Verslag
Wijziging van de Kieswet in verband met het stellen van nadere regels voor bijstand inhet stemhokje
Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader)
Nummer: 2026D03199, datum: 2026-01-26, bijgewerkt: 2026-01-26 10:01, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: W.P.J. van Eijk, voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken (VVD)
- Mede ondertekenaar: J.P. van der Haas, adjunct-griffier
Onderdeel van kamerstukdossier 36863 -5 Wijziging van de Kieswet in verband met het stellen van nadere regels voor bijstand inhet stemhokje.
Onderdeel van zaak 2025Z20906:
- Indiener: F. Rijkaart, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
- 2025-12-03 13:55: Aanvang middagvergadering: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2025-12-11 11:30: Procedurevergadering Binnenlandse Zaken (Procedurevergadering), vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
- 2026-01-22 14:00: Wijziging van de Kieswet in verband met het stellen van nadere regels voor bijstand in het stemhokje (36863) (Inbreng verslag (wetsvoorstel)), vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
Preview document (đ origineel)
| 36 863 | Wijziging van de Kieswet in verband met het stellen van nadere regels voor bijstand in het stemhokje |
| Nr. 5 | Verslag Vastgesteld 26 januari 2026 |
De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken, belast met het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen. Onder het voorbehoud dat de regering op de gestelde vragen en de gemaakte opmerkingen afdoende zal hebben geantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van dit wetsvoorstel voldoende voorbereid. De fungerend voorzitter van de commissie, Van Eijk De adjunct-griffier van de commissie, Van der Haas |
Inhoudsopgave
| 1. Inleiding | p. 2 |
|---|---|
| 1.1 Aanleiding en doel | p. 2 |
| 1.2 Samenhang wetsvoorstel met ontwikkelingen verkiezingsproces | p. 3 |
| 1.3 Gesprekken met belanghebbende organisaties | p. 3 |
| 1.4 Afweging tussen voor- en nadelen | p. 4 |
| 2. Verlenen van bijstand | p. 5 |
| 2.1 Afbakening doelgroep | p. 5 |
| 2.2 Vormgeving bijstand | p. 6 |
| 2.3 Training van en voorlichting aan stembureauleden | p. 7 |
| 3. Verhouding tot hoger recht en bijstand in internationaal perspectief | p. 7 |
| 3.1 Grondwet, internationale verdragen en waarborgen van het verkiezingsproces | p. 7 |
| 3.2 Bijstand bij het stemmen in internationaal perspectief | p. 8 |
| 4. Voorlichting aan kiezers | p. 8 |
| 5. Administratieve en financiële lasten | p. 8 |
| 5.1 Gevolgen voor overheden | p. 8 |
| 6. Consultatie | p. 9 |
| 6.1 Reacties op het huidige wetsvoorstel | p. 9 |
| Artikel I | p. 9 |
| Artikel J 14a | p. 9 |
| Artikel J 28b | p. 9 |
| Artikel II | p. 9 |
ALGEMEEN DEEL
1. Inleiding
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en hebben enkele opmerkingen en vragen.
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het voorstel tot wijziging van de Kieswet in verband met het stellen van nadere regels voor bijstand in het stemhokje. Graag willen deze leden nog een aantal vragen hierover stellen.
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA hebben met belangstelling kennisgenomen van de wijziging van de Kieswet om hulp in het stemhokje voor mensen met een beperking te regelen. Deze leden hechten veel waarde aan zowel de stemvrijheid, het stemgeheim als de toegankelijkheid van de stemming. Het is daarbij derhalve van belang om deze drie belangrijke beginselen goed met elkaar te wegen. Zoals ook de Afdeling advisering van de Raad van State (hierna: de Afdeling advisering) in haar advies stelt hoeft een inperking van het stemgeheim en mogelijk de stemvrijheid in beginsel niet problematisch te zijn wanneer dit ten gunste komt van de toegankelijkheid van het stemproces voor mensen met een beperking.
De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de wijziging van de Kieswet in verband met het stellen van nadere regels voor bijstand in het stemhokje en danken de regering voor de uitgebreide toelichting. Deze leden maken graag van de gelegenheid gebruik om aanvullende vragen te stellen over de voorgestelde wijzigingen, de gemaakte keuzes in de implementatie en de gevolgen voor de praktijk.
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en hebben enkele vragen en opmerkingen.
De leden van de BBB-fractie danken de regering voor het toesturen van het wetsvoorstel. Deze leden hebben op dit moment geen specifieke vragen en zullen de beantwoording van vragen van de andere fracties met interesse volgen.
De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden steunen de inzet om de toegankelijkheid van het stemmen voor meer groepen te vergroten. Zij hebben wel vragen over de meest passende wijze van ondersteuning van kiezers met een beperking en het onderscheid tussen groepen dat het wetsvoorstel creëert.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden achten het van groot belang dat iedere kiesgerechtigde Nederlander in vrijheid zijn of haar stem kan uitbrengen bij verkiezingen, ongeacht of iemand een fysieke of verstandelijke beperking heeft. Zij zien voorliggend wetsvoorstel als verbetering van de autonomie van mensen met een beperking. Zij maken van de gelegenheid gebruik enkele vragen te stellen.
Aanleiding en doel
De leden van de VVD-fractie willen benadrukken dat zij het stemgeheim zeer belangrijk achten. Het stemgeheim moet gegarandeerd worden en blijven. Voorgesteld wordt dat iedereen die aangeeft hulp bij het uitbrengen van een stem in het stemhokje nodig heeft deze hulp krijgt.
Samenhang wetsvoorstel met ontwikkelingen verkiezingsproces
De leden van de JA21-fractie constateren dat er recent veel dynamiek is rondom het wijzigen van processen rondom de verkiezingen. Fouten in de uitvoering en implementatie liggen daarbij op de loer. Daarom hebben deze leden de vraag hoe âeen ander model stembiljetâ, hetgeen in de praktijk een kleiner stembiljet betekent, in verband staat met dit wetsvoorstel. Zou, gezien de ontwikkeling omtrent âeen ander model stembiljetâ, niet eerst deze grondige evaluatie afgewacht moeten worden met het oog op de fouten die uit de eerste verkiezingsronde naar voren zijn gekomen? Daarnaast vragen zij hoe de toegankelijkheid van het verkiezingsproces wordt beĂŻnvloed door âeen ander model stembiljetâ.
Gesprekken met belanghebbende organisaties
De leden van de JA21-fractie vragen of er uitgelegd kan worden hoe de nadelen van dit voorstel opwegen tegen de voordelen. Waarom wordt er een zwaarder gewicht gehangen aan toegankelijkheid en minder gewicht aan andere waarborgen en fundamentele rechten, zoals stemvrijheid en inbreuk op het stemgeheim? Deze leden sluiten zich aan bij het oordeel van de Afdeling advisering, die stelt dat âBijstand aan kiezers tegemoet [komt] aan de toegankelijkheid, maar ook een inperking [vormt] op het stemgeheim en mogelijk de stemvrijheid.â Kan de regering specifiek op deze kritiek een overtuigend antwoord geven?
De leden van de SGP-fractie constateren dat de regering bij het beoogde onderscheid tussen ondersteuning bij fysieke en andere beperkingen veel gewicht heeft toegekend aan het feit dat het bij fysieke beperkingen een kleinere en duidelijker afgebakende groep betreft. Hoewel de potentiĂ«le omvang van de nieuwe groep die ondersteuning kan krijgen een relevant gegeven is, menen deze leden dat het verwijzen naar de omvang van de groep onvoldoende zwaarwegend is om op voorhand af te zien van een heroverweging van de huidige regels die ertoe zouden kunnen dienen om de gelijkheid van verschillende groepen kiezers zoveel mogelijk te waarborgen en het maken van ongerechtvaardigd onderscheid op grond van handicap zoveel mogelijk te voorkomen. Zij vinden het moeilijk te begrijpen dat situaties die wat betreft belangen en omstandigheden vergelijkbaar zijn toch verschillend worden behandeld op basis van het criterium fysieke beperking. Ter illustratie wijzen zij erop dat iemand die wegens blindheid zijn stemvoorkeur kenbaar maakt aan een derde in dezelfde situatie verkeert als degene die in verband met een andere beperking zijn stemvoorkeur moet doorgeven aan het stembureaulid, terwijl de door de regering geschetste risicoâs zoals misbreuk en gezinshoofdstemmen gelijkelijk bij deze kwetsbare kiezers aanwezigheid kunnen zijn en de mogelijkheid tot controle van de uitgebrachte stem in gelijke mate afwezig kan zijn. Deze leden vragen een nadere onderbouwing waarom de regering verplichte hulp door een stembureaulid niet in meer situaties verplicht wil stellen. Zij vragen daarbij ook de reactie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken (NVVB) te betrekken, die schrijven dat dit onderscheid aan kiezers moeilijk is uit te leggen en dat dit volgens de Kiesraad zelfs tot onbegrip en discussie in het stemhokje kan leiden.
De leden van de ChristenUnie-fractie zijn de regering erkentelijk dat verschillende varianten besproken zijn met verschillende relevante partijen, waaronder vertegenwoordigers van mensen met een beperking. Deze leden herkennen het dilemma tussen verbeterde toegang tot het uitoefenen van het stemrecht voor mensen met een beperking en het grondwettelijke stemgeheim. Zij vragen de regering nader te duiden wat de bezwaren van de verschillende organisaties tegen variant vier zijn.
Afweging tussen voor- en nadelen
De leden van de D66-fractie achten het onwenselijk indien zowel personen met een fysieke als met een niet-fysieke beperking zonder nadere afbakening hulp van een derde naar keuze zouden mogen inroepen in het stemhokje. In theorie opent een dergelijke regeling de deur naar grootschalige beĂŻnvloeding en aantasting van het stemgeheim, temeer daar het begrip âbeperkingâ niet nader is afgebakend en er geen medische bewijslast geldt. In beginsel zou iedereen zich hierop kunnen beroepen. Deze leden merken op dat in het huidige wetsvoorstel iedereen hulp kan vragen van een neutrale medewerker van het stembureau. Zij zien hierin een werkbare oplossing met beperkte risicoâs op grootschalige beĂŻnvloeding of schending van het stemgeheim. Het recht op hulp van een derde blijft evenwel bestaan voor personen met een fysieke beperking, omdat hun rechtspositie anders zou verslechteren en dit in strijd zou kunnen zijn met het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap van de Verenigde Naties (hierna: VN-verdrag Handicap).
Zij vragen zich af of, behoudens situaties waarin iemand zeer slechtziend of blind is, een persoon met een fysieke beperking in beginsel niet kan zien wat een neutrale medewerker voor hem of haar invult. Bovendien blijft het mogelijk om voor fysieke ondersteuning of begeleiding van en naar het stemhokje een derde mee te nemen.
Gelet op de bezwaren en uitvoeringsproblemen die een systeem waarin iedereen een derde naar keuze mag meenemen met zich brengt, hechten deze leden waarde aan het advies van de Kiesraad, de VNG en de NVVB om in alle gevallen uitsluitend stembureauleden bijstand te laten verlenen. Een bijkomend voordeel hiervan is dat stembureauleden dan niet hoeven te beoordelen of iemand wel of geen recht heeft op bijstand van een derde, hetgeen de uitvoerbaarheid ten goede kan komen.
Zij vragen of de regering van oordeel is dat het VN-verdrag Handicap zwaarder weegt dan het risico op ongelijke behandeling tussen personen met fysieke en niet-fysieke beperkingen. Wat zijn hierin de juridische afwegingen?
Zij vragen voorts of de regering, los van de huidige of eventueel aangepaste wetsimplementatie, ruimte ziet voor aanvullend onderzoek naar de behoeften van mensen, zowel met een fysieke als met een niet-fysieke beperking, aan ondersteuning door derden naar keuze. Zo ja, welke tijdsduur zou een dergelijk onderzoek naar verwachting vergen?
Zij vragen of de regering uitvoeringsproblemen ziet indien iedereen uitsluitend recht zou krijgen op bijstand van stembureauleden. Zo ja, acht de regering deze problemen groter of kleiner dan de voorziene problemen bij de wet zoals deze thans voorligt? Wat zou nodig zijn om deze problemen te ondervangen, bijvoorbeeld door het inzetten van meer stembureauleden?
Zij vragen of er bij eerdere verkiezingen stembureaus zijn geweest waar, onder de huidige regeling, uitzonderlijk veel gebruik is gemaakt van hulp van derden in het stemhokje, vergelijkbaar met stembureaus waar bovengemiddeld vaak bij volmacht wordt gestemd. Heeft de regering daar zorgen over en zouden deze zorgen niet worden weggenomen door uitsluitend hulp van stembureauleden toe te staan?
Tevens vragen deze leden of er contact is geweest met organisaties die deze doelgroepen vertegenwoordigen. Wat vinden de mensen die het betreft zelf van de voorgestelde regeling?
De leden van de SGP-fractie vragen een reactie op situaties waarin een kiezer met een andere dan een lichamelijke beperking wel in staat is zijn voorkeur kenbaar te maken aan personen met wie zij bekend zijn, maar die daartoe, zelfs met de nodige scholing en voorlichting van stembureauleden, niet in staat zullen zijn dat bij een stembureaulid kenbaar te maken. Het kan bijvoorbeeld gaan om situaties waarin ouders intensieve zorg verlenen aan hun kind of een verzorgende die al geruime tijd nauw betrokken is bij een client en de âtaalâ van deze persoon kan lezen. Deze leden vragen waarom de regering door in alle gevallen uit te gaan van het vereiste van verplichte hulp door het stembureau de toegankelijkheid beperkt of zelfs uitsluit. In hoeverre wil de regering verkennen of voor specifieke situaties wel andere bijstand mogelijk is op grond van een bijzondere verklaring? Waarom laat de regering de verantwoordelijkheid van de overheid in zulke gevallen domineren boven de natuurlijke verantwoordelijkheid binnen gezinsverband en zorgrelaties, met als paradoxaal gevolg dat juist minder kiezers mee kunnen doen aan het democratische proces dat de overheid legitimiteit verschaft?
Zij constateren dat de regering het stembureaulid de meest aangewezen persoon vindt indien het stemgeheim wegens andere dan fysieke beperkingen toch moet worden doorbroken. Hoe geeft de regering er rekenschap van dat de bekendheid met stembureauleden onder andere in kleinere gemeenschappen behoorlijk groot kan zijn en dat die situatie juist ook een drempel kan opwerpen om te gaan stemmen? Waarom zou in zulke situaties het inschakelen van een familielid of vriend niet te verkiezen zijn? Hoe rechtvaardigt de regering de verplichting om hulp van een stembureaulid te gebruiken tegen de achtergrond van artikel 29, onderdeel a, subonderdeel iii, van het VN-verdrag Handicap?
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben begrip voor de keuze die door de regering is gemaakt voor variant 1. Deze leden begrijpen anderzijds ook de wens van (vertegenwoordigers van) mensen met een beperking om zelf een persoon te kiezen die bijstand verleent in het stemhokje. Het is nu onbekend wat de omvang zal zijn van het aantal mensen dat een stembureaulid verzoekt voor hulp in het stemhokje. Is de regering voornemens of bereid om bij de eerste twee of drie verkiezingen na inwerkingtreding van voorliggend wetsvoorstel bij te houden hoeveel mensen gemiddeld genomen gebruik willen maken van de aangeboden hulp om vervolgens onderzoek te kunnen doen of variant 3 alsnog mogelijk zou kunnen zijn. Deze leden zijn benieuwd naar de reflectie van de regering op deze voorgestelde mogelijkheid.
Deze leden vragen de regering om nader uiteen te zetten wat de bezwaren waren tegen variant 3.
2. Verlenen van bijstand
2.1 Afbakening doelgroep
De leden van de CDA-fractie onderschrijven het doel om het stemproces toegankelijker te maken, maar vragen hoe de regering het risico beoordeelt dat het in het wetsvoorstel gemaakte onderscheid tussen kiezers met een lichamelijke beperking en andere kiezers die om bijstand verzoeken in de praktijk leidt tot ongelijke behandeling, mede in het licht van artikel 1 van de Grondwet en artikel 25 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR).
De leden van de fractie van JA21 hebben vragen over de zin âdaarom is in het wetsvoorstel opgenomen dat iedere stemgerechtigde die aangeeft hulp bij het stemmen te behoeven daarvoor in aanmerking komt.â Erkent de regering het risico dat hierdoor in potentie alle kiesgerechtigden een beroep op hulp kunnen doen? Welke negatieve gevolgen ziet de regering in het niet verder afbakenen van de doelgroep?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering om toe te lichten hoe (soms letterlijke) drempels voor het uitbrengen van een stem weggenomen kunnen worden voor mensen met een beperking. In hoeverre worden gemeenten gevraagd om stembureaus in te richten in verzorgingshuizen en instellingen waar mensen met een beperking wonen? Zou het openen van een stembureau op die locaties (al dan niet voor enkele uren) ook een bijdrage kunnen leveren aan het meer zelfstandig uit kunnen brengen van een stem? Zijn er gemeenten die dit nu al faciliteren en wat zijn daar de ervaringen met de omvang van het aantal stemmen uitgebracht middels een volmacht?
2.2 Vormgeving bijstand
De leden van de VVD-fractie lezen dat er een training zal worden gegeven aan stembureauleden. Deze leden vragen zich af hoe hulp wordt geboden bij stemgerechtigden met dementie wanneer zij dit niet zelf kunnen of willen aangeven. Deze leden vragen zich af hoe de voorlichting voor omgang hiermee wordt vormgegeven. Ook lezen zij dat er voor gemeenten een mogelijkheid is om een eigen training te geven. Zij vragen hoe deze gemeentelijke trainingen zich verhouden tot de algemene trainingen en of er verschillen kunnen ontstaan in interpretatie van de omgang met stemgerechtigden met een beperking.
Daarnaast lezen zij dat er een uitzondering kan worden gemaakt van de regel dat de voorzitter een stembureaulid kiest als hulpgevende als een stemgerechtigde daar zelf om vraagt. Zij vragen of hiermee het stemgeheim feitelijk wordt doorbroken als het stembureaulid een bekende is en er kans is op het ontstaan van (schijn van) beïnvloeding. Daarnaast vragen zij of hiermee niet de neutraliteit en onafhankelijkheid van het stembureau wordt ondermijnd door potentiële schijn van partijdigheid.
De leden van de CDA-fractie constateren dat stembureauleden een centrale rol krijgen bij het verlenen en eventueel staken van bijstand in het stemhokje. Deze leden vragen de regering welke concrete, toetsbare criteria stembureauleden aangereikt krijgen om vast te stellen of een kiezer zijn wil âondubbelzinnigâ kan uiten en hoe wordt voorkomen dat deze beoordeling leidt tot willekeur of uiteenlopende uitvoeringspraktijken.
De leden van de JA21-fractie lezen dat een stembureau moet vaststellen of een kiezer een fysieke beperking heeft en dus de mogelijkheid krijgt om bijstand te ontvangen in het stemhokje van iemand uit de eigen kring. Dit in tegenstelling tot kiezers die op andere gronden bijstand vragen, die worden ondersteund door een lid van het stembureau. Acht de regering het mogelijk dat kiezers vanwege dit verschil eerder om bijstand vragen vanwege fysieke of lichamelijke gesteldheid? Maakt dit de positie van stembureauleden niet kwetsbaar voor conflict en agressie van en met kiezers?
Deze leden lezen dat de regering afwijkt van het advies van de Kiesraad om bij het staken van de bijstandspoging de stempas in te trekken. Kan de regering uitgebreider motiveren waarom zij afwijkt van dit advies?
De leden van de SGP-fractie vragen of de regering kan toelichten waarom het bewaren van het geheim van de stemming niet eerder als verplichting voor stembureauleden is opgenomen. Deze leden merken op dat deze verplichting namelijk ook nu al relevant kan zijn voor het verlenen van bijstand door stembureauleden ingeval van lichamelijke beperkingen, bijvoorbeeld wanneer iemand vanwege blindheid zijn stemvoorkeur bekend maakt. In hoeverre is er in het verleden een bewuste afweging geweest om deze verplichting achterwege te laten?
Volgens de leden van de ChristenUnie-fractie is het noodzakelijk om blijvend en structureel aandacht te besteden aan het verbeteren van het verkiezingsproces voor mensen met een beperking. Het gesprek met deze groep mensen en hun vertegenwoordigende organen is in de ogen van deze leden dus ook noodzakelijk. Is de regering daartoe bereid?
2.3 Training van en voorlichting aan stembureauleden
De leden van de CDA-fractie vragen hoe de regering borgt dat stembureauleden in alle gemeenten beschikken over voldoende, eenduidige en praktisch toepasbare instructies om deze nieuwe taak zorgvuldig uit te voeren. Hoe wordt voorkomen dat verschillen in training en capaciteit tussen gemeenten leiden tot uiteenlopende uitvoeringspraktijken of onzekerheid in het stemlokaal?
De leden van de JA21-fractie vragen zich af, gezien de potentiële grootte van de doelgroep, of stembureauleden de impact van het verlenen van ondersteuning in het stemhokje wel aankunnen. Daarnaast rijst de vraag wie er toezicht houdt op ondersteuning gevende stembureauleden. Welke waarborgen worden er ingebouwd waardoor ondersteunde stembureauleden niet kunnen sturen in de keuze en dat de keuze van een stemgerechtigde wordt uitgevoerd?
Deze leden begrijpen dat iedereen een ondersteuningsverzoek kan doen voor bijstand in het stemhokje. Stembureauleden worden daartoe getraind en ontvangen een instructie. Kan de regering bevestigen dat ondersteuning niet inhoudt dat kiezers die de Nederlandse taal onvoldoende machtig zijn kunnen rekenen bijstand in een andere taal dan de Nederlandse taal?
De leden van de SGP-fractie vragen in hoeverre stembureaus volgens de regering in staat zullen zijn om behulpzaam te zijn bij de sterk uiteenlopende beperkingen die aan de orde kunnen zijn en de benodigde expertise te kunnen bieden. Wat wordt hierin van gemeenten verwacht? Eveneens vragen deze leden hoe de regering wil voorkomen dat hierin grote ongelijkheid tussen gemeenten ontstaat, bijvoorbeeld doordat sommige gemeenten ervoor zorgen stembureauleden wel in gebarentaal kunnen communiceren en andere niet.
3. Verhouding tot hoger recht en bijstand in internationaal perspectief
3.1 Grondwet, internationale verdragen en waarborgen van het verkiezingsproces
De leden van VVD-fractie hebben kennisgenomen van het feit dat het VN-verdrag Handicap wordt benoemd. Deze leden vragen welke voorbehouden Nederland precies heeft gemaakt bij het VN-verdrag Handicap. Ook vragen zij in hoeverre bij die voorbehouden verschil wordt gemaakt tussen mensen met een fysieke handicap en mensen met een geestelijke handicap. Daarnaast vragen deze leden zich af in hoeverre het volgens het verdrag verplicht is tot het bieden van hulp gelet op de voorbehouden die Nederland heeft gemaakt.
Als iedere kiezer die daar om vraagt bijstand kan krijgen, vergroot dit dan niet het risico dat bijstand oneigenlijk wordt aangewend, zo vragen deze leden. Zij vragen zich af hoe wordt beoordeeld of iemand daadwerkelijk hulp nodig heeft. Ook vragen zij zich af hoe wordt vastgesteld dat iemand hulp nodig heeft. Zij vragen hoe wordt beoordeeld of iemand een geestelijke beperking heeft of anderszins hulp nodig heeft, en dus alleen maar geholpen kan worden door een lid van het stembureau.
Daarnaast vragen deze leden of de regering nader kan toelichten waarom er niet voor is gekozen om iedereen die hulp nodig heeft en daarom vraagt bijstand te laten verlenen door een lid van het stembureau. Zij vragen zich af waarom dit wordt gezien als een achteruitgang voor mensen met een lichamelijke beperking die nu de hulp van iedereen mogen inroepen.
De leden van de JA21-fractie begrijpen dat de bijstand in het stemhokje voor kiezers met een lichamelijke gesteldheid moet worden opengesteld voor personen uit de eigen kring van de kiezer. Dat is het gevolg van het VN-verdrag Handicap. De interpretatieve verklaring van Nederland heeft hier geen betrekking op. Het gevolg is dat kiezers die bijstand wensen te ontvangen maar dit niet doen op basis van lichamelijke gesteldheid, niet kunnen kiezen voor bijstand door een persoon naar keuze. Kan de regering uitleggen welke mogelijkheden er zijn om een aanvullende interpretatieve verklaring op te stellen zodat ook kiezers die bijstand vragen op basis van lichamelijke gesteldheid deze alleen kunnen ontvangen door een lid van het stembureau?
De leden van de ChristenUnie-fractie zijn benieuwd of met voorliggend wetsvoorstel de interpretatieve verklaring bij artikel 29 van het VN-verdrag Handicap wordt ingetrokken? Zo nee, waarom niet?
3.2 Bijstand bij het stemmen in internationaal perspectief
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van signalen van belangenorganisaties die pleiten voor het toestaan van bijstand door een persoon naar eigen keuze voor alle kiezers en vragen de regering hoe zij de in andere Europese landen gehanteerde modellen weegt in relatie tot de risicoâs voor stemvrijheid en stemgeheim.
4. Voorlichting aan kiezers
De leden van de SGP-fractie vragen hoe de regering uitwerking geeft aan de aanbeveling van het VN-comité Handicap uit 2024 om te zorgen voor de toegankelijkheid van verkiezingscampagnes, onder meer door te voorzien in ondersteunende maatregelen voor personen met een verstandelijke handicap door middel van alternatieve en augmentatieve vormen van informatieverstrekking.
5. Administratieve en financiële lasten
5.1 Gevolgen voor overheden
De leden van de VVD-fractie lezen dat er drie miljoen euro structureel per jaar beschikbaar wordt gesteld voor de werving van extra stembureauleden. Deze leden vragen zich af hoe dit zich verhoudt tot al bestaande tekorten aan stembureauleden. Zij vragen zich af waar dit geldbedrag op is gebaseerd.
De leden van de JA21-fractie hebben de vraag in hoeverre de geschatte knelpunten in de uitvoering overeenkomen met de signalen die deze leden hebben ontvangen van organisaties als de VNG. In hoeverre acht de regering het daadwerkelijk realistisch dat het aantal stembureauleden mee kan groeien met de mogelijk toenemende vraag van hulpbehoevende stemgerechtigden?
6. Consultatie
6.1 Reacties op het huidige wetsvoorstel
De regering kiest in het wetsvoorstel voor het toestaan van bijstand in het stemhokje door een getraind stembureaulid. Organisaties van ervaringsdeskundigen adviseren in hun consultatie echter juist bijstand van een persoon naar keuze. Dit vloeit ook voort uit het VN-verdrag Handicap. De Afdeling advisering wijst erop dat er ook situaties denkbaar zijn waarbij een derde de bijstandsrol beter zou kunnen vervullen dan een stembureaulid. Graag vernemen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie daarom een nadere toelichting van de regering waarom het onwenselijk zou zijn om specifiek aangewezen derden een training te laten ontvangen om bijstand te verlenen. Kan de regering hierbij specifiek ingaan op de mogelijkheid om bijvoorbeeld via organisaties van ervaringsdeskundigen dergelijke trainingen aan te bieden, zodat specifieke personen de bijstand zouden kunnen verlenen? Kan de regering hierbij specifiek ingaan op hoe het wetsvoorstel zich op dit punt verhoudt tot de bepaling uit artikel 29, onder a, onder ii, van het VN-verdrag Handicap? Wordt in samenhang met deze wetswijziging de interpretatieve verklaring bij artikel 29 van het verdrag ingetrokken? Zo nee, kan worden toegelicht waarom dat niet zo is?Â
ARTIKELSGEWIJS DEEL
Artikel I
Artikel J 14a
De leden van de SGP-fractie vragen waarom de regering gekozen heeft voor het begrip âhet geheim van de stemmingâ, terwijl in artikel J 15 reeds met het oog op dezelfde context het woord stemgeheim gebruikt wordt. In hoeverre is hierbij inhoudelijk sprake van een verschil, en zo niet, waarom kiest de regering niet voor uniform taalgebruik?
Artikel J 28b
De leden van de CDA-fractie constateren dat het staken van bijstand een ingrijpend moment kan zijn voor de kiezer en directe gevolgen heeft voor de uitoefening van het stemrecht. Deze leden vragen dan ook aan de regering welke waarborgen er bestaan voor kiezers van wie de bijstand wordt gestaakt, gelet op het ontbreken van een herstel- of bezwaarmogelijkheid op de verkiezingsdag zelf.
Artikel II
De regering schrijft in het nader rapport dat in de processen-verbaal wordt geregistreerd hoe vaak er gebruik zal worden gemaakt van bijstand in het stemhokje. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn met het College voor de Rechten van de Mens eens dat het goed zou zijn om ook de mensen met een beperking die gebruik maken van bijstand zelf te betrekken bij de evaluatie. Hoe kijkt de regering naar deze suggestie?
De leden van de CDA-fractie hechten eraan dat de evaluatie van deze wet na vijf jaar daadwerkelijk inzicht biedt in de effecten op stemvrijheid, stemgeheim en toegankelijkheid. Deze leden vragen de regering hoe wordt geborgd dat voldoende, uniforme en vergelijkbare gegevens worden vastgelegd om de wettelijke evaluatie na vijf jaar inhoudelijk en juridisch goed te kunnen dragen.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering of zij ook bereid is om na de eerste verkiezing na inwerkingtreding al een (beperkte) evaluatie uit te laten voeren om kleinschalige verbeteringen te kunnen doorvoeren bij de eerstvolgende verkiezingen. Waarom heeft de regering hier tot nu toe niet voor gekozen?
Deze leden vragen ook nadrukkelijk of ervaringen van de doelgroep waar het wetsvoorstel op ziet worden betrokken bij de wetsevaluatie. Zij achten dit noodzakelijk voor een volledige evaluatie.