Eindverslag informateur mw. R.M. Letschert
Bijlage
Nummer: 2026D04451, datum: 2026-01-30, bijgewerkt: 2026-01-30 16:02, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Bijlage bij: Eindverslag van de informateur mw. R.M. Letschert over haar informatiewerkzaamheden (2026D04447)
Preview document (🔗 origineel)
EINDVERSLAG
Naar een nieuwe politieke werkelijkheid
Op woensdag 10 december 2025 is door de Tweede Kamer de motie van het lid Jetten aanvaard waarin ik ben aangewezen als informateur (Tweede Kamer 2025–2026, 36 848, nr. 18). Dezelfde dag heb ik mijn opdracht uit handen van de voorzitter van de Tweede Kamer ontvangen en aanvaard. In deze opdracht is mij gevraagd uitvoering te geven aan het advies zoals verwoord in het verslag van informateur Buma d.d. 8 december 2025, daarbij rekening te houden met de in het verslag geschetste overwegingen, en hierover uiterlijk vrijdag 30 januari 2026 verslag uit te brengen.
Het advies van informateur Buma, voor zover het mijn werkzaamheden betrof, luidde:
de fracties van D66, VVD en CDA mede op basis van de op 2 december 2025 gepresenteerde agenda van D66 en CDA een akkoord voor te laten bereiden waarop een stabiel kabinet kan worden geformeerd;
in de aankomende periode overleg te voeren met andere fracties gericht op samenwerking in de Tweede en Eerste Kamer in de vorm van (deel)afspraken dan wel door deelname aan een (meerderheids)kabinet.
De chronologie
Ik heb mijn werkzaamheden in twee delen uitgevoerd.
Tussen 11 december 2025 en 9 januari 2026 stond, naast inhoudelijke besprekingen, de vraag naar de samenstelling van een meer- of minderheidscoalitie centraal. De periode van 9 januari 2026 tot en met 30 januari 2026 stond in het teken van de samenwerking van een inmiddels beoogde coalitie van D66, VVD en CDA met andere fracties in de Tweede Kamer en met maatschappelijke partijen, evenals het tot stand brengen van een inhoudelijke akkoord, inclusief financiën, tussen D66, VVD en CDA.
In de periode van 11 december tot en met 23 december 2025 hebben de
fracties van D66, VVD en CDA onder mijn leiding inhoudelijk gesproken
over de grote vraagstukken waar dit land voor staat, in het bijzonder de
onderwerpen zoals opgenomen in de op 2 december 2025 gepresenteerde
agenda van D66 en CDA. Deze vijf onderwerpen zijn uitvoerig besproken,
naast de andere grote thema’s die nog niet in de uitnodiging stonden,
zoals zorg, sociale zekerheid, onderwijs, mobiliteit, infrastructuur en
bestuur. Deze gesprekken waren afwisselend met de fractievoorzitters van
D66, VVD en CDA en hun secondanten J. Paternotte (D66), B. Becker, E.
Heinen (beiden VVD) en
B. van den Brink (CDA). In deze periode hebben zij ambtenaren van het
Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,
vertegenwoordigers van de NCTV, de AIVD, de MIVD, de Raad voor de
Rechtspraak, het Openbaar Ministerie, de Nationale Politie en het
Ministerie van Justitie en Veiligheid ontvangen. Ook zijn
vertegenwoordigers van verschillende jongerenorganisaties op gesprek
gekomen.
Daarnaast is door de leden H. Vijlbrief (D66), E. Heinen (VVD) en I. van Dijk (CDA) meermaals overleg gevoerd over de uitgangspunten van het begrotingsbeleid. Voorts is door een aantal leden van de onderhandelende fracties, te weten M. Synhaeve (D66), W. Paulusma (D66), H. Bevers (VVD) en H. Krul (CDA), overleg gevoerd over het onderwerp zorg. Bij een deel van deze laatste overleggen zijn ook vertegenwoordigers van het ministerie van VWS aangeschoven. Ook is door de leden T. Aartsen (VVD), S. Neijenhuis (D66) en J. Bühler (CDA) onderling gesproken over het onderwerp sociale zekerheid. Daarnaast is door de fractievoorzitters gesproken met een vertegenwoordiger van het ministerie van SZW.
Al deze overleggen zijn, naast de hiervoor genoemde inbreng van deskundigen en uitvoeringsorganisaties, gevoed door het stellen van vragen aan bewindspersonen en ministeries en de beantwoording daarvan evenals door de inbreng die ik heb ontvangen van maatschappelijke partijen. De hoeveelheid brieven die ik heb ontvangen is enorm en toont een grote betrokkenheid bij een groot aantal thema’s waar burgers en organisaties zich aan hebben verbonden.
In deze periode heb ik ook alle fractievoorzitters van de Tweede Kamer gesproken, wat voor mij als relatieve buitenstaander een mooie manier was om met iedereen kennis te maken.
Genoemde overleggen vonden plaats in het formatiegebied van de Tweede Kamer, in het Huis Huguetan van de Eerste Kamer en de Raad van State en tweemaal, te weten op 14 en 15 december 2025 en op 8 en 9 januari 2026, op het landgoed De Zwaluwenberg te Hilversum.
Na het kerstreces, tussen 9 januari en 30 januari 2026, voerden de fracties overleg over de totstandbrenging van een politiek akkoord. Op 13, 14 en 15 januari 2026 spraken de fractievoorzitters van D66, VVD en CDA in mijn aanwezigheid opnieuw met de andere voorzitters van andere Tweede Kamerfracties. Alleen de voorzitter van de PVV wees deze uitnodiging af. Op 14 januari 2026 spraken de fractievoorzitters en ik met de vicepresident van de Raad van State, de Nationale Ombudsman en de president van de Algemene Rekenkamer over onder meer hun notitie “Naar een realistische overheid”. Tweemaal werd gesproken met experts en wetenschappers1 over de (parlementaire) samenwerkingsvormen van minderheidskabinetten. Op 21 januari 2026 vond een gesprek plaats met I. Thijssen (VNO-NCW), J. Vonhof (MKB), D. Koerselman (FNV), P.S. Fortuin (CNV), K. Putters (SER), A.P.C.M. van Holstein (VCP), G.P.J. Koopmans (LTO) en een vertegenwoordiger van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Dezelfde dag spraken de fractievoorzitters en ik voorts met R. Meijer (NAJK), M. Demmers (Natuur & Milieu), B.A. Revis (Staatsbosbeheer), A.P. Visser (Bouwend Nederland) evenals met J.D. van Karnebeek (Friesland-Campina), P. Hilarides (Agrifirm), M. Jansen (CBL) en A. Datema (Rabobank). Aan dit gesprek namen ook Koopmans en Thijssen deel.
Op 22 januari 2026 spraken wij met S. Dijksma (VNG), I. Adema (IPO), en M. Haan (UvW). Vervolgens ontvingen wij de leden van de studiegroep begrotingsruimte te weten O.C.H.M. Sleijpen (DNB), P.F. Hasekamp (CPB) en de secretaris-generaal van het Ministerie van Financiën, B.E. van den Dungen.
Op 26 januari 2026 voerden wij een gesprek met de voorzitters van de Tweede en Eerste Kamer.
Op 28 januari 2026 zijn besprekingen over de inhoud van het akkoord afgerond. Het conceptakkoord is op dezelfde dag aan de fracties van D66, VVD en CDA voorgelegd. De voorzitters van de drie fracties hebben op 29 januari 2026 onder mijn voorzitterschap de wijzigingsvoorstellen van de fracties besproken en overeenstemming bereikt over de verwerking daarvan in het coalitieakkoord. De voorzitters van de drie fracties hebben mij vervolgens geïnformeerd dat zij namens hun fracties instemden met het akkoord. Een afschrift van het coalitieakkoord is bij dit verslag gevoegd.
Over de coalitievorming
Voor alle drie de fracties gold dat zij aan het begin van deze formatiefase een voorkeur hadden voor de totstandbrenging van een meerderheidscoalitie. Eerder was al duidelijk geworden dat de VVD niet zou toetreden tot een coalitie waarvan ook GL-PvdA deel zou uitmaken.2 Een coalitie van D66, VVD, CDA en JA21, en eventueel een vijfde partij, had de voorkeur van de VVD. Deze coalities met drie partijen rechts van het midden werden echter door D66 afgewezen en hadden evenmin de voorkeur van het CDA. Daarbij werd er door het CDA op gewezen dat een coalitie met alleen JA21 nog steeds geen meerderheid in de Tweede Kamer vormde en dat er met een coalitie van vijf partijen minder makkelijk eensluidende afspraken te maken zouden zijn over de grote opgaven. Het alternatief hiervoor werd in de ogen van deze partijen gevormd door een minderheidscoalitie van D66, VVD en CDA. Ik heb deze partijen verzocht om tijdens het kerstreces tot een definitief standpunt te komen omtrent hun gewenste coalitiesamenwerking. De besprekingen hierover op 9 januari 2026 leidden tot gezamenlijke overwegingen en een conclusie.
Ik vat deze als volgt samen. Zoals hiervoor uiteengezet is een meerderheidscoalitie waarin D66, VVD en CDA zitting hebben feitelijk een onmogelijkheid gebleken. Geconstateerd werd dat de actuele geopolitieke situatie onvoorspelbaar is en dat er bovendien complexe vraagstukken bestaan in ons land waarvoor de bevolking oplossingen verlangt. Dit tezamen maakt het wenselijk om snel tot een nieuw kabinet te komen. Voor de benodigde oplossingen is bovendien noodzakelijk dat er politieke betrokkenheid van een zo breed mogelijk spectrum is.
Een van de fractievoorzitters van de oppositie die ik sprak gaf aan dat bij bepaalde vraagstukken een deltaplan nodig is waardoor veranderingen systemisch aangepakt kunnen worden. Samenwerking met alle fracties is daardoor niet alleen nodig vanwege de benodigde zetelaantallen, maar juist ook vanwege de noodzaak gezamenlijk op zoek te gaan naar oplossingen die een zo breed mogelijk draagvlak creëren. De vraagstukken en gekozen oplossingen zijn niet eenvoudig en zullen van een ieder in onze maatschappij een bijdrage vragen. Daardoor zal ook een intensivering van samenwerking met de medeoverheden en maatschappelijke partijen wenselijk zijn.
D66, VVD en CDA kwamen gezamenlijk tot de overtuiging dat het creëren van breed draagvlak in het parlement en daarbuiten, met open vizier en vanuit een bescheiden opstelling, het beste mogelijk is vanuit een kabinet dat uit deze drie partijen in het midden van het politieke spectrum bestaat. Een minderheidscoalitie dus.3 Maar wel een coalitie die elkaar vindt op een duidelijk inhoudelijk programma en die brede samenwerking zoekt om dat programma te realiseren. Daarmee kunnen belangrijke keuzes worden gemaakt die voor ons land nodig zijn. De fracties realiseerden zich dat dit veel vergt van de opstelling van het kabinet en van de coalitiefracties in de beide Kamers.
De keuze voor een minderheidscoalitie, zonder een vaste gedoogpartner, in een formatie is in de naoorlogse geschiedenis van Nederland uniek. Met deze keuze veranderde het karakter van mijn werkzaamheden in deze fase van de formatie. Voor de totstandbrenging van een stabiel kabinet werd het daarna namelijk noodzakelijk ook zicht te krijgen op de wijze waarop het kabinet zijn samenwerking met beide Kamers zou kunnen vormgeven.
Om een coalitieakkoord dat op 66 zetels in de Tweede Kamer en op 22 zetels in de Eerste Kamer steunt ten uitvoer te brengen, moeten de coalitiepartijen steeds meerderheden realiseren met steun van ten minste één andere fractie. Anderzijds zijn de fracties van deze minderheidscoalitie, indien zij hun standpunten gezamenlijk innemen, in de praktijk steeds nodig om opvattingen en initiatieven van fracties aan hun politieke weerszijden aan een meerderheid te helpen. Een minderheidscoalitie beschikt dus niet over doorzettingsmacht, maar is anderzijds veelal onmisbaar voor de doorzetting van plannen.4 Dit gegeven maakt dus dat de betrokken partijen over en weer steeds een verregaande bereidheid zullen moeten tonen tot samenwerking met andere partijen in de Tweede en Eerste Kamer.
De eerder genoemde deskundigen en wetenschappers, achtten een minderheidskabinet in de Nederlandse politiek ondanks risico’s niet kansloos. Zij wezen er daarbij op dat het belangrijk is dat de coalitie waarop een dergelijk kabinet steunt zich in de Tweede Kamer oprecht en intensief richt op samenwerking met andere partijen, waarbij van een kabinet een zekere bescheidenheid verwacht mag worden. Dit betekent meer dan transactioneel de andere partijen tegemoet treden, maar met open vizier samenwerken. Daarmee kan de rol van de Tweede Kamer ten opzichte van het kabinet groter worden. Zij suggereerden daarbij dat de Kamer zelf zijn positie kan versterken door in een vroeg stadium actiever mee te praten over beleids- en wetsvoorstellen. Zij wezen daarbij op de mogelijkheden om het commissiewerk anders te organiseren en om minderheden in de Kamer meer mogelijkheden te bieden (reeds in 2021 deed de Werkgroep Van de Staaij hiertoe belangrijke aanbevelingen).5 De experts lichtten ook de praktijk toe die in Denemarken bestaat waarbij grote meerderheden in het parlement lange termijn akkoorden sluiten over grote thema’s waaraan zij zich voor meerdere regeringsperioden binden en zich daar ook publiekelijk achter scharen. Zij wezen daarbij ook op belangrijke verschillen tussen Denemarken en Nederland zoals het gegeven dat Denemarken een éénkamerstelsel kent.
In de gesprekken van de onderhandelende partijen met de andere partijen werd duidelijk dat een aantal partijen (GL-PvdA, BBB, SP, Denk, PvdD, Volt, FvD,) de keuze voor een minderheidskabinet van deze specifieke partijen niet de juiste keuze achtte6. De andere partijen (JA21, CU, SGP, 50Plus en de Groep Markuszower) hadden geen voorkeur voor een minderheidskabinet, maar beschouwden de door de onderhandelende fracties gemaakte keuze als een voldongen (meer- of minder teleurstellend) feit.7 Alle fracties meldden tegelijkertijd ook voorstellen van de minderheidscoalitie op merites te zullen beoordelen. Partijen stelden daarbij nadrukkelijk de voorwaarde dat in voorstellen hun politieke opvattingen voldoende tot uitdrukking komen, dan wel dat er geen voorstellen van de zijde van het kabinet worden gedaan die door hen als zeer gevoelig worden ervaren. Hierbij werden zaken genoemd als het sociaal-economische beleid, het beleid ten aanzien van ouderen, de verruiming van medische-ethische normering en beperkingen van de klassieke grondwettelijke vrijheden zoals de onderwijsvrijheid. De gesprekken met de fracties leverden geen zicht op de mogelijkheid om in dit stadium van partijen al zekerheid te krijgen over steun voor bepaalde beleidsvoornemens. Ook heeft geen van de partijen aangegeven het kabinet brede gedoogsteun te willen bieden. In mijn gesprekken is mij niet gebleken dat een eventuele motie van wantrouwen direct na aantreden van het kabinet door een meerderheid in de Kamer gesteund zal worden.
De voorzitters van de Tweede en Eerste Kamer wezen er terecht op dat samenwerking tussen coalitie en andere fracties in wat voor vorm dan ook zijn beslag moet krijgen in de gebouwen van Tweede en Eerste Kamer. Idealiter verschuift gewicht in de politieke besluitvorming van kabinet naar parlement, en van confrontatie tussen oppositie en kabinet naar samenwerking tussen coalitie en andere fracties.
Bevindingen
Eerder in deze formatie werd duidelijk dat een meerderheid van de fracties in de Tweede Kamer er aan hecht dat er snel een nieuw kabinet gevormd wordt dat antwoorden geeft op de grote vraagstukken die bepalend zijn voor de toekomst van Nederland. Over welke deze vraagstukken zijn, bestond grote overeenstemming. Ook de gesprekken met maatschappelijke partijen die ik met de fractievoorzitters van D66, VVD en CDA voerde bevestigden dit beeld.
De drie onderhandelende partijen komen weliswaar voort uit sterk verschillende politieke tradities en culturen maar verenigen zich in een aantal gedeelde ambities en plannen.8 Deze thema’s zijn opgenomen in het akkoord van D66, VVD en CDA. Hoewel het niet mogelijk is gebleken over deze thema’s bij voorbaat in het kader van deze informatiefase zekerheid te krijgen bij andere partijen in de vorm van een (gedoog)akkoord, biedt deze overeenstemming in het akkoord wel perspectief. Zij vormt namelijk een opdracht aan de coalitiepartijen gezamenlijk om overleg en overeenstemming buiten de eigen kring te zoeken op ten minste de erin genoemde onderwerpen. Deze opdracht geldt echter evenzeer voor andere fracties indien zij daadwerkelijk eigen politieke doelstellingen willen realiseren in het belang van voortgang op moeilijke en reeds lange tijd taaie onderwerpen.
Dit alles overziend kom ik tot de volgende bevindingen. Zekerheid over de duurzaamheid van een kabinet bestaat niet. De ervaring van de afgelopen kabinetten laat niet zien dat een meerderheidskabinet per definitie stabiel is en de hele rit uitzit.
De coalitie van D66, VVD en CDA kan, naar mijn oordeel, de basis zijn van een te vormen stabiel kabinet dat zich kenmerkt door een open en effectieve samenwerking met een zo groot mogelijk aantal andere fracties in de Tweede en Eerste Kamer. De door de onderhandelende partijen gemaakte afspraken kunnen naar hun aard en vorm de basis vormen voor te maken afspraken met andere partijen. Reflecterend op de context van een minderheidscoalitie kan een dergelijk kabinet een scherpe bestuurlijke koers kiezen die linkse en rechtse perspectieven laat samenwerken. Een dergelijk kabinet zal conflicten niet per se neutraliseren maar kan ze wel structureren. Politieke tegenstellingen zijn immers meerdimensionaal geworden (waarbij naast economische ook sociaal culturele thema’s zoals migratie, nationale identiteit en klimaat belangrijke conflict dimensies zijn geworden).
Om inhoudelijke redenen hebben andere partijen daarbij, zoals gezegd, ook een belang. Dat zal niet makkelijk zijn en veel politieke moed en behendigheid van alle betrokken partijen vragen. De houding van de onderhandelende fracties maar ook van een wezenlijk deel van de andere fracties maakt het mijns inziens mogelijk deze afspraken tot stand te brengen. Hoewel Nederland niet dezelfde traditie kent als in Denemarken, waar het sluiten van politieke akkoorden veel meer een gewoonte is, is het denkbaar9 en aan te bevelen dat partijen binnen en buiten de coalitie die snakken naar oplossingen op grote maatschappelijke thema’s toch tot akkoorden met elkaar komen.10
Verschillende adviescolleges pleitten al eerder voor de mogelijkheid van minderheidskabinetten als antwoord op onder meer een toenemende politieke versnippering.11 Zij deden belangwekkende aanbevelingen die helpen de slagingskansen te vergroten. Wil een minderheidscoalitie beter kunnen functioneren, is het raadzaam enkele aanbevelingen van de staatscommissie Parlementair Stelsel (2018) nader te beschouwen. Eén richt zich op de vanzelfsprekendheid dat er verkiezingen komen na de val van een kabinet. Na 1967 is dit een gewoonte geworden. Maar zoals Van der Meer en de Vreese opmerken, ‘inmiddels lokt die conventie opportunistisch gedrag uit dat de stabiliteit van coalities ondermijnt.’12 Een tweede overweging ziet op de introductie van een conditioneel terugzendrecht voor de Eerste Kamer, zodat zij haar beschouwende rol beter kan invullen zonder het politieke primaat van de Tweede Kamer te ondergraven.
Vanuit wetenschappers worden verder vier strategieën voorgesteld die kunnen bijdragen aan het succes van een minderheidscoalitie.13 De eerste is proberen te komen tot een integraal akkoord met een vaste gedoogpartner. Zoals ik eerder schreef, was hiervoor bij de fractievoorzitters van de oppositie geen steun te vinden. De tweede optie betreft lange termijn akkoorden tussen de regering en verschillende partners op verschillende beleidsterreinen. Ministers zullen in deze variant met verschillende partijen, nog voordat (wets)voorstellen naar het parlement gaan, overleg voeren. Een derde optie is het versterken van parlementaire commissies. Het verdient aanbeveling de eerdere adviezen van de commissie Van der Staaij nogmaals binnen het parlement te bespreken. Als vierde verwijzen Van der Meer en De Vreese naar het begrotingsproces. De Nederlandse politiek kent ondanks de toegenomen polarisatie, een ononderbroken lange traditie van degelijk begrotingsbeleid dat altijd op brede steun in de beide Kamers mag rekenen. Er is geen reden te twijfelen aan het voortbestaan van deze traditie. Tegelijkertijd is het voor een kabinet dat bouwt op een minderheid in de beide Kamers wel degelijk kwetsbaar steun te krijgen voor de begroting, zeker als daar ook grote uitgaven moeten worden gedekt waar ombuigingen en bezuinigingen voor nodig zijn. Een akkoord op een complexe opgave binnen de samenleving (bijvoorbeeld stikstof) kan zomaar stranden in een begrotingsdiscussie omdat de dekking vanuit een ander beleidsterrein niet gesteund wordt. Hierover is met de fractievoorzitters van de oppositie tijdens de formatie van gedachten gewisseld. Ik heb bij meerdere gesprekspartners de bereidheid gezien onderwerpen losstaand te beoordelen. Daarmee wordt voortgang per onderwerp mogelijk. Zij koppelen deze bereidheid enerzijds aan het belang dat zij zien in voortgang en besluiten en anderzijds op de verwachting (maar ook de voorwaarde) dat het kabinet zich constructief en open zal opstellen in de Kamers.
Politieke cultuur
Wil een kabinet dat kan steunen op een minderheidscoalitie effectief zijn, is meer nodig dan reglementaire aanpassingen in de werkwijze tussen kabinet en Kamers, binnen en tussen de beide Kamers. Dit vergt een diepere reflectie op de benodigde politieke cultuur. Een cultuur die uitnodigt tot samenwerking en verbinding, die dilemma’s vanuit de inhoud blootlegt en bespreekbaar maakt. Zoals Smit treffend verwoordde in zijn recent verschenen proefschrift: ‘het hoeft weinig betoog dat het wedstrijdkarakter van het parlementaire spel met name voor een minderheidskabinet een serieuze bedreiging is.’14 Ik ben mij er terdege van bewust dat de Nederlandse politiek momenteel niet gekenmerkt wordt door blokpolitiek,15 en een norm inhoudende dat oppositiepartijen zich constructief dienen op te stellen leeft evenmin. ‘De politieke cultuur in Nederland sinds het einde van de jaren 60 wordt steeds meer gedomineerd door de opvatting dat de coalitie regeert en de oppositie controleert.’16 De achtergrond hiervan was dat er tussen regering en coalitiefracties dankzij de steeds gedetailleerdere regeerakkoorden een nauwere band was ontstaan. De rol van de oppositie partijen bij de medebepaling van beleid nam daardoor af, waardoor deze zich steeds meer ging richten op de parlementaire controletaak.’
Echter er is hoop. Een minderheidscoalitie is afhankelijk van samenwerking met andere fracties, waardoor de verhouding kan veranderen van tegenstelling tussen oppositie en coalitie naar samenwerking tussen fracties. In de gesprekken die ik heb gevoerd met verschillende fractievoorzitters, heb ik gemerkt dat met name de net aangetreden Kamerleden (maar liefst meer dan 50 nieuwe leden) uitkijken naar een manier van werken die scherp mag zijn op de inhoud maar warm op de relatie. En dit laatste niet alleen achter de schermen waar de camera’s niet draaien, maar juist ook voor de schermen. Het zou een voorbeeld zijn voor velen in ons land, jong en oud, die het belangrijke Kamerwerk volgen.
Advies
Het is mijn advies dat de fracties van de coalitiepartijen voor de benodigde cultuurverandering voor zichzelf hierin een belangrijke taak zien. Van hen mag in het dagelijkse parlementaire werk een praktijk van brede samenwerking worden verwacht. Zoals Van der Staaij reeds in 2021 opmerkte: ‘om tot versterking van de kernfuncties van de Kamer te komen, is echter meer nodig dan alleen praktische verbeteringen. Het gaat niet zonder de bereidheid om elkaar wat te gunnen en onderling vertrouwen te geven (…).’17
Dat geldt uiteraard ook voor kabinet zelf. Op de grote thema’s waarop doorbraken voor Nederland noodzakelijk zijn, is het nastrevenswaardig om brede akkoorden te sluiten met zoveel mogelijk partijen in de Kamers en in de samenleving. Ik adviseer daarom om naast het betrekken van politieke partijen, ook in een vroeg stadium mede-overheden,18 maatschappelijke organisaties en adviescolleges aan tafel te vragen en hun adviezen serieus te nemen. Verras elkaar niet op inhoud en let op uitvoerbaarheid. Of zoals mijn voorganger Sybrand Buma al onderstreepte: “Wat kán moet weer de begrenzing zijn van wat de politiek wil”.
Dit alles vergt veel van de individuele bewindslieden. Persoonlijk moeten zij in staat zijn te geven en te nemen, te onderhandelen en zichzelf weg te cijferen. De aantallen kopjes koffie in de Kamer en buiten Den Haag zullen in deze periode aanzienlijk moeten toenemen.
Tot slot. Over de verdeling van posten in het beoogde kabinet en de omschrijving van de beleidsterreinen van de bewindspersonen is een aantal malen gesproken met de afspraak dat deze in de formatie zal worden afgerond. Gelet op deze besprekingen verwachten de fractievoorzitters en ik dat dit geen beletsel zal zijn voor het slagen van de formatie.
Op grond van deze bevindingen adviseer ik Rob Jetten aan te wijzen als formateur en hem met inachtneming van art. 43 van de Grondwet te belasten met de vorming van een kabinet bestaande uit D66, VVD en CDA, waartoe hij tijdig Z.M. de Koning informeert. Met de aanbieding aan u van dit verslag met bijlagen beschouw ik mijn opdracht als informateur als uitgevoerd. Graag ben ik bereid een debat van uw Kamer over dit verslag bij te wonen en de leden van de Tweede Kamer desgevraagd inlichtingen over het informatieproces te verstrekken. Ik heb met veel plezier deze opdracht uitgevoerd en wil dan ook mijn dank uitspreken aan de Tweede Kamer voor het in mij gestelde vertrouwen en de mij door de Tweede Kamer geboden hoogwaardige ondersteuning.
Een maal op 16 december 2025 met deskundigen van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en één maal op 19 januari 2026 met de wetenschappers dr. C. Smit, Prof. dr. C.H. de Vreese en Prof. dr. T.W.G. van der Meer.↩︎
Zie verslagen van verkenner Koolmees en van informateur Buma.↩︎
Een minderheidscoalitie in zowel de Tweede als Eerste Kamer.↩︎
De uitzondering hierop is uiteraard de situatie waarin het overgrote deel van de andere partijen - die verdeeld zijn over het politieke spectrum - zich onderling verenigen.↩︎
Zie Werkgroep Van der Staaij, Versterking functies Tweede Kamer, Meer dan de som der delen, 16 december 2021, oa. paragraaf 2.3.↩︎
GL-PvdA verklaarde eerder tegenover informateur Buma niet zelf deel uit te willen maken van een minderheidscoalitie.↩︎
Van de PVV is mij geen ander standpunt bekend dan op X openbaar gemaakt: https://x.com/geertwilderspvv/status/2012111551436656775?s=48&t=IJBCNcQ4WDUhSO0W3C6XnA.↩︎
Verslag verkenner Koolmees.↩︎
Tom van der Meer en Claes de Vreese, Hoe een minderheidsregering in Nederland kan werken, Groene Amsterdammer, 30 januari 2026 (onder embargo vroegtijdig ingezien).↩︎
Het gesloten pensioenakkoord is hier een mooi voorbeeld van.↩︎
Signalement Politieke Versnippering, Raad voor het Openbaar Bestuur 2016 en Staatscommissie Parlementair Stelsel, Lage Drempels, Hoge Dijken, Democratie en Rechtstaat in Balans, Eindrapport, 2018, Boom Amsterdam.↩︎
Tom van der Meer en Claes de Vreese, Hoe een minderheidsregering in Nederland kan werken, Groene Amsterdammer, 30 januari 2026 (onder embargo vroegtijdig mogen inzien).↩︎
Idem.↩︎
C. Smit, Minderheidskabinetten in Nederland en Denemarken, Boom, 2025, p. 337.↩︎
Zie C. Smit, Minderheidskabinetten in Nederland en Denemarken, Boom, 2025, p. 443.↩︎
Idem.↩︎
Hij verwees hierbij in het bijzonder naar het intensiever werken met rapporteurschappen, p. 3.↩︎
Dhr. Polman heeft in oktober 2025 vijf belangrijke bouwstenen aangeleverd waarmee de samenwerking tussen het Rijk en de mede-overheden verbeterd kan worden, zie Samen bouwen aan resultaten, Vijf bouwstenen voor toekomstbestendige interbestuurlijke verhoudingen eindrapport Studiegroep Interbestuurlijke verhoudingen.↩︎