Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) (ongecorrigeerd)
Stenogram
Nummer: 2026D03574, datum: 2026-01-26, bijgewerkt: 2026-01-27 10:28, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-01-26 10:00: Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) (Notaoverleg), vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat
Preview document (🔗 origineel)
Tweede Kamer, Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT)
VERSLAG VAN EEN NOTAOVERLEG
Concept
De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat heeft op 26 januari 2026 overleg gevoerd met de heer Aartsen, staatssecretaris Openbaar Vervoer en Milieu, en de heer Tieman, minister van Infrastructuur en Waterstaat, over:
de brief van de minister van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 5 september 2025 inzake tweede halfjaarrapportage 2024 Zuidasdok (32668, nr. 25);
de brief van de minister van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 21 juli 2025 inzake reactie op aangenomen gemeentemotie "Bereikbaarheid Zeeland bij afsluiting A58" door gemeenteraad Reimerswaal d.d. 15 april 2025 (36600-A, nr. 65);
de brief van de minister van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 15 september 2025 inzake toezegging balans woon-werkverkeer en recreatievaart (36600-A, nr. 69);
de brief van de minister van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 16 september 2025 inzake MIRT Overzicht 2026 (36800-A, nr. 3);
de brief van de minister van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 25 november 2025 inzake de publicatie "Mobiliteitsbeeld 2025" van het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid (31305, nr. 526);
de brief van de minister van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 10 november 2025 inzake woningbouw en mobiliteit (32847, nr. 1389);
de brief van de minister van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 28 oktober 2025 inzake reactie op verzoek commissie op een afschrift van de brief aan de Slimme Aanpak 27 over besluit omtrent verbreding westelijke Houtensebrug binnen het project A27 Houten-Hooipolder (36800-A, nr. 7);
de brief van de minister van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 17 oktober 2025 inzake langetermijnperspectief infrastructuur en woningbouw (29435, nr. 270);
de brief van de minister van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 11 december 2025 inzake vermoeiingsverschijnselen Haringvlietbrug (29385, nr. 145);
de brief van de minister van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 19 december 2025 inzake voortgangsrapportage 2024 programma Woningbouw en Mobiliteit (32847, nr. 1399);
de brief van de minister van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 16 december 2025 inzake besluit toekomst vuurtoren Kijkduin ("Lange Jaap") (36800-XII, nr. 12);
de brief van de minister van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 14 januari 2026 inzake Beleidsagenda Goederenvervoer (34244, nr. 13);
de brief van de minister van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 15 januari 2026 inzake beantwoording vragen commissie over het MIRT Overzicht 2026 (Kamerstuk 36800-A-3) (36800-A, nr. 12);
de brief van de minister van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 13 januari 2026 inzake MIRT-brief januari 2026 (36800-A, nr. 11).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De fungerend voorzitter van de vaste commissie voor Infrastructuur en
Waterstaat,
Peter de Groot
De griffier van de vaste commissie voor Infrastructuur en
Waterstaat,
Schukkink
Voorzitter: Peter de Groot
Griffier: Meedendorp
Aanwezig zijn negen leden der Kamer, te weten: Van Asten, Boelsma-Hoekstra, Goudzwaard, Grinwis, Peter de Groot, De Hoop, Chris Jansen, Van der Plas en Stoffer,
en de heer Aartsen, staatssecretaris Openbaar Vervoer en Milieu, en de heer Tieman, minister van Infrastructuur en Waterstaat.
Aanvang 10.02 uur.
De voorzitter:
Een hele goede morgen, dames en heren. Ik open deze vergadering. Vandaag
is aan de orde het notaoverleg Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte
en Transport, kortweg het MIRT genaamd. Ik wil als eerste iedereen op de
publieke tribune van harte welkom heten. Ook een hartelijk welkom aan de
mensen die dit eventueel op afstand volgen. Hartelijk welkom aan de
minister, de staatssecretaris en de ambtelijke ondersteuning. Welkom ook
aan de leden. We gaan er vandaag een mooi debat van maken. We hebben tot
20.00 uur de tijd. Met een beetje effectief vergaderen hebben we dat
misschien niet nodig, maar dat gaan we zien met elkaar. We beginnen
vandaag met de inbreng van de rapporteur Woningbouw en Mobiliteit.
Daarna zal het kabinet reageren op de inbreng van de rapporteur. Daarna
beginnen we met de eerste termijn aan de kant van de Kamer. Ik wil dus
graag de heer Van Asten het woord geven.
De heer Van Asten (D66):
Dank, voorzitter. U vergat volgens mij de "s" nog in "rapporteurs", want
na mij zal de heer De Hoop nog spreken. Samen zijn wij de rapporteurs op
dit onderwerp. Dank voor de mogelijkheid om samen op te mogen treden
voor het programma Woningbouw en Mobiliteit. Zowel de woningbouw zelf
als het zorgen voor de goede bereikbaarheid van de woningbouwlocaties
blijven de komende jaren zeer belangrijke opgaven voor zowel het Rijk
als alle decentrale overheden. We zullen onder meer ingaan op de
voortgang en financiën van het eerste pakket van 7,5 miljard, het tijdig
signaleren van risico's, de samenhang tussen woningbouw en
infrastructuur, de informatiewaarde van de voortgangsrapportage, de
verdeling van het tweede pakket van 2,5 miljard en de toekomstige
samenwerking met decentrale overheden.
In de recente voortgangsrapportage over 2024 en de MIRT-brief wordt
gemeld dat van de 7,5 miljard voor het eerste pakket inmiddels circa 700
miljoen euro is afgeroomd. Dat is niet gebeurd bij specifieke
uitkeringen, zoals de taakstelling van het kabinet-Schoof voorschreef,
maar bij de netwerkinvesteringen in vijf wegenprojecten, waarbij onder
meer de A50, de A7, de A8 en de A4 zijn gepauzeerd. 357 miljoen hiervan
is ingezet binnen het programma Woningbouw en Mobiliteit. Het resterende
deel van 358 miljoen is ingezet voor andere opgaven binnen het
Mobiliteitsfonds. Hiermee zijn weliswaar de budgetten van de specifieke
uitkeringen aan de decentrale overheden ontzien, maar er is wel budget
verdwenen voor de bereikbaarheid van woningbouwlocaties, terwijl
hiervoor een aanzienlijke budgetbehoefte bestaat. We hebben hierbij de
volgende vragen. Waarom worden niet de hele afgeroomde budgetten ingezet
voor andere onderdelen van het programma Woningbouw en Mobiliteit? Wat
zijn de gevolgen van het pauzeren van de netwerkinvesteringen en het
afromen voor de woningbouw en de bereikbaarheid? Welke middelen blijven
beschikbaar voor de gepauzeerde wegprojecten?
Voorzitter. Dan het tijdig signaleren van risico's. Het programma is in
beweging gekomen. De uitvoering van de maatregelen is gestart. De vraag
is wel of we haperingen bij de ontsluiting van de woningbouwlocaties
tijdig in beeld hebben, zodat die ook aangepakt kunnen worden. De
decentrale overheden signaleren breed dat er risico's zijn die gevolgen
kunnen hebben voor de scope, de financiële haalbaarheid en/of de
tijdsplanning van de projecten. Veelgenoemde risico's zijn
prijsstijgingen en vertragingen door procedures en capaciteitsproblemen.
Ook een veranderend politiek-bestuurlijk draagvlak wordt als risico
genoemd. Hierbij is de vraag of deze vertragingen, kostenstijgingen en
andere tegenvallers tijdig worden gemeld als ze zich echt gaan voordoen
en hoe de minister daarmee omgaat. De gegevensverzameling voor de
jaarlijkse voortgangsrapportage vindt immers pas enige tijd na afloop
van het begrotingsjaar plaats. Zo heeft de Kamer pas voor het kerstreces
de voortgangsrapportage over 2024 ontvangen, waarin onder meer te lezen
is dat de oplevering van de mobiliteitsmaatregelen bij de regeling
woningbouw op korte termijn achterloopt op de planning.
Wij hebben hierover de volgende vragen. Hoe stelt de minister vast of de
maatregelen volgens de planning worden uitgevoerd en goed aansluiten op
de woningbouw zelf? Worden hiervoor de bestuurlijke overleggen in het
voor- en najaar benut? Wat is de reden dat de oplevering van maatregelen
voor de WoKT achterloopt op de planning? Wat zijn hiervan de gevolgen
voor de betrokken woningbouwlocaties? Is de vertraging nu we een jaar
verder zijn inmiddels ingelopen of is deze juist groter geworden? Kan de
minister de Kamer in de junibrief over de voortgang van het MIRT ook
informeren over actuele ontwikkelingen binnen het programma of kan hij
de voortgangsrapportage over het voorgaande jaar meesturen?
In de voortgangsrapportage zelf zijn duidelijke verbeteringen te zien
die het ministerie naar aanleiding van de verzoeken van onze voorganger
heeft aangebracht. Dat geldt bijvoorbeeld voor de grafieken over de
voortgang van de bereikbaarheidsmaatregelen en de woningbouw, en voor de
uitgebreidere beschrijving van de risico's. Dank voor deze
responsiviteit. Ook dank voor de toelichting die uw ambtenaren ons
eerder deze maand hebben gegeven.
Een goede samenhang tussen de woningbouw en de infrastructurele
maatregelen is van cruciaal belang voor een geslaagde aanpak van de
woningbouwopgave. Onze voorganger heeft hier al diverse malen aandacht
voor gevraagd. De begrotingsrapporteurs van de commissie voor VRO hebben
ook gevraagd om de aansluiting tussen woningbouw en bereikbaarheid
periodiek inzichtelijk te maken en de Kamer te informeren over
knelpunten die zich gaan voordoen. Vanwege dit grote belang van een
goede samenhang hebben wij de volgende vragen aan de minister. Hoe
bewaakt de minister vanuit de regiefunctie in het programma de samenhang
tussen woningbouw en de bereikbaarheidsmaatregelen? Kan in de
voortgangsrapportages op het niveau van de individuele locaties worden
gerapporteerd over deze samenhang in de planning en over de risico's en
de voortgang, zodat kan worden gesignaleerd of deze samenhang al dan
niet wordt bedreigd? Kan dit ten minste worden gedaan voor de
grootschalige projecten, de netwerkinvesteringen en de
schaalsprongen?
Daarnaast hebben wij enkele verzoeken over de voortgangsrapportages.
Kunnen de risico's concreter worden uitgewerkt in kans van optreden,
impact op de planning, en kosten en maatregelen om deze risico's te
beheersen? Kan in het hoofdstuk Financieel weer worden gerapporteerd
over alle onderdelen van het programma, en niet alleen over de
subsidieregelingen, zodat de voortgangsrapportage weer een totaalbeeld
biedt?
Voorzitter. Dan was dit mijn onderdeel van dit rapport.
De voorzitter:
Ik dank u wel. Dan geef ik het woord aan de heer De Hoop.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Ik zal verdergaan over het betrekken van brede
welvaart in het programma Woningbouw en Mobiliteit. Daar hebben we het
in deze commissie al eerder over gehad. Eigenlijk hadden doelstellingen
en streefwaarden voor brede welvaart natuurlijk al bij de start van het
programma geformuleerd moeten zijn, zodat ze ook een rol hadden kunnen
spelen bij de afweging tussen de maatregelen en de verdeling van de
middelen. Nu wordt aangekondigd dat in de volgende voortgangsrapportage
een referentiebeeld wordt opgenomen dat daarna zal worden gebruikt voor
de monitoring van de WoMo-locaties. Wij onderstrepen nogmaals dat wij
het als commissie van groot belang vinden dat goed wordt gemonitord hoe
de brede welvaart zich rond nieuwe woningbouwlocaties ontwikkelt.
Dan kom ik nu bij de verdeling van de 2,5 miljard die het kabinet-Schoof
heeft toegevoegd. Deze middelen zijn in principe verdeeld over de
decentrale overheden. De Kamer moet dit nog goedkeuren en de regelingen
moeten nog worden gepubliceerd. 1,3 miljard wordt ingezet voor de
woningbouw op korte termijn, met 145.000 nieuwbouwwoningen, en 1,2
miljard wordt gereserveerd voor de bereikbaarheid van de grootschalige
woningbouwgebieden, met 128.000 nieuwe woningen. Voor beide regelingen
zijn meer goede voorstellen gedaan dan gehonoreerd konden worden. Dat
geldt ook voor de voorstellen voor nieuwe grootschalige
woningbouwgebieden die in de ontwerp-Nota Ruimte zijn aangewezen,
Alkmaar, Apeldoorn, Helmond, Hengelo en Enschede, waar we recent ook
antwoorden op Kamervragen over ontvingen. De minister blijft met deze
gebieden in gesprek en de Kamer wordt hierover in het voorjaar
geïnformeerd, maar het is aan een nieuw kabinet om keuzes te maken. Wat
zijn de gevolgen voor de woningbouw in de gebieden waarvan de
voorstellen niet zijn gehonoreerd?
Voor de noordelijke provincies, Groningen, Fryslân en Drenthe, en ook
voor Zeeland concludeert de minister dat het zinvol is om gezamenlijk
met de regio te onderzoeken wat het effect is van het toepassen van
generieke rendementseisen voor de landelijke WoKT-regeling en op de
WoKT-voorstellen. De vraag is of een landelijke WoMo-regeling recht kan
doen aan de verschillen in woningbouwopgaven in verschillende regio's,
mede in het licht van het uitgangspunt dat elke regio telt. Wij hebben
hierover de volgende vragen. Kan de minister toelichten in hoeverre en
waarom voorstellen van de noordelijke provincies en Zeeland voor de WoKT
nu minder hoog scoren en ook minder budget krijgen dan andere
provincies? Wat zijn dan de mogelijkheden voor deze provincies om hun
woningbouwlocaties goed te ontsluiten?
In de MIRT-brief van 13 januari is te lezen dat de rijksbijdrage tot aan
het moment van uitkeren jaarlijks wordt geïndexeerd met het door het
ministerie van Financiën vastgestelde IBOI-prijsbijstellingspercentage.
Op die prijsbijstelling is echter twee keer deels beslag gelegd door het
kabinet. Bij de Voorjaarsnota 2025 werd 50% ingehouden en in de
MIRT-brief wordt aangekondigd dat bij de Voorjaarsnota 2026 weer een
percentage zal worden ingehouden. Deze inhoudingen van de
prijsbijstelling werken meerjarig door en zorgen dus voor structurele
tekorten. Wat zijn de gevolgen van het inhouden van de
prijsbijstellingen voor de uitvoering van het programma Woningbouw en
Mobiliteit? In hoeverre krijgen decentrale overheden last van deze
kortingen op de prijsbijstelling?
Dan kom ik tot slot bij de langjarige samenwerking tussen Rijk en
decentrale overheden en de omgang met onzekerheden die verbonden zijn
aan meerjarige infrastructurele projecten. De minister schrijft in de
brief van 17 oktober dat bij de middelen voor woningbouw en mobiliteit
die de afgelopen jaren beschikbaar zijn gesteld, onvoldoende rekening is
gehouden met scopewijzigingen, tegenvallers, omgevingsfactoren,
realistische doorlooptijden en instandhoudingskosten. Bij de grotere
MIRT-projecten leidt het tot vertraging en moeizame gesprekken over de
dekking van extra kosten. Kan de minister aangeven hoe hij de komende
jaren de samenwerking met de decentrale overheden voor zich ziet, mede
in het licht van de budgettaire uitdagingen van het kabinet? Is er
voldoende flexibiliteit ingebouwd in het programma Woningbouw en
Mobiliteit om te kunnen omgaan met financiële tegenvallers en dreigende
vertragingen? In hoeverre worden deze risico's gedeeld door het Rijk? En
welke mogelijkheden zijn er om bij tegenvallers te herprioriteren,
budget toe te voegen of te versoberen?
Voorzitter. Tot zover onze bijdrage als rapporteurs Woningbouw en
Mobiliteit. Dank aan collega Van Asten en ook aan de griffie voor de
ondersteuning.
De voorzitter:
Ik dank u wel voor uw inbreng als rapporteurs. De minister zal als
eerste u van antwoorden gaan voorzien. Gaat uw gang.
Minister Tieman:
Goedemorgen. Dank aan de nieuwe rapporteurs Woningbouw en Mobiliteit, de
heer De Hoop en de heer Van Asten, voor hun inbreng en vragen. Voordat
ik overga tot de beantwoording van de vragen van de rapporteurs, heb ik
nog een aantal korte, algemene opmerkingen. De staatssecretaris en ik,
alsmede de minister van VRO, zijn erg blij dat er door alle regio's zo
veel goede proposities voor woningbouw en mobiliteit zijn ingediend.
Hiermee hebben we op de BO's MIRT, eerder in de maand januari, afspraken
kunnen maken over zo'n 3,4 miljard euro aan woningbouw- en
mobiliteitsmiddelen en gebiedsbudget. Daarmee kan de regio veel mooie
projecten ontwikkelen. Hiermee kunnen we écht aan de slag.
Helaas kunnen we zelfs met al deze middelen niet alles doen wat we
hadden willen doen op basis van de inhoud van de voorstellen. Dat
betekent dat er ook veel kwalitatief goede voorstellen nu niet
gehonoreerd zijn, zoals die van de nieuwe grootschalige
woningbouwgebieden in Alkmaar, Apeldoorn, Helmond, Hengelo en Enschede.
Maar ook goede voorstellen van kleinere steden zijn niet altijd
gehonoreerd. Dat doet natuurlijk pijn, maar we gaan ze zeker niet
weggooien. Deze projecten blijven dicht bij ons liggen, niet zozeer op
een plank, maar ze worden, als het aan mij ligt, dynamisch gemaakt. Dan
komen we daar ook weer op terug, want die staan gewoon gereed om ingezet
te gaan worden als die financiële plaat wat verbetert.
We blijven in gesprek en het is aan een nieuw kabinet om hier keuzes in
te maken, zoals ik net ook al hoorde, waarbij de ingediende proposities
als basis kunnen gaan dienen. Ook gaan we, zoals ook al is aangegeven,
gezamenlijk met de regio onderzoeken wat het toepassen van deze
generieke rendementseisen voor de landelijke woningbouw op korte termijn
betekent voor de voorstellen in de provincies Groningen, Friesland,
Drenthe en Zeeland. Wellicht moet je het daarna nog wat breder gaan
trekken, want het rapport van de Rli was ook duidelijk: elke regio telt.
Een aanzet voor dit onderzoek is onlangs met de betrokken provincies al
gedeeld. Hiervan zal op korte termijn al een gezamenlijke
opdrachtbeschrijving worden opgesteld. Dit gaan we dus niet pas over een
jaar doen.
Dan ga ik over tot de beantwoording van de gestelde vragen. De heer Van
Asten vroeg waarom niet de gehele afgeroomde budgetten worden ingezet
voor andere onderdelen van het programma WoMo. Er is geen sprake geweest
van afromen. Bij de voorjaarsbegroting moesten keuzes worden gemaakt.
Daarbij is ervoor gekozen om 1,8 miljard van de vijf gepauzeerde
wegenprojecten te herprioriteren om projecten die wel maakbaar en
uitvoerbaar zijn doorgang te kunnen laten vinden. Circa 700 miljoen
daarvan was afkomstig vanuit het WoMo-programma voor
netwerkversterkingen. Daarvan was 358 miljoen euro nodig voor de
dekkingsopgave op het Mobiliteitsfonds, zoals het tekort op de A27
Houten-Hooipolder en de ViA15 Nijmegen-Arnhem. Dat zijn projecten
waarbij de verschillende regio's aandringen op realisatie ervan, omdat
ze nodig zijn voor de algehele bereikbaarheid van al die woningbouw. Bij
het verdelen van de middelen in 2022 ging men ervan uit dat deze
netwerkversterkingen gerealiseerd zouden worden. De rest van het budget
blijft binnen het programma Woningbouw en Mobiliteit ten behoeve van
bijvoorbeeld de ondersteuning van de projecten Groningen, Dordrecht en
Haarlem alsmede het opvangen van de SPUK-korting voor de gemeenten in
het gehele land. We zetten het budget dus in om dit alsnog voor elkaar
te krijgen.
De heer Van Asten vroeg: wat zijn de gevolgen van het pauzeren van de
netwerkinvesteringen voor de woningbouw en de bereikbaarheid? Ik zal het
even heel kort neerzetten: dit heeft een negatief effect op de
bereikbaarheid. Het moeten pauzeren van de projecten heeft een breed
effect. De netwerkinvesteringen zijn niet met specifieke afspraken
gebonden aan woningbouwprojecten, maar dragen wel bij aan de
bereikbaarheid van wonen, werken en vrienden in de verschillende
regio's. Ik kan u vertellen dat IenW in het kader van het MIRT continu
in gesprek is en blijft met deze regio's over de gevolgen van het
pauzeren. Helaas had ik geen andere mogelijkheid.
De heer Van Asten vroeg ook: welke middelen blijven beschikbaar voor
deze gepauzeerde wegprojecten? Het budget van vijf gepauzeerde
wegprojecten is geherprioriteerd binnen het MIRT en het WoMo. Voor een
van deze projecten, de A6 tussen Almere Oostvaarders en Lelystad, is het
projectbudget van 153 miljoen euro behouden voor de toekomstige herstart
van het project, mede met het oog op de ontwikkeling van de woningbouw
die we in Lelystad voorzien. Voor de A7/A8 tussen Amsterdam en Hoorn is
nog eens 20 miljoen euro gereserveerd voor het hiermee samenhangende
project van de Guisweg. Voor de A4 Burgerveen-N14 is circa 3 miljoen
euro beschikbaar gesteld voor het verbeteren van de fietsverbinding
tussen Leidschendam-Voorburg en Leiden. Voor de twee overige projecten,
de A50 en de A16, is vooralsnog, zeg ik daarbij, geen budget meer
beschikbaar.
De heer Van Asten vroeg: hoe stelt de minister vast of de maatregelen
volgens de planning worden uitgevoerd en goed aansluiten op de
woningbouw zelf? We hebben een jaarlijkse monitoring. De realisatie van
de afgesproken mobiliteitsmaatregelen en de woningbouwaantallen wordt
jaarlijks gemonitord. Gemeenten die de rijksbijdrage hebben ontvangen
via de SPUK zijn verplicht een jaarlijkse "single information, single
audit"-verantwoording — excuus voor de Engelse terminologie — aan te
leveren. Hierin wordt zowel de realisatiestand van de woningbouw als de
voortgang van de mobiliteitsmiddelen opgenomen. Aanvullend worden
jaarlijks voortgangsgesprekken gevoerd met de gemeenten die een
rijksbijdrage hebben mogen ontvangen. De voortgangsinformatie over
netwerkinvesteringen en schaalsprongen wordt jaarlijks geactualiseerd in
het MIRT-overzicht. Uiteraard heb ik ook nog bestuurlijke overleggen. We
hebben net een hele ronde gehad, die ik zeer nuttig vond. Die gesprekken
gaan over details, maar van alle regio's heb ik goede feedback gekregen.
Regulier voeren we gesprekken met de waterschappen, wethouders en
gedeputeerden. Daarbij wordt goed geagendeerd en genotuleerd.
De heer Van Asten vroeg: worden de bestuurlijke overleggen in het najaar
hiervoor benut? Het korte antwoord is ja. Ik had dat net al even
aangegeven. Daarbij horen ook de bestuurlijke overleggen van het MIRT en
de actualisering van het Plan van Aanpak Beheersing programma Woningbouw
en Mobiliteit.
De heer Van Asten vroeg: wat is de reden dat de oplevering van
maatregelen van de WoKT achterloopt ten opzichte van de planning? Het
klopt dat vier van de elf in 2024 geplande inframaatregelen zijn
gerealiseerd. De overige zeven zijn nog in realisatie. De redenen die
gemeenten vaak geven voor de vertraging zijn prijsstijgingen, bezwaren
en beroep — daar hebben we het vorige week ook heel even over gehad —
krappe capaciteit bij de gemeente en in de markt, en het veranderende
politiek-bestuurlijke draagvlak. Gemeenten kunnen op verzoek de kennis
van het Expertteam Woningbouw inzetten ter ondersteuning bij het omgaan
met deze risico's, zoals bijvoorbeeld bepaalde bouwteams in
Noord-Holland die vanuit de provincie opereren. Wij zien het als een
rijkstaak om gemeenten daarbij te helpen. Bij het uitblijven van
voortgang van een project kan terugvordering van de subsidie
uiteindelijk een uitkomst zijn; dat doen we niet graag, maar we hebben
immers ook nog andere projecten op de plank liggen.
Is de vertraging inmiddels ingelopen nu we een jaar verder zijn, of is
deze juist gegroeid? Vanaf juli dit jaar krijgen we van de gemeenten een
nieuwe voortgangsinformatierapportage over het voorgaande jaar. Op dit
moment kan ik dus nog niet zeggen of de vertraging is ingelopen of
groter is geworden. Ik zal de Kamer hierover informeren met de
voortgangsrapportage van 2025, die met de MIRT-brief van dit najaar naar
de Kamer gestuurd zal worden.
"Kan de minister de Kamer in juni ook informeren over de actuele
ontwikkelingen binnen het programma, of de voortgangsrapportage over het
voorgaande jaar meesturen?" Ik kan de Kamer met de MIRT-brief in juni
informeren over de actuele ontwikkelingen en de trends op het gebied van
WoMo, voor zover ik die signalen ontvang. Het lukt mij niet om de
voortgangsrapportage over 2025 toe te sturen. Om de administratieve
lasten voor gemeenten te beperken, is ervoor gekozen aan te sluiten bij
het reguliere aanlevermoment van de jaarverantwoording. Dit was ook
conform het verzoek van uw Kamer. Om die reden lukt het mij niet om in
juni de voortgangsrapportage over 2025 toe te sturen. Het vaker
uitvragen van informatie wijkt af van de eerder gemaakte bestuurlijke
afspraken en zou een aanzienlijke verzwaring van de administratieve
lasten voor gemeenten betekenen. Daarvoor zou ook een additionele impuls
vanuit IenW nodig zijn; dat vraagt echt extra inzet. Op dit moment is
het, zoals u weet, alle hens aan dek.
De heer Van Asten vroeg naar de bewaking van de regiefunctie vanuit IenW
voor de samenhang tussen woningbouw en de bereikbaarheidsmaatregelen.
Bij het toekennen van de middelen zijn de voorstellen getoetst op de
samenhang tussen woningbouw en bereikbaarheidsmaatregelen. In de
voortgangsrapportage monitoren we jaarlijks de voortgang van zowel de
bereikbaarheidsmaatregelen als de woningbouw, alsmede de belangrijke
samenhang daartussen. Gezamenlijk met het ministerie van VRO voeren we
jaarlijks voortgangsgesprekken met de gemeenten.
In de voortgangsrapportage wordt op het niveau van de individuele
locaties gerapporteerd over de samenhang. In de volgende
voortgangsrapportage wil ik proberen inzicht te bieden in de samenhang
tussen de voortgang in de woningbouw en de MIRT-projecten, maar ik wil
niet zo ver gaan om programmabreed over de individuele projecten te
rapporteren. Ook hierbij gaat dat in tegen de afspraken met gemeenten
over het delen van gevoelige marktinformatie van deze projecten over de
bouw. We werken aan het samenbrengen van de bij VRO en IenW beschikbare
informatie over de voortgang van de woningbouw in de grootschalige
woningbouwgebieden, zodat er meer inzicht ontstaat in de
voortgang.
De heer Van Asten vraagt of de risico's concreter kunnen worden
uitgewerkt naar kans van optreden, impact op de planning en kosten, en
de maatregelen om deze risico's zo goed mogelijk te beheersen. De
risico's in de voortgangsrapportage worden op geaggregeerd niveau
gerapporteerd. Het delen van risico's per gemeente kan gevoelig liggen,
omdat gemeenten vertrouwelijke voortgangsinformatie bij ons aanleveren,
onder de toezegging dat deze alleen op geaggregeerd niveau zal worden
gedeeld. Omdat het risicoprofiel per gemeente verschilt, zou concreter
rapporteren ook echt maatwerk vereisen. We hebben het dan over meer dan
200 individuele projecten. Dat vraagt op dit moment heel veel
capaciteit, terwijl wij de meerwaarde voor die enorme opgave op dit
moment als beperkt inschatten. Misschien moeten we nog een keer de
discussie voeren over wat dan wél acceptabel is, maar op dit moment is
het een enorme inspanning om dat te doen.
De heer Van Asten vraagt of in het hoofdstuk Financieel weer kan worden
gerapporteerd over alle onderdelen van het programma en niet alleen over
de subsidieregelingen. In het hoofdstuk Financieel van de
voortgangsrapportage wordt gerapporteerd over de uitgaven voortkomend
uit de specifieke uitkeringen WoMo. De nieuwe specifieke uitkeringen uit
de 2,5 miljard zullen bij de volgende voortgangsrapportage aan deze
tabel worden toegevoegd. Netwerkinvesteringen, alsmede schaalsprongen,
zijn niet in dit overzicht opgenomen, omdat de voortgang van dit type
investeringen per project wordt bijgehouden in het MIRT-overzicht en in
het hoofdstuk Mobiliteitsfonds van de Rijksbegroting 2026.
De heer De Hoop vraagt wat de gevolgen zijn voor de woningbouw nu de
vier grootschalige woningbouwlocaties, die ik net heb genoemd, net als
de heer De Hoop, niet zijn gehonoreerd. Gemeenten geven aan dat de
realisatie van de totale woningbouwaantallen vertraging oploopt als er
geen financiering wordt gevonden voor de noodzakelijke inframaatregelen.
De ministeries van VRO en IenW blijven, zoals net ook is aangegeven, op
hoog ambtelijk niveau in overleg met de vier nieuwe grootschalige
woningbouwgebieden over de exacte gevolgen van het besluit om —
onderstreept — in deze fase geen inframaatregelen toe te kennen. Daarbij
wordt ook gekeken naar wat wél kan, bijvoorbeeld met het toegekende
gebiedsbudget, om vertraging zo veel mogelijk te voorkomen. Dit gesprek
— we zijn daarmee bezig — kan input leveren voor de besluitvorming van
een nieuw kabinet. Ik heb net aangegeven dat dit goede projecten zijn.
Ze zijn echt top of mind. Ze worden zelfs nog beter, maar dat geldt ook
voor de projecten vanuit de kleinere gemeenten, die niet grootschalig
zijn en die kwalitatief ook erg goed waren.
De heer De Hoop vraagt in hoeverre en waarom de voorstellen voor de
noordelijke provincies en Zeeland nu minder scoren voor deze
WoKT-middelen. Weet dat de staatssecretaris en ik echt Elke regio telt!
hebben willen onderstrepen ten aanzien van de eerder gemaakte afspraken
over die toekenningscriteria. Het viel ons dus ook op. We hebben daarin
een aanpassing gedaan, maar nog steeds zie je een verschil. De
voorstellen zijn deels afgewezen op indieningsvereisten, zoals de
maximumbijdrage per woning — daar was het echt om te doen: de biggest
bang for your buck voor de woningbouw op korte termijn — het
bestedingsdoel of de afweegcriteria, bijvoorbeeld de noodzaak van de
voorgestelde infra voor de woningbouw en de realisatietermijn. Bij
prioritering op rendement werd er ten opzichte van de andere provincies
relatief slecht gescoord. Waarom dit het geval is, wordt op korte
termijn nader onderzocht met de betreffende regio's. Misschien willen we
dat nog wat breder gaan doen, maar we doen in ieder geval de uitvraag
hetzelfde. We trekken daar gewoon gezamenlijk in op. We gaan dat verder
onderzoeken met de provincies. Daarna komen we weer bij elkaar en hebben
we daar ook met uw Kamer een afdronk over. De geprioriteerde voorstellen
op rendement leveren per euro rijksbijdrage minder woningen op dan een
ander goed beoordeeld voorstel.
De heer De Hoop vroeg: wat zijn de mogelijkheden voor deze provincies om
hun woningbouwlocaties goed te ontsluiten? Het aantal in deze fase
afgevallen voorstellen in deze provincies laat zien dat in deze
provincies de behoefte blijft staan aan middelen voor de ontsluiting van
woningbouwlocaties en dat op basis van de gestelde criteria inhoudelijk
goede plannen klaarliggen. De 2,5 miljard aan woningbouw- en
mobiliteitsmiddelen is volledig verdeeld. Het is dan ook aan een nieuw
kabinet om verdere keuzes te maken ten aanzien van een toekomstig potje.
Ik heb daar veel vertrouwen in, want we hebben zo veel woningen met
elkaar te bouwen. Veertien voorstellen uit deze provincies zijn
afgevallen. Acht voldeden niet aan de gestelde criteria. Zes voldeden
wel aan de criteria, maar zijn afgevallen op het prioriteringsrendement.
Bij het BO MIRT Noord en het BO MIRT Zuidwest hebben we dan ook
aangegeven dat we die rendementscriteria nog eens goed tegen het licht
gaan houden.
De heer De Hoop vroeg: wat zijn de gevolgen van het inhouden van de
prijsbijstellingen voor het programma Woningbouw en Mobiliteit? Dat vind
ik een pijnlijk puntje. Conform de vastgelegde afspraken keert IenW de
verkregen prijsbijstellingen uit. Voor 2025 gaat het om 1,65%. Bij
sommige projecten vergt het wellicht een extra inspanning om met de
beschikbare budgetten uit te komen, maar weet dat deze prijsbijstelling
echt nog onderdeel is van verdere discussie in het kabinet en met uw
Kamer. Ten aanzien van effectuering et cetera kijk ik ook echt naar de
Voorjaarsnota. Ik geef u hier het antwoord op de vraag wat de impact is.
In hoeverre krijgen decentrale overheden last van deze kortingen op de
prijsbijstelling? Omdat een deel van de projectbudgetten al voor 2025
naar de gemeenten is overgeboekt, raakt de korting uit 2025 maar een
deel van de budgetten. Dit neemt niet weg dat het voor decentrale
overheden wellicht uitdagender wordt om binnen het budget te
blijven.
De heer De Hoop vroeg: kan de minister aangeven hoe hij de samenwerking
met de decentrale overheden in de komende jaren voor zich ziet, ook
kijkende naar de budgettaire uitdagingen van het kabinet? Ik zou bijna
willen zeggen: wellicht worden we op vrijdag in een andere realiteit
wakker ten aanzien van wat daarin gaat staan of niet. Dat geef ik even
aan de voorkant mee. Ik heb nog wel te maken met de wereld van hier en
nu. Het Rijk en de regio zien de woningbouw en bereikbaarheid als een
gezamenlijke opgave. Meneer De Hoop, de verdeling van die 1,5 miljard
euro was echt een schoolvoorbeeld van hoe wij interdepartementaal — dat
is ook zo'n woord — met VRO, maar ook met de lokale regionale overheden
een enorm goede samenwerking hebben gecreëerd. Dit zou je eigenlijk op
andere gebieden ook eens een keertje moeten gaan bekijken. Denk aan de
NAS, de klimaatstrategie, waarmee we in 2026 naar uw Kamer komen. Alle
overheden, iedereen is betrokken. De terugkoppeling die ik heb gekregen,
is dat die samenwerking echt waardevol is. We laten elkaar in mijn
optiek niet los, ook al is er misschien geen 2,5 miljard meer. We
informeren elkaar namelijk heel erg goed. Samenwerken vanuit eenieders
eigen rol en verantwoordelijkheid om de gemaakte afspraken na te komen;
dit samenspel is zeer waardevol.
De heer De Hoop vroeg naar de flexibiliteit waarmee het WoMo kan omgaan
met financiële tegenvallers en dreigende vertragingen. In hoeverre
worden deze risico's gedeeld door het Rijk? In het Plan van Aanpak
Beheersing programma Woningbouw en Mobiliteit, dat onlangs is
geactualiseerd en tegelijk met de MIRT-brief met u is gedeeld, kunt u de
mate van flexibiliteit van het programma teruglezen. Flexibiliteit is op
verschillende niveaus ingebouwd. Het totale budget — 7,5 miljard vanuit
het kabinet-Rutte en 2,5 miljard vanuit het kabinet-Schoof — uit het
Mobiliteitsfonds ten behoeve van investeringen in bereikbare woningbouw
is taakstellend. Indien er sprake is van een wijziging als gevolg van
financiële tegenvallers of vertraging, wordt er eerst gekeken of dat
opgelost kan worden binnen het huidige pakket van maatregelen. Hierbij
kan er ondersteuning geboden worden vanuit het Expertteam Woningbouw,
waar ik het net al over had, om te adviseren over optimalisaties of over
eventuele versoberingsopties. Als er sprake is van een
wijzigingsvoorstel buiten de gestelde kaders, zullen de bewindspersonen
moeten instemmen met de wijziging. De aangepaste afspraken worden dan
ook vastgelegd in de diverse bestuurlijke overleggen die we met elkaar
hebben.
Mij werd ook gevraagd welke mogelijkheden er zijn om bij tegenvallers te
herprioriteren, om budget toe te voegen of te versoberen. Hiervoor zijn
duidelijke afspraken opgenomen in het Plan van Aanpak Beheersing
programma Woningbouw en Mobiliteit. De rijksbijdragen aan gemeenten en
projecten uit de middelen voor Woningbouw en Mobiliteit zijn, zoals ik
net al aangaf, taakstellend en daarna ook onderdeel van een bestuurlijk
overleg.
Tot zover, voorzitter. Dank u wel.
De voorzitter:
Kijk eens aan. Ik kijk even naar de rapporteurs of dat nog tot reacties
leidt. Ik geef als eerste het woord aan de heer Van Asten. Gaat uw
gang.
De heer Van Asten (D66):
Dank voor de beantwoording. Die is zeer uitgebreid, dus ik moet even
terugkijken, want ik was druk aan het meeschrijven. De minister noemde
de mogelijkheid van terugvordering bij vertraging van woningbouwlocaties
et cetera. Dat geldt waarschijnlijk ook voor de beantwoording over de
taakstellendheid van opdrachten. Wanneer … Mijn vraag zit eigenlijk net
op het andere punt. Is het Rijk de partner van lagere overheden in dit
soort projecten of alleen de subsidieverlener ervoor? De vraag is
namelijk hoe je taakstellendheid oppakt. Je kunt dat afspreken met
elkaar, maar op het moment dat je het samen nog steeds een goed idee
vindt om woningbouw en ontsluiting op te pakken, welke rol zie je als
overheid dan voor jezelf? Of is het dan zo: gemeentes moeten puur
efficiënt zijn en als dat niet lukt, dan is het klaar en mag het geld
terug? Dat is de eerste vraag.
Dan had ik ook nog een vraag over de rapportages. Op zich heb ik er
begrip voor dat we de lagere overheden niet met veel meer
rapportageverplichtingen moeten opzadelen. Er wordt al druk genoeg op
gerapporteerd. Ik zit echter wel met een timingsissue. We hebben gezien
dat wij zelf pas vlak voor kerst 2025 de voortgangsrapportage 2024
kregen, terwijl er best harde financiële druk op zit, waarbij zelfs
wordt gezegd dat terugvordering in het uiterste geval een mogelijkheid
is. Dan is er natuurlijk ook voor de Kamer geen enkele manier meer om
tijdig bij te kunnen sturen, omdat wij voortgangsrapportages met daarin
de risico's pas vrij laat zelf in het vizier krijgen. Dus hoe kunnen wij
daar nou een rol pakken om bij te sturen en dat goed in de gaten te
houden? Graag nog als laatste een antwoord op deze twee vragen.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan de heer De Hoop.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Ik heb twee korte vragen over de verdeling van de middelen. In de brief
die de minister in november naar de Kamer heeft gestuurd, zien we wel
heel duidelijk de bedragen die per project uitgegeven worden. Mijn beeld
is dat dat niet geldt voor de scores op de afwegingscriteria vanuit
verschillende regio's. Zouden die nog met de Kamer gedeeld kunnen
worden? De minister geeft ook aan dat de staatssecretaris en de minister
zelf opnieuw gekeken hebben naar de verdeling en daarop ook bijgestuurd
hebben. Ik zie daar niets over staan in de beslisnota's. Kan ook gedeeld
worden met de Kamer waarom de bewindspersonen daar nog geschoven hebben
richting verschillende regio's? Wat is daar de afweging geweest vanuit
het kabinet?
De voorzitter:
Ik dank u wel. De minister.
Minister Tieman:
De staatssecretaris zal even ingaan op uw vraag, meneer De Hoop, althans
op een klein gedeelte daarvan. Voor uw informatie: ik gaf net ook al aan
dat in elke regio een aantal zaken telt. Anders had dat project van
Zeeland er niet eens op gestaan. Dat viel mij in ieder geval op.
Dan kom ik bij de heer Van Asten. Ik zie ons echt als een partner. We
hebben echt goede overleggen, maar we moeten het wel binnen het budget
doen met elkaar. Ik heb nog geen project terug hoeven trekken en het
geld opnieuw hoeven herbestemmen. Laat dat ook helder zijn. Wanneer het
zich echter zou voordoen, is dat wel echt de stok achter de deur die we
hebben wanneer een ander project in de wacht staat. Dat kunnen we dan
wel vlottrekken. Maar dat heb ik nog niet meegemaakt. Het is wel echt
een mogelijkheid om dat te kunnen terugvorderen. Ik heb het nog niet
gedaan en ik zie ons echt als een partner mét de overheden voor wanneer
het moeilijk wordt. Dan kunnen we ook nog eens met elkaar naar maatwerk
kijken, alvorens we tot zo'n middel komen.
Wat betreft de timingsissue: projecten duren erg lang. Ik ga nog eens
goed kijken wat we kunnen doen zonder die administratieve lasten te
verhogen, hoe die timing goed synchroniseert met elkaar en of we daar
alle slimmigheden al op tafel hebben gelegd. Het moet namelijk niet zo
zijn dat we dan een sturingsmiddel overschieten omdat het net een maand
te laat is aangeleverd. Hebben we daar nu echt de scherpte met elkaar
gezocht of niet? Maar projecten duren inderdaad wel erg lang. Tijdens
zo'n bestuurlijk overleg ga ik met de regio in overleg om met elkaar de
diepte in te gaan over de timing. Dan koppel ik terug aan u of we daar
nog slagen in zouden kunnen maken.
Tot zover, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik nog even het woord aan de staatssecretaris. Gaat
uw gang.
Staatssecretaris Aartsen:
Dank u wel, voorzitter. Het is inderdaad goed om nog even kleuring te
geven aan dat proces. Bij de begrotingsbehandeling zei ik al dat het
sowieso een enorm lastige keuze is geweest, omdat we op basis van de
kwaliteit die voorlag eigenlijk al twee keer zoveel projecten en dus ook
twee keer zoveel woningen hadden kunnen bouwen. Ik denk dat het ook wel
belangrijk is om te zeggen dat alle maatregelen die erin staan, in
beginsel gemeentelijke aangelegenheden zijn. Het is dus de
verantwoordelijkheid van de gemeente om dat te doen, maar ik denk dat
het heel goed is om juist ook woningbouw als uiting vanuit de
infrastructuur centraal te zetten. Dat is ook de reden voor de
WoMo-gelden. Dus dat is gebeurd. Op basis van de criteria is daarvoor
een lijst beschikbaar gekomen.
Vanuit het kabinet hebben we gezegd: een aantal dingen moeten we nog
bekijken. Het eerste is inderdaad het aspect van Elke regio telt!
Daarbij hebben we vooral gekeken naar de witte vlekken. Zeeland is zo'n
fameus voorbeeld, waarvan je zegt: het kan niet zo zijn dat een
provincie volledig zonder zit. Dus dat hebben we eruit gelicht. Ik moet
eerlijk zeggen — dat hebben we ook aangegeven bij de bestuurders uit het
Noorden, zowel in de bilaterale gesprekken als in de MIRT-besprekingen —
dat we misschien in retrospectief ook aandacht hadden moeten besteden
aan de "lichtgrijze" vlekken, zoals ik ze maar even noem. Dat was denk
ik ook wel verstandig geweest. Maar goed, op een gegeven moment zit je
in een proces en wil je ook recht doen aan de criteria die je aan de
voorkant hebt afgesproken. Hoe meer je gaat schuiven en hoe meer
kleuring je gaat geven aan zo'n lijst, hoe groter de kans dan is dat er
aan de andere kant ook weer projecten afvallen. Die balans moet je dus
continu zoeken. We hebben ook nog gekeken naar een aantal bijzondere
projecten, dus projecten met een hoge impact. Vanuit VRO is het aspect
van het NPLV natuurlijk een belangrijk onderdeel daarvan. Maar
natuurlijk zijn er ook bepaalde emplacementen waarvan je weet dat je er
impact mee kunt creëren om ook naast het WoMo een stap te kunnen zetten.
Dat zijn allemaal elementen die je daarin laat meewegen. Al met al denk
ik dat we tot een pakket zijn gekomen waarmee we in balans goede stappen
vooruitzetten.
We hebben zelf gezegd dat we een paar dingen moeten doen. Ik denk dat
het verstandig is dat er over de afgevallen grootschalige projecten,
zoals Alkmaar, Helmond en Hengelo, vanuit VRO nog doorgepraat wordt; dat
heeft VRO volgens mij ook toegezegd. We hebben ook heel bewust gezegd
dat we dat namens de beide ministeries aanbieden aan de formatietafel.
Als je de ambitie hebt om meer woningen te bouwen in Nederland — ik kan
me zo voorstellen dat veel politieke partijen die ambitie hebben —
liggen er hele goede pakketten klaar om die stappen snel te kunnen
zetten, zowel grootschalig als op korte termijn. Dat is dus actief
aangeboden en blijft wat beide ministeries betreft op de plank liggen.
Gelet op wat ik zei over die lichtgrijze gebieden — zo noem ik ze maar
even — hebben we de noordelijke provincies toegezegd dat het verstandig
is om daar ook nog eens naar te kijken. We hebben goede gesprekken
gevoerd over hoe het komt dat die zo laag scoren op de criteria die wij
hanteren. Daar zijn een aantal verklaringen voor en daar moeten we naar
kijken met een correctiefactor of een ander instrument. Dat moet wat
meer worden geïnstitutionaliseerd in de criteria. Dat is een van de
punten die we daarin hebben opgenomen.
Ik blijf zeggen dat dit gaat om de verdeling van schaarste; het gaat om
het verdelen van teleurstellingen versus blijdschap. Dat blijft altijd
een lastige puzzel, dus ik probeer dat zo objectief mogelijk te doen en
blijf politiek wegen wat er speelt. Laten we vooral hopen dat een nieuw
kabinet met dezelfde ambitie, ook financieel gezien, doorgaat met dit
soort projecten. Er liggen namelijk gewoon goede projecten, en het zou
zonde zijn als daar niks mee gebeurt.
Tot zover, voorzitter.
De voorzitter:
Ik dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de termijn van
de inbreng van de rapporteurs. Als voorzitter wil ik de rapporteurs
hartelijk danken namens de commissie. Dank voor het gedane werk. Ook
dank aan de ondersteuning voor de hulp bij het maken van de inbreng van
de rapporteurs. Dank ook voor de beantwoording van het kabinet.
Dat betekent ook dat we nu zijn aangekomen bij de eerste termijn van de
kant van de Kamer. Ik wilde voorstellen om gewoon de rij af te gaan. U
weet wat uw spreektijd is; die staat in de convocatie. Ik zou willen
voorstellen om in eerste instantie vier interrupties toe te staan. We
kijken even of dat lukt. Als dat gewoon nette en korte interrupties
zijn, kunnen we er nog wat bij doen indien dat nodig is. Dat zal van de
lengte van de interrupties afhangen. Ik wil het woord graag geven aan de
heer De Hoop voor zijn inbreng in de eerst termijn van de kant van de
Kamer. Hij spreekt namens GroenLinks-Partij van de Arbeid.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Ik wil dit debat eigenlijk beginnen met een
informatieverzoek. Ik ben heel erg blij met de geactualiseerde lijst van
de financiële opgaven, de update van de lijst-Grinwis, die we voor de
verkiezingen hebben gehad. Maar ik miste nog wel een aantal zaken over
Amelisweerd. Op pagina 29 staat dat IenW op verzoek van de Raad van
State een nadere motivatie van het tracébesluit heeft gegeven en dat het
aan de Raad van State is om tot een oordeel te komen. Er staat ook:
"Gezien de lange tijd tussen het vaststellen van het tracébesluit en de
definitieve uitspraak, en vanwege excessieve prijsstijgingen, is het
beschikbare budget onvoldoende." Met de Raad van State is gedeeld dat er
een grove schatting is van het minimale tekort, maar dat staat niet in
deze brief. Ik vroeg mij af waarom dat niet met de Kamer gedeeld kon
worden terwijl dit wel met de Raad van State gedeeld kon worden. Kan
daar nog aan voldaan worden? Dat is vooraf dus nog een
informatieverzoek.
De voorzitter:
Ik kijk even naar de minister om te zien wat hij kan toezeggen wat
betreft dat informatieverzoek. U mag er straks ook even op
terugkomen.
Minister Tieman:
Ik kom er zo snel mogelijk op terug.
De voorzitter:
Oké. Helemaal goed. Meneer De Hoop, vervolgt u uw betoog.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Dank, voorzitter. Ik vind dat wel relevant voor de verdeling van de
middelen. Morgen wordt er ook gestemd over een motie waarvoor dat ook
relevant is, denk ik.
Voorzitter. Tijdens de begrotingsbehandeling is al uitgebreid gesproken
over de forse en toenemende tekorten voor onderhoud, de oplopende
achterstanden en de grote maatschappelijke risico's die deze
ontwikkelingen met zich meebrengen. Ik zag grote eensgezindheid in de
commissie dat we dit moeten oplossen en dat er een stevige opdracht moet
komen voor het nieuwe kabinet. Er moet geld bij komen. We zullen ook
moeten heroverwegen waar we wanneer in investeren. De plannen en
ambities van tien tot vijftien jaar geleden zijn gemaakt onder een ander
gesternte. Dat onverminderd willen doorzetten, is niet verantwoord en
brengt ons niet de infrastructuur die wij en toekomstige generaties
nodig hebben. Dat gaat niet alleen om het zinvol besteden van geld, maar
ook om het creëren van netwerken die ook op de lange termijn duurzaam en
zinvol zijn, die het grootste probleemoplossende vermogen hebben en die
ook daadwerkelijk kunnen worden uitgevoerd, met het geld dat we hebben,
maar ook met de mankracht en binnen de wetgeving en afspraken over
natuur, klimaat, luchtkwaliteit, verkeersveiligheid en
bereikbaarheid.
Afgelopen zomer is voor de derde keer door de rechter bevestigd dat
boeren niet mogen worden uitgekocht om met hun stikstofrechten snelwegen
of vliegvelden aan te leggen. Alle vrijkomende stikstof gaat eerst naar
de natuur totdat die voldoende is hersteld. De conclusie is dat
Nederland dus grotendeels nog steeds stilligt vanwege de
stikstofproblematiek. Die constatering geeft ons ook de ruimte om mensen
en middelen verstandiger en productief in te zetten voor onderhoud en
duurzame alternatieven. De overprogrammering waar we afgelopen jaren om
vroegen om zo de productie overeind te houden, is zelf grotendeels stil
komen te vallen. Transport en Logistiek Nederland verwoordde het als
volgt: "We zijn niet eerlijk over wat wel of niet uitvoerbaar is.
Daardoor verliest het MIRT zijn functie en wordt het vooral een
wensenlijstje."
In navolging van de oproep van de logistieke sector wil ik de minister
vragen om de nu onuitvoerbare projecten serieus te heroverwegen. Wat is
nog de toegevoegde waarde? Wat zijn de geactualiseerde kosten? Wat zijn
de maatschappelijke opbrengsten? Wat zijn de realiseerbare
alternatieven? Ook hiervan zou ik graag nog een goed onderbouwde lijst
willen hebben voor het MIRT-debat van komende zomer.
Voorzitter. Er zijn meer ontwikkelingen die niet goed genoeg gaan. Tegen
de afspraken in neemt het autogebruik weer toe, vooral door veel
woon-werkverkeer. In het Klimaatakkoord heeft de regering afspraken
gemaakt over het terugdringen van autogebruik. Welke extra maatregelen
kunnen we hierop verwachten?
Ook de multimodaliteit staat onder druk; dat kwam ook al ter sprake bij
het debat over duurzaam vervoer en bij de begroting. Maar juist slim
gebruik van onze netwerken kan heel veel problemen oplossen. We hebben
het Infrafonds getransformeerd naar Mobiliteitsfonds zodat we meer
multimodale en verkeersvraagbesparende oplossingen kunnen realiseren.
Dat kan meestal zonder stikstofproblemen of grote aannemerscombinaties.
Waarom staan die niet bovenaan het lijstje?
Dan twee laatste punten, over het doel en de systematiek van het MIRT.
Het MIRT moet Nederland ontsluiten en bereikbaarheidsproblemen oplossen,
maar dat is niet hetzelfde als het bestrijden van files. Een file is
niet maatgevend voor een bereikbaarheidsissue. Er zijn vaak slimmere
manieren om bereikbaarheid en mobiliteit te faciliteren dan asfalteren,
bijvoorbeeld verkeer spreiden, functies zoals wonen en werken dichter
bij elkaar brengen of alternatieve modaliteiten faciliteren. Ik kom dat
nog veel te weinig tegen. Ik wil graag dat de minister hier heel
nadrukkelijk naar kijkt als we het onuitvoerbare MIRT-lijstje gaan
heroverwegen.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik hoorde de heer De Hoop boeren noemen. Nou las ik afgelopen week ook
dat GroenLinks-PvdA wel graag wil samenwerken met het
minderheidskabinet. Ik vraag me eigenlijk af: wat kunnen boeren van
GroenLinks-PvdA verwachten als er wordt samengewerkt? Ligt gedwongen
onteigening van boeren op basis van stikstof ook op tafel? Is dat een
taboe of zegt GroenLinks-PvdA: "dat gaan wij niet doen"?
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Wat betreft de onteigening van boeren is er, gezien onze insteek van
vorige week, niets veranderd ten opzichte van eerder. We willen namelijk
kijken hoe je samen met boeren het stikstofprobleem kunt oplossen en hoe
je ervoor kunt zorgen dat voor boeren op locaties dicht bij Natura 2000
een oplossing wordt gevonden, bijvoorbeeld door mensen vrijwillig uit te
kopen. Er kunnen scenario's ontstaan waarbij dat gedwongen moet. Maar ik
denk: hoe eerder je samen met boeren aan tafel zorgt voor perspectief,
des te minder snel is gedwongen uitkoop nodig. Hoe langer het duurt, hoe
eerder je daar terechtkomt. GroenLinks-PvdA wil heel graag van het
stikstofslot af. Dat is een van de punten waarop wij met het kabinet
willen samenwerken, omdat dat voor woningbouw en infrastructuur, maar
ook voor boeren zelf, ontzettend belangrijk is.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Goed. Ik constateer dat het minderheidskabinet aangeeft eventueel over
te gaan tot gedwongen onteigening van boeren op basis van stikstof.
GroenLinks-PvdA is het daar ook mee eens. Ik wens de boeren dus heel erg
veel sterkte de komende tijd. Maar denkt de heer De Hoop nou echt dat
boeren hun levenswerk afpakken, dus gedwongen onteigening, de natuur
gaat herstellen? Komt het dan goed met de natuur? En waarop baseert de
heer De Hoop dat?
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Het beeld dat mevrouw Van der Plas schetst, vind ik niet terecht. Ik
bedoel, ik ben zelf boerenzoon en ik weet heel goed wat het betekent om
je eigen plek te hebben waar je boert. Tegelijkertijd zitten we ook met
de stikstofcrisis en moeten we kijken hoe we die oplossen. Ik constateer
dat heel veel infraprojecten stilliggen omdat wij Nederland niet van het
stikstofslot halen. Dat heb ik ook geprobeerd aan te geven in mijn
inleiding. Ik vind het zelf soms ingewikkeld als bepaalde partijen — dat
zijn met name partijen aan de rechterzijde en ook die van mevrouw Van
der Plas — heel erg boos zijn als bepaalde projecten niet doorgaan. Dat
komt namelijk doordat de bewindspersonen van diezelfde partijen
Nederland nog niet van het stikstofslot hebben gehaald. Dat vind ik soms
wel ingewikkeld, omdat ik ervan overtuigd ben dat als wij met elkaar een
daadkrachtige stikstofaanpak hebben, inderdaad knooppunt Hoevelaken in
Gelderland verbreed en aangepakt kan worden. Als we dat niet doen,
gebeurt dat niet. Daar help je boeren niet mee en daarmee haal je
Nederland niet van het stikstofslot. Dat is het probleem dat wij hier
neerleggen. Het is ook iets wat GroenLinks-Partij van de Arbeid
nadrukkelijk wil oplossen, en ook iets wat het afgelopen kabinet helaas
wederom níét heeft opgelost.
De voorzitter:
Ook voor u geldt: kortere antwoorden graag.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Nederland zit in een stikstoffuik omdat wij in Nederland redeneren op
basis van een modellenwerkelijkheid. We hebben een stikstofwet in elkaar
geflanst — nou, niet "wij", want ik zat nog niet in de politiek; dan was
het wat mij betreft nooit gebeurd — die ons zodanig gewurgd heeft in
juridische regelgeving dat we daar niet meer uit komen. Dat is er aan de
hand. Als de heer De Hoop, samen met dit minderheidskabinet, blijft
doorgaan met die modellenwerkelijkheid zullen we er nooit uit komen. Er
liggen …
De voorzitter:
Wat is uw vraag?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ja, oké, ik stop. Ik wacht even op het antwoord en dan kan ik eventueel
verdergaan.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Ik deel de constatering van mevrouw Van der Plas niet. Zelf constateer
ik dat BBB heel goed is in het problematiseren van een aantal benodigde
maatregelen om uit het stikstofslot te komen, waarvan niet alleen
GroenLinks-Partij van de Arbeid, maar ook de rechter zegt dat het nodig
is en dat je eerst moet inzetten op natuurherstel. Maar dat het de
bewindspersoon van BBB niet gelukt is om het stikstofprobleem
daadwerkelijk op te lossen, is niet alleen slecht voor de landbouw, maar
ook voor infrastructuur die we in Nederland nodig hebben.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
De rechter is geen ecoloog. Nee. Dus als de rechter zegt "dat moet, want
het is ook goed voor de natuur", zegt hij dat omdat wij onszelf gewurgd
hebben met dwingende wet- en regelgeving. Daar toetst een rechter aan.
Het is ook al langer bekend dat stikstof niet hét probleem is voor de
natuur. Je hebt natuurgebieden met stikstofgevoelige natuur, en daar
waar stikstof een probleem is, kun je het aanpakken. Maar bijvoorbeeld
droogte, hydrologie en menselijke activiteiten geven veel meer druk op
de natuur dan alleen stikstof. Ik vind het dus, opnieuw, heel erg dat de
boeren hier weer verantwoordelijk worden gehouden voor het op slot
zetten van Nederland, terwijl dat komt omdat wij hier dwingende wet- en
regelgeving hebben. Het is geen vraag, maar ik wilde hier wel mee
afsluiten.
De voorzitter:
Meneer De Hoop, misschien wilt u daar nog op reageren, en anders …
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Nou ja, ik heb niet meer te zeggen dan dat mevrouw Van der Plas mij
woorden in de mond legt die ik zelf niet eens uitgesproken heb. De
stelligheid waarmee mevrouw Van der Plas dit schetst en het gebrek aan
daadkracht van haar eigen minister hebben ons niet geholpen. Verder zou
ik graag verdergaan met mijn betoog.
De voorzitter:
Vervolgt u dan uw betoog, zou ik zeggen.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter. Daarnaast is mijn fractie toch wel deels verbolgen over de
verdeling van de middelen voor woningbouw en bereikbaarheid. Ik mocht
daar zojuist als rapporteur ook al over spreken met collega Van Asten.
Ik vind het echt onbegrijpelijk dat slechts 0,4%, dus 4 promille, van de
middelen naar de drie noordelijke provincies gaat, en dat je zelfs als
je Zeeland erbij optelt, slechts op 1,2% uitkomt. En ja, de
staatssecretaris noemde die 4 promille een grijze vlek, maar ik vind het
ook een behoorlijk witte vlek. "Lichtgrijs", hoor ik de staatssecretaris
nu zeggen, maar dan nog. Het is echt ontzettend weinig. Hoe kan het dat
hier door een van beide bewindspersonen niet verder bijgestuurd is op de
onevenredige verdeling? Ik kan mij herinneren dat bij de presentatie van
het rapport Elke regio telt!, een van de commissarissen van de Koning
uit Noord-Nederland — het was Groningen, geloof ik — de vraag kreeg:
waar bent u nou het meest bang voor? Hij zei toen: de macht der
gewoonte. Op het moment dat er schaarste aan middelen is, gaat het geld
vaak het eerste naar de grote steden, omdat we dan altijd kijken naar
rendement. Dat gebeurt hier nu eigenlijk weer. Als je toetst op
rendement, op maatschappelijke kosten en baten, zul je altijd zien dat
dit soort regio's benadeeld worden. Dat is misschien niet de intentie,
maar dat is dan wel de uitkomst. Ik vind het heel erg jammer dat hier
sinds het rapport Elke regio telt! niet genoeg in veranderd is.
Voorzitter. Net als bij de weginfra zien we dat er bij het spoor grote
tekorten zijn. Als we willen voorkomen dat we in Nederland met het spoor
Duitsland achternagaan, moeten we de komende jaren fors meer investeren
in onderhoud en zorgen dat de budgetten toereikend zijn. Veel onderdelen
van het drukbereden Nederlandse spoornetwerk gaan richting het einde van
de levensduur. Ik noem een slappe bodem en de spoordijken. Reizigers
ervaren hier nu al hinder van, want er zijn vaker snelheidsbeperkingen,
er moeten lichtere treinen worden ingezet met minder capaciteit en er
zijn vaker werkzaamheden. Als er in de toekomst vaker militair materieel
over het spoor vervoerd moet worden, moeten we echt fors meer investeren
in bestaande spoornetwerken. Een van de financiële problemen is echter
dat het instandhoudingsbudget voor spoor niet realistisch is en
structureel niet wordt geïndexeerd, terwijl dat wel een noodzakelijke
randvoorwaarde is om de kwaliteit van het bestaande spoornetwerk te
garanderen. Het is op de lange termijn juist ook goedkoper. Goedkoop is
immers duurkoop. Graag een reactie van de staatssecretaris daarop.
Voorzitter. Ik kom bij mijn vragen over concrete projecten en regionale
problemen, die om een oplossing vragen. Ik begin uiteraard — ik hoop dat
u mij dat niet kwalijk neemt — in het noorden, met Friesland. Bij het
vorige MIRT-overleg vroegen we in de Kamer om een oplossing voor de
Afsluitdijksluizen. We begrijpen vanuit de regio dat dit proces goed
verloopt, dus laat ik positief beginnen en daarvoor mijn dank
uitspreken, ook aan de minister. Hoe ziet hij het vervolgproces rondom
de Afsluitdijk?
Ik maak me grote zorgen over de haven van Terschelling. Dat is misschien
geen MIRT-project, maar de omvang en het regionale belang van de
werkzaamheden vragen denk ik wel om een groter aandeel hierin van het
Rijk. Hoe kan de staatssecretaris hier op korte termijn bij
helpen?
De vaarroute Lemmer-Delfzijl kent vier, nee, zelfs vijf bruggen die
gerenoveerd moeten worden. Dat is een enorme ingreep, met grote gevolgen
voor het verkeer in de regio. Dat gaat niet allemaal tegelijk. Lokaal
vreest men de staat van verschillende bruggen, die nu al zo slecht is
dat ze eerder vervangen moeten worden om de bereikbaarheid op peil te
houden. Hoe loopt het tijdpad tot 2030, geloof ik, of tot 2035, wanneer
die bruggen vervangen zouden worden? Is dat nog steeds het tijdpad
waaraan voldaan kan worden, of zouden sommige bruggen misschien al
eerder aangepakt moeten worden?
Wat is de stand van zaken van de uitvoering van de motie van BBB en
GroenLinks-PvdA, de motie-Pierik/De Hoop, over het uitfaseren van
dieseltreinen in Noord- en Oost-Nederland? Welke dieseltreinen moeten
nog geëlektrificeerd worden en welk tijdpad staat hiervoor?
Voor het spooraquaduct bij Leeuwarden, dat op termijn waarschijnlijk
goedkoper is dan een nieuwe brug, is er nog een tekort van 214 miljoen.
Dat kan de regio niet alleen opbrengen. Wat kan het kabinet op dit punt
doen om toch te voldoen aan de MIRT-systematiek en hierin stappen te
zetten?
Voorzitter. Dan de Gerrit Krolbrug in Groningen. We hebben daar recent
al een paar keer over gesproken. We hebben ook veel brieven van
omwonenden gekregen. Dit weekend nog waren er grote acties in Groningen
die duidelijk maken hoe belangrijk deze plek is voor de bereikbaarheid.
Een noodbrug, een tijdelijke brug of desnoods een pontje, maar ook iets
om op een veilige manier met je fiets naar de overkant te komen, zijn
toch wel extra nodig. Ik dank de minister voor de toezegging dat hij
hier nogmaals met de lokale bestuurder naar wil kijken. Wij horen ook
vanuit de regio dat men bereid is om te kijken naar cofinanciering. Ik
hoop dat de minister echt de handschoen oppakt om in de tussentijd te
zorgen voor tijdelijke oplossingen.
Voorzitter. Deze brug staat natuurlijk niet op zichzelf. Ik heb eerder
ook vragen gesteld over de brug bij Urmond, in Limburg, en over
verschillende andere plekken in Nederland waar de veiligheid van bruggen
onder druk staat. Ik vind dat dat nog te vaak voorkomt. Dan zetten we
omrijdbordjes neer voor automobilisten en fietsers, maar we moeten de
komende jaren heel veel bruggen renoveren in Nederland. Ik vraag de
staatssecretaris waarom Rijkswaterstaat en IenW niet meer inzetten op de
aanschaf van pontjes om flexibeler om te gaan met dit soort situaties.
Kunnen we meer pontjes inzetten om dit soort problemen op te lossen? We
kunnen namelijk aan zien komen dat dit soort situaties zich de komende
jaren nog meer gaan voordoen.
Voorzitter. Ik kan het MIRT-debat niet voeren zonder aandacht te
besteden aan de Lelylijn. Het beschikbare budget is, zoals we al vaker
hebben besproken, tot onze spijt vrijwel volledig verdwenen. Deze week
komt gezant Klaas Knot met zijn rapportage. Ik hoop dat we daarna echt
snel concrete stappen kunnen gaan zetten. Ik roep het kabinet en de
toekomstige coalitie ertoe op om de noordelijke regio's niet opnieuw
teleur te stellen.
Voorzitter. Dan door naar Drenthe en Overijssel. Ook daar zit ik met
onveilige N-wegen. Er wordt gekeken naar de aanpak daarvan en naar
wegverbreding, maar mijn vraag is of er ook gekeken kan worden naar
rijbaanscheidingen. Het grootste risico bij smalle N-wegen zit 'm
namelijk in frontale botsingen op hoge snelheid. Een snelle en
effectieve oplossing is dan een lagere snelheid met een stalen
rijbaanscheiding in het midden. Qua schaal zou je dat denk ik buiten het
MIRT om kunnen doen. Daar zijn geen stikstofruimte of extra asfalt voor
nodig en er hoeven geen bomen voor omgezaagd te worden. Het lijkt mij
enorm effectief. Wordt ook naar die oplossingen gekeken?
Verder wil ik het belang benadrukken van het oplossen van de knelpunten
op het spoor tussen Amsterdam, Deventer en Twente. Dat is niet alleen
goed voor de verbinding tussen het oosten van het land en de Randstad,
maar ook van cruciaal belang voor een snelle treinverbinding richting
Berlijn. Het gaat om verschillende punten, onder andere het vierde
perron in Deventer. Hoe denkt het kabinet hieraan te kunnen bijdragen?
Wanneer kunnen reizigers ook echt verbeteringen ervaren bij het
knooppunt flessenhals Meppel? Hoe zit het met de spoorverdubbeling bij
Deventer-Zwolle? Hoe loopt het MIRT-proces voor de
Nedersaksenlijn?
Gelderland. De aanpak van knooppunt Hoevelaken zit helaas hopeloos vast.
"Het is niet uit te leggen", kopte De Gelderlander afgelopen week. We
weten wat de oorzaak daarvan is, namelijk stikstof. Hoe kan het dat de
minister zijn collega van LVVN er niet toe heeft kunnen bewegen om dit
probleem daadkrachtig op te lossen? De maakbaarheid zit 'm in de
planning van de capaciteit van Rijkswaterstaat en de aannemers. Niet
stikstof, maar de vergunbaarheid ligt daar wel. Wat kunnen we daar op
korte termijn toch nog verwachten?
Noord-Holland. Wat we echt niet kunnen oplossen zonder geld, maar wat
wel elke cent waard is, is Zuidasdok over de A10. We zijn al heel ver,
maar het is heel complex. Het is van grote waarde voor de hele regio en
ook voor de toekomst van internationale treinen. De vertraging door de
kostenoverschrijding resulteerde in heel veel extra kosten. Dit nu niet
fixen is onnodig duur. Zuidasdok en het doortrekken van de
Noord/Zuidlijn naar Schiphol hebben voor GroenLinks-Partij de Arbeid
echt prioriteit, want die zijn cruciaal voor de verbindingen naar het
noorden, oosten en zuiden en bieden veel meer ruimte voor de
internationale treinen, omdat het reguliere spoor wordt ontlast. Hier
moeten we dus met urgentie aan doorwerken. Wat kunnen we van de
staatssecretaris verwachten?
De verkeerschaos die we kunnen zien aankomen, is het afsluiten van de
IJtunnel in Amsterdam. 60.000 auto's per dag moeten een alternatieve
route vinden. Die kunnen we, denk ik, in de stad niet echt kwijt. Het is
echter bijna allemaal lokaal verkeer. Wat wordt er geregeld om deze
mensen op de fiets of in het ov te krijgen? Of zetten we in op een
omleiding richting de A10? Dat leidt alleen maar tot nog meer files,
denk ik.
Een ander heikel punt, waar we het in het recente CD Spoor ook over
hebben gehad, is het spoorknooppunt Haarlem. Uit de MIRT-brief en ook
uit de regio begrijpen we dat de gesprekken nog niet het gewenste
resultaat hebben opgeleverd. Dit debat staat grotendeels in het teken
van grote financiële tekorten. In Haarlem dreigen we nu onnodig 50
miljoen over de balk te gooien, omdat we toekomstbestendige
herinrichting en het vervangen van oude wissels lostrekken. Ook
toekomstige dienstregelinguitbreiding komt in gevaar. Dat is zeer
onverstandig. Graag de toezegging van de staatssecretaris dat hij zich
gaat inspannen om alsnog heel snel tot een positief resultaat te
komen.
Voorzitter. Dan nog twee asfaltpunten over Utrecht. Die liggen ook
letterlijk in elkaars verlengde. Op de website van Rijkswaterstaat zie
je bij de planning voor de A27 Houten-Hooipolder staan: "Start: 2024.
Klaar: onbekend." We zijn net begonnen, maar lijken nu al de controle
kwijt te zijn over de planning en de kosten. Wat is de verwachting van
de minister voor de planning? Ook de A12/A27 Amelisweerd heeft alle
ingrediënten om een technisch-verkeerskundige en ook financiële ramp te
worden, terwijl het alternatief op vrijwel alle punten beter scoort. We
zijn nog niet te laat om te kiezen voor een slimmere oplossing. Ik heb
hier ook niet voor niks vorige week een motie over ingediend. In de
brief van afgelopen vrijdag lazen we dat het budget inmiddels
onvoldoende is. IenW heeft nadere cijfers aan de Raad van State gegeven.
Wederom is de vraag of die ook met de Kamer gedeeld kunnen worden.
Voor de regio Utrecht is de Merwedelijn van cruciaal belang. Mijn
fractie is blij met de rijksbijdrage. Hopelijk kunnen Rijk en regio
samen snel de vervolgstappen zetten.
De voorzitter:
Meneer De Hoop, ik wil u er even op wijzen dat u inmiddels een minuut
van uw tweede termijn heeft gebruikt. U bent lekker bezig met uw rondje
Nederland, dus dat wilt u waarschijnlijk ook afmaken, maar ik wijs u er
wel even op, zodat u het zelf in ieder geval in de gaten heeft.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Dank. Daar was ik van op de hoogte. Mijn inschatting is dat ik geen
zeven minuten nodig heb in de tweede termijn.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog. Wij houden het bij.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter. Dan kom ik bij Zuid-Holland. Mijn fractie maakt zich zorgen
over de kosten van de schaalsprong van de Oude Lijn. Er is een tekort
van 2 miljard. Hoe gaat het kabinet hier met de regio samen een
oplossing voor vinden? Verder maken wij ons zorgen over het feit dat er
nog geen budget is voor het herstel van de hsl-viaducten. Is er
inmiddels zicht op de kosten en of die deels verhaald kunnen worden
omdat er constructiefouten zijn gemaakt?
Voorzitter. Dan Zeeland. Treinreizigers in Zeeland krijgen door de
ERTMS-proef langdurig te maken met hinder. Eerder hebben we als Kamer
aangedrongen op goede compensatie. Hoe staat het met de plannen
daarvoor? Is er al zicht op de mogelijkheden om de Zeeuwse Lijn in de
toekomst aan te sluiten op de hsl? Ook de Zeelandbrug is in verkenning.
Die is van groot belang voor de bereikbaarheid van de regio. Ook hier
moet wat ons betreft zo snel mogelijk een oplossing voor komen.
Voorzitter. Noord-Brabant. We weten allemaal dat de regio Eindhoven, met
onder andere ASML, enorm belangrijk is voor onze economie. Het is daarom
ook belangrijk dat de bereikbaarheid hier zo snel mogelijk op orde komt,
zodat de economie hier op een duurzame manier kan groeien. Er is daarom
een grote opgave bij station Eindhoven. Dat station moet snel aangepakt
worden, zodat onder andere de intercity naar het Ruhrgebied kan worden
gestart. Ook hier ontbreken voldoende middelen. Welke mogelijkheden ziet
het kabinet om samen met de regio snel volgende stappen te kunnen zetten
om te voorkomen dat de economische groei achterblijft als gevolg van
uitstel van investeringen?
Voorzitter. Tot slot Limburg. De Kamer is vorig jaar op werkbezoek
geweest in Weert-Hamont, om te spreken over de heropening van het spoor
tussen Nederland en Belgisch-Limburg. De Belgische trein staat al klaar
om de grens over te rijden, alleen moet het spoor bij Weert nog
aangepast worden. Welke mogelijkheden ziet het kabinet om samen met de
Belgen met bijvoorbeeld Europees geld te werken aan de heropening van
deze lijn? Ik weet dat deze staatssecretaris ook voorzitter was van de
contactgroep België, waar ik met veel plezier met hem mee bezig ben
geweest. Ik ga er dus van uit dat hij dat met enthousiasme omarmt. Tot
slot heb ik nog de vraag hoe het staat met het gesprek over het afzien
van de sloop van de spoorbrug bij Maastricht.
Dank.
De voorzitter:
Dank voor uw bijdrage. Die resulteert erin dat u vier minuten over heeft
voor de tweede termijn. Dan weet u dat voor de voorbereiding daarvan
straks. Dank voor uw inbreng. Het woord is aan mevrouw Van der Plas,
namens de BBB-fractie. Gaat uw gang.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank u wel, voorzitter. Als je door Nederland rijdt, geniet je gewoon
van het landschap. Als je vanuit andere landen terugkomt in Nederland,
dan denk je: wat zitten de wegen hier toch allemaal goed in elkaar. Maar
dat is geen vanzelfsprekendheid. We hebben grote investeringen nodig om
onze infrastructuur op orde te houden. De groei van Nederland valt of
staat met de aanleg en het onderhoud van onze bruggen, wegen, tunnels,
dijken en spoorlijnen, of het nu is om onze regio's economisch te
versterken, het land bereikbaar te houden of mensen simpelweg veilig van
A naar B te laten komen. Voor BBB is er in dit notaoverleg maar één
belang: in de regio en in de stad erop kunnen vertrouwen dat mobiliteit
geen luxe wordt. Juist dat vertrouwen staat op steeds meer plekken onder
druk.
Het kabinet heeft meerdere regio's aangewezen als nieuwe grootschalige
woningbouwgebieden. Daar ligt een forse en hoognodige opgave voor onze
woningcrisis. Het gaat hier om tienduizenden woningen in sommige
regio's, oplopend tot ruim 30.000 woningen richting 2035, zoals ook in
het MIRT 2026 wordt benoemd. Voor de mensen thuis die niet weten wat het
MIRT is: dat is het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en
Transport. Die aanwijzing schept wel verwachtingen, maar de BBB ziet in
het MIRT 2026 dat de uitvoering achterblijft. Zonder bereikbaarheid is
er geen woningbouw; zo simpel is het. Zonder de hoognodige investeringen
om deze nieuwe woningbouwlocaties te ontsluiten en te verbinden, blijven
ambities papieren tijgers en kan de minister van Volkshuisvesting de
ambities niet ten volle realiseren. Is de minister het daarmee eens? Het
belang van de samenhang tussen woningbouw en mobiliteit wordt
onderschreven, maar er ontbreekt duidelijkheid over wanneer en hoe de
benodigde infrastructuur volgt. Regio's moeten nu tempo maken, terwijl
het Rijk blijft hangen in uitstel. Hoe verantwoordt de minister dat er
regio's worden aangewezen voor grootschalige woningbouw, terwijl er in
het MIRT 2026 geen concreet besluitmoment is vastgelegd voor de
bijbehorende infrastructuur en de woningbouw zonder die investeringen
simpelweg stilvalt?
Voorzitter. Dan de grote spoorverbindingen in het noorden en het oosten
van het land. We hebben het er vorige week ook al over gehad: de
Lelylijn en de Nedersaksenlijn zijn geen prestigeprojecten, maar
strategische verbindingen voor bereikbaarheid, woningbouw, economische
ontwikkeling en spreiding van groei, juist ook buiten de Randstad. In de
schriftelijke beantwoording bij de begrotingsbehandeling van afgelopen
week wordt erkend dat volledige realisatie tijd kost, en geld uiteraard.
Dat begrijpt BBB. Tegelijkertijd lezen we in MIRT 2026 dat deze
verbindingen vooral in de langetermijnperspectieven tot 2040 en verder
zijn geplaatst, maar dat mag geen reden zijn om niets te doen, zoals we
vorige week ook al aangaven. Juist daarom hebben wij gepleit voor een
gefaseerde aanleg van de Lelylijn, zodat regio's niet nog decennia
hoeven te wachten op perspectief. Bij de begrotingsbehandeling gaf de
minister op vragen of een gefaseerde aanleg van de Lelylijn wenselijk is
aan dat dat aan een nieuw kabinet is, maar kan de minister dan in ieder
geval aangeven of er binnen mogelijke plannen voor gefaseerde aanleg,
dus binnen plannen waar al aan gewerkt wordt of projecten die al klaar
liggen, ruimte is om te beginnen met een verbinding tussen Groningen en
Drachten? Welke mogelijkheden ziet de minister binnen zijn termijn nog
om bij zowel de Lelylijn als de Nedersaksenlijn vorderingen te maken?
Dit hoeft niet groot te zijn; dat kan waarschijnlijk ook niet, maar ik
ben wel benieuwd welke ruimte er nog is.
Voorzitter. In de MIRT-brief van januari wordt het belang van station
Deventer voor de bereikbaarheid van Oost-Nederland expliciet erkend.
Deventer is naast de mooiste stad van het land, met het mooiste plein
van het land en met het mooiste voetbalstadion van het land van de
mooiste voetbalclub van het land ook een bovenregionaal knooppunt waar
meerdere hoofdverbindingen samenkomen richting Zwolle, Amersfoort,
Arnhem en Twente. Daarmee speelt het station een sleutelrol in het
dagelijkse woon-werkverkeer en in de verdere groei van de regio.
Tegelijkertijd zien we dat het in de praktijk achteruitgaat. Door
capaciteitsgebrek worden treinen op belangrijke corridors structureel
ingekort. Dat betekent: minder vervoerscapaciteit op lijnen waar
dagelijks tienduizenden reizigers van afhankelijk zijn, meer druk op het
wegennet en een directe rem op regionale doorstroom en ontwikkeling. In
MIRT 2026 lezen we vooral analyses, terwijl het knelpunt zich nu al
manifesteert. Analyse alleen helpt reizigers niet verder. Zonder zicht
op besluitvoering en uitvoering wordt het probleem vooruitgeschoven,
terwijl de gevolgen vandaag al voelbaar zijn. Wil de minister het belang
van de aanpak van station Deventer meenemen in adviezen aan een volgend
kabinet om op te pakken? Daarbij is vooral de noodzakelijke
capaciteitsuitbreiding, waaronder het vierde perron, van groot belang
voor de regio. Ik wijs de minister ook op de vele steunbetuigingen van
meerdere steden voor dit pleidooi.
Voorzitter. De grensregio's. Of het nu gaat om noord, oost of zuid,
steeds weer zien we dat deze regio's extra afhankelijk zijn van een
goede infrastructuur, terwijl zij vaak als laatste aan bod komen. In
MIRT 2026 wordt dit ook erkend, maar zonder duidelijke vertaling naar
investeringsprioriteiten. Voor BBB zijn grensregio's geen randgebieden
maar volwaardige delen van Nederland. Het zijn vaak ook delen van
Nederland die niet op Rotterdam of Den Haag gericht zijn maar juist op
regio's over de grens, in Duitsland en België. Slechte bereikbaarheid
werkt hier direct door in de economie, de voorzieningen en de
leefbaarheid, en vergroot juist de afstand tot werk en onderwijs. Hoe
borgt de minister binnen het MIRT dat grensregio's niet structureel
achterblijven bij investeringen in bereikbaarheid, terwijl zij juist
extra afhankelijk zijn van een goed functionerend netwerk?
Voorzitter. Al jaren is de N50 een weg waar het vaak misgaat: gewonden
en doden. De zorgen over de verkeersveiligheid zijn al vaak aangekaart,
maar totdat de N50 veilig is, zal BBB dit blijven aanstippen. In MIRT
2026 wordt veiligheid benoemd als prioriteit, maar tegelijkertijd blijft
de N50 vastzitten in taakstellende budgetten en vertraging, terwijl
juist op deze weg het aantal ernstige ongevallen al jaren boven het
landelijk gemiddelde ligt. Voor BBB is dat niet acceptabel. Veiligheid
mag niet afhankelijk zijn van rekenkundige beperkingen. Wij hebben een
motie klaarliggen op dit punt.
Voorzitter, afrondend. MIRT 2026 laat zien dat keuzes moeilijk zijn. Dat
begrijpt BBB, maar keuzes niet maken is ook een keuze. Die keuze raakt
nu vooral de regio, de grensgebieden en de veiligheid van mensen.
Voorzitter, ik rond af. Ik heb nog twee vragen. Ik heb begrepen dat de
minister op werkbezoek gaat naar Ameland voor wat betreft de watertaxi.
Kan de minister ons even meenemen in wat daarbij de inzet gaat worden en
wat de Amelanders kunnen verwachten? Ik wil graag ook nog een stand van
zaken over de haven van Terschelling. Daar hebben we het vorige week
uitgebreid over gehad in het begrotingsdebat. Ik neem aan dat er de
afgelopen dagen al contact is geweest. Ik wil graag van de minister
weten wat daarvoor de mogelijkheden zijn en wat de stand van zaken
is.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. U heeft een minuutje van uw tweede termijn gebruikt. U heeft
ook nog een interruptie van de heer De Hoop voor wat extra
spreektijd.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Ik heb een vraag over de N50. Ik ben het met mevrouw Van der Plas eens
over de noodzaak die aan te pakken. Ik denk dat Sander de Rouwe, de
burgemeester van Kampen, hier de afgelopen jaren wel vijf keer is
geweest met een petitie om die weg aan te pakken. Nu leek het bij de
vorige Voorjaarsnota even alsof de BBB erin geslaagd was daar geld voor
vrij te maken. Helaas is dat toen net niet gelukt. Welke mogelijkheden
ziet mevrouw Van der Plas nu om die N50 nog aan te pakken? Met geld
schuiven wordt misschien ingewikkeld. Welke oplossing ziet BBB nu voor
zich?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Een terechte vraag. De N50 viel er bij de Voorjaarsnota inderdaad helaas
net uit, omdat wij toch nog een potje wilden houden voor de Lelylijn.
Als dat op nul zou komen … Nul is nul; dan is er gewoon niks meer. Ik
heb een motie klaarliggen. Kijk, er zijn bestuurlijke afspraken gemaakt
over de MIRT-verkenning. Daarvoor staat 200 miljoen klaar. Voor de start
van de MIRT-verkenning moet het grootste deel van de benodigde middelen
al beschikbaar zijn. Voor de A27 is dit al het geval. Dit geeft de
mogelijkheid om binnen het gereserveerde bedrag van 200 miljoen ook
ruimte te maken voor het verbeteren van de veiligheid op de N50. Ik ga
later op de dag de regering dus verzoeken om te kijken of binnen dit
bedrag voor de MIRT-verkenning A27 Zeewolde-Eemnes 150 miljoen kan
worden gereserveerd voor de verkenning en 40 miljoen kan worden ingezet
voor een fysieke rijbaanscheiding tussen Kampen en Ramspol. Ik neem aan
dat de heer De Hoop dat een heel goed idee vindt. Hij kan deze motie
medeondertekenen, als hij wil.
De voorzitter:
De heer De Hoop gaat daarop reageren, zie ik.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Ik moet zeggen dat dit goed klinkt. Ik vind dat we, juist in de tijd dat
we beperkte stikstofruimte hebben, inderdaad meer moeten inzetten op
rijbaanscheidingen op N-wegen. Het klinkt dus als een sympathieke motie.
Ik wacht de reactie van het kabinet af. Ik vind het verstandig.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we naar de inbreng van de heer Stoffer namens de
SGP. Gaat uw gang.
De heer Stoffer (SGP):
Dank, voorzitter. Ik begin met de instandhoudingsopgave, want dat is een
race tegen de klok. Naast extra geld zijn slimme keuzes nodig. In dat
verband heb ik een eerste vraag. We kunnen honderden miljoenen euro's
besparen door risicogericht te werken met behulp van sensoren, data en
modellen; dat geven vele experts aan. Als ik zou vragen of hier maximaal
op wordt ingezet, ga ik ervan uit dat het antwoord ja zal zijn. Daarom
is mijn echte vraag: hoe wordt deze aanpak zodanig verankerd in de
organisatie dat de kansen ook echt gepakt gaan worden?
Voorzitter. Ik dank de minister voor de brief over het Meerjarenplan
Instandhouding. Het gaat mij erom dat voor aannemersbedrijven tien jaar
of verder vooruit duidelijk is welke projecten op de markt zullen komen,
zodat ze hier ook gewoon op in kunnen spelen. Voor ons als Kamer is het
goed om inzicht te hebben in de concrete investeringsopgave op langere
termijn. Volgens mij vinden we elkaar in de wens om bij de jaarlijkse
actualisering van het meerjarenplan zo ver mogelijk vooruit
kijken.
De indexering van rijksbijdragen aan projecten vindt plaats aan de hand
van de generieke index bruto overheidsinvesteringen, maar de praktijk
leert dat bouwkosten sneller stijgen dan die generieke indexering.
Daardoor komen projecten klem te zitten. Mijn vraag is: hoe kunnen de
bewindslieden ervoor zorgen dat deze indexering beter gaat aansluiten
bij de actuele bouwkostenontwikkeling?
Voorzitter. Ook nieuwe aanlegprojecten blijven nodig. De afgelopen jaren
is flink geïnvesteerd in lokale ontsluiting van woningbouw. Dat zijn
weer nieuwe verkeersbewegingen op de hoofdwegen. Daar moet de schop dan
dus ook in de grond, zeg ik tegen de beoogde nieuwe coalitie. We zijn
benieuwd wat er in de plannen staat die wellicht eind deze week onze
kant op komen.
Voorzitter. Verschillende provincies, in het bijzonder die in het
Noorden en Zeeland — de collega's hiervoor refereerden er al aan — zijn
teleurgesteld over het minimale aantal toegekende projecten voor
woningbouw en mobiliteit. Het gros van de middelen gaat naar de
Randstad. De vraag is dan: hoezo "elke regio telt"? Veel kleine en
middelgrote projecten maken samen namelijk veel woningen. Dat is ook qua
inpassing eenvoudiger. Mijn vraag is: hoe kijken de bewindslieden hierop
terug? Voor enkele grootschalige woningbouwprojecten in Hengelo,
Enschede en Apeldoorn is wel gebiedsbudget toegekend, maar geen
infrabudget. Dan zal je toch eigenlijk moeten constateren dat deze
projecten niet van de grond gaan komen. Mijn vraag is: wat is het
perspectief hiervoor?
Voorzitter. Dan een aantal concrete projecten. Ik begin met
Hoevelaken.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik gun mijn collega wat extra spreektijd. Een vraag aan collega Stoffer.
Hij benoemt heel terecht het punt van Hengelo en de woningbouwplannen
zonder geld voor bereikbaarheid. Toont dit ook niet aan dat we hier als
Rijksoverheid veel te sectoraal werken en dat we gebiedsgerichte
instrumenten nodig hebben om dit gebiedsgericht te ondersteunen? Nu kan
het zo zijn dat we wel geld voor woningbouw uittrekken als Rijk, maar
niet voor bereikbaarheid. Dan willen we dus blijkbaar wel een thuis
geven, maar of we ook thuiskomen, blijft een grote vraag.
De voorzitter:
We kunnen het antwoord daarop wel dromen, denk ik.
De heer Stoffer (SGP):
Ik zou gewoon ja kunnen zeggen. Sterker nog, ik ben zelf civiel
ingenieur. Toen ik dat net was, had ik nog een beetje vrije tijd. Met
een aantal vrienden hadden wij een studieclub. Toen hebben we weleens
bij bepaalde symposia zaken ingediend, waarbij we zeiden: eerst de infra
en dan pas gaan bouwen. Dat antwoord bedachten we 25 jaar geleden
natuurlijk al. Ik kan er alleen maar ja op zeggen. Eigenlijk denk ik dat
we het er, zoals we hier met elkaar zitten, over eens zijn. Ik schat in
dat het kabinet en de ambtenaren ook exact hetzelfde zullen zeggen. Toch
komen we er niet toe. Het gaat dus inderdaad om dat gebiedsgerichte. Ik
denk dat we het nog meer moeten verinnerlijken en dat nog meer aan de
voorkant met elkaar moeten gaan oppakken. Ik ben echt niet negatief over
alles, hoor. Er zijn de afgelopen periode natuurlijk ook een aantal
goede voorbeelden bovengekomen: Hengelo, Enschede, Apeldoorn; er zijn er
ongetwijfeld nog meer. Daarbij zie je het net niet de goede kant opgaan.
Ik ben het er dus helemaal mee eens. Laten we er gewoon met elkaar de
schouders onder zetten, er aandacht voor blijven vragen en gaan zorgen
dat we het steeds meer gaan verinnerlijken.
De voorzitter:
Meneer Grinwis, heeft u nog een vervolgvraag? Ik zag u bewegen. Nee? Dat
is niet het geval. U heeft inderdaad vier interrupties. U bent er zuinig
op. Hartstikke goed. Meneer Stoffer, vervolgt u uw betoog.
De heer Stoffer (SGP):
Ik ga verder met knooppunt Hoevelaken. De Kamer heeft gezegd dat de
aanpak van knooppunt Hoevelaken prioriteit moet krijgen en dat in ieder
geval gestart moet worden met een gefaseerde aanpak. Nu ligt er een plan
van aanpak voor de eerste stap van variant 4. Maar de minister zegt: ik
doe er niks mee tot de stikstofoplossing er is. Dat schiet natuurlijk
niet op, want stikstof is bijna overal een knelpunt. We kunnen wat dat
betreft toch niet met de armen over elkaar blijven zitten? Mijn vraag
is: wil de minister, gezien de Gelderse stikstofaanpak en de
salderingsmogelijkheden, de voorbereidingen voor variant 4 gewoon
doorzetten?
Voorzitter. Dan stations. De regio Zuidplas gaat aan de slag met een
onderzoek naar de nut en noodzaak van een eventueel nieuw station
Zuidplas-Westergouwe. Het Rijk ziet er weinig in en houdt zich afzijdig.
Ik zie ook voor andere voorstellen voor stations weinig enthousiasme,
behalve bij de Oude Lijn. Eerder is een SGP-motie aangenomen waarin werd
verzocht om te kijken naar stations bij Barneveld-Noord en Stroe op de
lijn Amersfoort-Apeldoorn. Die is ook aangenomen, maar ik hoor er weinig
meer over. Als we mensen vanuit de auto in de trein willen krijgen, dan
zullen we stations moeten bouwen en uitbreiden, zoals in Deventer. Daar
had mijn buurvrouw het zojuist al over. Dat is inderdaad een heel mooie
stad, maar ik ken nog mooiere, hoor. Overigens doet de SGP daar voor het
eerst mee aan de verkiezingen, dus het kan een nog betere stad worden;
ik benoem het maar even. Het is ook van belang om een intercitystatus te
geven aan stations als Harderwijk — daar zal de voorzitter het vast ook
mee eens zijn — en Utrecht Lunetten. Zeker nu het wegennet steeds meer
gaat vastlopen, neemt het belang van die stations gewoon toe. Mijn vraag
is: waar blijft de proactieve inzet hiervoor? Die twee minuten
tijdsverlies voor de een is voor de ander het verschil tussen de auto of
het ov, of zelfs misschien tussen een baan of geen baan.
Voorzitter. De SGP pleit voor versnelling van het realiseren van station
Dordrecht Leerpark. Er is budget beschikbaar, maar de aanleg wordt nu
gekoppeld aan de ontwikkeling van station Dordrecht en de Oude Lijn. Dat
betekent dat het zomaar naar achteren schuift. Mijn vraag is: wil de
minister Dordrecht Leerpark als apart project behandelen en zo snel
mogelijk de paal in de grond slaan? Het zou echt helpen om de A15 een
beetje te ontlasten. De noodzakelijke verbreding van die weg staat in de
ijskast en ik denk dat we daar echt nog wel een paar jaar op moeten
wachten.
Voorzitter. Dan de Noord/Zuidlijn. Een mogelijke verlenging van de
Noord/Zuidlijn, waar al geld voor gereserveerd staat, is een potentieel
koekoeksjong. Het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid en andere
experts wijzen op de mogelijkheid van een andere aanpak in en rond
Amsterdam. Een opiniestuk in De Telegraaf repte daar onlangs ook over.
Ze suggereren hoogfrequente metroverbindingen over bestaand spoor, het
buiten de stad houden van intercity's en het inzetten van intercity's
voor het vervoer over lange afstanden. Dan zou het aansluiten van het
metronetwerk op het spoornet voldoende kunnen zijn, in plaats van aanleg
van een nieuwe metrolijn. Of dat echt zo is, zul je moeten bestuderen.
Mijn vraag aan de staatssecretaris is dus of hij deze variant zou willen
meenemen in de onderzoeken die dit jaar plaatsvinden.
Voorzitter. Dan het spoor Gent-Terneuzen. Het spoor is niet alleen van
belang voor vervoer van mensen, maar ook voor vervoer van goederen. In
dit verband hoor ik graag waar het startbesluit voor verbetering en
verlenging van het spoor tussen Terneuzen en Gent blijft. Het geld is
gereserveerd, ook aan de Vlaamse zijde, en het startschot voor dit
project zou toch een mooi saluutschot zijn bij het aanstaande vertrek
van onze staatssecretaris. Ik zou dus zeggen: schiet op, want dat is
volgens mij zeer nabij.
Voorzitter. De N-wegen. Collega's hebben het zojuist al benoemd en we
hebben het ook vorige week aan de orde gehad: we moeten investeren in
onze N-wegen voor verkeersveiligheid en doorstroming. Ik maak me zorgen
over de gang van zaken bij onder meer de N35 en de N50. Bij de N50
Kampen-Ramspolbrug is sprake van een groot budgettekort. En als er
voldoende budget is, blijkt er ineens sprake van een tekort aan
personeel. De projecten N35 en N50 worden daarom niet opgepakt. Mijn
vraag is hoe die afweging gemaakt wordt. Het gaat toch ook om
verkeersveiligheid?
Sowieso hoor ik uit verschillende regio's dat ze daar geen inzicht
krijgen in de verdeling van capaciteit bij Rijkswaterstaat. Dat maakt
het lastig om plannen en verwachtingen hierop af te stemmen en het
gesprek daarover aan te gaan. Ik begrijp dat er overleg komt met de
provincies. Is het inderdaad de bedoeling om de bestuurlijke partners
meer inzicht te geven in de capaciteitsverdeling en hen beter mee te
nemen in de afwegingen die gemaakt gaan worden? Dat is mijn vraag aan de
bewindslieden.
Voorzitter, afrondend. Zeeland met zijn eilanden is gebaat bij goede
calamiteitenroutes en de Vlaketunnel is daarbij een zwakke schakel. Er
zijn daar regelmatig stremmingen. Het is goed dat de minister met
Zeeland kijkt naar de aanleg van calamiteitendoorsteken, maar tegelijk
schrijft hij daarbij: "binnen de kaders van de Tunnelwet". Die zegt dat
tweerichtingsverkeer in een tunnelbuis niet mag. Dat betekent dat de
grootste kans — een doorsteek van de ene naar de andere kant van de
snelweg — gemist wordt. Mijn vraag is of de minister bereid is die wet,
als dat veilig kan, zo nodig aan te passen. Bij tijdelijk
tweerichtingsverkeer kun je de veiligheid borgen door
snelheidsaanpassing. Europese regels bieden in ieder geval die
ruimte.
Daar laat ik het bij, voorzitter. Dank u wel.
De voorzitter:
De heer Grinwis heeft nog een interruptie voor u, en ik wil u graag
mededelen dat u een minuutje van uw tweede termijn heeft gebruikt.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Meneer Stoffer heeft veel te veel goede punten in te brengen in veel te
weinig spreektijd. Daar hebben meer collega's vandaag last van.
Ik miste het punt van de A24, de Blankenburgtunnel. Heel veel mensen
worden met een negatieve verrassing geconfronteerd als ze daar eens een
keer doorheen rijden. Mensen uit de buurt weten dat je daar tol moet
betalen; mensen die daar minder regelmatig doorheen reizen, komen nog
weleens op de koffie. Moeten we daar gewoon zo mee doorgaan? Is dat,
zoals de minister zegt, inderdaad een kwestie van wennen? Of moeten we
constateren dat we in ons Nederlandse infrastructurele netwerk heel
weinig tolwegen en toltunnels hebben, twee stuks, en dat we daar gewoon
mee moeten stoppen? Of nee, we hebben er drie, de Kiltunnel, de
Westerscheldetunnel voor vrachtverkeer en dan deze. Is het niet tijd om
daar eens een punt van te maken en dat te stoppen?
De voorzitter:
Dank u wel. De heer Stoffer.
De heer Stoffer (SGP):
Mooie vraag. We hebben dit vorige week bij de begroting ook aangekaart;
de heer Grinwis heeft dat met mijn collega Flach ook eerder bij de
Algemene Financiële Beschouwingen aangekaart. Op zich denk ik dat het
goed is om ermee te stoppen, maar dan komt gelijk het dekkingsvraagstuk.
Ik ben dus benieuwd of de nieuwe coalitie daar de komende tijd iets van
vindt. Ik vind het te gemakkelijk om al te roepen: doe het maar niet. Ik
heb vorige week wel gevraagd of deze minister nog kan kijken of je er
niet op z'n minst die boetes een jaar vanaf kunt halen. Natuurlijk zit
daar misschien ook een dekkingsvraagstuk, maar als het niet lukt om het
eraf te halen, geef dan op z'n minst nog een jaar gewenning. Mensen zijn
er namelijk nog niet aan gewend. Dat zou ik de eerste stap vinden, maar
als uiteindelijke stip op de horizon komen we misschien toch op een heel
ander bekostigingsvraagstuk. Dat is echt de grote toekomstvraag. Van
bepaalde delen afstand doen, is uiteindelijk verstandiger. Dank voor de
vraag. Ik zou in eerste instantie in willen zetten op een jaartje eraan
wennen en kijken of we die boetes voor het eerste jaar eraf kunnen
halen. Ik ben benieuwd wat de minister daarvan vindt; dat vragen we vast
samen.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan de heer Van Asten namens D66.
Gaat uw gang.
De heer Van Asten (D66):
Dank. Nederland is een klein en dichtbebouwd land en de opgaven op het
gebied van de aanleg van infrastructuur zijn groot. Dat levert lastige
puzzels op. Als Haags wethouder had ik al genoeg van die puzzels, maar
als Kamerlid krijg ik er nog een paar dozen puzzels bij, over heel
Nederland. Dit MIRT-overleg, waarin alle projecten de revue passeren, is
het belangrijkste overleg dat we over die puzzels voeren. Het
belangrijkste uitgangspunt daarbij is: als je beperkt geld hebt, moet je
dat op een zo slim mogelijke manier inzetten. Volgens mij laten we op
dit moment nog weleens kansen lopen om dat slim te doen.
Een concreet voorbeeld daarbij is de Nedersaksenlijn. Goed dat we
perspectief geven aan Oost-Nederland, maar als ik met mensen in die
regio spreek, dan zeggen ze: wij hebben er geen middelen voor de
woningbouwambities bij gekregen. Zij moeten nu de komende jaren met de
pet in de hand naar Den Haag voor extra geld voor woningbouw. Dat dat
niet altijd makkelijk gaat, blijkt wel uit de verdeling van de
WoKT-middelen; "wokt" is misschien toch de meest makkelijke uitspraak.
Ik ben eigenlijk wel benieuwd hoe dat is gegaan. Er wordt een beslissing
genomen, namelijk "de Nedersaksenlijn wordt aangelegd", maar vervolgens
zijn er geen middelen voor de woningbouw daaromheen. We gaan dus een
lijn aanleggen die een waarde op zich heeft — dat ontken ik niet — maar
de potentie daarvan wordt niet gebruikt. Dat vind ik geen slimme manier
van investeren. Hoe gaan die discussies nou tussen de ministeries van
IenW en VRO?
Een ander punt betreft de mobiliteitsmaatregelen die moeten worden
genomen om woningbouw mogelijk te maken. Welke eisen stelt het
ministerie aan het beperken van het privé-autogebruik in een gebied?
Door te sturen op lage parkeernormen, het garanderen van deelmobiliteit
en ov, en natuurlijk veilige en directe fiets- en wandelroutes kan de
noodzaak van dure fysieke ingrepen deels beperkt worden. Maar wie
bepaalt nou wat de parkeernormen zijn in een gebied en of die ook
daadwerkelijk streng worden gehandhaafd, zodat er minder behoefte is aan
dit soort dure investeringen?
Dan de niet toegekende projecten in de afgelopen ronde. Vorige week
vroeg ik al aandacht voor de vier grootschalige woningbouwgebieden die
niet bediend zijn; collega's noemden dat net ook al. De minister zegt
eigenlijk: dit is aan het nieuwe kabinet. Daar gaan we natuurlijk ons
best voor doen, maar wat ik niet hoorde in de beantwoording van de
minister, en wat voor ons nog wat mistig blijft, is een totaaloverzicht
van de projecten die nu geen geld hebben gekregen bij de toekenningen
voor de ontsluiting van woningbouw. Is het mogelijk om daar toch een
finaal overzicht van te geven, ook met de mogelijke winsten voor de
woningbouw en het aantal arbeidsplaatsen dat daarmee te winnen is? Dan
hebben wij als Kamer echt een overzicht van wat de projecten wel en niet
behelzen.
Dan aandacht voor twee steden en de bijbehorende regio's die met
toenemende verbazing naar de besluitvorming hier in Den Haag aan het
kijken zijn. In Haarlem ziet men de huidige wissels rond het station
straks vervangen worden, waardoor tijdenlang zware hinder is voor
reizigers, terwijl we weten dat over niet al te lange tijd weer nieuwe
wissels in moeten worden gelegd. In Eindhoven wordt het busstation,
aangrenzend aan het station, aangepakt — althans, de middelen worden
hiervoor beschikbaar gesteld — maar de uitbreiding van het station met
nieuwe perrons wordt niet direct meegenomen, waardoor de reizigers van,
naar en door de lichtstad tweemaal zware hinder zullen gaan ondervinden.
Ik begrijp de budgettaire beknelling bij het ministerie natuurlijk al te
goed; daar hebben we uitgebreid over gesproken. Daarom vraag ik me des
te meer af waarom is gekozen voor de verdeling van middelen op de
huidige manier, wat ons uiteindelijk meer gaat kosten en meer hinder
gaat opleveren. Met andere woorden, hebben we nu niet te veel projecten
in één keer op de lijst gezet, terwijl we projecten beter in hun
totaliteit hadden kunnen aanpakken? Ik ben dus wel benieuwd naar de
mening van de minister en staatssecretaris daarover.
Voorzitter. Als oud-voorzitter van de Verstedelijkingsalliantie — dat is
het samenwerkingsverband rondom de Oude Lijn van inmiddels acht
gemeentes en de provincie Zuid-Holland — ben ik toch wel zeer in mijn
nopjes. Het harde werk geleverd door de regio en het Rijk heeft
geresulteerd in forse investeringen in de stations op deze lijn. Er
staat zelfs bij dat het een ongekend hoge maatschappelijke
kosten-batenscore kent. Elke geïnvesteerde euro levert namelijk drie
euro op. Kom daar nog maar eens om! Dit is echter fase één. De
viersporigheid blijft volgens alle partijen noodzakelijk voor het
einddoel. Ook moeten er nog nieuwe stations op deze lijn worden gebouwd
om de woningbouw te kunnen ontsluiten. Hiervoor wordt volgens de stukken
een pact gesloten. Hoe krijgen wij als Kamer inzicht in dat pact en in
de onderdelen van dit omvangrijke project, dat zo cruciaal is voor
grootschalige woningbouw en economische ontwikkeling in de Zuidelijke
Randstad? Er staat bij dat er nog 2 miljard nodig is. Dat rendeert dus
blijkbaar maal drie, dus het gaat 6 miljard opleveren. Soms is het een
mooie snelle rekensom.
Voorzitter. Dan wil ik aandacht vragen voor Dordrecht. Vervoer van de
haven langs de Drechtsteden loopt behoorlijk vast. De A15 wordt niet
aangepakt op dit moment, waardoor goederenvervoer en daarmee ook het
personenvervoer langzaam steeds meer gaat vastlopen. Mijn vraag is of de
minister om tafel wil met Rotterdam en de Drechtsteden om de modal shift
van wegverkeer naar vracht- en spoorverkeer mogelijk te maken en daar
afspraken over te maken.
Dan heb ik een vraag over het Zuidasdok in Amsterdam. Naar aanleiding
van het rapport dat de heer De Hoop en ik namens de commissie hebben
opgeleverd, hebben we net een discussie gehad over het kaderstellend
budget. Ik maak mij zorgen over de versoberingsopties die worden
voorgesteld en die nodig zijn om alles binnen het budget te houden, wat
de eis is. Het klinkt langzamerhand toch een beetje als schrapen en
spreadsheetrekensommen maken, bijvoorbeeld dat je wellicht van twee
doelbuizen terug zou moeten gaan naar één doelbuis. Wanneer stopt de
mogelijkheid van versobering en komen de uitgangspunten van het project
finaal onder druk te staan, waardoor je die eigenlijk zou moeten
heroverwegen? Hoe ziet in dit geval de staatssecretaris de reikwijdte
van dit project voor heel Nederland? Wat zijn de passende eisen die we
aan dit project zouden moeten opleggen?
Mijn uitgangspunt "geen rails, geen woning" heb ik al een paar keer
mogen zeggen. Dit is mijn uitgangspunt omdat ov onontbeerlijk is voor de
ontsluiting van grootschalige woningbouwgebieden en eigenlijk voor alle
woonwijken, bestaand, in aanbouw of nog gepland. Helaas loopt woningbouw
in Nederland voor op de komst van hoogwaardig ov. In dat opzicht kunnen
we nog veel leren van gebiedsontwikkeling in onder andere Stockholm en
Wenen, waar ik vrij recent op studiereis ben geweest: eerst de aanleg
van de metrolijnen en dan pas de woningbouw. De regio Groningen-Drenthe
heeft er een mooie slogan bij, namelijk het uitgangspunt "de eerste paal
is een haltepaal". Hiermee wordt ov geborgd voor de komst van de eerste
bewoners. Ik ben benieuwd hoe de minister aankijkt tegen deze aanpak en
of deze aanpak ook uit te werken is voor alle andere regio's waar
afspraken over woningbouw worden gemaakt. Het is immers van groot belang
dat bewoners vanaf het moment dat ze hun nieuwe woning betrekken, een
goedwerkend alternatief hebben voor privéauto's. Zodra de eerste
privéauto toch voor het huis staat, is de mobiliteitstransitie een stuk
moeilijker.
Voorzitter. Dan kom ik bij de Gerrit Krolbrug. In het begrotingsdebat
werd ik positief verrast door de minister. Hij leek toch mogelijkheden
te zien om de tijdelijke busbaanvariant of een andere variant voor de
komende drie jaar mogelijk te maken. De meer dan 18.000 ondertekenaars
van de petitie vond hij een flinke aanmoediging om toch nog naar de
mogelijkheden om te kijken. Het begrotingsdebat stond onder een
behoorlijke tijdsdruk, want we moesten om 15.00 uur klaar zijn. Een
uitgebreid debat over de mogelijkheden was dus niet helemaal mogelijk,
maar ik ben wel benieuwd welke mogelijkheden dat zijn en waar dit toe
leidt. Graag antwoord van de minister daarop.
Voorzitter. Ik zou nog heel Nederland door kunnen gaan, maar sommige
collega's hebben dat al gedaan. Ik sluit af met een positief slot. Ik
eindig met een lichtpunt, want na vier jaar onzekerheid kregen we een
maand geleden toch de brief met de blijde boodschap dat Rijkswaterstaat
vuurtoren Lange Jaap gaat herstellen. Als inwoner van Den Haag geniet ik
zelf van de Scheveningse vuurtoren. Ik ken ook goed de verhalen van de
mensen die groot geworden zijn met het licht van de toren en voor wie
het nog steeds een baken in hun leven is. Die waarde mogen we zeker niet
onderschatten, dus een compliment aan de minister. Naast alle grote
opgaven die we hebben en die om alle aandacht vragen, wordt er toch voor
gekozen om ook een Nederlands icoon te behouden. Dat geeft toch ook het
vertrouwen dat we kunnen kiezen om te bouwen aan Nederland. Dat voelt
goed.
Dank.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw inbreng. Dan is het woord nu aan de heer Grinwis
namens de ChristenUnie. Ik kijk of hij er klaar voor is. Dat is het
geval. Gaat uw gang.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel. Het spijt me dat ik mijn bijdrage moet beginnen
met een ietwat chagrijnige constatering. De afgelopen periode is
Nederland niet alleen tot stilstand gekomen, maar ook in zijn achteruit
gezet. Alleen al de inhouding op de prijsbijstelling voor 2025-2026 van
bijna 4 miljard tot 2040 is een enorme aanslag. Die is wat mijn fractie
betreft niet alleen een stille roof, zoals vorige week werd gezegd, maar
een regelrechte ramp voor een bereikbaar Nederland. Draai die inhouding
op de prijsbijstelling terug. Voor de opvolgers zeg ik: voer de motie
uit die ik bij de Financiële Beschouwingen heb ingediend om
investeringsfondsen te ontzien bij inhoudingen op loon- en
prijsbijstellingen.
Uit de actualisatie van de financiële opgaven voor IenW, waarvoor dank,
blijkt dat er op mobiliteit tot 2050 zeker 90 miljard nodig is en voor
de wateropgave meer dan 6 miljard, waarbij tal van opgaven nog niet eens
zijn gekwantificeerd. Dat betekent dat er tot 2050 elk jaar minstens 4
miljard bij moet. Oké, dat is dan inclusief de Lelylijn, maar nog zonder
ontsluiting van nieuwe woningbouwlocaties. Wil je dat serieus doen, dan
ga je richting de 5 miljard per jaar. Ik begreep dat de
coalitieonderhandelingen over de financiën nog lopen. Beknibbel daar
niet op, is mijn dringende advies.
Dan start ik mijn rondje Nederland. Ik begin in het Noorden, met als
vraag: telt elke regio nou echt? Het Noorden kwam er met 0,36% van de
middelen voor ontsluiting van nieuwe woningbouwlocaties zeer bekaaid
vanaf. Als ik Zeeland erbij betrek, ook een onderbedeelde regio, dan kom
ik op slechts een dikke 0,6% van de 2,5 miljard voor de vier provincies
Drenthe, Fryslân, Groningen en Zeeland, terwijl deze provincies toch
echt een aanmerkelijk groter aandeel van de landelijke woningbouwopgave
voor hun rekening nemen dan de totale WoKT-bijdrage doet vermoeden.
Waarom? Ik vind dit onbegrijpelijk, juist ook van dít kabinet. Ik
overweeg hierover een motie in te dienen in de tweede motie.
Dan kom ik bij de hoofdvaarweg Lemmer-Delfzijl en specifiek het
onderdeel Prinses Margrietkanaal. Daar moeten vijf bruggen worden
vervangen maar er zitten slechts vier bruggen in de portfolio van
Rijkswaterstaat om voor 2030 af te ronden. Lukt dat inderdaad voor 2030?
En waarom zit die vijfde brug, de brug Schuilenburg, er nog niet
in?
Over Terschelling, de Gerrit Krolbrug, de HRMK Spoorbrug bij Leeuwarden
— is een aquaduct nog wel haalbaar? — de Lelylijn en de onveilige
N-wegen sluit ik mij kortheidshalve aan bij collega De Hoop.
Hoe gaat het nou echt met de verruiming van het sluiscomplex
Kornwerderzand en de renovatie en vervanging van de spuisluizen? Ik ben
in ieder geval bij dat mijn motie van het afgelopen jaar over de
tijdelijke fietsbruggen over de sluiscomplexen in de Afsluitdijk serieus
is uitgevoerd en dat deze bruggen er komen. Hoewel de vorige minister
geen idee had dat daar aan het begin dan wel aan het einde van de
Afsluitdijk, dus aan beide kanten, een gapend gat zat in het glanzende
fietspad, kan ik nu constateren: eind goed, al goed.
Voorzitter. We fietsen de Afsluitdijk over, komen in Noord-Holland en
stappen over op de trein. Op het spoor is het treurigheid troef. Zelfs
reeds lopende projecten worden nu geschrapt, niet vanwege stikstof maar
door geldtekort. De staatssecretaris heeft geen geld gevonden voor
emplacement Haarlem. Hier dreigt uitstel afstel te worden, want het
emplacement over een paar jaar alsnog verbouwen kost straks 50 miljoen
euro meer, omdat de slimme combinatie met onderhoud die was bedacht,
niet meer mogelijk is als er vandaag geen oplossing komt. De
staatssecretaris schrijft over "andere potentiële knelpunten", maar
noemt er geen één concreet.
Voorzitter. Die andere locaties kan het komende kabinet oplossen, maar
Haarlem kan niet wachten, want de aanbesteding vindt de komende maand
plaats. Ik heb daarom een motie in mijn achterzak om deze verspilling
van belastinggeld te voorkomen, maar hopelijk komt de staatssecretaris
alsnog met een oplossing in zijn termijn. Bieden de middelen uit de
geflopte Onderwegpas geen soelaas?
Voorzitter. Ik snap dat de minister blij is dat de forse uitbreiding van
de A6 Almere-Lelystad en de A27 Zeewolde-Eemnes weer wordt opgestart,
maar treinreizigers wachten al jaren op extra treinen. De komst van
ERTMS is uitgesteld; dat duurt nog een paar jaar of nog jaren. De vraag
is of ERTMS voldoende extra capaciteit oplevert voor twee extra treinen
per uur. Ik lees dat deze toekomstige dienstregeling onder druk staat,
terwijl die dienstregeling al een compromis zou zijn. Er zou dan geen
enkele intercity meer rijden tussen Almere en Amsterdam Centraal en
overigens ook tussen Amersfoort en Amsterdam Centraal.
Voorzitter. De balans tussen de auto en het ov is rond Almere compleet
zoek. De rode loper is straks uitgerold op een superbrede snelweg, maar
met de trein kun je alleen maar over twee sporen boemelen tussen de
centrale stations van de eerste en straks de vijfde stad van het land.
Ondertussen komen er duizenden huizen bij in de polder. Kan de minister
dat uitleggen? Of komt het nieuwe kabinet met een grote zak geld voor de
uitbreiding van het spoor en de aanleg van de IJmeermetro, de
IJmeerverbinding, zodat Almere Pampus en in de toekomst IJstad in het
Markermeer goed worden ontsloten?
Waarom is met het herstarten van de MIRT-verkenning A27 Zeewolde-Eemnes
niet ook de aloude railverbinding tussen Utrecht, Hilversum en Almere
meegenomen in de verkenning, met het station aan de oostkant van de
gemeente Huizen? Langs de A27 is daar immers al ruimte voor
gereserveerd. Kunnen de bewindspersonen dit toezeggen?
Ik ben overigens blij met het geld voor de Merwedelijn, maar waar blijft
de herstart van het knooppunt Hoevelaken? Kunnen bij Amersfoort in de
tussentijd wel alvast meer geluidswerende maatregelen worden genomen?
Die zijn nu immers onvoldoende. Graag een toezegging.
De heer Van Asten (D66):
Het is hollen om het rondje Nederland van de heer Grinwis bij te houden,
maar dat zal ook vanwege de spreektijd zijn. Ik heb een vraag over het
meenemen van de spoorverbinding Utrecht-Almere in de verkenning. Nu is
het natuurlijk wel zo dat de MIRT-verkenning om 75% zicht op
financiering vraagt. Wil de heer Grinwis dit dan laten vallen en
eindigen we dadelijk met een plan zonder enig zicht op financiering?
Zijn we dan niet onze eigen teleurstelling aan het creëren in het
land?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Volgens mij heb ik eerder een motie ingediend of in ieder geval een
toezegging ontlokt aan het kabinet om bij echt grote projecten nog eens
goed naar die financieringseis van 75% te kijken, bijvoorbeeld bij de
Lelylijn. Dit is natuurlijk een kleiner project. Het wrange hierbij is
dat dit in het verleden een MIRT-project is geweest. Volgens mij is dat
in 2018 definitief afgevoerd, maar er is nog altijd een ruimtelijke
reservering langs de A27 om die lijn aan te leggen. Als je zoveel
tienduizenden woningen gaat bouwen, ook aan de oostkant van Almere, dan
is het toch bizar dat je daarbij niet ook gelijk nadenkt over de aanleg
van een spoorlijn van Almere via de oostkant van Huizen en Hilversum
naar Utrecht? Dat is namelijk maar een klein stukje. Ik pleit daar dus
heel erg voor. Ik snap heus wel dat het met de huidige spelregels
misschien lastig is om mee te nemen, maar misschien kan er toch aandacht
aan worden gegeven in de MIRT-verkenning die nu gaat lopen. Dat is mijn
vraag. Ik vraag dus eigenlijk van deze minister en staatssecretaris en
hun ambtenaren om argumenten over hoe het wel kan, in plaats van alleen
maar te horen hoe het niet kan.
De voorzitter:
Zo te zien is de vraag naar tevredenheid beantwoord, dus u vervolgt uw
betoog.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter. Dan kom ik bij Oost-Nederland. Na volgens mij twintig jaar
praten is er eindelijk geld voor het keerspoor in Harderwijk, maar
daarmee houdt het wat het spoor betreft wel op met het maatwerk in de
MIRT-brief. Er is nog steeds geen besluit over extra capaciteit voor de
Berlijntrein, met onder andere een extra perron in Deventer. Er is al
veel over gezegd: het is echt hartstikke hard nodig om de woningbouw te
accommoderen, maar ook om internationaal te kunnen reizen en te stoppen
met die wachttijd in Apeldoorn. Hoe gaan we dat nou dichterbij brengen,
is mijn vraag aan de staatssecretaris.
Er is opnieuw geen geld voor de fly-over bij Arnhem Velperpoort.
Hierdoor staan de woningbouwplannen rondom Arnhem op losse schroeven.
Hoe gaan we dat nou aanpakken?
Een station in Staphorst is na al die jaren ook nog geen stap
dichterbij. Hoeveel jaar moet Staphorst nog wachten, vraag ik de
staatssecretaris. Kan dit niet worden aangelegd in samenhang met de
uitbreiding van het munitiedepot aldaar? Maken we wel voldoende
verbinding tussen Defensie en IenW? Grijpen we daar alle kansen?
Wat betreft Hengelo en Enschede sluit ik me aan bij collega Stoffer. De
eerste paal in de grond is wat mij betreft inderdaad een haltepaal.
Waarom is de toezegging van toenmalig staatssecretaris Jansen nog niet
uitgevoerd om met de regio in gesprek te gaan over het verminderen van
geluids- en trillingsoverlast bij de spoorbruggen over de Maas en de
Waal? Willen de bewindspersonen dan ook maar gelijk in gesprek met de
regio voor een fietsbrug over de Lek bij Culemborg?
Dan kom ik bij Zuid-Nederland. De spoorbrug Maastricht. De
staatssecretaris wil na een gesprek met België binnen een paar weken een
besluit nemen over de sloop, terwijl er nog geen zicht is op een
duurzame, snelle ov-verbinding tussen de steden Hasselt en Maastricht.
Deze brug is een cruciale schakel voor de oplossing. In plaats van 10
miljoen voor beter ov gebruikt de staatssecretaris dit geld om de
laatste kans op een ov-verbinding te slopen. De ChristenUnie roept de
staatssecretaris op juist bruggen te slaan en met België te werken aan
een plan voor heropening van de spoorlijn. Ik overweeg een motie op dit
punt.
Wat betreft Eindhoven Centraal sluit ik me aan collega Van Asten.
Ten slotte Zuidwest-Nederland. Wat betreft de Zeelandbrug sluit ik me
aan bij collega De Hoop en wat betreft Gent-Terneuzen bij collega
Stoffer. De Westerscheldetunnel wordt volgend jaar gerenoveerd. Wat is
er nog te doen aan wel vier maanden afsluiting van de oostbuis richting
Borsele? Wanneer is de vierde intercity naar Zeeland een feit? Hoe gaat
het met het flankerend pakket rondom de ERTMS-proef in Zeeland?
Ik had het al eerder over onveilige N-wegen. In dit kader vraag ik ook
bijzondere aandacht voor de N57 en N59. Ook de capaciteit van de N57 in
relatie tot woningbouw vraagt om inzet van IenW. Graag een
reactie.
De noodzakelijke verbreding van de A15 komt maar niet dichterbij. Vanaf
juni gaat de Papendrechtse brug er voor negen maanden uit. Voor de
tussentijd heb ik daarom de volgende vragen. Zijn die werkzaamheden ook
echt binnen negen maanden afgerond? Vindt de minister het pakket
flankerende maatregelen om verkeersoverlast tegen te gaan voldoende en
waarom? Is de minister bereid om in overleg met de regio Drechtsteden en
Rotterdam een pilot modal shift goederenvervoer te starten?
Ten slotte over de Oude Lijn en Dordrecht-Campus Leerpark. Ik sluit me
helemaal aan bij de vraag van volgens mij collega Van Asten. Ik ben bang
dat er nu zoveel geld aan het opknappen van bestaande stations wordt
uitgegeven dat die nieuwe stations er niet komen en dat nieuwe treinen
nog niet gaan rijden.
Tot zover.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Grinwis. U heeft heel snel gesproken. U was bijna
buiten adem door uw rondje Nederland. Dat heeft u toch een minuut van uw
tweede termijn gekost; dan weet u dus waar u straks voor staat. De heer
Stoffer wil u nog wat extra spreektijd geven.
De heer Stoffer (SGP):
Ik moest inderdaad ook mijn best doen om het te volgen. Gelukkig zit ik
al een poosje in de commissie en komen er wel bekende termen voorbij.
Het is heel knap om zoveel in een paar minuten te persen. De heer
Grinwis eindigde met Dordrecht, en wat je het laatst zegt, blijft altijd
het langst hangen. Ik heb zojuist ook het station Dordrecht-Leerpark
aangekaart, met het voorstel om dat misschien los te knippen van het
geheel. Ik ben wel benieuwd hoe de heer Grinwis daartegen
aankijkt.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Dat station Campus Leerpark moet er gewoon komen. Ik heb er vorig jaar
ook al voor gepleit. Toen kreeg ik een soort halve toezegging van: ja,
nee, we hebben er aandacht voor. Het eind van het liedje is dat er
zoveel tekort is dat ik ervoor vrees. Als het losknippen kan helpen om
het station te realiseren, ben ik ervoor. Tegelijkertijd weet ik niet of
dat de kans vergroot. Uit mijn hoofd meen ik dat er 70 miljoen voor
nodig is. Dat moeten we gewoon linksom of rechtsom regelen. Het is echt
zonde dat we die hele Oude Lijn en die woningbouw gaan aanpakken en dit
station dan niet zouden toevoegen aan het geheel. Dus als het helpt, dan
omarm ik het; als het er maar komt. Volgens mij is het meneer Stoffer en
mij daar beiden om te doen. Dat geldt ook voor de heer Van Asten, als ik
hem goed begreep. Ik zou dus zeggen: staatssecretaris, kom zo maar eens
over de brug.
De voorzitter:
Kijk eens aan. De staatssecretaris is op zoek naar zijn portemonnee, zie
ik. Daar zullen we straks in de eerste termijn van de kant van het
kabinet meer over horen. De vraag is afdoende beantwoord, zie ik. Dan
gaan we door naar de heer Goudzwaard voor zijn inbreng namens JA21. Gaat
uw gang.
De heer Goudzwaard (JA21):
Dank u, voorzitter. Ik hoop dat ik niet te veel tijd van mijn tweede
termijn ga afsnoepen. We gaan het zien.
Nederland staat voor een steeds groter mobiliteitsprobleem. Terwijl ons
inwonersaantal en aantal verkeersbewegingen blijft toenemen, neemt de
beschikbare wegcapaciteit af door grootschalig onderhoud en
noodzakelijke renovaties. Niet tijdig ingrijpen heeft grote gevolgen
voor bereikbaarheid, economische bedrijvigheid en ook natuurlijk
verkeersveiligheid. De bewindslieden van IenW staan in het voorwoord van
het MIRT-overzicht 2026 stil bij de enorme opgave die voor ons ligt. Het
pak zit krap; eigenlijk te krap, zo valt te lezen. Dat komt niet alleen
door beperkte financiële ruimte, maar ook door een tekort aan technisch
geschoold personeel en — hoe kan het ook anders — onvoldoende
stikstofruimte. Het huidige stikstofslot is daarmee niet alleen een rem
op bereikbaarheid en economie, maar werkt volgens mij ook
milieutechnisch averechts. Het houdt files structureel in stand en leidt
daarmee tot juist meer uitstoot. Daarbij valt overigens op dat er geen
helder overzicht is van hoeveel middelen er per MIRT-project beschikbaar
zijn en hoeveel stikstofruimte per project nodig en beschikbaar is.
Zonder dit inzicht kunnen projecten feitelijk niet goed worden
beoordeeld op haalbaarheid en prioriteit.
Dan een kort stukje over de Lelylijn; ik hoorde de heer De Hoop er ook
al over. Sinds de oprichting van JA21 pleit mijn partij voor de komst
van de Lelylijn, want zonder deze verbinding verslechtert het
investerings- en vestigingsklimaat in onze regio's, stagneert
arbeidsdiversificatie en blijft talent wegvloeien. Die optelsom is
helder en pijnlijk. Op lange termijn zetten wij de weerbaarheid en
leefbaarheid van onze landelijke gebieden op het spel. Wij kijken dan
ook met grote interesse uit naar de adviezen van de Lelylijngezant die
op 30 januari worden gepresenteerd. Het kabinet moet deze kansen
aangrijpen om het echec rond de geplunderde Lelylijngelden te
herstellen. Maar mocht het budget van de Lelylijn alsnog worden
aangevuld, dan blijft de ongemakkelijke vraag hangen: hoe voorkomen we
dat een volgend kabinet opnieuw niet het geduld kan opbrengen om toe te
werken naar die 75%-eis? Hoe reflecteert de staatssecretaris op
zoiets?
Voorzitter. Ondermijning is het gevolg van verschillende vormen van
criminaliteit waarbij de grenzen tussen de boven- en onderwereld
vervagen. We zien dat criminaliteit zich steeds vaker verplaatst van de
grote mainports naar de kleinere zee- en binnenhavens. Dat wordt
onderkend door opsporingsdiensten, ondernemers en politie. Het vormt
daarmee ook echt een groeiend probleem. Zes gemeenten, waaronder
Harlingen, bundelen inmiddels de krachten in de strijd tegen
georganiseerde, ondermijnende criminaliteit. JA21 onderschrijft het
belang van deze initiatieven, maar constateert dat de beschikbare
middelen onvoldoende zijn. Bovenal zijn ze veelal incidenteel van aard.
Dit is primair een verantwoordelijkheid van Justitie en Veiligheid. Daar
ben ik mij terdege van bewust. Tegelijkertijd investeert het Rijk via
het MIRT niet alleen in havens en logistieke knooppunten, maar ook in de
kleinere zeehavens. Deze investeringen zijn alleen toekomstbestendig als
ondermijning structureel wordt meegewogen, want de problematiek rondom
sabotage en spionage op de Noordzee — ik verwijs even naar het programma
Bescherming Noordzee Infrastructuur dat vorige week ook is benoemd in de
plenaire zaal — laat zien hoe gemakkelijk ministeries langs elkaar heen
kunnen werken. Hoe borgt de minister dat MIRT-projecten ook in kleine
zeehavens standaard worden getoetst op veiligheids- en
weerbaarheidsaspecten, in samenhang met het ministerie van JenV? Is de
minister dan ook bereid om voor MIRT-investeringen structureel aan te
sluiten bij het Platform Ondermijning Kleine Zeehavens?
Voorzitter. Op 20 januari bood een afvaardiging van Terschelling de
petitie (G)ÉÉN TOEGANG aan aan de vaste commissie voor I&W.
Halverwege 2026 volgt een nieuwe keuring van de Willem Barentszkade. Bij
afkeuring dreigt uitval of beperking van de enige gemotoriseerde
toegangsweg tot dit eiland. De gevolgen zijn ingrijpend voor deze kleine
eilandgemeenschap, niet alleen voor de bevoorrading van essentiële
goederen, maar ook voor de hulpdiensten, de zorg en de regionale
economie. Het doet JA21 deugd dat deze noodkreet is gehoord; dat blijkt
onder meer uit de vele vragen en interrupties tijdens de tweede termijn
van de begrotingsbehandeling van IenW vorige week. De gemeente legde wat
ons betreft terecht de vinger op de zere plek. Deze opgave staat in geen
verhouding tot de financiële draagkracht van een zeer kleine gemeente.
Een bijdrage van €3.000 per inwoner is wat ons betreft
buitenproportioneel. Welke garanties kan de minister vandaag geven dat
het Rijk zal bijspringen om te voorkomen dat Terschelling vanaf 2026
wordt geconfronteerd met uitval of beperking van zijn enige
gemotoriseerde toegangsweg?
Voorzitter. Over de hoofdvaarweg Lemmer-Delfzijl en het PM-kanaal liggen
vijf bruggen. Voor vier bruggen is een voorkeursoplossing vastgesteld en
is budget gereserveerd. Desondanks lijkt de eerder uitgesproken planning
om deze uiterlijk in 2030 te vervangen niet haalbaar. Ondertussen is het
onduidelijk of de bestaande bruggen, gezien de huidige aslastbeperkingen
en de staat van het onderhoud, duurzaam en veilig in gebruik kunnen
blijven. Kan de minister duidelijkheid geven over de realistische
planning voor vervanging van de vier bruggen waarvoor al budget is
gereserveerd, het besluitvormingsproces en de termijn waarbinnen
duidelijkheid komt over de toekomst van de brug bij Skûlenboarch,
waarbij het verval van de verbinding wat de regio betreft geen
uitgangspunt mag zijn?
Dan de flessenhals Meppel. Ik heb al meerdere Kamerleden hierover
gehoord. Het traject rondom Meppel heeft gemiddeld negen uur per week
last van storingen. Mijn vraag aan de staatssecretaris is: is er
inmiddels ook winst geboekt ten opzichte van 2024 wat betreft de
wekelijkse uren aan storingen op dit traject; kan u ons wellicht
verblijden met goed nieuws op dat vlak?
Mijn dank gaat uit naar de heer Grinwis, omdat hij twee jaar geleden
ruim 40 miljoen extra beschikbaar heeft weten te stellen voor de aanpak
van de spoorknooppuntproblematiek bij Meppel. Volgens ProRail wordt het
totale pakket aan maatregelen rondom Meppel in 2030 opgeleverd. Dat is
heel fijn om te horen, maar wij weten allemaal dat het vierde perron een
relatief duur en bovenal belangrijk component is van de aanpak van de
flessenhals. Mijn vraag aan de staatssecretaris is: wanneer wordt
officieel gestart met de aanleg hiervan en waarom is er tot op heden nog
geen jaartal gecommuniceerd; kunt u daar even bij stilstaan?
Voorzitter. Dan nog kort aandacht voor de Merwedelijn. Meerdere
Kamerleden hebben deze al genoemd. Geheel terecht werd dit punt tijdens
het vorige notaoverleg MIRT aangesneden door D66, VVD en CDA. De komende
vijftien jaar maakt de Metropoolregio Utrecht ruim 165.000 nieuwe
woningen mogelijk. Drie maanden geleden bracht ik een bezoek aan Merwede
LAB, een eigenarencollectief dat zich richt op innovatieve en duurzame
gebiedsontwikkeling. Daarbij werd mij nog eens te meer duidelijk hoe
groot de opgave is. Zonder de Merwedelijn is de bereikbaarheid van de
woningen die we gaan bouwen simpelweg niet te borgen. Een bussysteem kan
op termijn geen 80.000 reizigers per dag verwerken. Daarnaast ontlast de
Merwedelijn bovendien de A2, de A12 en de A27, en vangt tot 75.000
dagelijkse autoritten op de Ring Utrecht af. Daarmee voorkomt deze lijn
toekomstige files en is deze van cruciaal belang voor het functioneren
van de welbekende draaischijf van Nederland. Mijn vraag aan de
staatssecretaris is: op welk moment verwacht de staatssecretaris dat de
Rijnenburgtak wordt geïntegreerd in de besluitvorming over het
voorkeursalternatief voor de Merwedelijn? Dan kan worden toegewerkt naar
één samenhangende Merwede- en Rijnenburglijn.
Tot slot: treinstation Eindhoven Airport. Waar Nederland vroeger gold
als kweekvijver voor ondernemerschap, zien wij vandaag de dag dat steeds
meer bedrijven erover twijfelen of Nederland nog wel het land is waar
zij hun toekomst zien. Grote spelers zijn vertrokken en bedrijven als
ASML geven aan dat het vestigingsklimaat onder druk staat door
personeelstekorten, infrastructuurproblemen en ruimtegebrek. In de
Brainportregio Eindhoven is daarom Operatie Beethoven gestart, want die
opgave is enorm. ASML verwacht in tien jaar tijd 20.000 extra banen te
creëren, met daarbovenop nog eens 45.000 banen bij toeleveranciers.
Goede infrastructuur en bereikbaarheid zijn daarbij zowel cruciaal voor
economische groei als voor een aantrekkelijke leefomgeving. Daarom wil
JA21 graag inzetten op een station bij Eindhoven Airport, ook wel bekend
als station Acht. Kan de staatssecretaris aangeven of er op dit moment
bestuurlijk commitment vanuit de regio is voor een station bij Eindhoven
Airport? En ligt er een onderbouwde mobiliteitsopgave die opname in het
MIRT daarbij rechtvaardigt?
Voorzitter, daar wil ik het bij laten. Bedankt voor de tijd.
De voorzitter:
Het was uw tijd. U heeft tien minuten gebruikt. Dat betekent dat u in de
tweede termijn nog vier minuten over heeft, zeg ik voor de
administratie. Ik kijk even of er nog interrupties zijn. Dat is niet het
geval. Dan wil ik mevrouw Boelsma het woord geven voor haar inbreng
namens de CDA-fractie. Gaat uw gang.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Dit is mijn eerste notaoverleg MIRT. Ik wil u
even meenemen naar het jaar 2016. Zoals misschien bekend kom ik uit het
mooiste deel van Fryslân, namelijk uit de gemeente De Fryske Marren. Via
de polder kom je deze gemeente bij Lemmer via de A6 binnen. Na een
kleine tien minuten sta je in de zomer regelmatig stil voor de brug over
de Skarster Rien. Als er in 2016 niet besloten was om de plannen voor
een aquaduct te schrappen, dan was de situatie wezenlijk anders geweest.
De reden voor het schrappen van dit plan was — hoe actueel? — een gebrek
aan financiële middelen. Als toenmalig enthousiast raadslid besloot ik
samen met andere raadsleden om Den Haag naar Fryslân te halen. De
Kamerleden moesten met eigen ogen zien wat voor een grote fout er was
gemaakt door dit plan te schrappen. Dit slaagde. Ze kwamen naar Fryslân,
dus de lobby was in gang gezet.nNu het vervolg. Vanuit Den Haag kregen
we het signaal: we hebben het genoemd in het MIRT-debat. In mijn
naïviteit dacht ik: nu komt het goed. Lang verhaal kort: we staan nog
steeds stil voor de brug. En nu ik in het kerstreces alle MIRT-stukken,
verslagen en input gelezen heb, moet ik toch een beetje om mezelf lachen
en dan met name om m'n naïviteit. In alle voorgaande debatten worden
projecten meermaals genoemd en er worden moties ingediend, maar de
projecten zijn vaak niet of ten dele opgepakt. De ironie is dat het
noemen van projecten in dit overleg ook gaat gebeuren; sterker nog: dat
is al gebeurd. Vergeef het me, maar ik ga het zelf ook doen. Ik hoop
niet dat we daarmee onze eigen teleurstelling organiseren, zoals de
teleurstelling die ik al tien jaar voel. Ik hoor graag een reflectie van
de minister en de staatssecretaris hierop.
Maar voordat ik aan mijn rondje begin, wil ik in zijn algemeenheid iets
zeggen. Het MIRT-boek is nog steeds te dun voor de regio. Bij de
verdeling van de WoKT-gelden, zoals ik ze maar even noem, zien we tot
onze schrik dat het Noorden en Zeeland er met een fooi van af zijn
gekomen. Dat dit gebeurt, ligt niet aan deze commissie. De indicatoren
brede welvaart of bereikbaarheidsdoelen worden door elk Kamerlid
genoemd, het rapport Elke regio telt! komt in dit debat veelvuldig aan
bod en als klap op de vuurpijl zit deze commissie vol met
regio-Kamerleden. Vraag aan de minister: hoe kan het dat het maar niet
lukt om een methodiek te ontwikkelen waardoor de maatschappelijke
effecten van infrastructurele keuzes worden meegenomen? Wat heeft u van
deze commissie, na alle inzet van mijn voorgangers, nog nodig om dit wel
te borgen?
Dan nu het welbekende rondje Nederland. Omdat het mijn eerste MIRT-debat
is, probeer ik het nogmaals op deze manier, maar wat zou het mooi zijn
als we op termijn wat meer houvast krijgen door een strategische
langetermijnvisie te ontwikkelen. Dit heb ik ook tijdens het
begrotingsonderzoek van de commissie genoemd.
Eerst de woningbouwmiddelen. In de inleiding noemde ik het geld dat
Noord-Nederland en Zeeland hebben gekregen een "fooi", en dat is het
ook. Er is voor 8,59% aangevraagd — dat is dan Noord-Nederland — maar in
totaal is aan Noord-Nederland en Zeeland minder dan 1% toegekend. Hoe
kan dit? We hebben allemaal de mond vol van Elke regio telt!, maar ik
snap eigenlijk niet zo goed hoe de ministers — het gaat ook om VRO —
deze verdeling hebben kunnen maken. Graag een reflectie hierop.
Voorzitter. Ik denk ook dat veel aanvragers van projecten die buiten de
boot vallen, zich afvragen wat er de volgende keer wellicht beter kan
waardoor ze meer kans maken. Kunt u hun helderheid geven, bijvoorbeeld
via een Kamerbrief, over de gehanteerde criteria — het is al eerder
gevraagd — en over de reden waarom ze er niet bij zitten?
Voorzitter. We hopen natuurlijk op zo min mogelijk hobbels, maar bij een
deel van de 100 plus projecten van de WoKT zal de aanleg soms stil komen
te staan of ontstaan er andere redenen waarom het beschikbare geld niet
kan worden uitgegeven. Logischerwijs gaat dit dan eerst naar
tegenvallers bij andere projecten, maar er zal ook een reservelijst zijn
met projecten die het net niet gehaald hebben. Het lijkt me logisch om
in die reservelijst hoge prioriteit te geven aan een aantal projecten in
regio's waar nu te weinig is toegevoegd, uiteraard met inachtneming van
de kansrijkheid van die projecten. Ik denk bijvoorbeeld aan
Noord-Nederland, Zeeland, Etten-Leur, maar ook aan Oss, een middelgrote
stad met grootstedelijke problemen. Er zijn er vast meer. Kunt u
prioritering in die reservelijst aanbrengen en daarover communiceren? Ik
denk dat we daarmee werken aan vertrouwen naar elkaar toe.
Mijn collega Steen heeft bij de VRO-begroting al vragen gesteld over het
wegvallen van de inframiddelen voor Alkmaar, Apeldoorn, Enschede,
Hengelo en Helmond. Zij zijn gestimuleerd om grote woningbouwlocaties te
worden. Daarmee laten ze de aanspraak op middelen vanuit de WoKT los;
dat weten ze. Vervolgens zijn ze grote locaties — wat we allemaal
willen, want we willen meer bouwen — maar blijkt er geen geld voor hen
te zijn. Ze vallen dus heel hard tussen wal en schip. Ik hoor graag een
reflectie van de minister op deze gang van zaken. Het is belangrijk dat
we zaken samen doen, dus dat Rijk, decentrale overheden, corporaties en
bouwers het met elkaar doen. Dat is een belangrijke voorwaarde. Je moet
dus ook doen wat je zegt. Ik vind dat deze gebieden op z'n minst vooraan
moeten komen te staan mocht er in de toekomst meer geld verdeeld worden
voor infra bij grootschalige woningbouw. Graag een reflectie van de
minister.
Dan het rondje. Zuid-Nederland, te beginnen bij de verbetering van de
A27 tussen Houten en Hooipolder. Door extra fasering van de
werkzaamheden neemt de doorlooptijd toe en daardoor ook de hinder op de
wegen van de andere wegbeheerders, zoals sluipverkeer. Kan de minister
op korte termijn een perspectief en een tijdspad schetsen?
Spoorknooppunt Eindhoven. Ik sluit me aan bij de eerdere inbreng van
meerdere partijen, met name over de fasering. Mocht er gestart worden,
kan het dan in één keer worden opgepakt? Vanuit Brabant wordt ook
aangegeven dat het niet combineren van fasen op termijn veel duurder
uitpakt.
Zeeland en Brabant blijven zitten met de bereikbaarheid wanneer er
problemen zijn op de A58, zoals bij Bergen op Zoom. We hebben hier
eerder naar gevraagd en kregen als antwoord: "Ten aanzien van het
knooppunt Zoomland bij Bergen op Zoom is het op dit moment helaas niet
mogelijk om een studie te doen naar dat traject." Zijn er veranderingen
waardoor zo'n studie wel mogelijk is en kan de minister dat
toezeggen?
Dan naar oost, Gelderland, maar ook Utrecht en het in deze commissie
veelvuldig genoemde knooppunt Hoevelaken. In een motie is aangegeven dat
we dit knooppunt als topprioriteit van alle gepauzeerde projecten zien.
Daarnaast is er in de motie-Grinwis/Vedder verzocht om met de regio's en
gemeenten in gesprek te gaan over hoe de A28, A2 en A15 weer kunnen
worden opgepakt. Kan de minister aangeven waartoe deze gesprekken hebben
geleid?
Overijssel en de N-wegen. Ik sluit me aan bij de eerdere inbrengen, en
ook wat betreft het vierde perron in Deventer.
Flevoland. Ik noem bij deze provincie de Lelylijn, maar die kan
natuurlijk ook en zeker genoemd worden bij Noord-Nederland. Er is in de
vorige commissiedebatten al uitgebreid gesproken over het weghalen van
de financiering door het huidige kabinet. We wachten het advies van
gezant Klaas Knot eind deze week af.
Dan als tweede de kazerne in Zeewolde. Dit heeft consequenties voor de
druk op de wegen en de kunstwerken. Hoe wordt hiermee omgegaan als het
gaat om de Nijkerkerbrug en de wegen? Zou de minister in overleg met
betrokken gemeenten en provincies die druk in kaart willen
brengen?
Dan zijn we aangekomen bij Noord- en Zuid-Holland en Utrecht. Er is al
eerder gevraagd naar de stand van zaken rond Zuidasdok en het spoor in
Haarlem. Hoe wordt er omgegaan met de bereikbaarheid van de A1, die in
2040 structureel dichtslibt tussen knooppunt Eemnes en Muiderberg door
woningbouw in aangrenzende regio's?
Dan het gemaal IJmuiden. Kan in de reflectie daarop van de minister ook
ingegaan worden op de problematiek van de gemalen in de Afsluitdijk? Kan
de minister inzicht geven in de consequenties als er niets gebeurt en,
zo ja, op welke termijn dit speelt?
Zuid-Holland. In het vorige MIRT-debat heeft de minister de volgende
toezegging gedaan: de minister gaat langs bij het traject Bodegravenboog
en zal de Kamer informeren over de uitkomsten van die gesprekken. Wat
zijn de uitkomsten van deze gesprekken? Ik heb deze namelijk niet kunnen
vinden bij de stukken. Ik heb ook een vervolgvraag: is de minister op de
hoogte van de brief van VNO-NCW, die pleit voor het alvast aanleggen van
één deel van de boog? Is de minister bereid om dit te onderzoeken? We
weten dat de regio financieel wil bijdragen.
Wat betreft de Merwedelijn in Utrecht sluit ik me aan bij mijn
voorgangers.
En dan Noord-Nederland. Over de WoKT-gelden heb ik het aan het begin van
mijn bijdrage al gehad.
De veilige oversteek van de Gerrit Krolbrug in Groningen is ook eerder
benoemd. Mijn vraag aan de minister is of hij kan garanderen dat door de
werkzaamheden aan deze brug geen onveilige situatie voor langzaam
verkeer gaat ontstaan. De regio heeft ook aangegeven dat de brug
misschien versoberd kan worden, zodat er een tijdelijke brug gecreëerd
kan worden. Het is nu wel erg ver omfietsen. Is een tijdelijke brug een
denkrichting?
Voorzitter. Al eerder gevraagd door anderen: graag een stand van zaken
van de flessenhals Meppel, waar de Kamer nu al meerdere keren heeft
bijgestuurd op het gebied van financiën.
Uiteraard zijn we blij dat er gestart wordt met de MIRT-verkenning
Nedersaksenlijn. In dit kader heb ik een vraag met betrekking tot de
Eemshaven. Gaat deze haven een rol spelen in het kader van defensie? Zo
ja, zijn er dan mogelijkheden in de MIRT-verkenning om financiering met
Europees geld mee te nemen in het kader van dual-use?
Last but not least Fryslân.
De voorzitter:
Mevrouw Boelsma, ik zou u graag even willen onderbreken, want u heeft
een interruptie van de heer De Hoop op een van de voorgaande
punten.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Sorry. Ik heb het tempo er goed in.
De voorzitter:
Dat heeft u zeker. Gaat uw gang, meneer De Hoop.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Ik heb een vraag over de Gerrit Krolbrug in Groningen. Het is terecht
wat mevrouw Boelsma daarbij aanstipt: 16.000 mensen fietsen om;
afgelopen week was daar nog een grote actie over. Wij krijgen zelfs
signalen dat de lokale overheden bereid zijn om te kijken naar
cofinanciering en om te kijken wat voor oplossingen we kunnen vinden.
Zou het CDA vandaag een voorstel kunnen steunen dat de minister de
opdracht geeft om samen met de regio's te kijken wat voor tijdelijke
oplossing je nou kunt vinden, zoals een brug of een pontje, om daar toch
nog een keer een poging te doen om die Groningers te helpen die de
komende jaren moeten omfietsen, wat echt iets doet met de bereikbaarheid
daar in de regio?
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Dank je wel voor deze vraag. Ik heb de publiciteit omtrent dit punt goed
gevolgd. Volgens mij was een van de motivaties van deze minister dat hij
het geld niet kon vinden. Ik ben dus heel benieuwd op wat voor manier
dat dan geregeld moet worden, want we weten dat er geen geld is. Daarom
stel ik die vraag. Er is aangegeven dat de brug eventueel versoberd zou
kunnen worden. Misschien liggen daar kansen. Ik wacht dus even de
beantwoording van de minister af; misschien heeft hij in de tussentijd
iets heel moois innovatiefs bedacht waardoor het geregeld wordt in
Groningen. Als dat niet zo is, dan wacht ik even af waar u mee
komt.
De voorzitter:
Dank u wel. U vervolgt uw betoog.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Ik was in een hele mooie provincie, in Fryslân. Met een hoog percentage
Friezen in deze commissie zou je toch moeten denken dat het
spooraquaduct Leeuwarden er moet komen. Het amendement van VVD en CDA
stamt uit 2022. Graag een stand van zaken en een update over welke
volgende stap eraan komt.
Ik blijf bij het spoor: de verduurzaming van het spoor van Noord en
Oost. De heer De Hoop heeft het er ook al over gehad. In het spoordebat
heeft de staatssecretaris aangegeven dat er in Q1 duidelijkheid komt
over de systeemkeuze. Kan de staatssecretaris aangeven wat de
vervolgstappen zijn in de tijd?
Dan Terschelling. We hebben een petitie aangenomen en er zijn vragen
over gesteld: mocht de kade van Terschelling wegvallen, dan heeft dat
grote consequenties voor de bereikbaarheid, niet alleen voor de
eilandbewoners maar ook voor de mensen die op het eiland komen. Graag
een stand van zaken.
Als laatste en zeker niet als minst belangrijke: de bruggen die aan
vervanging toe zijn. We gaan ervan uit dat de vier bruggen zoals
afgesproken in 2030 vervangen worden. Kan de minister dit toezeggen? In
dit kader missen we dus de eerder genoemde brug Skûlenboarch. Waar is
deze gebleven? En als we het dan toch over ontbrekende projecten hebben:
ik ben toch wel heel erg benieuwd waar het aquaduct waar ik in het begin
over begon, in die tien jaar gestrand is.
Dank u wel. Tot zover mijn bijdrage.
De voorzitter:
Ik dank u wel voor uw bijdrage. U bent netjes binnen de tijd gebleven; u
heeft elf minuten gebruikt. We gaan nu naar de inbreng van de heer Chris
Jansen namens de PVV-fractie. Gaat uw gang.
De heer Chris Jansen (PVV):
Dank, voorzitter. Ten eerste excuus voor het wat later aansluiten. Ik
had een andere afspraak, die ik helaas niet kon verzetten. U begrijpt
dat er gezien de ontwikkelingen van vorige week bij ons wat is geschoven
met woordvoerders. Ik mag hier tijdelijk het woord voeren. Het zal u
verbazen: dit is mijn eerste BO MIRT als Tweede Kamerlid. Ik heb er wel
enige ervaring mee, maar het is op zich een primeur voor mij.
De voorzitter:
Zeker. Wij noemen het hier een notaoverleg. Aan de kant van het kabinet
worden de bestuurlijke overleggen gedaan en aan deze kant voeren wij het
notaoverleg. Ik snap dat het wennen is. Gaat uw gang voor uw
inbreng.
De heer Chris Jansen (PVV):
U kunt mij altijd corrigeren, voorzitter, mocht dat nodig zijn.
Voorzitter. Ik sta hier namens de PVV Laten we wel wezen: op het gebied
van infrastructuur is het helaas — ik zeg helaas — al jarenlang kommer
en kwel in Nederland, of je nou praat over asfalt waar spontaan gaten in
vallen, tand-nokconstructies in viaducten waardoor we enorme ellende
hebben, de investeringen in het spoor waar we continu tegenaan lopen of
het onderhoud van met name het asfalt maar ook het spoor, dat
ongelofelijk veel geld vraagt. Dan kom je bij de discussie over hoe je
dit nou moet oplossen.
Voorzitter. Ik begrijp niet waarom Defensie een vast percentage van de
begroting krijgt, maar waarom deze bewindspersonen, en zeker de
staatssecretaris, met het oog op een eventueel volgend kabinet niet
inzetten op een vast percentage van de begroting voor de infrastructuur.
Dan kan je makkelijker combinaties zoeken. Volgens mij werd dat net ook
gezegd door de heer Grinwis; er werd bijvoorbeeld een combinatie met
Defensie genoemd. Defensie heeft een aantal routes in gedachten, zoals
van de kust en de havens richting het oosten van Europa. Ik heb begrepen
dat daar binnen Defensie budget voor is gereserveerd. Het zou dan toch
logisch zijn dat wij onze budgetten rondom infrastructuur inzetten op
die punten waar dat nog niet het geval is? Even heel plat gezegd: je kan
Defensie dan laten opdraaien voor de kosten rondom de knelpunten die
voor Defensie belangrijk zijn. Dat lijkt mij een hele logische
conclusie.
Daarnaast vind ik het opmerkelijk dat het de ambitie is om ieder jaar
een van de 22 gepasseerde MIRT-projecten weer op te starten. Dat klinkt
heel goed, maar we zijn 22 jaar verder voordat we ze allemaal hebben
gehad. De lijst zal niet korter worden. Sterker nog, er zullen in de
komende jaren ongetwijfeld weer projecten bij komen. Je bent dus altijd
bezig met een inhaalslag. Los van het voorstel dat ik deed over een vast
percentage van de begroting: hoe zien deze bewindspersonen dit zelf voor
ogen? Is daar een versnelling mogelijk? Is er überhaupt een andere
werkwijze mogelijk? Er werd net gesproken over de 75% financiering. We
hebben gezien hoe ze dat in Duitsland anders doen. Daar heb je op een
gegeven moment tientallen jaren ellende op een snelweg, omdat het budget
even op is. Dan moeten ze sparen en als er weer geld is, gaan ze weer
door. Hoe zien deze bewindspersonen dat zelf voor zich?
De heer Van Asten, geloof ik, memoreerde net dat stikstof, financiën en
capaciteit eigenlijk de drie bottlenecks zijn. Ik heb begrepen dat
capaciteit inmiddels niet meer de grootste bottleneck is. Klopt dat? Zo
ja, hoe zit het dan met stikstof? Is het niet verstandiger om er eens
rustig naar te kijken? We hebben natuurlijk op andere beleidsterreinen
ook wel eens geopperd om de KDW, de kritische depositiewaarde, te
verhogen naar 1 mol. Dan heb je heel veel van de discussie over stikstof
niet meer. Ik denk dan: waarom wordt die stap niet gezet binnen het
kabinet?
Er zijn door mijn collega's eerder al een aantal projecten genoemd waar
wij blij van worden. Ik denk dat het een goede zet is dat de A6 tussen
Almere Buiten en Lelystad wordt opgepakt. Over de N50 heb ik wel nog wat
twijfels, in de zin van: hoe gaan we daar dan mee door, met het oog op
de toekomst, op het gebied van veiligheid, maar ook van doorstroming? De
N35 en de N36 zijn volgens mij ook al genoemd door collega's. Ik heb nog
wel een vraag. Als de bewindspersonen kijken naar de kaart van
Nederland, welke regio's zijn er op dit moment dan eigenlijk
tekortgedaan met de voorstellen zoals die er nu liggen? En ik zou bijna
zeggen: hoe wordt dat in de komende jaren dan hersteld? Uiteindelijk
moet je natuurlijk ook kijken naar de totale bereikbaarheid van
Nederland. Er werd net ook gezegd dat elke regio telt. Ik zeg niet dat
de projecten die op dit moment voorrang krijgen fout zijn, maar het is
volgens mij niet helemaal in lijn met Elke regio telt! Graag dus een
reactie daarop van de bewindspersonen.
De benzineprijs schiet natuurlijk door het dak. Dat heeft ook weer
effect op de kosten. Een automobilist betaalt die. Tegelijkertijd sta je
overal in de file. Overal in Nederland zie je enorme files in de spits,
zeker op dinsdag en donderdag. Die kosten bakken met geld en brengen
heel veel ergernis. Het is ook gewoon een bron van onveiligheid. Hoe
zien de bewindspersonen dit voor zich? Spitsmijden klinkt heel leuk,
maar je komt er simpelweg niet als je kijkt naar de consequenties
daarvan. Je kunt namelijk niet verwachten dat het onderwijs maar even
een halfuur of een uurtje eerder of later begint. Hetzelfde geldt
natuurlijk ook voor mensen die aan het werk moeten. Je kunt niet zomaar
verwachten dat bedrijven hun complete business gaan aanpassen vanwege
het feit dat wij infrastructuur helaas niet op orde hebben.
Even kijken, hoor.
De voorzitter:
Terwijl u even kijkt, krijgt u in de tussentijd een interruptie van de
heer Van Asten.
De heer Van Asten (D66):
Ja, over dat laatste. U zei: we kunnen niet verwachten dat bijvoorbeeld
scholen een halfuur later beginnen. In deze regio, die ik goed ken,
hebben we juist heel vaak gesproken over de vraag of bijvoorbeeld De
Haagse Hogeschool niet later kan beginnen, al is het maar een kwartier
tot twintig minuten, om de studenten uit de hyperspits te houden.
Volgens mij kan dat prima goed werken. We zorgen dat die treinen dan net
wat aantrekkelijker zijn voor de mensen die wel gewoon ergens om 09.00
uur zouden moeten zijn. Ik zie niet waarom dat niet zou werken. Ik zou
daar dus graag wat meer uitleg over willen hebben.
De heer Chris Jansen (PVV):
Dank voor deze vraag, zeg ik richting de heer Van Asten. Ik zeg niet dat
het niet werkt. Ik zeg alleen: het is niet de oplossing. Dit betreft
onderwijs in een bepaalde regio; het is niet over de hele linie
realistisch. Er zijn scholen die inderdaad kunnen spelen met een
kwartiertje of misschien zelfs een halfuur eerder of later, maar kijk
naar de consequenties voor bijvoorbeeld kinderopvang als het
basisonderwijs een halfuur eerder zou stoppen of langer zou doorgaan.
Werkende ouders moeten dan weer een oplossing gaan zoeken. Daarom zeg
ik: het lijkt makkelijk, en als het kan worden gerealiseerd is het een
denkrichting, maar ik denk niet dat dit uiteindelijk de oplossing is
voor het probleem. Zeker niet. Het aantal gebruikers van infrastructuur
zal de komende jaren namelijk alleen maar blijven groeien.
De heer Van Asten (D66):
We moeten natuurlijk oppassen dat we niet alleen maar beren op de weg
zien. "Het kan wel" is daar natuurlijk een betere slogan voor. Het gaat
er natuurlijk om dat we ongeveer 10% van de weg of het spoor halen uit
de hyperspits, om ervoor te zorgen dat het verkeer dat er wel op zit kan
blijven doorvloeien. Dit zijn toch maatregelen die bij uitstek verder
uitgewerkt moeten worden? We zouden daar toch veel meer op moeten
inzetten? Dat is toch ook een veel goedkopere oplossing dan alleen maar
werken aan extra verbreding of extra spoor et cetera, zodat we, als we
toch moeten prioriteren — er zal namelijk niet spontaan veel meer geld
zijn — echt kunnen kiezen voor de projecten waar de bottleneck op dat
moment zit?
De heer Chris Jansen (PVV):
Volgens mij hebben wij juist ook besloten dat het Rijk het voorbeeld zou
geven. Rijksambtenaren zouden met name moeten proberen om de spits te
mijden, door anders te werken, zoals vaker thuis te werken, of door op
een ander moment het openbaar vervoer of de auto te pakken. In mijn
eerste beantwoording zei ik ook: het is niet per definitie fout; alleen,
het is te makkelijk gedacht dat we met deze oplossing een heel eind gaan
komen. Het is een pleister op een wondje. Je pakt dan niet de oorzaak
aan, want de oorzaak is gewoon dat er onvoldoende capaciteit is, zowel
op de weg als op het spoor, om iedereen te verwerken. Je corrigeert dan
dus eigenlijk een gevolg in plaats van dat je de oorzaak aanpakt.
Volgens mij is de enige oplossing om meer te investeren in
infrastructuur.
De voorzitter:
Meneer Van Asten, uw laatste interruptie.
De heer Van Asten (D66):
Een laatste interruptie. Ik hoor de heer Jansen toch zeggen dat we
eigenlijk, met het aanbieden van mobiliteit, dus met de breedte van
wegen en spoorwegen et cetera, ons volledig moeten richten op de vraag
van dat moment. Met een groeiende bevolking is dat een stijgende vraag.
Om iedereen in die hyperspits maar te kunnen accommoderen, zouden we
daar de infrastructuur op moeten inzetten. Dat is toch eigenlijk
verspilling van middelen? We kunnen het toch beter spreiden over de dag,
zodat we niet heel Nederland hoeven te asfalteren of miljarden en
miljarden hoeven te investeren in iets wat maar twee à drie uur per dag
gebruikt gaat worden?
De heer Chris Jansen (PVV):
Als de PVV de keuze heeft tussen meer spreiden of meer aan de regio
denken, om maar een voorbeeld te noemen, dan kiezen wij voor de regio.
Er zijn regio's in Nederland waar ze überhaupt al blij zijn als ze twee
keer per dag gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer, om maar wat
te noemen. Ik zeg dan: ik heb liever dat mijn geld daaraan wordt
gespendeerd dan aan meer spreiding in de Randstad. Even in het grotere
geheel: als je de hele Randstad vol blijft bouwen, wordt de vraag alleen
maar groter. Je moet dus juist buiten de Randstad, ertegenaan, gaan
bouwen. Daarmee voorkom je dat je iedere keer de druk tijdens de spits
in de Randstad krijgt. Dat is volgens mij de situatie, en op die manier
zou je die kunnen oplossen.
De voorzitter:
Meneer Jansen, vervolgt u uw betoog.
De heer Chris Jansen (PVV):
De N36 in de provincie Overijssel heb ik al genoemd. Dat is een van de
dodenwegen in Nederland, waar volgens mij veel te veel ongelukken
gebeuren. Ik zou graag willen weten hoe we die beter gaan aanpakken.
Waarom wordt er bij de uitgaven die wij doen überhaupt beknibbeld op
verkeersveiligheid? Kan een bewindspersoon daar misschien eens een
reflectie op geven? Ik vind het namelijk tegenstrijdig aan ons streven
om het aantal slachtoffers juist te beperken.
Het project Hoevelaken is volgens mij ook al langsgekomen. De vraag is
alleen wel: hoe gaan we daar nu mee verder? In welke stap zitten we
precies? Wat betekent dat voor de komende periode qua overlast maar ook
voor de datum waarop het project uiteindelijk gerealiseerd is?
ERTMS tussen Schiphol, Amsterdam en Lelystad: dat doel is mijn optiek
vrij vaag omschreven. Kan de staatssecretaris daar misschien eens op
reflecteren? Waarom is dat traject op die manier beschreven?
De voorzitter:
Meneer Jansen, u heeft een interruptie van de heer De Hoop.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Allereerst: fijn dat de PVV-fractie deelneemt aan het debat, gezien de
ingewikkeldheden nu misschien met de portefeuilleverdeling. Maar ik
hoorde de staatssecretaris, of de voormalig staatssecretaris … Het is
niet voor niks dat ik "de staatssecretaris" zeg. Ik hoorde de voormalig
staatssecretaris ook over openbaar vervoer spreken. Ik moet eerlijk
zeggen dat ik daar wat ongemak bij voel, omdat deze staatssecretaris
zelf meegeschreven heeft aan de Voorjaarsnota en, denk ik, ook nog in
het MIRT-traject besprekingen heeft gehad. Het is een ongeschreven regel
dat een voormalig bewindspersoon niet over zijn eigen portefeuille
debatteert, zeker niet op zo'n korte termijn. Ik zou de staatssecretaris
vanuit dat perspectief willen vragen — het is misschien niet mijn rol,
maar ik doe het toch — of hij zich wat meer bij de kant van de minister
wil houden en niet zozeer over het ov-deel wil spreken, want ik voel
daar ongemak bij. Het is een soort ongeschreven regel dat een voormalig
staatssecretaris niet over zijn eigen portefeuille spreekt, zeker niet
als hij ook nog een aandeel heeft gehad in deze begroting.
De heer Chris Jansen (PVV):
Ik ben het niet met de heer De Hoop eens, om de heel simpele reden — ik
heb het net aan het begin heel kort samengevat — dat wij vorige week
helaas onze beide woordvoerders zijn kwijtgeraakt. Dan breekt nood wet.
Ik ben tijdelijk woordvoerder. En misschien ook voor de heer De Hoop: ik
heb van tevoren de hoogste ambtenaar van het ministerie benaderd en ik
heb hem dit netjes verteld. Ik heb ook de PA van de minister benaderd en
netjes aangegeven wat de situatie is. Ik denk dus dat de heer De Hoop
eerst moet nadenken voordat hij deze opmerking maakt.
De voorzitter:
Meneer De Hoop, u heeft geen interrupties meer, maar een punt van orde
kunt u altijd maken. Gaat uw gang.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Het gaat natuurlijk over de orde van de vergadering; het is niet
richting de staatssecretaris als persoon. Ik begrijp best dat hij
probeert dit zo goed mogelijk te doen, maar de staatssecretaris weet ook
— het staat misschien niet als regel op papier — dat het toch een soort
niet-afgesproken regel in deze Kamer is dat voormalig bewindspersonen
niet over hun eigen portefeuille debatteren. Dat gezegd hebbende zou ik
toch een beroep op deze staatssecretaris willen doen om zich te houden
bij het deel van de minister, waar hij misschien minder invloed op heeft
gehad. Ik vind dit bezwaarlijk en ik wilde dat wel gezegd hebben, ook
als punt van orde.
De voorzitter:
Helder. Vervolgt u uw betoog.
De heer Chris Jansen (PVV):
Heel plat: dat interesseert me geen zak. Sorry dat ik het op die manier
zeg, maar zo is het wel.
De voorzitter:
Ik weet niet of het zo moet, maar u kunt gewoon uw betoog vervolgen. Het
punt van orde is gemaakt. Het staat u vrij om hier een inbreng te
leveren, want het staat niet vermeld in ons Reglement van Orde; dat wil
ik nog even benadrukken. Het punt van orde is gemaakt. Mevrouw Boelsma
heeft een interruptie.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Nou, een interruptie ... Misschien ook een punt van orde, want ik vind
de opmerking in deze commissie niet netjes. Tot nu toe zijn wij goed met
elkaar omgegaan. Wat betreft de woordkeuze zou ik willen voorstellen dat
we dat hier niet gaan doen.
De voorzitter:
Waarvan akte. Ik zou de heer Jansen willen vragen om zijn betoog te
vervolgen.
De heer Chris Jansen (PVV):
Ik was trouwens bijna aan het einde gekomen. De A16 Rotterdam is
volledig in gebruik genomen … Herstel: ten opzichte van de regio
Zuidwest kunnen we opmerken dat de A16 bij Rotterdam volledig in gebruik
is genomen. Dat is volgens mij een goede ontwikkeling.
Wat ik in elk geval wil noemen — dat is volgens mij net ook door een van
de collega's genoemd — is Holwerd, de afvaart naar Ameland. Daar maken
we ons wel zorgen om. Graag een reflectie daarop van, als ik het mij
goed herinner, de staatssecretaris.
Wat is de stand van zaken rondom de verkenning A2/N2 en de
Brainportregio? Ik heb daarover niet zo heel veel kunnen lezen. Graag
een reactie daarop van de minister.
Ik had eigenlijk nog een vraag over mitigerende maatregelen vanwege de
gepasseerde projecten. Uit mijn hoofd zeg ik dat het gaat om 206
miljoen. Hadden we dat geld niet op een andere manier kunnen inzetten?
Kan daar op de een of andere manier slimmer mee worden omgegaan? Nu is
het eigenlijk zondegeld, om het zo te zeggen. Misschien is dat wel
noodzakelijk, maar kunnen de bewindspersonen misschien nog een andere
afweging maken?
Daarnaast nog één vraag. We hebben het nu onder andere over de
beschikbaarheid van openbaar vervoer, maar hoe zit het met de
veiligheid? Het lijkt wel alsof in iedere gemeente waar op dit moment
een azc is gevestigd, de veiligheid ook in het geding kan komen.
Misschien even een reflectie van de staatssecretaris ook op dat
onderwerp.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw bijdrage. Ik zou graag het voorzitterschap even
willen overdragen aan de heer De Hoop, zodat ik namens de VVD-fractie
een bijdrage kan leveren.
Voorzitter: De Hoop
De voorzitter:
Dan geef ik nu het woord aan de heer De Groot namens de
VVD-fractie.
De heer Peter de Groot (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Voor de VVD is infrastructuur geen doel op zich.
Bereikbaarheid is de basis voor onze economie, onze veiligheid en onze
woningbouwopgave. Juist daarom maakt de VVD zich zorgen — niet omdat er
geen plannen zijn, want die zijn er genoeg, maar omdat de uitvoering
structureel achterblijft. Wie buiten deze zaal kijkt, ziet geen papieren
ambities maar vooral files, vertragingen, onveilige situaties en heel
veel projecten die al jarenlang in voorbereiding zijn. Dat ondermijnt
niet alleen het vertrouwen van mensen en bedrijven, maar remt ook de
woningbouw en schaadt onze economische kracht.
De VVD wil dit debat niet alleen gebruiken voor een rondje langs
Nederlandse regio's en projecten, maar ook om het te hebben over tempo
en prioritering. Natuurlijk, er volgen straks nog wat projecten,
alhoewel er door veel collega's al wat is gezegd over diezelfde
projecten.
Voorzitter. Laat ik beginnen met de kern. De afstand tussen plannen en
realisatie is groot, eigenlijk te groot geworden. Te veel MIRT-projecten
blijven hangen in verkenningen en planstudies, terwijl de druk op ons
netwerk toeneemt en knelpunten verergeren. Goed onderhoud is
noodzakelijk; daar is geen discussie over. Maar onderhoud mag niet
structureel ten koste gaan van uitbreiding waar die aantoonbaar nodig en
mogelijk is. Juist op plekken waar de bereikbaarheid onder druk staat,
waar verkeersveiligheid in het geding is en economische activiteit wordt
afgeremd, moet het tempo omhoog. Mijn vraag aan de minister is dan ook
helder: welke concrete maatregelen neemt het kabinet om meer projecten
sneller van planfase naar uitvoering te brengen? Waar ziet hij ruimte om
procedures te versnellen zonder afbreuk te doen aan zorgvuldigheid en
draagvlak? Want plannen maken is geen topprestatie — het is overigens
wel belangrijk werk — maar projecten uiteindelijk goed tot uitvoering
brengen, is dat wel. Dat zeg ik met dertien jaar ervaring in de
uitvoering van infrastructuurprojecten.
Voorzitter. Dan de nationale weerbaarheid. De internationale
veiligheidssituatie laat zien dat infrastructuur meer is dan een civiele
voorziening. Wegen, bruggen, spoorpunten en knooppunten zijn cruciaal
voor de verplaatsing van militair materieel, personeel en strategische
voorraden. Nationale weerbaarheid vraagt om een robuust en redundant
netwerk dat ook onder uitzonderlijke omstandigheden blijft functioneren.
De VVD vindt dat deze strategische dimensie explicieter moet worden
meegewogen in de keuzes binnen het MIRT. Dat vraagt om structurele
afstemming tussen Infrastructuur en Waterstaat en Defensie, en om
duidelijkheid over welke infrastructuur essentieel is voor militaire
mobiliteit. Mijn vraag aan de minister is daarom: welke projecten
beschouwt het kabinet als cruciaal voor de nationale weerbaarheid en
militaire inzetbaarheid? Hoe wordt geborgd dat deze projecten binnen het
MIRT daadwerkelijk prioriteit en het vereiste tempo krijgen?
Voorzitter. Dan het derde punt, dat direct raakt aan de dagelijkse
werkelijkheid van heel veel mensen, namelijk woningbouw. Iedereen in
deze zaal weet het, maar we moeten het ook consequent toepassen: zonder
bereikbaarheid is woningbouw niet mogelijk. Ontsluitingswegen,
aanpassingen aan het hoofdnet en voldoende spoorcapaciteit zijn
randvoorwaarden voor het daadwerkelijk kunnen realiseren van woningbouw,
niet per se alleen bij "straatje erbij". Bij een wijkje erbij kan een
gemeente vaak zelf nog heel veel regelen. Maar bij grootschalige
woningbouw of middelgrote woningbouwplannen van 1.000 tot 10.000
woningen zijn op rijksniveau bereikbaarheidsinvesteringen nodig.
Toch is bij de recente verdeling van middelen voor woningbouw — veel
collega's hebben daar al iets over gezegd — gebleken dat op korte
termijn het beschikbare budget voor mobiliteit simpelweg ontoereikend
is. Het gevolg is dat goed voorbereide gemeenten met plannen die
inhoudelijk op orde zijn, geen toekenning hebben gekregen. Het is al
hier al vaker genoemd: dit betreft de grootschalige gebieden, zoals
Alkmaar, Apeldoorn, Helmond en Hengelo, maar ook gemeenten die goede
plannen voor duizenden woningen hebben, zoals de gemeente Tiel, en
natuurlijk de regio's. Deze gemeenten lopen nu het risico dat hun
woningbouw vertraagt, niet door gebrek aan ambitie of plannen, maar door
het ontbreken van financiering van noodzakelijke
mobiliteitsmaatregelen.
Voorzitter. Dat vindt de VVD onwenselijk. Als het Rijk grootschalige
woningbouwgebieden aanwijst, dan moet de financiering van mobiliteit
realistisch en toereikend zijn. Gemeenten die hun huiswerk hebben
gedaan, mogen niet langdurig stilvallen. Samen met onder andere het CDA
werken we daarom ook aan een motie om deze gemeenten van de
grootschalige gebieden te bedienen zodra er weer middelen beschikbaar
komen. Mijn vraag aan de minister is of hij erkent dat een tekort aan
deze middelen direct gevolgen heeft. Welke gevolgen heeft dat voor die
woningbouwopgave? Wat kan hij nog doen om dit knelpunt op te
lossen?
Voorzitter. Dan de concrete wegknelpunten. Ik kom toch bij die projecten
in Nederland. Dat doe ik niet per se om een lijstje af te vinken, maar
omdat hiervoor keuzes nodig zijn. Ik begin — er is hier vandaag al vaker
iets over gezegd — bij knooppunt Hoevelaken. De Kamer heeft hier
inmiddels meerdere keren duidelijke uitspraken over gedaan. De
motie-Veltman c.s. is aangenomen. Daarin is Hoevelaken expliciet
aangemerkt als prioriteit nummer één binnen de gepauzeerde
MIRT-projecten. In een vervolgmotie heeft de Kamer verzocht te komen met
een gefaseerde aanpak, inclusief het inrichten van een projectteam en
het maken van afspraken met de regio.
Voorzitter. De Kamer heeft zich hierover uitgesproken, maar het kabinet
blijft zeggen dat dit niet kan, en het kabinet gaat nota bene aan de
slag met projecten in Flevoland, waar geen filedruk is. Mijn vraag aan
de minister is hoe dit kan. Ik heb wederom een motie klaarliggen om het
kabinet aan te sporen om wél aan de slag te gaan met de fasering van
knooppunt Hoevelaken.
Dan de A18 en N18 in de Achterhoek. Namens de VVD is door collega
Veltman in eerdere debatten expliciet aandacht gevraagd voor deze
corridor, onder meer door vragen te stellen over de voortgang en de
inzet van eerder toegezegde middelen voor de N18. Deze inzet is niet
vrijblijvend. Het gaat hierbij om een structurele oost-westverbinding,
die van groot belang is voor de bereikbaarheid, verkeersveiligheid en
economische ontwikkeling in de regio. De knelpunten zijn bekend en de
regionale ambities zijn duidelijk, maar de stap naar concrete
besluitvorming blijft uit. Hoe wil de minister de A18 en N18 binnen het
MIRT verder brengen richting besluitvorming en uitvoering? Is hij bereid
samen met de regio te kijken welke vervolgstappen nodig zijn om dit
structureel te verbeteren?
Ik zou graag nog even kort willen stilstaan bij de verbinding tussen
Flevoland en Gelderland bij Nijkerk. Collega Boelsma had het er ook al
over. Er is een grote kazerne gepland in Flevoland. We weten dat
richting het oosten veel wegtransport van Defensie ook over die toch wel
smalle sluis bij Nijkerk zal gaan. Ook daarvoor heb ik een motie in
voorbereiding, over wat er nodig is om die verbinding, die sluis,
toekomstbestendig te maken voor deze opgave.
Als laatste wat betreft de wegknelpunten wil ik nog heel kort stilstaan
bij de N50. Over deze weg praten we al zolang ik hier in deze Kamer zit.
Deze weg heeft nadrukkelijke aandacht nodig, vooral als het gaat om
doorstroming en verkeersveiligheid. Het is geen nieuw dossier, maar de
VVD zal blijven aandringen op vooruitgang, wat dat ook mag zijn.
Voorzitter. Naast wegen wil ik kort ook nog even stilstaan bij een
aantal urgente spoorknelpunten. Natuurlijk ben ik als inwoner van
Harderwijk verheugd met de gelden die beschikbaar zijn gesteld voor de
keervoorziening en de mogelijke toekomst voor een intercitystop in
Harderwijk. Maar daar blijft het niet bij. In Zeeland speelt namelijk de
Zeeuwse spoorlijn binnen het compensatiepakket Wind in de zeilen.
ProRail heeft vastgesteld dat het gereserveerde budget van 45 miljoen
euro onvoldoende is om alle afgesproken maatregelen uit stap 1 te
realiseren. Het compensatiepakket zelf staat niet ter discussie, en dat
mag ook niet, maar wat zijn de stappen die de staatssecretaris dan
voorstelt voor de komende jaren?
Het knooppunt Haarlem is al vaker genoemd in het debat. Er dreigen
keuzes gemaakt te worden die later kunnen leiden tot
kapitaalvernietiging en hogere kosten. Mijn vraag aan de
staatssecretaris is of hij samen met de regio wil voorkomen dat hier
onomkeerbare en mogelijk dure keuzes worden gemaakt.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Zeer terecht dat ook collega De Groot hier aandacht voor vraagt.
Eigenlijk vindt iedereen die tot nu toe over Haarlem gesproken heeft in
deze commissie wat nu dreigt te gebeuren kapitaalvernietiging. Over een
maandje start, normaal gesproken, de aanbesteding. Hoever wil collega De
Groot gaan om te voorkomen dat hier 50 miljoen euro wordt verbrand? De
brief van het kabinet was helder: de middelen zijn er niet. Dat betekent
dus dat je creatief moet nadenken over kasschuiven, een nieuwe
jaarschijf die beschikbaar komt en een coalitieakkoord waar mogelijk wat
financiële ruimte in zit om dat risico te durven nemen. Durft de heer De
Groot dat vandaag te doen, om te voorkomen dat we 50 miljoen gaan
verbranden?
De heer Peter de Groot (VVD):
Het korte antwoord is natuurlijk dat de formatie nog loopt en nog niet
is afgerond. Dat is dus het eerste deel van het antwoord. Daar zijn we
mee bezig, dus daar zal ik geen uitspraken over doen. Ik zal ook geen
garanties geven voor wat u dan ook van plan bent om voor te stellen.
Maar het zou zonde zijn als we 50 miljoen in de prullenbak gooien; dat
is zeker waar. Ik ben dus aan het kijken welke innovatieve wegen de
staatssecretaris nog kan bewandelen om dat te voorkomen. Dat is de vraag
die ik op tafel leg.
Voorzitter. Ik wilde nog even stilstaan bij de spoortunnel bij Schiphol.
De noodzakelijk capaciteitsuitbreiding dreigt te stagneren, met het
risico dat cofinanciering weglekt en de beperkingen voor sneltreinen en
hsl-verbindingen blijven bestaan. Hoe voorkomt de staatssecretaris dat
uitstel leidt tot blijvende capaciteitsproblemen op een van de
belangrijkste knooppunten van Nederland op het spoor?
Voorzitter. Ik sla een aantal projecten over, omdat die door collega's
al zijn benoemd. Ik heb nog wel een laatste vraag over de
hogesnelheidsspoorlijn als internationale economische corridor. We
hebben natuurlijk te maken met constructiefouten, snelheidsbeperkingen
en verzakkingen die de betrouwbaarheid ondermijnen. Mijn vraag aan de
staatssecretaris is hoe hij dit structureel op orde gaat brengen.
Voorzitter, afrondend. De VVD wil geen papieren ambities, maar tastbare
vooruitgang; daar zit het 'm in. Geen eindeloze planvorming, maar echt
tempo richting de uitvoering. We moeten duidelijke keuzes maken.
Infrastructuur is de basis onder woningbouw, economie en onze
veiligheid. Die basis moet op orde zijn en blijven.
Dank u wel.
De voorzitter:
Ik zie dat er allereerst een interruptie is van de heer Stoffer van de
SGP.
De heer Stoffer (SGP):
De heer De Groot sprak onder andere over de N18. Mevrouw Veltman heeft
daar in het verleden inderdaad ook over gesproken en heeft daar volgens
mij ook wel moties over ingediend. Wat is het toekomstperspectief waar
de VVD met de N18 naartoe wil? Waar wordt aan gedacht?
De heer Peter de Groot (VVD):
Het is natuurlijk als eerste belangrijk dat er gewerkt wordt aan
verkeersveiligheid en doorstroming. We willen het beschikbare budget
daar gewoon voor inzetten. Dat lijkt nu niet te gebeuren. Dat is stap
één. Dat is voor de korte termijn het belangrijkste wat moet gebeuren.
Daarnaast zijn er allerlei wensenlijstjes in Nederland voor wegen en
wegverbredingen. De N50 heb ik ook genoemd. Over de N35 hebben we het
ook al vaker gehad. Zo zijn er natuurlijk allerlei wensenlijstjes. Als
we daar zicht op hebben, zullen we er met elkaar verder naar
kijken.
De voorzitter:
Ik kijk of er verder nog interrupties zijn. Dat is niet het geval. Dan
geef ik het voorzitterschap terug aan de heer De Groot.
Voorzitter: Peter de Groot
De voorzitter:
Dank u wel. Als ik het goed heb, zijn we aan het einde gekomen van de
eerste termijn van de zijde van de Kamer. Ik kijk even naar de klok. Het
is 12.45 uur. We gaan een uur schorsen. Dat uur is bedoeld voor de
voorbereiding van de beantwoording door het kabinet en tegelijkertijd
als lunchpauze. Ik zou de minister graag in herinnering willen brengen
dat er nog een informatieverzoek van de heer De Hoop is. Als de heer De
Hoop daarmee geholpen zou kunnen worden, ofwel in de eerste termijn van
het kabinet, ofwel daaraan voorafgaand nog, dan heel graag.
De vergadering wordt van 12.43 uur tot 13.45 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen dit debat. Aan de orde is het notaoverleg MIRT. In de
schorsing heeft het kabinet zich kunnen voorbereiden op de beantwoording
van de vragen die zijn gesteld in de eerste termijn van de kant van de
Kamer. Mijn verzoek aan de minister en staatssecretaris is natuurlijk om
het kort en bondig te houden. We hebben vorige week met elkaar ook al
uren het debat gevoerd over de begroting. Herhaling daarvan is niet
nodig. Wilt u zich richten op de beantwoording van de vragen? Ik zal
voor de beantwoording in de eerste termijn van de kant van het kabinet
eerst de minister het woord geven. Gaat uw gang.
Minister Tieman:
Dank u wel, voorzitter. Geachte commissieleden, fijn dat we, zo snel na
de begrotingsbehandeling van vorige week, weer met uw Kamer het debat
kunnen voeren over het MIRT. Tijdens de BO's MIRT van 5 januari tot en
met 8 januari hebben we gesproken over de voortgang van de
MIRT-projecten en de programma's door het hele land. Hierover is uw
Kamer geïnformeerd middels de MIRT-brief. We hebben het zojuist gehad
over de verdeling van de woningbouwmiddelen. Het is goed dat we deze
stappen hebben kunnen zetten met de grote woningbouwopgave die voor ons
ligt. De situatie ziet er daarnaast echter niet rooskleurig uit. Dat
hebben we tijdens de begrotingsbehandeling ook al met elkaar kunnen
vaststellen. Er zijn grote aanlegprojecten nodig om Nederland op termijn
bereikbaar te houden, maar dat lukt niet vanwege de beperkte financiële
middelen, het gebrek aan stikstofruimte en krapte op de arbeidsmarkt.
Ook de noodzakelijke onderhoudsprojecten lopen hiertegenaan. We willen
gezamenlijk inzetten op wat echt moet en daarna op het afmaken van wat
we nu in de portefeuille hebben door gepauzeerde projecten zo snel
mogelijk weer op te starten. Dat betekent dat onze prioriteit daar ligt.
Dat betekent dus ook dat zo lang deze situatie voortduurt, er een stop
op nieuwe projecten is. Er is helaas alleen ruimte voor iets nieuws als
daarvoor andere projecten worden geschrapt en er tegelijkertijd
voldoende zicht is op stikstofruimte en capaciteit.
Dan ga ik nu over tot de beantwoording van de vragen. Dat doe ik middels
mapjes. Ik begin met het mapje algemeen. Daarna zal de staatssecretaris
het mapje algemeen pakken. Daarna ga ik in op de regio's Oost,
Noordwest, Zuidwest, Noord en Zuid. Ik rouleer met de
staatssecretaris.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zou graag nog even aan de leden willen melden dat we ook
hierbij in principe weer vier interrupties toestaan. We kijken straks
even of er meer nodig zijn, maar in principe lijken vier interrupties me
prima. U vervolgt uw beantwoording.
Minister Tieman:
Ik begin meteen met het informatieverzoek dat de heer De Hoop aan de
voorkant had neergelegd. "Er is onvoldoende budget beschikbaar voor
Amelisweerd. Waarom is dat wel met de Raad van State gedeeld en nog niet
met de Kamer? Kan dat alsnog?" In opdracht van de Raad van State is voor
het tracébesluit A27/A12 een nadere onderbouwing gegeven op het gebied
van stikstof. Dit had geen betrekking op financiën. In het
geactualiseerde overzicht van financiële opgaven met betrekking tot het
Mobiliteitsfonds is de A27/A12 genoemd. Daar kunt u uit opmaken dat het
tekort groter wordt ingeschat dan 500 miljoen euro. Aan de Kamer is
toegezegd dat nadat het herroepelijk wordt, u geïnformeerd wordt over de
termijn en dan wordt er ook een nieuwe raming opgesteld. Ik ben dus nog
op zoek naar 29 mol, meneer Jansen, zeg ik over uw stikstofvraag. Met 1
mol ga ik niet … O, sorry! Dat betreft Hoevelaken. Ik haal ze even door
elkaar. Er zijn nogal wat zaken die niet met 1 mol zijn opgelost.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Even precies op dit punt. De staatssecretaris zegt dat er meer dan 500
miljoen bij komt. Even in alle scherpte: is dat ten opzichte van de
eerdere actualisatie van de lijst-Grinwis of ten opzichte van wat er
momenteel is vrijgemaakt voor Amelisweerd?
Minister Tieman:
Dat is extra, meneer De Hoop.
De voorzitter:
U vervolgt uw beantwoording.
Minister Tieman:
Mevrouw Van der Plas vroeg: hoe borgt de minister binnen het MIRT dat de
grensregio's niet structureel achterblijven bij investeringen in
bereikbaarheid, terwijl zij juist extra afhankelijk zijn van een goed
functionerend netwerk? Goed functionerende netwerken zijn van groot
belang; we hebben Elke regio telt! niet voor niets. Omdat de
bereikbaarheidsopgave in iedere regio anders is, is in de Bestuurlijke
Overleggen MIRT van begin januari met de regio de afspraak gemaakt om
regionale bereikbaarheidsanalyses te maken. Hierin wordt expliciet een
uitsnede gemaakt voor de grensregio's. Voor het vervolg wordt
gezamenlijk een voorstel uitgewerkt, om de analyses te vertalen naar
handelingsperspectief. Dat kan binnen het MIRT-instrumentarium, en dat
is het pad dat we nu leggen.
De heer De Hoop vroeg naar de onuitvoerbare projecten: "Wat is
realiseerbaar als alternatief? Is het mogelijk een goed onderbouwde
lijst voor de komende zomer te ontvangen? Wat is de waarde van de
onuitvoerbare projecten?" Het nut en de noodzaak van de gepauzeerde
projecten staan overeind. Voor een groot deel van de gepauzeerde
projecten zijn, in afstemming met de regiovertegenwoordigers, al
alternatieve maatregelen vastgesteld of afgewogen. Hierover zijn
afspraken gemaakt in het BO MIRT van het najaar van 2024. De uitvoering
van deze alternatieve maatregelen door de regio loopt nu. Er is geen
budget beschikbaar voor aanvullende maatregelen. We zetten nu in op
projecten, de nadere realisatie en de instandhouding. Ook zetten we in
op de planfase van kleine, kansrijke projecten. Ik kan u een update
geven van deze lijst met kansrijke projecten. Ik kan deze delen in de
komende MIRT-brief van juni dit jaar. Een besluit over de aanvullende
middelen is aan een volgend kabinet.
De heer De Hoop zei: omrijbordjes en -routes zetten de veiligheid onder
druk; waarom zetten IenW en Rijkswaterstaat niet in op meer pontjes voor
dergelijke situaties? Het gebruik van pontjes en vervoer over water kan
natuurlijk, zou je zeggen, maar het is niet altijd een alternatief. We
hebben ook te maken met de nautische veiligheid, dus het kan waar het
mogelijk is, maar hierbij geldt ook: zijn er pontjes beschikbaar, zet
het zoden aan de dijk qua omrijtijden en gaan mensen dan wachten op zo'n
pontje, want dat heeft ook tijd nodig om naar de overkant te gaan? Het
is natuurlijk een heel knuffelbaar onderwerp. Als dit een oplossing is
en er pontjes beschikbaar zijn, dan is dat ook logisch, want die route
ligt er al als vaarweg. Maar nautische veiligheid op vaarwegen is een
belangrijk aandachtspunt. Rijkswaterstaat is daarom enigszins
terughoudend met tijdelijke veerverbindingen voor de drukke vaarroutes.
Voor de situatie bij de Gerrit Krolbrug wordt onderzocht wat er wel
mogelijk is op dat gebied; dat heb ik vorige week ook aangegeven. Als
een pontje mogelijk is met misschien een snelheidsbeperking vanwege dat
nautische aspect, kijken we daar zeker serieus naar.
De heer De Hoop vroeg of er gekeken kan worden naar rijbaanscheidingen
op de N-wegen in Drenthe en Overijssel. Het aanbrengen van fysieke
rijbaanscheidingen is geen kleinschalige of eenvoudige maatregel. Onze
N-wegen kenmerken zich door een smal rijprofiel, waardoor
rijbaanscheiding in de praktijk vaak niet makkelijk inpasbaar is. Dat
vraagt om een grotere reconstructie en wegverbreding, wat vaak vraagt om
een forse financiële inzet. Helaas is er voor meer rijbaanscheiding dan
nu geen geld beschikbaar. We komen zo meteen nog te spreken over een
aankondiging van mevrouw Van der Plas over de N50, maar het is aan een
nieuw kabinet om met aanvullende beschikbare middelen te komen voor de
fysieke rijbaanscheiding voor N-rijkswegen. IenW werkt aan de
ontwikkeling van een strategische agenda voor de verkeersveiligheid van
rijkswegen. Het veiligheidsaspect hebben we dus verder
onderstreept.
De heer Stoffer zei dat we honderden miljoenen euro's kunnen besparen —
nou, dat hoor ik graag — door risicogericht te werken met behulp van
sensoren en data. Hij vroeg of we daarop inzetten. Rijkswaterstaat maar
ook ProRail hechten veel waarde aan innovatie en zetten daar, in het
kader van de instandhouding, stevig op in. Rijkswaterstaat werkt met
kennis en een innovatieprogramma, waarbij het onderhoud met behulp van
digitalisering, AI en zelfs robotisering kan worden geoptimaliseerd en
de productie nog verder kan worden vergroot en versneld. Ter
ondersteuning heeft Rijkswaterstaat een innovatieagenda en een
innovatieloket. ProRail heeft een digitaliseringsvisie opgesteld waarin
datagedreven werken een centrale plaats inneemt, onder andere bij de
uitvoering van onderhoud. In dat kader is bij BKN spoor een langjarig
onderzoek afgesproken om te kijken welke mogelijkheden er zijn voor
verdere besparing op dat gebied. Een ander voorbeeld, voor
Rijkswaterstaat, is het datagedreven assetmanagement, het toepassen van
digital twins en het programma Doelgericht Digitaliseren.
De heer Stoffer: de indexering van de rijksbijdrage aan projecten aan de
hand van de generieke index bruto overheidsinvesteringen. In 2024 is
invulling gegeven aan de motie van het lid Grinwis om de
prijsbijstellingssystematiek voor de fondsen te evalueren. Uit die
evaluatie blijkt dat vooral vanaf 2020 de prijsstijgingen in de grond-,
weg- en waterbouwsector, de GWW-sector, en de IBOI extreem uit elkaar
liepen door de coronacrisis en Oekraïnecrisis. De huidige indexering en
de bouwkostenontwikkeling lopen vanaf 2023 weer parallel aan elkaar. Het
is niet uit te sluiten dat het in de toekomst weer naar elkaar toe
beweegt, zoals in het verleden ook het geval is geweest. Het kabinet
heeft daarom eind 2024 geconcludeerd dat er op dit moment geen wijziging
nodig is in de huidige prijsbijstellingssystematiek.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra: waarom lukt het maar niet met die
maatschappelijke effecten? Nou, die geef ik zo meteen door aan de
staatssecretaris ten aanzien van de Sustainable Development Goals, waar
we het al eerder over hadden, en andere zaken op het gebied van brede
welvaart.
De heer Jansen: Defensie heeft een vast percentage; waarom wordt er niet
ingezet op een vast percentage van de begroting voor infra? We zien dat
de uitgave aan infrastructuur als percentage van het bbp de afgelopen
decennia steeds verder is afgenomen. Ik gaf daar vorige week ook
voorbeelden van. In plaats van 2% bbp zien we nu 1,2%. Dat is een
aanzienlijke wijziging. Weet wel, in de jaren zestig is er sprake
geweest van een impuls. De keuze om budget te koppelen aan het bbp is
aan een volgend kabinet. De staatssecretaris en ik hebben wel heel veel
ruimte aan de organisatie gegeven en ook de formatietafel geïnformeerd
over de stand van zaken ten aanzien van infrastructuur. Ik denk dat dit
in zo'n beetje iedere krant heeft gestaan. Daar circuleren ook de
percentages. Ik kijk ook reikhalzend uit naar wat dat teweeg heeft
gebracht. Maar ik ben het eens met uw zienswijze op dat onderwerp.
De heer Jansen over het verhogen van de KDW, de kritische
depositiewaarde: waarom wordt die stap niet ingezet door het kabinet? Ik
neem aan dat hij doelt op de rekenkundige ondergrens, in plaats van de
KDW. De minister van LVVN heeft uw Kamer in december geïnformeerd over
de stappen die nodig zijn voor een zorgvuldige invoering. We zijn nog op
zoek naar een juridische casus, onder andere. Die inzet is gericht op
besluitvorming over invoering in het eerste kwartaal van dit jaar, maar
ook hier weer de kanttekening dat ik met 1 mol ook maar zover kom. Bij
de projecten die gepauzeerd zijn praten we echt over significant
meer.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra over de reservelijst: kan ik een prioritering
geven in de reservelijst en daarover communiceren? Er is voor gekozen om
de volledige 2,2 miljard euro toe te delen aan voorstellen van gemeenten
om de woningbouw te ondersteunen. Het optreden van risico's tijdens de
uitvoering is niet ondenkbeeldig. Op de uitvoering van projecten is het
plan van aanpak programmabeheersing van toepassing. De staatssecretaris
zal zo meteen ook nog het een en ander hierover gaan zeggen, maar er zal
eerst worden gekeken naar de lopende projecten. Als het aan ons ligt,
houden we de lijst actueel, zodat we een goede start hebben voor wanneer
er, op korte termijn, nieuwe middelen worden toegekend. Dan kunnen we
met een mogelijk nieuwe wegingsfactor, die we aan het onderzoeken zijn,
deze zaken ook weer naar voren brengen. Er waren immers ook projecten
bij uit regio's waaraan al veel geld was toebedeeld. Daar zou je het
"Elke regio telt!"-aspect nader kunnen onderbouwen.
De heer Chris Jansen (PVV):
De heer De Groot: erkent de minister dat een tekort aan
mobiliteitsmiddelen directe gevolgen heeft voor de woningbouwopgave? Hij
vroeg ook wat ik nog kan doen om zo veel mogelijk van dat knelpunt op te
lossen. Ik heb al eerder aangegeven dat er te weinig middelen waren om
geld toe te kennen aan alle goede voorstellen. De staatssecretaris zal
zo meteen ook nog het een en ander zeggen over de weging die wij hebben
gedaan. De ingediende goede voorstellen kan een nieuw kabinet als basis
gebruiken.
De heer De Groot vroeg ook welke concrete maatregelen het kabinet neemt
om de MIRT-projecten sneller van planfase tot uitvoering te brengen, en
waar ik ruimte zie om de procedures te versnellen zonder afbreuk te doen
aan de zorgvuldigheid en het draagvlak. Het MIRT kent projecten op het
gebied van ov, spoor, wegen, vaarwegen, ruimte en transport. Veel van
deze projecten vinden hun doorgang van planfase naar uitvoering. De
meeste vertraging en stilstand zit op wegenprojecten en dat komt door de
stikstofproblematiek, de 25 kilometer, de beperkte uitvoeringscapaciteit
en de financiële tekorten. Om dat proces waar mogelijk te versnellen,
wordt in het MIRT voorrang en prioriteit gegeven aan maakbare projecten
en het afmaken van lopende infrastructuurprojecten in de realisatie. Zo
wordt capaciteit ingezet op de planuitwerking van de A58
Eindhoven-Tilburg en de MIRT-verkenning A27.
De heer Jansen stelde een vraag over mitigerende maatregelen vanwege
gepauzeerde projecten. Die maatregelen, die nodig zijn om de gevolgen
van het pauzeren enigszins te verzachten, zijn in feite allemaal
uitgenut; ze zijn bestemd en ze zijn ingezet. Maar het moet wel zin
hebben. Als we nu zien dat ze geen zin hebben — en dat is maar een
onderdeeltje van een aantal zaken — dan kijk ik daar echt heel kritisch
naar. Op een gegeven moment moet je dan ook zeggen: we stoppen ergens
mee en we zetten het in andere zaken in. Laat dat ook helder zijn. U
heeft ook een bijlage ontvangen, maar het gaat van campagne tot
campagne, en een campagne is slechts een van de mitigerende
maatregelen.
De heer Goudzwaard stelde een goede vraag over ondermijning.
Investeringen in kleine zeehavens zijn alleen toekomstbestendig als
daarin ook ondermijning wordt meegenomen. Het ministerie van JenV staat
hiervoor natuurlijk aan de lat, maar het ministerie van IenW werkt in de
bestrijding van ondermijning in havens natuurlijk goed samen met JenV.
Ik mocht zelf afgelopen vrijdag nog bij de Zeehavenpolitie zijn in
Rotterdam, maar hierbij wordt dus ook rekening gehouden met de kleine
zeehavens. Tevens draagt het ministerie van JenV bij aan de opgave ten
aanzien van ondermijning via het platform kleine zeehavens. Waar nodig
maakt IenW verbinding met de MIRT-projecten.
IenW kan eventueel aansluiten bij het platform waar u het over heeft,
maar ik weet ook niet goed wat daarvoor geschikte zaken zijn. Ik heb
hiervoor binnen het ministerie nu wel alle hens aan dek, maar het klinkt
sympathiek en als het behapbaar is, dan moeten we daar zeker nog eens
goed naar kijken. JenV is hier in de lead, maar IenW, geef ik u hierbij
aan, zou hier wat nauwer bij betrokken kunnen worden, mits het niet te
gek wordt qua bemensing et cetera. Daar ga ik dus eens induiken.
De heer Goudzwaard (JA21):
Dank, minister, voor deze reactie. Als ik dit zo beluister, dan zou ik
het heel erg op prijs stellen als hier een toezegging uit zou rollen en
de minister zou zeggen: ik zoek contact met dat projectteam en ik kijk
wat daarin de mogelijkheden zijn om met elkaar samen te gaan
werken.
Minister Tieman:
Gelet op de weerbaarheidsdiscussie die wij in Nederland hebben, zeg ik
daarop volmondig ja.
De heer Jansen: als de bewindspersonen kijken naar de kaart van
Nederland, welke regio's zijn er dan echt tekortgedaan? Ik heb u naar
aanleiding van vragen vanuit de Kamer — de heer Pierik — twee
overzichten gestuurd: eerst op 20 maart vorig jaar een over de
verhouding tussen Randstad en regio bij de MIRT-investeringen van de
afgelopen vijf jaar tot heden, en op 13 juni 2025 nog een verdieping met
de daadwerkelijk geïnvesteerde bedragen per provincie. Daaruit blijkt
een redelijk evenwichtige spreiding tussen Randstad en regio. Dit
weerspiegelt de aandacht van IenW voor de verschillende delen van het
land niet, omdat het exclusief instandhouding is, projecten vaak in
verschillende provincies liggen en er niet gecorrigeerd is voor het
prijspeil.
De heer Chris Jansen (PVV):
Dank voor de beantwoording.
De voorzitter:
Eén moment, hoor. Minister, zou u de microfoon uit willen doen?
Minister Tieman:
Sorry.
De voorzitter:
Dan kunnen mensen thuis ook de heer Jansen volgen. Gaat uw gang, meneer
Jansen.
De heer Chris Jansen (PVV):
Dank voor de beantwoording. Kunt u misschien iets specifieker zijn over
"redelijk"?
Minister Tieman:
Dan moet ik de rapporten van vorig jaar … Ik heb die rapporten niet
helemaal scherp op mijn netvlies, gelet op de data. Dan moet ik daarin
nog eens even goed bestuderen wat dan redelijk is, kijkende naar Elke
regio telt!, maar ook kijkende naar de WoMo-discussie, waar de
staatssecretaris zo meteen nog wat over gaat vertellen. We zouden dus
nog een keer even een deep dive in die rapporten moeten doen, of een
afdronk daarvan, om te weten wat daar dan de uitkomsten van zijn. Die
heb ik even niet zo paraat, maar anders kom ik daar nog op terug in de
tweede termijn.
Voorzitter. De heer Jansen vroeg: waarom wordt er beknibbeld op
verkeersveiligheid? Er zijn scherpe keuzes nodig, zoals u weet, maar
verkeersveiligheid is echt een prioriteit van IenW. Tegelijkertijd staat
het Mobiliteitsfonds zwaar onder druk, waardoor scherpe keuzes ook nodig
zijn. We verbeteren de verkeersveiligheid met de huidige middelen die
hiervoor beschikbaar zijn, bijvoorbeeld via de diverse MIRT-projecten.
Daarnaast wordt onder andere ingezet op het verbeteren van
verkeersveiligheid via de Investeringsimpuls Verkeersveiligheid. Dat was
een bedrag van 500 miljoen euro. Daarvan gaan we nu wel het laatste jaar
in. We doen nu gewoon een bezemronde, als ik het zo mag noemen, met een
cofinancieringsinstrumentarium. Dat is zeer succesvol. Hierbij is er ook
echt een geografische afspiegeling, omdat de gemeenten de weg naar dit
geld ook weten te vinden. Maar denk ook aan de aanpak rijks-N-wegen en
bijvoorbeeld aan het programma Meer Veilig. Het is aan een nieuw kabinet
om nieuwe middelen voor na dat jaar, bijvoorbeeld voor de impuls, veilig
te stellen en te borgen.
De heer Van Asten vroeg: welke eisen stelt het ministerie aan het
beperken van privéautogebruik in een bepaald gebied, door te sturen op
een lage parkeernorm? Het ministerie stelt geen eisen aan het
privéautobezit in nieuwe woonwijken. Gemeenten bepalen zelf hun eigen
parkeerbeleid. Ik kan me nog een project herinneren, Amsterdam Bay Area,
waarover een discussie was; dat is in de buurt van Almere en Amsterdam.
Dat moet dan passen bij de lokale context, want ja, de Randstad is zeker
geen Twente; dat moet je iedere keer goed in ogenschouw nemen.
De heer De Hoop zei: multimodaliteit staat onder druk. Dat klopt, meneer
De Hoop: binnenvaart min 10%, spoor plus 0,2% en wegtransport plus 10%,
wanneer we het vergelijken met 2014. Ik ga dus helemaal mee met uw
betoog. Maar we hebben dan ook echt 9 miljoen euro beschikbaar gesteld
voor de multimodaliteit, juist om te kijken of wij het spoor en de
binnenvaart echt nog verder kunnen ondersteunen. "Modal optimum" is
misschien het betere woord in relatie tot een modal shift. Als u het
echter heeft over andere multimodaliteit, denk dan bijvoorbeeld aan het
meenemen van de fiets; daarvoor hebben we allerlei soorten projecten die
dan ook de weg weten te vinden naar de verschillende modaliteiten.
De voorzitter:
U heeft een interruptie van de heer Van Asten, vermoedelijk nog op het
vorige punt.
De heer Van Asten (D66):
Ja, dat gaat nog over het vorige punt. Als Rijk geven we natuurlijk een
hoop subsidie voor de ontsluiting van nieuwe, grootschalige
woongebieden. Nu zegt de minister: wij stellen daarbij dus eigenlijk
geen eisen aan wat voor mobiliteitsbeleid een gemeente daarbij voert.
Maar stel u voor dat er een woonwijk wordt gebouwd, waarbij een gemeente
zegt: bij ons vinden we het belangrijk dat er twee, drie auto's voor de
deur moeten komen. Dat betekent dan dat er een forse autotoename is in
een gebied. Op het moment dat dat dan op het lijstje komt ter
beoordeling van subsidies voor ontsluiting, en het gaat erdoorheen, dan
betalen wij daar dus eigenlijk meer aan. Is het dan ook niet de taak van
het Rijk om er juist wat meer op te sturen om efficiënt met
ontsluitingsmiddelen om te gaan?
Minister Tieman:
De milieueffectrapportage, althans de commissie daarvan, toetst daar wel
op. Dat gaat dan wel terug naar de gemeente, dus als Rijk hebben we dan
geen rol. Dat is een vraag die u hier stelt. Op dit moment heb ik even
geen voorbeelden paraat van schrijnende gevallen, waarbij een
gemeenteraad echt een hele andere kant op gaat, ook kijkend naar de
adviezen die een gemeente zelf inwint. Maar we zouden hierin nog een
keer de diepte kunnen opzoeken met elkaar als het Rijk hierin een
grotere rol zou moeten hebben of als er schrijnende gevallen zijn,
waarin een gemeenteraad bijvoorbeeld een advies van een MER naast zich
neerlegt. De staatssecretaris zal hier zo meteen ook nog wat over
zeggen, ook kijkende naar het ov-aspect.
De heer De Hoop vroeg: kan de minister nadrukkelijk kijken naar
alternatieven zoals andere vormen van modaliteiten, verkeersspreiding en
het dichter bij elkaar brengen van wonen en werken? Ik kom zo meteen nog
op de Papendrechtse Brug en op het project dat we via de
verkeersonderneming hebben in de MRDH, maar aanvullend op mijn vorige
antwoord geef ik mee dat het kabinet op lange termijn inzet op het
organiseren van nabijheid. Dat is bijvoorbeeld een belangrijk
uitgangspunt van de ontwerp-Nota Ruimte.
Dan de heer Jansen. De ambitie is om elk jaar een gepauzeerd project op
te starten. Hij heeft daar ook een tijdsduur aan gekoppeld. De ambitie
is inderdaad nog steeds één jaar. Ook wordt gekeken of projecten geknipt
kunnen worden uitgevoerd. U heeft in juni van het afgelopen jaar een
aanpak ontvangen voor de herstart van dit soort gepauzeerde projecten.
Voor de herstart moet wel budget, uitvoeringscapaciteit en
stikstofruimte beschikbaar zijn. Dan ga ik toch even terug naar
Hoevelaken. Daar ging het om 1,6 miljard, 6 jaar en 29 mol. Dat is in
een notendop de reden waarom ik wel stappen wil zetten — dat doe ik met
de provincie Utrecht; we hebben dat in het BO MIRT ook besproken met
elkaar — om te kijken of we aan die 29 mol toch echt wat kunnen doen. Ik
heb die afspraak namelijk. Ik heb ook moties van uw Kamer gehoord,
alleen kan ik ook niet tot het onmogelijke worden gebracht op het soort
getallen als die 29 mol. Daar hoort dus een goede verkenning bij, om te
zien wat we daar dan wel kunnen doen. Ik wil zeker niet stil gaan
zitten. Ik heb met de heer Van Schie hierover ook de afspraak dat we
elkaar, met de kennis binnen het ministerie en binnen de provincie
Utrecht, wel vasthouden om stappen te gaan zetten om dit verder onder
controle te krijgen of in ieder geval een wenkend perspectief te bieden,
zodat ik wél invulling kan geven aan uw moties.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
29 mol zit in stikstoftermen inderdaad behoorlijk boven die 1 mol. Ik
ben wel benieuwd welke van de gepauzeerde projecten potentieel onder de
1 molgrens zou kunnen worden uitgevoerd. Ten tweede het volgende. De
mensen die nu langs de A1 wonen en heel veel geluidsoverlast ervaren,
bijvoorbeeld in Amersfoort, klagen er terecht over dat de geluidswerende
maatregelen die daar zijn getroffen, zoals geluidsschermen, gewoon niet
voldoende soelaas bieden. Is de minister bereid om zolang dat knooppunt
niet is opgelost alvast wel aan de slag te gaan met betere
geluidswerende maatregelen? De mensen daar worden namelijk hoorndol van
de herrie.
Minister Tieman:
Op de geluidsschermen kom ik zo meteen nog terug, want die vragen zitten
in een ander mapje. Ik pakte dat alleen alvast voor een ander onderwerp.
En uw andere vraag? O ja, de 1 mol. Ik kom in tweede termijn terug op de
vraag over de gepauzeerde projecten, maar ik antwoord daarop nu alvast
even informeel: geen enkel project. Maar dat moet ik dus nog even
bevestigd zien. We praten echt over gepauzeerde projecten die niet op 1
mol zijn gepauzeerd, maar dat ga ik zo meteen nog even voor u
bevestigen, meneer Grinwis.
Dan de heer De Groot. Welke projecten beschouwt het kabinet als cruciaal
voor de nationale weerbaarheid en de militaire inzet, en hoe krijgen we
dat als prioriteit? Er werd mij zonet ook het een en ander meegegeven
als reflectie, bijvoorbeeld: u bent toch iemand van buiten. Ik zal niet
te ver uitweiden, voorzitter, want ik heb u ook gehoord ten aanzien van
de klok, maar toch even. Dit boek is the boulevard of broken promises,
om een Engelse term te gebruiken. Dit moet een maakbaarheidsagenda gaan
worden. Dit moet een uitvoeringsagenda gaan worden. Dat is niet aan mij,
maar aan onze opvolgers. Het is aan onze opvolgers om met Defensie, dat
we er graag bij hebben in zo'n MIRT-systematiek — ze ontbreken op dit
moment — wel een enorme slag te gaan maken. Maar als ik u net, in dat
uurtje, zo beluister, zou dit boek morgen de shredder in kunnen gaan en
zouden we binnen drie notaoverleggen weer een dubbeldik boek terug
hebben. Ik heb uw bedragen; uw wensenlijst zou ik eigenlijk even moeten
kwantificeren in geld. Laten we daar met elkaar ook goed naar kijken. Ik
snap dat de gemeenteraadsverkiezingen eraan komen, maar het moet
haalbaar zijn, ook financieel. Ik heb hier wel ideeën over. Die ideeën
geven wij ook mee. Wij geven mee hoe we die MIRT-systematiek — hier
hebben we met de regio ook over gesproken — op een andere manier zouden
kunnen toepassen, maar ik wil de mensen die met elkaar aan zo'n boek
gewerkt hebben ook niet tekortdoen. De realiteitszin moet daar echt in
terugkomen. Projecten moeten over de finishlijn getrokken worden. Tot
zover even mijn cri de coeur op dat gebied.
De heer De Groot vroeg welke projecten het kabinet als cruciaal
beschouwt. Onze hoofdinfrastructuur is cruciaal voor de nationale
weerbaarheid en voor het kunnen verlenen van de Host Nation Support. Dat
geldt zowel voor onze spoorwegen, de hoofdwegen en de vaarwegen als voor
drie militaire corridors: Rotterdam, Vlissingen en de Eemshaven, de
TEN-T-corridors. IenW werkt intensief met Defensie samen om in kaart te
brengen wat nodig is met het oog op die weerbaarheid en het geschikt
maken van de infrastructuur voor grootschalige militaire transporten. We
krijgen een steeds scherper beeld van wat we precies op die
transportassen nodig hebben op het gebied van het spoor en de wegen;
daarbij horen viaducten et cetera. Een met Defensie afgestemde
prioriteitenlijst is op dit moment nog niet aanwezig. Weet wel dat wij
daar heel hard aan werken. Meer hierover volgt binnenkort. Daarnaast
zijn er voor de uitvoering van opgaven op het terrein van weerbaarheid
helaas onvoldoende financiële middelen, maar we zijn natuurlijk continu
bezig met die koppeling met die 1,5%. De staatssecretaris zal daar zo
meteen ook nog wat over vertellen.
In het geactualiseerde overzicht met financiële opgaven, dat uw Kamer
vrijdag heeft ontvangen, is specifiek het startpakket ten behoeve van de
vergroting van militaire mobiliteit en weerbaarheid betreffende het
spoor genoemd. Hiervoor is 600 miljoen euro nodig. Op het totale tekort
van 34,5 miljard euro voor instandhouding van de netwerken van
Rijkswaterstaat is er specifiek een tekort van circa 1 miljard euro bij
vernieuwingsprojecten die gelegen zijn op de militaire corridors. Dat
geeft ons al een beeld. We zijn die plaat met u steeds scherper aan het
maken. Daarbij heeft ook Europa een rol met de middelen die daar
aanwezig zijn.
De heer Jansen vroeg: "Ik hoor dat de capaciteit niet meer de grootste
bottleneck is. Klopt dat en hoe zit het met stikstof?" In de praktijk is
de bottleneck een combinatie van stikstofproblematiek, de financiële
plaat en de uitvoeringscapaciteit. Nu de aanlegprojecten gepauzeerd
zijn, is er capaciteit naar de instandhouding geschoven. In het
Meerjarenplan Instandhouding is uiteengezet hoe Rijkswaterstaat de
productie van instandhouding verder verhoogt. Die is inmiddels echt op
stoom. Denkt u aan de treintjes en allerlei meekoppelingen. Daarmee kan
Rijkswaterstaat meer werk uitvoeren voor de instandhouding en is niet
meer maakbaarheid, maar het gebrek aan financiële middelen, de eerste
beperkende factor. Voor aanleg zullen de stikstofproblematiek, de
schaarse financiële middelen en de beperkte maakcapaciteit de komende
periode nog wel beperkende factoren blijven.
Voorzitter. Ik heb er nog twee voor het blokje algemeen. De heer Stoffer
vroeg: hoe kijkt de minister aan tegen het nog een jaar lang niet innen
van de boetes? Even kijken, ik had een paar cijfers ten aanzien van de
boetes die te maken hebben met de Blankenburgverbinding. Zo meteen kom
ik daar nog even op terug, dus die sla ik nog heel eventjes over. Die
behandel ik dan bij het mapje Zuidwest. De Blankenburgverbinding bevindt
zich in het zuidwesten.
De heer Jansen zei: "De benzineprijs gaat door het dak. Dat heeft een
effect op de kosten voor automobilisten. Je staat in de file. Hoe ziet
de BBB dit voor zich en wat is de reflectie op betalen naar gebruik?"
Het kabinet heeft oog voor de brandstofkosten. Ik heb daar vorige week
het een en ander over gezegd. Een paar weken voor de
begrotingsbehandeling of de behandeling van de Miljoenennota zaten we op
die 1,6 miljard; de heer Grinwis heeft daar ook een motie over
ingediend. Wij hebben dat vanuit IenW wel verder aanhangig gemaakt bij
Financiën; daar is ook op geacteerd.
Maar er komen nog een aantal andere zaken. De heer Goudzwaard heeft
gevraagd wat het ETS betekent. De tijdelijke accijnskorting is
grotendeels teruggetrokken.
Daarnaast kijkt het kabinet ook naar de autobelastingen op de langere
termijn. In juni jongstleden heeft de staatssecretaris van Financiën de
contourenbrief hervorming autobelastingen aan de Tweede Kamer gestuurd.
In deze brief schetst het kabinet verschillende opgaven die raken aan de
autobelastingen, zoals de bereikbaarheid en de betaalbaarheid van
automobiliteit.
De heer Chris Jansen (PVV):
Het probleem is het volgende; daarom kaart ik het ook aan. Op dit moment
is het verschil met Duitsland €0,30 en met België €0,50. Het is nu dus
zelfs interessant voor iemand uit mijn woonplaats Almere om vrolijk te
gaan winkelen in een van die landen en vervolgens ook te gaan tanken.
Hoe gaan we dit dan rechttrekken? Het is toch niet realistisch ten
opzichte van de autogebruiker dat deze verschillen zo groot zijn?
Minister Tieman:
Ik heb ook gebruikgemaakt van de oproep van de heer Madlener in het
verleden. Hij had geschetst wat dat verschil betekent, en dat wordt
mogelijk nog groter. Er moet dus wel het een en ander aangepast worden,
zou je zeggen. Wij hebben hier een stap gezet om het verschil kleiner te
maken; dat was in ieder geval de stap die gezet is. Als dat verschil in
de toekomst groter wordt, krijg je allemaal randverschijnselen erbij,
met mensen die vanuit Almere daar gaan inkopen; ik hoor dat dat zelfs
vanuit Katwijk aan Zee gebeurt. Daar heb je echt een knop te bedienen.
Ik weet niet of daar een Europese oplossing voor in het vooruitzicht
ligt, maar ik refereer toch even aan de autobrief en aan de plannen
waarover een volgend kabinet wellicht afspraken gaat maken.
De voorzitter:
Dank u wel. Vervolgt u uw beantwoording. Tot zover? Dan geef ik het
woord aan de staatssecretaris.
Staatssecretaris Aartsen:
Dank, voorzitter. Dank aan de Kamerleden voor hun reacties. Het is mooi
om hier vandaag het laatste debat van de hele MIRT-cyclus te hebben. Ik
zal zo op de inhoud ingaan. Zoals de minister terecht zegt, hebben we
die hele cyclus met z'n tweeën doorgelopen en besloten om een aantal
dingen in gang te zetten. Ik denk dat de minister terecht heeft
gesproken over de "boulevard of broken promises". We gaan het zo over de
financiële situatie hebben; dan zal dat nog duidelijker blijken. Als je
per project gaat kijken hoe groot de gaten zijn, dan kun je je het
volgende afvragen. Ik zal zo iets over Deventer gaan zeggen. We zullen
tussen de 180 miljoen en 280 miljoen nodig hebben en er zit nu 30
miljoen in. De vraag op basis van de huidige stand van zaken is of het
nog realistisch is om daar iedere keer over te praten of dat je moet
besluiten om er meer geld in te stoppen of om het af te voeren. Dit is
een willekeurig voorbeeld, maar het zal op andere plekken nog veel vaker
terugkomen.
We hebben wel gezegd dat je zult moeten kijken of je een strategische
hervorming van het MIRT kan inzetten. Er zitten een aantal voordelen in
de huidige systematiek, maar vooral ontbreekt er een duidelijke
nationale visie, een nationale prioritering. Dan heb ik het over
onderwerpen zoals de woningbouw, militaire mobiliteit en het economisch
verdienvermogen van Nederland. Die ontbreken fundamenteel in de
systematiek die we hier hebben. Ik denk dat het heel belangrijk is om te
kijken welke grote investeringen we moeten doen in ons land. Dat hebben
we nu in gang gezet en ik hoop dat onze opvolgers dat verder kunnen
oppakken. De MIRT-systematiek is misschien niet de meest geëigende
systematiek om die vraag te beantwoorden. De MIRT-systematiek is, denk
ik, geschikt om onze rijksverantwoordelijkheid te nemen in projecten die
op lokaal of regionaal niveau spelen, en dat werkt heel erg goed. Maar
neem de vraag welke investeringen we moeten doen om die 100.000 woningen
in Nederland te kunnen bouwen: dat doen we nu met aparte WoMo-gelden;
dat zit niet fundamenteel in de MIRT-systematiek. Welke investeringen
moeten we doen om ons land veilig en weerbaar te houden? Dat zit niet
fundamenteel in de MIRT-systematiek. Ja, we spreken daarover met
Defensie. We hebben daar inmiddels heel goed contact over met Defensie,
maar ook zij zullen geen geld uittrekken voor infrastructuurprojecten.
Dat zal echt binnen het Mobiliteitsfonds zelf gevonden moeten worden.
Volgens onderzoek dat we hebben laten doen, is er 600 miljoen nodig als
een startpakket. Uiteindelijk is dat zo meteen ook een keuze. Doe je dat
wel, dan heb je het voordeel dat je een weerbaar en veilig spoor hebt.
Doe je dat niet, dan heb je op een gegeven ogenblik die risico's te
dragen. Wij hopen de Kamer eind van dit jaar te informeren over de
hervorming van die systematiek.
Voorzitter. Dan ga ik naar het financiële plaatje. Ik heb zelf jarenlang
aan de andere kant mogen zitten als Kamerlid. Ik weet dat het niet heel
slim is om dan als bewindspersoon, en al helemaal niet als
dubbeldemissionair bewindspersoon leunend op 26 zetels, de Kamer te veel
tegen de haren in te strijken, maar ik ga vandaag toch een poging wagen,
juist vanwege het belang van onze infrastructuur.
Ik hoor heel veel leden hun zorgen uitspreken over de financiële
situatie om vervolgens wel een rondje Nederland te doen met alle wensen
die daarbij horen. Dat snap ik vanuit het belang van al die projecten.
Het is ook verschrikkelijk moeilijk om die keuzes te maken. Maar als je
het allemaal optelt … Ik hoor een aantal compleet nieuwe lijnen,
stations, aquaducten, fietsbruggen, verbindingen en aftakkingen. Alles
bij elkaar opgeteld gaat er nu in een paar uur bijna boven de 70 miljard
over tafel, nog los van de zaken die eigenlijk de verantwoordelijkheid
zijn van de gemeenten en regio en de zaken rondom militaire mobiliteit.
De financiële situatie is echt heel zorgelijk. Ik denk dat het echt
belangrijk is om te onderstrepen: het geld is op. We moeten inmiddels
hele pijnlijke maatregelen nemen.
Voorzitter. Een van die pijnlijke maatregelen — laat ik daar maar gelijk
mee beginnen — betreft de situatie in Haarlem. Ik ben het eens met
iedereen die zegt dat het hartstikke dom is om dat niet te doen, maar er
is geen andere keuze. Stel dat thuis je spaarpot op is. De aannemer komt
langs om het lekkende dak te repareren. Die zegt dan dat alleen al het
repareren van het lekkende dak meer geld gaat kosten dan je eigen
spaarpot en dat je net zo goed nieuwe kozijnen en een nieuwe vloer kunt
nemen. Dat is dan allemaal waar, maar de spaarpot is op. Dat geldt ook
hierbij. We kunnen geen geld uitgeven dat er niet is. We kunnen
simpelweg geen nieuwe verplichtingen aangaan als er nog grote tekorten
zijn in de bestaande projecten.
Ik zou mijn leven een stuk makkelijker maken als ik dit gewoon zou
toezeggen, maar ik weet dat ik het geld ergens anders moet weghalen als
ik dat doe. Dat kun je direct doen en zeggen: dat geld reserveren we uit
een project. Een van de eerste dingen waarnaar je moet kijken, is welke
projecten relatief vrij te besteden zijn. Dan kom je bij de aanvullende
post Lelylijn. Daar kun je geld weghalen. Je kunt het weghalen uit de
Noord-Zuidlijn of de Zuidasdok. De tekorten bij die projecten zijn zo
groot dat de maakbaarheid op een gegeven moment im Frage komt. Je kunt
het weghalen bij het aquaduct bij het Van Harinxmakanaal, waar mevrouw
Boelsma naar vroeg. Voor de realisatie daarvan staat nog 75 miljoen. De
vraag is ook maar wanneer je dat gaat doen. Ik noemde net al Deventer.
Daarvoor is op dit moment nog 30 miljoen beschikbaar. Het gat richting
de uitvoering is vrij groot. Ik weet dat ik met al deze projecten
reacties uitlok, maar dat is wel de situatie. Het geld moet, linksom of
rechtsom, ergens vandaan komen. Je kunt zeggen dat we het geld uit een
volgende jaarschijf halen, maar dat is het fundament van het
Mobiliteitsfonds. Het hele Mobiliteitsfonds is een kasschuif. Al het
geld dat er aan de achterkant bij komt, wordt per direct naar voren
gehaald om in de lopende gaten te stoppen. Dat is de systematiek zoals
we die nu kennen.
Haarlem staat niet op zichzelf. We hebben ook in Breda, Sittard en
Maastricht casussen waarin we in een identieke situatie terecht zullen
komen. Hoe graag ik het ook zou willen, dit vraagt om moedige of
pijnlijke keuzes. De beste manier om het te doen is, denk ik, door te
zeggen: we doen geen nieuwe projecten en gaan geen nieuwe verplichtingen
meer aan. Haarlem, maar ook de situatie in Eindhoven, waar eerder aan
gerefereerd werd, is een nieuwe verplichting. Dat is onverstandig als je
geen geld hebt voor je oude verplichtingen.
Volgens mij heb ik een aantal reacties uitgelokt, voorzitter.
De voorzitter:
Ook met het risico dat we het debat van vorige week overdoen, over
hoeveel geld er tekort is en wat er allemaal wel en niet kan. Ik snap
dat het nodig is om even aan te geven hoe de vork in de steel zit, om
het maar even zo te zeggen. Maar laten we dit debat niet opnieuw voeren;
dat hebben we vorige week al gedaan. Ik geef nu de ruimte voor
specifieke vragen.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Mijn wedervraag aan de staatssecretaris is dan waarom hij in de brief
die hij over Haarlem heeft geschreven geen leiderschap heeft getoond.
Hij weet namelijk dat het uit de lengte of de breedte moet komen en dat
het inderdaad te makkelijk is om naar een nieuwe jaarschijf te wijzen.
Dit gaat wel om een besparing van 50 miljoen. Dit speelt zich af — nu
maak ik mij natuurlijk impopulair in een deel van de regio — in dezelfde
metropoolregio waar ook het Zuidasdok en de Noord-Zuidlijn spelen. Ik
vind dat beide projecten gerealiseerd moeten worden. Maar de tekorten
zijn op dit moment enorm. De staatssecretaris weet dat de maakbaarheid
van die projecten op dit moment echt buiten proporties onder druk staat
vanwege de grote tekorten. Waarom heeft de staatssecretaris er niet voor
gekozen om de benodigde middelen uit die reserveringen te halen om
Haarlem, dat nu binnen een maand moet worden aanbesteed, zodanig te
realiseren dat die 50 miljoen wordt bespaard?
Staatssecretaris Aartsen:
Er zijn twee argumenten als het gaat om de vraag waarom we dat niet op
die manier hebben gedaan. Het eerste is de demissionaire status van dit
kabinet. Als je zo'n groot, majeur project als de Zuidasdok of de
Noord/Zuidlijn zou schrappen — dit geldt overigens ook als je het geld
ervoor zou weghalen, want daarmee zou je het de facto schrappen, ook al
blijft het dan als papieren werkelijkheid overeind — dan breng je de
opvolgers ook weer in gevaar, die voor 2026 al verschrikkelijk moeilijke
beslissingen moeten nemen; de minister gaat daar zo iets meer over
zeggen. Voor 2026 zal het besluit moeten worden genomen om wel of niet
met zo'n project door te gaan, ook omdat het om een lopend project gaat
waarbij de financiële tekorten zeer, zeer groot zijn. Dat is één.
Dan een tweede argument. Wij hebben ervoor gekozen om de lijn te kiezen
om geen nieuwe projecten aan te gaan. Je wil dit dus doen voor de
bestaande projecten, die al in de systematiek zitten. Haarlem is een
nieuwe productstap die je mogelijk wil maken. Dat past op dit moment
gewoon niet. De verplichting daarvoor is in woord aangegaan, maar niet
qua financiën. Dat project past niet bij de situatie zoals die op dit
moment is.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Ik constateer dus dat we onze teleurstelling hier zelf organiseren met
z'n allen, zoals ik in de inleiding al zei. Ik schrik er wel van dat de
staatssecretaris daarbij voorzetten vanuit de regio hier op tafel legt.
Wij hebben heel duidelijk aangegeven dat we hier graag stappen op willen
zien. Ik realiseer me dat die niet haalbaar zijn op dit moment. Ik denk
dat de beantwoording van de minister in die zin heel goed was dat hij
aangaf dat de criteria wat betreft die woningbouwontsluiting bekeken
worden, maar dit vind ik wel een teleurstelling.
Staatssecretaris Aartsen:
Nu gaan er twee dingen door elkaar lopen. Ik zal zo iets zeggen over de
woningbouwmiddelen; dat zijn incidentele middelen die los van het
Mobiliteitsfonds zijn uitgetrokken om de woningbouw los te trekken. De
voorbeelden die ik net noemde, zijn projecten waarin we op de een of
andere manier onze eigen teleurstelling organiseren; ik denk dat mevrouw
Boelsma daar gelijk in heeft. De minister zei dat ook terecht. We zetten
iets in een boek. Daar zetten we vervolgens een klein beetje geld in,
zodat er iets in dat boek staat; het voorbeeld waar mevrouw Boelsma aan
refereert, die 75 miljoen voor het aquaduct, is overigens uiteindelijk
door de Kamer zelf gereserveerd. Maar goed, we zetten dat geld daar
neer, terwijl we weten dat de sprong die je daarna moet maken om het
totaal rond te krijgen, nog enorm groot is. Dat geldt voor heel veel
projecten. Ik heb er nu een aantal genoemd, maar als je doorbladert, zul
je dit op heel veel plekken zien. Ik heb het over de teleurstellingen
die in zo'n boek zitten.
Ik denk dat we terecht met elkaar concluderen dat we daarvan af zouden
willen. De minister en ik vonden het te rigoureus om dat nu, dit
halfjaar, te doen. We gaan wel een proces in gang zetten om te bekijken
hoe je die teleurstelling op een andere manier vorm kunt geven, zodat je
wat meer naar een "maakbaarheidsboek" in plaats van een
"teleurstellingenboek" gaat. Maar goed, dit is de financiële situatie
zoals die op dit moment is. Hier moeten we het mee doen. Je probeert
daarbinnen dan een goede lijn te zoeken. Onze lijn is dus steeds: voeg
geen nieuwe projecten toe en focus, waar mogelijk, alleen nog maar op
bestaande projecten. Veel van de antwoorden zullen er zo op neerkomen
dat het zicht op volledige financiering nog ver weg is.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Ik snap een deel van de inbreng van de staatssecretaris, maar ik zou
toch op één punt wel in willen gaan. De staatssecretaris heeft het
namelijk telkens over "nieuwe projecten". Maar kijk naar Haarlem. Dat is
een project waarover afspraken zijn gemaakt in de hoofdrailnetconcessie
die de voorganger van deze staatssecretaris gemaakt heeft. Die afspraken
gingen bijvoorbeeld over de frequentie. Wij hebben namelijk gewoon
verplichtingen waaraan we moeten voldoen. Als de staatssecretaris dan
zegt dat hij dit ziet als een nieuw project, dan vind ik dat enigszins
bezwaarlijk. Dit zijn namelijk afspraken die vanuit IenW zijn gemaakt.
Maakt de staatssecretaris daar nog een andere afweging in, gelet op de
hoofrailnetconcessie, waarin met NS en voor de reizigers afspraken zijn
gemaakt over frequentie en dat soort zaken? We moeten daar namelijk
gewoon aan voldoen.
Staatssecretaris Aartsen:
Het ingewikkelde hieraan is dat die afspraak inderdaad is gemaakt in
woord, maar dat de benodigde middelen daar niet bij zijn geleverd. Dat
wreekt zich op dit moment. Het is belangrijk dat dit op een gegeven
moment plaats gaat vinden, maar feit is dat het geld er nu niet is. Je
moet dus naar de brede situatie kijken en dit afwegen tegen andere
afspraken die je ook gemaakt hebt en waarvoor er te weinig geld is
geleverd. Dat is de balans die je continu moet zoeken. Op dit moment
zien wij Haarlem als een "nieuwe productstap"; zo noemen wij dat. Voor
die lijn hebben wij nu gekozen. Ik denk dat het aan een nieuw kabinet is
om, al dan niet met meer of minder middelen, weer een nieuw
afwegingskader te maken. Er zijn dan meerdere varianten. Je kunt de lijn
kiezen die wij hebben gekozen: geen nieuwe projecten, geen nieuwe
stappen. Je kunt gaan schrappen. Je kunt grote projecten gaan schrappen
ten faveure van kleine projecten. Het is echter een feit dat er gewoon
te weinig geld is voor alle projecten die op dit moment in de boeken
staan. Dat is dus iets waar we op dit moment zoekende in zijn; dat is
verschrikkelijk ingewikkeld. Ik bedoel: het liefst zou ik hier hebben
gezegd: ja, dit gaan we doen. Maar dit is helaas wel de situatie waar we
in zitten. Ik vind het dan ook onverantwoord om hier zoete broodjes te
gaan bakken.
De voorzitter:
Dank u wel. U vervolgt.
Staatssecretaris Aartsen:
Er zijn een aantal vragen gesteld. Deels hoop ik u in de beantwoording
daarvan beter tegemoet te komen dan bij het vorige punt. Over de
woningbouwmiddelen en de zeer beperkte gelden voor het noorden van
Nederland: ik probeerde net in mijn bijdrage al wat te schetsen over
witte vlekken en zeer lichte grijze vlekken; zo noem ik ze maar even.
Laat ik hier echter, ook namens de minister, onomwonden zeggen dat ik
denk dat de meeste mensen die dit hebben opgebracht, gewoon gelijk
hebben: achteraf gezien hadden we scherper moeten zijn op de verdeling
die er op dit moment ten opzichte van het Noorden heeft plaatsgevonden.
Die getallen spreken voor zich. De heer Grinwis en de heer De Hoop
hadden uitgerekend dat het, geloof ik, 0,6% van het totale budget is.
Achteraf gezien, als je nu naar het hele plaatje naar kijkt, is dat niet
gewenst; ik denk dat we daar eerlijk over moeten zijn. Ik denk dat het
wel goed is om te schetsen dat er niet bewust op deze uitkomst is
gestuurd, maar dat het ook in dit geval echt een dilemma is
geweest.
Er is ongeveer een bedrag van 2,5 miljard beschikbaar geweest, waarin
ook hele grote brokken hebben gezeten. Kijk naar de verdeling tussen de
regio en het Rijk; het overgrote deel van het budget is natuurlijk gaan
zitten in de Merwedelijn. Dat was een nadrukkelijke wens van de Kamer,
vorige week ook verwoord in een amendement op de begroting: bijna 600
miljoen euro van die 2,5 miljard is voor de Merwedelijn. Dat is een hele
grote hap. Hetzelfde geldt voor de Oude Lijn, ook een belangrijk project
in de Randstad, waar 200 miljoen euro in is gaan zitten. Achteraf gezien
hadden we, denk ik, dus scherper moeten zijn op de situatie in het
Noorden. Ik zeg wel: dat los je niet op door een willekeurig projectje
van 17 miljoen euro of zo in de Randstad niet te doen. Je had dan een
andere keuze moeten maken.
Dit zijn dus twee voorbeelden die dan op het lijstje "afvallen" waren
gekomen, dus de Oude Lijn of de Merwedelijn. Dat zijn namelijk enorme
happen van dat budget. Als je die verdeling dus een beetje evenredig
wilt doen … De minister zei het ook al: we proberen echt te kijken naar
de projecten die al klaarliggen. We hebben daarin ook heel erg samen met
de regio gewerkt om te helpen. Complimenten voor alle ambtenaren die
daarbij hebben meegeholpen om te zorgen voor de kwaliteit van die
projecten. Ik zeg daar ook het volgende bij. Het aanleggen van nieuwe
wegen voor het ontsluiten van woningbouwprojecten is in beginsel een
lokale of een regionale verplichting. Daar ligt de verantwoordelijkheid.
De WoMo-gelden, die 7,5 miljard en die 2,5 miljard, zijn vanuit het Rijk
extra verschaft om het voor elkaar te krijgen. We hopen natuurlijk
allemaal met elkaar, denk ik, dat er meer van dit soort initiatieven
zullen komen zodat je dit soort woningbouw door kan zetten.
Eén van de vragen was namelijk: erkent het kabinet dat er
infrastructuurgelden voor woningbouw nodig zijn? Ja, absoluut. Ik denk
dat, juist als je woningen wil realiseren, je moet inzetten op
infrastructuurprojecten. Die liggen dus op de plank en daar kunnen we,
denk ik, ook mee verder.
Dan specifieke vragen over de afgevallen projecten. Die projecten kunnen
wij helaas niet delen. Dat is om twee redenen. Eén: een aantal gemeenten
hebben zelf aangegeven dat ze het niet fijn vinden als die lijst met
projecten wordt gedeeld. Ik vind dat wij dat hebben te respecteren. Bij
een aantal projecten is er ook sprake van vertrouwelijke informatie,
bijvoorbeeld over bedrijven die moeten worden uitgekocht of over
gebieden die moeten worden heringericht. Het zou onverstandig zijn om
die lijst te delen. Helaas kan ik om die redenen die lijst dus ook niet
met uw Kamer delen.
De heer Van Asten (D66):
Dat laatste, dat het soms gevoelig kan liggen bij gemeentes: daar kan ik
in komen. Maar over de afdronk "er gaat te weinig geld naar het Noorden"
… We hoorden, uit mijn hoofd, dat er acht projecten zijn die überhaupt
niet kwalificeerden en zes wel, waarvan er dan een aantal nog wel door
zijn gekomen. Zoveel zijn het er dus eigenlijk niet. Dan is het dus niet
zo gek dat er uiteindelijk maar weinig budget voor de regio's opgaat.
Wat is nou eigenlijk de afdronk? Ik vraag dat ook over die acht
projecten. Waarom zijn die nou eigenlijk niet doorgegaan? Is er een
grote gemene deler waarom projecten voor het Noorden niet doorgaan? Met
z'n allen vinden dat er te weinig geld naar het Noorden gaat is anders
toch een beetje praten voor de bühne, als de projecten er daar misschien
niet zijn?
Staatssecretaris Aartsen:
Ik vind het ingewikkeld om nu heel specifiek iets over afgevallen
projecten te zeggen. Dat zal ongetwijfeld per project verschild hebben.
Ik kan daar nu niks in algemene zin over zeggen. Ik zit even na te
denken over hoe ik aan uw vraag tegemoet kan komen. Laat mij hier in de
tweede termijn even op terugkomen. Laten we dat doen, want ik vind het
ingewikkeld om nu te gaan speculeren op basis van een aantal projecten,
ook omdat gemeenten daar zelf iets over hebben aangegeven. Dat moet ik
dus niet doen. Ik kom daar in de tweede termijn, met uw goedvinden, even
op terug.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Ik snap ook dat delen niet kan. Nog even een kleine bevestiging. Er is
dus wel gewoon een reservelijst met projecten die nu niet in aanmerking
komen, maar die er wel op staan. U kunt die niet delen, maar hij is er
wel.
Staatssecretaris Aartsen:
Ja, die is er wel. Sterker nog, wij hebben die geloof ik ook
gekwantificeerd en aangeboden aan de formatietafel. Dat was met de
mededeling: mocht u de ambitie hebben om te investeren in woningbouw,
dan zou het in ieder geval volgens het ministerie verstandig zijn om
geld beschikbaar te stellen voor infrastructuur. Dat is een willekeurig
voorbeeld. Omdat je hier nu projecten klaar hebt liggen, hoef je dus ook
niks opnieuw te doen. Het enige wat daarvoor nodig is, zijn extra
middelen om te kunnen voldoen aan de doelstelling voor woningbouw.
Voorzitter. Tot slot nog een aantal vragen over de multimodaliteiten.
Dan refereer ik ook even aan mijn antwoord tijdens de
begrotingsbehandeling. Onder anderen de heer Van Asten begon daar over
het Rijk. Wij sturen vanuit het Rijk niet op wie welke modaliteit
gebruikt. In die discussie werden in het verleden modaliteiten tegenover
elkaar gezet, met de auto aan de ene kant en het ov aan de andere kant,
waarbij de ene kant van het politieke spectrum het een zei, en de andere
kant het andere. Ik denk echt dat we naar een situatie moeten waarin het
en-en-en-en is. Al die vervoersmiddelen moet je faciliteren. Op de ene
plek zal het ene logischer zijn. Op de andere plek zal het andere
logischer zijn. Zorg er nou voor dat die complete bereikbaarheid een
goede propositie heeft en dat je daar ook op inzet. Dat is wat wij
proberen te doen, bijvoorbeeld door de woningbouwontsluiting via die
middelen te faciliteren.
Tot zover mijn intro, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. We zijn een uur verder met twee intro's. Dat maakt me als
voorzitter een beetje bang voor hoe we met de tijd uit gaan komen. Ik
hoor hier links van mij dat we wel kunnen stoppen met het debat, want er
is geen geld. Als dat de korte samenvatting van de beantwoording van de
vragen is, mag dat van mij ook.
Staatssecretaris Aartsen:
Dat scheelt wel een paar mapjes, voorzitter.
De voorzitter:
Goed. Ik wil graag het woord geven aan de minister, volgens mij voor
regio Oost.
Minister Tieman:
Klopt. Dank u wel, voorzitter. De heer Stoffer vroeg hoe de afweging is
gemaakt om de N35 en de N50 nu niet op te pakken. Het klopt dat er bij
de verkeersveiligheidsmaatregelen van de N50 Kampen-Ramspol sprake is
van een budgettekort. Er wordt daarom ook onderzoek gedaan naar
versoberingen. Bij dit specifieke project is er geen sprake van een
tekort aan personeel. Er is ook een realisatieteam aan boord, zodat de
realisatie zo snel mogelijk na een besluit over het gevolg kan worden
voorbereid. Ik kan nu geen concrete datum noemen, maar we zitten er
tegenaan te hikken dat we dat wél kunnen doen. Dit gaat in mijn optiek
dus goedkomen.
Dan de planstudies N35 Nijverdal-Wierden en de N50 Kampen-Kampen Zuid;
dat zijn verschillende trajecten. Die liggen op dit moment stil omdat de
personeelscapaciteit beperkt is en de focus nu ligt op onderhoud en
instandhouding. Dat is dan ook de meest urgente opgave. Ik heb bij het
afgelopen Bestuurlijk Overleg MIRT wel met de regionale bestuurders
aldaar afgesproken dat we gezamenlijk gaan bezien of, en wanneer, het
mogelijk is om deze projecten weer op te pakken en vlot te trekken. Er
wordt overigens wel gewerkt aan de verkenning N35 Wijthmen-Nijverdal en
aan meer veilige maatregelen tussen Wijthmen en Nijverdal.
Mevrouw Boelsma vroeg over de N50: klopt het dat er actie wordt gezet op
de wegafscheiding op het deel Kampen-Ramspol? Voor de verbreding tussen
Kampen en Ramspol zijn nooit middelen beschikbaar gesteld. Deze zijn ook
niet weggevallen. Er is inderdaad wel 21 miljoen euro beschikbaar voor
de rijbaanscheiding tussen Kampen en Ramspol. Voor dit specifieke
project is geen sprake van een tekort aan personeel. Er is een
realisatieteam aan boord. Na het besluit zullen we hier echt op
terugkomen. Dat geldt ook voor de verkeersveiligheidsmaatregelen voor de
N36.
De heer Jansen vroeg met betrekking tot de N36 naar een eventuele
planning van een onderzoek. Mijn antwoord: ondanks de ophoging van 115
miljoen euro voor de N36 bij Voorjaarsnota 2025 blijft het budget
onvoldoende om op de N36 in zijn geheel conform de
veiligheidsvoorschriften een rijbaanscheiding toe te passen. Daarom
wordt er momenteel bekeken wat er binnen het huidige budget wel mogelijk
is om de gehele N36 veiliger te maken. Rijbaanscheiding is één aspect,
maar er zijn natuurlijk ook andere zaken. Daar heeft de Tweede Kamer met
de motie-Pierik ook om gevraagd. Dit versoberingsonderzoek is bijna
gereed. Over de resultaten en het vervolg van de planstudie zijn er
gesprekken met de regionale bestuurders, waarna een besluit wordt
genomen over het vervolg.
De heer De Groot vroeg: hoe wil de minister de A18/N18 binnen het MIRT
verder brengen richting besluitvorming en uitvoering? De Kamer is er in
2025 over geïnformeerd dat er 7,3 miljoen beschikbaar is voor de
verbetering van de verkeersveiligheid op de N18. Ik heb 'm er net nog
even bij gepakt. Rijkswaterstaat werkt in nauwe samenwerking aan de
uitwerking van deze plannen. Omdat aanvullende middelen uit een eerder
amendement hebben geleid tot meer maatregelen voor verkeersveiligheid,
hebben de maatregelen een langere voorbereidingstijd. De realisatie
ervan is dan ook verschoven naar 2027. Dat is mijn antwoord op die
vraag.
Nog twee vragen. Mevrouw Boelsma vroeg: hoe kunnen de A28, A2 en A15
weer worden opgepakt en waar hebben de gesprekken met de regio toe
geleid? In juni 2025 heeft de Kamer een aanpak ontvangen voor de
herstart van deze gepauzeerde projecten. Als onderdeel van de aanpak
verkent IenW de mogelijkheid om projecten in fasen op te knippen. Voor
enkele projecten zijn hierover al concrete afspraken tussen Rijk en
regio gemaakt. Ik zal een voorbeeld geven. Voor het knooppunt Hoevelaken
— daar komen we zo meteen nog over te spreken, over het geluid — heb ik
in afstemming met de regio een plan van aanpak voor een gedeeltelijke
aanpak opgesteld. Daarnaast zijn recent afspraken gemaakt om de
stikstofopgave verder te verkennen en om te verkennen welke
ontwerpstappen er nog mogelijk zijn, zodat er tijdig een ontwerp ligt
dat als basis kan dienen voor het vervolg.
De heer Van Asten vroeg: willen de bewindspersonen dan ook maar gelijk
in gesprek gaan met de regio over een fietsburg over de Lek bij
Culemborg? O, dat was geen vraag van de heer Van Asten, maar van de heer
Grinwis. In beginsel ligt de verantwoordelijkheid bij de regio zelf. Het
ministerie heeft hiervoor geen budget gereserveerd binnen het
Mobiliteitsfonds.
Tot zover Oost-Nederland, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we naar de staatssecretaris voor zijn antwoorden
over Oost. Ik wil nog even memoreren dat we vanaf nu de interrupties aan
het einde van elk blokje doen. Bewaar ze dus even, als u ze heeft. Laat
de bewindspersoon eerst even uitpraten. Daarna kunnen dan de
interrupties worden gedaan.
Staatssecretaris Aartsen:
Dank, voorzitter. Ik begin bij de projecten rondom Deventer. Daar zijn
een aantal vragen over gesteld door BBB, CDA, GroenLinks-PvdA,
ChristenUnie en SGP. De spoorverbinding tussen Amsterdam en Twente en
verder door naar Berlijn is natuurlijk een van de belangrijkere
internationale spoorcorridors op dit moment. ProRail heeft een aantal
onderzoeken gedaan naar wat er nodig zou zijn om die te kunnen
verbeteren. Daar is een drietal maatregelen uit gekomen: het vierde
perron op station Deventer, een snelheidsverhoging bij Hengelo-Oldenzaal
en een snelheidsverhoging bij Amersfoort-Apeldoorn. Nu komt er een zin
die vaker zal voorkomen: er is op dit moment geen zicht op voldoende
budget. Er is 30 miljoen euro beschikbaar. Deze drie zaken zullen, bij
elkaar opgeteld, naar schatting tussen de 180 en 280 miljoen euro gaan
kosten. Op dit moment studeert ProRail nog verder op de verkenningsfase.
Die zal aan het einde van dit jaar afgelopen zijn, en dan zal er moeten
worden gekozen tussen de projecten of wat we "budgetspanning" noemen,
namelijk of er geld voor beschikbaar is of niet.
De SGP heeft mij een vraag gesteld over de intercitystations Harderwijk
en Utrecht Lunetten. Het is aan de NS om te bepalen welk station een
intercitystatus of een sprinterstatus krijgt. Wij maken als IenW alleen
afspraken over hoe vaak per uur een trein zou moeten stoppen per
station, maar het besluit over de status van stations zelf ligt bij de
NS. Ik zeg daar wel bij dat van deze twee Harderwijk waarschijnlijk het
meest kansrijk is om in aanmerking te komen voor zo'n
intercitystatus.
Dan een vraag over het verder onderzoeken van station Barneveld Noord en
station Stroe. Op dit moment loopt er een onderzoek naar nut en noodzaak
daarvan. In het kader van de verwachting lijkt het mij goed om te
vermelden dat hier twee afwegingen aan ten grondslag liggen. Enerzijds
de kosten die het opzetten van een nieuw station met zich meebrengt. Er
is al eerder vermeld dat er op dit moment geen budget beschikbaar is
voor dit project, of voor deze twee projecten, moet ik zeggen.
Anderzijds vergt het ook nog een discussie over de vraag hoe vaak een
trein waar stopt en wat dat vervolgens doet met de snelheid en
bereikbaarheid van andere lijnen, onder andere de corridor
Amsterdam-Amersfoort-Twente.
Dan de fly-over bij Arnhem Velperpoort. Inmiddels is dit MIRT-onderzoek
afgerond. Op dit moment lijkt er op de spoorse zijde geen reden te zijn
om een dergelijke vrije kruising aan te leggen. Wij wachten nog op de
verdere uitkomsten van ontwikkelingen over de hele corridor. Die lopen
op dit moment in het MIRT-onderzoek Utrecht-Arnhem-Duitsland. Het staat
natuurlijk de gemeente Arnhem vrij om zelf iets te doen met de
ruimtelijke ontwikkeling. Ook hierbij vermeld ik dat dit project niet is
voorzien van geld op dit moment.
Tot zover, voorzitter.
De heer Stoffer (SGP):
Dank voor de beantwoording. Dat klinkt op zich allemaal heel logisch. Ik
kom even terug op de stations Barneveld Noord en Stroe. We hebben eerder
al over het knooppunt Hoevelaken gesproken, waar nogal wat gefaseerd
gaat. Dat lijkt niet van vandaag op morgen geregeld te zijn, ook als het
gaat om het aantal mols waar straks nog op teruggekomen wordt. Het zou
natuurlijk wel kunnen helpen om knooppunt Hoevelaken enorm te ontlasten.
Dit zit allemaal net daarvoor. Overstap van auto naar spoor. Ik geef het
maar mee. Bij de begroting zei de staatssecretaris dat we de luxe niet
meer hebben om verschil te maken tussen auto's, treinen enzovoort. Daar
ben ik het helemaal mee eens, dus dit kan helpen. Dat geef ik maar mee.
En wellicht helpt dat nog om te kijken of we daar niet toch een zetje
aan kunnen geven. Het hoeven geen luxe stations te zijn. Sober is
genoeg.
Staatssecretaris Aartsen:
Zo kennen we de heer Stoffer. Dit zal wel moeten blijken uit de nut- en
noodzaakonderzoeken die op dit moment lopen. We verwachten dat die rond
de zomer afgerond zullen zijn.
De voorzitter:
Meneer Grinwis, u heeft nog een interruptie voor de staatssecretaris op
dit punt?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ja. Ik weet niet of de staatssecretaris het al noemde, maar ik heb ooit
van toenmalig staatssecretaris Jansen een toezegging gekregen dat hij in
overleg zou gaan met de regio over het geluids- en trillingsvrij maken
van, of in elk geval zorgen voor minder geluid en minder trillingen bij,
de spoorbruggen over de Maas en de Waal. Dat overleg met de regio heeft
nog altijd niet plaatsgevonden, terwijl dat echt wel een zorg is in dat
gebied. Er worden daar steeds meer woningen bijgebouwd en er hebben daar
steeds meer mensen veel last van, terwijl de problematiek met simpele
dempers te verhelpen c.q. ernstig te verminderen is.
Staatssecretaris Aartsen:
Ik zit even te kijken of dat gesprek ... Misschien kan de heer Jansen
zelf zeggen of het heeft plaatsgevonden. We zoeken het even uit,
voorzitter.
Nee, alle gekheid op een stokje: ik kom er bij Zuid op terug in onze
tweede termijn.
De voorzitter:
Er lopen inmiddels hele rare lijnen in het gesprek hier. Ik probeer de
orde een beetje te handhaven, staatssecretaris.
Ik wil graag het woord geven aan de minister voor Noordwest. Gaat uw
gang.
Minister Tieman:
Dank u wel, voorzitter. De vraag van de heer Grinwis: "Waar blijft de
herstart Hoevelaken? Kunnen er bij Amersfoort in de tussentijd alvast
wat meer geluidswerende maatregelen genomen worden? Graag een
toezegging." Met de regio is eerder voor 100 miljoen euro een pakket aan
maatregelen vastgesteld om de effecten van het pauzeren te mitigeren.
Voor de geluidswerende maatregelen zijn toen geen afspraken gemaakt.
Mocht hier een geluidsnorm niet gehaald worden, dan zullen wij dit als
Rijk moeten oppakken, zo nodig afzonderlijk van het project
Hoevelaken.
De vraag van de heer De Groot: hoe kan het zijn dat het kabinet aan de
slag gaat met de projecten in Flevoland zonder filedruk, en niet met het
knooppunt Hoevelaken, zoals de Kamer heeft verzocht? Voor het herstarten
van het project moet er echt zicht zijn op die 1,6 miljard, en afgezien
daarvan ook op de uitvoeringscapaciteit en de stikstofruimte. De
hoeveelheid daarvan heb ik net aangegeven, dus daar ben ik echt verder
mee met de provincie. We gaan elkaar daarin verder helpen, zodat we dat
zicht wel gaan krijgen. De MIRT-verkenning A27 Zeewolde-Eemnes voldoet
op het moment wél aan deze voorwaarden. De aanpassing draagt bij aan de
doorstromingsknelpunten op de desbetreffende weg.
Nog even over Hoevelaken. De heer De Hoop, de heer Stoffer, de heer
Jansen: meerdere Kamerleden hebben vragen gesteld over hoe het hiermee
nu verder gaat. Laat ik daar ook nog een paar zinnen aan toevoegen. In
afstemming met de regio heb ik een plan van aanpak opgesteld waarin de
vervolgstappen voor de gedeeltelijke aanpak van het knooppunt A1/A28 bij
Hoevelaken zijn opgenomen. Voor het starten van de formele procedure is
het noodzakelijk dat er zicht is op die stikstofoplossing waar we het
net over hadden. Dit perspectief aan de horizon ontbreekt nog voor dit
project, waardoor er op dit moment ook nog geen perspectief op
realisatie is. De eerder aangenomen moties zijn daarom op dit moment
niet uitvoerbaar. Gezien het belang van dit project blijf ik wel kijken
naar de mogelijkheden. Daarom verken ik met de regio de mogelijkheden
voor een aanpak van deze stikstofopgave. Dat is toch echt waar de schoen
knelt. Daarnaast verken ik welke ontwerpstappen er voor de gedeeltelijke
aanpak nodig zijn, zodat er tijdig een ontwerp ligt voor het vervolg. Ik
verwacht de Kamer dit najaar te kunnen informeren over de uitkomst van
beide verkenningen. Streep hieronder, zou ik zeggen, voorzitter. Als er
zicht is op een stikstofoplossing, wordt het ook opportuun om de
middelen en de capaciteit beschikbaar te stellen voor een formele
herstart.
De vraag van mevrouw Boelsma: hoe wordt er omgegaan met de
bereikbaarheid van de A1, die in 2040 structureel dichtslibt tussen
knooppunt Eemnes en Muiderberg door woningbouw in de aangrenzende
regio's? Het klopt dat de grootschalige woningbouw in met name Utrecht,
Amersfoort en ook Almere gevolgen zal hebben voor de bereikbaarheid
langs de A1 en in de bredere regio Gooi en Vechtstreek. Dit is het
afgelopen jaar ook gebleken uit de impactstudie die is uitgevoerd naar
de A27 en de A1. Daarom hebben we in het Bestuurlijk Overleg MIRT 2026
met de regionale partijen afgesproken dat bij de update van het
multimodaal toekomstbeeld van het programma Samen Bouwen aan
Bereikbaarheid, SBaB, bekeken zal worden op welke manier de regionale en
bovenregionale bereikbaarheid verbeterd kan worden. Het opstarten van de
verkenning A27 Zeewolde-Eemnes is een belangrijke stap om de
bereikbaarheid van deze regio te verbeteren en de groei van het
autoverkeer op te vangen.
De heer De Hoop had een vraag over de IJ-tunnel. De wegbeheerder van de
IJ-tunnel is de gemeente Amsterdam. Hier ligt dan ook de eerste
verantwoordelijkheid om maatregelen te treffen om de hinder door de
afsluiting zo veel mogelijk te beperken. Het gebruik van de A10 als
omleidingsroute leidt tot een extra belasting van het hoofdwegennet. De
werkzaamheden in de IJ-tunnel zijn voorzien vanaf het jaar 2027. Over de
werkzaamheden in en rondom Amsterdam vindt overleg plaats tussen onder
andere de gemeente en Rijkswaterstaat via het samenwerkingsverband
Amsterdam Bereikbaar.
De heer Grinwis vroeg: waarom is met het herstarten van de
MIRT-verkenning A27 Zeewolde-Eemnes niet ook de aloude railverbinding
tussen Utrecht … Deze geef ik even aan de staatssecretaris; of nee, ik
pak 'm toch hier. De opgave is om de doorstroming op de A27 te
verbeteren. De uitbreiding van de wegcapaciteit tussen Zeewolde en
Eemnes wordt hiervoor als oplossing gezien. In de verkenning zal breed
naar de mogelijke maatregelen gekeken worden. Hierbij wordt ook gekeken
naar niet-infra-alternatieven. Een nieuwe spoorverbinding is echter geen
oplossing voor de opgave en zit daarom niet binnen de scope van de
verkenning. Meer informatie heb ik hier even niet over.
Mevrouw Boelsma vroeg: kan de minister inzicht geven in wat de
consequenties zijn ten aanzien van het gemaal bij IJmuiden en de
spuimiddelen in de Afsluitdijk en op welke termijn dit speelt? Ik
probeer hier zo concreet mogelijk te zijn zonder meteen al de concrete
raming op straat te leggen, want we moeten echt nog naar de markt. Wij
hebben dus een bandbreedte aan u gecommuniceerd. Ik heb de heer Grinwis
ook gehoord. Hij vroeg wat ik nog kan doen, zoals een pleidooi houden en
er een streep onder zetten bij de begrotingsdebatten. Als we niets doen
aan het gemaal bij IJmuiden en de spuimiddelen in de Afsluitdijk,
ontstaat er ernstige wateroverlast. Het gemaal- en spuicomplex IJmuiden
is sterk verouderd. Het komt uit 1940. Het is daarom ook kwetsbaar. Op
korte termijn is een besluit over het gemaal nodig en daarmee ook zicht
op financiering, binnen de bandbreedte die ik in de brief heb gemeld.
Dit is aan het nieuwe kabinet. Ook de bestaande spuimiddelen zijn aan
het einde van hun levensduur. Als gevolg van de klimaatverandering is er
vanaf het jaar 2035 behoefte aan een grotere afvoercapaciteit bij de
Afsluitdijk, die niet door de renovatie van de bestaande objecten
gerealiseerd kan worden. Dat geldt dus zowel voor IJmuiden als voor de
spuisluizen in de Afsluitdijk. Daar is renovatie geen optie. Ook voor de
Afsluitdijk is er zicht nodig op financiering. Qua ordegrootte zit je op
die van het gemaal IJmuiden, maar dan voor de hele Afsluitdijk, want
daar zitten er twee. Kortom: als we niets doen, ontstaat er ernstige
wateroverlast. Door het uitvoeren van levensduurverlengend onderhoud
binnen de veiligheidsmarges is afvoer via de bestaande spuimiddelen in
de Afsluitdijk de komende jaren mogelijk.
Ik ga gauw verder, voorzitter. Het Zuidasdok; dit is een vraag vanuit
het CDA. In 2025 zijn er verdere stappen gezet in de realisatie van het
Zuidasdok, onder andere met de Openbaar Vervoer Terminal en het
knooppunt De Nieuwe Meer. U heeft ook een mooie bijlage gekregen,
toegevoegd aan alle stukken. Ik weet niet of u dat allemaal heeft
bekeken, maar ik vind dit een mooie afspiegeling van wat er allemaal is
gedaan. Hierbij is meer duidelijkheid ontstaan over de risico's, de
planning en de kosten. Ondanks de inzet op versoberingen en het
voorkomen van meerkosten is het verwachte tekort helaas verder
toegenomen tot een bedrag tussen de 1,1 miljard en de 1,3 miljard. We
hebben veel overleg met de regio gehad over dit onderwerp. Er is met de
regio afgesproken eind 2026 te besluiten over de financiering van de
tunnel en het knooppunt Amstel. Eind 2026 is er meer zekerheid over de
uitvoeringsprijs, alsmede over het ontwerp. Er zijn verschillende
factoren. Dit project gaat echter onder het vergrootglas. Ik kom er op
den duur bij u op terug hoe we bij dit soort speciale projecten de
kostenoverschrijdingen beter in de vingers kunnen krijgen. We hebben nu
ook echt aangegeven dat we niet verder willen versoberen. We handhaven
nu dus eigenlijk de status quo. Dat gebeurt in overleg met de regio,
want die heeft er ook eigen geld in zitten.
De vraag van de heer Van Asten was: wanneer stopt de versobering en
komen de uitgangspunten van het project onder hoge druk te staan?
Wanneer moet je dit gaan heroverwegen? Hoe kijkt men aan tegen de
reikwijdte van het project voor de rest van het land? In 2025 zijn
verdere stappen gezet in de realisatie van het Zuidasdok; ik refereer
nog even aan dat document. We hebben nogmaals tegen elkaar gezegd dat we
de noodzaak van het Zuidasdok ... Ook de gedeputeerde van Flevoland
heeft het belang van het Zuidasdok ooit gepitcht bij uw Kamer. Tot
zover.
De heer De Groot: hoe voorkomt u dat de capaciteitsuitbreiding van de
Schipholspoortunnel stagneert in verband met de tekorten? Dat is aan een
volgend kabinet. Voor het vergroten van de capaciteit rond Schiphol is
de beoogde metro tussen Amsterdam en de Haarlemmermeer noodzakelijk; het
OVAH. Het herstel van de gebreken op de hsl heeft mijn volle aandacht.
Ik werk hier hard aan, samen met Infraspeed en ProRail. Voor beide zaken
geldt dat het aan het volgende kabinet is om hiervoor middelen vrij te
maken.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra: de kazerne, het munitiedepot, consequenties et
cetera. De kazerne in Zeewolde volgt uit het Nationaal Programma Ruimte
voor Defensie, het NPRD. Dat valt primair onder de verantwoordelijkheid
van de staatssecretaris, in dit geval van Defensie. Daarvoor zijn ook
gebiedsprocessen ingericht. In het kader van deze gebiedsprocessen is
door Defensie in het NPRD aangegeven dat samen met de regio in beeld
wordt gebracht welke randvoorwaarden bij defensieopgaven nodig zijn,
bijvoorbeeld op het gebied van mobiliteit en doorstroming. Op dit moment
is er nog geen compleet beeld van de infraopgaven die noodzakelijk zijn
voor de defensieopgaven die volgen uit het NPRD. Weet wel — de
staatssecretaris gaf dat ook aan en ikzelf eerder ook — dat wij willen
dat Defensie ten aanzien van logistiek en mobiliteit gewoon standaard
aan tafel komt bij het BO MIRT, net als de gedeputeerde, op het juiste
niveau binnen de organisatie. IenW is op dit moment separaat met
Defensie in overleg, maar we houden elkaar echt goed vast.
Tot zover noordwest, voorzitter.
De voorzitter:
Ik kijk even. Er zijn geen interrupties. De staatssecretaris.
Staatssecretaris Aartsen:
Dank, voorzitter.
De voorzitter:
Sorry, ik zie dat er toch nog een vraag is, bij de heer Jansen. Sorry,
meneer Jansen, ga uw gang.
De heer Chris Jansen (PVV):
Ik heb inderdaad één vraag aan de minister, over Hoevelaken. Ik
bagatelliseer niets van wat de minister zegt over alle knelpunten die
hij tegenkomt, maar de Kamer heeft toch echt in hele grote meerderheid
en bij herhaling uitgesproken dat wij dit knooppunt aangepakt willen
zien. Ik mag toch hopen dat dit in hoofdletters richting formatietafel
is gegaan. Ik kijk daarbij ook met een schuin oog naar de
staatssecretaris. Het kan toch niet zo zijn dat iets wat de Kamer tot
drie keer toe heeft uitgesproken, stagneert omdat we met een aantal
knelpunten zitten? Nogmaals, ik bagatelliseer ze niet, maar ik vind het
wel lastig om dit te accepteren.
Minister Tieman:
Wat zal ik hierop zeggen, meneer Jansen? Een aantal zaken. Een soort
crisis- en herstelinstrumentarium, zoals de heer Goudzwaard aangaf. Ten
aanzien van de A2 met de ingekorven vleermuis, een voorbeeld: ik zit
meteen in het strafrecht. Dan kan ik wel bestuurlijk lef tonen, maar
wanneer ik 29 mol voor mijn kiezen krijg, die ik niet heb, kan ik hier
wel allerlei toezeggingen doen maar ... Er zijn drie moties; ik hoor wat
u zegt. Hoevelaken heb ik net neergezet. Ik houd de gedeputeerde vast om
een volgende stap te zetten, maar hiervoor moet wel echt een oplossing
komen. Dan kunnen wij verder. We zitten niet stil. We zeggen zeker niet:
we zetten het in de kast en totdat die 29 mol is opgelost, doen we
helemaal niks. Zo zit ik niet in de wedstrijd, maar nu heb ik er echt
geen zicht op en dan denk ik ook bij mezelf: er zijn andere projecten
waar wél zicht op is. Maar Hoevelaken? We zijn bezig, maar ik kan niet
die 1,6 miljard, die zes jaar, in gang gaan zetten, gelet op dit
stikstofknelpunt.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan ga ik nu wel naar de staatssecretaris, voor
noordwest.
Staatssecretaris Aartsen:
Wat zei u?
De voorzitter:
Noordwest.
Staatssecretaris Aartsen:
Ja, noordwest. Een beperkt aantal vragen. Er zijn een aantal vragen
gesteld over de Merwedelijn en de Rijnenburglijn, onder ander over hoe
het met de aftakking zit en of die wordt geïntegreerd met het
voorkeursalternatief. Op dit moment is het lastig om te zeggen of en
wanneer de Rijnenburgtak zal worden geïntegreerd met de Merwedelijn. Dat
heeft met een paar dingen te maken. Allereerst natuurlijk omdat er al
een MIRT-verkenning loopt om vooral snel toe te kunnen werken naar dat
voorkeursbesluit. Ik denk dat dat een belangrijke stap is. Op dit moment
loopt er geen uitgebreid onderzoek naar de Rijnenburgtak. We hopen
natuurlijk dat we snel kunnen toewerken naar een startbeslissing voor de
MIRT-verkenning Rijnenburglijn. Ook hierbij dien ik te zeggen dat er op
dit moment geen middelen beschikbaar zijn voor dat onderzoek.
Dan ERTMS en de SAAL-corridor, tussen Schiphol, Almere en Lelystad; de
heer Jansen en Grinwis hebben daar vragen over gesteld. Ik denk dat het
belangrijk is om te onderkennen dat die extra treinen zullen gaan
rijden, al helemaal voor dat traject. Bij het BO MIRT zijn afspraken
gemaakt met de regio over het meer mogelijk maken daarvan. Daarvoor is
ERTMS inderdaad noodzakelijk. Op dit moment werken wij landelijk aan de
uitrol. Wanneer het mogelijk is dat ook op dit traject te kunnen gaan
doen, is lastig te zeggen. We mikken op dit moment op 2032.
Dan kom ik nu bij de bereikbaarheid van Almere en de IJmeerverbinding,
voorzitter. Kan de minister of staatssecretaris uitleggen waarom er meer
asfalt beschikbaar is ten opzichte van de trein in de verbinding tussen
Amsterdam en Almere? Het is van belang om te zeggen dat Almere en
Flevoland op dit moment multimodaal bereikbaar zijn, zowel nu als in de
toekomst. Het Programma Hoogfrequent Spoorvervoer werkt aan het mogelijk
maken van extra treinen tussen Amsterdam en Almere. De IJmeerverbinding
is voor de ov-bereikbaarheid van het toekomstige Almere Pampus van en
naar Amsterdam voorlopig echt nog een stip op de horizon. Op dit moment
zijn er onvoldoende financiële middelen beschikbaar om dan ook een
MIRT-verkenning te starten. Dat waren de spoorse zaken ten aanzien van
Noordwest.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik kijk even naar de leden. Er zijn geen interrupties. Dan
geef ik het woord weer aan de minister over de regio Zuidwest.
Minister Tieman:
Zuidwest. Laat ik dan ook maar meteen beginnen met de
Blankenburgverbinding. Als hoogheemraad mocht ik samen met de heer
Madlener onder anderen aanwezig zijn bij de opening daarvan. Het
hoogheemraadschap had daar een keerschot, een veiligheidsschot, dat
eruit gehaald werd. We zijn inmiddels een jaar verder en we zien nu toch
echt een trend, ook in die laatste maanden waarin we echt nog alles op
alles zetten. We willen namelijk echt geen boetefabriek zijn. De boetes
liggen nu op 1,8% en gaan naar beneden. Het was namelijk 3%.
Ook kijken we echt nog even kritisch naar de bebording. We hebben extra
bebordingen geplaatst bij de benzinestations, maar ik wil verder gaan
dan dat. Ik wil ook de bebording op de weg aanpakken. We zien ook uit de
cijfers van de ANWB dat we in Rotterdam, doordat we meer wegcapaciteit
hebben gecreëerd, voor een betere doorstroming hebben gezorgd.
We hebben met elkaar nu echt een jaar neergezet van wennen. En het wordt
beter. Ik sta dan ook niet positief tegenover het voorstel om nu weer
een stap verder te gaan. Dat schept namelijk onduidelijkheid voor de
mensen die nu zien wat er gebeurt. Wij maken echt een stap op het gebied
van de communicatie. We hebben ook echt een protocol dat, als mensen een
boete krijgen van 1,8% en daarna een tweede boete krijgen, we een
stopknop hebben.
De enige manier om de mensen te benaderen is via de post. Dat heeft te
maken met de privacywetgeving. Dat is jammer. Anders had je het daar
namelijk iets sneller kunnen doen. We zetten een poot bij wat betreft de
communicatie. Wanneer we ook zien dat mensen een poging hebben gedaan om
te betalen, is dat meteen een aanleiding om te zeggen: u heeft het in
ieder geval geprobeerd en u krijgt geen boete. Dat is dus coulance via
het loket ten top. Ik denk dat dat de komende maanden nog duidelijker
gaat worden. Die cijfers gaat u krijgen, bijna op weekbasis als het aan
mij ligt. We moeten wel kijken of dat allemaal behapbaar is. Maar we
komen van ver en het wordt steeds beter. Ook gelet op de herinnering,
waardoor we helaas toch die €9 in rekening moeten brengen. Waarom? Dat
is wettelijk bepaald. Dat zijn ook die kosten. Daarbovenop heb je
natuurlijk de €35, die daarna komt. Wij zijn geen boetefabriek. Ik wil
dat het op nul komt als dat kan. Laat dat helder zijn. Wat betreft die
kosten: we gaan zo meteen ook naar de ViA15, Arnhem-Nijmegen; het
systeem dat we nu met elkaar gebouwd hebben zonder een poortje waarvoor
mensen moeten stoppen, dupliceren we daar. Door het te verspreiden over
meerdere projecten, zullen de operationele kosten naar beneden gaan. Ik
kom uit het havenbedrijfsleven. Hoe blij waren de werknemers in de haven
dat dit project toch doorgang kon vinden? Wilt u een tunnel of wilt u
geen tunnel? Dan maar met tol. Het gaat om 405 miljoen euro. Als we dat
nu met elkaar kwijtschelden, kan dat ook. Maar dat heb ik niet, meneer
Grinwis. Ik zie een verbetering. We gaan dit conform de wet goed
evalueren. In het eerste kwartaal krijgt uw Kamer daar een uitrol van.
Brengt u dat dan ook nog een keer op. Deze cijfers van de laatste
maanden stemmen mij echter heel positief. Met dat extra beentje dat wij
bijzetten, is het ook hierbij gewoon alle hens aan dek. Dat heb ik al
gezegd. Dit heeft echt mijn aandacht, want wij zijn geen
boetefabriek.
De heer Grinwis vroeg: de Westerscheldetunnel wordt volgend jaar
gerenoveerd; wat is er nog te doen aan de vier maanden afsluiting van de
Oostbuis richting Borsele? Volgend jaar — 2027 is dat alweer, ja —
vinden herstelwerkzaamheden plaats naar aanleiding van de betonschade in
de Oostbuis van de Westerscheldetunnel. Het is een relatief nieuwe
tunnel, maar er is toch die betonschade. De Westerscheldetunnel wordt
geëxploiteerd door de N.V. Westerscheldetunnel en is eigendom van de
provincie Zeeland. De planning van de werkzaamheden loopt daarom via de
provincie en niet via het Rijk. Over de geplande werkzaamheden en het
bereikbaarheidsplan vindt wel afstemming plaats met Rijkswaterstaat. Ik
kom hier nog even op terug. Laat ik het zo zeggen: ik had graag wat meer
willen vertellen. Ik heb deze informatie nu even niet paraat, maar ik
kom hier anders zo meteen nog even op terug, meneer Grinwis.
De heren Van Asten en Grinwis vroegen: "De A15 wordt niet aangepakt. Het
goederenvervoer en het personenvervoer lopen vast. Kan de minister aan
de tafel om de modal shift mogelijk te maken en afspraken te maken?" We
hebben 9 miljoen euro beschikbaar. Er is ook een samenwerkingsverband
met de vervoerregio. Denk ook aan: word geen kuddedier. Dat vindt
allemaal daar in de regio Rijnmond plaats. Dus specifiek wordt dit zo
meteen via Connekt opengesteld. Het is nu even gepauzeerd, maar die
middelen zijn in de Miljoenennota gecommuniceerd. Er loopt al enkele
jaren een kortetermijnaanpak in de uitvoering van de
samenwerkingsorganisatie Zuid-Holland Bereikbaar. Dat is waar ik naar op
zoek was. Het gaat om ritvermijding en spitsvermijdingen van de A15 en
dat gaat dus verder dan alleen de campagne daaromtrent. Die is
geëvalueerd. Deze zaken gaan via Breikers. Deze zaken gaan via
Zuid-Holland Bereikbaar. Daar zit veel meer achter. Er is 16 miljoen
euro beschikbaar om deze aanpak voort te zetten met betrekking tot de
middellange termijn. Het gaat om de A15. Het gaat om 2026-2035. Circa
5.000 ritvermijdingen en/of spitsvermijdingen worden in overleg met het
bedrijfsleven gerealiseerd. Daarbij wordt ingezet op de fiets en het
openbaar vervoer.
Ik heb van u ook iets begrepen over de modal shift met betrekking tot
het goederenvervoer. Daarmee begon ik net. Dat staat dus gewoon open. Er
kan ingeschreven worden op projecten via Zuid-Holland Bereikbaar en
Connekt. Denk ook aan ondernemen in de Drechtsteden. Daarnaast lopen er
allerlei projecten die het gebruik van spoor moeten stimuleren. Er is 73
miljoen euro voor de Goederenvervoeragenda die ik vorige week naar uw
Kamer heb gestuurd. Daar zitten onder andere truckparkings bij. Het gaat
ook om het vergroten van de betrouwbaarheid van de Rotterdamse
Havenspoorlijn. De 740-metertreinen zitten daarin. Zo kunnen we het
vergroten, met als doel die A15 verder te ontlasten. Tot zover hierover,
voorzitter.
Ik heb nog de antwoorden op drie vragen. De heer Grinwis vroeg of de
werkzaamheden dan ook echt binnen negen maanden afgerond zijn. Dit gaat
over de Papendrechtsebrug, waarover veelvuldig wordt gesproken. Het
verkeersslot duurt negen maanden. Daarna is de weg nog een paar
weekenden dicht in verband met het testen. Deze negen maanden zijn
opgenomen in de planning van de opdrachtgever. Het antwoord is dus: op
dit moment staan alle seinen op groen en er is geen aanwijzing dat het
elf maanden of tien maanden gaat duren.
De heer Stoffer vroeg: de Tunnelwet zegt dat tweerichtingsverkeer in een
tunnelbuis niet mag; is de minister bereid deze wet zo nodig aan te
passen? In het recente BO MIRT van januari 2026 hebben Rijk en regio wel
afspraken gemaakt om binnen de kaders van de Tunnelwet — daarvan zegt u:
kunnen we dat, ook gelet op de Europese context, nog gaan oprekken? — te
bekijken of in de Vlaketunnel bij calamiteiten en/of onderhoud
tweerichtingsverkeer mogelijk kan worden toegelaten. De Vlaketunnel is
op dit moment niet ingericht op tweerichtingsverkeer. Daarom onderzoekt
het Rijk in aanloop naar renovatie welke aanpassingen nodig zijn om dat
wel mogelijk te maken, zodat het ook veilig kan. Ook kijkt het Rijk nu
naar de aanleg van calamiteitendoorsteken. In het hoogbelaste
Nederlandse wegennetwerk zijn naast de Europese regelgeving extra
verscherpingen in de nationale tunnelwetgeving doorgevoerd om de
veiligheid van de weggebruiker te borgen. Daar wil ik het liefst geen
concessies aan doen. Veiligheid staat voorop; dat gaf u zelf ook al aan.
Ik wil ook aangeven dat Rijkswaterstaat intensief samenwerkt met de
provincie Zeeland voor deze verkeersbegeleiding, gelet op de situaties
waar we vandaan komen. Tot zover mijn antwoord, meneer Stoffer. Ik ga
dus kijken welke ruimte ik van u krijg op dat gebied.
De heer Stoffer (SGP):
Op zich natuurlijk alle ruimte. Ik heb een motie klaarliggen, waarin ik
eigenlijk de vraag stel of de regering de Kamer voor het volgende
MIRT-debat kan informeren over de mogelijkheden die er zijn voor die
aanpassing. Maar als de minister een toezegging zou kunnen doen dat het
kabinet — dat zal wellicht de opvolger zijn — ons voor het volgende
MIRT-debat kan informeren hoever dat staat enzovoorts, dan hoef ik de
motie niet in te dienen.
Minister Tieman:
Dat is een toezegging.
De voorzitter:
Die gaan wij even noteren. Ik kijk even naar de leden. Zijn er nog
andere interrupties? O, de minister heeft nog … Ah, kijk eens aan. Er
werd hier gesmokkeld; het blokje was nog niet af. Gaat uw gang,
minister.
Minister Tieman:
De Bodegravenboog. Daar ben ik ook geweest. In het vorige MIRT-debat
heeft de minister de volgende toezegging gedaan: de minister gaat langs
bij het project de Bodegravenboog en zal de Kamer informeren over de
uitkomsten. In de MIRT-brief, onder moties en toezeggingen, op pagina
26, ben ik hierop ingegaan. Op verzoek van de Kamer is de regio bezocht
en de problematiek besproken. Met de provincie Zuid-Holland was ik daar
aanwezig met mijn collega; de heer Zevenbergen was daarbij, maar ook de
wethouder was erbij. De gemeente Bodegraven-Reeuwijk heeft geconcludeerd
dat er op dit moment geen budget, personele capaciteit en stikstofruimte
beschikbaar is om hem aan te leggen. De provincie heeft wel ideeën over
de Bodegravenboog, dus we zijn echt nog met elkaar in gesprek. We houden
ook de cijfers goed bij elkaar. Dan zou ik zeggen: niet in dit
MIRT-overleg, maar wanneer we wellicht in een andere situatie zijn, komt
de Bodegravenboog echt bovendrijven. Hij staat dus op mijn netvlies. We
gaan nu wat meer richting Cortelande kijken. We zijn ons huiswerk aan
het doen, ook voor de gefaseerde aanlegmogelijkheden. Ik wil dan ook van
de provincie, van de opvolger van de heer Zevenbergen, horen welke
ideeën er dan echt zijn, want ze hebben geen gebruik gemaakt van een
ander potje dat we beschikbaar hebben. Wellicht is dat dus nog
iets.
De voorzitter:
Dank u wel. Nu bent u echt aan het einde van uw blokje, hè? Dat klopt.
We houden het tempo erin. Ik zou graag om 16.00 uur over willen gaan
naar de tweede termijn, dus staatssecretaris, doe uw best.
Staatssecretaris Aartsen:
Zeker, voorzitter.
We hebben een paar projecten voor het openbaar vervoer en spoor als het
gaat om Zuidwest. Dan begin ik bij de Oude Lijn. Er zijn een aantal
vragen gesteld over de Oude Lijn, en vooral over de combinatie met de
stations rondom Dordrecht en de situatie daaromtrent. Zoals al eerder
gezegd, kunnen we nu echt een stap gaan maken met de Oude Lijn. Ik denk
dat dat positief is. Voor de vier nieuwe stations, waaronder dus ook
Dordrecht Leerpark, wordt het onderzoek eind dit jaar afgerond. Om met
alle nieuwe stations en ook de daarvoor nodige vier sporen verder te
kunnen gaan, zijn er extra middelen nodig. Op dit moment hebben het Rijk
en de regio samen al geïnvesteerd. Het gaat om een bedrag van ongeveer
340 miljoen euro voor de regio Dordrecht. We moeten ervoor zorgen dat
daar nog wat financiering bij komt. We kijken hiervoor ook bewust naar
de regio voor cofinanciering en naar de verdeelsleutel die we daarbij
normaliter hanteren.
Over Wind in de zeilen zijn een aantal vragen gesteld. Welke stappen
zetten we daarvoor? Er zijn destijds inderdaad afspraken gemaakt met de
provincie Zeeland. ProRail start vanaf eind 2027 met de uitvoering van
een aantal kleinere overwegmaatregelen om zo de derde trein per uur te
kunnen laten rijden. Om ervoor te zorgen dat deze ook op de lange
termijn kan blijven rijden, moet gezocht worden naar extra financiële
middelen. Voor de derde trein moeten onder andere de overwegen in Goes
en Roosendaal worden aangepakt. Daarnaast loopt er een onderzoek naar de
mogelijkheden voor een vierde trein. De uitkomsten van dit onderzoek
zullen we bekijken en daarbij zullen we rekening houden met de situatie
in Zeeland. Ook daarbij zal moeten worden gekeken naar de financiële
middelen om dat mogelijk te maken.
Dan het ERTMS-proefbaanvak in Zeeland. Er zijn een aantal vragen gesteld
over hoe het zit met de hinder daarvan. Wij spannen ons samen met de
spoorsector en Zeeuwse partijen in om de hinder van het proefbaanvak
maximaal te beperken. We snappen dat dit een vervelende situatie is.
Daarom zijn er ook afspraken gemaakt met Zeeland over een
maatregelenpakket voor hinderbeperking en het verbeteren van de
betrouwbaarheid. Deze maatregelen worden momenteel verder uitgewerkt.
Aangezien het testen en de proeven op zijn vroegst in 2029 zullen
beginnen, is hier nog ruim de tijd voor. Daarnaast werken we ook samen
met Zeeuwse partijen aan de implementatie van het pakket Wind in de
zeilen. Zoals ik al zei, onderzoek ik ook de mogelijkheden voor een
vierde trein per uur en voor de aansluiting op de hsl. Ik meld erbij dat
daarvoor op dit moment geen middelen zijn gereserveerd.
Dan Rail Ghent Terneuzen. Op dit moment bereiden wij de startbeslissing
daarvoor voor. Dit is een grensoverschrijdend project. ProRail voert nu
de voorbereidingen uit voor de startbeslissing. We hopen die dit jaar te
kunnen nemen. Ook zijn we intensief in gesprek met mijn Belgische
collega. Ik hoop hem volgende week tijdens een diner onder andere
hierover te kunnen spreken, zodat dat we hierin een stap kunnen
zetten.
Tot zover, voorzitter.
De voorzitter:
Ik dank u wel. Dat noopt tot interrupties.
De heer Van Asten (D66):
Ik heb in het kader van de Oude Lijn nog een vraag over het pact
waarover gesproken werd in de stukken. Wat gaan wij daar als Kamer over
meekrijgen? Hoe worden wij daarover geïnformeerd?
De voorzitter:
U kunt hier ook op terugkomen in de tweede termijn,
staatssecretaris.
Staatssecretaris Aartsen:
We kunnen hierop terugkomen in de volgende MIRT-brief als we
uitgesproken zijn met de regio over dat pakket.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik weet dat de provincie en het Rijk in goed overleg zijn over een
pakket met flankerende maatregelen om de hinder van de ERTMS-proef in
Zeeland tot het minimale te beperken. Maar ik hoor toch ook dat
onderwijsinstellingen in Zeeland, zoals de hogeschool, nu al merken dat
nieuwe studenten zich niet inschrijven in Zeeland maar aan de Brabantse
kant, omdat de trein in 2029 een aantal maanden niet zal rijden. Het
klinkt allemaal nog heel ver weg, maar het is wel erg belangrijk om
vanaf nu heel duidelijk te communiceren over het maatregelenpakket en
jongeren die een studie moeten gaan kiezen ertoe te verleiden hun keuze
voor Zeeland niet op een lager pitje te zetten. Ziet de staatssecretaris
deze opgave? Met een kleinere bevolking en wat minder
onderwijsinstellingen zijn de marges in Zeeland vrij dun.
Staatssecretaris Aartsen:
Dat is zeker bekend. Daarom is het ook belangrijk om te blijven herhalen
dat we een maatregelenpakket hebben afgesproken. De uitwerking hiervan
vergt wel wat tijd. Nogmaals, het gaat over 2029, dus we hebben ook nog
wel eventjes. Maar ik snap de zorg. Laat ik daarom duidelijk herhalen:
het is en blijft de bedoeling dat Zeeland ook tijdens deze proef
bereikbaar zal blijven. We gaan dus ook alles op alles zetten om zo min
mogelijk hinder te laten ontstaan. Dat is natuurlijk waar we naartoe
werken.
De voorzitter:
Ik dank u wel. Dan is het woord aan de minister voor Noord. Dat zal met
belangstelling gevolgd worden door een aantal leden hier. Gaat uw
gang.
Minister Tieman:
Zeker, Noord. Laat ik 'm dan ook maar meteen bij de hoorns vatten: de
haven van Terschelling. De heer De Hoop, mevrouw Van der Plas, de heer
Goudzwaard en ook mevrouw Boelsma-Hoekstra hebben daar vragen over
gesteld. Ik heb daar vorige week natuurlijk ook het een en ander over
gezegd. Daar zat een dag tussen. In maart is er een vervolgoverleg
tussen de partijen. In december is er overleg geweest tussen de
gemeente, de provincie, het ministerie van BZK en het ministerie van
IenW. Wij hebben kennis en kunde. Er zijn verschillende varianten. Een
daarvan heeft te maken met een betonningslocatie van Rijkswaterstaat; de
vraag is of dat handig is om te doen of niet. We zijn daarover nog niet
uitgesproken, maar ik wil in maart verder spreken. Ik wil ook voor maart
een brief sturen naar de minister van BZK om vanuit die kant het belang,
de noodzaak, van die kade onder zijn of haar ogen te brengen. Ik zal dat
op korte termijn doen. Ik wil een dezer weken een brief uitdoen naar
BZK, zodat wij dit als Rijk goed voorbereid hebben wanneer we de regio
tegemoet treden. Ik ga daar ook de provincie bij betrekken. Het wordt
ook een bestuurlijk overleg als het aan mij ligt. We moeten even kijken
of dat dan meteen in maart is of vlak daarna, maar er gaat geen lange
periode overheen.
Hier moet zo snel mogelijkheid duidelijkheid over komen, maar gezien de
juridische aspecten moet ik het wel ergens vandaan zien te halen. Ik zie
ook dat de gemeente hierop bewogen heeft. Dat is hartstikke goed. Ik ga
die puzzel proberen te leggen, maar dat betekent wel dat we 'm ergens
vandaan moeten gaan halen. Het is de uitdaging aan het ministerie van
IenW om dat in overleg met de regio te realiseren en u hierover ook een
terugkoppeling te geven, want ik kreeg deze van verschillenden van u
hier terug. Ik ga dus mijn uiterste best doen op dit onderwerp.
Het werkbezoek aan Ameland en de watertaxi. Het rapport van MARIN gaat
een dezer dagen naar u toe. Daarin staat dat wij onder bepaalde
voorwaarden een snelheidsverhoging zouden kunnen doorvoeren voor de
nacht. Veiligheid staat voorop; daarom ook het rapport van MARIN. Ik heb
de aanbevelingen al gezien in een vergaande conceptvariant. Ik ga in
overleg met de ondernemers in kwestie. Ik wil daar een mooie strik
omheen doen en binnen de kaders dat gesprek ook met u gaan voeren, zodat
we dit dossier kunnen afronden.
De heer Jansen vroeg om een reflectie op de vaarverbinding Ameland en
Holwerd. "We maken ons zorgen over de vaarweg. Gaarne een reflectie."
Dat betreft niet het snelvaren, maar de vaarweg. In september 2025 heb
ik de Kamer geïnformeerd over het programma van eisen concessies Friese
Waddenveren vanaf 2029. Wat dat betreft is het besluit genomen voor het
uitvoeren van een MIRT-verkenning Bereikbaarheid Ameland. Voor de
verkenning en het oplossen van de problematiek van de vaargeul heeft het
ministerie 250 miljoen euro gereserveerd.
Mevrouw Boelsma vroeg of de Eemshaven een rol gaat spelen in het kader
van Defensie en, zo ja, of er mogelijkheden zijn binnen de
MIRT-verkenning om financiering met Europees geld in het kader van
dual-use mee te nemen. Ja, de Eemshaven speelt reeds een rol in het
kader van Defensie. Op dit moment, as we speak, worden externe
financieringsbronnen onderzocht. De Eemshaven is net als Rotterdam en
North Sea Ports in Vlissingen aangewezen als Host Nation Support-haven
en onderdeel van het Europese netwerk TEN-T. Wij onderzoeken of er
mogelijkheden zijn voor financiering met Europees geld voor het
versterken van deze drie militaire corridors.
De heer Van Asten en mevrouw Boelsma vroegen hoe het verder moet met de
Gerrit Krolbrug. De essentie van het antwoord is: ik ga hier echt nog
even goed naar kijken. U heeft ook de plaatjes gezien. Er zijn nog meer
bruggen. Daar ga ik het zo meteen ook nog over hebben. Er speelt wat;
laat ik het zo formuleren. Ik wil ook echt aangeven dat ik het erg
vervelend vind voor de regio dat er zoveel aanvaringen hebben
plaatsgevonden. De verzekering van rederijen reikt maar zo ver. De heer
De Hoop had het over 36 aanvaringen vanaf het jaar 2000. Dat kan niet de
bedoeling zijn. Ik ga dus echt met de sector in overleg over wat er
mogelijk is. Dit moet tot een einde gaan komen. Deze cijfers moeten
echt, echt naar beneden. Nul bestaat wellicht niet, maar ik schrik
gewoon van deze cijfers en van de financiële bedragen en de hinder die
dit veroorzaakt.
We hebben natuurlijk ook te maken met een aantal technische zaken, dus
ik wil alles even in bredere zin pakken. Ik ga dus ook voor de Gerrit
Krolbrug, net als in Terschelling, kijken wat we kunnen doen. U heeft de
cijfers ook tot u kunnen nemen: 11 miljoen euro voor een tijdelijke
oplossing. Ik zou dat geld voor het Noorden liever betitelen als geld
voor iets wat structureel duurzaam is. "Duurzaam" betekent daarbij dat
het lang meegaat. Alle opties liggen op tafel alvorens wij dat gesprek
in het Noorden gaan voeren. Het is niet zo dat we al iets uitsluiten. Ik
zal ook nog eens naar die pontjes kijken, zodat we ook het gesprek
daarover op het juiste niveau met de regio kunnen voeren met
elkaar.
Mevrouw Boelsma vroeg waar het aquaduct over de Skarster Rien is
gestrand. In 2013 heeft het kabinet besloten te bezuinigen op het
Infrastructuurfonds. Daarbij is eveneens het aquaduct geschrapt. Tot
zover de geschiedschrijving. Het project is de afgelopen jaren niet naar
boven gekomen als mogelijke opgave, mede gezien de financiële ruimte.
Tot zover het antwoord.
De Friese bruggen. Nou, nu hebben we een onderwerp te pakken! De
noodzaak voor het aanpakken van de Friese bruggen is volkomen duidelijk.
Daarom is op 29 januari aanstaande, komende donderdag, een extra
bestuurlijk overleg gepland met de provincie Friesland en de betrokken
gemeenten om het te hebben over de aanpak en de planning. Zoals ik net
al aangaf, vind ik het erg vervelend — hier is het laatste woord zeker
nog niet over gezegd — dat mensen moeten omlopen, omfietsen of omrijden.
Rijkswaterstaat kijkt naar alle plekken. In die gevallen is er nauwe
samenwerking met de regio om de hinder zo veel mogelijk te
beperken.
Gelet op het veelvoud aan bruggen werken we met een portfolioaanpak. Dat
betreft het gebundeld aanpakken van deze beweegbare bruggen om ze zo
snel maar ook zo efficiënt mogelijk aan te pakken. Dat is "meekoppelen".
Bij een ander onderwerp was de vraag: waarom pak je niet meteen wat mee?
Dit is een mooi voorbeeld van zo'n portfolioaanpak. Dit vraagt om
voorbereidingstijd. Dat werkt door in de vervangingsdata. We gaan daarna
ook, zoals een exponentiële curve vroeger bij wiskunde, tijd goedmaken.
We nemen nu dus net wat meer tijd voor die eerste brug, maar die tijd
gaan we zo meteen verder inlopen.
Ondanks deze portfolioaanpak en de exponentiële versnellingscurve hebben
we toch echt een deadline van 2030. Het zal niet voor die tijd
gerealiseerd zijn, maar in de jaren daarna. We willen hier wel zo goed
mogelijk aan vasthouden. We communiceren het als het langer lijkt te
gaan duren. Ik zeg u hierover deze zomer een brief toe, waarmee de Kamer
inzicht krijgt in de planning. Daarbij pakken we dus de planning van die
bruggen.
Dan heb ik er nog eentje, en dat is het zuurtje: de brug Schuilenburg.
Deze brug is niet in dit bruggenportfolio meegenomen omdat deze nog niet
zo ver in het MIRT-proces is gevorderd als de andere vier. Er is tijd
nodig voor een goede voorbereiding, het regelen van de veiligheid en de
bereikbaarheid voor zowel het weg- als het vaarwegverkeer. Daarbij heb
ik ook echt een zorgvuldige afstemming nodig met de bestuurlijke
partners. Op de 29ste praten we daar dan ook verder over.
Over de bruggen in Friesland heb ik zo het idee, voorzitter, dat het
laatste woord ook nog niet uitgewisseld is met uw commissie.
Kornwerderzand. De heren Grinwis en De Hoop spraken hierover.
Kornwerderzand is een zeer belangrijk thema, maar ook een onderwerp
waarbij ik u vraag om goed naar de ingenieurs van het ministerie te
luisteren. Een aantal van u hebben zo'n studie ook genoten; dit wordt
uitdagend. Aan de andere kant: wij draaien niet weg voor een uitdaging,
maar wij praten hier niet over zomaar iets. Ik actualiseer momenteel de
ramingen voor verruiming van het sluiscomplex Kornwerderzand, samen met
de provincies Friesland, Flevoland en Overijssel. Daarbij speelt een
behoorlijke verziltingsopgave, die gewoon complex is. Daar hebben we nog
net wat meer in de vingers nodig. In het tweede kwartaal van dit jaar
zijn de ramingen hiervoor bekend. De ingenieurs zijn bezig. Dan kan ik,
de minister, het besluit nemen met de verschillende regionale
bestuurders over de scope, de risicoverdeling alsmede de dekking. Aan de
bestaande spuimiddelen wordt op dit moment levensverlengend onderhoud
uitgevoerd, maar ik geef hierbij een beetje de winstwaarschuwing dat dit
zomaar eens wat kostbaarder zou kunnen zijn dan we op dit moment nog
denken. Maar in Q2 zijn die ramingen gemaakt.
Tot zover, voorzitter.
De voorzitter:
Meneer Grinwis, u heeft geen interrupties meer. Ik zou er graag wel één
extra willen toestaan sowieso. Dat doe ik dan bij iedereen als dat nodig
is. Gaat uw gang, meneer Grinwis.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel voor uw coulance. Een vraag aan de minister, want
over Kornwerderzand zei hij een beetje met een zorgelijk gezicht dat we
heel goed moeten gaan luisteren naar wat technisch mogelijk is. Vanwaar
deze zorgen? Tot nu toe was het iedere keer: ja, we hebben in het
verleden geld gereserveerd, maar dat was te weinig. Vorig jaar hadden we
de deal waarin de Lelylijnpot is geplunderd, maar waarin wel een aantal
mooie projecten van geld is voorzien, zoals een Nedersaksenlijn, maar
ook Kornwerderzand. Dan kunnen we dat toch eindelijk eens gaan
realiseren? Maar nu zie ik een bezorgde frons op het gezicht van de
minister verschijnen. Wat is hier aan de hand? Gaat het veel meer kosten
of is het misschien technisch zo ingewikkeld dat we misschien helemaal
geen bredere en langere sluis krijgen in Kornwerderzand? Wat bedoelt de
minister precies te zeggen?
Minister Tieman:
U vraagt, wij draaien. De regio wil dit ook, dus ik ga echt die extra
mijl om dat plaatje goed te schetsen. Maar als ik kijk naar de situatie
waarin we nu zitten, zitten we technisch echt op het uiterste. We hebben
hier te maken met de zoetwaterbuffer van Nederland, het IJsselmeer. Daar
maak ik me zorgen over, gelet op de zoutproblematiek die we bijvoorbeeld
in Amsterdam en IJmuiden hebben gezien. We praten hier echt over een
enorme verbreding en verdieping met enorme bruggen, met een tijdslijn.
Aan de andere kant: u roept, wij draaien. Wij gaan die plaat voor u
leggen, zeker ook gelet op de geste die u heeft gedaan met de middelen.
Maar het zou zomaar eens kunnen dat we hier een andere plaat voor u gaan
neerleggen. Dat is dan het echte verhaal, dat ik u dan ook ga
voorleggen. Mijn zorgen zitten in die ordegrootte. We hebben te maken
met de zoetwaterbuffer van Nederland. Dan zal u, meneer Stoffer, als
civiel ingenieur, of u, vanuit de WUR, zo meteen die plaat kunnen
leggen. Wij schetsen daar gewoon een technisch verhaal. Ik ga hier niet
zeggen dat niks mogelijk is, absoluut niet. Het is een uitdaging en hier
gaat u het de komende tijd ook nog over hebben. En dan heb ik de
ramingen. Ik heb een top drie op het gebied van water: IJmuiden,
Afsluitdijk, Kornwerderzand. Daar word ik af en toe weleens wakker
van.
De voorzitter:
Nou, ik zou lekker blijven slapen; dat is voor iedereen het beste. Maar
ik snap wat u bedoelt. Mevrouw Boelsma heeft nog een interruptie.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Dank voor de heldere, eerlijke beantwoording. Ik heb nog een kleine
vervolgvraag over Terschelling en de Gerrit Krolbrug. Heb ik goed
gehoord dat u zegt: blijf even op uw handen zitten, want ik ga daar heel
hard mee aan de slag en ik denk ook wel dat ik het rondkrijg? Zo voelt
het bij mij wel een beetje. Kunnen wij daarvan uitgaan? Of ben ik nu te
enthousiast?
Minister Tieman:
Nee, hoor. Ik ga hier echt met open vizier in. Ik hoor u ook. Er zijn
ook zoveel partijen die dit aanhangig hebben gemaakt. Ik geef even geen
garanties, maar ik zeg wel toe dat ik tot het uiterste ga.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Allereerst dank ik de minister voor de beantwoording en het feit dat hij
een handreiking doet over verschillende dossiers in Noord-Nederland en
met verschillende overheden in gesprek wil gaan. Over Terschelling zou
ik toch nog één vraag willen stellen, want ik heb een beetje zorgen over
het tijdspad. In juni moeten er al financiële besluiten worden genomen,
omdat anders het vervoer van goederen maar misschien ook wel van mensen
naar Terschelling in het geding komt. Dus zou de minister in de brief
die hij naar de Kamer stuurt een tijdspad willen schetsen, waarin hij
hopelijk mijn zorgen wegneemt dat die financiering niet op tijd
rondkomt, zodat wij een beeld hebben bij hoe hij dat tijdspad met BZK
ziet?
Minister Tieman:
Dit zou net kunnen qua tijdspanne. Met de regio hebben we hier ook over
gesproken. Het wordt wel krap. Dat zetten we op papier. Mochten daar nog
kinken in de kabel komen, dan wordt u geïnformeerd, maar die
tijdsplanning zal ik meteen meegeven zodra dit bestuurlijke overleg
heeft plaatsgevonden. Alles is erop gericht om dat, gelet op het aspect
dat u net noemde, te voorkomen.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan is het woord aan de staatssecretaris over Noord.
Staatssecretaris Aartsen:
Dank, voorzitter. Ik begin bij de Lelylijn. Daar hebben we al vaak over
gesproken. Ik zal dus niet herhalen wat ik daarover vorige week en de
week daarvoor heb gezegd, maar ik kijk uit naar het rapport van Klaas
Knot om daarmee weer hernieuwd perspectief te bieden aan de mensen in
het Noorden. Er zijn wel een aantal vragen gesteld over de ramingen. Op
dit moment zitten de ramingen voor het traject Lelystad naar Groningen
ongeveer tegen de 15 miljard aan. Dat is een dure lijn om aan te leggen,
over het veengebied. Dat zorgt ervoor dat het wel ingewikkeld is. Op dit
moment staat er op de aanvullende post nog een bedrag van 657 miljoen
euro voor de Lelylijn. Dat zijn dus de ramingen waar rekening mee is
gehouden.
Ook zijn er vragen gesteld over de ramingen ten aanzien van
Groningen-Duitse grens. Ook dit gaat om forse bedragen. Er is geen
exacte berekening gedaan, maar dan spreek je over een bedrag tussen de
3,3 miljard en de 12,1 miljard voor in ieder geval het Nederlandse deel.
Mevrouw Van der Plas vroeg mij nog naar de inschatting van de kosten van
het traject Drachten-Groningen. Dan heb je het over een bedrag van 4
miljard.
Dan de vragen over de Nedersaksenlijn. Die loopt op dit moment volgens
planning. De startbeslissing daarover is inmiddels genomen. Er loopt nu
een zienswijzeprocedure, waarbij iedereen kan aangeven wat hij of zij
daarvan vindt. Die procedure loopt nog vier weken. Daarna wordt er een
reactienota opgesteld. ProRail is inmiddels aan de slag voor de
aanbesteding van het ontwerp van de lijn. We hopen dat volgens planning
de MIRT-verkenning eind 2028 zal worden afgerond.
De heer Van Asten vroeg naar de koppeling met de woningbouw. Op dit
moment is niet duidelijk hoe de lijn exact zal gaan lopen. We weten dus
nog niet waar de stations zullen komen en waar dus het best woningbouw
kan worden gepleegd. Als dat bekend is, zal vervolgens ook vanuit VRO en
de regio worden gekeken hoe je de lijn het best kan laten aansluiten op
de te plannen woningbouw. Daarbij wijs ik erop dat het in principe de
verantwoordelijkheid van gemeenten zelf is om de ontsluiting van
woningbouwgebieden, ook rondom stationsgebieden, goed te laten
verlopen.
Dan de vragen die zijn gesteld over het HRMK-spooraquaduct. Het tekort
is op dit moment 214 miljoen euro. We zijn in gesprek met de regio.
Vanuit het Rijk is er 75 miljoen euro gereserveerd en vanuit de regio
iets meer dan 25 miljoen. Op dit moment is het beschikbare budget dus
ontoereikend voor het starten van een MIRT-verkenning. Tijdens het BO
MIRT 2025 is met de regio afgesproken om te verkennen welke
mogelijkheden er zijn ter vervanging van dit project, binnen het
bestaande budget. We hebben afgesproken dat we bij het BO MIRT 2026 een
stap gaan zetten en een besluit gaan nemen over de toekomst van dit
project.
Dan de flessenhals Meppel, voorzitter. Dit jaar begint ProRail met de
werkzaamheden aan het spoor om het robuuster te maken. We hopen dat
hierdoor storingen in de toekomst zullen afnemen. De aanleg van het
vierde perronspoor is op dit moment in voorbereiding. De huidige
planning is dat het projectbesluit kan worden genomen in 2029, waarna de
aanleg van het vierde perronspoor zal kunnen starten. Dat kan door de
middelen die zijn vrijgemaakt bij de voorjaarsnotabesluitvorming van
afgelopen jaar.
Tot slot het station Staphorst. Daarover is een vraag gesteld door de
heer Grinwis. Binnen de huidige dienstregeling en ook met de huidige
infrastructuur is het gewoonweg fysiek, dus niet financieel maar fysiek,
niet mogelijk om een nieuw station in te passen en toe te voegen op de
lijn naar Groningen. Daarover hebben we de Kamer eerder al
geïnformeerd.
Tot zover, voorzitter.
De heer Van Asten (D66):
Met het gevaar dat ik geen recht doe aan het werk dat op dit moment
wordt gedaan door ProRail, de provincies en de gemeenten rondom de
Nedersaksenlijn: ik meen de staatssecretaris te horen zeggen dat de
gemeenten zelf verantwoordelijk zijn voor het ontsluiten van
woningbouwgebieden en dat er op dit moment gewoon stations worden
gepland. Die twee, woningbouw en de mobiliteit van de Nedersaksenlijn,
lijken niet goed op elkaar aangesloten te zijn. Daar ging mijn bijdrage
juist over. Het antwoord leidt niet tot heel veel geruststelling. Ik mag
toch hopen dat we de nieuwe stations, als die er komen, dadelijk wel
precies daar in het gebied aanleggen waar we in de betreffende regio
grootschalige woningbouwlocaties gaan inrichten?
Staatssecretaris Aartsen:
We kijken nu vooral waar je het beste de trein kan laten lopen. Dat zal
logischerwijs ook te maken hebben met dorpen, daar waar woningbouw is.
Maar dit is natuurlijk wel een enorme investering en je moet slim
nadenken over hoe je die trein vervolgens laat lopen, zodat uitvoering
ook kansrijk is. Je zult een balans moeten vinden tussen enerzijds de
bestaande plannen en anderzijds de logica van zo'n lijn. Dat gebeurt in
zo'n verkenning. Dan ga je met elkaar nadenken over wat je waar gaat
neerleggen. Daar zit woningbouw ongetwijfeld ook bij. Maar dat moet zich
uiteraard wel allemaal zetten. Dat moet je met elkaar doen en dat
gebeurt in zo'n verkenning. Vandaar dat we nu de hele procedure
doorlopen van zienswijze, van inspraakbijeenkomsten et cetera, et
cetera; het hele participatietraject.
De heer Goudzwaard (JA21):
Een korte vraag aan de staatssecretaris. Op de website van ProRail wordt
nu heel duidelijk gesteld dat het totale maatregelenpakket rondom Meppel
in 2030 wordt opgeleverd. Als ik luister naar wat de staatssecretaris
zegt over dat vierde perron, dat een buitengewoon belangrijke component
is voor de aanpak van de flessenhals, vraag ik me af of ProRail wel
nakomt dat het totale maatregelenpakket in 2030 wordt opgeleverd. Kan de
staatssecretaris daar concreet op reageren?
Staatssecretaris Aartsen:
De kortetermijnmaatregelen hebben inderdaad 2030 als jaar van
realisatie. Dan gaat het over de verhoging van de robuustheid. Bij de
middellangetermijnmaatregelen hebben we het over realisatie in 2032. Dan
heb je het over snelheidsverhoging, korte reistijden en de mogelijkheid
van nieuwe treinstations in de dienstregeling, op het traject. Bij de
langetermijnmaatregelen hebben we het over realisatie na 2030. Dan gaat
het over de frequentieverhoging van en naar Groningen naar vier treinen
in de spits. Uw vraag ging specifiek over het vierde perron. Dat wordt
in 2032 opgeleverd.
De voorzitter:
Dank u wel. Ja, we houden het tempo erin. We hebben nog een kleine tien
minuten en dan gaan we door naar de tweede termijn. Nu het laatste
blokje, Zuid als het goed is.
Minister Tieman:
Zuid, ja. De heer De Hoop zegt dat op de website van Rijkswaterstaat
enkel de start vermeld staat en verder niks over de A27
Houten-Hooipolder. Op de website is aangegeven dat onbekend is wanneer
het project gereed zal zijn. Dat heeft ermee te maken dat de afronding
van de ontwerpfase, inclusief de prijsplanning van de verschillende
onderdelen, nog moet plaatsvinden. Ik verwacht dat de afronding van de
ontwerpfase, inclusief de prijsvorming, medio 2026 gereed zal zijn. Na
die afronding medio 2026 zal de Kamer geïnformeerd worden over de
financiële effecten. Ik heb dit medio oktober ook gemeld aan de regio in
een reactiebrief die u in afschrift heeft gekregen. Naar verwachting zal
de planning meerdere jaren naar achteren schuiven, zoals ook aan de
Kamer is gemeld in de Voorjaarsnota van het jaar 2025.
Dan mevrouw Boelsma over de A27 Houten-Hooipolder en hinder door langere
doorlooptijd: "Door extra fasering van de werkzaamheden neemt de
doorlooptijd toe en daardoor de hinder op de wegen, waaronder ook het
sluipverkeer. Kan ik op korte termijn perspectief bieden en een tijdspad
schetsen?" De zorgen worden herkend en ook gedeeld. Met fasering van de
realisatie zal de hinder langer duren. De grootste knelpunten zullen
daarom als eerste worden aangepakt. Zo wordt er enorm hard gewerkt om
met de beschikbare middelen zo veel mogelijk voortgang te creëren, zoals
afgelopen zomer bij knooppunt Hooipolder. Een mooi staaltje, al zeg ik
het zelf. Hier is binnen 100 uur een complete onderdoorgang ingeschoven.
In een reactiebrief aan de regio heb ik aangegeven dat de regio medio
dit jaar geïnformeerd wordt over de nieuwe planning.
De heer Grinwis zegt: er is aandacht nodig voor de N57 maar ook de N59;
ook de capaciteit van de N57 in relatie tot woningbouw vergt meer inzet
van IenW. Er wordt ruim 18 miljoen euro geïnvesteerd in de N57 vanuit de
beschikbare pot van 280 miljoen euro voor kleine verbeteringen van het
autonetwerk en/of doorstroming. Dat is ook het potje, zeg ik tegen
mevrouw Boelsma, waaruit voor de Bodegravenboog een aanvraag zou kunnen
worden gedaan. Het betreft de aansluiting N57 Nieuweweg.
Capaciteitsuitbreiding van de N57 en N59 is niet mogelijk vanwege een
gebrek aan budget, personele capaciteit en stikstofruimte.
De heer Jansen vraagt: wat is de stand van zaken van de verkenning A2/N2
Brainportlijn? De verkenningen van de A2/N2 en de Brainportlijn zijn
gestart en de eerste participatiebijeenkomsten hebben plaatsgevonden.
Voor de A2/N2 wordt gewerkt aan het uitwerken van kansrijke
oplossingsrichtingen. Belangrijk daarbij is de vraag of een tracé voor
de Brainportlijn over de A2/N2 zal gaan lopen. De bestuurlijke kerngroep
over deze verkenningen voert daar in februari het gesprek over. De
planning is om in het jaar 2027 een voorkeursalternatief vast te stellen
en de verkenning af te ronden. Over de voortgang zal uw Kamer op de
reguliere momenten worden geïnformeerd.
De laatste, voorzitter. Mevrouw Boelsma vraagt: "Ten aanzien van het
knooppunt Zoomland bij Bergen op Zoom is het op dit moment helaas niet
mogelijk om een studie te doen naar dat traject. Zijn er inmiddels wel
mogelijkheden hiervoor?" Op dit moment zijn er geen budget, personele
capaciteit en stikstofruimte beschikbaar om de capaciteit van knooppunt
Zoomland uit te breiden. Ik acht het daarom op dit moment niet opportuun
om een onderzoek te doen naar knooppunt Zoomland. Ja, het is een beetje
een jammerlijke afdronk als laatste, maar we doen ook heel veel dingen
wel, mevrouw Boelsma.
De voorzitter:
Ik dank u wel. Dat leidt niet tot interrupties van de leden. Dan zou ik
graag het woord willen geven aan de staatssecretaris voor zijn laatste
blokje. Doet u wat u allemaal nog te melden heeft in dit blokje,
alstublieft.
Staatssecretaris Aartsen:
Ik heb nog een blokje overig.
De voorzitter:
Daar mag u gelijk mee doorgaan.
Staatssecretaris Aartsen:
Gaat u nou de regio Zuid in het blokje overig …
De voorzitter:
Nee, hoor. Ik laat u eerst even het blokje Zuid doen en daar doet u dan
overig gelijk achteraan. Gaat uw gang.
Staatssecretaris Aartsen:
Dank, voorzitter. Er zijn een aantal vragen gesteld over de
bereikbaarheid van de Brainportregio. Het is belangrijk om te melden dat
de Brainportregio Eindhoven economisch gezien een belangrijke factor
voor Nederland is en dat daarom de infrastructuur daar dient te worden
aangepast. Samen met de minister werken we dan ook aan een doorstart van
de planuitwerking A58 Eindhoven-Tilburg en de verkenning A2/N2. We
willen het station Eindhoven Centraal aanpakken en ook aanvullende
mobiliteitsmaatregelen nemen zoals bus-op-vluchtstrook en een
werkgeversaanpak.
Ten aanzien van de spoorknoop Eindhoven kreeg ik de vraag waarom die
niet integraal kan worden opgepakt. Ook hier is het antwoord weer
financieel. We begrijpen de wens om het integraal aan te pakken, maar
extra geld gaat uiteindelijk ten koste van investeringen elders. We
hebben op dit moment besloten vooral extra budget te gebruiken voor de
eerste stap en dus niet voor de derde stap qua uitbreiding. We hebben
echt gekeken wat nu strikt noodzakelijk is. Dat is de eerste stap. Uit
financiële overwegingen kunnen we die andere stap op dit moment niet
zetten.
Er is gevraagd naar de verbinding Eindhoven-Düsseldorf. We werken met de
regio en ook met Duitsland samen aan de start van de verbinding
Eindhoven-Düsseldorf, eind 2026. We hopen dat de investeringen hiervoor
gereed zijn in 2026. Voor Venlo zijn de maatregelen voorzien in 2030 en
we onderzoeken momenteel welke tijdelijke maatregelen we rondom Venlo
kunnen nemen om die internationale trein sneller te laten rijden.
Dan de vraag over Weert-Hamont, voorzitter. Dit is een langgekoesterde
wens. Aan het begin van de vergadering zei ik al — en ik heb dit vaker
benoemd — dat we ook echt willen kijken naar nationale projecten binnen
de nationale MIRT-strategie. We willen kijken hoe je economisch gezien
de boel kan versterken. Dit is daarin wel een heel bijzondere, omdat wij
op dit moment bezig zijn met onderzoek naar wat je kunt met de
verbinding tussen Brainport en Brussel. Dat is zo'n economisch traject.
De Brainportregio is economisch gezien van enorm belang voor ons land,
maar als je met het openbaar vervoer naar Brussel zou willen vanaf
Brainport, ben je met de trein vaak drieënhalf uur onderweg en moet je
drie of vier keer overstappen. Het liefst heb je daar natuurlijk een
rechtstreekse verbinding. Op dit moment zijn we aan het onderzoeken hoe
je dat kunt combineren met Weert-Hamont. Ik spreek daar binnenkort ook
over met mijn Belgische collega, om te kijken of er een rechtstreekse
verbinding tussen Brainport en Brussel mogelijk is via de verbinding
Weert-Hamont. Dan zou je dus de Brainport-Brussellijn krijgen. Dat is
een van die nationale projecten die we in het kader van de strategische
hervormingen van het MIRT op dit moment aan het onderzoeken zijn.
Daarmee beantwoord ik ook gelijk de vraag van de heer De Hoop over hoe
ik mijn verleden als voorzitter van de Nederland-Belgiëcommissie hier in
het parlement vorm aan probeer te geven: door te kijken of we dit nog op
de rails kunnen zetten, om maar met een metafoor te spreken.
Over de spoorbrug bij Maastricht lopen op dit moment nog gesprekken. Dat
besluit is in het verleden genomen, niet omdat we het leuk vinden om
spoorbruggen af te breken of spoorrails op te doeken, maar omdat de brug
op dit moment een nautisch knelpunt vormt. Er is daar op dit moment een
probleem met de bevaarbaarheid. Tegelijkertijd zien we dat de rails daar
al lange tijd buiten gebruik zijn en er op dit moment ook nul initiatief
is om daar tot een spoorverbinding te komen. Dan is de vraag wat je
daarmee doet wel gerechtvaardigd. Laat je dat nautische knelpunt bestaan
met de illusie dat daar ooit nog een trein gaat rijden, zonder dat daar
concrete plannen voor liggen? Dat is nu het vraagstuk. In het verleden
hebben we gezegd dat we die brug gingen slopen. Je ziet dat daar nu wat
bezwaren, belemmeringen en emoties over vrijkomen. Dat wordt op dit
moment gewogen met de internetconsultatie. Ook hier spreken we
binnenkort over met de Belgen en met Limburg om te kijken welk besluit
we moeten nemen. Het is een lastige situatie, maar ik wijs heel bewust
op de situatie op het gebied van de nautische veiligheid die zich daar
op dit moment voordoet.
Dan de nog niet uitgevoerde toezegging van mijn voorganger,
staatssecretaris Jansen, om met de regio in gesprek te gaan over de
trillingsoverlast. De uitvoering van het werk aan het project PHS
Meteren-Boxtel, waar op dit moment de spoorbruggen liggen, is gestart.
ProRail treft op deze corridor de wettelijk verplichte maatregelen tegen
geluid en trillingen en daarbovenop is er zo'n 15 miljoen euro ingezet
voor bovenwettelijke maatregelen, onder andere tegen geluid. IenW doet
met de regionale partners veel aan hinderbeperking, al begrijp ik ook
dat daarmee niet alle overlast en hinder bij omwonenden kunnen worden
weggenomen. Dit hebben we overigens in het contact met de regio hierover
wel uitgelegd. Het aanbod van mijn voorganger voor een gesprek hierover
met de regio staat dan ook nog steeds.
Dan het station Acht, Eindhoven. Er werd gevraagd of er bestuurlijk
commitment is vanuit de regio en vanuit ons. Het antwoord daarop is: ja,
dat commitment ligt er. Het is nu natuurlijk alleen de vraag hoe je dat
op een goede manier vormgeeft. Daarom zijn wij aan de slag met een
integrale gebiedsvisie Eindhoven-Noordwest, Best, Veldhoven.
Tot zover, voorzitter.
De voorzitter:
Volgens mij heeft u nog een blokje, maar dit gaat de goeie kant op; hier
ben ik blij mee!
Staatssecretaris Aartsen:
Ik heb inderdaad nog een blokje over, voorzitter. Maar dit was in ieder
geval Zuid.
De voorzitter:
Gaat u door.
Staatssecretaris Aartsen:
Het kopje overig, voorzitter.
De uitfasering van dieseltreinen. Ja, we zetten flinke stappen in de
verduurzaming van het spoor. Dat doen we mede met het geld uit het
Klimaatfonds. Zo hebben we een bestuursovereenkomst getekend voor de
elektrificatie Almelo-Mariënberg. We kijken op dit moment welke
vervolgstappen er nodig zijn. Daar komt allereerst de techniekstap bij
kijken. Het gaat dan onder andere om de lijnen Leeuwarden-Meppel en
Groningen-Meppel. Ook hier wijs ik erop dat deze ambitie op dit moment
financieel niet gedekt is. Als je dit dus uiteindelijk wil gaan doen,
zul je daar ook een behoorlijke hoeveelheid geld voor moeten
uittrekken.
Dan de kosten van het hsl-herstel. We werken op dit moment nog aan een
totale kostenraming. We hebben van ProRail nog geen formele raming
gekregen. Die hopen we op korte termijn te krijgen. Op dit moment
onderzoeken we ook de aansprakelijkheid verder. Vooruitlopend daarop heb
ik al een brief gestuurd om partijen in gebreke te stellen en
aansprakelijkheid te claimen.
Hoe zit het met de veiligheid van het openbaar vervoer, zeker in
gemeentes met een azc? Dat was een vraag van de heer Jansen. Ik heb het
al vaker gezegd: voor mij is de veiligheid in het openbaar vervoer een
enorm belangrijk speerpunt. Vandaar ook dat ik heb besloten om daar
extra geld voor uit te trekken, onder andere ook geld voor het
beveiligen van het station Maarheeze — ik kon even niet op die naam
komen — om daar extra beveiliging mogelijk te maken. Samen met de
minister van AenM zetten we ook flinke stappen om het openbaar vervoer
veiliger te maken. De minister en ik hebben onder andere besloten tot
bredere toegangverlening tot het vreemdelingenregister, zodat er
makkelijker en sneller boetes kunnen worden uitgedeeld.
De heer Van Asten vroeg mij nog of woningbouw voorloopt op de komst van
een HOV Groningen-Drenthe en naar de uitspraak "de eerste paal is een
haltepaal". Uit de ingediende voorstellen voor de woningbouw en de
mobiliteit blijkt dat de meeste gemeenten bereikbaarheid en vooral
openbaar vervoer als een goede randvoorwaarde zien voor woningbouw. Dit
is ook terug te zien in de toekenningen. Er zijn veel ... Bijna 52% van
de voorstellen in het kader van de WoMo-gelden is openbaar vervoer
geweest.
De vragen over de Oude Lijn en de Lelylijn heb ik al beantwoord, dus dit
was het kopje varia, voorzitter.
De voorzitter:
Hartstikke fijn. Kijk eens hoe snel het dan gaat, hè! Dan gaan we even
kijken of het kopje Zuid of het kopje overig/varia van de
staatssecretaris nog tot interrupties leidt. Ik zie dat dat niet het
geval is. Dan zijn we aan het einde gekomen van de beantwoording van de
kant van het kabinet, de minister en de staatssecretaris. Ik schors voor
vijf minuten. Dan gaan wij door naar de tweede termijn van de kant van
de Kamer. Vijf minuten, dus niet allemaal weglopen. Blijf in de
buurt!
De vergadering wordt van 16.08 uur tot 16.14 uur geschorst.
De voorzitter:
Dames en heren, ik wil het debat hervatten. We zijn toegekomen aan de
tweede termijn van de kant van de Kamer in dit notaoverleg MIRT. We
hebben hier een lijstje met de spreektijden per Kamerlid die nog
openstaan. Ik zou willen voorstellen om elk lid gewoon het woord te
geven, vermoedelijk voor moties of om de laatste vragen te stellen. Als
het nodig is, zal ik korte vragen aan elkaar toestaan. Laten we kijken
of we de tweede termijn snel kunnen doen met elkaar, zodat we straks nog
even kunnen schorsen en dit debat voor de dinerpauze kunnen afronden. Ik
kijk naar de heer De Hoop om te zien of hij er klaar voor is.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Dat ben je natuurlijk nooit helemaal, maar ik zal mijn best doen,
voorzitter. Ik ga eerst mijn moties voorlezen en daarna zal ik nog iets
anders zeggen.
Ik begin met de Gerrit Krolbrug. Ik ben heel blij met de beweging die de
minister de afgelopen week heeft gemaakt om het gesprek met de regio aan
te gaan. Daarom heb ik met een aantal leden een motie opgesteld om de
minister daar verder toe te bewegen. Hopelijk leidt dat tot een
uitkomst.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Gerrit Krolbrug in Groningen al in 2021 is
aangevaren, maar de vervanging nog een aantal jaar op zich laat
wachten;
constaterende dat 16.000 fietsers per dag gebruikmaken van de brug en de
bereikbaarheid voor veel Groningers onder druk komt te staan;
overwegende dat er sinds 2000 alleen al in Groningen maar liefst 36
bruggen zijn aangevaren;
verzoekt het kabinet samen met de lokale overheden te komen tot een
tijdelijke oplossing die recht doet aan de impact die het ontbreken van
een oeververbinding voor fietsers heeft op de stad Groningen;
verzoekt het kabinet tevens om hierbij een tijdelijke brug of desnoods
een pontje te heroverwegen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden De Hoop, Grinwis, Stoffer en
Goudzwaard.
Zij krijgt nr. 20 (36800-A).
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Dan de tweede motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Rijksoverheid voor de instandhouding en voor
MIRT-projecten in beginsel indexeert volgens IBOI-systematiek, maar dat
dit onder de indexatie ligt van de daadwerkelijke kosten volgens de
GWW-index die ProRail hanteert en dat het kabinet besloten heeft om ook
op de IBOl-indexering te bezuinigen;
constaterende dat er door het niet adequaat indexeren een structureel
tekort ontstaat van circa 150 miljoen euro per jaar tot 2040 en dat op
langere termijn de onderhoudskosten hierdoor juist hoger zullen
zijn;
verzoekt de regering om in afstemming met ProRail in gesprek te gaan
over de toekomstige indexering en de risico's van niet-adequate
indexering in kaart te brengen, en de Kamer hierover voor de behandeling
van de Voorjaarsnota te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden De Hoop, Grinwis, Goudzwaard en
Stoffer.
Zij krijgt nr. 21 (36800-A).
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Dan mijn laatste motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de ov-knoop Brainport Eindhoven van cruciaal belang is
voor de economische ontwikkeling en de woningbouw in de regio Eindhoven
en breder in de regio Zuidoost-Nederland;
overwegende dat de ov-knoop Brainport Eindhoven van groot belang is voor
het verbeteren van de internationale spoorverbinding tussen Eindhoven en
het Duitse Ruhrgebied;
verzoekt de regering om op korte termijn met de regio Eindhoven in
gesprek te gaan over de vervolgstappen en financiering, en de Kamer
hierover te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden De Hoop, Stoffer, Goudzwaard en
Grinwis.
Zij krijgt nr. 22 (36800-A).
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Dan heb ik nog even, dus ik wil een aantal zaken nog langslopen.
Allereerst de noordelijke lijnen. Ik hoorde de staatssecretaris zeggen
dat de lijnen Groningen-Meppel en Leeuwarden-Meppel geëlektrificeerd
zouden worden, maar het waren toch echt andere lijnen. Het gaat namelijk
om de lijn Harlingen-Sneek-Stavoren en de lijn Groningen-Leeuwarden, als
ik het goed zeg, of Groningen naar … Er was in ieder geval verwarring
over de lijnen die de staatssecretaris noemde. Alleen dat al is reden om
daar nog een keer de aandacht op te vestigen. Een andere reden is dat er
8,5 miljoen liter diesel per jaar wordt gebruikt door die treinen. Dat
betekent dat er 11,6 miljoen kilo CO2 en 267.000 kilo
stikstof wordt uitgestoten. We moeten voor 2035 voldoen aan nul emissie,
ook op het spoor, dus dat vergt volgens mij nog extra inzet.
Ik ben geschrokken van de 500 miljoen extra, weer, bij Amelisweerd; dat
is nog heel wat extra op het budget. Dat is nóg een reden om dat te
heroverwegen.
Ten aanzien van Terschelling ben ik heel blij dat de minister de
handschoen oppakt om op korte termijn met de regio te kijken wat we
kunnen doen om die verbinding in stand te houden, zowel voor goederen
als voor alle mensen die naar het eiland willen, ook deze zomer
weer.
Dank, voorzitter.
De voorzitter:
Ik dank u wel. Het woord is aan mevrouw Van der Plas namens de
BBB-fractie. U heeft drie minuten.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank u wel. Afgelopen voorjaar, bij de Voorjaarsnota, is de N50 er
eigenlijk net buiten gevallen om te kijken naar financiering. We hebben
heel veel voor de regio's geregeld. Het spijt mij echt nog steeds heel
zeer, zeg ik nu tegen de vertegenwoordigers van de gemeente Kampen die
hier zitten en tegen de burgemeester en de inwoners, dat de N50 er net
afviel. Maar ik heb direct, ook tegen de burgemeester, gezegd dat ik er
bij de eerste de beste gelegenheid voor ga proberen te zorgen dat de N50
wel aangepakt kan worden. Die belofte wil ik graag vandaag met een motie
inlossen. Ik hoop dat de minister die motie oordeel Kamer kan geven,
want het is dringend nodig dat de N50 wordt aangepakt. De motie luidt
als volgt.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er voor de A27 tussen Zeewolde en Eemnes bestuurlijke
afspraken zijn gemaakt over een MIRT-verkenning waarvoor 200 miljoen
euro klaarstaat;
overwegende dat de N50 een zeer onveilige weg is met veel ongelukken, en
dat een fysieke rijbaanscheiding noodzakelijk is om meer ongelukken te
voorkomen;
overwegende dat voor de start van een MIRT-verkenning het grootste deel
van de benodigde middelen al beschikbaar moet zijn en dit voor de A27
inmiddels het geval is;
overwegende dat dit de mogelijkheid geeft om binnen het gereserveerde
bedrag van 200 miljoen euro ook ruimte te maken voor het verbeteren van
de veiligheid op de N50;
verzoekt de regering te kijken of binnen dit bedrag voor de
MIRT-verkenning A27 Zeewolde-Eemnes 150 miljoen euro kan worden
gereserveerd voor de verkenning, en 40 miljoen euro kan worden ingezet
voor een fysieke rijbaanscheiding op de N50 tussen Kampen en Ramspol, en
de Kamer hierover tijdig te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van der Plas en Stoffer.
Zij krijgt nr. 23 (36800-A).
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Mag ik nog één motie voorlezen?
De voorzitter:
Er is hier eerst nog een vraag over van de heer Grinwis.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Deze motie klinkt volgens mij als een creatieve oplossing. Als ik
mevrouw Van der Plas goed begrijp, zit het als volgt. Er is voor de
aanpak van de A27 200 miljoen nodig. 75% daarvan is 150 miljoen. Als je
nu de boel financieel voor 75% en niet voor 100% dekt, kan je dus 40
miljoen vrijspelen. Is dat de redenering?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ja.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Oké. Nou, dat is creatief. Steun.
De voorzitter:
Mevrouw Van der Plas, u heeft nog een minuut.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Het is heel fijn om te horen dat hier vanuit de Kamer steun voor
is.
Ik heb nog één laatste motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat volledige aanleg van de Lelylijn in één keer
financieel onhaalbaar en voor wat betreft de besluitvorming complex
is;
overwegende dat een gefaseerde aanleg een realistische manier is
daadwerkelijk van start te gaan;
overwegende dat het traject Groningen-Drachten een logisch,
overzichtelijk en uitvoerbaar eerste deel vormt;
verzoekt de regering de gefaseerde aanleg van de Lelylijn als serieuze
optie uit te werken met het traject Groningen-Drachten als eerste
fase;
verzoekt de regering uiterlijk vóór de zomer van 2026 de Kamer te
informeren over de benodigde stappen om dit traject planologisch en
financieel startklaar te maken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.
Zij krijgt nr. 24 (36800-A).
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dan wil ik mij alleen nog excuseren. Het is niet heel erg chic, maar we
zijn een kleine fractie en hebben vandaag grote debatten. Ik moet nu
weer terug naar het Mediadebat, dus ik ga weg. Mijn beleidsmedewerker
kijkt vanzelfsprekend mee. Ik groet u allemaal en ik wens u een veilige
thuiskomst.
De voorzitter:
Ja hoor, alle begrip. Dank u wel. Meneer Stoffer, u heeft welgeteld twee
minuten.
De heer Stoffer (SGP):
Dat moet goedkomen. Ik heb namelijk ook twee moties. Maar ik zal eerst
de minister en staatssecretaris bedanken voor de beantwoording. We
hadden natuurlijk veel meer gewild dan de 70 miljard die de
staatssecretaris aankondigde enzovoorts, maar wie weet wat we met moties
nog allemaal loskrijgen. We gaan het zien. Dank voor de beantwoording.
Ik snap heel goed in welk spectrum we zitten. De eerste motie luidt als
volgt.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat budget is gereserveerd voor het project Rail Ghent
Terneuzen, maar dat een startbeslissing uitblijft;
verzoekt de regering in afstemming met de Vlaamse regering zo snel
mogelijk, liefst binnen een maand, een startbeslissing te nemen voor het
project Rail Ghent Terneuzen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Stoffer, Grinwis, De Hoop en
Goudzwaard.
Zij krijgt nr. 25 (36800-A).
De heer Stoffer (SGP):
De tweede motie luidt als volgt.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de komst van station Dordrecht-Leerpark bijdraagt aan de
noodzakelijke vermindering van de verkeersdrukte op de A15, waar de
beoogde verbreding is gepauzeerd;
overwegende dat budget is gereserveerd voor realisatie van het station
Dordrecht-Leerpark;
van mening dat de procedure voor realisatie van station
Dordrecht-Leerpark niet onnodig afhankelijk gemaakt moet worden van
andere projecten binnen het MIRT-project Oude Lijn en onnodige
vertraging voorkomen moet worden;
verzoekt de regering op korte termijn te starten met de procedure voor
daadwerkelijke realisatie van station Dordrecht-Leerpark,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Stoffer, Grinwis, De Hoop en
Goudzwaard.
Zij krijgt nr. 26 (36800-A).
De heer Stoffer (SGP):
Dat was het, voorzitter. Dank u wel.
De voorzitter:
Ruim binnen de tijd. Qua snelheid is dit een soort van tweeminutendebat,
zou ik willen zeggen, binnen een commissiedebat. Netjes.
We gaan door naar de heer Van Asten namens D66. U heeft nog vijftien
minuten, dus ik verwacht heel veel vuurwerk.
De heer Van Asten (D66):
Gaat u er even voor zitten, voorzitter. Nee, ik zal die spreektijd
waarschijnlijk niet helemaal nodig hebben.
Ik dank de minister en de staatssecretaris voor hun antwoorden. Respect
voor de rondjes Nederland die op hoog tempo moesten worden gemaakt, met
alle wegnummers die voorbijkwamen, de kanalen en de rivieren des lands;
daar kwam toch weer even de topo van de lagere school voorbij. Het laat
zien dat we een enorme waslijst aan projecten hebben in dit land en dat
eigenlijk het gros van die projecten nu een beetje in de problemen
begint te komen, vanwege stikstof, vanwege budgetten die ontoereikend
zijn of vanwege een fasering die ontoereikend is. Dat vraagt natuurlijk
eigenlijk om een groot debat over de manier waarop wij dit soort
projecten aanvliegen.
Nu beginnen we overal in het land gesprekken en gaan dan naar die 75%
toe om te kijken of we echt een verkenning kunnen starten, maar daar
begint vaak het ongemak: vaak is het namelijk niet te realiseren en dat
komt soms ook door ons als Kamer. Als we eindelijk het geld hebben voor
een bepaald project, zul je net zien dat er een motie wordt ingediend om
toch weer een stapje terug te gaan doen naar die 75%, zodat we iets
anders kunnen financieren met dat geld. Dat zegt niets over het andere
project, maar eigenlijk zetten we daarmee alweer een hypotheek op de
toekomst. Dat moet echt anders en daar moeten we wat uitgebreider de
tijd voor nemen dan in dit debat mogelijk is, want dat lukt ook mij niet
in mijn vijftien minuten spreektijd. Maar dat gesprek moet wel gevoerd
worden, want anders gaan we alleen nog chagrijniger naar elkaar zitten
kijken en gebeurt er uiteindelijk niet zo veel. Dat is misschien wel
heel negatief gezegd, want er gebeurt natuurlijk behoorlijk wat goeds,
met alle projecten die we wel uitvoeren.
Voorzitter. Ik heb twee moties klaarliggen maar ga die nu niet indienen,
want het zijn moties die zien op een verandering van het systeem. Het
gaat over de twee onderwerpen die ik heb aangedragen, te eerste de
mobiliteitsmaatregelen bij de woningbouwlocaties. Ik had een discussie
met de staatssecretaris over welke mobiliteitsmix gemeentes nu gaan
inzetten om ervoor te zorgen dat zij woningbouw op een goede manier
kunnen realiseren en welk bedrag zij tekortkomen voor
mobiliteitsmaatregelen. Die twee gaan natuurlijk wel hand in hand, want
op het moment dat daar door gemeentes of door regio's keuzes in worden
gemaakt die eigenlijk betekenen dat wij meer geld zouden moeten
neerleggen voor die extra maatregelen, zou je toch kunnen denken dat dat
beter moet.
Ik hoorde de staatssecretaris zeggen — ik hoop dat ik hem juist
parafraseer — dat het een kwestie is van "en-en-en-en-en". Ik heb er
vijf geteld. Misschien waren het er vier; misschien waren het er zes.
Maar ik vind in mobiliteitsland een "en-en-oplossing" al een heel groot
risico. Ik heb het vaak ook in de Haagse raad meegemaakt. Dan was het
"verkeer en veiligheid is belangrijk én volledige toegang voor de auto".
En-en bestaat vaak niet. Daarover moeten we dus nog eens goed de degens
gaan kruisen. Dat doe ik graag. Volgens mij staat er in april een
strategisch debat over het MIRT gepland. Dan ga ik daarop door; wie weet
zal die motie dan alsnog het levenslicht zien.
Hetzelfde geldt voor de andere motie die ik daarbij had. Die ging over
"de eerste paal is een haltepaal". De staatssecretaris gaf aan dat 52%
van de aanvragen met ov te maken heeft. Dat vind ik eigenlijk nog te
weinig. Het zouden er meer mogen zijn. Maar goed, dat ligt ook aan de
aanvrager. Maar dat was niet zozeer het punt dat ik hier wilde maken.
Het punt was dat ov-voorzieningen moeten worden aangevraagd voordat de
woningbouw er is. Bij heel veel van dit soort projecten zit het ov er
wel in, maar komt het er pas na afloop van het bouwproject. Ik zeg
direct "hand in eigen boezem", want bij de Binckhorst hier in Den Haag
ligt de trambaan er ook nog niet, terwijl de huizen wel opgeleverd
worden. Dat levert problemen op en zeker ook veel ongemak bij de
bewoners. Dat moeten we beter kunnen doen. Daar gaan we strategisch over
doorpraten op 22 april. Vandaar dat ik deze motie dan ook nog even in de
zak hou.
Tot slot, voorzitter. Nogmaals dank. Ik schrik van enkele getallen die
hier zijn genoemd: de 500 miljoen die we op de A7 tekortkomen, de 29 mol
stikstof die op Hoevelaken staat. Het land zit vast en daar moeten we
echt doorheen.
Tot allerlaatste slot de Gerrit Krolbrug. Ik ben blij dat de minister
hier inging op wat hij nog van plan is om te doen om te zorgen dat er
toch een oplossing komt voor de vele, vele fietsers en wandelaars die
hier dagelijks gebruik van maken.
Tot zover, voorzitter.
De voorzitter:
Ik dank u wel. Op 22 april is er inderdaad een debat over strategische
keuzes bereikbaarheid gepland als start van de MIRT-cyclus in deze
Kamer. Meneer Grinwis, twee minuutjes.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel. Ik heb drie moties.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
verzoekt de regering samen met alle betrokken partijen in Nederland en
België onderzoek te doen naar de kansen van de Maasspoorbrug als
onderdeel van een toekomstige hernieuwde spoorverbinding
Maastricht-Hasselt, de Kamer te informeren over de resultaten en zolang
dit onderzoek loopt en er nog geen conclusies aan zijn verbonden, niet
over te gaan tot het schrappen van deze spoorbrug uit de
hoofdspoorweginfrastructuur,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Grinwis, Stoffer, Goudzwaard en
De Hoop.
Zij krijgt nr. 27 (36800-A).
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Motie twee.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat op het laatste moment noodzakelijk vervangend
onderhoud en de afgesproken vernieuwing van emplacement Haarlem niet
gecombineerd dreigen te worden, met als gevolg dat hierdoor op een later
moment het station en de rails nogmaals intensief moeten worden verbouwd
om voor de hele corridor Amsterdam-Haarlem-Den Haag te kunnen voldoen
aan het in de concessie hoofdrailnet opgenomen aantal treinen per
uur;
constaterende dat door een verbouwing in twee stappen de hinder voor
reizigers toeneemt en de kosten ruim 50 miljoen euro hoger komen te
liggen dan het geval zou zijn bij een aanpassing in één keer;
overwegende dat de gemeente Haarlem bereid is het nu ontbrekende bedrag
van 62 miljoen euro zo nodig voor te financieren;
verzoekt de regering de dreigende verspilling van 50 miljoen euro te
voorkomen en binnen de meerjarenbegroting de komende tijd nogmaals te
zoeken naar ruimte om emplacement Haarlem in één keer toekomstbestendig
te verbouwen en zo de komst van extra treinen mogelijk te maken, en
hierover voor de aanbesteding begint duidelijkheid te verschaffen aan
Rijk en regio,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Grinwis, De Hoop, Stoffer en
Goudzwaard.
Zij krijgt nr. 28 (36800-A).
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter. We stemmen pas nadat het coalitieakkoord het licht heeft
gezien, dus dan zal de dekking ook aan de horizon verschijnen.
Voorzitter. Ten slotte de laatste motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat Drenthe, Fryslân, Groningen en Zeeland nog geen 1% van
de recent door het kabinet voor woningbouw en bereikbaarheid toegewezen
middelen ontvangen, en dat bijvoorbeeld de Regio Groningen-Assen slechts
0,06% van de beschikbare 2,5 miljard voor bereikbaarheid van nieuwe
woningbouwlocaties tegemoet mag zien, terwijl hij voorziet in 3,2% van
de landelijke woningbouwopgave;
overwegende dat er een lijst is met afgevallen projecten waar geen
WoKT-middelen (Woningbouw op Korte Termijn) meer voor beschikbaar
waren;
van mening dat elke regio telt en dat ook kleinere gemeenten met
kleinere woningbouwopgaven in aanmerking moeten kunnen komen voor
landelijke ondersteuning;
verzoekt de regering binnen de lijst met afgevallen projecten voor
WoKT-middelen, zodra er weer middelen vrijvallen dan wel beschikbaar
komen, voorrang te geven aan woningbouwprojecten in Drenthe, Fryslân,
Groningen en Zeeland;
verzoekt de regering bij eventuele volgende investeringsrondes in
woningbouw en de daartoe noodzakelijke infrastructuur regionale, dus
gebundelde lokale, aanvragen mogelijk te maken, zoals dat bij de
Woningbouwimpuls ook het geval is, zodat de kans groter wordt dat
financiële ondersteuning van het Rijk evenwichtiger over ons land wordt
gespreid,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Grinwis, De Hoop, Stoffer, Peter
de Groot, Goudzwaard, Boelsma-Hoekstra en Van Asten.
Zij krijgt nr. 29 (36800-A).
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Tot zover, voorzitter. Ik dank ook de beide bewindspersonen voor de
beantwoording in eerste termijn.
De voorzitter:
En uw collega's mag u ook bedanken voor een klein beetje extra
tijd.
(Hilariteit)
De voorzitter:
We weten dat u altijd lang van stof bent, maar drie moties … Wat een
lange moties!
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Mijn tip is: altijd de langste motie voor het laatst bewaren.
De voorzitter:
Ja, want als iemand eenmaal begonnen is met lezen, is het toch moeilijk
afkappen. Ik dacht: waar blijft die mooie motie toch? Gelukkig kunnen we
ook een beetje plezier hebben vandaag; dat is altijd mooi. Meneer
Goudzwaard, u bent aan de beurt. Gaat uw gang.
De heer Goudzwaard (JA21):
Dank, voorzitter. Er zijn twee moties van mijn kant. De eerste
motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat georganiseerde ondermijnende criminaliteit zich in
toenemende mate verplaatst van grote mainports naar kleinere zee- en
binnenhavens;
constaterende dat het Rijk via het MIRT investeert in infrastructuur en
logistieke voorzieningen in kleine zeehavens, maar dat veiligheids- en
weerbaarheidsaspecten daarbij niet standaard expliciet worden
meegewogen;
overwegende dat investeringen in haveninfrastructuur alleen
toekomstbestendig zijn wanneer zij gepaard gaan met adequate aandacht
voor veiligheid, weerbaarheid en de aanpak van ondermijning;
overwegende dat effectieve borging van deze aspecten vraagt om
structurele afstemming tussen het ministerie van Infrastructuur en
Waterstaat en het ministerie van Justitie en Veiligheid;
verzoekt het kabinet om bij MIRT-investeringen in kleine zeehavens
standaard een veiligheids- en weerbaarheidstoets toe te passen, in
samenhang en afstemming met het ministerie van Justitie en Veiligheid,
en de uitkomsten hiervan te betrekken bij besluitvorming over deze
investeringen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Goudzwaard, Grinwis en
Stoffer.
Zij krijgt nr. 30 (36800-A).
De heer Goudzwaard (JA21):
Dan de laatste.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Lelylijn van groot nationaal belang is voor de
bereikbaarheid, de economische ontwikkeling en de leefbaarheid van
Noord- en Oost-Nederland;
constaterende dat in eerdere besluitvorming middelen die waren
gereserveerd voor de Lelylijn zijn aangewend voor andere doelen,
waardoor het vertrouwen in de continuïteit van deze reservering is
geschaad;
overwegende dat het behalen van de vereiste 75% financiering vraagt om
bestuurlijke zekerheid, voorspelbaarheid en langjarige financiële
borging vanuit het Rijk;
overwegende dat het Mobiliteitsfonds ruimte biedt voor het aanhouden van
geoormerkte reserveringen, waarbij het begrotingsrecht van de Kamer
volledig van toepassing blijft;
verzoekt het kabinet de middelen voor de Lelylijn als aparte, expliciet
geoormerkte reservering in het Mobiliteitsfonds op te nemen en deze niet
aan te wenden voor andere doelen zonder voorafgaande expliciete
instemming van de Tweede Kamer,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Goudzwaard, Grinwis en De
Hoop.
Zij krijgt nr. 31 (36800-A).
De heer Goudzwaard (JA21):
Dat was het, voorzitter. Dank u wel.
De voorzitter:
Kijk eens aan. Dank u wel. Mevrouw Boelsma, gaat uw gang.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb één motie, maar ik wil eerst in het
algemeen iets zeggen. Ik begon mijn betoog met de vraag of we hier niet
onze eigen teleurstelling organiseren. Volgens mij hebben we het
daarover gehad. Ik tel mijn zegeningen altijd, dus ik zal de positieve
puntjes even uitlichten. Ik wil de minister en de staatssecretaris
bedanken voor de beantwoording, voor de eerlijke beantwoording. Ik denk
dat het eerlijke verhaal heel belangrijk is; daarmee komen we verder. We
moeten elkaar wel serieus nemen. Dank dus daarvoor.
Dan de positieve zaken die ik nog even wil benadrukken voor de
verslaggeving en om daar de focus op te leggen. Allereerst het feit dat
wordt gekeken naar de wegingsfactoren voor de WoKT-middelen en dat deze
voor een eventuele volgende tranche goed met de regio worden besproken.
Ik vind het heel mooi dat dat opgepakt wordt, dus dank daarvoor.
Het tweede punt betreft de Gerrit Krolbrug en Terschelling. Ik heb heel
goed geluisterd naar de minister. Volgens mij is het zijn intentie om
het te regelen. Dat vind ik hartstikke mooi, dus daar ben ik hem
dankbaar voor; ik denk dat dat ook geldt voor de gebieden die het
betreft. Daarnaast heb ik ook de zorg over bruggen in het algemeen van
de minister gehoord en dat hij daarmee aan de slag gaat. Dank voor de
beantwoording en voor de lichtpuntjes in een MIRT-debat waarbij we
eigenlijk met z'n allen op onze handen zitten, de tribune heel erg vol
is, maar we wel heel eerlijk moeten zijn dat het lastig is om iets te
realiseren.
Ik wil één motie indienen en lees die nu even voor. De motie gaat over
de grootschalige woningbouwprojecten van steden die tussen wal en schip
zijn geraakt.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat Alkmaar, Apeldoorn, Hengelo-Enschede en Helmond zijn
aangewezen als nieuwe, grootschalige woningbouwgebieden en ze daarmee
geen aanspraak meer maken op financiering vanuit de WoKT-gelden voor de
infrastructurele ontsluiting van deze gebieden;
overwegende dat er voor deze vier gemeenten ook nog geen perspectief is
op financiering vanuit de middelen voor de infrastructurele ontsluiting
van grootschalige woningbouwlocaties;
overwegende dat deze vier woningbouwgebieden daarmee tussen wal en schip
vallen wat betreft financiering voor de noodzakelijke infrastructurele
ontsluiting;
overwegende dat de woningbouw in deze vier gebieden daardoor onnodig
vertraging kan oplopen;
verzoekt de regering ervoor te zorgen dat zodra er aanvullende middelen
voor mobiliteit bij grootschalige woningbouw beschikbaar worden gesteld,
deze vier woningbouwgebieden als eerste in aanmerking komen voor
toekenning van deze middelen, zodat de woningbouw op deze locaties niet
onnodig vertraagd wordt,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Boelsma-Hoekstra, Peter de
Groot, Van Asten, Heutink, Stoffer en Grinwis.
Zij krijgt nr. 32 (36800-A).
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Tot zover.
De voorzitter:
Dank voor uw inbreng. Het woord is aan de heer Jansen.
De heer Chris Jansen (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Dank aan beide bewindspersonen. Volgens mij heb
ik nog een aantal minuten over, maar ik ga ze niet allemaal gebruiken.
De heer Grinwis kon moeiteloos wat seconden van mij lenen,
voorzitter.
Net als de heer Van Asten van D66 zal ik geen moties indienen, maar mijn
motivatie hiervoor is iets anders. Als we kijken naar de huidige
situatie, zien we dat dit kabinet al een tijdje op sterven na dood is.
Ik ben benieuwd — "benieuwd" is misschien niet het goede woord;
misschien is "huiverig" beter — naar de voorstellen van het nieuwe
kabinet, met alle negatieve gevolgen voor bijvoorbeeld de automobilist,
dat een kneiterlinks beleid op ons zal gaan afvuren. Ik bewaar mijn
moties dus graag voor de nieuwe situatie.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan vraag ik nog even aan de heer De Hoop of hij het
voorzitterschap kan overnemen.
Voorzitter: De Hoop
De voorzitter:
Dat zal ik doen. Dan geef ik nu het woord aan de heer Peter de Groot
namens de VVD-fractie.
De heer Peter de Groot (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Allereerst hartelijk aan de minister en
staatssecretaris voor de beantwoording van de vragen. De meeste vragen
zijn beantwoord, maar ik heb toch een drietal moties voorbereid, die wat
richting geven aan de uitwerking. Die gaan er niet zozeer over dat ik
verwacht dat er geschoven gaat worden met geld of anderszins, maar zij
betreffen alvast wat voorbereidende werkzaamheden voor de komende
maanden.
De eerste gaat over woningbouw en mobiliteit. Er zijn al twee goede
moties ingediend, die ik ook mede heb ingediend. Die gaan over de
regio's, het Noorden en het Zuiden van het land en over de grootschalige
woningbouwgebieden. Aanvullend daarop heb ik nog een motie die gaat over
de middelgrote gemeenten en over een prioritering daarvan, zodat we er
zicht op krijgen welke gemeentes een goed bod hebben gedaan. De motie
luidt als volgt.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat snelle woningbouw alleen gerealiseerd kan worden als
de bijbehorende mobiliteitsmaatregelen tijdig worden uitgevoerd;
constaterende dat bij de recente verdeling van WoKT-middelen voor
mobiliteit bij woningbouw meerdere gemeenten met inhoudelijk voldoende
en goed voorbereide aanvragen geen toekenning hebben gekregen vanwege
budgettekort;
verzoekt de regering een lijst van gemeenten te maken met afgewezen maar
inhoudelijk voldoende aanvragen voor mobiliteitsmaatregelen bij
woningbouw, zoals de gemeente Tiel;
verzoekt de regering deze lijst te prioriteren naar snel te realiseren
woningbouw en de Kamer hierover te informeren bij de eerstvolgende
MIRT-voortgangsrapportage,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Peter de Groot, Grinwis,
Boelsma-Hoekstra en Van Asten.
Zij krijgt nr. 33 (36800-A).
De heer Peter de Groot (VVD):
De tweede motie gaat over knooppunt Hoevelaken.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Kamer eerder moties heeft aangenomen waarin
knooppunt Hoevelaken is aangemerkt als prioriteit binnen de gepauzeerde
MIRT-projecten;
constaterende dat in vervolg hierop is verzocht om een gefaseerde
aanpak, inclusief het inrichten van een projectteam en afspraken met de
regio;
overwegende dat knooppunt Hoevelaken van cruciaal belang is voor de
doorstroming op de A1 en de A28, en voor de bereikbaarheid van
Oost-Nederland;
verzoekt de regering uiterlijk bij de volgende MIRT-brief een gefaseerde
aanpak uit te werken en concreet inzicht te geven in de planning,
fasering en besluitmomenten voor knooppunt Hoevelaken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Peter de Groot en Stoffer.
Zij krijgt nr. 34 (36800-A).
De heer Peter de Groot (VVD):
De derde motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat infrastructuur een essentiële randvoorwaarde vormt
voor nationale weerbaarheid en militaire inzetbaarheid en wegen, bruggen
en oeververbindingen cruciaal zijn voor de verplaatsing van militair
materieel, personeel en strategische voorraden;
constaterende dat in de regio Flevoland sprake is van de ontwikkeling
van grootschalige defensievoorzieningen met een aanzienlijke
mobiliteitsimpact;
overwegende dat de oeververbinding bij de sluis van Nijkerk (de
Nijkerkerbrug) een cruciale schakel vormt in de verbinding tussen
Gelderland en Flevoland en deze verbinding niet alleen economisch en
regionaal van belang is, maar ook strategisch in het kader van nationale
veiligheid en militaire mobiliteit;
verzoekt de regering de oeververbinding bij de sluis van Nijkerk als
strategische infrastructuur aan te merken en samen met de regio en het
ministerie van Defensie te bezien welke investeringen noodzakelijk zijn
om deze verbinding toekomstbestendig en robuust te maken, en de Kamer
hier dan over te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Peter de Groot.
Zij krijgt nr. 35 (36800-A).
De heer Peter de Groot (VVD):
Tot zover.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw bijdrage, meneer de Groot, namens de VVD-fractie. Dan
draag ik het voorzitterschap weer aan u over.
Voorzitter: Peter de Groot
De voorzitter:
Ik dank u wel. Ik denk dat we alle leden in de tweede termijn van de
kant van de Kamer hebben gehoord. Ik kijk even naar de minister om te
weten hoeveel tijd er nodig is voor de schorsing voor het voorbereiden
van de appreciatie van de moties.
Minister Tieman:
Tien minuten. Ik heb ook nog twee zaken waar ik nog heel even op kan
terugkomen, waar ik net geen antwoord op had.
De voorzitter:
Ja, dat mag in de tweede termijn, zo meteen. Ik stel voor dat we dan
schorsen tot 16.55 uur. Ik schors de vergadering tot 16.55 uur.
De vergadering wordt van 16.42 uur tot 16.57 uur geschorst.
Minister Tieman:
Voorzitter, dank u wel. Ik zou nog kort terugkomen op de vraag van de
heer Grinwis over de Westerscheldetunnel: wat is er nog te doen aan de
afsluiting van vier maanden van de Oostbuis richting Borsele? Volgend
jaar — in 2027 leven we dan — vinden de herstelwerkzaamheden plaats van
de betonschade in de Oostbuis. Tijdens de herstelwerkzaamheden aan de
Oostbuis is alleen de Westbuis beschikbaar voor verkeer. Hoe de hinder
tijdens deze vier maanden beperkt kan worden, is momenteel nog in
onderzoek. De Westerscheldetunnel is een belangrijke verkeersader, die
Zeeuws-Vlaanderen met de rest van de provincie Zeeland en Nederland
verbindt. De tunnel heeft daarbij een belangrijke functie voor de
bereikbaarheid van het gebied. Om Zeeland zo optimaal mogelijk
bereikbaar te houden en de hinder zo veel mogelijk te beperken, worden
de werkzaamheden in de Westerscheldetunnel afgestemd op de door
Rijkswaterstaat uit te voeren werkzaamheden, zoals die aan de
Vlaketunnel. De impact op de beschikbaarheid van de tunnel en daarmee de
bereikbaarheid van het gebied is voor de N.V. Westerscheldetunnel een
belangrijk aandachtspunt.
Dan nog de vraag van de heer Grinwis over de gepauzeerde projecten van
minder dan 1 mol. Ik zat er eigenlijk net naast, want van de gepauzeerde
projecten hebben alleen de A6 Almere-Lelystad en de Van
Brienenoordcorridor een stikstofbijdrage onder de 1 mol. Als we die
uitspraak hebben, zouden deze twee er dus vrij snel overheen kunnen
gaan.
Tot zover, voorzitter. Dan kan ik nu overgaan tot de appreciatie van de
moties. Ik begin bij de motie op stuk nr. 20, over de Gerrit Krolbrug.
Met dien verstande dat ik echt nog op zoek moet naar de financiële
middelen, die ik dus niet heb, kan ik deze motie oordeel Kamer
geven.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 20 krijgt oordeel Kamer.
Minister Tieman:
Dan ga ik naar de motie op stuk nr. 23, over de N50. Die is creatief. We
hebben hier eerder over gesproken, net voor de zomer, en dit had toen
ook de steun van mevrouw Veltman. Oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 23 krijgt oordeel Kamer. Er is een vraag van de
heer Van Asten.
De heer Van Asten (D66):
Ik ging hier in mijn bijdrage zonet ook op in. Niks ten nadele van de
N50, die natuurlijk moet worden aangepakt, maar nu wordt er wel geld uit
het A27-budget gehaald. Betekent dit dus gewoon dat we dat traject dan
niet kunnen doen? Is dat hierbij dan tot nader order uitgesteld of
uitgesloten? Die 40 miljoen is namelijk ook niet op een andere manier te
halen. Daar hebben we namelijk de hele dag het debat over: er is geen
geld. Er is nu dus ook geen geld meer om dit project uit te
voeren.
Minister Tieman:
Met dit geld was het project sowieso niet uitgevoerd, want er is nog
veel meer nodig. Die verkenning loopt dus. Je moet daar dan op den duur
wel weer andere middelen bij suppleren, maar dan zouden we hier nu een
beweging op kunnen maken. Die verkenning loopt. Dat geld moet er op een
gegeven moment wel bijgeplust worden, maar er gaat nu niks de ijskast
in. Er loopt een verkenning.
De heer Van Asten (D66):
Nog één verduidelijkende vraag. Zijn er dan nog meer van die projecten
waar we eigenlijk vrijelijk geld uit kunnen halen omdat ze toch niet
worden uitgevoerd omdat er nog behoorlijk wat geld te halen is? Zo ja,
dan hebben we hier namelijk nog wat moties liggen die we daarmee gelijk
kunnen dekken.
De voorzitter:
Nou, er liggen hier natuurlijk geen andere moties, behalve de moties die
ingediend zijn.
Minister Tieman:
Dit was ook echt de afweging van de verkeersveiligheid voor die N-weg,
waar we al een hele lange tijd over spreken. Wat ik destijds van de BBB
en van de VVD vernam bij dat overleg, is dat de verbinding opeens vrij
ver naar voren kwam. Vandaar deze creatieve oplossing. Maar we gaan
gewoon door met de verkenning. Daar zal wellicht volgende maand alweer
een oplossing voor zijn; wie weet?
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Een kleine verduidelijkende vraag. Ik heb zelf nog gevraagd naar de
rijbaanscheiding. Toen noemde u ook al een bedrag dat ervoor beschikbaar
was. Of heb ik u verkeerd gehoord? Ik zit even te zoeken. Is dit een
aanvulling? U had het over 29 miljoen, maar ik weet niet of dat … Mijn
vraag is dus eigenlijk: wat is er nodig, is dit een plus daarop? Was er
dan 69 miljoen nodig?
Minister Tieman:
21 miljoen is beschikbaar en daar komt dit bovenop.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Wat is er dan precies nodig?
Minister Tieman:
Een rijbaanscheiding en een constructie tussen de banen.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Ik bedoel het bedrag eigenlijk.
Minister Tieman:
Als er te veel is, zouden we dat weer terug kunnen stoppen, maar 40
miljoen lijkt ruim voldoende. Maar dat kunnen we dan ook weer
terugbrengen, hè. Het is niet zo dat we dat helemaal alloceren op dat
onderwerp.
De voorzitter:
Mevrouw Boelsma, ik zie u heel verward kijken. Misschien heeft u nog een
vraag.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Ik ben zelf een beetje van de duidelijkheid; u ook, minister, heb ik in
de eerste termijn gehoord. Wat is er echt nodig, zodat we ook weten wat
er opgeplust moet worden op die 21 miljoen? Want dan weten we het bedrag
en kunnen we daar gericht naar kijken.
De voorzitter:
Wellicht kan de minister met een brief hierover komen voor de
stemmingen.
Minister Tieman:
Ja, laten we dat doen. Ik kom met een brief voor de stemmingen. Dat
lijkt me uitstekend. Ik geef u nu hier mee dat ik doorkrijg dat het
circa 40 miljoen is.
De voorzitter:
Dan noteren we dat in ieder geval. Vervolgt u de appreciaties
alstublieft.
Minister Tieman:
De motie op stuk nr. 30 van Goudzwaard, Grinwis en Stoffer: oordeel
Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 30 krijgt oordeel Kamer.
Minister Tieman:
De motie op stuk nr. 34 van de heren De Groot en Stoffer. Als ik de
motie zo mag lezen dat het voor het einde van het jaar is, dan kan ik de
motie oordeel Kamer geven. Het kwam nu net iets te vroeg. Ik heb tot het
einde van het jaar nodig. Als ik de motie zo mag lezen, dan geef ik 'm
oordeel Kamer.
De voorzitter:
Dit gaat over de motie op stuk nr. 34, hè?
Minister Tieman:
Ja, correct.
Dan de motie op stuk nr. 35, ten aanzien van de Nijkerkersluis, de brug
en het munitiedepot. Het is niet onze brug, ik heb ook het geld niet en
Defensie gaat erover, maar wij gaan in ieder geval in overleg met
Defensie. Met die opmerkingen die ik net heb gemaakt, kan ik 'm oordeel
Kamer geven.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 35: oordeel Kamer.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik heb nog een vraag over de motie op stuk nr. 34. Als de motie wordt
aangenomen, betekent dit dan dat de minister of zijn opvolger ook
inzicht geeft in wat de consequenties zijn en of het nodig is om de 29
mol-opgave op te lossen? Dat staat niet met nadruk genoemd in de motie,
maar ik neem aan dat dit er wel bij hoort.
Minister Tieman:
Ja. We zullen op dat moment meenemen wat we weten. We gaan dat traject
nu ook verder in. We nemen dat dan mee.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik ga er voor het gemak even van uit dat de andere moties
allemaal door de staatssecretaris worden geapprecieerd. Dat is niet zo'n
hele gekke aanname, denk ik. Ik kijk nog even één keer naar de minister
of al het werk gedaan is door hem. Ja? Dank u wel daarvoor. Dan geef ik
het woord aan de staatssecretaris.
Staatssecretaris Aartsen:
Dank, voorzitter. Een paar dingen nog vooraf. Voor de heer De Hoop moet
ik inderdaad een correctie toepassen op de geëlektrificeerde lijnen,
want in Noord-Nederland betreft het alle lijnen, behalve inderdaad
Leeuwarden-Meppel en Groningen-Meppel. "Behalve" is een belangrijk
tussengevoegd woordje, waar je soms overheen kan lezen in een zin.
Behalve die lijnen moeten dus inderdaad alle lijnen in Noord-Nederland
worden geëlektrificeerd.
Voorzitter. Voor de rest dank ik de heer Van Asten voor de goede analyse
over de MIRT-systematiek. Ik heb het idee dat hij het heel mooi
samenvatte, ook als het gaat om het gevoel van mevrouw Boelsma over
zelfgecreëerde teleurstellingen bij alle projecten die we hebben staan
in het projectenboek. Soms is er een beetje geld om iets in leven te
houden, maar je moet ook eerlijk en realistisch zijn over de vraag of
iets de eindstreep gaat halen zonder politieke keuzes, gelet op het
bestaande budget. Ik vond dat de heer Van Asten dat mooi samenvatte. Dat
biedt volgens mij ook goede hoop voor het onderzoek dat we nu doorzetten
naar de hervorming van de MIRT-systematiek. Ik kijk in ieder geval uit
naar de strategische discussie in april. Ik denk echt dat het belangrijk
is om en-en-en-en-en te hebben als het gaat om zowel met het openbaar
vervoer als met de auto kunnen rijden in ons land.
Voorzitter. Dan de moties. De motie op stuk nr. 21 gaat over indexatie.
Dat is een verzoek van de Kamer, dus dat gaan we netjes uitvoeren.
De motie op stuk nr. 22 gaat over de spoorknoop. Die motie moet ik
ontraden. We zijn namelijk al in gesprek geweest met de regio Eindhoven
over de vervolgstappen. Dat is allemaal al bekend. Het enige wat hier
nog ontbreekt, is geld om het te doen. Dus ja, deze motie kan ik vrij
snel uitvoeren, want we hebben dat overleg al gehad. Hier ontbreekt
simpelweg geld. Ik moet die motie dus ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 22: ontraden.
Staatssecretaris Aartsen:
Dat geldt ook voor de motie op stuk nr. 24. Er ontbreekt 4 miljard euro
voor de dekking van deze stap.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 24: ontraden.
Staatssecretaris Aartsen:
De motie op stuk nr. 25 kan ik wel oordeel Kamer geven, als ik de ruimte
krijg van de heer Stoffer om het niet binnen een maand te doen, want we
kunnen niet toveren. Als het binnen vier tot zes maanden mag, dan hoop
ik op zijn coulance en kunnen we die stap zeker zetten, want het is
absoluut onze ambitie om die startbeslissing te kunnen nemen.
De voorzitter:
Ik zie dat de heer Stoffer knikt. Daar zijn geen woorden voor
nodig.
Staatssecretaris Aartsen:
Mijn dank is groot. Dan kunnen we de motie oordeel Kamer geven.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 25: oordeel Kamer. Dan de motie op stuk nr.
26.
Staatssecretaris Aartsen:
De motie op stuk nr. 26 moet ik helaas wel ontraden. Om te kunnen
starten met de daadwerkelijke realisatie is 100% financiering nodig. Er
ontbreekt op dit moment nog 25 miljoen euro.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 26: ontraden.
Staatssecretaris Aartsen:
De motie op stuk nr. 27 vind ik een heel ingewikkelde, omdat hier ook
echt serieus iets speelt ten aanzien van de nautische veiligheid. Ik zou
deze motie graag als oordeel "ontijdig" willen geven, of eigenlijk het
verzoek willen doen om die aan te houden. Laat mij dan nog even een
brief sturen, ook in overleg met de minister, over wat er ten aanzien
van die brug speelt als het gaat om de nautische veiligheid en de
doorvaarroute. Als je dit doet, breng je de andere kant weer in de
problemen. Laat ons dat heel even netjes op papier zetten en dan komen
we daar nog even op terug. Het verzoek is dus om de motie aan te houden
of ontijdig te laten zijn.
De voorzitter:
Ik kijk even naar de heer Grinwis.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Dat wil ik op zich wel doen, maar stel dat de brug onderdeel zal blijven
van het ov-gebeuren, dan is die natuurlijk ook iets op te hogen. Er zijn
daar nog meer bruggen, die volgens mij nog meer problemen voor de
nautische veiligheid opleveren. Het is dus geen exclusief argument voor
deze brug. Dat wil ik wel terugzeggen. Maar oké, ik ben de beroerdste
niet, dus ik houd de motie bij dezen aan. Wil de staatssecretaris dan
ook wel in ogenschouw nemen dat deze brug dus niet geïsoleerd als een
enorm probleem zou moeten worden neergezet? Want andere bruggen kunnen
misschien nog wel grotere problemen opleveren.
Staatssecretaris Aartsen:
Ik zal zorgen voor een uitgebreide brief waarin al deze aspecten worden
meegenomen.
De voorzitter:
U heeft een toezegging gekregen en houdt de motie aan totdat de brief er
ligt.
Op verzoek van de heer Grinwis stel ik voor zijn motie (36800-A, nr. 27)
aan te houden.
Daartoe wordt besloten.
Staatssecretaris Aartsen:
Dan de motie op stuk nr. 28, voorzitter. Ik wil niet flauw doen, maar
zou bijna zeggen: ik mis de dekking van deze motie. Ik moet deze motie
namelijk ontraden omdat er op dit moment geen geld beschikbaar is om dit
te doen. Als de motie wordt aangenomen, kom ik een beetje ... Mevrouw
Boelsma zei het heel mooi: zijn we hier niet zelf teleurstellingen aan
het creëren? Dat is met deze motie toch wel een beetje het geval. Als de
motie wordt aangenomen, heb ik zo meteen twee keuzes. Als ik de motie
naast me neerleg, is iedereen blij met de Kamer en boos op het kabinet.
Volgens mij is dat ook niet goed voor het vertrouwen. Ik ben vanaf het
begin heel duidelijk geweest over de financiële situatie. Ik kan de
motie ook uitvoeren, maar dan hoor ik ook graag waar we het geld vandaan
moeten halen. Ik heb al aangegeven dat je het dan binnen de regio zelf
kunt zoeken. Dat is een rationale. Dan moet je het geld bij het
Zuidasdok of de Noord/Zuidlijn vandaan halen. Je zou kunnen zeggen: we
halen het uit de algemene post Lelylijn. Dat is een nog niet gealloceerd
deel buiten het Mobiliteitsfonds. Daar moet je aan denken voor dit soort
bedragen, maar ik hoor dan wel graag van de Kamer waar zij denkt dat we
dat geld vandaan moeten halen.
De voorzitter:
Ik kijk even naar de heer Grinwis.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel. Als mevrouw Van der Plas de motie zou indienen,
zou zij "A27" zeggen en dan zou de collega van deze staatssecretaris 'm
oordeel Kamer geven. Ik heb zelf natuurlijk overwogen of ik het wel of
niet zou inzetten. We krijgen natuurlijk aanstaande vrijdag een
coalitieakkoord met een financiële bijsluiter, hopelijk met iets meer
lucht voor IenW. Als er concreet gekozen zou moeten worden, vind ik het
in de rede liggen dat deze motie inderdaad wordt uitgevoerd binnen het
kader van de regio. Als er dus in schaarste gekozen moet worden, binnen
de huidige middelen, dan zou ik zeggen: kijk naar de noordelijke tunnel
van het Zuidasdok, want daar zit nu het grote tekort. Daarom wordt die
noordelijke tunnel voorlopig niet aangelegd, terwijl de zuidelijke
tunnel van het Zuidasdok wel wordt aangelegd. Dat zou ik mee willen
geven als interpretatie bij deze motie.
De voorzitter:
Ik kijk even naar de staatssecretaris.
Staatssecretaris Aartsen:
Laat mij dan even een compliment uitdelen, want het siert de heer
Grinwis dat hij dat duidelijk maakt. We zullen de motie dan ook op die
manier interpreteren. Als de Kamer deze motie aanneemt, zullen we het
geld daarvandaan halen. Dan moet het kabinet afwegen of het die motie
gaat uitvoeren, maar dan is de interpretatie van de motie in ieder geval
duidelijk. Desalniettemin blijft ie ontraden.
De voorzitter:
Het oordeel blijft ontraden, begrijp ik. Meneer De Hoop, wilde u nog een
punt maken?
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Als dat de interpretatie van de motie is, dat het gedekt moet worden uit
het Zuidasdok, wil ik niet meer mede-indiener van de motie zijn, want
dat is niet de dekking die ik voor mij zie.
De voorzitter:
De afstemming gaat nog niet vloeiend.
Staatssecretaris Aartsen:
Welke suggestie doet de heer De Hoop dan voor een dekking, zou ik
zeggen. De Lelylijn misschien?
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Ik heb nog ideeën voor hogere lasten op vermogens, maar die laat ik hier
maar even buiten.
De voorzitter:
Laat ik als voorzitter het volgende concluderen. De motie op stuk nr. 28
wordt ontraden. Of u de motie wel of niet wilt blijven ondertekenen,
kunt u met de indiener verder kortsluiten. Nee, ik sta geen verdere
toelichting op dit punt toe. Vervolgt u uw appreciatie,
staatssecretaris.
Staatssecretaris Aartsen:
Voorzitter. We hebben een paar moties zoals de motie op stuk nr. 29. We
hebben er even over zitten wikken en wegen, omdat we wel sympathie
hebben voor de verzoeken. Desalniettemin moeten we 'm wel ontijdig
geven, gewoon gelet op de situatie op dit moment, dat wij demissionair
zijn. Dit is, denk ik, echt een keuze die je aan een nieuw kabinet wilt
laten. Ik vind het ook niet chic, niet netjes, om over je graf heen te
regeren. Wij hechten er beiden wel echt aan, gelet op wat we net al
zeiden over terugwerkende kracht en dat we misschien iets beter hadden
moeten kijken naar het Noorden. Dat hebben we ook gewoon ruiterlijk
toegegeven. We kijken er dus sympathiek naar, maar nogmaals: gelet op
het feit dat er wellicht over een kleine drie weken een nieuw kabinet
zit, is het wel zo chic om het aan hen over te laten. Het staat de Kamer
natuurlijk vrij om daar zelf een oordeel over te vellen, maar wij geven
oordeel ontijdig.
De voorzitter:
Hij krijgt oordeel ontijdig. Helder. Vervolgt u de appreciatie.
Staatssecretaris Aartsen:
De motie op stuk nr. 31 wil ik, eigenlijk met dezelfde argumentatie, ook
"ontijdig" geven. Op dit moment wordt er gewerkt aan een masterplan en
aan een rapport van de heer Klaas Knot. Het is echt aan een nieuw
kabinet om daar een stap op te zetten. We hebben simpelweg spelregels
als het gaat om de aanvullende post en het Mobiliteitsfonds. Ik moet
deze motie dus het oordeel "ontijdig" geven.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 31 krijgt "ontijdig". Ik zie dat de heer Goudzwaard
'm toch gewoon indient.
Staatssecretaris Aartsen:
De motie op stuk nr. 32 over de WoMo-middelen krijgt met dezelfde
redenering ontijdig. Het is wel zo chic om dat over te laten aan een
nieuw kabinet.
De voorzitter:
"Ontijdig" voor de motie op stuk nr. 32.
Staatssecretaris Aartsen:
Dat geldt ook voor de motie op stuk nr. 33, voorzitter. Die is
sympathiek maar wel ontijdig. We laten het graag over aan een nieuw
kabinet.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 33 krijgt "ontijdig". Die is overigens
mede-ingediend door de heer Van Asten, maar dat is al aangegeven bij de
Griffie.
We gaan richting de afronding van dit debat. Dat doen we niet zonder dat
we de verdere administratie even op orde hebben gebracht. Dat zijn de
toezeggingen die zijn gedaan. Die nemen we even door. We kijken even of
die zowel door de leden als door de minister en staatssecretaris worden
herkend.
De minister van Infrastructuur en Waterstaat zegt toe de Kamer in de MIRT-voorjaarsbrief te informeren over de actuele ontwikkelingen en trends in het programma Woningbouw en Mobiliteit, vooruitlopend op de voortgangsrapportage die aan het einde van het jaar verschijnt.
Ik hoor dat de minister daarmee akkoord is.
De minister van Infrastructuur en Waterstaat zegt toe om in het Bestuurlijk Overleg MIRT met de medeoverheden te spreken over de timing van de voortgangsrapportage, aangezien deze pas laat in het jaar verschijnt, en daarover terug te koppelen aan de Kamer.
De minister van Infrastructuur en Waterstaat zegt toe te onderzoeken welke mogelijkheden er zijn voor nauwere samenwerking met het ministerie van Justitie en Veiligheid in het Platform Kleine Zeehavens op het gebied van het tegengaan van ondermijning bij die kleinere zeehavens. Dit is een toezegging aan de heer Goudzwaard.
Ik hoor dat de minister daarmee akkoord is.
De minister van Infrastructuur en Waterstaat zegt toe de Kamer voor het volgende MIRT-debat te informeren over de mogelijkheden tot het hanteren van een calamiteitenoversteek in de Vlaketunnel. Dat is een toezegging aan de heer Stoffer.
Ik hoor dat de minister daarmee akkoord is.
De Kamer wordt voor de zomer door de minister van Infrastructuur en Waterstaat schriftelijk geïnformeerd over de planning van het vervangen van de bruggen tussen Lemmer en Delfzijl.
De minister van Infrastructuur en Waterstaat zal de Kamer voor de zomer een brief sturen met de uitkomsten van het bestuurlijk overleg over de werkzaamheden die nodig zijn in de haven van Terschelling. Hierbij wordt de Kamer ook geïnformeerd over de planning.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Ik hoorde de minister nadrukkelijk "maart" zeggen en niet "voor de
zomer". Misschien heb ik dat verkeerd begrepen, maar gezien het debat is
het goed om scherp te hebben wanneer dat precies zal zijn.
De voorzitter:
Ik hoor "zo snel mogelijk". Dan passen we dat aan. Dat is niet heel
smart, want dat kan heel lang duren. Dan is het alsnog zomer.
De minister van IenW laat de Kamer voor de stemmingen over de moties — het is goed om te vermelden dat dat volgende week dinsdag is — schriftelijk weten hoeveel budget er nodig is voor het aanbrengen van de rijbaanscheiding op de N50. Deze toezegging is gedaan naar aanleiding van vragen van mevrouw Boelsma.
Dit waren de toezeggingen. We zijn aan het einde van dit debat
gekomen. O, de heer Grinwis heeft nog een vraag.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Wordt de brief over de spoorbrug bij Maastricht en nautische veiligheid
et cetera als een aparte toezegging genoteerd?
De voorzitter:
Die kunnen we wel noteren als een aparte toezegging. Dan schrijven we
die op als de achtste toezegging.
We hebben het lijstje met toezeggingen gedaan. Ik wil nog even memoreren
dat we volgende week dinsdag 3 februari stemmen over de vandaag
ingediende moties.
We zijn aan het einde gekomen van dit debat. Ik wil iedereen op de
publieke tribune hartelijk danken voor de aanwezigheid en de
belangstelling. Ik wil ook de mensen die dit debat op afstand hebben
gevolgd hartelijk danken. Nogmaals dank aan de minister, de
staatssecretaris en de ambtelijke ondersteuning voor vandaag. Dank aan
de leden en dank aan de griffie en de bodes voor het mogelijk maken van
deze vergadering vandaag. Ik wens u allen verder een mooie dag. Ik sluit
het debat.
Sluiting 17.20 uur.
ONGECORRIGEERD STENOGRAM Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden ontleend. Uit ongecorrigeerde verslagen mag niet letterlijk worden geciteerd. Inlichtingen: verslagdienst@tweedekamer.nl |
|---|