[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Handreiking Sociaal Medische Indicatie (SMI)

Kinderopvang

Brief regering

Nummer: 2026D04577, datum: 2026-01-30, bijgewerkt: 2026-02-02 08:14, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van kamerstukdossier 31322 -574 Kinderopvang.

Onderdeel van zaak 2026Z01982:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


Inleiding

Kinderopvang is voor veel gezinnen essentieel. Het stelt ouders in staat werk en zorg te combineren en draagt bij aan de ontwikkeling van kinderen. Dit geldt ook wanneer er sociaal medische problematiek speelt in een gezin. Bijvoorbeeld in een gezin waar een ouder chronisch ziek is en voor wie de zorg voor de kinderen een te zware belasting is. Kinderopvang vormt daarbij vaak een sleutel bij het vinden van een oplossing voor deze gezinnen. In veel van die gevallen hebben deze gezinnen echter geen recht op kinderopvangtoeslag omdat zij niet voldoen aan de arbeidseis. Zij kunnen daarom bij hun gemeente een vergoeding voor de kosten van kinderopvang krijgen, via de Sociaal Medische Indicatie (SMI). Gemeenten hebben beleidsvrijheid bij de uitvoering van SMI. Beleidsvrijheid maakt maatwerk mogelijk, maar levert ook verschillen tussen gemeenten op.

De afgelopen jaren heeft SZW diverse signalen van ouders ontvangen dat sommige van deze verschillen onwenselijk en niet uitlegbaar zijn. Zo kan het gebeuren dat een gezin in de ene gemeente wél SMI krijgt, maar een gezin in diezelfde situatie in de naastgelegen gemeente niet. Hierdoor ontstaan schrijnende situaties waardoor gezinnen in nog zwaarder weer terecht kunnen komen. Deze signalen vormden in augustus 2023 ook aanleiding voor Kamervragen van het toenmalig lid Sahla (D66).1 In de beantwoording is toegezegd om samen met gemeenten en VNG te onderzoeken op welke wijze verschillen zo klein mogelijk en uitlegbaar gemaakt kunnen worden.

Ik heb daarom samen met VNG en gemeenten gewerkt aan afspraken die de ongelijkheid verkleinen. Dit heeft tot een concreet resultaat geleid in de vorm van een gezamenlijke handreiking SMI met een basislijn. Het doel van de basislijn is verschillen tussen gemeenten verkleinen en ouders duidelijkheid geven over wat ze voor SMI minimaal van hun gemeente kunnen verwachten. De basislijn is daarmee geen norm, maar een minimum.

Deze aanpak sluit aan bij de motie van de leden De Kort en Inge van Dijk.2 Deze verzoekt de regering om in overleg met gemeenten te komen tot vereenvoudiging en een basisniveau van gemeentelijke regelingen, met mogelijkheden voor maatwerk zonder buitensporige verschillen.

Om gemeenten te ondersteunen bij de uitvoering van SMI heb ik extra middelen vrijgemaakt. Sinds 2025 ontvangen gemeenten via het gemeentefonds
€ 5 miljoen euro extra. Vanaf 2029 volgt nog eens € 5 miljoen euro.

Vandaag wordt de handreiking tijdens een bijeenkomst met gemeenten gelanceerd. Met deze brief stuur ik uw Kamer de handreiking en de bijbehorende modeldocumenten toe. In deze brief licht ik eerst toe wat SMI is. Daarna informeer ik u over welke signalen de VNG en ik ontvangen hebben. Daarna ga ik in op het proces en de inhoud van de handreiking, de basislijn en de modeldocumenten. Ik sta vervolgens kort stil bij de voor SMI beschikbare middelen. Daarna informeer ik u over de samenhang met de motie De Kort en Inge van Dijk. Ik sluit af met het werpen van een blik vooruit.

Wat is SMI

SMI is sinds 2005 een gemeentelijke regeling voor gezinnen die níet aan de voorwaarden voor kinderopvangtoeslag voldoen, maar door sociaal medische problematiek kinderopvang wel hard nodig hebben, of wanneer de ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. Het kan bijvoorbeeld gaan om gezinnen waarin een ouder ziek wordt en niet meer kan werken. Maar door de ziekte ook niet de volledige zorg voor de kinderen kan dragen. Door gebruik te kunnen maken van kinderopvang kan de zieke ouder rusten en wanneer mogelijk werken aan herstel. Het kan ook gaan om een gezin waarin een van de kinderen ziek is en een van beide ouders noodgedwongen moet stoppen met werken, om te kunnen zorgen voor het zieke kind. Als de andere kinderen naar de opvang kunnen gaan ontlast dat de ouders en hebben de kinderen de mogelijkheid om zich op de kinderopvang te ontwikkelen en met leeftijdgenoten te spelen.

Gemeenten kunnen aan deze gezinnen een vergoeding voor de kosten van kinderopvang geven, deels (bijvoorbeeld volgens de kinderopvangtoeslagtabel) of volledig. Afhankelijk van de behoefte kan de duur van SMI variëren: in het ene geval volstaan twee dagen per week gedurende zes maanden, in het andere geval zijn er drie of meer dagen nodig en in andere gevallen is SMI voor een langere periode nodig.

Er zijn geen voorwaarden vanuit het Rijk waar gemeenten aan moeten voldoen. Gemeenten hebben beleidsvrijheid in de uitvoering van SMI en kunnen maatwerk bieden. Ook kunnen gemeenten zoeken naar de best passende oplossing voor deze gezinnen. Denk bijvoorbeeld aan de combinatie met peuteropvang of Voorschoolse Educatie (VE).

Signalen

Er komen zowel bij SZW als bij Dienst Toeslagen en Professionals voor Maatwerk Multiproblematiek (PMM), regelmatig signalen binnen van ouders die verschillen ervaren en onvoldoende geholpen worden met SMI. De belangrijkste signalen zijn de volgende:

  • Ouders die wel onder de doelgroep vallen krijgen géén vergoeding via SMI, omdat de gemeente waarin ze wonen alleen SMI verstrekt aan gezinnen die onder de bijstandsnorm vallen. Terwijl dergelijke problematiek élk gezin kan overkomen, onafhankelijk van inkomen. De financiële toegankelijkheid, in beide eerdere Kamerbrieven al als aandachtspunt gesignaleerd, vormt nog steeds een knelpunt.

  • Gemeenten beschouwen SMI als een tijdelijke vangnetregeling en geven daarom meestal slechts voor een korte periode SMI af.

  • Dit volstaat niet bij ouders die te maken hebben met langdurige problematiek. Zij hebben voor een langere periode SMI nodig, maar verkeren in de praktijk vaak in onzekerheid of ze een verlenging kunnen krijgen of niet.

  • De regeling is voor ouders complex en de administratieve lasten zijn vaak hoog. Er moet veel informatie worden aangeleverd, ook wanneer verlengingen aangevraagd moeten worden.

De handreiking SMI

Belangrijkste onderdeel van de handreiking is de basislijn. Daarnaast omvat de handreiking informatie over afwegingen bij het vormgeven van het SMI-beleid en praktische handvatten over communicatie over SMI.

In het traject waarmee we gekomen zijn tot deze handreiking zijn veel belanghebbenden betrokken en hebben we veel input opgehaald. Er zijn gesprekken gevoerd met ouders, om alle knelpunten in kaart te brengen. Het was heel waardevol dat deze ouders, die zelf in een hele moeilijke situatie zitten, de tijd en energie hebben gevonden om hun verhaal met ons te delen. Ook is samen met de VNG gesproken met verschillende gemeenten en de G4, om te verkennen op welke aspecten gewerkt kan worden aan meer uniformiteit in de uitvoering van SMI. Op basis van deze input is samen met VNG de basislijn opgesteld. In een bestuurlijk overleg hebben we afgesproken om de basislijn in een handreiking te verankeren. Deze handreiking is vervolgens samen met een werkgroep van gemeenten ontwikkeld.

De basislijn

VNG, gemeenten en SZW streven ernaar om de uitvoering van SMI volgens onderstaande afspraken te organiseren. Waar ruimer beleid mogelijk is, is het wenselijk om dat te behouden. De basislijn is nadrukkelijk een minimum aanbod, geen streefnorm, bedoeld om onwenselijke verschillen te verminderen, met behoud van maatwerk dat ouders ten goede komt.

  1. Gemeenten leggen SMI vast in een verordening.

  2. Gemeenten zetten zich in om de punten uit de basislijn te implementeren.

  3. SMI is de (tijdelijke) vangnetregeling voor gezinnen (ouders en kinderen) zonder recht op kinderopvangtoeslag en waar sociaal-medische problematiek speelt en/of waar de ontwikkeling van het kind in het gedrang is. Via SMI kunnen deze gezinnen een vergoeding voor kinderopvang krijgen. Bij de toekenning van SMI wordt eerst gekeken naar voorliggende voorzieningen.

  4. Alle kinderen uit de doelgroep (zie 3) in de leeftijd tussen 0 en het einde van de basisschoolleeftijd kunnen in aanmerking komen voor SMI.

  5. Gemeenten hanteren geen inkomens- en vermogenstoets voor de toegang tot SMI. Inkomen en vermogen zijn dus geen uitsluitingsgrond. Het inkomen kan vervolgens wel dienen om de hoogte van de vergoeding te bepalen (zie afspraak 11).

  6. Gemeenten doen een basisaanbod van minimaal 2 dagen per week (of een daaraan gelijkstaand aantal uren) en 6 maanden. Als gemeenten een ruimer basisaanbod hebben, is het wenselijk dat vast te houden. Als minder nodig is, kan dat ook.

  7. Als sprake is van langdurige problematiek, kan de gemeente de toekenning van de tegemoetkoming SMI één of meerdere keren verlengen.

  8. Gemeenten nemen in hun verordening een hardheidsclausule op zodat zij in uitzonderlijke situaties kunnen afwijken van het lokale SMI-beleid. Dit kan het geval zijn wanneer op voorhand duidelijk is dat SMI langdurig nodig is, zoals bij chronische problematiek.

  9. Wanneer gemeenten na toekenning van SMI een bepaalde inzet van ouders verwachten, is dat enkel gericht op het werken aan herstel.

  10. Gemeenten monitoren de ontwikkeling in het gezin. Zo houden zij grip op de noodzaak van SMI en kunnen ze snel beoordelen in hoeverre een verlenging nodig is.

  11. Gemeenten gebruiken de KOT-tabel of de VNG adviestabel ouderbijdrage peuters om de eigen bijdrage te bepalen. Gemeenten kunnen meer vergoeden dan deze tabellen voorschrijven. Aandachtspunt daarbij is dat het vaststellen van de vergoeding overeenkomt met de wijze waarop dat bij andere lokale regelingen wordt gedaan.

  12. Gemeenten maken ten behoeve van de eigen bijdrage een zo actueel mogelijke inschatting van het inkomen van de ouders.

  13. Bij een aanvraag van de tegemoetkoming SMI vragen gemeenten alleen de strikt noodzakelijke gegevens op.

  14. De informatievoorziening aan ouders is begrijpelijk en maakt duidelijk wat zij moeten doen.

  15. Gemeenten monitoren actief de klanttevredenheid.

De eerdergenoemde belangrijkste knelpunten worden hiermee als volgt ondervangen: Met punt vijf uit de basislijn spreken we af dat inkomen geen uitsluitingsgrond mag vormen voor toegang tot de regeling. Zo wordt geborgd dat elk gezin dat onder de doelgroep valt via SMI een financiële tegemoetkoming mag verwachten.

Met punt zes spreken we af dat elk gezin SMI voor minimaal zes maanden en minimaal twee dagen per week mag verwachten. Punt zeven stelt dat verlengingen mogelijk zijn, wanneer die noodzaak er is. En punt acht zorgt ervoor dat gezinnen die op voorhand voor langere tijd SMI nodig hebben, zoals bij chronische ziekte, van hun gemeente kunnen verwachten dat die mogelijkheid er is.

De modeldocumenten

De handreiking wordt aangevuld met een aantal door bureau Stimulansz ontwikkelde modeldocumenten. Deze zijn erop gericht de uitvoering van SMI voor gemeenten eenvoudiger te maken en verschillen tussen gemeenten te verkleinen. Ook komen we tegemoet aan het signaal van ouders dat het aanvragen van SMI vaak complex is. De werkgroep van gemeenten heeft meegekeken op de modeldocumenten.

Stimulansz heeft de volgende modeldocumenten ontwikkeld:

  • Aanvraagformulier SMI

  • Brief ontbrekende gegevens SMI

  • Beschikking toekenning SMI

  • Beschikking verlenging SMI

  • Beschikking afwijzing SMI

  • Een publiekstekst SMI

De documenten zijn als bijlage toegevoegd bij deze brief.

Extra middelen

Gemeenten ontvangen middelen voor SMI via het Gemeentefonds. In 2025 is jaarlijks € 5 miljoen extra beschikbaar gesteld, vanaf 2029 komt daar nog eens
€ 5 miljoen bij. Daarmee is de omvang van het budget in 2029 circa € 55 miljoen euro. De extra middelen zijn vrijgemaakt omdat gemeenten aangeven dat het
SMI-budget knelt.

Sommige gemeenten leggen eigen middelen bij, andere gemeenten kiezen bijvoorbeeld voor een beperking van SMI in duur of kiezen voor een beperking van de doelgroep. Deze extra middelen en de handreiking moeten zorgen voor een verbetering van de toegankelijkheid van SMI.

Link met de motie De Kort en Inge van Dijk

In het Nationaal Programma Armoede en Schulden heeft het kabinet aangegeven in te willen zetten op verbetering en vereenvoudiging van het gemeentelijk armoedebeleid. Aanleiding hiervoor vormden verschillende rapporten, onder meer van de Commissie sociaal minimum en het Instituut voor Publieke Economie (IPE) die lieten zien dat er bij het gemeentelijk minimabeleid sprake is van versnippering en soms grote verschillen tussen gemeenten.3 Het kabinet vindt dit niet wenselijk en wil hierin stappen zetten, indachtig de motie van de leden De Kort en Inge van Dijk die oproept om in overleg met gemeenten tot vereenvoudiging en een basisniveau van gemeentelijke regelingen te komen. De stappen die het kabinet nu zet met de handreiking en basislijn SMI dienen als voorbeeld van de verbetering en vereenvoudiging die het kabinet wenst. In de voortgangsrapportage van het Nationaal Programma zal ik uw Kamer nader informeren over de stand van zaken rond het verbeteren en vereenvoudigen van het gemeentelijk armoedebeleid.

Blik vooruit

De handreiking, de modeldocumenten en de extra middelen bieden een goede basis om de uitvoering van SMI te verbeteren, onwenselijke verschillen te verkleinen en ouders meer zekerheid en ondersteuning te bieden. Veel gemeenten hebben al een bredere dienstverlening dan de basislijn. Graag kijk ik samen met VNG en gemeenten verder naar manieren om gemeenten te ondersteunen om de basislijn te implementeren. Een van de stappen daarbij is om de handreiking goed onder de aandacht van gemeenten te brengen en informatie handzaam aan te bieden. Daarnaast is het van belang om te bekijken op welke wijze meer inzicht in SMI verkregen kan worden en te volgen in hoeverre de basislijn het gewenste effect heeft: minder onwenselijke verschillen en verbetering van de toegankelijkheid van SMI. Op die manier kan ook nog beter invulling gegeven worden aan de motie De Kort en Inge van Dijk.

De Staatssecretaris Participatie en Integratie,

J.N.J. Nobel


  1. Kamervragen (Aanhangsel) 2022-2023, nr. 3642 | Overheid.nl > Officiële bekendmakingen↩︎

  2. Kamerstuk 36582, nr. 63 | Overheid.nl > Officiële bekendmakingen↩︎

  3. Commissie sociaal minimum (2023): Een zeker bestaan II, naar een toekomstig stelsel van het sociaal minimum; Instituut voor Publieke Economie (2025): Eerlijker en eenvoudiger armoedebeleid – Landelijke basis, lokaal maatwerk.↩︎