Begroting Justitie en Veiligheid (36800-VI) voortzetting (ongecorrigeerd)
Stenogram
Nummer: 2026D04425, datum: 2026-01-29, bijgewerkt: 2026-01-30 10:15, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-01-29 10:16: Begroting Justitie en Veiligheid (36800-VI) voortzetting (Plenair debat (wetgeving)), TK
Preview document (🔗 origineel)
Begroting Justitie en Veiligheid 2026
Begroting Justitie en Veiligheid 2026
Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:
het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (VI) voor het jaar 2026 (36800-VI).
(Zie vergadering van 28 januari 2026.)
De voorzitter:
Dan zijn we aanbeland bij de voorzetting van de behandeling van de
begroting Justitie en Veiligheid. Ik heet van harte welkom de minister
van Justitie en Veiligheid, alsook de staatssecretaris van Justitie en
Veiligheid, voor de eerste termijn van de zijde van het kabinet.
Door mij zijn schriftelijke antwoorden ontvangen van de minister van
Justitie en Veiligheid en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
op vragen, gesteld in eerste termijn.
Deze antwoorden zullen worden opgenomen in een bijvoegsel bij de
Handelingen van deze vergadering.
(Het bijvoegsel is opgenomen aan het eind van deze editie.)
De algemene beraadslaging wordt hervat.
De voorzitter:
Ik geef de minister het woord en zou hem willen vragen of hij ons,
voordat hij zijn inleiding uitspreekt, wil meenemen in hoe hij zijn
beantwoording heeft gestructureerd. Dan hebben we het over de blokjes.
Dan weten we een beetje wanneer we de interrupties kunnen toelaten voor
de leden van de Kamer.
Minister Van Oosten:
Dank u wel, voorzitter. Ik begin dadelijk met een korte spreektekst
rondom het rapporteurschap van de zijde van de Kamer. Dat zou ik willen
separeren, voor zover u dat ook wenst, van de rest van de
begrotingsbehandeling, om dat duidelijk te markeren. Daarna ga ik door
met de reflectie van de zijde van het kabinet, van de zijde van de
minister van Justitie en Veiligheid, ten aanzien van de voorliggende
begroting. Dat sorteer ik aan de hand van goed beschouwd drie blokken:
georganiseerde criminaliteit/ondermijning, een blokje internationaal en
een blok nationale veiligheid.
De voorzitter:
We hebben het genoteerd.
Minister Van Oosten:
Dank u wel. En aan het eind volgen de appreciaties rondom de
amendementen.
De voorzitter:
Vanzelfsprekend. Gaat uw gang. We hangen aan uw lippen.
Minister Van Oosten:
Dank u wel, voorzitter. Ik begin met de bijdrage van de rapporteurs,
mevrouw Mutluer en de heer Ellian, over de prestaties in de
strafrechtketen. De staatssecretaris en ik delen wat dat betreft exact
dezelfde ambitie en hebben hetzelfde doel: een effectieve en efficiënte
strafrechtketen. Het is van groot belang dat voor zowel slachtoffers als
verdachten dat recht tijdig wordt gedaan.
Ik licht graag toe hoe we dat voor onszelf voor ogen zien. Er ligt
namelijk een concreet verbeterplan als het gaat om die strafrechtketen.
Dat hebben we ook toegelicht in twee recente brieven die we aan uw Kamer
hebben gestuurd, eentje halverwege het afgelopen jaar en eentje op 16
december. Daarin zitten twee onderdelen: een gezamenlijke
meerjarenagenda voor de ketenpartners en mijn ministerie, en maatregelen
van het ministerie ter versterking van de coördinatie, regievoering en
verbetering van het inzicht in de prestaties van de keten.
Op dit ogenblik wordt er door al die verschillende ketenorganisaties en
het departement met volle inzet gewerkt aan de implementatie van die
maatregelen. Persoonlijk heb ik echt wel de overtuiging — de
staatssecretaris en ik hebben dus ook zelf bij dat overleg gezeten — dat
iedereen ook ten diepste beseft dat het ongelofelijk belangrijk is voor
de samenleving, voor de slachtoffers en voor iedereen die in die keten
werkzaam is, dat we hier stappen in zetten.
Ik ben het namelijk wel met de rapporteurs eens en ik kan die kritische
noot onderschrijven: het duurt wel erg lang. Dan mag ik ook het feit in
herinnering brengen dat dit een thema is dat al jaren op de agenda
staat. De staatssecretaris en ik herkennen dit ook van zoveel jaar
terug. Dus we moeten daar echt mee aan de slag blijven gaan. Dat neemt
niet weg dat mijn overtuiging echt is dat alle partners die daar zitten,
daar stevig aan werken. Dat geldt ook voor het ministerie en dus ook
voor de betrokken bewindspersonen.
Ik vind wel dat u frequenter op de hoogte moet worden gehouden van de
voortgang. Daarom gaan we u vaker rapporteren, om te beginnen twee keer
per jaar. Als u aan de hand daarvan zegt dat het strakker en scherper
moet, dan gaan we dat met elkaar delen. Maar ik noem ook de andere kant
van de medaille. Ik acht het niet zinvol om op dit moment — dat hoor ik
ook in de bijdrage van de beide rapporteurs een beetje terugkomen — de
koers geheel te verleggen, een heel nieuw plan te maken, een deltaplan,
zoals mevrouw Mutluer het noemde. Dat zou ik nu echt een stap te ver
vinden. Geef nu ook de ruimte aan de organisaties om te laten zien wat
ze met elkaar waard zijn, inclusief het ministerie. Wacht af wat we
daarover rapporteren. Dan kunnen we altijd nog zien of er verder stappen
nodig zouden zijn.
Ten slotte. Over de aanwijsbevoegdheid wil ik nog het volgende zeggen.
Ik hoop dat u kan billijken dat ik, net als mijn ambtsvoorgangers, om
rechtsstatelijke redenen zeer terughoudend ben met de inzet van dat
middel. Ik wijs erop dat er specifiek met betrekking tot de
bedrijfsvoering ook helemaal geen verschil van inzicht bestaat tussen de
ketenorganisaties en onszelf, de staatssecretaris en de minister, over
wat er moet gebeuren om de prestaties te kunnen en te willen verbeteren.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Interrupties in maximaal drievoud en graag kort.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Volgens mij ziet deze minister niet hoe urgent de situatie is. We hebben
niet voor niets drie jaar terug samen met collega Ellian een
parlementaire verkenning gedaan naar de vastgelopen strafrechtketen. Er
kwamen heel stevige conclusies en aanbevelingen uit voort. De Algemene
Rekenkamer is tot op de dag van vandaag nog steeds superkritisch. Er
ligt een zogenaamd verbeterplan, maar we zien weinig verbeteringen.
Eigenlijk eist deze hele commissie dat er aan de teugels wordt getrokken
en dat er een deltaplan komt. Waarom wilt u dat niet doen? Ziet u de
urgentie niet?
Minister Van Oosten:
Integendeel, ik zie die urgentie, zeg ik via de voorzitter tegen mevrouw
Mutluer. Ik heb de urgentie zelf ook uitgesproken in het overleg dat we
hebben. Ik gaf hier ook mijn reflectie op de afgelopen jaren. Ik zat aan
tafel op mijn ministerie, waar ik nu de politieke leiding van heb, en
heb daar gesproken met al die partners en ketenorganisaties. Daar zag ik
dat iedereen hiervan doordrongen is en dat er ook stappen zijn gezet.
Dat laat ik u ook zien in de brieven. In de komende brief wil ik u dat
ook weer verder laten zien. Dat moeten we nu vasthouden. Dat moeten we
niet doorbreken door het ineens volstrekt anders te willen doen, nog los
van het feit dat deze organisaties ook in een zekere onafhankelijkheid
mogen acteren. Maar we moeten er scherp bovenop zitten, want de
samenleving verdient beter op dit punt. Daar is iedereen het mee
eens.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Ik vind het kabinet en deze minister gewoon niet scherp op dit
onderdeel, totaal niet. Ik geloof echt dat het OM, de politie en de
rechtspraak afzonderlijk stappen zetten, maar we hebben heel
nadrukkelijk gezegd dat de ketenoverstijgende samenwerking veel strakker
moet. De digitalisering moet veel strakker. In de antwoorden van de
minister lees ik dat zelfs de digitalisering geen onderdeel wordt en is
van het verbeterplan, terwijl dat cruciaal is. Het duurt heel lang
voordat een jeugdzaak daadwerkelijk kan volgen en losgelaten kan worden
op andere zaken.
De voorzitter:
En uw vraag?
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Onderkent de minister dat dit geen goede zaak is? Onderkent hij dat je
ten behoeve van de slachtoffers wel een wat steviger plan nodig hebt,
met duidelijke regie?
Minister Van Oosten:
Ik onderken van meet af aan — daar begon ik mijn bijdrage ook mee — dat
dit echt, écht een punt van aandacht en ook een punt van zorg is als we
het niet kunnen oplossen. Maar ik zeg er ook bij dat ik ervan overtuigd
ben dat iedereen dat wel beseft en het wil oplossen. Dat is de reflectie
die ik teruggeef, nadat ik zelf aan die tafel heb gezeten en heel
indringend met alle vertegenwoordigers van deze organisaties heb
gesproken. Ik zeg u ook toe dat ik u frequenter ga rapporteren, zodat u
de vinger aan de pols kunt houden en we daarna ook kunnen spreken over
wat er verder nog nodig is. Misschien kunt u een keer een briefing
organiseren om zelf met de betrokken organisaties te kunnen praten over
waar er eventueel een euvel zit. Maar het is niet zo dat er niks is
gebeurd. Integendeel, maar het is wel complex en ingewikkeld. Daarom
moeten we er scherp bovenop zitten, want het duurt wel verrekte lang.
Dat ben ik met u eens.
De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Mutluer.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
De wil is er, maar in mijn beleving gebeurt er in de praktijk te weinig.
Het mag sneller. Twee keer per jaar een bestuurlijk ketenberaad is
allemaal leuk en aardig, maar wij willen meer. Ik overweeg namens vele
andere collega's hier om straks een motie in te dienen, want dit
antwoord is wat ons betreft niet voldoende.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ik denk dat de rapporteurs hebben gesproken namens de hele Kamer. De
zorg is ook namens de hele Kamer. We zien dat de doelen goed zijn. Ik
twijfel ook geen seconde aan de inzet van alle mensen. Die is heel goed.
Het is ook vanzelfsprekend dat er een rechtsstatelijk onderscheid is.
Het ministerie van Justitie heeft zich te verhouden tot het Openbaar
Ministerie, ook ten aanzien van de zelfstandigheid. Maar we kunnen niet
hebben dat we op alle fronten zien dat er onvoldoende gebeurt, terwijl
de wereld keihard beweegt. We leven in een woelige tijd. We weten dat er
veel gevraagd zal worden van de strafrechtketen. Dan is het nodig dat
het ministerie van Justitie de regie neemt, want anders zal het
achteraanlopen. Juist daarom denk ik dat de minister met uitgestoken
hand naar deze Kamer kan kijken. Dat geldt ook voor degenen die hierna
op het ministerie van Justitie aan de slag gaan. Want de oproep van deze
Kamer kan helpend zijn in tijden van bezuinigingen. Dus minister, pak 'm
aan en zie wat u hier hoort van de rapporteurs als kans om de
strafrechtketen te versterken.
Minister Van Oosten:
U kunt ervan op aan dat ik als minister — dat geldt ook voor de
staatssecretaris; daar durf ik ook voor te spreken — echt wel wat doe
met de signalen en geluiden die we uit deze Kamer halen. Ik gaf net ook
al aan dat ik in het gesprek met al die ketenpartners — daaruit wil ik
niet te veel citeren, want dat is een intern gesprek geweest, maar ik
mag natuurlijk zelf wel zeggen wat ik wil zeggen — de herinneringen heb
aangehaald die ik had van zoveel jaren terug. Voor een deel zag ik
herkenning in waar we nu zitten. Dat is niet goed. Ik verwacht dus ook
dat dit verbetert. Ik zeg er alleen wel bij — dat was voor mij wel een
nieuwe ervaring toen ik aan die tafel zat, wat ik als Kamerlid niet deed
— dat ik echt wel proef dat die urgentie er is. Ik heb de overtuiging
dat men eraan werkt. Er is een verbeterplan gemaakt, waarover ik
frequenter aan u wil rapporten. U kunt ervan op aan dat het signaal dat
u wederom geeft — al dan niet in een motie, maar van mij hoeft er geen
motie te komen, want ik snap de urgentie heus wel — voldoende is om dat
heel luid en duidelijk over te brengen aan de organisaties die het
betreft, waaronder mijn eigen ministerie.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
In een land waarin we momenteel helaas eens in de twee jaar landelijke
verkiezingen hebben — ik zou die graag weer eens in de vier jaar hebben,
maar dat terzijde — is het gevaar dat de Kamer alleen maar toekomt aan
breien en niet aan voetballen. Wat bedoel ik daarmee? Er wordt wel
eindeloos heen en weer gegaan, maar we hebben het niet strak over de
doelpunten die gescoord moet worden, en over het moment waarop. Ik vind
echt dat daar een schepje bovenop moet, zodat we voorkomen dat deze
Kamer en de minister hier telkens alleen maar staan met een soort
ongenoegen aan de hand van individuele cases of van Rekenkamerrapporten.
We moeten het stevig hebben over welke verbetering we zien en over wat
er nodig is om de ICT op orde te krijgen in de strafrechtketen in de
breedte. Daar moeten we ook duidelijke financiële plaatjes bij zien, in
plaats van dat het ministerie van Financiën alleen maar dicteert "gij
zult efficiënt zijn" en we vervolgens met de gebakken peren zitten.
Minister Van Oosten:
Maar dan wil ik toch even terugkoppelen dat er bijvoorbeeld op het
terrein van zeden en jeugd — dat is ook opgebracht door de rapporteurs —
wel degelijk echt stappen zijn gezet die hoogstnoodzakelijk zijn voor de
samenleving, omwille van slachtoffers et cetera. Het is dus veel meer
dan alleen een financieel vraagstuk of innovatievraagstuk over
digitalisering. Het heeft er ook plat mee te maken, als ik het zo mag
uitdrukken, hoe je zorgt dat het werk van de politie aansluit op het
werk van het Openbaar Ministerie, van de rechterlijke macht, van de
reclassering, van de Raad voor de Kinderbescherming en noem het zo maar
op. Dat is in zijn totaliteit best ingewikkeld, maar ik ben er echt van
overtuigd — nu val ik in herhaling — dat er met grote urgentie aan wordt
gewerkt. Ik wil daar vaker over aan u rapporteren, zodat u dat scherper
kunt volgen en ook concreter en zichtbaar wordt wat er gebeurt.
De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Bikker.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Vooruitkijkend, alleen al op de domeinen die de minister noemt, jeugd en
zeden. Als ik op werkbezoek ga, hoor ik eigenlijk keer op keer op keer
hoe de mensen in de strafrechtketen keuzes moeten maken, omdat ze weten
dat ze niet alles kunnen aanpakken. Deze maatschappij heeft heel wat
nodig om dit weer in de vingers te krijgen op een manier waarmee de
overheid het publieke domein weer veilig maakt, niet alleen offline maar
ook online. Juist daarom vrees ik dat we eigenlijk onvoldoende de vinger
aan de pols houden als we hier ondanks alle goede bedoelingen te slap
acteren. Dan blijven mensen naar elkaar wijzen, want dat kan makkelijk
in een keten. Ik vind het dus mooi dat de minister toezegt terug te
koppelen. Daar ben ik blij mee. Maar ik denk echt dat er een tandje bij
moet, ook om die urgentie te benadrukken.
Minister Van Oosten:
Ik heb mevrouw Bikker gehoord. Ik wacht verdere keuzes van de zijde van
de Kamer op dit punt af. Ik heb ook duidelijk gemaakt hoe ik erin zit en
hoe ik dat heb ervaren, en dat ik er vaker aan u over wil terugkoppelen,
zodat u heel scherp aan de wind kunt blijven varen. Want daar gaat het
om; dat doel willen we allemaal bereiken.
De heer Ellian (VVD):
Dank dat u dit toestaat, voorzitter, want we hebben als rapporteurs ook
een aparte inbreng geleverd die alle collega's aangaat.
Voelt de minister dat de Kamer wat ongemak heeft? Deze minister is nu de
derde met wie we het debat hebben over de prestaties in de
strafrechtketen. We horen elke keer hetzelfde. Met alle respect en
waardering voor degenen die elke dag bezig zijn, zoals bij het
Bestuurlijk Ketenberaad: er verandert niets. Maar wij willen zo graag
een cultuurverandering zien.
De voorzitter:
En uw vraag.
De heer Ellian (VVD):
Is de minister bereid om die cultuurverandering teweeg te brengen?
Minister Van Oosten:
Ik vind "cultuurverandering" gelijk weer zo'n term. In the end moet het
gewoon op elkaar aansluiten, moet er niet onnodig tijd verspild worden
en moet er volle aandacht zijn voor slachtoffers en voor de aanpak van
criminaliteit. Wat mij betreft zijn al deze organisaties daarop gericht.
Dat vergt in die zin volgens mij geen cultuurverandering. Maar het moet
wel strakker, scherper en beter, want het terugdringen van de
doorlooptijden duurt te lang. Tegelijkertijd zie ik ook verbeteringen:
bij jeugd, zeden en veelvoorkomende criminaliteit zie ik dat de
voorraden worden teruggedrongen. Ik heb toegezegd u frequenter te
rapporteren. Dat is nodig, want het is ook uw taak. Het kan zonder meer
helpen als u zich aan de hand van die brieven uitdrukkelijk blijft
uitspreken over of het u bevalt of niet, want dat nemen de
bewindspersonen — wie dat ook zijn — mee terug naar de tafel.
De heer Ellian (VVD):
We zullen ons uiteraard blijven uitspreken. Ik denk dat andere
rapporteurs dan collega Mutluer en ik dat zullen doen. Het is inderdaad
goed dat anderen dit ook verder gaan oppakken. De cultuurverandering is
een diepgeworteld vraagstuk. Ook uit onderzoeken van de Rekenkamer
blijkt dat de belangen in de keten aan het eind van de dag verschillend
kunnen zijn. Ook de financiële belangen zijn niet op elkaar afgestemd;
de financiering is anders. De uitdaging wat betreft de
cultuurverandering is: hoe zorg je ervoor dat iedereen in de keten
uiteindelijk naar hetzelfde doel toewerkt; moet je daarvoor geen
ketenoverstijgende doelen vaststellen? Is de minister bereid dat ten
minste te doen?
Minister Van Oosten:
Ik ben bereid in het volgende gesprek te verkennen of de partners daar
de noodzaak toe zien, zodat de doelen die we willen bereiken
daadwerkelijk gehaald worden, waaronder het verbeteren van de
doorstroomtijden. Dan kan ik daarover terug rapporteren aan u, leg ik
dat daar actief op tafel en kunnen we daarover spreken. Maar ik wil dat
wel aan de ketenpartners zelf overlaten. Ik denk dat het belangrijk is
dat we zorgen dat iedereen met urgentie aan dit doel blijft werken; daar
ben ik van overtuigd.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Voordat we vandaag wederom naar de woorden "verkennen", "evalueren",
"rapporteren" en "pilot" gaan luisteren, wil ik wel een kleine
winstwaarschuwing geven voor dit debat. Ik heb daar echt de grootst
mogelijke moeite mee. Wat mij betreft is het vijf over twaalf en moet er
veel meer urgentie zijn. Daar wordt ook om gevraagd vanuit de Kamer. Als
we dit bedrijfsmatig zouden benaderen, zouden we toch niet wachten op
herkenning en verkenning? Wat kan de minister nu nog concreter
toezeggen? Ik verwacht echt grotere stappen, grotere woorden en meer
daadkracht.
Minister Van Oosten:
Ik heb u gezegd wat ik heb gezegd. Voor bijvoorbeeld de doorlooptijden
zijn gezamenlijke doelen afgesproken. Daarover rapporteer ik netjes
terug aan u. Ik deel met u allen de urgentie die de rapporteurs hebben
opgebracht en dat er echt nog heel veel werk aan de winkel is. Ik geef u
ook terug dat er verbeterstappen zijn gezet, dat er een verbeterplan
ligt en dat ik verbeteringen zie. Het duurt wel lang. Het heeft ook wat
tijd nodig. Wat mij betreft heeft het al te veel tijd gekost. Die
urgentie moet je blijven uitspreken, en dat doe ik dus ook als
bewindspersoon. Maar ik kan het ook niet afdwingen bij iedereen. We
hebben het zo georganiseerd dat organisaties daar zelf over gaan. Maar
we moeten zorgen dat het beter kan. Iedereen heeft dat besef.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Dan begrijp ik in dezen dat de minister eigenlijk wel naast de Kamer
gaat staan, maar ook zegt "ik sta een beetje met mijn rug tegen de muur
in hoe we het met elkaar hebben georganiseerd", als ik het vrij mag
vertalen. Dan heb ik een andere vraag: wat heeft deze minister nodig om
grotere stappen te kunnen zetten; wat is er nodig vanuit deze Kamer? Dat
hoor ik heel graag.
De voorzitter:
De minister heeft het woord en hij spreekt via de voorzitter.
Minister Van Oosten:
Sorry, voorzitter. Ik denk dat u als Kamer moet blijven doen wat u doet.
Mijn advies zou zijn: blijf de bewindspersoon hier kritisch op
aanspreken. Ik ben voor de Kamer de spreekbuis richting al deze
ketenpartners. Ik heb al gedaan wat ik heb gedaan en wat ik u heb
verteld: ik heb die urgentie overgebracht omdat ik die herken, ook van
zoveel jaren terug, toen ik aan de andere kant in deze Kamer mocht
zitten. Ik vind dat het nog strakker en scherper moet. Ik vind dat je
van de bewindspersonen mag verwachten dat zij namens de Kamer en namens
de samenleving die inbreng leveren. Maar ik geef u ook mee dat dit niet
wordt betwist: die urgentie wordt echt wel gevoeld. Er zijn
verbeteringen zichtbaar, maar die moeten meer zichtbaar worden en er
moet vaker over gerapporteerd worden om de boodschap vaker terug te
leggen.
De heer Sneller (D66):
Maar dat kan ik niet rijmen met het antwoord aan de heer Ellian dat de
minister in een volgend overleg gaat verkennen of de ketenpartners zelf
de noodzaak zien voor het stellen van de doelen. Dat kan ik niet rijmen
met de motie van twee jaar geleden met het verzoek om dat te doen en met
de motie van mevrouw Mutluer en anderen, waarin de minister wordt
gevraagd te kijken wat hij kan doen met aanwijzingen om dit te
bevorderen. Dat past toch niet bij elkaar?
Minister Van Oosten:
Ik weet niet precies hoe het twee jaar geleden allemaal met elkaar is
gewisseld. Ik bedoel het volgende te zeggen. Het is heel belangrijk dat
ik bij die volgende tafel, als ik daarbij mag zitten, ook gewoon kan
reflecteren op wat ik hier heb opgehaald. Ik wil overbrengen dat ik in
den brede urgentie voel, maar ook een stukje ongemak, als ik het heel
neutraal geformuleerd mag uitdrukken, over de gemaakte verbeterstappen.
Daarbij wil ik ook het punt dat de heer Ellian opbracht overbrengen,
waarbij ik overigens opmerk dat we dat van die doorlooptijden ook hebben
gedaan. Zo heb ik dat bedoeld. Volgens mij moet het die werking ook
hebben.
De heer Sneller (D66):
Dan ga ik er toch van uit dat het antwoord richting de heer Ellian het
gevoel dat er blijkbaar wel is om die urgentie te verhogen, niet
helemaal weergaf. Het duurt inderdaad allemaal erg lang. Ik denk dat
daar niet alleen "laat het aan de ketenpartners" wordt gezegd, maar ook
"neem daarbij ook meer regie". Dat is volgens mij steeds het pleidooi
geweest. Die consistente lijn heeft de Kamer sinds de parlementaire
verkenning breed vastgehouden.
Minister Van Oosten:
Daar ben ik het ook volstrekt mee eens. Sterker nog, ik begon mijn
bijdrage op dit punt dus ook met een stukje reflectie uit 2012 en een
paar jaar daarna. Toen hadden we dezelfde discussie, zeg ik maar even.
Alleen, nu zit ik op een andere manier aan die tafel en breng ik heel
stevig in hoe ik dat toen heb ervaren. Vervolgens heb ik nu ook uw
inbreng gekregen. Die zal ik ook weer overbrengen; dat past wat mij
betreft heel prima in de lijn die u twee jaar geleden ook hebt besproken
in de Kamer. Die urgentie wordt namelijk gevoeld.
De voorzitter:
De minister vervolgt zijn beantwoording met het onderwerp georganiseerde
criminaliteit.
Minister Van Oosten:
Voorzitter. Dan kom ik bij al het overige van de begrotingsbehandeling,
als ik het zo mag zeggen. Voordat ik bij de georganiseerde criminaliteit
kom, zou ik een paar opmerkingen vooraf willen maken.
In de eerste plaats vanzelfsprekend dank aan uw Kamer voor de gestelde
vragen. Dank ook voor de indrukwekkende maidenspeeches. Mevrouw Abdi, u
heeft ons geleerd — dat vond ik toch wel mooi om te horen — dat je geen
jurist hoeft te zijn om onrecht te herkennen. Ik denk dat dat waardevol
kan zijn voor menigeen in deze zaal, onder wie voor mijzelf. Mevrouw
Straatman vertelde het verhaal over het gezin van haar oma, wat
natuurlijk een hele diepe indruk maakt. Haat bestrijden met liefde is
ook vandaag de dag van betekenis. Ik heb ook wel kunnen genieten van de
opmerking van mevrouw Schilder, die haar verantwoordelijkheidsgevoel
zelfs zo ver liet gaan dat ze er het zonnige Curaçao voor heeft willen
achterlaten; dank u wel daarvoor.
Voorzitter. Het is toch een beetje een aparte begrotingsbehandeling,
gegeven het feit dat we al wat verder in het jaar zijn opgeschoven en we
desondanks nog de gelden voor Justitie en Veiligheid moeten vaststellen.
Daarom hoop ik dat u mij permitteert dat ik ook nog iemand anders even
kort wil bedanken: de man die hier naast mij zit. Toen wij in augustus
en september werden opgeroepen om in één keer politiek leiding te geven
aan het ministerie van Justitie en Veiligheid … Het was natuurlijk toch
een beetje apart om dat zo te ervaren. Het heeft mij de afgelopen
maanden — we gaan wel zien wat het allemaal weer brengt — ongelofelijk
veel nieuwe ontmoetingen gebracht, levenslessen gegeven en kennis
opgeleverd. Ik ben wel ongelofelijk content dat ik dat samen met deze
man hier naast mij heb mogen meemaken, met wie ik in 2012 ben begonnen
in de Tweede Kamer en met wie ik onderwerpen heb kunnen behandelen die
we nu ook weer voorbij zien trekken. Dus dank je wel, Arno, zeg ik voor
één keer, voorzitter.
Voorzitter. Ik wilde verdergaan met de inhoud, want daarvoor zijn we
hier vandaag natuurlijk. Ik had mijn blokjes al aangegeven. Ik heb
gekozen om drie blokken neer te leggen: georganiseerde criminaliteit,
internationale veiligheid en nationale veiligheid. Ik wil vooraf nog één
zin zeggen. In dat ministerie — dat is mij wel gebleken — komen
dagelijks zo ongelofelijk veel relevante onderwerpen voorbij; dat merkt
u natuurlijk ook. Maar overal staat natuurlijk onze rechtsstaat centraal
— volgens mij begon de heer Sneller daar ook over in zijn bijdrage — en
hoe zuinig we moeten zijn op onze rechtsstaat. Mijn overtuiging en
inzicht zijn, nu ik deze maanden op dit ministerie rond heb gelopen,
opnieuw bevestigd, namelijk hoe ontzettend veel mensen elke dag bezig
zijn, al dan niet binnen hun eigen koker — dat is waar — om die
rechtsstaat te beschermen en te behoeden. Ik weet zeker dat ook de
staatssecretaris daar dadelijk in zijn inbreng, bij de verschillende
keuzes die hij dan weer heeft gemaakt ten aanzien van zijn spreektekst,
op terug gaat komen.
Georganiseerde ondermijnende criminaliteit. Het is terecht dat u daar
allemaal aandacht voor vraagt. Het is een strijd die, spijtig genoeg,
nooit klaar is. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat als je ergens een
drugslab oprolt, je helaas alweer snel ergens anders een drugslab ziet
opkomen. Als we linksom drugshandel onmogelijk maken, zoeken criminelen
steeds weer rechtsom een weg om drugs te smokkelen of te
verhandelen.
Het bestrijden van die georganiseerde criminaliteit zal dus altijd alle
aandacht van deze Kamer, van mijn ministerie en van alle diensten en
organisaties daaromheen moeten vergen. Ondermijning, zegt mevrouw
Michon-Derkzen terecht, is het betonrot voor onze rechtsstaat. Ik kan
niet anders dan het hartgrondig met haar eens zijn. Ik ben het volledig
eens met de heer Van den Brink: elk pilletje, elk lijntje dat gesnoven
wordt, of hoe het dan ook ingebracht wordt, heeft invloed. Het gaat om
invloed die te maken heeft met het kapotmaken van onze rechtsstaat, met
het versterken van de georganiseerde criminaliteit en met een jongere
die geronseld wordt om containers uit te halen. Ik heb in een vorige
functie gezien wat het voor zo'n jonge jongen betekent als die
vervolgens zijn complete toekomst vergald ziet worden omdat hij voor een
paar honderd euro zo ver gebracht is dat hij een paar van die drugsdozen
uit de haven gaat ophalen. Dat gebeurt zelfs met gevaar voor eigen
leven, bijvoorbeeld als zo'n container verkeerd om zou worden gezet en
de zuurstof opraakt. Het is meer dan verschrikkelijk. Willekeurige
voorbijgangers die terecht zouden kunnen komen in een vete tussen
drugscriminelen, zijn ook weer zo'n voorbeeld. We hebben ook steeds weer
veel voorbeelden gezien van schade die drugsafval aanricht in het
milieu. Het is dus in het belang van onze hele samenleving dat we alles
op alles zetten om die ondermijnende criminaliteit te voorkomen, te
doorbreken en zo streng mogelijk te bestraffen en om de samenleving zo
goed mogelijk te beschermen.
De heer Ellian vroeg in dat licht naar het oprollen van criminele
netwerken. Ik wil dan maar als voorbeeld geven dat er afgelopen week 24
industriële drugslabs zijn opgerold. Vijf daarvan waren er in Nederland.
Dat is dus een netwerk. Criminaliteit zie je echter niet alleen in het
groot; je ziet het ook in het klein, maar kleine criminaliteit kan grote
gevolgen hebben. Een van u — ik dacht dat het meneer Struijs was — begon
over het voorbeeld van een ambtenaar die onder druk wordt gezet om
informatie uit de basisadministratie voor persoonsgegevens door te
geven. Op basis van die informatie worden mogelijk vervolgens ergens
zware explosieven geplaatst. Ook dat heb ik zelf gezien: daarbij kan bij
wijze van spreken de complete gevel van een pand worden weggerukt. Dat
geeft ongelofelijk veel ellende voor de mensen in de woningen daaromheen
en de betrokkenen zelf. Dat geeft ook ellende voor de mensen die de
explosieven hebben geplaatst, want die zijn waarschijnlijk niet zo heel
bewust bezig geweest met wat ze aan het doen waren op het ogenblik dat
ze gesnapt werden. Ze hebben wel hun toekomst vergald — bij dit
voorbeeld kijk ik de heer Van den Brink weer aan — want dat is ook weer
de consequentie.
Inmiddels zijn er ook ambtenaren veroordeeld voor het verstrekken van
bijvoorbeeld valse paspoorten aan criminelen. Samen met de minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt er dan ook op ingezet om
de grootste kwetsbaarheden en risico's zo snel mogelijk de kop in te
drukken. Op die manier vergroten we de weerbaarheid van belangrijke
overheidsprocessen en -systemen.
Voorzitter. Dankzij een wijziging in de Opiumwet is het voor criminelen
ook moeilijker geworden om grondstoffen voor synthetische drugs te
verkrijgen. Het wetsvoorstel dat strafmaxima voor grootschalige
drugsdelicten verhoogt, wordt begin maart in uw Kamer behandeld. Met een
verbod op contante betalingen voor goederen vanaf €3.000 is het voor
criminelen moeilijker geworden om cash wit te wassen.
Voorzitter. Dan ga ik door naar het kopje internationaal. Ten aanzien
van die synthetische drugs wil ik nog een andere opmerking maken. Ik kom
er later nog op terug, maar toen ik een bezoek bracht aan de regio
West-Afrika is mij ook gebleken dat er bijvoorbeeld een risico kan zijn
dat synthetische drugs hier soms heel goedkoop in onderdelen worden
geproduceerd en vervolgens daarnaartoe worden geëxporteerd. Die maken
daar ook weer landen kapot en maken hier ongetwijfeld criminelen
ongelofelijk rijk. Dat is dus diezelfde georganiseerde criminaliteit die
we zo keihard moeten bestrijden.
Voorzitter. Kortom, criminaliteit houdt zich niet aan grenzen. Dat besef
is een belangrijk onderdeel in de internationale aanpak. Er gaat
namelijk veel meer achter schuil dan in het licht en in het zicht komt.
Ik wil deze begrotingsbehandeling aangrijpen om daar iets over te
vertellen, omdat mijn ervaring is dat het niet altijd zoveel aandacht
krijgt. Dat gebeurde althans niet in die jaren dat ik aan de andere kant
een bijdrage mocht leveren. Ik was deze week bijvoorbeeld bij Eurojust.
Dat is een grote organisatie, gevestigd hier in Den Haag, waar men werkt
voor alle landen in Europa en ook daarbuiten. Daar heb ik gezien dat
officieren van justitie uit al die verschillende Europese lidstaten heel
constructief, specifiek en specialistisch samenwerken in de bestrijding
van georganiseerde criminaliteit. Ik heb meegedraaid en een voorbeeld
gezien van hoe dat kan gaan, waarbij je bijvoorbeeld in Spanje,
Bulgarije en Nederland gelijktijdig acties moet draaien. Hoe zorg je er
dan heel gericht voor dat netwerken en rechtssystemen — die worden niet
op elkaar afgestemd, want die zijn zoals ze zijn — worden begrepen,
zodat er geen tijd verloren gaat? Wanneer er toevallig misschien nog een
vierde persoon uit weer een ander land is, gaat die op deze manier niet
vrijuit. Ik ben er ongelofelijk van onder de indruk. Goede
internationale relaties en vertrouwen zijn daarbij cruciaal.
Het is ook cruciaal om ervoor te zorgen dat criminelen uitgeleverd
worden aan Nederland. Ons ministerie heeft de afgelopen jaren middelen
en mensen geïnvesteerd in het aangaan en het verstevigen van die
relatie. Ik durf te zeggen dat Nederland hierin echt bijzonder is in de
wereld. Dat werpt zijn vruchten af. Zo zijn er in 2025 alleen al meer
dan tien voortvluchtige personen door de Verenigde Arabische Emiraten
aan Nederland overgedragen. Dat is een ongelofelijk goede prestatie, die
zo ongelofelijk belangrijk is en waar ongelofelijk hard aan is gewerkt
door mensen die wij nooit zien. Die moet u misschien beter ook maar niet
willen zien, omdat er heel veel belangen achter zitten. Ik heb gewoon
gemerkt hoe dat gaat en wat een vruchten het afwerpt als je daarin
investeert, Daar mag je als bewindspersoon een bijdrage aan leveren, hoe
klein die ook is.
Samen met het Openbaar Ministerie, de politie en andere partners in de
opsporing bekijken we voortdurend met welke andere landen het aangaan of
het verstevigen van dit soort samenwerkingsrelaties nodig is. Dat doen
we bijvoorbeeld door het sluiten van verdragen en het uitwisselen van
kennis en ervaring. Dat kan soms allemaal wat vaag en abstract klinken,
maar het is zo ongelofelijk cruciaal. We hebben nu met Colombia een
overeenstemming bereikt over een uitwisselingsverdrag. Er lopen
onderhandelingen in een afrondende fase over een rechtshulpverdrag met
dat land. Ik was in november in Ghana om te spreken met al de
verschillende West-Afrikaanse landen — ik gaf er net al blijk van — om
met elkaar de mogelijkheden te verbeteren en de samenwerking te
verkennen. Ja, dat is weer verkennen, zeg ik richting mevrouw Coenradie,
omdat ik het niet meteen kan afdwingen en niet meteen kan zeggen dat het
gebeurt. We moeten daar wel tijd in blijven investeren, om te
organiseren dat het in the end gerealiseerd wordt en dat Nederlandse
criminelen nergens ter wereld een veilige thuishaven vinden.
Voor die internationale samenwerking is slagkracht nodig. Daarom
investeren we hierin structureel 4 miljoen euro per jaar. Dat gaat naar
internationale, regionale en bilaterale samenwerkingsprojecten, waarmee
we ook liaisons financieren in Latijns-Amerika en West-Afrika.
Inderdaad, het gaat om politieliaisons buiten onze eigen rechtsstaat,
maar wel politieliaisons die onze rechtsstaat verdedigen en die bouwen
en werken aan contacten en relaties. Het is cruciaal om te weten waar
mensen zich opgeven en waar voor Nederland de gevaren ontstaan. Daarmee
kom ik aan een einde van het blokje internationaal.
De heer Ellian (VVD):
Ik voelde dat het einde van dit blokje naderde.
De voorzitter:
Dat is het politieke fingerspitzengefühl.
De heer Ellian (VVD):
Dat is niet het gevoel dat de voorzitter heeft! Ik wil de minister graag
het volgende vragen. Ik proef veel bereidwilligheid om internationale
netwerken op te rollen, maar er zijn natuurlijk ook een paar kerels
voortvluchtig. Sommigen zijn gewoon openbaar te zien op de
opsporingslijsten, zoals Jos Leijdekkers. Denk ook aan Edin G. in de
Emiraten, waar ik echt heel vaak naar heb gevraagd. De minister gaat
niet in op individuele gevallen; dat weet ik. Maar mag ik, gelet op deze
toch wel krachtige woorden van de minister, ervan uitgaan dat die landen
worden aangesproken? Ik bedoel dat ook tegen het Afrikaanse land waarvan
iedereen weet dat meneer Leijdekkers daar zit, wordt gezegd "u gaat deze
kerel geven", en dat tegen de Emiraten wordt gezegd "u gaat meneer
Gacanin aan ons geven". Zijn naam is openbaar, dus ik kan die
noemen.
Minister Van Oosten:
Tuurlijk mogen de heer Ellian en de rest van de Kamer erop rekenen dat
deze minister, dit ministerie en iedereen die hierin een rol speelt,
voortdurend bezig zijn met het terugbrengen van criminelen die een
veilige thuishaven durven te vinden in welk buitenland dan ook. Daar
laat ik het in zijn algemeenheid bij. Dat betekent dat je voortdurend
een weg zoekt om daar aandacht voor te vragen, dat je investeert in
contacten, dat je benadrukt welke relaties je juridisch sowieso na hebt
te leven en dat je misschien nieuwe verdragen sluit waar dat van
toepassing is.
Voorzitter. Dan nationale veiligheid. Ook dat is een taak van het
ministerie van Justitie en Veiligheid. Dat zien we natuurlijk heel vaak,
bijna elke dag, terug in Kamerdebatten over het werk van de politie et
cetera. Maar er gaat veel meer achter schuil; dat weet u allemaal
natuurlijk heel goed. Denk aan de onrustige wereld waarin we verkeren en
de conflicten die overal, ook buiten onze grenzen, snel en hoog
oplaaien. De dreiging voor onze nationale veiligheid is urgent en
complex. De grootste, meest zichtbare hybride en militaire dreiging — ik
ga u natuurlijk niks nieuws vertellen, maar het is toch goed om het wel
op te merken in onze justitiebehandeling — komt op dit moment van
Rusland. Maar ook de dreiging vanuit andere landen blijft onverminderd
sterk. Landen gebruiken hybride middelen, zoals militaire intimidatie,
spionage en cyberaanvallen, om hun belangen veilig te stellen. Dat
vraagt om een weerbare samenleving, vitale processen die door moeten
draaien en redzame burgers. Sommigen zeggen "zelfredzame burgers" en
anderen zeggen "samenredzame burgers". Ik heb het over een samenleving
waarin men elkaar redt en er voor elkaar is op het moment dat een grote
calamiteit zich voordoet, over een weerbare samenleving die staat voor
een gezamenlijke opgave. Het ministerie van Justitie en Veiligheid is
daarin coördinerend, samen met het ministerie van Defensie. Daarbij is
het ook heel belangrijk — ook dat onttrekt zich vaak aan het zicht van
de actieve politiek in dit huis, zeg ik toch maar even — om te
investeren en waardering uit te spreken, ook vanaf deze plek, voor de
inzet van de veiligheidsregio's, de burgemeesters en allerlei
organisaties daaromheen die ervoor zorgen dat die vitale samenleving er
is. Zo wordt bijvoorbeeld georganiseerd dat een gemeente aan de lat
staat om netjes antwoord te geven op vragen die je als burger hebt,
bijvoorbeeld: hoe moet ik nou zo'n noodpakket betalen? Dat is een hele
kwetsbare vraag van iemand die geconfronteerd wordt met grote
geopolitieke vragen op de deurmat. Ik ben daar al die mensen ontzettend
dankbaar voor.
Terrorismedreiging is een ander aspect dat ook direct onze nationale
veiligheid raakt. Het vraagt onze dringende en continue aandacht. Dat
zien we ook terug in de meest recente dreigingsbeelden van de NCTV. De
terroristische dreiging in Nederland blijft, spijtig zat, onverminderd
hoog, namelijk op niveau 4 van niveau 5. Dat betekent — dat is gewoon de
harde werkelijkheid — dat er een reële kans is dat er een aanslag
plaatsvindt in Nederland. Dat moeten we onder ogen zien; ik kan het niet
beter maken dan dat. We moeten daar dus ook voortdurend voor gesteld
staan. Dreigingen doen zich ook dichter bij huis voor. Mevrouw Van der
Werf en mevrouw Michon-Derkzen vroegen daarnaar. Beide Kamerleden zien
extremisme verschuiven naar de onlinewereld.
Andere Kamerleden vroegen naar de heftige onlinesituaties rondom
kinderpornografie, het oproepen tot zelfbeschadiging, noem het allemaal
maar op. Dat zijn allemaal verschrikkelijke beelden om überhaupt te
moeten zien. Ik hoop dat het iedereen bespaard kan blijven om die te
moeten zien. Het zijn inderdaad vaak minderjarigen die in korte tijd via
onlinenetwerken kunnen radicaliseren. Zij worden in een trechter
gewrongen en kunnen er niet meer uit komen. Dat is een zeer zorgwekkende
ontwikkeling, waar ook de NCTV op wijst in het Dreigingsbeeld
Terrorisme.
Terroristische organisaties als ISIS maken ook misbruik van de dynamiek
van de onlinewereld. Hier zijn mensen anoniem en er mist een corrigerend
geluid. Terroristen en extremisten benutten dat om hun gedachtegoed te
verspreiden en om hun netwerk te onderhouden. Ik wil voorkomen en dit
ministerie wil voorkomen — u wil dat ook voorkomen, hoor ik — dat
jongeren radicaliseren en in aanraking komen met het strafrecht. Dan is
het inderdaad noodzakelijk dat iedereen — maatschappelijke partijen, de
internetsector, lokale professionals, ouders/verzorgers en
veiligheidsdiensten — zijn verantwoordelijkheid pakt om dat onlinedomein
veilig te houden. Zeker voor jonge mensen bestaat er namelijk geen
onderscheid tussen wat er online en wat er op straat gebeurt. Het een
hangt met het ander samen. We moeten platformen dus aanspreken op hun
verantwoordelijkheid voor het creëren van een veilige omgeving.
Daarnaast moeten we ook blijven inzetten op concrete samenwerkingen in
de vorm van de Redirect-methode, die bijvoorbeeld bij Meta is gestart,
zodat mensen worden gewezen op wat ze nou eigenlijk lezen en hoe fout
dat is. Het is een functie die heel actief een bijdrage kan leveren aan
het scheppen van een juist informatieveld voor mensen die met
terroristische of extremistische content worden geconfronteerd.
Voorzitter. Ook dan past de opmerking — ik ga even terug naar die
internationale component — dat Nederland dit echt niet alleen kan. U
erkent dat allemaal ook ruiterlijk. Volgens mij is dat in zichzelf dus
helemaal geen issue, of het nu gaat om de aanpak van online
kinderpornonetwerken die zich buiten Europa bevinden en de inzet die we
daarop plegen, of om de actieve en leidende rol die we binnen de
Europese Unie op dat punt echt met elkaar nodig hebben. Nederland is wel
een verrekt kleine speler als het gaat om die enorm grote
internetplatforms waar we het tegenwoordig over hebben, maar we hebben
een krachtige positie in Europa. Ik zou ook willen vragen om die
krachtige positie op dit punt te behouden, zodat het ertoe doet wat wij
zeggen.
Nederland heeft binnen de mogelijkheden die het heeft, de taak op zich
genomen om samen met Duitsland en Frankrijk de Europese Commissie op te
roepen om te komen tot een vrijwillige gedragscode. En ja, dat klinkt
allemaal weer zo slap, "een vrijwillige gedragscode", maar die
vrijwillige gedragscode is wel een eufemisme, wat mij betreft, om ervoor
te zorgen dat je je met die Europese kracht, door al die lidstaten te
bundelen, kan verhouden tot die onlineplatformen, hoe groot ze ook zijn.
Daarmee zorgen we er ook voor dat radicalisering, gewelddadig extremisme
en terrorisme worden bestreden. Ondertussen blijven wij natuurlijk ook
zelf de platformen aanspreken op hun verantwoordelijkheid voor het
creëren van een veilige onlineomgeving. Mijn laatste opmerkingen zouden
zijn dat we binnenkort, in maart, een ministerieel EU Internet Forum
hebben, wat een uitgelezen kans is om die platformen te wijzen op deze
verantwoordelijkheid. We gaan ook een nieuwe gespreksronde starten op
dit punt.
Voorzitter. Ik ga over naar de appreciatie van de amendementen.
De voorzitter:
Maar eerst een interruptie van mevrouw Mutluer.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Volgens mij kan deze minister de problemen heel goed schetsen, maar als
ik kijk naar het aantal meldingen van kinderpornografisch materiaal en
naar wat er wordt opgepakt, dan zie ik dat dat gewoon te weinig is. Een
organisatie als Offlimits kan dat soort onlinemateriaal op zeer korte
termijn weghalen. Als we dat niet structureel financieren, maar elk
jaar, bij elke begroting een amendement moeten indienen om het weer een
jaar een boost te geven, dan vind ik niet dat ik heel veel waarde moet
hechten aan de woorden — dat is misschien heel hard gezegd — van deze
minister.
De voorzitter:
En uw vraag?
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Vindt u ook niet dat er nu te weinig wordt gedaan?
Minister Van Oosten:
Ik vind dat we hier meer aan moeten gaan doen op de lange termijn. Dat
spreek ik ook uit. Ik noemde de gedragscode, maar er zijn ook andere
voorbeelden die nog verder uitgerold en uitgediept moeten worden.
Offlimits haalt u zelf aan. Ik kom dadelijk nog op de appreciatie van de
amendementen. Ik wijs er wel op dat we al ontzettend veel doen. We doen
ontzettend veel aan de hand van wetgevingstrajecten die we hebben, die
we binnenkort ook gaan evalueren — dat heb ik u ook in de beantwoording
teruggegeven — als het gaat om het ATKM-centrum, als het gaat om de
bijdrage die Offlimits levert en als het gaat om de inzet die we willen
plegen om platforms op hun verantwoordelijkheid te wijzen.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Ik vind dat te weinig. Het gaat hier om de veiligheid van jongeren, die
op dit moment allemaal wel een telefoon bij de hand hebben en de meest
heftige dingen online tot zich kunnen nemen. Alleen maar platforms
aanspreken op hun verantwoordelijkheid vind ik niet afdoende. Dat is
allemaal op vrijwillige basis. Wat kan de minister meer verplichtend
doen? Wat kan de minister doen om daarin als Nederland het voortouw te
nemen, ook binnen Europees verband?
Minister Van Oosten:
Als het gaat om de ATKM, is dat niet alleen maar aanspreken. Het kan een
heel stevig, sanctionerend effect hebben langs de bestuursrechtelijke
weg. Dat is niet minder krachtig in de uitwerking. Dat ziet bijvoorbeeld
op online terroristisch gedrag, extremisme in de sfeer van
kinderpornografie et cetera. Dat ziet daar dus wel degelijk op. Er zijn
ook andere voorbeelden in Europees kader. We hebben hier met elkaar —
dat zeg ik er ook maar bij — een hele stevige discussie moeten voeren
over hoever we als Nederland wilden gaan in wat een bijdrage zou kunnen
leveren aan de aanpak van de verspreiding van onlinekinderpornografie,
om het zo maar te noemen. Daarnaast helpt Offlimits — dat is inderdaad
zonder meer een waardevolle bijdrage — bij het offline halen van
informatie en bij het actief mensen motiveren. Ik noemde al voorbeelden
zoals de Redirect-methode, enzovoort. Het denken staat op dit punt echt
niet stil, integendeel zelfs. Ik denk dat we met elkaar het kader moeten
scheppen om, zonder elkaar meteen allerlei verwijten te maken, met
elkaar in discussie te gaan. Waar zien we ruimte voor verbetering? Hoe
verhoudt privacy zich daartegenover? Dat is ook een essentieel
onderwerp. Hoe gaan we zorgen dat onze jongeren nog beter beschermd
worden dan nu? Er is echt geen weerzin, bij niemand, ook niet bij het
ministerie, om dat nu te gaan doen.
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Maar dan moeten we dit structurele probleem niet willen oplossen met
allerlei incidentele oplossingen. Ik noem dit even, om bijvoorbeeld
Offlimits weer aan te halen, omdat we die elk jaar weer via een
amendement extra middelen toekennen, terwijl je weet dat zo'n
organisatie, zeker anno 2026, erg belangrijk is om dit soort zaken
offline te halen en jongeren en ouders goed te informeren.
De voorzitter:
En uw vraag?
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Moet dat niet structureel geregeld worden?
Minister Van Oosten:
We hebben daar budgettaire keuzes in gemaakt. Ik kom dadelijk nog bij de
appreciatie van de motie op het punt van mevrouw Mutluer ten aanzien van
Offlimits.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Een puntje van orde. We staan hier allemaal best verbaasd te kijken dat
er al wordt overgegaan tot appreciatie van de amendementen. Volgens mij
liggen er nog heel veel vragen open. Ik vroeg me af: is dit het, dit
halfuurtje van de minister in dit debat?
De voorzitter:
De minister heeft bij aanvang van het debat aangegeven dat een groot
deel van de vragen schriftelijk is beantwoord. Maar goed, laten we het
hem vragen. Minister, u heeft de vraag van mevrouw Van der Plas
gehoord.
Minister Van Oosten:
Dat klopt, voorzitter. Ik heb niet anders begrepen dan dat dit
gebruikelijk is. De vragen die u heeft gesteld, zijn allemaal keurig
beantwoord. Ik heb hier voor de zekerheid een heel mapje liggen voor het
geval dat u ergens nog een vraag over heeft. Dat is naar uw Kamer
gestuurd. Dat bevat ook de vragen van mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dat komt inderdaad vaker voor. Een aantal vragen wordt schriftelijk
beantwoord. Maar we voeren hier een debat. Ik wil een aantal vragen ook
wel gewoon mondeling beantwoord zien, zodat we daarover met z'n allen
hier kunnen debatteren. Ik vind het eerlijk gezegd wel makkelijk om te
zeggen "dit is schriftelijk beantwoord en daar moet u het mee doen". Dan
ga ik al die vragen zo meteen maar als interrupties opnieuw stellen.
De voorzitter:
Op zich staat het u vrij om dat te doen. We hebben de zaal tot 16.00
uur.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik vind het wel netjes om … Sorry trouwens dat ik door u heen praatte.
Andere ministers doen het ook zo: die lichten hier toch een aantal zaken
nog even mondeling toe. Daar hebben we een debat voor. Daar komen we
hier ook allemaal voor: om in alle openheid met elkaar te kunnen
debatteren. Ik verzoek de minister om de vragen die schriftelijk zijn
beantwoord, hier ook nog even toe te lichten. Anders ga ik daar straks
in een interruptie om vragen.
De voorzitter:
Ik denk dat dat laatste een beter idee is. Als we de minister nu de hele
bundel opnieuw laten oplezen, dan wordt het wel heel ingewikkeld. Ik zou
willen voorstellen dat de minister zijn beantwoording continueert. De
minister krijgt op dit blokje nog een interruptie van de heer Diederik
van Dijk. Vervolgens gaan we over naar de appreciatie van de
amendementen. Ik stel voor dat u zelf even een inventarisatie maakt van
de punten waarover u nog het debat wil aangaan met de minister. Dan zal
ik u daar vanzelfsprekend ruimschoots de tijd voor geven.
Dan is er een interruptie van de heer Diederik van Dijk over het kopje
nationale veiligheid.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Ik haak daarbij ook aan op de schriftelijke beantwoording. Er zijn
gisteren door meerdere woordvoerders opmerkingen gemaakt over geweld
tegen vrouwen. Ik heb dat zelf, net als andere woordvoerders, ook
betrokken op de benarde positie van heel veel vrouwen in de prostitutie.
Op dat punt vind ik de schriftelijke beantwoording buitengewoon
tekortschieten. Ik mis een gevoel van urgentie om die kwetsbare vrouwen
te helpen, bijvoorbeeld door een impuls te geven aan uitstapprogramma's
en dat soort zaken. Wil de minister daar nog nader op reflecteren? Hoe
ziet hij deze problematiek? Moet hier niet een enorme schep bovenop
worden gedaan?
Minister Van Oosten:
Ik meen dat de heer Van Dijk daar ook een amendement op heeft ingediend,
dat ik dadelijk nog zal appreciëren. Het is fijn dat u deze vraag
specifiek stelt. Ik ben het met u eens dat het ongelofelijk belangrijk
is dat er structureel en langjarig gelden beschikbaar zijn voor
uitstapprogramma's voor prostituees. Dat is ontzettend belangrijk. We
moeten gewoon met elkaar vaststellen en onder ogen durven zien dat het
vaak gaat om ongelofelijk kwetsbare situaties, waarbij het maar zeer de
vraag is of er sprake is van vrijwilligheid. Maar goed, ik stel ook vast
dat die programma's lopen, dat die via gemeenten ook een goede weerslag
krijgen en dat daar hard aan gewerkt wordt. Dat maakt niet dat het
daarmee niet belangrijk is, integendeel. Ik vind dat we dat met elkaar
moeten doorzetten en daar niet op moeten verzaken. Dat heb ik gepoogd in
het antwoord mee te geven.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Hiermee loop ik in algemene zin iets vooruit op het amendement, maar ik
vind het wel symptomatisch dat er dan een verzoek om vijf ton op een
begroting van 19 miljard wordt weggewimpeld, terwijl dat het verschil
kan maken voor vrouwen. Ik mis dan elk gevoel van urgentie. Is dit niet
een vorm van zuinigheid — ik zou bijna "vrekkigheid" zeggen — ten koste
van de meest kwetsbare vrouwen die we in onze samenleving kennen?
Minister Van Oosten:
Ik kom dadelijk nog wel even terug op het specifieke amendement dat u
heeft ingediend, maar dan nu toch maar even een schot voor de boeg: los
van het feit dat daar gelden naartoe zijn gegaan, die structureel gedekt
zijn, die door gemeenten op een goede manier verdeeld worden en ik niet
de indruk heb dat daarin nu dingen helemaal fout gaan … Als u vraagt of
ik meer geld kwijt kan, zeg ik dat ik eerlijk gezegd geen organisatie
ken die op zo'n vraag zal antwoorden: nee, ik kan het niet meer aan.
Natuurlijk zal die positief beantwoord worden. Ik heb wel vastgesteld
dat het goed loopt, dat de dekking die u voorstelt dan vervolgens een
andere bestemming tenietdoet en dat dat ook verschrikkelijk ingewikkeld
is. Dat heeft gemaakt dat ik tot een appreciatie van dat amendement kom
die ik nu eigenlijk al heb verklapt. Dat neemt niet weg dat er
ongelofelijk veel waardering is voor en belang wordt gehecht aan de
inspanningen die worden verricht door bijvoorbeeld DUUP en alle andere
betrokkenen in het kader van dit soort programma's.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
De laatste keer, omdat we nu toch op het amendement zijn geëindigd. Het
gaat inderdaad over vijf ton op een artikel waarop de onderuitputting al
járen miljoenen bedraagt. Het kan toch niet zo zijn dat je dan geen half
miljoen kunt vinden om een extra stap te doen voor deze vrouwen?
Minister Van Oosten:
Ik kom dadelijk specifiek terug op de appreciatie, maar ik vrees dat ik
de heer Van Dijk moet tegenspreken. Ik weet niet hoe het in andere jaren
was, maar ik heb helaas geen miljoenen over. Ik kan het niet beter
maken.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Deze uitstaptrajecten zijn in een eerder kabinet tot stand gekomen. Ik
herinner me niet alleen de stevige en goede onderhandelingen daarover,
maar ook de gedeelde wens om vrouwen die willen stoppen met sekswerk
daadwerkelijk de kans te geven om uit te stappen. Met dat doel is dat
geld structureel beschikbaar gekomen en ik vind het nog elke dag enorm
goed dat Nederland dit voor elkaar heeft gebracht. Mijn vraag is de
volgende. Voorheen waren die gelden met landelijke richtlijnen heel
specifiek bestemd voor uitstappen, maar we hebben gezien dat het met het
structureel maken daarvan, nu iets breder geformuleerd is. Tot mijn
schrik ontdek ik dat er gemeenten zijn die dit geld ook benutten om
vrouwen te laten instappen in deze sector, die zo gevoelig is voor grote
misstanden. Dat was absoluut niet het doel van deze uitstapgelden.
De voorzitter:
En uw vraag?
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ik zou dit heel graag weer gericht hebben op het doel. Kan de minister
toezeggen dat we juist op dat punt een verbetering tot stand gaan
brengen, zodat dit niet gebruikt gaat worden voor het tegenovergestelde
van hetgeen waarvoor al deze gelden beschikbaar zijn gekomen?
Minister Van Oosten:
Ik kijk even of u daarover nou een vraag stelde of de heer Van Dijk. Ik
heb daar namelijk ook nog wel het een en ander over teruggekoppeld. Ik
wil het graag mee terugnemen. Het is mij ook bekend dat we wel vaker
debatten specifiek over dit onderwerp hebben. We hebben het er nu in het
kader van de begrotingsbehandeling over. De onderwerpen mensenhandel,
zeden en prostitutie gaan echt nog wel voorbijkomen. Ik vind het goed om
dan langs deze weg mijn ministerie de opdracht te geven om wat meer
inzichtelijk te maken of het klopt wat u stelt. Dan hoef ik daar nu de
discussie niet met u over te voeren.
De voorzitter:
"Dan hoef ik daar nu de discussie niet met mevrouw Bikker over te
voeren."
Minister Van Oosten:
Met mevrouw Bikker. Sorry, meneer de voorzitter. Dan hoef ik nu niet de
discussie met mevrouw Bikker te voeren over wat dan precies de
doelstellingen zijn en hoe die doelstellingen daarmee worden
gefinancierd. Dan kunnen we daarna met elkaar de discussie voeren over
of u het eens bent met de doelstellingen dan wel of het juist besteed
wordt.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ik wil de minister danken voor het meedenken. Laat ik daarmee beginnen.
Ik wil niet opnieuw de discussie openen over de vraag of we deze
uitstaptrajecten wel of niet moeten hebben. Ik heb de vrouwen gesproken
voor wie het opeens een nieuw leven opende, waarin je in een hele
ingewikkelde situatie je geld verdient. Ik wil dat het daadwerkelijk
gebruikt wordt de vrouwen die eigenlijk klemlopen in plaats van voor de
vrouwen die overwegen om de prostitutiesector in te gaan. Dat hoor ik
nog niet in het betoog van de minister. Hoe ziet hij dat?
Minister Van Oosten:
Mevrouw Bikker schetst het beeld van de DUUP als een instapregeling,
maar dat wordt niet herkend. Het is echt gericht op uitstap, maar het
kan wel voorkomen dat niet elke deelnemer uitstapt. Dat kan bij mevrouw
Bikker wellicht tot deze conclusie leiden, maar dan ga ik het invullen
en daar moet ik voorzichtig in zijn. Ik denk echt dat we verder moeten
praten over dit specifieke punt, want dat is het beeld dat bij mijn
ministerie bestaat op dit punt.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ik wil dat beeld meteen wegnemen. Ik ga niet over de individuele keuze
van vrouwen, ook niet in zo'n uitstaptraject. Soms kost het jaren.
Mensen doen een poging, maar het lukt toch niet. Er zijn soms
verwachtingen van familie elders. Er gaat een hele hoop tragiek mee
gepaard. Ik wil dat wij telkens opnieuw klaarstaan om deze vrouwen
hieruit te redden, want er is heel vaak sprake van mishandeling en
moderne slavernij. Maar het gaat mij erom dat ik signalen krijg dat deze
gelden bijvoorbeeld worden gebruikt om dames te leren hoe je dit werk
veilig kunt doen. Daar is dit geld niet voor bedoeld. Dat is echt een
ander type bezigheid. Je kunt allerlei discussies voeren over de vraag
of dit een overheidstaak is, maar dit geld is bedoeld om vrouwen te
helpen die overwegen om te stoppen. Daar gaat het mij om.
Minister Van Oosten:
Ik luister echt heel goed naar wat mevrouw Bikker zegt. Ik kan nu alleen
de informatie terugkoppelen die ik heb. Het is echt niet gericht op een
instapsituatie of op uitleg hoe je erin kunt blijven. Maar ik hoor ook
wat mevrouw Bikker zegt. Ik vind dat we hier op een later moment iets
diepgaander over moeten praten. Dat zou mijn conclusie zijn. Ik wil de
zorgen die mevrouw Bikker heeft niet zomaar terzijde schuiven, want als
dat klopt, dan vind ik daar ook wat van. Maar ik vind het te snel om dat
nu te erkennen, want dat krijg ik niet teruggekoppeld.
Mevrouw Straatman (CDA):
Allereerst mijn complimenten aan de minister voor het starten met de
Redirect Method. Er is eerder een belangrijke motie geweest van het CDA
over maatregelen om onlineterrorisme aan te kunnen pakken. Het is
mogelijk het verkennen waard om te kijken wat we kunnen doen aan
online-extremisme. Maar daar gaat mijn vraag niet over.
Mijn vraag gaat over de verkeersboetes. Ik heb daar gisteren aandacht
voor gevraagd. Er is al langer discussie over de disproportionaliteit
van de verkeersboetes. Ik vroeg wat de verhouding is tussen de verhoging
en de druk op de rechtsketen. De reactie van de minister was: dat heeft
eigenlijk geen zin, want er is toch geen dekking.
De voorzitter:
En uw vraag?
Mevrouw Straatman (CDA):
Mijn vraag is als volgt. Een halfuur voor dit debat kregen wij een
evaluatie van de wet-Mulder. Daarin wordt opnieuw geconcludeerd dat er
op een oneigenlijke manier gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid om
de boetes te verhogen. Mijn vraag is wat de reactie van de minister
daarop is.
Minister Van Oosten:
Ik heb u vlak voor het begin van deze vergadering een heel, heel kort
briefje gestuurd om u te laten weten dat ik nog met een uitgebreidere
reactie zal komen. Dat zal wellicht samen met de staatssecretaris
moeten, omdat er sprake is van overlap tussen onze beide portefeuilles.
Die discussie moeten we op een later moment wat meer gericht voeren, als
we de tijd hebben genomen om hier goed inzicht in te krijgen. Maar ik
heb er in het antwoord dat ik u schriftelijk heb toegestuurd geen geheim
van gemaakt dat het totale bedrag dat we met boetes binnenhalen,
cruciaal is voor mijn begroting. Ik heb voor alle camera's erkend dat de
boetes hoog zijn. Dat snap en zie ik, maar ik heb geen andere ruimte in
mijn begroting. We hebben wel gezegd dat we alleen de normale indexatie
toepassen. Als je de hele disbalans wilt oplossen, dan vergt dat echt
een financiële investering, die ik simpelweg niet kan doen. Ik erken wel
— maar dan herhaal ik wat er staat — dat de suggestie die mevrouw
Straatman heeft meegegeven iets oplevert, maar dat is bij lange na niet
wat mevrouw Straatman misschien beoogt op te halen. Je moet je afvragen
of zo'n onderzoek et cetera nuttig en nodig is. Ik denk het niet.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dat begrijp ik. Ik wil de middelen natuurlijk ook efficiënt inzetten.
Tegelijkertijd voel ik er veel ongemak over dat we de JenV-begroting in
feite rondbreien met veel te hoge boetes, die daar niet voor bedoeld
zijn en die in het hele systeem disproportioneel uitwerken. Ik kijk uit
naar de reactie van de minister en de staatssecretaris op de evaluatie.
Ik heb daar nog één vervolgvraag over. Dit raakt met name mensen met een
zwakke financiële positie. Die kunnen niet wachten. Nu zegt de evaluatie
ook dat er problemen zijn met informatiedeling. Dat zien we breed.
De voorzitter:
En uw vraag is?
Mevrouw Straatman (CDA):
Kan de minister wel op korte termijn kijken hoe hij die problemen rondom
informatiedeling bij het aanpakken van multiproblematiek en
schuldenproblematiek wel op korte termijn kan aanpakken, bijvoorbeeld
via de Taskforce Gegevensdeling die we op dit moment al hebben?
Minister Van Oosten:
Even zodat ik het voor de annalen goed heb gezegd: het landt niet
rechtstreeks in de JenV-begroting, maar wel in de rijksbegroting, waar
JenV vervolgens weer mede uit wordt gefinancierd. Dat wil ik toch even
zeggen, voorzitter, voordat gezegd wordt dat ik de Kamer niet juist zou
hebben geïnformeerd. Het is ook niet zo — dat wil ik ook even
rechtzetten; dan kom ik op uw punt, hoor — dat het per definitie niet
goed is. Het zijn hoge boetes; dat erken ik. Maar een boete moet ook wel
een afschrikwekkende werking hebben. En laten we wel wezen: er is ook
een hele makkelijke manier om te voorkomen dat je er een krijgt,
namelijk je aan de regels houden. Ik ben het wel met mevrouw Straatman
en anderen eens … Dat heeft het CJIB ook onderkend. Ik weet niet of ik
me er hiermee te gemakkelijk van afmaak; ik probeer even oogcontact te
krijgen met de staatssecretaris om te zien of hij daar dadelijk nog wat
over kan zeggen. Ik zie nu een knik, dus dat lijkt het geval te zijn.
Als het onvoldoende in die portefeuille landt, dan moet ik er in mijn
tweede termijn even op terugkomen om de vraag van mevrouw Straatman te
beantwoorden.
De heer Struijs (50PLUS):
Ik heb een heel exposé zitten aanhoren over de problemen met de aanpak
van georganiseerde misdaad en de veiligheid in Nederland, maar elke keer
ontbreken toch de grote zorgen die wij hebben rondom de zorgfraude. Het
OM zegt dat het gaat om 10 miljard. Goede, valide autoriteiten zeggen
dat het meer is, maar er blijft een beetje mist omheen hangen. Ik heb
daar een vraag over, omdat de Nederlandse Zorgautoriteit al meerdere
keren opmerkte dat een van de meest belastende dingen om door die mist
heen te komen, het zichtbaar te maken en tot een goede aanpak te komen
is dat een wettelijke definitie van zorgfraude ontbreekt. Er is wel een
ambtelijke, bestuurlijke definitie opgesteld door ambtenaren. Die
wettelijke definitie lijkt een technisch dingetje, maar is de basis voor
het inzichtelijk maken en aanpakken ervan. Mijn vraag is: is de minister
bereid om mee te werken aan zo'n wettelijke definitie om door de mist
heen te komen en een betere aanpak van zorgfraude te krijgen?
Minister Van Oosten:
Het is mij niet bekend dat de wettelijke definitie hét euvel is om die
10 miljard helemaal los te trekken. Ik zeg ook niet dat het helemaal
niet zo is, want ik weet wel dat er interdepartementaal — dat is weer
zo'n term — aan gewerkt wordt om dit strakker op elkaar af te stemmen.
Ik citeer even mijn eigen antwoord: VWS, OCW en JenV. Wat ik ga doen met
de vraag van meneer Struijs, is dat ik ga toetsen of er ook een
wettelijk vraagstuk is. Als daar het vraagstuk zit, dan zal dat namelijk
meegenomen moeten worden in die bespreking en zal er aan uw Kamer
teruggerapporteerd moeten worden. Daar moet dan inderdaad ook het
antwoord bij gegeven worden waarom we het wel of niet gaan oplossen.
De heer Struijs (50PLUS):
Even voor de duidelijkheid: het is geen wondermiddel, maar het helpt om
de volgende stap te zetten, van inzichtelijkheid en betere handhaving.
Ik dank de minister voor het antwoord.
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Ik wil eigenlijk terugkomen op het punt dat mevrouw Straatman heeft
aangekaart over de evaluatie van de wet-Mulder. De minister zegt nu
daadwerkelijk dat boetes wel nodig zijn, maar die evaluatie gaf dus aan,
net als eerdere noodoproepen, dat het disproportioneel is, dat de
overheid niet alleen moet stoppen met het uitdelen van deze boetes, maar
dat ze eerdere verhogingen ook moet terugdraaien. Ik zou dus eigenlijk
graag van de bewindspersonen willen horen welke voorstellen ze aan de
Kamer gaan voorleggen met een duidelijke reactie op deze evaluatie, en
dan meer dan alleen "we krijgen de begroting niet rond".
Minister Van Oosten:
Dat moet ik dan kritisch ontraden, om het zo maar even te zeggen. Dat ga
ik nu niet doen, omdat dat te snel gaat. Ik moet dat echt even
zorgvuldig bekijken. Ik heb u in mijn antwoord aan mevrouw Straatman wel
heel duidelijk de kaders gegeven waar ik mee te maken heb. Die zijn
inderdaad ook financieel. Die hebben ook te maken met het feit dat
boetes een voldoende afschrikwekkende werking moeten hebben en moeten
worden begrepen. Ik noem daar ook wel bij dat we zelf uiteindelijk
allemaal in de positie zijn om te voorkomen dat we er een krijgen. Dat
geheel ga ik meenemen in mijn reactie. Dan gaan we hier ongetwijfeld
over spreken met elkaar, zeg ik via de voorzitter aan mevrouw Abdi. Maar
ik schets er maar bij: alles wat u anders wilt, heeft echt een
financieel vraagstuk in zich.
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Ik heb best wel moeite met dit antwoord van de minister, want hij zegt
eigenlijk dat het een financieel vraagstuk is, maar het is niet alleen
een financieel vraagstuk. Het gaat ook over de vraag of iets wel of niet
rechtvaardig is. Mijn verzoek aan de bewindspersoon zou dus eigenlijk
zijn of hij in zijn tweede termijn iets uitgebreider kan terugkomen op
wat wel mogelijk is. Ik hoor nu alleen maar "we kunnen er niet naar
kijken", terwijl allerlei instanties keer op keer aangeven: dit kan
niet, we moeten hier iets mee doen, het is niet eerlijk. Ik wil dus een
iets uitgebreidere reactie dan alleen: we komen niet rond vanwege de
financiën.
Minister Van Oosten:
Ik heb niet meer een zo heel uitgebreide reactie te geven, vrees ik,
want ik ga een uitgebreidere reactie sturen als we de stukken allemaal
goed tot ons hebben kunnen nemen. Ik denk dat we echt zeer waardevolle
stappen hebben gezet op het punt van het door mevrouw Abdi benoemde
onrecht dat misschien ervaren kan worden door betrokkenen die daarmee
worden geconfronteerd, met name door de enorme verhoging als je een
boete, ook door financiële kwetsbaarheid, niet kan betalen; ik denk dat
de staatssecretaris daar iets over kan zeggen.
Mevrouw Faber (PVV):
Ten eerste wil ik de minister bedanken voor de schriftelijke
beantwoording van de vragen, maar er zijn nog wel wat open eindjes in
die antwoorden. Die wil ik nu graag op tafel leggen, ten eerste over het
Halal Village Festival. De minister geeft aan dat de politie niet bekend
zou zijn met de deelname en het partnerschap van Islamic Relief. Ik kan
me dat haast niet voorstellen, want als je even googelt op dat festival,
komt dat er gelijk uit rollen en zie je dat gelijk. Maar mijn vraag is
als volgt. De politie is ook partner van dit festival. Blijft de politie
partner van het festival en gaat zij nog deelnemen aan dit festival?
Want volgens mij komt daar een groep mensen op bezoek waarvan ik me
afvraag of je die wel moet rekruteren.
Minister Van Oosten:
Dat zal de politie volgend jaar, als die beurs er weer is, heel kritisch
moeten gaan bekijken en beoordelen, want daar ga ikzelf in die zin
natuurlijk niet over. Maar ik heb in de beantwoording ook teruggegeven —
volgens mij heb ik daar ook schriftelijke vragen over beantwoord, maar
misschien hangen die nog ergens — dat ik met mevrouw Faber wel herken
dat dit allemaal niet gelopen is zoals het had moeten lopen. Ik herinner
mij ook dat politieagenten in een frame werden gebracht met decoraties
die, om te citeren hoe u dat gisteren noemde, refereerden aan de
vraagstukken in het Midden-Oosten; misschien doelt mevrouw Faber daar
ook een beetje op. Dat past helemaal niet, want agenten behoren neutraal
te zijn. Die neutrale uitstraling dient ook beschermd en behoed te
worden. Dat is in dat opzicht dus niet goed gegaan. Dat betekent niet
dat de politie ineens helemaal niet meer mag komen bij beurzen et
cetera, al dan niet van deze organisatie, maar je moet wel hele goede
afspraken maken.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik zeg niet dat de politie niet bij beurzen mag komen, maar niet bij
zo'n gekleurde beurs. Dat lijkt me niet echt goed voor het imago van de
politie, terwijl in de beantwoording staat dat het ook zou gaan over
verbinding met de samenleving. Ik vraag me eerlijk gezegd af of hier nou
zo veel verbinding te vinden was. Maar goed, dat was het Halal Village
Festival. In feite is dat Islamic Relief natuurlijk een verlengstuk van
de Moslimbroederschap, zoals Duitsland al aangeeft. Ik denk niet dat je
daar als politie mee geassocieerd zou moeten willen worden.
Dan de Chanoekabijeenkomst. Ook daar zijn antwoorden over binnengekomen.
Er werden perskaarten in beslag genomen. Er wordt gezegd dat als de
openbare orde verstoord wordt of verstoord dreigt te worden de politie
zou mogen overgaan tot het beperken van het vergaren van informatie,
maar er was een vergunning afgegeven. Nee, eerst werd de vergunning niet
afgegeven. Er is een kort geding gekomen van de rechter. Toen heeft de
rechter gezegd dat er wel een stil protest mocht zijn, met als gevolg
dat er schreeuwende demonstraten waren die ook agressief waren.
De voorzitter:
En uw vraag?
Mevrouw Faber (PVV):
En dan wordt vervolgens de pers weggehouden. Waarom werd er niet
ingegrepen op die demonstranten, die stil hadden moeten zijn? Zij
mochten helemaal niet schreeuwen en zij mochten niet agressief zijn.
Daarop werd niet ingegrepen, maar er werd wel ingegrepen op de pers die
verslag wilde doen. Dan krijg je toch een gek beeld: moet het dan onder
de pet gehouden worden?
Minister Van Oosten:
Dat is een stelling die mevrouw Faber nu inneemt en die ik niet per
definitie kan delen of staven op juistheid. Het is een feit — daar heeft
mevrouw Faber gelijk in — dat er journalisten, al dan niet met zo'n
perskaart, verwijderd zijn uit een demonstratievak. Dit wordt dus ook
heel grondig geëvalueerd door de politie en er worden ook lessen uit
getrokken. Ook daar heeft u vragen over gesteld waar ik antwoorden op
heb gezien. Volgens mij heeft u die antwoorden ook; zo niet, dan moeten
ze heel snel komen, los van de vragen die hier staan. Wat de
demonstraties zelf betreft: ik heb met de minister van Binnenlandse
Zaken het een en ander toegezegd over hoe we naar de toekomst op dat
punt gaan werken, maar het is ook zo dat die demonstraties onder het
lokale gezag van de politie, het OM en de burgemeester plaatsvinden. De
politie heeft in zijn algemeenheid natuurlijk alles erop gericht om te
zorgen dat dit in goede banen verloopt. Als je afspraken met elkaar
maakt, verwacht je dat die geëerbiedigd worden. Als dat niet gebeurt, is
het daarna een goede vraag aan de organisatie hoe het kan dat zij de
afspraken niet heeft nageleefd en wat dat betekent voor volgende
aanvragen die zij al dan niet gaat doen. Zo werkt het dan natuurlijk
ook. Ten aanzien van de journalisten moet echt even goed bekeken worden,
en dat gebeurt ook, wat daarbij beter moet als het niet helemaal goed
gegaan is.
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik begrijp wel dat het ook onder het gezag van de burgemeester valt,
maar er ligt natuurlijk wel een rechterlijke uitspraak en deze minister
is de minister van Justitie. Mij lijkt toch dat je je moet houden aan
een rechterlijke uitspraak. Dan kunt u dus wel zeggen dat het onder de
burgemeester valt, maar volgens mij heeft de minister hierin ook een
rol.
Minister Van Oosten:
Nou ja, beperkt, als ik eerlijk ben. We hebben dat ook met elkaar
gewisseld toen we het hadden over het demonstratierecht in het algemeen
en de aanscherpingen op dat punt. Wij moeten zorgen dat de
instrumententas van de burgemeesters op orde is, dat het OM en de
politie kunnen functioneren, dat het geld daarvoor geregeld is en dat er
goede kaders zijn waarbinnen men opereert et cetera, maar de handhaving
ter plekke valt echt onder het gezag van de burgemeester. Het zijn uw
collega's in de gemeenteraad van willekeurig welke gemeente het dan ook
betreft, die de burgemeester erover ter verantwoording kunnen roepen:
waarom heeft de burgemeester iets gedaan of niet gedaan? Maar wij moeten
voorkomen dat wij het verwijt kunnen krijgen dat we de regels niet op
orde hebben om een burgemeester te kunnen láten optreden.
De voorzitter:
De heer Van den Brink dan.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Ook ik dank de minister voor de schriftelijke antwoorden op de vragen,
maar ik krijg nog graag op twee punten een verheldering. Over de
politiecampagne "Jouw lijntje, zijn liquidatie" zegt u, even in mijn
woorden: die hebben we uitgerold maar wel op onze eigen manier. Ik ben
heel benieuwd naar de evaluatie daarvan. Zou die een beetje snel kunnen
komen? Vanuit de verslavingsinstellingen hoor ik namelijk gewoon: het
loopt hier hartstikke vast, dus hoe sneller mensen zich bewust zijn van
de gevaren hiervan, hoe liever. En bent u ook bereid om door te gaan met
die publiekscampagne?
Minister Van Oosten:
Ja, "snel" kan ik altijd wel toezeggen, want dat is nog wat onbekend in
de tijd, maar ik snap dat u hier urgentie op wil. Ik weet niet zo goed
welke termijn ik daar dan praktisch aan kan koppelen. En wij willen het
voortzetten, maar we moeten wel even goed kijken of de campagne precies
deze werking heeft. Dat ziet u ook in de antwoorden terug. Je wil
namelijk ook ophalen wat er gewerkt heeft en wat niet. We hebben aan de
voorkant ook wat discussie gehad over hoe scherp je moet zijn in wat je
wil laten zien. Je wil voorkomen dat het een tegengesteld effect
sorteert. Ik denk dat het goed is om onszelf toe te wensen dat we dit
even tot ons nemen en kijken welke aanscherpingen en aanpassingen er
zouden moeten zijn in een nieuwe campagne, waarover u dan zelf ook weer
in discussie gaat met elkaar.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Dan noteer ik de toezegging dat u doorgaat met de campagne zodra de
evaluatie er is.
De voorzitter:
Ik ga nergens mee door. Dat is de minister.
Minister Van Oosten:
Nou, de minister zegt toe dat we die evaluatie met u gaan delen en dat
we aan de hand daarvan gaan kijken wat die betekent voor het vervolg.
Dan zullen we daar ook een financieel plaatje aan moeten plakken. Maar
ik erken zonder meer dat we het met elkaar eens zijn dat het van belang
is. Nu gaan we eerst even leren hoe het misschien nog beter had gekund
en waar het niet heeft gewerkt et cetera. Dat gaat u horen.
Mevrouw Faber (PVV):
Voorzitter, ik zat nog midden in de beantwoording over die
chanoekaviering. U heeft zelf aangegeven dat het in drie interrupties
gaat, en ik was bij de tweede. Ik had er twee geplaatst en ik had er nog
een, en dan komt er ineens iemand tussendoor kruisen op uw
aanwijzing.
De voorzitter:
Gaat uw gang.
Mevrouw Faber (PVV):
Dat vond ik niet zo netjes. Maar goed, we gaan verder. Laten we
doorgaan.
Ik heb toch wel wat moeite met het volgende. Er is een uitspraak van de
rechter en daar houdt men zich niet aan. Dan hoeven we ook geen kort
gedingen meer te gaan aanspannen, want dat heeft dan totaal geen zin.
Mijn concrete vraag aan de minister is: moeten wij ons houden aan de
uitspraak van de rechter?
Minister Van Oosten:
Ja.
Mevrouw Faber (PVV):
Oké!
De voorzitter:
Mevrouw Faber nog?
Mevrouw Faber (PVV):
Sorry, dit was even mijn enthousiasme.
De voorzitter:
Het was enthousiasme.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik hoop dat u mij dat wil vergeven.
De voorzitter:
Uw tweede vraag.
Mevrouw Faber (PVV):
Goed, maar dat is dus duidelijk. We houden ons aan de uitspraak van de
rechter. Laat dit ook even landen in de stad Amsterdam, zodat ze het
daar ook gaan doen.
De voorzitter:
Ze luisteren mee.
Mevrouw Faber (PVV):
Ze luisteren mee. Goed zo. Ik hoop dus dat de burgemeester dit ook
hoort.
Goed. Dan gaan we naar de voetbalkosten. Ik had gevraagd om te kijken
hoe we de extra kosten kunnen verhalen op de grote profclubs. Het gaat
namelijk wel ergens over. Deze profclubs hebben gewoon miljoenen in kas.
Er worden ook miljoenen aan spelers gegeven. De bedragen vliegen je om
de oren: 30 miljoen, 1,5 miljoen … Ook een kleine club zoals N.E.C geeft
gewoon 1,5 miljoen uit, en Groningen 4 miljoen.
De voorzitter:
En uw vraag?
Mevrouw Faber (PVV):
De minister geeft aan dat het juridisch niet verhaalbaar is, omdat deze
kosten in eerste instantie ten laste komen van de politie. Ja, dat is in
eerste instantie, maar laten we om ons heen kijken. Het kan in Duitsland
en in Engeland wel.
De voorzitter:
Uw vraag, mevrouw Faber.
Mevrouw Faber (PVV):
Dus waarom zou dat niet in Nederland kunnen, is mijn vraag aan de
minister.
Minister Van Oosten:
Dat sluit ik niet uit, want je kunt in Nederland heel veel organiseren.
Dat moet je dan wel willen. Bovendien moet je de keuze durven maken dat
je wel afstapt van een min of meer principieel uitgangspunt en dat is
dat politie-inzet niet door commercie wordt bepaald. Volgens mij heb ik
die zin letterlijk uitgesproken toen wij eerder deze week in een ander
debat over de politie spraken. Toen stelde mevrouw Straatman mij deze
vraag. Ik kan heus wel begrip opbrengen voor de vragen die u inbrengt,
want ik zie ook dat sommige risicowedstrijden of andere evenementen et
cetera een heel bijzondere politie-inzet vragen. Als gewoon mens denk ik
daarbij: nou, jongens, waarom is iedereen nou zo vreselijk opgewonden
dat al die politie noodzakelijk is? Maar ja, feit is ook dat we een
ingewikkelde discussie krijgen op het moment dat we de commercie laten
bepalen waar de politie-inzet plaatsvindt. Mijn advies zou zijn dat we
moeten proberen om daarbij weg te blijven. Dat neemt niet weg — mag ik
die toevoeging nog doen, voorzitter? — dat we de schade die aangebracht
wordt door mensen in zo'n demonstratie et cetera, ook proberen te
verhalen op de vandalen. Dat zei mevrouw Straatman er ook bij.
De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Faber.
Mevrouw Faber (PVV):
Kijk, de minister geeft aan dat de commercie niet moet gaan bepalen waar
de politie-inzet zal plaatsvinden. Natuurlijk bepaalt de politie zelf de
inzet of in ieder geval de driehoek of wie daarbij betrokken zijn. We
kunnen echter wel zeggen dat we de kosten gaan verhalen op de profclubs.
Dat kan wel. Dat is een andere invalshoek. De politie bepaalt, maar de
commercie betaalt. Dat is volgens mij helemaal niet zo'n verkeerd
uitgangspunt.
Minister Van Oosten:
We hebben continu overleg als het gaat om de inzet van de profclubs. We
hebben ook debatten met de Kamer over initiatieven van haar zijde over
de omgang met de aanpak van hooliganisme et cetera. Daar doen de
professionele clubs en ook de amateurclubs het nodige aan, maar dan
veelal binnen het stadion. Dat is ook heel cruciaal, maar dat is weer
een ander uitgangspunt. Als iemand iets organiseert, dan moet die ook de
verantwoordelijkheid dragen. We willen dan niet de politie primair de
verantwoordelijkheid laten dragen. Dat is de andere kant van hetzelfde
uitgangspunt rondom commercie.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Ik heb een vraag over het wetsvoorstel over het verbod op
gezichtsbedekkende kleding tijdens demonstraties. Ik dank de minister
voor de schriftelijke beantwoording, maar die roept wel vragen op. Hoe
is het WODC-rapport daarin meegenomen? Daarin worden duidelijk de haken
en ogen beschreven die zitten aan het verbieden van anoniem
demonstreren. We zien dat nu bijvoorbeeld in Iran. Er zijn heel veel
demonstranten die gewoon echt terecht vrezen voor gevolgen vanuit het
Iraanse regime.
De voorzitter:
En uw vraag is?
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Mijn vraag is dus op welke manier het ministerie de mogelijkheid
openhoudt om anoniem te demonstreren. Op welke manier betrekt het op z'n
minst het WODC-rapport hierbij?
Minister Van Oosten:
In het wetsvoorstel dat hierover gaat en dat we nog gaan bespreken, is
opgenomen dat het verbod op gezichtsbedekkende kleding niet verplichtend
wordt op het moment dat je moet vrezen voor vervolging in een ander land
of vervolging van je dierbaren et cetera, als de demonstratie daarop zou
zijn gericht. Hoewel u dat niet vraagt, kan het bijvoorbeeld ook gaan om
mensen die hun gezicht om medische redenen moeten bedekken. De contouren
van de wet gaan we nog met elkaar bepalen. Het is belangrijk om dat hier
te markeren. Ik hoop dat u dan uw bijdrage levert, zodat wat u wilt, ook
echt in de rechtsgeschiedenis wordt vastgelegd. Dat is ook in lijn met
de wens van het kabinet.
De voorzitter:
Nogmaals, minister, ik lever geen bijdrage. Mevrouw Teunissen levert een
bijdrage.
Minister Van Oosten:
Het spijt me. Ik blijf het fout doen.
De voorzitter:
Ik wil u echt verzoeken om in dit huis via de voorzitter te spreken.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
We kunnen het tijdens het wetsvoorstel wel gaan hebben over de
contouren, maar de contouren zijn dat het een generiek verbod is op
gezichtsbedekkende kleding tijdens demonstraties. Over wat de minister
net aangeeft, namelijk de uitzonderingen voor medische situaties, staat
in het WODC-rapport dat dit problemen zal opleveren. Ook de politie en
de burgemeesters zeggen allang dat ze dit niet goed kunnen handhaven en
dat ze te maken hebben met uitvoeringsproblemen. We kunnen dat
wetsvoorstel straks wel gaan behandelen, maar mijn vraag is wat de
minister nú doet met wat er in het WODC-rapport staat aangegeven en wat
de politie en de burgemeesters al heel lang zeggen, namelijk dat ze een
generiek verbod niet goed kunnen handhaven en dat ze in de knel komen
vanwege uitvoeringsproblemen.
Minister Van Oosten:
Burgemeesters kunnen nu het verbod op gezichtsbedekkende kleding
afdwingen, lokaal georiënteerd. De burgemeester moet daarbij altijd
afwegen of hij dat kan handhaven of niet en of hij dat kan uitvoeren of
niet. Overigens, los van het antwoord op die vraag kun je ook wel de
norm willen stellen dat je het niet wil. Je kunt ook later laten
bekijken aan de hand van camerabeelden et cetera wat je eventueel alsnog
kunt ophalen. Ik vind dat uitgangspunt niet verkeerd. Het kabinet gaat
terugkomen, zeg ik via de voorzitter — ik hoop dat ik het zo goed doe —
op de reactie op dat hele WODC-rapport. We hebben als kabinet heel
duidelijk gemarkeerd dat we een paar dingen uitlichten. Ook los van het
hele WODC-rapport vinden we dat het in het kader van het
demonstratierecht noodzakelijk is om daarmee verder te gaan, onder meer
met dit verbod. Er komt dus een wetsvoorstel richting uw Kamer. Dan gaan
we het nog heel precies over de inhoud hebben.
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Maar ook het WODC-rapport geeft nu aan dat er echt haken en ogen aan de
uitvoering zitten. Dan kan de minister zeggen: burgemeesters kunnen dat
verbod op gezichtsbedekkende kleding tijdens demonstraties al opleggen.
Ja, in extreme gevallen, in specifieke situaties. Daar kun je dus ook
andere, betere handhaving organiseren. Maar bij een generiek verbod loop
je er dus nu al tegenaan dat je anoniem demonstreren niet meer mogelijk
maakt, ook niet als er uitzonderingen zijn. Als er uitzonderingen worden
gemaakt, is daar slecht op te handhaven. Dus waarom is dit rapport niet
nu al een aanleiding voor het ministerie om te heroverwegen of we dat
generieke verbod wel moeten invoeren?
Minister Van Oosten:
Nee, geenszins, omdat ik alle reden zie, juist ter bescherming van dat
zo belangrijke demonstratierecht, dat we als samenleving zeggen waar het
kabinet dus ook voor staat, namelijk: wij willen demonstraties mogelijk
maken en houden. Dat moet dus ook betekenen dat iedereen zich vrij voelt
om mee te kunnen doen aan een demonstratie. Dan moet je dus ook de
zekerheid voelen dat een demonstratie niet gekaapt wordt door mensen die
in één keer hun gezicht bedekken, niet omdat ze vrezen voor vervolging
in een ander land, niet omdat ze bang zijn voor een medische uitstraling
et cetera, maar omdat ze willen vernielen, geweld willen plegen et
cetera. Dat verdient onze samenleving niet. Precies dat is de reden dat
we met dit wetsvoorstel komen.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Volgens mij was de heer Van den Brink …
De voorzitter:
Ja, maar de heer Van den Brink had zijn eerste onderwerp in drie
interrupties afgerond, dus dan is mevrouw Mutluer. Het is eigenlijk net
als bij de bakker of bij de slager: je wacht gewoon op je beurt.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Ik wilde heel netjes zijn, maar dan neem ik het woord, voorzitter, via
u.
De voorzitter:
Gaat uw gang.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Ik merk wel dat we een beetje van de hak op de tak gaan. Dat komt door
de wijze waarop we debatteren. Er zijn schriftelijke antwoorden geweest.
De inleiding van de minister was een beetje vaag, in de zin van: breed
en abstract. Nu gaan we allemaal onze onderwerpen pakken. Dat maakt het
debat niet prettig en slaat het dood. Dat is even een algemene opmerking
die ik wil maken. Ik ga nu namelijk ook mijn onderwerp oppakken waar ik
een vraag over wil stellen.
De voorzitter:
Ik kan daar niets aan doen, mevrouw Mutluer. Het heeft te maken met de
beantwoording van de zijde van het kabinet. Ik wil u wel allen de ruimte
geven om uw onderwerpen te bespreken met de minister. Ik denk dat dit de
manier is waarop we dat kunnen doen.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Dat doet u fantastisch, voorzitter, maar ik hoop dat we de volgende
keren bij de begrotingsbehandelingen hier anders mee omgaan. Dit is
gewoon een oproep …
De voorzitter:
In de richting van het kabinet.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
… die ik hierbij doe in de richting van het kabinet.
De voorzitter:
We zullen het op alle departementen overbrengen.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
De overige Kamerleden horen het ook.
De voorzitter:
Uw interruptie, mevrouw Mutluer.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Mijn interruptie gaat met name over het onderdeel criminaliteit en
preventie. We hebben het heel erg vaak over jeugdigen die dader zijn en
vaak ook slachtoffer, uit kwetsbare wijken, en die als soldaten worden
ingezet. Ik heb heel nadrukkelijk gevraagd tijdens eerdere
begrotingsbehandelingen wat we doen met die 1% of 2% die net te klein is
voor de politie, maar te groot voor de reguliere jongerenwerkers. Toen
zijn we met het plan gekomen voor een specialistische
jongerenwerker.
De voorzitter:
Uw vraag.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Daar is een onderzoek van ruim 2 miljoen euro naar gedaan. Ik wil
concreet weten wat daarmee is gebeurd en hoeveel specialistische
jongerenwerkers we nu hebben.
Minister Van Oosten:
Het antwoord op de vraag hoeveel specialistische jongerenwerkers we
hebben, heb ik nu niet. Ik kan wel kijken of ik dat voor de tweede
termijn alsnog kan krijgen. Dat is een nieuwe vraag die ik niet heb
kunnen voorbereiden. In mijn antwoord heb ik u wel gezegd dat het
specialistische jeugdwerk, waar dus ook de financiering zit waar mevrouw
Mutluer op doelt, heel in het bijzonder z'n plek heeft gevonden in het
samen met gemeenten, zorg en het veiligheidsdomein oprichten van een
lerend netwerk, waarbij alle lessen over en weer worden gedeeld. Dat kan
natuurlijk heel abstract en vaag klinken, maar het is wel ontzettend
belangrijk, want we hebben ruim — hoeveel zijn het? — 350 gemeenten en
evenzoveel organisaties, die daar rondom functioneren. Die moeten niet
allemaal het wiel willen uitvinden. Aan de hand van die 47 gemeenten die
we hebben geselecteerd voor Preventie met Gezag, kunnen we echt
bekijken: wat heeft in gemeente X gewerkt en waarmee kunt u dus in
gemeente Y werken? Het antwoord over het aantal jongerenwerkers, voor
zover ik u dat kan geven, blijf ik u nog even schuldig.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Dan wil ik wel van de minister een toezegging dat hij met een Kamerbrief
komt waarin hij nadrukkelijk uitlegt wat er met dat onderzoek van ruim 2
miljoen is gebeurd, wat de uitkomsten ervan zijn en wat het voor de
praktijk betekent.
Dat gezegd hebbende, stel ik nu mijn laatste vraag, over de Wet wapens
en munitie. Ik zie dat onwijs veel jongeren anderen op straat bedreigen
met messen. Luchtdrukwapens, gekocht via Telegram, worden omgezet naar
normale wapens. Mijn concrete vraag, dezelfde vraag als drie jaar terug,
is: wanneer mogen we die Wet wapens en munitie eindelijk eens in deze
Kamer behandelen?
Minister Van Oosten:
Ik ben het volledig, echt volledig, met u eens dat de aanscherping van
de Wet wapens en munitie er moet komen. Ik ga kijken of ik een
precisering kan aanbrengen. Misschien komt zo nog binnen wanneer die
komt. Maar ik weet dat er hard aan wordt gewerkt. Dat heb ik zelf ook in
stukken gezien, dus die gaat echt uw kant op komen. Het is mij er ook
zeer aan gelegen dat dit gebeurt, omdat ik ook uit andere ervaringen kan
putten en weet hoe ongelofelijk gevaarlijk en riskant het is en hoeveel
toekomsten er vergald worden door jonge mensen die ineens met wapens op
straat komen. Dus er wordt aan gewerkt. Hetzelfde geldt voor uw vragen
over gas- en alarmpistolen. Die ben ik echt niet vergeten, zeg ik via de
voorzitter tegen mevrouw Mutluer. Daar werken we aan met onze
internationale partners. Maar het euvel is wel dat ik niet in een paar
maanden België of Duitsland kan dwingen om het ineens anders te doen. Zo
werkt het gewoon niet. Die realiteit heb ik ook onder ogen moeten zien
de afgelopen maanden. Maar het is niet vergeten. Die wet komt eraan. Dan
gaan we het erover hebben, met die aanscherping, precies wat u wilt.
De voorzitter:
Mevrouw Mutluer vroeg naar de timing. Ik stel voor dat u daar in tweede
termijn op terugkomt.
Minister Van Oosten:
Ja.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Excuus aan mevrouw Faber. Ik wilde u net niet onderbreken; ik was
slechts gehoorzaam aan de voorzitter. Ik moet misschien iets minder
gehoorzaam zijn. Ik heb nog een vraag over het wietexperiment en de
overlast die dat veroorzaakt. In de schriftelijke antwoorden zegt de
minister dat de meerderheid van de gemeenten tevreden is over hoe het
gaat. Dat betekent nog altijd dat 40% ontevreden zou kunnen zijn, want
het gaat om tien gemeenten. Kan de minister er iets preciezer in zijn?
Hoe groot is de overlast en wat doet hij ertegen?
Minister Van Oosten:
Het wordt nu een beetje gissen in de lucht. Ik denk niet dat de
inschatting van 40% van de heer Van den Brink klopt. Ik heb recent een
bijeenkomst mogen bijwonen met burgemeesters van gemeenten waar wordt
geteeld en waar coffeeshops et cetera zijn. We zitten wel nog in een
leerproces. Daarom is het ook een experiment, dat nog een aantal jaren
duurt. Daarom is mijn oproep aan de Kamer, ook een beetje vooruitkijkend
naar de amendementen: zorg dat het experiment tot zijn recht kan komen,
met de goede en de slechte dingen. Ik ga ook niet zeggen, als concreet
antwoord, dat het in elke gemeente pais en vree is op dit punt, want het
is me ook bekend dat er één gemeente in het bijzonder is waar mensen
bijvoorbeeld geuroverlast ondervinden. Daar refereert de heer Van den
Brink ook aan. Ik kom er ook in mijn antwoorden op terug. We hebben er
contact over met de betreffende burgemeester.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Mijn laatste vraag gaat over het actieplan tegen mensenhandel. De
minister meldt dat er een centraal informatiepunt komt. Waarom is dat er
nog niet? Wanneer komt het wel?
Minister Van Oosten:
De vraag wanneer het komt en wanneer het in de planning zit …
De voorzitter:
U komt erop terug in de tweede termijn?
Minister Van Oosten:
… kan ik nu niet specifiek beantwoorden.
Mevrouw Faber (PVV):
Er moet me toch nog even iets van het hart. U zei dat we allemaal op
onze beurt moeten wachten en dat we dat ook moeten doen bij de bakker en
de slager. Nou, ik heb in een slagerij gewerkt. Als iemand een grote
bestelling had, dan liet ik niet allerlei andere klanten tussendoor
voorgaan. Dat gezegd hebbende, hoop ik dat u mij mijn punten wil laten
afmaken. Dan kan ik gaan zitten.
De voorzitter:
Die vergelijking gaat mank, maar ik denk dat u wel een beetje weet wat
ik bedoel.
Mevrouw Faber (PVV):
Goed, laten we doorgaan. Ik heb een vraag over het groepsgedrag. We zien
gewelddadige groepen waarin een of twee kopschoppers aanwezig zijn.
Vervolgens houden ze allemaal hun mond over wie het heeft gedaan en
komen ze ermee weg. Artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht gaat over
het opereren als groep. Die een of twee kopschoppers doen dit omdat ze
in de groep zitten. Ze voelen zich veilig in die groep. Mijn vraag aan
de minister is: waarom wordt dan toch die hele groep niet zwaar
bestraft? Dan breek je die groep ook op den duur. Op het moment dat ze
er niet mee wegkomen, gaan ze er namelijk mee stoppen.
Minister Van Oosten:
Ik kan een heel lang antwoord geven, maar ik ben het in de kern met
mevrouw Faber eens. Dat heb ik ook geprobeerd uit te leggen in het debat
over geweld tegen hulpverleners, maar misschien is dat onvoldoende bij
mevrouw Faber overgekomen. Ik lees net als mevrouw Faber wat er nu in de
wet staat. Er zijn mogelijkheden, maar de bewijslast is soms
ingewikkeld. Ik stel ook gewoon vast dat het niet altijd leidt tot dat
wat mevrouw Faber benoemt. Ik kan niet verder gaan dan alleen een
verkenning aan te kondigen, want ik ben een demissionair minister; dat
is de status waarin ik zit. Maar ik doe het wel. Zoals ik u ook heb
toegezegd en nu ook weer staat in de antwoorden, wil ik verkend hebben
langs welke weg we een aanscherping kunnen aanbrengen, en we de mensen
kunnen aanspreken die verscholen gaan achter de figuren die
daadwerkelijk het wangedrag uiten richting bijvoorbeeld politieagenten.
Het gaat om de mensen die deze groep aanmoedigen, die ze misschien
dronken voeren of verzin het allemaal maar. Dat kan wat mij betreft
financieel gebeuren, maar ook strafrechtelijk. Die verkenning gaan we
dus doen. Die komt naar uw Kamer toe. Ongetwijfeld gaan we het er dan
echt over hebben, want er is me veel aan gelegen om daar verder mee te
gaan. Het is nu, vind ik, onvoldoende.
Mevrouw Faber (PVV):
Dank u wel voor deze toezegging, zeg ik via de voorzitter aan de
minister. Wanneer kunnen we deze verkenning dan verwachten?
Minister Van Oosten:
U stelt heel precieze vragen en ik zou het liefst zeggen: het komt
allemaal volgende week. Maar dat gaat niet zo zijn, want ik heb daar
werk voor te doen. Dit jaar gaat u dat sowieso krijgen. Die toezegging
doe ik.
De voorzitter:
Ik stel voor dat u in de tweede termijn ook tot een precisering van de
vraag komt.
Minister Van Oosten:
Dat preciseer ik voor zover dat mogelijk is, voorzitter. Dank.
De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Faber.
Mevrouw Faber (PVV):
Over een ander onderwerp. Ik kan moeilijk ...
De voorzitter:
Dan wil ik toch echt eerst de heer El Abassi even het woord geven. Het
is een beetje zoeken naar een goeie vorm, maar ik denk dat we zo het
meest recht doen aan alle vragen en opmerkingen.
De heer El Abassi (DENK):
Het is al gebeurd, maar om te voorkomen dat er ook in de toekomst door
partijen uitingen gedaan worden die niet op feiten gebaseerd zijn, wil
ik de minister het volgende vragen over Islamic Relief. Klopt het
namelijk dat Islamic Relief door heel veel landen, waaronder het
Verenigd Koninkrijk en Duitsland, is onderzocht, ook strafrechtelijk, en
dat uit geen een onderzoek is gebleken dat er sprake is van een
terroristische organisatie of überhaupt van een strafrechtelijke
veroordeling?
Minister Van Oosten:
Als u het mij zo precies vraagt, wil ik ook een heel precies antwoord
geven. Dat ga ik u in de tweede termijn geven, want ik heb er eerlijk
gezegd geen behoefte aan dat ik dadelijk in een situatie terechtkom
waarin ik net even een zinnetje verkeerd heb gezegd ten opzichte van hoe
het precies zou zitten, en we daarna dáár weer een heel debat over
hebben met elkaar. Het onderwerp is dat het denk ik niet waard, want u
heeft recht op het goede antwoord.
De heer El Abassi (DENK):
Heel graag. Daar wil ik bij aangeven dat ik wel weet van het individuele
geval in het Verenigd Koninkrijk. Daarin hebben ze het over een
individuele persoon, die ook ontslagen is, die wat uitingen heeft
gedaan, maar die niet strafrechtelijk is veroordeeld. Dat zeg ik zodat
ik dat verhaal in ieder geval niet krijg van de minister op het moment
dat hij hier antwoord op geeft. Het lijkt me goed als we dit even
opklaren, want het beeld wordt iedere keer naar voren gebracht alsof het
hier gaat om een terroristische organisatie. Voor zover ik weet —
daarmee maak ik 'm af, voorzitter — gaat het om een door de VN herkende
wereldwijde noodhulporganisatie die in 40 landen actief is. Ik hoop dat
dit ook zo is. Dat hoor ik graag zo van de minister.
Minister Van Oosten:
Ik ga u het antwoord geven.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Mijn vraag gaat ook over nationale veiligheid, maar over iets heel
anders dan de vraag van collega El Abassi. Dat is een beetje ingewikkeld
aan hoe we dit met elkaar hebben opgebouwd, maar we doen het ermee. Mijn
vraag gaat over de beantwoording die ik van de minister ontving over de
ICT-problemen bij het OM. We gaan dus weer even terug, zeg ik voor de
minister. Daarbij staat mij het gesprek voor ogen dat ik met een aantal
officieren van justitie had, die zich 's avonds gewoon niet konden
voorbereiden op de dag erna, omdat ze pas op kantoor konden zien welke
zaken aan de orde zouden zijn, ook omdat het zo snel verspringt. Dat
heeft grote gevolgen voor de strafrechtpleging. Wat mij betreft kunnen
we dan geen afwachtende houding hebben, met gesprekken die nog eindeloos
duren. Als ik naar de antwoorden kijk van de minister, geven die me
zorgen.
De voorzitter:
En uw vraag?
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Zijn er nu wel of niet structureel extra middelen nodig volgens de
minister?
Minister Van Oosten:
Het Openbaar Ministerie heeft aan mij bekendgemaakt ... Rondom de
IT-problematiek voeren we op het ogenblik heel scherpe gesprekken met
het Openbaar Ministerie. Dat steek ik niet onder stoelen of banken. Het
Openbaar Ministerie doet daar ook zelfstandig uitlatingen over. Ik vind
het niet aan mij om dat direct over te nemen, want dat gesprek moet ook
wel zijn plek vinden. Daar zitten we echt nog in. Zodra dat uitgewerkt
is, moet ik uw Kamer daar ook over informeren. Ik voorzie wel ... De
problemen die het Openbaar Ministerie neerlegt, zijn niet aan mij
voorbijgegaan, hè? Ik heb ook een brandbrief gezien van — wat is het? —
3.000 mensen, onder meer officieren van justitie. Zij stellen wat u
zegt. Ik snap dus heel goed dat het college daarmee aan de slag moet en
ook naar de politiek kijkt. Maar het is ook een beetje mijn rol — ik
hoop dat u mij die ruimte blijft geven — om scherp terug te duwen naar
het college. Het college is primair verantwoordelijk voor een goed
werkende bedrijfsvoering in de organisatie.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Dat begrijp ik heel goed. Dit gesprek hebben we eerder gehad met de
rechtspraak, en dit geldt vaker in de strafrechtketen. De
bedrijfsvoering is de verantwoordelijkheid van de rechterlijke macht en
van het Openbaar Ministerie, maar men is financieel afhankelijk van de
beslissing die de Kamer neemt. Als wij te lang te efficiënt hebben
begroot, en de ICT-weerbaarheid daardoor niet op orde is, moeten we dat
wel scherp onder ogen zien. Ik kan me voorstellen dat een minister die
op het punt staat … We bevinden ons natuurlijk ook op een raar moment,
met een zwevende begroting die er morgen wellicht alweer anders
uitziet.
De voorzitter:
En uw vraag?
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Daar heb ik dus ook begrip voor. Mijn vraag is: laten we concreet onder
ogen zien welke opgave er in ieder geval is. Deze kan altijd groeien —
ik hoop het niet — maar het maakt nogal uit of dat gaat om 40 of 80
miljoen structureel, of om 310 miljoen, zoals ik ergens las. Aan welke
orde van grootte denkt de minister?
Minister Van Oosten:
Ik ben echt voorzichtig met het noemen van bedragen. Dat wil ik
eigenlijk niet doen, want dan doe ik geen recht aan het gesprek dat mijn
ministerie vanuit de systeemverantwoordelijkheid heeft te voeren met het
Openbaar Ministerie. Dat heeft helemaal niks te maken met het feit dat
er geen erkenning zou zijn voor het vraagstuk. Maar als ik hier nu een
bedrag ga noemen, dan veronderstelt dat ook weer van alles. Dat vind ik
gewoon niet goed. Laat dat uitgewerkt worden. Het is voor iedereen
duidelijk welke kaders ik nu heb. Die zijn zoals ze zijn, en in mijn
antwoord geef ik duidelijk aan dat ik daar geen dekking voor heb. Het is
mij volstrekt helder dat het Openbaar Ministerie een forse claim
neerlegt en dat er een vraagstuk ligt. Daar wordt nu over gesproken. Als
we daaruit zijn, kom ik bij u terug. Daar mag u van op aan.
De voorzitter:
Mevrouw Bikker, tot slot.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ik wil het dan toch concreet hebben. Ik heb de afgelopen maanden gezien
hoe groot de gevolgen zijn en hoe, bij wijze van spreken, een paar
Russische hackers onze hele strafrechtketen plat kunnen leggen als we
dit niet goed op orde krijgen. Ik heb er alle begrip voor dat de
minister zegt dat het een ingewikkeld tijdsgewricht is. Dat snap ik
goed. Maar ik wil wel dat we, bijvoorbeeld bij de Voorjaarsnota, de
gezamenlijk verantwoordelijkheid dragen dat die weerbaarheid er komt.
Daar zit mijn grote zorg. Als ik de officieren spreek die de zwaarste
zaken namens ons allemaal behandelen en hoor wat voor gevolgen dat
heeft, mag dit niet te lang duren. Het kan ook niet zo zijn dat we in
Den Haag in onzekerheid zitten, omhoogkijken en wachten tot het gesprek
een keer afgelopen is.
Minister Van Oosten:
Met "onzeker tijdsgewricht" doel ik niet op wat we morgen of op een
ander moment horen van een nieuw kabinet. Ik doel erop dat mijn
ministerie nu, binnen de kaders die ik heb te borgen als demissionair
minister van Justitie en Veiligheid, scherpe gesprekken heeft te voeren
met het Openbaar Ministerie over wat het precies heeft gedaan. Dat is
echt mijn bestuurlijke rol. Ik misken het vraagstuk helemaal niet. U
noemt zelf de Voorjaarsnota, maar daar wil ik even bij wegblijven om
eerst heel precies te horen wat er nu speelt. Ik wil eerst een heel goed
verhaal horen over wat het OM heeft gedaan met al die extra
investeringen; dat moet ik ook aan u uitleggen. Daar zit ik precies
middenin. Zodra ik daar klaar mee ben, geef ik dat aan u terug.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik ben er bijna, voorzitter.
De voorzitter:
Ik ga bijna vragen hoeveel blokjes u heeft. Normaal gesproken vraag ik
dat aan de leden van het kabinet.
Mevrouw Faber (PVV):
Het is misschien een beetje blijven hangen. Maar goed, even zonder
gekheid. De minister en ik hebben het al eerder gehad over de
bevoegdheden en sturingsmogelijkheden van de minister. Dan heb ik het
over de aanwijzingsbevoegdheid. Toen gaf de minister aan dat dit kan bij
zwaarwegende belangen, naast andere mogelijkheden. Maar in artikel 15,
lid 3 van de Politiewet staat ook dat de minister bijzondere
aanwijzingen kan geven als dat noodzakelijk is voor de veiligheid van de
Staat. Bij de jaarwisseling wisten we natuurlijk wel allemaal wat er
ging komen; alles was op volle sterkte. Dan had de minister toch een
mogelijkheid gehad om een aanwijzing te geven? Of begrijp ik het
verkeerd?
Minister Van Oosten:
Ik heb altijd de mogelijkheid om een bijzondere of algemene aanwijzing
te geven, in ieder geval zolang de wet van de initiatiefnemers nog niet
is aangenomen. Maar — dit heb ik altijd gezegd en al mijn voorgangers
ook — daar moet je zeer, zeer, zeer prudent mee omgaan. Je moet het ook
heel bijzonder kunnen concretiseren. Vaak heeft het ook betrekking op
strafvervolgingszaken et cetera. Dat komt dus ook niet helemaal terug in
het voorbeeld dat mevrouw Faber noemt. Maar diezelfde aanwijsbevoegdheid
— ik wil die discussie niet weer helemaal openen — maakt wel dat ik om
tafel kan zitten met het Openbaar Ministerie en dat ik bijvoorbeeld
precies op het punt dat mevrouw Faber nu opbrengt, echt een kritisch
gesprek kan voeren. Daar hangt namelijk boven dat ik inderdaad als
minister wél iets kan doen. U hebt die democratische controle daardoor
ook via mij. Daarom is die aanwijsbevoegdheid in mijn ogen ook zeker
relevant.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Ik wil de minister danken voor de beantwoording. Ik blijf wel even
hangen bij mijn vraag over de actualiteit in Noordoost-Syrië en de
terroristen die daar in de gevangenis zitten. Nu lees ik in de
antwoorden dat we op dit moment — ik moet even precies zijn — geen weet
hebben dat er Nederlanders, of mensen met een Nederlandse link, zijn
vrijgekomen. Mag ik de minister vragen — ik hecht hier zeer aan — of de
Kamer direct op de hoogte wordt gehouden als we weten dat er inderdaad
terroristen met ten minste een Nederlandse nationaliteit vrij rondlopen?
We doen dat namelijk ook als we iemand ophalen. Ik wil ook weten of we
er direct, al dan niet vertrouwelijk, over worden geïnformeerd als er
iemand vrij rondloopt.
Minister Van Oosten:
Ik heb begrepen dat er op dat laatste punt — dat is even voor mijn tijd
— een motie is ingediend over de informatieverstrekking aan de Kamer.
Volgens mij is mevrouw Michon-Derkzen dat geweest. Die wil ik — dat
wordt natuurlijk ook voor mij bewaakt — recht blijven doen. Ik ben het
ook wel eens met de kritische opmerking in uw inbreng, zo van: goh, ik
had eigenlijk wel een brief verwacht van het kabinet. Die neem ik in die
zin ook wel even ter harte, maar ik vraag wel enige redelijkheid, in die
zin dat de snelheid van de ontwikkelingen heel groot is. Ik kan u
verzekeren dat alle mensen met Nederlandse wortels et cetera
internationaal gesignaleerd zijn en dat het instrumentarium hiervoor
voorhanden is. Ik ben wel terughoudend om te zeggen dat ik u in alle
gevallen meteen in openbaarheid antwoord kan geven op vragen, want ik
weet niet of die ruimte wenselijk is. Maar u mag er wel van uitgaan dat
we dit echt heel nauwlettend volgen. Ik denk ook dat we dat scherper en
frequenter met elkaar moeten gaan doen.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Ik zie dit echt als een van de grootste veiligheidsrisico's die op ons
afkomen. Als dat niet openbaar kan, dan wil ik het vertrouwelijk. Ik
beroep me ook even op een uitspraak van de Kamer op dit punt, niet om de
minister voor het blok te zetten, maar omdat ik vind dat wij ook als
Kamer echt goed op de hoogte moeten zijn en blijven van dit soort grote
veiligheidskwesties.
Minister Van Oosten:
Dat begrijp ik ook. Dat is ook in lijn met wat u eerder heeft gezegd. Ik
ga me nu niet uitlaten over een appreciatie van een eventuele motie; die
heb ik dan te beoordelen. Maar dit thema is ook voor dit kabinet en voor
deze minister een bijzonder aangelegen onderwerp; dat mag u wel
aannemen.
De heer Struijs (50PLUS):
Ik sluit me als het gaat over ICT en het OM volledig aan bij de woorden
van mevrouw Bikker, maar er komt op procesniveau een ander probleem aan
dat ook urgenter wordt, namelijk de relatie tussen het College van pg's,
de minister en de uitvoerende officieren van justitie. Er worden zware
woorden gebezigd, zo van: "Er is nu een crisis. Er is niet alleen een
ICT-crisis, maar we hebben nu al jaren aangegeven dat dit probleem er
is." Het College van pg's geeft aan dat zij lange tijd geen gehoor bij
de minister hebben gevonden. Ik hoor nu van de minister en ook van het
College van pg's en het OM dat er nog steeds — laat ik het zo zeggen —
een zeer geanimeerde spanning is tussen die drie partijen. Ze beraden
zich zelfs op acties. Herkent en erkent de minister dat er niet alleen
iets moet worden gedaan aan ICT, maar dat ook op procesniveau alle
mensen moeten worden meegenomen, en zeker ook deze Kamer?
Minister Van Oosten:
Ik aarzel even. Ik denk even na over mijn antwoord. Ik hoop dat u die
ruimte geeft. Weet u, ten aanzien van ICT kan ik het tamelijk
concretiseren. Er ligt namelijk een claim die ik vanuit mijn
bestuurlijke rol, zeg ik maar even, kritisch heb te beoordelen. U mag
mij oproepen het anders te willen, meer te doen enzovoort, maar niemand
mag mij kwalijk nemen dat ik dat ook doe, want die kaders hebt u mij
meegegeven. Als het gaat om de procesregie, het aanhaken tussen het
college en de officieren van justitie et cetera, zijn mij in de
contacten met het college in die zin geen vraagstukken in directe zin
bekend. Het is ook niet aan mij om op de stoel te gaan zitten van de
werkgever. Maar als de heer Struijs zegt dat hij signalen heeft dat hier
sprake is van een vraagstuk, lijkt het mij niet vreemd om in het
onderhoud dat ik regelmatig met het Openbaar Ministerie heb, aan te
geven dat ik dit heb gehoord en te zeggen "vertel mij dan maar". Zo ga
ik er dan eerlijk gezegd mee om. Dat is dus mijn antwoord.
De heer Struijs (50PLUS):
Dank voor het antwoord. Ik wil toch nog even de urgentie hiervan
meegeven. Ik zou dat gesprek dus ook niet te lang laten hangen.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik kom nog even terug op de vragen die ik had. Ik heb de bewindspersonen
een heel document gegeven over het Meldpunt Agro Intimidatie; een van de
vragen die niet beantwoord zijn, gaat daarover. In dat document staat
een heel aantal meldingen van boeren en mensen in de agrarische sector
die aangeven op welke manier zij met bedreigingen en intimidatie te
maken hebben. Ik had de minister gevraagd om een reactie op dat hele
document. Die reactie heb ik niet kunnen vinden.
Minister Van Oosten:
Nee, daar heeft u gelijk in. Dat moet ik dan ten spoedigste gaan doen
richting de tweede termijn. Ik heb uw bijlage — misschien heb ik het dan
niet goed opgevat — als een voorbeeld gezien van wat u in uw inbreng
naar voren bracht, namelijk dat mensen in de agrarische sector soms, om
even hele neutrale woorden te gebruiken, een zeer zwaar gemoed hebben
als het gaat om waar ze mee geconfronteerd worden door mensen die vinden
dat het werk anders moet et cetera. Zo heb ik het opgevat. Ik heb het
niet opgevat als een vraag om er heel precies op in te gaan. Ik ben ook
bang dat dat voor een heel end niet kan, omdat het natuurlijk
individuele zaken zijn, maar ik wil die toets nog even laten doen,
mevrouw Van der Plas. Dat ben ik u dan nog verschuldigd.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Mensen hebben geen zwaar gemoed; mensen leven in angst. Dat is omdat hun
erf betreden wordt of omdat er ingebroken wordt in hun stallen.
Vrachtwagenchauffeurs van veetransporten worden gewoon afgesneden op de
weg. Dat soort dingen staat daarin. Ik wil hier dan maar in de tweede
termijn een reactie op. Het tweede punt betreft iets wat ik de minister
gevraagd had. De politie zegt weleens tegen boeren die aangifte of een
melding willen doen, maar zeker bij een aangifte: doe dat maar niet,
want dan krijg je heel veel gedoe en misschien wordt het ook verder niet
behandeld. Boeren vatten dat eigenlijk als volgt op: dan kan ik maar
beter ook geen aangifte doen. De oorsprong van mijn vraag is dus de
wettelijke verplichting van de politie om een aangifte van strafbare
feiten of een vermoeden van strafbare feiten op te nemen.
De voorzitter:
En uw vraag?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Mijn vraag is in deze zin dus als volgt: vindt de minister ook dat de
politie gewoon tegen boeren — die kennen dat strafrecht niet van haver
tot gort — moet zeggen dat wanneer zij een strafbaar feit of een
vermoeden van een strafbaar feit zien, zij maar gewoon aangifte moeten
komen doen?
Minister Van Oosten:
Ik ben het er volstrekt mee eens dat je aangifte moet kunnen doen. Ik
roep ook iedereen op om dat te doen. Ik sprak de woorden van zonet uit
omdat ik wil vermijden allerlei uitingen te doen over de voorbeelden die
mevrouw Van der Plas noemt. Als je in angst leeft omdat je bedreigd
wordt — wat ook de oorzaak ervan is en wat ook de grond en het motief
zijn — dan hebben we daarvoor in dit land de politie. Ik wil dat
iedereen de ruimte en de vrijheid voelt om aangifte te doen. Dan
verwacht ik dat de politie de aangifte ook opneemt en er volgens mee aan
de slag gaat. Dat is eigenlijk weer de discussie die we helemaal aan het
begin hadden: rondom de doorlooptijden. Hier is geen twijfel over, geen
misverstand op dit vlak.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik hoop dat ik even wat meer ruimte krijg dan drie interrupties, want ik
heb nog een paar dingetjes. Ik noem ook het in angst leven van mensen en
de roekeloosheid waarmee dierenextremisten te werk gaan. In Blokker
hebben ze vrachtwagens in de fik gestoken bij het pluimveebedrijf
Plukon. Vrachtwagens! En dat terwijl vrachtwagenchauffeurs vaak in de
cabine slapen. Die overnachten bijvoorbeeld op een bedrijfsterrein omdat
ze 's ochtends vroeg weer verder moeten. Ze slapen dus in die cabines.
Dus een dierenextremist …
De voorzitter:
Uw vraag.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Nou ja, mijn vraag ... Laat ik het zo zeggen: de overheid heeft in mijn
beleving de roekeloosheid waarmee te werk wordt gegaan, met de kans op
dodelijke slachtoffers, niet genoeg in het vizier. Er wordt wel gezegd:
de politie doet natuurlijk onderzoek. Dat is ook allemaal prima gebeurd,
maar dit soort dingen gaat gewoon een keer gruwelijk mis. Dat is de
angst waarin mensen leven. Ik wil de minister gewoon oproepen om wat
hier gebeurt, niet te licht op te nemen.
Minister Van Oosten:
Dat kan mevrouw Van der Plas echt wel mee terug nemen. Ik hoop dat ze
dat doet. U mag weten dat ik een overleg heb gehad, samen met de
minister van onder meer Landbouw — zo zeg ik het even, want we hebben
het nu over specifiek agrarische vraagstukken — en dat was een heel
indringend gesprek. Het was met vertegenwoordigers uit de sector, die me
precies vertelden wat mevrouw Van der Plas mij nu ook vertelt. Daarbij
heb ik ook aan hen gevraagd: verspreid alsjeblieft ook het verhaal "doe
aangifte, vertel de politie waar je tegenaan loopt, laat weten welke
angsten er zijn en welke meldingen je hebt". Want dan hebben we het in
kaart. Dan kan er ook mee gewerkt en op geacteerd worden. Als minister
verwacht ik dat dat gebeurt. Die oproep ligt er dus. Ik hoop echt dat
daarnaar gehandeld wordt, zodat zaken waarbij signalen missen, opgelost
kunnen worden doordat ze wel opgebracht worden. Daar kan af en toe nog
wel een iets beter resultaat op worden geboekt, zo was ook mijn
afdronk.
De voorzitter:
Mevrouw Van der Plas, kort en bondig alstublieft.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik had een vraag over de meldingen. Die worden wel gedaan, maar tellen
niet mee in de rapportages en blijven dus buiten beeld bij de NCTV. Dan
krijg ik een soort administratie over hoe de rapportages worden
verwerkt, maar de vraag is niet beantwoord. Aangiftes en dergelijke
worden dus wel meegenomen, maar meldingen niet. Mijn vraag aan de
minister is om meldingen ook op te nemen in de rapportages van de
NCTV.
Minister Van Oosten:
Ja, die vraag is helder. Die is overigens ook opgekomen in datzelfde
overleg. Dat haakt een beetje terug op de vraag die mevrouw Van der Plas
net ook opbracht. Het is wel belangrijk om het beeld … Mijn indruk is
dat er misschien meer leeft in de sector dan er is overgebracht. Ik
sluit dat gewoon niet uit. Dat vind ik dus niet goed, want ik vind dat
de politie er weet van moet hebben, ongeacht het motief of de reden
waarom mensen zich bedreigd voelen enzovoort, want dat moet eigenlijk
niet uitmaken. Als het inderdaad veel meer is dan we nu in kaart hebben
gebracht, dan gaat het automatisch zijn weg vinden in dat dreigingsbeeld
et cetera, maar daar gaat het mij niet om. Daar gaat het mevrouw Van der
Plas ook niet om, denk ik. Het gaat niet om het dreigingsbeeld, maar het
gaat erom dat je actie onderneemt als mensen wat overkomt. Dan moet je
het wel weten. Soms kan dat ongetwijfeld beter vanuit de zijde van de
politie, maar ik denk ook dat we meer meldingen moeten kunnen ophalen
dan er zijn.
De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Daarvoor bestaat het Meldpunt Agro Intimidatie. Mijn vraag aan de
minister was dus om te kijken of dat meldpunt in samenwerking met de
politie kan, zodat er een betere bundeling en analyse komen van het
beeld van bedreigingen en intimidatie en daadwerkelijke strafbare feiten
door dierenextremisme. Die vraag zou ik hier bij de minister willen
neerleggen. Ziet hij er kans toe om daaraan mee te werken?
Minister Van Oosten:
Die vraag wil ik even mee terugnemen, want ik heb altijd een kleine
terughoudendheid als het gaat om nieuwe meldpunten. Ik zeg niet dat het
een nieuw meldpunt is, hoor. Het moet ook duidelijk zijn waar je naartoe
gaat als je je bedreigd voelt. Als je bent bedreigd, bel je 112, of je
nou een boer bent of een slager, zoals in het voorbeeld van mevrouw
Faber. Je kan ook anoniem bellen. Dan bel je met de politie, zodat die
aan de slag kan. Ik wil voorkomen dat dat wegebt, wat we ook nog gaan
organiseren. Dan heb je die registratie namelijk toch onvoldoende, denk
ik.
De voorzitter:
Dan gaan we over naar de appreciatie van de amendementen. Ik durf het
bijna niet te vragen, minister, maar kunnen die gecategoriseerd
worden?
Minister Van Oosten:
Ik heb geluisterd naar …
De voorzitter:
Ik zie de heer El Abassi. Gaat uw gang.
De heer El Abassi (DENK):
Ik wist niet dat het derde al zo snel afgelopen was. Ik had nog een
vraag in het derde blokje.
De voorzitter:
Dan bent u de laatste in dit blokje.
De heer El Abassi (DENK):
In antwoord op de vragen over het geweldsincident dat gisteren en
eergisteren viraal is gegaan, geeft de minister aan dat het al
onderzocht wordt door de politie zelf. Volgens mij heb ik juist gevraagd
om een onafhankelijk onderzoek. Ik zou graag van de minister willen
horen waarom er in dezen niet wordt gekozen voor een onafhankelijk
onderzoek.
Minister Van Oosten:
De heer El Abassi doelt nu, zo veronderstel ik even, op de beelden die
we gisteren allemaal konden zien op sociale media. Ik kan mij heel goed
voorstellen dat daar de nodige vragen over zijn. Maar het is juist zo
belangrijk dat de politie … Ik ga uit van het goede bij de politie. Je
moet de politie de gelegenheid geven om heel goed en serieus te
onderzoeken wat er plaats heeft gevonden en in welke context dat heeft
plaatsgevonden. Dit geeft de politie mogelijkheden en ruimte. Het is net
gebeurd en het onderzoek is net gestart. Mijn oproep is om dat af te
wachten en ervan uit te gaan dat de politie … De politie is er alles aan
gelegen om dit heel serieus te bekijken; dat kan ik u verzekeren.
De heer El Abassi (DENK):
Ook ik ga uit van de goedheid van de politie; dat hebben we gelukkig
gemeen. Juist daarom stuur ik aan op een onafhankelijk onderzoek. Op het
moment dat ik iets over mijzelf wil onderzoeken, laat ik dat niet door
mijzelf doen, juist vanuit die goedheid.
Voorzitter. Ik zou een vervolgvraag willen stellen. Ik heb namelijk
getuigen gehoord, en een van die getuigen heeft aangegeven: ik heb
aangifte gedaan tegen deze zelfde politieagent voor mishandeling.
Tegelijkertijd heb ik ook beelden ontvangen van een eerdere
mishandeling, waarin dezelfde agent te zien is. Ik zou de minister het
volgende willen meegeven. In die beelden is te zien dat mensen de agent
vragen om rustig te doen, en weer hakt hij erop los. Ook die beelden —
daar ben ik van overtuigd — zullen vandaag viraal gaan. Ik zou de
minister willen vragen om in dit geval toch echt een onafhankelijk
onderzoek te laten doen, juist vanwege de gevoeligheid hiervan.
Minister Van Oosten:
Ik blijf bij mijn eerdere punt dat het echt belangrijk is om dit heel
serieus te onderzoeken. Als er andere of meer context omheen gegeven
moet worden, gaat dat ook onderdeel worden van het onderzoek. Iedereen
weet dat dit een kwestie is die zeer nauwlettend wordt gevolgd. Dat
begrijpt iedereen ook goed, inclusief deze minister. Ik ga ervan uit dat
het onderzoek met grote zorgvuldigheid en grondigheid gaat plaatsvinden
en dat alles erbij wordt betrokken, maar dat ga ik eerst afwachten.
Verder ga ik ook geen uitlatingen doen over wat er nou precies wel of
niet heeft plaatsgevonden. Dat is niet mijn rol. Dat moet je ook niet
doen als je een lopend onderzoek hebt.
De heer El Abassi (DENK):
Juist omdat het zo gevoelig ligt, juist omdat iedereen meekijkt, is het
belangrijk dat dat onderzoek onafhankelijk gedaan wordt. Mensen kunnen
dat zien en meenemen, zodat er niet achteraf allerlei commentaar komt op
dat onderzoek. Dat zou ik de minister willen meegeven.
Minister Van Oosten:
Ik heb er niks aan toe te voegen. Het is heel goed dat dit heel serieus
gaat worden onderzocht, en daar is alle reden toe. Dat kan de politie
heel goed, en daar heeft zij ook allerlei mogelijkheden toe.
De voorzitter:
We gaan over tot de appreciatie van de amendementen. Ik stel de leden
voor maximaal twee interrupties per amendement te plegen, bij voorkeur
op het eigen amendement.
Minister Van Oosten:
U vroeg mij hoe ik dat ga doen. Ik hoop dat ik dat goed doe. Ik ga een
aantal amendementen langs en die liggen bij mij op volgorde, maar die
gaan bijvoorbeeld wel van 28 naar 34. Hoe men dat dan helemaal precies
verklaart, moet ik u even schuldig blijven.
De voorzitter:
Mijn lijstje zegt dat we beginnen bij het amendement op stuk nr. 11.
Minister Van Oosten:
Ik begin bij het amendement op stuk nr. 28.
De voorzitter:
Ja. Het amendement op stuk nr. 11 heeft al een appreciatie, oordeel
Kamer.
Minister Van Oosten:
Ja. Dat is al geapprecieerd bij een eerder debat. Sorry.
De voorzitter:
Het amendement-Dassen op stuk nr. 28.
Minister Van Oosten:
Dat ontraad ik. Dat ziet op aanvullende middelen voor noodpakketten.
Daarbij wil ik de opmerking maken dat ik echt wel heel goed besef dat
het niet voor iedereen even gemakkelijk is om de financiering voor zo'n
noodpakket rond te brengen, maar dat de campagne er juist ook op gericht
is om dit waar mogelijk met elkaar te doen en het gesprek met buren op
dat punt aan te gaan.
Dan de motie op stuk nr. 34.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 34.
Minister Van Oosten:
Het amendement op stuk nr. 34, van de leden Michon-Derkzen en Sneller,
is een amendement dat ziet op aanvullende middelen voor het Centrum voor
Criminaliteitspreventie en Veiligheid. Dit amendement kan ik oordeel
Kamer geven.
Ik kan erbij zeggen: ik ga nog twee andere amendementen ook oordeel
Kamer geven. Ik ga er ook gelijk bij zeggen dat ik me realiseer dat dit
dan een vraag kan oproepen. Ik kijk in het bijzonder naar de heer Van
Dijk, want hij vroeg daarnaar: "Waarom mijn amendement dan niet?" Nou,
kijk. Om te beginnen heb ik eigenlijk gewoon helemaal geen geld. Dat
maakt het al verschrikkelijk ingewikkeld. We hebben iets van een
onverdeelde-middelenpost. Dat is een zogeheten "artikel 92", een beetje
technisch. Maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat dat eigenlijk
allemaal al is ingevuld. Dat ziet onder meer op prijsbijstellingen et
cetera. Maar ik snap ook wel — ik heb het ook van de andere kant
meegemaakt — dat er een aantal punten zijn, die ik heb opgehaald uit de
maanden waarin ik debatten met u heb mogen voeren en die ik voortdurend
heel breed zag terugkomen. Ik heb het dan over criminaliteitspreventie
en over twee andere punten waarvoor ik incidenteel ruimte heb gevonden
op de begroting. Daarom durf ik dat oordeel Kamer te geven en kan ik dat
voor het overige niet doen. Het is uiteindelijk natuurlijk aan uzelf wat
u op dat punt besluit.
Het amendement op stuk nr. 34 heeft dus oordeel Kamer gekregen. Oordeel
Kamer gaat ook krijgen het amendement op stuk nr. 35 van de leden
Mutluer en Straatman. Dat ziet op de Fraudehelpdesk. Dat is ook zo'n
onderwerp. Waarom dat dan wel? Omdat ik met u een debat heb mogen voeren
waarbij ik Kamerbreed heb moeten vaststellen dat u een diep verlangen
heeft als het gaat om die Fraudehelpdesk en fraudebestrijding als
zodanig. We willen komend jaar, dit jaar, ook verdere stappen zetten als
het gaat om de fraudehub, de vraag wat je kunt verbeteren et cetera. Dan
heb je ook een beetje tijd nodig om dat goed te kunnen vormgeven.
Vandaar.
Het amendement op stuk nr. 37 van de leden Bikker c.s., dat ziet op het
Platform Aanpak Ondermijning Kleine Zeehavens, ontraad ik. Ik zeg
daarbij in de richting van mevrouw Bikker dat dit niet is omdat ik geen
sympathie heb voor de kleine zeehavens. Ik wijs er wel op dat we als
ministerie in heel nauw contact staan — we zijn "in dialoog", zoals dat
dan ambtelijk heet — met de betrokken gemeenten. Het bedrag dat nu
structureel wordt gevraagd, is relatief hoog. Even ter vergelijking: dat
is hetzelfde als voor de ondermijning op heel Schiphol. Ik vind dat zich
dat toch wat ingewikkeld met elkaar laat vergelijken. Belangrijker is
nog dat de probleemanalyse, met de bijbehorende interventies, op dit
moment nog onvoldoende onderbouwd is. Daardoor is onvoldoende zichtbaar
wie wat kan doen en welke middelen daarbij horen. Het is overigens niet
zo dat er helemaal niks naartoe kan gaan, maar niet het bedrag dat u
heeft voorgesteld.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Welk bedrag dan wel?
Minister Van Oosten:
Daar wordt over gesproken. Binnen de reguliere middelen is er misschien
een mogelijkheid. Ik moet er iets duidelijker over zijn. We gaan nu
eerst een onderzoek financieren om heel precies duidelijk te krijgen wat
er nou nodig is om tot die probleemanalyse te komen. Die heb je echt
nodig; die ontbreekt.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Dit vind ik, met alle respect voor de minister, een frustrerend
antwoord. Ik heb hier jaar na jaar gestaan om te pleiten voor een
Noordzee-aanpak. Jaar na jaar heb ik van de minister en zijn
ambtsvoorgangers te horen gekregen: "Dat is een goed plan, mevrouw
Bikker. We moeten het dan niet alleen hebben over de mainports, maar ook
over die andere havens, van Harlingen tot aan Scheveningen, en ook alles
langs de Noordzeekust. Sterker nog, we zullen in gesprek gaan met de
Duitse havens, met de Belgische havens, enzovoorts." Er is dus heel veel
geanalyseerd. Dat we weer opnieuw gaan analyseren, voelt als een kluitje
in het riet, terwijl er deze dagen elke keer opnieuw criminelen
gebruikmaken van andere plekken om te landen en de drugs aan wal te
brengen. Het duurt nog even voordat het amendement in stemming komt. Ik
vind het prima om naar het bedrag te kijken, maar niet om weer in de
wachtstand te gaan.
Minister Van Oosten:
Ik ben nog even in afwachting van het precieze bedrag, maar in de
reguliere ondermijningsmiddelen is ook wel wat geld gereserveerd voor
dit punt. Het is niet zo dat dit niet onderkend wordt. Ik heb u daar
zelf ook over gerapporteerd. Je ziet bij drugstransporten een
verschuiving plaatsvinden van hele grote mainporthavens naar kleinere
havens. We kunnen daarover misschien redetwisten met elkaar, maar ik
krijg ook terug dat die probleemanalyse van wat je dan precies moet
doen, wat er exact nodig is en wat gemeenten zelf kunnen doen, toch nog
onvoldoende onderbouwd en ondervangen is. Dat neem ik ook serieus. Dat
biedt dus ook geen ruimte voor de financiering waarom u vraagt. Ik
vergelijk het met Schiphol, waarvoor we een vergelijkbaar bedrag hebben.
Ik vind dat die grootheden dan toch uit elkaar lopen.
De voorzitter:
De beantwoording mag iets beknopter.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Punt van orde. Bij het amendement over de Fraudehelpdesk mistte ik mijn
eigen naam. Dat is niet de schuld van deze minister. Ik denk dat het
vanuit ons niet goed is doorgegeven. Bij dezen.
De voorzitter:
Bij dezen.
De heer Sneller (D66):
Een hele korte interruptie naar aanleiding van de interruptie van
mevrouw Bikker. Volgens mij is het ook goed om naar het plan van dat
platform te kijken en dan vooral naar wat de actie is die daaruit volgt,
en dan daar vanuit het ministerie op in te zetten, in plaats van dus in
te zetten op allemaal onderzoeken. Je moet juist bekijken wat je uit dit
voorstel kunt overnemen.
Minister Van Oosten:
Dat is precies de bedoeling, want er wordt met het platform, mét het
platform, gewerkt aan een goede probleemanalyse en de bijbehorende
interventies. Daarna is pas duidelijk wie wat kan doen en welke middelen
daarbij horen. Binnen de reguliere ondermijningsmiddelen is er voor dat
platform al 4 ton gereserveerd. Dat krijg ik ook bevestigd. Daarnaast
vindt er ook onverminderd inzet plaats bij de Douane, de marechaussee en
de lokale RIEC's. Daarop doelde ik eigenlijk net. Daarmee wordt, naar
mijn mening, ook een heel eind recht gedaan aan de inzet van mevrouw
Bikker.
De voorzitter:
We gaan naar het amendement op stuk nr. 38 van mevrouw Coenradie.
Minister Van Oosten:
Het amendement-Coenradie dat ziet op aanvullende middelen rondom de
capaciteit van rechercheurs, ontraad ik. Ik zeg er wel bij dat er op dit
ogenblik in de opsporing een onderbezetting van 12% is. Dat zijn 1.300
fte's. Uitbreiding van de formatie is in die zin dan ook weinig zinvol,
want extra geld gaat daarvoor gewoon de oplossing niet bieden; we moeten
eerst de onderbezetting oplossen.
Het amendement op stuk nr. 40 van mevrouw Coenradie ontraad ik eveneens.
Dat heeft te maken met de capaciteit van de zedenpolitie. Ook hiervoor
geldt dat de personeelscapaciteit mede wordt veroorzaakt door
pensioenuitstroom en een krappe arbeidsmarkt. Ik onderken dat dit echt
een uitdagend vraagstuk is, maar extra geld — want dat is wat een
amendement doet — gaat daar geen oplossing voor bieden.
Het amendement op stuk nr. 43 van mevrouw Dobbe ziet op aanvullende
middelen voor de politie om het begrotingstekort te dichten. Dat
amendement ontraad ik. Het is misschien te makkelijk, maar ik verwijs
terug naar het debat dat we afgelopen maandag hebben gehad in het
wetgevingsoverleg. We hebben toen uitvoerig gesproken over hoe die 46
miljoen euro met mijn inzet en die van de korpschef zou moeten worden
ingevuld.
Het amendement op stuk nr. 64 van de leden Mutluer en Dobbe ziet ook op
structurele middelen et cetera in het kader van de politie. Dat ontraad
ik eveneens. Ik verwijs hierbij ook naar datgene wat we hebben gewisseld
met elkaar. Er zijn ook onvoldoende middelen in artikel 92, waar de
dekking vandaan moet komen.
Dan kom ik op het amendement op stuk nr. 66 van de heer Van Dijk. We
hebben het al een beetje gehad over de aanvullende middelen ten aanzien
van de DUUP. Ik ontraad dit amendement. Het ondermijningsbudget is
volledig geoormerkt voor allerlei verschillende hoofdlijnen. De
Decentralisatie Uitkering Uitstapprogramma's Prostituees behoort niet
tot de doelen van het ondermijningsbudget en zal daar dus ook geen
onderdeel van zijn. Dat betekent echter niet dat er geen lopende
programma's zullen worden gefinancierd, maar dat gebeurt langs een
andere weg.
Het amendement op stuk nr. 67 van mevrouw Teunissen over aanvullende
middelen voor het Meldpunt 144 ontraad ik. Dat meldpunt is echt
onderdeel van de landelijke eenheid van de politie en vervult een
cruciale rol. Er zijn op dit ogenblik 299 themahouders dieren werkzaam
bij de politie, maar onderdeel van het eerlijke verhaal is ook dat de
politie en het Openbaar Ministerie altijd keuzes hebben te maken in
welke zaken wel en niet worden opgepakt.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Ik heb hier nog één vraag over. Uiteraard moet er altijd geprioriteerd
worden. De Kamer heeft een motie aangenomen om een plan van aanpak te
maken om het Meldpunt 144 te versterken. Dat is hard nodig. Er ligt hier
een amendement voor, dat de minister ontraadt. Mijn vraag is: hoe gaat
de minister de motie om het Meldpunt 144 te versterken dan
uitvoeren?
Minister Van Oosten:
Naar mijn weten zijn we die aan het uitvoeren. Ik neem dat mee terug om
te zien in hoeverre daarover al een terugkoppeling heeft plaatsgevonden
aan de Kamer. Dat weet ik nu even niet. We voeren dit uit door de
themahouders dieren een plek te laten hebben bij de politie en door dat
specifieke telefoonnummer te hebben. Als er nog geen terugkoppeling is
gegeven over die motie — dat weet ik nu niet — dan zeg ik toe dat ik die
nog verschuldigd ben aan mevrouw Teunissen. We kunnen het daar
vervolgens nog over hebben.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Er is een terugkoppeling geweest. Daarin wordt aangegeven dat het
kabinet de motie niet uitvoert wegens financiële redenen. Vandaar dit
amendement. Mijn vraag is: als dit wordt ontraden, welke mogelijkheden
zijn er dan nog? Ik vind het prima als de minister daar in de tweede
termijn op terugkomt. Ik zal er zelf ook nog op terugkomen.
Minister Van Oosten:
Maar nu ben ik even kritisch, want dan weet mevrouw Teunissen het
antwoord eigenlijk al. Het kabinet heeft al teruggekoppeld hoe het
omgaat met de motie. Daar heb ik eigenlijk niet zo veel aan toe te
voegen. Desondanks zeg ik dat dat meldpunt onderdeel is van de
landelijke eenheid en dat we themahouders dieren werkzaam hebben.
Daarmee is er aandacht voor het punt dat mevrouw Teunissen opbrengt.
Maar structurele aanvullende middelen, zoals zij verlangt, heb ik
niet.
De voorzitter:
U vervolgt.
Minister Van Oosten:
Het amendement op stuk nr. 68 was volgens mij van ... Ik ben bijna bij
het einde, voorzitter.
De voorzitter:
Van El Abassi.
Minister Van Oosten:
Dat ziet op veiligheidsmaatregelen voor moskeeën. Ik ontraad dit
amendement. Ik kan heel veel opnoemen, maar het komt er ook op neer dat
de dekking bij artikel 92 onvoldoende is. Richting de heer El Abassi wil
ik zeggen, zoals ik eerder heb gezegd, dat het lokaal gezag waar nodig
op basis van risico's en actuele dreigingsinformatie
beveiligingsmaatregelen kan treffen. De NCTV kan altijd gevraagd worden
om advies te geven en zal dat bij omstandigheden ook doen.
Het amendement op stuk nr. 72 van de heer Struijs ziet op de ICT. Dat
ontraad ik. Ik verwijs naar de discussie die we net hebben gehad. Ik
realiseer me echt dat dit een vraagstuk is, maar we zijn daarover in
gesprek.
Dan het amendement op stuk nr. 73 van mevrouw Bikker over het experiment
gesloten coffeeshopketen. Eigenlijk heb ik in de beantwoording al wel
aangegeven dat ik dat ontraad. Ik zou het ons toewensen dat we het nu
een plek geven om dit uit te rollen of ten minste af te wikkelen.
Ten slotte kom ik nog bij het amendement op stuk nr. 74 van mevrouw Van
der Werf.
De voorzitter:
Dat is het amendement-Van der Werf op stuk nr. 75.
Minister Van Oosten:
Ja, inderdaad. Sorry. Dat gaat over aanvullende middelen voor Offlimits.
Dat amendement kan ik oordeel Kamer geven, ook indachtig de discussie en
het luisterend oor dat ik heb gepoogd te hebben in de richting van uw
Kamer.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik schors de vergadering voor een halfuur, dus tot 12.55
uur, waarna we het woord geven aan de staatssecretaris voor zijn
beantwoording.
De algemene beraadslaging wordt geschorst.
De voorzitter:
De vergadering is geschorst voor de lunch tot 12.55 uur.
De vergadering wordt van 12.22 uur tot 12.57 uur geschorst.
Begroting Justitie en Veiligheid 2026
Begroting Justitie en Veiligheid 2026
Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:
het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (VI) voor het jaar 2026 (36800-VI).
De voorzitter:
Dan is aan de orde de voortzetting van de behandeling van de begroting
van Justitie en Veiligheid.
De algemene beraadslaging wordt hervat.
De voorzitter:
We zijn aanbeland bij de beantwoording van de staatssecretaris. Ook de
staatssecretaris zou ik willen vragen of hij ons zou willen meenemen in
de wijze waarop hij zijn beantwoording heeft gestructureerd. De
staatssecretaris.
Staatssecretaris Rutte:
Laat ik maar met die formele informatie beginnen, of die procedurele
informatie, moet ik eigenlijk zeggen. Ik heb een wat algemenere
inleiding, maar dan kom ik uiteindelijk met wat omwegen bij vier
blokjes. Ik ga het hebben over de capaciteit bij de Dienst Justitiële
Inrichtingen en over het voortgezet crimineel handelen in detentie. Dat
is het blokje gevangenis, zeg maar. Dan heb ik een blokje over huiselijk
geweld en kindermishandeling, inclusief femicide. Ik heb een blok over
toegang tot het recht, en dan — u raadt het al — de overige
onderwerpen.
De voorzitter:
Gaat uw gang.
Staatssecretaris Rutte:
Voorzitter. Ook ik bedank de Kamerleden graag eerst voor hun bijdragen
in de eerste termijn, in het bijzonder mevrouw Abdi, mevrouw Straatman
en mevrouw Schilder voor hun maidenspeeches. De minister zei al dat die
maidenspeeches divers waren in de benadering van de onderwerpen waar we
het over hebben. Tegelijkertijd kwamen ze allemaal vanuit het hart en
persoonlijke ervaring. Ik geloof erin dat politiek ook zo bedreven moet
worden: vanuit je eigen overtuigingen, vanuit je eigen ideologie, maar
wel met hart voor de zaak en voor waar wij hier allemaal voor staan,
want wij moeten met elkaar proberen dit land elke dag een beetje mooier
en veiliger te maken.
Ik kreeg hele mooie woorden van de minister over de prettige
samenwerking die wij hebben. U denkt misschien dat het een beetje klef
wordt, maar ik moet eerlijk toegeven dat we een mooie tijd hebben gehad,
ook al is en was het maar kort. Het is echt heel bijzonder om als
oud-Kamercollega's in omgedraaide vorm als bewindspersonen terug te
mogen komen op de onderwerpen waar we het vandaag over hebben en om hier
vandaag met jullie de begroting te mogen bespreken. Dat is bijzonder en
ik dank de minister voor de prettige samenwerking.
Voorzitter. Mevrouw Abdi had het over het terugvinden van haar stem. Ik
denk dat dat gelukt is. Overigens heeft bijna iedereen zichzelf gisteren
goed laten horen. Dat is belangrijk. Als we het hebben over "stem" en
"geluid": ik ga u vandaag meenemen in het gedachtegoed van wijlen Johnny
Cash. Dat is een artiest die ik eigenlijk al sinds mijn jonge jaren
bewonder. Als student ging het mij om de eenvoud, zijn indringende
stemgeluid en zijn ritme. Ik vond het intrigerend dat hij optrad in
Folsom Prison en in San Quentin. Ik was student strafrecht, met speciale
aandacht voor criminologie en penitentiair recht. U kunt zich
voorstellen dat dit destijds mijn aandacht trok. Maar later, in mijn
tijd als Kamerlid, als strategisch adviseur in de zorg en nu ook als
staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, kwamen daar zijn rake
teksten bij en zijn oproep om anderen te zien, om maatschappelijk
betrokken te zijn en verantwoordelijkheid te delen. Dat voel ik en dat
drijft ook mij.
Die oproepen deed Cash altijd in een zwart pak, stemmig zwart voor al
die mensen die niet gezien werden. Hij kwam op voor de vergeten mens,
van native Americans tot de gevangenen. Vandaag draag ik om die reden
ook zwart. Dat leidde wel tot een reactie van mijn chauffeur, die
vandaag zei: "Dat staat je eigenlijk niet; liever een blauw pak." Maar
ja, ik had het al beloofd. Vandaag ben ik dus in het zwart: voor het
overgrote deel van de gedetineerden dat nu aan het oog van de
samenleving onttrokken wordt maar dat straks wel weer een plek in
diezelfde samenleving moet vinden, voor de grote zorgen die er zijn over
de capaciteit binnen de gevangenissen, voor alle vrouwen en kinderen die
dagelijks nog steeds gevaar lopen en voor de rechtzoekenden die de weg
in ons rechtsbestel nu nog niet vinden. Cash deed een appel op de
samenleving. Gemeenschapszin en solidariteit beginnen volgens hem niet
in de instituties, maar in de menselijke nabijheid: oog hebben voor de
mensen in je eigen omgeving en voor het algemeen belang en iemand helpen
daar waar dat kan.
Ex-gedetineerden hebben niet alleen een re-integratieplan nodig om weg
te komen van een criminele lifestyle, maar ook een plek om weer te
kunnen wonen en werken, met vaak nieuwe buren en een nieuwe werkgever.
Dat vraagt iets van ons, hoe lastig dat soms ook is. En vrouwen hebben
niet alleen politie nodig voor een melding, maar juist ook anderen, met
wie zij samen 's nachts kunnen fietsen, of buren die aan de bel trekken
als dat nodig is. Mensen met een conflict hebben niet alleen
laagdrempelige toegang tot het recht nodig, maar juist ook een huurbaas
of een gemeente met wie zij een probleem onderling kunnen oplossen. Een
samenleving die op tijd ziet wie dreigt te ontsporen, wie gevaar loopt
of wie hulp nodig heeft, maakt het mogelijk dat de overheid haar werk
vervolgens beter, sneller en menselijker kan doen.
Cash deed ook een appel op de overheid. Ik doe dat hier ook: op
overheden en op ons als wetgevende macht. Om de samenleving haar rol te
kunnen laten pakken, moeten wij haar immers die ruimte bieden. Dat doe
je niet per se altijd met nieuwe wetgeving, nieuw beleid of nieuwe
regelgeving. Voor elk probleem een nieuw loket: dat is vaak onze reflex,
met als risico dat mensen overspoeld raken met ingewikkelde regelingen
en dat de overheid overvraagd en overbelast wordt. Waar dat kan moeten
we wetgeving, beleid en uitvoering eenvoudiger maken. Daarom doe ik een
appel op ons om met minder regels meer ruimte te creëren waarin we al
die mensen kunnen blijven helpen die er zelf niet uit komen.
Voorzitter. Mijn portefeuille verlangt een overheid die een speelveld
creëert waarin mensen zich kunnen ontplooien en hun recht kunnen halen,
en die een vrijheid creëert die ervoor zorgt dat mensen zich veilig
kunnen voelen en dat de rechtsstaat kan functioneren, en die enerzijds
oog heeft voor slachtoffers en anderzijds daders straft. Ik zie dat niet
los van de eigen verantwoordelijkheid van mensen om iets van hun leven
te maken. Zo zijn gedetineerden uiteindelijk zelf verantwoordelijk voor
hun terugkeer in de samenleving. Het is een balanceeract tussen een
overheid die nabij is en een overheid die afstand houdt. Cash zong dat
hij zijn zwarte pak aanhield 'til things are brighter, dus totdat de
dingen lichter worden. Ik vraag uw Kamer niet om in het zwart gekleed te
gaan — sommigen doen dat wel; dat mag natuurlijk maar ik schrijf het u
niet voor — maar wel om zich samen met het kabinet te blijven inzetten
voor alle mensen die hunkeren naar lichtere tijden.
Dat gezegd hebbende, ga ik over naar de onderwerpen die ik zonet
opnoemde. Ik ga beginnen met de capaciteit van de Dienst Justitiële
Inrichtingen en voortgezet crimineel handelen in detentie. Daarna komt
huiselijk geweld en kindermishandeling, vervolgens toegang tot het recht
en ten slotte de overige onderwerpen.
De heer Ellian (VVD):
Sorry, voorzitter, ik vind eigenlijk dat je bij een inleiding niet moet
interrumperen, maar de staatssecretaris zegt iets wat mij echt even
puzzelt. Het lijkt namelijk alsof de staatssecretaris zegt:
gedetineerden die in code zwart zitten hebben het heel zwaar. Oké, maar
als je geen strafbaar feit had gepleegd had je daar niet gezeten. Maar
ik sloeg ook even aan op het volgende. Deze staatssecretaris en ik
vinden toch dat sommige gedetineerden nooit meer vrij moeten komen en
ook nooit meer terug hoeven te komen?
Staatssecretaris Rutte:
Ja, dat deel ik met de heer Ellian. Er is een grote diversiteit aan
gedetineerden. Dat gaat van mensen die een licht delict hebben gepleegd
of mensen die misschien een verstandelijke beperking hebben en toch
vastzitten tot en met de allerzwaarste en gevaarlijkste criminelen, die
wij trakteren op het zwaarste regime dat we hebben. Of die dan helemaal
nooit meer vrijkomen? Van mij mag het, maar er schijnt soms helaas toch
een eind aan te kunnen zitten. Maar in de basis moet ik dat verschil
absoluut maken. Dit geldt dus niet voor iedereen, maar het overgrote
deel van de gedetineerden komt uiteindelijk wel weer terug in de
maatschappij. Ik zal daar zo nog wat over zeggen.
De heer Emiel van Dijk (PVV):
Ik vind het toch wel een beetje een raar verhaal. De staatssecretaris is
in het zwart gekleed, want och, al die arme gedetineerden hebben te
lijden onder code zwart. Op welke manier dan? Is het omdat ze twee weken
eerder naar huis mogen? Doelt u daarop? Ik begrijp het niet. Als er
iemand te lijden heeft onder deze code zwart zijn het de mensen in de
samenleving, die weer worden blootgesteld aan gevaarlijke criminelen die
vast horen te zitten of die niet opgespoord worden.
Staatssecretaris Rutte:
Zoals de heer Van Dijk het nu zegt, heb ik het niet gezegd en ook zeker
niet bedoeld. Ik maak mij zorgen over code zwart in het gevangeniswezen,
juist omdat ik vind dat mensen die een straf hebben gekregen, die straf
ook fatsoenlijk moeten uitzitten en wij mensen nu gewoon eerder vrij
dreigen te moeten laten. Dat is het zwarte deel. De andere kant van het
zwart heeft ermee te maken dat gedetineerden ook weer terugkeren in de
maatschappij, maar net zo hard weer terugkomen in de gevangenis als we
dat niet fatsoenlijk regelen. Daar ga ik zo wat meer over vertellen.
Beide is dus waar, maar die twee moeten we niet met elkaar verknopen.
Het is niet zo dat ik mij zorgen maak over arme gevangenen in de
gevangenis omdat ze eerder naar huis mogen. Die cirkel zou ik zo niet
rond willen maken.
Voorzitter. Ik wil graag beginnen met een groot compliment voor de
medewerkers van de DJI en van tbs-klinieken. Zij doen fantastisch werk
onder soms onmogelijke omstandigheden. Zij zijn het sluitstuk van onze
veiligheidsaanpak en zij verdienen echt alle lof. Die onmogelijke
omstandigheden komen onder andere door de bomvolle gevangenissen. De
term "code zwart" is gisteren meerdere keren gevallen. Zoals ik zonet al
zei, draag ik ook om die reden een zwart pak. We hebben pijnlijke
maatregelen moeten nemen. We roepen minder zelfmelders op en we laten
gedetineerden met een straf van maximaal één jaar wanneer dat nodig is
onder voorwaarden maximaal twee weken eerder vrij. Ondanks deze
maatregelen blijft de bezetting in de reguliere gevangenissen voor
mannen boven de 99%. Dit komt onder andere doordat gedetineerden langere
straffen uitzitten, er meer dan 250 tbs-patiënten in de gevangenis op
hun behandeling wachten en er 40 jongvolwassenen in een reguliere
gevangenis zitten.
Ik heb mijn ministerie daarom in kaart laten brengen — dat is ook
gebeurd — wat er moet en wat er kan. We hebben dat ding de menukaart
genoemd. Die heeft u vlak voor kerst ontvangen. Wat mij betreft, staat
daarin één ding bovenaan: we moeten allereerst aan de slag met het
achterstallige onderhoud van de instellingen. Als we dat niet doen,
komen we in steeds grotere problemen. Daarnaast staan er ook
uitbreidingen gepland, zoals een nieuwe jeugdinrichting in Harreveld.
Ook zijn er in het afgelopen jaar extra meerpersoonscellen gecreëerd.
Gedetineerden worden hierin geplaatst, tenzij dat volgens de directeur
van de vestiging niet mogelijk is. Gedetineerden beslissen dit dus niet
zelf, zoals mevrouw Schilder veronderstelde.
Dankzij de amendementen van de heren Ellian en Sneller is er incidenteel
geld vrijgekomen om tijdelijk extra capaciteit te realiseren. Er komen
bovendien ongeveer 200 tbs-plekken bij en wij maken het voor
particuliere tbs-klinieken aantrekkelijker om uit te breiden en meer
bedden beschikbaar te houden voor de forensische zorg. Om de instroom
van tbs-patiënten te beperken en de uitstroom te bevorderen werk ik
samen met mijn collega's van VWS aan de Werkagenda Verbeteren van de
aansluiting tussen de forensische zorg en reguliere zorg.
Tegenover al deze plannen staat echter een groot personeelstekort. We
moeten ons dus ook niet rijk rekenen. Zo is de vorig jaar geopende
jeugdinrichting De Haven door gebrek aan personeel nog steeds niet
volledig operationeel. Daarom kijk ik hoe en waar het schaarse personeel
het beste kan worden ingezet. Daarnaast kijk ik naar betere doorstroom
binnen instellingen. Een tbs-behandeling verloopt altijd in twee fases.
Naarmate de behandeling vordert, kan in sommige gevallen de zorg naar
een lager beveiligingsniveau. Hiermee spelen we naar verwachting 50
plekken op het hoogste beveiligingsniveau vrij.
Ik ben ervan overtuigd dat we ook meer op deze manier naar het reguliere
gevangeniswezen moeten kijken. We schalen op wanneer iemand naar een
zwaarder regime moet. De heer Ellian gaf dat net al aan. De zwaarste
criminelen horen thuis in het zwaarste regime. We schalen af wanneer
iemand naar een lichter regime kan. In dat laatste geval spelen we
plekken vrij in een zwaarder regime en bereiden we gedetineerden beter
voor op een veilige terugkeer in de samenleving. Daar hoort bij dat al
tijdens detentie wordt gewerkt aan het voorkomen dat gedetineerden na
hun straf terugvallen in crimineel gedrag. Ik vind dat we daarbij ook
oog moeten hebben voor de behoeftes en kwetsbaarheden van specifieke
doelgroepen. Zo kan een licht verstandelijke beperking iemands gedrag
beïnvloeden en de kans op recidive vergroten. Helaas zitten er erg veel
mensen met een licht verstandelijke beperking bij ons in de
gevangenissen. Dat vraagt om een specifieke begeleiding tijdens
detentie, maar het vraagt ook iets van de zorg en van de samenleving.
Als we meer aandacht hebben voor deze mensen en hun een eerlijkere kans
geven om hun leven te beteren, wordt Nederland veiliger.
Ik noem een paar harde cijfers die onderstrepen waarom het zo belangrijk
is dat we met z'n allen werken aan een veilige terugkeer van
gedetineerden. Ook de reclassering kan daardoor haar werk beter doen,
want net zoals de heer Sneller erken ik de maatschappelijke meerwaarde
van het reclasseringswerk. Jaarlijks hebben we 23.000 ex-gedetineerden.
47% van de volwassen personen die tussen 2010 en 2019 uitstroomden kwam
binnen twee jaar weer met justitie in aanraking. 27% kwam binnen twee
jaar weer in detentie terecht. Het gaat echt om duizenden cellen. Wat is
de reden dat zo veel mensen weer in de fout gaan? Daar bestaat geen
eenduidig antwoord op. Het simpelste om te zeggen is dat ze iets doen
wat niet mag. Dat is ook zo en dat moeten we dan ook afstraffen. Dat is
ook zo. Laten we dus eens kijken naar de meeste recente Recidivemonitor.
Ik wil een paar relevante cijfers noemen. Een groot deel van de
gedetineerden heeft zowel voor als na detentie problemen met de
basisvoorwaarden om mee te kunnen draaien in onze samenleving. 80% heeft
geen dagbesteding, zoals werk of een opleiding. 80%! 30% heeft geen
inkomen uit werk, uitkering of pensioen. 60% heeft problematische
schulden.
In mijn inleiding noemde ik al dat ex-gedetineerden ook werk nodig
hebben om weg te kunnen komen van hun criminele leefstijl. Ik doe hier
dus een oproep aan alle werkgevers in Nederland: hoe lastig het
misschien ook lijkt, geef ex-gedetineerden een kans! Doet u het niet
voor hen, doet u het dan voor een veiliger Nederland. Om ook de
aankomende jaren straffen ten uitvoer te kunnen leggen en recht te doen
aan de belangen van slachtoffers, medewerkers van DJI, de samenleving en
gedetineerden is nú het moment om breder te kijken naar het
capaciteitsprobleem.
Aan de andere kant is er voortgezet crimineel handelen in detentie. Dat
is een ander vraagstuk. Door de succesvolle aanpak van georganiseerde
criminaliteit zitten er steeds meer hoogrisicogedetineerden in onze
gevangenissen. Als zij voldoen aan bepaalde criteria, worden zij
geplaatst in een Afdeling Intensief Toezicht of in de extra beveiligde
inrichting, de AIT of de ebi. Dankzij een motie van de heren Ellian en
Wilders krijgt de ebi dit jaar nog twaalf extra plekken. Daarnaast
gelden sinds 1 november van vorig jaar de nieuwe maatregelen uit de
Penitentiaire beginselenwet voor de gedetineerden in de ebi en de AIT's.
Kort gezegd betekent dit minimale communicatie en maximaal toezicht voor
een betere bescherming van de samenleving, van gevangenispersoneel en
van advocaten.
De geuite zorgen van de advocatuur hebben mijn volle aandacht. DJI en de
orde van advocaten zijn met elkaar in gesprek over de precieze
uitvoering van de maatregelen en de zorgen van de advocatuur. DJI voert
in het eerste kwartaal van dit jaar intern een audit uit op het visueel
toezicht. Daarnaast wordt ook een onafhankelijke partij gevraagd hierop
een audit uit te voeren.
Contrabande in gevangenissen is mij een doorn in het oog. We moeten
telefoons kunnen opsporen voordat ze een gedetineerde bereiken. Ook hier
wordt flink in geïnvesteerd. Dankzij een motie van de heer Ellian zijn
er verscherpte controles om contrabande in gevangenissen te weren en op
te sporen en komt er een nieuwe taskforce, die in het tweede kwartaal
operationeel is. Ik weet dat dat nog steeds niet snel genoeg is voor de
heer Ellian. Ik doe er alles aan om dit moment naar voren te halen.
Daarnaast investeer ik in nieuwe techniek om de beveiliging in en om de
penitentiaire instellingen te versterken.
Daarmee beëindig ik het blokje gevangeniswezen. Ik zie mensen
opstaan.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik heb een korte vraag in het kader van de capaciteitsproblemen. Ik was
benieuwd of er nog actualiteiten zijn rondom het justitieel complex in
Vlissingen. Een tijdje terug waren er allerlei discussies en problemen
rondom stroomvoorziening. De vraag is: liggen ze nog op koers om in 2030
open te gaan?
Staatssecretaris Rutte:
Voor zover ik weet, ligt men nog steeds op koers. Daar wordt vol op
ingezet.
Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):
Ik ben blij dat de staatssecretaris begon over de menukaart. Kan de
staatssecretaris aan de slachtoffers en de samenleving uitleggen dat
veroordeelde criminelen eerder vrijkomen door een cellentekort, terwijl
dat tekort aan cellen mede wordt veroorzaakt doordat de één stamppot wil
eten en de ander couscous?
Staatssecretaris Rutte:
Ik vind het slecht uit te leggen, eigenlijk helemaal niet uit te leggen,
dat mensen eerder vrijkomen en dus niet hun hele straf uitzitten, maar
ik geloof niet dat dat te maken heeft met de eetvoorkeuren van de
gedetineerden.
Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):
Maar in uw beantwoording heeft u wel gezegd dat daar rekening mee wordt
gehouden.
Staatssecretaris Rutte:
Dat gaat over het vraagstuk of mensen op een eenpersoonscel of een
meerpersoonscel komen. Het vraagstuk of iemand op een eenpersoons- of
meerpersoonscel komt, hangt niet af van de voedingsvoorkeuren. Maar wie
met wie op een cel terechtkomt, kan wel daarmee te maken hebben; rokers
bij elkaar, niet-rokers bij elkaar. Maar iemand kan niet zeggen: ik eet
graag couscous, dus zet mij maar alleen op een cel. Zo werkt het
niet.
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Ik wil graag aan de staatssecretaris vragen om een reactie op de
stakingen die gaande zijn in de p.i.'s. Ik ben benieuwd naar zijn
reactie daarop.
Staatssecretaris Rutte:
De zorg voor de medewerkers van DJI … Ik maak me gewoon zorgen over hoe
zij hun werk doen in omstandigheden die buitengewoon ingewikkeld zijn.
Daar hoort salariëring dan ook nog een keer bij. Dat is een sluitstuk
van hoe je als werkgever met je werknemers omgaat. Onder die enorme
druk, met een bezetting van 99%, nemen ook die zorgen toe van
medewerkers over hoe zij hun werk moeten doen en de omstandigheden
waarin dat gebeurt. Dat moet ik me aantrekken en daar heb ik ook oog
voor. Als het gaat om de cao-onderhandelingen, dan heb ik daar als
staatssecretaris van Justitie helaas nul invloed op. De medewerkers van
DJI vallen onder de cao Rijk. De onderhandelingen voor die cao lopen via
het ministerie van Binnenlandse Zaken.
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Heeft de staatssecretaris nog gesprekken gevoerd met zijn collega? Ik
kan me voorstellen dat u zegt "het gaat me heel erg aan", maar heeft u
gesprekken gevoerd met uw collega over die cao-onderhandelingen en wat u
kunt betekenen voor die gevangenismedewerkers?
Staatssecretaris Rutte:
Nee. Ik heb vorig jaar wel, mede op instigatie van de heer Van Nispen
van de SP, de medewerkers van DJI een eenmalige tegemoetkoming gegeven,
€500 netto. Die financiële ruimte was er en heb ik ook benut. De
cao-onderhandelingen zelf laat ik echt aan de minister van Binnenlandse
Zaken, die daarin het brede palet aan belangen vanuit het hele Rijk zal
moeten wegen.
Mevrouw Dobbe (SP):
Ik snap dat antwoord, maar ik vind het ook zeer onbevredigend. Ik vind
het ook te makkelijk. Deze staatssecretaris gaat natuurlijk wel over de
veiligheid in de gevangenissen, over de capaciteit die er is binnen de
gevangenissen. Om dan net te doen alsof het personeel daar geen factor
in is en de facto dus ook de acties die het personeel nu voert … Zij
zeggen: het is code zwart in de gevangenissen bij ons werk. Ze lopen met
bosjes weg en over naar private beveiliging. Ik vind het te makkelijk.
Ik zou toch de staatssecretaris hier willen oproepen om te zeggen: ik
steun deze actievoerders en snap waarom ze actievoeren en ik ga me
ervoor inzetten dat zij gewoon een fatsoenlijke beloning krijgen.
Staatssecretaris Rutte:
Volgens mij ben ik mijn betoog bij dit onderdeel, het gevangeniswezen,
begonnen met het uitspreken van mijn enorme waardering voor de
medewerkers van DJI. Dat is niet voor niks. Ik heb vele werkbezoeken
afgelegd in de korte periode dat ik staatssecretaris ben. Ik ben diep
onder de indruk van hun professionaliteit, maar hoor ook hun verhalen
over hoe zwaar het soms kan zijn en wat ze voor de kiezen krijgen. Ik
hoor ook veel over hun liefde voor het vak. Dus het is dat alles bij
elkaar. Zonder hen geen gevangenissen. Bij elke keuze die wij maken
rondom het gevangeniswezen moet de veiligheid van medewerkers
vooropstaan. Mensen moeten veilig en goed hun werk kunnen doen. Op de
beloning heb ik eerlijk gezegd geen invloed. Ik sta niet als
onderhandelaar aan tafel. Elke toezegging die ik daarover doe, heeft
hier dus helemaal geen waarde. Daarom doe ik dat ook niet; dat is me te
makkelijk. Maar laat duidelijk zijn dat ik absoluut achter deze
medewerkers sta. Er komen ook weleens maatregelen en suggesties mijn
kant op om a, b, c of d in het gevangeniswezen te doen. Als die naar
mijn inschatting de veiligheid van medewerkers in gevaar brengen, doen
we die dus ook niet.
Mevrouw Dobbe (SP):
Maar als de staatssecretaris zegt achter deze medewerkers te staan, dan
hoort hij daar acties aan te verbinden. Dan hoort hij daarbij ook te
zeggen: ik ga mij inzetten voor de eisen die dit belangrijke personeel
neerlegt en die nodig zijn om hun werk te blijven doen. Want zij kunnen
geen brood kopen en de koelkast niet vullen met woorden van waardering
of met liefde voor het vak. Ziet de staatssecretaris dat ook?
Staatssecretaris Rutte:
Ik heb vorig jaar gedaan wat ik kon binnen de marges die er waren en me
hardgemaakt voor een eenmalige uitkering voor medewerkers. Dat vond ik
toen ook terecht. Voor de rest lopen de cao-onderhandelingen nu. De
uitkomst daarvan kennen we niet. Daar wil ik het voor nu bij laten.
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dan zou ik de staatssecretaris, die verantwoordelijk is voor de
veiligheid in de gevangenissen, graag willen vragen wat hij denkt dat er
gaat gebeuren op het moment dat het personeel zegt: het is code zwart.
Wat gaat er gebeuren met de capaciteit van onze gevangenissen als ze
weglopen van het vak dat ze met zoveel liefde doen omdat het gewoon niet
meer kan en ze elders wel genoeg verdienen om de koelkast te kunnen
vullen? Daar moeten wij hier dan ook rekening mee gaan houden, want het
heeft natuurlijk ook gevolgen. Of denkt de staatssecretaris dat dit
zonder gevolgen blijft?
Staatssecretaris Rutte:
Het hele pakket van arbeidsvoorwaarden en de omstandigheden waarin
mensen hun werk moeten doen, is van groot belang. Daarvan is de
salariëring een onderdeel, maar veel belangrijker is dat je je werk goed
en veilig kunt doen, dat je prettige collega's hebt en dat je goed wordt
begeleid, met alles wat daarbij hoort. Van mijn kant neem ik de
verantwoordelijkheid om te zorgen dat we het gevangenissysteem niet nog
verder overbelasten, simpelweg omdat dit niet kan en niet veilig is.
Daar ligt mijn verantwoordelijkheid. Met de maatregelen die we nemen,
moeten we datgene doen wat de gedetineerden veilig kan houden, maar
bovenal de medewerkers. Over het salaris ga ik simpelweg niet. Iedereen
kan mij daarop bevragen, maar ik ga er niet over, zoals ik ook niet ga
over de salariëring van de medewerkers bij de Belastingdienst, die onder
dezelfde cao vallen. Dat is echt aan de minister van Binnenlandse Zaken.
De begroting Binnenlandse Zaken is volgende week.
De heer Ellian (VVD):
De staatssecretaris is ook Kamerlid geweest. Hij weet dat je als
Kamerlid informatie nodig hebt om uiteindelijk het beleid van de
regering te kunnen controleren, bijvoorbeeld of moties worden
uitgevoerd.
Staatssecretaris Rutte:
Zeker.
De heer Ellian (VVD):
Wat vindt de staatssecretaris dan van het volgende? Ik heb gevraagd om
de groepsindeling van de extra beveiligde inrichting. Mij wordt
aangegeven dat het de veiligheid van de samenleving in gevaar zou
brengen, terwijl dit Kamerlid ook geïnformeerd wordt over
counterdronemaatregelen en staatssteun aan een bepaald bedrijf,
bijvoorbeeld in de Defensiecommissie. Dat heeft dezelfde
vertrouwelijkheidsclassificatie. Begrijpt de staatssecretaris dat ik op
deze manier mijn werk niet kan doen?
Staatssecretaris Rutte:
Deze vraag heeft de heer Ellian vele keren gesteld. Inderdaad, aan de
ene kant is het antwoord dat het de staatsveiligheid raakt. Daar sta ik
ook voor. Soms kun je daar met een workaround in vertrouwelijke
briefings nog omheen. Maar in dit geval raakt het ook, ook al vinden we
dat niet leuk, aan privacygevoelige factoren. De optelsom van beide
leidt ertoe dat ik die informatie niet kan geven.
De heer Ellian (VVD):
Genoteerd. De bewindspersoon vindt de privacy van deze zware criminelen,
die dood en verderf zaaien, dus zwaarder wegen dan mijn controlerende
taak. Fine, want ik heb de groepsindeling gevonden. Maar dit is voor
rekening van de staatssecretaris.
Staatssecretaris Rutte:
Voorzitter, ik heb wel een klein persoonlijk feit.
De voorzitter:
Meneer de staatssecretaris, de heer Ellian is aan het woord.
De heer Ellian (VVD):
Ik heb de groepsindeling dus gevonden en ik heb vorig jaar een breed
aangenomen motie ingediend om er alsjeblieft voor te zorgen dat deze
gedetineerden niet met elkaar kunnen overleggen in de extra beveiligde
inrichting.
De voorzitter:
Uw vraag?
De heer Ellian (VVD):
Vindt de staatssecretaris dat aan deze motie is voldaan?
Staatssecretaris Rutte:
Ten eerste de vraag of ik de privacy als belangrijker weeg dan de
controlerende taak van de heer Ellian. Dat is natuurlijk niet zo. Ik heb
mij aan wet- en regelgeving te houden. Op basis daarvan kom ik tot mijn
conclusie. Daar vind ik persoonlijk van alles van, maar wat ik vind,
doet hier niet ter zake. Ik heb hier gewoon te staan als bewindspersoon
en handel op basis daarvan. Dan de vraag over de motie van de heer
Ellian. Ook daarover hebben we vaker van gedachten gewisseld. Dan komen
we terug bij een antwoord dat hem niet bevredigt, namelijk dat het
uitgangspunt een individueel programma is en dat er op basis van een
risicoweging wordt bekeken of sommigen wel of niet incidenteel met
elkaar kunnen recreëren, onder andere op basis van wettelijke regelingen
en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Maar er wordt
continu gekeken en gewogen of dat kan, of dat veilig is en of de
internationale veiligheid daarbij in het geding is.
De voorzitter:
Tot slot, meneer Ellian.
De heer Ellian (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Ik vind overigens dat u prettig voorzit. Dat
mogen we ook eens zeggen.
De voorzitter:
Dank u wel.
De heer Ellian (VVD):
Ik zeg dit voor eigen rekening, want de staatssecretaris gaat het niet
zeggen. Dit is voor de mensen die luisteren, want ik weet dat er
geïnteresseerden meeluisteren. Ik heb de groepsindeling hier voor me
liggen; die heb ik gekregen. Voor zover ik zie, zijn er wel degelijk
groepjes. De minister van Justitie zit hier ook bij, dus ik vraag hem
ook even te luisteren. Er zijn twee grote netwerken in Nederland: die
van Bolle Jos en van Ridouan Taghi. De meeste kopstukken daarvan zitten
in een extra beveiligde inrichting. Je kunt toch niet de stelling
innemen dat het ongevaarlijk is dat zij met elkaar kunnen praten? In
Italië is het uitgangspunt dat binnen een clan of familie in detentie
nooit contact mogelijk mag zijn. Waarom doen jullie niet gewoon wat ik
vraag namens de VVD, in het belang van de staatsveiligheid?
Staatssecretaris Rutte:
Het blijft ongemakkelijk om hierop te antwoorden. Die groepsindeling,
waarvan de heer Ellian zegt dat hij die heeft — dat zal ongetwijfeld zo
zijn — heb ik niet. Ik vind dat we dit moeten overlaten aan de
instanties die de veiligheid wegen. Zij benadrukken iedere keer opnieuw
dat er alleen contact kan zijn als de veiligheidssituatie dat toelaat,
en daarop moet ik hen vertrouwen.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ik begrijp goed wat collega Ellian zegt, ook over het aanpakken van deze
georganiseerde maffiabendes, maar ik heb een andere vraag. Ik steun hem
dus wel. Ik maak me te veel zorgen over hoe het nu gaat. Terug naar code
zwart, waar de staatssecretaris ook uiting aan geeft in zijn kleding. Ik
vind het mooi dat een bewindspersoon laat zien dat de situatie en wat
medewerkers daardoor meemaken hem ook pijn doen. Ik vraag me af op welk
moment de staatssecretaris voor ogen heeft dat we van code zwart af
zijn.
Staatssecretaris Rutte:
De uitdagingen in het gevangeniswezen zijn buitengewoon omvangrijk en
complex. Ik heb niet voor niks laten uitzoeken welke opties er allemaal
op tafel liggen en aan welke knoppen we allemaal kunnen draaien. Dat is
geland in een ambtelijke verkenning — die heeft u wellicht ook gezien —
met een heel pakket aan mogelijke maatregelen. De betrokken ambtenaren
hebben daarin een drietal scenario's geschetst.
Het eerste scenario gaat uit van een hele forse investering in gebouwen.
Als we dat scenario zouden volgen, wat kan en waar ook wel wat voor te
zeggen valt, mits we de middelen hebben, duurt het nog steeds lang
voordat we weer voldoende capaciteit hebben. Het tweede scenario is meer
een mengvorm. Ieder scenario begint overigens met de renovatie van
bestaande gevangenissen; dat duurt ook lang, maar het moet gebeuren. Dat
proces is al in gang gezet.
Dan heb je nog een aantal andere knoppen waar je aan kunt draaien, maar
dat moet wel politiek gewogen worden. Zo is een penitentiair programma
waarmee gedetineerden iets eerder vrijkomen, maar wel gemonitord worden
met bijvoorbeeld een enkelband, op dit moment, binnen de wettelijke
kaders, niet zomaar morgen mogelijk, maar het zou wellicht wel sneller
kunnen als onderdeel van het pakket. Dat is ook geen oplossing voor
100%. Er zitten dingen bij die veel geld kosten en lang duren, en dingen
die misschien iets voordeliger zijn, maar wel veel politieke
besluitvorming en steun vragen. Ik heb het niet morgen opgelost, maar ik
denk wel dat alle opties nu op tafel liggen. Het is aan de politiek en
het nieuwe kabinet, dat hopelijk op korte termijn aantreedt, om hierin
keuzes te maken.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Deze staatssecretaris heeft zich in een korte termijn enorm snel
ingewerkt op dit dossier. Ik spreek mijn waardering daarvoor uit. Het is
geen makkelijke klus. Ik denk dat hij wel een gerechtvaardigde
inschatting kan maken binnen welke bandbreedte we het probleem van code
zwart weer naar een behapbaar scenario kunnen krijgen. Wat is zijn
inschatting daarvan?
Staatssecretaris Rutte:
Dat is een lastige vraag. Het is bijna een quizvraag; ik kan die vraag
niet helemaal beantwoorden, want het hangt van de keuzes af. Ik geef een
voorbeeld waarbij ik deels afhankelijk ben van dingen die ik niet
helemaal in de hand heb. Dankzij de middelen die de heren Sneller en
Ellian hebben vrijgemaakt, is er ruimte gekomen om met een bajesboot,
een gevangenisboot, een behoorlijke verlichting te kunnen geven op de
druk in het gevangeniswezen. Het is vooralsnog niet gelukt om in ons
land een aanlegplaats voor die boot te vinden. Ik leg het hier maar even
neer. Ook dat vraagt om bestuurlijke moed. Daar wordt hard aan gewerkt
en hard aan getrokken, maar die boot is er nog steeds niet. Als dat een
halfjaar geleden al was gelukt, toen er middelen waren, dan was die boot
nu ongeveer operationeel geweest. Je moet hem eerst aanleggen en zo; dat
kost een hoop tijd. Zelfs de incidentele dingen die je kunt doen, vragen
elders weer bestuurlijke moed van mensen die de stap vooruitzetten en
zeggen: dit gaan we doen. Zelfs dat is taai en lastig, maar het zou wel
helpen als dat soort stappen worden gezet. Die optie ligt er dus nog.
Die zou zeker helpen, ook gezien de renovatieopdracht die er ligt. Je
zult dan waarschijnlijk nog steeds aanvullend een aantal andere
maatregelen moeten nemen. Dat moet dan hier politiek plaatsvinden. Het
gaat nog wel op z'n minst een jaar knellen, ook als alles op zijn plek
valt; houd daar rekening mee.
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Dan hoop ik dat de staatssecretaris meerdere zwarte pakken heeft, totdat
we er echt vanaf zijn. Mijn grotere zorg — dat is een veel grotere zorg
— is eigenlijk dat we dit al jarenlang zeggen tegen het ministerie van
Justitie. Ik weet nog dat we de nieuwe wet aannamen waarin we zeiden dat
we anders omgaan met de gevangeniscapaciteit, ook al wisten we dat
mensen daardoor langer zouden moeten zitten en minder snel in vrijheid
zouden worden gesteld. Dat kan een terecht politieke wens zijn.
De voorzitter:
En uw vraag?
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ik heb die wet gesteund, maar wel met de gedachte: dan moet er ook
geïnvesteerd worden in die gevangenissen. Ziet de staatssecretaris dat
we ons op dat punt telkens laten verrassen door de harde realiteit? Dat
zou vreemd zijn, omdat dit vooruitdenkend allemaal uit te tekenen valt.
Zou hij de Kamer in ieder geval willen doen toekomen op welk moment
gevangenissen gerenoveerd moeten worden? Het is volstrekt logisch dat
dat vraagt om extra capaciteit, want het is volstrekt logisch dat als je
een gevangenis in de jaren tachtig bouwt, die in 2025 niet meer voldoet.
Hetzelfde geldt voor de jaren negentig enzovoort.
Staatssecretaris Rutte:
Het overzicht van wat wanneer gerenoveerd moet worden, is ongetwijfeld
te realiseren. Ik laat dat dus opstellen. Ik heb dat niet meteen in de
tweede termijn al beschikbaar, maar dat komt er wat mij betreft nog
aan.
Het andere punt dat mevrouw Bikker maakt, is zeer terecht. In de analyse
in de menukaart staat ook uitgebreid beschreven hoe wij hier hebben
kunnen komen. Dat raakt ons als gezichten van het ministerie, maar ook
de Kamer. Executie zit aan het eind van de strafketen. Het is geen uniek
Nederlands fenomeen, nog los van de operatie die we tot ongeveer tien
jaar geleden hebben gehad om gevangenissen te sluiten omdat ze voor een
groot deel leeg stonden. Dat zal niet hebben geholpen. Ik weet niet of
we dat nu weer zouden doen. Bijna elk Europees land worstelt
hiermee.
Het tweede is dat het aan het einde van de keten zit. We nemen hier vaak
beslissingen aan het begin van de keten. Denk aan meer blauw op straat,
meer opsporingscapaciteit en het opsporen van criminele netwerken. Daar
zijn we enthousiast over, maar de vraag wat dat betekent als dat een
succes wordt, stellen wij ons politiek te weinig. Ik denk — dat zou mijn
advies zijn, maar ik sta hier als bewindspersoon, dus ik kan niet te
veel adviseren — dat het wel verstandig is om die vraag meteen mee te
nemen als je aan de voorkant dingen doet. Onze succesvolle opsporing van
criminele netwerken, zoals van de heer T., die nu in de ebi zit, en zijn
kompanen, doet bijvoorbeeld echt heel veel met de gevangeniscapaciteit.
Je pakt dan meer boeven en zwaardere boeven op, met langere straffen.
Die verstoren de capaciteit verreweg het meest.
De heer Struijs (50PLUS):
Een phrase uit de song San Quentin was ook: San Quentin, I hate every
inch of it. Dat is maar goed ook, want vergelding hoort daar ook bij.
Dat was toen in een hele andere context dezelfde discussie als we hier
nu ook hebben. Ook ik ben een jong en enthousiast Kamerlid, maar ik loop
wel wat langer mee. Mijn vraag aan de staatssecretaris is toch, als ik
door de brei heen kijk van het gevangeniswezen en alle maatregelen, of
er voldoende wordt gedaan — dat is ook een onderdeel van code zwart — om
het personeel te beschermen en weerbaar te maken. Zijn er voldoende
aanspreekpunten op het moment dat zij iets constateren, bijvoorbeeld
bedreigingen in hun vrije tijd om toch criminele handelingen die worden
voortgezet toe te laten et cetera?
Staatssecretaris Rutte:
De heer Struijs raakt aan een terecht punt van zorg. In gevangenissen
zitten voor een deel hele enge mensen die ook hele nare dingen
voorhebben en er belang bij hebben om bijvoorbeeld contrabande een
gevangenis in te krijgen. Die kunnen daarvoor medewerkers onder druk
zetten. Ik vind het cruciaal — daar moeten we pal voor staan — dat die
signalen worden gezien door de leiding in gevangenissen en dat ook de
politie daarvoor openstaat. Dat is dus wel een punt van aandacht. Als de
heer Struijs denkt dat dat beter en anders kan, dan denken we daar graag
over mee. Het is namelijk absoluut een punt van zorg.
De heer Struijs (50PLUS):
Hier kom ik zeker op terug, dank u.
De heer Ellian (VVD):
Het lijkt nu net alsof de staatssecretaris net zei dat het pakken van
die grote boeven — ik kijk dan ook maar weer even de minister van
Justitie aan — de capaciteit dermate verstoort. Ik moet lachen, maar dat
is niet omdat ik het grappig vind. Ik mag toch hopen dat het
uitgangspunt nog steeds is dat bij elke grote boef die we vangen,
inclusief de hele familie, de vlag uitgaat en we die ebi vullen. Ik hoop
toch dat dat nog steeds het uitgangspunt is.
Staatssecretaris Rutte:
Als daaraan getwijfeld zou worden door de heer Ellian, heb ik mij heel
verkeerd uitgedrukt. Ik denk dat de heer Ellian ook snapt dat we die
grote boeven willen pakken en dat ze, laat ik zeggen, een speciale
behandeling krijgen in de ebi of AIT. Dat is nodig ook, maar dat is de
minst efficiënte manier om iemand op te sluiten en dat heeft een enorme
impact op de capaciteit. Het is alleen niet voor niks dat we het aantal
ebi-plekken uitbreiden, want we verwelkomen de zware boeven met liefde
in ons gevangeniswezen. Het heeft alleen wel impact.
De heer Ellian (VVD):
Ik ga even voor mijn eigen stad pleiten; ik weet niet of de vlag daar nu
uit gaat. Ik heb eerder aan deze staatssecretaris gevraagd waarom nou de
keuze is gemaakt voor Harreveld, terwijl het hetzelfde zou kosten als je
Almere zou openen. Het had alleen 300 plekken meer opgeleverd; dan had
de staatssecretaris misschien een roze of oranje das om kunnen doen. Ik
kan deze keuze gewoon nog steeds niet volgen. Ik denk dat een groot deel
van de Kamer ook blij zou zijn met 360 extra plekken. We kunnen het nu
niet echt meer aanpassen; het is een beetje lullig dat ik dat nu zelf
zeg. Gelooft de staatssecretaris echt in de juistheid van deze
keuze?
Staatssecretaris Rutte:
De keuze is gemaakt voordat ik aantrad. Ik vind het heel lastig om daar
dan in te duiken. Ik ken wel de argumenten waarom voor Harreveld is
gekozen. We hebben op dit moment te veel jongeren die in het reguliere
gevangeniswezen een plek bezet houden. Ik weet dat de heer Ellian zou
zeggen: ja, maar dat is nog steeds niet een-op-een en het is dus
efficiënter om reguliere plekken te hebben dan plekken voor jongeren.
Ja, dat klopt. Aan de andere kant is Harreveld wat goedkoper dan
heropening van Almere. Dat is één kant; we hadden niet voldoende
middelen om heel Almere te heropenen. Het tweede argument is dat we
conform internationale verplichtingen jongeren uiteindelijk niet zomaar
in een reguliere gevangenis mógen laten zitten.
Als je dat bij elkaar optelt — het budget was dus niet voldoende en we
moeten jongeren laten doorstromen — kan ik wel begrijpen waarom die
keuze is gemaakt. Los daarvan snap ik wel het ongemak dat het ons maar
niet lukt om de gevangenis in Almere te heropenen. Je zou toch denken
dat dat moet kunnen. "Er staat namelijk een heel gebouw. Dat kan toch
morgen open? De muren staan er nog. Alles is er nog." Ik ben er onlangs
samen met de burgemeester van Almere en de mensen van DJI nog op
werkbezoek geweest. Ik kom op dit moment niet verder dan het punt dat
als de capaciteit kan worden uitgebreid, Almere de plek is waar we het
doen. Dat blijft ook zo, maar dat is wel erg afhankelijk van het budget
en dat budget zit helaas niet in deze begroting.
De voorzitter:
Staatssecretaris, de antwoorden mogen iets korter.
De heer Sneller (D66):
Mevrouw Bikker vroeg aandacht voor de Wet straffen en beschermen. De
staatssecretaris zegt dat er in het begin onvoldoende rekening mee is
gehouden. Ik zie dat de wet in de TNO-analyse van de capaciteitstekorten
in het gevangeniswezen wel wordt meegenomen, maar in de menukaart zie je
dat soort opties helemaal niet terug. Ik vroeg me af wat daar nou achter
zit.
Staatssecretaris Rutte:
Dat herken ik niet. Volgens mij is de menukaart redelijk compleet qua
opties die je hebt om cellencapaciteit en capaciteit in het algemeen
vrij te spelen, en qua knoppen waaraan je daarvoor kunt draaien. Ik zie
daarin zelf geen omissie, maar misschien kan de heer Sneller dat nader
uitleggen.
De heer Sneller (D66):
Dat is de vraag aan de staatssecretaris: heeft hij nou gekeken welke
wettelijke kaders er zijn waarbinnen je dat kunt doen? Of zegt hij: nee,
ik heb echt alles in beeld gebracht wat er kan gebeuren om iets te doen
aan de capaciteit in het gevangeniswezen, ook bijvoorbeeld het
terugdraaien van de vi-aanpassing?
Staatssecretaris Rutte:
Op de menukaart staan die opties wel degelijk. Die menukaart beperkt
zich niet tot het huidige wettelijke kader. Er staan dingen in die nu
niet passen, zoals de eerder genoemde ruimere vi-datum. Er staan ook de
marges in waarbinnen je die zou kunnen inzetten. Die marges zijn ruimer
dan in de huidige praktijk. Dat wordt dus gezien als een soort extra
maatregel die je zou kunnen nemen, mits je daarvoor de wet aanpast en
mits je dat wilt. Daarmee zou je capaciteit kunnen vrijspelen, maar daar
heb je dan wel politieke steun voor nodig. Je zult namelijk wel
aanpassingen moeten doen. De opties staan er zeker in.
De voorzitter:
U continueert met de beantwoording op het punt huiselijk geweld en
femicide.
Staatssecretaris Rutte:
En kindermishandeling, om het maar gezellig te houden! Maar het is niet
gezellig en dat is ook de reden dat het aandacht krijgt. Voordat ik
helemaal in de wereld van huiselijk geweld, kindermishandeling en
femicide duik, zou ik iets willen zeggen over slachtoffers in het
algemeen. De impact van een strafbaar feit kan groot zijn, en het leven
van sommige slachtoffers en nabestaanden verandert hierdoor blijvend.
Tijdens de Dag Herdenken Geweldslachtoffers sprak ik met slachtoffers en
nabestaanden. Het werd mij duidelijk hoe zij nog jaren na het misdrijf
worstelen, fysiek, psychisch en financieel. Vanuit de overheid is
laagdrempelige hulp en ondersteuning op meerdere gebieden beschikbaar.
Zo kunnen slachtoffers en nabestaanden gebruikmaken van kosteloze
juridische en sociaal-emotionele ondersteuning door Slachtofferhulp
Nederland. Die kan slachtoffers ook doorverwijzen naar specialistische
hulp en ondersteuning. Alleen zijn niet alle slachtoffers bekend met dit
soort beschikbare hulp. Hierin hebben we echt nog wel een slag te
maken.
Voorzitter. A Minute of Shelter — vrij vertaald: een moment van
beschutting — is de naam van een indrukwekkend kunstwerk op de
Coolsingel in Rotterdam. Beeldend kunstenaar Narges Mohammadi vraagt met
een reliëf van een badkamer in een bakstenen muur aandacht voor
huiselijk geweld en femicide. Waarom een badkamer? Omdat die vaak op
slot kan. Daardoor is het voor veel vrouwen en kinderen de enige plek in
huis waar ze zich een beetje veilig voelen. Als vader van twee volwassen
dochters raakt mij dit diep. Het is een onderwerp dat ons thuis niet
loslaat. Gelet op de ruime inbreng op dit onderwerp gisteren, laat het
ook de Kamer niet los. Dat was niet alleen gisteren, maar ook de
afgelopen jaren. Ik zie veel mensen in de Kamer zitten die dit onderwerp
keer op keer onder de aandacht brengen en er actie op willen. Dat is
maar goed ook, want we hebben in Nederland een groot
veiligheidsprobleem. Sinds jaar en dag staan de media bol van verhalen
over huiselijk geweld, kindermishandeling en ernstig geweld tegen
meisjes en vrouwen. Dit kunnen dus ook oudere vrouwen zijn, zoals de
heer Struijs benadrukte. We horen verhalen die tot maatschappelijke
afschuw en woede leiden. De meeste verhalen die we horen, gaan over
geweld met fatale afloop. Andere verhalen horen we niet of minder vaak.
Die gaan over de vrouwen en kinderen voor wie de badkamer een dagelijkse
realiteit is. Dat zijn verhalen over fysiek, seksueel en psychisch
geweld. Ook deze slachtoffers worden nog te weinig gezien. Huiselijk
geweld is vaak geen opzichzelfstaand incident. Vaak is er sprake van een
langdurig patroon van kleine en grote gebeurtenissen.
Met pilots en nieuwe maatregelen proberen we dit geweld beter aan te
pakken. We kijken naar wat er wél kan en nemen belemmeringen zo veel
mogelijk weg. Met Veilig Thuis, de politie, de Raad voor de
Kinderbescherming, reclassering en het Openbaar Ministerie werken we aan
een betere dossieropbouw in zaken waarin psychisch geweld voorkomt. Als
we onderliggende patronen meer feitelijk vastleggen, kan een rechter
beter tot een oordeel komen. Daarnaast kan iedere Veilig
Thuis-organisatie vanaf komende maand digitaal checken of bijvoorbeeld
de politie bekend is met iemand over wie Veilig Thuis een melding heeft
ontvangen. Dit betreft de koppeling van signalen waaraan mevrouw
Coenradie en de heer Van den Brink refereerden.
Ik weet dat er Kamerleden zijn die femicide zwaarder willen bestraffen.
Ik bekijk op dit moment wat er wettelijk mogelijk is. Dat betrek ik bij
de voorbereiding van het wetsvoorstel over een afzonderlijke
strafbaarstelling van psychisch geweld. Daarnaast wordt momenteel in
opdracht van het WODC onderzocht in hoeverre de rechtspraak femicide en
genderspecifieke motieven en factoren meeweegt. Dit moet ons relevante
informatie bieden over onder meer de strafoplegging in dergelijke zaken.
In het wetsvoorstel dat ik zojuist noemde, neem ik ook het vervallen van
het klachtvereiste voor stalking mee. Vervolging is daarmee niet langer
afhankelijk van aangifte van stalking. Het Openbaar Ministerie kan dan
ook uit eigen beweging besluiten om tot vervolging over te gaan. Dit
wetsvoorstel gaat naar verwachting nog voor deze zomer in
internetconsultatie.
Soms kan een tijdelijk huisverbod nodig zijn om bij een dreiging van
huiselijk geweld in te grijpen. Mevrouw Mutluer vroeg naar de
mogelijkheden om dit verbod te versterken. In een aantal grote steden
verkennen gemeenten en uitvoeringsorganisaties hoe we dit middel eerder
en beter kunnen inzetten. Ze kijken onder andere naar de risicotaxatie
en de duur van het verbod. In dat kader onderzoek ik ook of
burgemeesters aanvullende beschermingsmaatregelen kunnen opleggen om
slachtoffers beter te beschermen. Denk aan een zelfstandig contact- of
gebiedsverbod.
Ik heb niet het hele blokje afgesloten, maar ik kan mij voorstellen dat
dit al leidt tot interrupties, voorzitter.
De voorzitter:
Duurt het blokje nog lang? Anders zou ik mij ook kunnen voorstellen dat
we het even helemaal afronden en ik daarna ruimte geef voor
interrupties.
Staatssecretaris Rutte:
Dit blokje duurt nog even.
De voorzitter:
Oké, dan geef ik de ruimte voor één interruptieronde.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ik hoor eigenlijk allemaal hartstikke mooie dingen. Ik hoor een
staatssecretaris die echt aan alle kanten de urgentie hiervan voelt en
deelt met de Kamer. De wetten die eraan komen, onderstrepen heel veel.
Ik ben wel benieuwd of de staatssecretaris met mij de mening deelt dat
de rechtspraak misschien wel hetzelfde gevoel van urgentie heeft, maar
niet altijd dezelfde kennis heeft die nodig is om goed te beoordelen of
er sprake is van patronen of huiselijk geweld. Is de staatssecretaris
het met mij eens dat intieme terreur echt anders is dan enkel een
verhaal dat je hoort van een slachtoffer of een mogelijke dader?
Staatssecretaris Rutte:
Mevrouw Coenradie raakt aan een belangrijk punt. Het is precies de reden
waarom we voor al die organisaties de mogelijkheid hebben gecreëerd om
informatie met elkaar te delen en aan betere dossieropbouw te doen. Als
je in één keer moet beoordelen of een handeling strafbaar is, is het
vaak te weinig, maar nu hebben we mogelijk gemaakt dat het in een
optelsom als een patroon kan worden gezien, waardoor het alsnog
strafbaar wordt. Ik kan me wel voorstellen dat het wetsvoorstel dat van
de zomer in internetconsultatie gaat, daarin nog aanvullend noodzakelijk
is.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Dan heb ik tot slot een vraag. In België bestaat de mogelijkheid voor
rechters — sterker nog, het is een verplichting — om hierover veel meer
kennis te krijgen. Dat is in de vorm van een aanvullende cursus. Dan
weet men, even los van wat ze aangeleverd krijgen: dit moet ik op deze
manier beoordelen en herkennen. In hoeverre is deze staatssecretaris van
mening dat dat ook voor de Nederlandse rechtspraak van toegevoegde
waarde zou kunnen zijn?
Staatssecretaris Rutte:
Het is in ieder geval van grote toegevoegde waarde dat er regelmatig
contact is, onder meer tussen mij — straks geldt dat voor mijn opvolger
— en de rechtspraak over dit soort thema's. Dat heb ik de afgelopen
maanden steeds opnieuw gedaan. Ik merkte bij de voorzitter van de Raad
voor de rechtspraak dat die echt erkent: wij moeten als rechtspraak
stappen zetten op dit punt. Het raakt heel veel onderdelen van de
rechtspraak. Het gaat niet alleen om de strafrechter die het delict
beter moet herkennen en moet kunnen beoordelen — dat begint trouwens ook
al bij het OM en de politie met de dossieropbouw — maar heeft ook heel
erg sterk te maken met familierechters die bij scheidingen niet altijd
op het voorkomen van een vechtscheiding moeten sturen als er sprake is
van intieme terreur. Ik zie dat de rechtspraak op dit moment zelf
opleidingen aan het organiseren is om hier stappen in te zetten. Dit is
dus een goed punt.
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Tot slot complimenten aan deze staatssecretaris voor de wijze waarop dit
wordt opgepakt met de rechtspraak. Ik hoop dat zijn opvolger precies
hetzelfde zal doen, zodat dit elke keer weer in het vizier is bij de
rechtspraak en goed wordt opgepakt.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Dit is een belangrijk onderwerp, waarbij de Kamer eensgezind aan
hetzelfde touw trekt. Gelukkig doet de staatssecretaris dat ook aan de
zijde van het kabinet. Ik wil graag een vraag stellen over online
stalking. Dat begint vaak — mooi dat de staatssecretaris dat zegt — met
kleinere dingen die opgeteld kunnen leiden tot een contactverbod of
gebiedsverbod, ook digitaal. Maar nu lezen we in de stukken van de
politie dat dit heel moeilijk te handhaven is, vooral als het over
anonieme accounts gaat of onder een pseudoniem gebeurt. Ik zou het
allemaal niet eens precies weten. Hoe weten we nou … Hebben we alles op
orde om, ook in het geval van die anonieme accounts, effectief te
handhaven? Anders lijkt het op papier wel mooi, maar werkt het in de
praktijk toch onvoldoende.
Staatssecretaris Rutte:
Ik ben bang dat we daar nog stappen te zetten hebben. Het is geen onwil,
maar daar zal toch echt nog het een en ander moeten gebeuren. Überhaupt
gaan de ontwikkelingen in de onlinewereld toch vaak sneller dan de
handhaving kan optreden. Maar de wens om dit goed te doen en die
werelden met elkaar te verbinden, is er zeker.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Kan de staatssecretaris iets zeggen over de stappen die we daarin
zetten? Waar hebben we het dan over? Is dat dan een verkenning naar
technische mogelijkheden? Gaat het om de bevoegdheden van de politie?
Kunnen we iets meer horen over de noodzakelijke stappen om dit gat in de
handhaving te dichten?
Staatssecretaris Rutte:
Dat kan ongetwijfeld, maar niet nu on the spot. Dat moet ik laten
uitzoeken. Daar kom ik dan wellicht in de tweede termijn op terug, en
anders op korte termijn met een brief.
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Als het in de tweede termijn voorhanden is, ontvang ik het graag, en
anders vind ik het ook prima als het later per brief komt. We gaan over
dit onderwerp ook nog op een ander moment met elkaar in gesprek. Ik heb
liever een degelijke analyse dan een snelle, wil ik maar zeggen.
Staatssecretaris Rutte:
Dat was ook precies mijn punt. Ik denk dat we dit grondig moeten nalopen
om te kijken wat er wel kan, waar de gaten zijn enzovoort. Dat is beter
dan dat ik hier een kort antwoord geef.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Collega Michon-Derkzen noemt een volledig terecht punt. Ik kijk uit naar
een uitgebreide Kamerbrief. Mijn vraag gaat over tijdelijke
huisverboden. Daar begon de staatssecretaris zojuist ook mee. Ik heb ook
de antwoorden gelezen die hij met ons heeft gedeeld. Volgens mij hebben
wij als Kamer een hele duidelijke uitspraak gedaan, namelijk dat wij het
best wel gek vinden dat vrouwen naar een blijf-van-mijn-lijfhuis moeten,
in plaats van de mannen. Daarom vraag ik om het opnieuw inrichten van
die tijdelijke huisverboden: langer, met rechterlijke toetsing, niet
alleen bij acuut geweld, maar ook bij ernstige en voortdurende dreiging
…
De voorzitter:
En uw vraag?
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
… en ook met daderhulp. Mijn vraag is, zeker gelet op de antwoorden, de
volgende. Ik zie dat die pilot daar niet helemaal in voorziet. Vandaar
dat wij verder gaan dan de pilots bij deze gemeenten. Onderschrijft deze
staatssecretaris dit en ondersteunt hij ook de oproep vanuit de Kamer
hieromtrent?
Staatssecretaris Rutte:
Het belang van die tijdelijke huisverboden, die moeten voorkomen dat het
slachtoffer uit huis gaat, onderschrijf ik echt volledig. Het is wel een
bestuurlijke en juridische puzzel om dat op een goede manier te doen. Je
hebt een moedige burgemeester nodig. Ik weet dat mijn buurman hier, toen
hij burgemeester was, dit soort middelen ook weleens inzette. Het zijn
bestuursrechtelijke middelen die je inzet, waarbij je daarna eigenlijk
wil dat er naadloos strafrechtelijke maatregelen op aansluiten. Dat
vraagt wat. Het is niet voor niks dat we het een en ander nu in pilots
aan het beproeven zijn. Wat kan wel, wat kan niet? Wat kan de toets van
de rechter doorstaan en wat niet? Wat mij betreft is dat stevig en
robuust, maar we ontkomen er toch niet aan om te kijken hoe die
wettelijke kaders op elkaar aansluiten. Dat kost wel tijd, en dat kost
een pilot.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Ik heb natuurlijk ook geluisterd naar het veld en daarmee contact
opgenomen. Volgens mij zijn de eerste signalen van wat beter kan als het
gaat om tijdelijke huisverboden vrij helder. Je hoeft niet te wachten
tot begin 2027. Sterker nog, ga de wensen meenemen — voor mijn part doe
je dat in die pilots — die wij hebben uitgesproken over de verlenging,
over dat het sneller moet, over de scope ten aanzien van tijdelijke
huisverboden uitbreiden. Is de staatssecretaris dat met mij eens?
Staatssecretaris Rutte:
Mevrouw Mutluer en ik delen volledig het belang van het robuust en
stevig maken van het tijdelijk huisverbod om ervoor te zorgen dat we
daarmee vrouwen goed kunnen beschermen. Er zullen bij de pilots zeker
partijen zijn die zeggen dat het beter en mooier kan, maar we hebben ook
gemeenten waarin dit nog weinig voorstelt en er niet wordt opgetreden.
We hebben het stap voor stap verkennen hoe het wel kan, hoe we dit
robuust kunnen maken en hoe we ervoor zorgen dat dit overal gebeurt,
echt nodig. De vragen die mevrouw Mutluer daarover stelt, wil ik daar
ook graag op tafel laten leggen. Absoluut. Ik ben voor elke stap die we
kunnen zetten om het beter en scherper te doen. Tegelijkertijd moeten we
de gemeenten die daarin achterlopen niet kwijtraken, want dan krijgen we
een hele rare wereld waarin je in de ene gemeente wel veilig bent en in
de andere niet. Ik heb het daar zo in het blokje met betrekking tot het
slachtofferdevice ook nog over.
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Tot slot, voorzitter. We moeten niet lichtzinnig omgaan met de
veiligheid van slachtoffers. Sterker nog, we moeten vaart zetten achter
de bescherming van deze mensen. Wij gaan een stevige motie indienen ten
aanzien van het tijdelijk huisverbod, want wat ons betreft wordt dit
instrument zo breed mogelijk toegepast. Ik hoop en verwacht dat deze
minister zijn voorganger, of dat straks nou een hij of een zij is … Ik
moet "opvolger" zeggen, hè?
Staatssecretaris Rutte:
Ja. Een voorganger heb ik al gehad.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
De voorganger heeft u al gehad.
Staatssecretaris Rutte:
Die zit er nog.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Ik moet opschieten, dus dat helpt niet. Voorzitter, excuses. Ik ga door.
Ik hoop dat de opvolger van deze staatssecretaris uiteindelijk met de
nodige terugkoppeling komt en dat we eerder dan begin januari 2027 het
goede bericht ontvangen dat het tijdelijke huisverbod wordt uitgebreid,
ook voor daders die niet thuis wonen, maar er incidenteel komen. Ik hoop
ook dat er voor die dader hulp geregeld wordt, want dat is echt
broodnodig.
Staatssecretaris Rutte:
Ik zie de motie tegemoet. Ik heb een positieve grondhouding. We zijn in
ieder geval een langer huisverbod aan het onderzoeken. Ik kan dat van
harte steunen.
Mevrouw Dobbe (SP):
Bij veiligheid van slachtoffers en vrouwen hoort ook het kunnen halen
van recht door vrouwen. In de context van deze discussie halen mijn
collega's volgens mij hele terechte punten aan. Ik zou de
staatssecretaris willen vragen of hij in deze context van het voorkomen
van huiselijk geweld, geweld tegen vrouwen, seksueel geweld en femicide,
het belang van de vrouwenrechtswinkels ziet. Die zijn hierin
gespecialiseerd. Die zien juist vaker dit soort vrouwen, omdat die
laagdrempeliger zijn en vrouwen daar gewoon sneller naartoe gaan.
Staatssecretaris Rutte:
Ik zou daar in het laatste blokje nog op teruggekomen zijn, maar ik wil
daar ook nu wel wat over zeggen. Ja, dat belang zie ik. Ik zou onlangs
ook op werkbezoek in Utrecht gaan om een van die vrouwenrechtswinkels te
bezoeken, maar ijzel, sneeuw en de dreiging van een instortend dak
hielden mij tegen. Ik zie dus absoluut het belang ervan; daar lag niet
het aan.
Mevrouw Dobbe (SP):
Die dreiging van een instortend dak roept dan weer allerlei andere
vragen op, maar daar zal ik niet op ingaan.
Staatssecretaris Rutte:
Dat had meer met sneeuw te maken dan met het dak zelf, denk ik.
Mevrouw Dobbe (SP):
Ik hoop dat dat niet heel ernstig was en dat iedereen dat overleefd
heeft. De staatssecretaris ziet het belang. Ik heb de beantwoording van
de staatssecretaris gezien. Ik vind die eerlijk gezegd te makkelijk. Het
is op dit moment best wel moeilijk om die vrouwenrechtswinkel een plek
te geven binnen het huidige rechtssysteem. Ook vrouwenrechtswinkels
kampen met wankele financiering, waardoor de continuïteit telkens onder
druk staat. Volgens mij is het ook in Utrecht zo dat ze continu moeten
kijken of ze nog kunnen doorwerken, terwijl het juist zo belangrijk en
succesvol is.
De voorzitter:
Uw vraag?
Mevrouw Dobbe (SP):
Ik wil de staatssecretaris oproepen om daar toch wat steviger in te zijn
en te zeggen: dit borgen we echt als onderdeel van het beleid, zodat we
ook kunnen bekijken hoe we dit kunnen stimuleren en waarborgen.
Staatssecretaris Rutte:
Ik kan daar geen keiharde toezegging over doen, maar zoals mevrouw Dobbe
weet, hebben wij niet voor niets mevrouw Lilian Marijnissen gevraagd om
een soort nationale verkenning te doen van dit soort vormen van
ondersteuning en het belang daarvan. Ik kom daar zo op terug. Het gaat
om juridische en semi-juridische ondersteuning die net niet direct in
het juridisch veld ligt, maar daar vlak naast. Die verkenning is niet
vrijblijvend. Die doen we natuurlijk ook om te zien wat het nou
oplevert, waarom het goed is en hoe we dit een robuustere plek kunnen
geven binnen het hele bestel. Maar ik kom daar zo meteen nog wel op
terug.
De voorzitter:
Ja, mevrouw Dobbe, u mag interrumperen, maar de staatssecretaris komt
erop terug, dus heel kort dan.
Mevrouw Dobbe (SP):
Ja, ik heb natuurlijk wel bewust … Ik dacht dat al dat hij later in de
beantwoording op de vrouwenrechtswinkels zou terugkomen, maar ik wil die
juist in de context van dit stukje van het debat noemen, want als we het
hebben over vrouwen als slachtoffers en ook als we het hebben over een
debat over het voorkomen van huiselijk geweld en geweld tegen vrouwen,
zijn die toch ook wel van belang. Ik vind dat het ook in deze context
benoemd moet worden. Ik heb er uiteraard alle vertrouwen in dat Lilian
Marijnissen haar werk ontzettend goed gaat doen en dat er een heel
gedegen stuk komt, maar dat ontslaat de staatssecretaris er natuurlijk
niet van om nu al te zeggen: we hebben nu dit beleid en we gaan dit ook
zo borgen, omdat we dit belangrijk vinden. Zo weten we dat ook voor de
toekomst.
Staatssecretaris Rutte:
Daar heb ik net een ander antwoord op gegeven. Daar moeten we het voor
nu even mee doen.
De heer Struijs (50PLUS):
Ik heb een beetje een basale vraag. Ik ben namelijk enorm geschrokken
van het feit dat steeds meer minderjarigen dader zijn bij huiselijk
geweld. Recent was er nog een voorbeeld van iemand van 14 jaar die van
een alleenstaande moeder zijn sneakers niet kreeg en haar in elkaar
sloeg. Uiteindelijk werd dit na een heel lang traject en na meldingen
van buitenaf bekend. Mijn basale vraag aan de staatssecretaris is of er
voldoende zicht op is. Is er bij alle maatregelen en goede voornemens
die we hier hebben, waarvoor veel dank, ook door de bril gekeken van de
minderjarige als dader van huiselijk geweld, of moeten wij daar als
Kamer of u als staatssecretaris meer aan gaan doen?
Staatssecretaris Rutte:
Ik denk dat de heer Struijs gelijk heeft dat dit een onderbelicht punt
is. Wij denken toch vooral aan volwassen mannen die hun partner en
kinderen mishandelen. Het is zeker mogelijk dat ook jongeren dat doen.
We zien überhaupt dat gewelddadige criminaliteit onder jongeren
toeneemt. Ik denk dus dat het goed is dat de heer Struijs hier aandacht
op blijft vestigen en dat ook het ministerie die aandacht ervoor
houdt.
De heer Struijs (50PLUS):
Ik proef uit dit antwoord ook dat de staatssecretaris de Kamer hierin
gaat helpen met alle verkenningen die nu uitstaan.
Staatssecretaris Rutte:
Laten we ook dit onderwerp niet uit het oog verliezen.
De voorzitter:
De heer Diederik van Dijk. Daarna vervolgt de staatssecretaris zijn
beantwoording.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Ik doe de interruptie wel met een heel klein beetje schroom. We hebben
het uitgebreid over huiselijk geweld en over geweld tegen vrouwen. Dat
is volkomen terecht; daar doe ik geen millimeter aan af. Tegelijkertijd
kan je daardoor het gevaar lopen dat je bepaalde groepen onderbelicht.
Ik pakte even de factsheets van het ministerie van VWS erbij. Bij 40%
van het huiselijk geweld is er sprake van mannenmishandeling. 80.000
mannen per jaar worden ernstig mishandeld in huiselijke kring. Daar zit
ook een heel taboe omheen et cetera. Het mag absoluut niet ten koste
gaan van welke andere groep dan ook, maar krijgt dit ook de
aandacht?
Staatssecretaris Rutte:
Ik vind dat we wat dat betreft geen onderscheid mogen maken. Als er
sprake is van huiselijk geweld, moeten we daar serieus naar kijken. Ik
denk niet dat het voor niks is dat de focus toch vaak op vrouwen wordt
gelegd. Ik hoor de heer Van Dijk ook zeggen: laten we daar niet van
wegkijken. Maar zeker kan er ook wel degelijk sprake zijn van geweld
tegen mannen, ook huiselijk. De schroom die de heer Van Dijk voelt om
dit punt aan te raken, wordt ook bij die mannen gevoeld. Die zouden we
wel weg moeten nemen. Ook zij moeten veilig kunnen zijn.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Heel kort. Dank voor deze mooie reactie. De staatssecretaris heeft de
nodige stukken aangekondigd om de Kamer op de hoogte te houden. Ik kan
me dus voorstellen dat ook mannenmishandeling daar een onderdeel van kan
zijn.
Staatssecretaris Rutte:
Ja. Als de heer Van Dijk dat wenst, dan zorg ik dat binnen huiselijk
geweld ook dit thema voldoende aandacht krijgt.
De voorzitter:
De staatssecretaris vervolgt zijn beantwoording. Eventuele zaken die in
de vragen al aan de orde zijn gekomen, kunnen natuurlijk achterwege
worden gelaten.
Staatssecretaris Rutte:
Ja, die probeer ik over te slaan, zeker.
De voorzitter:
Gaat uw gang.
Staatssecretaris Rutte:
Dit is wel een punt dat ik specifiek wil uitlichten, waar in het
verleden veel over gesproken is en dat niet uit het zicht mag raken,
namelijk het slachtofferdevice als extra bescherming tegen stalking of
dwingende controle. Dat willen we steeds verder uitbreiden. Ik wil daar
wat langer bij stilstaan, omdat hier heel veel samenkomt. Kort gezegd
kan een dader bij een door de rechter opgelegd contact- en locatieverbod
een elektronische enkelband krijgen die gekoppeld is aan een
slachtofferdevice dat het slachtoffer bij zich draagt. Komt de verdachte
of dader te dicht in de buurt van een slachtoffer, thuis, maar ook op
het werk, bij de school of waar het slachtoffer zich ook bevindt, dan
waarschuwt de meldkamer van de reclassering het slachtoffer en kan zij —
misschien is het ook wel een hij, moet ik tegen de heer Van Dijk zeggen
— zich in veiligheid brengen. Maar wat als een vrouw die afhankelijk is
van dit device wil verhuizen naar een regio waar deze bescherming niet
of nog niet is georganiseerd? Dan maar niet verhuizen of niet meer in
vrijheid over straat kunnen? Daarom vind ik dat dit device in heel
Nederland beschikbaar moet komen. Dat gebeurt al wel gefaseerd. De
ontwikkeling is op zich dus positief. Vier regio's werken inmiddels met
het device. Een aantal regio's start nog begin dit jaar. Om het device
landelijk te verspreiden zijn we afhankelijk van de samenwerking van
meerdere partijen in een regio. Naast de reclassering gaat het dan ook
om de organisaties die het slachtoffer begeleiden. We voeren het gesprek
hierover met zowel de VNG en gemeenten als vrouwenopvangorganisaties om
tot een voorstel te komen voor landelijke invoering. Want uiteindelijk
zijn gemeenten verantwoordelijk voor het organiseren van de broodnodige
hulp en maken zij eigenstandige keuzes, maar bij dezen doe ik de
uitdrukkelijke oproep aan gemeenten om de handen ineen te slaan voor een
landelijke invoering.
De voorzitter:
Bent u daarmee aan het einde gekomen van dit blokje?
Staatssecretaris Rutte:
Bijna, nog niet helemaal. Ik maak het nog even af.
Hiernaast noem ik ook nog de publiekscampagne over dwingende controle,
die er dit jaar, net als vorig jaar, ook weer komt. Johnny Cash zong er
al over: de overheid komt vaak pas na het signaal vanuit de samenleving.
Oog hebben voor gevaarlijke spanning achter voordeuren, voor isolement,
angst en dwingende controle, kan levens redden. Familie, vrienden en
buren kunnen de rode vlaggen herkennen. De overheid moet er alleen wel
voor zorgen dat zij de rode vlaggen kennen en weten wat ze moeten doen.
Hier hebben we nog een wereld te winnen. Met wetgeving, maatregelen en
preventie pakken we het grote probleem van huiselijk geweld,
kindermishandeling en femicide breed aan. Dit vraagt om overzicht en een
goede samenhang in beleid en uitvoering. Ik ben daarom blij dat het
kabinet heeft ingestemd met een nationaal coördinator geweld tegen
vrouwen en huiselijk geweld, zoals aangekondigd door mijn collega van
Langdurige en Maatschappelijke Zorg. Daarmee kom ik bij het eind van dit
blokje.
De voorzitter:
Ik inventariseer de interrupties die er zijn op dit punt. Dat zijn er
twee, van mevrouw Coenradie en mevrouw Mutluer. Mevrouw Coenradie.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ik weet nu al dat er in de ministerskamer een beetje gegniffeld gaat
worden bij deze vraag, maar ik — de hele Kamer, denk ik — zou heel graag
een tijdpad willen zien voor de uitrol van dat slachtofferdevice. Het
antwoord dat het een samenwerking is tussen allerlei instanties is mij
bekend. Tegelijkertijd zijn de vraag en de urgentie zo enorm groot. Kan
de staatssecretaris de toezegging doen dat dat meegenomen wordt in een
eerstvolgende brief en dat er ook echt haast gemaakt wordt met de
verdere uitrol hiervan?
Staatssecretaris Rutte:
Mevrouw Coenradie weet precies hoe het zit. Ik kan in kaart brengen waar
het al is. Ik kan in kaart brengen welke regio's gaan beginnen. Dan
wordt ook automatisch in kaart gebracht waar het nog niet is. Dat is
bijna een vorm van naming-and-shaming. Ik hoop dat dat an sich er al toe
leidt dat andere regio's die laatste stap ook zetten. Ik kan niet
inschatten wanneer ze die laatste stap precies gaan zetten, dus dat hele
tijdpad kan ik niet geven. Een overzicht van welke regio's het al doen
en bij welke het op de planning staat: dat deel kan waarschijnlijk wel.
Maar ik heb er helaas geen invloed op wie het nog niet doet.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Welke extra inspanning mag ik dan verwachten van deze staatssecretaris,
nu hij er nog zit, of van zijn opvolger? Dit is namelijk ook een
financieel vraagstuk. Via een amendement hebben we eerder 10 miljoen ter
beschikking gesteld voor femicide. Kan dit opgelost worden met die
financiële middelen van destijds, zodat de landelijke uitrol sneller tot
stand wordt gebracht?
Staatssecretaris Rutte:
Het feit dat veel regio's al wel gebruikmaken van het slachtofferdevice
laat zien dat het gewoon kan. Het heeft te maken met lokale keuzes: hoe
organiseren wij lokaal het veilig houden van vrouwen, de opvang van
vrouwen en het slachtofferdevice? Ik vind het vooral belangrijk dat we
uitstralen dat als het in Rotterdam en in Noord-Nederland kan, het ook
in elke andere regio mogelijk moet zijn. Dan moet het ook mogelijk zijn
om deze middelen te vinden. Het gaat niet om activiteiten die heel erg
duur zijn. Het moet vooral georganiseerd worden.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Dan heb ik ook behoefte aan dat overzicht, overigens ook financieel,
voor zover dat speelt. Ik verwacht dus dat deze staatssecretaris daarmee
komt.
Staatssecretaris Rutte:
Ik heb geen idee of ik dat financieel inzicht kan geven, want het gaat
uiteindelijk om keuzes die gemeenten maken. Ik kan niet overal de
gemeentebegroting op de kop zetten. Ik kan wel inzichtelijk maken wie
het nog niet doet en ik kan ook inzichtelijk maken wie het wel doet. Dan
zult u zien dat de diversiteit groot is. Ik vind dat elke gemeente dit
uiteindelijk zou moeten doen. Dat hoort gewoon bij de taak die een
gemeente heeft om vrouwen veilig te houden.
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Ik verzoek de staatssecretaris om niet alleen inzichtelijk te maken wie
wel iets doet en wat ze doen, maar tevens inzichtelijk te maken waarom
ze dingen niet doen. Daar kan een financiële reden achter zitten, en die
wil ik inzichtelijk hebben. Wat betreft de nationaal coördinator
verwacht ik ook dat als het eenmaal zover is, we ook geïnformeerd worden
over het mandaat en de herijking van het nationale actieplan. Wellicht
is het dan ook leuk om de nieuwe coördinator in deze Kamer te
ontmoeten.
Staatssecretaris Rutte:
Dat laatste laat ik aan de Kamer. Op dit moment wordt gewerkt aan het
profiel en zal er geworven gaan worden. De taken en opvattingen over
hetgeen deze nationaal coördinator moet gaan doen, stonden al eerder in
de brief die door de staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke
Zorg is gestuurd, dus op zich is dat bekend. Maar ik kan me heel goed
voorstellen dat de Kamer deze coördinator straks wil uitnodigen. Het is
een belangrijke functionaris, absoluut.
De voorzitter:
De staatssecretaris vervolgt zijn beantwoording. Ik wijs de leden erop
dat er in tweede termijn een gezamenlijke spreektijd is van één uur. U
zal daarin ongetwijfeld moties gaan indienen, die moeten kunnen rekenen
op een appreciatie. Daar zal voor geschorst moeten worden. Daar wilt u
ongetwijfeld ook nog een vervolgvraag over stellen. Ik zou de
staatssecretaris dus willen vragen om de beantwoording kort en bondig te
doen en de leden om terughoudendheid te betrachten bij interrupties.
Staatssecretaris Rutte:
Voorzitter. Ik ga over tot de toegang tot het recht. Nederland is een
sterke democratische rechtsstaat — de heer Sneller had het erover, maar
ook anderen hebben het erover gehad wat dit betekent — die veiligheid
biedt en zijn mensen beschermt. De overheid spant zich iedere dag in om
de beloften van de rechtsstaat voor alle mensen waar te maken. Maar de
overheid kan dit niet alleen. Mensen zelf en de samenleving als geheel
zijn medeverantwoordelijk voor een goed functionerende rechtsstaat. In
mijn inleiding noemde ik al de waarde van oog hebben voor het algemeen
belang en iemand helpen waar dat kan.
In ieders leven kunnen zich juridische problemen voordoen, van een ruzie
met de buren over een overhangende boom of een miskoop via Marktplaats
tot een dreigend ontslag. Als buren, collega's of zakenrelaties kunnen
we bepaalde problemen prima zelf oplossen: onderling dankzij lokale
buurtbemiddeling of door gebruik te maken van een
rechtsbijstandsverzekering. Lukt dit niet, dan moet de deur van het
recht openstaan voor iedereen, ongeacht achtergrond, woonplaats of
inhoud van de portemonnee. Daar hebben we als maatschappij baat bij.
Elke dag werken we met alle betrokken beroepsgroepen, overheden en
organisaties aan een goede toegang tot het recht. Centraal staat hierbij
steeds de vraag waar de individuele rechtzoekende het meeste mee
geholpen is. Waar het voor de een nodig is om het geschil voor te leggen
aan de rechter of een geschillencommissie, vindt een ander de oplossing
bijvoorbeeld in een mediationtraject of een betalingsregeling.
In mijn brief van 11 december 2025 staan de maatregelen die we nemen om
de toegang tot het recht te versterken. De maatregelen waarvoor geen
inkomensgrens geldt zijn voor alle rechtzoekenden in Nederland
beschikbaar. Ik vind het belangrijk om dat te zeggen. We hebben vaak het
idee dat allerhande regelingen alleen beschikbaar zijn voor mensen met
een hele kleine beurs. Dat is niet altijd zo. Ze zijn er bijvoorbeeld
ook voor mensen met een laag middeninkomen. Ik heb echter de indruk dat
zij dit vaak niet weten. Een betere bekendheid met de maatregelen bij
ook deze doelgroep kan soms ingewikkelde of kostbare procedures
voorkomen en de druk op de rechtspraak verlagen.
Ik licht er een paar uit, zoals de versterking van het Juridisch Loket.
Met extra middelen uit het regeerakkoord zorgen we voor een
coördinerende rol van het Juridisch Loket om op lokaal en regionaal
niveau samenwerking aan te gaan, bijvoorbeeld met sociaal raadslieden,
zodat de rechtszoekenden sneller en effectiever hulp krijgen.
Laagdrempelige toegang tot het recht is niet voor iedereen
vanzelfsprekend; mevrouw Abdi haalde dit gisteren ook al aan. Voor veel
mensen is het al lastig te herkennen dat ze een juridisch probleem
hebben. Vervolgens is het lastig om het juiste loket te vinden. Een
loket ligt soms wel op anderhalf uur reizen afstand of is maar op één
ochtend in de week open. Vaak behandelen ze maar een deel van het
probleem en is doorverwijzing nodig. U begrijpt dat we een landelijk
dekkend netwerk van sociale, juridische en financiële hulp voor iedereen
nodig hebben. Er zijn al wel initiatieven op dit vlak, zoals in Noord-
en Midden-Limburg. Daar werken het Juridisch Loket, een aantal gemeenten
en sociaal-juridische dienstverleners al heel mooi regionaal samen. Dat
is nog niet genoeg. Daarom heeft mijn ambtsvoorganger aan kwartiermaker
Lilian Marijnissen gevraagd om begin 2027 concrete voorstellen te doen
om tot dat landelijk dekkende netwerk te komen. Ik kan mevrouw Dobbe
melden dat mevrouw Marijnissen momenteel intensief gesprekken voert met
het werkveld. Ik verwacht nog voor de zomer een tussenrapportage. Ik
kijk daar erg naar uit.
Per februari komt er een verhoging van het tarief van de sociaal
advocaten. Hiervoor is voor 2026 15 miljoen euro nodig en vrijgemaakt.
We passen onder andere de puntenaantallen aan en verhogen de bijzondere
toeslagen en het basistarief per punt. Vanaf 2027 gaat er vervolgens
jaarlijks 30 miljoen euro extra naar de sociale advocatuur. Een
onafhankelijke onpartijdige rechtspraak is een van de pijlers van onze
democratische rechtsstaat. De rechtspraak moet kunnen bouwen en
vertrouwen op een stabiele financiering. Daarom investeren we
structureel ongeveer 50 miljoen euro extra in de rechtspraak. Met
innovatieve projecten draagt de rechtspraak bij aan het oplossen van
problemen van mensen en verbetert zij de toegang tot de rechter.
Ik ga even wat versnellen, want ik zie dat de voorzitter wat haast
heeft. Naar de voorbeelden moet u dus maar een andere keer vragen.
Daarmee kom ik aan het einde van mijn betoog en zou ik willen overgaan
naar de amendementen. Nou heb ik wel allemaal vervangende dingen
binnengekregen, maar er is eerst nog een interruptie, dus wie weet gaat
me dat helpen.
De voorzitter:
Ik inventariseer de interrupties; dat doe ik één keer. Ik zie drie
interrupties, allereerst van mevrouw Straatman.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik zal het kort houden. Je ziet capaciteitsproblemen bij de politie,
omdat zij veel te maken heeft met mensen met onbegrepen gedrag. In de
verhalen en in mijn eigen ervaringen bij de rechtswinkels en de
juridische loketten zie ik hetzelfde probleem, namelijk dat veel
capaciteit opgaat aan niet-juridische vragen. Erkent de staatssecretaris
dit probleem en welke stappen worden op dat punt ondernomen, ook om de
eerstelijnsrechtshulp en de sociale advocatuur te ontlasten?
Staatssecretaris Rutte:
Ik weet niets van specifieke activiteiten om op deze manier de sociale
rechtshulp te ontlasten. Ik weet wel dat er activiteiten plaatsvinden om
de mensen met onbegrepen gedrag inderdaad veel beter te kunnen
begeleiden in de maatschappij, maar volgens mij weet mijn buurman daar
nog meer van dan ik. Dat vraagt deels om zorg en ook om andere
activiteiten, bijvoorbeeld bij de politie. Het is wel echt een groot
punt van zorg; dat deel ik geheel met mevrouw Straatman.
Mevrouw Straatman (CDA):
Het is belangrijk dat we nu met pilots bij de politie kijken naar het
combineren van zorg en veiligheid. Kunnen we dat uitbreiden? Ik weet
niet of de kwartiermaker hier op dit moment ook onderzoek naar doet,
maar kunnen we ook dit thema meenemen om de sociale advocatuur
daadwerkelijk in brede zin te ontlasten?
Staatssecretaris Rutte:
Ik denk dat ik dat moet navragen. Ik vind het in ieder geval een
interessante gedachte om dat te doen.
De heer Ellian (VVD):
Ik heb een vraag waar ik graag antwoord op zou willen in de tweede
termijn. De Telegraaf bericht zojuist: "Willem Holleeder mogelijk snel
weg uit EBI Vught; zorgen bij OM." Ik meen dat ik deze staatssecretaris
hier in december ook over heb bevraagd. Het antwoord was: we houden het
goed in de gaten en grote criminelen komen er niet uit. Ingewijden
zeggen dat hij uit de ebi komt. Ik wil in de tweede termijn graag een
reactie van de staatssecretaris, want deze meneer moet daar blijven. Hij
is immers een gevaar voor de samenleving.
Staatssecretaris Rutte:
Dan ga ik die reactie straks geven.
De heer Emiel van Dijk (PVV):
Ik heb de staatssecretaris vandaag volgens mij een kleine drie kwartier
gehoord over zijn eigen outfit. Ik heb gisteren in mijn inbreng
gesproken over gevangenisuniforms. Daar heb ik de staatssecretaris
daarentegen vandaag nog niet over gehoord. Desondanks heeft hij wel een
mooi voorschot genomen op het patroon dat zo'n gevangenisuniform zou
kunnen hebben met zijn stropdas; een mooie streep staat niet slecht. Kan
de staatssecretaris nog even reflecteren op wat hij van dat idee vindt
en kan hij aangeven of hij daarmee kan leven?
Staatssecretaris Rutte:
Ja. Overigens had de heer Van Dijk het gisteren volgens mij over een
roze pak. Ik heb geen roze das om; dat dus nog niet. Er wordt in
gevangenissen op dit moment wel degelijk gekeken naar wat mensen aan
hebben. Mensen worden aangesproken op het dragen van hele dure spullen
en het pronken met dure kleding. Daarvan wordt ook gezegd: draag dat
niet. Dat is natuurlijk een ander vraagstuk dan zeggen: stop iedereen in
een oranje of roze overall. Ik heb nog geen signalen ontvangen waaruit
blijkt dat dit ook maar iets zou oplossen. Het is dus niet zozeer dat ik
daar principieel iets van vind, maar dat ik denk dat we grotere en
belangrijkere problemen hebben op te lossen.
De heer Emiel van Dijk (PVV):
Wij hebben die signalen wel gekregen, omdat dit inderdaad leidt tot
haantjesgedrag en wordt gebruikt als statussymbool. Er is zelfs handel
in en er is een hiërarchische verhouding op basis van de kleding die je
wel of niet draagt. Dat werkt allemaal dus niet in het voordeel van het
personeel. Ik wil de staatssecretaris dus toch vragen om hier een
standpunt over in te nemen. Anders komt er straks gewoon een hele mooie
motie.
Staatssecretaris Rutte:
We zijn natuurlijk dol op mooie moties, maar ik ben bereid om voor de
heer Van Dijk na te laten vragen hoe dit zit en hoe dit binnen de
instellingen speelt, zodat we hier in de eerstvolgende brief — we hebben
regelmatig een rapportage over de stand van zaken in het gevangeniswezen
— een update over kunnen geven. Dat zeg ik graag toe.
De voorzitter:
Volgens mijn administratie heeft u vier amendementen te appreciëren.
Staatssecretaris Rutte:
Ik heb een nieuw stapeltje gekregen, waarop alles is hernummerd. Laten
we maar hopen dat het klopt. Als ik de weg kwijtraak, geleidt u mij daar
hopelijk goed doorheen, voorzitter.
De voorzitter:
We komen er samen altijd uit.
Staatssecretaris Rutte:
We komen er altijd uit. Dan begin ik met het amendement op stuk nr. 69,
dat gaat over de Stichting Geschillencommissies Consumentenzaken. Ik zou
dat amendement oordeel Kamer willen geven.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 69: oordeel Kamer. Het amendement op stuk nr.
70.
Staatssecretaris Rutte:
Ja, dan kom ik op het amendement op stuk nr. 70. Dat moet ik helaas
ontraden. Dat heeft er niet mee te maken dat het onderwerp niet
belangrijk zou zijn, want gelijke beloning voor vrouwen en mannen binnen
de rechterlijke macht ligt ook mij na aan het hart. Die is nogal
belangrijk, maar de dekking die wordt gevonden in een verwachte
onderuitputting op respectievelijk het ondermijningsbudget, het budget
van artikel 34 over straf en beschermen en het budget voor sociale
rechtsbijstand, is niet passend en is in strijd met de
begrotingsproblematiek. Ook klopt het algemene beeld niet dat vrouwen
bij de rechtspraak minder betaald zouden krijgen dan mannen die
hetzelfde werk doen. Voor degenen die voor 1 juli 2023 zijn begonnen met
de opleiding tot rechter of officier van justitie vormde gedurende een
lange periode het laatstverdiende salaris een belangrijk uitgangspunt
voor de inschaling. Dat was gebaseerd op afspraken tussen sociale
partners. Op dit moment zijn over het oude inschalingsbeleid tijdens de
opleiding enkele klachten in behandeling bij het College voor de Rechten
van de Mens; dat is waar. Dit beleid is overigens sinds 1 juli 2023
gewijzigd. Deze zaak loopt nog. Daar kan ik verder niks over zeggen.
Maar dat alles bij elkaar, dus dekking en inhoud, maakt dat ik het
amendement toch moet ontraden. De Kamer zal vervolgens zelf in al haar
wijsheid beslissen wat zij ermee gaat doen.
De voorzitter:
De heer Ellian, twee interrupties.
De heer Ellian (VVD):
Ja, ik heb er aan eentje genoeg, voorzitter, gelet op de tijd. Het
inschalingsbeleid is toch aangepast naar aanleiding van de klachten die
vrouwen terecht hebben geuit over de discriminerende effecten van dat
criterium? Ik snap het dus niet. Ik snap dat de juridische
aansprakelijkheid niet vaststaat, maar je kan als bewindspersoon toch
niet zeggen dat er niks aan de hand was? Er was wel degelijk iets aan de
hand. Dit amendement probeert daarin een — wat is het goede woord? —
tegemoetkoming te regelen.
Staatssecretaris Rutte:
Nee, dat snap ik. Ik leg het graag een beetje uit. Dan komen we een
beetje in de juristerij, maar dat is prima. Misschien moet dat ook wel.
Er waren wel degelijk verschillen en die waren gebaseerd op het
voorgaande salaris. Dus mensen kwamen uit een andere functie binnen de
rechtspraak en daaruit ontstonden de verschillen, omdat voor het nieuwe
salaris werd aangesloten op het oude salaris. Dat wilde niet zeggen dat
dit een onderscheid was op basis van geslacht, maar in de praktijk
kunnen daardoor wel verschillen zijn ontstaan. Dat is precies de zaak
die nu voorligt. De rechtspraak heeft wel besloten: dit leidt tot gedoe;
dit willen wij niet meer. Daar sta ik ook achter. Het speelt dus sinds
die tijd niet meer. Het klopt dus dat er verschillen zijn, maar vrouwen
zijn niet doelbewust lager beloond dan mannen, hoewel dat in de praktijk
wel de uitwerking kon zijn van de keuzes die gemaakt zijn. Zo moeten we
dat dus zien. We wachten af wat er uit die rechtszaak komt, of in elk
geval uit het geschil en de beslechting daarvan.
De voorzitter:
Dan het amendement op stuk nr. 76.
Staatssecretaris Rutte:
Ja … Ik heb hier 78 staan. O, 76! Ja, verrek, die heb ik ook. Dat
amendement moet ik helaas ontraden. Het gevangeniswezen staat al ruim
twee jaar onder druk. Ik ben echt verheugd dat de indieners extra
capaciteit bij DJI willen creëren, maar de dekking via artikel 92 krijg
ik niet rond. De minister gaf zonet ook al aan dat dit artikel inmiddels
zo vaak vergeven is dat het niet meer past. Daarom komen wij er niet uit
qua dekking en moet ik het amendement helaas ontraden.
De voorzitter:
Tot slot.
Staatssecretaris Rutte:
Dan kom ik bij het amendement op stuk nr. 78. Ik neem aan dat dat klopt,
voorzitter. Ja, dat is mooi. Dit amendement moet ik helaas ook ontraden.
Ik heb hier een heel verhaal staan, maar het gaat echt om een enorm
bedrag voor allemaal hele goede doelen, waarvan we de dekking op deze
manier niet netjes rondkrijgen. Die dekking is echt in strijd met de
scheiding van inkomsten en uitgaven. Het Belastingplan is ook al
aangenomen door de Eerste Kamer en de Tweede Kamer en daarmee een feit.
Daardoor krijgen we de dekking niet rond.
Voorzitter, daarmee zou ik mijn eerste termijn willen afronden.
De voorzitter:
Ik dank de staatssecretaris en de minister voor de beantwoording in
eerste termijn van de zijde van het kabinet, en geef het woord aan de
heer Sneller voor zijn tweede termijn namens de fractie van D66.
De heer Sneller (D66):
Een punt van orde, voorzitter. Misschien is het goed als mevrouw Mutluer
namens de rapporteurs het woord krijgt en een derde van de spreektijd in
eerste termijn gebruikt.
De voorzitter:
Nou, ja, het ligt eraan wat ze daarmee gaat doen. In principe is
hiervoor namelijk in eerste termijn ruimte en spreektijd gegeven. Er is
een uitvoerig debat geweest over het advies van de rapporteurs. Ik zou
dus, gelet op de tijd, eigenlijk wel gewoon het woord aan u willen geven
als eerste spreker van de zijde van de Kamer. Mevrouw Mutluer heeft ook
nog een eigen termijn.
De heer Sneller (D66):
Dat is heel vriendelijk, maar aangezien mevrouw Mutluer een motie
indient namens een groot deel van de commissie geef ik mijn minuut dan
graag aan haar.
De voorzitter:
Ja, maar ik heb vooraf met mevrouw Mutluer afgesproken dat ze dat in
haar eigen termijn doet. Het woord is nu dus echt aan de heer Sneller
van D66. U heeft het woord.
De heer Sneller (D66):
Voorzitter, ik zei net: dan geef ik mijn minuut graag aan haar.
De voorzitter:
Dat kan, maar zij is verderop pas aan het woord. Ik wil vasthouden aan
de sprekerslijst, meneer Sneller. Ziet u af van uw termijn? Ja, zie ik.
Dan is het woord aan mevrouw Van der Werf namens de fractie van D66.
Mevrouw Van der Werf (D66):
Dank, voorzitter. Ik heb twee moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat in de meeste gevallen van femicide en ernstig
huiselijk geweld kinderen betrokken zijn;
constaterende dat deze kinderen vrijwel altijd getuige zijn van geweld,
langdurig stress ervaren en slachtoffer zijn van
kindermishandeling;
overwegende dat een effectieve en preventieve aanpak van femicide vraagt
om vroegtijdige bescherming, ondersteuning en begeleiding van kinderen
die hiermee worden geconfronteerd;
verzoekt de regering om in de (verdere) aanpak van femicide de positie
van betrokken kinderen expliciet mee te nemen, en daarbij in ieder geval
te bezien hoe het hoorrecht van kinderen en de positie van nabestaanden
met betrekking tot omgang en gezag kan worden versterkt,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van der Werf, Becker, Mutluer en
Coenradie.
Zij krijgt nr. 79 (36800-VI).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat met nudify-apps en AI-chatbots met één klik
deepfake-naaktbeelden van echte mensen kunnen worden gemaakt;
constaterende dat het aantal door AI gegenereerde afbeeldingen en
video's van vooral vrouwen en kinderen sterk toeneemt;
overwegende dat dit diepgaande en vaak langdurige schade veroorzaakt aan
de persoonlijke levenssfeer, veiligheid en menselijke waardigheid van
slachtoffers;
verzoekt de regering te onderzoeken of en op welke wijze een verbod op
nudify-apps en vergelijkbare AI-toepassingen die zonder toestemming
seksueel expliciete deepfakes van echte personen genereren, kan worden
ingevoerd,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van der Werf, Synhaeve,
Michon-Derkzen, Straatman, Tijs van den Brink, Mutluer en
Coenradie.
Zij krijgt nr. 80 (36800-VI).
Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Michon-Derkzen voor haar inbreng namens de VVD in tweede termijn.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Ik wil beide bewindspersonen heel erg danken
voor hun antwoorden, zowel voor de schriftelijke antwoorden als voor de
toelichting hier in het debat.
Ik denk dat we in deze twee dagen debat met elkaar hebben vastgesteld
wat voor ongelofelijk belangrijke onderwerpen we verder te brengen
hebben binnen JenV. We maken stappen, maar er is altijd nog meer te
doen. Dat geldt voor ondermijning en zeker ook voor femicide en
vrouwveiligheid. Bij een aantal onderwerpen moeten we gewoon altijd aan
dijkbewaking doen.
In mijn ogen is terrorisme zo'n onderwerp. Het grote gevaar is dat we
terroristen binnenhalen. We moeten ze vooral buiten onze landsgrenzen
laten en ervoor zorgen dat we de terroristen die hier zijn, in de gaten
houden. Mijn fractie zal er altijd alles aan doen om onze nationale
veiligheid te beschermen. In dat kader heb ik één motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat een aantal Nederlandse uitreizigers voor terrorisme in
Syrië en Irak zijn gedetineerd;
constaterende dat niet kan worden uitgesloten dat deze terroristen de
komende weken of maanden ontsnappen of worden vrijgelaten uit
detentie;
van mening dat berechting van Nederlandse uitreizigers in de regio dient
plaats te vinden;
overwegende dat de aanwezigheid van uitgereisde terroristen in Nederland
onaanvaardbare risico's voor de nationale veiligheid met zich
meebrengt;
verzoekt de regering de Kamer terstond te informeren wanneer terroristen
in buitenlandse detentie uit zicht zijn of zich melden bij Nederlandse
diplomatieke posten of wanneer er signalen zijn van onopgemerkte
terugkeer van Nederlandse uitreizigers,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Michon-Derkzen en Diederik van
Dijk.
Zij krijgt nr. 81 (36800-VI).
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Michon-Derkzen. Het woord is aan de heer Ellian voor
zijn inbreng namens de VVD in tweede termijn.
De heer Ellian (VVD):
Ik heb twee moties, uiteraard over de procesafspraken, voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het Openbaar Ministerie steeds vaker met grote
drugscriminelen procesafspraken maakt, waaronder inmiddels met vijf
grote criminelen uit het crimineel samenwerkingsverband van Ridouan
Taghi;
constaterende dat grote criminelen geen informatie hoeven te
verschaffen, de gepleegde strafbare feiten niet hoeven te bekennen, en
een lagere straf krijgen;
overwegende dat grote criminelen door het maken van procesafspraken in
een lichter gevangenisregime terechtkomen;
van mening dat lage geldboetes geen enkel nut hebben bij grote
criminelen aangezien zij miljoenen verdienen met georganiseerde
criminaliteit;
spreekt uit dat procesafspraken met grote criminelen onwenselijk
zijn;
verzoekt de regering aan het Openbaar Ministerie met klem over te
brengen dat procesafspraken met grote drugscriminelen onwenselijk zijn
en geen nadere stappen in deze richting te zetten tot na de behandeling
van de eerste aanvullingswet bij het nieuwe Wetboek van Strafvordering
in de Tweede Kamer,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Ellian.
Zij krijgt nr. 82 (36800-VI).
De heer Ellian (VVD):
En dan uiteraard eentje over mijn eigen stad, niet omdat ik mijn eigen
stad Almere, die overigens 50 jaar bestaat dit jaar, zo geweldig vind,
maar omdat ik er heilig van overtuigd ben dat bijna de enige oplossing
voor het capaciteitsprobleem in het gevangeniswezen het heropenen van de
leegstaande bajes in Almere is.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat heropening van de Penitentiaire Inrichting Almere 360
plekken aan celcapaciteit oplevert;
verzoekt de regering om voorbereidingen te treffen die nodig zijn voor
heropening zoals planvorming, het aanvragen van vergunningen en het
inrichten van een projectteam,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Ellian.
Zij krijgt nr. 83 (36800-VI).
De heer Ellian (VVD):
Dan heb ik nog één vraag aan de staatssecretaris. Die gaat over die
groepjes op de Afdeling Intensief Toezicht, maar ook in de extra
beveiligde inrichting. Wil hij dit nog één keer nagaan en mij nog één
keer proberen … Nou ja, hij gaat me niet overtuigen. Ik wil hem nog één
keer ervan proberen te overtuigen dat onderling contact tussen grote
criminelen levensgevaarlijk is. Ik wil hem nogmaals vragen om daar een
einde aan te maken.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Abdi voor haar inbreng in tweede
termijn namens GroenLinks-Partij van de Arbeid.
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Dank, voorzitter. Ik heb twee moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat uit de eerste integrale evaluatie van de wet-Mulder
blijkt dat verkeersboetes disproportioneel hoog zijn en de overheid moet
stoppen met het verhogen van verkeersboetes en eerdere stijgingen moet
terugdraaien;
overwegende dat kleine verkeersovertredingen in disproportionele mate
belanden bij mensen met lage inkomens en al heel snel kunnen leiden tot
grote financiële problemen, zonder dat daar effectieve rechtsbescherming
wordt geboden;
verzoekt de regering, met het oog op de bescherming van de juridische en
financiële positie van burgers, met concrete voorstellen te komen voor
hoe de uitkomsten van het evaluatieonderzoek zullen worden meegenomen in
het opnieuw vaststellen van de hoogte van boetes,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Abdi, Straatman, Struijs, Dobbe,
Diederik van Dijk, Bikker en Coenradie.
Zij krijgt nr. 84 (36800-VI).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
van mening dat de CAO Rijk onvoldoende flexibiliteit geeft om de
substantiële werkdrukverhogende omstandigheden in het gevangeniswezen
mee te nemen in de arbeidsvoorwaarden voor DJI-personeel, met alle
gevolgen van dien voor het behoud van DJI-personeel en het werven van
nieuwe DJI-collega's;
verzoekt de regering om in goed overleg met vertegenwoordigers van het
DJI-personeel te komen tot een afzonderlijke cao voor het
gevangeniswezen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Abdi, El Abassi en Bikker.
Zij krijgt nr. 85 (36800-VI).
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Dank.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Mutluer voor haar inbreng in tweede
termijn namens GroenLinks-Partij van de Arbeid.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Dank aan de bewindspersonen. Met name dank aan de fijne geste van mijn
fijne collega de heer Sneller. Ik ga heel snel voorlezen, namens ons
allen.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat ondanks toezeggingen aan de Kamer na de parlementaire
verkenning en het vereiste verbeterplan vanuit de Algemene Rekenkamer de
voortgang bij het verkorten van doorlooptijden, ketenbrede sturing en
informatievoorziening achterblijft;
verzoekt de regering:
uiterlijk vóór het zomerreces een integraal deltaplan strafrechtketen aan de Kamer te sturen met concrete, meetbare doelstellingen, een helder tijdpad en inzicht in verantwoordelijkheden en benodigde middelen;
scenario's uit te werken voor de mogelijke toekomstige inzet van de aanwijzingsbevoegdheid van de minister, gericht op organisatieoverstijgende bedrijfsvoering in de strafrechtketen, en deze aan de Kamer voor te leggen;
te zorgen voor ketenbreed inzicht in doorlooptijden van individuele strafzaken;
de informatievoorziening vanuit de keten structureel te verbeteren, zodat voortgang op alle ketendoelstellingen meerjarig, actueel en goed vergelijkbaar kan worden gevolgd door de Tweede Kamer,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Mutluer, Ellian, Diederik van
Dijk, Sneller, Coenradie, Straatman, Struijs, Bikker, Dobbe, Teunissen,
Schilder en El Abassi.
Zij krijgt nr. 86 (36800-VI).
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Zo. Nu ga ik naar mijn eigen moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het tijdelijk huisverbod in de praktijk onvoldoende
bescherming biedt bij ernstig en structureel huiselijk geweld;
verzoekt het kabinet in uitzonderlijke gevallen verlenging van het
tijdelijk huisverbod tot maximaal één jaar toe te staan, met duidelijke
criteria en rechterlijke toetsing, en mogelijk te maken dat het
tijdelijk huisverbod ook kan worden opgelegd en verlengd bij
voortdurende dreiging of intieme terreur en ernstig huiselijk geweld
zonder acuut gevaar;
verzoekt het kabinet tevens om de toepassing van het tijdelijk
huisverbod mogelijk te maken op plegers die niet meer in de woning
verblijven maar wel een ernstig risico vormen, en het tijdelijk
huisverbod te koppelen aan verplichte daderhulpverlening, met handhaving
bij niet-meewerken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Mutluer, Coenradie, Van der
Werf, Becker, Diederik van Dijk, Struijs en Armut.
Zij krijgt nr. 87 (36800-VI).
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Tot slot.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de implementatie van de EU-richtlijn huiselijk geweld
de juridische en praktische mogelijkheden moet bieden om geweld in de
privésfeer te voorkomen en te bestrijden;
van mening dat bijvoorbeeld Filomena, het Centrum voor huiselijk geweld
en kindermishandeling en de Centra Seksueel Geweld onschatbare ervaring
hebben opgedaan in de gewenste aanpak;
verzoekt de regering om in overleg met onder andere Filomena en
decentrale overheden te onderzoeken hoe bij de implementatie van de
EU-richtlijn huiselijk geweld mede kan worden voorzien in een landelijk
dekkend netwerk van twaalf regio's om professionele hulp te bieden in
situaties van (ex-)partnergeweld en kindermishandeling, en de Kamer
hierover te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Mutluer, Dobbe, Struijs,
Diederik van Dijk en Coenradie.
Zij krijgt nr. 88 (36800-VI).
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Zo!
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Mutluer. U heeft het weer voor elkaar. Het woord is
aan mevrouw Van der Plas voor haar tweede termijn namens de
BoerBurgerBeweging.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank u wel.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat politici, boerengezinnen en andere betrokkenen in de
agrarische sector te maken hebben met strafbare feiten door
dierenextremisten;
verzoekt de regering om bij de politie een landelijk meldpunt
dierenextremisme in te richten en daarbij samen te werken met het
Meldpunt Agro Intimidatie voor een centrale registratie en bundeling van
meldingen, zodat er een samenhangende opsporings- en beschermingsaanpak
kan komen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.
Zij krijgt nr. 89 (36800-VI).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat extremistische ideologieën fundamentele vrijheden
onder druk zetten en bijdragen aan intimidatie, uitsluiting en
ondermijning van artikel 1 van de Grondwet;
verzoekt de regering een juridische verkenning te starten naar het
begrip "extremisme", inclusief de mogelijkheid dit wettelijk te
verankeren als grondslag voor het optreden tegen misbruik van
grondrechten om de rechten van anderen te ondermijnen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.
Zij krijgt nr. 90 (36800-VI).
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Een goed initiatief. Er loopt al een verkenning naar de definitie van
"extremisme", ook omdat we dat willen weten in het kader van online. Ik
weet niet of mevrouw Van der Plas daarvan op de hoogte is. Hoe verhoudt
haar motie zich dan tot hetgeen er loopt? Of wil zij hiermee nog eens
onderstrepen dat het goed is wat er al loopt?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Wat er loopt is sowieso goed, maar volgens mij is er ook nog gewoon een
groot grijs gebied dat we nu onder de vrijheid van meningsuiting
scharen, maar dat wel degelijk onder extremisme kan worden verstaan,
bijvoorbeeld een leraar die op een school aan kinderen uitlegt dat
shariawetgeving eigenlijk wel heel goed is, en dat het ook heel goed is
dat binnen die wetgeving je handen eraf worden gehakt als je steelt. Dan
kun je zeggen dat dit valt onder de vrijheid van onderwijs, de vrijheid
van religie en de vrijheid van meningsuiting, maar het zijn best wel
gestoorde ideeën. Dat is eigenlijk waar ik naar vraag. We moeten nu
gewoon echt gaan definiëren wat extremisme is. Er hoeft ook niet altijd
strafrechtelijk te worden opgetreden. Dat kan ook via de bestuurlijke
weg.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Tot slot. Dat ben ik zeer met mevrouw Van der Plas eens. Daarom is het
ook goed, wil ik maar zeggen, dat dit ook loopt. Zo weten we met elkaar
wat we extremistisch vinden. Dan kun je er ook iets aan doen als je dat
online tegenkomt. Daar ontbreekt het nu aan. Inhoudelijk ben ik het dus
zeer eens, maar volgens mij wordt daar nu dus ook al aan gewerkt.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ja. Oké.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
U ook!
De voorzitter:
Dan is het woord aan mevrouw Faber voor haar inbreng in tweede termijn
namens de Partij voor de Vrijheid?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Zal ik mevrouw Faber nu een keer achter mij langs laten lopen?
De voorzitter:
Ik wilde het niet zeggen; ik wilde er niet zelf over beginnen.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik moet weg, maar ik heb nog vijf moties!
Mevrouw Faber (PVV):
Nou, be my guest. Ik ben altijd voor een paar extra moties!
De voorzitter:
Het is goed zo!
Mevrouw Van der Plas (BBB):
We staan quitte nu.
De voorzitter:
Mevrouw Faber, het gaat hier om wetgeving, dus u heeft alle tijd. Gaat
uw gang.
Mevrouw Faber (PVV):
Don't push me!
Goed, de motie van de leden Faber en Wilders.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de politie partner is in het Halal Village Festival en
daar nieuwe politiemensen rekruteert;
overwegende dat het Halal Village Festival een festival is met een
pro-Palestijnse activistische lading, gedecoreerd met Palestijnse
vlaggen en watermeloenen, hét symbool van de Palestijnse strijd;
verzoekt de regering het partnerschap met het Halal Village Festival op
te zeggen en te stoppen met deelname aan dit festival,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Faber en Wilders.
Zij krijgt nr. 91 (36800-VI).
Mevrouw Faber (PVV):
Dan de motie van de leden Faber, Vondeling en Wilders.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de organisatie Islamic Relief in Duitsland is
aangeduid als een verlengstuk van de Moslimbroederschap;
overwegende dat de Moslimbroederschap de samenleving wil inrichten naar
de regels van de islam, inclusief de maatschappij en de politiek;
verzoekt de regering Islamic Relief te verbieden in Nederland,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Faber, Vondeling en
Wilders.
Zij krijgt nr. 92 (36800-VI).
Mevrouw Faber (PVV):
Dan de motie-Faber/Wilders.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat een Frans overheidsrapport waarschuwt voor de subtiele
langetermijninfiltratie van de Moslimbroederschap, met als einddoel een
islamitisch rijk gebaseerd op de sharia;
verzoekt de regering de Moslimbroederschap en daaraan gelieerde
organisaties in Nederland te verbieden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Faber en Wilders.
Zij krijgt nr. 93 (36800-VI).
Mevrouw Faber (PVV):
Dan heb ik een motie die ook is ondertekend door meneer Diederik van
Dijk.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de politie kampt met zowel grote personeelstekorten
als een tekort aan financiële middelen;
overwegende dat het niet de bedoeling is dat de belastingbetaler de dupe
wordt van de extra politie-inzet bij voetbalwedstrijden terwijl het
betaalde voetbal een miljoenenbusiness is;
overwegende dat in Engeland en Duitsland profclubs meebetalen aan de
politie-inzet;
verzoekt de regering de betaaldvoetbalorganisaties mee te laten betalen
aan de politie-inzet,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Faber en Diederik van
Dijk.
Zij krijgt nr. 94 (36800-VI).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de burgemeester in het kader van de handhaving van de
openbare orde beslist over de politie-inzet en de daarbij toegestane
middelen;
overwegende dat het te voeren beleid niet afhankelijk mag zijn van de
persoonlijke en politieke voorkeur van de burgemeester;
verzoekt de regering een eenduidig kader op te stellen, zodat er in
gelijke omstandigheden sprake is van gelijke politie-inzet en
middelen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Faber.
Zij krijgt nr. 95 (36800-VI).
Mevrouw Faber (PVV):
Dan de laatste motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de schaarse politiecapaciteit op een efficiënte manier
dient te worden ingezet;
verzoekt de regering de politie de opdracht te geven terug te keren naar
de kerntaken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Faber.
Zij krijgt nr. 96 (36800-VI).
Mevrouw Faber (PVV):
Dat was het.
De voorzitter:
Dank u wel. U heeft een interruptie van de heer El Abassi. Ik sta twee
interrupties toe.
De heer El Abassi (DENK):
Ik zal de kul met betrekking tot Halal Village even overslaan. Ik wil
gelijk naar Islamic Relief. Ik heb daar ook een vraag over gesteld aan
de minister. Ik zou mevrouw Faber willen vragen wat Islamic Relief
strafrechtelijk verkeerd heeft gedaan. Islamic Relief is nooit
veroordeeld. Er is in 2020 of 2022 een individu geweest waar het
Verenigd Koninkrijk kritiek op had, maar deze persoon is niet
strafrechtelijk veroordeeld. Wat vindt mevrouw Faber ervan om zo keihard
uit te halen naar een organisatie die niet strafrechtelijk is
veroordeeld en die al door tig aantal landen strafrechtelijk is
onderzocht?
Mevrouw Faber (PVV):
Meneer El Abassi heeft aangegeven dat Islamic Relief een uitvloeisel van
de Verenigde Naties zou zijn. Heb ik dat goed begrepen? U hoeft alleen
maar te knikken; anders kost het u een interruptie. Ja, ik zie de heer
El Abassi knikken. Ik wil u er wel even op attenderen dat voormalig
minister Kaag, die toch echt fan was van de Verenigde Naties, de
subsidie aan deze organisatie heeft stopgezet. Nou, dat zegt wel even
iets. Zij is echt een aanhanger van de Verenigde Naties. Ze is ook vrij
tolerant ten opzichte van de islam. Zij heeft die subsidie gekort. Nou,
dat zegt wel iets. Dan is Islamic Relief in Duitsland ook nog aangeduid
als een voortvloeisel uit de Moslimbroederschap. Het Franse parlement
heeft een resolutie aangenomen om de Moslimbroederschap te plaatsen op
de terreurlijst. Dat lijkt me toch wel voldoende om zeer kritisch te
zijn op deze organisatie.
De voorzitter:
Tot slot, meneer El Abassi.
De heer El Abassi (DENK):
Als de PVV complimenten uitdeelt aan mevrouw Kaag, dan zegt dat heel
wat, vind ik. Tegelijkertijd is dat geen antwoord op mijn vraag. Ik
vroeg naar de situatie waarin iemand niet strafrechtelijk veroordeeld
is. Mevrouw Faber noemt Duitsland. Duitsland is een van de landen die
extreem veel onderzoeken heeft verricht naar Islamic Relief.
Uiteindelijk heeft het gezegd: onschuldig. Dat is dus een van de landen
die Islamic Relief onschuldig heeft bevonden. Dan komt weer mijn vraag:
wat vindt mevrouw Faber ervan dat zij iemand die niet strafrechtelijk
veroordeeld is en tig keer door tig landen is onderzocht, wél keihard
veroordeelt, terwijl mevrouw Faber zelf in een partij zit waarvan de
partijleider strafrechtelijk veroordeeld is? Wat zouden we dan moeten
doen met dit soort partijen, zou ik mevrouw Faber willen vragen.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik vind die vergelijking wel erg mank gaan, want mijn partijleider is
veroordeeld wegens groepsbelediging. Dat vind ik wel even iets anders
dan Islamic Relief, dat ons allemaal wil onderwerpen aan de islam. Een
totalitair systeem vind ik toch wel iets anders dan de heer Wilders, die
toch wel de democratie onderstreept.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Faber. Het woord is aan de heer Emiel van Dijk voor
zijn inbreng in de tweede termijn namens de Partij voor de Vrijheid.
De heer Emiel van Dijk (PVV):
Dank u wel, voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat gedetineerden in Nederlandse gevangenissen het recht
hebben op het dragen van eigen kleding op grond van de Penitentiaire
beginselenwet;
constaterende dat het recht op eigen kleding niet gestoeld is op
internationale of Europese verplichtingen;
constaterende dat gedetineerden in verschillende Europese landen een
gevangenisuniform dragen;
overwegende dat het recht op eigen kleding voor hiërarchische
verhoudingen zorgt, statusverschillen versterkt en diefstal in de hand
werkt, wat zorgt voor conflicten en toenemende onveiligheid van
gevangenispersoneel;
van mening dat de veiligheid van gevangenispersoneel te allen tijde
gewaarborgd en waar mogelijk verbeterd moet worden;
verzoekt de regering met een voorstel te komen om gevangenisuniformen te
introduceren en daarmee een einde te maken aan het dragen van eigen
kleding in detentie,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Emiel van Dijk.
Zij krijgt nr. 97 (36800-VI).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de overgrote meerderheid van de gedetineerden
momenteel vertoeft in een eenpersoonscel;
overwegende dat dit onacceptabel is zolang er een cellentekort is en
gedetineerden eerder naar huis gestuurd worden;
verzoekt de regering van meerpersoonscellen definitief de norm te maken
en ervoor te zorgen dat het overgrote deel van de gedetineerden in een
meerpersoonscel gehuisvest zal worden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Emiel van Dijk.
Zij krijgt nr. 98 (36800-VI).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat volgens artikel 10, lid 2 van het Wetboek van
Strafrecht de minimale duur van een gevangenisstraf één dag is;
constaterende dat de minimale duur van een gevangenisstraf in Duitsland
één maand bedraagt;
overwegende dat zeer korte gevangenisstraffen vaak zinloos zijn en geen
recht doen aan het leed van slachtoffers;
verzoekt de regering een voorstel in te dienen om de minimale duur van
een gevangenisstraf, naar Duits voorbeeld, te verhogen naar één
maand,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Emiel van Dijk.
Zij krijgt nr. 99 (36800-VI).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het Openbaar Ministerie momenteel altijd de vrijheid
geniet om wel of niet te vervolgen;
overwegende dat er veel te vaak niet vervolgd wordt bij ernstig geweld
tegen hulpverleners;
verzoekt de regering het opportuniteitsbeginsel af te schaffen bij
geweld tegen hulpverleners en het Openbaar Ministerie te dwingen te
vervolgen in dit soort zaken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Emiel van Dijk.
Zij krijgt nr. 100 (36800-VI).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het Openbaar Ministerie momenteel altijd de vrijheid
geniet om al dan niet te vervolgen;
overwegende dat er veel te vaak niet vervolgd wordt bij gewelds- en
zedenzaken;
verzoekt de regering het opportuniteitsbeginsel af te schaffen bij
gewelds- en zedenzaken en het Openbaar Ministerie te dwingen te
vervolgen in dit soort zaken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Emiel van Dijk.
Zij krijgt nr. 101 (36800-VI).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat veel WODC-onderzoeken uitgevoerd worden door onbekende
onderzoekers;
verzoekt de regering voortaan voorafgaand aan een WODC-onderzoek de
Kamer inzicht te verschaffen in de onderzoekers en hun functie,
nevenfuncties, achtergrond en andere belangen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Emiel van Dijk.
Zij krijgt nr. 102 (36800-VI).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er door de overheid veel onderzoeken worden uitgevoerd
waaraan hoge kosten verbonden zijn;
overwegende dat belastinggeld efficiënt uitgegeven moet worden en deze
uitgaven goed gecontroleerd moeten kunnen worden;
verzoekt de regering voortaan bij alle gedane onderzoeken in het
onderzoek zelf een vermelding van de gehele kostprijs van het onderzoek
te voegen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Emiel van Dijk.
Zij krijgt nr. 103 (36800-VI).
De heer Emiel van Dijk (PVV):
Dank u.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Straatman voor haar inbreng in
tweede termijn namens het CDA.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Dank u wel, minister en staatssecretaris, voor
de beantwoording en voor de aardige woorden naar aanleiding van mijn
maidenspeech. Ik heb één motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat bij het opleggen en innen van verkeersboetes meerdere
instanties betrokken zijn, waaronder het CJIB, de politie en het
Openbaar Ministerie;
constaterende dat verkeersboetes en verhogingen kunnen leiden tot
schulden of bestaande schulden kunnen verergeren;
overwegende dat betere gegevensdeling tussen betrokken instanties kan
helpen bij het vroegtijdig signaleren van schulden, maar dat hier een
duidelijke grondslag voor ontbreekt;
verzoekt de regering te onderzoeken hoe de gegevensdeling tussen het
CJIB, de politie en het Openbaar Ministerie verbeterd kan worden ten
behoeve van het vroegtijdig signaleren van personen met een verhoogd
risico op problematische schulden door verkeersboetes;
verzoekt de regering dit te betrekken bij de Taskforce Gegevensdeling,
en de Kamer hierover te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Straatman, Abdi, Bikker en
Struijs.
Zij krijgt nr. 104 (36800-VI).
Dank u wel. Het woord is aan de heer Tijs van den Brink, maar die ziet af van zijn spreektijd. Dan is het woord aan mevrouw Coenradie voor haar inbreng namens JA21 in de tweede termijn.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Dank, voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat contact- en gebiedsverboden juridisch mogelijk zijn
maar in de praktijk terughoudend en niet uniform worden ingezet;
overwegende dat snelle bescherming van slachtoffers essentieel is;
verzoekt de regering te borgen dat bij een hoog risico op herhaald
huiselijk geweld of kindermishandeling contact- en gebiedsverboden
toegepast worden, waar passend ondersteund door elektronische
monitoring,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Coenradie, Bikker, Dobbe,
Mutluer en Diederik van Dijk.
Zij krijgt nr. 105 (36800-VI).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de tbs-sector onder zware druk staat door
capaciteitstekorten en hoge kosten;
overwegende dat het EVRM regelmatige rechterlijke toetsing vereist, maar
ruimte laat voor beoordeling op basis van individuele risico's;
verzoekt de regering te onderzoeken of binnen deze kaders meer maatwerk
mogelijk is, waarbij de rechter in bepaalde gevallen en op basis van
objectieve risicobeoordelingen kan besluiten tot een langere
verlengingsperiode, en de Kamer hierover te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Coenradie, Eerdmans, Schilder,
Ellian en Diederik van Dijk.
Zij krijgt nr. 106 (36800-VI).
Dank u wel. Het woord is aan de heer El Abassi voor zijn inbreng in tweede termijn namens de fractie van DENK. Gaat uw gang.
De heer El Abassi (DENK):
Voorzitter, dank. Ik heb drie moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat burgers onterecht op terrorisme- en extremismelijsten
kunnen belanden en de rechtsbescherming daarbij tekortschiet;
constaterende dat de Inspectie Justitie en Veiligheid geen toegang heeft
tot het CTER-themaregister en daardoor geen zelfstandig toezicht kan
uitoefenen;
overwegende dat effectief toezicht een kernvoorwaarde is voor
bescherming van grondrechten;
verzoekt de regering om te waarborgen dat de Inspectie Justitie en
Veiligheid zo spoedig mogelijk structurele toegang krijgt tot het
CTER-themaregister,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid El Abassi.
Zij krijgt nr. 107 (36800-VI).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat politiegeweld uitsluitend mag worden toegepast als
uiterste middel en altijd noodzakelijk en proportioneel moet zijn;
overwegende dat het filmen van politieoptreden en het uiten van kritiek
daarop geen strafbare feiten zijn;
verzoekt de regering te waarborgen dat bij vermoedens van
disproportioneel politiegeweld altijd een onafhankelijk onderzoek wordt
ingesteld;
verzoekt de regering te bevestigen dat het filmen van politieoptreden en
het aanspreken op optreden op zichzelf nooit grond vormen voor het
toepassen van geweld,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid El Abassi.
Zij krijgt nr. 108 (36800-VI).
De heer El Abassi (DENK):
Voorzitter. Dan de laatste motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat geweld tegen hulpverleners, politie en bestuurders
altijd onacceptabel is;
overwegende dat uit de criminologie blijkt dat criminaliteit samenhangt
met sociaal-economische factoren en niet met afkomst;
overwegende dat collectieve verdachtmaking op basis van afkomst het
vertrouwen in de rechtsstaat ondermijnt;
verzoekt de regering zich uit te spreken tegen het collectief
criminaliseren van bevolkingsgroepen op basis van afkomst;
verzoekt de regering geweld tegen gezagsdragers consequent en zonder
dubbele maat te veroordelen en aan te pakken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid El Abassi.
Zij krijgt nr. 109 (36800-VI).
De heer El Abassi (DENK):
Voorzitter, dank u wel. Dat was het.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de heer Diederik van Dijk voor zijn inbreng
namens de SGP.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank u wel, voorzitter. Dank aan de bewindspersonen voor de
beantwoording. Ik heb drie moties. De eerste heeft betrekking op de
DUUP-regeling.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de DUUP-regeling is bedoeld voor uitstapprogramma's voor
mensen die de prostitutie willen verlaten, maar dat uit de praktijk
blijkt dat in sommige steden DUUP-middelen terechtkomen bij organisaties
die naast uitstap ook instap faciliteren;
verzoekt de regering in overleg met de DUUP-centrumgemeenten te
bevorderen dat de DUUP-middelen ook daadwerkelijk en exclusief voor
uitstapondersteuning worden ingezet,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Diederik van Dijk, Bikker en
Coenradie.
Zij krijgt nr. 110 (36800-VI).
De heer Diederik van Dijk (SGP):
De tweede motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat geweld tegen vrouwen een hardnekkig maatschappelijk
probleem is, dat zich in uiteenlopende vormen manifesteert;
overwegende dat uit diverse onderzoeken blijkt dat vrouwen in de
prostitutie bovengemiddeld vaak te maken krijgen met seksueel, fysiek en
psychisch geweld, alsmede met uitbuiting en dwang;
verzoekt de regering om in het kader van het Nationaal Actieprogramma
Aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld expliciet
aandacht te besteden aan geweld tegen vrouwen in de prostitutie, en
daarbij in het bijzonder te bezien hoe preventie, signalering,
bescherming en ondersteuning van vrouwen die zich onvrijwillig in de
prostitutie bevinden verder kan worden versterkt,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Diederik van Dijk en
Coenradie.
Zij krijgt nr. 111 (36800-VI).
De heer Diederik van Dijk (SGP):
En de laatste motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het vertrouwen van Joodse Nederlanders in de
strafrechtketen drastisch is afgenomen, omdat antisemitische incidenten
regelmatig traag, onvoldoende of helemaal niet worden opgevolgd en
online antisemitische haat vaak onbestraft blijft;
overwegende dat effectieve bestrijding van antisemitisme vraagt om
gespecialiseerde expertise, landelijke regie en duidelijke
doorzettingsmacht binnen de strafrechtketen;
verzoekt de regering om in overleg met de strafrechtketen een
gespecialiseerde eenheid bij politie en OM in te richten die exclusief
is belast met de opsporing en vervolging na antisemitische misdrijven,
beschikt over structurele capaciteit, specialistische kennis en
doorzettingsmacht, en verantwoordelijk is voor snelle opvolging van
aangiften, consequente vervolging en effectieve aanpak van (online)
antisemitisme,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Diederik van Dijk, Bikker en
Coenradie.
Zij krijgt nr. 112 (36800-VI).
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank u, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Teunissen voor haar inbreng namens
de Partij voor de Dieren in tweede termijn.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Dank u wel, voorzitter. Dank aan de staatssecretaris en de minister voor
de beantwoording.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Tweede Kamer in 2023 de Wet aanpak
dierenmishandeling en dierverwaarlozing fors heeft aangescherpt en het
nu onder meer mogelijk is om dierenbeulen een (levenslang) houdverbod op
te leggen;
constaterende dat deze instrumenten alleen nut hebben als
dierenmishandeling ook daadwerkelijk wordt gesignaleerd en er wordt
ingegrepen, maar dat misstanden in de praktijk te vaak ongezien en
ongestraft blijven;
verzoekt de regering om samen met het Openbaar Ministerie, de NVWA, de
LID en de politie te onderzoeken welke maatregelen kunnen worden genomen
om de pakkans van mensen die betrokken zijn bij dierenmishandeling te
vergroten,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Teunissen.
Zij krijgt nr. 113 (36800-VI).
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Voorzitter. Dan heb ik nog één motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het recht om te demonstreren een fundamenteel
onderdeel is van de democratische rechtsstaat en dat de mogelijkheid om
anoniem te demonstreren essentieel is voor de veiligheid van kwetsbare
groepen, waaronder diaspora's die demonstreren tegen repressieve regimes
en daarbij veiligheidsrisico's lopen;
overwegende dat politie en burgemeesters hebben aangegeven dat een
verbod op anoniem demonstreren en gezichtsbedekkende kleding moeilijk
uitvoerbaar is en tot handhavingsproblemen leidt;
verzoekt de regering het recht op anonieme deelname aan demonstraties
actief te waarborgen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Teunissen.
Zij krijgt nr. 114 (36800-VI).
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan is het woord aan mevrouw Bikker voor haar inbreng namens
de ChristenUnie in tweede termijn.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u. Felicitaties aan collega Abdi, collega Straatman en
collega Schilder voor hun persoonlijke en prachtige maidenspeeches. Ik
kijk zeer uit naar de samenwerking. Dank natuurlijk aan de
bewindspersonen voor de beantwoording en aan allen achter hen die
meegezwoegd en -geploeterd hebben.
Voorzitter. Ik heb een drietal moties. Allereerst heb ik er natuurlijk
één over de uitstapprojecten.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Decentralisatie Uitkering Uitstapprogramma's
Prostituees (DUUP) een belangrijke rol speelt in het ondersteunen van
mensen die uit de prostitutie willen stappen;
constaterende dat de gemeenten die deze subsidie ontvangen hierover geen
financiële verantwoording hoeven af te leggen aan het Rijk en dat het
Rijk geen kaders of voorwaarden aan de subsidie heeft verbonden,
waardoor gemeentes dit geld aan zaken met een ander doel dan uitstap
kunnen uitgeven;
verzoekt de regering de regels voor de DUUP aan te scherpen, zodat de
Rijksoverheid er beter op kan sturen dat gemeenten dit geld gericht
uitgeven aan het beoogde doel van de regeling,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Bikker, Coenradie, Schilder en
Diederik van Dijk.
Zij krijgt nr. 115 (36800-VI).
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Voorzitter. Dan een motie over drugs.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat gebruik van illegale drugs bijdraagt aan criminele
ondermijning;
overwegende dat de overheid naar aanleiding van de motie-Bikker c.s.
(36159, nr. 24) een publiekscampagne is gestart die drugsgebruikers
confronteert met de gevolgen van drugsgebruik voor de samenleving;
verzoekt de regering de campagne over de gevolgen van drugsgebruik voor
criminaliteit en de samenleving voort te zetten, en gemeenten hier ook
actief bij te betrekken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Bikker, Michon-Derkzen en
Diederik van Dijk.
Zij krijgt nr. 116 (36800-VI).
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Voorzitter. Dan een motie over het rookbeleid.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de overheid preventiebeleid voert tegen e-sigaretten,
oftewel vapes, en andere vormen van roken dan wel rookverslaving;
constaterende dat bij het roken van hasj en wiet ongeveer vier tot vijf
keer meer teer vrijkomt dan bij een sigaret, en dat dit dus schadelijker
is voor de longen en kankerverwekkender is;
verzoekt de regering bij haar preventiebeleid om roken tegen te gaan ook
de schadelijke gevolgen van cannabis te betrekken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Bikker en Tijs van den
Brink.
Zij krijgt nr. 117 (36800-VI).
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Voorzitter. Recht boven macht: zo begon ik mijn bijdrage en zo wil ik
die ook afsluiten. Dat betekent dat het huis van het recht op orde moet
zijn, de hele strafrechtketen. Deze begrotingsbehandeling stelt mij
daarin niet gerust. Of het nu gaat om de tekorten bij de DJI, de
tekorten bij het Openbaar Ministerie, de tekorten bij de politie of om
datgene wat onze woordvoerders in het begin namens ons allen hebben
gezegd over de kritiek van de Rekenkamer: er is veel werk aan de winkel.
Dat moet verzet worden in deze Kamer, willen wij ervoor zorgen dat recht
boven macht blijft gaan.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan is het woord aan mevrouw Dobbe voor haar inbreng namens
de SP in de tweede termijn. Gaat uw gang.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb een aantal moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat er een aantal vrouwenrechtswinkels zijn die met veel
succes werken als een laagdrempelige plek waar vrouwen juridische hulp
en advies kunnen krijgen;
overwegende dat de vrouwenrechtswinkels van grote toegevoegde waarde
zijn voor de toegang tot het recht voor vrouwen en dit hard nodig is,
omdat vrouwen vaker in specifieke kwetsbare situaties zitten of
specifieke hulpvragen hebben;
overwegende dat de financiering voor de vrouwenrechtswinkels niet
structureel geborgd is in het beleid betreffende de bevordering van de
toegang tot het recht;
verzoekt de regering om de vrouwenrechtswinkels een vaste en structurele
plek te geven in het beleid omtrent de toegang tot het recht,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Dobbe, Teunissen, Abdi en
Coenradie.
Zij krijgt nr. 118 (36800-VI).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de commissie-Van der Meer II heeft vastgesteld dat de
kantoortoeslag van €14,82 noodzakelijk is om de sociale advocatuur
voldoende betaalbaar te houden;
overwegende dat een verhoogde kantoortoeslag bijdraagt aan de
toekomstbestendigheid van de toegang tot het recht, omdat dit leidt tot
het opleiden van meer sociale advocaten en het tegengaan van de
vergrijzing en de uitstroom;
verzoekt de regering in samenwerking met de Raad voor Rechtsbijstand en
de NOvA nog voor de zomer met een plan te komen om de kantoortoeslag te
bewerkstelligen met ingang van 2027,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Dobbe en Abdi.
Zij krijgt nr. 119 (36800-VI).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat het gevangenispersoneel momenteel aan het staken is
omdat het personeel van de gevangenissen op de nullijn is gezet en ook
de inflatiecorrectie niet wordt toegepast en zij er dus financieel zelfs
op achteruitgaan;
overwegende dat er al sprake is van een personeelstekort en
capaciteitsproblemen en er al langer wordt gesproken van een code zwart
voor het gevangenispersoneel;
overwegende dat deze nullijn de situatie onhoudbaar maakt en desastreuze
gevolgen zal hebben, zoals een nog verdere uitstroom van het
gevangenispersoneel, als er niet snel wordt ingegrepen;
verzoekt de regering om de voorgestelde nullijn voor rijksambtenaren van
tafel te halen, zodat ook het gevangenispersoneel een fatsoenlijke
loonsverhoging kan krijgen, en in gesprek te gaan met de
belangenvertegenwoordigers van het gevangenispersoneel over verbeterde
arbeidsomstandigheden om het vak aantrekkelijker te maken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Dobbe.
Zij krijgt nr. 120 (36800-VI).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat er weinig ruimte is voor maatwerk voor de penitentiaire
inrichtingen om de bezoekuren aan te passen voor schoolgaande
kinderen;
overwegende dat als ouders worden gestraft, dit niet betekent dat
kinderen ook gestraft moeten worden;
verzoekt de regering ervoor te zorgen dat er meer maatwerk kan worden
toegepast betreffende de bezoekuren in de p.i.'s, zodat schoolgaande
kinderen hun ouders kunnen bezoeken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Dobbe.
Zij krijgt nr. 121 (36800-VI).
Mevrouw Dobbe (SP):
Voorzitter. Ik zou nog willen zeggen dat ik het amendement op stuk nr.
43 (36800-VI) intrek.
De voorzitter:
Het amendement-Dobbe (stuk nr. 43) is ingetrokken.
Mevrouw Dobbe (SP):
En ik wil graag mijn collega Thomas van Halm bedanken, wiens laatste dag
het hier vandaag is na zesenhalf jaar voor ons gewerkt te hebben.
Dank u wel, voorzitter.
(Geroffel op bankjes)
De voorzitter:
Namens de Kamer veel dank voor alle bewezen diensten!
U heeft nog een interruptie van de heer Sneller.
De heer Sneller (D66):
Ik heb een vraag over de motie over de kantoortoeslag. Is dat "voer 'm
in en kom voor de zomer met het plan"? Of is dat "maak een plan voor het
geval we 'm zouden willen invoeren"?
Mevrouw Dobbe (SP):
Het is: maak een plan om 'm in te voeren.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de heer Struijs van 50PLUS voor zijn
inbreng in tweede termijn. Gaat uw gang.
De heer Struijs (50PLUS):
Voorzitter. Ik heb twee moties en een hele kleine tip.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat in de beleidsagenda van de begroting van Justitie en
Veiligheid expliciet aandacht wordt besteed aan femicide, huiselijk
geweld en kindermishandeling, en aan de versterking van interventies en
samenwerking in de keten;
constaterende dat ouderenmishandeling een ernstige en vaak verborgen
vorm van huiselijk geweld is, die zich kan uiten in fysieke, psychische
en financiële mishandeling en verwaarlozing;
overwegende dat ouderenmishandeling door schaamte,
afhankelijkheidsrelaties en sociale isolatie veelal onder de radar
blijft en dat er een hardnekkig taboe rust op het melden en bespreekbaar
maken van dit probleem;
overwegende dat door de toenemende vergrijzing en het langer zelfstandig
thuis wonen van ouderen het risico op ouderenmishandeling
toeneemt;
overwegende dat een effectieve aanpak van huiselijk geweld vraagt om
expliciete beleidsmatige erkenning van alle kwetsbare groepen, waaronder
ouderen;
verzoekt de regering om ouderenmishandeling expliciet te benoemen en te
verankeren binnen de beleidsprioriteiten en de aanpak van huiselijk
geweld in de beleidsagenda van Justitie en Veiligheid,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Struijs, Mutluer, Coenradie,
Bikker, Van der Werf, Michon-Derkzen en Dobbe.
Zij krijgt nr. 122 (36800-VI).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat zorgfraude een groot probleem vormt, waarbij
aanzienlijke publieke middelen verloren gaan en de kwaliteit en
toegankelijkheid van het zorgstelsel kan worden aangetast;
constaterende dat zorgfraude op dit moment lastig tegen te gaan is en in
de praktijk onvoldoende wordt voorkomen of bestraft;
constaterende dat er momenteel geen wettelijke definitie van zorgfraude
bestaat;
constaterende dat de Nederlandse Zorgautoriteit aangeeft dat zij door
het ontbreken van deze wettelijke definitie niet kan vaststellen hoeveel
signalen daadwerkelijk als fraude kunnen worden aangemerkt;
overwegende dat het ontbreken van een wettelijke definitie kan leiden
tot onduidelijkheid bij toezicht, handhaving en opsporing van
zorgfraude;
overwegende dat een duidelijke wettelijke definitie kan bijdragen aan
een effectievere aanpak van zorgfraude;
verzoekt de regering om in samenspraak met betrokken instanties te komen
tot een expliciete wettelijke definitie van zorgfraude, deze definitie
wettelijk te verankeren, en de Kamer hierover te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Struijs en Dobbe.
Zij krijgt nr. 123 (36800-VI).
De heer Struijs (50PLUS):
Ik heb nog een kleine tip aan de staatssecretaris voor zijn playlist: I
Walk the Line van Johnny Cash, over de struggling van een man.
De voorzitter:
Staat genoteerd, dank u wel. Tot slot als laatste spreker van de zijde
van de Kamer mevrouw Schilder namens de Groep Markuszower. Gaat uw
gang.
Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):
Voorzitter, dank u wel. Ook dank aan de staatssecretaris en de minister
voor de beantwoording.
Ik heb drie moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat bij zeer ernstige misdrijven grote verschillen bestaan
in opgelegde straffen;
overwegende dat het ontbreken van wettelijke ondergrenzen kan bijdragen
aan onbegrip en afnemend vertrouwen in het strafrecht;
verzoekt de regering wetgeving te ontwikkelen voor de invoering van
minimumstraffen bij delicten waarop een gevangenisstraf van tien jaar of
meer staat, en de Kamer hierover te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Schilder en Coenradie.
Zij krijgt nr. 125 (36800-VI).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat bij zware geweldsmisdrijven en andere ernstige
misdrijven, waaronder zware mishandeling, straatroof, overvallen en
verkrachting, opgelegde straffen structureel ver onder de wettelijke
maxima blijven;
overwegende dat de huidige strafvorderingsrichtlijnen van het Openbaar
Ministerie bij deze delicten onvoldoende recht doen aan de ernst van het
misdrijf en het maatschappelijke rechtsgevoel;
verzoekt de regering om in overleg met het Openbaar Ministerie te bezien
of de strafvorderingsrichtlijnen voor deze categorieën misdrijven
substantieel kunnen worden verhoogd, en de Kamer hierover binnen drie
maanden te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Schilder en Coenradie.
Zij krijgt nr. 126 (36800-VI).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de capaciteitsproblemen in het gevangeniswezen
structureel zijn en leiden tot ernstige knelpunten, waaronder uitstel
van detentie;
overwegende dat meerpersoonscellen een direct toepasbare maatregel zijn
om de capaciteit te vergroten;
verzoekt de regering om de eenpersoonscel niet langer als uitgangspunt
te hanteren, maar het beleid zodanig te wijzigen dat meerpersoonscellen
de norm worden waar dit veilig en verantwoord kan, en de Kamer binnen
drie maanden te informeren over de concrete uitwerking, doelstellingen
en planning,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Schilder.
Zij krijgt nr. 127 (36800-VI).
Dank u wel.
Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):
Dank u wel.
De voorzitter:
Meneer Ellian.
De heer Ellian (VVD):
Collega Michon en ik hebben in onze bijdrage verzuimd om de ambtenaren
te bedanken voor de schriftelijke beantwoording. Ik doe dit nu even aan
het einde. We beseffen hoe hard ze gisteravond hebben gewerkt, dus langs
deze weg dank daarvoor.
De voorzitter:
Dat wordt hogelijk gewaardeerd. Dank u wel.
Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de tweede termijn van de zijde
van de Kamer. Ik schors twintig minuten, dus tot 15.20 uur, voor de
beantwoording en de appreciaties. De vergadering is geschorst tot 15.20
uur.
De vergadering wordt van 14.58 uur tot 15.23 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de tweede termijn van de zijde
van het kabinet. Dat betreft de appreciaties van de ingediende moties en
de beantwoording van de gestelde vragen. Ik geef daarvoor het woord aan
de minister.
Minister Van Oosten:
Dank u wel, voorzitter. Ik ga een paar antwoorden geven die ik heb laten
liggen of waarbij ik heb doorverwezen naar de tweede termijn. Daarna kom
ik bij één amendement dat nog een appreciatie verlangt, omdat dat in het
afgelopen halfuur is ingediend. Daarna kom ik bij de moties, en die zal
ik kort en krachtig appreciëren, zoals u van mij mag verwachten.
De voorzitter:
Heel graag.
Minister Van Oosten:
Mevrouw Mutluer stelt de vraag wanneer de nieuwe Wet wapens en munitie
naar de Tweede Kamer komt. Wanneer de wet specifiek naar de Kamer komt,
kan ik helaas op dit ogenblik nog niet preciseren, maar ik zeg u toe dat
ik binnen de organisatie ga ophalen wanneer en hoe dat naar u toe gaat
komen. We werken nu aan de contouren van de wet, en ik wil zelf ook dat
deze wet heel snel naar uw Kamer komt ter behandeling. Ik kan op dit
ogenblik gewoon nog geen precieze momenten noemen, maar wat mij betreft
gaat dat zeker dit jaar zijn.
De voorzitter:
Er is geen ruimte voor debat, maar wel voor een vervolgvraag. Eén stuk,
mevrouw Mutluer.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
We wachten al vier jaar op dit wetsvoorstel. Ik vind het antwoord van
deze minister wederom vaag, dus ik verzoek hem wederom om binnen
afzienbare tijd, wat mij betreft volgende week of binnen een maand, te
preciseren wanneer dat wetsvoorstel onze kant op komt. Ik neem geen
genoegen met "ergens in het jaar", want dat gaat waarschijnlijk weer
twee, drie jaar worden. We worden elk jaar weer zoet gehouden. Ik wil
gewoon het wetsvoorstel.
Minister Van Oosten:
Dat laatste ben ik niet met mevrouw Mutluer eens. Ik snap wel dat zij
die precisering verlangt. Die verlang ik ook, en die heb ik nog
onvoldoende teruggekregen. Dus, prima, ik neem de handschoen van mevrouw
Mutluer aan: u krijgt ergens binnen de komende weken terug wanneer die
wet aan u toegezonden gaat worden ter beoordeling.
Dan de vraag naar de specialistische jongerenwerkers en hoeveel
specialistische jongerenwerkers er zijn. Het spijt mij, maar ik kan niet
berekenen hoeveel jongerenwerkers er nu exact in gemeenten rondlopen.
Dat onttrekt zich voor een deel aan mijn zicht. Zoals ik net al aangaf,
zien wij in die wijken waar de problematiek het heftigst is wel dat
bijna alle preventie met gezag, gemeenten en extra specialistisch
jeugdwerk wordt ingezet. Het is aan gemeenten om te bepalen of dit
passend is. Ik heb al toegezegd dat er hierover een brief naar mevrouw
Mutluer en de Kamer toe komt. Wellicht geeft dat de gelegenheid om er
verder over door te praten. Die toezegging staat.
Dan de heer Van den Brink. Hij vroeg naar het centraal informatiepunt.
Zoals in het Actieplan Samen tegen mensenhandel is opgenomen: in 2025 is
er een landelijk coördinatiecentrum gestart met de inrichting daarvan.
In juni verwacht ik dat een deel daarvan van start kan gaan. Die
informatie wordt meertalig behandeld. Het centraal informatiepunt wordt
doorontwikkeld in een nationaal verwijzingsmechanisme conform de
herziene Europese richtlijn. Bij dat punt kunnen slachtoffers,
eerstelijns professionals et cetera toegankelijk en laagdrempelig worden
geïnformeerd en doorverwezen. Er is dus geen heel precies moment te
geven wanneer dit gebeurt, want het is doorlopend aan de orde en wordt
doorlopend versterkt en verbeterd.
Dan mevrouw Faber: wanneer wordt de Kamer geïnformeerd over de
verkenning naar de aanscherping rondom groepsgedrag? Dat is een
precisering van de vraag waar ik zelf ook enorme urgentie voor voel, net
als voor die Wet wapens en munitie. Ik lees hier nu geen antwoord. Dat
antwoord ga ik u geven gelijktijdig met de brief die ik mevrouw Mutluer
heb toegezegd. U gaat die concretisering krijgen wanneer die uw kant op
komt. Daar heeft u recht op, en dat wil ik zelf ook.
Dan de vraag van de heer El Abassi over Islamic Relief, dat door heel
veel landen, waaronder het Verenigd Koninkrijk en Duitsland, is
onderzocht. Ook strafrechtelijk gezien is uit onderzoek niet gebleken
dat er sprake is van een terroristische organisatie of strafrechtelijke
veroordeling. Ik kom er dadelijk nog op terug bij een aantal ingediende
moties, maar Islamic Relief Nederland is niet dezelfde organisatie als
Islamic Relief Worldwide. Het is mij inderdaad niet bekend dat de
organisatie Islamic Relief zoals die op de beurs stond in de ons
omringende landen verboden is of strafrechtelijk vervolgd wordt.
Vanzelfsprekend staan we nationaal en internationaal in goed contact met
elkaar over organisaties met een mogelijk terroristisch oogmerk.
Eventuele ontwikkelingen volgen we nauwgezet.
Dan de vraag van mevrouw Van der Plas over het document dat ze min of
meer heeft ingediend — zo zeg ik het maar even — rondom
agro-intimidatie. Zoals gezegd in mijn eerste termijn, heb ik het
document bekeken en beoordeeld. Ik zie een bijlage met bijna 70
meldingen die bij het Meldpunt Agro Intimidatie zijn binnengekomen sinds
januari vorig jaar. Ik ga die meldingen niet tekortdoen, maar ik lees
ook meldingen van het aantreffen van stickers et cetera. Ik kan me goed
voorstellen dat dat een enorme impact kan hebben op alle betrokkenen.
Daarom vind ik het belangrijk dat meldingen doorgezet worden naar de
politie. Ik herhaal dan een beetje het debatje. Meneer de voorzitter, ik
kijk daarbij mevrouw Van der Plas specifiek aan, omdat ik hoop dat we
met elkaar die oproep kunnen neerleggen bij de sector en bij alle mensen
die dit aangaat: als je je bedreigd voelt et cetera, bel alsjeblieft 112
en laat het de politie weten. Ik kan u zeggen dat ik met de minister van
LVVN in gesprek ga over of een onderzoek naar de aard en omvang van de
door agrariërs ervaren bedreiging en intimidatie, mogelijk is. Daar sta
ik positief tegenover, laat dat ook helder zijn.
De voorzitter:
Eén interruptie van mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ja, en die gaat over stickers. Het gaat er niet om dat de sticker
intimiderend is. Het gaat erom dat die mensen op het erf van een boer
komen. Dat is waar hij woont en leeft. In je woonplaats, je huis, moet
je je in de eerste en laatste plaats veilig voelen. Die mensen komen op
het erf en beplakken daar dan ramen of auto's. Dáár gaat het om. Het
gaat me niet om de sticker an sich, maar om het feit dat ze het erf
betreden waar je je veilig moet voelen.
Minister Van Oosten:
Ik ben het met mevrouw Van der Plas eens. Je eigen erf, je eigen huis,
is wat mensen betreft heilige grond. Dat begrijp ik heel erg goed.
Daarom: als je je bedreigd voelt, bel je in dit land de politie. Dat
geldt voor iedereen, niet alleen voor de agrarische sector. Doe dat
alsjeblieft, want dan kunnen we er ook mee aan de slag. Ik denk dat
sommige mensen dat nog wat steviger en actiever kunnen doen dan nu
gebeurt. Dat is mijn veronderstelling. Ik kan dat niet wetenschappelijk
onderbouwen. Maar help mij hiermee, zodat het gaat gebeuren.
Dan heb ik alle vragen gehad en kom ik nog bij het amendement dat is
ingediend door de leden Bikker c.s. Dat is het amendement dat ziet op
"de kleine zeehavens"; ik geef het even die naam. Ik wil dit amendement,
indachtig de discussie die we met elkaar hebben gevoerd, oordeel Kamer
geven, maar wel met de volgende voorwaarde. Dat is namelijk dat voordat
er in 2026 extra geld wordt besteed aan de kleine zeehavens, er eerst
een duidelijke probleemanalyse moet liggen. Daar wordt aan gewerkt. Ik
leg die handschoen wel even terug. Het amendement als zodanig is
natuurlijk incidenteel.
De voorzitter:
Dat betreft dus een wijziging van de appreciatie. Het gaat om het
amendement op stuk nr. 37.
Minister Van Oosten:
Ja, dat is het amendement op stuk nr. 37.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Als dat zo is, ben ik helemáál gelukkig, maar dat is het amendement
waarmee ik 3 miljoen struc vroeg. Na de wisseling met de minister ben ik
juist aan de slag gegaan met het ministerie om tot iets te komen waarin
we elkaar vonden. Dat is nu het amendement op stuk nr. 124. Mijn beeld
is dat de minister dat oordeel Kamer geeft, mits er een goed plan ligt.
Dat begrijp ik natuurlijk helemaal.
De voorzitter:
Dus mevrouw Bikker heeft …
Minister Van Oosten:
Dank u wel. Ik word nu namelijk door een heleboel mensen geappt: het
gaat om het nieuwe amendement!
De voorzitter:
Heel duidelijk. Mevrouw Bikker heeft dus de vruchten geplukt van het
debat in de termijn van de minister, heeft daar haar conclusies uit
getrokken en een gewijzigd amendement ingediend. Dat amendement krijgt
nu oordeel Kamer. Akkoord. Dan gaan we naar de moties.
Minister Van Oosten:
De staatssecretaris neemt vanzelfsprekend de moties die onder zijn
portefeuille vallen voor zijn rekening.
Dat betekent dat ik begin bij de motie op stuk nr. 80 over nudify-apps
et cetera. Ik kan deze motie oordeel Kamer geven.
Ik wil iets meer zeggen over de motie op stuk nr. 81 van mevrouw
Michon-Derkzen en de heer Diederik van Dijk inzake de uitreizigers. Ik
ben het namelijk met mevrouw Michon-Derkzen en de heer Van Dijk eens dat
dit echt een ongelofelijk belangrijk ding is. Enerzijds realiseer ik me
dat het ontzettend belangrijk is dat u het als Kamer goed kunt volgen,
dat het ontzettend belangrijk is dat alle diensten en het hele
instrumentarium hier in ons land paraat staan voor het geval de
betrokkenen hier ineens zouden zijn en dat u er ook van op aan moet
kunnen dat de bewindspersoon van Justitie en Veiligheid — whoever that
may be; wie dat ook is — er bovenop zit, want het is echt een ding. Maar
ik vind ook dat ik een beetje prudentie moet durven te betrachten in
hetgeen ik u toezeg, omdat ik ook niet wil dat we daar verkeerde dingen
in doen. Dus ik zeg u dat ik met mevrouw Michon-Derkzen deel dat deze
personen een gevaar zijn voor de nationale veiligheid en dat we er alles
aan moeten doen om te voorkomen dat ze onopgemerkt terugkeren naar
terugkeer. Ik kan uw Kamer dan ook aanbieden uw Kamer vertrouwelijk te
informeren over de situatie in Syrië en Irak in relatie tot
uitreizigers, hun berechting en de gevolgen voor de Nederlandse
nationale veiligheid. Ik kan niet op voorhand toezeggen, als dat
specifiek het verlangen is, dat het altijd heel specifiek op casusniveau
is. Dat lees ik niet zo in het dictum, maar goed, ik kan me voorstellen
dat het misschien daarover gaat. Maar als ik de lezing mag geven zoals
ik die hiervoor geef, waarbij u ook hoort wat ik eromheen zeg, dan ga ik
echt mijn uiterste best doen om u gewoon te vertellen waar u recht op
heeft om uw controlerende taak op dit punt te kunnen invullen, want dat
moet gebeuren. Dan kan ik 'm oordeel Kamer geven.
De voorzitter:
Dan laat u haar aan het oordeel van de Kamer. Kort, mevrouw
Michon-Derkzen.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Ja, maar het luistert wel nauw. Ik vind het heel fijn om vertrouwelijk
te worden geïnformeerd, maar het gaat er juist om dat de actualiteit er
steeds voor zorgt dat we die scherpte hier met elkaar moeten hebben. Ik
wil dus niet één keer worden geïnformeerd over de situatie; ik wil juist
wel worden geïnformeerd als de actualiteit daartoe noopt. Dat hoeft niet
op persoonsniveau — laat me daar ook even duidelijk over zijn — maar wel
in die zin op casusniveau dat als de actualiteit is dat er daar nu tien
veroordeelde terroristen vrij rondlopen, ik daarover graag geïnformeerd
wil worden. Nogmaals, niet over namen, maar over "het gegeven dat".
Minister Van Oosten:
Dan verstaan we elkaar goed, want dat is ook wat ik u wil aanbieden. Ik
ben nog niet zover dat ik precies weet met welke frequentie et cetera
dat gaat gebeuren, want de ontwikkelingen volgen elkaar nu echt snel op.
Dat moeten we dus even een beetje beproeven. U moet mij ook, zo vraag ik
u dan, wat ruimte daarin geven. Maar echt, u mag mij erop aanspreken dat
ik u ga informeren over dit punt. We hebben duidelijk gewisseld hoe
specifiek dat moet zijn over individuen. Dan lees ik dat u het leest
zoals ik het zeg, namelijk dat dat niet heel gericht hoeft te zijn. In
dat geval oordeel Kamer.
De voorzitter:
Mevrouw Michon-Derkzen stemt er non-verbaal mee in.
Minister Van Oosten:
Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 82. Dat is de motie van de heer
Ellian inzake de procesafspraken. Ik wil daar ook iets meer woorden aan
wijden. Ik ben bereid de motie oordeel Kamer te geven, mits — "mits" zeg
ik er even specifiek bij — ik haar zo mag lezen dat, vermits uw Kamer de
motie aanneemt, waar het natuurlijk om gaat, ik het bericht doorzet naar
het Openbaar Ministerie, precies zoals het is gegaan. Daarbij kan ik dan
ook het ongerief meedelen. Dat betekent wat. Natuurlijk, men kan dit
debat volgen via de livestream, maar het betekent ook wat wanneer ik dat
als minister zelf zeg, in feite in opdracht van uw Kamer. Daarbij kan ik
ook het ongerief aangeven ten aanzien van wat de initiatiefnemer heeft
opgebracht over de systematiek die nu wordt toegepast. Dat ben ik bereid
te doen. Wat ik niet bereid ben te doen — ik lees het er niet strikt in,
maar ik noem het voor de Handelingen wel — is dat ik opdracht zou geven
iets niet meer te doen. Ik versta wel dat de heer Ellian dat van het OM
zou verlangen, maar dat is een hele andere vraag. Het luistert ook nauw
dat ik dit even precies zeg zoals ik het zeg. Ik ben bereid dat te
vertellen aan het OM als u deze uitspraak doet. Ten slotte wijs ik u
erop dat we binnenkort een wetsbehandeling gaan hebben die specifiek
hierover gaat, want dat ben ik met spreker eens. Dat hoeft niet lang
meer te duren, want dat wetsvoorstel is echt zo goed als af. Dan kunt u
met elkaar gaan discussiëren, met de minister van Justitie en Veiligheid
en wellicht ook met de staatssecretaris als die er ook een rol bij
heeft, maar dus gewoon met het kabinet, over welke kaders u over dit
punt wil meegeven. Dat past, denk ik, ook bij dit aangelegen punt. Want
nu is het aan de hand van het arrest van de Hoge Raad. Het kan ook
passen om daar een wetgevingstraject voor in de plaats te stellen. Tot
zover, voorzitter: oordeel Kamer.
De voorzitter:
Ik zie non-verbale instemming bij de heer Ellian. Daarmee wordt de motie
op stuk nr. 82 aan het oordeel van de Kamer gelaten met een
interpretatie.
Minister Van Oosten:
Dan ga ik naar de motie op stuk nr. 84. De andere moties gaan, naar ik
verwacht, iets sneller, tenzij ik natuurlijk vragen van leden
krijg.
De motie op stuk nr. 84, van mevrouw Abdi en anderen, gaat over de
verkeersovertredingen. Ik kan deze motie oordeel Kamer geven, maar ik
zeg er wel bij: ik wil bij mevrouw Abdi geen verwachtingen wekken rondom
de financiën. Daar ben ik in de richting van mevrouw Straatman ook wel
heel helder in geweest. De financiën zijn best wel even een beetje
ingewikkeld. Maar waarom durf ik 'm oordeel Kamer te geven? Omdat ik
bereid ben dit mee te nemen in de beleidsreactie op het WODC-onderzoek.
Die gaat u krijgen. Zo past het. Ik zie dat de voorzitter mij tot
snelheid maant, maar vanwege de financiën permitteer ik mij nog even
deze halve minuut.
De voorzitter:
Het is opgenomen in de Handelingen.
Minister Van Oosten:
Over de motie op stuk nr. 86 moet ik toch nog iets zeggen. Ik zie dat de
hele Kamer dit wil. Ik zie echt dat de hele Kamer dit wil.
De voorzitter:
Nou, dan kunt u zich daarbij neerleggen!
Minister Van Oosten:
Maar, maar, maar, maar, maar: ik ben ook gevraagd om als uw minister van
Justitie en Veiligheid terug te geven hoe ik hiernaar kijk. Ik zou toch
zeggen: ik heb geprobeerd een weerslag te geven van hoe ik dat gesprek
met de staatssecretaris zelf en alle ketenpartners heb gevoerd. Ik zou u
het volgende willen vragen. Ik heb geleerd dat je dit als ontijdig moet
duiden. Kunt u het als ontijdig hanteren? Daarmee bedoel ik te zeggen:
hou het alstublieft nog even aan. Ik zeg u toe dat ik aan de
ketenpartners terug ga geven wat u hiervan vindt, hoe u hiernaar kijkt
en de urgentie die u verlangt. Dat ga ik ook teruggeven met dezelfde
scherpte als ik het richting het OM teruggeef op het punt van meneer
Ellian. Daarover ga ik aan u terugrapporteren voor de zomer, precies
zoals u wilt. Als dat u niet bevalt, kunt u altijd nog bepalen of er wel
of niet een deltaplan moet komen. Maar als ik nu tegen alle
ketenpartners ga zeggen "kom met een deltaplan" enzovoort, dan vrees ik
dat daar heel veel energie naartoe gaat. Ik denk dat we dat niet nodig
hebben. Ik zou u dus willen vragen om mij die tijd te geven.
De voorzitter:
Eén interruptie van mevrouw Mutluer.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Ik kijk even rond, maar het antwoord is nee.
De voorzitter:
Nou, dan wordt de motie … ontraden?
Minister Van Oosten:
Ontraden.
De voorzitter:
U vervolgt.
Minister Van Oosten:
Dat neemt niet weg dat ik het terugkoppel zoals ik heb verteld, aan alle
betrokkenen.
De motie op stuk nr. 89 van mevrouw Van der Plas ontraad ik.
De motie op stuk nr. 90 van mevrouw Van der Plas ontraad ik. Er wordt
ook een definitie gehanteerd. Een verdere juridische verkenning acht ik
op dat punt niet noodzakelijk.
De motie op stuk nr. 91 van onder meer mevrouw Faber ontraad ik. De
politie heeft ook geen partnership met die beurs.
De motie op stuk nr. 92 van mevrouw Faber ontraad ik. Ik kan ook nog
iets zeggen …
De voorzitter:
Ik denk dat mevrouw Faber nog wat wil zeggen over de motie op stuk nr.
91. Gaat uw gang. Eén vraag.
Mevrouw Faber (PVV):
Ja, sorry. Ik was iets te traag. Ze hebben wel een partnerschap met dat
festival. Dat is te vinden als je "halal village festival" intypt. Dan
zie je daar de partners staan en daar staat gewoon de politie bij. Ze
hebben dus wel degelijk een partnerschap.
Minister Van Oosten:
Oké. Dat ga ik dan even toetsen. Maar dat neemt niet weg dat ik de motie
blijf ontraden, omdat ik vind dat de politie bij deelname aan beurzen en
evenementen altijd de neutraliteit in overweging heeft te nemen. Wat dat
betreft heb ik ook wel echt goed geluisterd naar de opmerking van
mevrouw Faber, hoor. Daar worden ook wel lessen uit getrokken.
De heer El Abassi (DENK):
Ik heb een punt van orde. Dit is weer iets wat feitelijk niet klopt. Wij
stonden daar namelijk ook als partner en wij zijn ook aanwezig geweest
op dat Halal Village. Dat gold voor iedereen die daar een kraampje had,
net als de politie. Wat de PVV hier weer naar voren brengt, klopt dus
gewoon niet.
De voorzitter:
U heeft uw punt gemaakt. De motie op stuk nr. 93.
Minister Van Oosten:
Ik hecht ook aan mijn antwoord: er is geen partnerschap. Dat stel ik
vast. Daarom kom ik ook tot "ontraden". Maar ik gaf die context
erbij.
Over de motie op stuk nr. 92 heb ik al iets gezegd.
De motie op stuk nr. 93 ontraad ik eveneens.
De motie op stuk nr. 94 van mevrouw Faber en de heer Van Dijk gaat over
voetbalorganisaties. Die ontraad ik. Ik verwijs naar mijn uitlatingen
daarover eerder in het debat.
De motie op stuk nr. 95 van mevrouw Faber ontraad ik.
De motie op stuk nr. 96 van mevrouw Faber vind ik overbodig, want ik ben
voortdurend met gezagen in overleg over de kerntaken van de
politie.
De motie op stuk nr. 99 van de heer Van Dijk ontraad ik. Ik heb daar
geen aanleiding voor. De straftoemeting is ook een
straftoemetingsvrijheid. Ik kan dus niet anders dan deze ontraden.
De motie op stuk nr. 100 over het opportuniteitsbeginsel ontraad ik. Het
ligt ook vast in de wet.
De motie op stuk nr. 101 van de heer Emiel van Dijk ontraad ik,
eigenlijk met dezelfde argumenten als bij de vorige motie.
De motie op stuk nr. 102 van de heer Van Dijk ontraad ik. Die ziet op de
onderzoekers inzake het WODC. Het is geen geheim wie er onderzoek doet.
Dat staat altijd bij de publicatie in het rapport.
De motie op stuk nr. 103 van de heer Van Dijk ziet op de financiering
rondom rapporten. Die motie ontraad ik eveneens. Wij hebben een algemeen
budget. Een nadere specificering is wat mij betreft niet nodig.
De motie op stuk nr. 107 van de heer El Abassi beschouw ik als
overbodig, want de Autoriteit Persoonsgegevens heeft wél toegang in het
kader van de Wet politiegegevens. Er is ook een toezichthouder die
toegang heeft. De informatiepositie wordt meegenomen in de herziening
van de Wet politiegegevens, waarbij dit punt ook meer specifiek kan
worden opgebracht. Ik denk dat dat laatste ook interessant is voor de
heer El Abassi.
De motie op stuk nr. 108 van de heer El Abassi is in mijn ogen
overbodig, omdat ieder geweld wordt gemeld bij de hulpofficier en door
de hulpofficier wordt getoetst. Bij een vermoeden van disproportioneel
geweld volgt onderzoek door de commissie Geweldsaanwending. Daarna kan
de Rijksrecherche onafhankelijk onderzoek doen indien er sprake zou zijn
van disproportioneel geweld.
Ook de motie op stuk nr. 109, ook van de heer El Abassi, is overbodig.
Wat daarin wordt gevraagd is staand beleid.
De motie op stuk nr. 110 van onder meer de heer Diederik van Dijk gaat
over de DUUP-voorwaarden. Ik ontraad deze motie. Ik kom hier straks
overigens op terug bij een andere motie, volgens mij van mevrouw Bikker,
die ook over de DUUP gaat. De uitleg past wel een beetje bij beide
moties: het past mij niet om op de in de motie aangegeven manier bezig
te zijn met een decentralisatie-uitkering, waartoe ik word opgeroepen.
Maar ik wijs wel op een nieuwe wet, namelijk de nieuwe
Financiële-verhoudingswet, waarbij decentralisatie-uitkeringen worden
omgezet in bijzondere fondsenuitkeringen. Dat geeft wel de mogelijkheid
om wat meer informatie op te vragen bij gemeenten. Dat komt hopelijk
iets meer tegemoet aan het verzoek van de heer Van Dijk om inzichtelijk
te krijgen of de gelden daar terechtkomen waarvoor ik ze bestemd heb en
om inhoudelijk ook wat meer discussie te kunnen voeren.
De voorzitter:
Eén vraag van de heer Van Dijk.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank voor die laatste toelichting, maar die doet niks af aan het feit
dat ik het oordeel over deze motie echt niet kan volgen. Het Rijk geeft
momenteel subsidies aan gemeenten met de bedoeling om die te besteden
aan uitstapprogramma's. De motie verzoekt om in overleg te bevorderen
dat dat geld daarvoor wordt benut, gewoon via een gesprek. Ik begrijp
dus oprecht niet waarom dat "ontraden" oplevert.
Minister Van Oosten:
Dat heeft te maken met de financiële verhoudingen zoals we die nu hebben
georganiseerd: dit gaat langs de weg van een decentralisatie-uitkering.
Maar ik begrijp de opmerking van de heer Van Dijk echt wel. Daarom heb
ik doorgevraagd: welke mogelijkheid zou er wel voor de heer Van Dijk of
voor anderen kunnen ontstaan om die informatie te kunnen krijgen? Ik heb
begrepen dat die nieuwe wet dat inzicht meer zou moeten kunnen
verschaffen. Ik zou dus het verzoek willen doen om dat even af te
wachten. Dat maakt dat ik de motie voor nu moet ontraden.
De motie op stuk nr. 111 van onder meer de heer Van Dijk gaat over de
aanpak van seksueel geweld. Ik vind die motie overbodig. Er is al apart
beleid voor het beschermen van sekswerkers. Dat hoeft dus niet apart
betrokken te worden bij dat nationale actieprogramma.
De motie op stuk nr. 112 over antisemitisme ontraad ik. De huidige
structuur voor de aanpak van discriminatie binnen de politie en het
Openbaar Ministerie volstaat. Plat gezegd: er zitten daar hele goede
mensen op.
De motie op stuk nr. 113 van mevrouw Teunissen beschouw ik als
overbodig. Er wordt altijd door de politie en het Openbaar Ministerie
samen bezien hoe de pakkans kan worden vergroot. Dat geldt voor elk
fenomeen. Het is aan het OM om keuzes te maken. Ik mag wijzen op het
speciale telefoonnummer 144.
De motie op stuk nr. 114, ook van mevrouw Teunissen, kan ik oordeel
Kamer geven. Ik begrijp het namelijk zo — zo heb ik het u ook uitgelegd
— dat het wetsvoorstel Gezichtsbedekkende kleding de mogelijkheid biedt
om het gezicht te bedekken in het geval van angst voor vervolging in het
land van herkomst et cetera, maar dan moet je dat ook kunnen uitleggen
et cetera. Die behandeling gaat nog komen en dan kunt u daar iets over
zeggen.
Voor de motie op stuk nr. 115 geldt een beetje hetzelfde als voor de
eerdere discussie, maar die heb ik nu met mevrouw Bikker et cetera. Ik
kan deze motie oordeel Kamer geven als ik de motie zo mag lezen dat zij
het kabinet oproept om voortgang te maken met de wijziging van de
Financiële-verhoudingswet. Dan is het "oordeel Kamer", want zoals ik net
al uitlegde, maakt die wet er een bijzondere fondsenuitkering van,
waardoor het Rijk meer info kan opvragen.
De voorzitter:
Ik kijk naar de reactie van mevrouw Bikker. Ik zie non-verbale
instemming. Daarmee wordt de motie aan het oordeel van de Kamer
gelaten.
Minister Van Oosten:
Dank u wel.
De motie op stuk nr. 116 van mevrouw Bikker gaat over drugs. Ik zou
willen vragen of deze motie aangehouden kan worden. Ik zou deze motie
misschien ontijdig moeten noemen. Dat komt omdat er nu samen met het
ministerie van VWS een campagne is ontwikkeld waarmee we jongeren in
studentensteden hiervan op de hoogte brengen. Dat weet mevrouw Bikker
als geen ander. Die campagne wordt nu geëvalueerd en het is belangrijk
om die evaluatie te kunnen meenemen. Het is vervolgens aan het nieuwe
kabinet om op basis daarvan te wegen hoe het daarmee verder wil gaan.
Mijn verzoek aan mevrouw Bikker is om dit een kans van slagen te geven.
Laten we even op de evaluatie wachten. Dat was eigenlijk ook mijn
opmerking richting de heer Van den Brink in het debatje dat wij
hadden.
De voorzitter:
Is deze appreciatie overtuigend genoeg om de motie aan te houden,
mevrouw Bikker?
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Nou, ik zou mee willen geven dat die evaluatie juist prima betrokken kan
worden bij het voortzetten van de campagne, maar dat die er niet toe mag
leiden dat de campagne stopt. Daarom breng ik de motie gewoon in
stemming.
De voorzitter:
Dat betekent dat de motie de appreciatie ontijdig krijgt.
Minister Van Oosten:
Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 117. Dat is de motie over roken, van
mevrouw Bikker. Deze motie is overbodig. Preventiebeleid valt overigens
onder de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris Jeugd, Preventie
en Sport. Cannabis en tabak hebben overeenkomsten in gebruikswijze, maar
de context verschilt wel weer wat. Bij de middelenpreventie op scholen
is ook aandacht voor zowel cannabis als tabak. Om die reden is de motie
overbodig.
Dan de motie op stuk nr. 123, van onder meer de heer Struijs. Die motie
ontraad ik. Dat heeft te maken met die wettelijke definitie, maar ik heb
wel aangeboden om samen met VWS en met betrokken instanties na te gaan
in hoeverre die ontbreekt, en uw Kamer daarover te informeren.
Dan de motie op stuk nr. 125, van mevrouw Schilder en mevrouw Coenradie.
Deze motie beschouw ik als overbodig. Mijn departement verkent al de
wenselijkheid en de consequenties van de invoering van minimumstraffen.
Ik ga daarover althans gesprekken voeren en daarover terugrapporteren
aan uw Kamer.
Dan de motie op stuk nr. 126, onder meer van mevrouw Schilder. Dit is
volgens mij de laatste motie. Deze motie ontraad ik. Het OM is
onafhankelijk en stelt zelfstandig strafvorderingsrichtlijnen
vast.
Ten slotte, voorzitter, nog één zin. Mede namens de staatssecretaris
heel veel dank aan alle medewerkers van mijn departement voor al het
werk dat is verzet.
Dank u wel.
De voorzitter:
Wij sluiten ons bij die dankzegging aan. Ook aan u dank, minister, voor
de beantwoording in tweede termijn. Het woord is aan de
staatssecretaris.
Staatssecretaris Rutte:
Voorzitter, dank u wel. Ik heb ook een heel pakket aan moties om
doorheen te gaan, maar ik wil toch eerst beginnen met een paar vragen
die aan mij zijn gesteld.
Ik begin met de door de heer Ellian gestelde vraag naar aanleiding van
berichtgeving in De Telegraaf. Het kortste antwoord, maar daar zal ik
het niet bij laten, is dat ik niet op individuele gevallen in kan gaan.
Dat blijft ook zo, maar ik heb wel de behoefte om wat uitleg te geven.
In het algemeen kan ik echt begrijpen dat herplaatsing in een ander
regime van criminelen die in een ebi zitten, enorme gevoelens losmaakt
in de maatschappij. Daarbij geldt in algemene zin wel dat plaatsing in
de ebi en de jaarlijkse toetsing daarvan zeer zorgvuldig plaatsvinden.
Ieder jaar opnieuw moet dat beoordeeld worden. Dan moet beoordeeld
worden of de plaatsing kan worden verlengd of dat er ruimte moet worden
geboden aan een ander regime. DJI beoordeelt dat op basis van concrete,
betrouwbare en actuele informatie van DJI zelf, van de politie en van
het Openbaar Ministerie. Als er geen onaanvaardbaar maatschappelijk
risico aanwezig is, en de gedetineerde dus niet meer voldoet aan de
plaatsingscriteria binnen de ebi, vindt afschaling plaats naar een lager
beveiligingsniveau. In dat geval, dus als iemand vanuit de ebi wordt
afgeschaald, zou dat dan de Afdeling Intensief Toezicht zijn. Als er
overigens weer nieuwe risico's worden gezien, kan iemand ook weer worden
opgeschaald. Dat gaat op dezelfde manier. Al met al vindt dit dus, als
het gebeurt, zeer zorgvuldig plaats. Ik weet ook dat de DJI dit soort
beslissingen neemt met alle zorgvuldigheid en op grond van zeer
betrouwbare informatie vanuit de organisatie zelf, de politie en het
OM.
De voorzitter:
Eén hele korte vervolgvraag, meneer Ellian.
De heer Ellian (VVD):
Kijk, als Astrid of Sonja Holleeder of andere slachtoffers en
nabestaanden dit horen, denk ik dat ze in tranen uitbarsten. Deze man is
veroordeeld tot levenslang voor het vijf keer opdracht geven tot moord.
Ik begrijp dat de staatssecretaris niets gaat doen, hoewel ik al twee
jaar waarschuw voor dit risico. De man komt in een lager regime, met
alle gevolgen van dien voor de samenleving. Ik zal er alles aan doen om
ervoor te zorgen dat die man blijft waar hij zit, namelijk in de ebi. Ik
hoop dat de staatssecretaris die moeite in ieder geval ook wil doen.
Staatssecretaris Rutte:
Ik kan niet op deze individuele zaak ingaan. Uiteindelijk wordt de
afweging gemaakt op basis van informatie vanuit DJI, de politie en het
OM.
De voorzitter:
U vervolgt.
Staatssecretaris Rutte:
Hoe die informatie eruitziet, weet ik niet.
Gevraagd werd, ik denk door mevrouw Michon, of wij online alles op orde
hebben bij de handhaving van een contact- en gebiedsverbod, wanneer
gebruik wordt gemaakt van anonieme accounts. De politie heeft aangegeven
dat er soms een gebrek wordt ervaren aan bevoegdheden of mogelijkheden
om te komen tot inzicht daarin, met name als er gebruik wordt gemaakt
van anonieme socialmedia-accounts of onbekende telefoonnummers. Daarom
verkent de minister de komende periode samen met de betrokken
organisaties of de bestaande bevoegdheden volstaan en of er aanvullende
beleidsmatige of wetgevende maatregelen nodig zijn.
De heer Ellian vroeg mij opnieuw naar het regime binnen de ebi. Hij
vroeg of daar altijd individueel of in een groep wordt gewerkt. Dit
wordt een herhaling van zetten, want wij hebben vaak hierover van
gedachten gewisseld. We zijn het gewoon niet eens. Pas na zorgvuldige
afweging samen met het OM en de politie om te bezien of het veilig is,
kan worden besloten of een gedetineerde in een kleine groep kan
deelnemen aan bepaalde activiteiten. Uiteindelijk heeft dat te maken met
zowel de Penitentiaire beginselenwet als artikel 3 van het Verdrag tot
bescherming van de rechten van de mens. Maar alleen als het kan! Als er
signalen zijn dat het niet kan, dan wordt het teruggedraaid of vindt het
niet plaats.
De heer Ellian (VVD):
Voorzitter, ik ...
De voorzitter:
Meneer Ellian, we hebben het debat gevoerd. Ik heb hier veel ruimte voor
gegeven. Een vervolgvraag ter verduidelijking mag, maar het debat is op
zich gevoerd.
De heer Ellian (VVD):
Nou, ik moest even nadenken en ik ga het wel doen, want dit is geen
antwoord op de vraag die ik gesteld heb. Ik heb aan beide
bewindspersonen hierover een vraag gesteld. Er zijn twee grote netwerken
in Nederland. Die leden zitten vast in de ebi. Hoe komt dit kabinet
erbij dat die mensen onderling contact mogen hebben?
Staatssecretaris Rutte:
Tot op dat niveau doe ik als bewindspersoon niet de beoordeling. Ik laat
dat echt aan de deskundigen die daarin via de verschillende organisaties
...
De voorzitter:
Helder, helder. We vervolgen de beantwoording.
Staatssecretaris Rutte:
... Daar heeft het mee te maken.
Mevrouw Straatman vroeg naar de capaciteit van het Juridisch Loket en
dan met name naar zorg en veiligheid voor mensen met ingewikkeld gedrag.
Wij herkennen niet direct dat een groot deel van de capaciteit van het
Juridisch Loket opgaat aan niet-juridische vragen en problemen. Er is
vaak wel een samenhang van het probleem met andere omliggende problemen,
maar dat erkende mevrouw Straatman natuurlijk ook wel. Daarom zetten we
al jaren in op versterking van de samenwerking tussen het sociale en het
juridische domein voor interdisciplinaire hulp, indien nodig. De
kwartiermaker, mevrouw Marijnissen, gaat hier ook specifiek naar
kijken.
De voorzitter:
De moties!
Staatssecretaris Rutte:
Ja, goed. Ik ga naar de moties en ik begin met de eerste motie.
De voorzitter:
Dat mag kort en bondig.
Staatssecretaris Rutte:
Moet u maar eens kijken hoe snel ik dat kan! De motie op stuk nr. 79:
oordeel Kamer. Nou, daar heeft nooit iemand een probleem mee, toch?
De voorzitter:
Kijk, die is al binnen.
Staatssecretaris Rutte:
De motie op stuk nr. 83 van de heer Ellian: oordeel Kamer. We gaan
snel.
De motie op stuk nr. 85 van mevrouw Abdi en anderen over een eigen cao
voor het gevangeniswezen moet ik ontraden. Ik heb er wel begrip voor,
maar alleen een uitzondering voor DJI leidt weer tot een onwenselijke
uitwerking voor andere uitvoeringsorganisaties binnen het Rijk; daarom
ontraden.
De voorzitter:
Dan de motie op stuk nr. 87.
Staatssecretaris Rutte:
Ik kom nu inderdaad op de motie op stuk nr. 87. Ik zal u zeggen dat die
ontijdig is. De oproep is duidelijk. Die steun ik ook, maar we moeten
een en ander echt eerst onderzoeken in vier pilotgemeenten. Op basis
daarvan kunnen we vervolgstappen zetten. Daar kan ik niet op
vooruitlopen.
De voorzitter:
Houdt mevrouw Mutluer de motie aan? Het mag ook non-verbaal, mevrouw
Mutluer!
Staatssecretaris Rutte:
De uitkomsten van de pilots zullen in 2027 komen.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Wij willen daar niet op wachten. Voor mijn part neem je de
uitgangspunten vanuit de Kamer mee in de pilot, maar we gaan niet
wachten, dus we gaan de motie gewoon indienen.
De voorzitter:
Dan krijgt de motie op stuk nr. 87 de appreciatie ontijdig.
Staatssecretaris Rutte:
Ik moet de motie op stuk nr. 88, ook van mevrouw Mutluer en anderen,
ontraden. Die gaat over Filomena. Daar zijn we positief over, maar dit
ligt gewoon echt niet bij mij. Dit ligt bij de staatssecretaris
Langdurige en Maatschappelijke Zorg. Wat dat betreft kan ik daar nu geen
uitspraak over doen. Op basis daarvan moet ik de motie ontraden.
De voorzitter:
Dan de motie op stuk nr. 97.
Staatssecretaris Rutte:
De motie op stuk nr. 97, van de heer Van Dijk, moet ik ook
ontraden.
Dat geldt ook voor de motie op stuk nr. 98.
Ik kom bij de motie op stuk nr. 104, van mevrouw Straatman. Die geef ik
oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 105, van mevrouw Coenradie en anderen, moet ik
ontraden. Ik heb er wel veel sympathie voor, maar een afweging maken
over zaken als contact- en gebiedsverboden kan de staatssecretaris niet
zelf; dat blijft bij het bevoegd gezag. Ik kan het dus niet borgen. Op
basis daarvan kan ik de motie dus ook niet uitvoeren, mocht die worden
aangenomen. Daarom moet ik hem ontraden.
We gaan door met de motie op stuk nr. 106, van mevrouw Coenradie en
anderen. Die geef ik oordeel Kamer.
Veel sneller dan dit kan ik het toch niet doen. Ik ben inmiddels bij de
motie op stuk nr. 118, van mevrouw Dobbe. Zelfs de voorzitter kan het
nauwelijks bijhouden!
De voorzitter:
Heel fijn.
Staatssecretaris Rutte:
De motie op stuk nr. 118 gaat over vrouwenrechtswinkels. We hebben in
2025 voor verschillende rechtswinkels al wel structureel budget
beschikbaar gesteld, €400.000. Maar de motie zoals die hier ligt, moet
ik helaas wel ontraden.
We gaan door met de motie op stuk nr. 119, ook van mevrouw Dobbe en van
mevrouw Abdi. Die moet ik ontraden. De motie gaat over de
kantoortoeslag. Die zijn we aan het bekijken in samenhang met eventueel
mogelijke andere maatregelen en de financiële impact op dit moment. We
zien de kantoortoeslag ook niet als enige oplossing.
Dan ga ik door met de motie op stuk nr. 120. Die moet ik ontraden. Ik ga
hier gewoon niet over. Het gaat over salariëring van de
gevangenismedewerkers.
Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 121. Die gaat over het contact
tussen kinderen en gedetineerden. Ik heb in de schriftelijke
beantwoording ook aangegeven dat we daar wel zo veel mogelijk rekening
mee houden. We zijn ook bereid om dit te onderzoeken, maar ik kan het
niet zo hard waarmaken als hier in de motie staat. Dus ik zou 'm moeten
ontraden, maar ik ben ook wel bereid om te zeggen "ontijdig", want dan
komt het onderzoek naar u toe en dan kunt u op basis daarvan beslissen
of dat voldoende is. Dus vooralsnog zou ik zeggen "ontijdig", maar daar
heb ik wel mevrouw Dobbe bij nodig.
De voorzitter:
Nou, dan is de vraag of mevrouw Dobbe bereid is om de motie aan te
houden. Dat wil ze niet. Dan krijgt 'ie "ontijdig".
Staatssecretaris Rutte:
O, is dat zo? Dan wordt 'ie ontijdig? Prima. De Kamer doet daarmee wat
zij zelf wil.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 122.
Staatssecretaris Rutte:
Zeker. De motie op stuk nr. 122. Dan zitten we ook weer op het terrein
van de staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg. Wat hier
staat valt onder haar verantwoordelijkheid. Ik zou zeggen: houd 'm aan,
dan kan de motie besproken worden bij de begrotingen van VWS.
De voorzitter:
Daar is de heer Struijs niet toe bereid. Dan krijgt de motie de
appreciatie "ontijdig".
Staatssecretaris Rutte:
Ja, ontijdig doen we dan.
De voorzitter:
Uw laatste motie.
Staatssecretaris Rutte:
Ja, dan kom ik bij de laatste motie, op stuk nr. 48, van mevrouw
Schilder. We eindigen met een positief moment; ik zeg oordeel Kamer. Het
is onvoorstelbaar.
De voorzitter:
Die heeft u binnen, mevrouw Schilder. Oordeel Kamer.
Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de tweede termijn van de zijde
van het kabinet. Ik dank de bewindspersonen voor hun aanwezigheid bij de
behandeling van de begroting en de leden van de Kamer voor de
medewerking.
De algemene beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
Ik schors een ogenblik voordat we verdergaan met het volgende debat.
Over de ingediende moties zal aanstaande dinsdag worden gestemd. De
vergadering is voor een kort ogenblik geschorst.