen van een appreciatie voorzien. We
beginnen bij het amendement op stuk nr. 7. Dat is nog van het lid
Kouwenhoven van NSC.
Minister Karremans:
Ontraden.
De voorzitter:
Dat is een heel duidelijke appreciatie. Dan komen we bij het amendement
op stuk nr. 19, van het lid Flach.
Minister Karremans:
Oordeel Kamer.
De voorzitter:
Oordeel Kamer.
Minister Karremans:
Misschien mag ik er nog even wat over zeggen, voorzitter.
De voorzitter:
Ja, dat mag.
Minister Karremans:
Bij de vorige kon ik kort zijn. Dit gaat over het Nederlands Materialen
Observatorium. Ik deel volledig het belang van structurele financiering
van het NMO dat de heer Flach in het amendement heeft beschreven. Naast
taken onder de Nationale Grondstoffenstrategie heeft het NMO ook
wettelijke taken onder de European Critical Raw Materials Act. Daarmee
draagt het bij aan een thema waar we het vandaag over gehad hebben,
namelijk de economische weerbaarheid van Nederland. Het amendement op
stuk nr. 19 krijgt dus oordeel Kamer.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 19 krijgt oordeel Kamer. Dan gaan we naar het
amendement op stuk nr. 20.
Minister Karremans:
Dat krijgt ook oordeel Kamer. Dat gaat over de Impulsaanpak
winkelgebieden. Dat is een hartstikke mooi amendement en dat krijgt
oordeel Kamer.
De voorzitter:
Dat is een amendement van het lid Kisteman, heb ik hier staan.
De heer Flach (SGP):
Dank aan de minister voor de appreciaties. Even als check: er werd
gezegd dat het ging om het amendement op stuk nr. 19, toch? Ik dacht dat
het het amendement op stuk nr. 16 was.
De voorzitter:
Ja, ik zei nr. 19. Dat was voorheen inderdaad het amendement op stuk nr.
16, maar het is nr. 19 geworden.
Bij het amendement op stuk nr. 20 hebben we genoteerd: oordeel
Kamer.
Daarmee ronden we de eerste termijn van de minister af. We gaan door
naar de tweede termijn van de Kamer. We beginnen, neem ik aan, weer
gewoon bij de heer Schoonis, die gisteren zijn maidenspeech hield. Hij
voerde daarmee als eerste het woord namens de fractie van D66. U heeft
twee minuten spreektijd, meneer Schoonis.
De heer Schoonis (D66):
Dank, voorzitter. Ook nog dank aan alle collega's hier voor alle
felicitaties na mijn maidenspeech; zeer gewaardeerd. Gisteren zei ik:
van grootbedrijf naar mkb, iedereen doet mee. Dat is heel belangrijk. Ik
vind het dan ook heel mooi dat het amendement over de Impulsaanpak
winkelgebieden, met de heer Kisteman als kartrekker, oordeel Kamer heeft
gekregen. Dat is een mooi voorbeeld, omdat daarin niet alleen financiële
waarden meetellen, maar ook sociale waarden samenkomen, privaat en
publiek. Dat is zeer mooi. Dit dient om de leefbaarheid van de kernen en
binnensteden te vergroten met een bewezen aanpak. Sociale innovatie, zou
ik zeggen. Ik ben hiervan dus ook graag medeondertekenaar.
Naast dit punt is het, gezien de vele ondertekenaars, ook breedgedragen.
Ik hoop dat we dit nog veel vaker gaan zien de komende jaren: dat we
kijken naar de 80% waar we het over eens zijn bij Economische Zaken en
daar slagen in maken in de Kamer, voor een bloeiende Nederlandse
economie.
Dank.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Schoonis. Dan wil ik graag mevrouw Oualhadj
uitnodigen om naar het spreekgestoelte te komen. Zij zal ook namens de
fractie van D66 spreken. Ook u heeft nog twee minuten spreektijd. Neemt
u de tijd om naar het spreekgestoelte te lopen.
Mevrouw Oualhadj (D66):
Dank u wel, voorzitter. Ik dank de minister voor de beantwoording en de
collega's voor het debat. Misschien is het leuk om nog even iets te
vermelden: mijn opa is als gastarbeider naar Nederland gekomen en heeft
ook in een melkfabriek gewerkt. We hebben dus toch wat meer gemeen, zeg
ik via de voorzitter tegen de minister.
Dit was mijn allereerste begrotingsdebat. Het is bemoedigend om te zien
hoe hier een gedeelde urgentie naar voren komt ten aanzien van
innovatie, strategische autonomie en de toekomst van onze welvaart. Ik
kijk er dan ook zeker naar uit om de komende jaren dit debat verder met
u te voeren. Zoals ik in mijn eerste termijn heb aangekondigd, dien ik
een motie in. Deze motie is gericht op het benutten van het
groeipotentieel van vrouwen. Zo zorgen we ervoor dat vrouwelijke
ondernemers zo snel mogelijk net zoveel financiering ophalen als hun
mannelijke collega's. Dat is niet alleen een kwestie van
rechtvaardigheid, maar ook van economisch verstand.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat Nederland economisch potentieel laat liggen doordat
vrouwelijke ondernemers bij het aantrekken van (groei)financiering en
bij opschaling structurele drempels ervaren, waardoor zij gemiddeld
minder groeikapitaal realiseren dan mannelijke ondernemers;
constaterende dat uit onderzoek blijkt dat een meer gelijkwaardige
verdeling van de beschikbare financiering jaarlijks tot 139 miljard euro
extra economische waarde kan opleveren, onder meer door hogere
economische groei, meer innovatie, extra werkgelegenheid en een
versterking van het Nederlandse vestigings- en ondernemersklimaat;
overwegende dat Code-V zich inzet voor het faciliteren van een
ecosysteem waarin vrouwelijke ondernemers hun volledige groeipotentieel
kunnen benutten;
verzoekt de regering om voor de komende twee jaar voldoende budget
beschikbaar te stellen binnen de bestaande budgetten voor het bevorderen
van ondernemerschap, ten behoeve van een subsidie aan Code-V, en de
Kamer hierover uiterlijk in Q2 van dit jaar te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Oualhadj.
Zij krijgt nr. 22 (36800-XIII).
Dank u wel, mevrouw Oualhadj. Dan wil ik graag mevrouw Martens-America uitnodigen om namens de VVD naar het spreekgestoelte te komen. U heeft nog twee minuten spreektijd voor de tweede termijn.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Voorzitter, het moment is daar. Ik ga een motie indienen namens de heer
Dassen, die zich helaas heeft moeten afmelden. Dus mocht u dit geen
VVD-motie vinden, dan kan dat, maar we zijn toch nog een beetje
collegiaal.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de markt voor overheidsaanbestedingen en -opdrachten
in de Europese Unie ruim 2 biljoen euro bedraagt, gemiddeld 14% van het
Europese bbp;
overwegende dat systematische barrières ervoor zorgen dat start-ups en
scale-ups ondervertegenwoordigd zijn in overheidsaanbestedingen, wat
resulteert in onderontwikkeling van het Europese
innovatie-ecosysteem;
verzoekt de regering in Europees verband te onderzoeken op welke
manieren Europese start-ups en scale-ups kunnen profiteren van een
voorrangsregeling bij Europese aanbestedingen en dit te implementeren
tijdens de aankomende herziening van de Europese
aanbestedingsverordeningen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Martens-America en Dassen.
Zij krijgt nr. 23 (36800-XIII).
Nou, mevrouw Martens-America, het is zeer collegiaal dat u uw
spreektijd gebruikt voor het indienen van een motie namens de heer
Dassen.
Dan wil ik graag de heer Kisteman naar het spreekgestoelte vragen. De
heer Kisteman slaat zijn tweede termijn over.
Dan gaan we naar de heer Van der Lee. Hij heeft nog drie minuten
spreektijd.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Dank aan de minister voor zijn energieke betoog, maar ook dank aan de sg
en alle mensen die voor hen beiden werken. Dat is belangrijk voor
Nederland. Ik heb een aantal moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de huidige geopolitieke situatie aantoont dat het van
groot belang is wederzijdse strategische afhankelijkheden te behouden en
de strategische autonomie van Europa en Nederland te versterken;
overwegende dat het van groot belang is de voorzienings- en
leveringszekerheid te borgen voor sectoren die kritiek of van groot
economisch-strategisch belang zijn voor Nederland en Europa, zoals door
het kabinet aangegeven in de Kamerbrief over industriebeleid met
focus;
overwegende dat de voorzienings- en leveringszekerheid van halfgeleiders
nog onvoldoende geborgd is en aanvullende inzet van Nederland en Europa
vereist is en dat hiervoor de herziening van de Chips Act 2.0
mogelijkheden biedt;
verzoekt het kabinet zich actief in te zetten om in EU-verband toe te
werken naar mondiale, flexibele, betrouwbare leveringsketens, bij de
herziening van de Chips Act 2.0 rekening te houden met het stimuleren
van de gehele waardeketen, van equipment, frontend- tot backendproductie
van chips in Europa voor zowel geavanceerde als minder geavanceerde
chips, en daarbij tevens te verkennen hoe de Europese vraag naar deze
chips gestimuleerd kan worden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van der Lee, Oualhadj, Dassen,
Van Lanschot en Grinwis.
Zij krijgt nr. 24 (36800-XIII).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat Nederland en de EU hun strategische autonomie willen
versterken, terwijl casussen zoals Nexperia en Solvinity laten zien dat
vitale belangen onvoldoende zijn beschermd;
overwegende dat de Wet vifo zich momenteel richt op nationale
veiligheid, terwijl andere EU-lidstaten een bredere economische en
geopolitieke afweging maken, en dat de EU werkt aan aangescherpte kaders
voor buitenlandse investeerders;
verzoekt de regering de aanpassing van de Wet vifo te benutten om naast
nationale veiligheid ook strategische autonomie expliciet mee te wegen
en het instrumentarium zo nodig te versterken;
verzoekt de regering tevens initiatieven van de Europese Commissie te
steunen die gericht zijn op het aanscherpen en harmoniseren van
voorwaarden voor buitenlandse investeerders in strategische
sectoren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van der Lee, Dassen, Oualhadj,
Van Lanschot, Jimmy Dijk en Grinwis.
Zij krijgt nr. 25 (36800-XIII).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de overheid jaarlijks circa 110 tot 120 miljard euro
aan goederen en diensten inkoopt, ongeveer 13% van het bbp, en daarmee
een aanzienlijke marktmacht en hefboom heeft voor industrie- en
innovatiebeleid, zoals ook geconstateerd in rapport-Wennink;
overwegende dat deze hefboom door extra uitgaven voor klimaat en
defensie verder toeneemt, terwijl een heldere visie en strategie op het
gebruik van publieke inkoop voor doelen zoals verduurzaming, circulaire
economie en veiligheid ontbreekt;
verzoekt de regering uit te werken hoe het inkoop-, aanbestedings- en
subsidiebeleid kan worden ingezet om maatschappelijke en strategische
doelen te verwezenlijken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van der Lee, Van Lanschot,
Oualhadj en Grinwis.
Zij krijgt nr. 26 (36800-XIII).
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Ik praat zo snel, omdat ik ook nog een motie voor de heer Dassen
indien.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het investeringslandschap in Nederland sterk
gefragmenteerd is, waardoor privaat kapitaal en institutioneel kapitaal
onvoldoende worden aangehaakt bij maatschappelijke investeringen, omdat
zij tegen coördinatiefalen aanlopen;
overwegende dat een samenhangend investeringslandschap nodig is om
grootschalig kapitaal te mobiliseren voor de investeringen in ons
toekomstig verdienvermogen en grote transities;
verzoekt de regering bij het oprichten van een nationale
investeringsbank het verminderen van fragmentatie in het
investeringslandschap en het tegengaan van coördinatiefalen als
aandachtspunten mee te nemen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van der Lee en Dassen.
Zij krijgt nr. 27 (36800-XIII).
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Ik vertel graag nog wat over mijn opa's, die allebei een eigen
onderneming hadden, een familiebedrijf. Maar zij waren katholiek. In het
kader van de katholieke emancipatie werden mijn vader en moeder
onderwijzer. Zij hebben mij voortgebracht, maar ik ben ook niet in het
familiebedrijf terechtgekomen.
Dat was het.
De voorzitter:
Dank, meneer Van der Lee. Het was een soort wedstrijd in zo snel
mogelijk moties voorlezen in een korte tijd, maar u heeft het gered en
er ook nog een namens de heer Dassen ingediend. Dan wil ik uitnodigen
naar het spreekgestoelte de heer Prickaertz voor een tweede termijn. U
heeft nog drie minuten.
De heer Prickaertz (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb een tweetal moties, maar wil mijn tijd
graag even gebruiken om ook in te gaan op een aantal schriftelijke
antwoorden van de minister. Vanwege het gebrek aan tijd ga ik even uit
van de nummers die erbij vermeld staan. De focus van de begroting ligt
niet bij de bakker, aannemer of de 3.000 familiebedrijven. De minister
stelt specifiek wel aandacht te hebben voor familiebedrijven. Toch komt
het woord "familiebedrijf" geen enkele keer voor in de begroting.
In datzelfde stukje refereert de minister aan het bevorderen van toegang
tot financiering voor het mkb. Hij geeft als voorbeeld BMKB en Qredits.
Maar deze instellingen zijn, voor zover mijn informatie klopt, niet
geschikt om bestaande financieringen met extreem hoge rentetarieven te
herfinancieren. BMKB is slechts een instrument voor een borgstelling,
maar gaat uit van nieuwe financieringen. Veel mkb-bedrijven hebben juist
behoefte aan structurele mogelijkheden om te herfinancieren. Ik wil de
minister dan ook vragen wat hij daarvan vindt en waar die zich kunnen
melden.
Dan kom ik bij punt 26. Dat gaat over het klimaatbeleid. De minister
geeft in zijn antwoord aan dat er een verstandig klimaat- en
energiebeleid is. Met alle respect, wat is er verstandig aan beleid dat
ondernemers wegjaagt, alleen maar geld kost en veel ellende veroorzaakt?
Hij heeft het over "verstandig energiebeleid". Misschien is de minister
vergeten dat er momenteel circa 23.000 bedrijven in de wachtrij staan om
überhaupt aangesloten te kunnen worden op het elektriciteitsnetwerk.
De voorzitter:
Meneer Prickaertz, ik weet dat u ook nog moties heeft. U heeft nog
anderhalve minuut.
De heer Prickaertz (PVV):
Ik heb twee korte moties, voorzitter, dus dat ga ik wel redden. Mijn
vraag aan de minister is: hoe denkt hij dat aan te pakken?
Dan heb ik een motie namens mijzelf en mijn collega-lid Maeijer.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het kabinet fors extra investeert in defensie;
constaterende dat het versterken van de Nederlandse industrie belangrijk
is voor onze strategische autonomie en economische kracht;
verzoekt de regering om bij de besteding van defensiegeld expliciet te
sturen op versterking van de Nederlandse industrie, zodat Nederland zijn
sterke internationale positie behoudt en verder kan uitbouwen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Prickaertz en Maeijer.
Zij krijgt nr. 28 (36800-XIII).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat ondernemers in toenemende mate worden geconfronteerd
met structurele overlast, wat het Nederlandse investeringsklimaat onder
druk zet;
verzoekt de regering te bezien hoe binnen bestaand economisch beleid kan
worden voorkomen dat ondernemers structureel worden benadeeld door
overlast die zij niet zelf kunnen beïnvloeden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Prickaertz.
Zij krijgt nr. 29 (36800-XIII).
Keurig binnen de tijd, meneer Prickaertz.
De heer Prickaertz (PVV):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan wil ik graag uitnodigen om naar het spreekgestoelte te
komen de heer Van Lanschot namens de fractie van het CDA. U heeft nog
drie minuten.
De heer Van Lanschot (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Ook van mij, en namens de heer Dassen, een
motie, die ik direct zal voorlezen.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat artikel 350 van het Verdrag betreffende de werking van
de Europese Unie (VWEU) de Benelux expliciet ruimte biedt om versneld
verdere harmonisatie te realiseren, vooruitlopend op mogelijke EU-brede
afspraken;
overwegende dat deze positie gebruikt kan worden om als proeftuin van
verdere integratie van het Europese 28ste regime te dienen, waardoor het
mkb in de Benelux kan genieten van geharmoniseerde regelgeving bij
grensoverstijgend handelen én Nederland invloed krijgt op een belangrijk
Europees dossier;
verzoekt de regering om in Benelux-verband te pleiten om de
uitzonderlijke juridische positie van de Benelux Unie actief te benutten
en versneld concrete vormen van afstemming tot stand te brengen voor
bedrijven die grensoverstijgend actief zijn;
verzoekt de regering daarbij gerichte initiatieven te starten op
terreinen waar handelsbarrières voor start- en scale-ups het grootst
zijn, waaronder oprichting, registratie, governance en digitale
bedrijfsprocessen;
verzoekt de regering om hierin een actieve, agenderende rol in te nemen
richting de Europese Commissie, zodat Nederlandse en Benelux-ervaringen
daadwerkelijk richtinggevend worden voor verdere
ondernemingsrechtinitiatieven binnen het 28ste regime op Europees
niveau,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Lanschot en Dassen.
Zij krijgt nr. 30 (36800-XIII).
De heer Van Lanschot (CDA):
Dan nog eentje vanuit het CDA. Het is de motie over colportage, die ik
heb aangekondigd.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Kamer in 2023 de motie-Bontenbal/Kröger heeft
aangenomen die opriep tot een verbod op verkoop van energiecontracten
aan de deur;
overwegende dat er steeds meer excessen bij deur-aan-deurverkoop aan het
licht komen;
overwegende dat de Consumentenbond onderzocht heeft dat ruim 80% van de
Nederlanders voorstander is van een verbod op
deur-aan-deurverkoop;
overwegende dat de minister zich in Europa inzet om het verbieden van
deur-aan-deurverkoop mogelijk te maken en werkt aan een wetsvoorstel om
een afkoelperiode te introduceren na deur-aan-deurverkoop, maar dat meer
mogelijk is;
verzoekt de regering in kaart te brengen welke opties er zijn, landelijk
en lokaal, om ongevraagde commerciële verkoop aan de deur zo veel
mogelijk te beperken, waarbij ruimte moet blijven voor goede doelen,
zoals kinderpostzegels, en kleinschalige initiatieven, zoals de
SRV-wagen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Lanschot, Van der Lee,
Schoonis, Jimmy Dijk en Grinwis.
Zij krijgt nr. 31 (36800-XIII).
En dan zijn er een aantal interrupties. Ik begin met de heer Kisteman. Gaat uw gang.
De heer Kisteman (VVD):
Het gaat over de laatste motie. Ik vraag me af hoe de heer Van Lanschot
het voor zich ziet. Bij mij in de buurt woont en werkt een ondernemer
die kaas en nootjes verkoopt en daarmee langs de deuren gaat. Recent
kreeg ik een briefje in de brievenbus van een meisje van 10 jaar, dat in
een dorp verderop, Dalfsen, eieren koopt en aan huis wil verkopen. Hoe
kijkt de heer Van Lanschot tegen dit soort ondernemingen aan? Hoe
voorkomen we dat zij hieronder gaan vallen?
De heer Van Lanschot (CDA):
Dank voor deze vraag. Ik classificeer dit niet als een onderneming, maar
als een sympathiek lokaal initiatief. Hoe je ervoor zorgt dat dit soort
zaken niet onder "commercieel terugdringen" vallen, zou wat mij betreft
in de opties naar voren moeten komen.
De heer Kisteman (VVD):
Ja, maar deze kaasboer is gewoon ingeschreven bij de Kamer van
Koophandel. Hij heeft gewoon een onderneming en hij verdient zijn geld
met door de woonwijken rijden, aanbellen en mensen aan de deur helpen.
Hoe kijkt de heer Van Lanschot tegen dat soort ondernemingen aan? Het
zijn echt gewoon ondernemers.
De heer Van Lanschot (CDA):
Het is wederom hetzelfde, nog steeds terechte, punt van de heer
Kisteman. Ik schaar dit onder de SRV-wagen. Daarvan zei ik net dat dit
initiatieven zijn waar wel ruimte voor moet blijven bestaan. Omdat de
ondernemer toch al een ventvergunning moet aanvragen, kan ik me
voorstellen dat hij meteen toestemming krijgt via het aanvragen van de
ventvergunning. Zo hoeft hij geen extra documentje aan te vragen en
zorgen we niet voor extra regeldruk. Maar ik laat graag de creatieve
geesten op het ministerie nadenken — zij zijn hier aan zet — over wat
zou kunnen werken in plaats van dat wij hier nu over gaan
filosoferen.
De voorzitter:
Meneer Kisteman voor zijn laatste vraag op dit punt.
De heer Kisteman (VVD):
We willen hier allemaal minder regels, meer duidelijkheid en niet te
veel uitzonderingen, zodat ondernemers weten waar ze aan toe zijn, maar
het lijkt erop dat deze motie op zoek is naar juist het
tegenovergestelde.
De heer Van Lanschot (CDA):
Ik hoorde geen vraag. Ik ken de heer Kisteman als iemand die heel graag
wil dat ondernemers kunnen ondernemen, maar ik denk dat we ook
realistisch moeten zijn. Als meer dan 80% van de mensen in Nederland dit
een heel vervelende praktijk vindt, dan moet je daar oog voor
hebben.
De heer Flach (SGP):
Ik had mijn eerste baantje toen ik 10 jaar oud was. Ik verkocht deur aan
deur in het bejaardenhuis spullen uit de drogisterij van mijn vader. Ik
kreeg een deel van de opbrengst en het doet me dan ook wel pijn om te
horen dat dit soort kansen niet meer weggelegd is voor de jeugd van
tegenwoordig. Mijn vraag is of dit niet een te grove motie is. Hiermee
ga je eigenlijk alles verbieden, behalve … Dat doe je dan, terwijl je je
eigenlijk zou willen richten op de excessen. Zou je niet helemaal aan de
andere kant moeten beginnen door te zeggen "we gaan de excessen
tegenhouden, maar we zorgen dat de goedwillende kleine ondernemer gewoon
buiten schot blijft"?
De heer Van Lanschot (CDA):
De motie — dat heb ik dus ook toegevoegd aan de tekst — beoogt dat te
bereiken. De motie pleit ook niet meteen voor een verbod, want er staat:
breng de opties in kaart. Daarna zijn wij met z'n allen aan zet en
kunnen we gaan nadenken of we die opties proportioneel vinden en of er
nog steeds ruimte is voor die sympathieke kaasboer, de SRV-wagen en
kinderen die postzegels verkopen.
De heer Flach (SGP):
Het is zichtbaar dat de motie iets is afgezwakt ten opzichte van de
eerste termijn. Ik waardeer dat op zichzelf ook wel, maar er zit nog
steeds de tendens in dat het "nee, tenzij" is. Ik zou als SGP'er liever
zien dat het "ja, mits" is, dus dat je wel de ruimte geeft, maar dat je
inderdaad die vervelende energiecontractenverkoper, die we allemaal
kennen van de filmpjes, op de een of andere manier kunt uitbannen. Wij
willen namelijk dat je zo veel mogelijk vrijheid laat aan die kleine
startende creatieve ondernemers.
De heer Van Lanschot (CDA):
Ik begrijp die opmerking, maar ik denk dat die ruimte er met deze motie
gewoon is.
De heer Prickaertz (PVV):
Ik wist dat de motie ging komen, want ik heb het er ook al met de heer
Van Lanschot over gehad. Ik vind het een sympathieke motie, maar mijn
vraag is nog wel hoe meneer Van Lanschot tegenover goede doelen staat.
Goede doelen zijn goede doelen, maar mij valt wel op dat je tegenwoordig
af en toe best wel hele vervelende mensen aan de deur krijgt. Die mensen
zijn ingehuurd door en werkzaam voor bedrijven die ingehuurd worden door
goede doelen om zo veel mogelijk geld binnen te halen, geld op te
halen.
De voorzitter:
Een vraag.
De heer Prickaertz (PVV):
Hoe staat meneer van Lanschot daarin? Ik vind het wel interessant om te
horen of hij denkt dat zijn motie ook een verbod daarop bevat.
De heer Van Lanschot (CDA):
Nee, dat is niet het geval. Goede doelen zijn hier expliciet van
uitgezonderd. Ik denk dat de goede doelen die dit soort partijen
inhuren, die misschien niet altijd even vriendelijk aan de deur zijn, er
zelf ook groot belang bij hebben om daar scherp op te letten. Je gaat
daardoor natuurlijk niet eerder aan dat goede doel geven.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw bijdrage. We gaan door met de tweede termijn van de
heer Jansen namens Forum voor Democratie. Meneer Jansen, u heeft nog één
minuut. Ik hoor u zeggen dat dat ruim voldoende is. Nou, dat is
mooi.
De heer Frederik Jansen (FVD):
Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Een korte motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de veranderende geopolitieke situatie ons dwingt om na
te denken over de afhankelijkheid en weerbaarheid van de Nederlandse
economie;
overwegende dat bedrijven en sectoren van cruciaal belang kunnen zijn
voor de bredere economie en welvaart van ons land;
constaterende dat het ministerie van Economische Zaken zes prioritaire
markten heeft aangemerkt voor gericht industriebeleid;
verzoekt de regering te onderzoeken op welke wijze het gericht innemen
van strategische aandeelhoudersposities binnen deze markten bij kan
dragen aan de economische weerbaarheid van ons land,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Frederik Jansen.
Zij krijgt nr. 32 (36800-XIII).
De heer Frederik Jansen (FVD):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Jansen. Dan wil ik graag meneer Flach uitnodigen. Ook
hij heeft één minuut, maar hij is er ongelooflijk goed in om steeds
binnen de tijd zijn interrupties te doen. Dat geldt ook voor zijn
spreekteksten en we hebben er dus alle vertrouwen in.
Gaat uw gang.
De heer Flach (SGP):
Voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de maritieme sector van groot belang is voor onze
strategische autonomie;
verzoekt de regering de sectoragenda te continueren na 2026,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Flach, Grinwis en Vermeer.
Zij krijgt nr. 33 (36800-XIII).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de 24/7-economie in toenemende mate leidt tot burn-outs
en uitvalklachten;
overwegende dat de Raad voor Volksgezondheid & Samenleving pleit
voor collectieve herwaardering van rust als maatschappelijke
waarde;
overwegende dat de zondag een waardevolle functie als rustdag
vervult;
verzoekt het kabinet om bij de evaluatie van de Winkeltijdenwet de
waarde van de collectieve rustdag voor (kleine) werkgevers, werknemers
en de samenleving nadrukkelijk mee te wegen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Flach, Jimmy Dijk, Grinwis en
Vermeer.
Zij krijgt nr. 34 (36800-XIII).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat kredietverstrekkers pinvoorschotten aanbieden met
rentes tot wel 50%;
verzoekt de regering te verkennen hoe excessen kunnen worden
tegengegaan, bijvoorbeeld door het instellen van toezicht, het
verankeren van de zorgplicht en het invoeren van een renteplafond;
verzoekt de regering te bezien hoe op Europees niveau kan worden ingezet
op betere regulering van de zakelijke kredietmarkt,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Flach, Grinwis, Schoonis,
Kisteman en Vermeer.
Zij krijgt nr. 35 (36800-XIII).
Nou, zelfs dit is gelukt: drie moties binnen een minuut. Dank u wel, meneer Flach. En dan komt nu al, vanzelf, naar het spreekgestoelte de heer Grinwis.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Zeker, voorzitter.
De voorzitter:
Meneer Grinwis, u heeft ook één minuut, dus neemt u een voorbeeld aan
meneer Flach.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Dank, voorzitter. Dank, minister.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat het grootste deel van de Nederlandse bedrijven een
familiebedrijf is en zich als afzonderlijke categorie onderscheidt van
veel andere bedrijven, bijvoorbeeld door het eigenaarschap, de
investeringshorizon en de regionale verankering;
verzoekt de regering het specifieke karakter van familiebedrijven te
erkennen door bij de vormgeving en evaluatie van beleid — bijvoorbeeld
op het gebied van investeren, financiering en innovatie — expliciet
aandacht te hebben en te houden voor familiebedrijven, en daartoe
regelmatig te overleggen met relevante vertegenwoordigers van
familiebedrijven,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Grinwis, Flach, Vermeer, Van
Lanschot, Kisteman, Schoonis en Nanninga.
Zij krijgt nr. 36 (36800-XIII).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het kabinet zich ervoor inzet om in de Digital
Fairness Act (DFA) regels op te nemen over het introduceren van een
toegankelijke functie om abonnementen stop te zetten;
overwegende dat het beëindigen van abonnementen of (social
media)-accounts in voorkomende gevallen tevens eenvoudig moet worden
voor nabestaanden, ook als ze niet over inloggegevens van de overledene
beschikken;
verzoekt de regering om zich in Europees verband ook in te zetten voor
een toegankelijke en eenvoudige procedure om abonnementen en accounts te
beëindigen door nabestaanden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Grinwis, Vermeer, Flach, Van der
Lee, Van Lanschot, Kisteman en Jimmy Dijk.
Zij krijgt nr. 37 (36800-XIII).
Dank u wel, meneer Grinwis. Prima binnen de tijd. Dan is tot slot de heer Jimmy Dijk onderweg. Ook u heeft nog één minuut. Dat gaat lukken. Gaat uw gang.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Dank u wel, voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat veel mensen die graag zouden willen werken nu thuis
zitten terwijl zij met enige vorm van begeleiding aan het werk zouden
kunnen gaan;
overwegende dat mensen die bij sociaal ontwikkelbedrijven werken of met
enige vorm van begeleiding aan het werk zijn, een waardevolle bijdrage
leveren aan onze samenleving en economie;
overwegende dat veel werkgevers, gemeenten en sociaal ontwikkelbedrijven
desondanks nog hindernissen of financiële drempels ondervinden;
overwegende dat het door het bundelen van budgetten mogelijk is om veel
meer banen met begeleiding te realiseren;
verzoekt de regering om voor sociaal ontwikkelbedrijven en begeleid
werken een brede maatschappelijke kosten-batenanalyse uit te laten
voeren door de ministeries van EZ, VWS en SZW, waarbij voortgebouwd
wordt op het rapport Onderzoek infrastructuur sociaal
ontwikkelbedrijven;
verzoekt de regering voor de voorjaarsnota de uitkomsten hiervan met de
Kamer te delen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Jimmy Dijk, Flach en
Grinwis.
Zij krijgt nr. 38 (36800-XIII).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat buitenlandse bedrijven en investeringsmaatschappijen
steeds meer voet aan de grond krijgen in het Nederlandse
bedrijfsleven;
constaterende dat andere landen hierdoor een risicovolle mate van
invloed kunnen hebben op cruciale sectoren en bedrijven in onze
economie, zoals recente voorbeelden bij Chemelot, Nexperia en DigiD
aantonen;
van mening dat Nederland zelf grip en zeggenschap moet houden over
vitale onderdelen van onze economie en samenleving;
verzoekt de regering in kaart te brengen in welke bedrijven en sectoren
buitenlandse bedrijven een significant aandeel hebben en beleidsopties
om grip en zeggenschap te houden aan de Kamer voor te leggen bij de
presentatie van de Miljoenennota 2027,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Jimmy Dijk.
Zij krijgt nr. 39 (36800-XIII).
De heer Jimmy Dijk (SP):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Dijk. Daarmee zijn wij aan het einde gekomen van de
tweede termijn van de Kamer. Ik heb begrepen dat de minister ongeveer
twintig minuten nodig heeft om de ingediende moties van een goede
appreciatie te kunnen voorzien. Ik schors de vergadering voor twintig
minuten.
De vergadering wordt van 20.53 uur tot 21.10 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de begroting van Economische
Zaken. We zijn toe aan de tweede termijn van de demissionair minister.
Die zal vooral de moties die zijn ingediend in de tweede termijn van de
Kamer gaan voorzien van een appreciatie. Ook zal hij nog een aantal
vragen beantwoorden waar hij in de tweede termijn op terug zou komen.
Minister, gaat uw gang.
Minister Karremans:
Dank u wel, voorzitter. Dan kom ik bij de …
De voorzitter:
Minister, excuus. Uw microfoon stond niet aan. Kunt u het herhalen. U
wilde beginnen met mevrouw Oualhadj, maar …
Minister Karremans:
Die is er nog niet.
De voorzitter:
… die was nog niet in de zaal aanwezig.
Minister Karremans:
De heer Van Lanschot ook nog niet. De heer Dijk is er wel. Kijk, die zit
er!"Die dan weer wel", zegt hij. Inderdaad. Nou, wat zullen we daar eens
van maken?
Ik zou nog even terugkomen op de motie die ingediend is. Ik ben het even
nagegaan. Dat is een motie die is ingediend bij een debat met de
minister van SZW. Dat ziet wel op ons onderwerp, maar onze constatering
is dat die nog niet aan ons is overgedragen. Daar gaan we dus even
achteraan. Het was natuurlijk erg verleidelijk om tegen de heer Dijk te
zeggen dat hij aan het verkeerde loket staat, dat hij bij het kastje
moet zijn en niet bij de muur, maar we gaan hem gewoon even uitlopen. We
komen er dus op terug, want dat zit wel op het onderwerp van Economische
Zaken.
De voorzitter:
Fijn dat u zo dienstbaar bent aan de Kamer. U komt erop terug in de
richting van de heer Dijk.
Minister Karremans:
Ja. Dan zie ik ook …
De voorzitter:
Mevrouw Oualhadj en meneer Van Lanschot zijn inmiddels ook in de Kamer
teruggekeerd. Minister, gaat uw gang.
Minister Karremans:
Ik wil graag de vraag beantwoorden over ondernemingen, moeilijkheden en
de definitie die de Duitsers hanteren ten aanzien van achtergestelde
leningen. We hadden het net al even over de studie economie, die de heer
Van Lanschot en ik beiden als achtergrond hebben. Daar leer je bij
accounting dat achtergestelde leningen opgeteld worden bij het eigen
vermogen. Boekhouden is dat. Het ligt er natuurlijk aan hoe
achtergesteld die lening is, maar dat is in ieder geval de stelregel. In
Duitsland is het anders dan in Nederland. Dit heeft te maken met een
uitspraak van een Nederlandse rechter. Het College van Beroep voor het
bedrijfsleven heeft geoordeeld dat we dat dus niet mogen doen. Dat is
hoe het in Europa gaat. Ik heb het net al even gehad over Europese
harmonisatie. Daar is hier geen sprake van. Een Duitse rechter kan
Europese regels dus anders interpreteren dan een Nederlandse rechter.
Maar wij zijn als Nederlandse overheid gebonden aan een uitspraak van de
Nederlandse rechter. Daar ziet dit ook op. We hebben daar ook contact
over gehad. Dat is het antwoord, in meer detail, op de vraag die mevrouw
Oualhadj daarover had.
De heer Van Lanschot vroeg of ik de mijlpalenplanning wil heroverwegen.
Dat heb ik net in twintig minuten gedaan. Het antwoord blijft hetzelfde,
maar ik heb wel een voorstel. Ik zei al dat de mijlpalenplanning
afhankelijk is van politieke besluitvorming en ook van wat er nu in de
formatie wordt besproken, onder andere over de scope van de
investeringsinstelling. Dat zal daarvan het startpunt vormen. Zodra er
duidelijkheid is over de politieke besluitvorming, zullen we die
duidelijk in een onepager of in één overzicht verstrekken. Dat zeg ik
toe. Op het moment dat dat kan, zullen we dat doen. Ik probeer de heer
Van Lanschot op die manier tegemoet te komen.
De voorzitter:
Dat waardeert de heer Van Lanschot.
Minister Karremans:
Dan de vraag van de heer Prickaertz over de 3.000 bedrijven die in de
wachtrij staan. Netcongestie is overduidelijk een probleem. Zeker in
bepaalde delen van het land, zoals Flevoland en Utrecht, is dit een
ontzettend groot probleem. Mijn collega, de minister van Klimaat en
Groene Groei, werkt hier hard aan. Er zijn ook een aantal maatregelen
genomen. Ik weet dat een aantal daarvan flinke financiële investeringen
vragen. Die liggen ook ter besluitvorming voor in de formatie.
Nog een vraag van de heer Prickaertz. Hij zei: veel mkb-bedrijven hebben
behoefte aan structurele mogelijkheden om te herfinancieren. Hij vroeg
wat ik daarvan vind en waar zij zich kunnen melden. Herfinanciering is
in vele gevallen natuurlijk belangrijk. Voor ondernemers die
financiering zoeken, is er daarom de FinancieringsGids. Daar is een
overzicht te vinden van betrouwbare financiers, die eventueel ook
herfinanciering kunnen verschaffen. Op die manier besteden we daar
aandacht aan.
Dan kom ik bij de heer Flach. Hij stelde een vraag en diende een motie
in over de maritieme maakindustrie en de sectoragenda. Ik kan zijn vraag
nu beantwoorden, maar dan weet de heer Flach natuurlijk gelijk wat mijn
appreciatie van de motie op stuk nr. 33 zal zijn. Ik zie hem knikken,
dus ik zal er gelijk mee over de brug komen. We zitten er natuurlijk
welwillend in, maar we hebben afgesproken om de sectoragenda in Q1 van
2026, nu dus, te evalueren. Medio 2026 zal die evaluatie gereed zijn.
Vervolgens komt er een advies en een besluit over de wijze waarop de
sectoragenda wordt voortgezet. Daarover wordt de Kamer in de
voortgangsrapportage van Q3 2026 geïnformeerd. De Kamer kan er dan
natuurlijk ook wat vinden.
De voorzitter:
Heeft u hiermee meteen een appreciatie gegeven van de motie op stuk nr.
33?
Minister Karremans:
Die wordt dan ontijdig, omdat we eerst de evaluatie willen afwachten.
Die geeft namelijk meer detail over de vraag in welke mate en op welke
manier we verder zouden willen gaan, als we verder zouden willen gaan.
Ik kan me zomaar voorstellen dat we wel verder willen gaan.
De heer Flach (SGP):
Ik vind het eigenlijk wel creatief van de minister om hier de term
"ontijdig" op te plakken. Je kunt ook zeggen: dat is lekker op tijd,
geeft me een steun in de rug en helpt me richting de evaluatie. Dan is
de Kamer er in ieder geval alvast enthousiast over.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 33, van de heren Flach, Grinwis en Vermeer, heeft
dus de appreciatie "ontijdig" gekregen.
Minister Karremans:
Ja. Nu ga ik wel naar de motie op stuk nr. 22, want we hebben de vragen
nu gehad.
Dat is de motie over Code-V, die vraagt om budget beschikbaar te stellen
binnen de bestaande budgetten voor het bevorderen van ondernemerschap,
ten behoeve van een subsidie aan Code-V. Ik heb onlangs met ze
gesproken. Ik denk dat mevrouw Oualhadj hier absoluut een goed punt te
pakken heeft. Het is niet alleen omdat het oneerlijk is. Het gaat ook om
het maximaal benutten van de economische potentie van vrouwelijke
ondernemers. Die motie wil ik dus oordeel Kamer geven. We gaan ermee aan
de slag. In overleg met hen zullen wij kijken wat er nodig is om hen qua
budget te versterken, binnen de middelen die we hebben. Het kan allemaal
binnen de begroting, dus daar gaan we mee aan de slag.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 22: oordeel Kamer.
Minister Karremans:
Ja, maar dus met die appreciatie, moet ik er netjes bij zeggen. Ik denk
dus dat mevrouw Oualhadj daar dan nog even mee moet instemmen.
De voorzitter:
Ze stemt ermee in. Gaat u verder. De motie op stuk nr. 23, van mevrouw
Martens-America en de heer Dassen.
Minister Karremans:
Ja, Martens-America en de heer Laurens Dassen. Die krijgt ook oordeel
Kamer.
De voorzitter:
Daar wordt mee ingestemd. De motie op stuk nr. 23 krijgt dus oordeel
Kamer.
Minister Karremans:
De motie op stuk nr. 24, van de heer Van der Lee: ook oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 24 krijgt ook oordeel Kamer.
Minister Karremans:
De motie op stuk nr. 25 krijgt ook oordeel Kamer, maar ik merk daarbij
wel op dat juist het kijken naar wederzijdse afhankelijkheden hierbij
belangrijk voor mij is, en niet alleen het creëren van
onafhankelijkheden. Volgens mij is de heer Van der Lee dat met mij
eens.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 25: oordeel Kamer.
Minister Karremans:
De motie op stuk nr. 26 wil ik ook oordeel Kamer geven, als ik de motie
mag interpreteren als een oproep om te bekijken hoe we in de
aanbestedingsregelgeving meer ruimte kunnen bieden om maatschappelijke
doelen mee te wegen. Dit zal ik dan meenemen in de herziening van de
aanbestedingsrichtlijnen.
De voorzitter:
Ik zie de heer Van der Lee knikken, dus de motie op stuk nr. 26: oordeel
Kamer.
Minister Karremans:
De motie op stuk nr. 27 verzoekt … Sorry, ik ga niet hele dictum
oplezen. Ik kan die motie oordeel Kamer geven.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 27: oordeel Kamer.
Minister Karremans:
De motie op stuk nr. 28 geef ik oordeel Kamer, maar ik wil daarbij wel
aangeven dat de minister van Defensie verantwoordelijk is voor de
Defensiebegroting. Dat zal geen verrassing zijn. Ik span mij er met de
minister van Defensie voor in om de Nederlandse defensie-industrie te
versterken via gericht inkopen. Met die opmerking kan ik 'm oordeel
Kamer geven.
De voorzitter:
Daar stemt de heer Prickaertz mee in, dus de motie op stuk nr. 28 krijgt
ook oordeel Kamer.
Minister Karremans:
De motie op stuk nr. 29 is natuurlijk heel begrijpelijk. Die gaat erover
dat ondernemers niet moeten opdraaien voor schade door overlast. De heer
Prickaertz heeft daarover vragen gesteld in de eerste termijn. In de
schriftelijke set heb ik daar op geantwoord. Zonder dat nu helemaal te
herhalen, maar met een verwijzing naar dat antwoord geef ik de motie
"overbodig".
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 29 krijgt "overbodig".
Minister Karremans:
De motie op stuk nr. 30 wil ik oordeel Kamer geven als het derde dictum
van de motie zo gelezen mag worden dat het kabinet in het algemeen zijn
huidige en toekomstige ervaringen mee zal nemen naar Brussel in het
kader van de initiatieven ter versterking van de kapitaalmarktunie,
omdat het gezien de nabijheid van het 28ste regimevoorstel niet haalbaar
is om de uitkomsten van mogelijke Benelux-initiatieven al mee te nemen
voor dit concrete voorstel. Dit wordt overigens zelfs binnen een aantal
maanden al verwacht.
De voorzitter:
Ik zie de heer Van Lanschot knikken. De motie op stuk nr. 30 krijgt dus
oordeel Kamer, met deze interpretatie.
Minister Karremans:
Voorzitter. Dan de motie op stuk nr. 31. Daarover was nog een
interruptiedebatje. Dat ging over de colportage. Kijk, deze motie vraagt
om de opties in kaart te brengen en vraagt niet om een
vervolgbeslissing, dus wat je daar dan vervolgens mee doet. De heer Van
Lanschot wil gewoon weten wat de opties zijn. Die kunnen we natuurlijk
prima in kaart brengen. Als de Kamer het goedvindt, zal ik indachtig dat
het moet gaan om de excessen ... Daarover waren de Kamerleden het in
grote lijnen eens, het moet gaan om de excessen, om de grote partijen en
niet om sympathieke en vriendelijke initiatieven. De heer Van Lanschot
heeft dat denk ik goed uitgelegd. Indachtig dat kleine
interruptiedebatje zullen we de opties uitwerken.
De voorzitter:
Indachtig dit interruptiedebatje krijgt de motie op stuk nr. 31 oordeel
Kamer.
Minister Karremans:
De motie op stuk nr. 32, van de heer Jansen, verzoekt de regering "te
onderzoeken op welke wijze het gericht innemen van strategische
aandeelhoudersposities binnen deze markt kan bijdragen aan de
economische weerbaarheid van ons land". Daarin wil ik toch terughoudend
zijn. We hebben een staatsdeelnemingenkader. Dat is eigenlijk al de
meetlat waarlangs we een en ander leggen. We hebben ook allerlei
instrumenten om in te grijpen waar nodig. We hebben het in het kader van
economische veiligheid gehad over de Wet vifo. Ik heb ook de
Beschermingsvoorziening Economische Veiligheid ter beschikking. Daarmee
kan ik instappen als dat nodig is. De opties heb ik dus. Sec
strategische aandeelhoudersposities: het kost heel veel geld en levert
niet altijd wat op. Daarvoor hebben we juist dat staatsdeelnemingenkader
en daar zou ik het ook graag bij willen laten. Vandaar dat ik de motie
ontraad.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 32: ontraden. De motie op stuk nr. 33 hadden we al
gehad. Dan komen we bij de motie op stuk nr. 34.
Minister Karremans:
De motie op stuk nr. 34 is de motie over zondagsrust: "verzoekt het
kabinet bij de evaluatie van de Winkeltijdenwet de waarde van de
collectieve rustdag voor (kleine) werkgevers, werknemers en de
samenleving nadrukkelijk mee te wegen". Volgens mij heb ik ook toegezegd
dat ik dat zal doen. In lijn met die toezegging, de brief en de
evaluatie kan ik deze motie oordeel Kamer geven, geen enkel
probleem.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 34: oordeel Kamer.
Minister Karremans:
Dan de motie op stuk nr. 35 over een verkenning naar het reguleren van
zakelijke kredietverstrekking. Daar wil ik een aantal opmerkingen bij
plaatsen. Ik wil 'm best oordeel Kamer geven, maar regulering op
Europees niveau voor de hele zakelijke kredietmarkt gaat wat ver. Dat is
ook meer het terrein van Financiën, als ik heel eerlijk ben, maar
volgens mij wordt dat er niet mee bedoeld. Als ik de heer Flach goed
begrijp, gaat het om de non-bancaire financiering. Zoals ik ook in de
schriftelijke set vragen heb geantwoord, kunnen we kijken wat er in
andere Europese landen aan gedaan wordt, maar het zal dan wel gaan om
nationale regulering of initiatieven die we hier hebben. Dan gaat het om
non-bancaire financiering; volgens mij is dat ook de bedoeling. Maar
omdat het zo in de tekst staat, wil ik helder hebben dat we het met
elkaar eens zijn over de scope van die motie.
De voorzitter:
Meneer Flach, kunt u daarmee uit de voeten?
De heer Flach (SGP):
Ja, want de verwijzing naar "op Europees niveau" gaat erover dat er ook
partijen vanuit het buitenland diensten aanbieden in Nederland. Ik snap
dat deze motie niet de kredietverlening in heel Europa kan reguleren,
dus als de minister dat zo uitlegt, als de nationale kredietverlening,
ook vanuit Europa, dan is dat prima.
Minister Karremans:
Ja, dus partijen die in Nederland non-bancaire kredieten aanbieden.
De voorzitter:
U bent het eens, dus daarmee krijgt de motie op stuk nr. 35 oordeel
Kamer.
Minister Karremans:
Ik heb natuurlijk ook in de schriftelijke set verwezen naar wat ik
bereid ben te doen, dus ik denk dat we het met elkaar eens zijn. Dat
gaan we uitvoeren.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 36.
Minister Karremans:
De motie op stuk nr. 36 kan ik oordeel Kamer geven. Aandacht voor
familiebedrijven; dat had ik natuurlijk ook in mijn introductietekst. We
kunnen het ook verplicht maken, hè, dat de minister van Economische
Zaken het in de introductietekst bij de begroting altijd over
familiebedrijven heeft. En over de vlaflip.
De voorzitter:
Minister, daar zie ik geen motie voor liggen, dus laten we dat niet
meteen zo doen.
Minister Karremans:
Nee. We hadden wel bedacht, want er was natuurlijk wat kritiek op een
aantal …
De voorzitter:
Minister, gaat u nu freewheelen?
Minister Karremans:
Ik ga over mijn eigen woorden, voorzitter.
De voorzitter:
Ja, maar ik had u het woord nog niet daarvoor gegeven.
Minister Karremans:
Nou, u staat er wel op! Ik dacht dat ik nog aan het woord was, maar als
u mij het woord wil geven: heel graag.
De voorzitter:
Ja. Nou, als u verder wil over familiebedrijven: gaat uw gang.
Minister Karremans:
Dank u wel, voorzitter. We hadden nog iets bedacht. De heer Grinwis
heeft erop ge-control-f'd op de begroting; dat weten we nu natuurlijk.
Dat gaat hij volgend jaar weer doen. We doen gewoon één pagina achteraan
met in het wit heel vaak "familiebedrijven". Dan zijn we er. Dat is een
mooie oplossing. Zoals je vroeger hoog in Google kwam, zeg maar; dat is
de tactiek.
Goed, voorzitter. Volgens mij mag ik nog door? Ja. Dan de motie …
De voorzitter:
Minister, u mag door met de motie op stuk nr. 37.
Minister Karremans:
De motie op stuk nr. 37 verzoekt de regering om zich in Europees verband
in te zetten voor een toegankelijke en eenvoudige procedure om
abonnementen en accounts te beëindigen door nabestaanden. Dat is de
motie van de heer Grinwis. Dat vind ik een sympathieke motie, dus die
kan ik oordeel Kamer geven. Dat gaan we doen.
De voorzitter:
Oordeel Kamer voor de motie op stuk nr. 37. Dan kunt u … Nee, want
meneer Grinwis wil daar nog iets over opmerken, ondanks dat het een
sympathieke motie werd gevonden.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik dank de minister. Ik heb ook niks over zijn oordeel op te merken,
want daar ben ik blij mee, maar ik heb nog een vraagje. Soms is er op
nationaal niveau iets aan de hand. Ik heb het voorbeeld genoemd van
Microsoft, dat in Duitsland genoegen neemt met een overlijdensakte als
een nabestaande probeert een abonnement te beëindigen, maar in Nederland
niet. Kan het ministerie, of de minister zelf of een vertegenwoordiger
van de minister, in voorkomende gevallen zo'n bedrijf zo nodig aan zijn
jasje trekken, van: alsjeblieft, maak het de mensen net zo makkelijk als
bijvoorbeeld in ons buurland Duitsland? Dat heb ik niet in de motie
genoemd, omdat het een heel specifieke casus is, maar het is wel heel
relevant, zoals we afgelopen week bij het programma Radar konden
zien.
Minister Karremans:
Ik snap die vraag. Als u het mij toestaat, voorzitter, wil ik die vraag
even mee terugnemen. Ik stel voor dat we daar schriftelijk op
terugkomen, want ik moet even overleggen over wat onze probleemanalyse
is, of wij dit erkennen en wat we eraan zouden kunnen doen. Daar wil ik
de Kamer dan schriftelijk over informeren. De Kamer kan vervolgens
beoordelen of dat goed is of niet. Maar dan kunnen we dat even
uitzoeken.
De voorzitter:
We noteren deze toezegging. De motie op stuk nr. 37 kreeg dus een
sympathiek oordeel: oordeel Kamer.
Minister Karremans:
Nu ga ik hem ontraden. Nee, hoor.
De voorzitter:
We gaan naar de motie op stuk nr. 38, minister.
Minister Karremans:
Dat is de motie van de heer Dijk over de ontwikkelbedrijven. Die motie
wil ik het oordeel ontijdig geven, omdat dat meer iets is voor de
staatssecretaris Participatie en Integratie. Ik begreep dat er op 10 of
11 februari een commissiedebat is, waar dit perfect in zou passen. Ik
denk dus dat het verstandig is om die motie dan daar in te dienen. Dat
is natuurlijk volledig aan de heer Dijk, maar dat zou ik hem aanraden.
Wij zullen hem toch moeten doorgeleiden naar de staatssecretaris
Participatie en Integratie.
De voorzitter:
Meneer Dijk gaat kijken naar wat hij met dit advies doet. Voor nu krijgt
de motie op stuk nr. 38 het oordeel ontijdig.
Dan tot slot de motie op stuk nr. 39.
Minister Karremans:
Die verzoekt de regering in kaart te brengen in welke bedrijven en
sectoren buitenlandse bedrijven een significant aandeel hebben en
beleidsopties om grip en zeggenschap te houden aan de Kamer voor te
leggen bij de presentatie van de Miljoenennota. Er zijn geen openbare
aandeelhoudersregisters, dus dat is heel veel uitzoekwerk. Ik heb
natuurlijk wel richting de heer Van Lanschot aangegeven dat wij
vertrouwelijk bepaalde kritieke posities in kaart brengen. Dat zullen we
dus ook doen. Maar het is absoluut niet de bedoeling, en ik denk ook
niet wenselijk, om dat in zijn totaliteit zo te bezien en ook niet om er
op die manier naar te kijken. Nederlandse bedrijven hebben heel veel
posities in het buitenland. Stel je voor dat buitenlandse bedrijven dat
gaan doen. Dat zou onze economie erg schaden. Ik zou er dus geen
voorstander van zijn om het op deze manier uit te voeren. De heer Van
Lanschot vroeg destijds in het Nexperiadebat om dat op een bepaalde
manier te doen. Op die manier wil ik het wel uitvoeren, omdat we het dan
denk ik op een zorgvuldige, vertrouwelijke manier doen. We kunnen het
daar dan ook vertrouwelijk met elkaar over hebben. Maar om die reden ga
ik deze motie dus ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 39 krijgt het oordeel ontraden. Dan zijn we aan het
einde gekomen van de beraadslaging. Dank aan alle …
Minister Karremans:
Mag ik nog iets zeggen?
De voorzitter:
U mag wat zeggen, als u dat wil. Gaat uw gang, minister.
Minister Karremans:
Dank, voorzitter. Ik wil namelijk niet alleen de Kamerleden bedanken,
maar ook alle ambtenaren die gisteravond tot diep in de nacht keihard
hebben gewerkt om alle antwoorden op de vragen van de Kamerleden voor te
bereiden. Sowieso wordt daar het hele jaar door keihard gewerkt. En
natuurlijk wil ik ook de sg bedanken, want volgens mij is dat nog niet
gebeurd in dit debat. Die zit daar.
(Geroffel op bankjes)
Minister Karremans:
Dus ook veel dank aan de sg. Ik kijk uit naar de volgende debatten. Tot
de volgende keer.
De voorzitter:
Dank u, minister. Dank aan alle leden. Het was een mooie
beraadslaging.
De algemene beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
Ik wil tot slot nog zeggen dat ook ík warme herinneringen heb aan
Menken, in ons beider geboortedorp. Dank u wel. Ik sluit de
vergadering.
Sluiting
Sluiting 21.28 uur.
ONGECORRIGEERD STENOGRAM Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden
ontleend. |
|---|