Begroting Buitenlandse Zaken (36800-V) voortzetting (ongecorrigeerd)
Stenogram
Nummer: 2026D04110, datum: 2026-01-28, bijgewerkt: 2026-01-29 10:13, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-01-28 16:15: Begroting Buitenlandse Zaken (36800-V) voortzetting (Plenair debat (wetgeving)), TK
Preview document (🔗 origineel)
Begroting Buitenlandse Zaken 2026
Begroting Buitenlandse Zaken 2026
Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:
het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaat van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (V) voor het jaar 2026 (36800-V).
(Zie vergadering van 27 januari 2026.)
De voorzitter:
Ik zei net, bij het schorsen van het laatste tweeminutendebat, dat we zo
meteen verdergaan met een tweeminutendebat, maar dat klopt niet. We gaan
verder met de begroting van Buitenlandse Zaken. Gisteren heeft de Kamer
de eerste termijn van de Kamer gedaan en nu is het woord aan de minister
om antwoord te geven op de gestelde vragen.
Door mij zijn schriftelijke antwoorden ontvangen van de minister van
Buitenlandse Zaken, minister van Asiel en Migratie op vragen, gesteld in
eerste termijn.
Deze antwoorden zullen worden opgenomen in een bijvoegsel bij de
Handelingen van deze vergadering.
(Het bijvoegsel is opgenomen aan het eind van deze editie.)
De algemene beraadslaging wordt hervat.
De voorzitter:
Het woord is aan de minister.
Minister Van Weel:
Dank, voorzitter. Voor de helderheid: naast de schriftelijke
beantwoording van een aantal vragen die naar de Kamer zijn toegegaan,
zal ik beginnen met een korte inleiding. Dan zeg ik heel kort iets over
de actuele situatie in Iran en Syrië. Vervolgens ga ik de blokjes in,
langs de lijnen Europese veiligheid en trans-Atlantisch, Oekraïne, het
Midden-Oosten, onderverdeeld in Syrië, Iran en Israël en de Palestijnse
gebieden, en ten slotte een kopje diplomatieke vertegenwoordiging en
consulair. Dat is uw leidraad voor mijn inbreng in dit debat.
Ik begin met de inleiding. Hoe positioneren we onszelf als Nederland in
een veranderende wereldorde? Die vraag stond gisteren centraal in uw
inbreng. Ik dank u voor uw inhoudsvolle overwegingen en uw vragen
daarbij. Het debat liet zien dat we in onzekere tijden leven. Mevrouw
Van der Werf memoreerde treffend aan hoezeer de huidige wereld verschilt
van die in haar kindertijd. In de vijf maanden dat ik nu demissionair
minister van Buitenlandse Zaken ben, heb ik te maken gehad met crises en
gebeurtenissen op nagenoeg alle continenten. Het is soms inderdaad net
een Netflixserie.
De machtspolitiek is volop terug en het internationaal recht wordt
daarbij soms gemakkelijk terzijde geschoven. In meerdere van uw
bijdragen klonk daarover verontrusting. Ik deel die. Het internationaal
recht beteugelt het recht van de sterkste. Dat is zeker ook in het
belang van Nederland, als relatief kleine speler op het wereldtoneel.
Maar zonder een absolute hegemoon die als politiemacht optreedt en met
opkomende grootmachten met afwijkende meningen is het internationaal
recht moeilijk afdwingbaar, zeker bij andere grootmachten. We worden
soms ook geconfronteerd met de tekortkomingen van het internationaal
recht, wanneer dat verschrikkingen, state capture of terreur niet kan
tegenhouden. Wij zijn eveneens gebaat bij goed functionerende
internationale instellingen, waar we in overleg kunnen komen tot een
ordening van de wereld. Ook die ordening staat onder druk.
Dat is allemaal te betreuren, maar we zullen ons wel tot die realiteit
moeten verhouden. Overigens is dat een situatie die in de
wereldgeschiedenis meer de norm is geweest dan de situatie zoals wij die
hebben gekend in de tijd dat wij hier opgroeiden. Ik hoorde die
realiteitszin ook terug in veel van uw bijdragen. Het gaat ons niet
helpen om met weemoed terug te blikken of om enkel te veroordelen wat we
om ons heen zien gebeuren. We moeten vooruit. Dat is met een agenda die
er niet zozeer op is gericht om de wereld te vormen naar onze wil, maar
wel om de Nederlandse belangen stevig overeind te houden. De vraag is
dus: hoe dienen we die het beste? Dat is een punt dat velen van u
aandroegen. Wat dient onze economische veiligheid, zoals de Rotterdamse
haven? Wat dient onze militaire veiligheid? Wat dient de versterking van
onze waarden? En hoe dragen onze bilaterale en multilaterale
samenwerkingsverbanden daaraan bij?
In de praktijk zullen we al onze belangen steeds weer in samenhang
moeten afwegen om te bepalen wat in welke context het zwaarst weegt. Om
die belangen goed te behartigen, is macht nodig. We moeten de taal van
de macht weer leren spreken, die macht daadwerkelijk opbouwen en ook
bereid zijn om die zo nodig in te zetten. Waarden, belangen en macht:
alle drie zijn ze onmisbaar voor een effectief buitenlandbeleid. Ik val
mevrouw Piri, de heer Erkens en de anderen daarin bij. Het betekent
forse investeringen in onze veiligheid, in ons verdienvermogen, in onze
onafhankelijkheid en in ons vermogen om als EU machtspolitiek te kunnen
bedrijven. Het vraagt zeker ook, zoals de heer Boswijk naar voren
bracht, om prudentia, het vermogen om in een concrete situatie te
onderscheiden wat juist is.
In de huidige omstandigheden, waarin we de noodzakelijke macht nog niet
hebben opgebouwd, betekent dit ook een pragmatisch beleid, met oog voor
de lange termijn. Dat maakt onze diplomatieke inzet belangrijker dan
ooit. Een sterk postennet is daar een belangrijk onderdeel van. Dat is
om op te komen voor die belangen en om onze afhankelijkheden te
verminderen. Sterke posten op de juiste plekken zijn cruciaal om
bestaande bondgenootschappen te versterken en nieuwe strategische
partnerschappen aan te gaan. Ik ben blij dat verschillenden van u
hiervoor aandacht hebben gevraagd.
Ik deel graag nog enkele uitgangspunten die ik als essentieel zie voor
een toekomstbestendig buitenlandbeleid. Daarna wil ik, zoals ik zei,
kort ingaan op de specifieke situatie in een aantal landen. Allereerst
ben ik er heilig van overtuigd dat een sterke trans-Atlantische band in
ons eigen belang is en zal blijven. In de nieuwe wereldorde, waarin ook
China en Rusland een machtsblok vormen, hebben de VS en Europa
wederzijds belang bij sterke banden. De relatie met de VS staat na de
kwestie met Groenland onmiskenbaar onder spanning, maar ik ga niet uit
van onherstelbare schade. Ik zie de kwestie echter wel als teken van een
veranderende wereld waarin grootmachten, dus ook de VS, primair aan hun
eigen belangen denken. Het tweede uitgangspunt, dat daarmee is
verbonden, is dat de NAVO onze belangrijkste veiligheidsgarantie is.
Echter, daarbinnen zullen we als Europa echt sterker moeten worden en
meer verantwoordelijkheid moeten nemen voor onze eigen veiligheid. We
moeten een meer eigenstandige positie in kunnen nemen. Dat is dan ook
het derde dat ik wil benadrukken.
Voorzitter. We staan voor grote opgaven, maar niet per se voor
onmogelijke. Duco Hellema, oud-hoogleraar internationale betrekkingen,
typeerde het buitenlandbeleid na de Tweede Wereldoorlog ooit als een
"georganiseerde aanpassing aan de internationale omstandigheden". Dat is
wat we nu ook moeten doen. Dat moeten we doen onder moeilijke
omstandigheden, maar we moeten onze ervaring en onze veerkracht niet
onderschatten. Nederland is al vele crises te boven gekomen: gisteren
viel het Rampjaar 1672 al, maar er zijn nog vele andere jaartallen te
noemen. Nodig zijn een gezamenlijke visie, daadkracht en
doorzettingsvermogen. Daarover ga ik zo graag het debat met u aan. Dat
was mijn inleiding.
Dan zou ik nu eerst even stil willen staan bij de actuele situatie in
Iran. Nogmaals, op de individuele vragen kom ik terug in de blokjes,
maar een aantal van u vroeg specifiek naar een update. We hebben
allemaal de verschillende beelden gezien die langzaam naar buiten komen,
terwijl de internetblokkade ...
De voorzitter:
Voordat u verdergaat, is er een interruptie van mevrouw Dobbe van de
SP.
Mevrouw Dobbe (SP):
Ik heb toch een vraag over de inleiding. Het is een beetje hoog over,
maar met de veranderende wereldpolitiek is het misschien wel goed om
daar wat langer bij stil te staan, dus dank voor die inleiding. Ik maak
me echter wel zorgen als ik hoor hoe deze minister aankijkt tegen de
wereld en hoe die nu is. Wij zien namelijk ook dat de wereld verandert.
Hij begint met: we moeten met weemoed terugkijken op wat was en wat we
misschien hadden gewild. Zoiets was het. Hij had het ook over belangen
en zei dat we de taal van de macht weer moesten spreken en dat we in
deze nieuwe wereld machtspolitiek moesten gaan uiten. Vervolgens noemt
hij drie uitgangspunten voor het buitenlandbeleid, maar daar zit de
internationale rechtsorde niet bij. Is dat volgens deze minister dan
iets van het verleden en iets waar we met weemoed op terugkijken omdat
het is losgelaten door dit kabinet, of blijft de internationale
rechtsorde voor dit kabinet ook een project om aan te werken, zoals het
zou moeten zijn? Deze inleiding roept bij mij heel veel vragen op.
Minister Van Weel:
Nee, mijn inleiding begon met de internationale rechtsorde en het belang
van het internationaal recht, zeker voor kleinere landen zoals
Nederland. Het internationaal recht en het bevorderen daarvan zijn
bovendien verankerd in onze Grondwet, dus nee, dat blijft absoluut een
cornerstone. Je hebt die andere elementen echter nodig om die
internationale rechtsorde af te kunnen dwingen. Daarin is wel een
paradigmaverschuiving gaande. Die heeft niet zozeer te maken met
Groenland; dat is waar ik op doelde.
Het systeem van internationaal recht dat we na de Tweede Wereldoorlog
hebben opgebouwd, heeft echter voor een heel groot deel geleund op de
enige overgebleven grootmacht die bereid was om zich achter dat systeem
te scharen en dat afdwingbaar te maken. Het internationaal recht
voorkomt dat we terechtkomen in de jungle, in het recht van de sterkste.
Je hebt macht nodig om dat uiteindelijk af te kunnen dwingen. Zonder
macht kunnen we op papier een rechtssysteem hebben, maar zal het in de
praktijk niet werken. Dat is nou juist waarom het samenhangt met wat ik
zei, met het opbouwen van de macht en met het spreken van de taal van de
macht, juist om de internationale normen en waarden en de multilaterale
instellingen die wij koesteren, overeind te houden en om dat systeem
kracht bij te zetten. Daarvoor zullen we de VS echter niet meer
automatisch aan onze zijde vinden; dat is helaas een beweging die wij in
de afgelopen periode hebben gezien.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dan wil ik de minister er toch op wijzen dat ik een aantal
tegenstellingen zie in dit betoog. Op het moment dat hij het heeft over
machtspolitiek en macht moeten opbouwen om daarna het internationaal
recht te kunnen afdwingen, is er dus al sprake van een situatie waarin
het recht van de sterkste geldt. Daar zijn we nu juist zo bang voor.
Heel concreet zou ik van deze minister willen weten — ik hoop dat na
morgen duidelijk is dat het nieuwe kabinet zich daar ook aan wil
committeren — of hij wil zeggen dat er bij de drie uitgangspunten voor
het buitenlandbeleid ook een vierde zit, namelijk het bevorderen en
blijven werken aan de internationale rechtsorde. Ik hoop dat hij dat
hier heel stellig wil zeggen, zodat wij weer enigszins gerustgesteld
kunnen zijn.
Minister Van Weel:
Absoluut. Het is onmiskenbaar een pilaar van het buitenlands beleid. In
mijn inleiding probeerde ik te schetsen dat het geen vanzelfsprekendheid
meer is. De pilaar van het internationaal recht is geen gegeven. Het
systeem dat we hebben opgebouwd binnen de VN is geen gegeven meer. Dat
alles staat ter discussie. Die urgentie wil ik hier meegeven. Roepen dat
we dit belangrijk vinden, is onvoldoende. We zullen dat moeten kunnen
staven. We zullen dat ook moeten kunnen afdwingen. Anders krijgen we,
zoals we zien, alternatieve systemen zoals de Chinezen die proberen op
te zetten of boards of peace, die een veel breder mandaat hebben en gaan
concurreren met de VN-organisaties. Dat is het natuurlijke gedrag van
grootmachten. Daar zul je je tegen moeten wapenen, wil je die ordening
in stand houden. Zo moet u dat lezen.
De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Piri heeft ook een vraag.
Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):
Ik heb de inleiding even laten bezinken. Ik zou de minister willen
meegeven: hoop is ook geen strategie. Ik hoorde de minister zeggen dat
hij ervan overtuigd is dat er geen onherstelbare schade is aangericht.
Vervolgens begint hij in zijn drie punten, als hij het heeft over macht,
waar ik het trouwens ook over had, weer over de trans-Atlantische
samenwerking en de NAVO als hoeksteen. Ik vraag me af of de minister het
idee heeft dat dit breed gedeeld wordt door zijn Europese
counterparts.
Minister Van Weel:
Ja, dat heb ik. Er is geen NAVO-lidstaat, geen Europese lidstaat, die
twijfels heeft over of wij de NAVO moeten verlaten of moeten opgeven.
Het is van belang dat niemand dat doet, omdat de rest van de retoriek
weliswaar begrijpelijk is, maar niet echt bijdraagt aan een oplossing
van het probleem. Er is de afgelopen dagen veel te doen geweest over de
vragenronde met onze voormalige premier Rutte in het Europees Parlement.
Dat snap ik. Ik snap die ophef. Daarom zou ik het iets meer in balans
willen brengen en stellen dat twee dingen tegelijkertijd waar kunnen
zijn. Ten eerste moet je als Europa zorgen dat je je eigen broek op
veiligheidsgebied kunt ophouden en dat je geen ongewenste
afhankelijkheden hebt, niet van vrienden en niet van potentiële
vijanden. Tegelijkertijd moet je waarde hechten aan het behoud van de
trans-Atlantische band en het behoud van de NAVO zoals we die nu kennen.
Die twee dingen sluiten elkaar niet uit. Nog sterker, ik denk dat die
twee elkaar kunnen versterken. Als u mij vraagt naar de keuze of ik met
een sterk Europa, dat op veiligheidsgebied voor een heel groot deel zijn
eigen broek kan ophouden, alsnog de NAVO zou willen hebben als hoeksteen
van onze veiligheid, dan zeg ik ja. Daarmee hebben we namelijk nog
altijd een veelvoud van de capaciteit tot onze beschikking en daarmee
dus ook een veel grotere afschrikking tegen wat ons maar zou kunnen
gebeuren. Dat is de kern van hoe ik die cirkel vierkant probeer te
maken.
Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):
Zeker. Mijn fractie pleit niet voor het uit de NAVO stappen, voor de
duidelijkheid. Het is grappig dat de minister zelf begint over premier
Ruttes ronde in het Europees Parlement en alle reacties daarop, maar
eigenlijk is mijn kritiek nog steeds als volgt. Die kritiek van
regeringsleiders hoor je breed en lees je ook in de kranten. We voelen
allemaal dat we enorm afhankelijk zijn van de Verenigde Staten.
Natuurlijk, als wij het voor het zeggen hadden, zouden we het liefst
allebei behouden. Maar zoals ik zei: hoop is geen strategie. Het is
echter niet alleen retoriek uit de VS. Het staat ook gewoon in
documenten van de regering. Ze zijn eropuit om de EU te ondermijnen. De
enorme minachting waarmee de Amerikaanse president spreekt over het
Europees continent roept, terecht denk ik, heel veel weerstand op bij
Europese regeringsleiders. Dan mijn vraag. Ik hoor de minister eigenlijk
vooral nog steeds spreken over de Europese tak binnen de NAVO. Hoe kijkt
de minister dan naar de macht binnen de EU? Hoe kunnen we die macht
binnen de EU steeds meer vormgeven?
Minister Van Weel:
Ik denk dat dat in eerste instantie kan door goed te kijken naar
structuren zoals we die binnen de EU hebben opgebouwd. Een van de vragen
die u had gesteld, was hoe we aankijken tegen een Europese
veiligheidsraad. Ik sta daar open in. Ik weet dat een aantal partijen in
de Kamer dat ook doen. De Europese Unie, voortgekomen uit de Europese
Gemeenschap voor Kolen en Staal en ontwikkeld via verschillende takken,
was juist bij uitstek een organisatie waarbij we het niet over
veiligheid hadden. Het idee was juist dat we door de economische
verbinding nooit meer in een situatie zouden komen waarin we elkaar naar
het leven zouden staan. Dat betekent dus ook dat we geëindigd zijn met
een organisatie die zeer goed is toegerust op de interne markt,
concurrentievermogen, het zorgen voor de vrijheid van vervoer van
goederen en personen, het afschermen van onze douane-unie et cetera, et
cetera, et cetera. De veiligheidscomponent is er eigenlijk later losjes
tegenaan geplakt. Dat was eerst in de vorm van een EDEO, de Europese
Dienst voor Extern Optreden; die was eigenlijk meer bedoeld voor het
bevorderen van de internationale rechtsorde in de wereld. Nu is er een
defensiecommissaris, die eigenlijk nog steeds niet gaat over defensie,
maar meer over de defensie-industrie. Dat is naar mijn mening
onvoldoende om van de EU op veiligheidsgebied het machtsblok te maken
dat we volgens mij moeten worden. Dat is maar één tak. Uiteindelijk zal
de EU dat ook moeten doen waar het gaat om de economische veiligheid en
om het verminderen van de strategische afhankelijkheden en van
afhankelijkheden op het gebied van energie en big tech, et cetera, et
cetera. Die veiligheidscomponent moet dus geen add-on zijn van die EU,
maar moet in de basis van die organisatie zitten. We hebben het daar nu
over; dat is goed en dat is een begin, maar we zijn er nog niet. Dat is
één ding dat de EU moet doen. Verder hebben we ontzettend veel plannen
liggen, van het rapport van Draghi tot aan, hier op nationaal niveau,
het rapport van Peter Wennink, over kapitaalmarktunies en over
energiemarkten. Die moeten we echt gaan uitvoeren. De vraag is: hoe
krijgen we die urgentie over het voetlicht? Die deel ik dus volledig met
u.
Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):
Tot slot. Ik denk dat we het erover eens zijn dat er een hele agenda
voor de Europese Unie ligt. Ik denk wel dat we ook moeten erkennen dat
de Europese Unie zich soms kleiner maakt dan ze al is. Onze economie
doet niet onder voor andere machtsblokken zoals de Verenigde Staten. Een
deel van de kritiek van mij op het kabinet was vorige week dat we wat
meer zelfvertrouwen tegenover de VS moeten laten zien en dat we op het
moment dat er sancties, importheffingen, dreigen, daar iets tegenover
kunnen stellen. Misschien tot slot dan, voorzitter: als deze minister in
mogelijk zijn laatste weken als minister van Buitenlandse Zaken — dat
weten we niet — het Europees Parlement had toegesproken, wat had hij dan
gezegd?
Minister Van Weel:
Dan had ik wellicht meer de nadruk gelegd op het positieve verhaal. De
National Defense Strategy van de VS is net uit. Ik heb dus alleen nog
maar een eerste blik daarop kunnen werken, maar die is daar ook mee in
lijn. Daar staat letterlijk in dat Europa meer voor zijn eigen
veiligheid zal moeten zorgen dan voorheen het geval was. Dat geeft je
dan meteen de gelegenheid om te werken aan de positieve agenda die in de
EU op tafel moet liggen en die uiteindelijk helemaal niet bijt met die
trans-Atlantische band en die ook helemaal niet hoeft te bijten met de
NAVO, maar waarmee we die gelijkwaardigheid wel tot stand kunnen
brengen. Dat was mijn aanvliegroute geweest, terwijl de inhoud grosso
modo hetzelfde is, inclusief de constateringen.
De voorzitter:
Dank u wel. U was niet toe aan een blokje, maar wel aan de actuele
situatie in Iran en Syrië.
Minister Van Weel:
Ja. Er komen afschuwelijke beelden uit Iran. Die druppelen nog steeds
binnen, want het internet is na twintig dagen nog steeds afgesloten. Ik
vrees dus dat wij het einde daarvan nog niet hebben gezien. Of je nu
gelooft in de lagere schattingen van de aantallen doden, bijvoorbeeld
rond de 7.000 volgens het persbureau HRANA, of in de wat hogere
schattingen van rond de 30.000, die in de New York Times naar buiten
kwamen en die naar verluidt binnen de Iraanse overheid zijn gewisseld,
het zijn schrikbarende aantallen die in een paar dagen onder onschuldige
burgers zijn veroorzaakt door dit regime. Dat kan niet zonder
consequenties blijven. Daarom is dit een van de onderwerpen die we
morgen tijdens de Raad Buitenlandse Zaken zullen bespreken. Ik zal me
daar hard maken voor het aanmerken van de Revolutionaire Garde als
terroristische organisatie op de terrorismelijst. Publiekelijk heeft u
al kunnen zien dat een aantal landen die daar tot nu toe niet toe
genegen waren, hun positie nu hebben bijgesteld. Ik hoop dat we daar nog
een laatste push aan kunnen geven in de voorbereiding van morgen. Er
zullen ook weer nieuwe mensenrechtensancties op Iran worden afgekondigd.
Het is duidelijk dat dit regime zichzelf in doodsnood weet. Ik kan geen
andere verklaring verzinnen waarom je met zo veel afschuwelijk, grof en
beestachtig geweld op je eigen bevolking zou schieten. Dat geeft meteen
aan dat de houdbaarheid van dit regime ten einde loopt. Deze breuk
tussen de bevolking en het regime komt niet meer goed; die kan niet meer
met economische maatregelen of symboolpolitiek worden weggepoetst. Dat
is wel iets waar het regime zich terdege rekenschap van zal geven.
Er zijn veel vragen geweest, ook vanuit u. Wat betekent de militaire
opbouw van de Amerikanen in de regio? Europa, de EU, maar ook Nederland
dragen daar niet aan bij, en ik weet dat ook niet precies. Wij volgen
wat dit betreft ook de boodschappen vanuit het Witte Huis. Die
boodschappen vertellen ons in ieder geval dat er nog steeds gesprekken
gaande zijn tussen de Iraanse overheid en de regering-Trump.
Tegelijkertijd blijkt daar ook een zekere vastberadenheid uit dat die
opbouw doorgaat en ook ingezet kan worden op het moment dat het gewenste
resultaat niet wordt bereikt. De vraag is: wat is het gewenste
resultaat? De vraag is ook wat je militair zou kunnen bereiken in Iran.
Daar wil ik niet te veel over speculeren. Ik weet ook niet welke plannen
er voorliggen in het Pentagon of welke er uiteindelijk zullen worden
voorgelegd aan de president. Ik ben er niet op voorhand gerust op dat
militair ingrijpen hier leidt tot meer stabiliteit in de regio. Ook daar
moeten we eerlijk over zijn. Ik hoop dat de Verenigde Staten dat ook
zullen meewegen. To be continued. We houden het natuurlijk in de gaten.
Als er aanleiding toe is, zullen we uw Kamer daar ook tussentijds over
informeren.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan zijn we nu bij …
Minister Van Weel:
Dat was niet het hele blokje met alle vragen over Iran, maar even de
actuele update.
De voorzitter:
We zijn bij het eerste blokje …
Minister Van Weel:
Syrië.
De voorzitter:
O, Syrië komt nog.
Minister Van Weel:
Dan Syrië. Sinds de overeenkomst tussen de Syrische overgangsregering en
de SDF vorig jaar zijn er verschillende onderhandelingsrondes geweest.
Die onderhandelingen zijn op 4 januari geklapt. Daarna braken er
zorgelijke gevechten uit tussen het Syrische leger en de SDF. Daarbij is
de SDF in een hele korte tijd echt een aanzienlijk deel van het
grondgebied kwijtgeraakt. Ook de bewaking van een aantal detentiecentra
waarin IS-strijders zitten, is daarbij overgegaan van de SDF naar de
Syrische overgangsregering. Naar verluidt zijn er ook een aantal mensen
ontsnapt.
Er is inmiddels een staakt-het-vuren, sinds 18 januari. Dat werd weer
geschonden, maar sinds 20 januari lijkt het te houden. Afgelopen
zaterdag is het verlengd voor nog eens vijftien dagen. Gisteren hebben
de VS, het VK, Duitsland en Frankrijk in een statement opgeroepen tot
het respecteren daarvan, het belang van dialoog, maar ook een duurzame
integratie van Noordoost-Syrië in een centrale, soevereine, Syrische
staat. Dat zijn verklaringen waar wij ons ook achter scharen.
Op dit moment vindt de humanitaire toegang weer plaats, ook tot Kobani,
waar sprake was van afsluiting. Er wordt ook gekeken naar hoe om te gaan
met de gedetineerden in Irak. We verwelkomen dan ook het feit dat de VS
een verplaatsing van 7.000 aan IS gelieerde personen naar Irak in gang
hebben gezet, om te borgen dat zij gevangen blijven. Dat was natuurlijk
een belangrijke rol die de SDF tot op heden hier hebben gespeeld. Ook
daar hoop ik dat er tot een overeenkomst gekomen kan worden. We zullen
dat monitoren. Dit is in ieder geval de stand zoals ik die nu kan
melden.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan zijn we nu aangekomen bij de blokjes. Het eerste blokje
gaat over EU en veiligheid.
Minister Van Weel:
EU en de trans-Atlantische band. Ik ga hier in op de …
De voorzitter:
De heer Stoffer heeft een vraag.
De heer Stoffer (SGP):
Komt Syrië in een volgend blokje aan de orde? Dan wacht ik namelijk nog
even met mijn vraag.
Minister Van Weel:
Ja, dat geldt voor Syrië en ook voor Iran, maar dan alleen wat betreft
de specifieke vragen die de leden hebben gesteld.
De EU en de trans-Atlantische band. De heer Erkens vroeg: hoe kijken we
naar de inzet van het Europese instrumentarium tegen economische dwang?
Dat hangt een beetje samen met de vraag van mevrouw Piri net. We moeten
onszelf als EU niet kleiner maken dan we zijn, zeker niet daar waar het
gaat om onze economische macht. Dat moeten we zeker niet doen.
Tegelijkertijd staan we ook niet te springen om het in te zetten, want
uiteindelijk doet elke economische maatregel die wij nemen ook onszelf
pijn en kan die ook weer leiden tot nieuwe escalerende maatregelen. Als
je dat spel helemaal zou aflopen en daarbij kijkt naar de
afhankelijkheden die wij hebben en de verhouding van de Europese
tegenover de Amerikaanse economie, dan verliezen we dat spel. Dat is dus
een escalatie waarvan je moet zien weg te blijven. Ik ben er dus zeker
voor om te retaliëren op het moment dat wij geraakt worden. Ik ben er
ook zeker voor om, zoals in het geval van de dreigingen rondom
Groenland, alle opties op tafel te houden en uit te werken. We moeten
altijd wel denken aan waar dit eindigt en of we niet gebaat zijn bij
inzet op de-escalatie voordat we overgaan tot de inzet daarvan.
Hoe gaan we om met onze kroonjuwelen, dus met bedrijven als ASML en
andere? Hoe voorkomen we dat die weggaan en hoe zorgen we dat we zelf
onze technologische positie behouden? Dat vereist investeringen en
innovatie. Daar moeten we ook extra op inzetten. Ik noemde al de
rapporten van Draghi en Wennink, die daarbij leidend zijn. We kunnen de
geopolitieke concurrentie daarbij niet voorkomen, maar we kunnen wel
voorkomen dat onze technologie in verkeerde handen komt. Daarbij zijn
instrumenten als investeringsscreening en exportcontrole heel
belangrijk, denk ik. We zetten die ook steeds vaker in daar waar we
denken dat die belangen in het geding zijn. Maar ook in de Nationale
Grondstoffenstrategie en de Europese Critical Raw Materials Act is
diversificatie een van de wegen waarlangs de leveringszekerheid van
grondstoffen wordt bevorderd. We zijn ook actief bezig met derde landen
zoals Australië en Canada — Chili komt zo meteen nog even naar voren —
om die leveringszekerheid te bevorderen.
Zowel de heer De Roon als de heer Van Baarle vroeg hoe nou om te gaan
met de situatie. Waarom staan we zo zwak ten opzichte van de Amerikanen
en hoe moeten we daarmee omgaan? Dat was de vraag van de heer De Roon.
De heer Van Baarle vroeg hoe we ons moeten opstellen en hoe we als EU
een krachtigere stem kunnen laten horen op het wereldtoneel. In de echo
van mevrouw Piri: de EU is niet zwak. We zijn de derde economie van de
wereld en we hebben het grootste handelsblok. We hebben ook de middelen
om op te treden. Daar waar het gaat om veiligheid ontberen we echter wel
middelen. Dat komt één door de afhankelijkheden die we nog hebben en die
we zullen moeten afbouwen en twee doordat we gewoon de militaire macht
missen om daadwerkelijk een geloofwaardig statement neer te kunnen
zetten. Daar moeten we echt aan werken. Dat was eigenlijk de kern van de
brief die ik gisteren ook naar uw Kamer heb gestuurd: de EU als
geopolitieke speler. Welke elementen missen er nou om daar een
volwaardige partij mee te kunnen blazen? Ik noemde net al de Amerikaanse
defensiestrategie, die er gewoon van uitgaat dat wij deze capaciteiten
in no time gaan opbouwen om de verminderde Amerikaanse interesse in
Europa — die staat echt als zodanig genoemd — te gaan compenseren. We
zullen dat hoe dan ook moeten gaan doen.
Is het Amerikaanse strategische belang bij Groenland legitiem? Dat was
ook een vraag van de heer De Roon. En steunen we de onderhandelingen
daarover? Ja, de positie van Groenland is strategisch. Het Arctisch
gebied is een strategische regio. Dat was voorheen, tijdens de Koude
Oorlog, met name zo vanwege de aanwezigheid aldaar van de
kernonderzeeërs voor de second strike capability en vanwege de
ballistische raketten die van Rusland naar Amerika en vice versa over
dat gebied heen vlogen. De afgelopen tien jaar is er echter ook wat
veranderd in het gebruik van dat gebied. Het moratorium dat er lag op de
militarisering van het Arctisch gebied is komen te vervallen. Rusland
heeft een enorme opbouw gedaan van militaire bases aan het
Noordpoolgebied. We zien ook dat de noordelijke vaarroute door het
verdwijnen van Noordpoolijs steeds opener wordt en dat er verhoogde
activiteit is aan verkenningen en aan militaire middelen. Dus, ja, wij
zien absoluut wat president Trump bedoelt met het toegenomen
strategische belang van het Arctische gebied en de rol die Groenland
daarin kan spelen. Dat is, denk ik, ook de reden waarom Denemarken
openstaat voor gesprekken daarover. De vraag is alleen of je daarbij de
autonomie en de territoriale integriteit van een bondgenoot ter
discussie moet stellen. Ik denk dat we daar als Europa een grens hebben
getrokken. We hebben gezegd: "Nee, ten eerste hoeft dat niet en ten
tweede gaan we zo niet met elkaar om. Zorg dus dat we gezamenlijk
bepalen wat we als NAVO méér moeten doen, en dan leveren wij daar onze
bijdrage aan. Dat ontlast ook de VS weer. En ga met Denemarken in
overleg over hoe om te gaan met Groenland en militaire presentie." Ik
hoop dat dat in der minne wordt opgelost.
De heer Klos (D66):
Toch nog even. De minister heeft me toch een klein beetje in verwarring
achtergelaten over de positie van Europa ten opzichte van de Verenigde
Staten op het gebied van veiligheid. Hij citeert inderdaad de
Amerikaanse defensiestrategie, die zegt: our NATO allies are strongly
positioned to take primary responsibility for Europe's conventional
defense. De minister citeert dat met instemming, maar tegelijkertijd
zegt de minister: ik had hetzelfde gezegd als Rutte in het Europees
Parlement, maar dan in andere woorden. En Rutte zei: dat is een droom;
Europa kan zichzelf nooit verdedigen en nooit een serieus
veiligheidsblok worden. Dus welk van de twee is nou waar? Ik weet even
niet welke kant het opgaat.
Minister Van Weel:
Ik wil u niet in verwarring achterlaten, maar ik ga daar nog een derde
factor aan toevoegen. Eén. De nucleaire paraplu van de Amerikanen, die
ons ook beheerst en die ook niet ter discussie wordt gesteld in deze
National Defense Strategy, is zeer moeilijk vervangbaar. Dat zou hele
grote investeringen vereisen, waarvan ik denk dat we die als Europese
landen niet bereid zijn te doen. Dat is dus een afhankelijkheid waarvan
ik denk dat die niet ter discussie staat, ook niet voor de Amerikanen,
en die we zouden moeten willen houden. En als het gaat om
"conventioneel" heeft het ten eerste vooral te maken met de massa die de
Amerikanen kunnen brengen. Dan gaat het dus om mankracht en om
aantallen. Het gaat ook om specifieke capaciteit. Denk aan
intelcapaciteit door middel van space-based, dus in de ruimte
gestationeerde, sensoren, of aan strategische transportcapaciteit. Denk
aan de enorme vloot van C-17-vliegtuigen waarover de Amerikanen
beschikken en wij niet. We zullen echt alles op alles moeten zetten om
die afhankelijkheid conventioneel te kunnen verminderen. Ik hoop dat de
Amerikanen ons tijd gunnen op basis van deze strategie om dat te doen.
Als ze dat niet doen en ze trekken die capaciteiten terug, dan val ik
terug op wat de heer Rutte heeft gezegd, namelijk dat de we daar de
komende vijf tot tien jaar niet zelf in kunnen voorzien. Dat is de
nuance die erin zit. Ik vind dat we daaraan moeten werken. Ik denk dat
dat moeilijk wordt en dat we daar tijd voor nodig hebben, maar het is
wel wat de Amerikanen van ons vragen.
De heer Klos (D66):
Eerlijk gezegd stelt dit me dan wel weer gerust. De minister zegt
eigenlijk dat we geen tijd te verliezen hebben en dat we zo snel
mogelijk gaan werken aan de opbouw van onze eigen capaciteiten. Dan denk
ik dat we daar in de Kamer al snel een meerderheid voor gaan vinden.
Minister Van Weel:
Zeker.
De voorzitter:
De minister vervolgt zijn betoog.
Minister Van Weel:
Mevrouw Van der Werf vroeg of wij ons blijven inzetten voor het
vrijmaken van de Russische bevroren tegoeden voor Oekraïne en hoe we dat
doen. Het was onze insteek voor december om hierop te landen met z'n
allen, maar we weten allemaal om welke redenen dat niet gelukt is op dat
moment. De banktegoeden blijven wel beschikbaar. De blokkade, die nu
verlengd is voor langere tijd, blijft erop liggen. De eerste prioriteit
is de uitwerking van de inzet van die 90 miljard. Onze lijn daarbij is
dat we er in ieder geval voor zorgen dat Oekraïne en de Oekraïense
behoeften daarbij leidend zullen zijn. We zullen bekijken hoe we de
rente daarvoor kunnen betalen. Wat ons betreft doen we dat het liefst in
EU-verband. Verder spreken we als EU ook met de G7 over hoe we verder om
moeten gaan met die bevroren tegoeden.
Mevrouw Van der Werf (D66):
Ik zou toch iets meer duiding van de minister willen over hoe dat dan in
zijn werk gaat, want het gaat wel echt om een enorm bedrag. Het is niet
een soort bijwagen, die bevroren tegoeden. Als het gaat om denken vanuit
het perspectief van de Oekraïners, dan denk ik dat zij er wel raad mee
zouden weten. Ik ben dus benieuwd hoe Nederland zich daar concreet voor
in gaat zetten en welke stappen we dan zetten.
Minister Van Weel:
Ik denk dat deze ook zullen terugkomen in het prosperity package waaraan
gewerkt wordt. Dat is de langeretermijndoorkijk voor Oekraïne. Zoals u
weet bestaat het vredesplan uit drie onderdelen. Dat brengt me trouwens
automatisch naar het blokje Oekraïne. Het peace plan begon met 28 punten
en inmiddels zijn dat er 20. Dat bestaat uit security guarantees. Wat
willen de VS en Europese landen aan veiligheidsgaranties geven aan
Oekraïne? Het derde punt is hoe je ervoor zorgt dat Oekraïne er
economisch weer bovenop komt. Daar zal zo'n 800 miljard voor nodig zijn.
Ik denk dat in het derde spoor, waaraan zowel door de Amerikanen als de
EU met Oekraïne wordt gewerkt — de vraag van het lidmaatschap zal daar
ook in terugkomen; daar komen we zo nog over te spreken — bekeken zal
worden welke rol die Russische bevroren tegoeden kunnen spelen. Ze waren
nodig voor de acute dekking van die 90 miljard omdat Oekraïne anders om
zou vallen in 2026. Dat hebben we weten af te wenden door voor een
andere manier van financiering te kiezen, zonder die banktegoeden aan te
raken, want daar was op dat moment geen unanimiteit voor te vinden.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
Minister Van Weel:
De Russische schaduwvloot is een absolute prioriteit voor het kabinet.
Er zijn een aantal zaken die wij ontzettend goed doen. Maar er zijn ook
zaken die wij echt beter moeten doen; dat frustreert ons allemaal. Wij
hebben een voortrekkersrol in het aanbieden van schepen voor de lijst
van sancties. We hebben ongeveer de helft van de gesanctioneerde schepen
zelf aangedragen op die EU-lijst. We hebben een team ingericht dat
daarnaar kijkt. We leveren geen diensten aan gesanctioneerde schepen.
Zij hebben ook geen toegang tot Nederlandse havens. Ze komen daarom ook
niet meer in onze territoriale wateren. Datgene wat we nog niet goed
hebben geregeld — ik hoop dat we daar snel verandering in kunnen brengen
— is hoe we optreden tegen dit soort schepen in onze economische zone,
dus tot 200 mijl uit de kust. We hebben een aantal voorbeelden gezien
van landen die daar wel recent tegen hebben opgetreden. Het Verenigd
Koninkrijk heeft dat gedaan, maar ook Frankrijk heeft dat zeer recent
gedaan in de Middellandse Zee. Wij willen bekijken hoe we daaraan ook
een bijdrage kunnen leveren. Daarover zal de minister van IenW morgen in
de Kamer, in een commissiedebat, proberen een tipje van de sluier op te
lichten. Maar er moet inderdaad meer gebeuren. Wij zullen ondertussen
blijven werken aan het op de lijst zetten van deze schepen.
Hoe kijken we naar versnelde toetreding van Oekraïne, vroegen de heer
Klos en mevrouw Piri. We hadden gisteren in het tweeminutendebat over de
RBZ al even een heel klein interruptiedebatje, naar aanleiding van een
motie die vroeg om vast te blijven houden aan de Kopenhagencriteria. Hoe
gaan we er dan mee om als de Commissie met een voorstel komt? Wij zijn —
dat is de lijn die in uw Kamer heel lang heel breed is gedragen — voor
het vasthouden aan de Kopenhagencriteria voor een volwaardig
lidmaatschap. Ik denk dat dit een belangrijke waarborg is voor het
behoud van de Unie zoals wij die kennen. Tegelijkertijd zijn we niet
blind voor het EU-perspectief, dat president Zelensky ook nodig zal
hebben om zijn bevolking, in een referendum, te kunnen laten instemmen
met de concessies die uiteindelijk zullen moeten worden gedaan voor het
bereiken van een vredesdeal. Het EU-perspectief is daarbij ontzettend
belangrijk. Mevrouw Von der Leyen stelt terecht dat Oekraïne ook
veiligheid naar de EU brengt, met het leger en met de vermogens die het
op dit moment heeft. Dat is een beetje het speelveld waarbinnen de
Commissie nu bezig is om te bekijken hoe je kunt werken met een
volwaardig lidmaatschap. Daarbij houd je de criteria overeind voordat je
de interne markt volledig opent, terwijl je tegelijkertijd het land wel
perspectief geeft. Hoe dat eruit gaat zien, weet ik nog niet. Maar we
zullen er wel welwillend naar kijken op het moment dat de Commissie met
die voorstellen komt. Dat kan snel gaan, want op het moment dat de
Oekraïners en de Russen eruit zijn, zal dit een van de dingen zijn die
in de weken daarna snel moeten worden beklonken. Dan komen we bij u
terug. Verder zijn wij nu al voor het openen van cluster 1, op het
moment dat het besluit voor onderhandelingen voorligt. Maar we weten ook
dat Hongarije dat op dit moment nog steeds blokkeert in de EU. Die
moeilijkheid gaan we helaas, vrees ik, ook tegenkomen bij
onderhandelingen.
Dan de afnemende Amerikaanse steun voor Oekraïne. Hoe gaan we daarmee om
en zorgen we dat wij Oekraïne op de been houden? Het is frustrerend dat
we op dit moment in de situatie zitten dat we de Verenigde Staten
absoluut nodig hebben om te komen tot een vredesdeal. Zij kunnen als
enige druk op Rusland leggen op een manier die Rusland ertoe noopt om
ook aan tafel te komen. We hebben op dit moment ook Amerikaanse
wapensystemen nodig, omdat Oekraïne zich met die systemen verdedigt.
Denk aan de Patriot-raketsystemen, die het verder uitschakelen van de
energie-infrastructuur moeten opvangen. Tegelijkertijd leggen wij op dit
moment als Europeanen het grootste deel van de rekening op de mat. Ik
ben er trots op dat we dit doen. Ik ben er ook trots op dat we die 90
miljard weer hebben weten te vinden en dat we dit als EU voor elkaar
hebben gekregen. Ik ben ook blij dat we dat met die 90 miljard met een
bredere basis doen dan met de steun dan we de afgelopen jaren bilateraal
hebben verleend. Ik ben er trots op dat Nederland toen steevast in de
top vijf stond, maar daarna werd wat landen bereid waren om bij te
dragen rap minder. En ook met die 90 miljard kunnen we nog steeds niet
alle noden dekken. Andere G7-landen en andere landen zullen dus ook
extra middelen moeten vrijmaken.
Dat brengt mij meteen op de vraag van mevrouw Piri over hoe het zit met
de 700 miljoen en de andere 1,3 miljard. In de schriftelijke
beantwoording hebben we gezegd dat naar ik vermoed het volgende kabinet
bij de Voorjaarsnota invulling zal moeten geven aan de resterende 1,3
miljard zoals genoemd in de nota.
De voorzitter:
Dat leidt tot een vraag van mevrouw Piri.
Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):
Ja, want er was een heel duidelijke uitspraak van een grote meerderheid
van de Kamer om ervoor te zorgen dat dit bedrag in het eerste kwartaal
besteed kan worden. Hier hebben wij niet alleen met de minister van
Buitenlandse Zaken debatten over gevoerd, maar ook met de premier en de
minister van Defensie. De eerste weken nadat de motie werd aangenomen,
was het credo van beide collega's van deze minister: wij komen aan het
begin van dit jaar terug op de besteding van 1,3 miljard. Dat staat
zwart-op-wit, zowel in notulen van debatten met premier Schoof als in
brieven van de minister van Defensie. Daar is nu opeens de Voorjaarsnota
in gefietst. Hoe verhoudt zich dat tot de oproep van de Kamer om die 2
miljard beschikbaar te stellen voor het eerste kwartaal?
Minister Van Weel:
Die twee hoeven elkaar niet uit te sluiten. Ik weet uit betrouwbare bron
dat er binnen de scope van het regeerakkoord, waarover nu op hoofdlijnen
overeenstemming is bereikt door de partijleiders, ook aandacht is
besteed aan de steun aan Oekraïne. Het zou voor dit zittende kabinet
niet kies zijn om nu, in de laatste weken, wijzigingen aan te brengen in
de begroting voor 2026. Met die 700 miljoen hebben we juist gezorgd dat
we nu, diep in januari, maar ook in februari en maart, voldoende
middelen beschikbaar hebben om Oekraïne te kunnen blijven steunen. Ik
denk dat het dus allemaal past.
Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):
Toch even een puntje. Deze motie is na de verkiezingen aangenomen, niet
voor de verkiezingen. Deze is na de verkiezingen aangenomen met een hele
grote meerderheid. Ik denk dat het voor een dubbeldemissionair kabinet,
dat leunt op 26 zetels in de Kamer, misschien ongepast is om zo'n motie
van de Kamer niet uit te voeren. De minister zegt nu eigenlijk "hoe
hadden wij in de laatste weken dat wij er zitten dit besluit nog kunnen
nemen?" Nou, dat is heel makkelijk. De Kamer heeft die uitspraak gedaan
en het kabinet erom verzocht. Begrijp ik goed dat dit kabinet die
beschikbare middelen dus niet meer heeft? Laten we eerlijk zijn: tegen
de tijd dat we de Voorjaarsnota hebben behandeld, is het eerste kwartaal
van dit jaar voorbij.
Minister Van Weel:
We hebben er met die 700 miljoen voor gezorgd dat we het nieuwe jaar in
ieder geval ingaan met voldoende middelen. Het is nu januari en het
nieuwe kabinet is aanstaande. Het eerste kwartaal duurt nog even, dus we
gaan die 1,3 miljard nu, in deze laatste week, niet voor de rest van het
kwartaal hebben. Ik denk dat u in het nieuwe regeerakkoord en de
bijbehorende financiële plaat ook zult zien op welke wijze Oekraïne gaat
worden ondersteund in het komende jaar.
Voorzitter. Dit is het einde van het blokje Oekraïne. Dan kom ik bij
Syrië.
De voorzitter:
Ja, dat is Syrië in het blokje Midden-Oosten. Maar u heeft eerst een
vraag.
De heer Hoogeveen (JA21):
Ik wilde wachten tot het einde van dit blokje, omdat een aantal van mijn
vragen over de financiering van Oekraïne nog niet zijn beantwoord. Ik
hoor de minister zeggen: ik ben trots op de 90 miljard die is losgeweekt
voor Oekraïne. Ik vraag mij toch echt af waar de minister precies trots
op is. Er werd ingezet op de Russische bevroren tegoeden. Dat is niet
gelukt. Vervolgens worden de eurobonds weer uit de mottenballen gehaald,
terwijl het in het Nederlands belang was om juist in te zetten op
toegenomen bilaterale steun. Dan zie ik de premier op tv zeggen: dit is
de beste oplossing voor Nederland, want wij gaan geen eurocent extra
betalen; het valt binnen de headroom van de EU-begroting. Niet heel veel
later blijkt dat dat niet waar is. Kan de minister hierop
reflecteren?
Minister Van Weel:
Eén. Het terugbetalen van die rente gebeurt bij voorkeur door
herschikkingen binnen het lopende MFK. Voor het komende MFK zal dat
meegenomen worden in de onderhandelingen over het toekomstige MFK die
van start zijn gegaan. Ik ga er dus nog steeds niet van uit dat wij als
Nederland die rente zelf gaan betalen. In die zin heeft de premier dus
gelijk. Twee. Bilaterale steun zou perfect zijn in de ideale wereld
waarin iedereen mee zou betalen, maar dat gebeurt niet. We hebben
ontzettend veel bilaterale steun gegeven. We hadden het net over de
motie voor de 2 miljard. Dat betreft ook bilaterale steun van Nederland
aan Oekraïne. Nogmaals, het is goed dat we dat gedaan hebben, maar ik
heb veel liever de 90 miljard waaraan uiteindelijk 24 landen deelnemen
en betalen, dan dat we elke keer met de pet rond moeten om te zorgen dat
we iets van burden sharing hebben. In die zin had het inderdaad onze
voorkeur gehad om dat met de bevroren tegoeden als onderpand te doen.
Dit is een second best, maar het is nog altijd beter dan bilaterale
aanbiedingen, want daarmee hadden we de 90 miljard niet gehaald, denk
ik.
De heer Hoogeveen (JA21):
Is dit dan niet precies het probleem waar we tegen aankijken? Nederland
behoort tot de top acht van landen die bijdragen aan de strijd van
Oekraïne. We zitten in een unie met landen die dat pertinent weigeren;
die weigeren te hervormen en te bezuinigen. We hebben een Europese Unie
die dan de kapitaalmarkt opgaat en vervolgens ook weigert te hervormen
en bezuinigen. Uiteindelijk staat Nederland weer aan de lat en trekt het
aan het kortste eind. Is dat niet het fundamentele probleem waar we nu
tegen aankijken?
Minister Van Weel:
Eén. We staan voorlopig niet aan de lat. U loopt vooruit op iets wat nog
geen werkelijkheid is, namelijk de vraag hoe wij de rente over de
aangegane leningen betalen. Wat ons betreft komen die uit het MFK,
worden die door de Unie betaald vanuit de eigen middelen en hebben wij
daar niks mee te maken.
Twee. Ja, in een perfecte wereld waren we inderdaad wel met z'n allen in
staat geweest dat bilateraal op te vangen, maar dit is echt een goede
second best. De wijze waarop we dit financieren heeft namelijk niet zo
heel veel te maken met de vraag of landen wel of niet hervormd hebben.
Dit hebben we nu met in ieder geval met 24 landen — ik had liever 27
gehad — voor elkaar weten te krijgen. Daarmee helpen we Oekraïne echt
een heel eind op weg in 2026 en 2027.
De voorzitter:
Tot slot.
De heer Hoogeveen (JA21):
Tot slot. De minister refereert er al aan. Er zijn dus drie landen die
hebben gezegd: dit is niet in ons belang; hier willen wij niet aan
meedoen. Dat had ook een goede positie voor Nederland kunnen zijn, door
te zeggen: joh, wij betalen al bilateraal enorm veel aan Oekraïne. En
daar zijn we trots op — dat ben ik ook met de minister eens — maar er
zijn ook landen die hun fair share niet betalen. Wij ontnemen deze
landen nu de prikkel om juist in te zetten op safety first en politieke
keuzes maken. Je kan niet het geld aan het ene én aan het andere
uitgeven. Het is niet en-en; het is of-of. Die prikkel ontnemen wij die
landen nu.
Minister Van Weel:
Ik zie dat net anders. Je kunt bilaterale steun niet afdwingen bij een
derde land. Dat is nou juist het dilemma waar we tegenaan zijn gelopen
de afgelopen jaren. Een aantal landen dacht namelijk dat het niet in hun
eigen belang was om Oekraïne te financieren, of dacht: als ik duik,
heeft niemand door dat ik daar niet aan meebetaal. Dat hebben we gezien
met de PURL-pakketten, waarmee Amerikaanse wapens zijn gekocht. Ook
daarbij was er een schrikbarend aantal landen dat zei dat te gaan doen,
maar uiteindelijk, puntje bij paaltje, niet leverde. Er zijn ook landen
die zich daar gewoon helemaal aan hebben onttrokken. De drie landen
waarvan u zegt dat Nederland zich daarbij had moeten aansluiten, zijn
nou juist de landen die duiken op dit vlak. Die zijn niet bereid om te
betalen, niet bilateraal, maar ook niet eens in Europees verband. Ik heb
dat dus veel liever in Europees verband, omdat we op die manier in ieder
geval zorgen dat we die lasten gelijkwaardiger verdelen. Anders hadden
wij misschien zelf wel 20 miljard moeten ophoesten; dat hoeft nu niet.
Ideaal is het dus niet, maar wel beter dan wanneer dat alleen bilateraal
was geweest.
De heer Klos (D66):
Tot slot over Oekraïne, en dan heb ik nog een informatievraag. We hebben
echt hartverscheurende en woestmakende beelden gezien van mensen die in
de vrieskou zitten vanwege de Russische aanvallen op de
energie-infrastructuur van Oekraïne. Nou vraagt Oekraïne Nederland, en
eigenlijk met name de NAM en het Nederlandse kabinet, om hulp bij het
verplaatsen van de ongebruikte Groningse gasinstallaties naar Oekraïne
voor directe hulp, nu en voor de toekomst. Ik vind het moeilijk om
informatie te krijgen van het kabinet over hoe het kabinet daarbij helpt
en wanneer de eerste gasinstallatie wordt verplaatst. Kan de minister
daar in dit debat iets over zeggen?
Minister Van Weel:
Ja, wij helpen daarbij. Nee, daar zeggen we zo min mogelijk over. Dat is
eigenlijk in het belang van Oekraïne, omdat we de Russen niet wijs
willen maken wat ze van wie, wanneer, op welke route krijgen en waar dat
heen gaat. Ik ben zelf tijdens een bezoek rondom de verkiezingen in een
energiecentrale geweest. Vijf turbines waren daar geraakt, waarbij ze er
drie hebben weten op te lappen. Die draaiden dus, maar ze hebben voor de
Russen geheim gehouden dat die centrale weer online was, juist om te
voorkomen dat die weer opnieuw doelwit zou worden. Dat is het fragiele
spel waarin Oekraïne zich nu bevindt: zodra de Russen het idee hebben
dat ergens iets weer functioneert, worden daar onmiddellijk drones of
raketten op afgestuurd. Wij doen dus wat we kunnen. Mijn collega Aukje
de Vries is vorige week nog in Oekraïne geweest om hierover te spreken
en heeft die kou ook aan den lijve ondervonden. Zij heeft ook bedrijven
meegenomen die daar een bijdrage aan kunnen leveren. Het heeft onze
volle aandacht. Maar meer details kan ik er niet over geven, anders dan
dat de verantwoording over het bedrag dat we daaraan uitgeven natuurlijk
wel zal geschieden.
De heer Klos (D66):
Ik zocht inderdaad een bevestiging dat er geen obstakel lag bij
Financiën of dat de NAM niet mee wilde werken. Als dat allemaal niet zo
is, ben ik daarin tevredengesteld.
Minister Van Weel:
Bij dezen. Staatssecretaris De Vries heeft 23 miljoen euro meegenomen,
niet cash maar in aanbiedingen, om te helpen bij het herstellen van die
infrastructuur, juist omdat dat acuut nodig is.
De voorzitter:
Dan komen we nu bij het blokje Midden-Oosten, volgens mij.
Minister Van Weel:
Ja, voorzitter, Midden-Oosten. Dan begin ik met Syrië. Ik had het net
over de stand van zaken op dit moment wat betreft de strijd tussen het
Syrische leger en de SDF, maar we hebben natuurlijk al eerder aanvallen
gezien op minderheden, of het nu gaat om de druzen, de alawieten of
anderen in Syrië. Ik denk dat we uiteindelijk allemaal — ik zeg het wat
bagatelliserend — een ongemakkelijke gok nemen wat betreft het regime in
Syrië. Bij iedereen, bij elke collega die ik daarover spreek, heerst
datzelfde gevoel. Welke garantie hebben we nu dat deze regering zich
houdt aan de woorden die ze uitspreekt over inclusiviteit, de samenhang
van het land en het beschermen van culturele waarden en minderheden? In
hoeverre staan de achtergrond en de geschiedenis van de mensen in dit
regime in de weg dat een inclusief Syrië er ook daadwerkelijk komt? Ik
kan u daarover geen garanties geven. Niemand waarmee ik spreek, kan dat,
maar iedereen zegt wel: als we hier niet achter gaan staan en hier ons
best niet voor doen, dan weten we het alternatief wél, namelijk dat
Syrië permanent uiteenvalt in al die verschillende minderheden en
pockets, en ook weer openstaat voor de invloed van landen van buitenaf.
Denk aan de invloed die Iran heel lang heeft uitgeoefend tijdens het
bewind van Assad. Dat betekent dat we eigenlijk niks anders kunnen dan
ons dicht tegen dit nieuwe Syrische regime aan bemoeien om het te helpen
om de enorme noden onder de bevolking in Syrië te ledigen. Als je die
noden ledigt en het leven van mensen beter maakt, is uiteindelijk de
kans op een stabiele situatie namelijk ook groter. Dan gaat het om
toegang tot water, voedsel, elektriciteit en een plek om te wonen.
Tegelijkertijd moeten we die scherpe dialoog hebben op het moment dat we
dingen zien gebeuren waar we ons zorgen over maken. Ik noemde net de
vier landen die een verklaring uit hebben doen gaan over de SDF in
relatie tot het Syrische leger. Dat is precies het soort reactie dat ik
bedoel. Op het moment dat je ziet dat het Syrische leger in dit geval
opstoomt richting Al-Hasakah, grijp je als internationale gemeenschap in
en zeg je: halt, tot hier en niet verder; nu zul je toch weer rond de
tafel moeten gaan. Daarmee zeg ik meteen dat ook hier de grootste rol
weer is weggelegd voor de Verenigde Staten, die uiteindelijk hebben
gezorgd voor het staakt-het-vuren dat nu tot stand is gekomen. Ik hoop
oprecht dat er in gezamenlijkheid kan worden gekomen tot oproepen.
We voelen de worsteling die een aantal van u heeft voorgelegd als het
gaat om sancties, economisch herstel en wederopbouw. Je wilt met je
eigen financiële middelen of het opleggen van sancties niet bijdragen
aan het schenden van mensenrechten wat betreft culturele minderheden,
maar er zit een prijs aan het dichtdraaien van die knop. Die prijs is
dat dit bewind zonder geld ook ten dode is opgeschreven, en Syrië in den
brede ook. Wij willen dat Syriërs terugkeren naar Syrië, dat het land
weer kan worden opgebouwd en dat Syrië in ieder geval qua territoriale
integriteit intact blijft. Dus wat mensenrechtensancties betreft: zeker,
daar waar we schendingen zien, gebruiken we binnen de EU het instrument
van mensenrechtensancties om individuen of entiteiten die zich daar
schuldig aan maken op een lijst te zetten, maar op dit moment zijn we
niet voor het treffen van de bredere Syrische bevolking door de
geldkraan dicht te draaien. Maar zoals gezegd, houden we de situatie in
de gaten.
De heer Van der Burg (VVD):
Ik snap wat de minister zegt als hij spreekt over een ongemakkelijke
gok, maar op dit moment zien we in ieder geval dat de prijs voor de gok
die wij als onder andere het Westen nemen, betaald wordt door
minderheden zoals de Koerden, de druzen en de christenen. Daarvoor helpt
dan toch altijd wel de combinatie van de wortel en de stok. De minister
beschrijft heel nadrukkelijk waarom die wortel, het geven van geld,
buitengewoon belangrijk is — ik kan die redenering volgen — maar hij
zegt, en ik snap hem daarin wel: eigenlijk kunnen we nauwelijks een stok
inzetten, want daarmee verzwakken we de boel weer. Maar daarmee mist dit
regime, dat toch ook een dubieus verleden heeft, dus de prikkel om
anders te gaan handelen. Ook zij weten namelijk wat de minister nu tegen
ons zegt. Kan de minister daarop reageren?
Minister Van Weel:
Dat weten ze, maar de stok is natuurlijk wel dat de kraan die open is
gegaan, ook weer kan dichtgaan. Zoals ik zei, hebben ze die geldkraan
nodig om de situatie in het land in den brede iets te kunnen verbeteren.
Ik merk tot nu toe wel dat er gereageerd wordt als de internationale
gemeenschap bij bepaalde misstanden ergens op aandringt. Ik heb alleen
niet de illusie dat de heer Al-Sharaa zijn volledige krijgsmacht, die
voorheen bestond uit verschillende fracties en die ook bestaat uit
mensen die helemaal niet uit Syrië komen, volledig onder controle heeft.
Dan is er natuurlijk een risico op dit soort misdragingen en excessen,
die we ook zien in de strijd tegen de Koerden. Ik moet wel zeggen dat
vastgelopen onderhandelingen aan de basis liggen van de strijd tussen de
Koerden en het Syrische leger. Het kan niet alleen maar aan het Syrische
regime worden toegeschreven dat deze onderhandelingen zijn vastgelopen.
Ook dat is een deel van de realiteit. Tegelijkertijd kan het niet de
bedoeling zijn dat de Koerden hierin met harde hand het onderspit moeten
delven. Daarom zetten wij druk om ze naar de onderhandelingstafel te
brengen. De stok is dat de kraan weer dichtgaat. Als het zo ver komt, of
er niet adequaat gereageerd wordt door het regime, dan zullen we daar
zeker niet over aarzelen.
De heer Van der Burg (VVD):
Een staatshoofd kan zich natuurlijk nooit verschuilen achter de
uitspraak: ik ga niet over een deel van mijn eigen troepen. Uitgaande
van het feit dat dat toch gebeurt, zijn er natuurlijk meer instrumenten
denkbaar. Als de overheid in Syrië inderdaad zegt "sorry, de troepen die
daar in gevecht zijn met de Koerden, vallen niet onder onze controle",
zouden wij ervoor kunnen kiezen om te zeggen: dan heeft u er ook geen
bezwaar tegen als wij de Koerden in dezen steunen, want dan wordt in
ieder geval niet u daar de dupe van.
Minister Van Weel:
Ik beschreef niet een excuus dat wordt gebruikt, maar wel een fenomeen
dat we zien gebeuren. We zien dat er orders worden gegeven vanuit
Damascus, die door bepaalde fracties niet worden opgevolgd dan wel
volstrekt anders of met hele andere normen en waarden worden
geïnterpreteerd. Daar moeten wij dan het centrale regime op aanspreken
en actie op ondernemen richting die fracties. Ik zou liever preëmptief
zijn in dit soort dingen, maar dat lukt nu eenmaal niet op afstand. Tot
nu toe zien we in ieder geval dat het regime wel reageert, elke keer als
er zoiets gebeurt. Er is nu ook weer een wapenstilstand en er is
volledige humanitaire toegang tot Al-Hasakah en Kobani. Ik ben bang dat
we dit nog een aantal keer gaan zien; dat sluit ik niet uit. In elk
geval moeten we bereid zijn om strepen te trekken op het moment dat we
vinden dat de centrale regering hier verwijtbaar steken laat vallen.
De voorzitter:
De heer Van der Burg, tot slot.
De heer Van der Burg (VVD):
Ja, voorzitter, tot slot. In de afgelopen jaren, zo niet decennia, heb
ik gezien dat elke keer als het Westen ergens in het Midden-Oosten in de
knel komt, de Koerden over het algemeen ervoor kiezen om het Westen te
helpen. Op het moment dat de Koerden in de knel komen en het Westen een
ander belang heeft bij een regime dat in dat land toevallig aan de macht
is, dan betalen de Koerden de prijs. Weet in ieder geval dat vanuit de
VVD de sympathie voor de Koerden buitengewoon groot is. Als de minister
zegt "ik ga dingen doen om nadrukkelijk de Koerden te helpen", heeft hij
de volle steun van de VVD.
Minister Van Weel:
De bijdrage van de Koerden tegen de extreme groeperingen wil ik
geenszins uitvlakken. Die bijdrage is enorm geweest, ook wat betreft het
verslaan van ISIS en het bewaken van de gevangenen — dat is mijn
volgende thema — die wij zelf om redenen van nationale veiligheid niet
hebben willen terugnemen. Dat ben ik dus helemaal met de heer Van der
Burg eens.
De heer Stoffer (SGP):
De heer Van der Burg heeft al een aantal behartenswaardige interrupties
gepleegd, waar ik het helemaal mee eens ben. Het is heel makkelijk
praten vanuit deze zaal, in veiligheid, en het te hebben over Syrië,
waar het allemaal heel ingewikkeld ligt. Wat dat betreft geeft de
minister een heel goede duiding. Ik schat in dat er misschien sprake is
van een iets andere weging ten aanzien van het regime. De minister heeft
nog de hoop dat het wat wordt, maar ik moet eerlijk zeggen dat ik daar
zware bedenkingen bij heb. Maar hoe het echt zal lopen, weten we pas in
de toekomst.
We hebben het ook over de geldkraan. Wat ik lastig vind, is het
volgende. Dat geld gaat daarnaartoe. Komt dat nu niet alleen terecht bij
groeperingen die toch wat positief tegenover het regime staan en dus
niet bij de Koerden of allerlei groeperingen die misschien wat minder
positief staan tegenover het regime? Dat is op zich natuurlijk logisch,
maar daarin zit voor ons wel de pijn. Zijn we daarmee niet iets aan het
uitstellen waarvan we kunnen denken: uiteindelijk stort het toch in
elkaar? Hoe kunnen we er nu enigszins controle op uitoefenen en ervoor
zorgen dat we het gevoel hebben dat het geld toch nog wel redelijk goed
terechtkomt? Daarin zit voor mij de zoektocht. Dat is voor mij de reden
waarom ik af en toe oproep om die geldkraan maar dicht te draaien. Ik
begrijp daarbij wel het dilemma dat de minister noemt, maar misschien
voelt hij enigszins aan wat ik zeg. Wij hebben er als Europese Unie een
fors budget voor, maar misschien gaan er gewoon totaal verkeerde dingen
mee gebeuren. Ik heb het gevoel dat ik er geen enkele controle op heb.
Ik heb ook geen enkel gevoel bij het maatschappelijk middenveld dat daar
zit. Ik ken het niet, maar de minister misschien wel. We krijgen wel
telkens de volgende situatie, die de heer Van der Burg ook benoemde. De
Nederlandse Koerden weten ons heel goed te vinden met allerlei signalen.
Zij hebben veel gevoel voor hoe het daar exact loopt. Ik schat in dat de
minister die signalen ook krijgt. Zou hij daar iets van kunnen duiden?
Hoe ziet hij dat maatschappelijk middenveld? Hoe wordt dat geld daar
neergezet? Ik heb al genoeg gezegd; ik denk dat de minister er wel wat
op kan zeggen.
Minister Van Weel:
Er zijn hier nooit blanco cheques. Natuurlijk moet je in de gaten houden
of het geld wel goed terechtkomt bij de verschillende gemeenschappen.
Daar zijn echt heel goede documenten over ondertekend, met ook
waarborgen voor het respecteren van de rechten van minderheden,
inclusief de Koerden en de positie die zij kunnen vervullen binnen een
territoriaal Syrië. In het geval van de Koerden waren de
onderhandelingen daar juist op geënt. Die onderhandelingen zijn
gestrand. Zoals ik zei, gebeurde dat niet alleen maar unilateraal; dit
waren twee partijen die er niet uitkwamen, waardoor er gevechten zijn
ontstaan die zeer nadelig hebben uitgepakt voor in dit geval de Syrische
troepen, waardoor zij heel grote delen van hun terrein zijn
kwijtgeraakt. Gelukkig is er een staakt-het-vuren gekomen om te
voorkomen dat het nog erger werd. Wat we echt nodig hebben, is dat die
partijen uiteindelijk rond de tafel tot een overeenkomst komen waarbij
ook de rechten van de Koerden binnen Syrië gerespecteerd zijn. Dan
hebben wij weer een methode om via de monitoringsmechanismen die we
hebben, via wat we horen van VN-organisaties en van anderen die daar op
de grond actief zijn, de regering daarop aan te kunnen spreken. Die
mechanismes zijn er, maar die zitten nog wel in een vroeg stadium, ook
al omdat we natuurlijk allemaal onze presentie in Syrië vanaf 2014 zwaar
hebben afgebouwd. Er komen nu langzaam steeds meer landen naar Damascus,
wat ook weer meer zicht geeft op wat daar gebeurt.
De heer Stoffer (SGP):
Dank voor dit antwoord, waarbij ergens toch nog wel wat in de mist
blijft hangen. Maar ik schat dat we niet heel veel verder zullen komen.
Ik heb nog wel een vraag. Ik snap dat de minister niet zegt: meneer
Stoffer, hier staat ongeveer de streep in het zand en daarachter wordt
de geldkraan wat ons betreft dichtgedraaid. Maar heeft de minister wel
in zijn achterhoofd — dat zal natuurlijk in gezamenlijkheid zijn met
collega's en wellicht ook met de Verenigde Staten, die een grote rol
spelen - dat er ergens een moment komt waarop hij denkt: hier zouden we
ongeveer die streep in het zand moeten trekken; hier houdt het op? Met
alle gevolgen die je natuurlijk daarna ziet; het blijft kiezen tussen
twee kwaden. Zit dit ergens in het achterhoofd bij de minister?
Minister Van Weel:
Zeker. Het staat morgen ook op de agenda van de Raad Buitenlandse Zaken.
We gaan spreken over de ontstane situatie en dat blijven we doen. Niks
is uitgesloten. Maar ik zei al dat tot nu toe onze belangrijkste
graadmeter is of het regime reageert op de kritiek die we hebben en op
de acties die we verlangen. Op het moment dat dat niet meer gebeurt,
wordt het ontzettend moeilijk om daarmee door te gaan; op dit moment
hebben we het idee dat dat nog wel gebeurt, ook daar waar het ging om de
druzen in het zuiden en nu de Koerden in het noordoosten. Dat brengt ons
nu dus nog niet bij die vraag.
Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):
Ik wil me toch aansluiten bij de woorden van de heer Van der Burg. Wat
we hier zien, is het ultieme verraad van de VS richting de Koerden, die
een enorm belangrijke rol hebben gespeeld, ook voor ons, bij het
ontmantelen van het kalifaat. Laten we ook eerlijk zijn: bij het
sektarisch geweld tegen de druzen en de alawieten zei ook deze minister
nog vaak: het zijn milities, het is niet duidelijk of het onderdeel is
van de overgangsregering en het is ook niet duidelijk of Damascus er
controle over heeft. Maar in dit geval kan daar geen twijfel over
bestaan; die hele militaire actie in januari is vanuit Damascus
vormgegeven. Het is gewoon een actie vanuit de regering in Damascus, met
ministers van Al-Sharaa die zeer zorgelijke uitspraken doen over de
Koerden. De minister heeft waarschijnlijk ook de acties op social media
gezien van vrouwen die hun haar vlechten. En waarom? Eén van die
jihadisten kwam naar buiten met de afgesneden vlecht van een Koerdische
vrouw die hij had vermoord. Erkent de minister dat het nu klip-en-klaar
duidelijk is dat Damascus hierbij betrokken is? De vingerafdrukken zijn
op elke manier zichtbaar.
Minister Van Weel:
Nogmaals, ik sluit me volledig aan bij de woorden van lof over de rol
die de SDF hebben gespeeld aan onze zijde bij het uitschakelen van ISIS.
Daar moeten we ze voor altijd erkentelijk voor zijn. Ik heb ook de
verschrikkelijke beelden gezien waar mevrouw Piri op doelt, namelijk die
met het afgesneden haar van deze Koerdische vrouw en strijder die daar
is omgekomen. Verschrikkelijk! Ik vind dat ook daar dit soort
schendingen van mensenrechten moeten worden aangepakt, ook door de
centrale regering. Kan je daarmee voorkomen dat die zich ooit nog
voordoen? Nee, dat kun je niet. Kun je voorkomen dat de gevechten daar
ooit hervat worden? Daar zetten we ons wel voor in, want uiteindelijk
moet er een overeenkomst komen. Maar ook de Koerden hebben ervoor
getekend dat ze uiteindelijk geïntegreerd zullen worden binnen één
Syrië. Dat vereist dus ook van die kant een welwillendheid om rond de
tafel te gaan zitten en een compromis te vinden. Anders zullen we deze
spanningen alleen maar zien toenemen en zullen ook de gevechten niet
stoppen. Dat is de combinatie van dingen die er moeten gebeuren. Elke
mensenrechtenschending moet worden aangepakt, het liefst door de
regering in Damascus, en zeker niet worden toegejuicht. Anders zullen we
ze daarop moeten aanspreken. Tegelijkertijd hoop ik echt dat ze de
documenten die ze zelf initieel zijn overeengekomen gaan naleven en tot
een overeenkomst komen.
Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):
Er zitten een paar dingen in wat de minister zegt waar ik het niet mee
eens ben. Hij heeft het de hele tijd over de gevechten van twee kanten.
Dat was het niet. Het was een aanval van de Syrische overgangsregering
samen met aangesloten milities op de Koerden. Dat was het. De SDF waren
geen gevechten begonnen tegen de overgangsregering. Laten we wel bij de
feiten blijven. Het gebied waar de Koerden zich nu hebben
teruggetrokken, in Rojava, is Koerdisch meerderheidsgebied, waar ook
Arameeërs wonen, jezidi's, christenen en ook een aantal Arabieren.
Erkent de minister … 10% van de Syrische bevolking is Koerdisch. Sinds
2012 hebben zij te maken met een vorm van autonomie, van zelfbestuur.
Het afgelopen decennium hebben zij te maken gehad met jihadistische
dreigingen en natuurlijk ook met Koerdische strijders. Erkent de
minister dat je, denkend à la Nederland of België, niet kan zeggen: nu
moet alles zich maar ontwapenen, er is één centraal gezag in Damascus en
Koerdische autonomie is vanaf vandaag voorbij? Erkent de minister
dat?
Minister Van Weel:
Ja, maar erkent mevrouw Piri … Ik mag hier geen vraag stellen. Er zijn
overeenkomsten getekend tussen de SDF en de Syrische regering, in maart
vorig jaar en op 18 januari jongstleden, waarin juist afspraken zijn
gemaakt over wat het opgaan van de SDF binnen één Syrië betekent. Dus
autonomie, ja, maar wel binnen de afspraken die ze daar zelf over hebben
gemaakt. Er is niet gesproken over een autonome Koerdische staat en ook
niet over autonome Koerdische strijdkrachten. Het is dan ook te kort
door de bocht om te zeggen dat op het moment dat twee partijen zich niet
verhouden tot de afspraken die zijn gemaakt, dat per definitie alleen
maar ligt aan die ene partij. Die nuance wil ik hier toch neerleggen.
Nogmaals, dan doe ik helemaal niets af aan de enorme dank die we de SDF
verschuldigd zijn, maar het is wel de bedoeling dat ze nu samen met de
Syrische regering toewerken naar de kaders die ze zelf hebben
afgesproken, vorig jaar en tien dagen geleden.
Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):
Tot slot. Die afspraken van vorig jaar waren natuurlijk zeker anders dan
de afspraken die ze nu hebben gemaakt. De afspraken van vorig jaar
gingen over het opnemen van de SDF in een overgangsleger. Dat waren de
afspraken. De afspraken gingen ook over autonomie voor de Koerden in
Rojava: natuurlijk onder een centraal gezag, maar ook autonomie. Vind je
het gek dat de Koerden er niet op vertrouwen dat als ze alles opgeven,
ze veilig zijn onder een regime met een oud-Al Qaidastrijder en al die
jihadisten die daar de afgelopen weken moordpartijen hebben gepleegd? En
het klopt. Nadat de afgelopen weken een groot gebied van de Koerden is
veroverd, is hun onderhandelingspositie ernstig verzwakt. Hier dreigt
een massaslachting. De Koerden hebben een bekend gezegde: onze enige
vrienden zijn de bergen. Dat is omdat ze altijd in de steek worden
gelaten door de internationale gemeenschap. Ik hoop echt dat Nederland
pleit voor een manier waarop de Koerden veilig kunnen zijn en hun
rechten in een toekomstig Syrië kunnen verzekeren.
Minister Van Weel:
Absoluut. Daar staan wij voor. Ik denk dat dat ook de strekking is van
het statement van de Verenigde Staten en de drie grote Europese landen.
Daar schaar ik mij volledig achter. Ik ben blij met het staakt-het-vuren
nu. Ik hoop oprecht dat hier overeenstemming over kan worden gevonden en
tot een overeenkomst kan worden gekomen.
Mevrouw Dobbe (SP):
Het is natuurlijk niet zo dat welke overeenkomst daar ooit ook gesloten
is een reden of een vrijbrief kan zijn om oorlogsmisdaden te plegen
zoals we nu bijvoorbeeld in Kobani hebben gezien, waar een bevolking
werd afgesloten van voedsel en elektriciteit en waar kinderen zijn
gestorven van de kou. Dat wil ik even gezegd hebben; ik hoop wel dat de
minister het daarmee eens is. In de beantwoording van de vragen van
mevrouw Piri miste ik nog een beetje of er erkenning is dat het Syrische
regime ook verantwoordelijkheid draagt voor de oorlogsmisdaden en voor
de misdaden die zijn gepleegd tegen de mensen in Kobani en tegen de
Koerden. Als dat zo is, dan zou dat verklaren waarom we nog niet echt
een veroordeling hebben gezien vanuit dit kabinet over deze
oorlogsmisdaden.
Minister Van Weel:
Wij veroordelen alle oorlogsmisdaden. Ik sluit helemaal niet uit dat er
oorlogsmisdaden zijn begaan, ook bij de belegering van Kobani en de
afsluiting daarvan en ook tijdens de stedelijke gevechten waarbij onder
andere het incident speelde dat mevrouw Piri noemde. Er zijn
VN-mechanismen om hier onderzoek naar te doen en om hier de waarheid
boven water te krijgen. Die mechanismen steunen wij ook. Ik hoop dat
onderzoek uit zal wijzen wie hier welke schending heeft begaan. Dan
moeten ze daarvoor worden gestraft.
Mevrouw Dobbe (SP):
De vraag was toch vrij simpel. Volgens mij stelde mevrouw Piri 'm ook.
Erkent de minister dat het huidige Syrische regime verantwoordelijkheid
draagt voor deze mensenrechtenschendingen en deze aanvallen op de
Koerden?
Minister Van Weel:
Het is niet populair, maar ik ga het wel toch weer zeggen: er zijn over
en weer mensenrechtenschendingen geweest in de gevechten die hebben
plaatsgevonden. Wij vinden dat die allemaal moeten worden onderzocht. We
vinden ook dat daar uiteindelijk gerechtigheid moet plaatsvinden, maar
over individuele mensenrechtenschendingen kan ik hier nu geen oordeel
geven. Nogmaals, daar hebben we mechanismen voor. Wij hebben daar ook
niet mensen op de grond. We zijn dus afhankelijk van de overlevering van
de verhalen. Ik geef u mee dat we nu natuurlijk heel veel verhalen uit
dat gebied zien komen, maar dat geeft mij nog niet een soort
salomonsoordeel over welke mensenrechtenschendingen waar zijn
begaan.
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dit kan natuurlijk niet het antwoord zijn. Wij vroegen ons inderdaad af
waarom er nog geen veroordeling was geweest richting het Syrische regime
voor het geweld dat nu wordt gepleegd tegen de Koerden. Ik zeg het
nogmaals: een hele bevolkingsgroep daar wordt afgesloten van
elektriciteit en van voedsel. Dat zijn gewoon oorlogsmisdaden. Daar
waren ook regeringstroepen bij betrokken. De minister zegt nu dat we
niet precies weten wie waar verantwoordelijk voor was. Dat vind ik dus
wel heel zorgelijk, want welke gesprekken heeft de minister dan met het
Syrische regime hierover? Hoe stevig wordt dat dan ook ontvangen?
Ik heb nog wel een vraag over die monitoringsmechanismen. De minister
zegt zelf: dat moeten we allemaal weer opbouwen, want een deel daarvan
is afgebroken sinds 2014; nu zijn we dat weer aan het opbouwen. Maar hoe
worden de mensenrechtenschendingen en de oorlogsmisdaden gemonitord die
nu worden begaan? Geeft Nederland daar ook actieve steun aan, om ervoor
te zorgen dat er daarna ook geen straffeloosheid kan blijven bestaan
omdat we dan weten dat er bijvoorbeeld bewijs is verzameld?
Minister Van Weel:
Ja, dat doen we. Er is nu een veldkantoor van de OHCHR van de VN in
Damascus. Een UN commission of inquiry is actief in Syrië. Het
International, Impartial and Independent Mechanism is actief in Syrië.
Wij steunen ook via onze bijdrage aan de VN deze mechanismen. Daar moet
wel tegenover worden gesteld dat Syrië een enorm land is en dat deze
organisaties ook niet overal altijd zullen zijn om elke
mensenrechtenschending te kunnen vinden, maar hun specifieke doel is om
dit te documenteren en op te sporen en om ons in staat te stellen om de
daders daarvan erop aan te spreken.
Mevrouw Van der Werf (D66):
Allereerst wil ik me graag aansluiten bij de woorden van collega Van der
Burg wat betreft steun aan de Koerden: ook bij dezen namens mijn
fractie. Allereerst, ik heb een aantal vragen gesteld in mijn eerste
termijn en volgens mij is nog geen daarvan beantwoord. In het vorige
debat ging het hier ook al over. Ik heb de minister gevraagd of hij in
contact is geweest met zijn Syrische ambtgenoot om dit geweld expliciet
af te keuren. Waarom vroeg ik dat? Dat was omdat de minister in het
vorige debat aangaf: ja, dat hebben we op ambtelijk niveau gedaan. Maar
wat heeft deze minister nou precies gedaan?
Minister Van Weel:
Wij hebben ook een heleboel vragen schriftelijk beantwoord en daar zat
deze van mevrouw Van der Werf volgens mij ook in, maar ik ben ook nog
niet aan het einde van blokje Syrië. Ik was voornemens om mijn Syrische
collega in Davos te zien afgelopen week en daar zouden wij onder andere
hierover spreken. Uiteindelijk is hij niet afgereisd vanwege de situatie
in Syrië. Dat geldt ook voor zijn president, Al-Sharaa. Die zijn dus
daar gebleven. Ik heb geprobeerd om telefonisch contact te zoeken, maar
dat is tot op heden nog niet gelukt. Vandaar dat het tot op heden
ambtelijk is geweest.
Mevrouw Van der Werf (D66):
Ik denk dat het heel belangrijk is dat de minister dat dan alsnog gaat
doen voor de stevigheid van dat signaal en dat we dat niet alleen
ambtelijk af laten doen. Ik heb enige moeite met de reactie op de vragen
over in hoeverre het regime nou betrokken is bij de acties die we op dit
moment in Noord-Syrië zien. Het is ongetwijfeld waar dat er misschien
ook vanuit een Koerdische groep ergens een keer is teruggevochten, maar
de minister insinueert nu dat dat een soort van fiftyfifty is geweest,
dat beide groepen daar de wapens tegen elkaar hebben opgepakt en dat het
een soort van gelijkwaardige strijd is geweest, en dat is natuurlijk
helemaal niet het geval. Ik denk dat het heel belangrijk is om dat hier
te erkennen. In Kobani waren baby's die wachtten op babyvoeding die de
stad niet is binnengelaten. Op dat niveau wordt er nu met de Koerden
omgegaan en ik denk dat het belangrijk is dat de minister daar wat
stevigere woorden aan wijdt.
Minister Van Weel:
Er is wel degelijk sprake geweest van strijd van beide kanten, maar de
Koerden hebben wel zware verliezen geleden in die gevechten. Er zijn
mensenrechtenschendingen geweest beide kanten op en van beide kanten wil
ik dat wel veroordelen. Tegelijkertijd hebben we gezien hoe nijpend de
situatie al heel snel werd voor de SDF en voor de Koerden. Dat is
aanleiding geweest om, met de Verenigde Staten voorop, zware druk te
leggen op het Syrische regime om daar de vijandelijkheden te staken en
om onmiddellijk humanitaire hulp toe te laten. Daar hebben wij ons
achter geschaard. Dat heeft ook resultaat gehad. De vijandelijkheden
zijn beëindigd en gelukkig is daarmee erger voorkomen. Dus ik veroordeel
de schendingen die daar zijn begaan. Daar is geen twijfel over mogelijk.
Ik ben blij dat die druk heeft geleid tot een staakt-het-vuren en nu
hoop ik dat we echt aan de onderhandelingstafel verder gaan komen en
niet meer door het oppakken van de wapenen, om erger te voorkomen.
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Van der Werf (D66):
Zegt de minister daarmee: de volgende keer dat het geweld weer oplaait
en wij op deze manier reageren, is dat voldoende? Of houden wij toch nog
wat maatregelen achter de hand om ervoor te zorgen dat dit echt niet
meer op een dergelijke manier kan gebeuren?
Minister Van Weel:
Natuurlijk houden wij maatregelen achter de hand. Natuurlijk probeert de
internationale gemeenschap, nogmaals, met de Verenigde Staten voorop —
ook hier hebben zij weer een doorslaggevende rol en de macht om die
invloed uit te oefenen op het regime — om te doen wat zij kan om
excessen die we zien gebeuren, nu dus in het noordoosten van Syrië, zo
spoedig mogelijk een halt toe te roepen.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik gaf het gisteren al in mijn bijdrage aan: het verraad vanuit het
Westen komt keihard aan bij de Koerden. Er is keihard gewerkt en ook
gevochten, vaak juist tegen Europese IS-strijders. Die heeft men ook
jarenlang in gevangenissen gehouden terwijl het Westen nagenoeg wegkeek.
In Noordoost-Syrië is in de afgelopen jaren een relatief stabiele
situatie ontstaan en een relatief stabiele economie. We hebben hier een
paar jaar geleden een delegatie mogen ontvangen. Ik heb toen gevraagd of
dat in Kamercommissieverband mocht. Dat was eerst akkoord, maar na een
brief van volgens mij een Turkse diplomaat of de ambassade werd het
allemaal ingewikkeld en heb ik dat via een bijzondere procedure gedaan.
We hebben toen ook al gehoord dat Noordoost-Syrië een relatief stabiele
en gemêleerde samenleving is waarin ook ruimte is voor minderheden. Mijn
vraag is: staat de minister ervoor open dat Noordoost-Syrië, als het dat
prefereert, als autonome regio in Syrië zou kunnen bestaan als deze
escalaties zouden voortduren en de Koerden aangeven dat dat misschien
wel een veiligere situatie zou opleveren voor hen, gezien de houding van
de centrale regering in Damascus?
Minister Van Weel:
Daar zijn we op dit moment niet. Het uitgangspunt is echt de
overeenkomst die de Syrische regering met de Koerden heeft gesloten in
maart 2025. Dat is het uitgangspunt. Aan dat principe moeten we
vasthouden. We zullen de Koerden er ook in steunen om op basis van dat
principe hun eigen positie binnen Syrië te behouden. Ik moet wel eerlijk
zeggen: deze onderhandelingen zijn van twee kanten stukgelopen. Dat is
niet alleen maar één zijde geweest. Daardoor zijn we nu, helaas, in een
nog slechtere situatie beland. Natuurlijk steunen we als internationale
gemeenschap de Koerden om datgene wat in maart vorig jaar is afgesproken
ook gestand te kunnen doen. Maar daarop terugkomen is op dit moment geen
optie.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik begrijp het standpunt van de minister dat het daarvoor misschien te
vroeg is, maar al vorig jaar waren hier discussies over de vraag of
Al-Jolani zijn milities wel onder controle had. Als dat niet zo is, dan
is dat vrij ernstig, maar misschien is het nog wel ernstiger als hij ze
wél onder controle heeft, gezien de moorden op etnische minderheden:
druzen, alawieten, christenen en nu ook de Koerden. De vraag is of dat
beter wordt. Dat weet ik niet; dat hopen we. Maar ik denk dat dit wel
een optie is die op tafel moet blijven liggen. Een andere actor die nog
niet besproken is, is Turkije. In de afgelopen jaren hebben we het hier
een aantal keren gehad over de rol van Turkije. In de afgelopen jaren
heeft Turkije ook Koerdische doelwitten gebombardeerd en daarmee ook de
situatie daar verzwakt. Ook de afgelopen weken lijkt Turkije hierin
direct dan wel indirect een rol te spelen. Het is ook geen geheim welke
opvattingen Turkije over de Koerden heeft en wat zijn ambitie is. Mijn
vraag is of de minister concrete aanleiding heeft om te veronderstellen
dat Turkije bij de mogelijke mensenrechtenschendingen direct dan wel
indirect betrokken is geweest door steun te verlenen. Zo ja, wat
betekent dit voor onze opstelling richting onze NAVO-partner?
Minister Van Weel:
Wij hebben geen indicaties dat Turkije betrokken is geweest bij de
gevechten die we de afgelopen weken in Noordoost-Syrië hebben gezien. We
weten wel dat er nauwe banden zijn tussen Turkije en het Syrische
overgangsregime. Ook weten we dat Turkije in het verleden wél heeft
opgetreden. U refereerde daar zelf ook aan. Onze boodschap aan Turkije
is elke keer weer dat we nu moeten inzetten op een territoriaal,
soeverein en inclusief Syrië, met rechten voor alle minderheden, en dat
Turkse inmenging daarbij buiten de orde is.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Is het nog wel zo dat Turkije onrechtmatig grondgebied heeft ingenomen?
Is dat in ieder geval wel bekend? Klopt dat nog steeds? En hoe
beoordeelt de minister dat?
Minister Van Weel:
Nogmaals, ik beperk me nu even tot Noordoost-Syrië en de situatie die we
de afgelopen weken dáár hebben gezien. Dáár hebben we geen aanwijzingen
voor directe Turkse betrokkenheid. Maar we weten natuurlijk dat Turkije
in het verleden rondom Idlib en Aleppo wel degelijk actief is geweest.
Daar heb ik nu geen indicatie van. Op dit moment zijn daar ook geen
gevechten gaande.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog. Maar eerst mevrouw Piri.
Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):
Het zou kunnen dat de minister misschien niet op de hoogte is, maar ik
kan me niet voorstellen dat het ministerie niet op de hoogte is. Dus ik
zou toch graag voor de tweede termijn ... Ik bedoel: volgens mij weten
we allemaal dat de Suleiman Brigade en allerlei andere brigades die
onder het leger van de overgangsregering opereren, in het noorden van
Syrië ook in de afgelopen weken een rol hebben gespeeld. Er zijn
inmiddels ik weet niet hoeveel getuigenissen, ook vanuit de Koerdische
media, van Turkse drones die tijdens deze gevechten boven de gebieden
vlogen. Ik neem het de minister niet kwalijk, want hij moet elke dag de
hele wereld tot zich nemen, maar het zou pijnlijk zijn als dit blijft
staan. Dus ik vraag de minister toch om dit even te checken en daar in
tweede termijn op terug te komen als er nog meer informatie is.
Minister Van Weel:
Dit is niet de informatie die ik uit mijn hoofd haal, maar dit is de
informatie die ik van het ministerie heb gekregen. Maar ik ben gaarne
bereid om hier nog een keer op terug te komen in de tweede termijn.
De voorzitter:
Ik merk dat de interrupties steeds langer worden, dus misschien wilt u
een beetje opletten en het iets korter houden. Aan de minister wil ik
vragen: we zijn in het blokje Midden-Oosten; hebben we nu het stukje
Syrië gehad?
Minister Van Weel:
Nee, we hebben nog de IS-strijders en de mogelijke ontsnappingen
daar.
De voorzitter:
Oké.
Minister Van Weel:
Ja, we hebben indicaties gekregen dat IS-strijders zouden zijn ontsnapt
tussen het vacuüm bij het terugtrekken van de SDF en het naar binnen
komen van het Syrische leger. Voor zover mij bekend, zijn de meeste
strijders daarvan ook weer opgepakt. Ik heb hier eerder al gezegd dat de
VS nu bezig zijn om 7.000 aan ISIS gelinkte personen over te brengen van
Syrië naar Irak. Ook onze diensten houden nauw in de gaten hoe het gaat
met Nederlandse IS-gevangenen. Er zijn op dit moment geen indicaties dat
er daarvan nu mensen ontsnapt zijn en/of onderweg zouden zijn naar
Nederland. Ik moet daarbij wel zeggen dat tot op heden vanuit Irak, maar
ook vanuit de Verenigde Staten, altijd het verzoek is geweest om onze
eigen strijders als Europese landen op te halen. Ik sluit niet uit dat
die druk met deze ontwikkelingen de komende periode verder zal worden
opgebouwd.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Vanwege deze bijzin stelde ik die vraag. Zolang er geen processen
plaatsvinden, lijkt het me namelijk onvermijdelijk dat er een moment
komt waarop andere landen er klaar mee zijn om Europese IS-strijders en
hun gezinnen en kinderen vast te houden en dat er vervolgens verzoeken
gedaan worden om ze over te halen of een aantal terug naar Nederland te
laten komen. We hebben deze discussie al een paar keer gehad, nadat er
een verzoek door een advocaat is gedaan. Die discussie wil ik graag voor
zijn. Dat lijkt me ook deugdelijk beleid. Wetende dat, zoals de minister
zegt, de Amerikanen Europa hierop waarschijnlijk gaan bevragen, vraag ik
mij af of de minister dan al weet wat Nederland gaat doen en, zo nee, of
hij bereid is om alvast een stappenplan voor te bereiden. Het ergste wat
ons kan overkomen, is volgens mij de situatie dat IS-strijders naar
Nederland komen met hun kinderen en vrouwen. Dan moeten we hier een
politiek debat voeren, omdat het evident is dat er waarschijnlijk een
berechting zal moeten plaatsvinden. Wegens gebrek aan bewijs en het feit
dat we daar moeilijk bewijs kunnen vergaren, hebben we dan best wel een
ingewikkelde situatie met elkaar, denk ik.
Minister Van Weel:
Linksom of rechtsom is deze situatie ingewikkeld. Die mensen zitten al
lange tijd in kampen. Bij een berechting in Nederland kunt u ervan
uitgaan dat de periode die de mensen in die kampen hebben gezeten al
langer duurt dan de straf die ze ooit zouden krijgen voor de misdaden
die ze hebben begaan, waarbij het ook nog maar de vraag is of je al het
bewijs voor die misdaden nog wel rond krijgt na al die tijd. Tot op
heden is het in de individuele beoordeling die elke keer wordt gemaakt
de afweging geweest tussen de risico's voor de nationale veiligheid hier
en het belang van een ordelijke rechtsgang. Tot op heden is het oordeel
van de regering in de gevallen van de mannelijke strijders continu
uitgevallen naar het niet ophalen van deze mensen. Daarmee bevinden we
ons in het gezelschap van zeven andere Europese landen, waarmee we nauw
optrekken. Daar zoeken we nu ook weer contact mee om te bezien wat de
nieuwe situatie mogelijk betekent voor de ontwikkelingen hier. Als daar
aanleiding toe is, dan zal ik daar hier ook op terugkomen. Op dit moment
hebben we nog geen verzoeken ontvangen van Irak noch van de Verenigde
Staten tot het overnemen van Nederlandse verdachten.
De heer Ceder (ChristenUnie):
In een paar bijzinnen geeft de minister eigenlijk iets fundamenteels
aan. Het lijkt een kwestie van tijd voordat Nederland verzocht gaat
worden om zijn IS-strijders weer op te halen. Waarschijnlijk komen die
dan ook vrij als ze in Nederland overgedragen worden, ofwel omdat we te
weinig bewijs hebben, ofwel omdat de tijd van de situatie in Syrië en
Irak en de tijd dat ze vastzaten waarschijnlijk in mindering gebracht
zal worden. Ergo hebben we, denk ik, ook wel een samenlevingsprobleem.
Zou ik de toezegging kunnen krijgen dat we hierover een terugkoppeling
krijgen wanneer de minister contact heeft gezocht met die landen? Ik ben
eigenlijk ook op zoek naar een toezegging over een plan van aanpak voor
hoe we gaan acteren wat betreft dit onvermijdelijke pad, omdat dit ook
het nationale veiligheidsbelang dient. Nogmaals, ik vraag hier al twee
jaar om, want dit lijkt een situatie die onvermijdelijk is.
Minister Van Weel:
De eerste toezegging krijgt u. Dat doe ik voor zover dat mogelijk is,
want ook met deze groep wordt natuurlijk in vertrouwelijkheid gesproken
over het lot. Voor zover dat mogelijk is, zal ik u daarover verslag
doen. Voor een plan van aanpak vind ik het nu echt te vroeg. Vooralsnog
staat onze lijn dat wij elk geval individueel beoordelen, waarbij we de
nationale veiligheid zwaar meewegen. Tot op heden heeft dat erin
geresulteerd dat deze mensen daar nog zitten en niet hier.
De voorzitter:
Tot slot.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Het lijkt mij een heel onverstandig plan om potentiële IS-strijders met
hun kinderen in Nederland terug te laten komen, omdat ze dan vrijkomen
en niet vastgezet worden. Tenminste, de kans is groot dat zij dan
vrijkomen. Het lijkt me heel goed om daarop voor te sorteren. Volgens
mij zijn er een aantal smaken: wij investeren in een tribunaal daar of
zij worden lokaal, in Irak, berecht. Dat betekent volgens mij de
doodstraf. Dat kan ook een optie zijn. Wat ook kan, is dat ze
teruggehaald worden naar de landen waarvan ze de nationaliteit hebben;
dat is een kwestie van tijd. Dat betekent dat ze in Nederland komen,
vrijkomen en vervolgens ook gewoon de Nederlandse rechten hebben die
elke Nederlandse burger heeft.
De voorzitter:
En uw vraag is?
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik wil toch nog vragen of u de toezegging kunt doen om in ieder geval
het plan uit te werken. Anders zal ik hier een voorstel voor doen en dat
aan de Kamer voorleggen.
Minister Van Weel:
Dat plan is al uitgelopen. We hébben gekeken naar tribunalen; daar is
geen draagvlak voor. We hébben gekeken naar mogelijkheden voor
berechting in Irak en we lopen daar aan tegen de doodstraf. Ook in het
regeerprogramma stond weer het voornemen om daaraan te werken.
Uiteindelijk lopen die sporen dood, letterlijk of figuurlijk, of
resulteren ze in onvoldoende draagvlak. Je komt dus altijd uit op de
individuele beoordeling op het moment dat er een verzoek wordt gedaan of
op het moment dat iemand zich bij een Nederlandse ambassade meldt. Dan
is het plan ook duidelijk, want dan zul je iemand in hechtenis nemen.
Dan zul je hem gaan voorgeleiden en een rechtszaak beginnen. Dan loop je
wellicht aan tegen alles wat u zegt. Uiteindelijk hebben we ook ervaring
met gevaarlijke mensen die weer vrijkomen. Ook dat is namelijk inmiddels
gebeurd. We hebben terrorismeverdachten waarvan we vinden dat ze nog
steeds een gevaar voor de veiligheid zijn en die wel gewoon rondlopen in
onze straten. Het is uiteindelijk een taak van de diensten, politie en
anderen om te zorgen dat we daar een toezichtsregime op hebben. Het plan
is er; alleen is het niet het ideale plan dat we samen graag zouden
hebben, namelijk een plan om te voorkomen dat hier überhaupt een gevaar
voor de nationale veiligheid kan ontstaan. Daarom hebben wij tot nu toe
heel terughoudend gereageerd op het terugnemen van deze mensen.
Dat brengt mij bij het blokje Iran. Ik zal even kritisch kijken wat ik
nog niet in het overzichtsblokje heb gemeld, voorzitter, ook gelet op de
tijd. Ik heb al gemeld dat ik me morgen in de RBZ in ieder geval zal
inspannen voor het op de terrorismelijst plaatsen van de Revolutionaire
Garde. We hebben in ieder geval gezien dat een van de landen die daar
bezwaar tegen hadden, dat bezwaar heeft laten varen. Ik hoop dat we daar
morgen verder in komen. Wat we in ieder geval doen, is andere personen
op basis van de mensenrechtensancties morgen op de lijst plaatsen.
Daarmee wordt een eerste stap gezet.
Mevrouw Teunissen vroeg naar onafhankelijke onderzoekscapaciteit. Wij
steunen de fact-finding mission van de VN die gericht is tegen
mensenrechtenschendingen in Iran. Het mandaat van die fact-finding
mission is afgelopen vrijdag verlengd en uitgebreid, mede dankzij onze
steun. Aanvullend zullen we zien op welke wijze we het maatschappelijk
middenveld in Iran daadwerkelijk kunnen steunen. Ik ben dus blij dat
onze ambassade daar nog actief is om te kijken hoe we daar contact
kunnen zoeken met het maatschappelijk middenveld.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Ik heb een vraag over de ondersteuning van het maatschappelijk
middenveld. Tegelijkertijd blijft het kabinet wel bezuinigen op het
Mensenrechtenfonds. Ik vraag me af of er nog gevolgen van die
bezuinigingen worden ervaren, ook voor de steun aan Iran.
Minister Van Weel:
Voor zover ik weet niet voor de steun aan Iran, maar ik zal daar in de
tweede termijn nog even op terugkomen om dat zeker te stellen.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Betekent dit dat er dan ook echt extra middelen vrijkomen voor die
ondersteuning? Of is het gewoon voortzetting van het huidige beleid? Ik
denk namelijk dat een intensivering wel hard nodig is.
Minister Van Weel:
Naar die intensivering zijn we nu aan het kijken; we zijn nu dus aan het
kijken of we meer kunnen doen. Als dat het geval is, zullen we daar ook
middelen voor moeten vrijmaken.
Voorzitter. Ik denk dat ik daarmee de vragen over Iran heb beantwoord en
dat ik aankom bij Israël en de Palestijnse gebieden.
Mevrouw Van der Werf (D66):
Ik had de minister gevraagd of hij bereid is om Frankrijk te spreken
over de satelliet voor de Iraniërs, de Eutelsat.
Minister Van Weel:
Ja, dat is een terecht punt. Daar ben ik toe bereid. Frankrijk heeft al
aangekondigd dat ze die beschikbaar willen maken voor Iraniërs. Ik zal
kijken of we daar nog steun aan kunnen verlenen en of daar nog iets voor
nodig is, maar de toezegging heeft Frankrijk al gedaan.
Dan kom ik bij Israël en de Palestijnse gebieden, het derde en laatste
blokje over het Midden-Oosten. Daarna heb ik nog één blokje. Dat is het
kortste blokje, voorzitter, zeg ik ter uwer geruststelling. We zijn over
naar fase 2 van het Gaza-vredesplan. Zoals gezegd steunt de regering op
dit moment de implementatie van dit plan. Het is het enige
geloofwaardige plan dat er is geweest sinds het begin van de oorlog op 7
oktober 2023 dat kan leiden tot in ieder geval een verbetering van de
situatie in Gaza, maar uiteindelijk ook tot een situatie waarin we
kunnen praten over toewerken naar een tweestatenoplossing.
We hadden graag de Board of Peace onderschreven en we waren er graag lid
van geweest, ware het niet — daar hadden we het al even over — dat het
mandaat wat ons betreft nu echt te breed is. Het ziet niet alleen maar
op Gaza en daarmee lijkt het ook te concurreren met de
VN-Veiligheidsraad. Dat vinden wij niet wenselijk. Mocht het mandaat
teruggebracht worden tot de grenzen van de resolutie waarin de Board of
Peace werd genoemd, dan kunnen we die positie alsnog heroverwegen.
Daarom doe ik de deur op dit moment niet 100% dicht. Het niet-aanwezig
zijn heeft namelijk ook nadelen. We hebben namelijk nu een Gaza
Executive Board, waarin ook Sigrid Kaag zitting heeft. We hebben een
National Committee for the Administration of Gaza, bestaande uit
Palestijnen die nu verantwoordelijk worden voor het dagelijks bestuur
van de Gazastrook. Dat is natuurlijk een beweging die wij wel
ondersteunen en waar we graag onderdeel van waren geweest om daar ook
mede sturing aan te kunnen geven. In de Committee for the Administration
zit dus nadrukkelijk Palestijnse betrokkenheid. Dat is voor ons van
groot belang en daarmee een welkome stap.
Het belangrijkste voor ons nu met het aanvangen van fase 2 nu alle
gijzelaars zijn teruggekeerd, is onverwijlde humanitaire toegang, het
openen van de Rafah Crossing. Daar is nu sprake van. Laten we hopen dat
dat nu ook echt de komende uren, dan wel dagen, gaat gebeuren, en dat we
toe gaan werken naar een plan voor de wederopbouw van Gaza en het
ontwapenen van Hamas. Wat dat laatste betreft: dat blijft — en dat heb
ik eerder in debatten met uw Kamer gezegd — het moeilijkste punt. Hoe
krijg je Hamas zover dat ze de wapens neerleggen? Het alternatief voor
het ontwapenen van Hamas, namelijk dat zelf gewapend gaan doen, zie ik
er niet van komen.
Wat ik wel zie gebeuren is de ISF, de International Stabilization Force,
die ook wordt genoemd in de VN-Veiligheidsraadresolutie. Inmiddels heb
ik onder andere van mijn Indonesische collega begrepen dat de plannen
over hoe die force in te zetten in Gaza in gestaag tempo vorderen.
Houdt het staakt-het-vuren daarmee stand? Ja, maar er zijn nog wel
beschietingen. Ja, die beschietingen zijn ook over en weer. En ja, daar
vallen ook slachtoffers bij en helaas ook burgerslachtoffers. Er is
echter wat ons betreft maar één weg te gaan en dat is een verdere
implementatie van het vredesplan, om te zorgen dat de situatie compleet
tot rust komt en dat het Israëlische leger zich terug zal trekken uit
Gaza. Daar zullen wij ons voor inzetten.
We hebben ook een hoop vragen schriftelijk afgedaan, dus ik denk dat ik
hiermee de belangrijkste heb gehad.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Even over de toegang tot hulp. De minister sprak over Rafah en dat daar
hopelijk weer toegang toe wordt verleend. Tegelijkertijd geldt nog
steeds dat verbod van Israël op die 37 hulporganisaties, waaronder
Artsen zonder Grenzen. Er is nu een motie van de heer Bamenga door de
Kamer aangenomen over diplomatieke druk uitoefenen op Israël om ervoor
te zorgen dat de toegang weer komt en het verbod van tafel gaat. Mijn
vraag is: waarom veroordeelt het kabinet niet heel hard dat de toegang
is geweigerd en dat Israël dit nu inzet als een politiek instrument?
Minister Van Weel:
Naar mijn weten hebben wij dat gedaan, en anders herhaal ik dat hier nog
een keer. We begrijpen de veiligheidszorgen van Israël, daar waar het
gaat om mogelijke verwevenheid van organisaties met Hamas, zeker in de
gebieden waar Hamas de dienst uitmaakt. Het is ook bijna onvermijdelijk,
zou ik bijna willen zeggen. Tegelijkertijd vinden wij de route die
Israël hiervoor heeft gekozen, namelijk het weren van organisaties die
niet voldoen aan de registratieplicht, niet de goede. Dat vinden alle
Europese landen en we roepen er dus ook allemaal individueel toe op,
maar ook in EU-verband. Dat zullen we ook morgen weer doen in de Raad
Buitenlandse Zaken. Ik denk dat mevrouw Kallas die opdracht ook weer van
ons allemaal meekrijgt.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Het is goed om te horen dat het kabinet de druk in ieder geval met
woorden opvoert, maar dit verbod geldt al sinds 1 januari en we zien dat
Israël nog op geen enkele manier heeft geluisterd naar die woorden. Mijn
vraag is dus of het kabinet ook bereid is tot extra maatregelen — denk
aan sancties — om ervoor te zorgen dat die hulporganisaties ook
daadwerkelijk toegang krijgen. Elke dag waarop dit voortduurt heeft
namelijk directe gevolgen voor de overlevingskansen van de mensen
daar.
Minister Van Weel:
Voor sancties is op dit moment echt geen draagvlak op basis van alleen
deze wet. De beste weg om dit nu te adresseren, los van wat wij als
Europese Unie zullen doen en uitdragen en los van wat we bilateraal
doen, is ervoor zorgen dat dit via de Board of Peace nu een van de
belangrijkste onderwerpen wordt en dat er druk wordt gelegd, ook op
Israël. Weer kom ik er dan op terug dat ik het jammer vind dat wij daar
niet bij kunnen zijn, hoewel ik daar volledig achter sta vanwege de
bezwaren die ik eerder had. Maar uiteindelijk zal vanuit die
administrative committee, geleid door Palestijnen, ook dit signaal naar
de Gaza Executive Board gaan, die uiteindelijk aan de Board of Peace zal
vragen of die ervoor kan zorgen dat die toegang onverwijld weer op gang
komt.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Voorzitter, tot slot op dit punt. Nederland kan natuurlijk zelf acties
ondernemen. Het punt is het volgende. Het is volgens het internationaal
recht de plicht van landen om hulp toe te laten. Is het kabinet niet van
mening dat we, als we dat niet doen, dus als we ons niet krachtig
uitspreken dat er hier sprake is van een schending van het
internationaal recht, als Nederland daar dan nu zelf als land geen
duidelijke grens trekt en als Nederland geen extra maatregelen neemt,
die straffeloosheid die we steeds bij Israël zien eigenlijk
faciliteren?
Minister Van Weel:
Ik ga niet elke keer als alleen Nederland zijnde hier maar maatregelen
en sancties aankondigen. We hebben een peace plan dat voorziet in
ongehinderde humanitaire toegang. Daarvan is op dit moment geen sprake.
Dan is het aan ons, dus aan alle landen die zich daaraan hebben
gecommitteerd en ook aan de hele EU, om een weg te vinden om dit wel op
gang te brengen. Dat is mijn gremium. Ik kan wel elke keer als Nederland
alleen sancties instellen, maar dat verandert de situatie niet. En ja,
er is altijd ontzettend veel druk op Israël nodig om uiteindelijk dit
soort wijzigingen aan te brengen — dat hebben we de afgelopen jaren
gezien, maar ook verder in het verleden — maar die druk moet je dan wel
met z'n allen uitoefenen. Ik denk dat dit een punt is waar we het
allemaal over eens zijn, ook de Amerikanen. Ik vind dat dit iets is wat
de Board of Peace heel hoog op zijn lijst moet zetten. Er is ook geen
enkel excuus meer om het niet te doen, zeker nu de laatste gijzelaar is
teruggekeerd naar Israël en er daarmee aan alle voorwaarden van fase één
is voldaan. Op de inhoud ben ik het er dus absoluut mee eens, maar de
manier waarop is wat mij betreft echt in multilateraal verband, dus via
de EU en via de Board of Peace.
Mevrouw Van der Werf (D66):
Even los van het verband waarin dat dan moet: tot nu toe gaat het bij
zo'n embargo steeds over producten uit illegale nederzettingen, maar het
zou natuurlijk veel effectiever zijn als je dat breder zou kunnen
trekken naar bijvoorbeeld diensten en investeringen. Nu zeggen
verschillende experts dat je dat op nationaal niveau zou kunnen
verbreden en wellicht zou dat meer effect sorteren dan als we het alleen
maar over een aantal producten hebben. Kan de minister daarop
reageren?
Minister Van Weel:
Dat is een nieuwe vraag. Op dit moment zijn wij, naar aanleiding van de
gesprekken die we in de Kamer hebben gehad, bezig om te werken aan een
nationaal handelsverbod voor producten uit bezette gebieden. Ik heb u
geschreven dat we in de laatste fase daarvan zitten. We hebben de
wetgevingstoetsen doorlopen en dat betekent dat we daarmee aanstonds
naar buiten kunnen. Het lijkt mij niet handig om dat nu weer aan te
passen voor diensten, want daarmee houden we dit proces op, maar ik ben
best bereid om te kijken naar wat u hier noemt. Wel moeten we even voor
ogen houden waar die sancties voor bedoeld zijn. De sancties op de
handel uit illegale nederzettingen zien op de situatie op de Westbank,
terwijl we het hier hebben over de toegang voor hulporganisaties tot
Gaza. Ik zou het ene dus niet met het andere willen vermengen, maar
nogmaals, ik ben bereid om er in een verslag op terug te komen in
hoeverre uitbreiding tot diensten hier überhaupt een mogelijkheid zou
zijn.
Mevrouw Van der Werf (D66):
Daar ben ik zeker in geïnteresseerd. Het kan wat mij betreft ook in de
tweede termijn, later vanavond. Het gaat mij om het effect van mogelijke
sancties. Ik denk dat dat effect kleiner zal zijn als je ze beperkt tot
alleen producten dan als je ze uitbreidt. Ik vind het wel interessant om
te horen hoe de minister en dit kabinet daarover denken.
Mevrouw Dobbe (SP):
Over de toegang van hulporganisaties en het nog steeds blokkeren van
humanitaire hulp voor de Gazastrook, wat een oorlogsmisdaad is, zegt de
minister: ja, dat vinden wij ook verkeerd en dat veroordelen wij ook,
maar we gaan geen maatregelen nemen want we kunnen niet elke keer met
een lijst maatregelen komen. Nou, ik kan u zeggen, minister, dat de
lijst met maatregelen die Nederland vanwege oorlogsmisdaden heeft
genomen tegen de Israëlische regering, toch vrij kort is. Volgens mij is
dat niet eens een lijst te noemen. Maar we hoeven dus geen maatregelen
te nemen, omdat we ons vertrouwen toch ineens leggen in de Board of
Peace. Hoe ziet de minister dat dan precies voor zich? Gaat de Board of
Peace, met op dit moment Netanyahu en Loekasjenko daarin, Israël nog een
keer waarschuwen dat het zo echt niet verder kan? En gelooft hij in dit
scenario? Is het niet gewoon tijd om ook als Nederland wat maatregelen
te gaan nemen?
Minister Van Weel:
Ik ga niet nog een keer uitleggen waarom wij niet elke keer als
Nederland in ons eentje continu over maatregelen moeten spreken. Ja, de
Board of Peace is op dit moment het orgaan met de meeste invloed op wat
er in Gaza gaat gebeuren. We kunnen lacherig doen over Loekasjenko's et
cetera, en daar kan ik tot op zekere hoogte in meegaan, maar in die
Board of Peace zit een kritische massa van landen, waaronder alle landen
in de regio, die echt zeer gebaat zijn bij stabilisatie in Gaza en
uiteindelijk een Palestijnse Staat. De druk moet uiteindelijk via dat
gremium worden opgebouwd. Daar hangt een executive board onder, waar
onze eigen Sigrid Kaag in zit, die ook gaat constateren wat er misgaat,
bijvoorbeeld in de toegang van humanitaire goederen. Daar hangt een
Palestijns comité onder dat de dagelijkse leiding heeft over de situatie
in Gaza. Daar komen de signalen binnen als het niet goed gaat met de
humanitaire hulp, of als het juist wel goed gaat. Dat is nu eenmaal het
mechanisme waar je nú de meeste hands-on informatie en invloed hebt op
de situatie in Gaza.
Dit is dus mijn worsteling; ik leg het nog maar een keer uit. Je kunt er
niet bij zijn. Dat is moreel gezien volledig verdedigbaar en goed. Maar
voor al die landen in de regio — Jordanië, Egypte, Qatar, Saudi-Arabië
en de Verenigde Arabische Emiraten — was het de reden om wel mee te
doen. Zij hechten ook aan de situatie op de grond en denken: ik moet
daarbij zijn omdat ik anders het geluid niet kan laten horen en de druk
van de Amerikanen op Israël niet heb, die nodig is om verandering te
krijgen. Dat is waarom ik geloof dat die Board of Peace op dit moment de
meeste invloed heeft op het gedrag van Israël, meer dan wij op dit
moment nationaal kunnen doen. Dat maakt niet dat we ons niet uitspreken.
Dat maakt ook niet dat we niet iets vinden van dingen. Dat maakt wel dat
ik denk dat daar de meeste hoop op gevestigd is op dit moment.
Mevrouw Dobbe (SP):
Nou, dat maakt blijkbaar ook dat deze minister zelf weer geen
maatregelen wil nemen. Daar vragen wij al twee jaar om, maar die zijn
nog praktisch niet genomen door de Nederlandse regering, ondanks het
feit dat wij daar al twee jaar om vragen. We hebben nu dus een Board of
Peace. Wij vinden dat een soort gedrocht — ik kan het niet anders noemen
— dat Trump heeft gecreëerd, waar ook Netanyahu in zit. Die gaat
blijkbaar een miljard dollar betalen om daaraan deel te nemen, want dat
waren de voorwaarden. Landen als Canada mochten er niet meer in, want
die waren te kritisch op de VS. Dat is nu de Board of Peace. En de
minister heeft het vertrouwen dat díé Board of Peace, waar Netanyahu dus
in zit, Israël gaat aanspreken om bijvoorbeeld te zorgen voor
humanitaire toegang tot de Gazastrook. Dat vind ik
ongeloofwaardig.
Dan een tweede vraag. Ik heb gevraagd naar de medische evacuatie van
kinderen. Ik zal het weer vragen aan de minister. Hij neemt de héle
maand januari de tijd, tot de laatste dag, om te komen met de brief die
in januari zou komen. We hebben die brief immers nog steeds niet gehad
en januari is bijna afgelopen.
De voorzitter:
En de vraag is?
Mevrouw Dobbe (SP):
Welke informatie heeft de minister nog nodig?
Minister Van Weel:
U krijgt gewoon een brief. Die krijgt u van de staatssecretaris voor
Buitenlandse Handel, mede namens mij. Zo hebben we dat afgesproken. Die
krijgt u in januari. Waar voldoe ik niet aan uw verzoek?
De voorzitter:
Tot slot, kort.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dit gaat natuurlijk een beetje in een rare vorm. Wij hebben een debat
gehad en die brief is toegezegd door de minister. De capaciteit in de
regio zou nog een keer onderzocht worden. Hij is nu al zes weken bezig,
geloof ik, als het niet al langer is, met het onderzoeken van de
capaciteit in de regio, terwijl al duidelijk is dat die capaciteit in de
regio onvoldoende zal zijn, hoeveel steun wij daar op dit moment ook aan
verlenen, wat overigens heel goed is om te doen. Maar die capaciteit is
dus onvoldoende. Nou, zes weken geleden …
De voorzitter:
Nu moet u wel even een vraag stellen, want die betogen duren echt te
lang.
Mevrouw Dobbe (SP):
Welke informatie is er nog nodig om de capaciteit in kaart te brengen?
Dat was mijn vraag. Ik heb die ook in vorige debatten gesteld, maar ik
krijg er gewoon geen antwoord op.
Minister Van Weel:
U krijgt in januari een brief zoals gevraagd en zoals toegezegd. Daar
zal al die informatie in komen te staan.
De heer Van Baarle (DENK):
In het debat dat we hier in de Tweede Kamer voeren over Israël en de
misdaden die Israël pleegt tegen de Palestijnen, horen we een
Nederlandse regering die eigenlijk al heel lang zegt: we moeten een
dialoog blijven voeren en wellicht in Europees verband iets zeggen. We
zien dat de behandeling van de Palestijnen door Israël in de afgelopen
tijd alleen maar slechter, slechter en slechter is geworden. Wanneer
breekt deze minister nou eindelijk met de omgang met Israël die we de
afgelopen tijd hebben gezien? Wanneer gaat Nederland zich nou actiever
uitspreken en ook gewoon harde maatregelen bepleiten?
Minister Van Weel:
Ik geloof in het beleid dat wij voeren: druk en dialoog. Daarmee staan
we niet alleen. Dat doen we ook in Europees verband. Daarmee valt
Nederland helemaal niet uit de toon bij de landen om ons heen. We moeten
realistisch zijn over wat effect heeft. We moeten duidelijk zijn over
misstanden die we zien. We moeten proberen invloed te hebben op het
verbeteren van de situatie. Dit is de koers die wij daarvoor kiezen. Op
dit moment zie ik geen reden om daarvan af te wijken of om een compleet
andere koers te varen dan andere Europese landen.
De heer Van Baarle (DENK):
Als we kijken naar het effect van dat beleid, dan is dat in ieder geval
dat Israël de afgelopen tijd niet is gestopt met het vernietigen van
Gaza, want een enorm deel van Gaza is al vernietigd. Tienduizenden
Palestijnen komen niet meer terug omdat ze zijn vermoord. Israël is niet
gestopt met het plegen van die genocide. Het annexeren van land op de
Westelijke Jordaanoever en het wegpesten, vernederen en aanvallen van
Palestijnen door kolonisten gaan maar door. Hoe kan deze minister dan
zeggen dat het effectief is? Gaza is vernietigd. Op de Westelijke
Jordaanoever gaat het stelen van land maar door. Dat is toch niet
effectief? Voor onze ogen wordt het Palestijnse volk verdreven en nog
steeds vermoord.
Minister Van Weel:
Ik heb niet de illusie dat wij elke gedraging van Israël kunnen
voorkomen. Wel kunnen we gedragingen veroordelen. Ook moeten we
gezamenlijk druk zetten om gedrag te veranderen. Uiteindelijk is druk,
met de Amerikanen voorop, op Israël de reden geweest dat we een
staakt-het-vuren hebben, dat het tot nu toe houdt, weliswaar met
tekortkomingen. Het is de reden dat we nu een plan hebben dat toewerkt
naar fase 2. Het is ook de reden dat we Israël kunnen aanspreken op wat
er gebeurt op de Westbank. Een maand geleden hebben we in ieder geval
enige positieve signalen gehad over harder optreden tegen geweld van
kolonisten. Op die manier doe je aan druk en dialoog. Daar geloof ik
meer in dan in nu all-out doen alsof wij in ons eentje als Nederland
allerlei sancties kunnen opleggen waarmee het gedrag van Israël wordt
beïnvloed. Nogmaals: uiteindelijk is de Board of Peace het gremium
waarvan ik denk dat het de grootste druk op Netanyahu uitoefent. Dat is
ook hoe de Arabische landen het zien en waarom ze daaraan deelnemen.
De voorzitter:
Tot slot.
De heer Van Baarle (DENK):
Voor onze ogen is een genocide aan de gang in Gaza. Tienduizenden
Palestijnen zijn vermoord. De Nederlandse regering is trots op zichzelf
omdat ze in die meer dan twee jaar tijd heeft gevraagd om een
staakt-het-vuren. Voor onze ogen wordt het land van de Palestijnen
afgepakt, maar deze regering is er trots op dat ze aan diplomatie en
druk doet. Het is niet effectief. De Palestijnen worden nog uitgemoord
en verdreven. De regering zou de moed moeten tonen door internationaal
voorop te lopen, door druk uit te oefenen op Israël, door te stoppen met
het kopen van wapens van Israël, door harde nationale sancties in te
stellen en door Europees ook harde sancties te bepleiten. Dat is nodig.
Als de regering op deze manier doorgaat en als de regering en al die
andere westerse regeringen zo slap blijven, zeg ik u: de misdaden van
Netanyahu gaan niet stoppen.
Minister Van Weel:
Ik hoorde geen vraag, maar ik ben het niet met u eens. Laat ik dat dan
in ieder geval als antwoord geven.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
Minister Van Weel:
Dat brengt mij bij het laatste kopje: diplomatieke vertegenwoordiging en
consulair. De vraag van de heer Dekker was hoe ik het sluiten van
diplomatieke posten kan rijmen met de enorme uitdagingen waarvoor we
onszelf nu zien staan. Ik snap die vraag. Het lijkt ook tegenstrijdig.
Maar de bottomline is dat ook ik me heb te verhouden tot de financiële
reeksen die zijn afgesproken in de huidige kabinetsperiode. Die behelzen
een forse taakstelling voor het beleidsdepartement, die we niet helemaal
níét kunnen afwentelen op de posten. Daarom hebben we bekeken waar we
onze prioriteiten moeten leggen. Die prioriteitsstelling heeft
uiteindelijk geleid tot de lijst met posten die nu in gevaar zijn. Dat
is gebaseerd op waar wij denken dat we de meeste impact hebben, en waar
het de minste impact heeft als we er niet meer aanwezig zijn. Dat is
eigenlijk een continu proces. Zelfs als je nu zegt "geef al het geld
terug dat met het sluiten van de posten gemoeid was", dan nog zou ik
zeggen: geef me dan de gelegenheid om te bekijken of we niet elders een
nieuwe post moeten openen in plaats van per se de posten open te houden
die wij blijkbaar als laagste op onze prioriteitenlijst hadden staan.
Want dat is niet automatisch de beste keuze. In algemene zin — dat merk
ik aan mijn collega's — heeft Nederland de luxe van een enorm uitgebreid
postennetwerk, ook in vergelijking met andere Europese landen. Daar
hebben we enorm veel profijt van.
De heer Dekker (FVD):
Is dat onomkeerbaar of is het bij een andere begrotingsomgeving, met
meer ruimte, nog terug te draaien?
Minister Van Weel:
Alles is omkeerbaar. We zijn in het verleden weggegaan uit landen; denk
aan Syrië, waarnaar we, afhankelijk van de situatie, wellicht binnenkort
zouden willen terugkeren, juist om de dialoog te voeren. Dat geldt dus
voor al die posten. Ik heb uitgebreid intern navraag gedaan over het
openhouden van de posten, en dat geldt zeker niet voor die vier, maar
alles is omkeerbaar.
De heer Stoffer vroeg of we niet veel meer zouden moeten doen om onze
eigen bedrijven wereldwijd te positioneren en of het postennetwerk daar
niet meer voor kan betekenen. De vragen wat betreft de NBSO's had ik
deels al schriftelijk beantwoord. Met behulp van economische diplomatie,
het handelsinstrumentarium, Support International Business, de
Strategische Meerjarige Marktbewerking en alle handelsmissies die
staatssecretaris De Vries op dit moment uitvoert, zetten we ons continu
in om het bedrijfsleven wereldwijd te positioneren. Dat doen we vanuit
Den Haag en vanuit het postennetwerk. Dat werd afgelopen jaar weer zeer
gewaardeerd door het bedrijfsleven. We zetten in op een assertief
handelsbeleid. Het Nederlands verdienvermogen staat daarbij op de eerste
plaats. We blijven onze bedrijven onverminderd steunen en kiezen voor
een scherpe focus op de markten en thema's waarbij Nederlandse kennis en
kunde het verschil kunnen maken. Op 28 mei van afgelopen jaar is de
beleidsagenda buitenlandse handel aan uw Kamer gestuurd. Daarover is op
dit moment een SO gaande met de staatssecretaris voor Buitenlandse
Handel en Ontwikkelingshulp. Kortheidshalve zou ik daarnaar willen
verwijzen.
Voorzitter. Dan rest mij nog de appreciatie van de amendementen.
De voorzitter:
Nou, ik dacht dat we die straks bij de appreciatie van de moties zouden
kunnen behandelen. O, de heer Dekker heeft nog vraag.
De heer Dekker (FVD):
Eén vraag uit mijn eerste termijn is nog niet beantwoord; de andere is
schriftelijk beantwoord. Die vraag gaat over het idee van een
nationaalbelangtoets. De heer Markuszower heeft het daar ook over gehad.
In mijn betoog heb ik voorgesteld om bij beleidsvoorstellen standaard,
bijvoorbeeld in de BNC-fiches, een kopje op te nemen met een toets voor
het Nederlands belang.
Minister Van Weel:
Ik vind eigenlijk dat dat bij alles wat wij doen, een rol moet spelen.
De nationale belangen moeten vooropstaan. Dat was ook onderdeel van mijn
inleidende tekst. Wij moeten meer gaan denken in belangen. Ik denk niet
dat daar een specifiek vinkje voor nodig is. Maar als u mij vraagt of ik
het idee ondersteun dat nationale belangen een rol moeten spelen in al
het nieuwe beleid dat wij maken, dan is mijn antwoord: absoluut.
De heer Boswijk (CDA):
De minister refereerde in zijn inleiding kort aan Chili. Hij zei dat hij
daar nog op terug zou komen.
Minister Van Weel:
Ik bedacht mij later in het debat dat ik dat al schriftelijk heb
gedaan.
De heer Boswijk (CDA):
Helder. Ik dacht dat er nog meer kwam. Jammer.
De voorzitter:
Dat kunt u nog even nalezen.
Minister Van Weel:
Wij ondersteunen uw oproep in ieder geval, zeg ik via de voorzitter
tegen de heer Boswijk.
De voorzitter:
Dat betekent dat we gaan beginnen aan de tweede termijn van de Kamer. De
eerste spreker is mevrouw Van der Werf. Mevrouw Van der Werf zit niet op
te letten. Mevrouw Piri.
Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):
Ik zeg het even eerlijk. Dit debat stond gepland tot 23.00 uur. Ik was
ervan uitgegaan dat er ergens voor het voorlezen van de moties nog een
dinerpauze zou zijn. Ik ben dus nog niet klaar met mijn moties, maar
mevrouw Van der Werf misschien wel. Graag een korte schorsing van tien
of vijftien minuten, zodat we de moties kunnen afmaken voordat we
doorgaan, of een dinerschorsing. Dat zou ik wel fijn vinden.
De voorzitter:
Het maakt mij helemaal niets uit. Ik had bedacht dat we nu de moties
kunnen doen, zodat de minister de beantwoording tijdens de dinerpauze
kan voorbereiden, maar ik vind het ook prima om nu te schorsen voor de
dinerpauze.
Mevrouw Van der Werf (D66):
Ik vond het tussenvoorstel dat net werd gedaan niet gek. Ik kan nu twee
moties indienen, maar ik vind wel dat alle collega's de gelegenheid
moeten hebben gehad om de moties af te maken.
De voorzitter:
Een schorsing van tien minuten?
De heer Van der Burg (VVD):
Ja, tien minuten schorsen.
De voorzitter:
Oké. Dan gaan we tien minuten schorsen.
De vergadering wordt van 18.16 uur tot 18.25 uur geschorst.
De voorzitter:
We gaan verder met de tweede termijn van de Kamer, met als eerste
spreker mevrouw Van der Werf van D66.
Mevrouw Van der Werf (D66):
Dank, voorzitter. Twee moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat Nederland de eerste twee fasen van het speciaal
tribunaal voor het misdrijf van agressie tegen Oekraïne
faciliteert;
overwegende dat voor de daaropvolgende operationele fase nog geen
definitief gastland is vastgesteld;
overwegende dat onzekerheid over huisvesting kan leiden tot vertraging
van de operationele fase van het tribunaal;
van mening dat Nederland als gastland van internationale hoven een
bijzondere verantwoordelijkheid draagt voor de continuïteit en
effectiviteit van internationaal strafrechtelijke mechanismen;
verzoekt de regering zich actief in te zetten om Nederland als
voorkeurslocatie te positioneren voor de huisvesting van het
agressietribunaal in alle fasen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van der Werf, Piri, Boswijk en
Van der Burg.
Zij krijgt nr. 46 (36800-V).
Mevrouw Van der Werf (D66):
Voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de veiligheidssituatie in Syrië volatiel blijft en dat
het centrale gezag in delen van het land beperkt is;
overwegende dat Syriërs behoefte hebben aan stabiliteit, basisdiensten
en inclusief bestuur, met waarborging van de rechten van
minderheden;
van mening dat versterking van lokaal bestuur bijdraagt aan bescherming
van lokale gemeenschappen en het voorkomen van verdere escalatie, mits
dit plaatsvindt binnen het kader van de territoriale integriteit van
Syrië;
verzoekt de regering zich bilateraal en in multilateraal verband in te
zetten voor de versterking van lokaal bestuur in Syrië om stabiliteit te
bevorderen, escalatie te voorkomen en lokale gemeenschappen beter te
beschermen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van der Werf, Van der Burg, Piri
en Boswijk.
Zij krijgt nr. 47 (36800-V).
Dank u wel. Dan is nu het woord aan de heer Klos, ook van D66.
De heer Klos (D66):
Dank, voorzitter. Twee moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat Eurocommissaris Kubilius van Defensie heeft opgeroepen
tot een Europese veiligheidsraad om zo te komen tot snellere
besluitvorming wanneer de veiligheid van de EU daarom vraagt;
overwegende dat de huidige en toekomstige veiligheidssituatie van de
Europese Unie vraagt om adequate en snelle besluitvorming op het gebied
van veiligheid en defensie en dat een Europese veiligheidsraad daaraan
kan bijdragen;
verzoekt de regering om in Europees verband naar draagvlak te zoeken
voor een Europese veiligheidsraad,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Klos, Van der Werf, Boswijk, Van
der Burg en Piri.
Zij krijgt nr. 48 (36800-V).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Europese Commissie plannen van de EU en de VS heeft
gedeeld met de lidstaten, waarin wordt gesproken over een mogelijk
versneld lidmaatschap van Oekraïne van de Europese Unie als onderdeel
van een herstelplan;
overwegende dat de Ierse minister van Europese Zaken, namens Ierland als
aankomend voorzitter van de Raad van de Europese Unie, heeft aangegeven
dat indien Oekraïense vredesbesprekingen een eerdere datum van
toetreding tot de Europese Unie vereisen, de Europese Unie daarnaartoe
moet werken;
verzoekt de regering zich binnen de EU constructief en positief op te
stellen ten aanzien van een eventuele (gefaseerde) toetreding van
Oekraïne tot de EU, indien dit onderdeel uitmaakt van een duurzaam en
breed gedragen vredesakkoord, met inachtneming van voldoende waarborgen
op het gebied van rechtsstaat, financiën en veiligheid bij volledige
toetreding,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Klos, Piri en Boswijk.
Zij krijgt nr. 49 (36800-V).
Dank u wel.
De heer Klos (D66):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dan is nu het woord aan de heer Van der Burg namens de VVD.
De heer Van der Burg (VVD):
Voorzitter. Eén motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het Iraanse regime de recente vreedzame protesten op
brute wijze neerslaat;
overwegende dat de aanwezigheid van Iraans diplomatiek personeel met
verifieerbare banden met inlichtingendiensten, zoals de MOIS of de IRGC,
een direct risico vormt voor de veiligheid van de Iraanse diaspora in
Nederland;
overwegende dat misbruik van de diplomatieke status voor
inlichtingenactiviteiten onacceptabel is en de integriteit van
diplomatieke betrekkingen ondermijnt;
verzoekt de regering om de diplomatieke visa van Iraans personeel met
verifieerbare banden met Iraanse inlichtingenagentschappen in te
trekken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van der Burg, Hoogeveen,
Boswijk, Van der Werf, Ceder en Stoffer.
Zij krijgt nr. 50 (36800-V).
Dank u wel. Dan is nu het woord aan mevrouw Piri van GroenLinks-PvdA.
Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):
Dag, voorzitter. Ik heb moties die ongetwijfeld heel veel collega's
hadden willen meetekenen, maar daar was geen tijd voor.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat Nederland een voortrekkersrol moet spelen in Europa,
zeker in een tijd van grote geopolitieke ontwikkelingen;
overwegende dat Nederland in het najaar van 2029 voorzitter van de Raad
van de EU is;
spreekt uit dat het volgende kabinet een bewindspersoon voor Europese
Zaken zou moeten hebben,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Piri.
Zij krijgt nr. 51 (36800-V).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de internationale rechtsorde onder ernstige druk
staat;
constaterende dat de regering de grondwettelijke taak heeft de
ontwikkeling van de internationale rechtsorde te bevorderen;
overwegende dat de internationale rechtsorde alleen beschermd kan worden
als landen deze actief verdedigen;
verzoekt de regering om zowel nationaal als binnen EU-verband altijd
ondubbelzinnig en consistent op te komen voor eerbiediging van het
internationaal recht,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Piri, Teunissen, Dobbe en Van
der Werf.
Zij krijgt nr. 52 (36800-V).
Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):
Ik moet zeggen dat ik het best intimiderend vind om hier vier mannen
tegenover me te hebben staan, maar ik ga door naar mijn laatste motie,
die zij alle vier meegetekend hebben. Die gaat over de Koerden. We
hebben daar hier ook een debat over gehad. Voor de mensen die kijken:
Jin, Jiyan, Azadi. Ik zie hier in de Kamer ook heel breed steun om de
Koerden niet in de steek te laten.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat Koerden sinds 2012 een vorm van zelfbestuur hebben in
Syrië;
overwegende dat Koerden in Syrië een cruciale bondgenoot waren in de
strijd tegen IS en de ontmanteling van het kalifaat;
verzoekt het kabinet om rekening te houden met de historische context en
aan te blijven dringen op garanties voor de veiligheid en lokale rechten
van Koerden in Rojava,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Piri, Van der Burg, Boswijk, Van
der Werf, Teunissen, Dobbe, Stoffer, Ceder en Hoogeveen.
Zij krijgt nr. 53 (36800-V).
Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):
Tot slot, voorzitter. Dank voor de beantwoording door de minister en
dank voor de toezegging over Matra.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan is nu het woord aan de heer De Roon, van de PVV. O, ik
zie dat er nog een interruptie is. Is die nog voor mevrouw Piri? Nee,
het is een punt van orde.
De heer Stoffer (SGP):
Het is ons toch gelukt om Piri enigszins het gevoel te geven dat ze niet
wist wat er ging gebeuren; dat was overigens helemaal niet aan de
orde.
Ik zou graag ook onder de briljante motie van de heer Van der Burg komen
te staan. Het mag van hem.
De voorzitter:
De heer Van der Burg knikt, dus dat komt helemaal goed. Dan alsnog de
heer De Roon.
De heer De Roon (PVV):
Ook van mijn kant dank aan de minister voor de beantwoording van de
gestelde vragen en de geplaatste opmerkingen. Ik ben het nog niet
helemaal met alles eens, dus ik ga daar toch nog wat over zeggen.
In de eerste plaats is er de kwestie van de islamitische predikers die
hier komen om onze democratische rechtsstaat te bedreigen met hun
gepraat. Het valt op dat de komst van zo'n persoon pas een probleem
wordt als daar in de media aandacht aan wordt besteed. Wij als PVV
willen dat de regering daar gewoon eerder op reageert. We willen dat die
daar alert op is en dat die wanneer een ambtenaar constateert dat er
zo'n vent aankomt, niet afwacht of het een probleem wordt in de media,
maar onmiddellijk de komst van die persoon belet. Vandaar de volgende
motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de tijd rijp is om daadkrachtig op te treden tegen
islamitische predikers die Nederlandse staatsburgers of onze
democratische rechtsstaat bedreigen;
verzoekt de regering om direct inreisverboden in te stellen tegen deze
personen indien zij aankondigen naar Nederland af te reizen en hen te
registreren als ongewenste vreemdelingen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid De Roon.
Zij krijgt nr. 54 (36800-V).
Dank u wel.
De heer De Roon (PVV):
Dan ga ik door naar het volgende punt. Dat betreft het Ottawaverdrag
inzake landmijnen. De regering heeft dus in de schriftelijke reactie
aangegeven te betreuren dat dat verdrag door een aantal landen, onder
andere door Litouwen, is opgezegd, maar daar wordt meteen bij gezegd: we
begrijpen de context wel. Maar als je begrip hebt voor de context waarin
Litouwen verkeert, waarom betreur je het dan? Waarom durft de minister
nou niet volledig achter die NAVO-bondgenoten aan de oostflank te gaan
staan? Waarom zegt hij niet: ik heb er begrip voor en ik steun dat deze
NAVO-bondgenoten dat doen, aangezien ze niet alleen zichzelf beschermen,
maar uiteindelijk ook onze veiligheid? Waarom toont de minister dus niet
wat meer lef? Waarom steunt hij de NAVO-bondgenoten niet volledig?
Waarom wacht hij met het eventueel terugtrekken uit het Ottawaverdrag
totdat het echt noodzakelijk is? Als we daar zijn, is het namelijk te
laat. De minister zegt nu in feite: we gaan pas naar de inzet van
landmijnen kijken als we al in een artikel 5-situatie zitten en de
raketten ons om de oren vliegen. Dat is geen goede zaak. Daarom dien ik
deze motie in.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Baltische staten, Polen en Finland uit het
Ottawaverdrag zijn gestapt, dat de productie, de opslag en het gebruik
van antipersoonsmijnen verbiedt;
overwegende dat Nederland, gezien de rap toenemende instabiliteit en
onveiligheid in de wereld, over meer opties moet beschikken om het eigen
en het NAVO-grondgebied te verdedigen;
verzoekt de regering om zich uit het Ottawaverdrag terug te trekken en
daarvoor de benodigde stappen te nemen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid De Roon.
Zij krijgt nr. 55 (36800-V).
De heer De Roon (PVV):
Dan kom ik bij de Russische schaduwvloot. We zien uit naar het debat
morgen met de minister van IenW over dit onderwerp, maar we denken wel
dat het van belang is om nu snel te acteren. We komen dus met de
volgende motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de afgelopen maanden meerdere Europese landen zijn
overgegaan tot het enteren van schepen van de Russische
schaduwvloot;
overwegende dat de schepen van de Russische schaduwvloot in de Noordzee
een gevaar vormen voor Nederland vanwege het risico op milieuschade,
sabotage of spionage;
overwegende dat het enteren van schepen van de Russische schaduwvloot
een krachtig signaal afgeeft, risico's kan beperken en laat zien dat ons
deel van de Noordzee niet tegen ons gebruikt mag worden;
verzoekt de regering per omgaande harder op te treden tegen voornoemde
schepen en deze te enteren voor onderzoek (en eventueel inbeslagname)
indien zij zich niet kunnen identificeren of hun registratie niet
klopt,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid De Roon.
Zij krijgt nr. 56 (36800-V).
De heer De Roon (PVV):
Voorzitter, dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan is nu het woord aan de heer Boswijk van het CDA.
De heer Boswijk (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Aangezien mijn opperhoofd waarschijnlijk toch
bezet is, heb ik vier moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat Nederland en de EU zo spoedig mogelijk strategische
kwetsbaarheden moeten afbouwen;
overwegende dat het daarom noodzakelijk is om vaker met gelijkgestemde
landen kopgroepen te vormen op concrete dossiers zoals grondstoffen,
militaire samenwerking en energie;
constaterende dat ambassadeurs van diverse Noord-Europese landen, ofwel
Nordic Plus, de behoefte hebben gedeeld om samen te werken met
Nederland;
overwegende dat de Tweede Kamer op parlementair niveau structureel
contact wil onderhouden met parlementariërs in Noord-Europese
landen;
verzoekt de voorzitter om in dit kalenderjaar een contactgroep
Noord-Europa op te richten,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Boswijk, Van der Burg, Piri, Van
der Werf en Hoogeveen.
Zij krijgt nr. 57 (36800-V).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat Nederland binnen de Internationale Zeebodemautoriteit
(ISA) inzet op het afronden van regelgeving voor diepzeemijnbouw en dat
Nederlandse bedrijven hierin vooroplopen;
overwegende dat het uitblijven van duidelijke ISA-regels leidt tot
onzekerheid voor verantwoord opererende bedrijven en onze strategische
autonomie verder zal ondermijnen;
verzoekt de regering zich samen met gelijkgezinde landen extra in te
spannen om de regelgeving binnen de ISA voortvarend af te ronden en
daarbij actief op te komen voor Nederlandse bedrijven die investeren in
innovatieve en verantwoorde diepzeemijnbouw, en de Kamer elk halfjaar te
informeren over de voortgang van de Nederlandse inzet,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Boswijk, Van der Burg, Piri, Van
der Werf en Hoogeveen.
Zij krijgt nr. 58 (36800-V).
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Ik heb een korte vraag over deze motie. Kan ik deze motie interpreteren
als "tegen diepzeemijnbouw" of als "voor diepzeemijnbouw"?
De heer Boswijk (CDA):
Wat mij betreft is het niet zwart-wit. Het is vóór verantwoorde
diepzeemijnbouw.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Oké. Dan is duidelijk dat mijn fractie tegen zal stemmen.
De heer Boswijk (CDA):
Dat is jammer. Want wat is er op dit moment aan de hand? Een aantal
landen is de regelgeving aan het blokkeren en frustreren. Dat zijn de
grootmachten waar we het vaak over hebben gehad. Uiteindelijk willen ze
om deze regelgeving heen werken. Wat ons betreft moeten we dat niet
willen. Tegelijkertijd biedt diepzeemijnbouw wel heel veel kansen voor
onze energietransitie, onze herbewapening en noem maar op. Dit is dus
een mooie middenweg.
Ik moet heel erg opschieten, zie ik.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Tweede Kamer in 2023 heeft uitgesproken dat de
Holodomor, ofwel de door het Sovjetregime opzettelijk veroorzaakte
hongersnood in Oekraïne in 1932 en 1933, naar hedendaagse maatstaven te
erkennen en te veroordelen is als genocide;
constaterende dat in de gemeente Den Haag een initiatief is genomen om
ook in de stad van vrede en recht een gedenkplaats voor de Holodomor op
te richten;
verzoekt de regering stappen te ondernemen om een Nederlands monument
ter nagedachtenis aan de Holodomor te realiseren, en hier voor de
internationale Holodomorherdenking op de vierde zaterdag van november de
Kamer over te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Boswijk, Van der Werf, Erkens,
Stoffer, Ceder, Piri en Hoogeveen.
Zij krijgt nr. 59 (36800-V).
De heer Boswijk (CDA):
Tot slot, voorzitter, een motie die erg lijkt op de motie van de heer De
Roon.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de geloofwaardigheid van sancties afhankelijk is van de
handhaving;
overwegende dat de Duitse minister van Buitenlandse Zaken heeft
opgeroepen het internationale zeerecht te moderniseren om het ontduiken
van sancties op de Russische schaduwvloot tegen te gaan;
overwegende dat de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en
Frankrijk inmiddels zijn overgegaan op het onderscheppen van schepen van
de Russische schaduwvloot;
verzoekt de regering in navolging van de VS, het VK en Frankrijk de
Russische schaduwvloot harder aan te pakken door verdachte olietankers
zo mogelijk te onderscheppen en samen met Duitsland op te trekken om te
bekijken of eventuele juridische bezwaren hiertegen in het
internationale zeerecht kunnen worden weggenomen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Boswijk, Van der Werf, Piri,
Erkens, Stoffer en Hoogeveen.
Zij krijgt nr. 60 (36800-V).
De heer Boswijk (CDA):
Tot slot, voorzitter. Heel veel dank aan de minister voor de
beantwoording, aan de collega's voor het mooie debat en aan u voor het
voorzitten.
De voorzitter:
Dank u wel. Daar gaat u met uw motiequotum! Mevrouw Piri heeft nog een
vraag.
Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):
Ik vraag me iets af over de laatste motie, waar mijn naam onder staat.
Wat heeft die met de heer De Roon te maken?
De heer Boswijk (CDA):
Ah, u wordt meteen wakker! U denkt "waar sta ik onder?"
Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):
Dan kan ik 't misschien nog terugtrekken!
De heer Boswijk (CDA):
Nee, dat was zowaar een heel genuanceerde motie van de heer De Roon,
moet ik zeggen. Die motie van de heer De Roon ging over het aanpakken
van de Russische schaduwvloot. Ik weet dat de heer De Roon in zijn
inbreng het punt heeft aangehaald dat we veel actiever moeten handhaven.
Mevrouw Van der Werf heeft dat ook aangehaald en samen met de heer
Paternotte heb ik hier vorig jaar voor gepleit. Toen wilde toenmalig
minister Veldkamp er nog niet aan. Nu zijn we allebei met een
soortgelijke motie gekomen.
Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):
Tot slot. Voor de volgende keer: voor een verkooppraatje als u mijn
fractie onder een motie wil, moet u die niet vergelijken met eentje van
de PVV.
De heer Boswijk (CDA):
Mijn motie was net iets beter, voorzitter.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dat overtuigt. De volgende spreker is de heer Hoogeveen van JA21.
De heer Hoogeveen (JA21):
Dank u, voorzitter. Wij vonden de beantwoording van de minister toch wat
onbevredigend ten aanzien van de Oekraïnefinanciering via de EU-lening.
We hebben een beetje het gevoel dat er balletje-balletje gespeeld wordt:
wel of geen eurobonds, wel een cent of geen cent voor de
Nederlanders.
Daarom de volgende moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat bij de EU-lening aan Oekraïne onduidelijkheid bestaat
tussen de lidstaten en de Commissie over wie de rentekosten zal gaan
dragen;
overwegende dat Nederland niet moet opdraaien voor extra rentelasten
boven op bestaande afspraken;
verzoekt de regering om in EU-verband geen instemming te geven aan
afspraken waarbij Nederland rentekosten van Europese leningen aan
Oekraïne moet betalen;
verzoekt de regering te bepleiten dat de Commissie dit betaalt vanuit de
EU-begroting,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Hoogeveen.
Zij krijgt nr. 61 (36800-V).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat tijdelijke gezamenlijke leningen steeds vaker worden
gebruikt als financieringsinstrument;
overwegende dat dit op termijn kan leiden tot een de facto permanent
eurobondmechanisme zonder expliciet democratisch mandaat;
verzoekt de regering zich actief te verzetten tegen iedere stap richting
structurele gezamenlijke EU-schulduitgifte,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Hoogeveen en Stoffer.
Zij krijgt nr. 62 (36800-V).
De heer Hoogeveen (JA21):
Ten slotte.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat Nederland momenteel slechts een zaakgelastigde heeft
in Caracas, terwijl meerdere EU-landen een ambassadeur ter plaatse
hebben;
overwegende dat te midden van de ontwikkelingen in Venezuela een
volwaardige diplomatieke vertegenwoordiging cruciaal is voor het
behartigen van de belangen van het Koninkrijk;
verzoekt de regering om de diplomatieke post in Caracas te versterken en
de inzet te verhogen richting een volledige
ambassadeursvertegenwoordiging,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Hoogeveen.
Zij krijgt nr. 63 (36800-V).
De heer Hoogeveen (JA21):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. De volgende spreker is de heer Dekker van Forum voor
Democratie.
De heer Dekker (FVD):
Voorzitter, dank u wel. Ik heb één motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat in BNC-fiches nu bevoegdheid, subsidiariteit,
proportionaliteit en gevolgen van beleid worden opgenomen;
constaterende dat het Nederlandse belang niet expliciet wordt
gemaakt;
verzoekt de regering om in beleidsvoorstellen standaard een
nationaalbelangtoets (NBT) op te nemen ter bevordering van een
zorgvuldige procesgang en verhoging van het Nederlands draagvlak,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Dekker en Markuszower.
Zij krijgt nr. 64 (36800-V).
Dank u wel. Dan is nu het woord aan de heer Van Baarle van DENK.
De heer Van Baarle (DENK):
Voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat Israël groen licht heeft gegeven voor de verdere
bezetting van de Westelijke Jordaanoever, onder meer door het E1-plan
dat de noordelijke en zuidelijke delen van de Westelijke Jordaanoever
van elkaar scheidt;
constaterende dat het Internationaal Gerechtshof reeds in 2024 oordeelde
dat Israëls bezetting van de Palestijnse gebieden illegaal is en zo
spoedig mogelijk beëindigd moet worden;
verzoekt de regering om sancties te bepleiten tegen personen en
entiteiten die bijdragen aan de uitvoering van de plannen voor illegale
nederzettingen in de Palestijnse gebieden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.
Zij krijgt nr. 65 (36800-V).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat uit het EU-onderzoek blijkt dat Israël met het
handelen in Gaza en op de Westoever de mensenrechten schendt en daarmee
artikel 2 van het handelsverdrag tussen de EU en Israël niet
nakomt;
verzoekt de regering zich aan te sluiten bij Europese landen die wel
pleiten voor directe opschorting van het associatieverdrag,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.
Zij krijgt nr. 66 (36800-V).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de schendingen van de rechten van de Palestijnen en de
schendingen van het internationaal recht gepleegd door Israël doorgaan
en ook recentelijk zijn verslechterd, waaronder en niet uitputtend:
illegale bezetting en annexatie van Palestijns land, het niet weerhouden
van gewelddadige kolonisten om Palestijnen aan te vallen, het niet
toelaten van humanitaire hulp of waarnemers, het slopen van het kantoor
van een VN-organisatie en het belemmeren van hulporganisaties om hun
werk te doen;
verzoekt de regering om de Israëlische ambassadeur te ontbieden vanwege
de herhaaldelijke en structurele schendingen van de mensenrechten van de
Palestijnen gepleegd door Israël,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.
Zij krijgt nr. 67 (36800-V).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
verzoekt de regering om zich in te spannen voor onbelemmerde toegang tot
humanitaire hulp voor Arabische, Koerdische en alle andere Syrische
burgers die getroffen zijn door gevechtshandelingen, alsmede voor de
continuering van het staakt-het-vuren en uitvoering van de
overeengekomen bestanden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.
Zij krijgt nr. 68 (36800-V).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat mensenrechtenorganisaties wijzen op
mensenrechtenschendingen en het maken van burgerslachtoffers door alle
kanten in het recent opgelaaide geweld in Syrië;
verzoekt de regering om zich in te spannen voor het voorkomen van
straffeloosheid van plegers van mensenrechtenschendingen jegens Koerden,
Arabieren en alle andere getroffenen in de recent opgelaaide strijd in
Syrië,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.
Zij krijgt nr. 69 (36800-V).
De heer Van Baarle (DENK):
Tot slot.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Oeigoerse bevolking wordt geconfronteerd met
ernstige mensenrechtenschendingen, waaronder grootschalige
dwangarbeid;
overwegende dat maatschappelijke organisaties een cruciale rol spelen
bij het documenteren van misstanden en het ondersteunen van slachtoffers
van de mensenrechtenschendingen waarmee de Oeigoerse bevolking wordt
geconfronteerd;
verzoekt de regering om binnen de begroting van het ministerie van
Buitenlandse Zaken ruimte te vinden om organisaties te ondersteunen die
zich inzetten voor de bescherming en bijstand van de Oeigoerse
bevolking,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.
Zij krijgt nr. 70 (36800-V).
De heer Van Baarle (DENK):
Dank u, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan is nu het woord aan de heer Stoffer van de SGP.
De heer Stoffer (SGP):
Voorzitter. Ik heb twee moties. De eerste luidt als volgt.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de EU en India na bijna twintig jaar een
vrijhandelsakkoord hebben bereikt;
overwegende dat dit akkoord bijdraagt aan gedeelde welvaart,
strategische autonomie en economische weerbaarheid;
overwegende dat de grondwettelijke godsdienstvrijheid in India onder
druk staat en geweld tegen christenen zich met name concentreert in
bepaalde deelstaten en regio's;
verzoekt de regering het bevorderen van godsdienstvrijheid en het
tegengaan van geweld tegen christenen onverminderd prioriteit te geven,
en daarbij juist ook op deelstaatniveau effectieve diplomatie te
bedrijven, door principieel stelling te nemen én te benadrukken dat
lokaal geweld en onvoorspelbaarheid het investeringsklimaat
schaden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Stoffer, Ceder, Vermeer en
Markuszower.
Zij krijgt nr. 71 (36800-V).
De heer Stoffer (SGP):
Dan de tweede motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat onderhandelingen over havens aan het Panamakanaal
repercussies hebben voor het eigendom en de zeggenschap over havens
elders;
overwegende dat de Rotterdamse haveninfrastructuur van strategisch
geopolitiek belang is voor Nederland;
overwegende dat een uitruil van belangen tussen de VS en China ertoe kan
leiden dat de Rotterdamse haven inzet wordt van concessies, zonder dat
Nederland daar directe invloed op heeft;
verzoekt de regering alles in het werk te stellen om te voorkomen dat
aanvullende Rotterdamse containerterminalcapaciteit in handen komt van
een Chinees staatsbedrijf, en de Kamer hierover actief en onverwijld te
informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Stoffer, Hoogeveen en
Boswijk.
Zij krijgt nr. 72 (36800-V).
De heer Stoffer (SGP):
Voorzitter. Tot slot dank ik de minister voor de beantwoording van de
vele vragen. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan is nu het woord aan mevrouw Teunissen van de Partij voor
de Dieren.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Voorzitter. Ik heb twee moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het Iraanse regime zich schuldig maakt aan
grootschalig en buitensporig geweld tegen vreedzame demonstranten en
maatschappelijke organisaties, en dat dit gepaard gaat met ernstige
mensenrechtenschendingen;
overwegende dat een sterk en onafhankelijk maatschappelijk middenveld,
zowel binnen Iran als onder Iraanse diasporaorganisaties, essentieel is
voor het beschermen van mensenrechten, het documenteren van misdrijven
en het ondersteunen van slachtoffers en hun families;
verzoekt de regering op de kortst mogelijke termijn een extra financiële
inspanning te leveren voor het versterken van het Iraanse
maatschappelijk middenveld, zowel in Iran als via Iraanse
diaspora-organisaties, waaronder in Nederland,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Teunissen, Dobbe en Piri.
Zij krijgt nr. 73 (36800-V).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Israëlische overheid per 1 januari 2026 de
vergunningen van 37 internationale humanitaire organisaties heeft
ingetrokken en opgeschort, waardoor zij hun hulpverlening in Gaza en de
Westelijke Jordaanoever moeten beëindigen;
constaterende dat deze maatregel leidt tot het wegvallen van een groot
deel van de medische zorg, voedselhulp, watervoorziening en
onderdak;
overwegende dat onafhankelijke humanitaire hulp onder het internationaal
humanitair recht beschermd is en door het Internationaal Gerechtshof als
essentieel is aangemerkt om genocide te voorkomen;
overwegende dat ook derde staten de plicht hebben om alles in het werk
te stellen om onbelemmerde, neutrale en onafhankelijke humanitaire hulp
mogelijk te maken;
verzoekt de regering om op nationaal niveau sancties in te stellen tegen
de Israëlische regering tot de 37 organisaties hun humanitaire
werkzaamheden in Gaza en de Westelijke Jordaanoever kunnen
hervatten,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Teunissen, Dobbe, Piri en Van
Baarle.
Zij krijgt nr. 74 (36800-V).
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Voorzitter. Tot slot heb ik nog één punt over die motie over
diepzeemijnbouw. Het gaat me toch ernstig aan het hart om te zien dat de
Kamer zonder debat hierover toch over een motie gaat stemmen met enorme
gevolgen voor de ecologie. Nederland heeft jaren op het standpunt
gestaan dat het het onderzoek naar die ecologische gevolgen afwacht. Ik
zou toch echt wel willen dat we als Kamer eerst dat onderzoek afwachten
voordat we hier een standpuntwijziging gaan voorstellen. Dus ik hoop dat
de motie wordt ingetrokken.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. De heer Boswijk is even weg. Hij hoort het dus later. Het
woord is nu aan de heer Ceder van de ChristenUnie.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb drie moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
verzoekt de regering om met gelijkgezinde landen het voortouw te nemen
in het organiseren van een conferentie van "middle powers" als de
EU-lidstaten, Canada, Japan, Australië, het Verenigd Koninkrijk en
andere landen ter versterking van de internationale rechtsorde en de
gezamenlijke belangen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Ceder.
Zij krijgt nr. 75 (36800-V).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat Nederland net als bijvoorbeeld het Verenigd
Koninkrijk, Denemarken en Duitsland een speciaal gezant voor vrijheid
van religie en levensovertuiging heeft, maar dat het demissionaire
kabinet deze functie wil schrappen;
spreekt uit dat de functie van de speciaal gezant structureel bestendigd
dient te worden;
verzoekt de regering om de functie van speciaal gezant met voldoende
structurele middelen uit te rusten, ter bevordering van de vrijheid van
religie en levensovertuiging wereldwijd en ter vergroting van de
diplomatieke daadkracht hierop,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ceder, Stoffer en Boswijk.
Zij krijgt nr. 76 (36800-V).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat inmiddels vier keer met brede steun een motie is
aangenomen die de regering verzoekt om erkenning van de Armeense
genocide, waarvan ook andere christelijke minderheden slachtoffer
werden, zoals Assyriërs, Arameeërs (de Sayfo) en Grieken, maar dat de
regering deze nog steeds zonder deugdelijke motivering weigert uit te
voeren;
verzoekt de regering om uiterlijk per 24 april 2026 niet meer te spreken
van "de kwestie van de Armeense genocide",
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Ceder.
Zij krijgt nr. 77 (36800-V).
De heer Ceder (ChristenUnie):
Voorzitter. Ik heb een laatste vraag over de kwestie van West-Papoea. Ik
dien er geen motie over in. Er is jaren geleden een rapport aangeboden
aan het kabinet. Het kabinet heeft dat toen in ontvangst genomen via een
ambtenaar, niet via een bewindspersoon. Dat heeft tot best wat kritiek
geleid. Ik wil hier plenair nogmaals het verzoek doen aan het kabinet om
gewoon, zonder daarmee een waardeoordeel te geven aan het rapport of de
inhoud daarvan, recht te doen aan die gemeenschap, die het al heel lang
belangrijk vindt dat een bewindspersoon het rapport in ontvangst neemt.
Er lijken me na een Kamermeerderheid ook geen deugdelijke redenen om dit
rapport niet in ontvangst te nemen. Ik zou de minister dus toch willen
verzoeken om deze afspraak met de nabestaanden in te plannen.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Tot slot mevrouw Dobbe van de SP.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb twee moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat verschillende minderheden, zoals de druzen en de
alawieten, in Syrië zijn vermoord of ontvoerd;
constaterende dat de Koerdische bevolking is aangevallen, wat heeft
geleid tot een humanitaire crisis in Kobani;
verzoekt de regering om actief bij te dragen aan onafhankelijk onderzoek
dat inzet op het monitoren en de bewijsvergaring van
mensenrechtenschendingen in Syrië, en de Kamer over deze bijdrage te
informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Dobbe, Piri en Teunissen.
Zij krijgt nr. 78 (36800-V).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat onder het huidige Syrische regime verschillende
misdaden tegen etnische minderheden zijn begaan;
verzoekt de regering oorlogsmisdaden in Syrië ondubbelzinnig te
veroordelen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Dobbe, Piri en Teunissen.
Zij krijgt nr. 79 (36800-V).
Mevrouw Dobbe (SP):
Voorzitter. Tot slot moet het mij van het hart dat het debat dat we hier
hebben en de beantwoording van het kabinet over wat er gebeurt met de
Board of Peace van Trump en wat er gebeurt met de Palestijnen in Gaza en
op de Westbank weer uitermate teleurstellend zijn wat ons betreft. Dat
wil ik gezegd hebben. Rondom dit debat hebben we een aantal andere
debatten gehad waarin we een aantal moties hebben ingediend. Ik hoop dat
die worden aangenomen. Andere moties van de Kamer hierover zullen we
zeker steunen. Het is duidelijk dat de Kamer aan zet is.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik had de Kamer beloofd dat nu gingen schorsen voor de
beantwoording van de minister en dat we tegelijkertijd de dinerpauze
zouden houden. Alleen, de minister heeft maar zeven minuten nodig om
zich te buigen over het oordeel over de moties en hij moet straks weg.
De vraag aan de Kamer is of we het nu gewoon af kunnen ronden, zeven
minuten schorsing en dan de termijn van de minister, en het dineren even
uit kunnen stellen. Ik hoor ja. Dat gaan we doen. We gaan zeven minuten
schorsen.
De vergadering wordt van 18.55 uur tot 19.04 uur geschorst.
De voorzitter:
Dames en heren, de zeven minuten zijn om. De minister gaat zijn oordeel
geven over de moties en ook over de amendementen die ingediend zijn. De
minister.
Minister Van Weel:
Dank, voorzitter. Laat ik beginnen met een enkele vraag die ik nog had
opgespaard tot de tweede termijn. De eerste is of de bezuinigingen op
het Mensenrechtenfonds impact hebben op Iran. Het antwoord is nee. Voor
Iran is het bedrag zelfs flink gestegen binnen het Mensenrechtenfonds.
Ik kom zo terug op het oordeel over de motie. Ik was nog een antwoord
schuldig. Ik zou nog een keer navraag doen naar berichten over Turkse
aanwezigheid in Noordoost-Syrië. We hebben de berichten waaraan werd
gerefereerd ook gezien, maar we hebben geen bevestiging dat dat zo is.
Dus dat is de stand van zaken zoals ik die op dit moment kan
melden.
Tegen de heer Ceder wil ik zeggen dat we hebben gereageerd op de vraag
hoe wij de motie naar aanleiding van het rapport-Drooglever willen
uitvoeren. Naar onze mening is het rapport aangenomen en is er ook een
formele kabinetsreactie geweest. De heer Drooglever is inderdaad
inmiddels overleden. Ik ben gaarne bereid om de nabestaanden ambtelijk
een keer te ontvangen, maar een formele aanbieding van een rapport kan
echt maar één keer en die is al geweest.
Voorzitter. Dan begin ik met de moties en doe ik daarna de amendementen,
als u dat schikt.
De voorzitter:
Ja.
Minister Van Weel:
De motie op stuk nr. 46 van mevrouw Van der Werf over het
agressietribunaal. Die is ontijdig. We hebben als kabinet een besluit
genomen om ons in ieder geval in te spannen voor fase 1 en 2. Het
besluit over fase 3 zal aan een volgend kabinet zijn. Dus ontijdig.
De voorzitter:
Dan volgt de vraag aan mevrouw Van der Werf of zij de motie wil
aanhouden.
Mevrouw Van der Werf (D66):
Voorzitter, ik dien haar in.
De voorzitter:
Dat betekent dat deze motie niet oordeel Kamer krijgt.
Minister Van Weel:
Nee. Dan wordt zij ontraden, omdat we daar nu geen dekking en plannen
voor hebben.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 46 wordt ontraden.
Minister Van Weel:
Dan de motie op stuk nr. 47 van mevrouw Van der Werf.
De voorzitter:
O, er is nog een vraag van de heer Van der Burg.
De heer Van der Burg (VVD):
Ik meende u "ontraden" te hebben horen zeggen, maar volgens mij zei de
minister "ontijdig".
De voorzitter:
Ja, maar de indiener heb ik daarop gevraagd of die 'm wilde aanhouden,
en het antwoord was: nee, ik wil 'm in stemming brengen. Dat betekent
dat de motie het oordeel "ontraden" krijgt.
Minister Van Weel:
Ja, dan moet ik de motie een oordeel geven en dat is "ontraden".
De voorzitter:
Dan de motie op stuk nr. 47.
Minister Van Weel:
De motie op stuk nr. 47 krijgt oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 47: oordeel Kamer.
Minister Van Weel:
De motie op stuk nr. 48 over een Europese veiligheidsraad: oordeel
Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 48: oordeel Kamer.
Minister Van Weel:
De motie op stuk nr. 49 over gefaseerde toetreding: oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 49: oordeel Kamer.
Minister Van Weel:
De motie op stuk nr. 50 van de heer Van der Burg over diplomatieke visa:
oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 50: oordeel Kamer.
Minister Van Weel:
De motie op stuk nr. 51 is een spreekt-uitmotie.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 51: spreekt uit.
Minister Van Weel:
De motie op stuk nr. 52 van mevrouw Piri: oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 52: oordeel Kamer.
Minister Van Weel:
De motie op stuk nr. 53 van mevrouw Piri: oordeel Kamer
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 53: oordeel Kamer.
Minister Van Weel:
Dan de motie op stuk nr. 54 van de heer De Roon over de predikers. Met
de aantekening dat het altijd een case-by-caseafweging zal zijn, kan ik
'm oordeel Kamer geven.
De voorzitter:
De heer De Roon knikt, dus krijgt de motie op stuk nr. 54 oordeel Kamer.
Er is een interruptie van de heer Van Baarle.
De heer Van Baarle (DENK):
Heeft de minister de tekst erboven gezien, waarbij het er weer om gaat
om alleen mensen uit een bepaalde geloofsgemeenschap, namelijk de
islamitische geloofsgemeenschap, te noemen? Naar die aard vind ik dat
een discriminerende motie en vind ik dat een kabinet dat zich houdt aan
de rechtsstaat en het gelijk behandelen van iedereen, zo'n motie nooit
oordeel Kamer zou mogen geven.
Minister Van Weel:
De motie vraagt hier naar deze specifieke groep. Vandaar dat we 'm op
die manier geapprecieerd hebben.
Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):
Of ik lees 'm niet goed of de minister niet. Er staat niet "islamitische
haatpredikers". Er staat "islamitische predikers". Dus dat zijn allerlei
soorten imams die naar Nederland komen. Er staat: "verzoekt de regering
om per direct inreisverboden in te stellen tegen deze personen en hen te
registreren als ongewenste vreemdeling". Sinds wanneer zijn in Nederland
islamitische imams niet meer welkom?
Minister Van Weel:
Ik pak de motie er even bij.
De voorzitter:
Het gaat om de motie op stuk nr. 54.
Minister Van Weel:
Ik kan de motie even niet vinden, dus als u hem even voorleest …
Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):
Ik zie dat ik 'm ook niet helemaal goed las. Mijn excuses daarvoor. Er
staat: "overwegende dat dat de tijd rijp is om daadkrachtig op te treden
tegen islamitische predikers die Nederlandse staatsburgers of onze
democratische rechtsstaat bedreigen." Volgens mij is daar niemand tegen.
Maar wij zijn toch in het algemeen tegen alle mensen van buiten Europa,
of ze nou gelovig zijn of niet, of het nou imams zijn of niet, die een
bedreiging vormen voor Nederlandse staatsburgers of de democratische
rechtsstaat? Daar zijn we toch altijd tegen? Toch niet alleen als het
een specifieke groep betreft?
Minister Van Weel:
Nee, maar het een sluit het ander naar mijn mening niet uit. Ik handhaaf
in dit geval mijn "oordeel Kamer".
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 54 blijft oordeel Kamer. Dan de motie op stuk nr.
55.
Minister Van Weel:
Dan de motie op stuk nr. 55 over het verdrag van Ottawa. Die ontraad ik.
Wij zien geen aanleiding voor Nederland om dat verdrag nu op te zeggen.
Er was natuurlijk een aanleiding waarom dit verdrag ooit tot stand is
gebracht, namelijk om het aantal onschuldige slachtoffers na oorlogen te
verkleinen.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 55: ontraden.
Minister Van Weel:
De motie op stuk nr. 56 geef ik oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 56: oordeel Kamer.
Minister Van Weel:
De motie op stuk nr. 57 is aan de Voorzitter.
De motie op stuk nr. 58 van de heer Boswijk geef ik oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 58: oordeel Kamer.
Minister Van Weel:
De motie op stuk nr. 59 van de heer Boswijk geef ik oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 59: oordeel Kamer.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Ik vind het toch een beetje een vreemde appreciatie van de motie op stuk
nr. 58, over diepzeemijnbouw. Het kabinet heeft jarenlang het standpunt
gehad: we wachten het onderzoek af naar de ecologische effecten van
diepzeemijnbouw; de diepzee, waar nog nooit eerder enige mijnbouw heeft
plaatsgevonden. En dan zegt het kabinet nu, vlak voordat er een nieuw
kabinet aantreedt: we gaan dit standpunt na jaren eventjes wijzigen met
deze motie. Vindt de minister dit niet een beetje een voorbeeld van over
het eigen graf heen regeren?
Minister Van Weel:
Ik zie deze motie niet als een wijziging van het standpunt. Wij zetten
ons er al jaren voor in om een exploitatieregeling overeen te komen die
voldoet aan de Nederlandse inzet in lijn met het kabinetsstandpunt. We
werken in dit verband al nauw samen met gelijkgezinde landen. Daarnaast
wordt in de aanloop naar de onderhandelingen ook met de Nederlandse
sector en het maatschappelijk middenveld gesproken. Ik zie de
tegenstelling zoals u die verwoordt dus niet.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Het standpunt van het kabinet stond altijd op onderzoek. Hoe
interpreteert de minister dit dan anders dan als een duidelijke ja voor
diepzeemijnbouw?
Minister Van Weel:
De uitkomst van een onderzoek kan ook zijn dat je het niet doet. Het
gaat ons om een verantwoorde regeling.
De voorzitter:
Ik wil de indiener van de motie graag het woord geven. De heer
Boswijk.
Minister Van Weel:
Gezondheid!
De heer Boswijk (CDA):
Inderdaad gezondheid aan de niezende collega. De motie is eerder een
aansporing om het te prioriteren, want we zijn er al jaren over aan het
spreken en aan het soebatten wat voor regelgeving het moet zijn en hoe
dat passend moet zijn. We weten dat een aantal landen het blokkeert. We
vinden die regelgeving ontzettend belangrijk. We zeggen ook niet "schuif
het aan de kant" of "doe het gewoon", maar "prioriteer dit", juist om te
voorkomen dat andere landen zonder enige regelgeving aan de gang gaan.
Daar dreigt het nu wel heen te gaan, dus het is inderdaad wat de
minister zegt.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 58: oordeel Kamer.
Minister Van Weel:
De motie op stuk nr. 59: oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 59: oordeel Kamer.
Minister Van Weel:
De motie op stuk nr. 60, van de heer Boswijk: oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 60: oordeel Kamer.
Minister Van Weel:
De motie op stuk nr. 61, van de heer Hoogeveen. Ik ben het eens met de
inzet, maar ik kan die niet garanderen. Daarom moet ik 'm in deze vorm
ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 61: ontraden.
Minister Van Weel:
De motie op stuk nr. 62. Dit wordt een definitiekwestie. Ja, wij zijn
tegen eurobonds, maar er zijn bepaalde soorten gezamenlijke
leeninstrumenten waar wij niet mordicus tegen zijn. Denk aan het
SAFE-instrument. Denk ook aan hoe nu de 90 miljard tot stand is gekomen.
Dus ook die motie moet ik in deze vorm ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 62: ontraden.
Minister Van Weel:
De motie op stuk nr. 63, over de ambassadeur in Caracas, wil ik oordeel
Kamer geven, met het enige voorbehoud dat we wel continu bekijken hoe de
situatie zich ontwikkelt en wat het goede moment is om dat ook
daadwerkelijk te doen.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 63: oordeel Kamer.
Minister Van Weel:
De motie op stuk nr. 64, over de nationaalbelangtoets, is overbodig.
Zoals ik zei, dient dit altijd mee te worden genomen in elke
beoordeling.
De voorzitter:
Meneer Dekker, wat wilt u met deze motie? U wilt haar in stemming
brengen. De motie op stuk nr. 64 is overbodig, maar die wordt gewoon in
stemming gebracht.
De motie op stuk nr. 65.
Minister Van Weel:
De motie op stuk nr. 65, over sancties tegen illegale nederzettingen:
met verwijzing naar het debat ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 65: ontraden.
Minister Van Weel:
De motie op stuk nr. 66, over directe opschorting: ontraden, ook met
verwijzing naar het debat.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 66: ontraden.
Minister Van Weel:
Dat geldt ook voor de motie op stuk nr. 67, over het ontbieden van de
ambassadeur.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 67: ontraden.
Minister Van Weel:
De motie op stuk nr. 68, over humanitaire hulp, geef ik oordeel
Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 68: oordeel Kamer.
Minister Van Weel:
De motie op stuk nr. 69, over straffeloosheid, geef ik ook oordeel
Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 69: oordeel Kamer.
Minister Van Weel:
De motie op stuk nr. 70, over steun aan de Oeigoerse bevolking: oordeel
Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 70: oordeel Kamer.
Minister Van Weel:
Dan de motie op stuk nr. 71, van de heer Stoffer, over het tegengaan van
geweld tegen christenen in India: oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 71: oordeel Kamer.
Minister Van Weel:
De motie op stuk nr. 72, over containerterminals. Als ik dat mag lezen
als een oproep tot actie, zo vraag ik aan de heer Stoffer, dan kan ik
die oordeel Kamer geven.
De voorzitter:
De heer Stoffer knikt. De motie op stuk nr. 72: oordeel Kamer.
Minister Van Weel:
De motie op stuk nr. 73, van mevrouw Teunissen, over extra inspanningen
voor het middenveld, geef ik oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 73: oordeel Kamer.
Minister Van Weel:
De motie op stuk nr. 74, over nationale sancties naar aanleiding van de
registratieplicht, ontraad ik met verwijzing naar het debat.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 74: ontraden.
Minister Van Weel:
De motie op stuk nr. 75, van de heer Ceder, over de middle powers, wil
ik ontraden. We hebben diverse gremia waarin wij spreken met deze
landen, zowel in EU-verband als in NAVO-verband.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 75: ontraden.
Minister Van Weel:
De motie op stuk nr. 76, over de speciaal gezant: oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 76: oordeel Kamer.
Minister Van Weel:
De motie op stuk nr. 77 over de kwestie van de Armeense genocide is
ontijdig. Ik verwijs naar wat de minister-president tijdens het debat
over de Europese Raad heeft gezegd, namelijk dat wij eerst wachten op
een volledige ondertekening van het vredesakkoord en de ratificatie en
dat we daarna ons oordeel zullen herzien.
De voorzitter:
Ik vraag aan de heer Ceder of hij de motie wil aanhouden. Dat is niet
het geval. Dan wordt de motie op stuk nr. 77 ontraden.
Minister Van Weel:
De motie op stuk nr. 78 van mevrouw Dobbe geef ik oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 78 krijgt oordeel Kamer.
Minister Van Weel:
De motie op stuk nr. 79 van mevrouw Dobbe geef ik ook oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 79 krijgt ook oordeel Kamer. Dan de
amendementen.
Minister Van Weel:
Dan de amendementen. Dat waren er vier. Ik begin met het amendement op
stuk nr. 40 van de leden Stoffer en Dobbe. Dat gaat over het openhouden
van de ambassade in Juba. Dat amendement moet ik ontraden. Er zijn tot
aan de begrotingsbehandeling geen onomkeerbare stappen gezet. De kosten
zijn 4 miljoen per jaar. Dat budget moet dan elders worden gevonden. Het
is echt aan een nieuw kabinet om af te wegen waar de financiële dekking
wordt gevonden. Ik heb al gezegd dat weloverwogen is afgewogen waarom
deze ambassade nu juist op de lijst is gezet om te worden gesloten.
De voorzitter:
Heb ik goed gehoord dat dit over de motie op stuk nr. 40 gaat?
Minister Van Weel:
Het amendement op stuk nr. 40, ja.
De voorzitter:
Ja, het amendement op stuk nr. 40. Dat amendement is ontraden.
Mevrouw Dobbe (SP):
We vragen het kabinet niet om hier keuzes in te maken. Er zit gewoon een
dekking bij. Kan de minister daarop reflecteren?
Minister Van Weel:
Ja. Ik kan zeggen dat die dekking ook niet meer bestaat. Tijdens de
behandeling van de eerste suppletoire begroting is namelijk informatie
gegeven over de verdeling van de gelden waar hier aan gerefereerd wordt.
Die gelden zijn er dus op dit moment niet. Die reeks staat op nul.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 40 is ontraden.
Minister Van Weel:
Ook het amendement op stuk nr. 42 van de heer Van Baarle moet ik
ontraden. Ik deel de zorgen over de dwangarbeid in Xinjiang. U sprak
daar met mijn collega De Vries tijdens haar begrotingsbehandeling ook al
over. Op mijn begroting staat het Mensenrechtenfonds. Dat kent vijf
mensenrechtenprioriteiten, maar niet het tegengaan van dwangarbeid. Dat
valt dus niet binnen mijn begroting en daarom moet ik het amendement
ontraden. Binnen de prioriteiten die ik wel heb — dat zijn vrijheid van
meningsuiting, vrijheid van religie en het steunen van maatschappelijk
middenveld en mensenrechtenverdedigers — is echter wel degelijk aandacht
voor de Oeigoeren en hun rechten in algemene zin.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 42 is ontraden.
Minister Van Weel:
Dan het amendement op stuk nr. 43 van de heer Van Baarle. Dat geef ik
oordeel Kamer.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 43 krijgt oordeel Kamer.
Minister Van Weel:
Ook het amendement op stuk nr. 45 van het lid Dobbe geef ik oordeel
Kamer.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 45 krijgt oordeel Kamer.
Dan hebben we nog twee amendementen, ten eerste het amendement op stuk
nr. 17 van het lid Ceder.
Minister Van Weel:
Dat heb ik niet paraat, voorzitter.
De voorzitter:
Heeft u wel het amendement op stuk nr. 41 paraat, ook van Ceder?
Minister Van Weel:
Nee, ook niet.
De voorzitter:
De heer Ceder komt eraan.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Volgens mij heb ik beide amendementen ook vormgegeven in moties. Eentje
is aangenomen en eentje heeft oordeel Kamer. Het amendement op stuk nr.
41 gaat volgens mij over vredesprojecten.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 41 gaat over het versterken van de
internationale rechtsorde.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ja, over vredesprojecten. Dat amendement trek ik bij dezen in. Daarover
is een motie aangenomen.
De voorzitter:
Het amendement-Ceder (stuk nr. 41) is ingetrokken.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Als de motie wordt aangenomen, zal ik ook het andere amendement
intrekken, maar dat is nu nog voorwaardelijk, want als ik het amendement
nu intrek en als de motie wordt verworpen, hebben we niets. Ik ga ervan
uit dat het amendement ontraden is, maar ik trek het in nadat er dinsdag
over de motie gestemd is.
De voorzitter:
De minister knikt. Het amendement op stuk nr. 17 is dus ontraden, maar
wij gaan zien wat daar verder mee gebeurt. Dank u wel.
De algemene beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
Daarmee zijn we aan het einde gekomen van dit begrotingsdebat. Ik wil de
minister hartelijk danken, evenals de Kamerleden en de ondersteuning.
Daarmee sluit ik de vergadering
Sluiting
Sluiting 19.19 uur.
ONGECORRIGEERD STENOGRAM Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden
ontleend. |
|---|