[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Begroting Justitie en Veiligheid (36800-VI) voortzetting (ongecorrigeerd)

Stenogram

Nummer: 2026D04425, datum: 2026-01-29, bijgewerkt: 2026-01-30 10:15, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


Begroting Justitie en Veiligheid 2026

Begroting Justitie en Veiligheid 2026

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:

  • het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (VI) voor het jaar 2026 (36800-VI).

(Zie vergadering van 28 januari 2026.)

De voorzitter:
Dan zijn we aanbeland bij de voorzetting van de behandeling van de begroting Justitie en Veiligheid. Ik heet van harte welkom de minister van Justitie en Veiligheid, alsook de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, voor de eerste termijn van de zijde van het kabinet.

Door mij zijn schriftelijke antwoorden ontvangen van de minister van Justitie en Veiligheid en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op vragen, gesteld in eerste termijn.

Deze antwoorden zullen worden opgenomen in een bijvoegsel bij de Handelingen van deze vergadering.

(Het bijvoegsel is opgenomen aan het eind van deze editie.)

De algemene beraadslaging wordt hervat.

De voorzitter:
Ik geef de minister het woord en zou hem willen vragen of hij ons, voordat hij zijn inleiding uitspreekt, wil meenemen in hoe hij zijn beantwoording heeft gestructureerd. Dan hebben we het over de blokjes. Dan weten we een beetje wanneer we de interrupties kunnen toelaten voor de leden van de Kamer.

Minister Van Oosten:
Dank u wel, voorzitter. Ik begin dadelijk met een korte spreektekst rondom het rapporteurschap van de zijde van de Kamer. Dat zou ik willen separeren, voor zover u dat ook wenst, van de rest van de begrotingsbehandeling, om dat duidelijk te markeren. Daarna ga ik door met de reflectie van de zijde van het kabinet, van de zijde van de minister van Justitie en Veiligheid, ten aanzien van de voorliggende begroting. Dat sorteer ik aan de hand van goed beschouwd drie blokken: georganiseerde criminaliteit/ondermijning, een blokje internationaal en een blok nationale veiligheid.

De voorzitter:
We hebben het genoteerd.

Minister Van Oosten:
Dank u wel. En aan het eind volgen de appreciaties rondom de amendementen.

De voorzitter:
Vanzelfsprekend. Gaat uw gang. We hangen aan uw lippen.

Minister Van Oosten:
Dank u wel, voorzitter. Ik begin met de bijdrage van de rapporteurs, mevrouw Mutluer en de heer Ellian, over de prestaties in de strafrechtketen. De staatssecretaris en ik delen wat dat betreft exact dezelfde ambitie en hebben hetzelfde doel: een effectieve en efficiënte strafrechtketen. Het is van groot belang dat voor zowel slachtoffers als verdachten dat recht tijdig wordt gedaan.

Ik licht graag toe hoe we dat voor onszelf voor ogen zien. Er ligt namelijk een concreet verbeterplan als het gaat om die strafrechtketen. Dat hebben we ook toegelicht in twee recente brieven die we aan uw Kamer hebben gestuurd, eentje halverwege het afgelopen jaar en eentje op 16 december. Daarin zitten twee onderdelen: een gezamenlijke meerjarenagenda voor de ketenpartners en mijn ministerie, en maatregelen van het ministerie ter versterking van de coördinatie, regievoering en verbetering van het inzicht in de prestaties van de keten.

Op dit ogenblik wordt er door al die verschillende ketenorganisaties en het departement met volle inzet gewerkt aan de implementatie van die maatregelen. Persoonlijk heb ik echt wel de overtuiging — de staatssecretaris en ik hebben dus ook zelf bij dat overleg gezeten — dat iedereen ook ten diepste beseft dat het ongelofelijk belangrijk is voor de samenleving, voor de slachtoffers en voor iedereen die in die keten werkzaam is, dat we hier stappen in zetten.

Ik ben het namelijk wel met de rapporteurs eens en ik kan die kritische noot onderschrijven: het duurt wel erg lang. Dan mag ik ook het feit in herinnering brengen dat dit een thema is dat al jaren op de agenda staat. De staatssecretaris en ik herkennen dit ook van zoveel jaar terug. Dus we moeten daar echt mee aan de slag blijven gaan. Dat neemt niet weg dat mijn overtuiging echt is dat alle partners die daar zitten, daar stevig aan werken. Dat geldt ook voor het ministerie en dus ook voor de betrokken bewindspersonen.

Ik vind wel dat u frequenter op de hoogte moet worden gehouden van de voortgang. Daarom gaan we u vaker rapporteren, om te beginnen twee keer per jaar. Als u aan de hand daarvan zegt dat het strakker en scherper moet, dan gaan we dat met elkaar delen. Maar ik noem ook de andere kant van de medaille. Ik acht het niet zinvol om op dit moment — dat hoor ik ook in de bijdrage van de beide rapporteurs een beetje terugkomen — de koers geheel te verleggen, een heel nieuw plan te maken, een deltaplan, zoals mevrouw Mutluer het noemde. Dat zou ik nu echt een stap te ver vinden. Geef nu ook de ruimte aan de organisaties om te laten zien wat ze met elkaar waard zijn, inclusief het ministerie. Wacht af wat we daarover rapporteren. Dan kunnen we altijd nog zien of er verder stappen nodig zouden zijn.

Ten slotte. Over de aanwijsbevoegdheid wil ik nog het volgende zeggen. Ik hoop dat u kan billijken dat ik, net als mijn ambtsvoorgangers, om rechtsstatelijke redenen zeer terughoudend ben met de inzet van dat middel. Ik wijs erop dat er specifiek met betrekking tot de bedrijfsvoering ook helemaal geen verschil van inzicht bestaat tussen de ketenorganisaties en onszelf, de staatssecretaris en de minister, over wat er moet gebeuren om de prestaties te kunnen en te willen verbeteren. Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:
Interrupties in maximaal drievoud en graag kort.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Volgens mij ziet deze minister niet hoe urgent de situatie is. We hebben niet voor niets drie jaar terug samen met collega Ellian een parlementaire verkenning gedaan naar de vastgelopen strafrechtketen. Er kwamen heel stevige conclusies en aanbevelingen uit voort. De Algemene Rekenkamer is tot op de dag van vandaag nog steeds superkritisch. Er ligt een zogenaamd verbeterplan, maar we zien weinig verbeteringen. Eigenlijk eist deze hele commissie dat er aan de teugels wordt getrokken en dat er een deltaplan komt. Waarom wilt u dat niet doen? Ziet u de urgentie niet?

Minister Van Oosten:
Integendeel, ik zie die urgentie, zeg ik via de voorzitter tegen mevrouw Mutluer. Ik heb de urgentie zelf ook uitgesproken in het overleg dat we hebben. Ik gaf hier ook mijn reflectie op de afgelopen jaren. Ik zat aan tafel op mijn ministerie, waar ik nu de politieke leiding van heb, en heb daar gesproken met al die partners en ketenorganisaties. Daar zag ik dat iedereen hiervan doordrongen is en dat er ook stappen zijn gezet. Dat laat ik u ook zien in de brieven. In de komende brief wil ik u dat ook weer verder laten zien. Dat moeten we nu vasthouden. Dat moeten we niet doorbreken door het ineens volstrekt anders te willen doen, nog los van het feit dat deze organisaties ook in een zekere onafhankelijkheid mogen acteren. Maar we moeten er scherp bovenop zitten, want de samenleving verdient beter op dit punt. Daar is iedereen het mee eens.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Ik vind het kabinet en deze minister gewoon niet scherp op dit onderdeel, totaal niet. Ik geloof echt dat het OM, de politie en de rechtspraak afzonderlijk stappen zetten, maar we hebben heel nadrukkelijk gezegd dat de ketenoverstijgende samenwerking veel strakker moet. De digitalisering moet veel strakker. In de antwoorden van de minister lees ik dat zelfs de digitalisering geen onderdeel wordt en is van het verbeterplan, terwijl dat cruciaal is. Het duurt heel lang voordat een jeugdzaak daadwerkelijk kan volgen en losgelaten kan worden op andere zaken.

De voorzitter:
En uw vraag?

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Onderkent de minister dat dit geen goede zaak is? Onderkent hij dat je ten behoeve van de slachtoffers wel een wat steviger plan nodig hebt, met duidelijke regie?

Minister Van Oosten:
Ik onderken van meet af aan — daar begon ik mijn bijdrage ook mee — dat dit echt, écht een punt van aandacht en ook een punt van zorg is als we het niet kunnen oplossen. Maar ik zeg er ook bij dat ik ervan overtuigd ben dat iedereen dat wel beseft en het wil oplossen. Dat is de reflectie die ik teruggeef, nadat ik zelf aan die tafel heb gezeten en heel indringend met alle vertegenwoordigers van deze organisaties heb gesproken. Ik zeg u ook toe dat ik u frequenter ga rapporteren, zodat u de vinger aan de pols kunt houden en we daarna ook kunnen spreken over wat er verder nog nodig is. Misschien kunt u een keer een briefing organiseren om zelf met de betrokken organisaties te kunnen praten over waar er eventueel een euvel zit. Maar het is niet zo dat er niks is gebeurd. Integendeel, maar het is wel complex en ingewikkeld. Daarom moeten we er scherp bovenop zitten, want het duurt wel verrekte lang. Dat ben ik met u eens.

De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Mutluer.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
De wil is er, maar in mijn beleving gebeurt er in de praktijk te weinig. Het mag sneller. Twee keer per jaar een bestuurlijk ketenberaad is allemaal leuk en aardig, maar wij willen meer. Ik overweeg namens vele andere collega's hier om straks een motie in te dienen, want dit antwoord is wat ons betreft niet voldoende.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ik denk dat de rapporteurs hebben gesproken namens de hele Kamer. De zorg is ook namens de hele Kamer. We zien dat de doelen goed zijn. Ik twijfel ook geen seconde aan de inzet van alle mensen. Die is heel goed. Het is ook vanzelfsprekend dat er een rechtsstatelijk onderscheid is. Het ministerie van Justitie heeft zich te verhouden tot het Openbaar Ministerie, ook ten aanzien van de zelfstandigheid. Maar we kunnen niet hebben dat we op alle fronten zien dat er onvoldoende gebeurt, terwijl de wereld keihard beweegt. We leven in een woelige tijd. We weten dat er veel gevraagd zal worden van de strafrechtketen. Dan is het nodig dat het ministerie van Justitie de regie neemt, want anders zal het achteraanlopen. Juist daarom denk ik dat de minister met uitgestoken hand naar deze Kamer kan kijken. Dat geldt ook voor degenen die hierna op het ministerie van Justitie aan de slag gaan. Want de oproep van deze Kamer kan helpend zijn in tijden van bezuinigingen. Dus minister, pak 'm aan en zie wat u hier hoort van de rapporteurs als kans om de strafrechtketen te versterken.

Minister Van Oosten:
U kunt ervan op aan dat ik als minister — dat geldt ook voor de staatssecretaris; daar durf ik ook voor te spreken — echt wel wat doe met de signalen en geluiden die we uit deze Kamer halen. Ik gaf net ook al aan dat ik in het gesprek met al die ketenpartners — daaruit wil ik niet te veel citeren, want dat is een intern gesprek geweest, maar ik mag natuurlijk zelf wel zeggen wat ik wil zeggen — de herinneringen heb aangehaald die ik had van zoveel jaren terug. Voor een deel zag ik herkenning in waar we nu zitten. Dat is niet goed. Ik verwacht dus ook dat dit verbetert. Ik zeg er alleen wel bij — dat was voor mij wel een nieuwe ervaring toen ik aan die tafel zat, wat ik als Kamerlid niet deed — dat ik echt wel proef dat die urgentie er is. Ik heb de overtuiging dat men eraan werkt. Er is een verbeterplan gemaakt, waarover ik frequenter aan u wil rapporten. U kunt ervan op aan dat het signaal dat u wederom geeft — al dan niet in een motie, maar van mij hoeft er geen motie te komen, want ik snap de urgentie heus wel — voldoende is om dat heel luid en duidelijk over te brengen aan de organisaties die het betreft, waaronder mijn eigen ministerie.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
In een land waarin we momenteel helaas eens in de twee jaar landelijke verkiezingen hebben — ik zou die graag weer eens in de vier jaar hebben, maar dat terzijde — is het gevaar dat de Kamer alleen maar toekomt aan breien en niet aan voetballen. Wat bedoel ik daarmee? Er wordt wel eindeloos heen en weer gegaan, maar we hebben het niet strak over de doelpunten die gescoord moet worden, en over het moment waarop. Ik vind echt dat daar een schepje bovenop moet, zodat we voorkomen dat deze Kamer en de minister hier telkens alleen maar staan met een soort ongenoegen aan de hand van individuele cases of van Rekenkamerrapporten. We moeten het stevig hebben over welke verbetering we zien en over wat er nodig is om de ICT op orde te krijgen in de strafrechtketen in de breedte. Daar moeten we ook duidelijke financiële plaatjes bij zien, in plaats van dat het ministerie van Financiën alleen maar dicteert "gij zult efficiënt zijn" en we vervolgens met de gebakken peren zitten.

Minister Van Oosten:
Maar dan wil ik toch even terugkoppelen dat er bijvoorbeeld op het terrein van zeden en jeugd — dat is ook opgebracht door de rapporteurs — wel degelijk echt stappen zijn gezet die hoogstnoodzakelijk zijn voor de samenleving, omwille van slachtoffers et cetera. Het is dus veel meer dan alleen een financieel vraagstuk of innovatievraagstuk over digitalisering. Het heeft er ook plat mee te maken, als ik het zo mag uitdrukken, hoe je zorgt dat het werk van de politie aansluit op het werk van het Openbaar Ministerie, van de rechterlijke macht, van de reclassering, van de Raad voor de Kinderbescherming en noem het zo maar op. Dat is in zijn totaliteit best ingewikkeld, maar ik ben er echt van overtuigd — nu val ik in herhaling — dat er met grote urgentie aan wordt gewerkt. Ik wil daar vaker over aan u rapporteren, zodat u dat scherper kunt volgen en ook concreter en zichtbaar wordt wat er gebeurt.

De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Bikker.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Vooruitkijkend, alleen al op de domeinen die de minister noemt, jeugd en zeden. Als ik op werkbezoek ga, hoor ik eigenlijk keer op keer op keer hoe de mensen in de strafrechtketen keuzes moeten maken, omdat ze weten dat ze niet alles kunnen aanpakken. Deze maatschappij heeft heel wat nodig om dit weer in de vingers te krijgen op een manier waarmee de overheid het publieke domein weer veilig maakt, niet alleen offline maar ook online. Juist daarom vrees ik dat we eigenlijk onvoldoende de vinger aan de pols houden als we hier ondanks alle goede bedoelingen te slap acteren. Dan blijven mensen naar elkaar wijzen, want dat kan makkelijk in een keten. Ik vind het dus mooi dat de minister toezegt terug te koppelen. Daar ben ik blij mee. Maar ik denk echt dat er een tandje bij moet, ook om die urgentie te benadrukken.

Minister Van Oosten:
Ik heb mevrouw Bikker gehoord. Ik wacht verdere keuzes van de zijde van de Kamer op dit punt af. Ik heb ook duidelijk gemaakt hoe ik erin zit en hoe ik dat heb ervaren, en dat ik er vaker aan u over wil terugkoppelen, zodat u heel scherp aan de wind kunt blijven varen. Want daar gaat het om; dat doel willen we allemaal bereiken.

De heer Ellian (VVD):
Dank dat u dit toestaat, voorzitter, want we hebben als rapporteurs ook een aparte inbreng geleverd die alle collega's aangaat.

Voelt de minister dat de Kamer wat ongemak heeft? Deze minister is nu de derde met wie we het debat hebben over de prestaties in de strafrechtketen. We horen elke keer hetzelfde. Met alle respect en waardering voor degenen die elke dag bezig zijn, zoals bij het Bestuurlijk Ketenberaad: er verandert niets. Maar wij willen zo graag een cultuurverandering zien.

De voorzitter:
En uw vraag.

De heer Ellian (VVD):
Is de minister bereid om die cultuurverandering teweeg te brengen?

Minister Van Oosten:
Ik vind "cultuurverandering" gelijk weer zo'n term. In the end moet het gewoon op elkaar aansluiten, moet er niet onnodig tijd verspild worden en moet er volle aandacht zijn voor slachtoffers en voor de aanpak van criminaliteit. Wat mij betreft zijn al deze organisaties daarop gericht. Dat vergt in die zin volgens mij geen cultuurverandering. Maar het moet wel strakker, scherper en beter, want het terugdringen van de doorlooptijden duurt te lang. Tegelijkertijd zie ik ook verbeteringen: bij jeugd, zeden en veelvoorkomende criminaliteit zie ik dat de voorraden worden teruggedrongen. Ik heb toegezegd u frequenter te rapporteren. Dat is nodig, want het is ook uw taak. Het kan zonder meer helpen als u zich aan de hand van die brieven uitdrukkelijk blijft uitspreken over of het u bevalt of niet, want dat nemen de bewindspersonen — wie dat ook zijn — mee terug naar de tafel.

De heer Ellian (VVD):
We zullen ons uiteraard blijven uitspreken. Ik denk dat andere rapporteurs dan collega Mutluer en ik dat zullen doen. Het is inderdaad goed dat anderen dit ook verder gaan oppakken. De cultuurverandering is een diepgeworteld vraagstuk. Ook uit onderzoeken van de Rekenkamer blijkt dat de belangen in de keten aan het eind van de dag verschillend kunnen zijn. Ook de financiële belangen zijn niet op elkaar afgestemd; de financiering is anders. De uitdaging wat betreft de cultuurverandering is: hoe zorg je ervoor dat iedereen in de keten uiteindelijk naar hetzelfde doel toewerkt; moet je daarvoor geen ketenoverstijgende doelen vaststellen? Is de minister bereid dat ten minste te doen?

Minister Van Oosten:
Ik ben bereid in het volgende gesprek te verkennen of de partners daar de noodzaak toe zien, zodat de doelen die we willen bereiken daadwerkelijk gehaald worden, waaronder het verbeteren van de doorstroomtijden. Dan kan ik daarover terug rapporteren aan u, leg ik dat daar actief op tafel en kunnen we daarover spreken. Maar ik wil dat wel aan de ketenpartners zelf overlaten. Ik denk dat het belangrijk is dat we zorgen dat iedereen met urgentie aan dit doel blijft werken; daar ben ik van overtuigd.

Mevrouw Coenradie (JA21):
Voordat we vandaag wederom naar de woorden "verkennen", "evalueren", "rapporteren" en "pilot" gaan luisteren, wil ik wel een kleine winstwaarschuwing geven voor dit debat. Ik heb daar echt de grootst mogelijke moeite mee. Wat mij betreft is het vijf over twaalf en moet er veel meer urgentie zijn. Daar wordt ook om gevraagd vanuit de Kamer. Als we dit bedrijfsmatig zouden benaderen, zouden we toch niet wachten op herkenning en verkenning? Wat kan de minister nu nog concreter toezeggen? Ik verwacht echt grotere stappen, grotere woorden en meer daadkracht.

Minister Van Oosten:
Ik heb u gezegd wat ik heb gezegd. Voor bijvoorbeeld de doorlooptijden zijn gezamenlijke doelen afgesproken. Daarover rapporteer ik netjes terug aan u. Ik deel met u allen de urgentie die de rapporteurs hebben opgebracht en dat er echt nog heel veel werk aan de winkel is. Ik geef u ook terug dat er verbeterstappen zijn gezet, dat er een verbeterplan ligt en dat ik verbeteringen zie. Het duurt wel lang. Het heeft ook wat tijd nodig. Wat mij betreft heeft het al te veel tijd gekost. Die urgentie moet je blijven uitspreken, en dat doe ik dus ook als bewindspersoon. Maar ik kan het ook niet afdwingen bij iedereen. We hebben het zo georganiseerd dat organisaties daar zelf over gaan. Maar we moeten zorgen dat het beter kan. Iedereen heeft dat besef.

Mevrouw Coenradie (JA21):
Dan begrijp ik in dezen dat de minister eigenlijk wel naast de Kamer gaat staan, maar ook zegt "ik sta een beetje met mijn rug tegen de muur in hoe we het met elkaar hebben georganiseerd", als ik het vrij mag vertalen. Dan heb ik een andere vraag: wat heeft deze minister nodig om grotere stappen te kunnen zetten; wat is er nodig vanuit deze Kamer? Dat hoor ik heel graag.

De voorzitter:
De minister heeft het woord en hij spreekt via de voorzitter.

Minister Van Oosten:
Sorry, voorzitter. Ik denk dat u als Kamer moet blijven doen wat u doet. Mijn advies zou zijn: blijf de bewindspersoon hier kritisch op aanspreken. Ik ben voor de Kamer de spreekbuis richting al deze ketenpartners. Ik heb al gedaan wat ik heb gedaan en wat ik u heb verteld: ik heb die urgentie overgebracht omdat ik die herken, ook van zoveel jaren terug, toen ik aan de andere kant in deze Kamer mocht zitten. Ik vind dat het nog strakker en scherper moet. Ik vind dat je van de bewindspersonen mag verwachten dat zij namens de Kamer en namens de samenleving die inbreng leveren. Maar ik geef u ook mee dat dit niet wordt betwist: die urgentie wordt echt wel gevoeld. Er zijn verbeteringen zichtbaar, maar die moeten meer zichtbaar worden en er moet vaker over gerapporteerd worden om de boodschap vaker terug te leggen.

De heer Sneller (D66):
Maar dat kan ik niet rijmen met het antwoord aan de heer Ellian dat de minister in een volgend overleg gaat verkennen of de ketenpartners zelf de noodzaak zien voor het stellen van de doelen. Dat kan ik niet rijmen met de motie van twee jaar geleden met het verzoek om dat te doen en met de motie van mevrouw Mutluer en anderen, waarin de minister wordt gevraagd te kijken wat hij kan doen met aanwijzingen om dit te bevorderen. Dat past toch niet bij elkaar?

Minister Van Oosten:
Ik weet niet precies hoe het twee jaar geleden allemaal met elkaar is gewisseld. Ik bedoel het volgende te zeggen. Het is heel belangrijk dat ik bij die volgende tafel, als ik daarbij mag zitten, ook gewoon kan reflecteren op wat ik hier heb opgehaald. Ik wil overbrengen dat ik in den brede urgentie voel, maar ook een stukje ongemak, als ik het heel neutraal geformuleerd mag uitdrukken, over de gemaakte verbeterstappen. Daarbij wil ik ook het punt dat de heer Ellian opbracht overbrengen, waarbij ik overigens opmerk dat we dat van die doorlooptijden ook hebben gedaan. Zo heb ik dat bedoeld. Volgens mij moet het die werking ook hebben.

De heer Sneller (D66):
Dan ga ik er toch van uit dat het antwoord richting de heer Ellian het gevoel dat er blijkbaar wel is om die urgentie te verhogen, niet helemaal weergaf. Het duurt inderdaad allemaal erg lang. Ik denk dat daar niet alleen "laat het aan de ketenpartners" wordt gezegd, maar ook "neem daarbij ook meer regie". Dat is volgens mij steeds het pleidooi geweest. Die consistente lijn heeft de Kamer sinds de parlementaire verkenning breed vastgehouden.

Minister Van Oosten:
Daar ben ik het ook volstrekt mee eens. Sterker nog, ik begon mijn bijdrage op dit punt dus ook met een stukje reflectie uit 2012 en een paar jaar daarna. Toen hadden we dezelfde discussie, zeg ik maar even. Alleen, nu zit ik op een andere manier aan die tafel en breng ik heel stevig in hoe ik dat toen heb ervaren. Vervolgens heb ik nu ook uw inbreng gekregen. Die zal ik ook weer overbrengen; dat past wat mij betreft heel prima in de lijn die u twee jaar geleden ook hebt besproken in de Kamer. Die urgentie wordt namelijk gevoeld.

De voorzitter:
De minister vervolgt zijn beantwoording met het onderwerp georganiseerde criminaliteit.

Minister Van Oosten:
Voorzitter. Dan kom ik bij al het overige van de begrotingsbehandeling, als ik het zo mag zeggen. Voordat ik bij de georganiseerde criminaliteit kom, zou ik een paar opmerkingen vooraf willen maken.

In de eerste plaats vanzelfsprekend dank aan uw Kamer voor de gestelde vragen. Dank ook voor de indrukwekkende maidenspeeches. Mevrouw Abdi, u heeft ons geleerd — dat vond ik toch wel mooi om te horen — dat je geen jurist hoeft te zijn om onrecht te herkennen. Ik denk dat dat waardevol kan zijn voor menigeen in deze zaal, onder wie voor mijzelf. Mevrouw Straatman vertelde het verhaal over het gezin van haar oma, wat natuurlijk een hele diepe indruk maakt. Haat bestrijden met liefde is ook vandaag de dag van betekenis. Ik heb ook wel kunnen genieten van de opmerking van mevrouw Schilder, die haar verantwoordelijkheidsgevoel zelfs zo ver liet gaan dat ze er het zonnige Curaçao voor heeft willen achterlaten; dank u wel daarvoor.

Voorzitter. Het is toch een beetje een aparte begrotingsbehandeling, gegeven het feit dat we al wat verder in het jaar zijn opgeschoven en we desondanks nog de gelden voor Justitie en Veiligheid moeten vaststellen. Daarom hoop ik dat u mij permitteert dat ik ook nog iemand anders even kort wil bedanken: de man die hier naast mij zit. Toen wij in augustus en september werden opgeroepen om in één keer politiek leiding te geven aan het ministerie van Justitie en Veiligheid … Het was natuurlijk toch een beetje apart om dat zo te ervaren. Het heeft mij de afgelopen maanden — we gaan wel zien wat het allemaal weer brengt — ongelofelijk veel nieuwe ontmoetingen gebracht, levenslessen gegeven en kennis opgeleverd. Ik ben wel ongelofelijk content dat ik dat samen met deze man hier naast mij heb mogen meemaken, met wie ik in 2012 ben begonnen in de Tweede Kamer en met wie ik onderwerpen heb kunnen behandelen die we nu ook weer voorbij zien trekken. Dus dank je wel, Arno, zeg ik voor één keer, voorzitter.

Voorzitter. Ik wilde verdergaan met de inhoud, want daarvoor zijn we hier vandaag natuurlijk. Ik had mijn blokjes al aangegeven. Ik heb gekozen om drie blokken neer te leggen: georganiseerde criminaliteit, internationale veiligheid en nationale veiligheid. Ik wil vooraf nog één zin zeggen. In dat ministerie — dat is mij wel gebleken — komen dagelijks zo ongelofelijk veel relevante onderwerpen voorbij; dat merkt u natuurlijk ook. Maar overal staat natuurlijk onze rechtsstaat centraal — volgens mij begon de heer Sneller daar ook over in zijn bijdrage — en hoe zuinig we moeten zijn op onze rechtsstaat. Mijn overtuiging en inzicht zijn, nu ik deze maanden op dit ministerie rond heb gelopen, opnieuw bevestigd, namelijk hoe ontzettend veel mensen elke dag bezig zijn, al dan niet binnen hun eigen koker — dat is waar — om die rechtsstaat te beschermen en te behoeden. Ik weet zeker dat ook de staatssecretaris daar dadelijk in zijn inbreng, bij de verschillende keuzes die hij dan weer heeft gemaakt ten aanzien van zijn spreektekst, op terug gaat komen.

Georganiseerde ondermijnende criminaliteit. Het is terecht dat u daar allemaal aandacht voor vraagt. Het is een strijd die, spijtig genoeg, nooit klaar is. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat als je ergens een drugslab oprolt, je helaas alweer snel ergens anders een drugslab ziet opkomen. Als we linksom drugshandel onmogelijk maken, zoeken criminelen steeds weer rechtsom een weg om drugs te smokkelen of te verhandelen.

Het bestrijden van die georganiseerde criminaliteit zal dus altijd alle aandacht van deze Kamer, van mijn ministerie en van alle diensten en organisaties daaromheen moeten vergen. Ondermijning, zegt mevrouw Michon-Derkzen terecht, is het betonrot voor onze rechtsstaat. Ik kan niet anders dan het hartgrondig met haar eens zijn. Ik ben het volledig eens met de heer Van den Brink: elk pilletje, elk lijntje dat gesnoven wordt, of hoe het dan ook ingebracht wordt, heeft invloed. Het gaat om invloed die te maken heeft met het kapotmaken van onze rechtsstaat, met het versterken van de georganiseerde criminaliteit en met een jongere die geronseld wordt om containers uit te halen. Ik heb in een vorige functie gezien wat het voor zo'n jonge jongen betekent als die vervolgens zijn complete toekomst vergald ziet worden omdat hij voor een paar honderd euro zo ver gebracht is dat hij een paar van die drugsdozen uit de haven gaat ophalen. Dat gebeurt zelfs met gevaar voor eigen leven, bijvoorbeeld als zo'n container verkeerd om zou worden gezet en de zuurstof opraakt. Het is meer dan verschrikkelijk. Willekeurige voorbijgangers die terecht zouden kunnen komen in een vete tussen drugscriminelen, zijn ook weer zo'n voorbeeld. We hebben ook steeds weer veel voorbeelden gezien van schade die drugsafval aanricht in het milieu. Het is dus in het belang van onze hele samenleving dat we alles op alles zetten om die ondermijnende criminaliteit te voorkomen, te doorbreken en zo streng mogelijk te bestraffen en om de samenleving zo goed mogelijk te beschermen.

De heer Ellian vroeg in dat licht naar het oprollen van criminele netwerken. Ik wil dan maar als voorbeeld geven dat er afgelopen week 24 industriële drugslabs zijn opgerold. Vijf daarvan waren er in Nederland. Dat is dus een netwerk. Criminaliteit zie je echter niet alleen in het groot; je ziet het ook in het klein, maar kleine criminaliteit kan grote gevolgen hebben. Een van u — ik dacht dat het meneer Struijs was — begon over het voorbeeld van een ambtenaar die onder druk wordt gezet om informatie uit de basisadministratie voor persoonsgegevens door te geven. Op basis van die informatie worden mogelijk vervolgens ergens zware explosieven geplaatst. Ook dat heb ik zelf gezien: daarbij kan bij wijze van spreken de complete gevel van een pand worden weggerukt. Dat geeft ongelofelijk veel ellende voor de mensen in de woningen daaromheen en de betrokkenen zelf. Dat geeft ook ellende voor de mensen die de explosieven hebben geplaatst, want die zijn waarschijnlijk niet zo heel bewust bezig geweest met wat ze aan het doen waren op het ogenblik dat ze gesnapt werden. Ze hebben wel hun toekomst vergald — bij dit voorbeeld kijk ik de heer Van den Brink weer aan — want dat is ook weer de consequentie.

Inmiddels zijn er ook ambtenaren veroordeeld voor het verstrekken van bijvoorbeeld valse paspoorten aan criminelen. Samen met de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt er dan ook op ingezet om de grootste kwetsbaarheden en risico's zo snel mogelijk de kop in te drukken. Op die manier vergroten we de weerbaarheid van belangrijke overheidsprocessen en -systemen.

Voorzitter. Dankzij een wijziging in de Opiumwet is het voor criminelen ook moeilijker geworden om grondstoffen voor synthetische drugs te verkrijgen. Het wetsvoorstel dat strafmaxima voor grootschalige drugsdelicten verhoogt, wordt begin maart in uw Kamer behandeld. Met een verbod op contante betalingen voor goederen vanaf €3.000 is het voor criminelen moeilijker geworden om cash wit te wassen.

Voorzitter. Dan ga ik door naar het kopje internationaal. Ten aanzien van die synthetische drugs wil ik nog een andere opmerking maken. Ik kom er later nog op terug, maar toen ik een bezoek bracht aan de regio West-Afrika is mij ook gebleken dat er bijvoorbeeld een risico kan zijn dat synthetische drugs hier soms heel goedkoop in onderdelen worden geproduceerd en vervolgens daarnaartoe worden geëxporteerd. Die maken daar ook weer landen kapot en maken hier ongetwijfeld criminelen ongelofelijk rijk. Dat is dus diezelfde georganiseerde criminaliteit die we zo keihard moeten bestrijden.

Voorzitter. Kortom, criminaliteit houdt zich niet aan grenzen. Dat besef is een belangrijk onderdeel in de internationale aanpak. Er gaat namelijk veel meer achter schuil dan in het licht en in het zicht komt. Ik wil deze begrotingsbehandeling aangrijpen om daar iets over te vertellen, omdat mijn ervaring is dat het niet altijd zoveel aandacht krijgt. Dat gebeurde althans niet in die jaren dat ik aan de andere kant een bijdrage mocht leveren. Ik was deze week bijvoorbeeld bij Eurojust. Dat is een grote organisatie, gevestigd hier in Den Haag, waar men werkt voor alle landen in Europa en ook daarbuiten. Daar heb ik gezien dat officieren van justitie uit al die verschillende Europese lidstaten heel constructief, specifiek en specialistisch samenwerken in de bestrijding van georganiseerde criminaliteit. Ik heb meegedraaid en een voorbeeld gezien van hoe dat kan gaan, waarbij je bijvoorbeeld in Spanje, Bulgarije en Nederland gelijktijdig acties moet draaien. Hoe zorg je er dan heel gericht voor dat netwerken en rechtssystemen — die worden niet op elkaar afgestemd, want die zijn zoals ze zijn — worden begrepen, zodat er geen tijd verloren gaat? Wanneer er toevallig misschien nog een vierde persoon uit weer een ander land is, gaat die op deze manier niet vrijuit. Ik ben er ongelofelijk van onder de indruk. Goede internationale relaties en vertrouwen zijn daarbij cruciaal.

Het is ook cruciaal om ervoor te zorgen dat criminelen uitgeleverd worden aan Nederland. Ons ministerie heeft de afgelopen jaren middelen en mensen geïnvesteerd in het aangaan en het verstevigen van die relatie. Ik durf te zeggen dat Nederland hierin echt bijzonder is in de wereld. Dat werpt zijn vruchten af. Zo zijn er in 2025 alleen al meer dan tien voortvluchtige personen door de Verenigde Arabische Emiraten aan Nederland overgedragen. Dat is een ongelofelijk goede prestatie, die zo ongelofelijk belangrijk is en waar ongelofelijk hard aan is gewerkt door mensen die wij nooit zien. Die moet u misschien beter ook maar niet willen zien, omdat er heel veel belangen achter zitten. Ik heb gewoon gemerkt hoe dat gaat en wat een vruchten het afwerpt als je daarin investeert, Daar mag je als bewindspersoon een bijdrage aan leveren, hoe klein die ook is.

Samen met het Openbaar Ministerie, de politie en andere partners in de opsporing bekijken we voortdurend met welke andere landen het aangaan of het verstevigen van dit soort samenwerkingsrelaties nodig is. Dat doen we bijvoorbeeld door het sluiten van verdragen en het uitwisselen van kennis en ervaring. Dat kan soms allemaal wat vaag en abstract klinken, maar het is zo ongelofelijk cruciaal. We hebben nu met Colombia een overeenstemming bereikt over een uitwisselingsverdrag. Er lopen onderhandelingen in een afrondende fase over een rechtshulpverdrag met dat land. Ik was in november in Ghana om te spreken met al de verschillende West-Afrikaanse landen — ik gaf er net al blijk van — om met elkaar de mogelijkheden te verbeteren en de samenwerking te verkennen. Ja, dat is weer verkennen, zeg ik richting mevrouw Coenradie, omdat ik het niet meteen kan afdwingen en niet meteen kan zeggen dat het gebeurt. We moeten daar wel tijd in blijven investeren, om te organiseren dat het in the end gerealiseerd wordt en dat Nederlandse criminelen nergens ter wereld een veilige thuishaven vinden.

Voor die internationale samenwerking is slagkracht nodig. Daarom investeren we hierin structureel 4 miljoen euro per jaar. Dat gaat naar internationale, regionale en bilaterale samenwerkingsprojecten, waarmee we ook liaisons financieren in Latijns-Amerika en West-Afrika. Inderdaad, het gaat om politieliaisons buiten onze eigen rechtsstaat, maar wel politieliaisons die onze rechtsstaat verdedigen en die bouwen en werken aan contacten en relaties. Het is cruciaal om te weten waar mensen zich opgeven en waar voor Nederland de gevaren ontstaan. Daarmee kom ik aan een einde van het blokje internationaal.

De heer Ellian (VVD):
Ik voelde dat het einde van dit blokje naderde.

De voorzitter:
Dat is het politieke fingerspitzengefühl.

De heer Ellian (VVD):
Dat is niet het gevoel dat de voorzitter heeft! Ik wil de minister graag het volgende vragen. Ik proef veel bereidwilligheid om internationale netwerken op te rollen, maar er zijn natuurlijk ook een paar kerels voortvluchtig. Sommigen zijn gewoon openbaar te zien op de opsporingslijsten, zoals Jos Leijdekkers. Denk ook aan Edin G. in de Emiraten, waar ik echt heel vaak naar heb gevraagd. De minister gaat niet in op individuele gevallen; dat weet ik. Maar mag ik, gelet op deze toch wel krachtige woorden van de minister, ervan uitgaan dat die landen worden aangesproken? Ik bedoel dat ook tegen het Afrikaanse land waarvan iedereen weet dat meneer Leijdekkers daar zit, wordt gezegd "u gaat deze kerel geven", en dat tegen de Emiraten wordt gezegd "u gaat meneer Gacanin aan ons geven". Zijn naam is openbaar, dus ik kan die noemen.

Minister Van Oosten:
Tuurlijk mogen de heer Ellian en de rest van de Kamer erop rekenen dat deze minister, dit ministerie en iedereen die hierin een rol speelt, voortdurend bezig zijn met het terugbrengen van criminelen die een veilige thuishaven durven te vinden in welk buitenland dan ook. Daar laat ik het in zijn algemeenheid bij. Dat betekent dat je voortdurend een weg zoekt om daar aandacht voor te vragen, dat je investeert in contacten, dat je benadrukt welke relaties je juridisch sowieso na hebt te leven en dat je misschien nieuwe verdragen sluit waar dat van toepassing is.

Voorzitter. Dan nationale veiligheid. Ook dat is een taak van het ministerie van Justitie en Veiligheid. Dat zien we natuurlijk heel vaak, bijna elke dag, terug in Kamerdebatten over het werk van de politie et cetera. Maar er gaat veel meer achter schuil; dat weet u allemaal natuurlijk heel goed. Denk aan de onrustige wereld waarin we verkeren en de conflicten die overal, ook buiten onze grenzen, snel en hoog oplaaien. De dreiging voor onze nationale veiligheid is urgent en complex. De grootste, meest zichtbare hybride en militaire dreiging — ik ga u natuurlijk niks nieuws vertellen, maar het is toch goed om het wel op te merken in onze justitiebehandeling — komt op dit moment van Rusland. Maar ook de dreiging vanuit andere landen blijft onverminderd sterk. Landen gebruiken hybride middelen, zoals militaire intimidatie, spionage en cyberaanvallen, om hun belangen veilig te stellen. Dat vraagt om een weerbare samenleving, vitale processen die door moeten draaien en redzame burgers. Sommigen zeggen "zelfredzame burgers" en anderen zeggen "samenredzame burgers". Ik heb het over een samenleving waarin men elkaar redt en er voor elkaar is op het moment dat een grote calamiteit zich voordoet, over een weerbare samenleving die staat voor een gezamenlijke opgave. Het ministerie van Justitie en Veiligheid is daarin coördinerend, samen met het ministerie van Defensie. Daarbij is het ook heel belangrijk — ook dat onttrekt zich vaak aan het zicht van de actieve politiek in dit huis, zeg ik toch maar even — om te investeren en waardering uit te spreken, ook vanaf deze plek, voor de inzet van de veiligheidsregio's, de burgemeesters en allerlei organisaties daaromheen die ervoor zorgen dat die vitale samenleving er is. Zo wordt bijvoorbeeld georganiseerd dat een gemeente aan de lat staat om netjes antwoord te geven op vragen die je als burger hebt, bijvoorbeeld: hoe moet ik nou zo'n noodpakket betalen? Dat is een hele kwetsbare vraag van iemand die geconfronteerd wordt met grote geopolitieke vragen op de deurmat. Ik ben daar al die mensen ontzettend dankbaar voor.

Terrorismedreiging is een ander aspect dat ook direct onze nationale veiligheid raakt. Het vraagt onze dringende en continue aandacht. Dat zien we ook terug in de meest recente dreigingsbeelden van de NCTV. De terroristische dreiging in Nederland blijft, spijtig zat, onverminderd hoog, namelijk op niveau 4 van niveau 5. Dat betekent — dat is gewoon de harde werkelijkheid — dat er een reële kans is dat er een aanslag plaatsvindt in Nederland. Dat moeten we onder ogen zien; ik kan het niet beter maken dan dat. We moeten daar dus ook voortdurend voor gesteld staan. Dreigingen doen zich ook dichter bij huis voor. Mevrouw Van der Werf en mevrouw Michon-Derkzen vroegen daarnaar. Beide Kamerleden zien extremisme verschuiven naar de onlinewereld.

Andere Kamerleden vroegen naar de heftige onlinesituaties rondom kinderpornografie, het oproepen tot zelfbeschadiging, noem het allemaal maar op. Dat zijn allemaal verschrikkelijke beelden om überhaupt te moeten zien. Ik hoop dat het iedereen bespaard kan blijven om die te moeten zien. Het zijn inderdaad vaak minderjarigen die in korte tijd via onlinenetwerken kunnen radicaliseren. Zij worden in een trechter gewrongen en kunnen er niet meer uit komen. Dat is een zeer zorgwekkende ontwikkeling, waar ook de NCTV op wijst in het Dreigingsbeeld Terrorisme.

Terroristische organisaties als ISIS maken ook misbruik van de dynamiek van de onlinewereld. Hier zijn mensen anoniem en er mist een corrigerend geluid. Terroristen en extremisten benutten dat om hun gedachtegoed te verspreiden en om hun netwerk te onderhouden. Ik wil voorkomen en dit ministerie wil voorkomen — u wil dat ook voorkomen, hoor ik — dat jongeren radicaliseren en in aanraking komen met het strafrecht. Dan is het inderdaad noodzakelijk dat iedereen — maatschappelijke partijen, de internetsector, lokale professionals, ouders/verzorgers en veiligheidsdiensten — zijn verantwoordelijkheid pakt om dat onlinedomein veilig te houden. Zeker voor jonge mensen bestaat er namelijk geen onderscheid tussen wat er online en wat er op straat gebeurt. Het een hangt met het ander samen. We moeten platformen dus aanspreken op hun verantwoordelijkheid voor het creëren van een veilige omgeving. Daarnaast moeten we ook blijven inzetten op concrete samenwerkingen in de vorm van de Redirect-methode, die bijvoorbeeld bij Meta is gestart, zodat mensen worden gewezen op wat ze nou eigenlijk lezen en hoe fout dat is. Het is een functie die heel actief een bijdrage kan leveren aan het scheppen van een juist informatieveld voor mensen die met terroristische of extremistische content worden geconfronteerd.

Voorzitter. Ook dan past de opmerking — ik ga even terug naar die internationale component — dat Nederland dit echt niet alleen kan. U erkent dat allemaal ook ruiterlijk. Volgens mij is dat in zichzelf dus helemaal geen issue, of het nu gaat om de aanpak van online kinderpornonetwerken die zich buiten Europa bevinden en de inzet die we daarop plegen, of om de actieve en leidende rol die we binnen de Europese Unie op dat punt echt met elkaar nodig hebben. Nederland is wel een verrekt kleine speler als het gaat om die enorm grote internetplatforms waar we het tegenwoordig over hebben, maar we hebben een krachtige positie in Europa. Ik zou ook willen vragen om die krachtige positie op dit punt te behouden, zodat het ertoe doet wat wij zeggen.

Nederland heeft binnen de mogelijkheden die het heeft, de taak op zich genomen om samen met Duitsland en Frankrijk de Europese Commissie op te roepen om te komen tot een vrijwillige gedragscode. En ja, dat klinkt allemaal weer zo slap, "een vrijwillige gedragscode", maar die vrijwillige gedragscode is wel een eufemisme, wat mij betreft, om ervoor te zorgen dat je je met die Europese kracht, door al die lidstaten te bundelen, kan verhouden tot die onlineplatformen, hoe groot ze ook zijn. Daarmee zorgen we er ook voor dat radicalisering, gewelddadig extremisme en terrorisme worden bestreden. Ondertussen blijven wij natuurlijk ook zelf de platformen aanspreken op hun verantwoordelijkheid voor het creëren van een veilige onlineomgeving. Mijn laatste opmerkingen zouden zijn dat we binnenkort, in maart, een ministerieel EU Internet Forum hebben, wat een uitgelezen kans is om die platformen te wijzen op deze verantwoordelijkheid. We gaan ook een nieuwe gespreksronde starten op dit punt.

Voorzitter. Ik ga over naar de appreciatie van de amendementen.

De voorzitter:
Maar eerst een interruptie van mevrouw Mutluer.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Volgens mij kan deze minister de problemen heel goed schetsen, maar als ik kijk naar het aantal meldingen van kinderpornografisch materiaal en naar wat er wordt opgepakt, dan zie ik dat dat gewoon te weinig is. Een organisatie als Offlimits kan dat soort onlinemateriaal op zeer korte termijn weghalen. Als we dat niet structureel financieren, maar elk jaar, bij elke begroting een amendement moeten indienen om het weer een jaar een boost te geven, dan vind ik niet dat ik heel veel waarde moet hechten aan de woorden — dat is misschien heel hard gezegd — van deze minister.

De voorzitter:
En uw vraag?

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Vindt u ook niet dat er nu te weinig wordt gedaan?

Minister Van Oosten:
Ik vind dat we hier meer aan moeten gaan doen op de lange termijn. Dat spreek ik ook uit. Ik noemde de gedragscode, maar er zijn ook andere voorbeelden die nog verder uitgerold en uitgediept moeten worden. Offlimits haalt u zelf aan. Ik kom dadelijk nog op de appreciatie van de amendementen. Ik wijs er wel op dat we al ontzettend veel doen. We doen ontzettend veel aan de hand van wetgevingstrajecten die we hebben, die we binnenkort ook gaan evalueren — dat heb ik u ook in de beantwoording teruggegeven — als het gaat om het ATKM-centrum, als het gaat om de bijdrage die Offlimits levert en als het gaat om de inzet die we willen plegen om platforms op hun verantwoordelijkheid te wijzen.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Ik vind dat te weinig. Het gaat hier om de veiligheid van jongeren, die op dit moment allemaal wel een telefoon bij de hand hebben en de meest heftige dingen online tot zich kunnen nemen. Alleen maar platforms aanspreken op hun verantwoordelijkheid vind ik niet afdoende. Dat is allemaal op vrijwillige basis. Wat kan de minister meer verplichtend doen? Wat kan de minister doen om daarin als Nederland het voortouw te nemen, ook binnen Europees verband?

Minister Van Oosten:
Als het gaat om de ATKM, is dat niet alleen maar aanspreken. Het kan een heel stevig, sanctionerend effect hebben langs de bestuursrechtelijke weg. Dat is niet minder krachtig in de uitwerking. Dat ziet bijvoorbeeld op online terroristisch gedrag, extremisme in de sfeer van kinderpornografie et cetera. Dat ziet daar dus wel degelijk op. Er zijn ook andere voorbeelden in Europees kader. We hebben hier met elkaar — dat zeg ik er ook maar bij — een hele stevige discussie moeten voeren over hoever we als Nederland wilden gaan in wat een bijdrage zou kunnen leveren aan de aanpak van de verspreiding van onlinekinderpornografie, om het zo maar te noemen. Daarnaast helpt Offlimits — dat is inderdaad zonder meer een waardevolle bijdrage — bij het offline halen van informatie en bij het actief mensen motiveren. Ik noemde al voorbeelden zoals de Redirect-methode, enzovoort. Het denken staat op dit punt echt niet stil, integendeel zelfs. Ik denk dat we met elkaar het kader moeten scheppen om, zonder elkaar meteen allerlei verwijten te maken, met elkaar in discussie te gaan. Waar zien we ruimte voor verbetering? Hoe verhoudt privacy zich daartegenover? Dat is ook een essentieel onderwerp. Hoe gaan we zorgen dat onze jongeren nog beter beschermd worden dan nu? Er is echt geen weerzin, bij niemand, ook niet bij het ministerie, om dat nu te gaan doen.

De voorzitter:
Tot slot.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Maar dan moeten we dit structurele probleem niet willen oplossen met allerlei incidentele oplossingen. Ik noem dit even, om bijvoorbeeld Offlimits weer aan te halen, omdat we die elk jaar weer via een amendement extra middelen toekennen, terwijl je weet dat zo'n organisatie, zeker anno 2026, erg belangrijk is om dit soort zaken offline te halen en jongeren en ouders goed te informeren.

De voorzitter:
En uw vraag?

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Moet dat niet structureel geregeld worden?

Minister Van Oosten:
We hebben daar budgettaire keuzes in gemaakt. Ik kom dadelijk nog bij de appreciatie van de motie op het punt van mevrouw Mutluer ten aanzien van Offlimits.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Een puntje van orde. We staan hier allemaal best verbaasd te kijken dat er al wordt overgegaan tot appreciatie van de amendementen. Volgens mij liggen er nog heel veel vragen open. Ik vroeg me af: is dit het, dit halfuurtje van de minister in dit debat?

De voorzitter:
De minister heeft bij aanvang van het debat aangegeven dat een groot deel van de vragen schriftelijk is beantwoord. Maar goed, laten we het hem vragen. Minister, u heeft de vraag van mevrouw Van der Plas gehoord.

Minister Van Oosten:
Dat klopt, voorzitter. Ik heb niet anders begrepen dan dat dit gebruikelijk is. De vragen die u heeft gesteld, zijn allemaal keurig beantwoord. Ik heb hier voor de zekerheid een heel mapje liggen voor het geval dat u ergens nog een vraag over heeft. Dat is naar uw Kamer gestuurd. Dat bevat ook de vragen van mevrouw Van der Plas.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dat komt inderdaad vaker voor. Een aantal vragen wordt schriftelijk beantwoord. Maar we voeren hier een debat. Ik wil een aantal vragen ook wel gewoon mondeling beantwoord zien, zodat we daarover met z'n allen hier kunnen debatteren. Ik vind het eerlijk gezegd wel makkelijk om te zeggen "dit is schriftelijk beantwoord en daar moet u het mee doen". Dan ga ik al die vragen zo meteen maar als interrupties opnieuw stellen.

De voorzitter:
Op zich staat het u vrij om dat te doen. We hebben de zaal tot 16.00 uur.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik vind het wel netjes om … Sorry trouwens dat ik door u heen praatte. Andere ministers doen het ook zo: die lichten hier toch een aantal zaken nog even mondeling toe. Daar hebben we een debat voor. Daar komen we hier ook allemaal voor: om in alle openheid met elkaar te kunnen debatteren. Ik verzoek de minister om de vragen die schriftelijk zijn beantwoord, hier ook nog even toe te lichten. Anders ga ik daar straks in een interruptie om vragen.

De voorzitter:
Ik denk dat dat laatste een beter idee is. Als we de minister nu de hele bundel opnieuw laten oplezen, dan wordt het wel heel ingewikkeld. Ik zou willen voorstellen dat de minister zijn beantwoording continueert. De minister krijgt op dit blokje nog een interruptie van de heer Diederik van Dijk. Vervolgens gaan we over naar de appreciatie van de amendementen. Ik stel voor dat u zelf even een inventarisatie maakt van de punten waarover u nog het debat wil aangaan met de minister. Dan zal ik u daar vanzelfsprekend ruimschoots de tijd voor geven.

Dan is er een interruptie van de heer Diederik van Dijk over het kopje nationale veiligheid.

De heer Diederik van Dijk (SGP):
Ik haak daarbij ook aan op de schriftelijke beantwoording. Er zijn gisteren door meerdere woordvoerders opmerkingen gemaakt over geweld tegen vrouwen. Ik heb dat zelf, net als andere woordvoerders, ook betrokken op de benarde positie van heel veel vrouwen in de prostitutie. Op dat punt vind ik de schriftelijke beantwoording buitengewoon tekortschieten. Ik mis een gevoel van urgentie om die kwetsbare vrouwen te helpen, bijvoorbeeld door een impuls te geven aan uitstapprogramma's en dat soort zaken. Wil de minister daar nog nader op reflecteren? Hoe ziet hij deze problematiek? Moet hier niet een enorme schep bovenop worden gedaan?

Minister Van Oosten:
Ik meen dat de heer Van Dijk daar ook een amendement op heeft ingediend, dat ik dadelijk nog zal appreciëren. Het is fijn dat u deze vraag specifiek stelt. Ik ben het met u eens dat het ongelofelijk belangrijk is dat er structureel en langjarig gelden beschikbaar zijn voor uitstapprogramma's voor prostituees. Dat is ontzettend belangrijk. We moeten gewoon met elkaar vaststellen en onder ogen durven zien dat het vaak gaat om ongelofelijk kwetsbare situaties, waarbij het maar zeer de vraag is of er sprake is van vrijwilligheid. Maar goed, ik stel ook vast dat die programma's lopen, dat die via gemeenten ook een goede weerslag krijgen en dat daar hard aan gewerkt wordt. Dat maakt niet dat het daarmee niet belangrijk is, integendeel. Ik vind dat we dat met elkaar moeten doorzetten en daar niet op moeten verzaken. Dat heb ik gepoogd in het antwoord mee te geven.

De heer Diederik van Dijk (SGP):
Hiermee loop ik in algemene zin iets vooruit op het amendement, maar ik vind het wel symptomatisch dat er dan een verzoek om vijf ton op een begroting van 19 miljard wordt weggewimpeld, terwijl dat het verschil kan maken voor vrouwen. Ik mis dan elk gevoel van urgentie. Is dit niet een vorm van zuinigheid — ik zou bijna "vrekkigheid" zeggen — ten koste van de meest kwetsbare vrouwen die we in onze samenleving kennen?

Minister Van Oosten:
Ik kom dadelijk nog wel even terug op het specifieke amendement dat u heeft ingediend, maar dan nu toch maar even een schot voor de boeg: los van het feit dat daar gelden naartoe zijn gegaan, die structureel gedekt zijn, die door gemeenten op een goede manier verdeeld worden en ik niet de indruk heb dat daarin nu dingen helemaal fout gaan … Als u vraagt of ik meer geld kwijt kan, zeg ik dat ik eerlijk gezegd geen organisatie ken die op zo'n vraag zal antwoorden: nee, ik kan het niet meer aan. Natuurlijk zal die positief beantwoord worden. Ik heb wel vastgesteld dat het goed loopt, dat de dekking die u voorstelt dan vervolgens een andere bestemming tenietdoet en dat dat ook verschrikkelijk ingewikkeld is. Dat heeft gemaakt dat ik tot een appreciatie van dat amendement kom die ik nu eigenlijk al heb verklapt. Dat neemt niet weg dat er ongelofelijk veel waardering is voor en belang wordt gehecht aan de inspanningen die worden verricht door bijvoorbeeld DUUP en alle andere betrokkenen in het kader van dit soort programma's.

De heer Diederik van Dijk (SGP):
De laatste keer, omdat we nu toch op het amendement zijn geëindigd. Het gaat inderdaad over vijf ton op een artikel waarop de onderuitputting al járen miljoenen bedraagt. Het kan toch niet zo zijn dat je dan geen half miljoen kunt vinden om een extra stap te doen voor deze vrouwen?

Minister Van Oosten:
Ik kom dadelijk specifiek terug op de appreciatie, maar ik vrees dat ik de heer Van Dijk moet tegenspreken. Ik weet niet hoe het in andere jaren was, maar ik heb helaas geen miljoenen over. Ik kan het niet beter maken.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Deze uitstaptrajecten zijn in een eerder kabinet tot stand gekomen. Ik herinner me niet alleen de stevige en goede onderhandelingen daarover, maar ook de gedeelde wens om vrouwen die willen stoppen met sekswerk daadwerkelijk de kans te geven om uit te stappen. Met dat doel is dat geld structureel beschikbaar gekomen en ik vind het nog elke dag enorm goed dat Nederland dit voor elkaar heeft gebracht. Mijn vraag is de volgende. Voorheen waren die gelden met landelijke richtlijnen heel specifiek bestemd voor uitstappen, maar we hebben gezien dat het met het structureel maken daarvan, nu iets breder geformuleerd is. Tot mijn schrik ontdek ik dat er gemeenten zijn die dit geld ook benutten om vrouwen te laten instappen in deze sector, die zo gevoelig is voor grote misstanden. Dat was absoluut niet het doel van deze uitstapgelden.

De voorzitter:
En uw vraag?

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ik zou dit heel graag weer gericht hebben op het doel. Kan de minister toezeggen dat we juist op dat punt een verbetering tot stand gaan brengen, zodat dit niet gebruikt gaat worden voor het tegenovergestelde van hetgeen waarvoor al deze gelden beschikbaar zijn gekomen?

Minister Van Oosten:
Ik kijk even of u daarover nou een vraag stelde of de heer Van Dijk. Ik heb daar namelijk ook nog wel het een en ander over teruggekoppeld. Ik wil het graag mee terugnemen. Het is mij ook bekend dat we wel vaker debatten specifiek over dit onderwerp hebben. We hebben het er nu in het kader van de begrotingsbehandeling over. De onderwerpen mensenhandel, zeden en prostitutie gaan echt nog wel voorbijkomen. Ik vind het goed om dan langs deze weg mijn ministerie de opdracht te geven om wat meer inzichtelijk te maken of het klopt wat u stelt. Dan hoef ik daar nu de discussie niet met u over te voeren.

De voorzitter:
"Dan hoef ik daar nu de discussie niet met mevrouw Bikker over te voeren."

Minister Van Oosten:
Met mevrouw Bikker. Sorry, meneer de voorzitter. Dan hoef ik nu niet de discussie met mevrouw Bikker te voeren over wat dan precies de doelstellingen zijn en hoe die doelstellingen daarmee worden gefinancierd. Dan kunnen we daarna met elkaar de discussie voeren over of u het eens bent met de doelstellingen dan wel of het juist besteed wordt.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ik wil de minister danken voor het meedenken. Laat ik daarmee beginnen. Ik wil niet opnieuw de discussie openen over de vraag of we deze uitstaptrajecten wel of niet moeten hebben. Ik heb de vrouwen gesproken voor wie het opeens een nieuw leven opende, waarin je in een hele ingewikkelde situatie je geld verdient. Ik wil dat het daadwerkelijk gebruikt wordt de vrouwen die eigenlijk klemlopen in plaats van voor de vrouwen die overwegen om de prostitutiesector in te gaan. Dat hoor ik nog niet in het betoog van de minister. Hoe ziet hij dat?

Minister Van Oosten:
Mevrouw Bikker schetst het beeld van de DUUP als een instapregeling, maar dat wordt niet herkend. Het is echt gericht op uitstap, maar het kan wel voorkomen dat niet elke deelnemer uitstapt. Dat kan bij mevrouw Bikker wellicht tot deze conclusie leiden, maar dan ga ik het invullen en daar moet ik voorzichtig in zijn. Ik denk echt dat we verder moeten praten over dit specifieke punt, want dat is het beeld dat bij mijn ministerie bestaat op dit punt.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ik wil dat beeld meteen wegnemen. Ik ga niet over de individuele keuze van vrouwen, ook niet in zo'n uitstaptraject. Soms kost het jaren. Mensen doen een poging, maar het lukt toch niet. Er zijn soms verwachtingen van familie elders. Er gaat een hele hoop tragiek mee gepaard. Ik wil dat wij telkens opnieuw klaarstaan om deze vrouwen hieruit te redden, want er is heel vaak sprake van mishandeling en moderne slavernij. Maar het gaat mij erom dat ik signalen krijg dat deze gelden bijvoorbeeld worden gebruikt om dames te leren hoe je dit werk veilig kunt doen. Daar is dit geld niet voor bedoeld. Dat is echt een ander type bezigheid. Je kunt allerlei discussies voeren over de vraag of dit een overheidstaak is, maar dit geld is bedoeld om vrouwen te helpen die overwegen om te stoppen. Daar gaat het mij om.

Minister Van Oosten:
Ik luister echt heel goed naar wat mevrouw Bikker zegt. Ik kan nu alleen de informatie terugkoppelen die ik heb. Het is echt niet gericht op een instapsituatie of op uitleg hoe je erin kunt blijven. Maar ik hoor ook wat mevrouw Bikker zegt. Ik vind dat we hier op een later moment iets diepgaander over moeten praten. Dat zou mijn conclusie zijn. Ik wil de zorgen die mevrouw Bikker heeft niet zomaar terzijde schuiven, want als dat klopt, dan vind ik daar ook wat van. Maar ik vind het te snel om dat nu te erkennen, want dat krijg ik niet teruggekoppeld.

Mevrouw Straatman (CDA):
Allereerst mijn complimenten aan de minister voor het starten met de Redirect Method. Er is eerder een belangrijke motie geweest van het CDA over maatregelen om onlineterrorisme aan te kunnen pakken. Het is mogelijk het verkennen waard om te kijken wat we kunnen doen aan online-extremisme. Maar daar gaat mijn vraag niet over.

Mijn vraag gaat over de verkeersboetes. Ik heb daar gisteren aandacht voor gevraagd. Er is al langer discussie over de disproportionaliteit van de verkeersboetes. Ik vroeg wat de verhouding is tussen de verhoging en de druk op de rechtsketen. De reactie van de minister was: dat heeft eigenlijk geen zin, want er is toch geen dekking.

De voorzitter:
En uw vraag?

Mevrouw Straatman (CDA):
Mijn vraag is als volgt. Een halfuur voor dit debat kregen wij een evaluatie van de wet-Mulder. Daarin wordt opnieuw geconcludeerd dat er op een oneigenlijke manier gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid om de boetes te verhogen. Mijn vraag is wat de reactie van de minister daarop is.

Minister Van Oosten:
Ik heb u vlak voor het begin van deze vergadering een heel, heel kort briefje gestuurd om u te laten weten dat ik nog met een uitgebreidere reactie zal komen. Dat zal wellicht samen met de staatssecretaris moeten, omdat er sprake is van overlap tussen onze beide portefeuilles. Die discussie moeten we op een later moment wat meer gericht voeren, als we de tijd hebben genomen om hier goed inzicht in te krijgen. Maar ik heb er in het antwoord dat ik u schriftelijk heb toegestuurd geen geheim van gemaakt dat het totale bedrag dat we met boetes binnenhalen, cruciaal is voor mijn begroting. Ik heb voor alle camera's erkend dat de boetes hoog zijn. Dat snap en zie ik, maar ik heb geen andere ruimte in mijn begroting. We hebben wel gezegd dat we alleen de normale indexatie toepassen. Als je de hele disbalans wilt oplossen, dan vergt dat echt een financiële investering, die ik simpelweg niet kan doen. Ik erken wel — maar dan herhaal ik wat er staat — dat de suggestie die mevrouw Straatman heeft meegegeven iets oplevert, maar dat is bij lange na niet wat mevrouw Straatman misschien beoogt op te halen. Je moet je afvragen of zo'n onderzoek et cetera nuttig en nodig is. Ik denk het niet.

Mevrouw Straatman (CDA):
Dat begrijp ik. Ik wil de middelen natuurlijk ook efficiënt inzetten. Tegelijkertijd voel ik er veel ongemak over dat we de JenV-begroting in feite rondbreien met veel te hoge boetes, die daar niet voor bedoeld zijn en die in het hele systeem disproportioneel uitwerken. Ik kijk uit naar de reactie van de minister en de staatssecretaris op de evaluatie. Ik heb daar nog één vervolgvraag over. Dit raakt met name mensen met een zwakke financiële positie. Die kunnen niet wachten. Nu zegt de evaluatie ook dat er problemen zijn met informatiedeling. Dat zien we breed.

De voorzitter:
En uw vraag is?

Mevrouw Straatman (CDA):
Kan de minister wel op korte termijn kijken hoe hij die problemen rondom informatiedeling bij het aanpakken van multiproblematiek en schuldenproblematiek wel op korte termijn kan aanpakken, bijvoorbeeld via de Taskforce Gegevensdeling die we op dit moment al hebben?

Minister Van Oosten:
Even zodat ik het voor de annalen goed heb gezegd: het landt niet rechtstreeks in de JenV-begroting, maar wel in de rijksbegroting, waar JenV vervolgens weer mede uit wordt gefinancierd. Dat wil ik toch even zeggen, voorzitter, voordat gezegd wordt dat ik de Kamer niet juist zou hebben geïnformeerd. Het is ook niet zo — dat wil ik ook even rechtzetten; dan kom ik op uw punt, hoor — dat het per definitie niet goed is. Het zijn hoge boetes; dat erken ik. Maar een boete moet ook wel een afschrikwekkende werking hebben. En laten we wel wezen: er is ook een hele makkelijke manier om te voorkomen dat je er een krijgt, namelijk je aan de regels houden. Ik ben het wel met mevrouw Straatman en anderen eens … Dat heeft het CJIB ook onderkend. Ik weet niet of ik me er hiermee te gemakkelijk van afmaak; ik probeer even oogcontact te krijgen met de staatssecretaris om te zien of hij daar dadelijk nog wat over kan zeggen. Ik zie nu een knik, dus dat lijkt het geval te zijn. Als het onvoldoende in die portefeuille landt, dan moet ik er in mijn tweede termijn even op terugkomen om de vraag van mevrouw Straatman te beantwoorden.

De heer Struijs (50PLUS):
Ik heb een heel exposé zitten aanhoren over de problemen met de aanpak van georganiseerde misdaad en de veiligheid in Nederland, maar elke keer ontbreken toch de grote zorgen die wij hebben rondom de zorgfraude. Het OM zegt dat het gaat om 10 miljard. Goede, valide autoriteiten zeggen dat het meer is, maar er blijft een beetje mist omheen hangen. Ik heb daar een vraag over, omdat de Nederlandse Zorgautoriteit al meerdere keren opmerkte dat een van de meest belastende dingen om door die mist heen te komen, het zichtbaar te maken en tot een goede aanpak te komen is dat een wettelijke definitie van zorgfraude ontbreekt. Er is wel een ambtelijke, bestuurlijke definitie opgesteld door ambtenaren. Die wettelijke definitie lijkt een technisch dingetje, maar is de basis voor het inzichtelijk maken en aanpakken ervan. Mijn vraag is: is de minister bereid om mee te werken aan zo'n wettelijke definitie om door de mist heen te komen en een betere aanpak van zorgfraude te krijgen?

Minister Van Oosten:
Het is mij niet bekend dat de wettelijke definitie hét euvel is om die 10 miljard helemaal los te trekken. Ik zeg ook niet dat het helemaal niet zo is, want ik weet wel dat er interdepartementaal — dat is weer zo'n term — aan gewerkt wordt om dit strakker op elkaar af te stemmen. Ik citeer even mijn eigen antwoord: VWS, OCW en JenV. Wat ik ga doen met de vraag van meneer Struijs, is dat ik ga toetsen of er ook een wettelijk vraagstuk is. Als daar het vraagstuk zit, dan zal dat namelijk meegenomen moeten worden in die bespreking en zal er aan uw Kamer teruggerapporteerd moeten worden. Daar moet dan inderdaad ook het antwoord bij gegeven worden waarom we het wel of niet gaan oplossen.

De heer Struijs (50PLUS):
Even voor de duidelijkheid: het is geen wondermiddel, maar het helpt om de volgende stap te zetten, van inzichtelijkheid en betere handhaving. Ik dank de minister voor het antwoord.

Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Ik wil eigenlijk terugkomen op het punt dat mevrouw Straatman heeft aangekaart over de evaluatie van de wet-Mulder. De minister zegt nu daadwerkelijk dat boetes wel nodig zijn, maar die evaluatie gaf dus aan, net als eerdere noodoproepen, dat het disproportioneel is, dat de overheid niet alleen moet stoppen met het uitdelen van deze boetes, maar dat ze eerdere verhogingen ook moet terugdraaien. Ik zou dus eigenlijk graag van de bewindspersonen willen horen welke voorstellen ze aan de Kamer gaan voorleggen met een duidelijke reactie op deze evaluatie, en dan meer dan alleen "we krijgen de begroting niet rond".

Minister Van Oosten:
Dat moet ik dan kritisch ontraden, om het zo maar even te zeggen. Dat ga ik nu niet doen, omdat dat te snel gaat. Ik moet dat echt even zorgvuldig bekijken. Ik heb u in mijn antwoord aan mevrouw Straatman wel heel duidelijk de kaders gegeven waar ik mee te maken heb. Die zijn inderdaad ook financieel. Die hebben ook te maken met het feit dat boetes een voldoende afschrikwekkende werking moeten hebben en moeten worden begrepen. Ik noem daar ook wel bij dat we zelf uiteindelijk allemaal in de positie zijn om te voorkomen dat we er een krijgen. Dat geheel ga ik meenemen in mijn reactie. Dan gaan we hier ongetwijfeld over spreken met elkaar, zeg ik via de voorzitter aan mevrouw Abdi. Maar ik schets er maar bij: alles wat u anders wilt, heeft echt een financieel vraagstuk in zich.

Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Ik heb best wel moeite met dit antwoord van de minister, want hij zegt eigenlijk dat het een financieel vraagstuk is, maar het is niet alleen een financieel vraagstuk. Het gaat ook over de vraag of iets wel of niet rechtvaardig is. Mijn verzoek aan de bewindspersoon zou dus eigenlijk zijn of hij in zijn tweede termijn iets uitgebreider kan terugkomen op wat wel mogelijk is. Ik hoor nu alleen maar "we kunnen er niet naar kijken", terwijl allerlei instanties keer op keer aangeven: dit kan niet, we moeten hier iets mee doen, het is niet eerlijk. Ik wil dus een iets uitgebreidere reactie dan alleen: we komen niet rond vanwege de financiën.

Minister Van Oosten:
Ik heb niet meer een zo heel uitgebreide reactie te geven, vrees ik, want ik ga een uitgebreidere reactie sturen als we de stukken allemaal goed tot ons hebben kunnen nemen. Ik denk dat we echt zeer waardevolle stappen hebben gezet op het punt van het door mevrouw Abdi benoemde onrecht dat misschien ervaren kan worden door betrokkenen die daarmee worden geconfronteerd, met name door de enorme verhoging als je een boete, ook door financiële kwetsbaarheid, niet kan betalen; ik denk dat de staatssecretaris daar iets over kan zeggen.

Mevrouw Faber (PVV):
Ten eerste wil ik de minister bedanken voor de schriftelijke beantwoording van de vragen, maar er zijn nog wel wat open eindjes in die antwoorden. Die wil ik nu graag op tafel leggen, ten eerste over het Halal Village Festival. De minister geeft aan dat de politie niet bekend zou zijn met de deelname en het partnerschap van Islamic Relief. Ik kan me dat haast niet voorstellen, want als je even googelt op dat festival, komt dat er gelijk uit rollen en zie je dat gelijk. Maar mijn vraag is als volgt. De politie is ook partner van dit festival. Blijft de politie partner van het festival en gaat zij nog deelnemen aan dit festival? Want volgens mij komt daar een groep mensen op bezoek waarvan ik me afvraag of je die wel moet rekruteren.

Minister Van Oosten:
Dat zal de politie volgend jaar, als die beurs er weer is, heel kritisch moeten gaan bekijken en beoordelen, want daar ga ikzelf in die zin natuurlijk niet over. Maar ik heb in de beantwoording ook teruggegeven — volgens mij heb ik daar ook schriftelijke vragen over beantwoord, maar misschien hangen die nog ergens — dat ik met mevrouw Faber wel herken dat dit allemaal niet gelopen is zoals het had moeten lopen. Ik herinner mij ook dat politieagenten in een frame werden gebracht met decoraties die, om te citeren hoe u dat gisteren noemde, refereerden aan de vraagstukken in het Midden-Oosten; misschien doelt mevrouw Faber daar ook een beetje op. Dat past helemaal niet, want agenten behoren neutraal te zijn. Die neutrale uitstraling dient ook beschermd en behoed te worden. Dat is in dat opzicht dus niet goed gegaan. Dat betekent niet dat de politie ineens helemaal niet meer mag komen bij beurzen et cetera, al dan niet van deze organisatie, maar je moet wel hele goede afspraken maken.

Mevrouw Faber (PVV):
Ik zeg niet dat de politie niet bij beurzen mag komen, maar niet bij zo'n gekleurde beurs. Dat lijkt me niet echt goed voor het imago van de politie, terwijl in de beantwoording staat dat het ook zou gaan over verbinding met de samenleving. Ik vraag me eerlijk gezegd af of hier nou zo veel verbinding te vinden was. Maar goed, dat was het Halal Village Festival. In feite is dat Islamic Relief natuurlijk een verlengstuk van de Moslimbroederschap, zoals Duitsland al aangeeft. Ik denk niet dat je daar als politie mee geassocieerd zou moeten willen worden.

Dan de Chanoekabijeenkomst. Ook daar zijn antwoorden over binnengekomen. Er werden perskaarten in beslag genomen. Er wordt gezegd dat als de openbare orde verstoord wordt of verstoord dreigt te worden de politie zou mogen overgaan tot het beperken van het vergaren van informatie, maar er was een vergunning afgegeven. Nee, eerst werd de vergunning niet afgegeven. Er is een kort geding gekomen van de rechter. Toen heeft de rechter gezegd dat er wel een stil protest mocht zijn, met als gevolg dat er schreeuwende demonstraten waren die ook agressief waren.

De voorzitter:
En uw vraag?

Mevrouw Faber (PVV):
En dan wordt vervolgens de pers weggehouden. Waarom werd er niet ingegrepen op die demonstranten, die stil hadden moeten zijn? Zij mochten helemaal niet schreeuwen en zij mochten niet agressief zijn. Daarop werd niet ingegrepen, maar er werd wel ingegrepen op de pers die verslag wilde doen. Dan krijg je toch een gek beeld: moet het dan onder de pet gehouden worden?

Minister Van Oosten:
Dat is een stelling die mevrouw Faber nu inneemt en die ik niet per definitie kan delen of staven op juistheid. Het is een feit — daar heeft mevrouw Faber gelijk in — dat er journalisten, al dan niet met zo'n perskaart, verwijderd zijn uit een demonstratievak. Dit wordt dus ook heel grondig geëvalueerd door de politie en er worden ook lessen uit getrokken. Ook daar heeft u vragen over gesteld waar ik antwoorden op heb gezien. Volgens mij heeft u die antwoorden ook; zo niet, dan moeten ze heel snel komen, los van de vragen die hier staan. Wat de demonstraties zelf betreft: ik heb met de minister van Binnenlandse Zaken het een en ander toegezegd over hoe we naar de toekomst op dat punt gaan werken, maar het is ook zo dat die demonstraties onder het lokale gezag van de politie, het OM en de burgemeester plaatsvinden. De politie heeft in zijn algemeenheid natuurlijk alles erop gericht om te zorgen dat dit in goede banen verloopt. Als je afspraken met elkaar maakt, verwacht je dat die geëerbiedigd worden. Als dat niet gebeurt, is het daarna een goede vraag aan de organisatie hoe het kan dat zij de afspraken niet heeft nageleefd en wat dat betekent voor volgende aanvragen die zij al dan niet gaat doen. Zo werkt het dan natuurlijk ook. Ten aanzien van de journalisten moet echt even goed bekeken worden, en dat gebeurt ook, wat daarbij beter moet als het niet helemaal goed gegaan is.

De voorzitter:
Tot slot.

Mevrouw Faber (PVV):
Ik begrijp wel dat het ook onder het gezag van de burgemeester valt, maar er ligt natuurlijk wel een rechterlijke uitspraak en deze minister is de minister van Justitie. Mij lijkt toch dat je je moet houden aan een rechterlijke uitspraak. Dan kunt u dus wel zeggen dat het onder de burgemeester valt, maar volgens mij heeft de minister hierin ook een rol.

Minister Van Oosten:
Nou ja, beperkt, als ik eerlijk ben. We hebben dat ook met elkaar gewisseld toen we het hadden over het demonstratierecht in het algemeen en de aanscherpingen op dat punt. Wij moeten zorgen dat de instrumententas van de burgemeesters op orde is, dat het OM en de politie kunnen functioneren, dat het geld daarvoor geregeld is en dat er goede kaders zijn waarbinnen men opereert et cetera, maar de handhaving ter plekke valt echt onder het gezag van de burgemeester. Het zijn uw collega's in de gemeenteraad van willekeurig welke gemeente het dan ook betreft, die de burgemeester erover ter verantwoording kunnen roepen: waarom heeft de burgemeester iets gedaan of niet gedaan? Maar wij moeten voorkomen dat wij het verwijt kunnen krijgen dat we de regels niet op orde hebben om een burgemeester te kunnen láten optreden.

De voorzitter:
De heer Van den Brink dan.

De heer Tijs van den Brink (CDA):
Ook ik dank de minister voor de schriftelijke antwoorden op de vragen, maar ik krijg nog graag op twee punten een verheldering. Over de politiecampagne "Jouw lijntje, zijn liquidatie" zegt u, even in mijn woorden: die hebben we uitgerold maar wel op onze eigen manier. Ik ben heel benieuwd naar de evaluatie daarvan. Zou die een beetje snel kunnen komen? Vanuit de verslavingsinstellingen hoor ik namelijk gewoon: het loopt hier hartstikke vast, dus hoe sneller mensen zich bewust zijn van de gevaren hiervan, hoe liever. En bent u ook bereid om door te gaan met die publiekscampagne?

Minister Van Oosten:
Ja, "snel" kan ik altijd wel toezeggen, want dat is nog wat onbekend in de tijd, maar ik snap dat u hier urgentie op wil. Ik weet niet zo goed welke termijn ik daar dan praktisch aan kan koppelen. En wij willen het voortzetten, maar we moeten wel even goed kijken of de campagne precies deze werking heeft. Dat ziet u ook in de antwoorden terug. Je wil namelijk ook ophalen wat er gewerkt heeft en wat niet. We hebben aan de voorkant ook wat discussie gehad over hoe scherp je moet zijn in wat je wil laten zien. Je wil voorkomen dat het een tegengesteld effect sorteert. Ik denk dat het goed is om onszelf toe te wensen dat we dit even tot ons nemen en kijken welke aanscherpingen en aanpassingen er zouden moeten zijn in een nieuwe campagne, waarover u dan zelf ook weer in discussie gaat met elkaar.

De heer Tijs van den Brink (CDA):
Dan noteer ik de toezegging dat u doorgaat met de campagne zodra de evaluatie er is.

De voorzitter:
Ik ga nergens mee door. Dat is de minister.

Minister Van Oosten:
Nou, de minister zegt toe dat we die evaluatie met u gaan delen en dat we aan de hand daarvan gaan kijken wat die betekent voor het vervolg. Dan zullen we daar ook een financieel plaatje aan moeten plakken. Maar ik erken zonder meer dat we het met elkaar eens zijn dat het van belang is. Nu gaan we eerst even leren hoe het misschien nog beter had gekund en waar het niet heeft gewerkt et cetera. Dat gaat u horen.

Mevrouw Faber (PVV):
Voorzitter, ik zat nog midden in de beantwoording over die chanoekaviering. U heeft zelf aangegeven dat het in drie interrupties gaat, en ik was bij de tweede. Ik had er twee geplaatst en ik had er nog een, en dan komt er ineens iemand tussendoor kruisen op uw aanwijzing.

De voorzitter:
Gaat uw gang.

Mevrouw Faber (PVV):
Dat vond ik niet zo netjes. Maar goed, we gaan verder. Laten we doorgaan.

Ik heb toch wel wat moeite met het volgende. Er is een uitspraak van de rechter en daar houdt men zich niet aan. Dan hoeven we ook geen kort gedingen meer te gaan aanspannen, want dat heeft dan totaal geen zin. Mijn concrete vraag aan de minister is: moeten wij ons houden aan de uitspraak van de rechter?

Minister Van Oosten:
Ja.

Mevrouw Faber (PVV):
Oké!

De voorzitter:
Mevrouw Faber nog?

Mevrouw Faber (PVV):
Sorry, dit was even mijn enthousiasme.

De voorzitter:
Het was enthousiasme.

Mevrouw Faber (PVV):
Ik hoop dat u mij dat wil vergeven.

De voorzitter:
Uw tweede vraag.

Mevrouw Faber (PVV):
Goed, maar dat is dus duidelijk. We houden ons aan de uitspraak van de rechter. Laat dit ook even landen in de stad Amsterdam, zodat ze het daar ook gaan doen.

De voorzitter:
Ze luisteren mee.

Mevrouw Faber (PVV):
Ze luisteren mee. Goed zo. Ik hoop dus dat de burgemeester dit ook hoort.

Goed. Dan gaan we naar de voetbalkosten. Ik had gevraagd om te kijken hoe we de extra kosten kunnen verhalen op de grote profclubs. Het gaat namelijk wel ergens over. Deze profclubs hebben gewoon miljoenen in kas. Er worden ook miljoenen aan spelers gegeven. De bedragen vliegen je om de oren: 30 miljoen, 1,5 miljoen … Ook een kleine club zoals N.E.C geeft gewoon 1,5 miljoen uit, en Groningen 4 miljoen.

De voorzitter:
En uw vraag?

Mevrouw Faber (PVV):
De minister geeft aan dat het juridisch niet verhaalbaar is, omdat deze kosten in eerste instantie ten laste komen van de politie. Ja, dat is in eerste instantie, maar laten we om ons heen kijken. Het kan in Duitsland en in Engeland wel.

De voorzitter:
Uw vraag, mevrouw Faber.

Mevrouw Faber (PVV):
Dus waarom zou dat niet in Nederland kunnen, is mijn vraag aan de minister.

Minister Van Oosten:
Dat sluit ik niet uit, want je kunt in Nederland heel veel organiseren. Dat moet je dan wel willen. Bovendien moet je de keuze durven maken dat je wel afstapt van een min of meer principieel uitgangspunt en dat is dat politie-inzet niet door commercie wordt bepaald. Volgens mij heb ik die zin letterlijk uitgesproken toen wij eerder deze week in een ander debat over de politie spraken. Toen stelde mevrouw Straatman mij deze vraag. Ik kan heus wel begrip opbrengen voor de vragen die u inbrengt, want ik zie ook dat sommige risicowedstrijden of andere evenementen et cetera een heel bijzondere politie-inzet vragen. Als gewoon mens denk ik daarbij: nou, jongens, waarom is iedereen nou zo vreselijk opgewonden dat al die politie noodzakelijk is? Maar ja, feit is ook dat we een ingewikkelde discussie krijgen op het moment dat we de commercie laten bepalen waar de politie-inzet plaatsvindt. Mijn advies zou zijn dat we moeten proberen om daarbij weg te blijven. Dat neemt niet weg — mag ik die toevoeging nog doen, voorzitter? — dat we de schade die aangebracht wordt door mensen in zo'n demonstratie et cetera, ook proberen te verhalen op de vandalen. Dat zei mevrouw Straatman er ook bij.

De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Faber.

Mevrouw Faber (PVV):
Kijk, de minister geeft aan dat de commercie niet moet gaan bepalen waar de politie-inzet zal plaatsvinden. Natuurlijk bepaalt de politie zelf de inzet of in ieder geval de driehoek of wie daarbij betrokken zijn. We kunnen echter wel zeggen dat we de kosten gaan verhalen op de profclubs. Dat kan wel. Dat is een andere invalshoek. De politie bepaalt, maar de commercie betaalt. Dat is volgens mij helemaal niet zo'n verkeerd uitgangspunt.

Minister Van Oosten:
We hebben continu overleg als het gaat om de inzet van de profclubs. We hebben ook debatten met de Kamer over initiatieven van haar zijde over de omgang met de aanpak van hooliganisme et cetera. Daar doen de professionele clubs en ook de amateurclubs het nodige aan, maar dan veelal binnen het stadion. Dat is ook heel cruciaal, maar dat is weer een ander uitgangspunt. Als iemand iets organiseert, dan moet die ook de verantwoordelijkheid dragen. We willen dan niet de politie primair de verantwoordelijkheid laten dragen. Dat is de andere kant van hetzelfde uitgangspunt rondom commercie.

Mevrouw Teunissen (PvdD):
Ik heb een vraag over het wetsvoorstel over het verbod op gezichtsbedekkende kleding tijdens demonstraties. Ik dank de minister voor de schriftelijke beantwoording, maar die roept wel vragen op. Hoe is het WODC-rapport daarin meegenomen? Daarin worden duidelijk de haken en ogen beschreven die zitten aan het verbieden van anoniem demonstreren. We zien dat nu bijvoorbeeld in Iran. Er zijn heel veel demonstranten die gewoon echt terecht vrezen voor gevolgen vanuit het Iraanse regime.

De voorzitter:
En uw vraag is?

Mevrouw Teunissen (PvdD):
Mijn vraag is dus op welke manier het ministerie de mogelijkheid openhoudt om anoniem te demonstreren. Op welke manier betrekt het op z'n minst het WODC-rapport hierbij?

Minister Van Oosten:
In het wetsvoorstel dat hierover gaat en dat we nog gaan bespreken, is opgenomen dat het verbod op gezichtsbedekkende kleding niet verplichtend wordt op het moment dat je moet vrezen voor vervolging in een ander land of vervolging van je dierbaren et cetera, als de demonstratie daarop zou zijn gericht. Hoewel u dat niet vraagt, kan het bijvoorbeeld ook gaan om mensen die hun gezicht om medische redenen moeten bedekken. De contouren van de wet gaan we nog met elkaar bepalen. Het is belangrijk om dat hier te markeren. Ik hoop dat u dan uw bijdrage levert, zodat wat u wilt, ook echt in de rechtsgeschiedenis wordt vastgelegd. Dat is ook in lijn met de wens van het kabinet.

De voorzitter:
Nogmaals, minister, ik lever geen bijdrage. Mevrouw Teunissen levert een bijdrage.

Minister Van Oosten:
Het spijt me. Ik blijf het fout doen.

De voorzitter:
Ik wil u echt verzoeken om in dit huis via de voorzitter te spreken.

Mevrouw Teunissen (PvdD):
We kunnen het tijdens het wetsvoorstel wel gaan hebben over de contouren, maar de contouren zijn dat het een generiek verbod is op gezichtsbedekkende kleding tijdens demonstraties. Over wat de minister net aangeeft, namelijk de uitzonderingen voor medische situaties, staat in het WODC-rapport dat dit problemen zal opleveren. Ook de politie en de burgemeesters zeggen allang dat ze dit niet goed kunnen handhaven en dat ze te maken hebben met uitvoeringsproblemen. We kunnen dat wetsvoorstel straks wel gaan behandelen, maar mijn vraag is wat de minister nú doet met wat er in het WODC-rapport staat aangegeven en wat de politie en de burgemeesters al heel lang zeggen, namelijk dat ze een generiek verbod niet goed kunnen handhaven en dat ze in de knel komen vanwege uitvoeringsproblemen.

Minister Van Oosten:
Burgemeesters kunnen nu het verbod op gezichtsbedekkende kleding afdwingen, lokaal georiënteerd. De burgemeester moet daarbij altijd afwegen of hij dat kan handhaven of niet en of hij dat kan uitvoeren of niet. Overigens, los van het antwoord op die vraag kun je ook wel de norm willen stellen dat je het niet wil. Je kunt ook later laten bekijken aan de hand van camerabeelden et cetera wat je eventueel alsnog kunt ophalen. Ik vind dat uitgangspunt niet verkeerd. Het kabinet gaat terugkomen, zeg ik via de voorzitter — ik hoop dat ik het zo goed doe — op de reactie op dat hele WODC-rapport. We hebben als kabinet heel duidelijk gemarkeerd dat we een paar dingen uitlichten. Ook los van het hele WODC-rapport vinden we dat het in het kader van het demonstratierecht noodzakelijk is om daarmee verder te gaan, onder meer met dit verbod. Er komt dus een wetsvoorstel richting uw Kamer. Dan gaan we het nog heel precies over de inhoud hebben.

De voorzitter:
Tot slot.

Mevrouw Teunissen (PvdD):
Maar ook het WODC-rapport geeft nu aan dat er echt haken en ogen aan de uitvoering zitten. Dan kan de minister zeggen: burgemeesters kunnen dat verbod op gezichtsbedekkende kleding tijdens demonstraties al opleggen. Ja, in extreme gevallen, in specifieke situaties. Daar kun je dus ook andere, betere handhaving organiseren. Maar bij een generiek verbod loop je er dus nu al tegenaan dat je anoniem demonstreren niet meer mogelijk maakt, ook niet als er uitzonderingen zijn. Als er uitzonderingen worden gemaakt, is daar slecht op te handhaven. Dus waarom is dit rapport niet nu al een aanleiding voor het ministerie om te heroverwegen of we dat generieke verbod wel moeten invoeren?

Minister Van Oosten:
Nee, geenszins, omdat ik alle reden zie, juist ter bescherming van dat zo belangrijke demonstratierecht, dat we als samenleving zeggen waar het kabinet dus ook voor staat, namelijk: wij willen demonstraties mogelijk maken en houden. Dat moet dus ook betekenen dat iedereen zich vrij voelt om mee te kunnen doen aan een demonstratie. Dan moet je dus ook de zekerheid voelen dat een demonstratie niet gekaapt wordt door mensen die in één keer hun gezicht bedekken, niet omdat ze vrezen voor vervolging in een ander land, niet omdat ze bang zijn voor een medische uitstraling et cetera, maar omdat ze willen vernielen, geweld willen plegen et cetera. Dat verdient onze samenleving niet. Precies dat is de reden dat we met dit wetsvoorstel komen.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Volgens mij was de heer Van den Brink …

De voorzitter:
Ja, maar de heer Van den Brink had zijn eerste onderwerp in drie interrupties afgerond, dus dan is mevrouw Mutluer. Het is eigenlijk net als bij de bakker of bij de slager: je wacht gewoon op je beurt.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Ik wilde heel netjes zijn, maar dan neem ik het woord, voorzitter, via u.

De voorzitter:
Gaat uw gang.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Ik merk wel dat we een beetje van de hak op de tak gaan. Dat komt door de wijze waarop we debatteren. Er zijn schriftelijke antwoorden geweest. De inleiding van de minister was een beetje vaag, in de zin van: breed en abstract. Nu gaan we allemaal onze onderwerpen pakken. Dat maakt het debat niet prettig en slaat het dood. Dat is even een algemene opmerking die ik wil maken. Ik ga nu namelijk ook mijn onderwerp oppakken waar ik een vraag over wil stellen.

De voorzitter:
Ik kan daar niets aan doen, mevrouw Mutluer. Het heeft te maken met de beantwoording van de zijde van het kabinet. Ik wil u wel allen de ruimte geven om uw onderwerpen te bespreken met de minister. Ik denk dat dit de manier is waarop we dat kunnen doen.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Dat doet u fantastisch, voorzitter, maar ik hoop dat we de volgende keren bij de begrotingsbehandelingen hier anders mee omgaan. Dit is gewoon een oproep …

De voorzitter:
In de richting van het kabinet.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
… die ik hierbij doe in de richting van het kabinet.

De voorzitter:
We zullen het op alle departementen overbrengen.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
De overige Kamerleden horen het ook.

De voorzitter:
Uw interruptie, mevrouw Mutluer.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Mijn interruptie gaat met name over het onderdeel criminaliteit en preventie. We hebben het heel erg vaak over jeugdigen die dader zijn en vaak ook slachtoffer, uit kwetsbare wijken, en die als soldaten worden ingezet. Ik heb heel nadrukkelijk gevraagd tijdens eerdere begrotingsbehandelingen wat we doen met die 1% of 2% die net te klein is voor de politie, maar te groot voor de reguliere jongerenwerkers. Toen zijn we met het plan gekomen voor een specialistische jongerenwerker.

De voorzitter:
Uw vraag.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Daar is een onderzoek van ruim 2 miljoen euro naar gedaan. Ik wil concreet weten wat daarmee is gebeurd en hoeveel specialistische jongerenwerkers we nu hebben.

Minister Van Oosten:
Het antwoord op de vraag hoeveel specialistische jongerenwerkers we hebben, heb ik nu niet. Ik kan wel kijken of ik dat voor de tweede termijn alsnog kan krijgen. Dat is een nieuwe vraag die ik niet heb kunnen voorbereiden. In mijn antwoord heb ik u wel gezegd dat het specialistische jeugdwerk, waar dus ook de financiering zit waar mevrouw Mutluer op doelt, heel in het bijzonder z'n plek heeft gevonden in het samen met gemeenten, zorg en het veiligheidsdomein oprichten van een lerend netwerk, waarbij alle lessen over en weer worden gedeeld. Dat kan natuurlijk heel abstract en vaag klinken, maar het is wel ontzettend belangrijk, want we hebben ruim — hoeveel zijn het? — 350 gemeenten en evenzoveel organisaties, die daar rondom functioneren. Die moeten niet allemaal het wiel willen uitvinden. Aan de hand van die 47 gemeenten die we hebben geselecteerd voor Preventie met Gezag, kunnen we echt bekijken: wat heeft in gemeente X gewerkt en waarmee kunt u dus in gemeente Y werken? Het antwoord over het aantal jongerenwerkers, voor zover ik u dat kan geven, blijf ik u nog even schuldig.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Dan wil ik wel van de minister een toezegging dat hij met een Kamerbrief komt waarin hij nadrukkelijk uitlegt wat er met dat onderzoek van ruim 2 miljoen is gebeurd, wat de uitkomsten ervan zijn en wat het voor de praktijk betekent.

Dat gezegd hebbende, stel ik nu mijn laatste vraag, over de Wet wapens en munitie. Ik zie dat onwijs veel jongeren anderen op straat bedreigen met messen. Luchtdrukwapens, gekocht via Telegram, worden omgezet naar normale wapens. Mijn concrete vraag, dezelfde vraag als drie jaar terug, is: wanneer mogen we die Wet wapens en munitie eindelijk eens in deze Kamer behandelen?

Minister Van Oosten:
Ik ben het volledig, echt volledig, met u eens dat de aanscherping van de Wet wapens en munitie er moet komen. Ik ga kijken of ik een precisering kan aanbrengen. Misschien komt zo nog binnen wanneer die komt. Maar ik weet dat er hard aan wordt gewerkt. Dat heb ik zelf ook in stukken gezien, dus die gaat echt uw kant op komen. Het is mij er ook zeer aan gelegen dat dit gebeurt, omdat ik ook uit andere ervaringen kan putten en weet hoe ongelofelijk gevaarlijk en riskant het is en hoeveel toekomsten er vergald worden door jonge mensen die ineens met wapens op straat komen. Dus er wordt aan gewerkt. Hetzelfde geldt voor uw vragen over gas- en alarmpistolen. Die ben ik echt niet vergeten, zeg ik via de voorzitter tegen mevrouw Mutluer. Daar werken we aan met onze internationale partners. Maar het euvel is wel dat ik niet in een paar maanden België of Duitsland kan dwingen om het ineens anders te doen. Zo werkt het gewoon niet. Die realiteit heb ik ook onder ogen moeten zien de afgelopen maanden. Maar het is niet vergeten. Die wet komt eraan. Dan gaan we het erover hebben, met die aanscherping, precies wat u wilt.

De voorzitter:
Mevrouw Mutluer vroeg naar de timing. Ik stel voor dat u daar in tweede termijn op terugkomt.

Minister Van Oosten:
Ja.

De heer Tijs van den Brink (CDA):
Excuus aan mevrouw Faber. Ik wilde u net niet onderbreken; ik was slechts gehoorzaam aan de voorzitter. Ik moet misschien iets minder gehoorzaam zijn. Ik heb nog een vraag over het wietexperiment en de overlast die dat veroorzaakt. In de schriftelijke antwoorden zegt de minister dat de meerderheid van de gemeenten tevreden is over hoe het gaat. Dat betekent nog altijd dat 40% ontevreden zou kunnen zijn, want het gaat om tien gemeenten. Kan de minister er iets preciezer in zijn? Hoe groot is de overlast en wat doet hij ertegen?

Minister Van Oosten:
Het wordt nu een beetje gissen in de lucht. Ik denk niet dat de inschatting van 40% van de heer Van den Brink klopt. Ik heb recent een bijeenkomst mogen bijwonen met burgemeesters van gemeenten waar wordt geteeld en waar coffeeshops et cetera zijn. We zitten wel nog in een leerproces. Daarom is het ook een experiment, dat nog een aantal jaren duurt. Daarom is mijn oproep aan de Kamer, ook een beetje vooruitkijkend naar de amendementen: zorg dat het experiment tot zijn recht kan komen, met de goede en de slechte dingen. Ik ga ook niet zeggen, als concreet antwoord, dat het in elke gemeente pais en vree is op dit punt, want het is me ook bekend dat er één gemeente in het bijzonder is waar mensen bijvoorbeeld geuroverlast ondervinden. Daar refereert de heer Van den Brink ook aan. Ik kom er ook in mijn antwoorden op terug. We hebben er contact over met de betreffende burgemeester.

De heer Tijs van den Brink (CDA):
Mijn laatste vraag gaat over het actieplan tegen mensenhandel. De minister meldt dat er een centraal informatiepunt komt. Waarom is dat er nog niet? Wanneer komt het wel?

Minister Van Oosten:
De vraag wanneer het komt en wanneer het in de planning zit …

De voorzitter:
U komt erop terug in de tweede termijn?

Minister Van Oosten:
… kan ik nu niet specifiek beantwoorden.

Mevrouw Faber (PVV):
Er moet me toch nog even iets van het hart. U zei dat we allemaal op onze beurt moeten wachten en dat we dat ook moeten doen bij de bakker en de slager. Nou, ik heb in een slagerij gewerkt. Als iemand een grote bestelling had, dan liet ik niet allerlei andere klanten tussendoor voorgaan. Dat gezegd hebbende, hoop ik dat u mij mijn punten wil laten afmaken. Dan kan ik gaan zitten.

De voorzitter:
Die vergelijking gaat mank, maar ik denk dat u wel een beetje weet wat ik bedoel.

Mevrouw Faber (PVV):
Goed, laten we doorgaan. Ik heb een vraag over het groepsgedrag. We zien gewelddadige groepen waarin een of twee kopschoppers aanwezig zijn. Vervolgens houden ze allemaal hun mond over wie het heeft gedaan en komen ze ermee weg. Artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht gaat over het opereren als groep. Die een of twee kopschoppers doen dit omdat ze in de groep zitten. Ze voelen zich veilig in die groep. Mijn vraag aan de minister is: waarom wordt dan toch die hele groep niet zwaar bestraft? Dan breek je die groep ook op den duur. Op het moment dat ze er niet mee wegkomen, gaan ze er namelijk mee stoppen.

Minister Van Oosten:
Ik kan een heel lang antwoord geven, maar ik ben het in de kern met mevrouw Faber eens. Dat heb ik ook geprobeerd uit te leggen in het debat over geweld tegen hulpverleners, maar misschien is dat onvoldoende bij mevrouw Faber overgekomen. Ik lees net als mevrouw Faber wat er nu in de wet staat. Er zijn mogelijkheden, maar de bewijslast is soms ingewikkeld. Ik stel ook gewoon vast dat het niet altijd leidt tot dat wat mevrouw Faber benoemt. Ik kan niet verder gaan dan alleen een verkenning aan te kondigen, want ik ben een demissionair minister; dat is de status waarin ik zit. Maar ik doe het wel. Zoals ik u ook heb toegezegd en nu ook weer staat in de antwoorden, wil ik verkend hebben langs welke weg we een aanscherping kunnen aanbrengen, en we de mensen kunnen aanspreken die verscholen gaan achter de figuren die daadwerkelijk het wangedrag uiten richting bijvoorbeeld politieagenten. Het gaat om de mensen die deze groep aanmoedigen, die ze misschien dronken voeren of verzin het allemaal maar. Dat kan wat mij betreft financieel gebeuren, maar ook strafrechtelijk. Die verkenning gaan we dus doen. Die komt naar uw Kamer toe. Ongetwijfeld gaan we het er dan echt over hebben, want er is me veel aan gelegen om daar verder mee te gaan. Het is nu, vind ik, onvoldoende.

Mevrouw Faber (PVV):
Dank u wel voor deze toezegging, zeg ik via de voorzitter aan de minister. Wanneer kunnen we deze verkenning dan verwachten?

Minister Van Oosten:
U stelt heel precieze vragen en ik zou het liefst zeggen: het komt allemaal volgende week. Maar dat gaat niet zo zijn, want ik heb daar werk voor te doen. Dit jaar gaat u dat sowieso krijgen. Die toezegging doe ik.

De voorzitter:
Ik stel voor dat u in de tweede termijn ook tot een precisering van de vraag komt.

Minister Van Oosten:
Dat preciseer ik voor zover dat mogelijk is, voorzitter. Dank.

De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Faber.

Mevrouw Faber (PVV):
Over een ander onderwerp. Ik kan moeilijk ...

De voorzitter:
Dan wil ik toch echt eerst de heer El Abassi even het woord geven. Het is een beetje zoeken naar een goeie vorm, maar ik denk dat we zo het meest recht doen aan alle vragen en opmerkingen.

De heer El Abassi (DENK):
Het is al gebeurd, maar om te voorkomen dat er ook in de toekomst door partijen uitingen gedaan worden die niet op feiten gebaseerd zijn, wil ik de minister het volgende vragen over Islamic Relief. Klopt het namelijk dat Islamic Relief door heel veel landen, waaronder het Verenigd Koninkrijk en Duitsland, is onderzocht, ook strafrechtelijk, en dat uit geen een onderzoek is gebleken dat er sprake is van een terroristische organisatie of überhaupt van een strafrechtelijke veroordeling?

Minister Van Oosten:
Als u het mij zo precies vraagt, wil ik ook een heel precies antwoord geven. Dat ga ik u in de tweede termijn geven, want ik heb er eerlijk gezegd geen behoefte aan dat ik dadelijk in een situatie terechtkom waarin ik net even een zinnetje verkeerd heb gezegd ten opzichte van hoe het precies zou zitten, en we daarna dáár weer een heel debat over hebben met elkaar. Het onderwerp is dat het denk ik niet waard, want u heeft recht op het goede antwoord.

De heer El Abassi (DENK):
Heel graag. Daar wil ik bij aangeven dat ik wel weet van het individuele geval in het Verenigd Koninkrijk. Daarin hebben ze het over een individuele persoon, die ook ontslagen is, die wat uitingen heeft gedaan, maar die niet strafrechtelijk is veroordeeld. Dat zeg ik zodat ik dat verhaal in ieder geval niet krijg van de minister op het moment dat hij hier antwoord op geeft. Het lijkt me goed als we dit even opklaren, want het beeld wordt iedere keer naar voren gebracht alsof het hier gaat om een terroristische organisatie. Voor zover ik weet — daarmee maak ik 'm af, voorzitter — gaat het om een door de VN herkende wereldwijde noodhulporganisatie die in 40 landen actief is. Ik hoop dat dit ook zo is. Dat hoor ik graag zo van de minister.

Minister Van Oosten:
Ik ga u het antwoord geven.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Mijn vraag gaat ook over nationale veiligheid, maar over iets heel anders dan de vraag van collega El Abassi. Dat is een beetje ingewikkeld aan hoe we dit met elkaar hebben opgebouwd, maar we doen het ermee. Mijn vraag gaat over de beantwoording die ik van de minister ontving over de ICT-problemen bij het OM. We gaan dus weer even terug, zeg ik voor de minister. Daarbij staat mij het gesprek voor ogen dat ik met een aantal officieren van justitie had, die zich 's avonds gewoon niet konden voorbereiden op de dag erna, omdat ze pas op kantoor konden zien welke zaken aan de orde zouden zijn, ook omdat het zo snel verspringt. Dat heeft grote gevolgen voor de strafrechtpleging. Wat mij betreft kunnen we dan geen afwachtende houding hebben, met gesprekken die nog eindeloos duren. Als ik naar de antwoorden kijk van de minister, geven die me zorgen.

De voorzitter:
En uw vraag?

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Zijn er nu wel of niet structureel extra middelen nodig volgens de minister?

Minister Van Oosten:
Het Openbaar Ministerie heeft aan mij bekendgemaakt ... Rondom de IT-problematiek voeren we op het ogenblik heel scherpe gesprekken met het Openbaar Ministerie. Dat steek ik niet onder stoelen of banken. Het Openbaar Ministerie doet daar ook zelfstandig uitlatingen over. Ik vind het niet aan mij om dat direct over te nemen, want dat gesprek moet ook wel zijn plek vinden. Daar zitten we echt nog in. Zodra dat uitgewerkt is, moet ik uw Kamer daar ook over informeren. Ik voorzie wel ... De problemen die het Openbaar Ministerie neerlegt, zijn niet aan mij voorbijgegaan, hè? Ik heb ook een brandbrief gezien van — wat is het? — 3.000 mensen, onder meer officieren van justitie. Zij stellen wat u zegt. Ik snap dus heel goed dat het college daarmee aan de slag moet en ook naar de politiek kijkt. Maar het is ook een beetje mijn rol — ik hoop dat u mij die ruimte blijft geven — om scherp terug te duwen naar het college. Het college is primair verantwoordelijk voor een goed werkende bedrijfsvoering in de organisatie.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Dat begrijp ik heel goed. Dit gesprek hebben we eerder gehad met de rechtspraak, en dit geldt vaker in de strafrechtketen. De bedrijfsvoering is de verantwoordelijkheid van de rechterlijke macht en van het Openbaar Ministerie, maar men is financieel afhankelijk van de beslissing die de Kamer neemt. Als wij te lang te efficiënt hebben begroot, en de ICT-weerbaarheid daardoor niet op orde is, moeten we dat wel scherp onder ogen zien. Ik kan me voorstellen dat een minister die op het punt staat … We bevinden ons natuurlijk ook op een raar moment, met een zwevende begroting die er morgen wellicht alweer anders uitziet.

De voorzitter:
En uw vraag?

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Daar heb ik dus ook begrip voor. Mijn vraag is: laten we concreet onder ogen zien welke opgave er in ieder geval is. Deze kan altijd groeien — ik hoop het niet — maar het maakt nogal uit of dat gaat om 40 of 80 miljoen structureel, of om 310 miljoen, zoals ik ergens las. Aan welke orde van grootte denkt de minister?

Minister Van Oosten:
Ik ben echt voorzichtig met het noemen van bedragen. Dat wil ik eigenlijk niet doen, want dan doe ik geen recht aan het gesprek dat mijn ministerie vanuit de systeemverantwoordelijkheid heeft te voeren met het Openbaar Ministerie. Dat heeft helemaal niks te maken met het feit dat er geen erkenning zou zijn voor het vraagstuk. Maar als ik hier nu een bedrag ga noemen, dan veronderstelt dat ook weer van alles. Dat vind ik gewoon niet goed. Laat dat uitgewerkt worden. Het is voor iedereen duidelijk welke kaders ik nu heb. Die zijn zoals ze zijn, en in mijn antwoord geef ik duidelijk aan dat ik daar geen dekking voor heb. Het is mij volstrekt helder dat het Openbaar Ministerie een forse claim neerlegt en dat er een vraagstuk ligt. Daar wordt nu over gesproken. Als we daaruit zijn, kom ik bij u terug. Daar mag u van op aan.

De voorzitter:
Mevrouw Bikker, tot slot.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ik wil het dan toch concreet hebben. Ik heb de afgelopen maanden gezien hoe groot de gevolgen zijn en hoe, bij wijze van spreken, een paar Russische hackers onze hele strafrechtketen plat kunnen leggen als we dit niet goed op orde krijgen. Ik heb er alle begrip voor dat de minister zegt dat het een ingewikkeld tijdsgewricht is. Dat snap ik goed. Maar ik wil wel dat we, bijvoorbeeld bij de Voorjaarsnota, de gezamenlijk verantwoordelijkheid dragen dat die weerbaarheid er komt. Daar zit mijn grote zorg. Als ik de officieren spreek die de zwaarste zaken namens ons allemaal behandelen en hoor wat voor gevolgen dat heeft, mag dit niet te lang duren. Het kan ook niet zo zijn dat we in Den Haag in onzekerheid zitten, omhoogkijken en wachten tot het gesprek een keer afgelopen is.

Minister Van Oosten:
Met "onzeker tijdsgewricht" doel ik niet op wat we morgen of op een ander moment horen van een nieuw kabinet. Ik doel erop dat mijn ministerie nu, binnen de kaders die ik heb te borgen als demissionair minister van Justitie en Veiligheid, scherpe gesprekken heeft te voeren met het Openbaar Ministerie over wat het precies heeft gedaan. Dat is echt mijn bestuurlijke rol. Ik misken het vraagstuk helemaal niet. U noemt zelf de Voorjaarsnota, maar daar wil ik even bij wegblijven om eerst heel precies te horen wat er nu speelt. Ik wil eerst een heel goed verhaal horen over wat het OM heeft gedaan met al die extra investeringen; dat moet ik ook aan u uitleggen. Daar zit ik precies middenin. Zodra ik daar klaar mee ben, geef ik dat aan u terug.

Mevrouw Faber (PVV):
Ik ben er bijna, voorzitter.

De voorzitter:
Ik ga bijna vragen hoeveel blokjes u heeft. Normaal gesproken vraag ik dat aan de leden van het kabinet.

Mevrouw Faber (PVV):
Het is misschien een beetje blijven hangen. Maar goed, even zonder gekheid. De minister en ik hebben het al eerder gehad over de bevoegdheden en sturingsmogelijkheden van de minister. Dan heb ik het over de aanwijzingsbevoegdheid. Toen gaf de minister aan dat dit kan bij zwaarwegende belangen, naast andere mogelijkheden. Maar in artikel 15, lid 3 van de Politiewet staat ook dat de minister bijzondere aanwijzingen kan geven als dat noodzakelijk is voor de veiligheid van de Staat. Bij de jaarwisseling wisten we natuurlijk wel allemaal wat er ging komen; alles was op volle sterkte. Dan had de minister toch een mogelijkheid gehad om een aanwijzing te geven? Of begrijp ik het verkeerd?

Minister Van Oosten:
Ik heb altijd de mogelijkheid om een bijzondere of algemene aanwijzing te geven, in ieder geval zolang de wet van de initiatiefnemers nog niet is aangenomen. Maar — dit heb ik altijd gezegd en al mijn voorgangers ook — daar moet je zeer, zeer, zeer prudent mee omgaan. Je moet het ook heel bijzonder kunnen concretiseren. Vaak heeft het ook betrekking op strafvervolgingszaken et cetera. Dat komt dus ook niet helemaal terug in het voorbeeld dat mevrouw Faber noemt. Maar diezelfde aanwijsbevoegdheid — ik wil die discussie niet weer helemaal openen — maakt wel dat ik om tafel kan zitten met het Openbaar Ministerie en dat ik bijvoorbeeld precies op het punt dat mevrouw Faber nu opbrengt, echt een kritisch gesprek kan voeren. Daar hangt namelijk boven dat ik inderdaad als minister wél iets kan doen. U hebt die democratische controle daardoor ook via mij. Daarom is die aanwijsbevoegdheid in mijn ogen ook zeker relevant.

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Ik wil de minister danken voor de beantwoording. Ik blijf wel even hangen bij mijn vraag over de actualiteit in Noordoost-Syrië en de terroristen die daar in de gevangenis zitten. Nu lees ik in de antwoorden dat we op dit moment — ik moet even precies zijn — geen weet hebben dat er Nederlanders, of mensen met een Nederlandse link, zijn vrijgekomen. Mag ik de minister vragen — ik hecht hier zeer aan — of de Kamer direct op de hoogte wordt gehouden als we weten dat er inderdaad terroristen met ten minste een Nederlandse nationaliteit vrij rondlopen? We doen dat namelijk ook als we iemand ophalen. Ik wil ook weten of we er direct, al dan niet vertrouwelijk, over worden geïnformeerd als er iemand vrij rondloopt.

Minister Van Oosten:
Ik heb begrepen dat er op dat laatste punt — dat is even voor mijn tijd — een motie is ingediend over de informatieverstrekking aan de Kamer. Volgens mij is mevrouw Michon-Derkzen dat geweest. Die wil ik — dat wordt natuurlijk ook voor mij bewaakt — recht blijven doen. Ik ben het ook wel eens met de kritische opmerking in uw inbreng, zo van: goh, ik had eigenlijk wel een brief verwacht van het kabinet. Die neem ik in die zin ook wel even ter harte, maar ik vraag wel enige redelijkheid, in die zin dat de snelheid van de ontwikkelingen heel groot is. Ik kan u verzekeren dat alle mensen met Nederlandse wortels et cetera internationaal gesignaleerd zijn en dat het instrumentarium hiervoor voorhanden is. Ik ben wel terughoudend om te zeggen dat ik u in alle gevallen meteen in openbaarheid antwoord kan geven op vragen, want ik weet niet of die ruimte wenselijk is. Maar u mag er wel van uitgaan dat we dit echt heel nauwlettend volgen. Ik denk ook dat we dat scherper en frequenter met elkaar moeten gaan doen.

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Ik zie dit echt als een van de grootste veiligheidsrisico's die op ons afkomen. Als dat niet openbaar kan, dan wil ik het vertrouwelijk. Ik beroep me ook even op een uitspraak van de Kamer op dit punt, niet om de minister voor het blok te zetten, maar omdat ik vind dat wij ook als Kamer echt goed op de hoogte moeten zijn en blijven van dit soort grote veiligheidskwesties.

Minister Van Oosten:
Dat begrijp ik ook. Dat is ook in lijn met wat u eerder heeft gezegd. Ik ga me nu niet uitlaten over een appreciatie van een eventuele motie; die heb ik dan te beoordelen. Maar dit thema is ook voor dit kabinet en voor deze minister een bijzonder aangelegen onderwerp; dat mag u wel aannemen.

De heer Struijs (50PLUS):
Ik sluit me als het gaat over ICT en het OM volledig aan bij de woorden van mevrouw Bikker, maar er komt op procesniveau een ander probleem aan dat ook urgenter wordt, namelijk de relatie tussen het College van pg's, de minister en de uitvoerende officieren van justitie. Er worden zware woorden gebezigd, zo van: "Er is nu een crisis. Er is niet alleen een ICT-crisis, maar we hebben nu al jaren aangegeven dat dit probleem er is." Het College van pg's geeft aan dat zij lange tijd geen gehoor bij de minister hebben gevonden. Ik hoor nu van de minister en ook van het College van pg's en het OM dat er nog steeds — laat ik het zo zeggen — een zeer geanimeerde spanning is tussen die drie partijen. Ze beraden zich zelfs op acties. Herkent en erkent de minister dat er niet alleen iets moet worden gedaan aan ICT, maar dat ook op procesniveau alle mensen moeten worden meegenomen, en zeker ook deze Kamer?

Minister Van Oosten:
Ik aarzel even. Ik denk even na over mijn antwoord. Ik hoop dat u die ruimte geeft. Weet u, ten aanzien van ICT kan ik het tamelijk concretiseren. Er ligt namelijk een claim die ik vanuit mijn bestuurlijke rol, zeg ik maar even, kritisch heb te beoordelen. U mag mij oproepen het anders te willen, meer te doen enzovoort, maar niemand mag mij kwalijk nemen dat ik dat ook doe, want die kaders hebt u mij meegegeven. Als het gaat om de procesregie, het aanhaken tussen het college en de officieren van justitie et cetera, zijn mij in de contacten met het college in die zin geen vraagstukken in directe zin bekend. Het is ook niet aan mij om op de stoel te gaan zitten van de werkgever. Maar als de heer Struijs zegt dat hij signalen heeft dat hier sprake is van een vraagstuk, lijkt het mij niet vreemd om in het onderhoud dat ik regelmatig met het Openbaar Ministerie heb, aan te geven dat ik dit heb gehoord en te zeggen "vertel mij dan maar". Zo ga ik er dan eerlijk gezegd mee om. Dat is dus mijn antwoord.

De heer Struijs (50PLUS):
Dank voor het antwoord. Ik wil toch nog even de urgentie hiervan meegeven. Ik zou dat gesprek dus ook niet te lang laten hangen.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik kom nog even terug op de vragen die ik had. Ik heb de bewindspersonen een heel document gegeven over het Meldpunt Agro Intimidatie; een van de vragen die niet beantwoord zijn, gaat daarover. In dat document staat een heel aantal meldingen van boeren en mensen in de agrarische sector die aangeven op welke manier zij met bedreigingen en intimidatie te maken hebben. Ik had de minister gevraagd om een reactie op dat hele document. Die reactie heb ik niet kunnen vinden.

Minister Van Oosten:
Nee, daar heeft u gelijk in. Dat moet ik dan ten spoedigste gaan doen richting de tweede termijn. Ik heb uw bijlage — misschien heb ik het dan niet goed opgevat — als een voorbeeld gezien van wat u in uw inbreng naar voren bracht, namelijk dat mensen in de agrarische sector soms, om even hele neutrale woorden te gebruiken, een zeer zwaar gemoed hebben als het gaat om waar ze mee geconfronteerd worden door mensen die vinden dat het werk anders moet et cetera. Zo heb ik het opgevat. Ik heb het niet opgevat als een vraag om er heel precies op in te gaan. Ik ben ook bang dat dat voor een heel end niet kan, omdat het natuurlijk individuele zaken zijn, maar ik wil die toets nog even laten doen, mevrouw Van der Plas. Dat ben ik u dan nog verschuldigd.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Mensen hebben geen zwaar gemoed; mensen leven in angst. Dat is omdat hun erf betreden wordt of omdat er ingebroken wordt in hun stallen. Vrachtwagenchauffeurs van veetransporten worden gewoon afgesneden op de weg. Dat soort dingen staat daarin. Ik wil hier dan maar in de tweede termijn een reactie op. Het tweede punt betreft iets wat ik de minister gevraagd had. De politie zegt weleens tegen boeren die aangifte of een melding willen doen, maar zeker bij een aangifte: doe dat maar niet, want dan krijg je heel veel gedoe en misschien wordt het ook verder niet behandeld. Boeren vatten dat eigenlijk als volgt op: dan kan ik maar beter ook geen aangifte doen. De oorsprong van mijn vraag is dus de wettelijke verplichting van de politie om een aangifte van strafbare feiten of een vermoeden van strafbare feiten op te nemen.

De voorzitter:
En uw vraag?

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Mijn vraag is in deze zin dus als volgt: vindt de minister ook dat de politie gewoon tegen boeren — die kennen dat strafrecht niet van haver tot gort — moet zeggen dat wanneer zij een strafbaar feit of een vermoeden van een strafbaar feit zien, zij maar gewoon aangifte moeten komen doen?

Minister Van Oosten:
Ik ben het er volstrekt mee eens dat je aangifte moet kunnen doen. Ik roep ook iedereen op om dat te doen. Ik sprak de woorden van zonet uit omdat ik wil vermijden allerlei uitingen te doen over de voorbeelden die mevrouw Van der Plas noemt. Als je in angst leeft omdat je bedreigd wordt — wat ook de oorzaak ervan is en wat ook de grond en het motief zijn — dan hebben we daarvoor in dit land de politie. Ik wil dat iedereen de ruimte en de vrijheid voelt om aangifte te doen. Dan verwacht ik dat de politie de aangifte ook opneemt en er volgens mee aan de slag gaat. Dat is eigenlijk weer de discussie die we helemaal aan het begin hadden: rondom de doorlooptijden. Hier is geen twijfel over, geen misverstand op dit vlak.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik hoop dat ik even wat meer ruimte krijg dan drie interrupties, want ik heb nog een paar dingetjes. Ik noem ook het in angst leven van mensen en de roekeloosheid waarmee dierenextremisten te werk gaan. In Blokker hebben ze vrachtwagens in de fik gestoken bij het pluimveebedrijf Plukon. Vrachtwagens! En dat terwijl vrachtwagenchauffeurs vaak in de cabine slapen. Die overnachten bijvoorbeeld op een bedrijfsterrein omdat ze 's ochtends vroeg weer verder moeten. Ze slapen dus in die cabines. Dus een dierenextremist …

De voorzitter:
Uw vraag.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Nou ja, mijn vraag ... Laat ik het zo zeggen: de overheid heeft in mijn beleving de roekeloosheid waarmee te werk wordt gegaan, met de kans op dodelijke slachtoffers, niet genoeg in het vizier. Er wordt wel gezegd: de politie doet natuurlijk onderzoek. Dat is ook allemaal prima gebeurd, maar dit soort dingen gaat gewoon een keer gruwelijk mis. Dat is de angst waarin mensen leven. Ik wil de minister gewoon oproepen om wat hier gebeurt, niet te licht op te nemen.

Minister Van Oosten:
Dat kan mevrouw Van der Plas echt wel mee terug nemen. Ik hoop dat ze dat doet. U mag weten dat ik een overleg heb gehad, samen met de minister van onder meer Landbouw — zo zeg ik het even, want we hebben het nu over specifiek agrarische vraagstukken — en dat was een heel indringend gesprek. Het was met vertegenwoordigers uit de sector, die me precies vertelden wat mevrouw Van der Plas mij nu ook vertelt. Daarbij heb ik ook aan hen gevraagd: verspreid alsjeblieft ook het verhaal "doe aangifte, vertel de politie waar je tegenaan loopt, laat weten welke angsten er zijn en welke meldingen je hebt". Want dan hebben we het in kaart. Dan kan er ook mee gewerkt en op geacteerd worden. Als minister verwacht ik dat dat gebeurt. Die oproep ligt er dus. Ik hoop echt dat daarnaar gehandeld wordt, zodat zaken waarbij signalen missen, opgelost kunnen worden doordat ze wel opgebracht worden. Daar kan af en toe nog wel een iets beter resultaat op worden geboekt, zo was ook mijn afdronk.

De voorzitter:
Mevrouw Van der Plas, kort en bondig alstublieft.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik had een vraag over de meldingen. Die worden wel gedaan, maar tellen niet mee in de rapportages en blijven dus buiten beeld bij de NCTV. Dan krijg ik een soort administratie over hoe de rapportages worden verwerkt, maar de vraag is niet beantwoord. Aangiftes en dergelijke worden dus wel meegenomen, maar meldingen niet. Mijn vraag aan de minister is om meldingen ook op te nemen in de rapportages van de NCTV.

Minister Van Oosten:
Ja, die vraag is helder. Die is overigens ook opgekomen in datzelfde overleg. Dat haakt een beetje terug op de vraag die mevrouw Van der Plas net ook opbracht. Het is wel belangrijk om het beeld … Mijn indruk is dat er misschien meer leeft in de sector dan er is overgebracht. Ik sluit dat gewoon niet uit. Dat vind ik dus niet goed, want ik vind dat de politie er weet van moet hebben, ongeacht het motief of de reden waarom mensen zich bedreigd voelen enzovoort, want dat moet eigenlijk niet uitmaken. Als het inderdaad veel meer is dan we nu in kaart hebben gebracht, dan gaat het automatisch zijn weg vinden in dat dreigingsbeeld et cetera, maar daar gaat het mij niet om. Daar gaat het mevrouw Van der Plas ook niet om, denk ik. Het gaat niet om het dreigingsbeeld, maar het gaat erom dat je actie onderneemt als mensen wat overkomt. Dan moet je het wel weten. Soms kan dat ongetwijfeld beter vanuit de zijde van de politie, maar ik denk ook dat we meer meldingen moeten kunnen ophalen dan er zijn.

De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Van der Plas.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Daarvoor bestaat het Meldpunt Agro Intimidatie. Mijn vraag aan de minister was dus om te kijken of dat meldpunt in samenwerking met de politie kan, zodat er een betere bundeling en analyse komen van het beeld van bedreigingen en intimidatie en daadwerkelijke strafbare feiten door dierenextremisme. Die vraag zou ik hier bij de minister willen neerleggen. Ziet hij er kans toe om daaraan mee te werken?

Minister Van Oosten:
Die vraag wil ik even mee terugnemen, want ik heb altijd een kleine terughoudendheid als het gaat om nieuwe meldpunten. Ik zeg niet dat het een nieuw meldpunt is, hoor. Het moet ook duidelijk zijn waar je naartoe gaat als je je bedreigd voelt. Als je bent bedreigd, bel je 112, of je nou een boer bent of een slager, zoals in het voorbeeld van mevrouw Faber. Je kan ook anoniem bellen. Dan bel je met de politie, zodat die aan de slag kan. Ik wil voorkomen dat dat wegebt, wat we ook nog gaan organiseren. Dan heb je die registratie namelijk toch onvoldoende, denk ik.

De voorzitter:
Dan gaan we over naar de appreciatie van de amendementen. Ik durf het bijna niet te vragen, minister, maar kunnen die gecategoriseerd worden?

Minister Van Oosten:
Ik heb geluisterd naar …

De voorzitter:
Ik zie de heer El Abassi. Gaat uw gang.

De heer El Abassi (DENK):
Ik wist niet dat het derde al zo snel afgelopen was. Ik had nog een vraag in het derde blokje.

De voorzitter:
Dan bent u de laatste in dit blokje.

De heer El Abassi (DENK):
In antwoord op de vragen over het geweldsincident dat gisteren en eergisteren viraal is gegaan, geeft de minister aan dat het al onderzocht wordt door de politie zelf. Volgens mij heb ik juist gevraagd om een onafhankelijk onderzoek. Ik zou graag van de minister willen horen waarom er in dezen niet wordt gekozen voor een onafhankelijk onderzoek.

Minister Van Oosten:
De heer El Abassi doelt nu, zo veronderstel ik even, op de beelden die we gisteren allemaal konden zien op sociale media. Ik kan mij heel goed voorstellen dat daar de nodige vragen over zijn. Maar het is juist zo belangrijk dat de politie … Ik ga uit van het goede bij de politie. Je moet de politie de gelegenheid geven om heel goed en serieus te onderzoeken wat er plaats heeft gevonden en in welke context dat heeft plaatsgevonden. Dit geeft de politie mogelijkheden en ruimte. Het is net gebeurd en het onderzoek is net gestart. Mijn oproep is om dat af te wachten en ervan uit te gaan dat de politie … De politie is er alles aan gelegen om dit heel serieus te bekijken; dat kan ik u verzekeren.

De heer El Abassi (DENK):
Ook ik ga uit van de goedheid van de politie; dat hebben we gelukkig gemeen. Juist daarom stuur ik aan op een onafhankelijk onderzoek. Op het moment dat ik iets over mijzelf wil onderzoeken, laat ik dat niet door mijzelf doen, juist vanuit die goedheid.

Voorzitter. Ik zou een vervolgvraag willen stellen. Ik heb namelijk getuigen gehoord, en een van die getuigen heeft aangegeven: ik heb aangifte gedaan tegen deze zelfde politieagent voor mishandeling. Tegelijkertijd heb ik ook beelden ontvangen van een eerdere mishandeling, waarin dezelfde agent te zien is. Ik zou de minister het volgende willen meegeven. In die beelden is te zien dat mensen de agent vragen om rustig te doen, en weer hakt hij erop los. Ook die beelden — daar ben ik van overtuigd — zullen vandaag viraal gaan. Ik zou de minister willen vragen om in dit geval toch echt een onafhankelijk onderzoek te laten doen, juist vanwege de gevoeligheid hiervan.

Minister Van Oosten:
Ik blijf bij mijn eerdere punt dat het echt belangrijk is om dit heel serieus te onderzoeken. Als er andere of meer context omheen gegeven moet worden, gaat dat ook onderdeel worden van het onderzoek. Iedereen weet dat dit een kwestie is die zeer nauwlettend wordt gevolgd. Dat begrijpt iedereen ook goed, inclusief deze minister. Ik ga ervan uit dat het onderzoek met grote zorgvuldigheid en grondigheid gaat plaatsvinden en dat alles erbij wordt betrokken, maar dat ga ik eerst afwachten. Verder ga ik ook geen uitlatingen doen over wat er nou precies wel of niet heeft plaatsgevonden. Dat is niet mijn rol. Dat moet je ook niet doen als je een lopend onderzoek hebt.

De heer El Abassi (DENK):
Juist omdat het zo gevoelig ligt, juist omdat iedereen meekijkt, is het belangrijk dat dat onderzoek onafhankelijk gedaan wordt. Mensen kunnen dat zien en meenemen, zodat er niet achteraf allerlei commentaar komt op dat onderzoek. Dat zou ik de minister willen meegeven.

Minister Van Oosten:
Ik heb er niks aan toe te voegen. Het is heel goed dat dit heel serieus gaat worden onderzocht, en daar is alle reden toe. Dat kan de politie heel goed, en daar heeft zij ook allerlei mogelijkheden toe.

De voorzitter:
We gaan over tot de appreciatie van de amendementen. Ik stel de leden voor maximaal twee interrupties per amendement te plegen, bij voorkeur op het eigen amendement.

Minister Van Oosten:
U vroeg mij hoe ik dat ga doen. Ik hoop dat ik dat goed doe. Ik ga een aantal amendementen langs en die liggen bij mij op volgorde, maar die gaan bijvoorbeeld wel van 28 naar 34. Hoe men dat dan helemaal precies verklaart, moet ik u even schuldig blijven.

De voorzitter:
Mijn lijstje zegt dat we beginnen bij het amendement op stuk nr. 11.

Minister Van Oosten:
Ik begin bij het amendement op stuk nr. 28.

De voorzitter:
Ja. Het amendement op stuk nr. 11 heeft al een appreciatie, oordeel Kamer.

Minister Van Oosten:
Ja. Dat is al geapprecieerd bij een eerder debat. Sorry.

De voorzitter:
Het amendement-Dassen op stuk nr. 28.

Minister Van Oosten:
Dat ontraad ik. Dat ziet op aanvullende middelen voor noodpakketten. Daarbij wil ik de opmerking maken dat ik echt wel heel goed besef dat het niet voor iedereen even gemakkelijk is om de financiering voor zo'n noodpakket rond te brengen, maar dat de campagne er juist ook op gericht is om dit waar mogelijk met elkaar te doen en het gesprek met buren op dat punt aan te gaan.

Dan de motie op stuk nr. 34.

De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 34.

Minister Van Oosten:
Het amendement op stuk nr. 34, van de leden Michon-Derkzen en Sneller, is een amendement dat ziet op aanvullende middelen voor het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid. Dit amendement kan ik oordeel Kamer geven.

Ik kan erbij zeggen: ik ga nog twee andere amendementen ook oordeel Kamer geven. Ik ga er ook gelijk bij zeggen dat ik me realiseer dat dit dan een vraag kan oproepen. Ik kijk in het bijzonder naar de heer Van Dijk, want hij vroeg daarnaar: "Waarom mijn amendement dan niet?" Nou, kijk. Om te beginnen heb ik eigenlijk gewoon helemaal geen geld. Dat maakt het al verschrikkelijk ingewikkeld. We hebben iets van een onverdeelde-middelenpost. Dat is een zogeheten "artikel 92", een beetje technisch. Maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat dat eigenlijk allemaal al is ingevuld. Dat ziet onder meer op prijsbijstellingen et cetera. Maar ik snap ook wel — ik heb het ook van de andere kant meegemaakt — dat er een aantal punten zijn, die ik heb opgehaald uit de maanden waarin ik debatten met u heb mogen voeren en die ik voortdurend heel breed zag terugkomen. Ik heb het dan over criminaliteitspreventie en over twee andere punten waarvoor ik incidenteel ruimte heb gevonden op de begroting. Daarom durf ik dat oordeel Kamer te geven en kan ik dat voor het overige niet doen. Het is uiteindelijk natuurlijk aan uzelf wat u op dat punt besluit.

Het amendement op stuk nr. 34 heeft dus oordeel Kamer gekregen. Oordeel Kamer gaat ook krijgen het amendement op stuk nr. 35 van de leden Mutluer en Straatman. Dat ziet op de Fraudehelpdesk. Dat is ook zo'n onderwerp. Waarom dat dan wel? Omdat ik met u een debat heb mogen voeren waarbij ik Kamerbreed heb moeten vaststellen dat u een diep verlangen heeft als het gaat om die Fraudehelpdesk en fraudebestrijding als zodanig. We willen komend jaar, dit jaar, ook verdere stappen zetten als het gaat om de fraudehub, de vraag wat je kunt verbeteren et cetera. Dan heb je ook een beetje tijd nodig om dat goed te kunnen vormgeven. Vandaar.

Het amendement op stuk nr. 37 van de leden Bikker c.s., dat ziet op het Platform Aanpak Ondermijning Kleine Zeehavens, ontraad ik. Ik zeg daarbij in de richting van mevrouw Bikker dat dit niet is omdat ik geen sympathie heb voor de kleine zeehavens. Ik wijs er wel op dat we als ministerie in heel nauw contact staan — we zijn "in dialoog", zoals dat dan ambtelijk heet — met de betrokken gemeenten. Het bedrag dat nu structureel wordt gevraagd, is relatief hoog. Even ter vergelijking: dat is hetzelfde als voor de ondermijning op heel Schiphol. Ik vind dat zich dat toch wat ingewikkeld met elkaar laat vergelijken. Belangrijker is nog dat de probleemanalyse, met de bijbehorende interventies, op dit moment nog onvoldoende onderbouwd is. Daardoor is onvoldoende zichtbaar wie wat kan doen en welke middelen daarbij horen. Het is overigens niet zo dat er helemaal niks naartoe kan gaan, maar niet het bedrag dat u heeft voorgesteld.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Welk bedrag dan wel?

Minister Van Oosten:
Daar wordt over gesproken. Binnen de reguliere middelen is er misschien een mogelijkheid. Ik moet er iets duidelijker over zijn. We gaan nu eerst een onderzoek financieren om heel precies duidelijk te krijgen wat er nou nodig is om tot die probleemanalyse te komen. Die heb je echt nodig; die ontbreekt.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Dit vind ik, met alle respect voor de minister, een frustrerend antwoord. Ik heb hier jaar na jaar gestaan om te pleiten voor een Noordzee-aanpak. Jaar na jaar heb ik van de minister en zijn ambtsvoorgangers te horen gekregen: "Dat is een goed plan, mevrouw Bikker. We moeten het dan niet alleen hebben over de mainports, maar ook over die andere havens, van Harlingen tot aan Scheveningen, en ook alles langs de Noordzeekust. Sterker nog, we zullen in gesprek gaan met de Duitse havens, met de Belgische havens, enzovoorts." Er is dus heel veel geanalyseerd. Dat we weer opnieuw gaan analyseren, voelt als een kluitje in het riet, terwijl er deze dagen elke keer opnieuw criminelen gebruikmaken van andere plekken om te landen en de drugs aan wal te brengen. Het duurt nog even voordat het amendement in stemming komt. Ik vind het prima om naar het bedrag te kijken, maar niet om weer in de wachtstand te gaan.

Minister Van Oosten:
Ik ben nog even in afwachting van het precieze bedrag, maar in de reguliere ondermijningsmiddelen is ook wel wat geld gereserveerd voor dit punt. Het is niet zo dat dit niet onderkend wordt. Ik heb u daar zelf ook over gerapporteerd. Je ziet bij drugstransporten een verschuiving plaatsvinden van hele grote mainporthavens naar kleinere havens. We kunnen daarover misschien redetwisten met elkaar, maar ik krijg ook terug dat die probleemanalyse van wat je dan precies moet doen, wat er exact nodig is en wat gemeenten zelf kunnen doen, toch nog onvoldoende onderbouwd en ondervangen is. Dat neem ik ook serieus. Dat biedt dus ook geen ruimte voor de financiering waarom u vraagt. Ik vergelijk het met Schiphol, waarvoor we een vergelijkbaar bedrag hebben. Ik vind dat die grootheden dan toch uit elkaar lopen.

De voorzitter:
De beantwoording mag iets beknopter.

Mevrouw Coenradie (JA21):
Punt van orde. Bij het amendement over de Fraudehelpdesk mistte ik mijn eigen naam. Dat is niet de schuld van deze minister. Ik denk dat het vanuit ons niet goed is doorgegeven. Bij dezen.

De voorzitter:
Bij dezen.

De heer Sneller (D66):
Een hele korte interruptie naar aanleiding van de interruptie van mevrouw Bikker. Volgens mij is het ook goed om naar het plan van dat platform te kijken en dan vooral naar wat de actie is die daaruit volgt, en dan daar vanuit het ministerie op in te zetten, in plaats van dus in te zetten op allemaal onderzoeken. Je moet juist bekijken wat je uit dit voorstel kunt overnemen.

Minister Van Oosten:
Dat is precies de bedoeling, want er wordt met het platform, mét het platform, gewerkt aan een goede probleemanalyse en de bijbehorende interventies. Daarna is pas duidelijk wie wat kan doen en welke middelen daarbij horen. Binnen de reguliere ondermijningsmiddelen is er voor dat platform al 4 ton gereserveerd. Dat krijg ik ook bevestigd. Daarnaast vindt er ook onverminderd inzet plaats bij de Douane, de marechaussee en de lokale RIEC's. Daarop doelde ik eigenlijk net. Daarmee wordt, naar mijn mening, ook een heel eind recht gedaan aan de inzet van mevrouw Bikker.

De voorzitter:
We gaan naar het amendement op stuk nr. 38 van mevrouw Coenradie.

Minister Van Oosten:
Het amendement-Coenradie dat ziet op aanvullende middelen rondom de capaciteit van rechercheurs, ontraad ik. Ik zeg er wel bij dat er op dit ogenblik in de opsporing een onderbezetting van 12% is. Dat zijn 1.300 fte's. Uitbreiding van de formatie is in die zin dan ook weinig zinvol, want extra geld gaat daarvoor gewoon de oplossing niet bieden; we moeten eerst de onderbezetting oplossen.

Het amendement op stuk nr. 40 van mevrouw Coenradie ontraad ik eveneens. Dat heeft te maken met de capaciteit van de zedenpolitie. Ook hiervoor geldt dat de personeelscapaciteit mede wordt veroorzaakt door pensioenuitstroom en een krappe arbeidsmarkt. Ik onderken dat dit echt een uitdagend vraagstuk is, maar extra geld — want dat is wat een amendement doet — gaat daar geen oplossing voor bieden.

Het amendement op stuk nr. 43 van mevrouw Dobbe ziet op aanvullende middelen voor de politie om het begrotingstekort te dichten. Dat amendement ontraad ik. Het is misschien te makkelijk, maar ik verwijs terug naar het debat dat we afgelopen maandag hebben gehad in het wetgevingsoverleg. We hebben toen uitvoerig gesproken over hoe die 46 miljoen euro met mijn inzet en die van de korpschef zou moeten worden ingevuld.

Het amendement op stuk nr. 64 van de leden Mutluer en Dobbe ziet ook op structurele middelen et cetera in het kader van de politie. Dat ontraad ik eveneens. Ik verwijs hierbij ook naar datgene wat we hebben gewisseld met elkaar. Er zijn ook onvoldoende middelen in artikel 92, waar de dekking vandaan moet komen.

Dan kom ik op het amendement op stuk nr. 66 van de heer Van Dijk. We hebben het al een beetje gehad over de aanvullende middelen ten aanzien van de DUUP. Ik ontraad dit amendement. Het ondermijningsbudget is volledig geoormerkt voor allerlei verschillende hoofdlijnen. De Decentralisatie Uitkering Uitstapprogramma's Prostituees behoort niet tot de doelen van het ondermijningsbudget en zal daar dus ook geen onderdeel van zijn. Dat betekent echter niet dat er geen lopende programma's zullen worden gefinancierd, maar dat gebeurt langs een andere weg.

Het amendement op stuk nr. 67 van mevrouw Teunissen over aanvullende middelen voor het Meldpunt 144 ontraad ik. Dat meldpunt is echt onderdeel van de landelijke eenheid van de politie en vervult een cruciale rol. Er zijn op dit ogenblik 299 themahouders dieren werkzaam bij de politie, maar onderdeel van het eerlijke verhaal is ook dat de politie en het Openbaar Ministerie altijd keuzes hebben te maken in welke zaken wel en niet worden opgepakt.

Mevrouw Teunissen (PvdD):
Ik heb hier nog één vraag over. Uiteraard moet er altijd geprioriteerd worden. De Kamer heeft een motie aangenomen om een plan van aanpak te maken om het Meldpunt 144 te versterken. Dat is hard nodig. Er ligt hier een amendement voor, dat de minister ontraadt. Mijn vraag is: hoe gaat de minister de motie om het Meldpunt 144 te versterken dan uitvoeren?

Minister Van Oosten:
Naar mijn weten zijn we die aan het uitvoeren. Ik neem dat mee terug om te zien in hoeverre daarover al een terugkoppeling heeft plaatsgevonden aan de Kamer. Dat weet ik nu even niet. We voeren dit uit door de themahouders dieren een plek te laten hebben bij de politie en door dat specifieke telefoonnummer te hebben. Als er nog geen terugkoppeling is gegeven over die motie — dat weet ik nu niet — dan zeg ik toe dat ik die nog verschuldigd ben aan mevrouw Teunissen. We kunnen het daar vervolgens nog over hebben.

Mevrouw Teunissen (PvdD):
Er is een terugkoppeling geweest. Daarin wordt aangegeven dat het kabinet de motie niet uitvoert wegens financiële redenen. Vandaar dit amendement. Mijn vraag is: als dit wordt ontraden, welke mogelijkheden zijn er dan nog? Ik vind het prima als de minister daar in de tweede termijn op terugkomt. Ik zal er zelf ook nog op terugkomen.

Minister Van Oosten:
Maar nu ben ik even kritisch, want dan weet mevrouw Teunissen het antwoord eigenlijk al. Het kabinet heeft al teruggekoppeld hoe het omgaat met de motie. Daar heb ik eigenlijk niet zo veel aan toe te voegen. Desondanks zeg ik dat dat meldpunt onderdeel is van de landelijke eenheid en dat we themahouders dieren werkzaam hebben. Daarmee is er aandacht voor het punt dat mevrouw Teunissen opbrengt. Maar structurele aanvullende middelen, zoals zij verlangt, heb ik niet.

De voorzitter:
U vervolgt.

Minister Van Oosten:
Het amendement op stuk nr. 68 was volgens mij van ... Ik ben bijna bij het einde, voorzitter.

De voorzitter:
Van El Abassi.

Minister Van Oosten:
Dat ziet op veiligheidsmaatregelen voor moskeeën. Ik ontraad dit amendement. Ik kan heel veel opnoemen, maar het komt er ook op neer dat de dekking bij artikel 92 onvoldoende is. Richting de heer El Abassi wil ik zeggen, zoals ik eerder heb gezegd, dat het lokaal gezag waar nodig op basis van risico's en actuele dreigingsinformatie beveiligingsmaatregelen kan treffen. De NCTV kan altijd gevraagd worden om advies te geven en zal dat bij omstandigheden ook doen.

Het amendement op stuk nr. 72 van de heer Struijs ziet op de ICT. Dat ontraad ik. Ik verwijs naar de discussie die we net hebben gehad. Ik realiseer me echt dat dit een vraagstuk is, maar we zijn daarover in gesprek.

Dan het amendement op stuk nr. 73 van mevrouw Bikker over het experiment gesloten coffeeshopketen. Eigenlijk heb ik in de beantwoording al wel aangegeven dat ik dat ontraad. Ik zou het ons toewensen dat we het nu een plek geven om dit uit te rollen of ten minste af te wikkelen.

Ten slotte kom ik nog bij het amendement op stuk nr. 74 van mevrouw Van der Werf.

De voorzitter:
Dat is het amendement-Van der Werf op stuk nr. 75.

Minister Van Oosten:
Ja, inderdaad. Sorry. Dat gaat over aanvullende middelen voor Offlimits. Dat amendement kan ik oordeel Kamer geven, ook indachtig de discussie en het luisterend oor dat ik heb gepoogd te hebben in de richting van uw Kamer.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:
Dank u wel. Ik schors de vergadering voor een halfuur, dus tot 12.55 uur, waarna we het woord geven aan de staatssecretaris voor zijn beantwoording.

De algemene beraadslaging wordt geschorst.

De voorzitter:
De vergadering is geschorst voor de lunch tot 12.55 uur.

De vergadering wordt van 12.22 uur tot 12.57 uur geschorst.

Begroting Justitie en Veiligheid 2026

Begroting Justitie en Veiligheid 2026

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:

  • het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (VI) voor het jaar 2026 (36800-VI).

De voorzitter:
Dan is aan de orde de voortzetting van de behandeling van de begroting van Justitie en Veiligheid.

De algemene beraadslaging wordt hervat.

De voorzitter:
We zijn aanbeland bij de beantwoording van de staatssecretaris. Ook de staatssecretaris zou ik willen vragen of hij ons zou willen meenemen in de wijze waarop hij zijn beantwoording heeft gestructureerd. De staatssecretaris.

Staatssecretaris Rutte:
Laat ik maar met die formele informatie beginnen, of die procedurele informatie, moet ik eigenlijk zeggen. Ik heb een wat algemenere inleiding, maar dan kom ik uiteindelijk met wat omwegen bij vier blokjes. Ik ga het hebben over de capaciteit bij de Dienst Justitiële Inrichtingen en over het voortgezet crimineel handelen in detentie. Dat is het blokje gevangenis, zeg maar. Dan heb ik een blokje over huiselijk geweld en kindermishandeling, inclusief femicide. Ik heb een blok over toegang tot het recht, en dan — u raadt het al — de overige onderwerpen.

De voorzitter:
Gaat uw gang.

Staatssecretaris Rutte:
Voorzitter. Ook ik bedank de Kamerleden graag eerst voor hun bijdragen in de eerste termijn, in het bijzonder mevrouw Abdi, mevrouw Straatman en mevrouw Schilder voor hun maidenspeeches. De minister zei al dat die maidenspeeches divers waren in de benadering van de onderwerpen waar we het over hebben. Tegelijkertijd kwamen ze allemaal vanuit het hart en persoonlijke ervaring. Ik geloof erin dat politiek ook zo bedreven moet worden: vanuit je eigen overtuigingen, vanuit je eigen ideologie, maar wel met hart voor de zaak en voor waar wij hier allemaal voor staan, want wij moeten met elkaar proberen dit land elke dag een beetje mooier en veiliger te maken.

Ik kreeg hele mooie woorden van de minister over de prettige samenwerking die wij hebben. U denkt misschien dat het een beetje klef wordt, maar ik moet eerlijk toegeven dat we een mooie tijd hebben gehad, ook al is en was het maar kort. Het is echt heel bijzonder om als oud-Kamercollega's in omgedraaide vorm als bewindspersonen terug te mogen komen op de onderwerpen waar we het vandaag over hebben en om hier vandaag met jullie de begroting te mogen bespreken. Dat is bijzonder en ik dank de minister voor de prettige samenwerking.

Voorzitter. Mevrouw Abdi had het over het terugvinden van haar stem. Ik denk dat dat gelukt is. Overigens heeft bijna iedereen zichzelf gisteren goed laten horen. Dat is belangrijk. Als we het hebben over "stem" en "geluid": ik ga u vandaag meenemen in het gedachtegoed van wijlen Johnny Cash. Dat is een artiest die ik eigenlijk al sinds mijn jonge jaren bewonder. Als student ging het mij om de eenvoud, zijn indringende stemgeluid en zijn ritme. Ik vond het intrigerend dat hij optrad in Folsom Prison en in San Quentin. Ik was student strafrecht, met speciale aandacht voor criminologie en penitentiair recht. U kunt zich voorstellen dat dit destijds mijn aandacht trok. Maar later, in mijn tijd als Kamerlid, als strategisch adviseur in de zorg en nu ook als staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, kwamen daar zijn rake teksten bij en zijn oproep om anderen te zien, om maatschappelijk betrokken te zijn en verantwoordelijkheid te delen. Dat voel ik en dat drijft ook mij.

Die oproepen deed Cash altijd in een zwart pak, stemmig zwart voor al die mensen die niet gezien werden. Hij kwam op voor de vergeten mens, van native Americans tot de gevangenen. Vandaag draag ik om die reden ook zwart. Dat leidde wel tot een reactie van mijn chauffeur, die vandaag zei: "Dat staat je eigenlijk niet; liever een blauw pak." Maar ja, ik had het al beloofd. Vandaag ben ik dus in het zwart: voor het overgrote deel van de gedetineerden dat nu aan het oog van de samenleving onttrokken wordt maar dat straks wel weer een plek in diezelfde samenleving moet vinden, voor de grote zorgen die er zijn over de capaciteit binnen de gevangenissen, voor alle vrouwen en kinderen die dagelijks nog steeds gevaar lopen en voor de rechtzoekenden die de weg in ons rechtsbestel nu nog niet vinden. Cash deed een appel op de samenleving. Gemeenschapszin en solidariteit beginnen volgens hem niet in de instituties, maar in de menselijke nabijheid: oog hebben voor de mensen in je eigen omgeving en voor het algemeen belang en iemand helpen daar waar dat kan.

Ex-gedetineerden hebben niet alleen een re-integratieplan nodig om weg te komen van een criminele lifestyle, maar ook een plek om weer te kunnen wonen en werken, met vaak nieuwe buren en een nieuwe werkgever. Dat vraagt iets van ons, hoe lastig dat soms ook is. En vrouwen hebben niet alleen politie nodig voor een melding, maar juist ook anderen, met wie zij samen 's nachts kunnen fietsen, of buren die aan de bel trekken als dat nodig is. Mensen met een conflict hebben niet alleen laagdrempelige toegang tot het recht nodig, maar juist ook een huurbaas of een gemeente met wie zij een probleem onderling kunnen oplossen. Een samenleving die op tijd ziet wie dreigt te ontsporen, wie gevaar loopt of wie hulp nodig heeft, maakt het mogelijk dat de overheid haar werk vervolgens beter, sneller en menselijker kan doen.

Cash deed ook een appel op de overheid. Ik doe dat hier ook: op overheden en op ons als wetgevende macht. Om de samenleving haar rol te kunnen laten pakken, moeten wij haar immers die ruimte bieden. Dat doe je niet per se altijd met nieuwe wetgeving, nieuw beleid of nieuwe regelgeving. Voor elk probleem een nieuw loket: dat is vaak onze reflex, met als risico dat mensen overspoeld raken met ingewikkelde regelingen en dat de overheid overvraagd en overbelast wordt. Waar dat kan moeten we wetgeving, beleid en uitvoering eenvoudiger maken. Daarom doe ik een appel op ons om met minder regels meer ruimte te creëren waarin we al die mensen kunnen blijven helpen die er zelf niet uit komen.

Voorzitter. Mijn portefeuille verlangt een overheid die een speelveld creëert waarin mensen zich kunnen ontplooien en hun recht kunnen halen, en die een vrijheid creëert die ervoor zorgt dat mensen zich veilig kunnen voelen en dat de rechtsstaat kan functioneren, en die enerzijds oog heeft voor slachtoffers en anderzijds daders straft. Ik zie dat niet los van de eigen verantwoordelijkheid van mensen om iets van hun leven te maken. Zo zijn gedetineerden uiteindelijk zelf verantwoordelijk voor hun terugkeer in de samenleving. Het is een balanceeract tussen een overheid die nabij is en een overheid die afstand houdt. Cash zong dat hij zijn zwarte pak aanhield 'til things are brighter, dus totdat de dingen lichter worden. Ik vraag uw Kamer niet om in het zwart gekleed te gaan — sommigen doen dat wel; dat mag natuurlijk maar ik schrijf het u niet voor — maar wel om zich samen met het kabinet te blijven inzetten voor alle mensen die hunkeren naar lichtere tijden.

Dat gezegd hebbende, ga ik over naar de onderwerpen die ik zonet opnoemde. Ik ga beginnen met de capaciteit van de Dienst Justitiële Inrichtingen en voortgezet crimineel handelen in detentie. Daarna komt huiselijk geweld en kindermishandeling, vervolgens toegang tot het recht en ten slotte de overige onderwerpen.

De heer Ellian (VVD):
Sorry, voorzitter, ik vind eigenlijk dat je bij een inleiding niet moet interrumperen, maar de staatssecretaris zegt iets wat mij echt even puzzelt. Het lijkt namelijk alsof de staatssecretaris zegt: gedetineerden die in code zwart zitten hebben het heel zwaar. Oké, maar als je geen strafbaar feit had gepleegd had je daar niet gezeten. Maar ik sloeg ook even aan op het volgende. Deze staatssecretaris en ik vinden toch dat sommige gedetineerden nooit meer vrij moeten komen en ook nooit meer terug hoeven te komen?

Staatssecretaris Rutte:
Ja, dat deel ik met de heer Ellian. Er is een grote diversiteit aan gedetineerden. Dat gaat van mensen die een licht delict hebben gepleegd of mensen die misschien een verstandelijke beperking hebben en toch vastzitten tot en met de allerzwaarste en gevaarlijkste criminelen, die wij trakteren op het zwaarste regime dat we hebben. Of die dan helemaal nooit meer vrijkomen? Van mij mag het, maar er schijnt soms helaas toch een eind aan te kunnen zitten. Maar in de basis moet ik dat verschil absoluut maken. Dit geldt dus niet voor iedereen, maar het overgrote deel van de gedetineerden komt uiteindelijk wel weer terug in de maatschappij. Ik zal daar zo nog wat over zeggen.

De heer Emiel van Dijk (PVV):
Ik vind het toch wel een beetje een raar verhaal. De staatssecretaris is in het zwart gekleed, want och, al die arme gedetineerden hebben te lijden onder code zwart. Op welke manier dan? Is het omdat ze twee weken eerder naar huis mogen? Doelt u daarop? Ik begrijp het niet. Als er iemand te lijden heeft onder deze code zwart zijn het de mensen in de samenleving, die weer worden blootgesteld aan gevaarlijke criminelen die vast horen te zitten of die niet opgespoord worden.

Staatssecretaris Rutte:
Zoals de heer Van Dijk het nu zegt, heb ik het niet gezegd en ook zeker niet bedoeld. Ik maak mij zorgen over code zwart in het gevangeniswezen, juist omdat ik vind dat mensen die een straf hebben gekregen, die straf ook fatsoenlijk moeten uitzitten en wij mensen nu gewoon eerder vrij dreigen te moeten laten. Dat is het zwarte deel. De andere kant van het zwart heeft ermee te maken dat gedetineerden ook weer terugkeren in de maatschappij, maar net zo hard weer terugkomen in de gevangenis als we dat niet fatsoenlijk regelen. Daar ga ik zo wat meer over vertellen. Beide is dus waar, maar die twee moeten we niet met elkaar verknopen. Het is niet zo dat ik mij zorgen maak over arme gevangenen in de gevangenis omdat ze eerder naar huis mogen. Die cirkel zou ik zo niet rond willen maken.

Voorzitter. Ik wil graag beginnen met een groot compliment voor de medewerkers van de DJI en van tbs-klinieken. Zij doen fantastisch werk onder soms onmogelijke omstandigheden. Zij zijn het sluitstuk van onze veiligheidsaanpak en zij verdienen echt alle lof. Die onmogelijke omstandigheden komen onder andere door de bomvolle gevangenissen. De term "code zwart" is gisteren meerdere keren gevallen. Zoals ik zonet al zei, draag ik ook om die reden een zwart pak. We hebben pijnlijke maatregelen moeten nemen. We roepen minder zelfmelders op en we laten gedetineerden met een straf van maximaal één jaar wanneer dat nodig is onder voorwaarden maximaal twee weken eerder vrij. Ondanks deze maatregelen blijft de bezetting in de reguliere gevangenissen voor mannen boven de 99%. Dit komt onder andere doordat gedetineerden langere straffen uitzitten, er meer dan 250 tbs-patiënten in de gevangenis op hun behandeling wachten en er 40 jongvolwassenen in een reguliere gevangenis zitten.

Ik heb mijn ministerie daarom in kaart laten brengen — dat is ook gebeurd — wat er moet en wat er kan. We hebben dat ding de menukaart genoemd. Die heeft u vlak voor kerst ontvangen. Wat mij betreft, staat daarin één ding bovenaan: we moeten allereerst aan de slag met het achterstallige onderhoud van de instellingen. Als we dat niet doen, komen we in steeds grotere problemen. Daarnaast staan er ook uitbreidingen gepland, zoals een nieuwe jeugdinrichting in Harreveld. Ook zijn er in het afgelopen jaar extra meerpersoonscellen gecreëerd. Gedetineerden worden hierin geplaatst, tenzij dat volgens de directeur van de vestiging niet mogelijk is. Gedetineerden beslissen dit dus niet zelf, zoals mevrouw Schilder veronderstelde.

Dankzij de amendementen van de heren Ellian en Sneller is er incidenteel geld vrijgekomen om tijdelijk extra capaciteit te realiseren. Er komen bovendien ongeveer 200 tbs-plekken bij en wij maken het voor particuliere tbs-klinieken aantrekkelijker om uit te breiden en meer bedden beschikbaar te houden voor de forensische zorg. Om de instroom van tbs-patiënten te beperken en de uitstroom te bevorderen werk ik samen met mijn collega's van VWS aan de Werkagenda Verbeteren van de aansluiting tussen de forensische zorg en reguliere zorg.

Tegenover al deze plannen staat echter een groot personeelstekort. We moeten ons dus ook niet rijk rekenen. Zo is de vorig jaar geopende jeugdinrichting De Haven door gebrek aan personeel nog steeds niet volledig operationeel. Daarom kijk ik hoe en waar het schaarse personeel het beste kan worden ingezet. Daarnaast kijk ik naar betere doorstroom binnen instellingen. Een tbs-behandeling verloopt altijd in twee fases. Naarmate de behandeling vordert, kan in sommige gevallen de zorg naar een lager beveiligingsniveau. Hiermee spelen we naar verwachting 50 plekken op het hoogste beveiligingsniveau vrij.

Ik ben ervan overtuigd dat we ook meer op deze manier naar het reguliere gevangeniswezen moeten kijken. We schalen op wanneer iemand naar een zwaarder regime moet. De heer Ellian gaf dat net al aan. De zwaarste criminelen horen thuis in het zwaarste regime. We schalen af wanneer iemand naar een lichter regime kan. In dat laatste geval spelen we plekken vrij in een zwaarder regime en bereiden we gedetineerden beter voor op een veilige terugkeer in de samenleving. Daar hoort bij dat al tijdens detentie wordt gewerkt aan het voorkomen dat gedetineerden na hun straf terugvallen in crimineel gedrag. Ik vind dat we daarbij ook oog moeten hebben voor de behoeftes en kwetsbaarheden van specifieke doelgroepen. Zo kan een licht verstandelijke beperking iemands gedrag beïnvloeden en de kans op recidive vergroten. Helaas zitten er erg veel mensen met een licht verstandelijke beperking bij ons in de gevangenissen. Dat vraagt om een specifieke begeleiding tijdens detentie, maar het vraagt ook iets van de zorg en van de samenleving. Als we meer aandacht hebben voor deze mensen en hun een eerlijkere kans geven om hun leven te beteren, wordt Nederland veiliger.

Ik noem een paar harde cijfers die onderstrepen waarom het zo belangrijk is dat we met z'n allen werken aan een veilige terugkeer van gedetineerden. Ook de reclassering kan daardoor haar werk beter doen, want net zoals de heer Sneller erken ik de maatschappelijke meerwaarde van het reclasseringswerk. Jaarlijks hebben we 23.000 ex-gedetineerden. 47% van de volwassen personen die tussen 2010 en 2019 uitstroomden kwam binnen twee jaar weer met justitie in aanraking. 27% kwam binnen twee jaar weer in detentie terecht. Het gaat echt om duizenden cellen. Wat is de reden dat zo veel mensen weer in de fout gaan? Daar bestaat geen eenduidig antwoord op. Het simpelste om te zeggen is dat ze iets doen wat niet mag. Dat is ook zo en dat moeten we dan ook afstraffen. Dat is ook zo. Laten we dus eens kijken naar de meeste recente Recidivemonitor. Ik wil een paar relevante cijfers noemen. Een groot deel van de gedetineerden heeft zowel voor als na detentie problemen met de basisvoorwaarden om mee te kunnen draaien in onze samenleving. 80% heeft geen dagbesteding, zoals werk of een opleiding. 80%! 30% heeft geen inkomen uit werk, uitkering of pensioen. 60% heeft problematische schulden.

In mijn inleiding noemde ik al dat ex-gedetineerden ook werk nodig hebben om weg te kunnen komen van hun criminele leefstijl. Ik doe hier dus een oproep aan alle werkgevers in Nederland: hoe lastig het misschien ook lijkt, geef ex-gedetineerden een kans! Doet u het niet voor hen, doet u het dan voor een veiliger Nederland. Om ook de aankomende jaren straffen ten uitvoer te kunnen leggen en recht te doen aan de belangen van slachtoffers, medewerkers van DJI, de samenleving en gedetineerden is nú het moment om breder te kijken naar het capaciteitsprobleem.

Aan de andere kant is er voortgezet crimineel handelen in detentie. Dat is een ander vraagstuk. Door de succesvolle aanpak van georganiseerde criminaliteit zitten er steeds meer hoogrisicogedetineerden in onze gevangenissen. Als zij voldoen aan bepaalde criteria, worden zij geplaatst in een Afdeling Intensief Toezicht of in de extra beveiligde inrichting, de AIT of de ebi. Dankzij een motie van de heren Ellian en Wilders krijgt de ebi dit jaar nog twaalf extra plekken. Daarnaast gelden sinds 1 november van vorig jaar de nieuwe maatregelen uit de Penitentiaire beginselenwet voor de gedetineerden in de ebi en de AIT's. Kort gezegd betekent dit minimale communicatie en maximaal toezicht voor een betere bescherming van de samenleving, van gevangenispersoneel en van advocaten.

De geuite zorgen van de advocatuur hebben mijn volle aandacht. DJI en de orde van advocaten zijn met elkaar in gesprek over de precieze uitvoering van de maatregelen en de zorgen van de advocatuur. DJI voert in het eerste kwartaal van dit jaar intern een audit uit op het visueel toezicht. Daarnaast wordt ook een onafhankelijke partij gevraagd hierop een audit uit te voeren.

Contrabande in gevangenissen is mij een doorn in het oog. We moeten telefoons kunnen opsporen voordat ze een gedetineerde bereiken. Ook hier wordt flink in geïnvesteerd. Dankzij een motie van de heer Ellian zijn er verscherpte controles om contrabande in gevangenissen te weren en op te sporen en komt er een nieuwe taskforce, die in het tweede kwartaal operationeel is. Ik weet dat dat nog steeds niet snel genoeg is voor de heer Ellian. Ik doe er alles aan om dit moment naar voren te halen. Daarnaast investeer ik in nieuwe techniek om de beveiliging in en om de penitentiaire instellingen te versterken.

Daarmee beëindig ik het blokje gevangeniswezen. Ik zie mensen opstaan.

Mevrouw Straatman (CDA):
Ik heb een korte vraag in het kader van de capaciteitsproblemen. Ik was benieuwd of er nog actualiteiten zijn rondom het justitieel complex in Vlissingen. Een tijdje terug waren er allerlei discussies en problemen rondom stroomvoorziening. De vraag is: liggen ze nog op koers om in 2030 open te gaan?

Staatssecretaris Rutte:
Voor zover ik weet, ligt men nog steeds op koers. Daar wordt vol op ingezet.

Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):
Ik ben blij dat de staatssecretaris begon over de menukaart. Kan de staatssecretaris aan de slachtoffers en de samenleving uitleggen dat veroordeelde criminelen eerder vrijkomen door een cellentekort, terwijl dat tekort aan cellen mede wordt veroorzaakt doordat de één stamppot wil eten en de ander couscous?

Staatssecretaris Rutte:
Ik vind het slecht uit te leggen, eigenlijk helemaal niet uit te leggen, dat mensen eerder vrijkomen en dus niet hun hele straf uitzitten, maar ik geloof niet dat dat te maken heeft met de eetvoorkeuren van de gedetineerden.

Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):
Maar in uw beantwoording heeft u wel gezegd dat daar rekening mee wordt gehouden.

Staatssecretaris Rutte:
Dat gaat over het vraagstuk of mensen op een eenpersoonscel of een meerpersoonscel komen. Het vraagstuk of iemand op een eenpersoons- of meerpersoonscel komt, hangt niet af van de voedingsvoorkeuren. Maar wie met wie op een cel terechtkomt, kan wel daarmee te maken hebben; rokers bij elkaar, niet-rokers bij elkaar. Maar iemand kan niet zeggen: ik eet graag couscous, dus zet mij maar alleen op een cel. Zo werkt het niet.

Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Ik wil graag aan de staatssecretaris vragen om een reactie op de stakingen die gaande zijn in de p.i.'s. Ik ben benieuwd naar zijn reactie daarop.

Staatssecretaris Rutte:
De zorg voor de medewerkers van DJI … Ik maak me gewoon zorgen over hoe zij hun werk doen in omstandigheden die buitengewoon ingewikkeld zijn. Daar hoort salariëring dan ook nog een keer bij. Dat is een sluitstuk van hoe je als werkgever met je werknemers omgaat. Onder die enorme druk, met een bezetting van 99%, nemen ook die zorgen toe van medewerkers over hoe zij hun werk moeten doen en de omstandigheden waarin dat gebeurt. Dat moet ik me aantrekken en daar heb ik ook oog voor. Als het gaat om de cao-onderhandelingen, dan heb ik daar als staatssecretaris van Justitie helaas nul invloed op. De medewerkers van DJI vallen onder de cao Rijk. De onderhandelingen voor die cao lopen via het ministerie van Binnenlandse Zaken.

Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Heeft de staatssecretaris nog gesprekken gevoerd met zijn collega? Ik kan me voorstellen dat u zegt "het gaat me heel erg aan", maar heeft u gesprekken gevoerd met uw collega over die cao-onderhandelingen en wat u kunt betekenen voor die gevangenismedewerkers?

Staatssecretaris Rutte:
Nee. Ik heb vorig jaar wel, mede op instigatie van de heer Van Nispen van de SP, de medewerkers van DJI een eenmalige tegemoetkoming gegeven, €500 netto. Die financiële ruimte was er en heb ik ook benut. De cao-onderhandelingen zelf laat ik echt aan de minister van Binnenlandse Zaken, die daarin het brede palet aan belangen vanuit het hele Rijk zal moeten wegen.

Mevrouw Dobbe (SP):
Ik snap dat antwoord, maar ik vind het ook zeer onbevredigend. Ik vind het ook te makkelijk. Deze staatssecretaris gaat natuurlijk wel over de veiligheid in de gevangenissen, over de capaciteit die er is binnen de gevangenissen. Om dan net te doen alsof het personeel daar geen factor in is en de facto dus ook de acties die het personeel nu voert … Zij zeggen: het is code zwart in de gevangenissen bij ons werk. Ze lopen met bosjes weg en over naar private beveiliging. Ik vind het te makkelijk. Ik zou toch de staatssecretaris hier willen oproepen om te zeggen: ik steun deze actievoerders en snap waarom ze actievoeren en ik ga me ervoor inzetten dat zij gewoon een fatsoenlijke beloning krijgen.

Staatssecretaris Rutte:
Volgens mij ben ik mijn betoog bij dit onderdeel, het gevangeniswezen, begonnen met het uitspreken van mijn enorme waardering voor de medewerkers van DJI. Dat is niet voor niks. Ik heb vele werkbezoeken afgelegd in de korte periode dat ik staatssecretaris ben. Ik ben diep onder de indruk van hun professionaliteit, maar hoor ook hun verhalen over hoe zwaar het soms kan zijn en wat ze voor de kiezen krijgen. Ik hoor ook veel over hun liefde voor het vak. Dus het is dat alles bij elkaar. Zonder hen geen gevangenissen. Bij elke keuze die wij maken rondom het gevangeniswezen moet de veiligheid van medewerkers vooropstaan. Mensen moeten veilig en goed hun werk kunnen doen. Op de beloning heb ik eerlijk gezegd geen invloed. Ik sta niet als onderhandelaar aan tafel. Elke toezegging die ik daarover doe, heeft hier dus helemaal geen waarde. Daarom doe ik dat ook niet; dat is me te makkelijk. Maar laat duidelijk zijn dat ik absoluut achter deze medewerkers sta. Er komen ook weleens maatregelen en suggesties mijn kant op om a, b, c of d in het gevangeniswezen te doen. Als die naar mijn inschatting de veiligheid van medewerkers in gevaar brengen, doen we die dus ook niet.

Mevrouw Dobbe (SP):
Maar als de staatssecretaris zegt achter deze medewerkers te staan, dan hoort hij daar acties aan te verbinden. Dan hoort hij daarbij ook te zeggen: ik ga mij inzetten voor de eisen die dit belangrijke personeel neerlegt en die nodig zijn om hun werk te blijven doen. Want zij kunnen geen brood kopen en de koelkast niet vullen met woorden van waardering of met liefde voor het vak. Ziet de staatssecretaris dat ook?

Staatssecretaris Rutte:
Ik heb vorig jaar gedaan wat ik kon binnen de marges die er waren en me hardgemaakt voor een eenmalige uitkering voor medewerkers. Dat vond ik toen ook terecht. Voor de rest lopen de cao-onderhandelingen nu. De uitkomst daarvan kennen we niet. Daar wil ik het voor nu bij laten.

De voorzitter:
Tot slot.

Mevrouw Dobbe (SP):
Dan zou ik de staatssecretaris, die verantwoordelijk is voor de veiligheid in de gevangenissen, graag willen vragen wat hij denkt dat er gaat gebeuren op het moment dat het personeel zegt: het is code zwart. Wat gaat er gebeuren met de capaciteit van onze gevangenissen als ze weglopen van het vak dat ze met zoveel liefde doen omdat het gewoon niet meer kan en ze elders wel genoeg verdienen om de koelkast te kunnen vullen? Daar moeten wij hier dan ook rekening mee gaan houden, want het heeft natuurlijk ook gevolgen. Of denkt de staatssecretaris dat dit zonder gevolgen blijft?

Staatssecretaris Rutte:
Het hele pakket van arbeidsvoorwaarden en de omstandigheden waarin mensen hun werk moeten doen, is van groot belang. Daarvan is de salariëring een onderdeel, maar veel belangrijker is dat je je werk goed en veilig kunt doen, dat je prettige collega's hebt en dat je goed wordt begeleid, met alles wat daarbij hoort. Van mijn kant neem ik de verantwoordelijkheid om te zorgen dat we het gevangenissysteem niet nog verder overbelasten, simpelweg omdat dit niet kan en niet veilig is. Daar ligt mijn verantwoordelijkheid. Met de maatregelen die we nemen, moeten we datgene doen wat de gedetineerden veilig kan houden, maar bovenal de medewerkers. Over het salaris ga ik simpelweg niet. Iedereen kan mij daarop bevragen, maar ik ga er niet over, zoals ik ook niet ga over de salariëring van de medewerkers bij de Belastingdienst, die onder dezelfde cao vallen. Dat is echt aan de minister van Binnenlandse Zaken. De begroting Binnenlandse Zaken is volgende week.

De heer Ellian (VVD):
De staatssecretaris is ook Kamerlid geweest. Hij weet dat je als Kamerlid informatie nodig hebt om uiteindelijk het beleid van de regering te kunnen controleren, bijvoorbeeld of moties worden uitgevoerd.

Staatssecretaris Rutte:
Zeker.

De heer Ellian (VVD):
Wat vindt de staatssecretaris dan van het volgende? Ik heb gevraagd om de groepsindeling van de extra beveiligde inrichting. Mij wordt aangegeven dat het de veiligheid van de samenleving in gevaar zou brengen, terwijl dit Kamerlid ook geïnformeerd wordt over counterdronemaatregelen en staatssteun aan een bepaald bedrijf, bijvoorbeeld in de Defensiecommissie. Dat heeft dezelfde vertrouwelijkheidsclassificatie. Begrijpt de staatssecretaris dat ik op deze manier mijn werk niet kan doen?

Staatssecretaris Rutte:
Deze vraag heeft de heer Ellian vele keren gesteld. Inderdaad, aan de ene kant is het antwoord dat het de staatsveiligheid raakt. Daar sta ik ook voor. Soms kun je daar met een workaround in vertrouwelijke briefings nog omheen. Maar in dit geval raakt het ook, ook al vinden we dat niet leuk, aan privacygevoelige factoren. De optelsom van beide leidt ertoe dat ik die informatie niet kan geven.

De heer Ellian (VVD):
Genoteerd. De bewindspersoon vindt de privacy van deze zware criminelen, die dood en verderf zaaien, dus zwaarder wegen dan mijn controlerende taak. Fine, want ik heb de groepsindeling gevonden. Maar dit is voor rekening van de staatssecretaris.

Staatssecretaris Rutte:
Voorzitter, ik heb wel een klein persoonlijk feit.

De voorzitter:
Meneer de staatssecretaris, de heer Ellian is aan het woord.

De heer Ellian (VVD):
Ik heb de groepsindeling dus gevonden en ik heb vorig jaar een breed aangenomen motie ingediend om er alsjeblieft voor te zorgen dat deze gedetineerden niet met elkaar kunnen overleggen in de extra beveiligde inrichting.

De voorzitter:
Uw vraag?

De heer Ellian (VVD):
Vindt de staatssecretaris dat aan deze motie is voldaan?

Staatssecretaris Rutte:
Ten eerste de vraag of ik de privacy als belangrijker weeg dan de controlerende taak van de heer Ellian. Dat is natuurlijk niet zo. Ik heb mij aan wet- en regelgeving te houden. Op basis daarvan kom ik tot mijn conclusie. Daar vind ik persoonlijk van alles van, maar wat ik vind, doet hier niet ter zake. Ik heb hier gewoon te staan als bewindspersoon en handel op basis daarvan. Dan de vraag over de motie van de heer Ellian. Ook daarover hebben we vaker van gedachten gewisseld. Dan komen we terug bij een antwoord dat hem niet bevredigt, namelijk dat het uitgangspunt een individueel programma is en dat er op basis van een risicoweging wordt bekeken of sommigen wel of niet incidenteel met elkaar kunnen recreëren, onder andere op basis van wettelijke regelingen en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Maar er wordt continu gekeken en gewogen of dat kan, of dat veilig is en of de internationale veiligheid daarbij in het geding is.

De voorzitter:
Tot slot, meneer Ellian.

De heer Ellian (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Ik vind overigens dat u prettig voorzit. Dat mogen we ook eens zeggen.

De voorzitter:
Dank u wel.

De heer Ellian (VVD):
Ik zeg dit voor eigen rekening, want de staatssecretaris gaat het niet zeggen. Dit is voor de mensen die luisteren, want ik weet dat er geïnteresseerden meeluisteren. Ik heb de groepsindeling hier voor me liggen; die heb ik gekregen. Voor zover ik zie, zijn er wel degelijk groepjes. De minister van Justitie zit hier ook bij, dus ik vraag hem ook even te luisteren. Er zijn twee grote netwerken in Nederland: die van Bolle Jos en van Ridouan Taghi. De meeste kopstukken daarvan zitten in een extra beveiligde inrichting. Je kunt toch niet de stelling innemen dat het ongevaarlijk is dat zij met elkaar kunnen praten? In Italië is het uitgangspunt dat binnen een clan of familie in detentie nooit contact mogelijk mag zijn. Waarom doen jullie niet gewoon wat ik vraag namens de VVD, in het belang van de staatsveiligheid?

Staatssecretaris Rutte:
Het blijft ongemakkelijk om hierop te antwoorden. Die groepsindeling, waarvan de heer Ellian zegt dat hij die heeft — dat zal ongetwijfeld zo zijn — heb ik niet. Ik vind dat we dit moeten overlaten aan de instanties die de veiligheid wegen. Zij benadrukken iedere keer opnieuw dat er alleen contact kan zijn als de veiligheidssituatie dat toelaat, en daarop moet ik hen vertrouwen.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ik begrijp goed wat collega Ellian zegt, ook over het aanpakken van deze georganiseerde maffiabendes, maar ik heb een andere vraag. Ik steun hem dus wel. Ik maak me te veel zorgen over hoe het nu gaat. Terug naar code zwart, waar de staatssecretaris ook uiting aan geeft in zijn kleding. Ik vind het mooi dat een bewindspersoon laat zien dat de situatie en wat medewerkers daardoor meemaken hem ook pijn doen. Ik vraag me af op welk moment de staatssecretaris voor ogen heeft dat we van code zwart af zijn.

Staatssecretaris Rutte:
De uitdagingen in het gevangeniswezen zijn buitengewoon omvangrijk en complex. Ik heb niet voor niks laten uitzoeken welke opties er allemaal op tafel liggen en aan welke knoppen we allemaal kunnen draaien. Dat is geland in een ambtelijke verkenning — die heeft u wellicht ook gezien — met een heel pakket aan mogelijke maatregelen. De betrokken ambtenaren hebben daarin een drietal scenario's geschetst.

Het eerste scenario gaat uit van een hele forse investering in gebouwen. Als we dat scenario zouden volgen, wat kan en waar ook wel wat voor te zeggen valt, mits we de middelen hebben, duurt het nog steeds lang voordat we weer voldoende capaciteit hebben. Het tweede scenario is meer een mengvorm. Ieder scenario begint overigens met de renovatie van bestaande gevangenissen; dat duurt ook lang, maar het moet gebeuren. Dat proces is al in gang gezet.

Dan heb je nog een aantal andere knoppen waar je aan kunt draaien, maar dat moet wel politiek gewogen worden. Zo is een penitentiair programma waarmee gedetineerden iets eerder vrijkomen, maar wel gemonitord worden met bijvoorbeeld een enkelband, op dit moment, binnen de wettelijke kaders, niet zomaar morgen mogelijk, maar het zou wellicht wel sneller kunnen als onderdeel van het pakket. Dat is ook geen oplossing voor 100%. Er zitten dingen bij die veel geld kosten en lang duren, en dingen die misschien iets voordeliger zijn, maar wel veel politieke besluitvorming en steun vragen. Ik heb het niet morgen opgelost, maar ik denk wel dat alle opties nu op tafel liggen. Het is aan de politiek en het nieuwe kabinet, dat hopelijk op korte termijn aantreedt, om hierin keuzes te maken.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Deze staatssecretaris heeft zich in een korte termijn enorm snel ingewerkt op dit dossier. Ik spreek mijn waardering daarvoor uit. Het is geen makkelijke klus. Ik denk dat hij wel een gerechtvaardigde inschatting kan maken binnen welke bandbreedte we het probleem van code zwart weer naar een behapbaar scenario kunnen krijgen. Wat is zijn inschatting daarvan?

Staatssecretaris Rutte:
Dat is een lastige vraag. Het is bijna een quizvraag; ik kan die vraag niet helemaal beantwoorden, want het hangt van de keuzes af. Ik geef een voorbeeld waarbij ik deels afhankelijk ben van dingen die ik niet helemaal in de hand heb. Dankzij de middelen die de heren Sneller en Ellian hebben vrijgemaakt, is er ruimte gekomen om met een bajesboot, een gevangenisboot, een behoorlijke verlichting te kunnen geven op de druk in het gevangeniswezen. Het is vooralsnog niet gelukt om in ons land een aanlegplaats voor die boot te vinden. Ik leg het hier maar even neer. Ook dat vraagt om bestuurlijke moed. Daar wordt hard aan gewerkt en hard aan getrokken, maar die boot is er nog steeds niet. Als dat een halfjaar geleden al was gelukt, toen er middelen waren, dan was die boot nu ongeveer operationeel geweest. Je moet hem eerst aanleggen en zo; dat kost een hoop tijd. Zelfs de incidentele dingen die je kunt doen, vragen elders weer bestuurlijke moed van mensen die de stap vooruitzetten en zeggen: dit gaan we doen. Zelfs dat is taai en lastig, maar het zou wel helpen als dat soort stappen worden gezet. Die optie ligt er dus nog. Die zou zeker helpen, ook gezien de renovatieopdracht die er ligt. Je zult dan waarschijnlijk nog steeds aanvullend een aantal andere maatregelen moeten nemen. Dat moet dan hier politiek plaatsvinden. Het gaat nog wel op z'n minst een jaar knellen, ook als alles op zijn plek valt; houd daar rekening mee.

De voorzitter:
Tot slot.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Dan hoop ik dat de staatssecretaris meerdere zwarte pakken heeft, totdat we er echt vanaf zijn. Mijn grotere zorg — dat is een veel grotere zorg — is eigenlijk dat we dit al jarenlang zeggen tegen het ministerie van Justitie. Ik weet nog dat we de nieuwe wet aannamen waarin we zeiden dat we anders omgaan met de gevangeniscapaciteit, ook al wisten we dat mensen daardoor langer zouden moeten zitten en minder snel in vrijheid zouden worden gesteld. Dat kan een terecht politieke wens zijn.

De voorzitter:
En uw vraag?

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ik heb die wet gesteund, maar wel met de gedachte: dan moet er ook geïnvesteerd worden in die gevangenissen. Ziet de staatssecretaris dat we ons op dat punt telkens laten verrassen door de harde realiteit? Dat zou vreemd zijn, omdat dit vooruitdenkend allemaal uit te tekenen valt. Zou hij de Kamer in ieder geval willen doen toekomen op welk moment gevangenissen gerenoveerd moeten worden? Het is volstrekt logisch dat dat vraagt om extra capaciteit, want het is volstrekt logisch dat als je een gevangenis in de jaren tachtig bouwt, die in 2025 niet meer voldoet. Hetzelfde geldt voor de jaren negentig enzovoort.

Staatssecretaris Rutte:
Het overzicht van wat wanneer gerenoveerd moet worden, is ongetwijfeld te realiseren. Ik laat dat dus opstellen. Ik heb dat niet meteen in de tweede termijn al beschikbaar, maar dat komt er wat mij betreft nog aan.

Het andere punt dat mevrouw Bikker maakt, is zeer terecht. In de analyse in de menukaart staat ook uitgebreid beschreven hoe wij hier hebben kunnen komen. Dat raakt ons als gezichten van het ministerie, maar ook de Kamer. Executie zit aan het eind van de strafketen. Het is geen uniek Nederlands fenomeen, nog los van de operatie die we tot ongeveer tien jaar geleden hebben gehad om gevangenissen te sluiten omdat ze voor een groot deel leeg stonden. Dat zal niet hebben geholpen. Ik weet niet of we dat nu weer zouden doen. Bijna elk Europees land worstelt hiermee.

Het tweede is dat het aan het einde van de keten zit. We nemen hier vaak beslissingen aan het begin van de keten. Denk aan meer blauw op straat, meer opsporingscapaciteit en het opsporen van criminele netwerken. Daar zijn we enthousiast over, maar de vraag wat dat betekent als dat een succes wordt, stellen wij ons politiek te weinig. Ik denk — dat zou mijn advies zijn, maar ik sta hier als bewindspersoon, dus ik kan niet te veel adviseren — dat het wel verstandig is om die vraag meteen mee te nemen als je aan de voorkant dingen doet. Onze succesvolle opsporing van criminele netwerken, zoals van de heer T., die nu in de ebi zit, en zijn kompanen, doet bijvoorbeeld echt heel veel met de gevangeniscapaciteit. Je pakt dan meer boeven en zwaardere boeven op, met langere straffen. Die verstoren de capaciteit verreweg het meest.

De heer Struijs (50PLUS):
Een phrase uit de song San Quentin was ook: San Quentin, I hate every inch of it. Dat is maar goed ook, want vergelding hoort daar ook bij. Dat was toen in een hele andere context dezelfde discussie als we hier nu ook hebben. Ook ik ben een jong en enthousiast Kamerlid, maar ik loop wel wat langer mee. Mijn vraag aan de staatssecretaris is toch, als ik door de brei heen kijk van het gevangeniswezen en alle maatregelen, of er voldoende wordt gedaan — dat is ook een onderdeel van code zwart — om het personeel te beschermen en weerbaar te maken. Zijn er voldoende aanspreekpunten op het moment dat zij iets constateren, bijvoorbeeld bedreigingen in hun vrije tijd om toch criminele handelingen die worden voortgezet toe te laten et cetera?

Staatssecretaris Rutte:
De heer Struijs raakt aan een terecht punt van zorg. In gevangenissen zitten voor een deel hele enge mensen die ook hele nare dingen voorhebben en er belang bij hebben om bijvoorbeeld contrabande een gevangenis in te krijgen. Die kunnen daarvoor medewerkers onder druk zetten. Ik vind het cruciaal — daar moeten we pal voor staan — dat die signalen worden gezien door de leiding in gevangenissen en dat ook de politie daarvoor openstaat. Dat is dus wel een punt van aandacht. Als de heer Struijs denkt dat dat beter en anders kan, dan denken we daar graag over mee. Het is namelijk absoluut een punt van zorg.

De heer Struijs (50PLUS):
Hier kom ik zeker op terug, dank u.

De heer Ellian (VVD):
Het lijkt nu net alsof de staatssecretaris net zei dat het pakken van die grote boeven — ik kijk dan ook maar weer even de minister van Justitie aan — de capaciteit dermate verstoort. Ik moet lachen, maar dat is niet omdat ik het grappig vind. Ik mag toch hopen dat het uitgangspunt nog steeds is dat bij elke grote boef die we vangen, inclusief de hele familie, de vlag uitgaat en we die ebi vullen. Ik hoop toch dat dat nog steeds het uitgangspunt is.

Staatssecretaris Rutte:
Als daaraan getwijfeld zou worden door de heer Ellian, heb ik mij heel verkeerd uitgedrukt. Ik denk dat de heer Ellian ook snapt dat we die grote boeven willen pakken en dat ze, laat ik zeggen, een speciale behandeling krijgen in de ebi of AIT. Dat is nodig ook, maar dat is de minst efficiënte manier om iemand op te sluiten en dat heeft een enorme impact op de capaciteit. Het is alleen niet voor niks dat we het aantal ebi-plekken uitbreiden, want we verwelkomen de zware boeven met liefde in ons gevangeniswezen. Het heeft alleen wel impact.

De heer Ellian (VVD):
Ik ga even voor mijn eigen stad pleiten; ik weet niet of de vlag daar nu uit gaat. Ik heb eerder aan deze staatssecretaris gevraagd waarom nou de keuze is gemaakt voor Harreveld, terwijl het hetzelfde zou kosten als je Almere zou openen. Het had alleen 300 plekken meer opgeleverd; dan had de staatssecretaris misschien een roze of oranje das om kunnen doen. Ik kan deze keuze gewoon nog steeds niet volgen. Ik denk dat een groot deel van de Kamer ook blij zou zijn met 360 extra plekken. We kunnen het nu niet echt meer aanpassen; het is een beetje lullig dat ik dat nu zelf zeg. Gelooft de staatssecretaris echt in de juistheid van deze keuze?

Staatssecretaris Rutte:
De keuze is gemaakt voordat ik aantrad. Ik vind het heel lastig om daar dan in te duiken. Ik ken wel de argumenten waarom voor Harreveld is gekozen. We hebben op dit moment te veel jongeren die in het reguliere gevangeniswezen een plek bezet houden. Ik weet dat de heer Ellian zou zeggen: ja, maar dat is nog steeds niet een-op-een en het is dus efficiënter om reguliere plekken te hebben dan plekken voor jongeren. Ja, dat klopt. Aan de andere kant is Harreveld wat goedkoper dan heropening van Almere. Dat is één kant; we hadden niet voldoende middelen om heel Almere te heropenen. Het tweede argument is dat we conform internationale verplichtingen jongeren uiteindelijk niet zomaar in een reguliere gevangenis mógen laten zitten.

Als je dat bij elkaar optelt — het budget was dus niet voldoende en we moeten jongeren laten doorstromen — kan ik wel begrijpen waarom die keuze is gemaakt. Los daarvan snap ik wel het ongemak dat het ons maar niet lukt om de gevangenis in Almere te heropenen. Je zou toch denken dat dat moet kunnen. "Er staat namelijk een heel gebouw. Dat kan toch morgen open? De muren staan er nog. Alles is er nog." Ik ben er onlangs samen met de burgemeester van Almere en de mensen van DJI nog op werkbezoek geweest. Ik kom op dit moment niet verder dan het punt dat als de capaciteit kan worden uitgebreid, Almere de plek is waar we het doen. Dat blijft ook zo, maar dat is wel erg afhankelijk van het budget en dat budget zit helaas niet in deze begroting.

De voorzitter:
Staatssecretaris, de antwoorden mogen iets korter.

De heer Sneller (D66):
Mevrouw Bikker vroeg aandacht voor de Wet straffen en beschermen. De staatssecretaris zegt dat er in het begin onvoldoende rekening mee is gehouden. Ik zie dat de wet in de TNO-analyse van de capaciteitstekorten in het gevangeniswezen wel wordt meegenomen, maar in de menukaart zie je dat soort opties helemaal niet terug. Ik vroeg me af wat daar nou achter zit.

Staatssecretaris Rutte:
Dat herken ik niet. Volgens mij is de menukaart redelijk compleet qua opties die je hebt om cellencapaciteit en capaciteit in het algemeen vrij te spelen, en qua knoppen waaraan je daarvoor kunt draaien. Ik zie daarin zelf geen omissie, maar misschien kan de heer Sneller dat nader uitleggen.

De heer Sneller (D66):
Dat is de vraag aan de staatssecretaris: heeft hij nou gekeken welke wettelijke kaders er zijn waarbinnen je dat kunt doen? Of zegt hij: nee, ik heb echt alles in beeld gebracht wat er kan gebeuren om iets te doen aan de capaciteit in het gevangeniswezen, ook bijvoorbeeld het terugdraaien van de vi-aanpassing?

Staatssecretaris Rutte:
Op de menukaart staan die opties wel degelijk. Die menukaart beperkt zich niet tot het huidige wettelijke kader. Er staan dingen in die nu niet passen, zoals de eerder genoemde ruimere vi-datum. Er staan ook de marges in waarbinnen je die zou kunnen inzetten. Die marges zijn ruimer dan in de huidige praktijk. Dat wordt dus gezien als een soort extra maatregel die je zou kunnen nemen, mits je daarvoor de wet aanpast en mits je dat wilt. Daarmee zou je capaciteit kunnen vrijspelen, maar daar heb je dan wel politieke steun voor nodig. Je zult namelijk wel aanpassingen moeten doen. De opties staan er zeker in.

De voorzitter:
U continueert met de beantwoording op het punt huiselijk geweld en femicide.

Staatssecretaris Rutte:
En kindermishandeling, om het maar gezellig te houden! Maar het is niet gezellig en dat is ook de reden dat het aandacht krijgt. Voordat ik helemaal in de wereld van huiselijk geweld, kindermishandeling en femicide duik, zou ik iets willen zeggen over slachtoffers in het algemeen. De impact van een strafbaar feit kan groot zijn, en het leven van sommige slachtoffers en nabestaanden verandert hierdoor blijvend. Tijdens de Dag Herdenken Geweldslachtoffers sprak ik met slachtoffers en nabestaanden. Het werd mij duidelijk hoe zij nog jaren na het misdrijf worstelen, fysiek, psychisch en financieel. Vanuit de overheid is laagdrempelige hulp en ondersteuning op meerdere gebieden beschikbaar. Zo kunnen slachtoffers en nabestaanden gebruikmaken van kosteloze juridische en sociaal-emotionele ondersteuning door Slachtofferhulp Nederland. Die kan slachtoffers ook doorverwijzen naar specialistische hulp en ondersteuning. Alleen zijn niet alle slachtoffers bekend met dit soort beschikbare hulp. Hierin hebben we echt nog wel een slag te maken.

Voorzitter. A Minute of Shelter — vrij vertaald: een moment van beschutting — is de naam van een indrukwekkend kunstwerk op de Coolsingel in Rotterdam. Beeldend kunstenaar Narges Mohammadi vraagt met een reliëf van een badkamer in een bakstenen muur aandacht voor huiselijk geweld en femicide. Waarom een badkamer? Omdat die vaak op slot kan. Daardoor is het voor veel vrouwen en kinderen de enige plek in huis waar ze zich een beetje veilig voelen. Als vader van twee volwassen dochters raakt mij dit diep. Het is een onderwerp dat ons thuis niet loslaat. Gelet op de ruime inbreng op dit onderwerp gisteren, laat het ook de Kamer niet los. Dat was niet alleen gisteren, maar ook de afgelopen jaren. Ik zie veel mensen in de Kamer zitten die dit onderwerp keer op keer onder de aandacht brengen en er actie op willen. Dat is maar goed ook, want we hebben in Nederland een groot veiligheidsprobleem. Sinds jaar en dag staan de media bol van verhalen over huiselijk geweld, kindermishandeling en ernstig geweld tegen meisjes en vrouwen. Dit kunnen dus ook oudere vrouwen zijn, zoals de heer Struijs benadrukte. We horen verhalen die tot maatschappelijke afschuw en woede leiden. De meeste verhalen die we horen, gaan over geweld met fatale afloop. Andere verhalen horen we niet of minder vaak. Die gaan over de vrouwen en kinderen voor wie de badkamer een dagelijkse realiteit is. Dat zijn verhalen over fysiek, seksueel en psychisch geweld. Ook deze slachtoffers worden nog te weinig gezien. Huiselijk geweld is vaak geen opzichzelfstaand incident. Vaak is er sprake van een langdurig patroon van kleine en grote gebeurtenissen.

Met pilots en nieuwe maatregelen proberen we dit geweld beter aan te pakken. We kijken naar wat er wél kan en nemen belemmeringen zo veel mogelijk weg. Met Veilig Thuis, de politie, de Raad voor de Kinderbescherming, reclassering en het Openbaar Ministerie werken we aan een betere dossieropbouw in zaken waarin psychisch geweld voorkomt. Als we onderliggende patronen meer feitelijk vastleggen, kan een rechter beter tot een oordeel komen. Daarnaast kan iedere Veilig Thuis-organisatie vanaf komende maand digitaal checken of bijvoorbeeld de politie bekend is met iemand over wie Veilig Thuis een melding heeft ontvangen. Dit betreft de koppeling van signalen waaraan mevrouw Coenradie en de heer Van den Brink refereerden.

Ik weet dat er Kamerleden zijn die femicide zwaarder willen bestraffen. Ik bekijk op dit moment wat er wettelijk mogelijk is. Dat betrek ik bij de voorbereiding van het wetsvoorstel over een afzonderlijke strafbaarstelling van psychisch geweld. Daarnaast wordt momenteel in opdracht van het WODC onderzocht in hoeverre de rechtspraak femicide en genderspecifieke motieven en factoren meeweegt. Dit moet ons relevante informatie bieden over onder meer de strafoplegging in dergelijke zaken. In het wetsvoorstel dat ik zojuist noemde, neem ik ook het vervallen van het klachtvereiste voor stalking mee. Vervolging is daarmee niet langer afhankelijk van aangifte van stalking. Het Openbaar Ministerie kan dan ook uit eigen beweging besluiten om tot vervolging over te gaan. Dit wetsvoorstel gaat naar verwachting nog voor deze zomer in internetconsultatie.

Soms kan een tijdelijk huisverbod nodig zijn om bij een dreiging van huiselijk geweld in te grijpen. Mevrouw Mutluer vroeg naar de mogelijkheden om dit verbod te versterken. In een aantal grote steden verkennen gemeenten en uitvoeringsorganisaties hoe we dit middel eerder en beter kunnen inzetten. Ze kijken onder andere naar de risicotaxatie en de duur van het verbod. In dat kader onderzoek ik ook of burgemeesters aanvullende beschermingsmaatregelen kunnen opleggen om slachtoffers beter te beschermen. Denk aan een zelfstandig contact- of gebiedsverbod.

Ik heb niet het hele blokje afgesloten, maar ik kan mij voorstellen dat dit al leidt tot interrupties, voorzitter.

De voorzitter:
Duurt het blokje nog lang? Anders zou ik mij ook kunnen voorstellen dat we het even helemaal afronden en ik daarna ruimte geef voor interrupties.

Staatssecretaris Rutte:
Dit blokje duurt nog even.

De voorzitter:
Oké, dan geef ik de ruimte voor één interruptieronde.

Mevrouw Coenradie (JA21):
Ik hoor eigenlijk allemaal hartstikke mooie dingen. Ik hoor een staatssecretaris die echt aan alle kanten de urgentie hiervan voelt en deelt met de Kamer. De wetten die eraan komen, onderstrepen heel veel. Ik ben wel benieuwd of de staatssecretaris met mij de mening deelt dat de rechtspraak misschien wel hetzelfde gevoel van urgentie heeft, maar niet altijd dezelfde kennis heeft die nodig is om goed te beoordelen of er sprake is van patronen of huiselijk geweld. Is de staatssecretaris het met mij eens dat intieme terreur echt anders is dan enkel een verhaal dat je hoort van een slachtoffer of een mogelijke dader?

Staatssecretaris Rutte:
Mevrouw Coenradie raakt aan een belangrijk punt. Het is precies de reden waarom we voor al die organisaties de mogelijkheid hebben gecreëerd om informatie met elkaar te delen en aan betere dossieropbouw te doen. Als je in één keer moet beoordelen of een handeling strafbaar is, is het vaak te weinig, maar nu hebben we mogelijk gemaakt dat het in een optelsom als een patroon kan worden gezien, waardoor het alsnog strafbaar wordt. Ik kan me wel voorstellen dat het wetsvoorstel dat van de zomer in internetconsultatie gaat, daarin nog aanvullend noodzakelijk is.

Mevrouw Coenradie (JA21):
Dan heb ik tot slot een vraag. In België bestaat de mogelijkheid voor rechters — sterker nog, het is een verplichting — om hierover veel meer kennis te krijgen. Dat is in de vorm van een aanvullende cursus. Dan weet men, even los van wat ze aangeleverd krijgen: dit moet ik op deze manier beoordelen en herkennen. In hoeverre is deze staatssecretaris van mening dat dat ook voor de Nederlandse rechtspraak van toegevoegde waarde zou kunnen zijn?

Staatssecretaris Rutte:
Het is in ieder geval van grote toegevoegde waarde dat er regelmatig contact is, onder meer tussen mij — straks geldt dat voor mijn opvolger — en de rechtspraak over dit soort thema's. Dat heb ik de afgelopen maanden steeds opnieuw gedaan. Ik merkte bij de voorzitter van de Raad voor de rechtspraak dat die echt erkent: wij moeten als rechtspraak stappen zetten op dit punt. Het raakt heel veel onderdelen van de rechtspraak. Het gaat niet alleen om de strafrechter die het delict beter moet herkennen en moet kunnen beoordelen — dat begint trouwens ook al bij het OM en de politie met de dossieropbouw — maar heeft ook heel erg sterk te maken met familierechters die bij scheidingen niet altijd op het voorkomen van een vechtscheiding moeten sturen als er sprake is van intieme terreur. Ik zie dat de rechtspraak op dit moment zelf opleidingen aan het organiseren is om hier stappen in te zetten. Dit is dus een goed punt.

De voorzitter:
Tot slot.

Mevrouw Coenradie (JA21):
Tot slot complimenten aan deze staatssecretaris voor de wijze waarop dit wordt opgepakt met de rechtspraak. Ik hoop dat zijn opvolger precies hetzelfde zal doen, zodat dit elke keer weer in het vizier is bij de rechtspraak en goed wordt opgepakt.

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Dit is een belangrijk onderwerp, waarbij de Kamer eensgezind aan hetzelfde touw trekt. Gelukkig doet de staatssecretaris dat ook aan de zijde van het kabinet. Ik wil graag een vraag stellen over online stalking. Dat begint vaak — mooi dat de staatssecretaris dat zegt — met kleinere dingen die opgeteld kunnen leiden tot een contactverbod of gebiedsverbod, ook digitaal. Maar nu lezen we in de stukken van de politie dat dit heel moeilijk te handhaven is, vooral als het over anonieme accounts gaat of onder een pseudoniem gebeurt. Ik zou het allemaal niet eens precies weten. Hoe weten we nou … Hebben we alles op orde om, ook in het geval van die anonieme accounts, effectief te handhaven? Anders lijkt het op papier wel mooi, maar werkt het in de praktijk toch onvoldoende.

Staatssecretaris Rutte:
Ik ben bang dat we daar nog stappen te zetten hebben. Het is geen onwil, maar daar zal toch echt nog het een en ander moeten gebeuren. Überhaupt gaan de ontwikkelingen in de onlinewereld toch vaak sneller dan de handhaving kan optreden. Maar de wens om dit goed te doen en die werelden met elkaar te verbinden, is er zeker.

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Kan de staatssecretaris iets zeggen over de stappen die we daarin zetten? Waar hebben we het dan over? Is dat dan een verkenning naar technische mogelijkheden? Gaat het om de bevoegdheden van de politie? Kunnen we iets meer horen over de noodzakelijke stappen om dit gat in de handhaving te dichten?

Staatssecretaris Rutte:
Dat kan ongetwijfeld, maar niet nu on the spot. Dat moet ik laten uitzoeken. Daar kom ik dan wellicht in de tweede termijn op terug, en anders op korte termijn met een brief.

De voorzitter:
Tot slot.

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Als het in de tweede termijn voorhanden is, ontvang ik het graag, en anders vind ik het ook prima als het later per brief komt. We gaan over dit onderwerp ook nog op een ander moment met elkaar in gesprek. Ik heb liever een degelijke analyse dan een snelle, wil ik maar zeggen.

Staatssecretaris Rutte:
Dat was ook precies mijn punt. Ik denk dat we dit grondig moeten nalopen om te kijken wat er wel kan, waar de gaten zijn enzovoort. Dat is beter dan dat ik hier een kort antwoord geef.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Collega Michon-Derkzen noemt een volledig terecht punt. Ik kijk uit naar een uitgebreide Kamerbrief. Mijn vraag gaat over tijdelijke huisverboden. Daar begon de staatssecretaris zojuist ook mee. Ik heb ook de antwoorden gelezen die hij met ons heeft gedeeld. Volgens mij hebben wij als Kamer een hele duidelijke uitspraak gedaan, namelijk dat wij het best wel gek vinden dat vrouwen naar een blijf-van-mijn-lijfhuis moeten, in plaats van de mannen. Daarom vraag ik om het opnieuw inrichten van die tijdelijke huisverboden: langer, met rechterlijke toetsing, niet alleen bij acuut geweld, maar ook bij ernstige en voortdurende dreiging …

De voorzitter:
En uw vraag?

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
… en ook met daderhulp. Mijn vraag is, zeker gelet op de antwoorden, de volgende. Ik zie dat die pilot daar niet helemaal in voorziet. Vandaar dat wij verder gaan dan de pilots bij deze gemeenten. Onderschrijft deze staatssecretaris dit en ondersteunt hij ook de oproep vanuit de Kamer hieromtrent?

Staatssecretaris Rutte:
Het belang van die tijdelijke huisverboden, die moeten voorkomen dat het slachtoffer uit huis gaat, onderschrijf ik echt volledig. Het is wel een bestuurlijke en juridische puzzel om dat op een goede manier te doen. Je hebt een moedige burgemeester nodig. Ik weet dat mijn buurman hier, toen hij burgemeester was, dit soort middelen ook weleens inzette. Het zijn bestuursrechtelijke middelen die je inzet, waarbij je daarna eigenlijk wil dat er naadloos strafrechtelijke maatregelen op aansluiten. Dat vraagt wat. Het is niet voor niks dat we het een en ander nu in pilots aan het beproeven zijn. Wat kan wel, wat kan niet? Wat kan de toets van de rechter doorstaan en wat niet? Wat mij betreft is dat stevig en robuust, maar we ontkomen er toch niet aan om te kijken hoe die wettelijke kaders op elkaar aansluiten. Dat kost wel tijd, en dat kost een pilot.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Ik heb natuurlijk ook geluisterd naar het veld en daarmee contact opgenomen. Volgens mij zijn de eerste signalen van wat beter kan als het gaat om tijdelijke huisverboden vrij helder. Je hoeft niet te wachten tot begin 2027. Sterker nog, ga de wensen meenemen — voor mijn part doe je dat in die pilots — die wij hebben uitgesproken over de verlenging, over dat het sneller moet, over de scope ten aanzien van tijdelijke huisverboden uitbreiden. Is de staatssecretaris dat met mij eens?

Staatssecretaris Rutte:
Mevrouw Mutluer en ik delen volledig het belang van het robuust en stevig maken van het tijdelijk huisverbod om ervoor te zorgen dat we daarmee vrouwen goed kunnen beschermen. Er zullen bij de pilots zeker partijen zijn die zeggen dat het beter en mooier kan, maar we hebben ook gemeenten waarin dit nog weinig voorstelt en er niet wordt opgetreden. We hebben het stap voor stap verkennen hoe het wel kan, hoe we dit robuust kunnen maken en hoe we ervoor zorgen dat dit overal gebeurt, echt nodig. De vragen die mevrouw Mutluer daarover stelt, wil ik daar ook graag op tafel laten leggen. Absoluut. Ik ben voor elke stap die we kunnen zetten om het beter en scherper te doen. Tegelijkertijd moeten we de gemeenten die daarin achterlopen niet kwijtraken, want dan krijgen we een hele rare wereld waarin je in de ene gemeente wel veilig bent en in de andere niet. Ik heb het daar zo in het blokje met betrekking tot het slachtofferdevice ook nog over.

De voorzitter:
Tot slot.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Tot slot, voorzitter. We moeten niet lichtzinnig omgaan met de veiligheid van slachtoffers. Sterker nog, we moeten vaart zetten achter de bescherming van deze mensen. Wij gaan een stevige motie indienen ten aanzien van het tijdelijk huisverbod, want wat ons betreft wordt dit instrument zo breed mogelijk toegepast. Ik hoop en verwacht dat deze minister zijn voorganger, of dat straks nou een hij of een zij is … Ik moet "opvolger" zeggen, hè?

Staatssecretaris Rutte:
Ja. Een voorganger heb ik al gehad.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
De voorganger heeft u al gehad.

Staatssecretaris Rutte:
Die zit er nog.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Ik moet opschieten, dus dat helpt niet. Voorzitter, excuses. Ik ga door. Ik hoop dat de opvolger van deze staatssecretaris uiteindelijk met de nodige terugkoppeling komt en dat we eerder dan begin januari 2027 het goede bericht ontvangen dat het tijdelijke huisverbod wordt uitgebreid, ook voor daders die niet thuis wonen, maar er incidenteel komen. Ik hoop ook dat er voor die dader hulp geregeld wordt, want dat is echt broodnodig.

Staatssecretaris Rutte:
Ik zie de motie tegemoet. Ik heb een positieve grondhouding. We zijn in ieder geval een langer huisverbod aan het onderzoeken. Ik kan dat van harte steunen.

Mevrouw Dobbe (SP):
Bij veiligheid van slachtoffers en vrouwen hoort ook het kunnen halen van recht door vrouwen. In de context van deze discussie halen mijn collega's volgens mij hele terechte punten aan. Ik zou de staatssecretaris willen vragen of hij in deze context van het voorkomen van huiselijk geweld, geweld tegen vrouwen, seksueel geweld en femicide, het belang van de vrouwenrechtswinkels ziet. Die zijn hierin gespecialiseerd. Die zien juist vaker dit soort vrouwen, omdat die laagdrempeliger zijn en vrouwen daar gewoon sneller naartoe gaan.

Staatssecretaris Rutte:
Ik zou daar in het laatste blokje nog op teruggekomen zijn, maar ik wil daar ook nu wel wat over zeggen. Ja, dat belang zie ik. Ik zou onlangs ook op werkbezoek in Utrecht gaan om een van die vrouwenrechtswinkels te bezoeken, maar ijzel, sneeuw en de dreiging van een instortend dak hielden mij tegen. Ik zie dus absoluut het belang ervan; daar lag niet het aan.

Mevrouw Dobbe (SP):
Die dreiging van een instortend dak roept dan weer allerlei andere vragen op, maar daar zal ik niet op ingaan.

Staatssecretaris Rutte:
Dat had meer met sneeuw te maken dan met het dak zelf, denk ik.

Mevrouw Dobbe (SP):
Ik hoop dat dat niet heel ernstig was en dat iedereen dat overleefd heeft. De staatssecretaris ziet het belang. Ik heb de beantwoording van de staatssecretaris gezien. Ik vind die eerlijk gezegd te makkelijk. Het is op dit moment best wel moeilijk om die vrouwenrechtswinkel een plek te geven binnen het huidige rechtssysteem. Ook vrouwenrechtswinkels kampen met wankele financiering, waardoor de continuïteit telkens onder druk staat. Volgens mij is het ook in Utrecht zo dat ze continu moeten kijken of ze nog kunnen doorwerken, terwijl het juist zo belangrijk en succesvol is.

De voorzitter:
Uw vraag?

Mevrouw Dobbe (SP):
Ik wil de staatssecretaris oproepen om daar toch wat steviger in te zijn en te zeggen: dit borgen we echt als onderdeel van het beleid, zodat we ook kunnen bekijken hoe we dit kunnen stimuleren en waarborgen.

Staatssecretaris Rutte:
Ik kan daar geen keiharde toezegging over doen, maar zoals mevrouw Dobbe weet, hebben wij niet voor niets mevrouw Lilian Marijnissen gevraagd om een soort nationale verkenning te doen van dit soort vormen van ondersteuning en het belang daarvan. Ik kom daar zo op terug. Het gaat om juridische en semi-juridische ondersteuning die net niet direct in het juridisch veld ligt, maar daar vlak naast. Die verkenning is niet vrijblijvend. Die doen we natuurlijk ook om te zien wat het nou oplevert, waarom het goed is en hoe we dit een robuustere plek kunnen geven binnen het hele bestel. Maar ik kom daar zo meteen nog wel op terug.

De voorzitter:
Ja, mevrouw Dobbe, u mag interrumperen, maar de staatssecretaris komt erop terug, dus heel kort dan.

Mevrouw Dobbe (SP):
Ja, ik heb natuurlijk wel bewust … Ik dacht dat al dat hij later in de beantwoording op de vrouwenrechtswinkels zou terugkomen, maar ik wil die juist in de context van dit stukje van het debat noemen, want als we het hebben over vrouwen als slachtoffers en ook als we het hebben over een debat over het voorkomen van huiselijk geweld en geweld tegen vrouwen, zijn die toch ook wel van belang. Ik vind dat het ook in deze context benoemd moet worden. Ik heb er uiteraard alle vertrouwen in dat Lilian Marijnissen haar werk ontzettend goed gaat doen en dat er een heel gedegen stuk komt, maar dat ontslaat de staatssecretaris er natuurlijk niet van om nu al te zeggen: we hebben nu dit beleid en we gaan dit ook zo borgen, omdat we dit belangrijk vinden. Zo weten we dat ook voor de toekomst.

Staatssecretaris Rutte:
Daar heb ik net een ander antwoord op gegeven. Daar moeten we het voor nu even mee doen.

De heer Struijs (50PLUS):
Ik heb een beetje een basale vraag. Ik ben namelijk enorm geschrokken van het feit dat steeds meer minderjarigen dader zijn bij huiselijk geweld. Recent was er nog een voorbeeld van iemand van 14 jaar die van een alleenstaande moeder zijn sneakers niet kreeg en haar in elkaar sloeg. Uiteindelijk werd dit na een heel lang traject en na meldingen van buitenaf bekend. Mijn basale vraag aan de staatssecretaris is of er voldoende zicht op is. Is er bij alle maatregelen en goede voornemens die we hier hebben, waarvoor veel dank, ook door de bril gekeken van de minderjarige als dader van huiselijk geweld, of moeten wij daar als Kamer of u als staatssecretaris meer aan gaan doen?

Staatssecretaris Rutte:
Ik denk dat de heer Struijs gelijk heeft dat dit een onderbelicht punt is. Wij denken toch vooral aan volwassen mannen die hun partner en kinderen mishandelen. Het is zeker mogelijk dat ook jongeren dat doen. We zien überhaupt dat gewelddadige criminaliteit onder jongeren toeneemt. Ik denk dus dat het goed is dat de heer Struijs hier aandacht op blijft vestigen en dat ook het ministerie die aandacht ervoor houdt.

De heer Struijs (50PLUS):
Ik proef uit dit antwoord ook dat de staatssecretaris de Kamer hierin gaat helpen met alle verkenningen die nu uitstaan.

Staatssecretaris Rutte:
Laten we ook dit onderwerp niet uit het oog verliezen.

De voorzitter:
De heer Diederik van Dijk. Daarna vervolgt de staatssecretaris zijn beantwoording.

De heer Diederik van Dijk (SGP):
Ik doe de interruptie wel met een heel klein beetje schroom. We hebben het uitgebreid over huiselijk geweld en over geweld tegen vrouwen. Dat is volkomen terecht; daar doe ik geen millimeter aan af. Tegelijkertijd kan je daardoor het gevaar lopen dat je bepaalde groepen onderbelicht. Ik pakte even de factsheets van het ministerie van VWS erbij. Bij 40% van het huiselijk geweld is er sprake van mannenmishandeling. 80.000 mannen per jaar worden ernstig mishandeld in huiselijke kring. Daar zit ook een heel taboe omheen et cetera. Het mag absoluut niet ten koste gaan van welke andere groep dan ook, maar krijgt dit ook de aandacht?

Staatssecretaris Rutte:
Ik vind dat we wat dat betreft geen onderscheid mogen maken. Als er sprake is van huiselijk geweld, moeten we daar serieus naar kijken. Ik denk niet dat het voor niks is dat de focus toch vaak op vrouwen wordt gelegd. Ik hoor de heer Van Dijk ook zeggen: laten we daar niet van wegkijken. Maar zeker kan er ook wel degelijk sprake zijn van geweld tegen mannen, ook huiselijk. De schroom die de heer Van Dijk voelt om dit punt aan te raken, wordt ook bij die mannen gevoeld. Die zouden we wel weg moeten nemen. Ook zij moeten veilig kunnen zijn.

De heer Diederik van Dijk (SGP):
Heel kort. Dank voor deze mooie reactie. De staatssecretaris heeft de nodige stukken aangekondigd om de Kamer op de hoogte te houden. Ik kan me dus voorstellen dat ook mannenmishandeling daar een onderdeel van kan zijn.

Staatssecretaris Rutte:
Ja. Als de heer Van Dijk dat wenst, dan zorg ik dat binnen huiselijk geweld ook dit thema voldoende aandacht krijgt.

De voorzitter:
De staatssecretaris vervolgt zijn beantwoording. Eventuele zaken die in de vragen al aan de orde zijn gekomen, kunnen natuurlijk achterwege worden gelaten.

Staatssecretaris Rutte:
Ja, die probeer ik over te slaan, zeker.

De voorzitter:
Gaat uw gang.

Staatssecretaris Rutte:
Dit is wel een punt dat ik specifiek wil uitlichten, waar in het verleden veel over gesproken is en dat niet uit het zicht mag raken, namelijk het slachtofferdevice als extra bescherming tegen stalking of dwingende controle. Dat willen we steeds verder uitbreiden. Ik wil daar wat langer bij stilstaan, omdat hier heel veel samenkomt. Kort gezegd kan een dader bij een door de rechter opgelegd contact- en locatieverbod een elektronische enkelband krijgen die gekoppeld is aan een slachtofferdevice dat het slachtoffer bij zich draagt. Komt de verdachte of dader te dicht in de buurt van een slachtoffer, thuis, maar ook op het werk, bij de school of waar het slachtoffer zich ook bevindt, dan waarschuwt de meldkamer van de reclassering het slachtoffer en kan zij — misschien is het ook wel een hij, moet ik tegen de heer Van Dijk zeggen — zich in veiligheid brengen. Maar wat als een vrouw die afhankelijk is van dit device wil verhuizen naar een regio waar deze bescherming niet of nog niet is georganiseerd? Dan maar niet verhuizen of niet meer in vrijheid over straat kunnen? Daarom vind ik dat dit device in heel Nederland beschikbaar moet komen. Dat gebeurt al wel gefaseerd. De ontwikkeling is op zich dus positief. Vier regio's werken inmiddels met het device. Een aantal regio's start nog begin dit jaar. Om het device landelijk te verspreiden zijn we afhankelijk van de samenwerking van meerdere partijen in een regio. Naast de reclassering gaat het dan ook om de organisaties die het slachtoffer begeleiden. We voeren het gesprek hierover met zowel de VNG en gemeenten als vrouwenopvangorganisaties om tot een voorstel te komen voor landelijke invoering. Want uiteindelijk zijn gemeenten verantwoordelijk voor het organiseren van de broodnodige hulp en maken zij eigenstandige keuzes, maar bij dezen doe ik de uitdrukkelijke oproep aan gemeenten om de handen ineen te slaan voor een landelijke invoering.

De voorzitter:
Bent u daarmee aan het einde gekomen van dit blokje?

Staatssecretaris Rutte:
Bijna, nog niet helemaal. Ik maak het nog even af.

Hiernaast noem ik ook nog de publiekscampagne over dwingende controle, die er dit jaar, net als vorig jaar, ook weer komt. Johnny Cash zong er al over: de overheid komt vaak pas na het signaal vanuit de samenleving. Oog hebben voor gevaarlijke spanning achter voordeuren, voor isolement, angst en dwingende controle, kan levens redden. Familie, vrienden en buren kunnen de rode vlaggen herkennen. De overheid moet er alleen wel voor zorgen dat zij de rode vlaggen kennen en weten wat ze moeten doen. Hier hebben we nog een wereld te winnen. Met wetgeving, maatregelen en preventie pakken we het grote probleem van huiselijk geweld, kindermishandeling en femicide breed aan. Dit vraagt om overzicht en een goede samenhang in beleid en uitvoering. Ik ben daarom blij dat het kabinet heeft ingestemd met een nationaal coördinator geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, zoals aangekondigd door mijn collega van Langdurige en Maatschappelijke Zorg. Daarmee kom ik bij het eind van dit blokje.

De voorzitter:
Ik inventariseer de interrupties die er zijn op dit punt. Dat zijn er twee, van mevrouw Coenradie en mevrouw Mutluer. Mevrouw Coenradie.

Mevrouw Coenradie (JA21):
Ik weet nu al dat er in de ministerskamer een beetje gegniffeld gaat worden bij deze vraag, maar ik — de hele Kamer, denk ik — zou heel graag een tijdpad willen zien voor de uitrol van dat slachtofferdevice. Het antwoord dat het een samenwerking is tussen allerlei instanties is mij bekend. Tegelijkertijd zijn de vraag en de urgentie zo enorm groot. Kan de staatssecretaris de toezegging doen dat dat meegenomen wordt in een eerstvolgende brief en dat er ook echt haast gemaakt wordt met de verdere uitrol hiervan?

Staatssecretaris Rutte:
Mevrouw Coenradie weet precies hoe het zit. Ik kan in kaart brengen waar het al is. Ik kan in kaart brengen welke regio's gaan beginnen. Dan wordt ook automatisch in kaart gebracht waar het nog niet is. Dat is bijna een vorm van naming-and-shaming. Ik hoop dat dat an sich er al toe leidt dat andere regio's die laatste stap ook zetten. Ik kan niet inschatten wanneer ze die laatste stap precies gaan zetten, dus dat hele tijdpad kan ik niet geven. Een overzicht van welke regio's het al doen en bij welke het op de planning staat: dat deel kan waarschijnlijk wel. Maar ik heb er helaas geen invloed op wie het nog niet doet.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Welke extra inspanning mag ik dan verwachten van deze staatssecretaris, nu hij er nog zit, of van zijn opvolger? Dit is namelijk ook een financieel vraagstuk. Via een amendement hebben we eerder 10 miljoen ter beschikking gesteld voor femicide. Kan dit opgelost worden met die financiële middelen van destijds, zodat de landelijke uitrol sneller tot stand wordt gebracht?

Staatssecretaris Rutte:
Het feit dat veel regio's al wel gebruikmaken van het slachtofferdevice laat zien dat het gewoon kan. Het heeft te maken met lokale keuzes: hoe organiseren wij lokaal het veilig houden van vrouwen, de opvang van vrouwen en het slachtofferdevice? Ik vind het vooral belangrijk dat we uitstralen dat als het in Rotterdam en in Noord-Nederland kan, het ook in elke andere regio mogelijk moet zijn. Dan moet het ook mogelijk zijn om deze middelen te vinden. Het gaat niet om activiteiten die heel erg duur zijn. Het moet vooral georganiseerd worden.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Dan heb ik ook behoefte aan dat overzicht, overigens ook financieel, voor zover dat speelt. Ik verwacht dus dat deze staatssecretaris daarmee komt.

Staatssecretaris Rutte:
Ik heb geen idee of ik dat financieel inzicht kan geven, want het gaat uiteindelijk om keuzes die gemeenten maken. Ik kan niet overal de gemeentebegroting op de kop zetten. Ik kan wel inzichtelijk maken wie het nog niet doet en ik kan ook inzichtelijk maken wie het wel doet. Dan zult u zien dat de diversiteit groot is. Ik vind dat elke gemeente dit uiteindelijk zou moeten doen. Dat hoort gewoon bij de taak die een gemeente heeft om vrouwen veilig te houden.

De voorzitter:
Tot slot.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Ik verzoek de staatssecretaris om niet alleen inzichtelijk te maken wie wel iets doet en wat ze doen, maar tevens inzichtelijk te maken waarom ze dingen niet doen. Daar kan een financiële reden achter zitten, en die wil ik inzichtelijk hebben. Wat betreft de nationaal coördinator verwacht ik ook dat als het eenmaal zover is, we ook geïnformeerd worden over het mandaat en de herijking van het nationale actieplan. Wellicht is het dan ook leuk om de nieuwe coördinator in deze Kamer te ontmoeten.

Staatssecretaris Rutte:
Dat laatste laat ik aan de Kamer. Op dit moment wordt gewerkt aan het profiel en zal er geworven gaan worden. De taken en opvattingen over hetgeen deze nationaal coördinator moet gaan doen, stonden al eerder in de brief die door de staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg is gestuurd, dus op zich is dat bekend. Maar ik kan me heel goed voorstellen dat de Kamer deze coördinator straks wil uitnodigen. Het is een belangrijke functionaris, absoluut.

De voorzitter:
De staatssecretaris vervolgt zijn beantwoording. Ik wijs de leden erop dat er in tweede termijn een gezamenlijke spreektijd is van één uur. U zal daarin ongetwijfeld moties gaan indienen, die moeten kunnen rekenen op een appreciatie. Daar zal voor geschorst moeten worden. Daar wilt u ongetwijfeld ook nog een vervolgvraag over stellen. Ik zou de staatssecretaris dus willen vragen om de beantwoording kort en bondig te doen en de leden om terughoudendheid te betrachten bij interrupties.

Staatssecretaris Rutte:
Voorzitter. Ik ga over tot de toegang tot het recht. Nederland is een sterke democratische rechtsstaat — de heer Sneller had het erover, maar ook anderen hebben het erover gehad wat dit betekent — die veiligheid biedt en zijn mensen beschermt. De overheid spant zich iedere dag in om de beloften van de rechtsstaat voor alle mensen waar te maken. Maar de overheid kan dit niet alleen. Mensen zelf en de samenleving als geheel zijn medeverantwoordelijk voor een goed functionerende rechtsstaat. In mijn inleiding noemde ik al de waarde van oog hebben voor het algemeen belang en iemand helpen waar dat kan.

In ieders leven kunnen zich juridische problemen voordoen, van een ruzie met de buren over een overhangende boom of een miskoop via Marktplaats tot een dreigend ontslag. Als buren, collega's of zakenrelaties kunnen we bepaalde problemen prima zelf oplossen: onderling dankzij lokale buurtbemiddeling of door gebruik te maken van een rechtsbijstandsverzekering. Lukt dit niet, dan moet de deur van het recht openstaan voor iedereen, ongeacht achtergrond, woonplaats of inhoud van de portemonnee. Daar hebben we als maatschappij baat bij. Elke dag werken we met alle betrokken beroepsgroepen, overheden en organisaties aan een goede toegang tot het recht. Centraal staat hierbij steeds de vraag waar de individuele rechtzoekende het meeste mee geholpen is. Waar het voor de een nodig is om het geschil voor te leggen aan de rechter of een geschillencommissie, vindt een ander de oplossing bijvoorbeeld in een mediationtraject of een betalingsregeling.

In mijn brief van 11 december 2025 staan de maatregelen die we nemen om de toegang tot het recht te versterken. De maatregelen waarvoor geen inkomensgrens geldt zijn voor alle rechtzoekenden in Nederland beschikbaar. Ik vind het belangrijk om dat te zeggen. We hebben vaak het idee dat allerhande regelingen alleen beschikbaar zijn voor mensen met een hele kleine beurs. Dat is niet altijd zo. Ze zijn er bijvoorbeeld ook voor mensen met een laag middeninkomen. Ik heb echter de indruk dat zij dit vaak niet weten. Een betere bekendheid met de maatregelen bij ook deze doelgroep kan soms ingewikkelde of kostbare procedures voorkomen en de druk op de rechtspraak verlagen.

Ik licht er een paar uit, zoals de versterking van het Juridisch Loket. Met extra middelen uit het regeerakkoord zorgen we voor een coördinerende rol van het Juridisch Loket om op lokaal en regionaal niveau samenwerking aan te gaan, bijvoorbeeld met sociaal raadslieden, zodat de rechtszoekenden sneller en effectiever hulp krijgen. Laagdrempelige toegang tot het recht is niet voor iedereen vanzelfsprekend; mevrouw Abdi haalde dit gisteren ook al aan. Voor veel mensen is het al lastig te herkennen dat ze een juridisch probleem hebben. Vervolgens is het lastig om het juiste loket te vinden. Een loket ligt soms wel op anderhalf uur reizen afstand of is maar op één ochtend in de week open. Vaak behandelen ze maar een deel van het probleem en is doorverwijzing nodig. U begrijpt dat we een landelijk dekkend netwerk van sociale, juridische en financiële hulp voor iedereen nodig hebben. Er zijn al wel initiatieven op dit vlak, zoals in Noord- en Midden-Limburg. Daar werken het Juridisch Loket, een aantal gemeenten en sociaal-juridische dienstverleners al heel mooi regionaal samen. Dat is nog niet genoeg. Daarom heeft mijn ambtsvoorganger aan kwartiermaker Lilian Marijnissen gevraagd om begin 2027 concrete voorstellen te doen om tot dat landelijk dekkende netwerk te komen. Ik kan mevrouw Dobbe melden dat mevrouw Marijnissen momenteel intensief gesprekken voert met het werkveld. Ik verwacht nog voor de zomer een tussenrapportage. Ik kijk daar erg naar uit.

Per februari komt er een verhoging van het tarief van de sociaal advocaten. Hiervoor is voor 2026 15 miljoen euro nodig en vrijgemaakt. We passen onder andere de puntenaantallen aan en verhogen de bijzondere toeslagen en het basistarief per punt. Vanaf 2027 gaat er vervolgens jaarlijks 30 miljoen euro extra naar de sociale advocatuur. Een onafhankelijke onpartijdige rechtspraak is een van de pijlers van onze democratische rechtsstaat. De rechtspraak moet kunnen bouwen en vertrouwen op een stabiele financiering. Daarom investeren we structureel ongeveer 50 miljoen euro extra in de rechtspraak. Met innovatieve projecten draagt de rechtspraak bij aan het oplossen van problemen van mensen en verbetert zij de toegang tot de rechter.

Ik ga even wat versnellen, want ik zie dat de voorzitter wat haast heeft. Naar de voorbeelden moet u dus maar een andere keer vragen.

Daarmee kom ik aan het einde van mijn betoog en zou ik willen overgaan naar de amendementen. Nou heb ik wel allemaal vervangende dingen binnengekregen, maar er is eerst nog een interruptie, dus wie weet gaat me dat helpen.

De voorzitter:
Ik inventariseer de interrupties; dat doe ik één keer. Ik zie drie interrupties, allereerst van mevrouw Straatman.

Mevrouw Straatman (CDA):
Ik zal het kort houden. Je ziet capaciteitsproblemen bij de politie, omdat zij veel te maken heeft met mensen met onbegrepen gedrag. In de verhalen en in mijn eigen ervaringen bij de rechtswinkels en de juridische loketten zie ik hetzelfde probleem, namelijk dat veel capaciteit opgaat aan niet-juridische vragen. Erkent de staatssecretaris dit probleem en welke stappen worden op dat punt ondernomen, ook om de eerstelijnsrechtshulp en de sociale advocatuur te ontlasten?

Staatssecretaris Rutte:
Ik weet niets van specifieke activiteiten om op deze manier de sociale rechtshulp te ontlasten. Ik weet wel dat er activiteiten plaatsvinden om de mensen met onbegrepen gedrag inderdaad veel beter te kunnen begeleiden in de maatschappij, maar volgens mij weet mijn buurman daar nog meer van dan ik. Dat vraagt deels om zorg en ook om andere activiteiten, bijvoorbeeld bij de politie. Het is wel echt een groot punt van zorg; dat deel ik geheel met mevrouw Straatman.

Mevrouw Straatman (CDA):
Het is belangrijk dat we nu met pilots bij de politie kijken naar het combineren van zorg en veiligheid. Kunnen we dat uitbreiden? Ik weet niet of de kwartiermaker hier op dit moment ook onderzoek naar doet, maar kunnen we ook dit thema meenemen om de sociale advocatuur daadwerkelijk in brede zin te ontlasten?

Staatssecretaris Rutte:
Ik denk dat ik dat moet navragen. Ik vind het in ieder geval een interessante gedachte om dat te doen.

De heer Ellian (VVD):
Ik heb een vraag waar ik graag antwoord op zou willen in de tweede termijn. De Telegraaf bericht zojuist: "Willem Holleeder mogelijk snel weg uit EBI Vught; zorgen bij OM." Ik meen dat ik deze staatssecretaris hier in december ook over heb bevraagd. Het antwoord was: we houden het goed in de gaten en grote criminelen komen er niet uit. Ingewijden zeggen dat hij uit de ebi komt. Ik wil in de tweede termijn graag een reactie van de staatssecretaris, want deze meneer moet daar blijven. Hij is immers een gevaar voor de samenleving.

Staatssecretaris Rutte:
Dan ga ik die reactie straks geven.

De heer Emiel van Dijk (PVV):
Ik heb de staatssecretaris vandaag volgens mij een kleine drie kwartier gehoord over zijn eigen outfit. Ik heb gisteren in mijn inbreng gesproken over gevangenisuniforms. Daar heb ik de staatssecretaris daarentegen vandaag nog niet over gehoord. Desondanks heeft hij wel een mooi voorschot genomen op het patroon dat zo'n gevangenisuniform zou kunnen hebben met zijn stropdas; een mooie streep staat niet slecht. Kan de staatssecretaris nog even reflecteren op wat hij van dat idee vindt en kan hij aangeven of hij daarmee kan leven?

Staatssecretaris Rutte:
Ja. Overigens had de heer Van Dijk het gisteren volgens mij over een roze pak. Ik heb geen roze das om; dat dus nog niet. Er wordt in gevangenissen op dit moment wel degelijk gekeken naar wat mensen aan hebben. Mensen worden aangesproken op het dragen van hele dure spullen en het pronken met dure kleding. Daarvan wordt ook gezegd: draag dat niet. Dat is natuurlijk een ander vraagstuk dan zeggen: stop iedereen in een oranje of roze overall. Ik heb nog geen signalen ontvangen waaruit blijkt dat dit ook maar iets zou oplossen. Het is dus niet zozeer dat ik daar principieel iets van vind, maar dat ik denk dat we grotere en belangrijkere problemen hebben op te lossen.

De heer Emiel van Dijk (PVV):
Wij hebben die signalen wel gekregen, omdat dit inderdaad leidt tot haantjesgedrag en wordt gebruikt als statussymbool. Er is zelfs handel in en er is een hiërarchische verhouding op basis van de kleding die je wel of niet draagt. Dat werkt allemaal dus niet in het voordeel van het personeel. Ik wil de staatssecretaris dus toch vragen om hier een standpunt over in te nemen. Anders komt er straks gewoon een hele mooie motie.

Staatssecretaris Rutte:
We zijn natuurlijk dol op mooie moties, maar ik ben bereid om voor de heer Van Dijk na te laten vragen hoe dit zit en hoe dit binnen de instellingen speelt, zodat we hier in de eerstvolgende brief — we hebben regelmatig een rapportage over de stand van zaken in het gevangeniswezen — een update over kunnen geven. Dat zeg ik graag toe.

De voorzitter:
Volgens mijn administratie heeft u vier amendementen te appreciëren.

Staatssecretaris Rutte:
Ik heb een nieuw stapeltje gekregen, waarop alles is hernummerd. Laten we maar hopen dat het klopt. Als ik de weg kwijtraak, geleidt u mij daar hopelijk goed doorheen, voorzitter.

De voorzitter:
We komen er samen altijd uit.

Staatssecretaris Rutte:
We komen er altijd uit. Dan begin ik met het amendement op stuk nr. 69, dat gaat over de Stichting Geschillencommissies Consumentenzaken. Ik zou dat amendement oordeel Kamer willen geven.

De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 69: oordeel Kamer. Het amendement op stuk nr. 70.

Staatssecretaris Rutte:
Ja, dan kom ik op het amendement op stuk nr. 70. Dat moet ik helaas ontraden. Dat heeft er niet mee te maken dat het onderwerp niet belangrijk zou zijn, want gelijke beloning voor vrouwen en mannen binnen de rechterlijke macht ligt ook mij na aan het hart. Die is nogal belangrijk, maar de dekking die wordt gevonden in een verwachte onderuitputting op respectievelijk het ondermijningsbudget, het budget van artikel 34 over straf en beschermen en het budget voor sociale rechtsbijstand, is niet passend en is in strijd met de begrotingsproblematiek. Ook klopt het algemene beeld niet dat vrouwen bij de rechtspraak minder betaald zouden krijgen dan mannen die hetzelfde werk doen. Voor degenen die voor 1 juli 2023 zijn begonnen met de opleiding tot rechter of officier van justitie vormde gedurende een lange periode het laatstverdiende salaris een belangrijk uitgangspunt voor de inschaling. Dat was gebaseerd op afspraken tussen sociale partners. Op dit moment zijn over het oude inschalingsbeleid tijdens de opleiding enkele klachten in behandeling bij het College voor de Rechten van de Mens; dat is waar. Dit beleid is overigens sinds 1 juli 2023 gewijzigd. Deze zaak loopt nog. Daar kan ik verder niks over zeggen. Maar dat alles bij elkaar, dus dekking en inhoud, maakt dat ik het amendement toch moet ontraden. De Kamer zal vervolgens zelf in al haar wijsheid beslissen wat zij ermee gaat doen.

De voorzitter:
De heer Ellian, twee interrupties.

De heer Ellian (VVD):
Ja, ik heb er aan eentje genoeg, voorzitter, gelet op de tijd. Het inschalingsbeleid is toch aangepast naar aanleiding van de klachten die vrouwen terecht hebben geuit over de discriminerende effecten van dat criterium? Ik snap het dus niet. Ik snap dat de juridische aansprakelijkheid niet vaststaat, maar je kan als bewindspersoon toch niet zeggen dat er niks aan de hand was? Er was wel degelijk iets aan de hand. Dit amendement probeert daarin een — wat is het goede woord? — tegemoetkoming te regelen.

Staatssecretaris Rutte:
Nee, dat snap ik. Ik leg het graag een beetje uit. Dan komen we een beetje in de juristerij, maar dat is prima. Misschien moet dat ook wel. Er waren wel degelijk verschillen en die waren gebaseerd op het voorgaande salaris. Dus mensen kwamen uit een andere functie binnen de rechtspraak en daaruit ontstonden de verschillen, omdat voor het nieuwe salaris werd aangesloten op het oude salaris. Dat wilde niet zeggen dat dit een onderscheid was op basis van geslacht, maar in de praktijk kunnen daardoor wel verschillen zijn ontstaan. Dat is precies de zaak die nu voorligt. De rechtspraak heeft wel besloten: dit leidt tot gedoe; dit willen wij niet meer. Daar sta ik ook achter. Het speelt dus sinds die tijd niet meer. Het klopt dus dat er verschillen zijn, maar vrouwen zijn niet doelbewust lager beloond dan mannen, hoewel dat in de praktijk wel de uitwerking kon zijn van de keuzes die gemaakt zijn. Zo moeten we dat dus zien. We wachten af wat er uit die rechtszaak komt, of in elk geval uit het geschil en de beslechting daarvan.

De voorzitter:
Dan het amendement op stuk nr. 76.

Staatssecretaris Rutte:
Ja … Ik heb hier 78 staan. O, 76! Ja, verrek, die heb ik ook. Dat amendement moet ik helaas ontraden. Het gevangeniswezen staat al ruim twee jaar onder druk. Ik ben echt verheugd dat de indieners extra capaciteit bij DJI willen creëren, maar de dekking via artikel 92 krijg ik niet rond. De minister gaf zonet ook al aan dat dit artikel inmiddels zo vaak vergeven is dat het niet meer past. Daarom komen wij er niet uit qua dekking en moet ik het amendement helaas ontraden.

De voorzitter:
Tot slot.

Staatssecretaris Rutte:
Dan kom ik bij het amendement op stuk nr. 78. Ik neem aan dat dat klopt, voorzitter. Ja, dat is mooi. Dit amendement moet ik helaas ook ontraden. Ik heb hier een heel verhaal staan, maar het gaat echt om een enorm bedrag voor allemaal hele goede doelen, waarvan we de dekking op deze manier niet netjes rondkrijgen. Die dekking is echt in strijd met de scheiding van inkomsten en uitgaven. Het Belastingplan is ook al aangenomen door de Eerste Kamer en de Tweede Kamer en daarmee een feit. Daardoor krijgen we de dekking niet rond.

Voorzitter, daarmee zou ik mijn eerste termijn willen afronden.

De voorzitter:
Ik dank de staatssecretaris en de minister voor de beantwoording in eerste termijn van de zijde van het kabinet, en geef het woord aan de heer Sneller voor zijn tweede termijn namens de fractie van D66.

De heer Sneller (D66):
Een punt van orde, voorzitter. Misschien is het goed als mevrouw Mutluer namens de rapporteurs het woord krijgt en een derde van de spreektijd in eerste termijn gebruikt.

De voorzitter:
Nou, ja, het ligt eraan wat ze daarmee gaat doen. In principe is hiervoor namelijk in eerste termijn ruimte en spreektijd gegeven. Er is een uitvoerig debat geweest over het advies van de rapporteurs. Ik zou dus, gelet op de tijd, eigenlijk wel gewoon het woord aan u willen geven als eerste spreker van de zijde van de Kamer. Mevrouw Mutluer heeft ook nog een eigen termijn.

De heer Sneller (D66):
Dat is heel vriendelijk, maar aangezien mevrouw Mutluer een motie indient namens een groot deel van de commissie geef ik mijn minuut dan graag aan haar.

De voorzitter:
Ja, maar ik heb vooraf met mevrouw Mutluer afgesproken dat ze dat in haar eigen termijn doet. Het woord is nu dus echt aan de heer Sneller van D66. U heeft het woord.

De heer Sneller (D66):
Voorzitter, ik zei net: dan geef ik mijn minuut graag aan haar.

De voorzitter:
Dat kan, maar zij is verderop pas aan het woord. Ik wil vasthouden aan de sprekerslijst, meneer Sneller. Ziet u af van uw termijn? Ja, zie ik. Dan is het woord aan mevrouw Van der Werf namens de fractie van D66.

Mevrouw Van der Werf (D66):
Dank, voorzitter. Ik heb twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in de meeste gevallen van femicide en ernstig huiselijk geweld kinderen betrokken zijn;

constaterende dat deze kinderen vrijwel altijd getuige zijn van geweld, langdurig stress ervaren en slachtoffer zijn van kindermishandeling;

overwegende dat een effectieve en preventieve aanpak van femicide vraagt om vroegtijdige bescherming, ondersteuning en begeleiding van kinderen die hiermee worden geconfronteerd;

verzoekt de regering om in de (verdere) aanpak van femicide de positie van betrokken kinderen expliciet mee te nemen, en daarbij in ieder geval te bezien hoe het hoorrecht van kinderen en de positie van nabestaanden met betrekking tot omgang en gezag kan worden versterkt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van der Werf, Becker, Mutluer en Coenradie.

Zij krijgt nr. 79 (36800-VI).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat met nudify-apps en AI-chatbots met één klik deepfake-naaktbeelden van echte mensen kunnen worden gemaakt;

constaterende dat het aantal door AI gegenereerde afbeeldingen en video's van vooral vrouwen en kinderen sterk toeneemt;

overwegende dat dit diepgaande en vaak langdurige schade veroorzaakt aan de persoonlijke levenssfeer, veiligheid en menselijke waardigheid van slachtoffers;

verzoekt de regering te onderzoeken of en op welke wijze een verbod op nudify-apps en vergelijkbare AI-toepassingen die zonder toestemming seksueel expliciete deepfakes van echte personen genereren, kan worden ingevoerd,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van der Werf, Synhaeve, Michon-Derkzen, Straatman, Tijs van den Brink, Mutluer en Coenradie.

Zij krijgt nr. 80 (36800-VI).

Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Michon-Derkzen voor haar inbreng namens de VVD in tweede termijn.

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Ik wil beide bewindspersonen heel erg danken voor hun antwoorden, zowel voor de schriftelijke antwoorden als voor de toelichting hier in het debat.

Ik denk dat we in deze twee dagen debat met elkaar hebben vastgesteld wat voor ongelofelijk belangrijke onderwerpen we verder te brengen hebben binnen JenV. We maken stappen, maar er is altijd nog meer te doen. Dat geldt voor ondermijning en zeker ook voor femicide en vrouwveiligheid. Bij een aantal onderwerpen moeten we gewoon altijd aan dijkbewaking doen.

In mijn ogen is terrorisme zo'n onderwerp. Het grote gevaar is dat we terroristen binnenhalen. We moeten ze vooral buiten onze landsgrenzen laten en ervoor zorgen dat we de terroristen die hier zijn, in de gaten houden. Mijn fractie zal er altijd alles aan doen om onze nationale veiligheid te beschermen. In dat kader heb ik één motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat een aantal Nederlandse uitreizigers voor terrorisme in Syrië en Irak zijn gedetineerd;

constaterende dat niet kan worden uitgesloten dat deze terroristen de komende weken of maanden ontsnappen of worden vrijgelaten uit detentie;

van mening dat berechting van Nederlandse uitreizigers in de regio dient plaats te vinden;

overwegende dat de aanwezigheid van uitgereisde terroristen in Nederland onaanvaardbare risico's voor de nationale veiligheid met zich meebrengt;

verzoekt de regering de Kamer terstond te informeren wanneer terroristen in buitenlandse detentie uit zicht zijn of zich melden bij Nederlandse diplomatieke posten of wanneer er signalen zijn van onopgemerkte terugkeer van Nederlandse uitreizigers,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Michon-Derkzen en Diederik van Dijk.

Zij krijgt nr. 81 (36800-VI).

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Michon-Derkzen. Het woord is aan de heer Ellian voor zijn inbreng namens de VVD in tweede termijn.

De heer Ellian (VVD):
Ik heb twee moties, uiteraard over de procesafspraken, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het Openbaar Ministerie steeds vaker met grote drugscriminelen procesafspraken maakt, waaronder inmiddels met vijf grote criminelen uit het crimineel samenwerkingsverband van Ridouan Taghi;

constaterende dat grote criminelen geen informatie hoeven te verschaffen, de gepleegde strafbare feiten niet hoeven te bekennen, en een lagere straf krijgen;

overwegende dat grote criminelen door het maken van procesafspraken in een lichter gevangenisregime terechtkomen;

van mening dat lage geldboetes geen enkel nut hebben bij grote criminelen aangezien zij miljoenen verdienen met georganiseerde criminaliteit;

spreekt uit dat procesafspraken met grote criminelen onwenselijk zijn;

verzoekt de regering aan het Openbaar Ministerie met klem over te brengen dat procesafspraken met grote drugscriminelen onwenselijk zijn en geen nadere stappen in deze richting te zetten tot na de behandeling van de eerste aanvullingswet bij het nieuwe Wetboek van Strafvordering in de Tweede Kamer,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Ellian.

Zij krijgt nr. 82 (36800-VI).

De heer Ellian (VVD):
En dan uiteraard eentje over mijn eigen stad, niet omdat ik mijn eigen stad Almere, die overigens 50 jaar bestaat dit jaar, zo geweldig vind, maar omdat ik er heilig van overtuigd ben dat bijna de enige oplossing voor het capaciteitsprobleem in het gevangeniswezen het heropenen van de leegstaande bajes in Almere is.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat heropening van de Penitentiaire Inrichting Almere 360 plekken aan celcapaciteit oplevert;

verzoekt de regering om voorbereidingen te treffen die nodig zijn voor heropening zoals planvorming, het aanvragen van vergunningen en het inrichten van een projectteam,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Ellian.

Zij krijgt nr. 83 (36800-VI).

De heer Ellian (VVD):
Dan heb ik nog één vraag aan de staatssecretaris. Die gaat over die groepjes op de Afdeling Intensief Toezicht, maar ook in de extra beveiligde inrichting. Wil hij dit nog één keer nagaan en mij nog één keer proberen … Nou ja, hij gaat me niet overtuigen. Ik wil hem nog één keer ervan proberen te overtuigen dat onderling contact tussen grote criminelen levensgevaarlijk is. Ik wil hem nogmaals vragen om daar een einde aan te maken.

De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Abdi voor haar inbreng in tweede termijn namens GroenLinks-Partij van de Arbeid.

Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Dank, voorzitter. Ik heb twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat uit de eerste integrale evaluatie van de wet-Mulder blijkt dat verkeersboetes disproportioneel hoog zijn en de overheid moet stoppen met het verhogen van verkeersboetes en eerdere stijgingen moet terugdraaien;

overwegende dat kleine verkeersovertredingen in disproportionele mate belanden bij mensen met lage inkomens en al heel snel kunnen leiden tot grote financiële problemen, zonder dat daar effectieve rechtsbescherming wordt geboden;

verzoekt de regering, met het oog op de bescherming van de juridische en financiële positie van burgers, met concrete voorstellen te komen voor hoe de uitkomsten van het evaluatieonderzoek zullen worden meegenomen in het opnieuw vaststellen van de hoogte van boetes,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Abdi, Straatman, Struijs, Dobbe, Diederik van Dijk, Bikker en Coenradie.

Zij krijgt nr. 84 (36800-VI).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

van mening dat de CAO Rijk onvoldoende flexibiliteit geeft om de substantiële werkdrukverhogende omstandigheden in het gevangeniswezen mee te nemen in de arbeidsvoorwaarden voor DJI-personeel, met alle gevolgen van dien voor het behoud van DJI-personeel en het werven van nieuwe DJI-collega's;

verzoekt de regering om in goed overleg met vertegenwoordigers van het DJI-personeel te komen tot een afzonderlijke cao voor het gevangeniswezen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Abdi, El Abassi en Bikker.

Zij krijgt nr. 85 (36800-VI).

Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Dank.

De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Mutluer voor haar inbreng in tweede termijn namens GroenLinks-Partij van de Arbeid.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Dank aan de bewindspersonen. Met name dank aan de fijne geste van mijn fijne collega de heer Sneller. Ik ga heel snel voorlezen, namens ons allen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat ondanks toezeggingen aan de Kamer na de parlementaire verkenning en het vereiste verbeterplan vanuit de Algemene Rekenkamer de voortgang bij het verkorten van doorlooptijden, ketenbrede sturing en informatievoorziening achterblijft;

verzoekt de regering:

  • uiterlijk vóór het zomerreces een integraal deltaplan strafrechtketen aan de Kamer te sturen met concrete, meetbare doelstellingen, een helder tijdpad en inzicht in verantwoordelijkheden en benodigde middelen;

  • scenario's uit te werken voor de mogelijke toekomstige inzet van de aanwijzingsbevoegdheid van de minister, gericht op organisatieoverstijgende bedrijfsvoering in de strafrechtketen, en deze aan de Kamer voor te leggen;

  • te zorgen voor ketenbreed inzicht in doorlooptijden van individuele strafzaken;

  • de informatievoorziening vanuit de keten structureel te verbeteren, zodat voortgang op alle ketendoelstellingen meerjarig, actueel en goed vergelijkbaar kan worden gevolgd door de Tweede Kamer,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Mutluer, Ellian, Diederik van Dijk, Sneller, Coenradie, Straatman, Struijs, Bikker, Dobbe, Teunissen, Schilder en El Abassi.

Zij krijgt nr. 86 (36800-VI).

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Zo. Nu ga ik naar mijn eigen moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het tijdelijk huisverbod in de praktijk onvoldoende bescherming biedt bij ernstig en structureel huiselijk geweld;

verzoekt het kabinet in uitzonderlijke gevallen verlenging van het tijdelijk huisverbod tot maximaal één jaar toe te staan, met duidelijke criteria en rechterlijke toetsing, en mogelijk te maken dat het tijdelijk huisverbod ook kan worden opgelegd en verlengd bij voortdurende dreiging of intieme terreur en ernstig huiselijk geweld zonder acuut gevaar;

verzoekt het kabinet tevens om de toepassing van het tijdelijk huisverbod mogelijk te maken op plegers die niet meer in de woning verblijven maar wel een ernstig risico vormen, en het tijdelijk huisverbod te koppelen aan verplichte daderhulpverlening, met handhaving bij niet-meewerken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Mutluer, Coenradie, Van der Werf, Becker, Diederik van Dijk, Struijs en Armut.

Zij krijgt nr. 87 (36800-VI).

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Tot slot.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de implementatie van de EU-richtlijn huiselijk geweld de juridische en praktische mogelijkheden moet bieden om geweld in de privésfeer te voorkomen en te bestrijden;

van mening dat bijvoorbeeld Filomena, het Centrum voor huiselijk geweld en kindermishandeling en de Centra Seksueel Geweld onschatbare ervaring hebben opgedaan in de gewenste aanpak;

verzoekt de regering om in overleg met onder andere Filomena en decentrale overheden te onderzoeken hoe bij de implementatie van de EU-richtlijn huiselijk geweld mede kan worden voorzien in een landelijk dekkend netwerk van twaalf regio's om professionele hulp te bieden in situaties van (ex-)partnergeweld en kindermishandeling, en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Mutluer, Dobbe, Struijs, Diederik van Dijk en Coenradie.

Zij krijgt nr. 88 (36800-VI).

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Zo!

De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Mutluer. U heeft het weer voor elkaar. Het woord is aan mevrouw Van der Plas voor haar tweede termijn namens de BoerBurgerBeweging.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank u wel.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat politici, boerengezinnen en andere betrokkenen in de agrarische sector te maken hebben met strafbare feiten door dierenextremisten;

verzoekt de regering om bij de politie een landelijk meldpunt dierenextremisme in te richten en daarbij samen te werken met het Meldpunt Agro Intimidatie voor een centrale registratie en bundeling van meldingen, zodat er een samenhangende opsporings- en beschermingsaanpak kan komen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.

Zij krijgt nr. 89 (36800-VI).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat extremistische ideologieën fundamentele vrijheden onder druk zetten en bijdragen aan intimidatie, uitsluiting en ondermijning van artikel 1 van de Grondwet;

verzoekt de regering een juridische verkenning te starten naar het begrip "extremisme", inclusief de mogelijkheid dit wettelijk te verankeren als grondslag voor het optreden tegen misbruik van grondrechten om de rechten van anderen te ondermijnen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.

Zij krijgt nr. 90 (36800-VI).

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Een goed initiatief. Er loopt al een verkenning naar de definitie van "extremisme", ook omdat we dat willen weten in het kader van online. Ik weet niet of mevrouw Van der Plas daarvan op de hoogte is. Hoe verhoudt haar motie zich dan tot hetgeen er loopt? Of wil zij hiermee nog eens onderstrepen dat het goed is wat er al loopt?

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Wat er loopt is sowieso goed, maar volgens mij is er ook nog gewoon een groot grijs gebied dat we nu onder de vrijheid van meningsuiting scharen, maar dat wel degelijk onder extremisme kan worden verstaan, bijvoorbeeld een leraar die op een school aan kinderen uitlegt dat shariawetgeving eigenlijk wel heel goed is, en dat het ook heel goed is dat binnen die wetgeving je handen eraf worden gehakt als je steelt. Dan kun je zeggen dat dit valt onder de vrijheid van onderwijs, de vrijheid van religie en de vrijheid van meningsuiting, maar het zijn best wel gestoorde ideeën. Dat is eigenlijk waar ik naar vraag. We moeten nu gewoon echt gaan definiëren wat extremisme is. Er hoeft ook niet altijd strafrechtelijk te worden opgetreden. Dat kan ook via de bestuurlijke weg.

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Tot slot. Dat ben ik zeer met mevrouw Van der Plas eens. Daarom is het ook goed, wil ik maar zeggen, dat dit ook loopt. Zo weten we met elkaar wat we extremistisch vinden. Dan kun je er ook iets aan doen als je dat online tegenkomt. Daar ontbreekt het nu aan. Inhoudelijk ben ik het dus zeer eens, maar volgens mij wordt daar nu dus ook al aan gewerkt.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ja. Oké.

De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Van der Plas.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
U ook!

De voorzitter:
Dan is het woord aan mevrouw Faber voor haar inbreng in tweede termijn namens de Partij voor de Vrijheid?

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Zal ik mevrouw Faber nu een keer achter mij langs laten lopen?

De voorzitter:
Ik wilde het niet zeggen; ik wilde er niet zelf over beginnen.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik moet weg, maar ik heb nog vijf moties!

Mevrouw Faber (PVV):
Nou, be my guest. Ik ben altijd voor een paar extra moties!

De voorzitter:
Het is goed zo!

Mevrouw Van der Plas (BBB):
We staan quitte nu.

De voorzitter:
Mevrouw Faber, het gaat hier om wetgeving, dus u heeft alle tijd. Gaat uw gang.

Mevrouw Faber (PVV):
Don't push me!

Goed, de motie van de leden Faber en Wilders.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de politie partner is in het Halal Village Festival en daar nieuwe politiemensen rekruteert;

overwegende dat het Halal Village Festival een festival is met een pro-Palestijnse activistische lading, gedecoreerd met Palestijnse vlaggen en watermeloenen, hét symbool van de Palestijnse strijd;

verzoekt de regering het partnerschap met het Halal Village Festival op te zeggen en te stoppen met deelname aan dit festival,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Faber en Wilders.

Zij krijgt nr. 91 (36800-VI).

Mevrouw Faber (PVV):
Dan de motie van de leden Faber, Vondeling en Wilders.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de organisatie Islamic Relief in Duitsland is aangeduid als een verlengstuk van de Moslimbroederschap;

overwegende dat de Moslimbroederschap de samenleving wil inrichten naar de regels van de islam, inclusief de maatschappij en de politiek;

verzoekt de regering Islamic Relief te verbieden in Nederland,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Faber, Vondeling en Wilders.

Zij krijgt nr. 92 (36800-VI).

Mevrouw Faber (PVV):
Dan de motie-Faber/Wilders.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat een Frans overheidsrapport waarschuwt voor de subtiele langetermijninfiltratie van de Moslimbroederschap, met als einddoel een islamitisch rijk gebaseerd op de sharia;

verzoekt de regering de Moslimbroederschap en daaraan gelieerde organisaties in Nederland te verbieden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Faber en Wilders.

Zij krijgt nr. 93 (36800-VI).

Mevrouw Faber (PVV):
Dan heb ik een motie die ook is ondertekend door meneer Diederik van Dijk.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de politie kampt met zowel grote personeelstekorten als een tekort aan financiële middelen;

overwegende dat het niet de bedoeling is dat de belastingbetaler de dupe wordt van de extra politie-inzet bij voetbalwedstrijden terwijl het betaalde voetbal een miljoenenbusiness is;

overwegende dat in Engeland en Duitsland profclubs meebetalen aan de politie-inzet;

verzoekt de regering de betaaldvoetbalorganisaties mee te laten betalen aan de politie-inzet,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Faber en Diederik van Dijk.

Zij krijgt nr. 94 (36800-VI).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de burgemeester in het kader van de handhaving van de openbare orde beslist over de politie-inzet en de daarbij toegestane middelen;

overwegende dat het te voeren beleid niet afhankelijk mag zijn van de persoonlijke en politieke voorkeur van de burgemeester;

verzoekt de regering een eenduidig kader op te stellen, zodat er in gelijke omstandigheden sprake is van gelijke politie-inzet en middelen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Faber.

Zij krijgt nr. 95 (36800-VI).

Mevrouw Faber (PVV):
Dan de laatste motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de schaarse politiecapaciteit op een efficiënte manier dient te worden ingezet;

verzoekt de regering de politie de opdracht te geven terug te keren naar de kerntaken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Faber.

Zij krijgt nr. 96 (36800-VI).

Mevrouw Faber (PVV):
Dat was het.

De voorzitter:
Dank u wel. U heeft een interruptie van de heer El Abassi. Ik sta twee interrupties toe.

De heer El Abassi (DENK):
Ik zal de kul met betrekking tot Halal Village even overslaan. Ik wil gelijk naar Islamic Relief. Ik heb daar ook een vraag over gesteld aan de minister. Ik zou mevrouw Faber willen vragen wat Islamic Relief strafrechtelijk verkeerd heeft gedaan. Islamic Relief is nooit veroordeeld. Er is in 2020 of 2022 een individu geweest waar het Verenigd Koninkrijk kritiek op had, maar deze persoon is niet strafrechtelijk veroordeeld. Wat vindt mevrouw Faber ervan om zo keihard uit te halen naar een organisatie die niet strafrechtelijk is veroordeeld en die al door tig aantal landen strafrechtelijk is onderzocht?

Mevrouw Faber (PVV):
Meneer El Abassi heeft aangegeven dat Islamic Relief een uitvloeisel van de Verenigde Naties zou zijn. Heb ik dat goed begrepen? U hoeft alleen maar te knikken; anders kost het u een interruptie. Ja, ik zie de heer El Abassi knikken. Ik wil u er wel even op attenderen dat voormalig minister Kaag, die toch echt fan was van de Verenigde Naties, de subsidie aan deze organisatie heeft stopgezet. Nou, dat zegt wel even iets. Zij is echt een aanhanger van de Verenigde Naties. Ze is ook vrij tolerant ten opzichte van de islam. Zij heeft die subsidie gekort. Nou, dat zegt wel iets. Dan is Islamic Relief in Duitsland ook nog aangeduid als een voortvloeisel uit de Moslimbroederschap. Het Franse parlement heeft een resolutie aangenomen om de Moslimbroederschap te plaatsen op de terreurlijst. Dat lijkt me toch wel voldoende om zeer kritisch te zijn op deze organisatie.

De voorzitter:
Tot slot, meneer El Abassi.

De heer El Abassi (DENK):
Als de PVV complimenten uitdeelt aan mevrouw Kaag, dan zegt dat heel wat, vind ik. Tegelijkertijd is dat geen antwoord op mijn vraag. Ik vroeg naar de situatie waarin iemand niet strafrechtelijk veroordeeld is. Mevrouw Faber noemt Duitsland. Duitsland is een van de landen die extreem veel onderzoeken heeft verricht naar Islamic Relief. Uiteindelijk heeft het gezegd: onschuldig. Dat is dus een van de landen die Islamic Relief onschuldig heeft bevonden. Dan komt weer mijn vraag: wat vindt mevrouw Faber ervan dat zij iemand die niet strafrechtelijk veroordeeld is en tig keer door tig landen is onderzocht, wél keihard veroordeelt, terwijl mevrouw Faber zelf in een partij zit waarvan de partijleider strafrechtelijk veroordeeld is? Wat zouden we dan moeten doen met dit soort partijen, zou ik mevrouw Faber willen vragen.

Mevrouw Faber (PVV):
Ik vind die vergelijking wel erg mank gaan, want mijn partijleider is veroordeeld wegens groepsbelediging. Dat vind ik wel even iets anders dan Islamic Relief, dat ons allemaal wil onderwerpen aan de islam. Een totalitair systeem vind ik toch wel iets anders dan de heer Wilders, die toch wel de democratie onderstreept.

De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Faber. Het woord is aan de heer Emiel van Dijk voor zijn inbreng in de tweede termijn namens de Partij voor de Vrijheid.

De heer Emiel van Dijk (PVV):
Dank u wel, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat gedetineerden in Nederlandse gevangenissen het recht hebben op het dragen van eigen kleding op grond van de Penitentiaire beginselenwet;

constaterende dat het recht op eigen kleding niet gestoeld is op internationale of Europese verplichtingen;

constaterende dat gedetineerden in verschillende Europese landen een gevangenisuniform dragen;

overwegende dat het recht op eigen kleding voor hiërarchische verhoudingen zorgt, statusverschillen versterkt en diefstal in de hand werkt, wat zorgt voor conflicten en toenemende onveiligheid van gevangenispersoneel;

van mening dat de veiligheid van gevangenispersoneel te allen tijde gewaarborgd en waar mogelijk verbeterd moet worden;

verzoekt de regering met een voorstel te komen om gevangenisuniformen te introduceren en daarmee een einde te maken aan het dragen van eigen kleding in detentie,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Emiel van Dijk.

Zij krijgt nr. 97 (36800-VI).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de overgrote meerderheid van de gedetineerden momenteel vertoeft in een eenpersoonscel;

overwegende dat dit onacceptabel is zolang er een cellentekort is en gedetineerden eerder naar huis gestuurd worden;

verzoekt de regering van meerpersoonscellen definitief de norm te maken en ervoor te zorgen dat het overgrote deel van de gedetineerden in een meerpersoonscel gehuisvest zal worden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Emiel van Dijk.

Zij krijgt nr. 98 (36800-VI).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat volgens artikel 10, lid 2 van het Wetboek van Strafrecht de minimale duur van een gevangenisstraf één dag is;

constaterende dat de minimale duur van een gevangenisstraf in Duitsland één maand bedraagt;

overwegende dat zeer korte gevangenisstraffen vaak zinloos zijn en geen recht doen aan het leed van slachtoffers;

verzoekt de regering een voorstel in te dienen om de minimale duur van een gevangenisstraf, naar Duits voorbeeld, te verhogen naar één maand,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Emiel van Dijk.

Zij krijgt nr. 99 (36800-VI).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het Openbaar Ministerie momenteel altijd de vrijheid geniet om wel of niet te vervolgen;

overwegende dat er veel te vaak niet vervolgd wordt bij ernstig geweld tegen hulpverleners;

verzoekt de regering het opportuniteitsbeginsel af te schaffen bij geweld tegen hulpverleners en het Openbaar Ministerie te dwingen te vervolgen in dit soort zaken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Emiel van Dijk.

Zij krijgt nr. 100 (36800-VI).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het Openbaar Ministerie momenteel altijd de vrijheid geniet om al dan niet te vervolgen;

overwegende dat er veel te vaak niet vervolgd wordt bij gewelds- en zedenzaken;

verzoekt de regering het opportuniteitsbeginsel af te schaffen bij gewelds- en zedenzaken en het Openbaar Ministerie te dwingen te vervolgen in dit soort zaken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Emiel van Dijk.

Zij krijgt nr. 101 (36800-VI).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat veel WODC-onderzoeken uitgevoerd worden door onbekende onderzoekers;

verzoekt de regering voortaan voorafgaand aan een WODC-onderzoek de Kamer inzicht te verschaffen in de onderzoekers en hun functie, nevenfuncties, achtergrond en andere belangen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Emiel van Dijk.

Zij krijgt nr. 102 (36800-VI).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er door de overheid veel onderzoeken worden uitgevoerd waaraan hoge kosten verbonden zijn;

overwegende dat belastinggeld efficiënt uitgegeven moet worden en deze uitgaven goed gecontroleerd moeten kunnen worden;

verzoekt de regering voortaan bij alle gedane onderzoeken in het onderzoek zelf een vermelding van de gehele kostprijs van het onderzoek te voegen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Emiel van Dijk.

Zij krijgt nr. 103 (36800-VI).

De heer Emiel van Dijk (PVV):
Dank u.

De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Straatman voor haar inbreng in tweede termijn namens het CDA.

Mevrouw Straatman (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Dank u wel, minister en staatssecretaris, voor de beantwoording en voor de aardige woorden naar aanleiding van mijn maidenspeech. Ik heb één motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat bij het opleggen en innen van verkeersboetes meerdere instanties betrokken zijn, waaronder het CJIB, de politie en het Openbaar Ministerie;

constaterende dat verkeersboetes en verhogingen kunnen leiden tot schulden of bestaande schulden kunnen verergeren;

overwegende dat betere gegevensdeling tussen betrokken instanties kan helpen bij het vroegtijdig signaleren van schulden, maar dat hier een duidelijke grondslag voor ontbreekt;

verzoekt de regering te onderzoeken hoe de gegevensdeling tussen het CJIB, de politie en het Openbaar Ministerie verbeterd kan worden ten behoeve van het vroegtijdig signaleren van personen met een verhoogd risico op problematische schulden door verkeersboetes;

verzoekt de regering dit te betrekken bij de Taskforce Gegevensdeling, en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Straatman, Abdi, Bikker en Struijs.

Zij krijgt nr. 104 (36800-VI).

Dank u wel. Het woord is aan de heer Tijs van den Brink, maar die ziet af van zijn spreektijd. Dan is het woord aan mevrouw Coenradie voor haar inbreng namens JA21 in de tweede termijn.

Mevrouw Coenradie (JA21):
Dank, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat contact- en gebiedsverboden juridisch mogelijk zijn maar in de praktijk terughoudend en niet uniform worden ingezet;

overwegende dat snelle bescherming van slachtoffers essentieel is;

verzoekt de regering te borgen dat bij een hoog risico op herhaald huiselijk geweld of kindermishandeling contact- en gebiedsverboden toegepast worden, waar passend ondersteund door elektronische monitoring,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Coenradie, Bikker, Dobbe, Mutluer en Diederik van Dijk.

Zij krijgt nr. 105 (36800-VI).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de tbs-sector onder zware druk staat door capaciteitstekorten en hoge kosten;

overwegende dat het EVRM regelmatige rechterlijke toetsing vereist, maar ruimte laat voor beoordeling op basis van individuele risico's;

verzoekt de regering te onderzoeken of binnen deze kaders meer maatwerk mogelijk is, waarbij de rechter in bepaalde gevallen en op basis van objectieve risicobeoordelingen kan besluiten tot een langere verlengingsperiode, en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Coenradie, Eerdmans, Schilder, Ellian en Diederik van Dijk.

Zij krijgt nr. 106 (36800-VI).

Dank u wel. Het woord is aan de heer El Abassi voor zijn inbreng in tweede termijn namens de fractie van DENK. Gaat uw gang.

De heer El Abassi (DENK):
Voorzitter, dank. Ik heb drie moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat burgers onterecht op terrorisme- en extremismelijsten kunnen belanden en de rechtsbescherming daarbij tekortschiet;

constaterende dat de Inspectie Justitie en Veiligheid geen toegang heeft tot het CTER-themaregister en daardoor geen zelfstandig toezicht kan uitoefenen;

overwegende dat effectief toezicht een kernvoorwaarde is voor bescherming van grondrechten;

verzoekt de regering om te waarborgen dat de Inspectie Justitie en Veiligheid zo spoedig mogelijk structurele toegang krijgt tot het CTER-themaregister,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid El Abassi.

Zij krijgt nr. 107 (36800-VI).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat politiegeweld uitsluitend mag worden toegepast als uiterste middel en altijd noodzakelijk en proportioneel moet zijn;

overwegende dat het filmen van politieoptreden en het uiten van kritiek daarop geen strafbare feiten zijn;

verzoekt de regering te waarborgen dat bij vermoedens van disproportioneel politiegeweld altijd een onafhankelijk onderzoek wordt ingesteld;

verzoekt de regering te bevestigen dat het filmen van politieoptreden en het aanspreken op optreden op zichzelf nooit grond vormen voor het toepassen van geweld,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid El Abassi.

Zij krijgt nr. 108 (36800-VI).

De heer El Abassi (DENK):
Voorzitter. Dan de laatste motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat geweld tegen hulpverleners, politie en bestuurders altijd onacceptabel is;

overwegende dat uit de criminologie blijkt dat criminaliteit samenhangt met sociaal-economische factoren en niet met afkomst;

overwegende dat collectieve verdachtmaking op basis van afkomst het vertrouwen in de rechtsstaat ondermijnt;

verzoekt de regering zich uit te spreken tegen het collectief criminaliseren van bevolkingsgroepen op basis van afkomst;

verzoekt de regering geweld tegen gezagsdragers consequent en zonder dubbele maat te veroordelen en aan te pakken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid El Abassi.

Zij krijgt nr. 109 (36800-VI).

De heer El Abassi (DENK):
Voorzitter, dank u wel. Dat was het.

De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de heer Diederik van Dijk voor zijn inbreng namens de SGP.

De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank u wel, voorzitter. Dank aan de bewindspersonen voor de beantwoording. Ik heb drie moties. De eerste heeft betrekking op de DUUP-regeling.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de DUUP-regeling is bedoeld voor uitstapprogramma's voor mensen die de prostitutie willen verlaten, maar dat uit de praktijk blijkt dat in sommige steden DUUP-middelen terechtkomen bij organisaties die naast uitstap ook instap faciliteren;

verzoekt de regering in overleg met de DUUP-centrumgemeenten te bevorderen dat de DUUP-middelen ook daadwerkelijk en exclusief voor uitstapondersteuning worden ingezet,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Diederik van Dijk, Bikker en Coenradie.

Zij krijgt nr. 110 (36800-VI).

De heer Diederik van Dijk (SGP):
De tweede motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat geweld tegen vrouwen een hardnekkig maatschappelijk probleem is, dat zich in uiteenlopende vormen manifesteert;

overwegende dat uit diverse onderzoeken blijkt dat vrouwen in de prostitutie bovengemiddeld vaak te maken krijgen met seksueel, fysiek en psychisch geweld, alsmede met uitbuiting en dwang;

verzoekt de regering om in het kader van het Nationaal Actieprogramma Aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld expliciet aandacht te besteden aan geweld tegen vrouwen in de prostitutie, en daarbij in het bijzonder te bezien hoe preventie, signalering, bescherming en ondersteuning van vrouwen die zich onvrijwillig in de prostitutie bevinden verder kan worden versterkt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Diederik van Dijk en Coenradie.

Zij krijgt nr. 111 (36800-VI).

De heer Diederik van Dijk (SGP):
En de laatste motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het vertrouwen van Joodse Nederlanders in de strafrechtketen drastisch is afgenomen, omdat antisemitische incidenten regelmatig traag, onvoldoende of helemaal niet worden opgevolgd en online antisemitische haat vaak onbestraft blijft;

overwegende dat effectieve bestrijding van antisemitisme vraagt om gespecialiseerde expertise, landelijke regie en duidelijke doorzettingsmacht binnen de strafrechtketen;

verzoekt de regering om in overleg met de strafrechtketen een gespecialiseerde eenheid bij politie en OM in te richten die exclusief is belast met de opsporing en vervolging na antisemitische misdrijven, beschikt over structurele capaciteit, specialistische kennis en doorzettingsmacht, en verantwoordelijk is voor snelle opvolging van aangiften, consequente vervolging en effectieve aanpak van (online) antisemitisme,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Diederik van Dijk, Bikker en Coenradie.

Zij krijgt nr. 112 (36800-VI).

De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank u, voorzitter.

De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Teunissen voor haar inbreng namens de Partij voor de Dieren in tweede termijn.

Mevrouw Teunissen (PvdD):
Dank u wel, voorzitter. Dank aan de staatssecretaris en de minister voor de beantwoording.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Tweede Kamer in 2023 de Wet aanpak dierenmishandeling en dierverwaarlozing fors heeft aangescherpt en het nu onder meer mogelijk is om dierenbeulen een (levenslang) houdverbod op te leggen;

constaterende dat deze instrumenten alleen nut hebben als dierenmishandeling ook daadwerkelijk wordt gesignaleerd en er wordt ingegrepen, maar dat misstanden in de praktijk te vaak ongezien en ongestraft blijven;

verzoekt de regering om samen met het Openbaar Ministerie, de NVWA, de LID en de politie te onderzoeken welke maatregelen kunnen worden genomen om de pakkans van mensen die betrokken zijn bij dierenmishandeling te vergroten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Teunissen.

Zij krijgt nr. 113 (36800-VI).

Mevrouw Teunissen (PvdD):
Voorzitter. Dan heb ik nog één motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het recht om te demonstreren een fundamenteel onderdeel is van de democratische rechtsstaat en dat de mogelijkheid om anoniem te demonstreren essentieel is voor de veiligheid van kwetsbare groepen, waaronder diaspora's die demonstreren tegen repressieve regimes en daarbij veiligheidsrisico's lopen;

overwegende dat politie en burgemeesters hebben aangegeven dat een verbod op anoniem demonstreren en gezichtsbedekkende kleding moeilijk uitvoerbaar is en tot handhavingsproblemen leidt;

verzoekt de regering het recht op anonieme deelname aan demonstraties actief te waarborgen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Teunissen.

Zij krijgt nr. 114 (36800-VI).

Mevrouw Teunissen (PvdD):
Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan is het woord aan mevrouw Bikker voor haar inbreng namens de ChristenUnie in tweede termijn.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u. Felicitaties aan collega Abdi, collega Straatman en collega Schilder voor hun persoonlijke en prachtige maidenspeeches. Ik kijk zeer uit naar de samenwerking. Dank natuurlijk aan de bewindspersonen voor de beantwoording en aan allen achter hen die meegezwoegd en -geploeterd hebben.

Voorzitter. Ik heb een drietal moties. Allereerst heb ik er natuurlijk één over de uitstapprojecten.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Decentralisatie Uitkering Uitstapprogramma's Prostituees (DUUP) een belangrijke rol speelt in het ondersteunen van mensen die uit de prostitutie willen stappen;

constaterende dat de gemeenten die deze subsidie ontvangen hierover geen financiële verantwoording hoeven af te leggen aan het Rijk en dat het Rijk geen kaders of voorwaarden aan de subsidie heeft verbonden, waardoor gemeentes dit geld aan zaken met een ander doel dan uitstap kunnen uitgeven;

verzoekt de regering de regels voor de DUUP aan te scherpen, zodat de Rijksoverheid er beter op kan sturen dat gemeenten dit geld gericht uitgeven aan het beoogde doel van de regeling,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Bikker, Coenradie, Schilder en Diederik van Dijk.

Zij krijgt nr. 115 (36800-VI).

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Voorzitter. Dan een motie over drugs.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat gebruik van illegale drugs bijdraagt aan criminele ondermijning;

overwegende dat de overheid naar aanleiding van de motie-Bikker c.s. (36159, nr. 24) een publiekscampagne is gestart die drugsgebruikers confronteert met de gevolgen van drugsgebruik voor de samenleving;

verzoekt de regering de campagne over de gevolgen van drugsgebruik voor criminaliteit en de samenleving voort te zetten, en gemeenten hier ook actief bij te betrekken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Bikker, Michon-Derkzen en Diederik van Dijk.

Zij krijgt nr. 116 (36800-VI).

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Voorzitter. Dan een motie over het rookbeleid.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de overheid preventiebeleid voert tegen e-sigaretten, oftewel vapes, en andere vormen van roken dan wel rookverslaving;

constaterende dat bij het roken van hasj en wiet ongeveer vier tot vijf keer meer teer vrijkomt dan bij een sigaret, en dat dit dus schadelijker is voor de longen en kankerverwekkender is;

verzoekt de regering bij haar preventiebeleid om roken tegen te gaan ook de schadelijke gevolgen van cannabis te betrekken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Bikker en Tijs van den Brink.

Zij krijgt nr. 117 (36800-VI).

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Voorzitter. Recht boven macht: zo begon ik mijn bijdrage en zo wil ik die ook afsluiten. Dat betekent dat het huis van het recht op orde moet zijn, de hele strafrechtketen. Deze begrotingsbehandeling stelt mij daarin niet gerust. Of het nu gaat om de tekorten bij de DJI, de tekorten bij het Openbaar Ministerie, de tekorten bij de politie of om datgene wat onze woordvoerders in het begin namens ons allen hebben gezegd over de kritiek van de Rekenkamer: er is veel werk aan de winkel. Dat moet verzet worden in deze Kamer, willen wij ervoor zorgen dat recht boven macht blijft gaan.

Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan is het woord aan mevrouw Dobbe voor haar inbreng namens de SP in de tweede termijn. Gaat uw gang.

Mevrouw Dobbe (SP):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb een aantal moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat er een aantal vrouwenrechtswinkels zijn die met veel succes werken als een laagdrempelige plek waar vrouwen juridische hulp en advies kunnen krijgen;

overwegende dat de vrouwenrechtswinkels van grote toegevoegde waarde zijn voor de toegang tot het recht voor vrouwen en dit hard nodig is, omdat vrouwen vaker in specifieke kwetsbare situaties zitten of specifieke hulpvragen hebben;

overwegende dat de financiering voor de vrouwenrechtswinkels niet structureel geborgd is in het beleid betreffende de bevordering van de toegang tot het recht;

verzoekt de regering om de vrouwenrechtswinkels een vaste en structurele plek te geven in het beleid omtrent de toegang tot het recht,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Dobbe, Teunissen, Abdi en Coenradie.

Zij krijgt nr. 118 (36800-VI).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de commissie-Van der Meer II heeft vastgesteld dat de kantoortoeslag van €14,82 noodzakelijk is om de sociale advocatuur voldoende betaalbaar te houden;

overwegende dat een verhoogde kantoortoeslag bijdraagt aan de toekomstbestendigheid van de toegang tot het recht, omdat dit leidt tot het opleiden van meer sociale advocaten en het tegengaan van de vergrijzing en de uitstroom;

verzoekt de regering in samenwerking met de Raad voor Rechtsbijstand en de NOvA nog voor de zomer met een plan te komen om de kantoortoeslag te bewerkstelligen met ingang van 2027,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Dobbe en Abdi.

Zij krijgt nr. 119 (36800-VI).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het gevangenispersoneel momenteel aan het staken is omdat het personeel van de gevangenissen op de nullijn is gezet en ook de inflatiecorrectie niet wordt toegepast en zij er dus financieel zelfs op achteruitgaan;

overwegende dat er al sprake is van een personeelstekort en capaciteitsproblemen en er al langer wordt gesproken van een code zwart voor het gevangenispersoneel;

overwegende dat deze nullijn de situatie onhoudbaar maakt en desastreuze gevolgen zal hebben, zoals een nog verdere uitstroom van het gevangenispersoneel, als er niet snel wordt ingegrepen;

verzoekt de regering om de voorgestelde nullijn voor rijksambtenaren van tafel te halen, zodat ook het gevangenispersoneel een fatsoenlijke loonsverhoging kan krijgen, en in gesprek te gaan met de belangenvertegenwoordigers van het gevangenispersoneel over verbeterde arbeidsomstandigheden om het vak aantrekkelijker te maken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Dobbe.

Zij krijgt nr. 120 (36800-VI).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat er weinig ruimte is voor maatwerk voor de penitentiaire inrichtingen om de bezoekuren aan te passen voor schoolgaande kinderen;

overwegende dat als ouders worden gestraft, dit niet betekent dat kinderen ook gestraft moeten worden;

verzoekt de regering ervoor te zorgen dat er meer maatwerk kan worden toegepast betreffende de bezoekuren in de p.i.'s, zodat schoolgaande kinderen hun ouders kunnen bezoeken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Dobbe.

Zij krijgt nr. 121 (36800-VI).

Mevrouw Dobbe (SP):
Voorzitter. Ik zou nog willen zeggen dat ik het amendement op stuk nr. 43 (36800-VI) intrek.

De voorzitter:
Het amendement-Dobbe (stuk nr. 43) is ingetrokken.

Mevrouw Dobbe (SP):
En ik wil graag mijn collega Thomas van Halm bedanken, wiens laatste dag het hier vandaag is na zesenhalf jaar voor ons gewerkt te hebben.

Dank u wel, voorzitter.

(Geroffel op bankjes)

De voorzitter:
Namens de Kamer veel dank voor alle bewezen diensten!

U heeft nog een interruptie van de heer Sneller.

De heer Sneller (D66):
Ik heb een vraag over de motie over de kantoortoeslag. Is dat "voer 'm in en kom voor de zomer met het plan"? Of is dat "maak een plan voor het geval we 'm zouden willen invoeren"?

Mevrouw Dobbe (SP):
Het is: maak een plan om 'm in te voeren.

De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de heer Struijs van 50PLUS voor zijn inbreng in tweede termijn. Gaat uw gang.

De heer Struijs (50PLUS):
Voorzitter. Ik heb twee moties en een hele kleine tip.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in de beleidsagenda van de begroting van Justitie en Veiligheid expliciet aandacht wordt besteed aan femicide, huiselijk geweld en kindermishandeling, en aan de versterking van interventies en samenwerking in de keten;

constaterende dat ouderenmishandeling een ernstige en vaak verborgen vorm van huiselijk geweld is, die zich kan uiten in fysieke, psychische en financiële mishandeling en verwaarlozing;

overwegende dat ouderenmishandeling door schaamte, afhankelijkheidsrelaties en sociale isolatie veelal onder de radar blijft en dat er een hardnekkig taboe rust op het melden en bespreekbaar maken van dit probleem;

overwegende dat door de toenemende vergrijzing en het langer zelfstandig thuis wonen van ouderen het risico op ouderenmishandeling toeneemt;

overwegende dat een effectieve aanpak van huiselijk geweld vraagt om expliciete beleidsmatige erkenning van alle kwetsbare groepen, waaronder ouderen;

verzoekt de regering om ouderenmishandeling expliciet te benoemen en te verankeren binnen de beleidsprioriteiten en de aanpak van huiselijk geweld in de beleidsagenda van Justitie en Veiligheid,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Struijs, Mutluer, Coenradie, Bikker, Van der Werf, Michon-Derkzen en Dobbe.

Zij krijgt nr. 122 (36800-VI).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat zorgfraude een groot probleem vormt, waarbij aanzienlijke publieke middelen verloren gaan en de kwaliteit en toegankelijkheid van het zorgstelsel kan worden aangetast;

constaterende dat zorgfraude op dit moment lastig tegen te gaan is en in de praktijk onvoldoende wordt voorkomen of bestraft;

constaterende dat er momenteel geen wettelijke definitie van zorgfraude bestaat;

constaterende dat de Nederlandse Zorgautoriteit aangeeft dat zij door het ontbreken van deze wettelijke definitie niet kan vaststellen hoeveel signalen daadwerkelijk als fraude kunnen worden aangemerkt;

overwegende dat het ontbreken van een wettelijke definitie kan leiden tot onduidelijkheid bij toezicht, handhaving en opsporing van zorgfraude;

overwegende dat een duidelijke wettelijke definitie kan bijdragen aan een effectievere aanpak van zorgfraude;

verzoekt de regering om in samenspraak met betrokken instanties te komen tot een expliciete wettelijke definitie van zorgfraude, deze definitie wettelijk te verankeren, en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Struijs en Dobbe.

Zij krijgt nr. 123 (36800-VI).

De heer Struijs (50PLUS):
Ik heb nog een kleine tip aan de staatssecretaris voor zijn playlist: I Walk the Line van Johnny Cash, over de struggling van een man.

De voorzitter:
Staat genoteerd, dank u wel. Tot slot als laatste spreker van de zijde van de Kamer mevrouw Schilder namens de Groep Markuszower. Gaat uw gang.

Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):
Voorzitter, dank u wel. Ook dank aan de staatssecretaris en de minister voor de beantwoording.

Ik heb drie moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat bij zeer ernstige misdrijven grote verschillen bestaan in opgelegde straffen;

overwegende dat het ontbreken van wettelijke ondergrenzen kan bijdragen aan onbegrip en afnemend vertrouwen in het strafrecht;

verzoekt de regering wetgeving te ontwikkelen voor de invoering van minimumstraffen bij delicten waarop een gevangenisstraf van tien jaar of meer staat, en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Schilder en Coenradie.

Zij krijgt nr. 125 (36800-VI).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat bij zware geweldsmisdrijven en andere ernstige misdrijven, waaronder zware mishandeling, straatroof, overvallen en verkrachting, opgelegde straffen structureel ver onder de wettelijke maxima blijven;

overwegende dat de huidige strafvorderingsrichtlijnen van het Openbaar Ministerie bij deze delicten onvoldoende recht doen aan de ernst van het misdrijf en het maatschappelijke rechtsgevoel;

verzoekt de regering om in overleg met het Openbaar Ministerie te bezien of de strafvorderingsrichtlijnen voor deze categorieën misdrijven substantieel kunnen worden verhoogd, en de Kamer hierover binnen drie maanden te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Schilder en Coenradie.

Zij krijgt nr. 126 (36800-VI).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de capaciteitsproblemen in het gevangeniswezen structureel zijn en leiden tot ernstige knelpunten, waaronder uitstel van detentie;

overwegende dat meerpersoonscellen een direct toepasbare maatregel zijn om de capaciteit te vergroten;

verzoekt de regering om de eenpersoonscel niet langer als uitgangspunt te hanteren, maar het beleid zodanig te wijzigen dat meerpersoonscellen de norm worden waar dit veilig en verantwoord kan, en de Kamer binnen drie maanden te informeren over de concrete uitwerking, doelstellingen en planning,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Schilder.

Zij krijgt nr. 127 (36800-VI).

Dank u wel.

Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):
Dank u wel.

De voorzitter:
Meneer Ellian.

De heer Ellian (VVD):
Collega Michon en ik hebben in onze bijdrage verzuimd om de ambtenaren te bedanken voor de schriftelijke beantwoording. Ik doe dit nu even aan het einde. We beseffen hoe hard ze gisteravond hebben gewerkt, dus langs deze weg dank daarvoor.

De voorzitter:
Dat wordt hogelijk gewaardeerd. Dank u wel.

Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de tweede termijn van de zijde van de Kamer. Ik schors twintig minuten, dus tot 15.20 uur, voor de beantwoording en de appreciaties. De vergadering is geschorst tot 15.20 uur.

De vergadering wordt van 14.58 uur tot 15.23 uur geschorst.

De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de tweede termijn van de zijde van het kabinet. Dat betreft de appreciaties van de ingediende moties en de beantwoording van de gestelde vragen. Ik geef daarvoor het woord aan de minister.

Minister Van Oosten:
Dank u wel, voorzitter. Ik ga een paar antwoorden geven die ik heb laten liggen of waarbij ik heb doorverwezen naar de tweede termijn. Daarna kom ik bij één amendement dat nog een appreciatie verlangt, omdat dat in het afgelopen halfuur is ingediend. Daarna kom ik bij de moties, en die zal ik kort en krachtig appreciëren, zoals u van mij mag verwachten.

De voorzitter:
Heel graag.

Minister Van Oosten:
Mevrouw Mutluer stelt de vraag wanneer de nieuwe Wet wapens en munitie naar de Tweede Kamer komt. Wanneer de wet specifiek naar de Kamer komt, kan ik helaas op dit ogenblik nog niet preciseren, maar ik zeg u toe dat ik binnen de organisatie ga ophalen wanneer en hoe dat naar u toe gaat komen. We werken nu aan de contouren van de wet, en ik wil zelf ook dat deze wet heel snel naar uw Kamer komt ter behandeling. Ik kan op dit ogenblik gewoon nog geen precieze momenten noemen, maar wat mij betreft gaat dat zeker dit jaar zijn.

De voorzitter:
Er is geen ruimte voor debat, maar wel voor een vervolgvraag. Eén stuk, mevrouw Mutluer.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
We wachten al vier jaar op dit wetsvoorstel. Ik vind het antwoord van deze minister wederom vaag, dus ik verzoek hem wederom om binnen afzienbare tijd, wat mij betreft volgende week of binnen een maand, te preciseren wanneer dat wetsvoorstel onze kant op komt. Ik neem geen genoegen met "ergens in het jaar", want dat gaat waarschijnlijk weer twee, drie jaar worden. We worden elk jaar weer zoet gehouden. Ik wil gewoon het wetsvoorstel.

Minister Van Oosten:
Dat laatste ben ik niet met mevrouw Mutluer eens. Ik snap wel dat zij die precisering verlangt. Die verlang ik ook, en die heb ik nog onvoldoende teruggekregen. Dus, prima, ik neem de handschoen van mevrouw Mutluer aan: u krijgt ergens binnen de komende weken terug wanneer die wet aan u toegezonden gaat worden ter beoordeling.

Dan de vraag naar de specialistische jongerenwerkers en hoeveel specialistische jongerenwerkers er zijn. Het spijt mij, maar ik kan niet berekenen hoeveel jongerenwerkers er nu exact in gemeenten rondlopen. Dat onttrekt zich voor een deel aan mijn zicht. Zoals ik net al aangaf, zien wij in die wijken waar de problematiek het heftigst is wel dat bijna alle preventie met gezag, gemeenten en extra specialistisch jeugdwerk wordt ingezet. Het is aan gemeenten om te bepalen of dit passend is. Ik heb al toegezegd dat er hierover een brief naar mevrouw Mutluer en de Kamer toe komt. Wellicht geeft dat de gelegenheid om er verder over door te praten. Die toezegging staat.

Dan de heer Van den Brink. Hij vroeg naar het centraal informatiepunt. Zoals in het Actieplan Samen tegen mensenhandel is opgenomen: in 2025 is er een landelijk coördinatiecentrum gestart met de inrichting daarvan. In juni verwacht ik dat een deel daarvan van start kan gaan. Die informatie wordt meertalig behandeld. Het centraal informatiepunt wordt doorontwikkeld in een nationaal verwijzingsmechanisme conform de herziene Europese richtlijn. Bij dat punt kunnen slachtoffers, eerstelijns professionals et cetera toegankelijk en laagdrempelig worden geïnformeerd en doorverwezen. Er is dus geen heel precies moment te geven wanneer dit gebeurt, want het is doorlopend aan de orde en wordt doorlopend versterkt en verbeterd.

Dan mevrouw Faber: wanneer wordt de Kamer geïnformeerd over de verkenning naar de aanscherping rondom groepsgedrag? Dat is een precisering van de vraag waar ik zelf ook enorme urgentie voor voel, net als voor die Wet wapens en munitie. Ik lees hier nu geen antwoord. Dat antwoord ga ik u geven gelijktijdig met de brief die ik mevrouw Mutluer heb toegezegd. U gaat die concretisering krijgen wanneer die uw kant op komt. Daar heeft u recht op, en dat wil ik zelf ook.

Dan de vraag van de heer El Abassi over Islamic Relief, dat door heel veel landen, waaronder het Verenigd Koninkrijk en Duitsland, is onderzocht. Ook strafrechtelijk gezien is uit onderzoek niet gebleken dat er sprake is van een terroristische organisatie of strafrechtelijke veroordeling. Ik kom er dadelijk nog op terug bij een aantal ingediende moties, maar Islamic Relief Nederland is niet dezelfde organisatie als Islamic Relief Worldwide. Het is mij inderdaad niet bekend dat de organisatie Islamic Relief zoals die op de beurs stond in de ons omringende landen verboden is of strafrechtelijk vervolgd wordt. Vanzelfsprekend staan we nationaal en internationaal in goed contact met elkaar over organisaties met een mogelijk terroristisch oogmerk. Eventuele ontwikkelingen volgen we nauwgezet.

Dan de vraag van mevrouw Van der Plas over het document dat ze min of meer heeft ingediend — zo zeg ik het maar even — rondom agro-intimidatie. Zoals gezegd in mijn eerste termijn, heb ik het document bekeken en beoordeeld. Ik zie een bijlage met bijna 70 meldingen die bij het Meldpunt Agro Intimidatie zijn binnengekomen sinds januari vorig jaar. Ik ga die meldingen niet tekortdoen, maar ik lees ook meldingen van het aantreffen van stickers et cetera. Ik kan me goed voorstellen dat dat een enorme impact kan hebben op alle betrokkenen. Daarom vind ik het belangrijk dat meldingen doorgezet worden naar de politie. Ik herhaal dan een beetje het debatje. Meneer de voorzitter, ik kijk daarbij mevrouw Van der Plas specifiek aan, omdat ik hoop dat we met elkaar die oproep kunnen neerleggen bij de sector en bij alle mensen die dit aangaat: als je je bedreigd voelt et cetera, bel alsjeblieft 112 en laat het de politie weten. Ik kan u zeggen dat ik met de minister van LVVN in gesprek ga over of een onderzoek naar de aard en omvang van de door agrariërs ervaren bedreiging en intimidatie, mogelijk is. Daar sta ik positief tegenover, laat dat ook helder zijn.

De voorzitter:
Eén interruptie van mevrouw Van der Plas.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ja, en die gaat over stickers. Het gaat er niet om dat de sticker intimiderend is. Het gaat erom dat die mensen op het erf van een boer komen. Dat is waar hij woont en leeft. In je woonplaats, je huis, moet je je in de eerste en laatste plaats veilig voelen. Die mensen komen op het erf en beplakken daar dan ramen of auto's. Dáár gaat het om. Het gaat me niet om de sticker an sich, maar om het feit dat ze het erf betreden waar je je veilig moet voelen.

Minister Van Oosten:
Ik ben het met mevrouw Van der Plas eens. Je eigen erf, je eigen huis, is wat mensen betreft heilige grond. Dat begrijp ik heel erg goed. Daarom: als je je bedreigd voelt, bel je in dit land de politie. Dat geldt voor iedereen, niet alleen voor de agrarische sector. Doe dat alsjeblieft, want dan kunnen we er ook mee aan de slag. Ik denk dat sommige mensen dat nog wat steviger en actiever kunnen doen dan nu gebeurt. Dat is mijn veronderstelling. Ik kan dat niet wetenschappelijk onderbouwen. Maar help mij hiermee, zodat het gaat gebeuren.

Dan heb ik alle vragen gehad en kom ik nog bij het amendement dat is ingediend door de leden Bikker c.s. Dat is het amendement dat ziet op "de kleine zeehavens"; ik geef het even die naam. Ik wil dit amendement, indachtig de discussie die we met elkaar hebben gevoerd, oordeel Kamer geven, maar wel met de volgende voorwaarde. Dat is namelijk dat voordat er in 2026 extra geld wordt besteed aan de kleine zeehavens, er eerst een duidelijke probleemanalyse moet liggen. Daar wordt aan gewerkt. Ik leg die handschoen wel even terug. Het amendement als zodanig is natuurlijk incidenteel.

De voorzitter:
Dat betreft dus een wijziging van de appreciatie. Het gaat om het amendement op stuk nr. 37.

Minister Van Oosten:
Ja, dat is het amendement op stuk nr. 37.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Als dat zo is, ben ik helemáál gelukkig, maar dat is het amendement waarmee ik 3 miljoen struc vroeg. Na de wisseling met de minister ben ik juist aan de slag gegaan met het ministerie om tot iets te komen waarin we elkaar vonden. Dat is nu het amendement op stuk nr. 124. Mijn beeld is dat de minister dat oordeel Kamer geeft, mits er een goed plan ligt. Dat begrijp ik natuurlijk helemaal.

De voorzitter:
Dus mevrouw Bikker heeft …

Minister Van Oosten:
Dank u wel. Ik word nu namelijk door een heleboel mensen geappt: het gaat om het nieuwe amendement!

De voorzitter:
Heel duidelijk. Mevrouw Bikker heeft dus de vruchten geplukt van het debat in de termijn van de minister, heeft daar haar conclusies uit getrokken en een gewijzigd amendement ingediend. Dat amendement krijgt nu oordeel Kamer. Akkoord. Dan gaan we naar de moties.

Minister Van Oosten:
De staatssecretaris neemt vanzelfsprekend de moties die onder zijn portefeuille vallen voor zijn rekening.

Dat betekent dat ik begin bij de motie op stuk nr. 80 over nudify-apps et cetera. Ik kan deze motie oordeel Kamer geven.

Ik wil iets meer zeggen over de motie op stuk nr. 81 van mevrouw Michon-Derkzen en de heer Diederik van Dijk inzake de uitreizigers. Ik ben het namelijk met mevrouw Michon-Derkzen en de heer Van Dijk eens dat dit echt een ongelofelijk belangrijk ding is. Enerzijds realiseer ik me dat het ontzettend belangrijk is dat u het als Kamer goed kunt volgen, dat het ontzettend belangrijk is dat alle diensten en het hele instrumentarium hier in ons land paraat staan voor het geval de betrokkenen hier ineens zouden zijn en dat u er ook van op aan moet kunnen dat de bewindspersoon van Justitie en Veiligheid — whoever that may be; wie dat ook is — er bovenop zit, want het is echt een ding. Maar ik vind ook dat ik een beetje prudentie moet durven te betrachten in hetgeen ik u toezeg, omdat ik ook niet wil dat we daar verkeerde dingen in doen. Dus ik zeg u dat ik met mevrouw Michon-Derkzen deel dat deze personen een gevaar zijn voor de nationale veiligheid en dat we er alles aan moeten doen om te voorkomen dat ze onopgemerkt terugkeren naar terugkeer. Ik kan uw Kamer dan ook aanbieden uw Kamer vertrouwelijk te informeren over de situatie in Syrië en Irak in relatie tot uitreizigers, hun berechting en de gevolgen voor de Nederlandse nationale veiligheid. Ik kan niet op voorhand toezeggen, als dat specifiek het verlangen is, dat het altijd heel specifiek op casusniveau is. Dat lees ik niet zo in het dictum, maar goed, ik kan me voorstellen dat het misschien daarover gaat. Maar als ik de lezing mag geven zoals ik die hiervoor geef, waarbij u ook hoort wat ik eromheen zeg, dan ga ik echt mijn uiterste best doen om u gewoon te vertellen waar u recht op heeft om uw controlerende taak op dit punt te kunnen invullen, want dat moet gebeuren. Dan kan ik 'm oordeel Kamer geven.

De voorzitter:
Dan laat u haar aan het oordeel van de Kamer. Kort, mevrouw Michon-Derkzen.

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Ja, maar het luistert wel nauw. Ik vind het heel fijn om vertrouwelijk te worden geïnformeerd, maar het gaat er juist om dat de actualiteit er steeds voor zorgt dat we die scherpte hier met elkaar moeten hebben. Ik wil dus niet één keer worden geïnformeerd over de situatie; ik wil juist wel worden geïnformeerd als de actualiteit daartoe noopt. Dat hoeft niet op persoonsniveau — laat me daar ook even duidelijk over zijn — maar wel in die zin op casusniveau dat als de actualiteit is dat er daar nu tien veroordeelde terroristen vrij rondlopen, ik daarover graag geïnformeerd wil worden. Nogmaals, niet over namen, maar over "het gegeven dat".

Minister Van Oosten:
Dan verstaan we elkaar goed, want dat is ook wat ik u wil aanbieden. Ik ben nog niet zover dat ik precies weet met welke frequentie et cetera dat gaat gebeuren, want de ontwikkelingen volgen elkaar nu echt snel op. Dat moeten we dus even een beetje beproeven. U moet mij ook, zo vraag ik u dan, wat ruimte daarin geven. Maar echt, u mag mij erop aanspreken dat ik u ga informeren over dit punt. We hebben duidelijk gewisseld hoe specifiek dat moet zijn over individuen. Dan lees ik dat u het leest zoals ik het zeg, namelijk dat dat niet heel gericht hoeft te zijn. In dat geval oordeel Kamer.

De voorzitter:
Mevrouw Michon-Derkzen stemt er non-verbaal mee in.

Minister Van Oosten:
Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 82. Dat is de motie van de heer Ellian inzake de procesafspraken. Ik wil daar ook iets meer woorden aan wijden. Ik ben bereid de motie oordeel Kamer te geven, mits — "mits" zeg ik er even specifiek bij — ik haar zo mag lezen dat, vermits uw Kamer de motie aanneemt, waar het natuurlijk om gaat, ik het bericht doorzet naar het Openbaar Ministerie, precies zoals het is gegaan. Daarbij kan ik dan ook het ongerief meedelen. Dat betekent wat. Natuurlijk, men kan dit debat volgen via de livestream, maar het betekent ook wat wanneer ik dat als minister zelf zeg, in feite in opdracht van uw Kamer. Daarbij kan ik ook het ongerief aangeven ten aanzien van wat de initiatiefnemer heeft opgebracht over de systematiek die nu wordt toegepast. Dat ben ik bereid te doen. Wat ik niet bereid ben te doen — ik lees het er niet strikt in, maar ik noem het voor de Handelingen wel — is dat ik opdracht zou geven iets niet meer te doen. Ik versta wel dat de heer Ellian dat van het OM zou verlangen, maar dat is een hele andere vraag. Het luistert ook nauw dat ik dit even precies zeg zoals ik het zeg. Ik ben bereid dat te vertellen aan het OM als u deze uitspraak doet. Ten slotte wijs ik u erop dat we binnenkort een wetsbehandeling gaan hebben die specifiek hierover gaat, want dat ben ik met spreker eens. Dat hoeft niet lang meer te duren, want dat wetsvoorstel is echt zo goed als af. Dan kunt u met elkaar gaan discussiëren, met de minister van Justitie en Veiligheid en wellicht ook met de staatssecretaris als die er ook een rol bij heeft, maar dus gewoon met het kabinet, over welke kaders u over dit punt wil meegeven. Dat past, denk ik, ook bij dit aangelegen punt. Want nu is het aan de hand van het arrest van de Hoge Raad. Het kan ook passen om daar een wetgevingstraject voor in de plaats te stellen. Tot zover, voorzitter: oordeel Kamer.

De voorzitter:
Ik zie non-verbale instemming bij de heer Ellian. Daarmee wordt de motie op stuk nr. 82 aan het oordeel van de Kamer gelaten met een interpretatie.

Minister Van Oosten:
Dan ga ik naar de motie op stuk nr. 84. De andere moties gaan, naar ik verwacht, iets sneller, tenzij ik natuurlijk vragen van leden krijg.

De motie op stuk nr. 84, van mevrouw Abdi en anderen, gaat over de verkeersovertredingen. Ik kan deze motie oordeel Kamer geven, maar ik zeg er wel bij: ik wil bij mevrouw Abdi geen verwachtingen wekken rondom de financiën. Daar ben ik in de richting van mevrouw Straatman ook wel heel helder in geweest. De financiën zijn best wel even een beetje ingewikkeld. Maar waarom durf ik 'm oordeel Kamer te geven? Omdat ik bereid ben dit mee te nemen in de beleidsreactie op het WODC-onderzoek. Die gaat u krijgen. Zo past het. Ik zie dat de voorzitter mij tot snelheid maant, maar vanwege de financiën permitteer ik mij nog even deze halve minuut.

De voorzitter:
Het is opgenomen in de Handelingen.

Minister Van Oosten:
Over de motie op stuk nr. 86 moet ik toch nog iets zeggen. Ik zie dat de hele Kamer dit wil. Ik zie echt dat de hele Kamer dit wil.

De voorzitter:
Nou, dan kunt u zich daarbij neerleggen!

Minister Van Oosten:
Maar, maar, maar, maar, maar: ik ben ook gevraagd om als uw minister van Justitie en Veiligheid terug te geven hoe ik hiernaar kijk. Ik zou toch zeggen: ik heb geprobeerd een weerslag te geven van hoe ik dat gesprek met de staatssecretaris zelf en alle ketenpartners heb gevoerd. Ik zou u het volgende willen vragen. Ik heb geleerd dat je dit als ontijdig moet duiden. Kunt u het als ontijdig hanteren? Daarmee bedoel ik te zeggen: hou het alstublieft nog even aan. Ik zeg u toe dat ik aan de ketenpartners terug ga geven wat u hiervan vindt, hoe u hiernaar kijkt en de urgentie die u verlangt. Dat ga ik ook teruggeven met dezelfde scherpte als ik het richting het OM teruggeef op het punt van meneer Ellian. Daarover ga ik aan u terugrapporteren voor de zomer, precies zoals u wilt. Als dat u niet bevalt, kunt u altijd nog bepalen of er wel of niet een deltaplan moet komen. Maar als ik nu tegen alle ketenpartners ga zeggen "kom met een deltaplan" enzovoort, dan vrees ik dat daar heel veel energie naartoe gaat. Ik denk dat we dat niet nodig hebben. Ik zou u dus willen vragen om mij die tijd te geven.

De voorzitter:
Eén interruptie van mevrouw Mutluer.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Ik kijk even rond, maar het antwoord is nee.

De voorzitter:
Nou, dan wordt de motie … ontraden?

Minister Van Oosten:
Ontraden.

De voorzitter:
U vervolgt.

Minister Van Oosten:
Dat neemt niet weg dat ik het terugkoppel zoals ik heb verteld, aan alle betrokkenen.

De motie op stuk nr. 89 van mevrouw Van der Plas ontraad ik.

De motie op stuk nr. 90 van mevrouw Van der Plas ontraad ik. Er wordt ook een definitie gehanteerd. Een verdere juridische verkenning acht ik op dat punt niet noodzakelijk.

De motie op stuk nr. 91 van onder meer mevrouw Faber ontraad ik. De politie heeft ook geen partnership met die beurs.

De motie op stuk nr. 92 van mevrouw Faber ontraad ik. Ik kan ook nog iets zeggen …

De voorzitter:
Ik denk dat mevrouw Faber nog wat wil zeggen over de motie op stuk nr. 91. Gaat uw gang. Eén vraag.

Mevrouw Faber (PVV):
Ja, sorry. Ik was iets te traag. Ze hebben wel een partnerschap met dat festival. Dat is te vinden als je "halal village festival" intypt. Dan zie je daar de partners staan en daar staat gewoon de politie bij. Ze hebben dus wel degelijk een partnerschap.

Minister Van Oosten:
Oké. Dat ga ik dan even toetsen. Maar dat neemt niet weg dat ik de motie blijf ontraden, omdat ik vind dat de politie bij deelname aan beurzen en evenementen altijd de neutraliteit in overweging heeft te nemen. Wat dat betreft heb ik ook wel echt goed geluisterd naar de opmerking van mevrouw Faber, hoor. Daar worden ook wel lessen uit getrokken.

De heer El Abassi (DENK):
Ik heb een punt van orde. Dit is weer iets wat feitelijk niet klopt. Wij stonden daar namelijk ook als partner en wij zijn ook aanwezig geweest op dat Halal Village. Dat gold voor iedereen die daar een kraampje had, net als de politie. Wat de PVV hier weer naar voren brengt, klopt dus gewoon niet.

De voorzitter:
U heeft uw punt gemaakt. De motie op stuk nr. 93.

Minister Van Oosten:
Ik hecht ook aan mijn antwoord: er is geen partnerschap. Dat stel ik vast. Daarom kom ik ook tot "ontraden". Maar ik gaf die context erbij.

Over de motie op stuk nr. 92 heb ik al iets gezegd.

De motie op stuk nr. 93 ontraad ik eveneens.

De motie op stuk nr. 94 van mevrouw Faber en de heer Van Dijk gaat over voetbalorganisaties. Die ontraad ik. Ik verwijs naar mijn uitlatingen daarover eerder in het debat.

De motie op stuk nr. 95 van mevrouw Faber ontraad ik.

De motie op stuk nr. 96 van mevrouw Faber vind ik overbodig, want ik ben voortdurend met gezagen in overleg over de kerntaken van de politie.

De motie op stuk nr. 99 van de heer Van Dijk ontraad ik. Ik heb daar geen aanleiding voor. De straftoemeting is ook een straftoemetingsvrijheid. Ik kan dus niet anders dan deze ontraden.

De motie op stuk nr. 100 over het opportuniteitsbeginsel ontraad ik. Het ligt ook vast in de wet.

De motie op stuk nr. 101 van de heer Emiel van Dijk ontraad ik, eigenlijk met dezelfde argumenten als bij de vorige motie.

De motie op stuk nr. 102 van de heer Van Dijk ontraad ik. Die ziet op de onderzoekers inzake het WODC. Het is geen geheim wie er onderzoek doet. Dat staat altijd bij de publicatie in het rapport.

De motie op stuk nr. 103 van de heer Van Dijk ziet op de financiering rondom rapporten. Die motie ontraad ik eveneens. Wij hebben een algemeen budget. Een nadere specificering is wat mij betreft niet nodig.

De motie op stuk nr. 107 van de heer El Abassi beschouw ik als overbodig, want de Autoriteit Persoonsgegevens heeft wél toegang in het kader van de Wet politiegegevens. Er is ook een toezichthouder die toegang heeft. De informatiepositie wordt meegenomen in de herziening van de Wet politiegegevens, waarbij dit punt ook meer specifiek kan worden opgebracht. Ik denk dat dat laatste ook interessant is voor de heer El Abassi.

De motie op stuk nr. 108 van de heer El Abassi is in mijn ogen overbodig, omdat ieder geweld wordt gemeld bij de hulpofficier en door de hulpofficier wordt getoetst. Bij een vermoeden van disproportioneel geweld volgt onderzoek door de commissie Geweldsaanwending. Daarna kan de Rijksrecherche onafhankelijk onderzoek doen indien er sprake zou zijn van disproportioneel geweld.

Ook de motie op stuk nr. 109, ook van de heer El Abassi, is overbodig. Wat daarin wordt gevraagd is staand beleid.

De motie op stuk nr. 110 van onder meer de heer Diederik van Dijk gaat over de DUUP-voorwaarden. Ik ontraad deze motie. Ik kom hier straks overigens op terug bij een andere motie, volgens mij van mevrouw Bikker, die ook over de DUUP gaat. De uitleg past wel een beetje bij beide moties: het past mij niet om op de in de motie aangegeven manier bezig te zijn met een decentralisatie-uitkering, waartoe ik word opgeroepen. Maar ik wijs wel op een nieuwe wet, namelijk de nieuwe Financiële-verhoudingswet, waarbij decentralisatie-uitkeringen worden omgezet in bijzondere fondsenuitkeringen. Dat geeft wel de mogelijkheid om wat meer informatie op te vragen bij gemeenten. Dat komt hopelijk iets meer tegemoet aan het verzoek van de heer Van Dijk om inzichtelijk te krijgen of de gelden daar terechtkomen waarvoor ik ze bestemd heb en om inhoudelijk ook wat meer discussie te kunnen voeren.

De voorzitter:
Eén vraag van de heer Van Dijk.

De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank voor die laatste toelichting, maar die doet niks af aan het feit dat ik het oordeel over deze motie echt niet kan volgen. Het Rijk geeft momenteel subsidies aan gemeenten met de bedoeling om die te besteden aan uitstapprogramma's. De motie verzoekt om in overleg te bevorderen dat dat geld daarvoor wordt benut, gewoon via een gesprek. Ik begrijp dus oprecht niet waarom dat "ontraden" oplevert.

Minister Van Oosten:
Dat heeft te maken met de financiële verhoudingen zoals we die nu hebben georganiseerd: dit gaat langs de weg van een decentralisatie-uitkering. Maar ik begrijp de opmerking van de heer Van Dijk echt wel. Daarom heb ik doorgevraagd: welke mogelijkheid zou er wel voor de heer Van Dijk of voor anderen kunnen ontstaan om die informatie te kunnen krijgen? Ik heb begrepen dat die nieuwe wet dat inzicht meer zou moeten kunnen verschaffen. Ik zou dus het verzoek willen doen om dat even af te wachten. Dat maakt dat ik de motie voor nu moet ontraden.

De motie op stuk nr. 111 van onder meer de heer Van Dijk gaat over de aanpak van seksueel geweld. Ik vind die motie overbodig. Er is al apart beleid voor het beschermen van sekswerkers. Dat hoeft dus niet apart betrokken te worden bij dat nationale actieprogramma.

De motie op stuk nr. 112 over antisemitisme ontraad ik. De huidige structuur voor de aanpak van discriminatie binnen de politie en het Openbaar Ministerie volstaat. Plat gezegd: er zitten daar hele goede mensen op.

De motie op stuk nr. 113 van mevrouw Teunissen beschouw ik als overbodig. Er wordt altijd door de politie en het Openbaar Ministerie samen bezien hoe de pakkans kan worden vergroot. Dat geldt voor elk fenomeen. Het is aan het OM om keuzes te maken. Ik mag wijzen op het speciale telefoonnummer 144.

De motie op stuk nr. 114, ook van mevrouw Teunissen, kan ik oordeel Kamer geven. Ik begrijp het namelijk zo — zo heb ik het u ook uitgelegd — dat het wetsvoorstel Gezichtsbedekkende kleding de mogelijkheid biedt om het gezicht te bedekken in het geval van angst voor vervolging in het land van herkomst et cetera, maar dan moet je dat ook kunnen uitleggen et cetera. Die behandeling gaat nog komen en dan kunt u daar iets over zeggen.

Voor de motie op stuk nr. 115 geldt een beetje hetzelfde als voor de eerdere discussie, maar die heb ik nu met mevrouw Bikker et cetera. Ik kan deze motie oordeel Kamer geven als ik de motie zo mag lezen dat zij het kabinet oproept om voortgang te maken met de wijziging van de Financiële-verhoudingswet. Dan is het "oordeel Kamer", want zoals ik net al uitlegde, maakt die wet er een bijzondere fondsenuitkering van, waardoor het Rijk meer info kan opvragen.

De voorzitter:
Ik kijk naar de reactie van mevrouw Bikker. Ik zie non-verbale instemming. Daarmee wordt de motie aan het oordeel van de Kamer gelaten.

Minister Van Oosten:
Dank u wel.

De motie op stuk nr. 116 van mevrouw Bikker gaat over drugs. Ik zou willen vragen of deze motie aangehouden kan worden. Ik zou deze motie misschien ontijdig moeten noemen. Dat komt omdat er nu samen met het ministerie van VWS een campagne is ontwikkeld waarmee we jongeren in studentensteden hiervan op de hoogte brengen. Dat weet mevrouw Bikker als geen ander. Die campagne wordt nu geëvalueerd en het is belangrijk om die evaluatie te kunnen meenemen. Het is vervolgens aan het nieuwe kabinet om op basis daarvan te wegen hoe het daarmee verder wil gaan. Mijn verzoek aan mevrouw Bikker is om dit een kans van slagen te geven. Laten we even op de evaluatie wachten. Dat was eigenlijk ook mijn opmerking richting de heer Van den Brink in het debatje dat wij hadden.

De voorzitter:
Is deze appreciatie overtuigend genoeg om de motie aan te houden, mevrouw Bikker?

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Nou, ik zou mee willen geven dat die evaluatie juist prima betrokken kan worden bij het voortzetten van de campagne, maar dat die er niet toe mag leiden dat de campagne stopt. Daarom breng ik de motie gewoon in stemming.

De voorzitter:
Dat betekent dat de motie de appreciatie ontijdig krijgt.

Minister Van Oosten:
Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 117. Dat is de motie over roken, van mevrouw Bikker. Deze motie is overbodig. Preventiebeleid valt overigens onder de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport. Cannabis en tabak hebben overeenkomsten in gebruikswijze, maar de context verschilt wel weer wat. Bij de middelenpreventie op scholen is ook aandacht voor zowel cannabis als tabak. Om die reden is de motie overbodig.

Dan de motie op stuk nr. 123, van onder meer de heer Struijs. Die motie ontraad ik. Dat heeft te maken met die wettelijke definitie, maar ik heb wel aangeboden om samen met VWS en met betrokken instanties na te gaan in hoeverre die ontbreekt, en uw Kamer daarover te informeren.

Dan de motie op stuk nr. 125, van mevrouw Schilder en mevrouw Coenradie. Deze motie beschouw ik als overbodig. Mijn departement verkent al de wenselijkheid en de consequenties van de invoering van minimumstraffen. Ik ga daarover althans gesprekken voeren en daarover terugrapporteren aan uw Kamer.

Dan de motie op stuk nr. 126, onder meer van mevrouw Schilder. Dit is volgens mij de laatste motie. Deze motie ontraad ik. Het OM is onafhankelijk en stelt zelfstandig strafvorderingsrichtlijnen vast.

Ten slotte, voorzitter, nog één zin. Mede namens de staatssecretaris heel veel dank aan alle medewerkers van mijn departement voor al het werk dat is verzet.

Dank u wel.

De voorzitter:
Wij sluiten ons bij die dankzegging aan. Ook aan u dank, minister, voor de beantwoording in tweede termijn. Het woord is aan de staatssecretaris.

Staatssecretaris Rutte:
Voorzitter, dank u wel. Ik heb ook een heel pakket aan moties om doorheen te gaan, maar ik wil toch eerst beginnen met een paar vragen die aan mij zijn gesteld.

Ik begin met de door de heer Ellian gestelde vraag naar aanleiding van berichtgeving in De Telegraaf. Het kortste antwoord, maar daar zal ik het niet bij laten, is dat ik niet op individuele gevallen in kan gaan. Dat blijft ook zo, maar ik heb wel de behoefte om wat uitleg te geven. In het algemeen kan ik echt begrijpen dat herplaatsing in een ander regime van criminelen die in een ebi zitten, enorme gevoelens losmaakt in de maatschappij. Daarbij geldt in algemene zin wel dat plaatsing in de ebi en de jaarlijkse toetsing daarvan zeer zorgvuldig plaatsvinden. Ieder jaar opnieuw moet dat beoordeeld worden. Dan moet beoordeeld worden of de plaatsing kan worden verlengd of dat er ruimte moet worden geboden aan een ander regime. DJI beoordeelt dat op basis van concrete, betrouwbare en actuele informatie van DJI zelf, van de politie en van het Openbaar Ministerie. Als er geen onaanvaardbaar maatschappelijk risico aanwezig is, en de gedetineerde dus niet meer voldoet aan de plaatsingscriteria binnen de ebi, vindt afschaling plaats naar een lager beveiligingsniveau. In dat geval, dus als iemand vanuit de ebi wordt afgeschaald, zou dat dan de Afdeling Intensief Toezicht zijn. Als er overigens weer nieuwe risico's worden gezien, kan iemand ook weer worden opgeschaald. Dat gaat op dezelfde manier. Al met al vindt dit dus, als het gebeurt, zeer zorgvuldig plaats. Ik weet ook dat de DJI dit soort beslissingen neemt met alle zorgvuldigheid en op grond van zeer betrouwbare informatie vanuit de organisatie zelf, de politie en het OM.

De voorzitter:
Eén hele korte vervolgvraag, meneer Ellian.

De heer Ellian (VVD):
Kijk, als Astrid of Sonja Holleeder of andere slachtoffers en nabestaanden dit horen, denk ik dat ze in tranen uitbarsten. Deze man is veroordeeld tot levenslang voor het vijf keer opdracht geven tot moord. Ik begrijp dat de staatssecretaris niets gaat doen, hoewel ik al twee jaar waarschuw voor dit risico. De man komt in een lager regime, met alle gevolgen van dien voor de samenleving. Ik zal er alles aan doen om ervoor te zorgen dat die man blijft waar hij zit, namelijk in de ebi. Ik hoop dat de staatssecretaris die moeite in ieder geval ook wil doen.

Staatssecretaris Rutte:
Ik kan niet op deze individuele zaak ingaan. Uiteindelijk wordt de afweging gemaakt op basis van informatie vanuit DJI, de politie en het OM.

De voorzitter:
U vervolgt.

Staatssecretaris Rutte:
Hoe die informatie eruitziet, weet ik niet.

Gevraagd werd, ik denk door mevrouw Michon, of wij online alles op orde hebben bij de handhaving van een contact- en gebiedsverbod, wanneer gebruik wordt gemaakt van anonieme accounts. De politie heeft aangegeven dat er soms een gebrek wordt ervaren aan bevoegdheden of mogelijkheden om te komen tot inzicht daarin, met name als er gebruik wordt gemaakt van anonieme socialmedia-accounts of onbekende telefoonnummers. Daarom verkent de minister de komende periode samen met de betrokken organisaties of de bestaande bevoegdheden volstaan en of er aanvullende beleidsmatige of wetgevende maatregelen nodig zijn.

De heer Ellian vroeg mij opnieuw naar het regime binnen de ebi. Hij vroeg of daar altijd individueel of in een groep wordt gewerkt. Dit wordt een herhaling van zetten, want wij hebben vaak hierover van gedachten gewisseld. We zijn het gewoon niet eens. Pas na zorgvuldige afweging samen met het OM en de politie om te bezien of het veilig is, kan worden besloten of een gedetineerde in een kleine groep kan deelnemen aan bepaalde activiteiten. Uiteindelijk heeft dat te maken met zowel de Penitentiaire beginselenwet als artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens. Maar alleen als het kan! Als er signalen zijn dat het niet kan, dan wordt het teruggedraaid of vindt het niet plaats.

De heer Ellian (VVD):
Voorzitter, ik ...

De voorzitter:
Meneer Ellian, we hebben het debat gevoerd. Ik heb hier veel ruimte voor gegeven. Een vervolgvraag ter verduidelijking mag, maar het debat is op zich gevoerd.

De heer Ellian (VVD):
Nou, ik moest even nadenken en ik ga het wel doen, want dit is geen antwoord op de vraag die ik gesteld heb. Ik heb aan beide bewindspersonen hierover een vraag gesteld. Er zijn twee grote netwerken in Nederland. Die leden zitten vast in de ebi. Hoe komt dit kabinet erbij dat die mensen onderling contact mogen hebben?

Staatssecretaris Rutte:
Tot op dat niveau doe ik als bewindspersoon niet de beoordeling. Ik laat dat echt aan de deskundigen die daarin via de verschillende organisaties ...

De voorzitter:
Helder, helder. We vervolgen de beantwoording.

Staatssecretaris Rutte:
... Daar heeft het mee te maken.

Mevrouw Straatman vroeg naar de capaciteit van het Juridisch Loket en dan met name naar zorg en veiligheid voor mensen met ingewikkeld gedrag. Wij herkennen niet direct dat een groot deel van de capaciteit van het Juridisch Loket opgaat aan niet-juridische vragen en problemen. Er is vaak wel een samenhang van het probleem met andere omliggende problemen, maar dat erkende mevrouw Straatman natuurlijk ook wel. Daarom zetten we al jaren in op versterking van de samenwerking tussen het sociale en het juridische domein voor interdisciplinaire hulp, indien nodig. De kwartiermaker, mevrouw Marijnissen, gaat hier ook specifiek naar kijken.

De voorzitter:
De moties!

Staatssecretaris Rutte:
Ja, goed. Ik ga naar de moties en ik begin met de eerste motie.

De voorzitter:
Dat mag kort en bondig.

Staatssecretaris Rutte:
Moet u maar eens kijken hoe snel ik dat kan! De motie op stuk nr. 79: oordeel Kamer. Nou, daar heeft nooit iemand een probleem mee, toch?

De voorzitter:
Kijk, die is al binnen.

Staatssecretaris Rutte:
De motie op stuk nr. 83 van de heer Ellian: oordeel Kamer. We gaan snel.

De motie op stuk nr. 85 van mevrouw Abdi en anderen over een eigen cao voor het gevangeniswezen moet ik ontraden. Ik heb er wel begrip voor, maar alleen een uitzondering voor DJI leidt weer tot een onwenselijke uitwerking voor andere uitvoeringsorganisaties binnen het Rijk; daarom ontraden.

De voorzitter:
Dan de motie op stuk nr. 87.

Staatssecretaris Rutte:
Ik kom nu inderdaad op de motie op stuk nr. 87. Ik zal u zeggen dat die ontijdig is. De oproep is duidelijk. Die steun ik ook, maar we moeten een en ander echt eerst onderzoeken in vier pilotgemeenten. Op basis daarvan kunnen we vervolgstappen zetten. Daar kan ik niet op vooruitlopen.

De voorzitter:
Houdt mevrouw Mutluer de motie aan? Het mag ook non-verbaal, mevrouw Mutluer!

Staatssecretaris Rutte:
De uitkomsten van de pilots zullen in 2027 komen.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Wij willen daar niet op wachten. Voor mijn part neem je de uitgangspunten vanuit de Kamer mee in de pilot, maar we gaan niet wachten, dus we gaan de motie gewoon indienen.

De voorzitter:
Dan krijgt de motie op stuk nr. 87 de appreciatie ontijdig.

Staatssecretaris Rutte:
Ik moet de motie op stuk nr. 88, ook van mevrouw Mutluer en anderen, ontraden. Die gaat over Filomena. Daar zijn we positief over, maar dit ligt gewoon echt niet bij mij. Dit ligt bij de staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg. Wat dat betreft kan ik daar nu geen uitspraak over doen. Op basis daarvan moet ik de motie ontraden.

De voorzitter:
Dan de motie op stuk nr. 97.

Staatssecretaris Rutte:
De motie op stuk nr. 97, van de heer Van Dijk, moet ik ook ontraden.

Dat geldt ook voor de motie op stuk nr. 98.

Ik kom bij de motie op stuk nr. 104, van mevrouw Straatman. Die geef ik oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 105, van mevrouw Coenradie en anderen, moet ik ontraden. Ik heb er wel veel sympathie voor, maar een afweging maken over zaken als contact- en gebiedsverboden kan de staatssecretaris niet zelf; dat blijft bij het bevoegd gezag. Ik kan het dus niet borgen. Op basis daarvan kan ik de motie dus ook niet uitvoeren, mocht die worden aangenomen. Daarom moet ik hem ontraden.

We gaan door met de motie op stuk nr. 106, van mevrouw Coenradie en anderen. Die geef ik oordeel Kamer.

Veel sneller dan dit kan ik het toch niet doen. Ik ben inmiddels bij de motie op stuk nr. 118, van mevrouw Dobbe. Zelfs de voorzitter kan het nauwelijks bijhouden!

De voorzitter:
Heel fijn.

Staatssecretaris Rutte:
De motie op stuk nr. 118 gaat over vrouwenrechtswinkels. We hebben in 2025 voor verschillende rechtswinkels al wel structureel budget beschikbaar gesteld, €400.000. Maar de motie zoals die hier ligt, moet ik helaas wel ontraden.

We gaan door met de motie op stuk nr. 119, ook van mevrouw Dobbe en van mevrouw Abdi. Die moet ik ontraden. De motie gaat over de kantoortoeslag. Die zijn we aan het bekijken in samenhang met eventueel mogelijke andere maatregelen en de financiële impact op dit moment. We zien de kantoortoeslag ook niet als enige oplossing.

Dan ga ik door met de motie op stuk nr. 120. Die moet ik ontraden. Ik ga hier gewoon niet over. Het gaat over salariëring van de gevangenismedewerkers.

Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 121. Die gaat over het contact tussen kinderen en gedetineerden. Ik heb in de schriftelijke beantwoording ook aangegeven dat we daar wel zo veel mogelijk rekening mee houden. We zijn ook bereid om dit te onderzoeken, maar ik kan het niet zo hard waarmaken als hier in de motie staat. Dus ik zou 'm moeten ontraden, maar ik ben ook wel bereid om te zeggen "ontijdig", want dan komt het onderzoek naar u toe en dan kunt u op basis daarvan beslissen of dat voldoende is. Dus vooralsnog zou ik zeggen "ontijdig", maar daar heb ik wel mevrouw Dobbe bij nodig.

De voorzitter:
Nou, dan is de vraag of mevrouw Dobbe bereid is om de motie aan te houden. Dat wil ze niet. Dan krijgt 'ie "ontijdig".

Staatssecretaris Rutte:
O, is dat zo? Dan wordt 'ie ontijdig? Prima. De Kamer doet daarmee wat zij zelf wil.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 122.

Staatssecretaris Rutte:
Zeker. De motie op stuk nr. 122. Dan zitten we ook weer op het terrein van de staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg. Wat hier staat valt onder haar verantwoordelijkheid. Ik zou zeggen: houd 'm aan, dan kan de motie besproken worden bij de begrotingen van VWS.

De voorzitter:
Daar is de heer Struijs niet toe bereid. Dan krijgt de motie de appreciatie "ontijdig".

Staatssecretaris Rutte:
Ja, ontijdig doen we dan.

De voorzitter:
Uw laatste motie.

Staatssecretaris Rutte:
Ja, dan kom ik bij de laatste motie, op stuk nr. 48, van mevrouw Schilder. We eindigen met een positief moment; ik zeg oordeel Kamer. Het is onvoorstelbaar.

De voorzitter:
Die heeft u binnen, mevrouw Schilder. Oordeel Kamer.

Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de tweede termijn van de zijde van het kabinet. Ik dank de bewindspersonen voor hun aanwezigheid bij de behandeling van de begroting en de leden van de Kamer voor de medewerking.

De algemene beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:
Ik schors een ogenblik voordat we verdergaan met het volgende debat. Over de ingediende moties zal aanstaande dinsdag worden gestemd. De vergadering is voor een kort ogenblik geschorst.