Antwoord op vragen van het lid Van Oosterhout over het Sectorakkoord Gaswinning op Land
Antwoord schriftelijke vragen
Nummer: 2026D04036, datum: 2026-01-28, bijgewerkt: 2026-01-29 11:08, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: S.T.M. Hermans, minister van Klimaat en Groene Groei (Ooit VVD kamerlid)
- Brief Wetterskip Fryslân - Bestuurlijk overleg d.d. 16 oktober 2025 over Sectorakkoord land
- Brief Provincie Drenthe - Bestuurlijk overleg d.d. 16 oktober 2025 over Sectorakkoord land
- Brief Provinsje Fryslân - Bestuurlijk overleg d.d. 16 oktober 2025 over Sectorakkoord land
- Brief Provincie Groningen - Reactie op sectorakkoord gaswinning op land
- Beslisnota bij Kamerbrief Antwoord op vragen van het lid Van Oosterhout over het Sectorakkoord Gaswinning op Land
Onderdeel van zaak 2026Z00998:
- Gericht aan: S.T.M. Hermans, minister van Klimaat en Groene Groei
- Indiener: A.S. van Oosterhout, Tweede Kamerlid
- Voortouwcommissie: TK
Preview document (🔗 origineel)
AH 984
2026Z00998
Antwoord van minister Hermans (Klimaat en Groene Groei) (ontvangen 28 januari 2026)
1
Kunt u alle ingediende zienswijzen op het Sectorakkoord en met
name deze van bewoners en lokale besturen, inclusief de provincies en
waterschappen, met de Kamer delen?
Antwoord
In de werkwijze is gekozen voor een aanpak van gesprekken met medeoverheden. Deze hadden een open en informeel karakter. Daarom zijn er ook geen woordelijke verslagen van gemaakt. Die aanpak is bewust gekozen om medeoverheden de ruimte te geven om te kunnen spreken over de “hoe-vraag” (als gaswinning nodig is, hoe kan dat zo goed mogelijk voor de omgeving worden gedaan), terwijl veel van hen liever geen (nieuwe) gaswinning in hun regio wensen. Naar aanleiding van de gesprekken heeft een aantal van hen een zienswijze op schrift ingediend. Deze zijn bijgevoegd.
2
Ziet u op basis van deze zienwijzen een breed gedragen lokaal draagvlak voor gaswinning op land, zowel bij overheden als bij burgers in de buurt van potentiële gaswinningslocaties? Zo ja, waaruit precies blijkt dat draagvlak? Zo nee, hoe zult u met het gebrek aan draagvlak omgaan?
Antwoord
Het kabinet heeft voor het programma Duurzaam Gebruik Diepe Ondergrond in het voorjaar van 2025 onder inwoners een online raadpleging over toekomstig gebruik van de diepe ondergrond laten uitvoeren1. Die raadpleging ging onder andere over aardgas- en zoutwinning, aardwarmte- en energieopslag. Meer dan 5.000 Nederlanders deden mee en gaven suggesties over waar de overheid rekening mee moet houden bij het gebruik van de diepe ondergrond en locatiekeuzes hiervoor.
Uit de raadpleging blijkt onder meer dat 60 - 70% van de respondenten het gebruik van de diepe ondergrond in de toekomst in brede zin steunt, vooral om energie betaalbaar te houden en minder afhankelijk te worden van het buitenland, mits dit gebruik veilig gebeurt. Dit sluit aan bij de uitgangspunten van het ‘Sectorakkoord gaswinning in de energietransitie’. Bij het afwegen van locaties is bijvoorbeeld het beschermen van natuurgebieden voor veel deelnemers een belangrijk aandachtspunt. Mensen die eerder schade hebben ervaren door ondergrondse activiteiten – zoals door gaswinning uit het Groningenveld - geven andere prioriteiten aan. Zij zijn over het algemeen terughoudender over toekomstig gebruik, vooral als het gaat om aardgas- of oliewinning. Deze groep vindt dat eerst bestaande schade goed moet worden opgelost en dat er geen nieuwe schade mag ontstaan. De inzichten uit de raadpleging worden meegenomen in de verdere uitwerking van het programma Duurzaam Gebruik Diepe Ondergrond. Op 22 januari 2026 is de Tweede Kamer over de voortgang van het programma geïnformeerd2.
Met de gemaakte aanvullende afspraken voor gaswinning op land beoogt het kabinet bij te dragen aan het maatschappelijk draagvlak voor gaswinning op land. Deze afspraken voor gaswinning op land zijn een aanvulling op het bestaande kader en dragen onder meer bij aan meer transparantie over gaswinning in de transitieperiode, het versterken van de betrokkenheid van de omgeving en batendeling voor de omgeving. Veilige en verantwoorde winning blijft daarbij centraal staan. Zie ook het antwoord op vraag 5.
3
Hoe onderbouwt u de stelling van EBN dat het sectorakkoord conform het klimaatakkoord van Parijs zou zijn, in het licht van de vaststellingen van het Internationaal Energie Agentschap en andere wetenschappelijke bronnen dat er geen ruimte is voor nieuwe velden als we de 1,5 °C willen halen, en is scope 3 van in Nederland op te pompen gas in die overweging meegenomen?
Antwoord
In de overgang naar een klimaatneutraal energiesysteem blijft aardgas voorlopig nog nodig. Hierbij heeft het kabinet een voorkeur voor aardgas met zo min mogelijk klimaatimpact en zo min mogelijk afhankelijkheid van andere landen. Met het “Sectorakkoord Gaswinning in de Energietransitie” en de “aanvullende afspraken voor gaswinning op land” zet het kabinet in op opschaling van gaswinning uit gasvelden op de Noordzee en een verantwoorde afbouw van gaswinning op land. Het wettelijk vastgelegde klimaatdoel voor 2030 is 55% CO2-reductie (ten opzichte van de emissies in 1990). Voor het nastreven van de klimaatdoelen stuurt het kabinet op het verminderen van het gebruik van fossiele brandstoffen en is de binnenlandse winning daaraan volgend. Dit is ook in lijn met de afspraak in het Noordzeeakkoord dat de Nederlandse gaswinning op de Noordzee in ieder geval onder het niveau van de binnenlandse aardgasvraag blijft. Daarmee dient de winning in Nederland enkel om import van nog meer buitenlands gas zoveel mogelijk te beperken.
Volgens de jaarlijkse prognose van TNO in het “Jaarverslag Delfstoffen en Aardwarmte”3 past een opschaling van de gaswinning op de Noordzee en verantwoorde afbouw van gaswinning op land binnen het meest progressieve aardgasvraagreductiescenario. Ook met een tijdelijk hogere gasproductie op de Noordzee en tijdelijke stabilisatie van gaswinning op land blijft dit volume ruim onder wat er binnen Nederland wordt gebruikt aan aardgas.
Ten aanzien van de mondiale CO2-emissies is het beter voor het klimaat om het benodigde gas in Nederland te winnen in plaats van dat aardgas te importeren zolang aardgas nog noodzakelijk is in onze energietransitie. Zie ook het antwoord op vraag 4. Daarnaast draagt binnenlandse gasproductie bij aan de gasleveringszekerheid en biedt het ook economische voordelen zoals werkgelegenheid, gasbaten en behoud van kennis en infrastructuur die ingezet kan worden ten behoeve van de energietransitie.
Voor scope 3 emissies maakt het niet uit waar dit gas vandaan komt. Over de uitspraak van het Europees Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) inzake scope 3 ontvangt de Kamer in Q1 2026 een nadere analyse.
4
Kunt u de Kamer een vergelijking doen toekomen van de uitstoot van
broeikasgassen over de gehele levenscyclus (dus inbegrepen scope 1, 2 en
3) van in Nederland gewonnen gas met gas gewonnen in de vijf
belangrijkste aan Nederland gas leverende landen, gezien u schrijft dat
gas uit eigen bodem klimaatvriendelijker is dan ander gas?
Antwoord
De klimaatafdruk (CO2-equivalenten) van winning en transport (scope 1 en 2) van Nederlands aardgas is vergelijkbaar met het Noorse aardgas dat via pijpleidingen geïmporteerd wordt. Dit is veel lager dan de klimaatafdruk van import uit overige landen zoals LNG (vloeibaar gas) uit de VS (36% lager). Scope 3 emissies (die het gevolg zijn van het verbruik van aardgas) zijn voor elk gas hetzelfde, ongeacht waar het vandaan komt. Zie voor een verdere specificatie (scope 1, 2 en 3) de infographic 2023 van Energie Beheer Nederland4.
Vergelijkbare uitkomsten volgen uit het onderzoek “Ketenemissies aardgasmix 2022-2023” dat Royal HaskoningDHV in opdracht van Rijkswaterstaat heeft uitgevoerd5. In dat onderzoek zijn de broeikasemissies in de toeleveringsketen geactualiseerd voor in Nederland geconsumeerd aardgas van G-gas en van H-gas kwaliteit. Het onderzoek concludeert onder meer dat geschat wordt dat de emissies per eenheid Nederlands gas uit kleine velden en Noors gas vergelijkbaar zijn, terwijl emissies per eenheid LNG uit de VS en uit Qatar en andere landen respectievelijk 6 - 7 (VS) en circa 4 (Qatar e.a.) maal groter zijn. In dit onderzoek zijn Noorwegen en de Verenigde Staten de belangrijkste landen van waaruit gas wordt geïmporteerd aan Nederland. Het onderzoek beperkt zich voor de uitgevoerde analyse daarna tot de ketenemissies in onder andere Nederland, Noorwegen en de Verenigde Staten. Dat betreft niet de gevraagde vergelijking met de gehele levenscyclus emissies in de 5 belangrijkste landen waar marktpartijen gas vandaan importeren naar Nederland voor de Noordwest Europese markt, maar wel een vergelijking met de twee belangrijkste landen van waaruit gas geïmporteerd wordt.
Voor een uitgebreidere onderbouwing van de milieu impact op aardgas verwijst het kabinet naar de Kamerbrief van 14 februari 20256. Hierin is onder meer aangegeven dat in de afgelopen jaren LNG (vloeibaar aardgas) steeds belangrijker is geworden voor de Europese en Nederlandse gasvoorziening, vooral na het wegvallen van Russische gas via pijpleidingen en de afname van eigen productie. In die Kamerbrief is verder genoemd dat onderzoek aantoont dat LNG, vooral uit de VS, een hogere klimaatimpact heeft dan binnenlandse gaswinning of Noors aardgas via pijpleidingen evenals dat het gas dat voorheen via pijpleidingen uit de Russische federatie kwam ook hoge emissiewaarden kende. Over de milieu-impact van de Nederlandse gasaanvoer heeft Energie Beheer Nederland (EBN) in 2025 ook een infografic gepubliceerd7.
5
Indien de volgens artikel 2 van het Sectorakkoord betrokken omgeving,
waaronder bewoners, in grote meerderheid negatief reageert op een
voorstel tot gaswinning, is de vergunninghouder dan verplicht haar
plannen op basis daarvan aan te passen of zelfs schrappen, of kan de
vergunninghouder de inbreng van de omgeving gewoon naast zich
neerleggen?
Antwoord
De inbreng vanuit de omgeving – zowel van bewoners als medeoverheden –
is van grote meerwaarde. Hier is een belangrijke rol weggelegd voor de
vergunninghouders die een activiteit willen uitvoeren. Om deze reden
zijn in het akkoord aanvullende afspraken gemaakt onder meer over het
betrekken van de omgeving. Zoals de afspraak dat een vergunninghouder
ongeveer 3 maanden voorafgaand aan de indiening van een aanvraag voor
gaswinning in gesprek gaat met de omgeving over voorgenomen plannen en
de wijze waarop de omgeving betrokken wil worden. De vergunninghouder
verwerkt de inbreng van de omgeving in een “betrokkenheidsplan” dat de
vergunninghouder tegelijkertijd met de indiening van de
vergunningaanvraag bij het ministerie van Klimaat en Groene Groei
overlegt.
Echter, het ‘voor-of-tegen’ gaswinning zijn (de “of-vraag”) is niet de vraag die voorligt bij bewoners en of medeoverheden. De beslissing of gaswinning mag plaatsvinden – mits veilig en verantwoord - betreft een nationale aangelegenheid. Als bevoegd gezag is het kabinet gebonden aan juridische kaders bij de beoordeling van individuele aanvragen om gas te winnen. Een aanvraag voor gaswinning wordt getoetst aan de Mijnbouwwet. Daarin staat op welke gronden een aanvraag kan worden afgewezen. Aanvragen voor vergunningen kunnen niet rechtmatig worden geweigerd om redenen die geen grondslag hebben in de wet.
Het kabinet vertrouwt er verder op dat een vergunninghouder zich bewust is van het belang om de omgeving in alle fases van de gaswinning zorgvuldig te betrekken en waar mogelijk en redelijk gehoor te geven aan de inbreng van de omgeving.
6
Kunt u aantonen hoeveel kubieke meter gas in Nederlandse velden op land
effectief technisch en economisch winbaar is?
Antwoord
Uit de EBN-analyse (in bijlage II bij de aanvullende afspraken voor
gaswinning op land8) volgt dat het winningsvolume uit
kleine velden op land circa 127 miljard kuub bedraagt. Hiervan is op
basis van de huidige inzichten circa 40% technisch en economisch
winbaar. Dat komt neer op circa 50 miljard kuub.
7
Hoe lang zou die hoeveelheid gas het Nederlandse gasverbruik dekken op
basis van het verbruik van 2025?
Antwoord
Het Nederlandse gasverbruik in 2024 bedraagt ongeveer 30 miljard kuub op
jaarbasis. Uit de EBN-analyse (in bijlage II bij de aanvullende
afspraken voor gaswinning op land) volgt dat ongeveer 40% van het
winningsvolume als technisch potentieel kan worden bezien. Dat komt neer
op ruim 1,5 jaar. Het aardgas wordt echter gewonnen over een periode van
zo’n 20 tot 25 jaar en zorgt daardoor voor zo’n 1,5 tot 2 miljard kuub
gas per jaar en draagt samen met de binnenlandse gasproductie op de
Noordzee, opschaling van duurzame energieprojecten en inspanningen tot
het verder verlagen van het aardgasverbruik tot het zoveel mogelijk
beperken van de importafhankelijk van aardgas in de komende decennia op
weg naar een volledig duurzame energievoorziening.
8
Welke stappen moeten er nog genomen worden en hoeveel tijd zal er naar
verwachting over ieder van die stappen gaan vooraleer de herziening van
de Mijnbouwwet naar de Tweede Kamer komt?
Antwoord
Op 22 januari 2026 heeft het kabinet de Tweede Kamer geïnformeerd over
de voortgang en de nieuwe planning van de herziening van de
Mijnbouwwet9. In die brief worden de
processtappen tot en met het aanbieden van het wetsvoorstel aan de Kamer
toegelicht.
9
Gezien in Groningen nog bijna 10.000 gezinnen wachten op versterking van
hun huizen, de kosten in Groningen ten opzichte van de eerste ramingen
stevig opgelopen zijn en Groningers lang hebben moeten wachten op
duidelijkheid over hun schadevergoedingen, welke regelingen worden in
het geval van het verlenen van een vergunning voor bijkomende gaswinning
op land waar dan ook in Nederland getroffen om voldoende geld en
zekerheid te garanderen voor eventuele toekomstige materiële en
niet-materiële schade ten gevolge van aardbevingen en/of
bodemdalingen?
Antwoord
De Commissie Mijnbouwschade neemt, behalve daar waar het IMG dat doet,
meldingen van bewoners en kleine bedrijven in behandeling over mogelijke
fysieke schade aan gebouwen door bodembeweging als gevolg van
activiteiten in de diepe ondergrond. De Commissie Mijnbouwschade (CM)
ondersteunt schademelders door onafhankelijk advies te geven over de
vraag of er sprake is van materiële schade door bodembeweging als gevolg
van activiteiten in de diepe ondergrond en, zo ja, wat de hoogte van het
schadebedrag is dat door het mijnbouwbedrijf aan de schademelder moet
worden vergoed. Mijnbouwbedrijven hebben zich in een overeenkomst met de
staat verplicht tot het uitvoeren van deze adviezen. Het uitgangspunt
van de schadeafhandeling bij de CM is dat deze laagdrempelig,
transparant, deskundig en onafhankelijk is.
10
Zullen de maatregelen uit 'Nij Begun' uitgebreid worden naar andere
gebieden waar mogelijks aardbevingsschade kan komen ten gevolge van
gaswinning? Indien niet alle maatregelen naar die gebieden uitgebreid
worden, welke worden dan wel naar andere gebieden uitgebreid en welke
niet?
Antwoord
De maatregelen uit ‘Nij Begun’ kunnen niet zonder meer allemaal worden
overgenomen in andere gebieden omdat die regio specifiek zijn en
gerelateerd aan de gaswinning uit het Groningenveld.
Dat laat onverlet dat de ervaringen met het Groningenveld voor belangrijke verbeteringen hebben geleid die meegenomen zijn voor het gebruik van de diepe ondergrond. Die verbeteringen reiken verder dan alleen gaswinning. Zo zijn er methodieken ontwikkeld om risico's van activiteiten in de diepe ondergrond beter te kunnen beoordelen, de toezichthouder (SodM) heeft meer personele capaciteit gekregen, decentrale overheden hebben een adviesrol gekregen en de schadeafhandeling is centraal georganiseerd via de Commissie Mijnbouwschade (CM).
Verder zijn in lijn met de maatregelen uit “Nij Begun” aanvullende verbeteringen doorgevoerd. Zo wordt gewerkt aan een kennisprogramma voor onderzoek naar sociale effecten van het gebruik van de diepe ondergrond, wordt data over de ondergrond beter toegankelijk gemaakt en wordt het netwerk van KNMI om aardbevingen te meten verder uitgebreid.
11
Gezien burgers in Friesland nu al zelf nulmetingen aan het uitvoeren
zijn en gezien burgers en lokale besturen in de noordelijke provincies
met veel frustraties zitten rond de werking van de Commissie
Mijnbouwschade, zal er voor alle betrokken regio's omgekeerde bewijslast
gelden bij schade die mogelijks aan aardbevingen en/of bodemdalingen toe
te schrijven is?
Antwoord
Nee, dit zal niet het geval zijn. Het toepassen van het wettelijk
bewijsvermoeden voor alle betrokken regio’s zou namelijk niet zorgen
voor een verbetering van de positie van schademelders. Ook zou de
invoering hiervan onvoldoende dragend gemotiveerd kunnen worden en
daarmee niet juridisch houdbaar zijn. Voor een meer uitgebreide
onderbouwing van dit standpunt verwijst het kabinet naar de brief van 27
maart 202510 aan de Kamer.
12
Welke criteria worden gehanteerd om voor een bepaalde regio waar
gaswinning en andere mijnbouw potentieel kan leiden tot schade door
aardbevingen en aardverzakkingen, wel of niet omgekeerde bewijslast in
te voeren?
Antwoord
Voor de introductie van het wettelijk bewijsvermoeden is een dragende
motivering nodig11. Het wettelijk bewijsvermoeden is
namelijk een uitzondering op de standaardregel in het Nederlands
burgerlijk recht «wie stelt, bewijst». Om te kunnen bepalen of
uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden naar
bodembeweging als gevolg van mijnbouwactiviteiten in een groter gebied
in Nederland juridisch houdbaar is, heeft het vorige kabinet
voorlichting gevraagd aan de Afdeling advisering van de Raad van State12.
Voor het effectgebied van het Groningenveld en de gasopslagen Norg en Grijpskerk is het wettelijk bewijsvermoeden dragend gemotiveerd door onder meer te wijzen op 1) het grote aantal schadegevallen in dat gebied, 2) de gelijksoortigheid daarvan die 3) in het grootste deel van deze gevallen het gevolg is van één oorzaak, namelijk gaswinning. Hierbij is het goed om op te merken dat naarmate de reikwijdte voor het wettelijk bewijsvermoeden ruimer wordt, ook de motiveringseis zwaarder wordt.
13
Kunt u deze vragen beantwoorden en gevraagde informatie delen
voorafgaand aan het commissiedebat Mijnbouw op 29 januari jl.?
Antwoord
Ja.
Brede steun onder inwoners voor toekomstig gebruik diepe ondergrond | Nieuwsbericht | Rijksoverheid.nl↩︎
Kamerbrief over voortgang herziening Mijnbouwwet en programma Duurzaam Gebruik Diepe Ondergrond | Kamerstuk | Rijksoverheid.nl↩︎
Jaarverslag delfstoffen en aardwarmte, TNO 2024.↩︎
Diagram “De emissies van in Nederland verbruikte fossiele brandstoffen” https://www.ebn.nl/feiten-en-cijfers/kennisbank/infographic-2023/↩︎
Royal HaskoningDHV (25 januari 2024) – Ketenemissies aardgasmix 2022-2023 BI4005IBRP001F01-Ketenemissies_aardgasmix_2022-2023_v2.pdf↩︎
Kamerstuk 29023, nr. 532↩︎
https://www.ebn.nl/feiten-en-cijfers/kennisbank/infographic-2025/↩︎
Sectorakkoord gaswinning in de energietransitie - Hoofdstuk Gaswinning op land | Rapport | Rijksoverheid.nl↩︎
Kamerbrief over voortgang herziening Mijnbouwwet en programma Duurzaam Gebruik Diepe Ondergrond | Kamerstuk | Rijksoverheid.nl↩︎
Kamerstuk 33529, nr. 1284↩︎
Bijlage bij Kamerstuk 34041, nr. 43↩︎
Kamerstuk 33 529, nr. 1233↩︎